Vogeltrek en soortvorming

°

°

Leidt migratie tot nieuwe vogelsoorten?

vogel
Matt Reinbold (via Wikimedia Commons).

Sommige vogelpopulaties houden er diverse migratieroutes op na. Maar wat gebeurt er als deze vogels met elkaar kruisen? En kunnen deze populaties uitgroeien tot aparte soorten? Gedragsbioloog Jente Ottenburghs zocht het uit.

Stel je de volgende fictieve situatie voor. In een klein dorpje wonen de families Jansen en Peters. Elk jaar trekt de familie Jansen naar het zuiden van Frankrijk voor een welverdiende vakantie, terwijl de familie Peters naar een bungalow in het oosten van Duitsland reist. Wat zou er nu gebeuren als de oudste dochter van de familie Jansen trouwt met één van de zonen uit de familie Peters? Vertrekken de kinderen van dit gezin dan elk jaar met verlof naar een tussenliggende locatie in het zuidoosten, zoals Oostenrijk of Kroatië? Deze situatie klinkt misschien absurd, maar dit is precies wat er gebeurt bij enkele vogelsoorten.

Zwartkoppen
In 1991, bestudeerde Andreas Helbig (toen aan het Max Planck Instituut) het migratiegedrag van Europese zwartkoppen (Sylvia atricapilla) in zijn lab. Deze vogels trekken ’s nachts vanuit Centraal Europa naar het zuiden. Maar afhankelijk van hun genetische achtergrond kiezen de vogels tussen twee mogelijke migratieroutes, via het zuidoosten of het zuidwesten. Dit fenomeen wordt een ‘migratiebreuk’ genoemd. Helbig kruiste vogels die er elk een andere migratieroute op nalieten en ontdekte dat de resulterende hybriden een tussenliggende migratierichting aannamen, recht naar het zuiden gericht.

Dwerglijster
Recent gingen Kira Delmore en Darren Irwin van de University of British Colombia nog een stapje verder. Zij bekeken de migratieroutes van de dwerglijster (Catharus ustulatus), een onopvallende vogelsoort uit Noord-Amerika, in het wild (met behulp van GPS-technologie). Deze kleine lijster kent twee ondersoorten met een verschillende migratieroute. De rossige ondersoort (C. u. ustulatus) vliegt vanuit de kustgebieden via het zuidwesten naar Mexico. De olijfkleurige ondersoort (C. u. swainsoni) daarentegen vertrekt vanuit het binnenland in zuidoostelijke richting met bestemming Argentinië. Genetisch onderzoek toonde reeds aan dat deze twee ondersoorten regelmatig kruisen. Zouden deze hybriden ook een tussenliggende strategie vertonen? Het antwoord is ja. Heel wat hybriden volgden een migratieroute die intermediair was vergeleken met hun ouders (pal naar het zuiden dus). Maar enkele individuen vlogen via het zuidwesten naar hun overwinteringsgebieden en keerden later terug via het zuidoosten. Andere hybride individuen deden het dan weer net omgekeerd. Deze vogels combineerden dus de migratieroutes van beide ouders. Een onverwacht resultaat. De genetische puzzel achter dit gedrag is voorlopig nog niet opgelost.

Kirsten Ruegg (Stanford University) keek met enkele collega’s op een heel andere manier naar deze situatie. Zij vroeg zich af of deze twee ondersoorten kunnen uitgroeien tot twee aparte soorten als gevolg van hun uiteenlopende migratiestrategieën. Hiervoor werd het volledige genoom van enkele vogels in kaart gebracht. Vervolgens onderzocht men of genen, die gelinkt worden aan migratie, significant verschillend waren tussen de twee ondersoorten. Dit bleek onomstotelijk het geval te zijn. Hierna testte Ruegg een recent theoretisch model van Patrick Nosil (University of Boulder) en Jeffrey Feder (University of Notre Dame) waarin zij voorspellen dat genen die belangrijk zijn in soortvorming samen clusteren en ‘eilanden’ vormen in het genoom (zogenaamde eilanden van divergentie). Gedurende het proces van soortvorming worden deze eilanden steeds groter totdat uiteindelijk de twee genomen radicaal verschillend zijn en we kunnen spreken van twee aparte soorten. In de situatie van de dwerglijster verwachtte Ruegg migratiegenen te vinden in diverse eilanden verspreid over het genoom. Op 15 van de 23 chromosomen vond men inderdaad deze eilanden. Maar in tegenstelling tot de verwachtingen, dreven de migratiegenen vooral in de uitgestrekte genoomoceaan rondom de eilanden. Desondanks lijkt migratie een belangrijke route te zijn op de weg naar nieuwe soorten.

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vind je hier. En neem ook eens een kijkje opzijn blog waarop – hoe kan het ook anders – de evolutie eveneens centraal staat.

 

Bronmateriaal:

Delmore, K.E. & Irwin, D.E. (2014) Hybrid songbirds employ intermediate routes in a migratory divide.                                     Ecology Letters, 17:1211-1218.
Helbig, A.J. (1991) SE- and SW-migrating Blackcap (Sylvia atricapilla) populations in Central Europe: Orientation of birds in the contact zone. Journal of Evolutionary Biology, 4:657-670.
Nosil, P. & Feder, J.L. (2012) Genomic divergence during speciation: causes and consequences. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 1587:332-342.

°
Ruegg, K. et al. (2014) A role for migration-linked genes and genomic islands of divergence of a songbird. Molecular Ecology, 23:4757-4769.

http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/mec.12842/abstract

 

Range map and associated migratory pathways of coastal (black) and inland (grey) forms of the Swainson’s thrush. Light grey indicates regions of potential hybridization, and the stars indicate regions where samples were collected for genetic analysis (n = 5 for each population). Swainson’s thrush image was provided courtesy of the Mitch Waite Group.

http://www.readcube.com/articles/10.1111%2Fmec.12842?r3_referer=wol&show_checkout=1

°

 

 

 

http://migration.wordpress.com/2009/12/09/incipient-speciation-in-european-blackcaps/
http://rspb.royalsocietypublishing.org/content/281/1784/20140473.short

 

http://www.scientias.nl/?s=migratie+vogels

 

trekkende vogels   <— doc

 

Dieren met in hun naam het woord trekker

trekkervis

 

°

Tekkende vissen 

Zalm:

 

Bron van navigatie voor massale trek (bij forellen en zlmachtigen )ontdekt?

Eindelijk hebben wetenschappers dan de bron van de massale trek van  deze dieren ontdekt. Althans dat toont een publicatie in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences  aan.

In de neus van de regenboogforel werden een soort van kompasnaaldjes ontdekt die er voor zouden zorgen dat diersoorten over grote afstanden hun weg herkennen. Met andere woorden, de Tom Tom van de forel?

Cellen uit de neusholten van de regenboogforel werden daartoe in een draaiend magnetisch veld geplaatst en toen bleek dat kleine kristallen van magnetiet (met veel ijzer, dat ook in kompassen wordt gebruikt) in deze cellen synchroon draaiden met de bewegingen van het opgewekte magnetische veld.

De kracht van de magnetische reactie van deze kristallen en hun stevige bevestiging aan de celmembranen toonden een beeld van heen en weer bewegende zeilen overeenkomstig de zwak magnetische velden van de aarde. De cellen waarin deze zeilen zich bevinden geven hun bewegingen dan door aan de hersenen. De vis bepaalt aan de hand hiervan dan zijn richting tijdens de trek. De reden waarom dit nu pas ontdekt wordt is het feit dat slechts 1 van de 10.000 cellen in de neus over deze kristallen beschikt. Deze ‘kristalcellen’ reageren honderd keer sterker op magnetisme dan tot nu toe werd aangenomen.

“Belangrijk is dat we voor de eerste keer hebben aangetoond dat de interne kompasnaald een sterke band heeft met de plasmamembraan (of buitenste membraan) van de cel, wat noodzakelijk is om een ommiddellijk bijsturend sensorisch proces te ondersteunen”, aldus onderzoeker Michael Winklhofer van de Universiteit van Műnchen. De jacht op andere mineralen in bepaalde cellen is nu geopend.

http://www.biomassaliteit.nl/nieuws.htm

http://www.scientias.nl/forel-heeft-kompas-in-zijn-neus/67966

 

Bronmateriaal:

Magnetic characterization of isolated candidate vertebrate magnetoreceptor cells” – PNAS.org

http://www.npowetenschap.nl/nieuws/artikelen/2012/juli/Een-neus-voor-richting.html

http://www.hln.be/hln/nl/2661/Dieren/article/detail/1467441/2012/07/10/Regenboogforel-heeft-kompas-in-neus.dhtml

°

220318_962_1228337858867-zalm1

 

 

Paling :

 

Afbeeldingen van trekgedrag vissen  <—

http://nl.wikipedia.org/wiki/Trekvis

 

tonijnen  <— 

http://en.wikipedia.org/wiki/Fish_migration

 

 

Over grote afstanden trekkende zeediersoorten

 1.  Langvintonijn:
Thunnus alalunga.
 2.  Tonijn:
Thunnus thynnus.
 3.  Grootoogtonijn:
Thunnus obesus.
 4.  Skipjacktonijn:
Katsuwonus pelamis.
 5.  Geelvintonijn:
Thunnus albacares.
 6.  Zwartvintonijn:
Thunnus atlanticus.
 7.  Kleine tonijn:
Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
 8.  Pacifische tonijn:
Thunnus maccoyii.
 9.  Fregatmakreel:
Auxis thazard; Auxis rochei.
 10.  Pomfrets:
familie Bramidae.
 11.  Marlijnen:
Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
 12.  Zeilvis:
Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
 13.  Zwaardvis:
Xiphias gladius.
 14.  Sauries:
Scomberesox saurus; Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
 15.  Dolfijnvis:
Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
 16.  Oceanische haaien:
Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; familie Alopiidae; Rhincodon typus; familie Carcharhinidae; familie Sphyrnidae; familie Isuridae.
 17.  Walvisachtigen:
familie Physeteridae; familie Balaenopteridae; familie Balaenidae; familie Eschrichtiidae; familie Monodontidae; familie Ziphiidae; familie Delphinidae.

 

 

 °

Andere trekkende  dieren ; 

Monarch vlinder

monarchvlinder

°
°
…….

Afbeeldingen van vogeltrek

http://nl.wikipedia.org/wiki/Vogeltrek

http://en.wikipedia.org/wiki/Bird_migration

http://en.wikipedia.org/wiki/Lepidoptera_migration

http://nl.wikipedia.org/wiki/Trekvlinder

 

Caribische (rif) langoesten <—-

°

Trekkende zoogdieren 

VLEERMUIZEN 

http://www.zoogdiervereniging.nl/node/359

SERENGETI  TREK  

Afbeeldingen van gnoes grote trek <—

trekkende gnoes

trekkende gnoes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Blauwe_gnoe

°

http://nl.wikipedia.org/wiki/Migratie_(dieren)

ZEESCHILDPADDEN  

Lederschildpad

— WALVISSEN 

Grijze walvis

 

 

°

HYENA

 

°

Trefwoord

Aardwolf

Meer afbeeldingen

  1. De aardwolf is een hyena uit zuidelijk en oostelijk Afrika. Het is de enige levende soort uit de onderfamilie aardwolven; de aardwolf verschilt sterk van andere hyena’s en kan worden beschouwd als het buitenbeentje van de familie. Wikipedia

Bruine hyena (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea Meer afbeeldingen

  1. De bruine hyena of strandwolf is een van de vier nog levende soorten hyena’s. Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend. Wikipedia

Civetkat

  1. Civetkatten zijn een geslacht van kleine, slank gebouwde roofdieren die voorkomen in Zuidoost-Azië. Wikipedia

Gevlekte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gevlekte hyena is de grootste, agressiefste en de luidruchtigste hyenasoort. In grote delen van Afrika is het het meest voorkomende grote roofdier. De gevlekte hyena is de enige nog levende soort uit het geslacht Crocuta. Wikipedia

Gestreepte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gestreepte hyena is één van de vier hyenasoorten. Ze danken hun naam aan de zwarte strepen over het hele lichaam. Wikipedia

HyaenadonMeer afbeeldingen

  1. Hyaenodon is een geslacht van uitgestorven Creodonta dat miljoenen jaren heeft geleefd en op bijna alle continenten voorkwam. Er zijn zo’n vijftien soorten in dit geslacht benoemd. Er zijn vele soorten gevonden, die sterk in grootte verschilden. Wikipedia

OxyaenaMeer afbeeldingen

  1. Oxyaena is een uitgestorven carnivoor zoogdier behorend tot de familie Oxyaenidae van de Creodonta. Oxyaena had een lichaamslengte van ongeveer een meter. Het was één van de algemeenste roofzoogdieren van de Noord-Amerika in het Wasatchian. Wikipedia

 

 

°

LINKS

http://www.pinterest.com/tsjok/hyenas/

 

Kruger park

http://www.bryerpatch.com/news/africa2000/animals.htm

 

Hyena

Hyena baby

pregnant hyena

Spotted hyena with pup in Kruger National Park, South Africa

Playing with mama

°

AFSTAMMING  & EVOLUTIE

De eerste  hyena achtigen

the early  cat line

 

 

 

 

Hyanodon.JPG

 

hyanodon

 

http://www.ansp.org/museum/leidy/paleo/hyaenodon.php

http://fingerlakesfossilfarm.org/mammal_fossils.htm

hyanodon skeleton

hyaenodon.skeleton jpg
Creodonts are an extinct group of carnivorous mammals that were long thought to be the ancestors of modern Carnivora. This is no longer thought to be the case. Creodonts were the dominant group of carnivorous mammals in the early Tertiary and were quite diverse. They ranged from very large, wolf-like animals as Hyaenodon to small mongoose-like forms such as Prototomus vulpeculus.

Creodonts lived in North America, Asia, Europe, and Africa.

.

civetkat

 

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Civetkatten

De vroegste hyena’s leken sterk op de hedendaagse Civetkatten, maar toen de bossen plaatsmaakten voor open vlaktes, werden de hyena’s snel rennende roofdieren in de Oude Wereld, vergelijkbaar met de honden in Noord-Amerika.

Zo’n 15 miljoen jaar geleden waren er ongeveer 30 hondachtige hyenasoorten, maar toen veranderde het klimaat. Naarmate de hyena’s in aantal terugliepen, trokken de honden (die ook leden onder de kou) vanuit Noord-Amerika naar het zuiden over de nieuwgevormde landbrug.

De hyena’s hebben zich weliswaar aangepast aan de nieuwe omstandigheden, maar omdat de honden reeds bezit hadden genomen van hun leefmilieu moesten ze zich ontwikkelen tot bottenkrakers (of termieteneters).

Phylogeny

nested hierarchy and phylogeny   of  cat  , bear and dog branch

 

Cat / bear /dog branches

 

phylogeny hyanidae

 

 

http://www.hyaenidae.org/uploads/images/kay%20phylogeny.jpg

http://www.hyaenidae.org/ancient-hyaenas.html

ICITHERIUM

ichterium

 

 

De eerste hyena’s verschenen 15 miljoen jaar geleden in het Midden-Mioceen en ontstonden vermoedelijk in Afrika, ze worden beschouwd als verwanten van de katten.

De hyena Chasmoporthetes was de enige van zijn familie die ook in Noord-Amerika voorkwam dit ten tijden van het Pleistoceen.

Dit genus had zich ook verspreidde ze zich over Azië, Europa en Afrika.

 

 

 

Chasmoporthetes

 

chasmaporthetes

 

 

Gemaakt 29-12-04

PACHYCROCUTA

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Pachycrocuta

 

PACHYCROCUTA

 

 

 

 

 

Pachycrocuta brevirostris/ Carnivore /

pachycrocuta  and homo erectus

 

Where: Eurasia and eastern Africa/   MiddlePliocene to Middle Pleistocene

The Pachycrocuta brevirostris was largest of the prehistoric hyenas, and is frequently called: the Giant Hyena. It was about 100 cm tall and weighed about 190 kg. this would make it the largest hyena to have ever lived. It was a small-pack hunter of large animals, but it probably preferred to scavenge, because it was a heavyset animal not built for chasing prey over long distances.

 

hyena's

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hyena’s

carnivoraforum

 

carn

 

carnovofo

 

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331029/1/

Spelonkhyena

Crocuta crocuta spelaea

Species: Crocuta crocuta Subspecies: Crocuta crocuta spelaea

spelonkhyena  schedel

 

 

The Cave Hyena (Crocuta crocuta spelaea)

is an extinct subspecies of spotted hyena (Crocuta crocuta) native to Eurasia, ranging from Northern China to Spain and into the British Isles. Though originally described as a separate species from the spotted hyena due to large differences in fore and hind extremities, genetic analysis indicates no sizeable differences in DNA between Pleistocene cave hyena and modern day spotted hyena populations. It is known from a range of fossils and prehistoric cave art. With the decline of grasslands 12,500 years ago, Europe experienced a massive loss of lowland habitats favoured by cave hyenas, and a corresponding increase in mixed woodlands. Cave hyenas, under these circumstances, would have been outcompeted by wolves and humans which were as much at home in forests as in open lands, and in highlands as in lowlands. Cave hyena populations began to shrink after roughly 20,000 years ago, completely disappearing from Western Europe between 14-11,000 years ago, and earlier in some areas.

 

 

 

 

 

skull spelonk hyenaA nearly complete skull of Crocuta spelaea from Europe. Photo from Diedrich & Zak (2006).

_

The main distinction between the spotted hyena and the cave hyena is grounded on different lengths of the hind and fore limb bones. The humerus and femur are longer in the cave hyena, indicating an adaptation to a different habitat to that of the spotted hyena. It is unknown if they showed the same sexual dimorphism of the spotted hyena. It has been estimated that they weighed 102 kg (225 lbs).

Little is known of their social habits. It is widely accepted that they used caves as dens, although sites in the open-air are also known. There is no indication of cave hyenas living in large clans or on a more solitary basis, though large clans are not considered likely in their Pleistocene habitat.

Crocuta_crocuta_spelaea_

 

 

 

 

 

 

grothyena schedel

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331026/1/

 

°

EXTANTE  HYAENA’S

 

extante soorten

 

 

°gevlekte hyena

 

gevlekte hyena

Mensen zijn altijd weer verrast als ze horen dat hyena’s deel uitmaken van de katachtigen en helemaal niet nauw verwant zijn met de honden.Dat komt omdat ze binnen de katachtigen  de tegenhangers van honden zijn en zich tot langeafstandslopers hebben ontpopt op de vlaktes. Vandaag de dag zijn er nog maar vier hyenasoorten over. Drie daarvan hebben de “klassieke” verbrijzelende kaken en zijn jagers/aaseters.De vierde is de aardwolf, die zich voedt met termieten.

gevlekte hyena's

 

Hyena welpen

welpen

lachende hyena

lachende volwassen hyena

Hyena’s communiceren met behulp van bacteriën

12 november 2013 Caroline Kraaijvanger5

's nachts

Masai Mara National Reserve

 

 

Masai Mara National Reserve in Kenya

Hyenas recognize each other’s smell — or perhaps the smell of each other’s microbiome.  // ANUP SHAH / NATUREPL.COM

°

Hyena’s laten boodschappen aan elkaar achter in de vorm van uitwerpselen. Wetenschappers hebben nu ontdekt dat die uitwerpselen veel meer bacteriën bevatten dan gedacht en dat die bacteriën de boodschap van de hyena overdragen.

Wanneer hyena’s uitwerpselen achterlaten in het gras dan bevatten die zuur ruikende signalen héél veel informatie die andere dieren kunnen ‘lezen’,” vertelt onderzoeker Kevin Theis. “Hyena’s kunnen zo snel een gedetailleerde boodschap achterlaten en weer gaan. Het is een soort prikbord waarop te zien is wie er in de buurt zijn en hoe het met die hyena’s gaat.”

Wetenschappers hebben die geurige boodschappen van de hyena’s nu grondig bestudeerd. Ze ontdekten zo onder meer dat deze veel meer bacteriën bevatten dan gedacht. En dat die bacteriën degenen zijn die de boodschap overbrengen. “De plekken waar de hyena’s hun uitwerpselen neerleggen zijn prikborden, de uitwerpselen zijn visitekaartjes en de bacteriën zijn de inkt die letters en woorden vormen en informatie aan de bezoekers van het prikbord informatie bieden over diegene die het prikbord bezocht heeft. Zonder de inkt is het gewoon een bord met lege, niet-informatieve kaartjes.”  (1)

De geuren van de uitwerpselen verschilden sterk. Die verschillen bleken nauw samen te hangen met de soort hyena, het geslacht en de mate van vruchtbaarheid.

Geuren vertellen hyena’s dus iets over andere hyena’s. En die geuren worden geproduceerd door de bacteriën, zo schrijven de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

 

Bronmateriaal:

“Bacteria may allow animals to send quick, voluminous messages”

 – MSU.edu                               

 

 http://msutoday.msu.edu/news/2013/bacteria-may-allow-animals-to-send-quick-voluminous-messages/

 

 Hyenas scent posts

Hyenas scent posts

may be short, relatively speaking, yet they convey an encyclopedia of information about the animals that left them. (Credit: Courtesy of MSU)

 

°

De bacteriën die in de geurklieren van hyena’s leven, zijn bepalend voor de geuren waarmee de dieren signalen afgeven aan elkaar.

De samenstelling van de micro-organismen bij gevlekte en gestreepte hyena’s is verschillend, zodat deze verschillende soorten hun soortgenoten aan hun geur kunnen herkennen.

 

Ook verandert de structuur van de bacteriën als vrouwtjes klaar zijn om te paren, zodat ze op dat moment een specifieke geur uitdragen.

 

Lichaamsvocht

De wetenschappers slaagden erin om met een speciale techniek een zeer groot aantal bacteriën in de geurklieren van hyena’s in kaart te brengen.

Met deze informatie kunnen ze verschillen meten in het lichaamsvocht dat hyena’s achterlaten op gras om geuren te communiceren.

 

http://www.sciencedaily.com/releases/2013/11/131111161510.htm

 

“De diversiteit van de bacteriën is genoeg om de origine van deze signalen te verklaren”, verklaart Theis op Nature News. http://www.nature.com/news/smelly-microbes-help-hyenas-to-communicate-1.14141

 

 

°

De wetenschappers vermoeden dat ook andere diersoorten gebruik maken van micro-organismen om verschillende geuren te communiceren. Meer onderzoek moet uitwijzen of dat ook echt zo is.

 

 

  • De term “visitekaartjes” is nogal vrij van interpretatie, haha. Maar goed, volgens mij kan deze studie naar behoorlijk wat diersoorten geëxtrapoleerd worden, omdat de ontlasting van iedereen uniek is en zeer veel over een individu kan zeggen. Het is namelijk een afbraakproduct van een systeem met ontelbaar veel processen.  Als je dat nauwkeurig gaan analyseren, krijg je een behoorlijke uitgebreide anamnese

Bruine hyena

 

 

Engels : Brown hyena
Duits : Schabrackenhyäne, Braune Hyäne, Strandwolf
Frans : La hyène brune

De bruine hyena of strandwolf (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea) is een van de vier nog levende soorten hyena’s.
Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend.

De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Thunberg (Carl Peter Thunberg was een Zweedse natuuronderzoeker. Hij was een student van Carolus Linnaeus.) in 1820.

De bruine hyena leeft in westelijk Zuid-Afrika, Zimbabwe, Namibië en Zuid-Angola.
Hij komt meer dan de andere hyena’s in woestijnen voor, voornamelijk in de Kalahari en de Namibwoestijn.
Ook komt hij voor in drogere, met struiken begroeide steppen en savannes.
Ook langs de woestijnkust van Namibië komen ze geregeld voor.

Bruine hyena

Bruine hyena
auteur : Southafrica.net op
www.dinosoria.com

De bruine hyena heeft een ruige, donkerbruine tot zwarte vacht, met een lichtgele kraag om de hals, die als maan dient bij volwassen dieren, en een grijzig gezicht.
Over de poten lopen witte horizontale strepen.
De staart is kort en donker van kleur.
De losse, ruige vacht kan bij conflicten worden opgezet, waardoor het dier groter en indrukwekkender lijkt.

Hij wordt ongeveer 110 tot 161 centimeter lang, met een 21 tot 30 centimeter lange staart.
De schouderhoogte bedraagt zo’n 72 tot 88 centimeter.
De bruine hyena weegt tussen de 28 en de 55 kilogram.
Mannetjes worden groter dan vrouwtjes.

 

bruine hyena Hyaena brunnea

Hyaena brunnea
auteur : Sally London op http://www.dinosoria.com    
CC 3.0

De bruine hyena is een nachtdier.
Overdag rust hij in een zelfgegraven hol (tot 150 centimeter diep), een natuurlijk hol tussen de rotsen of in het hol van een aardvarken.

Hij eet voornamelijk aas, maar ook afgevallen vruchten.
Soms maken ze actief jacht op kleine en middelgrote zoogdieren als de springhaas, jonge antilopen en de grootoorvos, kleine gewervelden als kikkers en hagedissen en ongewervelden.
Langs de kust van Namibië zoeken ze naar dode welpen van de Zuid-Afrikaanse zeebeer, aangespoelde walvissen en andere dode zeedieren.
Op de vuilnisbelten van Johannesburg, Pretoria en andere grote steden zoeken ze ook naar voedsel.
De bruine hyena eet per dag gemiddeld 2,8 kilogram.

De dieren foerageren alleen, omdat ze zelden voedsel vinden waar meer dan één hyena van kan leven.
Bij grote karkassen houden zich zelden meer dan drie dieren op.
Tijdens het foerageren kunnen ze afstanden afleggen van wel 54 kilometer

 

Brown Hyaena Portrait

De bruine hyena
auteur : © Martin Heigan    

 

Bruine hyena’s kennen geen vaste sociale structuur.
Ze leven solitair, in paren of in kleine, losse groepen, die kunnen bestaan uit zes tot vijftien dieren, en bestaan uit tot drie volwassen mannetjes en vijf volwassen vrouwtjes.
Als de dieren oud genoeg zijn om op zichzelf te staan, kunnen ze bij de groep blijven of gaan rondzwerven.
Sommige dieren blijven hun hele leven bij dezelfde troep. Een groep houdt een los territorium bij, die veelvuldig wordt gemarkeerd.
Markeren gebeurt door geurvlaggen en latrines(vaste plaats waar ze hun behoefte doen).

Bruine hyena’s planten zich het gehele jaar door voort.
Het vrouwtje paart met meerdere mannetjes, zowel groepsleden als rondzwervende mannetjes.
Een vrouwtje krijgt per worp één tot vijf (gemiddeld twee tot vier) jongen na een draagtijd van 120 dagen.
Ze worden blind en doof geboren in een ondergronds hol.
Het vrouwtje zondert zich de eerste paar maanden af van de rest van de groep.
Meestal krijgt één vrouwtje in de groep een nest, maar ook andere vrouwtjes mogen zich voortplanten.
Jongen worden in zulke situaties na enkele maanden door alle zogende vrouwtjes gezoogd, en de jongen worden bij elkaar verzorgd in een gezamenlijk hol.
De jongen worden twaalf tot vijftien maanden lang gezoogd.
Na drie maanden eten ze hun eerste vaste voedsel.

Na 18 maanden verlaten ze meestal het nest.
Vrouwtjes zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp.

PROTO MAMMALS

Rugosodon eurasiaticus,
Reconstitution d'artiste du <i>Rugosodon eurasiaticus </i>par April Isch, de l'université de Chicago.
August 16, 2013 Chong-Xi Yuan from the Chinese Academy of Geological Sciences in Beijing, China, and colleagues from Carnegie Museum and the University of Chicago reported the discovery of the oldest rodent (1)  fossil ever found

Rugosodon eurasiaticus is the oldest known fossil specimen of a rodent(1). The 160 million-year –old fossil is the earliest representative of the rodent-like group of mammals called multituberculates that inhabited Earth beginning in the Jurassic period and went extinct in the Oligocene epoch.

Rugosodon eurasiaticus was an omnivore based on the animal’s dental structure. The animal was most probably a land dweller but could have inhabited trees part of the time based on the structure of the ankles. The ankles allow for a higher level of rotation than most mammals that are not tree dwellers. The fossil was found in lake sediment and suggests the animal’s main habitat may have been lake shores. The animal was 6.5 inches long and weighed almost three ounces.

This is the most complete multituberculate fossil ever found and is very similar to another sample found in Spain. This similarity indicates the large range and large variety of adaptation that this group of rodents displayed during their long existence.

Rugosodon eurasiaticus and its kin lasted for a little more than 100 million years making these animals one of the longest enduring groups that ever existed.  “

Kommentaren 
(1)
de zin  “the oldest known fossil specimen of a rodent” wordt onmiddelijk gevolgd door  “the earliest representative of the rodent-like group of mammals called multituberculates
*-ik kan daar uit niet opmaken dat het GEEN   knaagdier was maar eerlijk ook niet dat het erwél een  was dus ik hou het in het midden. 
Het gaat dus NIET  noodzakelijk  om  een  voorouder ( of zelfs het oudste lid ) van de  knaagdieren…..  Maar om een knaagdier-achtige multituberculata    die  ook  voorloper kan  zijn  geweest  van latere zoogdieren  en die dmv  convergente evolutie  (en hetzelfde soort   niches van de huidige  knaagdieren  )  de knaagdier-vorm heeft ontwikkeld ….
*Dat knaagdieren  oud zijn wordt  gesuggereerd door de enorme  aantallen soorten  die deze  groep telt
 
De tanden wijzen  erop  dat het fossiel toebehoorde aan een  een omnivoor    : dus geen echt  herbivoor   “knaagdier” ……. (  echter ratten en muizen lijken  ook  wél omnivore opportunisten   te zijn  ) …..
°
VROEGE   ZOOGDIEREN 
Zoogdier-tanden
Multituberculata tanden 
  <— klik voor vergroting
Alternative interpretations of early mammalian history
Reproduced with permission by Macmillan Publisher Ltd.
from Cifelli and Davis (here) copyright 2013
°

Harig proto-zoogdier bevestigd  dat de vacht eerder ontstond dan

zoogdieren zelf  (1)

Megaconus mammaliaformis,

°

°

08 augustus 2013   3

megaconus

Wetenschappers hebben in China de fossiele resten van een nieuw proto-zoogdier ontdekt. Het 165 miljoen jaar oude dier laat zien dat haar en vacht – typische eigenschappen van een zoogdier – al lang voor de totstandkoming van echte zoogdieren hun oorsprong vonden.

