Het verruimde fenotype

°

//  rubrieken  = evolutie : EXTENTED   PHENOTYPE

°

Picture 2

The_Extended_Phenotype <— pdf   (E-book )

Uitreksel uit de inleiding  : 

extended phenoptype   1

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2013/10/05/an-extended-beaverian-phenotype/

http://en.wikipedia.org/wiki/Phenotype

http://nl.wikipedia.org/wiki/Fenotype

http://en.wikipedia.org/wiki/The_Extended_Phenotype

°

HOE VER REIKT  DE INVLOED  VAN GENEN  OP DE  LEEFOMGEVING (= UMWELT ) VAN(EEN)  ORGANISME(N ) ? 

 door  Philip Hunter

Inleiding
Het idee van  een  uitgebreid fenotype (Extended Phenotype ), is voor het eerst gelanceerd door de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins .

1.-…Het werd als nieuw begrippen-geheel   voorgesteld om uit te  leggen  “hoe en waarom organismen ___of, meer fundamenteel, hun genen__ in staat zijn om hun leefomgeving te manipuleren ( Dawkins, 1982 )”

2.-… het is tevens  het onderwerp  van een intens debat en van  veel inspirerend, onderzoek  dat ondertussen gedurende meer dan 20 jaar plaatsvond  .

In zijn boek, The Extended Fenotype: The Long Reach van de Gene, , merkte Dawkins op- dat, ”  E P [–> Extended phenotype  = Het uitgebreide fenotype) verandert de manier waarop we de fitness van  dieren en planten   beschouwen en kan leiden tot het opstellen  van nieuwe  toetsbare hypothesen die we anders nooit hadden kunnen bedenken  /dromen  “

°
Het EP concept is  een samenvatting en  een  stimulans geweest voor een groot deel van de hedendaagse biologische onderzoek activiteiten –> ” genomics “en” proteomics “leverden /leveren  nieuwe ondersteuningen    aan   het belang van dit conceptueel uitgangspunt  .

EP helpt (bijvoorbeeld )uitleggen hoe parasieten het gedrag  van hun gastheren in hun voordeel wijzigen…en/ of geeft een verklaring voor het nestbouw- gedrag van vogels  …. .

—> In het bijzonder, is er  ook nog  de  studie  van de  relatie tussen de bacteriële flora van de darm en het gastheer- zoogdier ___ een hot topic van de laatste tijd  /   Het Microbionoom is  aldus  een van de  voorbeelden van  vruchtbaar gebruik  van  het EP -concept  : het heeft dus veel opgeleverd  en vormt ook een aanbeveling   ter ondersteuning van de thema’s die door Dawkins oorspronkelijk werden  geschetst.

File:Skin Microbiome20169-300.jpg

Terzelfderlijd tijd war (is)  er een  doorlopende  discussie tussen de voorstanders van het neo-Darwinisme  ____ waarbinnen  het EP een belangrijke component  blijkt te zijn  ____ en wel tussen de evolutiebiologen    die voor nog andere theorieën( zoals  ook   nicheconstructies ,  als  de materieele   erfenis  ( een aantal  millieu wijzigingen van “culturele aard ” als artefakten en patrimonium  ) voor het nageslacht , pleiten)….. en  wat dan staat voor andere factoren dan de louter genetische (=genetisch centrisme ) ___ maar(tegenwoordig dus  ) wél naast (of samen met ) het het concept dat genen een cruciale rol spelen in de manier waarop organismen hun leefomgeving manipuleren ,….. en zodat hun nakomelingen zowel een genetische erfenis  als   een  ” beter aangepaste “levensmilieu-erfenis , krijgen doorgespeeld .

Deze verschillende insteken van de EP-debat ( gencentrisme  en omgevingsmanipulaties ) werden uiteindelijk samengesmolten op een conferentie over het onderwerp, georganiseerd door de European Science Foundation (ESF; Straatsburg, Frankrijk) in het najaar van 2008.

De belangrijkste conclusie van de bijeenkomst was dat het EP begrip nog relevanter is geworden in het licht van recent onderzoek, maar dat de rol van het concept uiteindelijk zal worden beperkt tot een verklarende functie , eerder dan als een instrument voor het ontwerpen van zinvolle experimenten.

In feite gaat het om een EP dat door de genen van een organisme weliswaar  kan worden uitgedrukt en doorgegeven    maar  dat uiteindelijk  hun onmiddellijke biologische grenzen, zoals huid, schelpen of bladeren, achter zich laat  (—>  nesten , webben ,termietenheuvels  en zelfs  schijnbaar  “intelligente ”  denk-constructies  zoals aangeleerde succesvolle gedragingen en  beinvloeding van bijvoorbeeld gastheren    etc….)

Het EP uitgangspunt   kan dus  zowel de studie van de nest-bouw als de manipulatie van gastheer gedrag door parasieten en parasitoiden omvatten .

Het belangrijkste punt is dat de EP verwezenlijkingen  ( zoals nesten of de dammen gebouwd door bevers,of manipulatief gedrag ) kunnen worden verbonden  met de kwaliteit en/ of functionaliteit die correleerden met bepaalde allelen van het organisme, waarop natuurlijke selectie vervolgens kon ingrijpen en fungeren.

°

Het essentieele verschil tussen EP en nicheconstructie

 Binnen het EP geldt een reproductief zwaartepunt = “voordelen” worden ( binnen het EP ) slechts doorgegeven door de genen van een organisme, in plaats van dat  =   een veranderde ecologische niche het nageslacht betere kansen zou bieden . .

Op deze wijze,leidt(bijvoorbeeld)  een allel tot betere dammenbouw  bij de bever waarbij  de gunstige allel expressie door de generaties heen , optimaliseerd .

Ook een allel dat de parasiet effectiever maakt in het verzwakken van de weerstand en   vluchtmechanismen van zijn gastheer en dat op enigerlei wijze het gedrag van zijn gastheer kan wijzigen ,____maakt het ook mogelijk dat het nageslacht van de parasiet een nieuwe gastheer of veranderende gastheer kan gaan gebruiken   en dat in  een soort van  evolutionaire  wapenwedloop —- en waar eveneens voor geselecteerd  kan  worden door de natuurlijke selectie.

Zoals Dawkins schreef,
“Replicators zijn niet natuurlijk, rechtstreeks gekozen, maar bij volmacht; ze worden beoordeeld ( = of behouden )  op hun fenotypische effecten

Hoewel het voor sommige doeleinden handig is om te denken dat al deze fenotypische effecten samen worden verpakt in de discrete ‘voertuigen van de genen ‘ zijn dergelijke individuele organismen niet fundamenteel noodzakelijk.

Veeleer moet de replicator worden gezien, als de fenotypische effecten die zich hebben uitgebreid, en nu ook  bestaan  uit al zijn gevolgen voor de  binnen en buiten wereld als geheel, niet alleen de effecten ervan op het individuele lichaam waarin het blijkt te zitten, te reizen en te worden gerepliceerd “( Dawkins, 1982 ).

Het punt is dat het EP  NIET   het fenotype van het organisme waarvan de genen waarvoor het codeert, is :  maar wel het   fenotype van een nest, een dam of,( bij parasiet-gastheer interacties,) gedragsveranderingen—> zelfs het “instinctieve ” gedrag  van de gastheer.

(geinfecteerde  ratten en   muizen  bijvoorbeeld  waarbij   kattenurine  niet meer als afschrikwekkend wordt ervaren )

Muis kan angst voor kat permanent verliezen

Muizen kunnen hun angst voor katten permanent verliezen, zo blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek.

19 september 2013

Muizen vertonen geen angst meer voor katten na infectie met de parasiet Toxoplasma gondii. Dit was al langer bekend, maar ook als de dieren zijn genezen van de infectie keert de angst voor katten niet terug.

Waarschijnlijk wordt de structuur van muizenhersenen blijvend veranderd door de parasiet, waardoor de knaagdieren zich anders gaan gedragen.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Californië in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One.

Urine

De wetenschappers testten de angst van de knaagdieren voor katten door gezonde en met Toxoplasma gondii besmette muizen te confronteren met kattenurine.

De gezonde muizen bleven tijdens het experiment angstvallig uit de buurt van de kattenontlasting. De met Toxoplasma gondii besmette dieren vertoonden zoals verwacht geen angst.

Maar opvallend genoeg liepen ook de van de parasiet genezen knaagdieren zonder aarzelen op de kattenurine af.

“Zelfs wanneer de parasiet niet meer in het brein zit, blijft er een soort gedragsverandering bestaan, zonder dat we weten welk mechanisme dit veroorzaakt”, verklaart hoofdonderzoekster Wendy Ingram op denieuwssite van de Universiteit van Californië.

Mensen

De parasiet Toxoplasma gondii wordt verspreid door verschillende dieren, waaronder katten. Waarschijnlijk worden muizen besmet als ze per ongeluk in contact komen met kattenontlasting. Ook mensen kunnen gemakkelijk geïnfecteerd raken door de parasiet, bijvoorbeeld door het eten van varkensvlees dat niet gaar is.

Naar schatting is ongeveer een derde van de wereldbevolking besmet met Toxoplasma gondii. Gezonde mensen ondervinden normaal gesproken weinig of geen last van de parasiet, wel zijn er aanwijzingendat ook de structuur van het menselijk brein kan veranderen door de infectie.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2007/april/Rat-wordt-makkelijke-hap.html

Dit werd vroeger  ook door andere  dramatische voorbeelden  aangetoond

EP  nematoden die mieren infecteren die daarop gaan lijken op rijpe vruchten ( Hughes et al., 2008 ).
Frugivore  vogels die normaal geen mieren eten , pikken de mieren op wiens abdomen op rijpe bessen gaan lijken …waarbij ze dus ook de nematode eieren in hun uitwerpselen gaan verspreiden ….eieren die trouwens elders worden verzameld door de plaatselijke mieren op zoek naar zaden (waarop ze dus sterk kijken ) als voedsel voor hun larven , waardoor de cyclus word voltooid .