De onderzoekers ontdekten het dier in Mongolië. Ze hebben het de naam Megaconus mammaliaformis gegeven. Het beestje leefde zo’n 165 miljoen jaar geleden en is een zogenoemd proto-zoogdier. Dat wil zeggen dat het een verre voorouderlijke verwant is  van de moderne zoogdieren

Hoewel het beestje al wel eigenschappen van een zoogdier heeft, mag deze nog niet echt een zoogdier worden genoemd.

proto mammals

De fossiele resten die in Mongolië zijn aangetroffen. Foto: Zhe-Xi Luo, University of Chicago.

Fossil

April Isch / University of Chicago
The newly discovered fossil is one of the best-preserved early mammal ancestors ever found, and provides some of the earliest evidence of pre-mammalian hair. 
New proto-mammal fossil sheds light on evolution of earliest mammals
Guard hairs and underfur surrounding the tail are clear in the Megaconus fossil. Credit: April Isch, Zhe-Xi Luo, University of ChicagoRead more at: http://phys.org/news/2013-08-proto-mammal-fossil-evolution-earliest-mammals.html#jCp

Harig
Wat de ontdekking van M. mammaliaformis zo bijzonder maakt, is dat het fossiel uitzonderlijk goed bewaard is gebleven. Zo goed dat zelfs sporen van de dekharen en ondervacht zijn teruggevonden.

Daarmee is M. mammaliaformis het tweede harige proto-zoogdier dat tot op heden is ontdekt.
Megaconus bevestigt dat veel biologische functies van moderne zoogdieren die samenhangen met de huid en huidbedekking al geëvolueerd waren voordat de moderne zoogdieren ontstonden,” vertelt onderzoeker Zhe-Xi Luo.
De vondst is belangrijk, omdat deze ons meer kan vertellen over de evolutie van zoogdieren en dan bijzonder de overgang van proto-zoogdieren naar de zoogdieren zoals we die vandaag de dag kennen.
Megaconus laat ons zien dat veel aanpassingen die we vandaag de dag bij moderne zoogdieren zien, al werden uitgeprobeerd door onze verre, uitgestorven familieleden.”Alleseter
M. mammaliaformis was ongeveer zo groot als een grondeekhoorn en at waarschijnlijk van alles: insecten, wormen, planten, maar wellicht ook kleine gewervelden. Aangezien er op de buik van het dier bijna geen haren zijn aangetroffen, vermoeden de onderzoekers dat deze onbehaard was.
°
Op de hielen bevindt zich een uitsteeksel dat mogelijk giftig was.MOZAIK  Vooral het gebit en de kaak van de nieuwe soort doet denken aan moderne zoogdieren.=
°
” …. Its molars had elaborate rows of cusps for chewing on plants, and some of its anterior teeth possessed large cusps that allowed it to eat insects and worms, perhaps even other small vertebrates. It had teeth with high crowns and fused roots similar to more modern, but unrelated, mammalian species such as rodents. Its high-crowned teeth also appeared to be slow growing like modern placental mammals.
°
The skeleton of Megaconus, especially its hind-leg bones and finger claws, likely gave it a gait similar to modern armadillos, a previously unknown type of locomotion in mammaliaforms.  
°
Verder zijn er ook eigenschappen aangetroffen die weer meer doen denken aan reptielen.= “….Its primitive middle ear, still attached to the jaw, was reptile-like. Its anklebones and vertebral column are also similar to the anatomy of previously known mammal-like reptiles….”
°
 “We kunnen niet zeggen dat Megaconus onze directe voorouder is,” legt Luo uit. “Maar het dier ziet er zeker uit als een achterachterachteroom die 165 miljoen jaar van ons verwijderd is.”
°
Bronmateriaal:
New proto-mammal fossil sheds light on evolution of earliest mammals” – UCHospitals.edu
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door April Isch / Zhe-Xi Luo, University of Chicago.

(1) Was al langer bekend  ; 

  • De therapsiden (reptielen) hadden een vacht. Niet toevallig de voorlopers van de zoogdieren.

°

A new Haramiyid indicating a complex pattern of evolution in Mesozoic mammals

Arboroharamiya jenkinsi (STM33-9)

Aug 13, 2013

http://en.wikipedia.org/wiki/Arboroharamiya

Arboroharamiya is an extinct genus of early mammal (or possibly a non-mammalian mammaliaform) from the Middle Jurassic Tiaojishan Formation of Inner Mongolia,

http://www.nature.com/nature/journal/v500/n7461/full/nature12353.html

A new Haramiyid indicating a complex pattern of evolution in Mesozoic mammals

Fig.1 The holotype specimen and line drawing of Arboroharamiya jenkinsi (STM33-9). Credit: BI Shundong

The counterpart of the holotype is illustrated in Supplementary Fig. 1. ca, calcaneum; ca1–17, first to seventeenth caudal vertebrae; ip, intermediate phalanges; ip2–5, second to fifth intermediate phalanges; mc2–5, second to fifth metacarpals; mt1–5, second to fifth left metatarsals; mt2–5, second to fifth right metatarsals; l1–7, first to seventh lumbar vertebrae; lc, left clavicle; lfe, left femur; lfi, left fibula; li, left ilium; lis, left ischium; lm, left mandible; lra, left radius; lti, left tibia; lu, left ulna; pp, proximal phalanges; pp1–5, first to fifth proximal phalanges; rfe, right femur; rfi, right fibula; ri, right ilium; rm, right mandible; rra, right radius; rti, right tibia; ru, right ulna; t, thoracic vertebrate; tp, terminal phalanges; tp1–5, first to fifth terminal phalanges; tr, thoracic ribs; s1–2, first to second sacral vertebrae; ?, unknown element.

A new Haramiyid indicating a complex pattern of evolution in Mesozoic mammals

Fig.2 Teeth, mandibles and tooth occlusal relationships of Arboroharamiya jenkinsi. Credit: BI Shundong

a, Occlusal views of right upper and lower incisors (I/i), premolars (P/p) and molars (M/m). Some of the teeth (Supplementary Fig. 3) have been photographically flipped in the stippling drawings. The general shape of p4 is similar to that of Kermackodon, one of the earliest known multitubuerculates4, but differs from it in lacking serrations. m1 and m2 are similar in having a high and inflated cusp a1 with cusps decreasing height distally. The distal end of the central basin is closed by cusps. Enamel ridges extend distally from cusps towards the basin, which enhance grinding as A1 of the upper molar ‘moves’ in the valley. The upper premolar differs from molars in being more rounded, with the broad central basin bearing numerous small cusps or crenulations. Upper molars are more mesiodistally elongate and have cusps A1 and A5 the largest and ridges extending mesially. Cusp B3 is the largest in cusp B-row. b, Buccal (top) and lingual (bottom) views of the mandible show the anterior extension of the masseteric fossa to the level below p4 and lack of the postdentary trough (Supplementary Fig. 2). The empty arrows point to the angular process. c, Line drawings illustrate the cusp numbering of M1 and m1 (right column) following ref. 2 and their relationship in occlusion (upper left). Grey arrows show the relative movements of a1 of m1 and A1 of M1 (bottom left).

Tooth identification, measurements and photographs in Supplementary Information.

Fig.3 Reconstruction of Arboroharamiya jenkinsi. Credit: BI Shundong

Read more at: http://phys.org/news/2013-08-haramiyid-indicating-complex-pattern-evolution.html#jCp

Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology search and more info website

  1. Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.
  2. Figure 4  ::Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.

Thin lines represent the phylogenetic relationships and thick lines indicate geological distributions of the taxa. This is a simplified consensus tree (Supplementary Fig. 11) of 12 equally most parsimonious trees of PAUP (Phylogenetic Analysis Using Parsimony and Other Methods, version 4.0b), an analysis of 436 characters and 56 taxa with a focus on Mesozoic non-therian groups (modified from ref. 23; parts G–I in Supplementary Information). Test analyses for alternative hypotheses are in part J of Supplementary Information.

PAARDEN

paardenevolutie   <— doc archief

 

‘verre voorouders van onevenhoevigen   ontstonden in India’

An artist’s depiction of Cambaytherium thewissi.
Credit: Elaine Kasmer

Paleontologen hebben in India de 54,5 miljoen jaar oude fossiele resten gevonden van een voorouder van het paard, de neushoorn en de tapir.

AUTEUR: LISA DUPUY FOTOGRAAF: ELAINE KAMSER; NATURE

De vondst toont volgens onderzoekers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KNIB) en Amerikaanse en Indische collega’s aan dat de onevenhoevigen in India ontstonden. Dat schrijven ze deze week in Nature Communications.

Verste voorouder
Het team heeft in totaal meer dan tweehonderd fossielen opgegraven. De tanden, schedels en botten zijn van een primitief zoogdier dat ze Cambaytherium thewissi hebben genoemd. Het dier heeft zowel kenmerken van de huidige onevenhoevigen, maar ook van primitievere dieren. Vooral de tanden, het heiligbeen en de hand- en voetbeentjes duiden op een primitief dier. De vondst biedt dus een “blik op hoe de verste voorouders van paarden en neushoorns eruit moeten hebben gezien”, aldus Thierry Smith, de paleontoloog van het KNIB die het onderzoek leidde. “Zo dicht bij de oorsprong zijn we nog niet geerder geweest.”

 

skull an teeth  of cambaytherium

 

Beeld: Nature. De schedel, onderkaak en tanden van Cambaytherium thewissi. De fossielen laten een “mix” zien van kenmerken van moderne paarden en een primitiever dier, zoals de tanden. 

Cambaytherium thewissi leek op een klein paard en woog waarschijnlijk tussen de 20 en 35 kilo. Het primitieve paard at planten vruchten en grassen. “Later in hun evolutie zijn ze op alleen maar grassen overgeschakeld”, zegt Smith.

India in het vroege eoceen
De fossielen stammen uit het vroege eoceen en zijn 54,5 miljoen jaar oud. Cambaytherium is nergens anders gevonden, wat erop duidt dat India toen een geïsoleerd gebied was – een eiland dat was losgescheurd van Madagaskar, en richting het huidige Azie dreef

 

http://www.readcube.com/articles/10.1038/ncomms6570?utm_campaign=readcube_access&utm_source=nature.com&utm_medium=purchase_option&utm_content=thumb_version&show_checkout=1&tracking_action=preview_click

 

Perissodactyla trees

http://www.sciencedaily.com/releases/2014/11/141120081752.htm                     http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap

http://phenomena.nationalgeographic.com/2014/11/25/fossil-beast-helps-fill-the-backstory-of-horses-tapirs-and-rhinos/

Cambaytheridae  

http://repository.ias.ac.in/93951/1/new_early.pdf

 

°

Paardenfossiel van 47 miljoen jaar oud hield nog kleine verrassing verborgen

JOERI VLEMINGS11-11-14, 20.40uBron: Huffington Post
©Senckenberg Research Institute Frankfurt

Twaalf jaar geleden ontdekten paleontologen een fossiel van een voorhistorisch paard van maar liefst 47 miljoen jaar oud. In het millenniumjaar waren zij zich niet bewust van de kleine verrassing die het dier nog in petto had. Blijkt nu dat de merrie drachtig was.

De huidige X-stralen-technologie met hoge resolutie legt de zwangerschap van de Eurohippus messelensis onomstotelijk bloot. De merrie was in de laatste fase van de dracht, zo laat de grootte van het ongeboren veulen zien. De positie van het babypaardje sluit ook uit dat noch moeder noch kind omkwamen tijdens de bevalling.

“Bijna alle beenderen van de foetus bevinden zich op hun oorspronkelijke plaats“, zeg dr. Jens Lorenz Franzen van het Senckenberg Onderzoekscentrum in Frankfurt. “Alleen de schedel is verbrijzeld”, zegt Franzen, leider van het onderzoeksteam.

Het is nog maar het tweede bekende fossiel waarvan de placenta te herkennen valt. De afmetingen doen vermoeden dat het prehistorische paard ongeveer zo groot als een fox terriër was. Het voortplantingssysteem is grofweg hetzelfde gebleven bij de veel grotere paarden die we vandaag kennen.

De overblijfselen werden in 2000 ontdekt in het Duitse Messel Pit, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Frankfurt, waar meer dan 1.000 fossielen van planten en dieren gevonden werden, tot wel 57 miljoen jaar oud.

Wetenschappers denken dat een oud meer op de site giftig vulkanisch gas bevatte dat heel wat dieren doodde, waaronder de Eohippus-soort. Door het gebrek aan zuurstof op de bodem van het meer braken anaerobe bacteriën de karkassen af om een opvallend gedetailleerd en intact fossiel over te houden.

 

http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/1651601.stm

Walking With Beasts, BBC

 

°

 

 

 

Evolutie van een nobel dier   <— NADARWIN 

http://web.archive.org/web/20070930185026/http://www.nadarwin.nl/FB/paarden.html

( ANTI CREATO)  vooral ook  —>   tussenvormen bestaan niet ( een  uitgebreid   word -document dat apart inplakbaar is op gelijk welke internet pagina  en /of discussieplatform )

horse-evolution

 

File:Equine evolution.jpg

‘Archaische Paarden ( EQUUS ) ontstonden vier miljoen jaar geleden’

27 juni 2013

http://en.wikipedia.org/wiki/Evolution_of_the_horse

This image shows a representative sequence, but should not be construed to represent a “straight-line” evolution of the horse. Reconstruction, left forefoot skeleton (third digit emphasized yellow) and longitudinal section of molars of selected prehistoric horses

Horseevolution

°(UPDATE  )

°

De  ” equus” Paardenlijn   takte waarschijnlijk twee miljoen jaar eerder  af  dan gedacht, zo blijkt uit DNA uit een prehistorisch paardenbot dat is gevonden in Canada.

Horse-fossil

oeroud paardenbot© Ludovic Orlando

Deze twee stukjes paardenbot zijn omstreeks 700 duizend jaar oud en bevatten genoeg leesbaar DNA om de hele genenkaart van het dier te reconstrueren.

Het bot is afkomstig van een paard dat ongeveer 560.000 tot 780.000 jaar geleden leefde. Op basis van een vergelijking tussen genetisch materiaal uit het fossiel en de genen van moderne paarden kan worden aangenomen dat de eerste archaische paarden ongeveer vier miljoen jaar geleden ontstonden.

Daarmee zijn paarden twee miljoen jaar eerder geëvolueerd dan tot nu toe werd aangenomen. Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

IJsbeer

Het prehistorische paardenbot is gevonden in het noorden van Canada in een permanent bevroren laag van de aarde, waardoor het DNA in het fossiel relatief goed bewaard is gebleven.

De wetenschappers onttrokken het genetisch materiaal uit het collageen van het bot. Met speciale technieken slaagden ze erin om de DNA-volgorde te reconstrueren. Dat is uitzonderlijk gezien de ouderdom van het fossiel.

Het oudste bot waaruit tot nu toe DNA was onttrokken, was afkomstig van een ijsbeer die ongeveer 110.000 tot 130.000 jaar geleden leefde. “We hebben die tijdsbarrière nu doorbroken”, verklaart hoofdonderzoeker Ludovic Orlando op Nature News.

Wanneer een organisme sterft, kunnen de DNA-moleculen bewaard blijven. Niet als volledige chromosomen, maar wel als korte stukjes. Dit is te vergelijken met een puzzel. Wetenschappers moeten de puzzelstukjes op de juiste manier in elkaar leggen om het totaalplaatje te zien. Des te ouder het fossiel, des te minder ‘data’ blijft er over om het genoom in kaart te brengen. De puzzel wordt dus alsmaar lastiger.

Analyse
De wetenschappers analyseerden de botresten van het paard en vonden aminozuren. “We werden direct enthousiast, omdat dit een sterk teken was dat er nog eiwitten aanwezig waren”, vertelt onderzoeker Dr. Orlando. “Toen we even later bloedeiwitten ontdekten, begon het onderzoek veelbelovend te worden.” De onderzoekers vonden een klein beetje DNA, maar het was genoeg om het volledige genoom inzichtelijk te krijgen.

De eerste paardachtige
Door het genoom te vergelijken met het genoom van een 43.000 jaar oud paard, zes hedendaagse paarden en een ezel, stellen wetenschappers vast dat de voorouder van alle moderne paardachtigen ongeveer vier tot 4,5 miljoen jaar geleden op het toneel verscheen. Voorheen dachten onderzoekers dat de eerste moderne  paardachtige pas twee miljoen jaar geleden op aarde galoppeerden . Er moet dus een en ander ge-updated worden

Terug in de tijd
“Dankzij nieuwe technologieën kunnen we nu tien keer verder terug in de tijd kijken”, zegt professor Willerslev. “Hierdoor kunnen we de evolutionaire geschiedenis van dieren beter ontrafelen.”

Przewalskipaard

http://en.wikipedia.org/wiki/Przewalski%27s_horse

File:Przewalski's Horse, Dubbo Zoo, c 2005.jpg

Op basis van de prehistorische paardengenen kunnen de Deense onderzoekers inschatten hoe de de populatie van wilde paarden varieerden  in de loop der tijd. Vooral in klimatologische periodes waarin veel graslanden ontstonden, groeide het aantal paarden waarschijnlijk. In tijden van extreme kou krompen  de populaties.

Uit het gereconstrueerde DNA blijkt verder dat het oorspronkelijk uit Mongolië afkomstige Przewalskipaard genetisch gezien het enige overgebleven wilde paard op aarde is.

Przewalskipaarden waren in in de jaren zestig bijna uitgestorven, maar met behulp van een speciaal fokprogramma is de soort weer nieuw leven ingeblazen. ……  De dieren zijn onder meer uitgezet in  het Nederlandse  Natuurpark Lelystad.

 

Oudste DNA-analyse: van 100.000 naar ca. 700.000 jaar oud

Przewalski's paard en veulen

Deense onderzoekers slaagden er in om DNA te extraheren uit botten van een paard dat 580.000 à 760.000 geleden leefde in Yukon, Canada. Ze konden het genoom van dit paard terug samen stellen. Dit kon lukken omdat de botten in de permafrost, 700.000 jaar oud ijs, bewaard bleven.
Het vorige record voor DNA-analyse van 100.000 jaar oude botten kwam van een neanderthaler in Scladina (Sclayn) , België. (1)
De vondst in Yukon werd vergeleken met die van 43.000 jaar oude paardenbotten, DNA van hedendaagse paarden en de aan het paard verwante ezel. Daaruit kon men afleiden dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle paardachtigen (waaronder ook zebra’s en onagers) 4 à 4,5 miljoen jaar geleden leefde. Dat is dubbel zo lang als men tot voor kort aannam. Przewalski’s paarden splitsen van gedomesticeerde paarden af tussen 38.000 en 72.000 jaar.

Bron:
Ludovic Orlando et al., Recalibrating Equus evolution using the genome sequence of an early Middle Pleistocene horse, Nature (2013)

doi:10.1038/nature12323.

http://www.nature.com/nature/journal/v499/n7456/abs/nature12323.html

http://www.readcube.com/articles/10.1038/nature12323

 

°

 

°

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Domestication_of_the_horse

 

DOMESTICATIE 

 

 

 

Wetenschappers identificeren genen die paarden tam maakten

Wetenschappers hebben een groot aantal genen geïdentificeerd die de domesticatie van paarden mogelijk maakten.

Het gaat om 125 genen die fysieke en psychologische veranderingen teweeg hebben gebracht bij paarden.

De genetische mutaties zorgden er bijvoorbeeld voor dat gedomesticeerden paarden eigenschappen ontwikkelden als verminderde angst, sterkere spieren en een betere balans.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS.

 

Botten

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen door de genen van vijf moderne paardensoorten te vergelijken met DNA dat werd aangetroffen in botresten van enkele wilde paarden die 16.000 tot 43.000 jaar geleden in Siberië leefden.

Waarschijnlijk stammen alle moderne soorten af van deze wilde paarden, die inmiddels zijn uitgestorven.

Door een genetische analyse slaagden de onderzoekers erin om het domesticatieproces van de wilde paarden te reconstrueren.

 

Transport

“Wij leveren in deze studie een lijst van genmutaties die waarschijnlijk door mensen zijn gestimuleerd bij de domesticatie van paarden”, verklaart onderzoekster Beth Shapiro op nieuwssite ScienceDaily.

 

A man catches domestic Mongolian horses with a lasso in Khomiin Tal, Mongolia. Credit: Copyright: Ludovic Orlando.

A man catches domestic Mongolian horses with a lasso in Khomiin Tal, Mongolia.
Credit: Copyright: Ludovic Orlando.

 

 

 

 

“Het is een fascinerende lijst, omdat er enkele genen in voorkomen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van spieren en botten. Dit suggereert dat deze genen hielpen om paarden meer geschikt te maken om goederen te transporteren”, aldus Shapiro.

Maar ook het gedrag van de paarden veranderde vermoedelijk door de selectie van bepaalde genen. “We hebben ook genen geïdentificeerd die schrikreactie van paarden beïnvloeden”, aldus hoofdonderzoeker Ludovic Orlando. “Deze genen zouden wel eens de sleutel kunnen zijn bij het temmen van wilde dieren.”

 

Nadelen

De domesticatie van paarden zorgde ook voor nadelige genmutaties. De wetenschappers vonden bij moderne gedomesticeerde paarden meer genen die wijzen op inteelt dan bij de wilde paarden uit Siberië.

Waarschijnlijk ontstonden deze mutaties omdat de eerste gedomesticeerde paarden werden gefokt in een relatief kleine populatie.

http://www.nu.nl/wetenschap/3954555/wetenschappers-identificeren-genen-paarden-tam-maakten.html

Paarden Genen 

 

°

 

Paard al minstens  14000 jaar geleden tam gemaakt

 1 februari 2012
http://www.nu.nl/wetenschap/2729088/paard-al-14.000-jaar-geleden-tam-gemaakt.html

– Paarden zijn meerdere malen in de geschiedenis gedomesticeerd.

Dat schrijven Italiaanse wetenschappers van de universiteit van Pavia in PNAS.

De onderzoekers analyseerden mitochondriaal DNA van 83 paarden. Mitochondriaal DNA wordt alleen overgeërfd via de moeder en door het te bestuderen kon een van de oudste  voorouderlijke   Equus ferus  –oermerries die  mede aan de basis stond van de huidige tamme paardenpopulaties, (op theoretische gronden )worden gereconstrueerd …. die (nog wilde ) merrie moet zo ongeveer  tussen  140.000 tot 160.ooo jaar geleden hebben rondgelopen (1)

http://phys.org/news/2012-01-mtdna-modern-horses-ancestor-years.html

Omdat de huidige wilde (przewalksi) en  tamme  paarden ( volgens  hun chromosmengetal  ___en verder verfijnd door de nieuwe analyse  ) van elkaar verschillen, kan  bepaald worden wanneer de eerste tamme paarden een feit waren.

-chromosomen: ( wild )  Przewalskis —> 66,

– tamme paarden  ( inclusief verwilderde  paarden zoals mustangs en de uitgestorven Tarpan )—-> 64  chromosomen,

-de kruisingsprodukten   tussen beiden   —>65  chromosomen

Oermerries

De 83 onderzochte paarden kwamen van over de hele wereld: Azië, Europa, het Midden-Oosten en beide Amerika’s. Analyse van al deze paarden leverde niet één maar achttien mitochondriale clusters ( =18   haplogroepen  –>http://en.wikipedia.org/wiki/Haplogroup  ) op.

Dat betekent dat er meerdere (latere ?) oermerries moeten zijn  geweest , en  misschien ook dat het paard dus vaker dan een keer tam is gemaakt.

MAAR  

DAT  WORDT NU  BETWIJFELD DOOR  EEN   NIEUWE DNA -ANALYSE (ditmaal –>  NUCLEAIR  DNA van  monsters bij minstens 300 verschillende paarden uit alle windstreken     ZIE —> ( 2b )   ) 

……Uit de analyse bleek ook dat alle gevonden mitochondriale  haplo -groepen zo rond de 14.000 (2)  jaar geleden  al present  waren : verschillende  groepen mensen kwamen blijkbaar   op het idee om paarden te gaan houden en ze in te zetten voor transport, in gevechten en als voedselbron.

Met .andere.woorden

Alle  gevonden  haplogroepen  behoren tot het  neolithicum   en takken af van een (oudste) vrouwelijk ancestraal  mtDNA genoom  (130,000–160,000 ). Azie is de geboortegrond  van alle  (gekende ) afstammelingen van de equus merries ( inclusief de wild gebleven extante  Przewalskis  )

Opvallend is de ( op basis van de studie  oudste geschatte )ouderdom van paarddomesticatie.

Andere dieren, zoals de koe en het schaap zijn pas 10.000 jaar geleden tam gemaakt.(2 &  3)

(1)

Het betekent  onder meer  dat die “oudste”voorouderlijke  oermerrie van het moderne paard =de recentste gemeenschappelijke matrilineaire voorouder van alle nu levende paarden is  en  omdat alle nu levende moderne paarden  hun mitochondriale DNA (met mutaties) van haar “geërfd” hebben.

Men neemt aan (in die studie )dat  deze  mitochondriale merrie  ( net als de mitochondriale Eva )  ongeveer 160.000 tot 140.000    geleden moet hebben geleefd. Het blijft echter  een  theoretische aanname 

zie ook  –> mitochondriale Eva  : dat is eveneens  een  puzzel die erg veel (andere )misverstanden  heeft opgeleverd   

http://nl.wikipedia.org/wiki/Mitochondriale_Eva

http://en.wikipedia.org/wiki/Domestication_of_the_horse

(2)

dat is  ouder  , maar inpasbaar  als  betere inschatting,   dan  ”  other  modern sources  that suggest  horse domestication in asia  between  5000 en 8000 years ago   “

http://www.biomedcentral.com/content/pdf/2041-2223-3-4.pdf

……the conclusion (of the italian paper ) appears to be that domestication occurred – multiple times, by mankind sourcing different wild mares at different points of history and from different locations – on the Eurasian Steppes from the Eneolithic onwards. The Eneolithic falls between the Neolithic and the Bronze Age, and might also be called the Copper Age. As there is already a large amount of archaeology linking horse domestication, copperwork and the spread of proto-Indo European in this area, this appears to confirm the theory that the Steppes were the origin of large scale and enduring horse domestication.

This also means that the Saudi Arabians need to come up with a bit more proof for their claim that horse domestication began in the Arabian Peninsula circa 7,000 BC and that there were already Arab-type horses at that period.

http://susannaforrest.wordpress.com/tag/mitochondrial-genomes-from-modern-horses-reveal-the-major-haplogroups-that-underwent-domestication/

°

(2b )

FINALE   UPDATE  ?  

8 May 2012

“……Archeologische resten wijzen erop dat de eerste paarden in het westelijke deel van de Euraziatische steppe werden gehouden, maar dna-onderzoek zou erop wijzen dat wilde paarden meerdere keren zijn getemd, op verschillende plaatsen.

Nieuw genetisch onderzoek spreekt dat laatste tegen: de eerste paarden kwamen wel degelijk uit de regio rond het zuidwesten van Rusland. Bovendien hebben de wetenschappers die de studie uitvoerden een goede verklaring bedacht voor de uitkomsten van het eerdere dna-onderzoek.  ….”

 

°

 

 Harry van Schalkwijk
harryschalkwijk.wordpress.com

Dank zij de relevante   links  naar recentere  (peer reviewed ) opvolgings studies  ,   geleverd door  Harry  Schalkwijk ( zie hieronder in de reacties   ) kunnen we  nu o.m.  een  mogelijke  verklaring leveren  aangaande  de kwestie  … ” vanwaar de     mitochondriale DNA      bijdragen  van de  oermerries  aan de huidige  paardengenomen  ,  vandaan  komen ( ook bij het éénmalige  domesticeren van het paard   in de euraziatische steppe  ) “

°Het  gaat  om  een  DNA  studie  met als resultaat  een  nieuw geponeerde   samenvattende   stelling  die  erin slaagt  twee  posities in het debat over paardendomesticatie  te verenigen

BBC =

“.….Domestic horses …… spread across Europe and Asia, breeding with WILD  mares   ALONG  THE WAY ……,research published in the journal PNAS     suggests.  ” 

De nieuwe studie  vergeleek  Nucleaire DNA monsters van 300 paarden uit  8 landen   in Europa en Azie  ….Genetische data werden  ingevoerd  in  computer modellen  , die waren ontwikkeld  om verschillende   domesticatie scenario’s te onderzoeken  

Dr Vera Warmuth from the Department of Zoology at Cambridge said:

“It shows that horse domestication originated in the western part of the Steppes and that the spread of domestication involved lots of integration of wild horses.”

De Conclusies van de studie  kunnen  verklaren  …. waarom bewijs verkregen uit  mitochondriaal DNA (mtDNA )  en verkregen  uit uitstuitend  matrilineaire  stamlijnen  ____wat tot desuggestie  leide dat  paarden meermaals werden getemd  ____ niet noodzakelijk de voormelde voorgestelde   suggestie  moeten  ondersteunen   …. integendeel

°  Wilde merries werden steeds  opnieuw gebruikt om reeds getemde kudden  van nieuw genetisch materiaal te voorzien …. Temeer omdat de getemde  kuddes  zich(misschien )  moeilijk  bleken  voort  te  planten  zonder dat “vers bloed ”  …..

(“In fact, it appears that wild mares were used to re-stock herds of existing domesticated horses, perhaps because they did not breed easily in captivity.”

—-> This is the case with Przewalski’s horse, which is the closest wild relative of modern horses.

Przewalski’s horses, the closest wild relatives of the domestic horse
Przewalski’s horses are the closest wild relatives of the domestic horse   )

 

 ” 

(3)

(wolfs)”honden “schijnen  veel vroeger te zijn gewoon geraakt aan de mens 

Cultuur impact   ?

Het feit dat paarden al ” veel eerder(dan  5000 jaar geleden ) getemd  ”  waren door mensen heeft grote invloed op cultuur van mensen over de hele wereld 

Het verbeterd de mogelijkheid tot handel en heeft grote voordelen in tijden van oorlog. Als we de oorsprong van paardendomesticatie verder naar achter schuiven, (—>  zie ook ( 2b ) voor een tegengeluid  dat het opschuiven van de  ouderdom van de paarddomesticatie  betwijfeld   )zullen we opnieuw moeten nadenken over de impact die het heeft gehad op de ontwikkeling van de mensheid. 

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

°

Verdere  LINKS  over paarden evolutie  : 

http://www.kennislink.nl/publicaties/my-little-pony-maar-dan-in-het-echt

Archicebus achilles

°

°

Oudste vrijwel complete skelet van een primaat

ontdekt

 06 juni 2013  1

primaat

Wetenschappers hebben in China  de resultaten  van een tien jaar durende  analyse  gepubliceert (1)….  Het  gaat om het vrijwel complete skelet van een 55 miljoen jaar oude primaat .