Parasiet maakt van mier een rode bes

Pas ontdekte rondworm verandert mieren in lokaas voor vogels

In het regenwoud van Panama hebben onderzoekers een sluwe parasiet ontdekt die mieren in bessen verandert.
De parasiet, een rondworm, infecteert de mier, waardoor zijn zwarte achterlijf rood wordt. De rode kleur trekt vogels aan, die de mier aanzien voor een rijpe bes en ’m opeten. De parasiet komt zonder kleerscheuren door de spijsvertering van vogels heen; die poepen hem uit, en dan wordt hij weer opgepikt door andere mieren. Ze voeden hun larven met de rondworm, en zo groeit er weer een generatie mieren op als een stel bessen.
De bizarre levenscyclus van de rondworm is bij toeval ontdekt door hoogleraar biologie Robert Dudley van de universiteit van Californië, toen hij een mierensoort bestudeerde die in de boomtoppen van de jungle in Zuid- en Midden-Amerika leeft. Dudley verbaasde zich erover dat diverse werkmieren een rood achterlijf hadden; in zijn lab sneed hij de insecten onder de microscoop aan plakjes. In hun buik trof hij honderden eitjes van de rondworm aan. Nader onderzoek wees uit dat ongeveer 5% van de werkmieren in een kolonie door de rondworm is besmet.

fruitige mier

http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2008/januari/Fruitige-mieren.html

In dit geval, net als in andere gevallen , wijzigt de nematode,  geensziens  op directe  wijze  mierengenen , maar wijzigt  veeleer het gedrag  en   het uiterlijke  van de mier door middel van haar eigen genen . Het nieuwe ‘fruit fenotype’ van de mier , is eigenlijk het EP van de nematode.

Het punt is dat het EP niet het  lichamelijke  fenotype van het organisme is  waarvoor diens genen  coderen  Maar het EP   is het fenotype van (bijvoorbeeld ) een nest, een dam of […] veranderingen in gedrag of het uiterlijk van de gastheer

Naast constructies-zoals vogelnesten of bever dammen-en gemodificeerde gastheer gedrag, is er een derde categorie van het EP, dat wordt omschreven als genetische werking op afstand, zoals opgemerkt door David Hughes, convenor van de ESF-workshop, (nu aan de Harvard University (Cambridge, MA, USA).

“De parasiet en zijn gastheer zijn in nauw contact, maar genen kunnen ook EPs veroorzaken, zelfs als de twee organismen fysiek gescheiden zijn,” zei hij.

“Een voorbeeld  kunnen  orchidee -genen zijn   waardoor een vlieg  (of solitaire bij) tot bestuiving  wordt aangezet door een truuk waarbij een specifieke insect  imitatie door de orchidee wordt gebruikt …. De bestuivers   ‘denken’  bij het zien of ruiken van de de orchidee -imitatie  aan een potentieele partner ”

In dit voorbeeld  veroorzaakt de orchidee  het  fenomeen  van  pseudocopulatie  :  de bloem  bootst een sexuele partner na via geschikte chemische en tactiele signalen, om zo (voornamelijk)  mannelijke insecten aan het paren te krijgen met de imitatie en alzo de bloem te bestuiven . In dit geval is het EP gewijzigde gedrag van het insect en  zijn de allelen van genen die bij de  betrokken bloem  de vrouwelijke  “insekten ” nabootsen , het meest effectief geworden door natuurlijke selectie.

orchids

Ophrys eleonorae and Ophrys lupercalis, a wild hybrid orchid, whose pollinator, a male solitary bee, is engaged here in pseudocopulation. Photograph: Christian Ziegler/Minden Pictures

Poppenorchis met de bestuiver. Een heel klein sluipwespje.
Afbeelding
Afbeelding

http://www5.knnv.nl/europese-orchideeen/fotos-van-bestuivers

–>  website van Nicolas Vereecken. Op deze site zijn schitterende foto’s van orchideeënbestuivers te vinden.

zie ook
Extended phenotype redux

Extended fenotype redux
© Image Source / Corbis

http://www.nature.com/embor/journal/v10/n3/full/embor200918.html

Van deze drie categorieën zijn  de EP constructies  het meest bekend  en tot dusver  grondig bestudeerd .

Zoals Dawkins heeft opgemerkt, heeft dit geleid tot verwarring over hoe ver het EP  reik…

Een aantal mensen  beweerden dat(minstens )  de  blauwdruk voor  bepaalder  EP – bouwsels(–> bijvoorbeeld termietenheuvels  ) van een   van zijn fouten lerende  ontwerpende (blinde ) architect  afkomstig zouden  zijn

Maar het is  NIET   zo  dat de  specifieke allelen   verantwoordelijk voor het resultaat , meer of minder waarschijnlijk  gekozen  zouden zijn gebaseerd op het” ontwerp van de laatste bouwels of prototype ”  . Dit idee leide  wel  tot de behandeling van de interessante  voorbeeld-situatie dat deze (gemodificeerde ) constructies  het product van   vele organismen zouden zijn  ( van dezelfde soort ? ) ipv  een  enkel organisme.

Dit is waar nicheconstructie theorie in het spel komt, en het is het onderwerp dat heeft geleid tot discussies tussen voorstanders van het EP en de voorstanders van nicheconstructie.

Nicheconstructie theorie gaat verder dan het EP door te suggereren dat veel organismen in een ecosysteem de selectieve druk op ieder  van hen kan veranderen door het wijzigen van hun omgeving op verschillende manieren_____niet noodzakelijk om hun eigen directe voordeel.

Dawkins heeft betoogd dat nicheconstructie  eigenlijk een speciaal geval is  van het EP ( Dawkins, 2004 ), dat in feite   betrekking heeft, op de genen van die organismen die deelnemen aan de relevante milieucomponenten van de niche.

Maar, heeft hij het idee dat  ” evolutie kan handelen in een bredere zin over een volledig ecosysteem en uit te breiden tot organismen die niet direct betrokken zijn bij de nicheconstructie ” ,  verworpen  .

Hij heeft er opnieuw op gewezen,  dat selectie alleen kan   werken op de  voorhanden zijnde   variaties van  de replicators, die (bijna ) altijd allelen zijn

Toch,  zullen  sommige voorstanders van nicheconstructie volhouden dat evolutie kan werken met  een groter bereik: bever dammen zouden kunnen profiteren  van  andere dieren die niet direct betrokken zijn bij de bouw, bijvoorbeeld, het vergroten van de geschiktheid van die organismen.

Hoewel dit het geval zou kunnen zijn, heeft Dawkins erop gewezen dat dit nog niet zou betekenen  dat  elke vorm van niet species eigen  selectie  op de  bever allelen zou inwerken. Alleen de selectie van die organismen waarvan de  bijdrage leid tot  betere dammen,  is van rechtstreeks belang   voor bevers en kunnen  vervolgens invloed hebben op de selectie van de bever genen.

Het debat over het EP werd nieuw leven ingeblazen

°

Antwoord aan Laland, Turner en Jablonka ( Dawkins, 2004 ).

Dawkins  bracht als antwoord in  2004  het  document, ” Extended Fenotype-“ maar dit was niet echt uitgebreid.

Het was een directe reactie op papers door de zogenaamde ‘niche constructionists’ Scott Turner, State University van New York (Syracuse, NY, USA), Kevin Laland, aan de Universiteit van St. Andrews (Fife, Verenigd Koninkrijk), en Eva Jablonka, Universiteit van Tel Aviv in Israël.

In zijn paper, verduidelijkte  Dawkins dat het EP begrip  alleen geldig was  in situaties waarin er een rechtstreeks verband bestond  tussen variaties in het EP en  de selectie van de replicators.

“Uitgebreide fenotypes zijn alleen die  naam waardig als ze kandidaat  zijn  bij  aanpassingen ten behoeve van allelen verantwoordelijk zijn voor variaties in het EP ”  schreef hij.

De niche constructionistische opvatting  leek te  argumenteren  voor   de opvatting   dat verschillende selectieve(species eigen en species vreemde )  druk soorten  aan elkaar gekoppeld kunnen worden ter constructie van  een groter bereik terwijl die constructie  tegelijkertijd    op de genen van vele organismen  kan    inwerken ______een uitbreiding van  het EP-fenotype….(  te ver gaand  , volgens Dawkins ‘.)

SINDS het papier uit  2004, zijn   EP en nicheconstructie ,  vaak afgeschilderd als tegengestelde standpunten, ten minste tot de  ESF conferentie waarin de  consensus werd  bereikt dat de twee meer complementair dan tegenstrijdig, zijn

Volgens Patrizia d’Ettorre, Associate Professor bij het Centrum voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Universiteit van Kopenhagen, Denemarken, die een verslag van de bijeenkomst schreef.

“[W] e concludeerden dat het EP  vandaag nog steeds  levend en wel is …. en dat  NIET  in strijd is met begrippen als nicheconstructie of interactie fenotypes,” bevestigde ze, en voegde eraan toe dat een van de belangrijkste verwezenlijkingen was   ”  het overtuigen van vertegenwoordigers van de verschillende standpunten om rechtstreeks te communiceren met elkaar.”