Het zijn de oudste resten die ooit van een primaat zijn teruggevonden en ze kunnen ons wellicht een beter beeld geven van de evolutie van de primaten en de mens.

De wetenschappers doen hun ontdekkingen  in het blad Nature uit de doeken

“Hoewel wetenschappers eerder tanden, kaken en enkele schedels of een paar beenderen van primaten uit deze periode hebben teruggevonden, is geen enkel bewijsstuk zo compleet als dit nieuwe skelet uit China,” vertelt onderzoeker Dan Gebo.

Het skelet van deze primaat is zo’n zeven miljoen jaar ouder dan het skelet van een primaat dat wetenschappers eerder als ‘oudste skelet’ aanduidden.

Gebo benadrukt dat zo’n compleet skelet ons van beter bewijs voorziet als het gaat om de evolutie die primaten en uiteindelijk ook mensen hebben doorgemaakt. “We hoeven daar niet meer naar te raden.”

De naam

De onderzoekers hebben de primaat de naam Archicebus achilles gegeven.
Archi‘ is Grieks voor ‘het begin’ en
cebus‘ betekent zoveel als ‘aap met lange staart’.
Achilles‘ verwijst naar de bijzondere anatomie van de hielen van de primaat.

Piepklein primaatje
De fossiele resten van de primaat werden in eerste instantie ontdekt door een boer. Hij trof de resten ten zuiden van de Yangtze-rivier aan. In de tijd van de primaat telde dit gebied verschillende meren die omringd werden door tropische bossen.

“Onze analyse laat zien dat deze primaat heel klein was en minder woog dan een ounce (ongeveer 28 gram, red.),” vertelt onderzoeker Xijun Ni, één van de wetenschappers die nadat de boer de fossiele resten aan de wetenschap schonk, mocht onderzoeken. “De primaat had slanke ledematen en een lange staart.” Waarschijnlijk was het dier voornamelijk overdag actief en at het insecten.

Belangrijk
De onderzoekers kunnen niet vaak genoeg benadrukken hoe belangrijk de vondst is. Het vrijwel complete skelet heeft de potentie om ons een veel beter beeld te geven van de allereerste fase in de evolutie van  de haplorini . Dat wil echter niet zeggen dat we met deze vondst moeiteloos alle geheimen uit die tijd kunnen ontrafelen.

De primaat beschikt over een  unieke  combinatie van eigenschappen  (Mozaik )  die nog nooit in één  Haplorine primaat  zijn aangetroffen.

Archicebus verschilt radicaal van andere primaten, zowel levende als uitgestorven exemplaren, die ons bekend zijn,” stelt onderzoeker K. Christopher Beard.

“Het lijkt op een vreemde kruising met de voeten van een kleine aap, de armen, benen en tanden van een heel primitieve primaat en een primitieve schedel met verrassend kleine ogen. De vondst dwingt ons om de manier waarop de (vroegste)  primaten  zijn geëvolueerd, te herschrijven.”

Een reconstructie van het skelet van de primaat. Afbeelding: Xijun Ni / Chinese Academy of Sciences, Paul Tafforeau / European Synchrotron Radiation Facility.

Een reconstructie van het skelet van de primaat. Afbeelding: Xijun Ni / Chinese Academy of Sciences, Paul Tafforeau / European Synchrotron Radiation Facility.

Bijzondere voeten
Met name de voeten van de primaat zijn bijzonder.

“We zien robuuste, grote tenen waarmee het dier kon grijpen, lange tenen en eigenschappen die horen bij primitieve primaten die in bomen leefden, maar we hebben ook te maken met hielbeenderen die doen denken aan apen en aapachtige middenvoetsbeenderen die je normaal gesproken niet zou vinden bij een primitieve primaat uit het Eoceen,”

stelt Gebo.

“Deze nieuwe(mozaik)  combinatie van eigenschappen is door ons geïnterpreteerd als bewijs dat dit fossiel vrij primitief was en dat zijn unieke anatomische combinaties een verband leggen tussen de Tarsiidae (spookdieren) en apen.”

De vondst geeft ons meer duidelijkheid over de evolutie van primaten en mensen. Afbeelding: M.A. Klingler / Carnegie Museum of Natural History.

De vondst geeft ons meer duidelijkheid over de evolutie van primaten en mensen. Afbeelding: M.A. Klingler / Carnegie Museum of Natural History.

Archicebus achilles  2

Archicebus achilles I

 

De vondst werpt ook weer een nieuw licht op een prangende vraag van een heel andere aard: waar ontstonden de primaten? Lang werd gedacht dat de wieg van de primaten in Afrika stond.

“Maar het laatste decennium lijkt het erop dat Azië een aannemelijker continent van oorsprong is en dit nieuwe skelet onderschrijft die visie.”

De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Xijun Ni, Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology, Chinese Academy of Sciences.
CITATEN  

°Dr Chris Beard,

one of the team who has been studying the fossil at the Carnegie Museum of Natural History in Pittsburgh, Pennsylvania, said:

“This is an amazingly complete fossil primate for this time period – there is nothing else known from the fossil record that resembles this.

“For the very first time, this fossil shines a light on a part of the primate tree that is very close to the divergence of the lineage that will lead on one hand to living tarsiers and on the other to anthropoids – monkeys, apes and humans.

“The evidence that early primate evolution was restricted to Asia is becoming more compelling by the day.”

“This( fossil )was a tiny delicate primate, It was probably quite a frenetic animal, and even anxious. It would have moved around a lot looking for its next meal climbing and leaping around in the canopy.”

“Here is a fossil that is very, very close to the evolutionary divergence of tarsiers and anthropoids.

“The heel and foot in general was one of the most shocking parts of this fossil when we first saw it. The foot looks like one from a small monkey, a marmoset.

The heel bone is the reason we named it Achilles in the end and it looks like one from the earliest anthropoid we had evidence for.

“I think what it means is that the common ancestors of anthropoids and tarsiers had features that were more like anthropoids than tarsiers.”

“It differs radically from any other primate, living or fossil, known to science.

“It looks like an odd hybrid with the feet of a small monkey, the arms, legs and teeth of a very primitive primate, and a primitive skull bearing surprisingly small eyes.

“It will force us to rewrite how the anthropoid lineage evolved.

Check out all the latest News, Sport & Celeb gossip at Mirror.co.uk http://www.mirror.co.uk/news/world-news/archicebus-achilles-skeleton-discovered-tiny-1934333#ixzz2VQl2W1yP
Follow us: @DailyMirror on Twitter | DailyMirror on Facebook

Archicebus achilles. (MAT SEVERSON/AFP)

°Dr Xijun Ni,

from the Chinese Academy of Sciences, in Beijing, China, who was one of the leading members of the research team, said:

“We spent a long time with this fossil and examined a lot of other specimens so we could place it as accurately as we can.(2)                      It will tell us a lot of stories about the origins of primates and our remote ancestors.”

http://www.science20.com/news_articles/archicebus_achilles_oldest_known_primate_discovered-113751

Dr. Jin Meng of the American Museum of Natural History in New York.

“To test these different hypotheses (3) and determine the phylogenetic position of the new primate, we developed a massive data matrix including more than 1000 anatomical characters and scored for 157 mammals,

Dr. Marian Dagosto notes that,

“Even though Archicebus appears to be a very basal member of the tarsier lineage, it resembles early anthropoids in several features, including its small eyes and monkey-like feet. It suggests that the common ancestor of tarsiers and anthropoids was in some ways more similar than most scientists have thought.”

 Dr. Daniel Gebo

of Northern Illinois University said that, “The tiny size and very basal evolutionary position of Archicebus support the idea that the earliest primates, as well as the common ancestor of tarsiers and anthropoids, were miniscule. This overturns earlier ideas suggesting that the earliest members of the anthropoid lineage were quite large, the size of modern monkeys.”

(1) The fossil, which is also  named after the Greek hero  Achilles due to an odd heel bone it has, was discovered in a slab of slate in the Jingzhou area of eastern China, just south of the Yangtze river, by a local farmer around 10 years ago.

The  fossil  was  recovered from ancient lake strata, the skeleton of Archicebus was found by splitting apart the thin layers of rock containing the fossil. As a result, the skeleton of Archicebus is now preserved in two complementary pieces (of the matrix)  called a “part” and a “counterpart,” each of which contain elements of the actual skeleton as well as impressions of bones from the other side.

°The scientists then spent 10 years analysing the fossil using advanced imaging facilities at the European Synchrotron Radiation Facility in Grenoble, France.This allowed them to peer inside the rock to look at details of the skeleton that were hidden and produce a three dimensional image of the remains.

(2) de analyse duurde ongeveer 10 jaar 

 http://www.science20.com/news_articles/archicebus_achilles_oldest_known_primate_discovered-113751          Dr. John Flynn,dean of the Richard Gilder Graduate School and curator of the American Museum of Natural History.

“People may see this simply as another discovery of a well preserved fossil, but to reveal the remarkable secrets that have been hidden in the rock for millions of years, we undertook extensive work, applied state-of-the-art technology, and intensive international cooperation took place behind the scenes at several museums. It took us ten years,” 

 

(3) The evolutionary relationships among primates and their potential relatives, and among the major lineages within the Primate order have been debated intensively for many years
LINKS 

GIRAF

 ANTI-CREATO ;
Afrikaans Kameelperd
German: Giraffe
French: Giraf
Swahili: Twiga
isiNdebele Intudla
isiZulu: Indlulamithi
isiXhosa: Indlulamthi
seSotho: Thuhlo
seTswana: Thutlwa
Shona: Nhutlwa
Shangaan: Nthutlwa
Nama/Damara: !Garo!naib

IUCN Conservation Status:

Lower Risk, conservation dependent (LR/cd)

http://www.wildliferanching.com/content/giraffe-giraffa-camelopardalis

°

 

Een evolutie icoon  ; de giraf
wetenschapsgechiedenis  van een  Evolutieicoon  ….  Lamarck en Darwin   
Linneaus
Linnaeus had  weinig met evolutie theorie te maken, maar heeft wel een basis gelegd die het denken over evolutie makkelijker maakte. 
Linnaeus heeft namelijk de indeling in verschillende klassen  en groepen gemaakt voor planten en dieren.
Zo heb je gewervelde en ongewervelde dieren. Vogels, reptielen, zoogdieren etc. Die indeling in soorten heeft Linnaeus gemaakt, in domeinen (rijken), klassen, soorten en rassen. Zodat er een mooie onderverdeling ( en ordening) onder dieren en planten  was.( een  begin van de  systematiek die later ook  de geneste hierarchieen  opleverde )
Lamarck
Lange tijd dacht men dus dat al die dieren, door de Zweedse bioloog Linnaeus zo mooi geklassificeerd, allemaal ready-made (en apart )door  God waren geschapen, zo’n 4 a 5000 jaar geleden.
Maar toen begon men grote botten te vinden van dieren die men nog nooit had gezien.
De dinosauriers werden zo ontdekt.
De kerk wist precies wat dat was natuurlijk : .
Dat zijn dieren die tijdens de zondvloed zijn verdronken.
 Zo groot waren die gasten dat die natuurlijk niet  pasten  op de Ark van Noach.
Maar de  naturalisten ( de  latere biologen ) waren er niet zo zeker van.
Want ze hadden ook al gemerkt dat er bepaalde dieren waren die toch raar in elkaar zaten.
Zo had je  berpaalde vogels met vleugels,waarbij  vliegen absoluut geen optie was voor die kiwi’s en struisen . 
Honden rassen zoals de tekkel, waarvan iedereen kon snappen dat die in het wild niet zouden kunnen leven.
Kevertjes met vleugels die ook al niet konden vliegen.
En dan had je alle soorten vee, die toch echt anders er uitzagen dan de soortgelijke dieren die in het wild leefden.
Want de oer-os was een nogal ander en steviger beest dan de melk-koe van toen.

Bos Taurus Primigenius  of   Oeros

De Oeros is de voorouder van het huidige rundersoorten in Europa, maar was met een schofthoogte van 2 meter veel groter. De laatste oeros is in 1627 in Polen gedood.

Zo kwam men op het idee dat dieren evolueerden.
Dat de mens dit ook had gedaan en wellicht nog doet, kwam niet in ze op.
We hadden het immers over dieren en misschien planten, dat was al schokkend genoeg.
Door de tijd heen waren dieren dus aan veranderingen onderhevig.
En het had alle schijn van   dat dit leide  tot   een betere aanpassingen  aan de omgeving.
Lamarck was de eerste met een serieuze verklaring.
 Hij had namelijk geobserveerd dat een giraffe net zoveel nekwervels heeft in het skelet als een olifant.(
7 dus )Maar de vorm van die nek is toch bijzonder veel anders.
giraffe-skeleton
Hij dacht dat als giraffen nou vroeger niet zo’n lange nek hadden, dan zouden ze proberen bij de hoge blaadjes te komen en hun nek zo ver als kon uitrekken.
Dat was niet zo ver. Maar door dit uitrekken werden de baby-giraffes geboren met een net iets langere nek. 
En zo van generatie op generatie werd de nek langer, doordat de ouders de nek zo ver mogelijk hadden uitgerekt en die eigenschap doorgegeven aan de kinderen.
Daar klopt natuurlijk niets van. 
We weten inmiddels  dat  de aanleg  voor de eigenschappen vooraf genetisch  zijn bepaald .
 
Darwin
De vader van Darwin, Erasmus Darwin, had al eens geponeerd dat het misschien wel mogelijk was dat al het leven op aarde uit een voorvader soort ontstaan
zou zijn, via die evolutie. Maar dat was gokwerk en werd dan ook zeker niet serieus genomen.
Maar Charles Darwin zelf ging als 22 jarige bioloog mee op reis op de H.M.S. Beagle.
Een reis van 4 jaar, waar hij vrijwel continu zeeziek was, volgens zijn eigen dagboek.
Hij ontdekte  dat er verschillende soorten dieren leefden  op verschillende eilanden .
Al met al observeerde hij bepaalde dingen.
Tijdens de reis las hij ook over geologie.
De geologen waren op de gedachte gekomen dat vroeger de continenten met elkaar in directe verbinding gestaan zouden hebben.
Ze hadden het nog niet over continentale platen die rondschuiven, maar over een landbrug tussen Alaska en Azie. 
En eventueel tijdens de ijstijd een ijsbrug via Groenland tussen Europa en Amerika.
Darwin zag namelijk dat er in zuid amerika heel andere dieren leefde dan in noord amerika an die waren weer anders dan wat we kennen uit Europa.
Nu weten we ook dat fossielen uit noord en zuid amerika aangeven dat deze verschillende soorten dezelfde voorvaderen hebben gehad.
Ze zijn alleen afgezonderd van elkaar verder gaan evolueren en dus anders geworden, door andere omgeving.
Dit kon Darwin nog niet bewijzen, maar hij had wel dat vermoeden.
 
Om maar even het voorbeeld van de giraffe te nemen.
Toen de giraffe nog een korte nek had, had je wel verschillen tussen de individuen.
Dat zien we bij mensen ook, iedereen ziet er net wat anders uit.
De een is wat langer, de ander korter. De een sterk, de ander snel. Dus varieteit binnen de soort.
De voorvader van de giraffe moest dat ook gehad hebben.
Dus de een wat langere poten dan de ander, de een een langere nek dan de ander.
Als dan in tijden van droogte en voedsel schaarste de hoogste bomen nog blaadjes hadden, hadden de individuen met een net iets langere nek, meer eten dan diegenen die er niet bij konden  , en dat  zeker in tijden van schaarste .
Dus hadden ze een grotere kans op overleven en voortplanten. 
En met dit voortplanten zou die langere nek ( als genetsich recept dan , zoals we nu weten ) worden doorgegeven.
Want men wist al dat  ;   via het kruisen van bijvoorbeeld sterke paarden ,  een eigenschap van ouder op nakomeling werd doorgegeven.
En zo kon langzaam aan, over een tijdsbestek van vele generaties de giraffe de lange nek en hoge poten ontwikkelen.
Dat was de basis van de evolutie theorie.
Destijds was dit slechts een hypothese.

Goed onderbouwd met logica en denk-experimenten, gebaseerd op de observaties tijdens zijn reis.
Maar later hebben biologen en archeologen steeds meer bewijzen gevonden om het principe van natuurlijke selectie als drijfveer voor evolutie van soorten te onderbouwen.

Verhaaltjes  :

Lamarck ging ervan uit  dat  in de afstammingslijn van  “giraffen ” een  hals werd ontwikkeld tot de huidige lengte   , omdat de verschillende  fertiele individuen in de afstamlijnen  en  gedurende de verschillende generaties ,  zich moesten  uitrekken  gedurende hun leven  , om aan de bladeren van acaciabomen te kunnen  komen : ….

Darwin

Deze thesis werd door Darwin verworpen  : Maar het is slechts de moderne  genetica ( waar darwin  nog niet erg veel van afwist )die dit afdoende heeft ontkracht …

De Lamarckiaanse aanname is vals :

De kinderen van  bijvoorbeeld  Schwarzeneggers bezitten de spieren van  hun vader niet bij hun geboorte . Ze moeten ze eveneens  als hun vader  , door oefening  fenotypisch ontwikkelen ….

—-> Men heeft zich ook beziggehouden  generaties  lang de staart van proefmuizen  te amputeren ; de jongen werden steeds met een staart  geboren .

Lysenko bijvoorbeeld  heeft dit altijd  ontkent …op grond van het marxistische dogma  dat  “nurture” als enige belangrijke  vormgever van de  psyche  van een individu    ,  stelde  …..( zie nature -nurture debat /oftewel  de overheersende rol  van ofwel  genetica ofwel (her)opvoeding ?—> de boetseerbare  en veranderbare  mens  )

—>Datzelfde  staartverhaal  is  trouwens  ook vastgesteld  bij   bepaalde honden en paarden-rassen   gedurende honderden jaren …werden die van hun staart ontdaan ; ze werden steeds  opnieuw  geboren met staarten

 Belgische trekpaarden waaronder enkelen met geamputeerde staart

 het zogenaamde “couperen van de staart ”  is nu bij wet verboden

.

Toch heeft Darwin het over de giraffe-hals  

( omdat het in die tijd een zeer populair voorbeeld  en alom bekend  “verhaaltje”  was  ? ) maar hij  bekritiseerd  voornamelijk de visie van Lamarck inzoverre deze het heeft over het doorgeven aan het nageslacht van tijdens het leven  verworven fenotypische  eigenschappen ..(  = het lamarckiaans evolutiemechanisme )

Darwin  heeft het  ook     niet over het voordeel  dat een lange  hals zou of nog steeds   kan  geven …

Integendeel    //  Wat betreft de evolutie van giraffen  was Darwin   minder  geintrigeerd door  de lengte van de giraffe- hals dan door de vorm van de  staart, die aan hem  aan  een ‘ vliegmepper .’  deed  denken

Een “efficiente  vliegenmepper ”  geeft ( volgens darwin )  een overlevingsvoordeel ….

vliegenmepper

-foto in Libië, door: saskia

Libische vliegenmeppers 

 

zuid afrikaanse vliegenmepper

zuid-afrikaanse vliegenmepper

Maar creationisten blijven  tegen alle beter weten in   Darwin  van alles in de mond leggen  : 
http://www.wetenschapsforum.nl/viewtopic.php?t=11155&start=60
(Creationist,Contrarian,ontkenner  /  zweistein )
….Darwin zei dat vroeger een giraf een korte nek had, en omdat ze niet van de bomen konden eten….. daarom hebben ze een lange nek ontwikkeld,….
1.- Darwin heeft dat nooit  expliciet   zo gezegd of geschreven :
Dit is gewoonweg een stukje nageprate   geschiedenis-vervalsing
2.- De aangehaalde   theorie  van de  (bijvoorbeeld de reductie van organen door “toenemend ”  niet-gebruik )  stamt van de  volgelingen van  Lamarck  :
De theorie ( in zijn extreme  vorm ) beweerde dat
” ….. Het gebruik van een  uitrustingstuk van een individu veranderd door oefening tijdens het individuele leven
( sterkere spieren bijvoorbeeld ) en dat deze ” verworven” eigenschap  werd doorgegeven aan  de volgende generaties waarna dit zich  opstapelde en verder  ontwikkelde in een bepaalde richting ….
—> zie ook  Lysenko en lysenkoisme 
—> Men amputeerde  gedurende vele generaties de staart van muizen ; er werd GEEN “verkleining” ( die niet zou zijn te wijten aan de normaal  te verwachten   “variatie”  )  of verdwijnen van de staart opgemerkt …..
—> zie  ook  artikels over  gespierde ontwikkeling  ( die van genetische aard is ) ontdekt bij  een  Duitse baby 
” …..De jongen, wiens naam niet vrijgegeven werd, is geboren met een mutatie die het gen lamlegt ( switched off )  dat myostatine produceert.
Volgens de onderzoekers is dat de reden voor de spontane ontwikkeling van een ijzersterk spierweefsel.
De correlatie tussen het myostatine-gen en de spierontwikkeling was eerder al opgemerkt bij muizen en vee maar de mogelijke effecten op de mens bleven een bron van speculaties….”
3.-
Darwin heeft WEL een  “Pangenesis  theorie”   geschetst  die probeerde  het  lamarckiaans  idee te verklaren
Gelukkig is deze  verkeerde  verklaring van het erfelijke mechanisme NIET van invloed geweest op de  moderne Evotheorie …  onder meer door de (her)ontdekkingen van Mendel en  de mutatie genese  van  Hugo De vries ….
onstond een “neo-darwiniaanse ”  synthese   en
de 21ste eeuwse  genetica doet niets anders dan dit allemaal ondersteunen
Darwin heeft het over de natuurlijke selectie ( daar is ook sexuele selectie toe te rekenen ) en over( zoals later door de  genetica  en de ontdekking van het genoom toegevoegde ) “toevallige” ( dwz  binnen de mogelijkheden ingeperkt  door chemo-fysische wetten en de geboden ontwikkelingsroutes  binnen verglijdende evenwichten  van zeer ingewikkelde  chaos-processen binnen  een stelsel van  grote aantallen ingredienten  en  interactieve processen  )mutaties 
Een giraf die alsmaar zijn nek uitrekt en zo een langere nek krijgt tijdens zijn levensloop ( volgens het lamarckisme  ), geeft zijn langere nek ( onstaan door bv.  oefening ) daarom  niet door aan zijn nageslacht .
..
Iemands ( de conceptie  onstaan ) genen-recept( genotype )   veranderd  niet tijdens zijn leven ( tenzij als fenotype of  totaal-expressie van het ” genotype”  recept binnen de   antecedenten  tijdens de ontwikkeling ;
van zowel omgevings invloeden( die functioneren als  “impulsen of orders”  van  bijvoorbeeld  Promotoren :  bediening van de schakelaars ?   ) vanuit het millieu ( zowel ” interieur”  als ” exterieur ” ) als geboden mogelijkheden ( aan uit schakelaars ) en/of defecten in de instructies   )  …
…Dat is nu juist een crux binnen ’t darwinisme ….
De verandering ( herschikking en mutaties ( ?) geschiedt tijdens de bevruchting en de meeste mutaties gebeuren in de geslachtscellen -lijnen …
Nota ;
Het doorgegeven  genotype  dat aan de basis ligt van de ontwikkeling van elke individu in elke generatie  , kan wel een aantal epigenetische veranderingen ( aan- en uit- geschakelde genen  bijvoorbeeld , Herv’s en Erv’s , transgene inserties van virale en/of bacterieele aard  ) overdragen , maar ook deze onstaan in de geslachtscellen  ___en uiteraard als gevolg van de omgevingsfactoren ( le millieu interieur )  waarin deze  “cellen ” zich bevinden ____ lijnen
of
ook nog door  cyto-symbiose(—> Wohlbachia )bijvoorbeeld  in de bevruchte cel (te vergelijken met  overgeerde  parasieten  die  veranderingen in de  omgevingsfactoren tijdens de embryonale ontwikkeling ( besmettingen van de ” moeder ” / vrucht en foetusvergiftigingen   en dergelijke  –> softenon   )  in de baarmoeder  , bewerkstelligen  ….

 

J Berill (1960)

Een ander “adaptationistisch – programma  verhaal” , wordt neergezet door  J Beril in zijn boek  Heelhal en leven  p.81


“….De lange hals van de giraffe is meer dan een eeuw een onderwerp van overpeinzing en debat  tussen westenschap en creationisten   geweest.( nota van tsjok   =  Veel huidige creationisten grijpen daar op terug  , naar goede gewoonte … maar dat is slechts herkauwen van gedateerde reeds lang opzij gezette  speculatieve apologetiek )
Populair was de zienswijze dat ( nota tsjok   ; iets wat moderne crerationisten steeds weer in de herinnering brengen ) de nek zo sterk groeide om het dier in staat te stellen zich te voeden met de bladeren van boomkruinen.

Een geheel andere en meer aannemelijke “verklaring” was   de volgende. ( Althans volgens Beril )
Om te beginnen zijn giraffen grazende dieren in gebieden die onveilig gemaakt worden door leeuwen en andere grote katten en, zoals met al zulke schepsels het geval is, zij die hard genoeg kunnen wegrennen blijven in leven en zien ook nog kans zich voort te planten.
Zo zijn de poten van giraffen na verloop van vele generaties langer geworden doordat de exemplaren met de langste poten minder kwetsbaar waren dank zij hun grotere snelheid en misschien ook omdat hun lichamen moeilijker vanaf de grond te bespringen waren.

Alles is in het voordeel van die met de langste poten.
Aan de andere kant betekenen lange benen alleen veiligheid voor gebieden waar water en gras niet boven de voet uitkomen.
Terwiji de poten tijdens de giraffenevolutic langer werden, groeiden de nekken dus overeenkomstig, eenvoudig omdat de dieren ten allen tijde eten en drinken tot zich moesten kunnen nemen zonder daarbij te hoeven te  knielen ( wat hen  bovendien  ook nog eens erg kwetsbaar maakt .)  

De ene verlenging was het gevolg van de andere.
Tegelijkertijd stelde de lange nek zijn bezitter in staat zich te voeden met gebladerte dat buiten het bereik van zijn minder langnekkige voorvaderen was gebleven, terwijl de nadering van vijanden reeds van grotere af stand te zien was.
Dit zijn de dividenden en niet het kapitaal zelf.

———————————————————————————————————————————————————-

Een bekend  en zeer   populair  geworden
oorspronkelijk  alleen maar een suggestief    en terloops  geopperd “gedachten ” of ” werk-hypothetisch voorbeeld  “ ) was  het  giraffe-verhaal : een lngdurig uitgemolken toepassing  van een adaptationistische programma als verklaring
” ….een iets langere nek laat toe om hoger in de bomen aan voedsel te komen, en dus schaarstes beter te overleven, maar maakt het dier kwetsbaarder bij het drinken.”
Onderhandere  het  evenwicht tussen die twee ( =  niet uitsluitend  dit verband tussen  vooormelde twee selectiefactoren  ) heeft ervoor gezorgd ( samen met  bijvoorbeeld de  evolutie van diverse“voedselplanten “( speciaal de accacia )  van de giraffe :  als co-evolutionair verband  en ecologisch gemeenschappelijk gedeeld areaal    ) dat giraffes de nek hebben die ze nu hebben.

In deze context moet er ook op worden gewezen dat ;
alleen of een mutatie de kans op fertiele nakomelingen vergroot, dan wel verkleint de belangrijkste factor is in de werking van het evolutiemechanisme volgens darwin .
Het behoud van  mutaties in het nageslacht en de afstammingslijn is daarvan afhankelijk ( 1)
 Indien deze  kans  op succes groter wordt, ( en slechts achteraf  vaststelbaar ) (2) dan zullen wij dat “positief” noemen, anders “negatief“, maar dat zijn maar woorden.
Een mutatie die de kans op fertiele nakomelingen vergroot, die zal via die nakomelingen doorgeven worden, en zich(zowel horizontaal als vertikaal )  verspreiden. 
Noten
(1)….  maar ook hier speelt  ook weer het toeval  nog een rol ( een meteoorinslag  kan evengoed een einde maken  aan een succesvolle afstammingslijn )  : een generatie van “overlevers” van een extante soort  is een  tijdsmoment in de evolutie van  een afstammingslijn dat zowel ongelukken  is te boven gekomen   als “winnende  kombinaties  in voortgaande  samengestelde ( verschillende )  en opeenvolgende loterij-uitslagen  ” trok : de keus is toevallig , maar de MOGELIJKHEDEN of oplossingen zijn beperkt in zowel de oplossingsruimte als de antecedenten
zie daarover de discussie  over ” convergentie / toeval en  wetmatigheid  ” zoals die is gevoerd door bijvoorbeeld   o.a. J.GOULD , CONWAY MORRISS,DAWKINS, DENNETT  , e.a.
—->
Je kan steeds opnieuw  “winnen” (= je kapitaal vergroten  )  in  nieuwe situaties  ( loterijen en omgevingen  ) als je maar het minimum-kapitaal hebt behouden ( niet failliet bent  )  om deel te nemen ( inzet ) ; uiteraard kan je ook hier  opnieuw  alles verliezen ( = uitsterven ) zodat je niets meer kan inzetten …
Als je de inzetter ( = ” je ” in het bovenstaande  ) vervangt door het begrip “afstammingslijn ” weet je ongeveer  wat ik bedoel met deze analogie ….
 Je kan ook   iemand anders dan jezelf ( heel toepasselijk  voor de evolutie = je kinderen , bijvoorbeeld ) genoeg kapitaal  nalaten  zodat ze verder kunnen spelen/deelnemen  op de nieuwe  loterijen …..
en alle levende  wezens  moeten noodgedwongen meedoen aan  loterijen  van het leven , ze kunnen zich niet onthouden ,( = dat is dus waar de analogie eindigd   …replicatoren  zijn zelfs gedeeltlijk oorzaak van  de ” loterijen”  ( = bijvoorbeeld  door “overbevolking” als gevolg van   opgestapeld succes  )waarvan ze zowel onderdeel / kansen-creator -begrenzer    als deelnemer zijn
(2) 
kansberekening  gaat over de verdeling van  het  voorkomen   van alle mogelijkheden  die binnen de wetmatigheden  ( of beperkende  regels  binnen een  gegeven  eindige  oplosruimte of   bekende  eindige verzameling  ) kan …
 Omdat we niet alle  wetten of routes of mogelijkheden  vooraf  kennen van  de situaties die een bepaalde  evolutie in een bepaalde route  stuurden noch het aantal mogelijke open en niet- gevolgde routes   …
kunnen we slechts achteraf  vaststellen of  aan mogelijkheid is gekozen of niet ( we weten niet of er ook nog  andere winnende mogelijkheden  zijn : wanneer deze  voorgestelde aannames  noch  empirisch ,  noch experimenteel vaststelbaar zijn )  … we kunnen echter wel  het reeds bekende aantal wetmatigheden”voorzichtig en onder het nodige  provisionele   “tijdelijk -als  -beste – waarover we beschikken ”  voorbehoud  gebruiken  om bepaalde “oplossingen ” of routes als niet behorend tot deoplosruimte , uit te sluiten …
 zie ook —>Toeval
  
CREATIONISME  DOOR DIK EN DUN 
“….er bestaan geen fossiele giraffen ….”
antwoorden :

Journal of Research (Science), Bahauddin Zakariya University, Multan, Pakistan.Vol.13, No.2, December 2002, pp. 139-144 ISSN 1021-1012

A NEW  INDRATHERIUM //FOSSIL GIRAFFE INDRATHERIUM COMPRESSUS SP. NOV. FROM SIWALIK FORMATIONS OFPAKISTAN

het gaat om een kies gevonden  in Pakistan
(gedurende de   “ijstijd”= )
Uitgestorven fossiele korthalzige giraffen zoals de okapi  maar beduidend groter
Shivatherium,
 
Sivatherium    
(india:—-> het beest van shiva )
Libyatherium,
(afrika ;—->  het libysche beest )

Giraffes: Branched off from the deer just after Eumeryx.

The first giraffids were Climacoceras (very earliest Miocene) and then Canthumeryx (also very early Miocene), then Paleomeryx (early Miocene), then Palaeotragus (early Miocene) a short-necked giraffid complete with short skin-covered horns.

giraffen stamboom

Palaeotragus from the Miocene of Asia, approximately 20 million years ago. Looked very similar to the modern okapi -medium sized, with normal length limbs and neck, and two small, bony horns.

From here the giraffe lineage goes through Samotherium (late Miocene), another short-necked giraffe, and then split into Okapia (one species is still alive, the okapi, essentially a living Miocene short-necked giraffe), and Giraffa (Pliocene), the modern long-necked giraffe.

Giraffids were once very widespread and diverse. Fossils have been found from Greece, Austria, Hungary, the Balkans, Spain, the Middle East, Mongolia, China, Japan, Russia, India, Sri Lanka, Myanmar and Africa. Many species had large, stocky bodies and various types of heavy, ornate horns.

 http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0016648005000614

GiraffeEvolution  <—- pdf

discussion with creationists
Leviathan  en de napraters
(hier volgt  een stukje  propaganda  van  een   “professionele ”  creabel   cretionist      Leviathan
en de napraters ( jethro wils  ) op het  oude(niet meer bestaande )   RC forum)
…De lange nek van de giraf
Juist of fout: 
Giraffen hebben lange nekken omdat de natuur in de loop van tijden met een schaarse voedselvoorziening deze giraffen uitselecteerde die genetisch materiaal bezaten voor langere nekken. (dus alleen de giraffen met de langste nekken waren in staat om de hoogstebladeren te bereiken en hadden dus de grootste kans op overleving).
Fout.
Twee artikels documenteren deze stelling.
Een artikel van de beruchte evolutionist Stephen Jay Gould:
“The tallest tale”, Natural History, mei 1996, p.18-27.
Simmons en Scheepers, “Winning by a neck: sexual selection in the evolution of giraffe”, The American Naturalist, November 1996, p. 771-786.
Het artikel van Gould illustreert het feit dat Darwin hierover eigenlijk zeer Lamarckiaanse ideeën had (namelijk het foute idee dat verworven kenmerken overerfbaar zijn).
Deze inleiding is duidelijk bedoeld om te suggereren dat de steller van het artikel   expert is en de nodige kennis bezit om iets te vertellen over deze kontroverse
…Maar zelfs nu is de bedoeling slechts “twijfel” zaaien en darwin te diskrediteren …
De strijd over  het Lamarckisme  is gewoonweg een oude koe , de
definitieve uitslag ( in de vijftiger jaren van vorige eeuw )  was in het voordeel van de afsluitende   synthese  van  de  ideeen van Darwin gekombineerd met de opgerakelde  wetten van Mendel , de ontdekkingen van het DNA  en de  oude bevindingen  van  Hugo De Vries … 
Oude lulkoek  die allang is opgelost  
Zie daarover   ook :
T. Dobzhansky  in zijn strijd tegen het lysenko-isme
“Het tweede artikel toont aan dat het traditionele neo-Darwinistische idee over de nek van de giraf totaal fout is.

Het nieuwe antwoord is nu dat het genetisch materiaal voor de langere nekken overgeërfd werd via de mannelijke giraffen omdat deze meer kans vertonen om te domineren over andere mannelijke giraffen en dus meer toegang krijgen tot de vrouwelijke giraffen.

Het enige probleem met deze theorie is dan natuurlijk? hoe kregen de vrouwelijke giraffen hun langere nekken?
 antwoord  van Hume
”  Lijkt me absoluut geen probleem tenzij het (de) gen(en) voor lange nek op het Y-chromosoom lig(t)(gen).
Als dat gen of die genen op het X-chromosoom of een van de autosomale chromosomen lig(t)(en) krijgen ook alle vrouwelijke giraffes deze eigenschap mee van hun vader.”

 

Evolution of the Giraffe Neck Via Sexual Selection

Sexual Selection, Allometry
and the Giraffe’s Neck.

http://bill.srnr.arizona.edu/classes/182/GiraffeWrapper.htm

Claim index
CB325
Creato 
” A giraffe’s heart must be quite large (it is over 24 lbs) to pump blood to the giraffe’s head. A series of special one-way valves in the neck regulates blood flow, and there is a special net of elastic blood vessels at the base of the brain. Without these valves and elastic blood vessels, the blood pressure in the giraffe’s head would be immense when it bends over, enough to cause brain damage. All of these features — large heart, valves in the jugular vein, and wondernet of vessels — must be in place simultaneously or the giraffe would die. They could not have evolved gradually.”
Source:   Davis, Percival and Dean H. Kenyon, 1989. Of Pandas and People(het ID “leerboek” dat werd ontmaskerd in Dover ) : The Central Question of Biological Origins (2nd ed.). Dallas, TX: Haughton, pp. 69-72.
Setterfield, Barry, 1998. Birds, beetles, and life. 
http://www.setterfield.org/essays/giraffe.html

Response:

  1. Darwin answered this claim in 1868 (206). The claim assumes that “gradually” must mean “one at a time.” Not so. The different features could have (and almost certainly would have) evolved both simultaneously and gradually. Partial valves would have been useful for reducing blood pressure to a degree. An intermediate heart would have produced enough pressure for a shorter neck. A smaller net of blood vessels in the head could have handled the lesser pressure. As longer necks were selected for, all of the other components would have been modified bit by bit as well. In other words, for each inch that the neck grew, the giraffe’s physiology would have evolved to support such growth before the next inch of neck growth.

References:

  1. Darwin, Charles, 1868. Variation of Animals and Plants Under Domestication, vol. 2, chpt. 20. London: John Murray.http://pages.britishlibrary.net/charles.darwin/texts/variation/variation20.html

Further Reading:

Gould, Stephen J., 1998. The tallest tale. In: Leonardo’s Mountain of Clams and the Diet of Worms, New York: Three Rivers Press, 301-318.

Verdere  links :

( ingetoomde -)Creationist maar met een goede   educatieve inhoud  )
http://bioteach.ubc.ca/quarterly/quarterly015/0105peachey.html
http://www3.telus.net/csabc/Giraffe.html
Creationist  rethorics ( facts are interpreted ) ;
Sceptische  links :
zie ook ;
Four Common Myths About Evolution
http://www.csicop.org/si/2005-05/evolution.html
“Survival of the fittest” is een onjuist concept.
complexiteit 
crea   “…..In de loop van de evolutie zie je in plaats van meer robuuste wezens juist steeds minder   kwetsbare wezens ontstaan. 
De eencelligen zijn als orgnaismen  heel wat minder kwetsbaar dan bijv. een giraf.”
Er is geen enkele noodzaak  voor het leven om zich van minder complex naar meer complex te bewegen.
Miljoenen jaren functioneerden levende wezens prima zonder ogen of hersenen, dus waarom zouden die  noodzakelijk moeten ontstaan?
Wanneer ze dus wel onstaan  kunnen ze natuurlijk een “voordeel”   bieden
maar dat is een achteraf , geen gepland  ontwerp
Belgische dilettante  idiotieen / onzin   en  gezwam van een militante  evangelische creationist -apologeet
 
 –Dr science( alias  revolutietheorie)
op het wetenschapsforum
“…. Een bekende voorbeeld die Darwin gaf voor de natuurlijke selectie was het voorbeeld van de lange nek van de giraffe.

Door de groeiende droogte verminderde de groei van de bladeren aan de onderste delen van de bomen……”
—> NEEN   ;
er zijn namelijk nog veel andere  ” verklaringen /verhaaltjes ” mogelijk dan dit  ene (populaire  , gerecycleerde ) tendentieuse  (on)dingetje …
Nummer 1 :
……HUIDIGE   Giraffen  begrazen    boomkruinen(voornamelijk van accacia’s)   ; ook omdat ze  vrij moeilijk  laag – kunnen grazen .:  Ze kunnen zich moeilijk  bukken  om iets van de grond  op te pikken  en  het is daarom  veel  gemakkelijker  rechtopstaand te “eten  “
Het rechtop be-grazen van bomen  ,  verhoogd  bovendien  de kans op  een  succesvolle   vlucht / snellere reactie  bij een mogelijke  aanval van  roofdieren  …..
Giraffen in het wild moeten een heleboel kunstjes  en lichaamsoefeningen  beheersen om te kunnen  drinken uit een plas of een rivier,  bijvoorbeeld ; Ze zijn op dat ogenblik   uiterst  kwetsbaar voor  predatoren  …
Nummer 2
en er bestaat ook  het  volgende  mogelijke alternatieve  adaptationistische  verhaaltje  ;
De blaadjes kwamen gewoon hoger te groeien  omdat de zich eveneens ontwikkelende ” giraffen ” de lager groeiende blaadjes opaten ?
 
De acaccia boom en de giraf ( prooi en  rover of leverancier en consument  ) waren ( en zijn  )  verwikkeld in een “ wapenwedloop  ….
er is blijkbaar een co-evolutie aan de gang
Ook  nummer 3
—->   waarom  konden de giraffen ( en zeker  hun voorouders )   misschien niet  iets anders  hebben, geëten    dan deze “hoog-geplaatste ” bladeren ?
Je sterft  ook niet omdat je  je lievelingskostje   niet  meer kunt eten / of omdat er in de veertiende eeuw geen chokolade was die je voorouder ( eventueel een in  het  midden oosten   levende geitenhoeder ) kon opeten  ? 
Het dieet van de  huidige  giraffe is( was ) niet beperkt tot uitsluitend de acacia blaadjes ( het is wel het lievelingskostje van giraffen )
Ook
Hoeveel giraffen  eten  60 kilogram accacia-bladeren per dag en  dan nog  in dierentuinen  ?    doe eens navraag ?
Trouwens ,  nog niet volgroeide  maar wel al gespeende  jonge( en vooral kleinere ), giraffen eten misschien  jonge ( kleine ) acacia-tjes ? (bestaan ook zeg )

____ zoals  de jonge snuiter Dr Science misschien zou kunnen beginnen met  het basisonderwijs in de moderne  evolutie- biologie en de genetica   ipv van nog steeds kinderachtig  de ” melk van de creationisten ” voedsters op  te zuigen …
en er bestaan natuurlijk  gewoon kleine accacia’tjes ?  toch ?
het is niet altijd   dit :
maar ook soms  dit ….. behoort ook tot de mogelijkheden :
Giraffe (left), somehow walking thru/grazing on acacia thornbushes (center) with impunity; giraffe on the run (right)
  
zodat de kleinere dieren uitstierven.
( en de kleinere acacia terug konden opkomen …. wat een onzin  )
Er bestaan nog meer ( niet -giraf- achtige ) wezens die acaccia-blaadjes  eten , en GEEN lange nek hebben , kleinere diertjes zelfs dan de giraffen  … 
—> bijvoorbeeld ,(afrikaanse )  eland-antilopen en
lichtere antilopen die zich zelfs   op hun achterpoten oprichten om bij de blaadjes te kunnen komen  die ook hun lievelingskostje zijn
Bovendien :
Accacia- bomen verdedigen zich niet  ALLEEN door  hun bladeren  hoger te laten groeien ; ze ontwikkelen ook  gifstoffen in hun  bladeren  ( de antilopen die zich met de bladeren voeden vormen  op hun beurt  anti- stoffen / of ze ” eten ”  anti-stoffen —> ze likken  bijvoorbeeld  regelmatig  bepaalde kleien en soortgelijke mineralen en gesteenten ( = medicijnen ? )    op  die de tolerantie verhogen  en waardoor ze toch van een verhoogd  potentieel voedselaanbod  kunnen profiteren  )
Wat dan weer wil zeggen  dat  het ” hoger laten groeien van haar blaadjes”   zeker niet de enige evolutionair ontwikkelde “verdediging” is van de soort  hersenloze acacia -bomen   ….
Er zijn vele  wapenwedlopen aan de  gang …
De beste verdediging/bescherming  van sommige   acacia-eters en tegen het opeten/opstapelen  van  hoge gifdosissen is een  ” gevarieerder voeding “
Dit laatste is nogal belangrijk om te onthouden.
De wijfjes giraffe is ongeveer 60cm kleiner dan het mannetje, zodat alle wijfjes allang voor de mannetjes zouden zijn omgekomen.
Met als resultaat dat de soort dit nooit zou hebben overleefd.
Uit een onderzoek naar de bomen kan het volgende worden geconcludeerd.
Namelijk dat (de eerste ) mutatie(s  in de richting ) voor de extra lengte van de nek van de wijfjes veel te kort zou zijn om zo hoog te kunnen reiken,
als de volwassen mannelijke exemplaren.
—> ja hoor ;  de wijfhes sterven  en
de jonge giraffen allicht ook ( zie boven ) …
De lange nek van de giraffen heeft niets met het bemachtigen  van  geliefd voedsel door  giraffen ,  te maken :  wel met  sexuele selectie en het zogenaamde ” necking” vechten , waarbij de rangorde wordt vastgesteld / de voorkeur-keus van de wijfjes toeneemt  etc …  en de toegang tot het andere geslacht daardoor  vergemakkelijkt  ….
Bovendien wil ik eraan toevoegen dat er nergens bewijsmateriaal is gevonden dat er ooit giraffen met lange en korte, ik bedoel tussen- lengtes,
hebben bestaan.
—> heilaas ….   Nog  steeds   levende verwanten van de giraf  hebben  korte nekken
 ( de okapi )
Geen enkele fossielenarchief ondersteunt de stelling van Darwin dus!
Darwin (en zelfs  Lamarck )hebben  dat nooit als “stelling”  naar voren gebracht,  ….  het  was slechts een  goed aanslaand voorbeeldjeafkomstig uit de pers van toen , en dat destijds  is gaan behoren tot  de  algemene  pop-cultuur  
 
Dit is dus weer een kleine voorbeeld van hoe oppervlakkig deze evolutietheorie is.
De giraffe voedt zich voornamelijk met de bladeren
van de Acacia, een boom, die heel sterk is.
Net zoals deze DR “nonsens” Science , zich voedt met  creationisten  zwans 
Geef maar eens een “ondersteuning ” voor al de
ze “Doctorale”  tendentieuze beweringen en voorbarige  conclusies  gepuurd  uit een  selectief   herkauwen van  creationistische kwakkels  en  (een klein  voorbeeld ) van de  gelimiteerde  kennis van de biologie  en de evolutiebiologie van deze  dr. in de idiotica   … …. kwak, kwak , kwak ….
De giraffe zorgt ervoor dat de acaciabomen niet te talrijk worden.
Dat is  geopperd en waarschijnlijk een van de hoofdredenen van  de distributie van het  acacia-bestand  :
het is een  algemeen  aanvaarde ecologische vaststelling / en een van de  best gedocumenteerde veronderstelling  op dit ogenblik ;
de ontwikkeling tussen accacia en giraffe heeft( op het huidige  ogenblik )  een evenwicht bereikt …. 
Beide  partners ( waarschijnlijk zijn er nog andere  ; )  van deze  co-evolutie hebben elkaar  gefine-tuned ( afgestemd )  ; ze zijn aan  daardoor  aan  elkaar “aangepast “
Zie over Co-evolutie –> Carl  Zimmer
DE GIRAFFENNEK  en andere  “PROBLEMEN”  DAARROND
Nervus laryngeus recurrens en de GIRAF
De toevoegin recurrens verraadt al een beetje wat het probleem is.
N. laryngeal recurrens loopt vanuit de Nervus vagus door de hals naar beneden, gaat onder de aorta door en daarna weer naar boven naar het
strottenhoofd waar het spieren en slijmvlies aanstuurt.
Een tamelijk lange omweg, zelfs in de mens; een slechte ingenieur had een kortere weg gevonden.
Er is duidelijk sprake van verspilling van materiaal, en de hele constructie ziet er niet bijster intelligent uit.(links)
recurrent20laryngeal20nerve
                                       recurrent20laryngeal20nerve20in20fish
Vanuit evolutionair oogpunt is deze vreemde constructie wel te verklaren.
In onze verre voorouders, vissen, lagen zenuwstart en doelorgaan recht tegenover elkaar .
De zenuw kon zo oversteken. (rechts )
In de loop van de evolutie zijn start en doel uit elkaar gegroeid, met grote omwegen tot gevolg.

recurrent20laryngeal20nerv20in20horse

450px-GiraffaRecurrEn_svg

En wie denkt dat het allemaal wel wat meevalt met die omweg moet voor de grap eens nameten hoeveel meter zenuw er teveel wordt aangelegd in bijvoorbeeld een paard, of een “intelligent ontworpen ” GIRAFFE

ref ;
Tomasso Agricola

http://www.youtube.com/watch?v=cO1a1Ek-HD0

DE  SLODDERVOS -PERS  

http://www.nu.nl/wetenschap/1964477/lange-nek-giraffe-is-evolutionair-onverklaarbaar-.html

Lange nek giraffe is evolutionair onverklaarbaar’

Laatste update:  15 mei 2009
De evolutionaire theorieën waarmee de lange nek van de giraffe wordt verklaard, kloppen niet. Dat melden wetenschappers uit Zuid-Afrika en de Verenigde Staten in een nieuwe studie.

Het ontstaan van de lange nek bij giraffes wordt tot nu toe op verschillende manieren verklaard.Sommige onderzoekers geloven dat de dieren gemakkelijker bladeren uit bomen kunnen eten door hun lange nek. Andere geleerden gaan ervan uit dat het postuur van de giraffe is ontstaan door seksuele selectie.

Ongegrond

Onderzoekers van de universiteiten van Wyoming (VS) en Pretoria(Zuid-Afrika) beweren in het wetenschappelijk tijdschrift Zoology echter dat die  theorieën ongegrond zijn, zo meldt de BBC.

Volgens de wetenschappers heeft onderzoek uitgewezen dat giraffes alleen bladeren eten van bepaalde soorten. Die bladeren groeien niet bijzonder hoog. Het is daarom niet aannemelijk dat giraffen met lange nekken in de loop van de evolutie gemakkelijker konden overleven.

Mannetjes

De giraffennek is waarschijnlijk ook niet door seksuele selectie tot stand gekomen. In dat geval zouden volgens de onderzoekers vooral mannetjes een lange nek moeten hebben om vrouwtjes te verleiden. Ook zou de nek dan groter moeten zijn in verhouding tot andere lichaamsdelen.

De wetenschappers konden bij een lichamelijk onderzoek onder 38 giraffes echter geen verschillen vinden in de relatieve neklengtes van mannelijke en vrouwelijke dieren. Ook bleek de nek in proportie met de benen van de giraffes.

Raadsel

De lange nek van de giraffe blijft daardoor een evolutionair raadsel.“Een goede verklaring voor de verlenging van de nek bij giraffes, moet elders worden gezocht’, zo concludeert hoofdonderzoeker Graham Mitchell.

Het bovenstaande  is een voorbeeld van  onnozele  diletttantische  berichtgeving.
“Niet correct verklaard “staat niet gelijk aan “onverklaarbaar”

Verder ; 
Ik denk dat het van belang is om over “steun” voor een hypothese te spreken, niet over een  “bewijs” ervoor . 
Als er bewijs is voor iets is het inderdaad geen theorie of hypothese meer  , maar een feit.
Dit is toch al héél lang bekend?

-alleen omdat het niet overduidelijk is hoe en welke evolutionaire druk een rol speelde , wil nog niet zeggen dat de giraffennek niet evolutionair zou zijn gevormd of de evolutietheorie op de schop kan ; Dagelijks evolueren er nog allerlei organismen en in best rap tempo; bacterien passen zich moeiteloos aan, virussen nemen ook gewoon een andere gedaante aan als de nood aan de man is;

Je mag niet bij voorbaat alles willen uitsluiten als het niet in je straatje past

Helaas zullen veel ondeskundige en creationsiten dit gretig aangrijpen, zonder het echt te begrijpen (“zie je wel, er klopt niets van”).
Het mechanisme van evolutie wordt door de betreffende onderzoekers niet betwijfeld, wel het  toegepaste  natuurlijke selectie handvat . Dus: wat was precies de selectie factor. 

– Waar de auteurs van de kritiek op de gangbare evolutionaire verklaringen van de giraffenek misschien geen rekening mee gehouden hebben is dat toen de giraffe naar zijn huidige vorm evolueerde er misschien meer competitie was op het toen beschikbare voedsel : waardoor de giraffe die een grotere variatie aan bladeren kon eten (van hogere bomen) een grotere fitness had. 
De nek houdt de giraffe inderdaad niet tegen lagere bomen ook te gebruiken voor voedsel, maar is er niet tot beperkt. Dat kunnen we helaas heel slecht na gaan in het fossiel materiaal  . Maar dat  betekent niet dat het niet zo is 

Het grote selectieve voordeel van de giraffe in de Afrikaanse (droge) savanne is niet zozeer of niet alleen dat ze hoog kunnen eten, maar vooral dat ze een groot verticaal voedselbereik hebben. Ze eten nl. normaliter van de hele laag van 1,5 tot 4,5 meter, soms nog iets hoger of lager. 

Bovendien is goed bekend, dat Afrika tijdens de ijstijden veel droger was, veel (half)woestijn en zeer droge savanna, met name Acacia en doornstruik savanne, zeg maar randje Kalahari. In die tijd zal het hoog en vooral ‘brede laag’ kunnen eten wel een groot selectief voordeel zijn geweest. 

Nooit te snel afgaan op één wetenschappelijke veronderstelling.
Hier komt vast wel veel commentaar op.

Maar dan zeggen de crea’s natuurlijk weer zoiets van: “zie je wel, ze proberen het recht te praten”. 
Omdat crea’s het wetenschappelijke proces niet (willen) begrijpen. 

-in tijden van schaarste zijn de laagte bladeren het eerste op en kunnen alleen de langnekken de hoogste bladeren blijven eten en overleven dan de schaarste.

-Het onderzoek focuste nogal op sexuele voorkeur en minder op voedsel voordeel.
Dat laatste is echter juist de beste kandidaat als selectie mechanisme, zeker in Afrika’s verleden. 

Wat ik nogal zwak vind, is dat men inderdaad uitsluitend keek naar de huidige voedsel*voorkeur* van de giraffe, niet naar selectief overlevings voordeel onder voedsel stress (dus schaarste) omstandigheden.

Ik vraag me trouwens af of giraffes altijd al voornamelijk acaciabladeren hebben ge- eten ( zoals ze nu veelal doen ) . Het klimaat in Afrika is in de afgelopen tientallen millennia heel erg veranderd.
Het is echter bekend (en door vele westerse observanten  in Oost-Afrika heel veel waargenomen), dat giraffen in groene tijden zelfs mals gras eten en lage, lekkere (want jonge ) struikjes.

Maar het is in de echt moeilijke, droge tijden, dat ze vooral terugvallen op hoog grazen (browsing) aan vooral acacia’s als er bijna niets anders meer is en andere dieren moeten wijken. 
Ik heb in de droge tijd in een zeer droog gebied (Ruaha National Park, Tanzania) veel giraffen gezien, waar bijna geen andere grotere zoogdieren meer rondliepen en bijna alles dor en bruin was. Is ook bekend van droge gebieden in Kenia en de randgebieden van de Kalahari in Botswana en Namibië.
Voor overlevingsvoordeel (dus selectiedruk) moet je juist kijken naar de tijden van stress, 
wanneer het er echt op aankomt. 

(Hoofdkriticus Mitchell mag wel eens mooi de les worden gelezen__ zoals hierboven al gebeurde . De man heeft gewoon niet goed of grondig genoeg nagedacht.En dat is toch wel een vrij grote fout voor iemand die zich in het vakgebied der evolutionaire zoologie begeeft )

-Ik dacht dat de nek van een Giraffe zo lang was, omdat hij hierdoor zijn lichaamstemperatuur beter kan regelen.
Aangezien de nek ideaal is om warmte uit te stoten (zweten), waardoor hij niet oververhit raakt.
Het heeft dus te maken met airconditioning, langs de lange hals van de Giraffes liggen talloze bloedvaten die het warmbloedige dier behoeden voor oververhitting

Een olifant gebruikt zijn oren als airco. 
Olifanten en Giraffes hebben in vergelijking met bv zebra’s een erg trage stofwisseling.

Tevens is het op de grond warmer dan wat hoger, omdat de zandgrond de warmte vasthoudt.

De giraffe is ontstaan in ’n habitat met struiken van zo’n 3 meter hoogte ….
de lange nek is daar essentieel om te overleven..

De vijanden/ predatoren  van hun voorouders zijn ( waren) allemaal beesten die sluipen.
Door een lange nek kun je dus beter de omgeving in de gaten houden, wat ook de levenskansen verhoogt.
Als het dieet of sexuele voorkeur niet de juiste verklaringen zijn, is het denk ik inderdaad
vanwege het overzicht (gevaar van ver zien aankomen) of de dreiging die uitgaat van grotere dieren (wie hoog komt, is vast groot en dus té sterk.)

Nog veel waarschijnlijker ;
Veel eigenschappen zijn ontstaan, omdat ze een antwoord waren op diverse soorten evolutionaire druk :
ze konden meerdere functies gelijktijdig ontwikkelen . 
Dit maakt het selectief voordeel groter. 
Ook kan in de loop der evolutie elke functie geleidelijk veranderen, denk bijv. maar aan de veren bij vogels (eerst waarsch. isolatie en ‘pronken’, later dus fladderen en vliegen).

Dat de giraffe voorouders eerst korter nekken hebben gehad is wel héél waarschijnlijk. 
De gevonden fossiele verwanten hadden kortere nekken, de levende naaste verwant (okapi, een soort kleine oerwoud giraf in Kongo) heeft een vrij korte nek. De naast verwante familie, de kamelem, hebben een ‘half-lange’ nek. 
En tenslotte: de giraffe heeft, net als alle zoogdieren, slechts 7 nekwervels, alleen langere. 

Waarom die nek er is, daar mogen de meningen over verdeeld zijn, maar hij is in elk geval niet “irreducably complex“- de nek kan makkelijk tot beperkte lengte zijn gegroeid ( wat al een voordeel kon betekenen ) , en daar zijn blijven steken tot dat het mechanisme om de bloedtoevoer te regelen ontstond.

En hoe beter dat bloedregelings- mechanisme werd , hoe langer de nek vanaf dat moment weer kon worden.

Stamboom en overgangen ? 

Giraffes delen een gemeenschappelijke voorhouder met hert-achtigen, die leefde in het Oligoceen, en een recentere gemeenschappelijke voorouder met de Okapi.
Voorbeelden van “Tussenvormen” die gevonden zijn,  zijn bijvoorbeeld
Climacoceras, 
Paleomeryx en 
Palaeotragus. 

Afrikaanse “giraffen” bedreigd met uitsterven  ?

ANP
23 december 2007

NAIROBI – De giraffes in Afrika worden met uitsterven bedreigd als er geen maatregelen genomen worden om ze te beschermen. Dat is de conclusie van een onderzoeksrapport van Keniaanse en Amerikaanse biologen dat zaterdag verscheen, meldde de BBC.

Er leven in totaal in Afrika nog maar honderdduizend giraffes. Door stroperij en oorlogen in Somalie, Ethiopie en Kenia is het aantal netgiraffes (giraffa camelopardalis reticulata) drastisch verminderd. Begin jaren negentig waren er nog 27000 exemplaren. Nu nog maar 3000, aldus de onderzoekers. Van de Tsjaadgiraffe (giraffa camelopardalis peralta) zijn er nog maar 160 over.

De onderzoekers hebben bovendien vastgesteld dat de verschillende soorten giraffes, die tot dusver werden beschouwd als ondersoorten, moeten worden gezien als aparte volwaardige soorten.

De twee giraffesoorten die het meest aan elkaar verwant zijn, de netgiraffe met rode ronde vlekken en de Massaigiraffe (giraffa camelopardalis tippelskirchi) leven al een half miljoen tot anderhalf miljoen jaar gescheiden van elkaar.

De “giraffe” staat niet op de rode lijst van beschermde diersoorten van de World Conservation Union (IUCN), omdat er nog honderdduizend zijn.

MAAR

Daar verschillende  ondersoorten nu als  verschillende  aparte soorten zijn te beschouwen  , komen ze wel op de rode lijst en hebben regeringen de plicht zich in te zetten voor de bescherming van de giraffen aldus de wetenschappers

ELF   APARTE  SOORTEN

(BMC Biology, 21 december 2007).

…..Uit een analyse van DNA van over Afrika verspreid levende groepen giraffen  , maken David Brown en zijn collega’s op dat deze dieren al honderdduizenden jaren niet of nauwelijks onderling paren. In een dierentuin doen ze dat wel. Tot nu toe gingen wetenschappers er vanuit dat van de giraffe alleen ondersoorten bestaan zoals de Netgiraffe, de Nubische giraffe en de Rothschildgiraffe.

Brown onderscheidt elf genetische varianten waarvan er zes aparte soorten zijn.

Brown merkt op dat de verschillen in de tekening van giraffepopulaties abrupt zijn en lang niet altijd begrensd door geografische barri챔res. In Kenia leven de Netgiraffe en de Masaigiraffe betrekkelijk dicht bij elkaar in een doorlopend gebied dat wordt gekenmerkt door bos en acaciastruiken. Ondanks hun nabijheid zijn de Netgiraffe en de Masaigiraffe onder de giraffen het minst verwant.