In feite, gaf de EP kamp toe dat fenotypes communiceren op grote schaal en invloed hebben  op de adaptieve landschap waarin zij opereren, door (o.a; ) het creëren van feedback op de organismen die ze te uiten.

Op zijn beurt, waren de niche constructionists het  eens  met de  bewering  dat EP allelen  alleen (evolutionaire ) invloed kunnen   uitoefenen mits het bestaan  van  directe selectieve druk op de betrokken genen   ( of andere replicator-zoals-memes )als er variatie in EP verband met de replicator.

Toch is de discussie in de ESF vergadering  verschoven naar de  toekomstige   bespreking van de vraag of de nicheconstructie  een  belangrijke evolutionaire drijvende kracht is  .

Niche constructionists, zoals Turner, die de conferentie ESF bijgewoond, beweren dat de neo-darwinistische opvatting   van het gen als de enige determinant van cellulaire processen en uiteindelijk fenotypes, en als de overheersende eenheid van het adaptieve proces,(= een vorm van genetisch determinisme )  zeer te wensen overlaat .

Turner voerde op de conferentie  aan dat   ” onze groeiende kennis van erfelijke epigenetische mechanismen die effectief gen-expressie veranderen___en dus ook het  fenotype  veranderd _____suggereert dat de evolutie werkt op verschillende niveaus boven het gen niveau  ”

. Het eerste principes van genetische overerving alleen, zei hij, kan geen verklaring geven   voor de fysiologische factoren  in  morfogenese   en het  soepele  aanpassingsvermogen.

Jablonka gaat nog verder, als ze stelt dat ” ….de darwinistische evolutie wordt  evenzeer gedreven door  de aanpassingen  van ecosystemen als door  door genetische sequenties ( Jablonka, 2004 ). ”

Wat nicheconstructie, gaan we  verder dan Dawkins ‘EP idee,….. Omdat we  erkennen  dat variaties in ecologische legaten kunnen worden overgeërfd, en dat dit zelfs kan gebeuren als er geen sprake is  van   genetische verandering____geen verandering in DNA basenvolgorde,” zei ze.

Jablonka gelooft ook dat epigenetische mechanismen een cruciale rol in deze adaptieve dans tussen organismen en milieu vervullen  :.

“…. De Ecologische erfenis kan worden vergemakkelijkt of afhankelijk zijn van  duidelijker  epigenetische overerving mechanismen , kan co-ontwikkeling van   epigenetische variaties  induceren  :   bijvoorbeeld op  voeding. gebaseerde ontwikkeling programmering van de moeder tijdens de zwangerschap kan leiden tot nageslacht met dezelfde voorkeuren, die de constructie van hetzelfde voedsel-gerelateerde milieu helpt. “

In een dergelijk scenario zou de omgeving die de grootste fitness  van   particulieren bevoordeeld, op zijn beurt  de onderliggende epigenetische veranderingen door opeenvolgende generaties kunnen stimuleren  . Maar, zoals de EP voorstanders vermelden  , hoewel deze epigenetische veranderingen  deel nemen aan het   selectieve landschap, blijven  de onderliggende genen  de uiteindelijke bron van variaties  .Epigenetische mechanismen  rekenen  immers op de  genen.

“Het  is echter een  een gat gebleven   dat niemand helemaal heeft weten te overbruggen,” zei Turner e. “Ik stel dan ook  dat een alomvattende theorie van de evolutie  niet mogelijk is  totdat die kloof is overbrugd.”

Turner heeft  deze kloof gedefinieerd als een paradox waarin, door het creëren van hun eigen omgeving, organismen in feite zichzelf aanpassen aan zichzelf  “De mogelijke   oplossing van het  het raadsel is , denk ik te vinden door   evolutie en natuurlijke selectie te behandelen als een   fysiologische proces , dat de uitdrukking  is en van selectie en van  van “erfelijke geheugen” in het  DNA. Dit spoort  met het  opkomende beeld van het genotype als een dynamisch en geïntegreerd deel van de cel in plaats van een determinator  ervan, “besloot  Turner .

Binnen deze stand van zaken  , is er brede overeenstemming  dat het EP concept nuttig is om een ​​aantal aanpassingen die zich binnen drie de categorieën  voordoen  en  waarvan er vele verschillen in  evolutiesnelheid van de bijbehorende genotypen , verklaren.

De eerste categorie zijn  geconstrueerde EPs, zoals nesten of dammen-inclusief enkelvoudige organismen:  Meestal meercellige eukaryoten, waarvan het genoom relatief langzaam evolueert  en daardoor kan  leiden tot  stabiele lange termijn aanpassingen.

Bij de tweede categorie  van de  gastheer-parasiet interacties  gaat het zowel om het genoom van de gastheer alsdat van de parasiet in de pogingen   om het gedrag van de gastheer te wijzigen. Genen van de parasiet  evolueren bijna altijd snel en delen   de lakens , terwijl de gastheer zich meestal beperkt  tot  schade-inperkingen  .

Maar toch,  wees Sylvain Gandon, van het centrum van Evolutionaire en Functional Ecology in Montpellier, Frankrijk,erop , , betekent dit niet dat de parasieten onvermijdelijk evolueren naar een toestand van symbiose met de gastheer:

“Er zijn veel manieren waarop  een parasiet  zijn habitat kan   verbeteren binnen de gastheer.

Symbiosis zou een manier  kunnen  zijn, maar, [door], extreme virulentie-met meer agressieve exploitatiestrategieën-kan het nog wel. Symbiose is niet de ultieme evolutionaire uitkomst van een  gastheer-parasiet co-evolutie, “hij zei.
Jablonka […] stelde voor dat de “darwinistische evolutie  evenzeer wordt  gedreven door aanpassing van ecosystemen  als  door genetische sequenties ...

Naast dramatische voorbeelden zoals hondsdolheid, waarbij de gastheer bijna altijd sterft , zijn er vele voorbeelden van gastheer-parasiet  systemen die  homeostase  vertonen op  verschillende niveaus van virulentie. “Het meest klassieke voorbeeld is misschien wel de evolutie van de virulentie van het  myxomavirus bij konijnen,” merkte Gandon ( Fenner & Fantini, 1999 ). op”Het virus werd in Australië in 1950 ingevoerd om de uit de hand gelopen populaties  van  ingevoerde   Europese konijnen ( in australie dus erxoten )  te controleren […]. Hoewel de virulentie van het virus snel afnam  , bereikte  het uiteindelijk  een stabiele gemiddelde virulentie van  ongeveer 70% na een paar jaar . ” In feite zijn er vele modellen die aantonen dat  parasietaire  virulentie niet altijd hoeft te  evolueren naar nul ( Frank, 1996 ).

Er zijn ook bekende voorbeelden van het EP in de derde categorie   :    -genetische actie op afstand-zoals sociale parasieten die de gastheer van verre te manipuleren.

In sommige gevallen is de sociale parasiet nooit de gastheer  zelf  …..zoals in het geval van de gemeenschappelijke Europese koekoek, … een nest parasiet  die haar eitjes legt in de nesten van vogels, zoals graspiepers,  en karekieten ….. . Het EP is hier een bedrog  waarbij de gastheer vogels  ervan  overtuigd worden    het ei ( als hun  eigen ei) te bebroeden en de jongen groot te brengen. De relevante aanpassing ligt in het produceren   van de koekoeks  eieren, en daaropvolgende koekoek kuikens, met  voldoende overeenkomst met die van de gastheer  zodat   ze niet uit het nest worden geworpen.

Insecten kunnen ook sociale parasieten zijn  , zelfs van hun eigen soort, zoals de “slavenhoudende  “‘ mierensoort Polyergus rufescens, die d’Ettorre  bestudeerde  .

http://formicidae.be/polyrufe.htm

http://www.antweb.org/description.do?genus=polyergus&name=rufescens&rank=species&project=allantwebants

Polyergus_rufescens_casent0010688_head_2

Polyergus rufescens

Amazonemieren zijn o.a. herkenbaar aan hun sikkelvormige kaken die goed van pas komen tijdens hun rooftochten. De hier afgebeelde mier is P. breviceps.

Polyergus rufescens

Op deze foto zien we een gemengde kolonie van Polyergus breviceps en Formica argentea (Noord-Amerika) een beeld dat sterk overeenkomt met een kolonie P. rufescens / Formica fusca hier bij ons.

http://en.wikipedia.org/wiki/Polyergus

De Polyergus mieren koningin    infiltreert ( of verovert met haar eigen soldaten )   de nesten van haar ‘gastheer ‘-soorten (van de Formica  familie–en loost  chemische signalen  ,  om verder   haar  aanwezigheid te verbergen.

De Polyergus koningin doodt daarna  bioj de eerste de beste gelegenheid  de   Formica  koningin ,  dupeert   de gastheer werkmieren  en zal zodoende   voedsel voor haar eigen broed   van de  slaven-werksters  verkrijgen .

Het EPi  , (in dit geval  enigzins vergelijkbaar met dat van    de koekoek) , ligt in  het- voor -de- gek- houden van de gastheer soorten bij het voeden van het  parasitaire broed.