Volgens de DNA-analyse van Brown delen de Netgiraffe en de Masaigiraffe een gemeenschappelijke voorouder die 0,5 tot 1,6 miljoen jaar geleden geleefd moet hebben, in het midden van het Pleistoceen. Die conclusie baseren zij op het grote aantal verschillen in de lettervolgorde van meerdere DNA-fragmenten van beide (onder)soorten.

Het uitwaaieren van de giraffe in verschillende soorten in het Pleistoceen valt samen met een periode van grote klimaatsveranderingen in zuidelijk Afrika. Volgens de onderzoekers zijn verschillende populaties van giraffen in dat tijdvak voor langere tijd van elkaar ge챦soleerd geraakt. Mogelijk komt dat door woestijnvorming.

Giraffen bewegen zich over leefgebieden van honderden vierkante kilometers. Bij andere grote zoogdieren met een ruim leefgebied (Afrikaanse olifant en buffel) lijken populaties die dicht bij elkaar leven genetisch wel sterk op elkaar.

De onderzoekers speculeren dat seksuele selectie een rol speelt. Dat zou betekenen dat giraffenvrouwen giraffenmannen met een afwijkend vlekkenpatroon niet aantrekkelijk vinden.

Giraffengeboorten zijn ook sterk seizoensgebonden.

Omdat de seizoenen ten noorden en ten zuiden van de evenaar van elkaar verschillen zou gemengd nageslacht van soorten aan weerszijden van de evenaar minder overlevingslansen hebben.

Approximate geographic ranges, pelage patterns, and phylogenetic relationships between giraffe subspecies based on mtDNA sequences. Colored dots on the map represent sampling localities. The phylogenetic tree is a maximum-likelihood phylogram based on 1,707 base pairs of mtDNA sequence (1,143 nt of cytochrome b, 429 nt control region and 135 nt of tRNA) from 266 giraffes. Asterisks along branches correspond to node-support values of > 90% bootstrap support. Stars at branch tips identify paraphyletic haplotypes found in Masai and reticulated giraffes. [larger].

KEY: red; Angolan giraffe, G. c. angolensis; blue; West African giraffe, G. c. peralta; green, Rothschild’s giraffe, G. c. rothschildi; yellow, reticulated giraffe, G. c. reticulata; orange, Masai giraffe, G. c. tippelskirchi; pink, South African giraffe, G. c. giraffa.

Neighbor-joining network of allele-sharing distances (Ds) based on 14 microsatellite
loci typed in 381 giraffes. [larger].

 

zoogdieren I

Primaat Zoogdier

ZOOGDIEREN ( I )
INLEIDING

De meest bekende klasse van het dierenrijk is wel die van de zoogdieren.
Niet in de laatste plaats omdat  ook de mens daar zelf  toe behoort.
Veel zoogdieren leven direct in onze nabijheid.

Enkele van hen houden wij als werkdier (paard) of als hulpje en  beschermer (hond), andere vormen een bron van hoogwaardig voedsel(konijn , rund, schaap , varken… etc …).

Alle zoogdieren hebben een gesloten bloedsomloop met een groot vermogen en een hart met twee kamers en twee boezems.
Ze ademen via longen en beschikken over een vertakt zenuwstelsel.

Ledematen    Bij de ledematen kunnen sterke reducties optreden:

de achterpoten van walvisachtigen en zeekoeien zijn geheel verdwenen.
Anderzijds kunnen de achterpoten juist zeer sterk ontwikkeld zijn, waarbij de voorpoten dan vaak in grootte afgenomen zijn (kangoeroetype).
Het aantal tenen beloopt maximaal vijf; ( een oud patroon in  de stamlijnen van vertebrate landdieren die tot vandaag zijn blijven voortbestaan  )ook hier is soms sprake van opvallende reductie –
bij de evenhoevigen zijn nog maximaal vier tenen aanwezig,terwijl bij de onevenhoevigen het aantal via drie tot één (paardachtigen) teruggelopen is. 

Polydactylie van de  “digits ”  , “duimen en vingers “afkomstig uit andere structuren dan het  hand-voet-patroon ( panda’s thumb )  komen ook voor  … maar dat zijn genetische mutaties van hand ( en voet )  en/of alternatieve structuren van andere origine dan voormeld  hand- voet recept

Bloedsomloop   In het bloedvaatstelsel is de linkeraortaboog overgebleven (bij de vogels de rechterboog);

het ademhalingsstelsel omvat o.a. een  strottenhoofd (larynx), dat dienst doet als stemorgaan bij de ingang van de luchtpijp (trachea).


Borst- en buikholte 
zijn gescheiden door een spierplaat, het middenrif (diaphragma), dat o.a. bijdraagt aan de efficiëntie van de ademhaling.

Hoewel alle zoogdieren warmbloedig (homoio- of endotherm) zijn, kan de lichaamstemperatuur wel variëren, o.a. bij de winterslaap, terwijl bij de Monotremata soms nog een betrekkelijk primitieve temperatuurregeling voorkomt, die enigszins doet denken aan die van de Reptielen.

Voortplanting en ontwikkeling  De eieren van de Zoogdieren zijn naar verhouding zeer klein;De diameter varieert van 0, 05–0,25 mm (maximale lengte van het moederdier 33 m, gewicht meer dan 136!000 kg), bij de mens 0,15 mm.

Zoogdieren planten zich voort doordat het vrouwtje door het mannetje bevrucht wordt.
De vrouwtjes baren levende jongen die zich eerst in het lichaam van de moeder ontwikkelen.
Later worden ze met moedermelk gevoed die ze uit melkklieren of tepels zuigen
Een eerste uitzondering hierop vormen de eierleggende cloaca dieren (De Monotremata ) de tepels zijn “vervangen” door geultjes die schijnen te zijn ontwikkeld uit lichaamsharen
en
op de tweede plaats de geologisch jongere buideldieren.
Die laatste zijn wel levendbarend maar hun jongen worden geboren terwijl ze nog niet volledig ontwikkeld zijn.
De jongen voltooien dan hun ontwikkeling in de buidel van de moeder. waarin zich ook de tepels bevinden
 De draagtijd is  bij die buideldieren zeer kort, bijv. bij de Amerikaanse opossum ca. 13 dagen.
Na deze tweede groeiperiode in de buidel , spreekt men wel eens van een tweede geboorte.

Bij de placentale zoogdieren is vooral bij de grote soorten de draagtijd soms zeer lang (olifanten 22 maanden, grote walvissen 12–16 maanden); na een lange dracht wordt meestal slechts één jong geboren. Overigens varieert het aantal jongen per worp van 1–12, zelden meer (tot 24 toe).
Het aantal jongen is gecorreleerd met het aantal melkklieren; de zoogperiode varieert eveneens, maar kan vooral bij grote soorten lang zijn(olifanten tot ca. 3 jaar, mensapen en mens soms tot na de volledige vorming van het melkgebit;

Walvisachtigen daarentegen tot hooguit 20 maanden –het spenen gebeurt zeer geleidelijk (bij talloze herbivoren nemen de jongen al heel vroeg enig plantaardig voedsel tot zich).

Ecologie  Van alle groepen in het dierenrijk hebben de Zoogdieren zich het meest onafhankelijk gemaakt van invloeden van het milieu; dat heeft hun in staat gesteld de gehele wereld te veroveren, uiteraard samen met de vogels, die immers eveneens warmbloedig zijn.

Temperatuurbarrières worden gemakkelijk overwonnen, zozeer zelfs dat in de poolstreken zoogdieren dominant kunnen zijn.

Aanpassingen aan het waterleven culmineren in de walvisachtigen, die alle contact met de vaste wal verloren hebben.

Als echte vliegers zijn de vleermuizen met uitzondering van de poolstreken kosmopolieten geworden; zij konden de meest afgelegen oceanische eilanden bereiken, waar andere zoogdieren niet of hooguit via de mens konden komen.

De knaagdieren zijn zonder twijfel de meest succesvolle zoogdieren; iets meer dan I van alle ruim 4000 soorten bestaat uit knaagdieren.

Wat betreft individuen-tal hebben vermoedelijk enige knaagdieren (ratten, muizen) aantallen bereikt die die van de mens, zonder twijfel het talrijkste zoogdier ter wereld, evenaren.

Sinds het optreden van de mens behoren zijn medezoogdieren tot de meest vervolgde elementen in de natuur.

De zoogdieren bleken van eminent belang voor het overleven van de mens. Voor bepaalde huisdieren geldt dat de domesticatie in zo’n ver verleden ligt, dat de werkelijke voorouders niet meer met zekerheid vast te stellen zijn (o.a. lama, dromedaris); andere wijken zo weinig van het oorspronkelijke type af dat zij weer zeer snel kunnen verwilderen (paarden, ezels, geiten, varkens, katten, enz.).

De relatie van de mens met talrijke zoogdieren via de jacht heeft een geheel eigen karakter. Enerzijds werd de jacht beoefend om dieren te bemachtigen als voedsel en omwille van huiden, beenderen, enz., anderzijds werden de roofdieren bejaagd als potentiële bedreigers van de gemeenschap, als concurrerende predatoren en als rituele handeling.

Tegenwoordig treedt de mens ook op in de plaats van verdwenen predatoren. De enige normale predator (roofvijand) van volwassen grote zoogdieren als olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en tijgers is immers de mens; in de ecologie van de sterk geciviliseerde landen vervangt de mens de roofdieren die niet langer getolereerd worden (wolf, bruine beer e.a.).

Bedreigd of uitgestorven   Reeds lang geleden heeft de mens vermoedelijk al zoogdiersoorten uitgeroeid; pas tegen het einde van de 19de eeuw begon dit ernstige vormen aan te nemen.
Bekende zoogdieren die uitgeroeid werden, zijn o.a.


Stellers zeekoe (1768),
blauwbok (begin 19de eeuw),

tarpan (tweede helft 19de eeuw),

Falklandvos (1876),  http://scienceblogs.com/tetrapodzoology/2007/12/20/island-endemic-otters-canids/
i-bdb9ccd47d8b9c1c4517cdbcfef9966c-stuffed warrah 2 from messybeast.jpg

quagga (1883, laatste exemplaar in Artis)

en
Schomburgk’s hert (jaren dertig 20ste eeuw).

Door het inkrimpen van grote arealen werden soms ook ondersoorten uitgeroeid, zoals
Kaapse en Barbarijse leeuw (zie leeuw),
Balitijger (zie tijger) en het
hartenbeest van Noord-Afrika.

Door tijdig ingrijpen ter plaatse is een aantal soorten van een dreigende ondergang gered, als

koala,
parmawallabie
(bij toeval via een in Nieuw-Zeeland uitgezette populatie die men vergeten was, zie kangoeroes),
zeeotter,
de meeste destijds overgeëxploiteerde zeeroofdieren,
gaffelantilopen,
bizon
(in 1889 waren er nog slechts 541 van de miljoenen van destijds over),
saïga witstaartgnoe en (zuidelijke)
breedlipneushoorn (uitgangsmateriaal slechts ca. 20, zie neushoorns).

Andere konden nog slechts via ingrijpen door de dierentuinen in gevangenschap gered worden,
nl. Siberische tijger,
wisent (in 1922 waren er nog 56 over),
Arabische spiesbok,
Pater-Davidshert (in 1910 nog slechts 18),
przewalskipaard e.a.
en
vermoedelijk in de toekomst nog veel meer (orang-oetan, enz.).
Sterk bedreigde zoogdiersoorten zijn

__________________________________________________________________________________________________

REEDS UITGEROEID   

   http://extinctanimals.petermaas.nl/extinct/nl/index.html

Foto: Een iconische afbeelding van gedode Tasmaanse buidelwolf (Thylacinus cynocephalus) met de heer Weaver in een studioportret is veelvuldig gepubliceerd, maar de oorspronkeijke auteur is nooit vermeld. Mogelijk het gefotografeerd door Victor Albert Prout die kort in Tasmanië verbleef in de late jaren 60 van de 19e eeuw. Deze afbeelding is van Australische oorsprong en is nu in het publieke domein, omdat de auteursrechten (copyright) zijn vervallen

.

<video

________________________________________________________________________________________________

vingerdier,
berggorilla,
Sumatraanse en Javaanse neushoorns,
kouprey,
Mesopotamisch damhert,
dwergzwijn e.a.

Van bepaalde in het wild zeer bedreigde soorten als Indische antiloop en manenschaap zijn de populaties in dierentuinen (en elders) groter dan die in hun bakermat overgebleven zijn.

Giftig

De solenodon, die op de Dominicaanse Republiek en Haïti voorkomt, is behoorlijk giftig en kan eventuele lastposten met zijn gespecialiseerde tanden een venijnige beet toebrengen. Giftige zoogdieren zijn, in tegenstelling tot reptielen, eerder uizondering dan regel. De solenodon, het vogelbekdier en twee spitsmuissoorten zijn de enige giftige zoogdieren ter wereld.

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2010/06/17/solenodons-on-the-bbc/

Alle zoogdieren

Alle zoogdieren. Dat zijn om te beginnen de Eierleggende zoogdieren, de Buideldieren en de Placentale zoogdieren. Gewoonlijk bedoelen we de Placentale zoogdieren, de zoogdieren met een echte placenta, als we zoogdieren zeggen. De Eierleggende zoogdieren en de Buideldieren wonen ook zo ver weg.

De zoogdieren worden ingedeeld in Ordes, zoals de orde roofdieren (Carnivora). De traditionele morfologie onderscheidde 16-20 ordes, afhankelijk van wie de indeling maakte en wanneer. Moleculair zijn er 19 ordes te onderscheiden. Met x wachtenden voor u komt natuurlijk: wat is de overeenstemming tussen morfologische indeling en moleculaire indeling?

Eerst: er zijn 19 ordes placentale zoogdieren volgens de moleculaire indeling. Welke zijn dat? Hier volgt de lijst met beesten en namen. Biologie is vooral: wie, wat en waar, en dat wie is nogal een namenlijst. Alle plaatjes die ik uit artikelen licht staan vol namen: officiële in wat heet Latijn of Engelse – waarbij de Engelse namen vaak bastaard-latijn zijn. Maar ja, er valt moeilijk over indelen te praten als niet bekend is over wie het gaat. En de ordes van de zoogdieren zullen wel geen middelbare-schoolstof meer zijn …

Paleontologie
De eerste ZOOGDIEREN verschenen( in het fossielenbestand ) aan het eind van het TRIAS ruim 200 miljoen jaar geleden.
In uiterlijk en waarschijnlijk ook in levenswijze leken zij op de huidige spitsmuizen.

De eerste zoogdieren zijn vooral bekend van kleine kaken en kiesjes. Deze zijn gevonden in aardlagen uit het Boven Trias en zijn zo’n 220 miljoen jaar oud. Dat betekende dat de zoogdieren bijna tegelijkertijd met de dinosauriërs ontstonden.

De dinosauriërs zouden echter de daaropvolgende 160 miljoen jaar de dominante levensvorm op aarde zijn, terwijl de Mesozoïsche zoogdieren een obscuur bestaan leidden in de schaduw van de reuzenreptielen. Pas na het verdwijnen van de dinosauriërs, zo’n 65 miljoen jaar geleden, namen zoogdieren de rol van de belangrijkste gewervelde diergroep op het land over.( althans dat is een van de traditionele theorieen van voor het jaar 2000 —> zie verder de controverse over de placentale zoogdieren )

Als allereerste ( oudste ) fossiele voorouder van alle zoogdieren wordt tegenwoordig de fragmentaire kaak met tandjes van de Ambondro mahabo beschouwd

a  Malabo ME37c     field museum

 
Lower jaw fragment of monotreme mammal relative, magnified
Ambondro mahabo
Jurassic (206–144 million years ago)

Mahajanga Basin, Madagascar
Cast if UA10602This lower jaw belonged to an early relative of today’s monotremmemammals. Its lower molars have shelf-like ridges unique to this mammal group.
© The Field Museum.

Hoe onderscheiden we de eerste zoogdieren van hun voorouders, de zoogdierachtige reptielen?

Aan fossielen is niet af te lezen of ze hun jongen gezoogd hebben. We moeten dus naar andere kenmerken kijken.

Het oor en de tanden  Eén van de belangrijkste kenmerken van zoogdieren heeft te maken met de ontwikkeling van het oor. Daarin vinden we de gehoorbeentjes. Deze botjes zijn ontstaan uit botten die oorspronkelijk onderdeel waren van de onderkaak. Daardoor zit het kaakgewricht bij zoogdieren aan een ander bot vast dan bij reptielen. De vorm van de kaak is dus een bruikbaar kenmerk.

Een ander verschil tussen reptielen en zoogdieren is het gebit. Dat van zoogdieren is onderverdeeld in snijtanden, hoektanden, valse kiezen en ware kiezen.  Bij zoogdierachtige reptielen hebben alle gebitselementen nog dezelfde basisvorm. Bij de eerste zoogdieren zijn deze echter al duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Een ander gebitskenmerk heeft te maken met de tandwisseling. Zoogdieren wisselen maar één keer in hun leven, reptielen wisselen meermaals. Voor zover we kunnen nagaan hadden vrijwel alle zoogdieren in het MESOZOICUM al een éénmalige tandwisseling van snijtanden, hoektanden en valse kiezen.

Verschillende vormen

frontitious stamboom

Eén van de oudste zoogdiergroepen zijn de Haramiyidauit het Boven Trias van Europa.

  

File:Ptilodus skull BW.jpg

http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ptilodus_skull_BW.jpg    http://nl.wikipedia.org/wiki/Allotheria

Andere vormen

http://scienceblogs.com/pharyngula/2007/03/16/yanoconodon-a-transitional-fos/


a, Mammaliaform Morganucodon (medial view); a-1 and a-2 label schematic transverse sections at the levels of the malleus and the ectotympanic. In Morganucodon, the middle ear maintains both an anterior connection to the mandible via the Meckel’s cartilage, and a mediolateral contact to the mandible. b, Eutriconodont Yanoconodon (medial view, composite restoration of mandible and middle ear from NJU-P06001A and B). b-1 and b-2 label transverse sections at the levels of the malleus and the ectotympanic. The middle ear retains the anterior connection to the mandible via ossified Meckel’s cartilage (yellow), but is mediolaterally separated from the posterior part of the mandible because of the twist and curvature of Meckel’s cartilage (red arrows in b). c, the ectotympanic (blue), malleus (green) and incus (brown) of modernOrnithorhynchus: the shape and proportion of the ear bones are similar in Ornithorhynchus andYanoconodon. d, Eutriconodont Repenomamus: ossified Meckel’s cartilage connected anteriorly to the mandible (similar to Yanoconodon). e, Ossified Meckel’s cartilage of Repenomamus(ventral view, isolated). f, Ossified Meckel’s cartilage of Yanoconodon (ventral view, isolated, composite restoration of both the left and the right elements). g, Middle ear of Yanoconodon(composite restoration, ventral view): the ectotympanic and malleus are connected anteriorly to the mandible via ossified Meckel’s cartilage; but these are mediolaterally separated from the posterior part of mandible, facilitated by curvature of the Meckel’s cartilage (yellow). h, Middle ear bones of adult Ornithorhynchus (ventral view) and similarity to those of Yanoconodon. i, Embryonic Ornithorhynchus: the tympanic ring and the partially developed manubrium and goniale (‘prearticular’) of the malleus are anteriorly connected via Meckel’s cartilage to the mandible, but separated mediolaterally from the posterior region of mandible, facilitated by the curved cartilage (red arrow). Yanoconodon retains the embryonic pattern of Ornithorhynchusowing to the timing change of earlier ossification of Meckel’s cartilage, but otherwise its ectotympanic, malleus and incus are nearly the same as in adult Ornithorhynchus.

uit het Late Trias/Vroege JURA waren

Morganucodon,

Morganucodon. Dit proto-zoogdier was een ongespecialiseerde insecteneter, die vooral ‘s nacht geleefd heeft.

Vroeger dacht men dat alle zoogdieren uit het dino-tijdperk dit uiterlijk hadden. Nieuwe ontdekkingen hebben dit beeld op z’n kop gezet.

Morganucodon oehleri

http://scienceblogs.com/pharyngula/2007/03/16/yanoconodon-a-transitional-fos/

      

Megazostrodon en Kuehnotherium. Van deze diertjes zijn vrij veel skeletresten bekend. Van Megazostrodon is zelfs een vrijwel compleet skelet gevonden in Zuid-Afrika.

 

In al deze gevallen gaat het om kleine diertjes, met een lengte van zo’n tien centimeter.

De grote oogkassen van Morganucodon geven aan, dat dit diertje waarschijnlijk vooral ’s nachts actief was. Waarschijnlijk leken deze vormen in hun levenswijze sterk op de huidige spitsmuizen.

In de bouw van het skelet zijn vrij grote verschillen tussen de oudst bekende zoogdieren. Dit lijkt erop te duiden dat de verschillende groepen al enige tijd ieder hun eigen evolutie hebben doorlopen. Alhoewel de oudste vondsten van zoogdieren bekend zijn uit het Boven Trias, is het dan ook niet onwaarschijnlijk dat er al zoogdieren in het Midden Trias aanwezig waren.

Haar

Een typisch zoogdierkenmerk dat we nog niet hebben genoemd, is de aanwezigheid van haar. Ook haar wordt bijna nooit fossiel teruggevonden. Een aantal wetenschappers heeft echter haren van een multituberculaat teruggevonden in fossiele uitwerpselen uit het PALEOCEEN (60 miljoen jaar geleden) van China.

De Multituberculata waren een zeer succesvolle groep van Mesozoïsche zoogdieren, die zo’n 160 miljoen jaar geleden verscheen en pas ruim 50 miljoen jaar geleden uitstierf. Omdat zowel eierleggende zoogdieren, moderne zoogdieren als Multituberculata haar hadden, had waarschijnlijk de gemeenschappelijke voorouder van deze groepen ook al haar. Dat zou betekenen dat haar al vroeg in de evolutie van de zoogdieren is ontstaan en dat de vormen uit het Late Trias mogelijk al behaard waren.

De komst van de placentale zoogdieren

This fossil of Eomaia scansoria, preserved in shale, is about 125 million to 128 million years old. The fossil’s skull is crushed, but its teeth, tiny foot bones, cartilage and fur are visible. The dark area around the skeleton is carbonized fur. Scientists are excited about the size and detail of the fossil; prior to Eomaia, the earliest record of a placental mammal was represented by a few teeth about 115 million years old.Photo: Ji et al. Ms. for Nature

Oudste placentale zoogdier
(Volkskrant 27 april 2002 )

Amerikaanse en Chinese onderzoekers hebben in China een fossiel gevonden van een 125 miljoen jaar oud zoogdier.
http://www.carnegiemnh.org/news/02-mar-apr/042502eomaia.html
Het dier – ongeveer zo groot als een kleine rat – is zo goed bewaard dat nog duidelijk te zien is dat het een dikke vacht had.
Gezien de lange vingers en tenen, aldus de onderzoekers van het Carnegie Museum of Natural History, kon het zoogdier waarschijnlijk in bomen klimmen.

De vondst, die Eomaia scansoria werd gedoopt (wat zoveel betekent als klauterende dageraadmoeder), wordt door de vinders beschreven in het tijdschrift Nature van 25 april 2002.
De vondst is in elk geval de gaafste van deze ( tot dan toe ) oudst bekende vertegenwoordiger van de diergroep waartoe ook de mens behoort: zoogdieren met een placenta

http://nl.wikipedia.org/wiki/Eomaia
http://www.carnegiemnh.org/research/eomaia/
http://www.npr.org/programs/atc/features/2002/apr/mammals/

Mesozoic Australia
 CONTROVERSE OVER DE STAMBOOM DER PLACENTALE ZOOGDIEREN

EEN OVERZICHT VAN HET PROBLEEM

Het uitsterven van de dino’s was niet de (hoofdoorzaak) van de diversifikatie van de moderne placentale zoogdieren
I Het werk van Olaf R.P. Bininda-Emonds

Bronnen
http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/6503045.stm
http://sandwalk.blogspot.com/2007/03/evolution-of-mammals.html

Het uitsterven van de dinosaurussen 65 miljoen jaar geleden, had weinig effect op de verdere evolutie van de zoogdieren, volgens een
belangrijke studie in Nature uit 2007
http://www.nature.com/nature/journal/v446/n7135/pdf/nature05634.pdf

Eén theorie , verbond (tot dan toe )de verdere opkomst van de zoogdieren rechtstreeks met het verdwijnen van de dinosaurussen.
Deze theorie werd door de nieuwe studie ondermijnt en wel op grond van de meest complete zoogdierenstamboom die toen werd opgesteld en gepubliceert . (1)


Image: Dr Olaf Bininda-Emonds/Nature

Gebruik de ” zoom”functie op de rand van de cirkel (vergroting tot x 3200) om de details te zien van de afstammingslijnen van diverse zoogdieren….
De meeste geprogrammeerde computers kunnen dit document automatisch openen
Maar u hebt wel “Adobe Reader” nodig /Heb je die(nog) niet ? Download hier –>Adobe reader
http://get.adobe.com/nl/reader/


Op het stamboomdocument staan de huidige zoogdierfamilies aan de buitenrand van de schijf.
Hoe meer naar het midden, hoe langer geleden.

De de eerste afsplitsing in de zoogdierstamboom onstond -166 million (My) : de monotremen zoals het vogelbekdier en de echidna ( zwart ) takten afvan de rest van de zoogdieren .
Buideldieren zoals opposums, kangaroes en koala’s (oranje) scheiden zich af van de placentale zoogdieren ongeveer -148 My .
Binnen de placentale zoogdieren ( de andere kleuren ) , waren ALLE extante orden al aanwezig -75 MY.

( Een komplete lijst van de ingekalkuleerde soorten vindt je —> NCBI Taxonomy website [Eutheria].<klik)

De stippellijn geeft de komeetinslag aan waardoor 65 miljoen jaar geleden de dinosauriërs uitstierven.
De oorsprong van veel zoogdiersoorten zou daarvoor al hebben gelegen.
Deze middencirkel geeft aan dat veel orden al minstens -10 MY voor de KT lijn bestonden
Het is een van de hoofdconclusies van deze meta-analyse ; De belangrijkste diversificaties in orden greep bij de zoogdieren plaats voor het uitsterven der non-aviale dino’s
Dat zet de theorie dat de dino’s plaatsmaakten voor “zoogdieren ” op losse schroeven.



De volledige stamboom der zoogdieren
van Olaf R.P. Bininda-Emonds
Deze stamboom toont hoe de verschillende groepen, zoals primaten en knaagdieren, met elkaar verband staan dmv gemeenschappelijke afstamming en documenteerd ook het moment van hun uiteengaan (aftakking )
Een internationaal team stelde de zoogdier “superstamboom ” samen , op grond van bestaande fossiele gegevens en van vergelijkende genetische analyses.

Gedurende het Krijt beheersten de dinosauriers de Aarde, de zoogdieren waren toen relatief gering in aantal, en werden( volgens die oudere opvattingen ) verhinderd te diversifiëren en te evolueren in ecosystemen die gedomineerd werden door de oude heersende reptielen.

Explosieve ontwikkeling
Volgens de tot vrij recent gehuldigde meningen , veroorzaakte het uitsterven van de dinosauriërs het verwijderen van deze rem (2) op de zoogdierdiversificatie en kon deze diergroep gaan opbloeien in al zijn biodiverse mogelijkheden,wat meteen de modernere zoogdieren voorlopers op weg zette naar hun huidige machtspositie als nieuwe meesters /heersers van de Aardse biosfeer .

Volgens dit model , waarbij vrijgekomen niches onstonden en werden opgevuld , onstonden(3) en splitsten zich bijvoorbeeld de placentale zoogdieren in grote sub-groeperingen,die snel gediversifieerd raakten na de massa-extinctie der oude reptielen – waarvan altijd is gedacht dat deze primair was veroorzaakt door een vallende asteroïde of komeet 65 miljoen jaar geleden
(een scharnierpunt in de aardse geschiedenis dat duidelijk is geregistreerd in de gesteenten en bij geologen bekend als KT grens( 1).

Co-auteur van de paper Kate Jones, van de Zoological Society of London,
Het ‘ meteoor effect ‘ is van oudsher ingeschat als de oorzaak van de uiteindelijke dood der dinosauriers en tilde de opkomende zoogdieren over de drempel van het grote succes ”

Maar sommige zoogdierentakken profitereerden natuurlijk wél van de teloorgang van de dinosauriërs

Nadere details ;
Uit de ” superstamboom” blijkt echter dat de placentale zoogdieren, 93 miljoen jaar geleden , reeds opgesplitst waren in diverse orden en lang voor de benodigde “niche” ruimten beschikbaar waren op een moment dat de dinosaurussen nog regeerden op de planeet.
Na dit opsplitsen in orden – of bundels verschillende afzonderlijke stamlijnen – bleef de vertakkende zoogdieren- evolutie erg laag om tijdens het Eoceen, 55 miljoen jaar geleden , opnieuw op te starten .

Het begin van het Eoceen werd gekenmerkt door een snelle opwarming van de aarde en een ware explosie van de diversiteit van de zoogdier geslachten.(genera)

“De [superstamboom] is een nieuwe manier om alle zoogdiersoorten van deze planeet te rangschikken en te beginnen met gemeenschappelijke voorouders.
De (collaterale ) verwantschappen relaties kunnen worden afgeleid uit morfologische kenmerken en uit(geselecteerde ) genetische sequenties,”
verklaarde Dr Jones.
Indien we waren vertrokken van nul, dan hadden we de moleculaire en morfologische gegevens van de bekende +4000 verschillende soorten zoogdieren (4)moeten herinterpreteren en ontcijferen ….
….Wat we deden was de reeds gepubliceerde informatie uit honderden onderzoeken en de kennis van onderzoekers over de hele wereld, uitkammen
We gebruikten een nieuwe techniek genaamd “supertree construction ” die ons in staat stelt om alle informatie die er is , te hercoderen en te heranalyseren , zodat het allemaal deel kon gaan uitmaken van de dataset. “

‘Stroman theorie ‘
De samenstelling van gesteenten en mariene sedimenten onstaan en bewaard op de grens tussen het Palaeoceen en het Eoceen , toont aan dat de wereldwijde temperatuur steeg met ongeveer zes graden Celsius in minder dan 1000 jaar – een gebeurtenis die bekend staat als het ” thermisch maximum. “

Dr. Rob Asher, een deskundige in de zoogdieren fylogenie aan de Universiteit van Cambridge, zei:
“paleontologen weten al meer dan honderd jaar dat niet alle moderne placentale zoogdier- groepen verschijnen direct na de KT grens. De meeste placentale zoogdieren – en wat ik daarmee bedoel zijn (bijvoorbeeld) katten , vleermuizen , walvissen en mensen – verschijnen in het Eoceen.

Ook lang niet alle dinosaurussen verdwenen aan het eind van het Krijt….
Er was een periode van een paar miljoen jaar aan het einde van het krijt , die getuigen van verschillende extincties van niet-aviaire dinosauriërs(De vogels zijn de nog steeds levende succesvolle afstammelingen van de dino’s ).
Het oude” leerboek”- idee dat op de KT grens de dinosaurussen verdwenen en de (placentale )zoogdieren opbloeiden leek in paleontologische middens , vroeger al een beetje op een ‘stro-man theorie ‘ “

Maar het idee dat
zoogdier fossielen uit het Krijt ( van voor de kt lijn ) wel eens de ( reeds gediversifieerde ) voorouderlijke vormen vertegenwoordigden van de huidige zoogdieren was een controversiële kwestie…”
zei dr. Asher, nog

II
Maar natuurlijk stopte het andere onderzoek , de nieuwe theorie ontwikkeling en de ontdekking van nieuwe vondsten niet
in 2007

Zoals reeds vermeld profiteerden sommige zoogdieren-stamlijnen waarschijnlijk wél van de teloorgang van de dinosauriërs

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/35191332/
http://www.volkskrantblog.nl/bericht.php?id=191094
http://www.nrc.nl/wetenschap/article1809755.ece/Primitieve_mol_leefde_naast_dino

Paleontologen willen vooral weten wanneer de voorouder leefde, van wie de mens de placenta heeft geërfd.
John Wible van het Carnegie Museum of Natural History en zijn collega’s schetsen in Nature ,slechts een paar maanden na Olaf Bininda-Emonds , een nieuw beeld daarover.
Het eerste placentale zoogdier zou 65 miljoen jaar terug hebben geleefd.
In dat geval had hij weinig last van dinosaurussen.
Zo hadden placentadieren de vrijheid om snel te diversieren in nieuwe soorten .
(en uiteindelijk is het een heropleving van de traditionele” oude leerboeken-“hypothese , zoals hierboven reeds beschreven )
Deze conclusie is opmerkelijk, omdat in maart Olaf Bininda-Emonds van de Duitse Jena universiteit in hetzelfde blad iets heel anders schreef: Onze moederkoek-voorouders evolueerden geleidelijk en zouden al ruim honderd miljoen jaar oud zijn.
In dat geval leefden ze lang samen met de dinosaurussen

(OPMERKING dat is dus 35 miljoen jaar voor de uitsterving van de dinosauriers : de claim die in de populaire pers ( alweer veel te tendentieus , te vlug en volkomen ongenuanceerd )wordt gemaakt dat nu is bewezen dat de “placentale zoogdieren “kort na het verdwijnen der dinosauriers moeten zijn onstaan , is sensatiezoekerij van die pers , die het debat tussen creatie en evolutie allicht weer onnodig opstookt … Merk op dat de “berekeningen van Wible” ook niet steunen op een daadwerkelijk gevonden fossiel dat samenvalt met de ” uitkomst ” )

Wible “berekende” het tijdstip van onstaan van de placentale zoogdieren met uiterlijke(morfologische ) kenmerken (5) , Bininda-Emonds rekende met genen( onder meer: biologische klokken ? ) .

Gerekend moest er worden, want
er is nog geen fossiel opgegraven dat uitsluitsel geeft. : dwz
Een dateerbaar fossiel waaruit onderzoekers duidelijk kunnen opmaken of het de eerste placentasoort is

INCOMPLEET FOSSIEL-VERSLAG
Zowel het moleculaire als het fossiele bewijsmateriaal hebben hun tekortkomingen, zo schrijven Richard Cifelli van het Oklahoma Museum of Natural History en Cynthia Gordon van de universiteit van Oklahoma in een commentaar in Nature.


*
De moleculair biologen baseren zich op de veronderstelling dat DNA verandert in een meetbaar tempo, ( moleculaire klokken) wat betekent dat de mate van genetisch verschil in moderne dieren een maat is voor de ouderdom van hun gemeenschappelijke voorloper in de evolutie.
Echter de ijking van moleculaire klokken dient te geschieden aan de hand van fossiel materiaal van de afzonderlijk bestudeerde groepen
*
Het fossiele bewijsmateriaal is echter incompleet
en dat geldt natuurlijk überhaupt voor de vergelijkende morfologen en vergelijkende anatomen


zie verder ook nog
http://www.bertsgeschiedenissite.nl/geschiedenis%20aarde/eutheria.htm

DIE EEUWIGE BEVERS /12 januari 2008
Michiel van Nieuwstadt
http://www.nrc.nl/wetenschap/article1878942.ece/Die_eeuwige_bevers

De zoogdieren waren ooit grijze muisjes die pas na het uitsterven van de dinosauriërs tot bloei kwamen ?
Welnee! Zoogdieren waaierenden al veel eerder uit tot een grote diversiteit aan soorten.Deze welles-nietes kwestie is uitgegroeid tot een controverse onder paleontologen en evolutiebiologen. In een overzichtsartikel heeft Zhe-Xi Luo van het Carnegie Museum of Natural History nu een elegante oplossing voor het probleem gepresenteerd (Nature, 13 december). Het is allebei waar.

Ja,
zegt dus Zhe-Xi Luo: de zoogdieren waaierden na het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden, uit tot de indrukwekkende verscheidenheid die we nu kennen: van de eengrams hommelvleermuis tot honderdtonners als de blauwe vinvis. En ja,
zegt Zhe-Xi Luo,
de zoogdieren zijn ver voor het uitsterven van de dinosauriërs óók al eens in een soortenzwerm uitgewaaierd. Meerdere keren zelfs, maar deze ‘oer-zoogdieren’ stierven daarna weer bijna allemaal uit. De zoogdieren waren in het eerste tweederde deel van hun bestaan helemaal niet uitsluitend onooglijke nachtdiertjes die overdag in het struikgewas zaten te beven van angst voor de dinosauriërs.
“Evolutie in golven”, noemt Zhe-Xi Luo zijn visie .

Hij ruimt de controverse niet helemaal uit de weg.
Na het uitsterven van bijna alle oer-zoogdieren bloeiden de moderne zoogdieren vanaf 65 miljoen jaar geleden wel degelijk in zeer korte tijd op. En dat valt nog steeds niet te rijmen met de bevindingen van moleculair biologen.
Uit het erfelijk materiaal van bestaande moderne dieren maken zij op dat de voorouders van de huidige 4.500 zoogdiersoorten al honderd miljoen jaar geleden verdeeld waren over verschillende superorden.

Zhe-Xi Luo onderbouwt zijn combinatie-hypothese met een gedetailleerd overzicht van zoogdieren uit het Krijt (145,5 tot 65 miljoen jaar geleden) en het Jura (200 tot 145,5 miljoen jaar geleden).

In dat laatste tijdvak, een slordige honderd miljoen jaar voor het uitsterven van de dinosauriërs, bestonden er bijvoorbeeld al een soort ‘bevers’, zoogdieren die zich door het water voortbewogen met een platte staart vol schubben (Castorocauda). Er leefden ook dieren die lijken op de moderne watermol (Haldanodon), roofdierzoogdieren die jaagden op kleine gewervelde prooidieren (Sinoconodon), een zoogdier met de graafpoten en de typische glazuurloze tanden van een insecteneter (Fruitafossor) en een zwevende eekhoorn (Volaticotherium).
Moderne namen voor deze uitgestorven zoogdieren zijn niet helemaal op zijn plaats.
Het gaat in werkelijkheid om zeer verre verwanten van de dieren die we nu kunnen zien in dierentuinen of daarbuiten.
Ze hadden haren en zoogden hun jongen. En als zwever, graver of waterdier exploiteerden ze niches in ecosystemen die vandaag de dag door hun moderne collega’s worden ingenomen.

Ook in het Krijt, het geologische tijdvak dat aan het uitsterven van de dinosauriërs direct voorafging werden belangrijke ecologische niches door zoogdieren opgevuld. Zhe-Xi Luo noemt als voorbeeld onder andere Repenomamus, een roofdier dat is opgegraven met een kleine dinosauriër in zijn maag. Hij vergelijkt het dier met een wasbeer.

Hij erkent dat zoogdieren in het zogeheten Tijdperk van de Dinosauriërs (het Mesozoïcum, 251 tot 65 miljoen jaar geleden) waarschijnlijk minder voorkwamen dan dinosauriërs, maar legt de nadruk op hun diversiteit. Van de dinosauriërs zijn 547 verschillende geslachten bekend. Daar staan 310 geslachten van Mesozoïsche zoogdieren en zoogdierachtigen tegenover.

Verhelderend”, noemt paleontoloog Lars van den Hoek Ostende van het natuurhistorisch museum Naturalis de analyse van Zhe-Xi Luo.
Je houdt er de indruk aan over dat evolutie niet iets eenmaligs is, maar dat vergelijkbare typen dieren keer op keer kunnen ontstaan.”

In zijn boek ‘Het verhaal van onze voorouders’ (Nieuw Amsterdam, 2007) zet de Britse bioloog Richard Dawkins de verschillende scenario’s voor het uitwaaieren van de zoogdieren op een rij.

1.- Er is het bigbangmodel dat in zijn meest extreme vorm stelt dat één enkele zoogdiersoort het uitsterven van de dinosauriërs overleefde. Dit ‘muisje’ was de voorouder van alle levende zoogdiersoorten met een placenta.

2.- Er is het vertraagde-explosiemodel dat erkent dat de zoogdieren na het uitsterven van de dinosauriërs tot bloei kwamen, maar er ook vanuit gaat dat er ten tijde van het uitsterven van de dinosauriërs al allerlei afstammingslijnen waren van spitsmuisachtige soorten die misschien uiterlijk sterk op elkaar leken, maar elk een andere afstamming hadden.

3.- En dan is er( volgens de indeling van van Dawkins) nog het niet-explosieve model dat het uitsterven van de dinosauriërs helemaal niet ziet als een scherpe breuk in de evolutie van de zoogdieren. De zoogdieren waren al redelijk divers voor het uitsterven van de dinosauriërs en zijn de voorouders van de zoogdieren die wij vandaag de dag kennen.

4.- In het overzichtsartikel in Nature legt Zhe-Xi Luo naast deze mogelijkheden dus een vierde scenario waarin de zoogdieren en de zoogdierachtigen die eraan vooraf gingen keer op keer evolueerden en uitstierven.
In principe zou dat model kunnen aansluiten op Dawkins tweede scenario waarin slechts één muisachtig zoogdiertje het uitsterven van de dinosauriërs overleefde.( een bottle neck event dus )
In een toelichting bevestigt Zhe-Xi Luo dat hij inderdaad een aanhanger is van dit model:
De diversificatie aan het begin van het Tertiair [vanaf 65 miljoen jaar geleden] is een geheel nieuwe cyclus in de evolutie van de zoogdieren.”

Het probleem is dat dit scenario niet strookt met de bevindingen van moleculair biologen. Een groot team van paleontologen en biologen onder leiding van Olaf Bininda-Edmonds van de Technische Universiteit van München publiceerde de bovenvermelde evolutionaire stamboom op basis van vergelijkingen van het erfelijk materiaal van levende zoogdieren.
Uitgangspunt is dat het tempo waarin het dna verandert zo constant is dat het gebruikt kan worden als een moleculaire klok.
Het moment waarop twee soorten uit elkaar moeten zijn gegaan is te bepalen door het aantal mutaties in het erfelijk materiaal te tellen.
De moleculair biologen concluderen dat grote categorieën in het Rijk van de zoogdieren, de zogeheten superorden, zeer ver terug gaan in de tijd. Zo zouden al circa 100 miljoen jaar geleden de Afrotheria (van olifanten tot klipdassen) zijn afgesplitst van de Euarchontoglires (primaten en knaagdieren), Laurasiatheria (hoefdieren, walvissen, carnivoren, egels en vleermuizen) en Xenartha (gordeldieren, miereneters, luiaards). Deze datering is des te interessanter, omdat zij aardig lijkt samen te vallen valt met het uiteenvallen van continenten.

De Xenartha zijn allemaal afkomstig van Zuid-Amerika en de Afrotheria ontstonden in Afrika. Een afsplitsing tussen deze twee takken op zo’n honderd miljoen jaar geleden valt grofweg samen met het moment waarop Zuid-Amerika en Afrika zijn losgekomen uit het moedercontinent Gondwana. Voor Laurazië, het continent waar de Laurasiathera naar zijn vernoemd, vallen de continentale verschuivingen minder mooi op zijn plaats.

De cruciale zwakte van het model van Bininda-Edmonds is dat er geen fossielen bestaan van de oer-ouders van moderne zoogdieren.
“Het is absoluut waar”, erkent hij desgevraagd, “dat er geen fossiel bewijs is voor de grote ouderdom van de vertakkingen in de zoogdierstamboom die worden gevonden in moleculaire studies”.

Dat zou te verklaren zijn kunnen zijn als de ‘muisachtige’ verre voorlopers van de zoogdieren genetisch van elkaar gingen verschillen, zonder dat ze uiterlijk veranderden of zich specialiseerden in een nieuwe leefomgeving. Is dat niet een onwaarschijnlijk scenario?
“Ten dele wel”, erkent Bininda-Edmonds.
“Maar het moderne dierenrijk laat zien dat ogenschijnlijk niet gespecialiseerde diersoorten wel degelijk lange tijd kunnen blijven bestaan. Insectivoren zijn op grond van uiterlijke eigenschappen ook vaak moeilijk te onderscheiden. Voor knaagdieren geldt dat ook.”

Bininda-Edmonds gelooft dat genetische veranderingen niet automatisch hoeven te leiden tot grote veranderingen in het uiterlijk of de leefomgeving van soorten.
“De vinken op de Galapagos Eilanden die zo belangrijk zijn in de evolutietheorie van Darwin lijken ook sterk op elkaar – afgezien van de vorm van de bek. Maar deze betrekkelijk kleine verschillen betekenen toch dat deze soorten verschillende voedselbronnen kunnen gebruiken zoals insecten of zaden. Dergelijke verschillen zouden we in fossielen waarschijnlijk niet terugvinden.”

Toch plaatst Bininda-Edmonds zelf ook een kanttekening bij zijn eigen instrument: de moleculaire klok.
“Om die klok te kalibreren hebben we fossielen nodig. Uit de tijd na het uitsterven van de dinosauriërs zijn die ruim voorhanden, maar ze ontbreken nu juist in het Krijt. Dat betekent dat onze moleculaire data extrapolaties zijn waarbij we ervan uitgaan dat de moleculaire klok in grofweg het zelfde tempo doortikt. We kunnen niet uitsluiten dat de moleculaire klok na het Krijt plotseling explosief sneller is gaan tikken.”

De zoogdierstamboom die Zhe-Xi Luo heeft opgesteld is er een waarin veel takken vroegtijdig zijn afgeknot. Het zijn korte perioden, waarin soorten zich in hun eigen tijd met succes aanpasten aan hun tijd en omstandigheden. Daarna stierven ze uit. Voor Zhe-Xi Luo staat het buiten kijf dat de oer-bever, oer-watermol, oer-vliegende vleermuis en de oer-miereneter geen directe verwanten hebben nagelaten.

Bininda-Edmonds wijst erop dat niet alle paleontologen het daar over eens zijn. “Het fossiele bewijsmateriaal is uiterst fragmentarisch. Neem nu Ambondro mahabo. (zie hierboven )
Dat fossiel is ontdekt op Madagaskar en wordt beschouwd als de stamvader van alle zoogdieren,(6) maar die analyse is gebaseerd op drie tanden in een onderkaak!”

Maar in feite gaat de controverse toch voornamelijk over de stamvader van de PLACENTALE zoogdieren :(zie hierboven het artikel over de voorvader van de placentale zoogdieren Eomaia scansoria )

Voor paleontoloog en tandenspecialist Lars van den Hoek Ostende van Naturalis is de analyse van Zhe-Xi Luo wèl geheel overtuigend. Uit de kaken en tanden van de grote oer-zoogdieren uit het Krijt en Jura is volgens hem volstrekt duidelijk dat het hier gaat om zoogdieren die niet nauw verwant zijn aan moderne zoogdieren.

Moderne zoogdieren, van de mens tot het vogelbekdier, hebben zogeheten tribosphene kiezen.
“Het is het perfecte gebit”, zegt Van den Hoek Ostende.
Deze kiezen hebben elk drie knobbels die vanuit de boven- en onderkaak perfect op elkaar aansluiten. Het bijzondere aan deze kiezen is dat je er zowel mee kunt malen als snijden. Het is dé manier om bijvoorbeeld het chitinepantser van een kever kapot te krijgen.”

Bininda-Edmonds merkt op dat parallelle evolutie paleontologen in de war kan sturen. Dit houdt in dat uiterlijke gelijkenissen tussen zoogdieren kunnen ontstaan, zonder dat ze verwant zijn.( De visvorm van de dolfijn is een bekend voorbeeld. )
Zhe-Xi Luo geeft in zijn review twee pregnante voorbeelden van parallelle evolutie.

Een daarvan is de verandering van delen van de onderkaak (bij reptielen) in botjes van het middenoor (bij zoogdieren). De onderkaak van reptielen bestaat uit meerdere stukken, die van het zoogdier uit een stuk. Twee beenderen die bij het reptiel tot de kaak behoren hebben bij zoogdieren een heel nieuwe functie gekregen: ze brengen in het middenoor geluid over van de gehoorgang naar het binnenoor. Zoogdieren danken hun scherpe gehoor mede aan deze innovatie.

Deze verandering is een schoolvoorbeeld van evolutie, omdat zij in zoogdierachtige reptielen in allerlei tussenvormen herkenbaar is.

Maar Zhe-Xi Luo concludeert dat de verandering van stukjes kaak naar stukjes middenoor bij reptielachtige zoogdieren niet een keer, maar meermalen in gang gezet.
Dan heb je het wel over hét basale kenmerk van zoogdieren”, zegt Van den Hoek Ostende.
Dat zet je wel aan het denken.”

Ook de uitzonderlijke tribosphene kiezen zijn in de loop van de evolutie twee en misschien wel drie keer ontstaan. De meeste paleontologen gaan ervan uit dat verwanten van het tandeloze vogelbekdier deze kiezen die kunnen knippen en snijden onafhankelijk van de andere zoogdieren ontwikkelden. Als dit soort fundamentele kenmerken meermalen kunnen ontstaan, dan neemt daarmee ook de zekerheid over de classificatie van de oer-zoogdieren af. De dwarsverbanden kunnen stambomen aardig in de war sturen.

Zo kampen moleculair biologen en paleontologen elk met hun eigen onzekerheden. Feit blijft dat allebei de kampen komen tot redelijke en consistente hypotheses die totaal met elkaar in tegenspraak zijn. Is er enige kans dat ze het binnen afzienbare tijd eens zullen worden?
Uiteindelijk komt de bewijslast terecht bij de paleontologen”, denkt Bininda-Edmonds.
Niet omdat ze ongelijk hebben, maar omdat zij de beste kans hebben om hun hypothese te onderbouwen of te verwerpen aan de hand van nieuw bewijsmateriaal.”

De ontdekking van een giraffe of een tijger uit het Krijt zou het pleit in een klap beslechten in het voordeel van de moleculair biologen. Een onmiskenbare stamouder van één van de superorden natuurlijk ook.

Bininda-Edmonds heeft hoop. Antarctica is nog steeds een witte vlek als het gaat om fossielen uit het Krijt, meldt hij hoopvol. “Als we in het Krijt ook maar een vroege voorouder ontdekken van de moderne zoogdieren, dan wordt het explosiemodel van de paleontologen zelf een fossiel. Als we zo’n fossiel daarentegen niet ontdekken binnen een jaar of tien, dan ontstaat een andere situatie. Dan moeten we onze moleculaire analyses misschien herzien.”


Noten en APPENDIX

(1) Krijt-Tertiair scheiding
zie ook
http://news.bbc.co.uk/2/hi/uk_news/education/2997404.stm

(2)
De zoogdieren waren dan ook ( volgens die oudere opvattingen ) min of meer “geterroriseerde ” onderkruipsels die eigenlijk klein van formaat moesten blijven en in het verborgene moesten verder leven …een soort moeilijk uit te roeien “ongedierte “( = zoiets als de huidige ratten voor de heersende mens ) , dat niet te sterk de aandacht trok ( of aan de aandacht ontsnapte ) van de grote vleesetende dino’s

Het feit dat men (kleine)zoogdier fossielen ( eierdieven en nestrovers ? ) heeft gevonden die daadwerkelijk jonge (en misschien kleine dino’s )bejaagden/verorberden is een van de eerste vondsten die deze opvattingen enigermate deden betwijfelen

OVER   Mesozoïsche zoogdieren = ZOOGDIEREN ONDER DE DINO HEERSCHAPPIJ  ?

Phylogenetic relationships of major Mesozoic mammalian groups, including Volaticotherium antiquus.  

The cladogram (tree length = 1,520; consistency index (CI) = 0.408; retention index (RI) = 0.609) is the strict consensus of 72 equally most parsimonious trees (tree length =1,354; CI = 0.458; RI = 0.749) obtained from 1,000 replications of random heuristic searches using PAUP 4.0b10 (Mac version)43 with a parsimony principle assumed and all characters unordered. The data matrix consists of 58 taxa and 435 characters (see Supplementary Information); it was constructed using Mesquite (v. 1.06)44 (http://mesquiteproject.org) and converted into the final data matrix using MacClade 4.08 for Mac OS X45.

Figures & Tables index

Verscheidenheid
De laatste vijftien jaar is een gouden tijd voor de paleontologie geweest. Het is in deze jaren dat onweerlegbaar bewijs is gevonden voor een grote verscheidenheid aan gevederde dinosauriërs. Het is een minder bekend feit dat ook voor onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren de laatste vijftien jaar een revolutie zijn geweest. Het blijkt dat zoogdieren een veel grotere rol hebben gespeeld in de ecosystemen van die tijd, dan ooit voor mogelijk is gehouden.

Klein
Tot eind jaren ’90 was onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren bijzonder fragmentarisch. Dat komt doordat de zoogdieren uit die tijd vooral klein van stuk waren, waardoor ze lastig konden fossiliseren. Meestal zijn alleen de tanden teruggevonden, en die kunnen paleontologen niet veel vertellen over het uiterlijk en de levensstijl van de oorspronkelijke eigenaar ervan.

China
Toen kwam er een revolutie op gang. Er werden op verschillende plaatsen in de wereld, maar vooral in China, ongerepte steenlagen vol fossielen aangetroffen. De steenlagen in kwestie bleken bijzondere eigenschappen te hebben, waardoor fossilisering bijzonder effectief kon plaatsvinden. Hierdoor zijn vele markante details bewaard gebleven, details die in de meeste andere steenlagen niet bewaard zijn gebleven. Tot deze details behoren de fijne afdrukken van veren, die bij vele dinosauriërs zijn gevonden. Hetzelfde geldt voor zoogdieren: in plaats van alleen tanden, werd een enorme schat aan vrijwel complete skeletten teruggevonden, vaak met haar en al. Hierdoor is onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren enorm toegenomen.

Vooroordeel
Wat hebben de nieuwe fossielen ons verteld? Wel, er schuilt nog steeds een bepaalde waarheid in het “kleine insecteneters”-vooroordeel. Veel ecologische niches die nu door zoogdieren zijn opgevuld, werden toen door dinosauriërs bezet. Toch blijkt dat sommige zoogdieren in de tijd vrij groot konden worden, en een grote verscheidenheid aan levensstijlen gehad hebben.

Laten we een aantal van deze opmerkelijke zoogdieren aan u voorstellen.

Multituberculaten

15 maart 2012  1

De langst levende zoogdiergroep multituberculata concurreerde met de dinosaurus door middel van complexe tanden, zo blijkt.

De multituberculaten leefden van het Jura tot het Vroeg-Oligoceen en waren tijdens het Krijt één van de meest succesvolle zoogdierorde..

Een nieuw onderzoek van de University of Washington toont aan dat deze zoogdieren zo succesvol waren vanwege de knobbels op hun kiezen. Hierdoor waren zij in staat om zich grotendeels te voeden met angiospermen, een belangrijke groep landplanten die gekenmerkt worden door bloemen.

Zoogdier-tanden

Tanden
De wetenschappers onderzochten de tanden van 41 multituberculaten fossielen. Door middel van laser- en computertomografie waren zij in staat om 3D-plaatjes in hoge resolutie te creëren. Met geografische informatiesoftware analyseerde het team de vorm van de tanden. De meest complexe tanden lieten vele knobbels en topjes zien.

De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de complexiteit van een gebit veel kan vertellen over het voedseldieet. Bij de multituberculaten zaten de scherpe mesachtige tanden aan de voorkant van de mond, maar het team kwam erachter dat deze tanden in de loop der tijd steeds minder belangrijk werden. De kiezen werden juist steeds complexer en kregen tot wel 348 knobbels per tandenrij, ideaal voor het eten van plantenmateriaal.

Multituberculata
Ongeveer 170 miljoen jaar geleden waren de multituberculaten net zo groot als een muis. Toen de angiospermen zo’n 140 miljoen jaar geleden verschenen, groeide het lichaam van het dier tot de grootte van een bever. Het aantal angiospermen bleeft groeien wat volgens de onderzoekers tot gevolg had dat ook de populatie van insecten groeiden.

Na de uitsterving van de dinosauriërs, bleven de dieren floreren. Totdat zij 34 miljoen jaar geleden uitstierven als gevolg van de opkomst van andere zoogdieren zoals hoef- en knaagdieren.

De multituberculata waren in staat om de overgang van het Krijt naar het Tertiair te overleven onder meer  door middel van hun steeds complexere tanden dat zich bleef aanpassen  aan hun  verderr evoluerend  bloemplantenvoedsel .

Multi_Tooth_3

http://eoswetenschap.eu/artikel/sommige-zoogdieren-hadden-al-succes-dinotijd


Deze bijzonder soortenrijke groep zoogdieren was erg succesvol in het Mesozoïcum. Het waren geen insectenetende bodembewoners, maar plantenetende bomenklimmers.

Multituberculaten hebben een aantal bijzondere aanpassingen aan hun levensstijl. De meest opmerkelijke hiervan waren hun tanden, en dan met name hun voortanden. Die waren bijzonder groot en gespecialiseerd en werden door een tandloos “gat” gescheiden van de rest van het gebit.

Dit is een configuratie die we ook bij een moderne groep zoogdieren zien: de knaagdieren. Vandaar dat multituberculaten wel de “knaagdieren van het Mesozoïcum” worden genoemd.

Ze waren bijzonder succesvol: er zijn vele soorten bekend, en niet alleen uit het dinotijdperk. Multituberculaten hebben namelijk de Krijt-Paleogeen Extinctie overleeft, de massale uitsterving dat het einde van de dinosauriërs inluidde. Multituberculaten stierven pas zo’n 35 miljoen jaar geleden uit, vermoedelijk door concurrentie met de ‘echte’ knaagdieren.

Waar worden de multituberculaten geplaatst in de stamboom van de zoogdieren?

Wel, ze worden niet geacht verwant te zijn aan welke moderne groep zoogdieren dan ook. Ze vormen een oeroude en unieke afsplitsing van de vroege zoogdieren. Als er al ‘moderne verwanten’ bestaan, dan zijn dat de monotrematen (vogelbekdier en mierenegels) – de verwantschap is echter zeer ver. Toch vertonen multituberculaten en monotrematen één belangrijke overeenkomst: ze planten zich voort door eieren te leggen.

http://www.kennislink.nl/publicaties/van-david-naar-goliath-tussen-de-dinos

Taeniog

Gregory Wilson met een schedel van de multi Taeniolabis.

Zwaarder

Het bleek namelijk dat op het einde van de Krijt periodekiezen behoorlijk complexer werden. Tegelijktijd nam het aantal geslachten multituberculaten sterk toe, tot meer dan twintig.

Bovendien werden deze beestjes ook aantoonbaar zwaarder: van gemiddeld 9 tot 105 gram aan het einde van de Jura en begin van het Krijt, tot 67 tot 194 gram aan het einde van het Krijt. Er waren zelfs enkele uitschieters naar 5,25 kg daarbij, zoals met de soort Bubodens magnus.Qua gewicht van een muis naar een kat dus. Of van David naar Goliath in meer spreekwoordelijke termen.

Zoogdieren konden dus wel groeien in het dinotijdperk, maar met 5 kg waren ze natuurlijk nog steeds niet vergelijkbaar qua grootte met de grootste dino’s. Desondanks nam het aantal geslachten (en dus soorten) flink toe, terwijl ook de biodiversiteit van dino’s maximaal was. De hamvraag is nu hoe dat mogelijk was.

Fig_2

De tanden werden complexer (linksboven), het aantal geslachten multi’s nam toe (linksonder) en ook de grootte van de beestjes steeg op het einde van het Krijt rond 80 miljoen jaar geleden (rechtsboven). Tegelijkertijd nam het aantal bloemplanten ook toe (rechtsonder)… Nature

‘De studie bevestigt de groeiende consensus onder wetenschappers dat het evolutionaire verhaal van zoogdieren complexer en minder straight forward is dan we 20 jaar geleden dachten’, zegt paleontoloog Pieter Missiaen van de Universiteit Gent, die ook onderzoek doet naar de eerste zoogdiersoorten. ‘Sinds een tiental jaar kennen we ook een paar grotere zoogdieren uit de dinoperiode – de recordhouder(reponamus)  is zo groot als een vos – en ook gespecialiseerdere vormen, die bijvoorbeeld konden zweven zoals een vliegende” eekhoorn” .’ (rvb)

Fossiel van succesvolste groep zoogdieren geanalyseerd

Eos artikel | 16 augustus, 2013 –

Rugosodon eurasiaticus

Een 160 miljoen jaar oud fossiel helpt te begrijpen hoe de zogenoemde multituberculata, de meest succesvolle – maar intussen alweer uitgestorven – groep zoogdieren ooit, de wereld veroverden. Chinese en Amerikaanse wetenschappers stellen hun vondst voor in het vakblad Science.

Het diertje, zo’n 17 centimeter lang en 80 gram zwaar, werd Rugosodon eurasiaticus gedoopt. Het lijkt op een grote rat of eekhoorn en geldt als de oudste voorouder van de multituberculata, een groep zoogdieren genoemd naar het grote aantal knobbeltjes (tuberculata) op hun kiezen.