Duidelijk, dat eigen  Polyergus allelen die de mier effectiever  camoufleren worden  bevoordeeld door natuurlijke selectie. Zoals d’Ettorre opmerkte, zijn er variaties op dit thema:

” Er zijn ook  andere miersoorten  die fungeren als sociale parasieten, (de  zogenaamde ‘inquilines’ die de gastheer koningin,niet doden , maar gaan cohabiteren   met haar, ‘legde hij  uit. “Deze inquilines zijn in staat om de reproductie van de gastheer koningin -actie  zodanig te beinvloeden  dat ze alleen  nog  van werkmieren produceert , maar   de aanmaak  van  nieuwe mannetjes en reproductieve vrouwtjes word onderdrukt  ( Sociohormonen ?  )”

http://en.wikipedia.org/wiki/Inquiline

http://www.arkive.org/workerless-inquiline-ant/pogonomyrmex-colei/

Workerless inquiline ant specimen

Deze voorbeelden wijzen op de kracht  van het EP om  een  enorm arsenaal van  complexe relaties en aanpassingen waargenomen in de natuur , te verklaren.

Het blijft echter te bezien, of het idee van het EP zelf kan worden uitgebreid tot een integraal onderdeel van een verenigde evolutietheorie, die volledig de brug kan slaan tussen genotypen en omgevingen 

Dawkins R (1982) The Extended Phenotype: The Long Reach of the Gene. Oxford, UK: Oxford University Press

Dawkins R (2004) Extended Phenotype—but not too extended. A reply to Laland, Turner and Jablonka. Biology & Philosophy 19: 377–396 | Article

Fenner F, Fantini B (1999) Biological Control of Vertebrate Pests. The History of Myxomatosis: An Experiment in Evolution. Wallingford, UK: CAB International

Frank SA (1996) Models of parasite virulence. Q Rev Biol 71: 37–78 | Article | PubMed | ISI | ChemPort |

Hughes DP, Kronauer DJC, Boomsma JJ (2008) Extended Phenotype: nematodes turn ants into bird-dispersed fruits. Curr Biol 18: R294–R295 | Article | PubMed | ChemPort |

Jablonka E (2004) From replicators to heritably varying phenotypic traits. The Extended Phenotype revisited. Biology & Philosophy 19: 353–375 | Article

De BEVERDAM  

 Sir David Attenborough..

KOLONIES – NESTEN

wever vogels

KRUISSPIN “IN SLOW MOTION ”

Advertenties

God, sex en evolutie

ANTICREATO    

SEX  

EVOLUTIE      

18 februari 2013

http://korthof.blogspot.be/2013/02/god-sex-en-evolutie.html#comment-form

Mijn foto    

°
In 1993, dus bijna 20 jaar eerder, had creationist Walter ReMine al gedaan wat Joris van Rossum in zijn proefschrift in december 2012 deed, nl. de moeilijke verklaarbaarheid van seksuele voortplanting gebruiken cq misbruiken ten behoeve van creationisme of Intelligent Design.
°
In zijn boek The Biotic Message behandelde ReMine het probleem ‘The Origin of Sex’ in 10 paginas (pag. 196–206).
Méér dan wat je doorgaans bij creationisten ziet.
°
Hij schetst daar een glashelder maar pessimistisch beeld van de wetenschappelijke literatuur van dat moment met vele citaten van vooraanstaande evolutiebiologen als J. F. Crow, G. Bell, G. C. Williams, Michod and Levin, John Maynard Smith en Richard Dawkins.
°
ReMine benadrukt dat het probleem van het ontstaan van sex één van de grootste onopgeloste vraagstukken in de biologie is. Dit baseert hij op de meest pessimistische citaten die hij kan vinden:
°
Graham Bell (1982) The Masterpiece of Nature: The Evolution and Genetics of Sexuality:
“Sex … does not reduce fitness, but halves it”.   (A*)
Dit citaat heb ik gecontroleerd; het is correct.
°
Ook een dramatisch citaat van George C. Williams (1975) Sex and Evolution, pag. 11, dat ReMine aanhaalt, is correct.
Toevallig (?) citeert Joris van Rossum van dezelfde pagina van het hetzelfde boek van Williams .
°
Het citaat is( oorspronkelijk  afkomstig )van John Maynard Smith (1986) The Problems of Biology, p. 35:
“The origin of the sexual process remains one of the most difficult problems in biology” …..is correct. 
°
ReMine vertelt over de vergeefse zoektocht van evolutiebiologen naar mogelijke voordelen van sex die het nadeel moeten compenseren.
°
Zijn overzicht lijkt een beetje op hoofdstuk 2, ‘
°The Enigma’, van Matt Ridley’s The Red Queen (1993)     (C*)
…….waarin Ridley ook opeenvolgende veelbelovende verklaringen voor sex de revue laat passeren, die later niet houdbaar blijken.
°
Het verschil is dat Ridley geen creationist is.
°
Het patroon is altijd hetzelfde:
creationisten zoeken problemen in de wetenschappelijke literatuur en gaan deze vervolgens exploiteren voor hun eigen doelen. Voor hun eigen karretje spannen.
Als ze verder niets met het resultaat weten te doen dan volstaan ze met te roepen: Ha! er zijn problemen met de evolutietheorie!”, of nog aardiger: “evolutie is gefalsifieerd!”. Meestal is de conclusie: Design! Omdat creationisten vaak de problemen niet zelf bedacht hebben, maar in de wetenschappelijke literatuur gevonden hebben, heeft het geen zin dié problemen te ontkennen.
Het probleem van de verklaring van seksuele voortplanting is een authentiek evolutionair probleem waar biologen al meer dan 40 jaar aan werken. (Als creationsiten zélf problemen hebben bedacht zijn het meestal pseudo-problemen die makkelijk te herkennen zijn door even in de wetenschappelijke literatuur te gaan rondneuzen). Vergelijk dit biologsiche probleem met de 40-jarige geschiedenis van de String Theory in de natuurkunde. Skeptici zeggen daarover: string theory is a miserable failure!
°
Wat wij als wetenschappers moeten doen is dus:
°
1) controleren of de problemen echt zijn en of de citaten kloppen,
°
2) erkennen dat ze echt zijn.
°
Ontkennen heeft weinig zin, want dan zouden wetenschappers werken aan oplossingen voor problemen die niet bestaan!
Wetenschap bestaat nu eenmaal uit het oplossen van problemen.
Hoe diepgaander de problemen zijn, hoe groter de uitdaging.
Alleen ambitieuze wetenschappers pakken hardnekkige en fundamentele problemen aan.
Dat verdient respect en bewondering.
°
Het getuigt dan ook van totaal onbegrip van wat wetenschap is om te roepen dat er iets fundamenteel mis is met een bepaalde tak van wetenschap als er onopgeloste problemen zijn. Onzin! Integendeel!
°
Vergelijk het probleem van dark matter en dark energy in de moderne kosmologie: “After more than two decades of hunting, why is it still so difficult to find dark matter?”.
°
Wijst dat probleem op design? Er zal vast wel een creationist rondlopen die dat beweert.
°
Ook heb ik grote bewondering voor wiskundigen die een lijst bijhouden van onopgeloste problemen! Maar wiskundigen worden niet geplaagd door creationisten!
Dat is het verschil!
°
(Claim  by remine )
1.–……the most plausible evolutionary theories predict that sex should not exist…..

2.- Uiteindelijk concludeert (ReMine:ReMine’s conclusion:  —>  
based on  selective  “quote mining “and …..  indeed, the origin and maintenance of sex is  a  real  and  wellknown evolutionary problem. )
(On page 196–206 ReMine gives an overview of the problem of the evolutionary origin of sex. He gives the most pessimistic quotes of important evolutionary biologists such as J.F. Crow, G. Bell, G.C. Williams, Michod and Levin, Maynard Smith, and Dawkins …..

“Creationists expect that the genetic mechanisms of sex serve some useful biological function. They intuitively viewed that function as the long-term maintenance of healthy populations. Most likely, sex serves such a function as suggested by hypotheses like Muller’s ratchet. Such functions come naturally to the creationist’s worldview. An unlike evolution, a designer can be “far-sighted”, can see the long-term benefit of sex, and can build it into life” (p.206).

Hoe ironisch: een creationst bedenkt een functie voor seks!

Wat kan een creationist anders doen?
Niemand kan  ontkennen dat seks in de overgrote meerderheid van de soorten voorkomt.
°
Dat feit had ReMine zojuist tegen evolutie gebruikt.
Grappig is dat de creationist vervolgens voor het volgende probleem komt te staan: als seks ontworpen is door de Designer, en dus nuttig is, waarom bestaat er überhaupt ongeslachtelijke voortplanting?
°
(  …..How “far-sighted” is a designer who first creates mutations and subsequently creates sex as the solution? And if the Creator built sexual reproduction into life, then why does asexual reproduction exist?
ReMine can’t explain asexual reproduction.
And if sex is good, celibacy must be wrong.  ) 
Conclusie:
door de hulp van God in te roepen is de wetenschap nog nooit vooruit gekomen.
De alternatieven van de creationist zijn onwetenschappelijk en onnozel.

Tot nu toe het mooiste wat een creationist met het evolutionaire probleem van seksuele voortplanting heeft gedaan is het volgende:

°

Sexual Reproduction: A Continuing Mystery to Evolutionists (Website: Evidence for God):

“Sexual reproduction and recombination are part of God’s plan, since they limit the expression of mutated genes that would have had detrimental effects upon the individual who possessed the gene. In addition, God created humans as males and females for the expressed purpose of marriage and unity within the body of Christ, as fellow servants and heirs in Him.”

Is dat niet prachtig? Waarom schiep God Adam en Eva? Opdat zij sex zouden hebben! Be fruitful and multiply!