De dieren kenden hun grootste succes tijdens het krijt, de geologische periode van 145 tot 66 miljoen jaar geleden. Net als de knaagdieren vandaag, leefden ze in uiteenlopende milieus, zowel onder en op de grond als in bomen.

Bij R. eurasiaticus komen al aanpassingen voor die voor zijn later levende verwanten cruciaal zijn gebleken. Zo beschikt het diertje over erg flexibele enkelgewrichten, die vooral voordelig zijn voor boombewoners en dieren die veel springen. Daarnaast blijkt het gebit van R. eurasiaticus geschikt voor het vermalen van planten

. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat de multituberculata aanvankelijk vooral vlees aten, maar in de loop van hun evolutie op een hoofdzakelijk plantaardig dieet overschakelden.

De multituberculata zongen het meer dan 100 miljoen jaar uit, voor ze werden weggeconcurreerd door meer moderne knaagdieren. (ddc)

 

 

  1. Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.  <—klik voor vergroting
  2. Figure 4  ::Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.

°

Castorocauda

Dit is misschien wel het meest opmerkelijke zoogdier uit het Mesozoïcum. Castorocauda was een hoogst gespecialiseerd, semi-aquatische bewoner van de rivieren en meren uit zijn tijd. Het beest vertoont grote overeenkomsten met vogelbekdieren, otters en bevers – maar heeft deze eigenschappen geheel onafhankelijk ontwikkeld. Dit is een proces dat convergentie wordt genoemd.

De volledige naam van dit beest luidt Castorocauda lutrasimilis, en is afkomstig van het Latijnse castor (-bever), cauda (-staart), lutra (-otter) en similis (-lijkend op). De staart was breed en bedekt met schubben, ongeveer zoals die van een moderne bever. De fossielen laten ook het bewijs voor zwemvliezen zien. Hieruit blijkt dat Castorocauda een bijzonder goede zwemmer moet zijn geweest. De voorpoten van het beest vertonen daarnaast aanpassingen om te graven. In dit opzicht lijken de ledematen op die van het vogelbekdier, dat ook zwemt en graaft.

In tegenstelling tot bevers was Castorocauda een roofdier. De tanden laten duidelijke aanpassingen zien aan een dieet van vis. Dat betekent dat Castorocauda dus een piscivoor (viseter) is geweest. De tanden vertonen overeenkomsten met verschillende groepen moderne zoogdieren, maar vooral met zeehonden.

Castorocauda is aan geen enkele moderne groep zoogdieren verwant. Sterker nog: technisch gezien was het niet eens een honderd procent zoogdier. Castorocauda behoorde namelijk tot de Docodonta, een groep proto-zoogdieren die desondanks bijzonder zoogdierachtig zijn.

Qua uiterlijk zijn ze niet van zoogdieren te onderscheiden, maar van binnen waren ze nog deels reptiel. Vooral het skelet vertoonde kenmerken die bijzonder afwijkend zijn ten opzichte van dat van ‘echte’ zoogdieren.

Fruitafossor

Van dit opmerkelijke zoogdier zijn vrijwel complete skeletten teruggevonden. Het beest was zo groot als een grondeekhoorn en leefde in het Jura, zeg maar halverwege het Mesozoïcum. Het skelet en gebit van Fruitafossor hebben verschillende eigenschappen die bijzonder doen denken aan gordeldieren en aardvarkens. Hieruit kan worden afgeleid dat de Fruitafossor gespecialiseerd was in het eten van koloniale insecten, waarschijnlijk termieten (mieren bestonden toen nog niet). Dat is een bijzondere specialisatie, zeker voor een zoogdier uit het Mesozoïcum.

De Fruitafossor wordt soms wel ‘Popeye’ genoemd, vanwege zijn buitenproportioneel sterke voorpoten. Dit is een duidelijke aanwijzing voor een gravende levensstijl. Hieruit kunnen twee conclusies getrokken worden: ten eerste was Fruitafossor waarschijnlijk een holengraver. Ten tweede kwamen de voorpoten ook goed van pas bij zijn dieet: ze zijn namelijk uitstekend geschikt om termietennesten mee open te breken.

Fruitafossor was aan geen enkele groep moderne zoogdieren verwant. Net zoals veel Mesozoïsche zoogdieren legde hij waarschijnlijk eieren. Wel laat Fruitafossor bepaalde skeletkenmerken zien die doen verraden dat hij behoorde tot een groep zoogdieren waar uiteindelijk de Theria uit ontstaan zijn: de zoogdieren die levende jongen baren. Waar Fruitafossor precies thuishoort in deze stamboom is lastig te achterhalen.

Volaticotherium

Dit Mesozoïsche zoogdier laat heel bijzondere aanpassingen zien: het was namelijk een zweefvlieger. Tussen de ledematen waren membranen bevestigd, waardoor Volaticotherium van boom tot boom kon zweven. Soortgelijke aanpassingen zien we bij moderne vliegende eekhoorns.

De tanden van het beest waren bijzonder aangepast aan het eten van insecten, en zijn ledematen waren aangepast aan het leven in bomen.

De fossielen van Volaticotherium zijn bijzonder compleet. Zo hebben paleontologen kunnen vaststellen dat het zweefmembraan van Volaticotherium bedekt moet zijn geweest met een dikke vacht, en ondersteund werd door zowel de ledematen als de staart. De ontdekking van Volaticotherium levert het vroegste bewijs van een zwevend zoogdier en is zo’n 70 miljoen jaar ouder dan het één-na-oudste voorbeeld. Hiermee is het volgende bewijs geleverd dat zoogdieren in het Mesozoïcum een veel grotere variatie vertoond hebben dan voor mogelijk is gehouden.

Het zal niemand verbazen dat ook Volaticotherium niet verwant was aan moderne zoogdieren en dat zijn exacte positie niet bepaald kan worden. Mogelijk is er een (verre) verwantschap met de multituberculaten. De voorplanting van het beest geschiedde naar alle waarschijnlijkheid door middel van eieren.

Zoogdier zweefde eerder dan vogels

Zoogdieren blijken al vroeg het luchtruim te hebben gekozen. Al 125 miljoen jaar geleden blijkt een op een vliegende eekhoorn lijkend zoogdier dankzij een soort zweefhuid al te kunnen hebben gezweefd. Dit was mogelijk gelijktijdig met de eerste zwevende vogels, maar waarschijnlijk zelfs eerder. Het fossiele dier, dat niet alleen een nieuwe familie maar zelfs een nieuwe orde vertegenwoordigt, en dat Volaticotherium antiquus is gedoopt, is overigens niet verwant aan de vliegende eekhoorn, en heeft zelfs geen recente nazaten (de oudst tot nu toe bekende zwevende zoogdieren waren knaagdieren, die minstens 70 miljoen jaar na Volaticotherium leefden). Het dier kan niet echt hebben gevlogen en mag dus niet worden beschouwd als een vliegend zoogdier. De enige groep van zoogdieren die kunnen vliegen, de vleermuizen, zijn pas zo’n 51 miljoen jaar geleden – en via een heel andere weg – ontstaan (maar mogelijk hadden ze wel al zweefvluchten makende voorouders).
Paleontologen hebben de fossiele restanten van Volaticotherium ontdekt in Oost-Mongoli챘. Het fossiel vertoont de duidelijke afdrukken van een groot, met haren bedekt, stuk huid tussen de voor- en achterpoten. Dit stuk huid kan geen denkbaar andere functie hebben gehad dan dienst als vlieghuid. Het dier bezat – zoals uit de bewaard gebleven wervels kan worden afgeleid – ook een lange staart; die kan goed hebben gediend als een soort roer bij het zweven. Het woog waarschijnlijk 400-500 gram, en had een dieet van kleine insecten (zoals blijkt uit zijn scherpe tanden van verschillende vorm). Die jaagde hij waarschijnlijk na in boomtoppen, want de karakteristieken van de voorpoten, zijn vingers en zijn nagels geven aan dat het een klimmer was. Het maken van een glijvlucht stelde hem in staat om – zonder een gevaarlijke omweg over de grond – z’n kostje van boom tot boom bij elkaar te scharrelen. Uiteraard kan hij zijn glijdvermogen ook hebben aangewend om te ontkomen aan dieren die het op hem hadden gemunt. Dat was een uitstekende strategie, want hij had – voor zover bekend – geen tijdgenoten die ook konden zweven.


Referenties:
  • Meng, J., Hu, Y., Wang, Y., Wang, X. & Li, C., 2006. A Mesozoic gliding mammal from northeastern China. Nature 444, p. 889-893.

http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=764

http://www.nature.com/nature/journal/v444/n7121/fig_tab/nature05234_ft.html

Nieuw fossiel: zoogdieren vlogen al vroeg

764a

\N (Chuang Zhao en Lida Xing)

\N (Jin Meng)

december 2006
Amerikaanse onderzoekers hebben een fossiel ontdekt van een nieuw soort prehistorisch zoogdier.
Het 125 miljoen jaar oude Chinese fossiel is volgens hen afkomstig van een vleermuis- of eekhoornachtig beest, dat waarschijnlijk in staat was tot  zweefvliegen.
Ze hebben het fossiel de naam Volaticotherium antiquus gegeven, wat zoveel betekent als ‘zwevend beestje uit de oertijd’.
Uit analyse van het fossiel blijkt volgens de onderzoekers dat zoogdieren veel eerder dan gedacht in staat kunnen zijn geweest tot (zweef)vliegen.  Het is zelfs mogelijk dat ze eerder het luchtruim kozen dan de voorouders van de huidige vogels, de Archosauria.
In het fossiel is het skelet van het dier te zien, evenals een grote huidplooi die zich uitstrekt tussen de voor- en achterpoten.
De huidplooi fungeerde volgens de onderzoekers als een aerodynamisch vlak waardoor het dier horizontale vluchten kon maken, net als bijvoorbeeld  hedendaagse vliegende eekhoorns en buideldieren.
Het gesteente waarin het fossiel is gevonden is minstens 125 miljoen jaar oud en bevindt zich in het oosten van Mongolië.
Tot nu toe werd gedacht dat zoogdieren pas zo’n 70 miljoen jaar geleden voor het eerst konden zweefvliegen.
Het nieuw ontdekte diertje leefde in het Mesozoïsche tijdperk, dat strekt van 251 miljoen jaar geleden tot 65 miljoen jaar geleden.
Het team van paleontoloog Jin Meng van het American Museum of Natural History vergeleek de evolutie van andere zoogdieren uit het tijdperk met de kenmerken van V. antiquus .
Uit de resultaten, gepubliceerd in Nature, bleek vervolgens dat het om een geheel nieuwe soort ging.
Het is volgens de onderzoekers zelf de belangrijkste vondst sinds Richard Owen’s herziening van Mesozoïsche zoogdieren in 1871
Reconstructie van de kop van Volaticotherium door Lida Xing
764c

nature05234-f1.2

nature05234-f1.2.

http://www.nature.com/nature/journal/v444/n7121/fig_tab/nature05234_ft.html

a, b, The specimen of V. antiquus (a) and its X-radiographic image (b; holotype, IVPP V14739). c, Line drawing illustrating major skeletal elements in a and b. ca1, 5, 10, 13, 15, 18 are the 1st, 5th, 10th, 13th, 15th and 18th preserved caudal vertebrate, respectively; lf, left fibula; lfm, left femur; lh, left humerus; llj, left lower jaw; lr, left radius; lt, left tibia; lu, left ulna; mc, metacarpals; mt, metatarsals; rf, right fibula; rfm, right femur; rh, right humerus; rs, rostrum of the skull; rt, right tibia; sc, scapula; tp, terminal phalange; tv, thoracic vertebrae. a–c are the same scale. d, Reconstructed skull and lower jaws of V. antiquus.

Figures & Tables index

i-3f85f1900c42cd0c435d5296c54f26d0-volaticotherium_skull

One( surprise )  is that browner layer in the rock: that isn’t an artifact, it’s a bit of soft tissue that was preserved, called a patagium. A patagium is a thin membrane stretched between the limbs, and is used for…flying! This animal probably lived much like a modern flying squirrel (although it is definitely not a squirrel), gliding from tree to tree.

The second surprise is the age. This is a Mesozoic mammal, from Chinese beds that are roughly dated to somewhere around the mid Jurassic to early Cretaceous—it was a contemporary of the dinosaurs. I’m tickled to imagine a diplodocid stretching up its long neck to strip the foliage from a tree branch, and this little guy squeaking angrily and leaping off to fly to the next tree.


Mang J, Hu Y, Wang Y, Wang X, Li C (2006)
A Mesozoic gliding mammal from northeastern China. Nature 444:889-893.
This animal  probably lived much like a modern flying squirrel (although it is definitely not a squirrel), gliding from tree to tree. . Flying and gliding, despite virtual synonymy in the general public, are scientifically two very different things.
Flying is defined (at least in part) by the ability to generate one’s own powered lift — that is, one must be able to use muscles to gain and maintain altitude.
Typically this involves flapping aerofoil wings.
Gliders lack this ability — they can occasionally go up if they happen to catch the right air currents, but this isn’t “their own power.”
So birds, bats, pterosaurs, and numerous insects can fly;
 gliding lizards, gliding snakes, gliding frogs, gliding squirrels, and the misnamed “flying lemurs,” as well as Volaticotherium, cannot fly (alas).

Repenomamus

Het meest opvallende aan dit zoogdier is zijn grootte: hoewel de meeste zoogdieren uit zijn tijd klein van stuk waren, kon Repenomamus meer dan een meter lang worden. Het beest had een gedrongen lichaam en korte poten, waardoor het deed denken aan moderne dassen, of misschien nog meer aan Tasmaanse duivels.

Repenomamus had krachtige kaken en zijn tanden verraden een carnivore (vleesetende) levensstijl. Gezien zijn gedrongen lichaam en korte poten kan Repenomamus geen snelle renner zijn geweest. Waarschijnlijk besloop hij zachtjes zijn prooi. Opmerkelijk genoeg is van één Repenomamus de maaginhoud teruggevonden. Hierin werden de restanten van een hagedis teruggevonden, plus iets heel bijzonders: het skelet van een Psittacosaurus. Hiermee levert Repenomamus het beste bewijs dat sommige Mesozoïsche zoogdieren op dinosauriërs gejaagd hebben.

Repenomamus behoort tot een groep zoogdieren die Triconodonten zijn genoemd. Deze uitgestorven orde is nauw verwant aan de Theria (buideldieren en placentale zoogdieren). Het skelet van Triconodonten was vrijwel geheel modern, toch verraden de botten in het binnenoor dat het geen volledig modern zoogdier is geweest. Over de voortplanting van Repenomamus kan weinig gezegd worden: waarschijnlijk heeft het eieren gelegd, maar er is een kleine kans dat het levendbarend is geweest.

Een hapje dinosaurus/2005

“….Ten tijde van de dino’s waren de zoogdieren miezerige wezentjes, nauwelijks groter dan een muis of een rat. Ze scharrelden wat rond in de schaduw van de heersers over de aarde: de machtige dinosauriërs, en aten vooral planten en insekten….”

Waarschijnlijk niet dus
want
Bij opgravingen in een van de rijkste fossiele vindplaatsen van dinosauriërs, in de Yixian-afzetting in Chinese provincie Liaoning, werd een zoogdier opgegraven met de, eveneens fossiele, restanten van een(jonge ?) dinosaurus in zijn maag. Het zoogdier in kwestie is de Repenomamus robustus.


Repenomamus robustus, voede zich o.a. met een psittacosaurus.
( artist) beeld : Xu Xiaping

Mesozoische zoogdieren werfden geacht te leven in de schaduw van de dino’s .Dat beeld dient aangepast te worden
(Meng Jin, American Museum of Natural History )

Echt groot was de Reponamamus niet – hij had de afmetingen van een buidelrat(oppossum).
De dino die op zijn menu stond, was dan ook van bescheiden afmetingen.
De jonge Psittacosaurus ( P. ordosensis ? )die is aangetroffen op de plaats waar naar alle waarschijnlijkheid de maag van de Reponamamus zat, was iets groter dan tien centimeter.

http://en.wikipedia.org/wiki/File:Repenomamus_BW.jpg

File:Repenomamus BW.jpg


De vondst gooit het idee overhoop dat de zoogdieren zo’n 130 miljoen jaar geleden genoegen namen met
de bescheiden rol van planten- en insekteneters.
En ook een andere vondst, door de onderzoekers in hetzelfde artikel in het tijdschrift Nature beschreven,
werpt nieuw licht op de rol van de zoogdieren in het tijdperk van de dinosauriërs.
I
n dezelfde Chinese afzetting troffen de onderzoekers namelijk ook een fossiel skelet aan van een tot nog toe onbekend zoogdier, door de onderzoekers Reponamamus giganticus genaamd.
Het dier heeft de afmetingen van een hedendaagse hond.
En dat is fors groter dan de muiskleine zoogdierskeletten die tot nog toe in het vroege Krijt zijn opgegraven.

Links Repenomamus skelet met de resten van de dino ….Rechts : Skelet van of Repenomamus giganticus, het grootste
toen bekende zoogdier mammal.

Wellicht waren zoogdieren uit die tijd toch niet de schuwe diertjes waar onderzoekers ze altijd voor hebben gehouden.

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/20847046/
http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/4165973.stm
http://darwiniana.org/NewFossilMammals.html


(3)
volgens sommige speculatieve ( toen nog sinds 2005 algemeen bekend geworden ) opvattingen : onstonden de placentale zoogdieren grotendeels door cruciale invasies ( en” inbouw “in de genomen van “overlevende ” verschillende placentale zoogdiervoorouders ) van retrovirussen

(4)
Er waren in 2007 ongeveer 4.554 soorten zoogdieren-soorten bekend ( er worden er nog steeds ontdekt )
Daarvan zij er 4.510 opgenomen in de “superstamboom ”
(5)
Wible vond kort geleden een nieuw zoogdierfossiel dat een placenta had.

836c
Vergelijking van de schedels van Maelestes gobiensis (links) = De schedel die Wible en zijn collega’s gebruikten in hun berekeningen
en Parascalops breweri, een nu in Amerika voorkomende mol (rechts).

de papierclip is geplaatst bij de   kleinere soort
2,5 cm

836b


De schedel van Maelestes gobiensis (zijaanzicht) /
Een schets van de schedel.

Hij besloot ermee een grote berekening te maken, waarin hij andere fossielen en levende dieren meenam.
De methode van Wible gaat als volgt.
Hij deelde alle uiterlijke kenmerken, zoals hoektanden, in heel erg gedetailleerde categorieën in.
De uiterlijke verschillen tussen dieren van nu zijn groter dan tussen de fossielen.
Wible rekende terug naar het punt waar het verschil ophield.
En voilà, het eerste placentale zoogdier. Deze anonieme voorouder zou 65 miljoen jaar geleden hebben rondgestruind.
Dat rijmt aardig met de oudst gevonden verwant: het fossiel van een konijnachtig dier dat 63 miljoen jaar terug met moederkoek rondhuppelde
Maar of er geen oudere zijn ?

Nieuw fossiel wijst op ontstaan van zoogdieren met placenta omstreeks K/T-grens

836

De zoogdieren bestonden, zoals tal van fossiele vondsten uitwijzen, al in het Mesozoïcum. Binnen de groep van de zoogdieren behoren de meeste soorten (5080 van de huidige 5416 bekende soorten) tot de Placentalia (zoogdieren waarvan het vrouwtje de foetus voedt via een placenta); daarnaast bestaan er nog buideldieren (Marsupialia) en enkele eierleggende zoogdieren (Monotremata).

Over het ontstaan van de Placentalia bestaat onenigheid. Volgens paleobiochemici zou die groep al voor de K/T-grens zijn ontstaan, volgens DNA-onderzoek 129-78 miljoen jaar geleden.

Opvallend genoeg zijn er echter nooit Mesozoïsche zoogdieren gevonden waarvan duidelijk was dat het Placentalia waren (maar zulke vondsten zijn er wel uit het begin van het Tertiair), dus veel paleontologen denken dat de groep omstreeks 65 miljoen jaar geleden moet zijn ontstaan.

836a

De schedel van Maelestes gobiensis (onderaanzicht)

De vondst in Mongolië van een goed bewaard zoogdier lijkt het pleit in het voordeel van de paleontologen te beslechten. Het opvallende is dat deze conclusie niet eens direct voortkomt uit de vondst zelf, maar een gevolg is van onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van de vondst.

De onderzoekers wilden van het fossiel, dat werd gevonden in de 75-71 miljoen jaar oude Djadokhta-Formatie (en dat dus van 10 miljoen jaar voor de K/T-grens stamt), namelijk zijn juiste plaats geven binnen de zoogdieren.

Daarom deden ze een uitgebreid onderzoek naar de specifieke kenmerken van 69 taxa van de drie hoofdgroepen van uitgestorven en nog levende zoogdieren. Daarbij ging het om niet minder dan 409 anatomische karakteristieken. Bovendien onderzochten ze alle zoogdierrestanten van enige betekenis die bekend zijn uit het Krijt.

Het nieuw gevonden zoogdier zou behoren tot een tak die was afgesplitst van de omstreeks 125 miljoen jaar geleden ontstane Eutheria. Het zou nog niet tot de Placentalia hebben behoord, want die zouden pas kort na de K/T-grens zijn ontstaan.

Volgens deze zienswijze, die op veel overtuigende gegevens is gestoeld maar die ongetwijfeld veel kritiek zal krijgen omdat eerdere stambomen behoorlijk worden veranderd, is het oudst bekende zoogdier dat tot de Placentalia gerekend mag worden een konijnachtig dier uit Azië van ongeveer 63 miljoen jaar oud.

836e
De plaats van Maelestes binnen de zoogdieren; het gele gebied bestrijkt de Placentalia

Simplified eutherian part of the strict consensus of three most parsimonious trees (2,296 steps; see Supplementary Information). Broken line, K/T boundary at 65 million years. Filled circle taxa, Laurasian (northern continents); open circle taxa, Gondwanan (southern continents). Circles and circles with thicker black lines indicate temporal occurrence of studied specimens. The grey box delimits Placentalia, the oldest member of which is the early Palaeocene Mimotona. Placentalia originates at or near the K/T boundary in Laurasia. Deccanolestes from the latest Cretaceous of India is nested among Asian clades and is more parsimoniously interpreted as an independent southern migration. The animal silhouette spotlights Maelestes.
Dat alles naar aanleiding van de vondst van een incomplete schedel, wat wervels, een paar incomplete ribben en nog wat botten.

De schedel vertoont enige gelijkenis met die van een recente mol, Parascalops breweri, maar had meer ruimte voor zijn tanden. Het dier was klein (de schedel is ongeveer 2,5 cm lang), zoals overigens vrijwel alle vroege zoogdieren. De onderzoekers hebben het dier Maelestes gobiensis gedoopt.

Referenties:
  • Cifelli, R.L. & Gordon, C.L., 2007. Re-crowning mammals. Nature 447, p. 918-920.
  • Wible, J.R., Rougier, G.W., Novacek, M.J. & Asher, R.J., 2007. Cretaceous eutherians and Laurasian origin for placental mammals near the K/T boundary. Nature 44, p. 1003-1006.

Foto’s: Carnegie Museum of Natural History, Pittsburgh, PA (Verenigde Staten van Amerika).


FIGURE 1. Maelestes gobiensis gen. et sp. nov. (holotype, PSS-MAE 607) skull and mandible in comparison to other Djadokhta eutherians.

From the following article:

Cretaceous eutherians and Laurasian origin for placental mammals near the K/T boundary

J. R. Wible, G. W. Rougier, M. J. Novacek & R. J. Asher Nature 447, 1003-1006(21 June 2007) doi:10.1038/nature05854

Left panel: reconstructions of Maelestes, Asioryctes and Zalambdalestes, the last two of which are redrawn from ref. 15. Right panel: incomplete Maelestes skull in left lateral (top) and ventral (bottom) views, and left Maelestes mandible in lateral view (middle). The large opening in the palate between the palatines and maxillae is a palatal vacuity. Maelestes probably had some upper incisors, but only a small non-tooth-bearing fragment of the premaxilla is preserved. Scale bars, 5 mm.

Uppers are shown in labial (a) and occlusal (b) views; lowers are shown in occlusal (c) and labial (d) views.

(6 )
De allereerste voorouders van de zoogdieren zetten de eerste stap
De tweede stap was de :
De ontwikkeling van het placenta
Daarbij zouden vooral ERV’s een rol hebben gespeeld ?

Voorlopers van de mens( placentale zoogdieren dus ) konden een placenta vormen dankzij een virus dat pakweg 100 miljoen jaar geleden bij hen is binnengedrongen. Was dat niet gebeurd, dan zouden mensen nog altijd eieren leggen …
Zoogdieren breidden zich uit nadat ze placenta ontwikkelden;
Een jong embryo, enkele dagen oud en enkele honderden cellen groot, land op de bloedvatrijke binnenbekleding van de baarmoeder, klaar om zijn moeder zwanger te maken.
Daar is een placenta voor nodig.
Genen die oorspronkelijk van een virus afkomstig zijn maken de vorming van de placenta mogelijk.
Zoogdieren ontstonden 250 miljoen jaar geleden, toen bijvoorbeeld ook de dinosaurirs aan hun bloeitijd begonnen.
Lange tijd stelden de zoogdieren als groep niets voor.
Er zijn in elk geval maar weinig fossielen gevonden.
Pas vanaf pakweg 100 miljoen jaar geleden ontwikkelden de zoogdieren met placenta zich tot een uiteindelijk dominante groep.

MENSEN LEGGEN geen eieren.
De meeste zoogdieren ook niet

Alleen het vogelbekdier en twee soorten mierenegels broeden hun jongen uit een ei tot leven en geven daarna de borst.
Die moedermelk maakt ze tot zoogdieren. De kangoeroes en andere buideldieren houden er een tussenvorm op na, maar verder zijn er alleen (ruim 4.000 soorten) placentale zoogdieren die hun jongen levend baren en dan zogen. Toch, zo rond 240 miljoen jaar geleden, waren alle zoogdieren eierleggers. Het waren bontbeklede insectenetende wezentjes.
Ergens is er een overgang geweest.
En die overgang is veroorzaakt door virusinfecties
.
Voor een groeiend aantal onderzoekers is dat inmiddels een vaststaand feit. De eierleggers zijn 35 miljoen jaar geleden op drie na uitgestorven. De eerste levendbarenden ontstonden pakweg 100 miljoen jaar geleden, breidden zich uit en vormden nieuwe soorten. Om levende jongen te kunnen baren moet een moederzoogdier een levend jong in haar lichaam verdragen. En dat jong intern voeden. Daarvoor gebruiken zoogdieren een placenta als `intermediair’. Het is een wonderlijk orgaan dat zowel van moeder als van kind is. De placenta kon pas ontstaan na die virusinfecties van miljoenen jaren geleden. Eiwitten die oorspronkelijk van virussen stammen staan aan de basis van de placentavorming bij ieder jong embryo dat zich in de baarmoederwand innestelt. Een virus is een parasiet die de cel van zijn gastheer moet binnendringen om zelf tot leven te komen, en zich te kunnen vermenigvuldigen.
`Een jong embryo lijkt in een aantal opzichten op zo’n parasiet’, stelt prof.dr. Luis Villarreal in zijn artikel

`Can Viruses Make Us Human?’ (Proceedings of the American Philosophical Society, nov. 2003).

Villarreal is directeur van het Center for Virus Research van de University of California in Irvine.
`Het jonge embryo,’ schrijft hij, `moet het weefsel van de moeder binnendringen, moet de stofwisseling van zijn moeder zo manipuleren dat het zichzelf kan voeden en moet aan het afweersysteem van de moeder zien te ontsnappen.’

Die kunstjes (binnendringen, stofwisseling overnemen, afweer onderdrukken) moeten virussen ook beheersen om binnen een gastheer tot leven te komen. infectieziekten Virussen staan bekend als kwaadaardige ziekteverwekkers.
Het influenzavirus doodt jaarlijks wereldwijd tienduizenden mensen, en in sommige jaren miljoenen.
Sars ontnam ons de reislust, zette luchtvaartmaatschappijen op verlies en ontregelde de wereldeconomie.
Vogelpest en mond- en klauwzeer decimeren de (pluim)veestapels.
Hepatitis is een virusziekte waar je lever kapot van kan gaan.
Door het aids veroorzakende hiv teer je langzaam weg.