°
En waarom moesten zij sex hebben?
Recombinatie!
°
Fantastisch: die technische termen ‘recombinatie’ en ‘gene’ in de context van een 3000 jaar oud mythologisch verhaal met een pratende slang: is dat niet geweldig?
Het allermooiste is natuurlijk dat de auteur niet door heeft dat God éérst een probleem creëerde (mutaties) en daarna de oplossing (seksuele reproductie en recombinatie)!
Je vraagt je af: Waarom mutaties in the first place? Waren Adam en Eva compleet met mutaties geschapen? Bizar. Tenslotte blijft de vraag ook hier waarom God ook ongeslachtelijke voortplanting creëerde, als sex zo goed was.
Maar, is dat niet hetzelfde probleem dat evolutiebiologen ook hebben: waarom zowel geslachtelijke als ongeslachtelijke voortplanting naast elkaar bestaan? Ook hier zien we weer dat er nog nooit een wetenschappelijk probleem is opgelost door God te introduceren.
°

De bedoeling van deze blog is niet van Rossum weerleggen. Van Rossum is niet weerlegd omdat hij een creationist of ID-er zou zijn.  ( **)

°
Maar deze militante creationistische traditie vormt wel de historische achtergrond van zijn proefschrift.
°
Alles wijst er op dat zijn motivatie dezelfde is als van bovengenoemde creationisten die ieder probleem in de evolutietheorie aangrijpen om iets te suggereren in de trant van: Zie je wel, de evolutietheorie deugt niet. Er moet iets anders zijn. Ik weet niet wat, maar gewoon iets anders.
Joris van Rossum doet dat op zijn eigen manier
°

zie ook

(**)

( zie verder over Van Rossum  :   mijn blog    en uiteraard ook  de daar vermelde  relevante  blogartikels van  G.  Korthof en Marleen  )

_______________________________________________________________________________________________________

Postscript

Artikelen in BioNieuws 16 feb 2013:

met dank aan Gert van Maanen en Gerdien de Jong 

_____________________________________________________________________________________________________

APPENDIX 

Bron ;

http://korthof.blogspot.be/2013/02/voor-en-nadelen-van-sex.html

 

 

sexual reproduction

Voor- en nadelen van sex. ©Carl Zimmer, Douglas Emlen (2013) p.333

http://ncse.com/news/2012/10/preview-evolution-making-sense-life-0014599

http://dbs.umt.edu/research_labs/emlenlab/documents/Chapter%208.pdf

Voor- en nadelen van sex

De vraag:

“is het waar dat ik bij sex 50% van mijn genen verlies? ”

(Gert korthof )

Antwoord:

Nee, niet 50% van uw genen, maar wel 50% van Uw allelen!

Als U bij iedere keer sex 50% van Uw genen zou verliezen, dan zou U al heel snel niets meer overhouden! (50%, 25%, 12,5%, 6,25%, etc).

U leest allerlei wilde verhalen op het internet of in proefschriften dat niet al uw ‘genen’ verloren gaan omdat bij een volgend kind andere genen/allelen aan bod komen, etc., etc.

Dit is allemaal niet relevant.

Bij sex worden slechts 50% van Uw allelen doorgegeven aan Uw kind.

Dat is een feit.

Mendel heeft dat ooit eens vastgesteld.

U moet zélf beslissen of U dat acceptabel vindt of niet.

Het enige alternatief is U te laten kloneren.

Want  helaas zijn –evolutionair gesproken– al Uw genen verloren als U geen kinderen heeft

Gerdien de Jong

De ‘cost of meiosis’ heeft heel wat zonden op zijn virtuele geweten. Dit heeft intussen de status van ‘urban myth’:
is het waar dat ik bij sex 50% van mijn genen verlies?

.In een aseksuele populatie die gelijk blijft in aantal …..

<gert korthof

<Gerdien schreef “In een aseksuele populatie die gelijk blijft in aantal…” maar dan beschrijf je het op <populatieniveau in plaats van vanuit een individu geredeneerd. Vanuit een individu geredeneerd geldt: 2n > n is <halvering. 

<Bestaan er haploide organismen die sex en meiose hebben?
n > 2n > n
of:
n > 4n > 2n > n
?

Gerdien de Jong   22 februari, 2013 10:21  // antwoorde  op  …Bestaan er haploide organismen die sex en meiose hebben?” 

Mossen bv. Het mos dat we zien is haploied.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Mossen

Er zijn haploide eencellige eukaryoten met meiose en syngamie.

(Gerdien de Jong vervolgt)

……heeft 1 diploid vrouwtje gemiddeld 1 diploid dochtertje met precies haar diploide set: 1 * 1 = 1.In een seksuele populatie die gelijk blijft in aantal heeft een vrouwtje samen met een mannetje gemiddeld twee kinderen, gemiddeld een zoontje en een dochtertje. Het vrouwtje geeft een haploid genoom door aan zoontje en een haploid genoom door aan dochtertje. Het mannetje geeft een haploid genoom door aan zoontje en een haploid genoom door aan dochtertje. Totaal doorgegeven door vrouwtje: 2 * 1/2 =1. Totaal doorgegeven door mannetje: 2 * 1/2 = 1.
Er worden bij de meiose maternaal en paternaal verkregen allelen herverdeeld over nieuwe gameten, dat is alles.

°De verwantschapsgraad met kinderen is in een aseksuele populatie gelijk aan 1 en in een seksuele populatie gelijk aan 1/2. Dit verschil in verwantschapsgraad leidt niet tot selectie (anders dan Williams suggereerde; en ook bovenstaande  tabel lijkt te suggereren).

<(<gert korthof) Maar: een segregation distorter probeert  net  de verwantschap met kind te verhogen boven 0,5 . En dat verwacht je ook. De zeldzaamheid van segregation distorters bewijst dat natuurlijke selectie ze op een laag niveau houdt. Maar er is een intra genomic conflict: paternaal tegen maternale chromosomen.

(Gerdien de Jong vervolgt)  De ‘two-fold costs’ zijn het gevolg van het bestaan van mannetjes: als een vrouwtje in plaats van een zoontje en een dochtertje twee dochtertjes maakt, aseksueel, is ze 2 * 1 = 2 keer vertegenwoordigd in de populatie. De populatie gaat ook groeien.
Begin met 2N seksuele beesten, N vrouwtjes en N mannetjes, en n aseksuele vrouwtjes. Elk vrouwtje maakt 2 kinderen en gaat daarna dood. Aseksuele vrouwtjes maken 2 dochters, seksuele vrouwtjes maken een dochter en een zoon.

Dan zijn er in de volgende generatie
2n aseksuele dochters
N seksuele dochters
N zoontjes. Evenveel dochters als zonen, de seksratio.
Totaal 2N seksuele kinderen.

Totaal 2n aseksueel en 2N seksueel. De verhouding aseksueel tot seksueel is nu n/N in plaats van n/(2N) een generatie terug. Zo kom je op de ‘two-fold cost of sex’. Of reken: n/(n+2N) eerste generatie versus 2n/(2n+2N) tweede generatie. En de nakomelingen van een vrouwtje dat aseksueel wordt nemen de populatie over, als zo’n vrouwtje aseksueel zou kunnen worden. Mannetjes zijn wat gehandicapt in het zelfstandig maken van zoontjes, nemen we aan, anders werkte dit niet.

Dat is ook al in 1976 betoogd: bestaat de ‘cost of meiosis’ wel?

Nu zie je ‘cost of meiosis’ niet meer in artikelen, alleen ‘cost of males’.

*De  geaccumuleerde  kosten van  sexuele voortplanting in  zogenaamde ( een ouderwetse maar nog bruikbare term )  meercelligen  is de  —>  individuele  dood  

*asexuele  ( clonale ) eencelligen  gaan  op in hun nageslacht  … Het zijn ook geen echte individuen ( een ” individu” is een echte en zelfs obligate symbiose van allerlei cellen  (zelfs van diverse oorsprong –> bionoom )

Bovendien  zijn  de “soort”grenzen tussen deze  micro-organismen   ook  erg  diffuus —> denk aan    Laterale gen transferten

Toch hebben  “eencelligen ”  ook  systemen ontwikkeld die men protosexueel kan noemen   =  proto-sexuele uitwisselingen van  genen bij  protista  en bacterieen   (—> conjugatie –>  http://nl.wikipedia.org/wiki/Conjugatie_(genetica))

21 februari, 2013 16:13

MUTATIONAL   MELTDOWN ?  

Gerdien de Jong

Ik heb nog een excel programma + handleiding voor selectie op twee genen in een seksuele populatie, dat kan laten zien dat een ‘ongunstig allel’ b op gen B nooit door een ‘gunstig allel’ a op gen A meegesleept kan worden tot fixatie van genotype bb. 

gert korthof

en wat is de conclusie  ?  :

Mutational meltdown is een illusie?

Een sexueel voortplantende soort kan nooit een Mutational meltdown ondergaan door mutatie accumulatie?

Geen enkele combinatie van mutatiefrequentie , accumulatie van slightly deleterious mutations en population decline kan een populatie doen uitsterven?

Natuurlijke selectie houdt IEDERE soort in leven no matter what?

———————————–

LINKS   //  Een leesbaar artikel over het onderwerp: 


Sarah Otto (2008) Sexual Reproduction and the Evolution of Sex, Scitable (by Nature Education) (gratis): Birds do it, and bees do it. Indeed, researchers estimate that over 99.9% of eukaryotes reproduce sexually. What, then, are the true costs and benefits of sex? (met dank aan Deen).

ook  nog :
20 maart: 

Denkcafé: Onbegrijpelijke seks Gerdien de Jong in debat met Joris van Rossum. (met dank aan Rob van der Vlugt)

 

——————————-

 

KANTTEKENINGEN  van * Tsjok ( voorlopige conclusies ?  ) 

Maar Laat ik wat speculeren over “mutationale meltdown “(Voor zover ik  het heb begrepen ); 

Dat een soort ” no matter what ” blijft bestaan(Sexuele soorten  bezitten  m.a.w. EEN CONSERVEREND voordeel  ? –—> zie de vele voorbeelden van” stasis ” ?
°Maar in hoeverre die stasis soorten ( ook wel eens levende fossielen genoemd ) genetisch gelijk zijn gebleven aan hun verre voorganers , is niet te achterhalen ….

Een  goed alternatief is natuurlijk ;
-“Mutational meltdown” komt voor bij seksuele soorten en leidt (misschien ook )tot uitsterven van die “soort “...
1.- Het uitsterven van soorten is een feit ( en waarschijnlijk niet alleen maar door uitroeiing en of zogenaamde contingente klimatologische en /of kosmische “ongelukken ” ? … )
2.- en het schijnt dat dat sexuele soorten een gemiddelde (soort) levensduur hebben –> Alleen is de afwikkeling van een eventuele meltdown ( of op andere wijzen uitsterven )van een sexuele soort een traag proces( als je de geologische tijd * waarbinnen dit plaatsgrijpt beziet vanuit ons individuele menselijk begrip van “tijd” dat hoogstens een hondertal jaren beslaat en mits gebruikmaking van allerlei technologische middelen met grote ecologische voetafdruk )…..er is dus tijd genoeg om een”soort” te laten functioneren  als vooroudergroep of stamlijnengroep ( lanceerplatform )van verschillende nieuwe soorten die op verschillende tijdstippen aftakken gedurende de “levensduur” van de “voorouder” soort en opnieuw gaan dienen als  niewe lanceerplatformen   voor   volgende  tussentrapsraketten 

*Uiteraard kan je  ook proberen  de levensduur van een soort ook  af te zetten tegenover het aantal benodigde ( ingeschatte gemiddelde generatiewisseling (en ))binnen die soort … maar het is de vraag in hoeverre de tijd nodig voor een volgende   generatiewisseling (ongeveer) konstant blijft ….

* Er is eveneens een speculatie mogelijk die zegt dat de levensduur van succesvolle soorten ook afhankelijk is van de mate waarin wordt omgegaan met overbevollking

– dikwijls wordt de mogelijkheid geopperd  dat een succesvolle soort ( namelijk de onze ) dit zal kunnen overwinnen door technologische vooruitgang …. maar dat houdt natuurlijk geen rekening  met de totale uitputting en vervuiling   van onze planeet…ooit onze wieg   ….  een “moeder  aarde ” die  daardoor wel eens kan veranderen  in een  mensonleefbare  (= mensuitstotende , mensvernietigende   )omgeving  …. of de mens  ooit andere planeten  zal  moeten  gaan bevolken (–> zie de “raad ” van  Stephen Hawkins ) lijkt me  toch  een  onmogelijke  zaak … alleen al  gezien de  nog grotere technologische en ekonomische  middelen  die daarvoor zullen moeten worden aangemaakt in een  voorzienbare tijd dat alles al  aan het teruglopen is ….  

_Creationisten over  “Mutational meltdown ” / zie   

___

________________________________________________________________________________________________

Bibliographie 

( A * ) 

http://biology.mcgill.ca/faculty/bell/sex_selection.html

Sex and sexual selection

Graham Bell.  1982.  The Masterpiece of Nature: the Evolution and Genetics of Sexuality.  Croom Helm, London; University of California Press, Berkeley.

Voorkant  <—klik op de boekomslag =  een link met  google book  met  uitreksel   uit  hoofdstuk  1.5    “ the cost of sex ” …
Maar  Graham Bell heeft  natuurlijk  ook recenter werk gepubliceerd :
Bell, G.  1989.  Sex and Death in Protozoa: the History of an Obsession.  Cambridge University Press.

The prevailing theory to explain the maintenance of sex is that it accelerates adaptation by increasing genetic variation.  Our experiments with the green alga Chlamydomonas support this view.

A single sexual episode depresses mean fitness but increases variation, so fitness recovers through selection

  • Renaut, S., Replansky, T., Heppleston, A. & Bell, G. 2006. The ecology and genetics of fitness in Chlamydomonas. XIII. The fitness of long-term sexual and asexual populations in benign environments.  Evolution 60: 2272-2279.
  • Kaltz, O. & Bell, G. 2002. The ecology and genetics of fitness in Chlamydomonas. XII. Repeated sexual episodes increase rates of adaptation to novel environments.  Evolution 56: 1743-1753.
  • Colegrave N., Kaltz O. & Bell G. 2002. The ecology and genetics of fitness in Chlamydomonas. VIII. The dynamics of adaptation to novel environments after a single episode of sex. Evolution 56: 14-21.
  • Zeyl, C. & G. Bell. 1997. The advantage of sex in evolving yeast populations. Nature 388: 465-468.

We also have a long-term experiment to investigate how gender evolves in response to the environment in which mating takes place.

  • Bell G. 2005. Experimental sexual selection in Chlamydomonas. Journal of Evolutionary Biology 18: 722-734.

Sexual selection increases zygote production by at least an order of magnitude.

  ( B* )

Sex and Evolution

George C. Wiliams    University Press, 1975

This book explores the relationship between various types of reproduction and the evolutionary process. Starting with the concept of meiosis, George C. Williams states the conditions under which an organism with both sexual and asexual reproductive capacities will employ each mode. He argues that in low-fecundity higher organisms, sexual reproduction is generally maladaptive, and persists because there is no ready means of developing an asexual alternative.

The book then considers the evolutionary development of diverse forms of sexuality, such as anisogamy, hermaphroditism. and the evolution of differences between males and females in reproductive strategy.The final two chapters examine the effect of genetic recombination on the evolutionary process itself.

Voorkant    <—klik op de boekomslag =  een link met  google book  met  uitreksels (preview )
<—( beide  screenshot afbeeldingen van teksten ((hierboven  en hieronder ) zijn  aanklikbaar voor een vergroting ) : Het gaat  over  De  inhoud  van het boek +samenvattingen   / de zwarte niet onderlijnde  teksten zijn integraal te vinden op de ” preview”
( <—klik  hierboven op de boekomslag =  een link met  google book  met  uitreksels (preview 
S E  2

.

.

.

.

.

http://mcgoodwin.net/pages/otherbooks/mr_redqueen.html

( C * )

The Red Queen:

Sex and the Evolution of Human Nature

HarperCollins, 29-apr.-2003 – 416 pagina’s

Referring to Lewis Carroll’s Red Queen from Through the Looking-Glass, a character who has to keep running to stay in the same place, Matt Ridley demonstrates why sex is humanity’s best strategy for outwitting its constantly mutating internal predators. The Red Queen answers dozens of other riddles of human nature and culture — including why men propose marriage, the method behind our maddening notions of beauty, and the disquieting fact that a woman is more likely to conceive a child by an adulterous lover than by her husband. Brilliantly written, The Red Queen offers an extraordinary new way of interpreting the human condition and how it has evolved.

Voorkant  http://www.amazon.com/Red-Queen-Evolution-Human-Nature/dp/0060556579#reader_0060556579
 (excerps including ; human nature (chapter I )   &   Epilogue )
°


The Red Queen: Sex and the Evolution of Human Nature 
Summary by

Michael McGoodwin, prepared 2001

: This work has been summarized using the Penguin Book 1994 edition.  Quotations are for the most part taken from that work, as are paraphrases of its commentary.

Overall Impression:

This is a rather wordy book that is filled with details but a little shy on well demarcated conclusions. There are no diagrams or other helpful visual aids that might be expected, just pure text. The author studied zoology before becoming a journalist and science writer.


Chapter 1: Human Nature

The nature of human nature is the theme of the book, how it evolved, how human sexuality evolved. Reproduction is the sole goal for which human beings are designed. Nothing in our natures has not been carefully chosen. Reproductive success is the examination that all human genes must pass.

Human culture is a product of human nature, not just of our free will or invention. We have laws against racism that allow persons to calculate the consequences of violating them though they may be acting racist because of human nature.

Richard Dawkins 1970s argues that the body is merely an evolutionary vehicle for our genes–the genes force the body to do things to perpetuate them. There is selective competition for genes.

The human brain developed current its form and capacity 3M to 100K years ago on African savanna–100K years is only 3000 generations ago. 30 generations back, in 1066, you had a billion ancestors [probably with considerable overlap]. The differences between individuals are attributable to individual variation (85%), tribal/national variation (8%), and racial variation (7%).

People are attracted to people of high reproductive potential, the consequences of which are sexual selection. Even behavior is adapted to this goal. We are descended from men who preferred fertile women. The goal is not just to survive but to breed. The human intellect itself has evolved to contribute to reproductive success.

Time erodes any temporary advantage, progress is relative and futile, the struggle is Sisyphean. The Red Queen concept derives from Lewis Carroll “Through the Looking Glass”: The faster you run, the more the world moves with you and the less you make progress. (“However fast they went, they never seemed to pass anything.”) Marriage is a blend of or balance between cooperation and exploitation/conflict.

Chapter 2: The Enigma

What is the purpose of sex? It is the queen of evolutionary problems. Sex is bothersome and yet has persisted tenaciously. We have 75000 x 2=150000 genes in 23 pairs of chromosomes. Gametes have 75000 genes which have been intermixed (via recombination) in meiosis. Further mixing takes place when the gametes fuse (outcrossing). Thus the baby gets a thorough mix of the genes of the 4 grandparents.

Sex is a source of individual variability furnishing material for the operation of natural selection. This is the “Vicar of Bray” hypothesis, which emphasizes rapid adaptability to change. But mankind’s greatest rival is mankind. We use our intellects to outwit each other. Animal altruism is a myth.

George Williams argued how collective effects could flow from the actions of self-interested individuals. A creature would evolve to help its species only if its self-interest coincided. There is a cost to sex… Are males worth it? Many animals and plants have abandoned sex or only resort to it intermittently. Sex serves the species but at the expense of the individual…

Harris Bernstein argues that the main purpose of sex is to repair genes… This is useful but probably not the entire purpose of sex.

Sex breaks up the linkage of one gene with another, increases randomness. Thus it might help to get rid of bad mutations (which inevitably accumulate: Muller’s ratchet). Sex is more necessary if you are big and do not belong to a huge population with rapid reproduction. Sex throws the ratchet in reverse. Ultimately, there is no purely genetic explanation of sex.\

Chapter 3: The Power of Parasites

Bdelloid rotifers do not employ sex, can dry up and blow about as tuns.

Graham Williams describes the “Tangled Bank” hypothesis: in a saturated economy, it pays to diversify.

Longer-lived mammals exhibit more chromosomal crossovers: 30 in man, 10 in rabbits, 3 in mice.

The Red Queen hypothesis: species do not get any better at surviving, their chances of extinction are random. “It takes all the running you can do to keep in the same place. If you want to get to somewhere else, you must run at least twice as fast as that. [Carroll]” Sex is all about combating the enemy that fights back (parasites [including microbes], predators and competitors). Parasites are especially deadly. You never win, you only gain a temporary respite. Virulent parasites versus ones that do not kill their hosts. Artificial viruses (computer programs). Parasites employ binding proteins, which the host evolves and varies. The advantage of sex can appear in a single generation when it comes to parasites. Variation arises from heterozygosity and also from population-derived polymorphism. Heterozygosity can improve survival (e.g.. sickle cell vs. malaria). Polymorphic blood group genes affect disease resistance and is maintained by disease predation.

Immune system would not work without sex…

William Hamilton’s computer model of sex and disease. When parasites are introduced, the sexual organisms do better than the asexual. Antiparasite adaptations are in constant obsolescence.

To properly compete, parasites also need sex.

Studies reinforcing the Red Queen/parasite hypothesis include the New Zealand water snails and the Mexico topminnow.

Genetic insertions (jumping genes, transposons)...

Red Queen is only a part of the explanation for why we are sexual.

Chapter 4: Genetic Mutiny and Gender

There is intragenomic conflict. Genes are active and resemble cunning individuals. When it acts to enhance its own survival, this is an effective strategy. Must find right balance between cooperation and competition.

Conjugation by paramecia and bacteria is used to transfer genes, is not a type of reproduction. It serves the purposes of the genes and not the bacteria. For genes, sex is a way to spread laterally as well as vertically. Transposons (jumping genes) are genes which can cut themselves out of one chromosome and insert themselves into another. Some plasmids actually provoke conjugation. The distinction between a rogue gene and a virus is indistinct.

Genes are full of half-suppressed mutinies, selfish chromosomes. A segregation distorter gene in a fruit fly can kill all sperm containing the other copy of the chromosome, so that all sperm produced that survives contains the segregation distorter gene. It is like Cain, which kills Abel–a fratricidal gene. Processes like these are called “meiotic drive” because they drive the process of meiosis into a biased outcome. These are rare, are defended against by recombination or swapping (“crossing over”) in meiosis. The Y chromosome is not recombined and the X chromosome is especially susceptible to Cain genes that kill the Y gene (male-killer genes)…

Definition of Male (many small mobile gametes) vs. Female (few large immobile gametes). Organelles (mitochondria, chloroplasts) are descendants of bacteria. Mitochondria have 37 genes of their own, all from the mother: the father’s sperm’s organelles are excluded from the fertilized ovum with great thoroughness. Suicidal organelles… Sperms leave behind their organelles (mitochondria and flagellum) at the egg membrane, only the nucleus enters. This prevents introducing infection–safe sex.

Gender was invented as a means of resolving the conflict between the cytoplasmic genes of 2 parents [dogmatic?]. All cytoplasmic genes come from the mother.

Why are we not hermaphroditic (as in most plants) instead of dioecious (2 separate genders, typical of mobile species)?…

Sex-ratio distorters in turkeys, wasps. Human families with only daughters have a cytoplasmic gene which feminizes every embryo, even those that at puberty will appear male.

Lemmings. The “Driving Y” which causes the death of X-bearing sperm, assuring male offspring. Infinite series of rebellions. Multigender organisms. Female biased sex ratio in lemmings.

How gender is determined: (1) Chooses gender appropriate to sexual opportunities. (2) Leave it to environment (3) Mother determines sex of each child. The genetic lottery for sex determination is not incompatible with sex allocation. Of American presidents, 60% of children have been male…

The Trivers-Willard theory posits that parents in good condition probably have male-biased litters while those in poor condition will have female-biased litters. Dominant females are more likely to have sons than daughters (in red deer)…

Can human gender be preselected? Infanticide of females. High levels of maternal HCG increase prob. of female, and high testosterone in father of sons. But true control of gender as might be desired by dairy farmers has not proved possible despite considerable effort. Cultural variation in preference for boys versus girls. Daughters are preferred in poor cultures because they are more likely to lead to grandchildren, can marry up, etc. The ability to choose preferably the male sex would benefit the individual but would be a tragedy of the commons.

Chapter 5: The Peacock’s Tale

The showy tail is the peacock’s way of attracting the peahen. Sexual selection has selectively bred this trait. Males invest less in childrearing than females in most but not all species (e.g., jacana). In elephant seals, only a few males father all the offspring. Beauty arose to satisfy the Red Queen contest. Previously bright colors were seen as a warning to predators. In peacocks and other birds, size (and symmetry) of plumage matters. Exaggerated gaudy ornaments burden the males (in terms of longevity and protection from predators) but are the key to successful mating. Females prefer them because other females prefer them–fashion is arbitrary . Polygamy… Most of the peahens choose the same male. Bird leks (places where males gather, parade their wares to the visiting females. Only a few males do most of the mating–up to 30 times in one morning).

Dichotomous sexual selection theories:

(1) Fisher (Sir Ronald Fisher) sexy-son Good-taste: females prefer beautiful males because the heritable beauty will be passed on to sons who will attract females.

(2) Good-gene good-sense healthy-offspring (Alfred Wallace): peahens prefer beautiful males because beauty is a sign of good genetic qualities incl. diseases resistance.

Computer modeling favors the Fisherians to some extent…

Ornaments are handicaps to survival from predators but increase ability to seduce females. They are also living proof of the male’s vigor that he has been able to survive with it. The more flamboyant or symmetrical a male’s appearance, the less troubled with parasites he is. Successful males are not necessarily truthful, sometimes just more persuasive. However, red carotenoid pigments in male facial sexual appendages are indications of low parasitism. The better songsters in birds (nightingale) are less visibly showy, since visual appearance plays a lesser role. Young women in their breeding prime have narrow waists to suggest large breast tissues and wide hip bones suitable for reproduction.

Female taste is idiosyncratic. Of zebra finches, the more red the more attractive is the male.

In humans, attractiveness is not just about appearance but also wittiness, cleverness, etc.

Chapter 6: Polygamy and the Nature of Men

We are designed for a system of monogamy plagued by adultery. Polygamy flourishes where it is allowed [is this contradictory?]. 3/4 of tribal cultures are polygamous. Powerful men have always had more than one mate, though usually only one legitimate wife who produces the heirs. Males are usually the seducer, women the seduced (exception: jacana, phalarope).

Homosexual promiscuity: Homosexuals are generally more promiscuous than heterosexuals. Male homosexuals are acting out male tendencies unfettered by the pressure of women toward monogamy. Lesbians are rarely promiscuous.

Harems and wealth. There is a polygyny threshold in which a suitably advantaged male attracts more than one mate, even in humans. It applies to humans regarding cattlemen of Kenya. Although first wives resent the new arrivals, the subsequent wives are receiving companionship, job sharing, and comfort (even career enhancement due to decreased responsibility). The mating system chosen is influenced by the distribution and population density of females.

Hunter gatherers… Sexual division of labor. Men seek power and building or dominating male-male coalitions. Men can always increase their reproductive success by philandering. Equitable sharing of hunted food is reciprocal altruism.

Chimps rise to alpha male status with cunning and coalitions as well as physical prowess. Coalitions in species can be based on reciprocity or relatedness.

Emperors have large harems. The more polygamous societies have male inheritance.

Laura Betzig posited via historical review that power in cultures is used for sexual success. Young virgins are recruited and guarded. Emperors become breeding machines with “onerous” duties. There is always one legitimate queen with legitimate heirs.

Slaves have been equated to concubines in Rome, etc. Many women were “employed” in castles and monasteries (in “gynoeciums” [women’s apartments]).

For males, violence is rewarded by greater reproduction. Christians equated sex and sin prob. because of the trouble it leads to. Of Pitcairn survivors, many women but only 1 man survived due to sexual competition. Monogamy reduces murderous competition.

Chimps exhibit intergroup violence, killing the males of nearby groups and taking over the females. So do the Yanomamo’s of Venezuela–they fight over women (this was disbelieved initially by anthropologists). The Iliad is a war over women. Armies are motivated over rape, as in Serbia. Democracy and the abolition of despotic power breeds monogamy.

Chapter 7: Monogamy and the Nature of Women

Polygamy is infrequent in hunter gatherers (exceptions: PNW Indians and Australian aborigines). Marriage is a child rearing institution. Women are not interested in overt polygamy but are often unfaithful. The Herod effect: Sarah Hrdy. Sperm competition theory. Female chimps have steady mates but sneak out to mate with a top male. Infanticide by a male mate halts maternal milk production and prepares them for new pregnancy. Female chimps mate with many males to share paternity and prevent infanticide. Human stepchildren are 65x more likely to die than children living with their parents [can this be true?]. Promiscuity and peacefulness of bonobos (pygmy chimps)–mating is so frequent it rarely leads to aggression.

Women seek monogamous marriages, lesbians are not promiscuous. Women are sometimes unfaithful. Species in which males have bigger testicles have more female polygamy [is this cause or effect?]. This allows more effective sperm competition. Man’s are medium sized, with unusually low sperm/gram tissue. For birds, many of the chicks are not the ostensible father’s–the fathers are cuckolded. Testicles are largest in polyandrous birds. Birds with large testicles tend to live in colonies where the females have ample opportunity for adultery.

A female with a mediocre husband having with good territory should have an affair with a genetically superior husband (the Emma Bovary strategy). Attractive males make inattentive fathers.

The amount of sperm retention in the vagina depends on orgasm. Faithful women and ardent lovers have high sperm retention (high fertility) orgasms compared to unfaithful women with their spouses (Baker and Bellis). Men and rats who have been away ejaculate more than ones who have been with the female all day (to overcome competition from other sperm).

Male birds behave in constant terror of infidelity of their females and mate frequently to compete (e.g., goshawks). Men keep an eye on their wives by proxy, gossip–for which language is required.

Human females have concealed ovulation, forcing males to mate regularly, exhibit continual sexual interest. This helps to prevent infanticide–neither the husband nor the lover knows if he is the father. Women use perpetual sexual availability to seduce philanderers in exchange for gifts.

Males may hold 2 territories, each with a committed mate. Men deceive their wives, not their lovers.

Jealousy is deep seated in men, a human universal. The absence of jealousy in a husband is worrisome to a wife. Couples who exhibit occasional jealousy are more likely to stay together. Men are less accepting of infidelity in their wives–there is also a legal double standard [really?].

Courtly love is about passing wealth to sons so they can be successful adulterers, cuckolding heiresses. Jousting impressed the ladies [and facilitated these relationships?] Tristan… The Church became obsessed with sex to prevent lords from siring legitimate heirs [can this be true?]. In the American South, the effort was to keep the wealth in the family. Incest laws are in part an effort for rulers to prevent wealth concentration in other families (and are not always followed by the rulers).

Men want to acquire power and use it to lure women who will bear heirs, and to acquire wealth to buy other men’s wives who will bear bastards. Wealth and power are a means to women which lead to genetic eternity. Women want a husband who will provide care and food for her children, and a lover who will give them first-class genes.

Chapter 8: Sexing the Mind

Cites objective evidence for gender differences in the brain: bigger hippocampi in male voles etc.

Males evolved to fight in the male hierarchy and hunt. Men are more violent, women more nurturing. Male apes that show aggression are rewarded.

Girls are better at verbal tasks, boys are better at mathematical tasks,  boys are more aggressive, boys are better at some visuo-spatial tasks (e.g., rotation, throwing spear at moving target, making tools), and girls are better at others (spotting mushrooms, berries, plants)…

Females of phalaropes and jacanas, who play the dominant roles over males, have higher testosterone than males. Turner’s S. pts have decreased testosterone and are more hyperfeminine in behavior. Men with less intrauterine testosterone are less assertive, more shy. The first pulse of testosterone in the uterus primes the male, the second during puberty develops the full male effects.

Baby girls do more smiling and communicating, boys do more playing with things. Boys are more fidgety, inattentive, girls better at linguistic forms. Kibbutzes tried to make sex roles uniform but failed. Feminism is not egalitarian–it is trying to change the nature of men while insisting that women are unchangeable. Women are slightly better than men at running countries.

Male homosexuality is fixed before adulthood. LH may have to do with it. Prenatal deficiency of testosterone increases likelihood of being male homosexual, as are XXY and men exposed intrauterine to female hormones or conceived in times of great stress. Homosexuality is more common in left handed males. Growing evidence that it is partly genetically determined…

Rich men marry beautiful women. Women pay attention to cues of wealth and power, men pay attention to cues of health and youth.

Sexual fantasies are greater in men, more ubiquitous, visual, specifically sexual, promiscuous, and active, often involve strangers–in women they are more of familiar partners, more contextual, emotive, intimate, passive. Men like pornography, women like romance novels. Images of women in pornography are more arousing to men and to women.

Marriage has a natural period of c. 4 years. Men often seek younger wives.

The racial differences between men are minimal compared to the differences between men and women. Sexual role playing is universal: men pursue and acquire while women are protected and bartered.

Chapter 9: The Uses of Beauty

If an identical twin is gay, the other twin is gay 50% of the time. Is there a gay gene? The genes of mitochondria may carry the gay gene [evidence?]…

Beauty is universal but standards applied differ.

Incest taboo may consist of dislike of mating with those we grew up with and knew well in childhood. Nancy Thornhill concludes incest taboos are actually rules about marriage customs invented by powerful men to prevent rivals from accumulating wealth by marrying their own cousin. Aversion to mating with childhood familiars wears off in later life.

Imprinting of chicks toward their mothers occurs at 13-16 hours in chicks and goslings. Similarly, Westermarck says we become sexually indifferent to those with whom we were reared during a critical period, c. 8 – 14 y/o.

Skinny women became a prejudice in the 1950s, …, a religion in the 1980s. Victorian women were not thin. Most tribal peoples prefer plump women. Thinness is now a sign of status. Status consciousness and sexual selection means that males may now select females who will bear thin daughters who will themselves attract men who prefer thinness.

Waists matter because men prefer women whose waist if much thinner than her hips–the ratio matters more than the absolute measurement. This is gynoid fat distribution (hips and breasts fat predominate) cf. android fat distribution (belly fat predominates). Men have selectively if subconsciously bred women with hourglass bodies. Choosing broad hipped women allows babies to have largest brains at birth–men are left with the impression that a hourglass figure represents large hips and better childbirth potential.

Role of blond hair–found mainly in young women, leading to a sexual preference for blondes.

Facial symmetry is a key to beauty. Face is information dense. The computer-averaged face is more beautiful than any explicit extreme example. Faces of models are often forgettable. A beautiful woman can always marry above her station.

Women are attracted to men for their personality and status more than for their beauty and figure. Height however is universally considered attractive. A man must be taller than his date. One inch is worth $6000/year in salary; height contributes to self-assurance. Body language contributes to male sexiness. Character is important in male stars. Male handsomeness depends on skills and prowess.

Women are impressed with symbols of status, fashionable clothes. Men think women care more about male physique than they do, women think men care about status cues more than they actually do.

Fashion is obsessed with novelty, conspicuous display. Fashion is change and obsolescence imposed on a pattern of tyrannical conformity.

Eugenics will never work, standards of beauty change. Beauty cannot exist without ugliness. We each instinctively know our relative worth.

Chapter 10: The Intellectual Chess Game

Brains are large in dolphins (1500 gm) in part to deceive. Lucy the Australopithecus afarensis had brain size 400 c.c.s (bigger than chimp, smaller than orangutan). Current human capacity is 1400 c.c.s. Brain growth occurred because of Red Queen sexual selection.

Chomsky theory of hard-wired deep structure in brain preprogrammed to learn language. But vocabulary and syntax is plastic and variable.

Dogma of sociologists (Emil Durkheim) 1895: anything that varies between cultures must be culturally rather than biologically determined. M. Mead argued that sexual practices were largely the product of nurture. Aversion to sociobiology, which seemed to provide justification for prejudice.

The brain has modules designed by evolution which are specialized mechanisms to recognize faces, read reactions, fear snakes, infer semantic meaning, etc.

Man is not the only tool user. He made tools c. 2.5 M years ago Oldowan technology. Man is not the only skilled hunter.

18% of our energy goes to the brain. Evolution of intelligence is not neutral. Concept of neoteny (retention of juvenile features into adult life)–more a feature of man than of other animals. Need for recursion in narrative speech [?].

Value of gossip. Man applies his intelligence in social situations. Consciousness operates on a need-to-know policy. The greatest minds are mind-reading minds: Jane Austen, Shakespeare. Animals use communication primarily to manipulate one another rather than to transfer information. Laws are easier to enforce when they are presented as part of social contract.

Deceiving and detecting deception are the primary uses of intelligence. Deception is the reason for the invention of the subconscious.

According to Geoffrey Miller, the neocortex is largely a courtship device to attract and retain sexual mates. Hominid males and females became satisfied with nothing less than psychologically brilliant, fascinating, articulate, entertaining companions. Sexual selection can complicate rather than assist the problems of survival. Women need to have the creativity and variety of Scheherezade (Scheherezade effect) to keep their husband around for years–men need the Dionysus effect to do the same (dance, music, intoxication, and seduction). Larger brains require longer period of maturation in the offspring, thus long-term bonds are required.

Dance, music, humor, and sexual foreplay are unique to humans. Sexual fascination of music is obvious.

Neoteny and obsession with youth…

The head is the human equivalent of the peacock’s tail according to sexual selection theory, but this connection is tenuous. Wit, virtuosity, inventiveness, and individuality turn people on. Be different.

Epilogue: The Self-Domesticated Ape

The study of human nature is at an early stage.. Human communities always invent a hierarchy and always atomize into possessive sexual bonds…

GERELATEERD         BOEKBESPREKINGEN.docx (6.5 MB)<—