En virussen doen nog meer dan lastige en soms dodelijke infectieziekten veroorzaken:
een vijfde van alle kankers bij de mens ontstaat door een virusinfectie.
Leukemieën, leverkanker en baarmoederhalskanker zijn bekende voorbeelden.
http://scienceblogs.com/loom/2006/08/09/an_old_dog_lives_on_inside_new.php Toch is virusprofessor Villarreal ervan overtuigd dat wij zonder virussen nog steeds eieren zouden leggen.
Hij gaat nog verder. Villarreal speculeert dat de evolutie van zoogdieren en vooral die van de Afrikaanse apen, primaten en mens bespoedigd is door infecties van een bepaald type virussen, de retrovirussen Bij vogels en reptielen komt het veel minder voor. Retrovirussen zijn virussen die tijdens de infectie hun eigen genen tussen de genen van de gastheer plakken. Ze integreren hun DNA in het DNA van de geïnfecteerde cel. Op die manier kunnen virussen levenslang in een gastheer aanwezig zijn, want als een cel deelt, komen de virusgenen ook in de dochtercellen terecht.
Zolang de geïnfecteerde cel aan de aandacht van het afweersysteem van de gastheer ontsnapt zit het virus gebakken. Merkt het afweersysteem zo’n geïnfecteerde cel op, dan is de standaardprocedure om niet het virus uit de cel te verwijderen, maar om de hele cel te vernietigen. Een virus dat eenmaal binnen is, ontsnapt het best aan het afweersysteem door zich rustig te houden. Helemaal zeker is zo’n retrovirus van zijn voortbestaan als hij zich in geslachtscellen van de gastheer weet te vestigen. Dan komen zijn genen ook in sperma en eicellen terecht. En zijn alle lichaamscellen van de nakomeling `geïnfecteerd’. Geïnfecteerd staat hier al tussen aanhalingstekens, want de vraag is onmiddellijk: van wie zijn de virale genen dan?
Van het virus of van de gastheer? Het lijkt een theoretische kwestie, maar dat is het allerminst. Retrovirussen die zich voorgoed in het genoom van zoogdieren nestelen en van ouder op kind overerven zijn niet zeldzaam: de helft van al het menselijk DNA is van oorsprong van retrovirussen afkomstig. In de loop van miljoenen jaren zoogdierevolutie hebben virussen zich honderdduizenden keren in het (uiteindelijk) humane genoom genesteld. Die gesettelde retrovirussen zijn bekend als endogene retrovirusen (ERV), in tegenstelling tot de van buiten komende (exogene), infecterende retrovirussen. De menselijke (humane) ERV’s heten HERV’s. Een virus dat in dit verhaal een grote rol speelt heet bijvoorbeeld HERV-W; de laatste letter verwijst naar een aminozuur in een bepaald deel van het virale eiwit. De oudste retrovirussen waarvan de resten nu nog in het menselijk genoom zijn terug te vinden, hebben zich 60 miljoen jaar geleden in het genoom van de geslachtscellen van hun gastheer genesteld.
Voor hen was dat de overgang van exogeen naar endogeen retrovirus (ERVs). Het menselijk geslacht is pas twee miljoen jaar oud.
Het waren dus de evolutionaire voorlopers van de mens die geïnfecteerd raakten. Het laatst-bekende blijvend gevestigde retrovirus kwam kwam minder dan 200.000 jaar geleden bij de mens binnen. Waarschijnlijk zelfs veel recenter. Deze HERV-K113 zit dan ook nog niet in alle mensen. Bij krap een derde van de Afrikanen, Aziaten en Polynesieërs zit het nog vrij complete virusgenoom ingebed op chromosoom 19.
Bij tweederde van de Afrikanen ontbreekt het virus. De meeste ERV’s in het menselijke genoom zijn rudimenten.
Ze zijn herkenbaar door resten van genen, in de loop van miljoenen jaren onwerkzaam geworden door talloze mutaties.
Pseudogenen heten zulke, nog slechts vaag op genen lijkende basenvolgorden.
Waarschijnlijk zijn van de meeste ooit binnengekomen virusgenomen zelfs alle genen en genruïnes verdwenen.
Daarvan resteren alleen de stukken DNA waarin enkele van de vier basen (A, T, C en G) die de genetische code in het genoom bepalen zich in korte volgorden zeer vaak herhalen.
Onderzoekers die de basenvolgorde van complete genomen bepalen hebben veel last van die grote gebieden met (bij zoogdieren en vooral bij apen, primaten en de mens) grote stukken repetitief DNA.
De volgordebepalende automaten struikelen erover.
Nog geen tien procent van het menselijk DNA bestaat uit genen.
De vraag was altijd waar die andere 90% vandaan kwam, wat we ermee moesten en welke functie het heeft.
Sinds een paar jaar is bekend: ruim de helft komt van virussen.
En hoewel het meeste virale DNA inmiddels in verval is, heeft het waarschijnlijk een rol gespeeld bij de betrekkelijk snelle zoogdierevolutie. Hoe groot die rol was, daarover verschillen de deskundigen van mening. Geconserveerd Sommige virale genen zijn echter nog springlevend en allerminst tot ruïne vervallen.
Zij hebben in verwante zoogdiersoorten ongeveer dezelfde basenvolgorde. Het betekent dat ze een belangrijke functie vervullen voor al die diersoorten.
Zulke genen heten evolutionair geconserveerd.
Inmiddels is bekend dat acht procent van het menselijk DNA bestaat uit duidelijk herkenbare ERV’s, met de bijbehorende actieve genen. Eén van die genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine.
Syncytine wordt gemaakt in de zaadballen van de man.
Daar is het ontdekt.
Maar het ontstaat in veel grotere hoeveelheid in de placenta van een zwangere vrouw. Onderzoekers van het Genetics Institute in Cambridge, Massachusetts die syncytine vonden (Nature, 17 febr 2000) zagen de eerste sporen bij een analyse van alle genen die in de zaadbal actief zijn. Ze stelden de basenvolgorde van het gen vast en gingen in de computerdatabanken met gedeponeerde genvolgordes op zoek naar verwante genen.
Het gen voor syncytine bleek identiek met het al eerder gevonden gen voor het eiwit van de buitenwand (het envelopeiwit) van het retrovirus HERV-W. De ontdekking van HERV-W was een jaar eerder gepubliceerd. HERV-W is een endogeen virus dat niet alleen in het menselijk genoom voorkomt, zo is inmiddels bekend, maar ook in de genomen van de andere Afrikaanse apen. Daarom is er ook een naam voor de retrovirussen waarin de H van humaan is verdwenen: ERVWE1. In het menselijk genoom zitten 10 tot 15 kopieën van het syncytinegen, of van genen die daar qua basevolgorde erg veel op lijken.
Ze zijn gevonden op de chromosomen 4, 6, 7, 16, 21, 22 en X en verkeren in verschillende staat van verval, of zijn toch nog weer afkomstig van andere ERV’s.
De syncytine-ontdekkers hielden het er in hun Nature-publicatie in 2000 op dat het syncytine-gen van chromosoom 7 in de placenta actief is. Syncytine, een eiwit oorspronkelijk afkomstig van een virus, vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Het jonge embryo dat na een reis van enkele dagen door de eileider in de baarmoeder arriveert is dan omhuld door een laagje trofoblastcellen. Daarin wordt het syncytinegen actief, zodat er syncytine wordt gesynthetiseerd. Syncytine koppelt trofoblastcellen aan elkaar en laat de gekoppelde cellen fuseren tot monstercellen met meerdere celkernen. Deze gefuseerde reuzencellen vormen de syncytiotrofoblastlaag die zich vervolgens in de bloedvatrijke bekleding van de baarmoeder nestelt. In de placenta die zich kort daarna gaat ontwikkelen vormt de syncytiotrofoblastlaag steeds de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind. Speculaties dat het syncytine-eiwit ook nog een rol speelt bij de onderdrukking van de afweersysteem van de moeder, zodat de cellen van het kind niet worden aangevallen, zijn tot nu toe bevestigd noch ontkracht. Bij laboratoriumproefjes met celkweken van trofoblastcellen blokkeerden de ontdekkers het fusie-eiwit synctine, waarna er geen syncytiotrofoblastcellen meer ontstonden.
Franse onderzoekers hebben met verdere experimenten (ook nog in het lab) meer argumenten aangedragen voor de belangrijke rol van syncytine bij de placentavorming. placenta Dat leek doorslaggevend.
Maar de afgelopen vijf jaar bleven er bedenkingen. Eén op de 100 à 150 mensen mist beide kopieën van het syncytinegen, maar die mensen zijn toch vruchtbaar. Zij ontwikkelen bij zwangerschap een normale placenta en leggen geen eieren om zich voort te planten. En verder was tot voor kort het syncytinegen alleen bij Afrikaanse apen gevonden. Villarreal, de viroloog van het artikel met de titel `Can Viruses Make Us Human?’, had met zijn groep echter al wel een experiment gedaan waarbij de werking van alle envelopeiwitten van ERV’s bij muizen werden geblokkeerd: geen nageslacht. Er zijn nog raadsels genoeg rond de virale eiwitten in de placenta.
De fundamentele vraag is hoe de evolutie van eierleggend zoogdier naar levenbarende soort heeft plaatsgevonden.
Het aantal wetenschappelijke publicaties over syncytine en verwante eiwitten neemt echter hand over hand toe.
Inmiddels (Proceedings of the National Academy of Sciences, 18 jan) zijn er ook fuserende syncytine-eiwitten in de muizenplacenta gevonden. Het zijn er twee.
Naar analogie van de inmiddels ontdekte dubbelgangers syncytine-1 en -2 bij de mens zijn ze syncytine-A en -B gedoopt. De afgelopen paar jaar zijn bij de mens meer dan tien retrovirus-envelopeiwitten gevonden die tijdens de placentavorming en de zwangerschap in de baarmoeder ontstaan, schrijven gynaecologen en pathologen uit Cleveland, Ohio (Placenta, okt 2004) in een recent overzichtsartikel.
Zij behandelen er drie in wat meer detail, maar vooral omdat over dat trio op het ogenblik het meest bekend is. De precieze moleculaire processen tijdens de innesteling en placentavorming door het jonge embryo zijn nog zo goed als onbekend.
Het onderzoek is moeilijk door de restricties aan het gebruik voor onderzoek van menselijke embryo’s.
En doordat de placentavorming bij Afrikaanse apen (waaronder de mens) waarschijnlijk volgens steeds iets andere mechanismen verloopt dan bij muis, rat en grotere proefdieren als hond, geit en varken, zijn de resultaten van proefdieronderzoek moeilijk over te zetten naar de mens. In ieder geval staat syncytine inmiddels niet meer alleen bij evolutiebiologen in de belangstelling.
De wetenschappelijke artikelen verschijnen het laatste jaar ook in gynaecologische tijdschriften.
De onderzoekers denken dat als syncytine betrokken is bij de gezonde ontwikkeling van de placenta, dat er dan ook wel iets bij placentaziekten aan de hand kan zijn.
Men denkt aan een rol bij pre-eclampsie (zwangerschapshypertensie).
En neurologen krijgen belangstelling voor syncytine, omdat het eiwit tot expressie komt op de plaatsen waar bij multipele sclerose patiënten de zenuwbanen aangetast zijn.
Onderzoekers denken tegenwoordig ook dat de speciale onderdrukking van het afweersysteem in de baarmoeder tijdens de zwangerschap door syncytine en andere retrovirale eiwitten wordt gestuurd.
En zelfs dat wellicht een deel van de hormoonproductie die de zwangerschap in stand houdt onder controle van de virale eiwitten staat. Meer onderzoek`

‘Na decennia frustrerend onderzoek aan endogene retrovirale elementen in het menselijke genoom was er nog geen fysiologische rol voor die genen beschreven’, schreven de onderzoekers uit Cleveland vorig jaar in hun conclusies. `De onderzoeken aan de HERV’s en de trofoblastdifferentiatie hebben daar nu voor gezorgd.’
Er is nog veel onderzoek nodig, zijn de obligate slotwoorden. Dat er restanten van oude virussen in de genomen van dieren en planten liggen was al lang bekend. Dat iedere soort zijn eigen sluimerende en nog intacte virussen in het genoom heeft liggen, is een ontdekking van de laatste tien jaar. Het was de reden om xenotransplantaties (bijvoorbeeld van varkensharten bij de mens) voorlopig te verbieden. Want stel dat een varkensvirus opeens bij mensen een nieuwe ziekte zou kunnen veroorzaken, dan is één hartpatiënt tijdelijk gered, maar de mensheid in het ergste geval verloren. Het inzicht dat de virussen in het genoom wel eens een belangrijke symbiotische partner kunnen zijn, is pas de afgelopen vijf jaar echt doorgebroken. Hoewel er referenties naar sporadische oudere literatuur opduiken, is het idee van symbiose tussen een meercellig organisme en een daarin gevestigd virus nieuw. `Wat de ene partner goedkoop kan produceren, is duur of onmogelijk te maken voor de ander,’ schrijft Frank Ryan in zijn review `Human endogenous retroviruses in health and disease: a symbiotic perspective’ (Journal of the Royal Society of Medicine, dec 2004).

`De HERV’s in ons genoom kunnen niet meer zelfstandig leven. En de mens sterft uit als ze uit ons genoom verdwijnen.’
HERV-W, opgenomen in het menselijk genoom, is zijn meeste genen inmiddels verloren is en kan niet meer alleen voort.
HERV-W’s syncytine-gen dat voor de placentavorming zorgt is echter onmisbaar voor de mens, want die kan geen eieren meer leggen. Werking van een retrovirus
Retrovirussen bestaan uit een eiwitmantel waarbinnen een enkelstrengs RNA en meestal een enkel eiwit ligt.
Om de eiwitmantel ligt een membraan waarin nog enkele virale eiwitten (de envelopeiwitten) liggen. Die envelopeiwitten verzorgen de binding van het virus aan het oppervlak van de gastheercel. Die binding is het begin van de infectie.

De genen van het virus zijn onderdeel van het RNA-molecuul. Bij een infectie loost het virus de inhoud van zijn eiwitmantel in de gastheercel. Eenmaal binnen laat het virus-RNA zich kopiëren tot een dubbelstrengs-DNA-molecuul.

Alle gereedschap en grondstoffen voor die DNA-synthese zijn in de gastheercel aanwezig, behalve het cruciale enzym reverse transcriptase. Dat is het eiwit dat het virus bij zich droeg en in de gastheercel heeft geloosd.

De DNA-kopie van het virus-RNA gaat op transportnaar de celkern en wordt tijdens een enzymatisch knip- en plakproces opgenomen in het erfelijk materiaal (het genoom) van de gastheer.

Vanaf dat moment is de geïnfecteerde cel een fabriek voor nieuwe virusdeeltjes. Het virus-DNA is voorzien van startcodons die de gastheercel tot de aanmaak van RNA-moleculen aanzetten.

Dat is ook een gewoon celproces, want in een levende cel wordt massaal genetische informatie van DNA naar messenger-RNA gekopieerd. Het is een stap in de eiwitsynthese.

Het nieuwe virale RNA dat de cel maakt heeft twee functies in de aanmaak van nieuwe virusdeeltjes.

Enerzijds is het RNA-molecuul met virale genen dat in nieuwe virusdeeltje wordt verpakt. Anderzijds wordt het werkelijk als messenger-RNA gebruikt, want het bevat de genetische code voor een paar viruseiwitten.

Die eiwitten zijn het capside-eiwit en het envelopeiwit (bouwstenen voor de opbouw van nieuwe virusdeeltjes) en enzymen die knippen en plakken om het nieuwe virusdeeltje op te bouwen.

Melk, eieren en koeken

Tomaso Agricola

In het tijdschrift Plos Biology staat een artikel van David Brawand, Walter Wahli en Henrik Kaessmann met de titel Loss of egg yolk genes in mammals and the origin of lactation and placentation. Het artikel gaat over het verschil tussen reptielen, vogels en zoogdieren. Zoals de meesten weten leggen reptielen en vogels eieren. De meeste zoogdieren doen dat niet, die geven melk en hebben een placenta (moederkoek). Er zijn echter uitzonderingen op die regel. Het vogelbekdier en de mierenegel hebben geen placenta, leggen eieren en geven melk. Daarbij hebben ze haren en geen veren. Het zijn dus zoogdieren die niet helemaal af zijn (wat een gekke beestjes!) en daarmee een aanwijzing dat er toch echt sprake is geweest van evolutie van zoogdieren vanuit een amfibie/reptielachtig dier.

Het artikel stelt dat, als er inderdaad sprake is geweest van evolutie uit reptielen, er genetische restinformatie moet zijn achtergebleven in het genoom van zoogdieren voor het aanmaken van bepaalde eieronderdelen. 1 van die onderdelen is het eigeel en de onderzoekers gingen, gewapend met een aantal voorloper genen van eigeel, vitellogenine (of hoe dat in het NL ook maar mag heten; er zijn minstens 3 varianten in 1 en hetzelfde genoom), van onder andere de kip op zoek naar ditzelfde gen in het zoogdiergenoom (voor wie dit niet helemaal kan volgen: dit is dus een test van de evolutietheorie, wanneer dit gen niet in het zoogdier gevonden wordt moet je je afvragen waarom het er niet is, want de evolutietheorie voorspelt dat het er wel moet zijn, vind je het wel dan ondersteund dat de evolutietheorie).
En ja hoor, gevonden!

De onderzoekers keken bij de mens, de hond en het gordeldier en vonden inderdaad restanten van het vitellogenine gen (1).
De genen werkten, door verschillende mutaties allemaal niet meer, maar 1 van de varianten liet dezelfde mutatie zien, wat aangeeft dat deze variant van het gen ophield met functioneren voordat de drie soorten uit elkaar waren gegaan (100 miljoen jaar geleden). De andere mutaties zijn later ontstaan.

In het vogelbekdier vonden de onderzoekers nog 1 werkend gen. Het dier legt dan ook nog eieren, al valt de eigeel productie bij het dier wel wat tegen (hoe meer werkende genen hoe meer eigeel).
De auteurs gingen ook nog op zoek naar genen die nodig zijn voor de productie van melk om het geheel te ondersteunen. Het idee is dat de melk van zoogdieren oorspronkelijk een functie hadden bij het vochtig houden van de eieren. Door de ontwikkeling van caseine in die melk van de zoogdieren konden de jongen eerder uit het ei komen en voeding via de melk opnemen.
De eerste stap weg van het ei.
De tweede stap was de ontwikkeling van een placenta.
Deze stappen hebben als voordeel dat er niet meer in 1 keer grote hoeveelheden energie in een ei hoeft te worden gestopt, maar dat er beetje-bij-beetje kleinere hoeveelheden kunnen worden afgegeven wanneer het jong het nodig heeft.
Het zoogdiermodel heeft wat dat betreft een grotere flexibiliteit dan het amfibie/reptielmodel.
Maar dat onze voorouders ooit eieren hebben gelegd is nog steeds terug te vinden in onze genen.

(1) Vogels en zoogdieren hebben dezelfde 3 varianten.

Bij vogels werken ze alle 3. In zoogdieren zijn er mutaties opgetreden waardoor de 3 genen niet meer functioneren.
Bij zoogdieren is er 1 variant die dezelfde mutatie vertoont in alle zoogdieren tot nu toe onderzocht.( = in de studie zijn dat mens , hond en gordeldier )
De andere varianten hebben ook mutaties, maar die verschillen tussen de zoogdieren (of zoogdiergroepen, dat moet nog blijken)
Men gaat er van uit dat de common ancestor van vogels en zoogdieren de 3 varianten al in het genoom had
* Een van de ( drie van de “common ancestor” tussen voorouders van de vogels(dino’s) en zoogdieren (therapsiden ) overgeerfde) genen is bij alle zoogdieren …gemuteerd op dezelfde manier ( op dezelfde locus ? )
*De twee andere genen zijn ( na deze split I )ook gemuteerd maar dat is NIET steeds op dezelfde manier gebeurt ( op dezelfde locus ) bij alle zoogdieren ( in het onderzoek mens , hond en gordeldier ) :
*Ik kan me gemakkelijk voorstellen dat er zoogdieren zijn die slechts een of twee van de drie genen bezitten in ongemuteerde vorm ,wanneer men ze gaat vergelijken met de drie intacte genen van vogels ? (—> monotremen (zoals de platypus–> bezit nog 1 werkzaam gen /en een op dezelfde plaats gemuteerd homoloog gen dat gemeenschappelijk is aan dat van andere zoogdieren en nog een andere gemuteerde variant ))
Alle drie de genen samen zijn echter niet meer werkzaam noch intact( bij de extante zoogdieren ) er zijn namelijk 2 of 3 genen niet meer werkzaam ….
zoals ze alle drie dat nog wel zijn bij extante vogels
Best mogelijk dat in het begin slechts 1 van die genen was uitgeschakeld ( dat gen wat bij alle andere zoogdieren hetzelfde is —> wat dan bewijst dat de
zoogdieren een monofylitische groep zijn )
later is de oude zoogdieren-groep dan opgesplits in takken met 2 en 3 genen
mutatie abc
je hebt dus zoogdieren met ( vroeger ?) 1 met ( tegenwoordig = )2 of met 3 onwerkzame genen
Maar allen bezitten eenzelfde gen dat onwerkzaam is op dezelfde manier ( op dezelfde locus gemuteerd ? ) ; dat bewijst dan o.a. dat alle extante zoogdieren monofylitisch moeten zijn

walking with beasts  <— zie ook

Het begin van de zoogdieren

http://www.natuurwetenschappen.be/active/expeditions/archive2004/china/page2

Toen op het einde van het Krijt, zo’n 65 miljoen jaar geleden, een einde kwam aan de overheersing van de reptielen, met name de dinosauriërs, kwam een hele wereld vrij voor de zoogdieren.

Eigenlijk bestaan de zoogdieren al even lang als de dinosauri챘rs: beiden ontstonden ongeveer 220 miljoen jaar geleden. De kleine zoogdieren leefden echter tientallen miljoenen jaren in de schaduw van de grote dinosauri챘rs. Bij het verdwijnen van de dinosauri챘rs werd een overvloed aan nieuwe leefgebieden beschikbaar, die de kleine zoogdieren vrij konden innemen. In de verschillende omgevingen ontstonden na verloop van tijd aparte soorten, wat leidde tot een grote variatie aan zoogdiersoorten. Dit proces heet radiatie.

Link naar de geologische tijdsschaal als een beeld.
Link naar de geologische tijdsschaal als een tekst.
Belangrijke periodes in het Cenozo챦cum waren het Paleoceen (65 tot 55 miljoen jaar geleden) en het Eoceen (55 tot 34 miljoen jaar geleden). In het Paleoceen, de periode die op het Krijt volgt, was er een eerste radiatie van eerder vreemde, archa챦sche soorten, die snel uitstierven. Maar van de huidige egels en andere insectivoren vinden we hier al voorouders terug!

Aan het begin van het Eoceen verschijnen de eerste echt bekende zoogdiergroepen, zoals de onevenhoevigen (zoals primitieve paardjes),

Fossiel van een primitief paardje

Primitief paardje, 챕챕n van de eerste onevenhoevigen (Eoceen, 49 miljoen jaar oud)

de evenhoevigen (zoals primitieve runderen), de walvissen, de knaagdieren, de vleermuizen en de eerste primaten (zoals Teilhardina belgica).

Onder- (1) en bovenkaak (2) van Teilhardina Belgica , één van de eerste primaten, die leefde in het Vroeg-Eoceen; Het spookdiertje (3), de nauwst recente verwant van Teilhardina

Foto van de onder- en bovenkaak van Teilhardina, en van een spookdiertje  

De voorlopers van de moderne carnivoren (zoals Mesonyx) komen pas op het einde van het Eoceen tot bloei.

Foto van de femur van een roofdier van de familie Mesonychidae

Femur (bovenbeen) van een roofdier (mesonyx) van de familie Mesonychidae, gevonden in de Gobi-woestijn. Het is zeldzaam dat hele beenderen gevonden worden

Foto van Mesonyx

Mesonyx, een primitief roofdier van de familie Mesonychidae, leefde van het midden-Paleoceen tot het einde van het Eoceen (Scott, 1988)

De plotse opkomst en bloei van deze nieuwe groepen is opmerkelijk, en wordt vaak gebruikt als 챕챕n van de belangrijkste kenmerken van de overgang van het Paleoceen naar het Eoceen. Toch is er nog weinig bekend over deze gebeurtenissen: Waar en wanneer ontstonden deze dieren? En uit welke groep?

 De aap voor ons De eerste apen veroverden snel de wereld

Dirk Draulans
Knack – 13-09-2006

Figure 1 The skull of Teilhardina asiatica sp. nov. (IVPP V12357). a, Dorsal view of the skull. b, Reconstruction of the skull based on IVPP V12357, with grey shadow indicating the missing parts. Scale bar, 5 mm.

X Ni, Y Wang, Y Hu, and C Li, Nature 427, January 2004, p. 66.

This figure is of the oldest skull of a higher primate of modern aspect or euprimate. The genus Teilhardina has been found in early Eocene deposits of Europe, Asia, and North America. This particular skull IVPP V12357 comes from the earliest Eocene of the Hengyang Basin, China. This species appears to have existed close to the common origin of the higher primates and probably stands as a sister group to the earliest adapoid prosimians. Note that the metopic suture of the frontal appears to be unfused and that the orbits, although large, are not very convergent. Note also from the side view (b) that the orbit is also not very frontated. Frontation is when the superior margin of the orbit is rotated upward and forward so that it lies vertically above the lower margin as seen in humans and other modern anthropoids. Because the brain of Teilhardina is small compared to the facial part of the skull, the orbits are still oriented as in prosimians and there is no postorbital closure. The authors of this new species T. asiatica lies close to the base of the omomyid tarsier anthropoid clade. They consider Teilhardina to be a diurnal, visually oriented predator, thus opting for the visual predation hypothesis. They also contend that its lifestyle could not have supplanted that of the seemingly frugiverous carpolestids. Teilhardina, in terms of its tooth crown anatomy, is not very different from some of the smaller adapid primates, such as Periconodon and Anchomomys.

Er zijn van die mensen die apen niet interessant vinden. Tenzij ze verstand hebben, en dus mens zijn. Alsof verstand de ene aap interessanter maakt dan de andere.

Gelukkig zijn er ook mensen die 찼lle apen interessant vinden. En die tijd en energie pompen in het blootleggen van de wortels van het aap-zijn, van het prilste begin. Als we dan toch per se willen weten waar we vandaan komen, en als we niet tevreden zijn met de gemakkelijke uitleg van Gods sturende hand, moeten we fossielen onderzoeken. En vondsten koppelen aan dateringen en klimaatgegevens. Allemaal omslachtig en ingewikkeld.

Maar af en toe leveren deze inspanningen – gelukkig – boeiende inzichten op, die het wetenschappelijke speurwerk meer dan de moeite waard maken.

Paleontoloog Thierry Smith van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen maakt met twee collega’s in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences een schets van de manier waarop de eerste echte apen een deel van de wereld veroverden.

Het gaat om diertjes van het geslacht Teilhardina, die wat op boombeertjes leken, en die zo’n 55 miljoen jaar geleden ‘ineens’ op de wereld opdoken. Ongetwijfeld in de nasleep van het verdwijnen van de dinosauri챘rs, zo’n 10 miljoen jaar eerder. Opvallend is dat ze ‘tegelijk’ verschenen in Azi챘, Europa en Noord-Amerika. Alsof ze daar ineens ‘gezet’ werden.

Het eerste Belgische fossiel werd in Dormaal bij Tienen gevonden.

Nauwgezette datering van de beschikbare fossielen leerde dat ze allemaal leefden in een tijdspanne van ongeveer 100.000 jaar, die bekendstaat als het thermische maximum op de overgang van het paleoceen naar het eoceen. Het klimaat warmde toen vrij sterk op, waardoor het zeepeil daalde en er belangrijke landbruggen vrijkwamen.

Een vergelijking van de gegevens leerde dat de diertjes ontstonden waar nu China is, dat ze vervolgens westwaarts trokken en Europa inpalmden, om finaal via Groenland en enkele landbruggen Noord-Amerika te bereiken. En dat in ongeveer 25.000 jaar. Dat is h챕챕l vlotjes.

Omdat de apen waarschijnlijk uitsluitend in bomen leefden, gaan wetenschappers ervan uit dat in die tijd een groot deel van de noordelijke wereldhelft bebost was

Fossiel Zoogdier in Nieuw-Zeeland  //donderdag 14 december 2006

Fig. 1.

Fig. 1.

First pre-Pleistocene mammal from NZ. MNZ S.40958, edentulous mandibular fragment. (A) Left lateral view. (B) Right lateral view. (C) Anterior view. (D) Dorsal view. (E and F) Stereopair occlusal view. fs, fused symphysis; i, c, p1, and p2, alveoli for incisor, canine, and two premolars (the homology of premolars is uncertain); mf, mental foramen; MNZ S, prefix for catalog numbers of the Vertebrate Fossil Collection, Museum of New Zealand Te Papa Tongarewa, Wellington. (Scale bar, 2 mm.)

Fig. 2.

Fig. 2.

First pre-Pleistocene mammal from NZ. MNZ S.42214, proximal section of a right femur. (A) Dorsal view. (B) Ventral view. (C) Medial view. (D) Proximal view. agt, apex of greater trochanter; fc, fovea capita for acetabular ligament; h, head; itf, intertrochanteric fossa; n, notch between greater trochanter and head; olt, origin of lesser trochanter. (Scale bar, 2 mm.)

Voor het eerst zijn er fossielen gevonden van een inheems zoogdier.

De verrassende vondst betekent dat de boeken over de evolutie van het leven in Nieuw-Zeeland herschreven kunnen worden.

Vogelparadijs
In Nieuw-Zeeland komen geen inheemse zoogdieren voor; alle zoogdieren die er nu leven zijn door de mens ingevoerd.

Ook in het verre verleden kende deze uithoek in de wereld geen landzoogdieren, zo namen wetenschappers lange tijd aan.

Het werd beschouwd als een zeldzaam voorbeeld van een stuk land dat zich 82 miljoen jaar geleden van het supercontinent Gondwana afscheidde zonder dat er in de periode daarna zoogdieren ontstonden.

Het stond bekend als een vogelparadijs die zonder de invloed van zoogdieren konden evolueren.

Opzienbarend

Die visie kan nu op de helling door de opzienbarende vondst van botjes van een inheems zoogdier dat qua grootte tussen een muis en een rat in zat.

De viervoeter stierf tussen de 16 en 19 miljoen jaar geleden uit, zo bericht de Daily Telegraph op basis van een wetenschappelijke publicatie dat in het jongste nummer van het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences is verschenen.

De vondst suggereert ook dat Nieuw-Zeeland 25 tot 30 miljoen jaar geleden door de hoge zeespiegel van destijds niet geheel door water was omgeven, zoals sommige wetenschappers aannemen.

Geen enkele verwantschap

Het zoogdiertje, waarvan de resten in de Otago-regio op het Zuidereiland zijn gevonden, is volgens professor Mike Archer van de universiteit van New South Wales aan geen enkel bekend zoogdier verwant.

“Dit primitieve zoogdier is afkomstig van een zeer vroeg afgescheiden lijn van zoogdieren die op Nieuw-Zeeland ge챦soleerd kwam te staan. Ze hebben zich zonder inmenging van andere werelddelen ontwikkeld,” aldus Archer.

“Die vroege afscheiding maakt deze vondst extra bijzonder. Nieuw-Zeeland heeft in de evolutie mogelijk zijn eigen zoogdier-experiment gekend.”

Fig. 3.

Fig. 3.

Position of the SB mammal in the phylogeny of mammaliaforms based on the strict consensus of 192 equally parsimonious trees from a matrix of 75 taxa and 414 morphological characters (ref. 31; see also SI supporting information). Treelength, 1,826; consistency index, 0.404; retention index, 0.793. Nonmammalian outgroups are not shown. Morganucodontans, australosphenidans, eutriconodontans, multituberculates, spalacotheroids, eutherians, and metatherians all comprise multiple taxa that have been collapsed to single terminals (see SI supporting information). Trechnotheria (including therians and closely related groups) is indicated.

Mogelijk hoort het dier met een naar verhouding opvallend lang hoofd, zelfs thuis in een geheel nieuwe subklasse van de zoogdieren. Alle zoogdieren worden nu in hooguit drie subklasses verdeeld: Metatheria, waartoe de buideldieren behoren, Prototheria, waartoe de eierleggende zoogdieren behoren (het vogelbekdier en vier soorten mierenegels); en Therio, waartoe alle andere zoogdieren behoren. Veel wetenchappers beschouwen de Prototheria overigens niet als aparte subklasse.

Links: