Vogeltrek en soortvorming

°

°

Leidt migratie tot nieuwe vogelsoorten?

vogel
Matt Reinbold (via Wikimedia Commons).

Sommige vogelpopulaties houden er diverse migratieroutes op na. Maar wat gebeurt er als deze vogels met elkaar kruisen? En kunnen deze populaties uitgroeien tot aparte soorten? Gedragsbioloog Jente Ottenburghs zocht het uit.

Stel je de volgende fictieve situatie voor. In een klein dorpje wonen de families Jansen en Peters. Elk jaar trekt de familie Jansen naar het zuiden van Frankrijk voor een welverdiende vakantie, terwijl de familie Peters naar een bungalow in het oosten van Duitsland reist. Wat zou er nu gebeuren als de oudste dochter van de familie Jansen trouwt met één van de zonen uit de familie Peters? Vertrekken de kinderen van dit gezin dan elk jaar met verlof naar een tussenliggende locatie in het zuidoosten, zoals Oostenrijk of Kroatië? Deze situatie klinkt misschien absurd, maar dit is precies wat er gebeurt bij enkele vogelsoorten.

Zwartkoppen
In 1991, bestudeerde Andreas Helbig (toen aan het Max Planck Instituut) het migratiegedrag van Europese zwartkoppen (Sylvia atricapilla) in zijn lab. Deze vogels trekken ’s nachts vanuit Centraal Europa naar het zuiden. Maar afhankelijk van hun genetische achtergrond kiezen de vogels tussen twee mogelijke migratieroutes, via het zuidoosten of het zuidwesten. Dit fenomeen wordt een ‘migratiebreuk’ genoemd. Helbig kruiste vogels die er elk een andere migratieroute op nalieten en ontdekte dat de resulterende hybriden een tussenliggende migratierichting aannamen, recht naar het zuiden gericht.

Dwerglijster
Recent gingen Kira Delmore en Darren Irwin van de University of British Colombia nog een stapje verder. Zij bekeken de migratieroutes van de dwerglijster (Catharus ustulatus), een onopvallende vogelsoort uit Noord-Amerika, in het wild (met behulp van GPS-technologie). Deze kleine lijster kent twee ondersoorten met een verschillende migratieroute. De rossige ondersoort (C. u. ustulatus) vliegt vanuit de kustgebieden via het zuidwesten naar Mexico. De olijfkleurige ondersoort (C. u. swainsoni) daarentegen vertrekt vanuit het binnenland in zuidoostelijke richting met bestemming Argentinië. Genetisch onderzoek toonde reeds aan dat deze twee ondersoorten regelmatig kruisen. Zouden deze hybriden ook een tussenliggende strategie vertonen? Het antwoord is ja. Heel wat hybriden volgden een migratieroute die intermediair was vergeleken met hun ouders (pal naar het zuiden dus). Maar enkele individuen vlogen via het zuidwesten naar hun overwinteringsgebieden en keerden later terug via het zuidoosten. Andere hybride individuen deden het dan weer net omgekeerd. Deze vogels combineerden dus de migratieroutes van beide ouders. Een onverwacht resultaat. De genetische puzzel achter dit gedrag is voorlopig nog niet opgelost.

Kirsten Ruegg (Stanford University) keek met enkele collega’s op een heel andere manier naar deze situatie. Zij vroeg zich af of deze twee ondersoorten kunnen uitgroeien tot twee aparte soorten als gevolg van hun uiteenlopende migratiestrategieën. Hiervoor werd het volledige genoom van enkele vogels in kaart gebracht. Vervolgens onderzocht men of genen, die gelinkt worden aan migratie, significant verschillend waren tussen de twee ondersoorten. Dit bleek onomstotelijk het geval te zijn. Hierna testte Ruegg een recent theoretisch model van Patrick Nosil (University of Boulder) en Jeffrey Feder (University of Notre Dame) waarin zij voorspellen dat genen die belangrijk zijn in soortvorming samen clusteren en ‘eilanden’ vormen in het genoom (zogenaamde eilanden van divergentie). Gedurende het proces van soortvorming worden deze eilanden steeds groter totdat uiteindelijk de twee genomen radicaal verschillend zijn en we kunnen spreken van twee aparte soorten. In de situatie van de dwerglijster verwachtte Ruegg migratiegenen te vinden in diverse eilanden verspreid over het genoom. Op 15 van de 23 chromosomen vond men inderdaad deze eilanden. Maar in tegenstelling tot de verwachtingen, dreven de migratiegenen vooral in de uitgestrekte genoomoceaan rondom de eilanden. Desondanks lijkt migratie een belangrijke route te zijn op de weg naar nieuwe soorten.

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vind je hier. En neem ook eens een kijkje opzijn blog waarop – hoe kan het ook anders – de evolutie eveneens centraal staat.

 

Bronmateriaal:

Delmore, K.E. & Irwin, D.E. (2014) Hybrid songbirds employ intermediate routes in a migratory divide.                                     Ecology Letters, 17:1211-1218.
Helbig, A.J. (1991) SE- and SW-migrating Blackcap (Sylvia atricapilla) populations in Central Europe: Orientation of birds in the contact zone. Journal of Evolutionary Biology, 4:657-670.
Nosil, P. & Feder, J.L. (2012) Genomic divergence during speciation: causes and consequences. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 1587:332-342.

°
Ruegg, K. et al. (2014) A role for migration-linked genes and genomic islands of divergence of a songbird. Molecular Ecology, 23:4757-4769.

http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/mec.12842/abstract

 

Range map and associated migratory pathways of coastal (black) and inland (grey) forms of the Swainson’s thrush. Light grey indicates regions of potential hybridization, and the stars indicate regions where samples were collected for genetic analysis (n = 5 for each population). Swainson’s thrush image was provided courtesy of the Mitch Waite Group.

http://www.readcube.com/articles/10.1111%2Fmec.12842?r3_referer=wol&show_checkout=1

°

 

 

 

http://migration.wordpress.com/2009/12/09/incipient-speciation-in-european-blackcaps/
http://rspb.royalsocietypublishing.org/content/281/1784/20140473.short

 

http://www.scientias.nl/?s=migratie+vogels

 

trekkende vogels   <— doc

 

Dieren met in hun naam het woord trekker

trekkervis

 

°

Tekkende vissen 

Zalm:

 

Bron van navigatie voor massale trek (bij forellen en zlmachtigen )ontdekt?

Eindelijk hebben wetenschappers dan de bron van de massale trek van  deze dieren ontdekt. Althans dat toont een publicatie in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences  aan.

In de neus van de regenboogforel werden een soort van kompasnaaldjes ontdekt die er voor zouden zorgen dat diersoorten over grote afstanden hun weg herkennen. Met andere woorden, de Tom Tom van de forel?

Cellen uit de neusholten van de regenboogforel werden daartoe in een draaiend magnetisch veld geplaatst en toen bleek dat kleine kristallen van magnetiet (met veel ijzer, dat ook in kompassen wordt gebruikt) in deze cellen synchroon draaiden met de bewegingen van het opgewekte magnetische veld.

De kracht van de magnetische reactie van deze kristallen en hun stevige bevestiging aan de celmembranen toonden een beeld van heen en weer bewegende zeilen overeenkomstig de zwak magnetische velden van de aarde. De cellen waarin deze zeilen zich bevinden geven hun bewegingen dan door aan de hersenen. De vis bepaalt aan de hand hiervan dan zijn richting tijdens de trek. De reden waarom dit nu pas ontdekt wordt is het feit dat slechts 1 van de 10.000 cellen in de neus over deze kristallen beschikt. Deze ‘kristalcellen’ reageren honderd keer sterker op magnetisme dan tot nu toe werd aangenomen.

“Belangrijk is dat we voor de eerste keer hebben aangetoond dat de interne kompasnaald een sterke band heeft met de plasmamembraan (of buitenste membraan) van de cel, wat noodzakelijk is om een ommiddellijk bijsturend sensorisch proces te ondersteunen”, aldus onderzoeker Michael Winklhofer van de Universiteit van Műnchen. De jacht op andere mineralen in bepaalde cellen is nu geopend.

http://www.biomassaliteit.nl/nieuws.htm

http://www.scientias.nl/forel-heeft-kompas-in-zijn-neus/67966

 

Bronmateriaal:

Magnetic characterization of isolated candidate vertebrate magnetoreceptor cells” – PNAS.org

http://www.npowetenschap.nl/nieuws/artikelen/2012/juli/Een-neus-voor-richting.html

http://www.hln.be/hln/nl/2661/Dieren/article/detail/1467441/2012/07/10/Regenboogforel-heeft-kompas-in-neus.dhtml

°

220318_962_1228337858867-zalm1

 

 

Paling :

 

Afbeeldingen van trekgedrag vissen  <—

http://nl.wikipedia.org/wiki/Trekvis

 

tonijnen  <— 

http://en.wikipedia.org/wiki/Fish_migration

 

 

Over grote afstanden trekkende zeediersoorten

 1.  Langvintonijn:
Thunnus alalunga.
 2.  Tonijn:
Thunnus thynnus.
 3.  Grootoogtonijn:
Thunnus obesus.
 4.  Skipjacktonijn:
Katsuwonus pelamis.
 5.  Geelvintonijn:
Thunnus albacares.
 6.  Zwartvintonijn:
Thunnus atlanticus.
 7.  Kleine tonijn:
Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
 8.  Pacifische tonijn:
Thunnus maccoyii.
 9.  Fregatmakreel:
Auxis thazard; Auxis rochei.
 10.  Pomfrets:
familie Bramidae.
 11.  Marlijnen:
Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
 12.  Zeilvis:
Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
 13.  Zwaardvis:
Xiphias gladius.
 14.  Sauries:
Scomberesox saurus; Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
 15.  Dolfijnvis:
Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
 16.  Oceanische haaien:
Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; familie Alopiidae; Rhincodon typus; familie Carcharhinidae; familie Sphyrnidae; familie Isuridae.
 17.  Walvisachtigen:
familie Physeteridae; familie Balaenopteridae; familie Balaenidae; familie Eschrichtiidae; familie Monodontidae; familie Ziphiidae; familie Delphinidae.

 

 

 °

Andere trekkende  dieren ; 

Monarch vlinder

monarchvlinder

°
°
…….

Afbeeldingen van vogeltrek

http://nl.wikipedia.org/wiki/Vogeltrek

http://en.wikipedia.org/wiki/Bird_migration

http://en.wikipedia.org/wiki/Lepidoptera_migration

http://nl.wikipedia.org/wiki/Trekvlinder

 

Caribische (rif) langoesten <—-

°

Trekkende zoogdieren 

VLEERMUIZEN 

http://www.zoogdiervereniging.nl/node/359

SERENGETI  TREK  

Afbeeldingen van gnoes grote trek <—

trekkende gnoes

trekkende gnoes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Blauwe_gnoe

°

http://nl.wikipedia.org/wiki/Migratie_(dieren)

ZEESCHILDPADDEN  

Lederschildpad

— WALVISSEN 

Grijze walvis

 

 

°

VOGELEVOLUTIE

Hugo Vandendries weet er alles van:
hij is dino-specialist van het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel,
 HUMO : Is de kip(=de vogels) echt een verre nazaat van de dino’s?

Hugo Vandendries :«Het is zelfs geen verre nazaat, maar een rechtstreekse afstammeling. Je moet het skelet van een kip maar eens vergelijken met dat van bijvoorbeeld de gigantische Diplodocus die zo’n 150 miljoen jaar geleden leefde: heel erg gelijkend.»

HUMO De dinosauriërs waren toch uitgestorven door een gigantische meteorietinslag? Of is die theorie achterhaald?

Vandendries«Er bestaan verschillende hypothesen, en de meteoriet is nog altijd de meest aanvaarde. 65 miljoen jaar geleden stierf twee derde van alle planten- en diersoorten uit toen een reusachtige meteoriet insloeg op het Mexicaanse schiereiland Yucatán, men heeft lang aangenomen dat alle dinosauriërs toen mee het loodje hebben gelegd.

»Een andere hypothese is dat de dino’s zijn uitgestorven door gigantische vulkaanuitbarstingen – daarvan heeft men in India kilometers dikke lagen as teruggevonden.

»Daarnaast bestaan er ook nog een aantal behoorlijk gekke theorieën, waar de meeste wetenschappers weinig geloof aan hechten. Eén theorie zegt dat de dino’s een soort collectieve zelfmoord hebben gepleegd. Nog een andere stelt dat ze gestikt zijn doordat ze hun eigen giftige winden inademden.»

HUMO Oké, de dino’s zijn dus uitgestorven. Hoe rijmt u dat dan met de afstamming van onze kip?

Vandendries

«Wat vaak vergeten wordt, is dat er maar één grote tak van de dinosauriërs uitgestorven is: (en hier gaat  Vandendries zwaar in de fout ) die met reptielbekkens. Een andere tak had het bekken van een vogel. Die tak heeft zich gewoon verder ontwikkeld, en daar stamt onze kip van af.

Kijk maar eens naar de vogels in je tuin: dat zijn in feite geëvolueerde dinosauriërs.

(1)  Dit is  een grote  veelgemaakte   FOUT  ……. Het is  in feite andersom: 

= het  hagedisbekken ( –> Saurischia —>Theropoda  Maniraptora  –>VOGELS  ) tegenover het  vogelbekken(–> Ornitschia  —>  waaronder  ook  Sauropoda  (= diplodocus ) 

Saurischia bekken                                                              Ornitschia  bekken  

File:Saurischia.png       De typische bekkenstructuur van de Ornitischia met teruggeklapte pubes

DE VOGELS STAMMEN  AF VAN DE SAURiSCHIA ( in tegenstelling tot wat een oppervlakkige  vergelijking( en vooral een naamverwantschap )  lijkt te suggereren )

_..zie verder de  terechte  reactie  onderaan 

°

The dinosaurs have been very successful. They changed and survived.

Emu

Some birds still have claws. The Hoatzin and the Black Vulture chicks have claws too

»Een jaar of tien geleden heeft men in China voor het eerst een archeopteryx met pluimen gevonden – zéér bijzonder, want pluimen fossiliseren bijna nooit. Sindsdien hebben we een beter beeld van hoe de evolutie van dino naar vogel verlopen is. In een allereerste fase had je dino’s met hooguit wat dons. Latere soorten kregen pluimen waarmee ze niet echt konden vliegen – ze regelden er vooral hun temperatuur mee. Nog een stuk later zijn die pluimen dan geëvolueerd tot echte vleugels. Stel dat we dat allemaal niet zouden weten: dan zouden we de archeopteryx gewoon als dinosauriër gecatalogeerd hebben, en niet als de overgangsvorm tussen dino en vogel die hij in werkelijkheid was.

»Overigens: na die vondst in China zijn natuurwetenschappelijke musea wereldwijd hun archeopteryx-fossielen opnieuw gaan bekijken, en ze hebben vastgesteld dat het in feite kleine dino’s waren, niet groter dan een kalkoen. Zelfs de grote Tyrannosaurus Rex, die wel vijftien meter lang kon worden, had in een embryonale fase wellicht pluimen.»

HUMO Dus het antwoord op de vraag wat er het eerst was, de kip of het ei, is eigenlijk: de dino?

Vandendries «Zo zou je het kunnen zeggen.»
27/4/2013  Door Kim Verhaeghe,

Daarom staan vogels gehurkt

Vogels staan en lopen gehurkt, met de bovenbenen bijna horizontaal gepositioneerd. Paleontologen analyseerden 3D-beelden van dinosauriërs, de verre voorouders van de vogels, om uit te zoeken hoe dat komt.

Dino-evolutie verklaart gehurkte positie.

Dino-evolutie verklaart gehurkte positie.

Vogels staan en lopen in een nogal ongewone gehurkte positie, met de bovenbenen bijna horizontaal gepositioneerd. Paleontologen analyseerden 3D-beelden van dinosauriërs, de verre voorouders van de vogels, om uit te zoeken hoe dat komt.

De onderzoekers van Royal Veterinary College in Londen digitaliseerden de skeletten van 17 archosauriërs, de groep van landdieren waartoe naast uitgestorven dino’s ook krokodillen en vogels behoren. Aan de 3D-reconstructies voegden ze het vlees en de spieren toe om het lichaamsgewicht en de positie van het massamiddelpunt in te schatten.

Vervolgens bestudeerden de paleontologen hoe dat massamiddelpunt wijzigde gedurende de evolutie van de dinosauriërs, en welke lichaamsveranderingen daarvoor verantwoordelijk waren. Eerder onderzoek toonde al aan dat de eerste archosaurussen, ongeveer 245 miljoen jaar geleden, meer leken op moderne krokodillen: ze liepen op vier poten, en hadden een zware staart. Later in hun evolutie, ongeveer 235 miljoen jaar geleden, gingen de dino’s op twee poten lopen. Aanvankelijk waren hun poten gestrekt, met een verticaal bovenbeen, net zoals wij op onze benen staan. Maar naarmate de staart korter en lichter werd, verschoof het massamiddelpunt naar voor, waardoor de dinosauriërs minder verticaal en meer gehurkt gingen staan: meer “vogelachtig” dus.

De resultaten van dit nieuwe onderzoek spreken die hypothese niet tegen, maar wijzen wel op een essentiële ‘vergetelheid’: de invloed van de steeds zwaarder wordende voorpoten in hun evolutie naar vleugels. Ook die massa vooraan zorgde mee voor de verschuiving van het massamiddelpunt naar voren, en dus voor de shift van een rechtopstaande naar een gehurkte positie. Het onderzoek staat deze week in Nature. (kv)

Van Dinosauriërs naar vogels
auteur ; Jurre e.a. /Dit is afkomstig van het oude RC forum (het stuk is gedateerd maar toch nog interessant )
Bewijzen, aanwijzingen en feiten over de vogelevolutie uit Dinosauriërachtige voorouders.
Skeletkenmerken van Dinosauriërs laten een duidelijke evolutionaire lijn zien, ik geef hiervan wat voorbeelden, een wat uitgebreider verhaal is hier te lezen -> http://www.dinosaurus.net/vogelII.htm
Bird-theropods-trails-
Waarneer we de voeten van Dinosauriërs op filogenetische wijze rangschikken zien we al snel een geleidelijke overgang van Dinosaurusvoeten naar vogelvoeten:
Bird-hands-and-legs-
PZ Meyers
Hetzelfde geldt voor de staarten, Primitievere Dinosauriërs als Ceratosauriërs beschikken over zo’n 50 staartwervels, de meer geavanceerde Coelurosauriërs hebben er nog zo’n 40, en zeer vogelachtige Dinosauriërs, ik zou denken de maniraptora zo’n 25.
De staarten worden steeds korter en stijver, en met iedere stap komt het zogeheten transition point (overgang beweegelijke staartwervels een onbeweegelijke staartwervels) dichter bij de staartbasis te liggen.
Nomingia-gobiensis
Nomigia  gobiensis
°
Bij de Dinosauriër Nomingia trouwens, zijn de staartwervels met elkaar vergroeid, men spreekt van een Pygostyle staart, dit
komt verder alleen bij vogels voor.
staarten
°
En zo ook de heupen, Dinosauriërs worden op basis van hun heupen in 2 groepen verdeeld, de Saurischia (Hagedis-heupen) en Ornithischia (Vogel-heupen).

Nu behoren de voorouders van de vogels niet tot de Ornithischia maar tot de Saurischia. Echter zoals je kunt zien verplaatst de (met groen aangegeven) pubis (schaambeen) zich telkens wat naar achteren om uiteindelijk een vogelachtige heup te vormen.

https://i2.wp.com/www.dinosaurus.net/pics/heupen.gif

Ten slotte de vingers van de Dinosauriërs, hierbij komt het merkbare evolutionaire effect minder goed naar voren, al is hier wel duidelijk te zien het grote verschil in de vingers van Archaeopteryx en hedendaagse vogels en de overeenkomsten met Dinosauriërs

.handen

Voor wat uitgebreidere info ->

http://www.dinosaurus.net/vogelII.htm

http://www.dinosaurus.net/vogelI.htm
In dit licht lijkt het niet verrassend dat er ook Dinosauriërs worden gevonden met veren op hun lijf

Veel Dinosauriërs zijn aangetroffen met veren op hun lijf.

UPDATE :

Vroege veren

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/39278836/

Sluit dit venster

Zo zitten ze al honderd miljoen jaar in barnsteen. Ooit was dat hars van een boom. (Foto Vincent Perrichot e.a.)

In een Frans stukje barnsteen zijn zeven veertjes van honderd miljoen jaar oud gevonden. Misschien van een vogel, maar een dinosaurus lijkt waarschijnlijker.

Het is niet de eerste keer dat er veertjes opduiken uit de tijd van de dinosauri챘rs, maar ze vergroten wel het inzicht in het ontstaan van deze vorm van lichaamsbedekking, schrijven Franse onderzoekers in Proceedings of the Royal Society B.

De veertjes hebben een hoofdschacht van enkele millimeters lang met vertakkingen zonder de haakjes die vogelveren hebben. Didier Neraudeau: “We wilden graag weten of die vertakkingen in één vlak lagen, zoals bij vogelveren, of niet. Dat was met een lichtmicroscoop niet goed te zien. Daarom probeerden we het met microtomografie.”

Voor die techniek is een synchrotron nodig, een monsterlijk apparaat waarin elektronen worden versneld. ( http://weblogs.vpro.nl/australie/2007/05/03/supersnelle-elektronen/ )

Het was de moeite waard, vindt Neraudeau: “Op de beelden is te zien dat de vertakkingen aan alle kanten rondom de schacht ontspruiten. Het betekent dat we hier een type veer hebben waarvan het bestaan wel was voorspeld, maar dat nog nooit gevonden was, een evolutionaire tussenvorm.”

Voor vliegen is dit type niet geschikt, maar als lichaamsisolatie zal het prima hebben gewerkt.

Aan welk dier de veertjes hebben toebehoord, kan Neraudeau niet met zekerheid zeggen. Maar vermoedens zijn er wel: “In de buurt van het stuk barnsteen zijn tanden gevonden van een soort dinosaurus waarvan bekend is dat hij veren had. Vogelfossielen van honderd miljoen jaar oud zijn daar niet opgedoken, al bestonden er al wel vogels in die tijd.”

Elmar Veerman

http://www.sciencedirect.com/science?_ob=MImg&_imagekey=B6X1G-4M4TNV1-1-1&_cdi=7242&_user=10&_orig=browse&_coverDate=02%2F28%2F2007&_sk=999939998&view=c&wchp=dGLbVzW-zSkWW&_valck=1&md5=881a2376990af89f11a2cc278857c66a&ie=/sdarticle.pdf

Gevederde dino’s
Zie verder ook evodisku 2 blog

DINO VLEUGELS ZIJN PRODUCTEN VAN SEXUELE SELECTIE
6 april 2009
© NU.nl/Dennis Rijnvis ( in het rood toevoegingen van mezelf )

Gevleugelde ( zowel grote als kleine ) dino’s kregen veren ….. in eerste instantie omdat er sexueel geselecteerd werd ;
vliegen en zweven waren slechts latere functies van de reeds aanwezige veren en de forsere vleugels en bij kleinere dino’s
Dat beweren Britse wetenschappers in een nieuwe studie.

De onderzoekers van de universiteit in Manchester berekenden met computersimulaties op basis van fossielen dat de EERSTE gevleugelde dinosaurussen bij hun bewegingen geen voordeel hadden aan de veren op hun voorste ledematen..
De vleugels waren ook te klein om mee te kunnen vliegen of zweven. (1)
En de veren zaten zelfs vaak in de weg.
Ze zorgden volgens de wetenschappers voor extra weerstand bij het rennen.

Competitie “Als een dier begon te rennen op zijn achterpoten en zijn voorpoten opzij hield als vleugels, dan kostte dat meer energie. De vleugels waren in dat opzicht een nadeel in de competitie met anderen”, (2)
zegt hoofdonderzoeker Robert Nudds in de Britse krant Daily Telegraph.
Er moet dus een andere selecterende evolutionaire factor zijn geweest die ervoor heeft gezorgd dat dinosaurussen met veren generaties lang konden overleven.”

Paringsritueel  De onderzoekers suggereren daarom dat de dinosaurussen profiteerden van hun veren bij seksuele selectie. (3)
Ze zouden hun vleugels in eerste instantie alleen hebben gebruikt om een partner aan te trekken of te imponeren ( en om hun rivalen af te schrikken of te intimideren ? ) .

Onze theorie is dat de eerste gevederde dinosaurussen hun voorpoten gebruikten in een soort paringsritueel”,
aldus Nudds.
“Misschien paradeerden ze wat rond tijdens de balts en spreidden ze hun voorpoten om zo te laten zien hoe mooi hun veren waren.”

Zweefduik      Sommige gevleugelde dinosaurussen worden beschouwd als de voorlopers van vogels.
Tot nu toe gingen wetenschappers ervan uit dat de dinosaurussen vleugels begonnen te ontwikkelen, omdat ze in bomen gingen leven.
Ook Nudds vindt dat een aantrekkelijke verklaring, maar volgens hem is de oude theorie niet te onderbouwen met (fossiele ) feiten.( voor andere ondersteunende ” feiten” –> 1b)

“Het klinkt logischer (4)dat dinosaurussen hun voorpoten begonnen te spreiden als vleugels toen ze vanuit bomen naar beneden sprongen, zodat ze een zweefduik naar de grond konden maken”,
zegt hij.
Maar die theorie wordt simpelweg niet ondersteund door fossielen.”
(1)
Je heb ook geen volgroeide vleugels nodig om er voordeel uit te halen.
hangt er trouwens ook vanaf hoe groot het dier in kwestie is
Een kip kan niet echt vliegen met die kleine vlerkies van hem, maar hij haalt wel 90 km/uur , te voet.
Struisvogels zijn groot en zwaar en bezitten een massa veren en kleine vleugels …maar lopen ook hard , snel en langdurig
1b
( verwilderde ) Kippen klimmen bij valavond in bomen en gaan daar op stok….buiten het bereik van o.a. straathonden ( en vroeger in hun geboorteland: de valleien rond de voet van de himalaya ) vossen ….
Kon ik dikwijls al zelf zien in de stadparken van mijn vlaamse thuisstad

(2) De uitspraak van de wetenschappers die ongeveer vertellen dat
snel rennende dino’s last moeten hebben van hun vleugelachtige voorpoten door slechte aerodynamiek , is op zijn minst erg naif ….
Waarom zouden sommige theropoda ( de dino’s waar de vogels van afstammen )hun voorpoten en vooral hun handen niert kunnen plooien langs hun romp
zoals vogels dat ook doen met hun vleugels

Er zijn zelfs aanwijzingen dat ze dat wél deden
Een voorbeeld ; de basale theropode
Dilophosaurus wetherilli (-198 MY )
http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=2
(3)
Als men een nieuw dier of fossiel ontdekt met rare aanhangsels die op het eerste gezicht de overlevingskansen sterk zouden moeten verkleinen, kan je erbij na blind vanuit gaan dat het met
sex te maken heeft. (rare onhandig grote geweien, de staart van de pauw (klassiek voorbeeld), felle kleuren die vijanden aantrekken etcetera).
De simpelste verklaring is vaak de juiste.
Ermee vliegen konden dino van een halve ton (minstens !) niet . In een boomklimmen of uit een boom springt lijkt me ook niet echt plausibe voor die zwaargewichten ,
dus blijft er uiteindelijk maar 1 simpele verklaring over die ook bij de huidige dieren voor de meest vreemdsoortige uitstulpingen en versierselen zorgt : SEX.

(4) Een Intelligente Designer werkt logisch … Niet de evolutie dat proces is unintelligent gepruts ; het is barokke ” Rude Goldberg design ” die wordt geperfectioneerd over zeer lange tijdspannen door drastische selectie, op leven en dood , van het aangeboden materiaal ….

En als we nog verder kijken zien we een grote overeenkomst tussen hedendaagse vogels en Dinosauriërs als bv. Velociraptor, die beschikt over een halvemaanvormig polsbeentje, waarmee vogels flapperende bewegingen maken, de Dinosauriër Oviraptor vertoond dezelfde behoefte om zijn tanden te verliezen net als vogels hebben gedaan, en de oviraptoride Nomingia heeft op dezelfde manier als vogels doen zijn staartwervels aan elkaar geplakt.
De broedende Oviraptor Citipati, die in broedhouding over zijn nest is gevonden geeft aan dat veren er ook kunnen zijn geweest ookal zijn ze niet gefossiliseerd, en eveneens dat vogels het uitbroedingsgedrag ook niet van een vreemde hebben.
De gehele lichaamsbouw, zoals het lopen op 2 poten en het horizontaal houden van de ruggengraad (In tegenstelling tot bipede zoogdieren) en tevens de warmbloedigheid, want er komen steeds meer aanwijzingen dat vele Dinosauriers endotherm zijn geweest, wijst regelrecht in de richting van evolutie van vogel uit Dinosauriër…
Hoatzin
“Some people have called the hoatzin a living fossil and equated these claws with those of Archaeopteryx, the ancestor of modern birds that lived 150 million years ago. However, the claws are not unique among birds: some species of geese retain spurs on their wings into adulthood, and young European coots have a single claw on each wing that helps them climb back to the nest as well. It is more likely that the hoatzin’s claws are not a relic, but a recent adaptation to its rather precarious nesting site.”https://i0.wp.com/www.lastrefuge.co.uk/images/photo/hoatzin09c.jpg
hoatzin Embryo hand
 

Hoatzin (Opisthocomus hoazin) chicks possess unusual anatomical feature on the wing, vestigial claws enabling it to grip branches, Guyana (4201-39855 / 00277751 © Minden Pictures)

Hoatzin (Opisthocomus hoazin) chicks possess unusual anatomical feature on the wing, vestigial claws enabling it to grip branches, Guyana

Hoatzin kuikens bezitten vleugelklauwtjes , maar ze zijn lang niet de enige extante vogels met een dergelijke uitrusting …
Bij Hoatzin is dat het duidelijkst zichtbaar , maar bij andere vogels zijn er vestigale overblijfselen ;
…….so I’m checking out our new emu chick and I discover something I didn’t even know they had…wings. And not normal wings to be sure. In fact they’re not really wings at all, but tiny vestigial arms, each with a single visible finger and on that finger is a claw!

 
Now there are a couple of reasons why that was surprising to find. One is that I was taught that there was only one bird in all the world that had claws in its wing. The hoatzin of South America has claws in its youth, which disapear as it matures. But that was supposed to be it. And emus aren’t even closely related to hoatzins.
 
I read an undergraduate study of the emu that gave an in-depth description of the bird, but didn’t mention this unusual feature. Then I read a doctoral thesis on the evolution of flightless birds from dinosaurs that somehow overlooked this one immediately relevant detail as well. I even presented my find to a handful of evolutionary biologists at Talk.Origins, who didn’t believe me until I showed them the pictures! But there it is.
 
There were those who said that it couldn’t have a claw in its adulthood. And I when I suggested that other ratites might have claws as well, (as an remnant of their dinosaur heritage) there were more skeptics. But I looked into it at length and finally found out that the ostrich had much more than that. Ostriches have claws at the end of three actual saurian fingers on each wing! Well in that case, why aren’t they still dinosaurs now?
And its not just ratites and hoatzins that have these.
I found lots of other birds that did as well!…..
This enigmatic claw is important
De volgroeide Hoatzinvleugel heeft op het eerst zicht geen klauwtjes
meer
Here’s the evolution of the carpometacarpus in dinosaurs.
(included is de hoatzin hatchtlin )
A: the ornithischian Heterodontosaurus
B: the early theropod Herrerasaurus
C: the neotheropod Coelophysis
D: the tetanuran Allosaurus
E: the early maniraptoran Ornitholestes
F: the Jurassic avialae Archaeopteryx
G: the cretaceous enantiornithe Sinornis
H: the wing of an Opisthocomus (hoatzin) hatchling
I: the wing of the adult chicken Gallus
(and just for shits and giggles,-)
J is a pterosaur.
i’ve color coded these for you, to match metacarpals and phalanges.
A-I are borrowed from here, and arranged cladistically, such that “Succesive taxa share a more recent common ancestor with modern birds (Neornithes)”
Hoatzin is een van de nog meest primitiefste vogels die bestaat, en verschilt op heel wat punten van de moderne vogels onder andere de klauwen (sterk gereduceerd bij volwassen exemplaren) overigens Hoatzin heeft felrode ogen
Overigens hebben we de creationisten nu wel een prachtig argument geleverd, als het jong van Hoatzin lijkt op Archaeopteryx, is Archaeopteryx wel het jong van een hele normale vogel.
Nou moeten we weer bedenken waarom dat niet zo is…
Sommige creationisten gebruiken de Hoatzin juist als argument tegen Archaeopteryx, omdat het zou aantonen dat de reptielachtige kenmerken van Archie niks voorstellen, omdat ze ook in ‘moderne’ vogels voorkomen. Wat vinden jullie daarvan?

Een volwassen archaeopteryx is het jong van een heel normale vogel, maar hij heeft wel goed ontwikkelde vleugels, een beetje vergelijkbaar met een volwassen hoatzin eigenlijk, ze vliegen beide wellicht even goed, of eerder slecht.

Echter Archaeoptreyx heeft een benige staart en tanden

Klauwen zijn één ding, en dan nog alleen in Hoatzinkuikens (nadruk op kuikens). Wat Archaeopteryx zo Dinosaurusachtig maakt is de hele structuur van het skelet, met als meest prominente uiterlijkheden tanden en een benige staart.
Als je kijkt naar de classificatie zie je al dat Archaeopteryx iets totaal anders is dan de hedendaagse vogels.

Hoatzin behoord als het goed is gewoon tot de Neornithes waartoe alle hedendaagse vogels behoren.

Daarnaast zijn er de uitgestorven Odontornithes, waartoe bv. Hesperornis en Ichtyornis behoren, en tenslotte de Archaeornithes. Onderklasse Archaeornithes bevat maar één orde: de Archaeopterygiformes, en die bevat maar één familie: Archaeopterygidae, en die bevat maar één genus: Archaeopteryx.

Dus alleen al vanwege het feit dat Archaeopteryx zo geïsoleerd in het classificatieschema staat is een bewijs dat hij totaal anders is dan andere vogels. En dat de vreemde kenmerken die hij bij zich draagt overeenkomen met die van Dinosauriërs, dat zegt voor mij genoeg…

Hier hebben we Archie:

https://i2.wp.com/www.dinosaurus.net/pics/archaeske.gif
En hier hebben we ter vergelijking (v.l.n.r)
Comsognathus, Velociraptor en een raaf. (niet op schaal)

https://i2.wp.com/www.dinosaurus.net/pics/compske.gifhttps://i0.wp.com/www.dinosaurus.net/pics/veloske.gifhttps://i1.wp.com/www.dinosaurus.net/pics/kraaiske.gif

Opsomming van de vogelachtige kenmerken van Archaeopteryx:

– veren
– halvemaanvormig polsbeentje (om vleugelslagen te maken.)
– grote hersenen
– borstbeen

Reptielachtige kenmerken:

– benige staart
– tanden
– 3 vingerklauwen (het hele leven door)
– gastralia (=buikribben, kijk maar naar de plaatjes, Archie, Compy en de Raptor hebben allen gastralia, de raaf echter niet.)
– raptorklauw (opnieuw, zie plaatje.)

Dat zijn degenen die ik zoëven weet op te hoesten, maar paleontologen weten zo blijkt er nog veel meer. Hier bijvoorbeeld: http://www.dinosauria.com/jdp/archie/dromey.htm
staan alle overeenkomsten van Archaeopteryx met de Dinosauriërs uit de familie Dromaeosauridae (Familie van oa Velociraptor):

Archaeopteryx is not only a theropod, it is a dromaeosaur because it shares a number of detailed characters only with dromaeosaurs. Some other characters are found only in the two forms and some basal birds. Some of the Archaeopteryx-dromaeosaur characters are as follows.

Nasal depressed nasal and snout upturned
Dorsal process of maxilla almost reaches preorbital bar
Preorbital bar slender & straight preorbital in lateral view
Dorsal depression on the ectopterygoid
Diamond shaped supraoccipital
Strongly twisted paraoccipital process (noted by Currie)
Highly modified tail with hyperdorso-flexible base (condition approached in troodonts)
Middle finger most robust
Ilium parallelogram shaped (also basal birds)
Pubic peduncle very large & reversed
Ilio-pubic articulation inverted V shape
Pubic shafts are flat plates oriented 140 degrees to each other

Er staat zelfs dat met uitzondering van de hallux (teenbot vermoed ik) Archaeopteryx over geen enkel kenmerk beschikt dat niet ook in andere Therapoden wordt gevonden.

Is het teveel gezegt als ik beweer dat Archaeopteryx onmogelijk een ‘100 %’ vogel kan zijn?

Nog een ophelderende link: http://www.ucmp.berkeley.edu/diapsids/birds/archaeopteryx.html

De oervogel had de poten van een dinosaurus
door Bart Eeckhout

De Archaeopteryx, de oudste bekende vogel, verschilt duidelijk van zijn huidige soortgenoten door zijn poten, die veel weg hadden van de poten van de dinosauriërs. Dat heeft een team wetenschappers uit Frankfurt achterhaald. De resultaten van de onderzoekers verschenen in het wetenschappelijk tijdschrift Science.

Het team rond paleo-ornitholoog Gerald Mayr van het onderzoeksinstituut Senckenberg uit Frankfurt onderzocht een goed bewaard skelet van ongeveer 150 miljoen jaar oud en ontdekte dat de grote teen van de Archaeopteryx niet volledig gekromd was, zoals dat wel het geval is bij de huidige vogels.

Dit toont aan dat de Archaeopteryx geen poot had waarmee hij takken kon sjouwen, zoals de vogels van nu”, zo besluiten de wetenschappers.

De bevindingen zijn een nieuw bewijs voor de verwantschap van de oervogel met de vleesetende sauriërs uit de groep van de (op twee poten lopende) theropoden.

De verwantschap van de moderne vogel met de theropoden is een wijdverbreide maar geen universeel aanvaarde theorie, die met de nieuwe ontdekking opnieuw aan kracht wint.

Publicatiedatum : 2005-12-02

Belangrijk
Voor de duidelijkheid vermeld ik hier even dat Avialae en Aves niet door alle paleontologen hetzelfde worden gebruikt.
Jacques Gauthier heeft avialae benoemd in 1986 als: Archaeopteryx plus alle moderne vogels en alle maniraptoren die van hun laatste gemeenschappelijke voorouders afstammen.
Bij de skeletkenmerken gaan we van deze formulering uit. Er gaan echter de laatste tijd stemmen op die vinden dat de hierbovenstaande formulering van toepassing is op de klasse Aves.
Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld Archaeopteryx in het eerste geval ingedeeld wordt in Avialae en in het tweede geval in Aves. Avialae wordt dan als volgt geformuleerd: Neornithes (moderne vogels) plus alle maniraptoren dichter bij hen dan bij Deinonychus. Voor deinonychosauria geldt de volgende formulering: Deinonychus en alle maniraptoren dichter bij hem dan bij vogels.
 

Als je bij de tekeningen in het openingsbericht de nieuwere formulering wilt gebruiken moet je dus Avialae vervangen door Aves en Aves vevangen door Neornithes.


Hoe zit het dan met de verhalen over de Archeopteryx van wie de verschillende kootjes van de hand (=vogel) niet overeenkomen met die van een reptiel?
Dat dus bijvoorbeeld, weet even niet precies, de ringvinger bij het reptiel bij de Archeopteryx een wijsvinger is. Wat er dus op zou duiden dat de vogels niet van reptielen afstammen.
(kort ; )
De vingers van Archaeopteryx hebben de I-II-III identiteit! De vingerformule (phalangeal formula) van Archaeopteryx luid: 2-3-4-X-X (Een vinger formule geeft weer hoeveel kootjes de vingers van een dier hebben, de X staat voor ‘geen’. laatste twee vingers ontbreken dus bij Archaeopteryx.)
 
(lang )
In het stukje staat het ietswat versimpeld uitgelegt, ik zal het hier iets diepgaander bespreken:
Op het eerste gezicht lijkt er niets aan de hand =
de drie korte vingers van moderne vogels
(Vingerformule: 1-2-1-X-X) lijken door vergelijkende anatomie gewoon de I-II-III identiteit te hebben.
De problemen beginnen pas waarneer je dit op embryologisch niveau gaat bekijken.
Een vinger ontstaat in een embryologisch ontwikkelingsproces uit een vingerbasis, een zogenoemde condensatie, als een vinger gedurende het evolutieproces verdwijnt is het gebruikelijk dat de vingercondensatie behouden blijft.
Zo hebben vogels dus drie korte vingers, maar vier vingercondensaties, namelijk cII (c= condensatie), cIII, cIV en cV, dus alleen cI is definitief verdwenen. En dat is dus ook meteen het probleem, vogels hebben hun condensatie I verloren, wat zou moeten betekenen dat de vingers van vogels niet I-II-III zijn, maar II-III-IV, want zonder condensatie I kan vinger I natuurlijk nooit groeien toch?Misschien toch wel! Het bewijs dat dit mogenlijk is wordt geleverd door de moderne kiwi, die maar twee vingers heeft (II en III) en bij wie het in de natuur soms voorkomt dat vinger II het aantal en de kenmerken van de phalanges van vinger I hebben, of een combinatie van vinger I en II. Condensatie III heeft nooit de groei van vinger III tot gevolg. De natuurlijke variatie van kiwivingers demonstreert dat er geen relatie is tussen de vingeridentiteit en de condensatie.
Vogels kunnen ondanks het verlies van condensatie I hun vinger I laten groeien door daar condenstatie II voor te gebruiken, en de vinger die daar oorspronkelijk stond op zijn beurt ook weer een eindje verschoven richting condensatie III.
Omdat er geen sprake is van een conflict tussen de embryologische en anatomische data is het dus ook geen bewijs tegen de evolutie van vogels uit dinosauri챘rachtige voorouders. Meer info: Dinosaurus.netAls het goed is snap je nu ook waarom de vingers van Archaeopteryx de I-II-III identiteit hebben, de stelling dat de vingers II-III-IV zouden zijn geweest had alleen kunnen worden bewezen waarneer iemand de embryologische ontwikkeling van het dier had kunnen volgen en dat gaat nogal moeilijk met een uitgestorven diersoort.
Zoals nu blijkt beschikken echter zowel vogels als dinosauri챘rs over de vingers I-II-III en is er van vinger IV al helemaal geen sprake…
Op andere gebieden zijn er hoedanook feiten die een evolutie van vogels uit dinosauri챘rs suggereren, dus dat we niet goed weten hoe veren ontstonden doet geen afbreuk aan het hele vogelevolutiemodel.
We kunnen wel zien in het fossielenbestand hoe het skelet van een dinosauri챘r veranderd in dat van een vogel,
Er zijn tussenvormen,
Sinornis, Iberomesornis, Confuciusornis, die beschikken allemaal over kenmerken die zowel bij reptielen als vogels worden gevonden…

en wat betreft tussenvormen:in het algemeen

Natuurlijk hebben er talrijke overgangsvormen bestaan en is de overgang van de ene naar de andere levensvorm heel gradueel. Maar al deze overgangsvormen zijn inmiddels verdwenen.

Het enige wat we terugvinden is een promille hiervan in de vorm van fossielen

 
We zien dat de voeten steeds vogelachtiger worden en hoe dat komt zien we als we er een paar van wat dichter bij bekijken. Het is opvallend dat een vogel-embryo tijdens zijn groei bijna dezelfde ontwikkeling maakt van de benen en voeten als dinosaurussen hebben doorgemaakt van Saurischia tot aan Aves (vogels).
Saurischia Embryo stadium A
We zien dat bij zowel vroege Saurischia als bij vogel-embryo’s de fibula of kuitbeen tot aan de enkels doorloopt. Ze hebben beide 5 tenen of in ieder geval rudimentaire overblijfselen die op 5 tenen wijzen. De eerste teen van zowel saurischia als van vogel-embryo’s zit boven aan de enkel vast aan de voetwortelbeentjes.
Theropoda Embryo stadium B
Bij Theropoden verliest de eerste teen het kontakt met de enkel en zakt naar beneden, en dit gebeurt precies hetzelfde bij embryo’s in stadium B van hun ontwikkeling. Theropoden en embryo’s hebben beiden nog beenderen in de voet die op vijf tenen wijzen. Hiervan is de vijfde teen bij dinosaurussen niet meer dan een stukje overgebleven bot en niet zichtbaar bij levende exemplaren. Hoewel de eerste teen bij theropoden gezakt is wordt hij niet gebruikt bij het lopen.
Tetanurae Avialae Embryo stage C
Bij Tetanurae zien we dat ze een grote ascending process hebben, een soort botuitgroeisel net boven de enkel. Ook bij embryo’s van stadium C begint nu zo’n ascending process te groeien. Wat verder opvalt is dat omdat de tibia oftewel scheenbeen veel harder groeit dan het kuitbeen dit kuitbeen het kontakt met de enkel verliest, een kenmerk van vogels. Ook is in dit stadium teen V geheel verdwenen. Avialae zijn primitieve vogels of bijna vogels. Hier zitten alle dieren die dichter bij vogels staan dan bij deinonychosauria (dromaeosauriden). Een belangrijk kenmerk van deze groep is de omgekeerde hallux of 1e teen. Die draaide helemaal naar de achterkant van de voet en gaf vogels de mogelijkheid om takken vast te grijpen.
Aves Embryo volgroeid
Bij Aves zien we dan dat de middenvoetbeentjes vergroeien tot een bot en zo de tarsometatarsus vomt. Ook de ascending process vergroeid en dit gebeuren zien we bij een volgroeid vogel-embryo terug. Als we het groeiproces van een vogel-embryo volgen komen we alle stadia van de dinosaurusontwikkeling weer tegen. Een belangrijke aanwijzing dat vogels via theropode, tetanurean en coelurosaurian dinosaurusssen zijn ontstaan.
de beschrijvingen van de soorten onder het tabelletje ‘Van dinosaurus naar vogel’ http://nadarwin.nl/gallerij.html
Fossiel van ‘dino-vogel’ ontdekt
23/07/2002
In China is een fossiel gevonden van een dinosaurus die kon vliegen. Daarmee is volgens wetenschappers de veronderstelling van de evolutie van dino’s tot vogels bevestigd. Dat hebben Chinese media dinsdag gemeld.
Prof. Ji Qiang van het Geologisch Instituut van de Academie van Wetenschappen in Peking zei dat hij een fossiel heeft gevonden van een dier dat tussen dinosaurus en vogel in zit. Hij ontdekte de ‘dinosaurus-vogel’ in de provincie Liaoning, in het noordoosten van China, en heeft hem Shenzhouraptor Sinensis genoemd.
Volgens Ji is het een kleine tweepotige dinosaurus uit het Onder-Krijt (140 miljoen jaar geleden).
Het dier lijkt op de archeopterix, een vreemde vogel ter grootte van een kip maar met overwegend reptielachtige eigenschappen.
De Shenzhouraptor heeft geen tanden, maar wel een lange staart met twintig wervels, een U-vormige borst en veren.
“Te oordelen naar de breedte van de schouders, de bekkengordel, borst, poten en veren, is het zeker dat hij inderdaad kon vliegen en dat hij de ontbrekende schakel is tussen tweepotige dinosaurussen en vogels”, zei prof. Ji.
Onder paleontologen was het een gangbare theorie dat de vogels afstammen van kleine, tweepotige, vleesetende dinosaurussen. Maar die veronderstelling was tot nu toe alleen gesteund door het bestaan van de archeopterix.
Wel zijn er in Liaoning eerder fossielen van kleine tweepotige dinosaurussen gevonden.
Un dinosaure à plumes et sachant voler... (la tête est à gauche et la queue à droite)
Shenzhouraptor sinensis

Kleine vleesetende dinosaurus ontdekt

In Noord-Amerika zijn botjes van een nieuwe dinosaurus ontdekt, de kleinste vleesetende dino van het continent tot nu toe.Dat melden de ontdekkers in het Amerikaanse tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS).

Het beestje, dat zo groot moet zijn geweest als een kip, heeft de welluidende naam Hesperonychus (=westerse klauw) elizabethae gekregen. De dino lijkt op een mini-editie van de Velociraptor

Ben van Raaij 17 maart 2009

Model of the Newly Discovered Hesperonychus Elizabethae

Model of the Newly Discovered Hesperonychus Elizabethae

De onderzoekers van de Universiteit van Calgary (Canada) zijn erg blij met de ontdekking, schrijven zij in het blad PNAS.

In de Dinosaur Park Formation in Alberta zijn eerder al veel grote dino’s gevonden. Hoewel onderzoekers bijna zeker wisten dat er 75 miljoen jaar geleden ook kleine vleeseters rondliepen, hadden ze daarvoor geen bewijs. Hesperonychus vult dit gat in de Amerikaanse prehistorie.

De botten werden aan het begin van de jaren tachtig al gevonden, maar onderzoekers dachten dat het om een jong dier ging. Naar nu blijkt was de zogeheten hesperonychus met vijftig centimeter volgroeid.

De botjes van het prehistorische bijtertje lagen al ruim 25 jaar in de kast van de universiteit, maar zijn nu pas beter en grondiger onderzocht.

Het fossiel van de dinosaurus – niet meer dan wat bekkenbotjes – dateert uit het late Krijt en is 75 miljoen jaar oud.

Wie weet wat voor bijzondere beesten er nog meer uit de archieven komen ‘kruipen’.

Dat het om een kleine carnivoor gaat, maken de auteurs op uit klauwtjes en gewrichtjes die in de buurt van de bekkenbotjes zijn aangetroffen. Het is een zogeheten maniraptor, een vleesetende dinosaurus met lange handen.

Het dier liep op twee poten en at insecten, vogels en vogelachtigen , kleine zoogdieren en waarschijnlijk ook dinosaurusbaby’s.

De nieuwe dinosaurus (Hesperonychus elizabethae) is lid van de groep van de gevederde dromaeosauriërs en nauw verwant met kleine Aziatische vleeseters als Sinorthinosaurus, waarvan vooral in China veel fossielen zijn gevonden. De Amerikaanse dino, die zo’n kleine twee kilo moet hebben gewogen, is wel circa 45 miljoen jaar jonger dan de Aziatische ‘microraptors’.

In het Noord-Amerikaanse Krijt zijn veel fossielen van grote vleesetende dinosauriërs gevonden, zoals Tyrannosaurus rex. Kleine dino’s zijn zeldzaam en kleine vleesetende dino’s ontbraken tot nu toe geheel. Paleontologen hebben zich altijd afgevraagd welke dieren de niche van de kleine vleeseters bezetten( en of dat wellicht vroege zoogdieren waren. )

Volgens de auteurs moeten er in elk geval ook kleine vleesetende dinosauriërs zijn geweest. Zij denken dat deze in grote aantallen voorkwamen en een belangrijk onderdeel waren van de carnivore fauna van het late Krijt.

Het fossiel laat zien dat de dromaeosauriërs zowel geografisch als in de tijd veel ruimer verspreid waren dan gedacht. Ook vormt het een aanwijzing dat de dinosaurusfauna van Azië en Noord-Amerika veel verwantschappen tonen .

Gevederde dinosauriër zonder veren wijst op complexe evolutie

1 Juli 2006, jaargang 8 nr. 13 Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Faculteit Aardwetenschappen Universiteit van Silezi챘

SAMENVATTING
De overgang van reptielen (namelijk een bepaalde groep dinosauri챘rs) naar vogels moet complexer zijn geweest dan tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit de vondst van een dino uit het Laat-Jura in de groeve Stark van de beroemde Duitse vindplaats Solnhofen (bij M체nchen), waar ook alle exemplaren van de eerste vogel (Archaeopteryx) zijn gevonden.
Archaeopteryx maakte, hoewel algemeen beschouwd als de eerste vogel, deel uit van een groep dino’s (de Coelosauria) die werden gekenmerkt door een verenkleed. Behalve Archaeopteryx zijn er van deze groep, waarvan in de laatste jaren veel exemplaren in China zijn gevonden, geen geslachten gevonden waarvan aannemelijk is dat ze konden vliegen. Wel is waarschijnlijk dat diverse andere geslachten glijvluchten konden maken.
Het uitgeprepareerde holotype van Juravenator starki.
Klik op de afbeelding voor een grotere versie.

Het nu gevonden fossiel, dat de naam Juravenator starki heeft gekregen (De jager uit het Juragebergte van Stark; Stark is de familienaam van de eigenaar van de groeve), behoort ook tot de Coelosauria, en lijkt in veel opzichten op de vroegste Coelosauria die in China zijn gevonden. Hij blijkt echter geen veren te hebben gehad! De overgang van ongevederde dino’s naar vogels ging dus niet zonder meer via een tussenfase van gevederde dino’s, maar is complexer geweest.

Reconstructie van de op twee poten lopende Juravenator.

Juravenator starki was een ongeveer 75 cm lange vleeseter, die 150 miljoen jaar geleden zijn prooi ving in de moerasachtige gebieden die destijds veel in Europa voorkwamen. Van het gevonden exemplaar is zo’n 65 cm gefossiliseerd (een stukje van de lange staart is afwezig), en dat is – zoals met veel fossielen uit Solnhofen – gebeurd op een extreem goede wijze. Daarom kan worden vastgesteld dat het om een nog jong exemplaar ging, en dat hij een schubachtige huid moet hebben gehad zonder veren.

Onderzoekers Ursula G철hlich en Luis Chiappe met het brokstuk met het fossiel.
bron: G. Janssen, Paleontologisch Museum, M체nchen.

Tot nu toe werd aangenomen dat veren, die als een soort huidschubben kunnen worden beschouwd, zich slechts eenmaal bij de Coelosauria hadden ontwikkeld. De vondst van een nieuw geslacht zonder veren zou er volgens deskundigen echter op kunnen wijzen dat veren binnen deze groep diverse malen tot ontwikkeling zijn gekomen. Een andere mogelijkheid is overigens dat de voorouders van Juravenator wel over veren beschikten, maar dat die ergens in de evolutionaire ontwikkeling weer verloren zijn gegaan. Niet geheel uit te sluiten – maar uiterst onwaarschijnlijk – is een derde mogelijkheid, n.l. dat het nog jonge exemplaar van Juravenator op latere leeftijd alsnog veren zou hebben gekregen.

Referenties
G철hlich, U.B. & Chiappe, L.M., 2006. A new carniverous dinosaur from the Late Jurassic Solnhofen archipelago. Nature 440, p. 329-332.

Xu, X., 2006. Scales, feathers and dinosaurs. Nature 440, p. 287-288.

Figuren welwillend ter beschikking gesteld door Ursula G철hlich, Department for Geo- and Environmental Sciences, Universit채t M체nchen, M체nchen (Duitsland).

Bezoek de website van de Nederlandse Geologische Vereniging en het elektronisch geologisch tijdschrift NGV Geonieuws.
°

De evolutie van vogels begon ongeveer 20 miljoen jaar eerder dan tot nu toe werd aangenomen, zo blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek.

24 februari 2014
De eerste lichtgewicht dinosauriërs met veren en vleugels verschenen vermoedelijk 170 miljoen jaar geleden op het toneel, ver voordat de oudst bekende oervogels van het geslacht Archaeopteryx ontstonden.

Deze voorlopers van vogels klapwiekten nog niet met hun vleugels, maar zweefden vermoedelijk van boom naar boom.

Dat melden Britse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Evolution.

evo12363-fig-0001

Figure 1. Rates of femur and forelimb evolution in Theropoda. Branch lengths are scaled, (i) red branch leading to the Paraves indicating an ∼200-fold rate increase relative to the background rate and (ii) yellow branches to Microraptorinae indicating an approximately eightfold rate increase relative to the background rate (not scaled relative to evolutionary rate). The original time-calibrated phylogeny is shown in dark gray. Circular rings indicate 5 Ma time intervals from the KPg boundary.

Evolutiesnelheid 

De wetenschappers kwamen tot hun inzichten door met een numeriek model de evolutiesnelheid van verschillende eigenschappen van vogels te berekenen.

Ze analyseerden de evolutionaire stamboom van verschillende vogels en brachten in kaart hoe lang het duurde voordat de optimale lichaamsgrootte, lichaamsvorm en vleugels ontstonden bij deze soorten.

Met behulp van die gegevens konden ze berekenen hoe lang het duurde voordat de eerste vogels – dinosauriërs uit de groep Paraves – een vogelachtig lichaam ontwikkelden.

Skeleton of the paravian dinosaur Microraptor, from the Early Cretaceous (125 million years ago) of NE China.  This dinosaur was experimenting with flight, but its unique kind of flight – gliding using all four feathered limbs – did not lead to anything. Image is supplied with permission from the Institute of Vertebrate Paleontology & Paleoanthropology (IVPP), Beijing.

Skeleton of the paravian dinosaur Microraptor, from the Early Cretaceous (125 million years ago) of NE China. This dinosaur was experimenting with flight, but its unique kind of flight – gliding using all four feathered limbs – did not lead to anything.Image supplied with permission from the Institute of Vertebrate Paleontology & Paleoanthropology (IVPP), Beijing.

°

“Tot nu toe konden we alleen gokken wanneer de grote evolutionaire veranderingen plaatsvonden”, verklaart hoofdonderzoeker Gavin Thomas op de nieuwssite van de Universiteit van Bristol.

“Maar door de nieuwe methode weten we dat het kleine lichaam en de lange vleugels van vogels al ontstonden voordat de vogels zelf op het toneel verschenen.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

‘High rates of evolution preceded the origin of birds’ by Puttick, M.N., Thomas, G.H., and Benton, M.J. in Evolution: DOI: 10.1111/evo.12363
°
Een moleculaire kijk op vogelevolutie
Marcel van Tuinen

Ze komen in vogelgidsen altijd in dezelfde volgorde aan bod: de zeevogels voorin, achteraan de zangvogels. Daartussenin vinden we de duiven, de hoenders, de roofvogels en moerasvogels. Deze klassieke, 19e-eeuwse indeling van dierenrijk en vogelgids is puur gebaseerd op morfologische vergelijkingen. En waarom ook niet? Vogels zijn vrij eenvoudig in verschillende groepen onder te brengen: eerst een vlotte tweedeling tussen water- en landvogels; verder onderverdelen in roofvogels, moerasvogels, duiven, zangvogels… Er heerst orde in de vogelgids: wie in het bos een zangvogeltje spot, hoeft nooit ver heen en weer te bladeren.

Zijn dit de ‘echte’ pelikanen? Uitgerekend de pelikaan blijkt op grond van moleculair onderzoek niet bij de ‘pelikaanachtigen’ thuis te horen, maar in de buurt van steltlopers als lepelaars en ibissen.

Helaas geeft deze indeling de werkelijkheid iets te simpel weer. Feit is dat bijna alle vogels een onzekere plaats innemen in de traditionele classificaties. De komst van verbeterde morfologische methoden en de ontwikkeling van moleculaire technieken heeft de vogelstamboom sinds de jaren zestig revolutionair gewijzigd. Vreemd genoeg zijn de nieuwe inzichten nog niet of nauwelijks naar de vogelgidsen doorgesijpeld. Veel vogelaars vogelen dus nog steeds met verouderde idee챘n.
De vroege classificaties stoelen allemaal op een fenetische methode. Deze groepeert organismen puur aan de hand van de totale hoeveelheid morfologische overeenkomst. Twee vogelgroepen die meer overeenkomsten met elkaar vertonen dan met een derde groep, zijn dus nauwer met elkaar verwant. Vergelijk maar eens een eend, zwaan en struisvogel, en het is duidelijk dat de eenden en zwanen meer op elkaar lijken dan op de struisvogel. Zo’n indeling van verschillende soorten in clusters (bijvoorbeeld geslachten of families) is echter een door mensen bedacht systeem, dat niet noodzakelijkerwijs ook de achterliggende evolutionaire ontwikkeling weerspiegelt.

Superordes
De evolutionaire geschiedenis van een organisme, ook wel een fylogenie genoemd, laat zich letterlijk als een stamboom visualiseren. Iedere vertakking staat voor een soortvorminggebeurtenis, waarbij 챕챕n soort zich in twee챘n splitst. Deze twee soorten kunnen uiteindelijk uitgroeien (via verdere soortvorming) tot twee families, waarbij de oorsprong van beide families in de praktijk vaak nog vrij eenvoudig tot 챕챕n gemeenschappelijke voorouder te herleiden valt.
Met de tijd groeit elke familie uit tot meerdere families. Deze families op hun beurt vallen weer te groeperen in ordes. Op dat niveau aangeland zijn er vaak te weinig overeenkomsten meer over om twee ordes tot 챕챕n gemeenschappelijke voorouder te herleiden. Juist hier ligt het grootste probleem in de bestaande vogelclassificaties: het merendeel van de superordes in het vogelrijk is gebaseerd op minimaal bewijs. De evolutionaire geschiedenis van de duiven, zangvogels, papegaaien, muisvogels, koekoeken en vele andere ordes is nog altijd een compleet mysterie.

Snavels en veren
De meeste biologen zijn het er over eens dat totaal verschillende organismen verdacht veel op elkaar kunnen gaan lijken wanneer ze onder dezelfde (ecologische) selectiedruk staan. Dit fenomeen heet convergente evolutie en komt misschien wel veel vaker voor dan tot nu toe werd aangenomen. Om bij het maken van een classificatie deze valkuil te omzeilen, is het zaak in een analyse de evolutionaire relaties niet te laten bepalen door de totale hoeveelheid overeenkomende karakters, maar alleen naar de karakters te kijken die uniek zijn voor een cluster.
Een voorbeeld: alle vogels hebben veren, maar alleen de moderne (levende) vogels hebben een snavel. De meer primitieve, uitgestorven vogelgroepen hadden nog tanden in hun bek, die daarmee dus geen snavel mag heten. Dat maakt de snavel tot een uniek karakter dat de moderne vogels onderscheidt van andere vogels. De aanwezigheid van veren echter is geen argument voor de plaatsing van alle moderne vogels in 챕챕n groep, want ook de meer primitieve vogels hadden veren. De aanwezigheid van veren is een primitief, dus niet uniek karakter. De fylogenetische methode die alleen gebruikmaakt van dergelijke unieke karakters (ook wel synapomorfie챘n genoemd) wordt cladistiek genoemd en is in de vroege jaren zestig ontwikkeld door de Duitse onderzoeker Willi Hennig.

Convergente evolutie

Convergente evolutie. De pinguïns van het zuidelijk halfrond vertonen veel overeenkomsten met de alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het noordelijk halfrond. De overeenkomsten zijn het gevolg van convergente evolutie, en zeggen niets over de feitelijke verwantschap.

Cladistieke methoden hebben inmiddels bij vogels verscheidene gevallen van convergente evolutie aan het licht gebracht. Zo is het nu duidelijk dat, hoewel de gelijkenis verrassend is, gierzwaluwen en boerenzwaluwen niet nauw aan elkaar verwant zijn. Gierzwaluwen zijn verwant aan kolibries en vormen samen een orde die apart staat van de zangvogelorde waartoe boerenzwaluwen behoren.
Wellicht hét klassieke voorbeeld van convergente evolutie bij vogels draait om de alk en pinguïn. De alken op het noordelijk halfrond lijken als twee druppels water op de pinguïns op het zuidelijk halfrond en bezetten een vergelijkbare ecologische niche, maar alken blijken in de verste verte niet aan pingu챦ns verwant. Ze hebben meer gemeen met meeuwen, sternen en jagers. Het feit dat vele ornithologen, met name diegenen die deze vogels beschreven, deze vormen van convergente evolutie over het hoofd zagen, is voor altijd versteend in de Latijnse geslachtsnaam van de reuzenalk: Pinguinis.
Toch is ook de cladistieke methode geen garantie voor succes. Het is vaak erg moeilijk om unieke karakters te vinden die ook nog bij ander ordes voorkomen. De cladistieke methode heeft tot nu toe vooral succes in het clusteren van de primitieve loopvogels en tinamoes in één superorde (Paleognathae) en alle andere vogels in een tweede superorde (Neognathae), waarbinnen de eendachtigen en hoenders dan weer een aparte groep vormen. De meeste andere ordes worden nog steeds in de classificaties geplaatst aan de hand van één enkel karakter of ecologische overeenkomst. Uilen en roofvogels onderscheiden zich samen van andere vogels doordat ze scherpe klauwen en gebogen snavels bezitten. Omdat ze alle lange poten hebben, beschouwen de meeste ornithologen de reigers, ooievaars, flamingo’s, ibissen en lepelaars tevens als nauw verwant.

Moleculaire klok
Naast de cladistieke methode valt het probleem van convergente evolutie ook met moleculaire technieken te omzeilen. Tijdens mijn promotieonderzoek aan de Pennsylvania State University in Pennsylvania, VS, probeerde ik de vroege evolutie van moderne vogels te ontrafelen aan de hand van de basenvolgorde van het DNA, zowel uit de celkern als uit de mitochondriën. Uit de overeenkomsten en verschillen in de basenvolgorde van verschillende vogels destilleer je naast fylogenetische informatie (het ‘hoe’) ook gegevens over de biogeografie en evolutionaire tijdschaal (het ‘waar’ en het ‘wanneer’) van een stamboom. Dat ‘timen’ van de evolutionaire ontwikkeling staat bekend als de ‘moleculaire klok’. Deze klok geeft, gebaseerd op de aanname dat de mutatiefrequentie van het genetisch materiaal redelijk constant is, met de mate van verschil tussen twee stukken DNA een idee van het tijdstip waarop de tak in tweeën splitste.
Hoewel de moleculaire klok nog steeds als controversieel wordt beschouwd, is deze juist voor het opstellen van de vogelstamboom uiterst bruikbaar, aangezien vogels niet scheutig zijn met het nalaten van fossielen. Vanwege hun volmaakte vliegcapaciteiten hebben vogels een lichtgebouwd, fragiel skelet van holle botten, dat slecht fossiliseert.
In totaal onderzocht ik van 56 vogels uit alle bestaande vogelordes (waaronder ordes die nog nooit moleculair waren onderzocht) steeds hetzelfde stukje genetisch materiaal. Van de meeste van de 56 vogels bepaalde ik de basenpaarvolgorde van drie mitochondriale genen en vier genen uit de celkern. Bij elkaar voor iedere vogelsoort ruim vierduizend basenparen van binnen en buiten de kern.
De media zijn natuurlijk vooral ge챦nteresseerd in controversi챘le resultaten. Fylogenetische verschillen tussen een traditionele en moleculaire benadering worden daarom vaak zo ver opgeblazen dat veel onderzoekers in de traditionele systematiek hun vertrouwen in DNA-onderzoek al lang hebben verloren. Dat is jammer, want al die nieuwe en onverwachte moleculaire fylogenetische resultaten zijn vaak helemaal niet zo onverwacht en nieuw. In de meeste gevallen komen alleen verrassende verschillen naar voren in gevallen die ook in morfologische studies al dubieuze resultaten opleverden.

Pelikaan als steltloper?

Fuut clustert met flamingo. Moleculair onderzoek laat zien dat traditionele classificaties niet noodzakelijkerwijs ook met familieverbanden corresponderen: de flamingo bijvoorbeeld clustert met de fuut in plaats van met de rest van de steltlopers, terwijl de pelikaan bij de steltlopers opduikt en niet bij de pelikaanachtigen.

Vogels

°

http://science.naturalis.nl/collections/schatten-van-ncb-naturalis

Types uit de verzameling (klik op tekst voor vergroting en beschrijving )

°

Wilgengors lead

WilgengorsOudste type-exemplaar in de vogelcollectie van Naturalis

Mees monarch

Mees monarchGevangen door een missionaris

Violette purperspreeuw lead

Violette purperspreeuwVan een eiland, maar welk eiland?

Corvus octopennatus

Corvus octopennatusWist wetenschappers om de tuin te leiden

Corvus crinitus

Corvus crinitusNiet van echt te onderscheiden

Ruys paradijsvogel

Ruys paradijsvogelGeboren uit overspel?

Bensbachs paradijsvogel

Bensbachs paradijsvogelZijn identiteit blijft een raadsel

Langsnavelhoningeter

LangsnavelhoningeterGeboortedatum onbekend

Chinese koolmees

Chinese koolmeesGooi nooit oude naamkaartjes weg!

Bospoederdonsklauwier

BospoederdonsklauwierMet zijn paspoort is wat mis

Geelrugwielewaal

GeelrugwielewaalEen tekening bewijst zijn bestaan

Bruinborstrietvink

BruinborstrietvinkEn weg was de zwerm

Fluweelborstboomklever

FluweelborstboomkleverTenen geven hem een nieuwe naam

Fijihoningeter

FijihoningeterUit het bezit van een rijke reder

Padangpieper

PadangpieperVernoemd naar zijn ontdekker

Sumatraanse boomekster

Sumatraanse boomeksterBrutaal sociaal

Kortstaartkitta

KortstaartkittaZorro onder de vogels

Fanteekamzwaluw

FanteekamzwaluwVerwarring rond een luchtacrobaat

Vegetarische boomvink

Vegetarische boomvinkLiet Charles Darwin zien dat soorten veranderlijk zijn

Kusaie-spreeuw

Kusaie-spreeuwOpgevreten door scheepsratten

Temmincks honingzuiger

Temmincks honingzuigerVernoemd naar Coenraad Jacob Temminck, de oprichter van Naturalis

Diksnavelleeuwerik

DiksnavelleeuwerikBenoemd door Charles Bonaparte, de neef van Napoleon

Dikbekraaf

DikbekraafGrootste zangvogel, grootste gok

Lidths gaai

Lidths gaaiAparte gaai van de verzamelprofessor

Gouden fluiter

Gouden fluiterWhat’s in a name…

Japanse pestvogel

Japanse pestvogelHield zich lang schuil

°

De groep Pelecaniformes, ofwel de pelikaanachtigen, bestaat naast pelikanen ook uit jan-van-genten, fregatvogels, aalscholvers, keerkringvogels en slangehalsvogels. Bij de traditionele definitie van deze groep telt mee dat dit de enige vogels zijn die een wangzak hebben (vooral duidelijk te zien bij pelikanen en fregatvogels), voorzien zijn van zwemvliezen rondom alle (vier) tenen en dat ze allemaal een typisch geluid maken bij het landen.
Een uitgebreide studie van het DNA van pelikaanachtigen in de jaren tachtig leverde echter al een opmerkelijk resultaat: de pelikanen zelf bleken niet het meest verwant aan de andere pelikaanachtigen, maar vinden hun meest verwante soort in een excentrieke Afrikaanse ooievaar/reigerachtige moerasvogel: de schoenbekreiger, ook wel schoenbekooievaar genoemd. Hiervoor is wel degelijk morfologisch bewijs maar het unieke zwemvlies en de wangzak werden dermate complex geacht, dat het onmogelijk leek dat zulke complexe karakters meer dan eenmaal onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.
‘De moleculaire data moeten dan wel fout zijn,’ luidde de opvatting van vooraanstaande ornithologen. Voor mij was dat een goede aanleiding om meer data te verzamelen. In mijn onderzoek voegde ik niet alleen meer gegevens toe vanuit andere plaatsen in het genoom, maar ik bestudeerde ook andere relevante vogelgroepen zoals de ibissen, ooievaars, reigers, pinguïns, waadvogels en kraanvogels. Mijn bedoeling was met name om de fylogenetische positie van drie uiterst raadselachtige vogelgroepen te onderzoeken: de flamingo’s, de hamerkop en de schoenbekreiger.

Flamingo geen steltloper
Literatuur wees uit dat flamingo’s duidelijke verwantschap vertonen met eenden, waadvogels (met name de Australische kluten) óf met de ooievaars en ibissen. De hamerkop is net als de schoenbekreiger een buitenissige Afrikaanse steltloper waarvan onduidelijk is waar die nu precies in de stamboom past. Minimale moleculaire data waren aanwezig en na twee jaar bloed, zweet en tranen in een biologisch lab in State College, was het eindelijk tijd voor de fylogenetische analyse. Volgens de moleculaire data bleken de ibissen en reigers het meest verwant aan de hamerkop en schoenbek, maar ook de pelikanen horen hierbij! De andere pelikaanachtigen bleken nogal verspreid over de vogelstamboom op te duiken, waarin de fregatvogels wellicht een groep vormen met de stormvogels en albatrossen en juist niet met de aalscholvers. De orde Pelecaniformes is dus hoogstwaarschijnlijk volstrekt kunstmatig.
Totaal onverwacht rolde uit dit onderzoek ook nog een volstrekt ondubbelzinnige moleculaire uitspraak over de precieze positie van de flamingo’s. Volgens de moleculaire data (DNA-sequencing van zes verschillende genen en nieuwe DNA-hybridizatieinformatie) is de flamingo niet nauw verwant aan de eend. Ze hebben ook weinig te maken met steltlopers of waadlopers. In plaats daarvan clusterden de futen samen met de flamingo’s.
Controversiële resultaten, waarbij het zaak is de mogelijkheid van ongewenste vervuiling in de DNA-monsters uit te sluiten. Na een tweede proefneming bleek daarvan absoluut geen sprake te zijn. Zo’n uiterst vreemd fylogenetisch resultaat lijkt onmogelijk, omdat flamingo’s morfologisch en ecologisch flink verschillen van futen. Juist deze extreme divergentie lijkt de reden voor de moeilijkheid om futen en flamingo’s morfologisch te groeperen: divergentie als de andere kant van de convergentiemedaille.

Continentale drift

Landbruggen. Loopvogels, die niet vliegen of zwemmen, waren voor hun verspreiding op landbruggen aangewezen. Tussen Zuid-Amerika en Australi챘 was via Antarctica uitwisseling mogelijk.

Voor veel vogelaars zijn loopvogels misschien de meest lelijke en oninteressante groep. In evolutionair opzicht zijn ze echter wel degelijk fascinerend. De loopvogels zijn de grootste en meest primitieve nog levende vogels die hun vliegvermogen volledig zijn kwijtgeraakt. Hun tegenwoordige verspreiding op het zuidelijk halfrond valt te herleiden tot de in het Krijt startende drift van de zuidelijke continenten.
Afrika, Zuid-Amerika, Madagaskar, India, Antarctica, Australië en Nieuw-Zeeland vormden tot 120 à 130 miljoen jaar geleden één continent, Gondwana. De Amerikaanse ornitholoog Joel Cracraft kwam in 1974 met overtuigend morfologisch bewijs op de proppen dat loopvogels monofyletisch zijn, oftewel meer verwant zijn aan elkaar dan aan andere niet-loopvogels, en dat de fylogenetische splitsingen inderdaad overeenkomen met de biogeografische scenario’s. Ooit verspreid over één zuidelijk continent vinden we tegenwoordig vanwege de continentale verdeling de struisvogel in Afrika, de nandoes in Zuid-Amerika, de emoe in Australië, de kasuarissen in Australië en Nieuw-Guinea, en de vreemde kiwi’s in Nieuw-Zeeland. Daarnaast kwamen de recent uitgestorven olifantvogels voor in Madagaskar en de moa’s in Nieuw-Zeeland.

Loopvogelfossielen
Sindsdien is deze theorie bekritiseerd met andere suggesties tégen een monofyletische oorsprong en de vondst van loopvogelfossielen op het noordelijk halfrond. Mijn moleculaire resultaten stellen echter eensluidend dat loopvogels een aparte en primitieve groep vormen. Recent functioneel-morfologisch werk van de promovendus Sander Gussekloo aan de Universiteit Leiden geeft eenzelfde beeld. Bovendien komen de evolutionaire splitsingen goed overeen met de volgorde waarin de zuidelijke continenten zich afsplitsten van Gondwana. Volgens de nieuwe moleculaire gegevens is de Zuid-Amerikaanse nandoe nauw verwant aan de Australische en Nieuw-Zeelandse emoe en kiwi’s.
Paleontologisch en morfologisch onderzoek laat zien dat deze verwantschappen corresponderen met de evolutionaire en biogeografische trends bij buideldieren en sommige amfibie챘n. Antarctica verbond tot ongeveer 65 miljoen jaar geleden Zuid-Amerika en Australi챘. Fossiele vondsten van loopvogels en andere fauna wijzen nu eenduidig op het gebruik van deze landbrug.

Loopvogel migreert vliegend?

Loopvogels. De loopvogels zijn hun vliegvermogen kwijtgeraakt, wat het verhaal van hun verspreiding nauw verbindt met het verschuiven van de continenten.

De openstaande vraag is dan hoe de meest primitieve loopvogels in Afrika zijn terechtgekomen en hoe de fossielen op het noordelijk halfrond binnen dit continentale-driftscenario passen. Er zijn drie mogelijkheden: 처f vliegend; 처f honderd miljoen jaar geleden via continentale drift, toen Zuid-Amerika en Afrika zich afsplitsten; 처f via actieve verspreiding over land via Europa en Noord-Amerika. Dat de verre voorouders van struisvogels ooit vlogen, is vrijwel zeker, maar er bestaat geen enkel bewijs voor goed vliegende, laat staan voor vliegend migrerende loopvogelvoorouders.
Moleculaire-klokgegevens komen hier goed van pas, want er is maar een handvol gedateerde fossielen bekend. Nieuwe gegevens dateren de oorsprong van de loopvogels en tinamoes na de splitsing van Afrika en Zuid-Amerika. Daarmee blijft alleen het scenario over waarin de struisvogel zich over land van Zuid-Amerika via Noord Amerika en Europa naar Afrika verspreidde ergens in het laat-Krijt of het vroege Kenozo챦cum. Laten de oudst bestaande fossielen nu juist gevonden zijn in Noord-Amerika en Europa! De tegenwoordige verspreiding van de moderne loopvogels is dus hoogstwaarschijnlijk grotendeels een geologisch gevolg. Helaas blijft de evolutionaire geschiedenis van de uitgestorven olifantsvogel uit Madagaskar en de moas in Nieuw-Zeeland nog grotendeels onopgelost omdat genetische gegevens grotendeels ontbreken.
Morfologische analyses blijven cruciaal in het vergaren van fylogenetische kennis omdat het de enige manier is om fossielen te beschrijven en omdat de bestaande traditionele fylogenetische methoden in veel gevallen dezelfde resultaten opleveren als moleculair werk. Moleculair onderzoek levert momenteel dus een double check op de morfologische methoden. Soms leidt het tot verbazingwekkende resultaten. Wellicht nog belangrijker is om nader morfologisch onderzoek te verrichten aan juist d챠e karakters waarin convergentie lijkt te zijn opgetreden. Immers, meer inzicht in de oorsprong en ontwikkeling van nieuwe karakters bij levende organismen is van groot belang, willen we ooit de complete stamboom van het leven kunnen benaderen. E챕n ding is zeker: zowel morfologie als DNA gaan de doorslag geven in het ontcijferen van dit grootste wetenschappelijke raadsel.

Literatuur
Biogeografie: Rienk de Jong. Botsende continenten, botsende theorie챘n. N&T, 6-2000

DNA-sequencing: Cisca Wijmenga en Alfons Bardoel. Inzicht: Genen lezen. N&T, 7/8-2000

Vogelevolutie: A Feduccia. The origin and evolution of birds. Yale University Press, New Haven and London (1996).

opmerking : Veel ideeen van Feduccia zijn achterhaald ( in het bijzonder de afstamming van vogels uit de Theropoda, is nu de consensus , Feduccia schijnt dit scenario nu ook (schoorvoetend ? )aanvaard te hebben )

Vogelstamboom

http://www.tolweb.org/Dinosauria/14883

Sibley and Ahlquist. Reconstructing bird phylogeny by comparing DNA’s. Scientific American 254(2): 82-93 (1986).

°

Vroege Vogels

Vogels en dinosauriërs waren tijdgenoten

Waren kippen, eenden en ganzen tijdgenoten van de dinosauriërs, of verschenen ze pas later op het toneel, toen de dino’s waren uitgestorven? Deze vraag houdt paleontologen al tien jaar bezig. Deze week geven onderzoekers uit Noord- en Zuid Amerika in Nature uitsluitsel over deze kwestie: ganzen graasden ooit zij aan zij met dinosauriërs.

Het fossiel werd in 1992 gevonden op het eiland Vega in West-Antarctica. Het was zo groot als een theeschoteltje en het bevatte een mikado aan dunne vogelbotjes. Alleen, eenmaal in het atelier ging er iets mis. Verschillende botjes bleken erg fragiel en raakten onherstelbaar beschadigd door de preparatie. Wel was er vooraf een latex afgietsel gemaakt van de onbehandelde vondst. De vondst werd gedateerd op 66 miljoen jaar oud (‘vlak’ voor het uitsterven van de dinosauriërs) en behoorde daarmee tot het Krijt-tijdperk. Het fossiel werd beschouwd als overgangsvorm naar de huidige vogelsoorten. Het verdween in de la en zou er pas twaalf jaar later weer uitkomen. In 1995 ontspint zich in de paleontologie een debat over de evolutie van vogels. Het ene kamp heeft het over een ‘explosieve evolutie’ van vogels na het uitsterven van de dinosauriërs zo’n 65 miljoen jaar geleden. Pas nadat de dino’s van het toneel waren verdwenen zou er plotseling een enorme explosie van vogelsoorten hebben plaatsgevonden. Welnee, zeggen de anderen, eenden, kippen en ganzen waren er voor die tijd ook al en ze hebben de massale uitsterving overleefd. 65 Miljoen jaar geleden maakte een enorme meteoorinslag in de Golf van Mexico een einde aan het leven van de helft van alle diersoorten, waaronder de dinosauriërs. Het is de bekendste massa-uitsterving. Daarna, toen alles weer woest en ledig was, grepen andere dieren hun kans. Onder hen zoogdieren en vogels. Zoveel is zeker, maar waren er voor het uitsterven van de dino’s al verschillende moderne (dat is: tandloze) vogelsoorten, of zijn die pas daarna ontstaan? Het antwoord kwam aanvankelijk uit een heel andere hoek van wetenschap: een genetische studie uit 1999. Genetici analyseerden eenzelfde gen binnen verschillende vogelsoorten. Dat moest duidelijkheid geven over de onderlinge verwantschap. De genetische stamboom die zo ontstond, projecteerde de vertakkingen aan de vogelstamboom lang voor de massa-extinctie van 65 miljoen jaar geleden. Dat wees erop dat vogels vermoedelijk zij aan zij hebben gelopen met de dino’s. Maar daarmee was de kous nog niet af, want er was geen fossiel bewijs voor handen. Of toch? Onderzoekster Julia Clarke (Universiteit van North Carolina) en collega’s namen het 66 miljoen jaar oude fossiel uit 1992 uit de la en besloten het nog eens grondig te onderzoeken. De latex-afdruk van de onbehandelde vondst was nog beschikbaar en bovendien konden er röntgen-opnamen gemaakt worden van het fossiel. Dat bood de mogelijkheid om alle botjes op te meten en de vondst in te passen in de vogelstamboom. De gefossiliseerde vogel kreeg een naam, Vegavis iaai, en belandde in de stamboom naast de huidige eend. Maar dat betekende dat ook de kip en de gans toen al rondliepen, want die soorten splitsen al eerder af in de stamboom. Julia Clarke wist het nu zeker: eenden, ganzen en loopvogels (kleine struisvogels) waren er als de kippen bij: ze liepen gelijk op aarde rond met de dinosauriërs. Naturalis-paleontoloog Lars van den Hoek Ostende is niet verbaasd. Hij herkent het patroon van de ontwikkeling van zoogdieren. Ook in die groep nam het aantal soorten na het uitsterven van de dinosauriërs enorm toe, maar al voor die tijd hadden zich de vertakkingen gevormd aan de stamboom. De eerste vertakkingen aan de stamboom zijn er al in het Krijt, de versnelling volgt in het volgende tijdperk, het Tertiair. Van den Hoek Ostende vindt het niet vreemd dat een fossiel eerst in een la verdwijnt en pas jaren later gebruikt wordt om een argument te beslechten. “Als die discussie nog niet leeft, dan kijk je niet zo naar je materiaal. Pas als er een discussie aan de gang is, ga je beter kijken en maak je tijd en budget vrij. Dan kijk je ook gerichter en weet je beter wat je ermee wilt.” Jos Wassink Julia A. Clarke, Claudia P. Tambussi, Jorge I. Noriega, Gregory M. Erickson & Richard A. Ketcham: “Definitive fossil evidence for the extant avian radiation in the Cretaceous.”,

Nature, Vol. 433, 20 jan 2005, p. 305 – 308.

Het fossiel van Vegavis iaai. De vondst is 66 miljoen jaar oud en werd in 1992 gevonden op het eiland Vega bij Antarctica. Geoefende kijkers herkennen hier een heiligbeen, dijbeen en scheenbeen

Het fossiel van Vegavis iaai. De vondst is 66 miljoen jaar oud en werd in 1992 gevonden op het eiland Vega bij Antarctica. Geoefende kijkers herkennen hier een heiligbeen, dijbeen en scheenbeen.

öntgenopname van een ander deel van dezelfde vondst. De grootste structuren zijn hier het heupbeen, nek- en borstwervels. Voordeel van de röntgentechniek is dat de fragiele vogelbotjes niet vrijgeprepareerd hoeven te worden.

röntgenopname van een ander deel van dezelfde vondst. De grootste structuren zijn hier het heupbeen, nek- en borstwervels. Voordeel van de röntgentechniek is dat de fragiele vogelbotjes niet vrijgeprepareerd hoeven te worden.

°

Missing birds?
Tientallen exemplaren ontdekt van ‘bijna-recente’ vogel uit Vroeg-Krijt

http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=717

Een Chinees-Amerikaans team heeft in China zo’n 40, deels vrijwel complete, skeletten opgegraven van de vogel Gansus yumenensis. De vondst werd gedaan in gesteenten die ongeveer 110 miljoen jaar geleden (Vroeg-Krijt) werden gevormd in een meer nabij de huidige stad Changma, in het noordwesten van de provincie Gansu. De vogels werden gevonden in de Xiagou-Formatie, die zo’n 5-15 miljoen jaar jonger is dan de gesteenten in de (bijna 2000 km verderop gelegen) provincie Liaoning, waaruit zoveel gevederde dinosauriërs en primitieve vogels tevoorschijn zijn gekomen.

Gansus yumenensis,717a


Bijna compleet exemplaar (IG-04-CM-004) van Gansus yumenensis, met (donkerbruin) afdrukken van de veren bij de vleugelbotten

     Gansus yumenensis,717b

Detail van de poten (exemplaar IG-04-CM-008), met zwemvliezen tussen de tenen
Alle recente (en sommige uitgestorven) vogels behoren tot de Ornithurae. De oudst bekende vertegenwoordigers van dat taxon stamden tot nu toe van 99 miljoen jaar geleden (Laat-Krijt). Omdat ook Gansus tot dit taxon behoort, vertegenwoordigen de gevonden skeletten nu de oudst bekende vertegenwoordigers van deze groep van ‘recente’ vogels.

 

Gansus yumenensis,717f

De leiders van het onderzoeksteam, Hai-lu You en Matt Lamanna, in de groeve bij Changma, met diverse fossiele resten op de voorgrond

Gansus yumenensis,locaztie

Vindplaats van de fossiele vogels (illustratie: Mark Klingler)

Gansus yumenensis,717d

Reconstructie (door Mark Klingler) van het skelet (grijze fragmenten zijn geïnterpreteerd)

Gansus yumenensis,717e

Reconstructie (door Mark Klingler) van Gansus yumenensis

De gevonden fossielen zijn deels uitstekend bewaard gebleven. Zo zijn er onder meer afdrukken van de veren te zien. Ook is duidelijk dat Gansus zwemvliezen had, zodat hij aangepast moet zijn geweest aan een leven in het water. De onderzoekers speculeren nu reeds dat mogelijk alle recente vogels afstammen van voorouders die ten minste een deel van hun leven in het water doorbrachten. Ze beschouwen Gansus ook als een ‘missing link’ in de evolutie van de vogels, omdat er uit het Mesozo챦cum nauwelijks andere fossiele vogels bekend zijn die tot de Ornithurae behoren. Tot nu toe was er 챕챕n incompleet stuk van een achterpoot van Gansus bekend, en daar was niet veel uit af te leiden. Door het grote aantal nu gevonden skeletten en de goede staat waarin veel daarvan verkeren, kan nu echter een reconstructie met een grote mate van details worden gemaakt. Zo blijkt dat Gansus sterk op de huidige eenden moet hebben geleken. Belangrijker is echter dat de aangetroffen fossielen veel meer duidelijk maken over de evolutionaire overgang van vleesetende dino’s naar de huidige vogels.

Referenties:
  • You, H.-l., Lamanna, M.C., Harris, J.D., Chiappe, L.M., O’Connor, J., Ji, S.-a., Lü, J.-c., Yuan, C.-x., Li, D.-q., Zhang, X., Lacovara, K.J., Dodson, P. & Ji, Q., 2006. A nearly modern amphibious bird from the Early Cretaceous of Northwestern China. Science 312, p. 1640-1643.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Matt Lamanna, Carnegie Museum of Natural History, Pittsburg, PA (Verenigde Staten van Amerika).

 

http://www.msnbc.msn.com/id/6866337/

Dinosaurus had gezelschap van gigantische vogel

10 augustus 2011
– Op en boven de aarde leefden miljoenen jaren geleden reusachtige vogels. De soort ‘Samrukia nessovi’ leefde in hetzelfde tijdperk als dinosaurussen.
The fossilised jawbone is nearly twice the length of that of an ostrich, the largest bird found on Earth today
Partial lower jaws of the giant Cretaceous bird Samrukia:
Posterior region from above (a) and below (b), jaw’s right side, seen from the outside (d) and the inside.
CREDIT: Naish, Dyke, Cau, Escuillié and Godefroit

Dat schrijft de BBC woensdag op basis van een artikel in Biology Letters. Het artikel beschrijft de vondst van een fors kaakbeen in Kazachstan.

De bijbehorende schedel was waarschijnlijk zo’n 30 centimeter lang. Zijn vleugels hadden een spanwijdte van ongeveer vier meter. In rustpositie was hij twee tot drie meter groot. Met zijn vijftig kilo leek hij mogelijk op een grote, kraai-achtige albatros

De vogel leefde tijdens het geologische Krijt-tijdperk, net als dinosauriërs, zoogdieren en andere vogels. Lang werd vermoed dat pterosauriërs destijds de enige grote vliegende dieren waren. De Samrukia nessovi bewijst het tegendeel.

Wervelbot

Al eerder duidde een archeologische vondst op reusachtige vogels tijdens het Krijt. In 1995 meldde het tijdschrift Nature de vondst van een wervelbot in Frankrijk. Dat zou van een vergelijkbaar dier afkomstig zijn.

Nu blijkt dat de vogels ook oostelijker, in Azië, voorkwamen. “Deze dieren leefden samen met grote dinosauriërs”, vertelt de Britse paleontoloog Darren Naish aan de BBC. “Over hoe dat in zijn werk ging kunnen we enkel speculeren.”

Onderkaak

Vaststellen hoe de vogel eruitzag is erg lastig. In Kazachstan is enkel een bot van een onderkaak gevonden.

“We weten niet eens of hij bijvoorbeeld een jager of een planteneter was”, meldt Naish aan de nieuwssite LiveScience. “Maar ik gok dat hij generalist was. Hopelijk verschaffen nieuwe vondsten daar later meer informatie over.”

giant-bird-size

Scientists aren’t sure if the ancient bird flew or was grounded (both body shapes shown here), but either way it was enormous, much larger than “normal size” Mesozoic birds (shown in background) and larger than humans.
CREDIT: John Conway.

Over jonge dinosaurussen en vogels

n 29 mei 1012

Voor wie zich interesseert in dinosaurussen en hun afstammelingen, de vogels, zijn er onlangs weer mooie ontdekkingen gedaan. De classificatie van deze uitgestorven dieren is erg ingewikkeld en ik heb me er nooit in verdiept, maar nu hebben onderzoekers in Nature aangetoond dat de schedel van de huidige vogels bijzonder veel overeenkomsten vertoont met de schedel van de jongen van dinosaurussen. Dat gegeven verdient wel enige aandacht. Het zou daarbij gaan om pedomorfisme, een vorm van neotenie, waarbij juveniele eigenschappen tot in het volwassen stadium blijven bestaan.

Ook de mens wordt beschouwd als onderhevig aan neotenie. Het gaat dan om een aantal eigenschappen zoals het grote brein, een plat gezicht, een onbehaard lichaam en gezicht, korte ledematen en grote ogen. Wij zouden lijken op de jongen van de chimpansee.

Confuciusornis: een uitgestorven vogel waarvan de schedel wordt vergeleken met die van een alligator (zie tweede figuur).

In het geval van de vogels gaat het om een versnelling van het bereiken van de reproductieve leeftijd. In plaats van jaren, zoals bij dinosaurussen, lukt het veel vogels in 3 tot 4 maanden seksueel te rijpen. Dit fenomeen, dat een gevolg is van neotenie, wordt ook wel pedogenese genoemd. Het is mooi om te zien hoe het mogelijk is, door veranderingen in de ontwikkeling van voorouderlijke dieren, een heel nieuwe groep dieren te krijgen. De vogels zijn met hun 10.000 soorten de meest succesvolle gewervelden die op het land leven. Als we naar vogels kijken en luisteren zien en horen we eigenlijk jonge dinosaurussen.

Het is duidelijk dat dinosaurussen en vogels verschillend zijn. Dinosaurussen hebben een lange snuit en tanden, terwijl vogels in verhouding grotere ogen en hersens hebben. De schedels van jonge dinosaurussen en vogels komen daarentegen wel overeen. Maar dat niet alleen. Bij de moderne vogels is er ook nauwelijks verschil in de vorm van de schedel tussen jonge en volwassen vogels. Terwijl de jongen van dinosaurussen een grote verandering ondergaan gedurende het volwassen worden.

De veranderingen in de tijdlijn van de ontwikkeling van dinosaurussen naar vogels is volgens de auteurs een prachtig staaltje van evolutionaire strategie. Deze minimale verandering heeft een enorme succesvolle groep voortgebracht. Het is ongelooflijk dat je zo een groot verschil kunt krijgen door een kleine verandering in de timing. Dit laat ook zien dat evolutie weinig verandering (mutatie) nodig heeft om iets heel nieuws voort te brengen.

birds-have  paedomorphosis-in-dinos-and-birds-Birds-have-paedomorphic-dinosaur-skulls

Gevederde dino’s
Niet nieuw, maar wel erg nuttige informatie (in .pdf formaat ongeveer 3mb!)
http://www.dinosaur-museum.org/featheredinosaurs/exhibit.pdf

Archie :
http://www.talkorigins.org/faqs/archaeopteryx/info.htmlhttp://evolutionwiki.org/wiki/Archaeopteryx

Eerste ovaalvormige dinosaurusei ontdekt

Voor het eerst hebben wetenschappers ovaalvormige dinosauruseieren ontdekt. De fossiele resten van de eieren doen sterk denken aan eieren van kippen en brengt de dino’s op overtuigende wijze in verband met moderne vogels.

Wetenschappers vonden de fossiele resten van de eieren in Spanje. En dat was even een verrassing, zo is in het blad Palaentology te lezen. De eieren zijn namelijk ovaal. En dus heel anders dan al die andere dinosauruseieren die tot op heden zijn ontdekt. Eerdere eieren hadden een symmetrische vorm.

De onderzoekers hebben het nieuwe type ei de naam Sankofa pyrenaica gegeven. De eieren zijn zo’n zeven centimeter hoog en vier centimeter breed. De eierschaal was ongeveer 0,27 millimeter dik. Er zijn meerdere eieren teruggevonden: meestal gaat het om fragmenten, maar er zijn ook enkele min of meer complete fossiele resten van eieren ontdekt. De eieren werden hier zo’n 70 tot 83 miljoen jaar geleden neergelegd.

De onderzoekers stellen dat hun ei eigenlijk de missing link is tussen de dino’s en vogels.

Er is slechts één keer eerder een vergelijkbaar soort ei uit deze periode teruggevonden. Dit ei werd aangetroffen in Argentinië en behoorde toe aan een primitieve vogel.

De ontdekking van de fossiele resten van deze eieren wijst erop dat de bekende hypothese dat theropoda die niet het luchtruim kozen en in het Krijt leefden, een voorouder delen met de moderne vogels.

http://nanopatentsandinnovations.blogspot.be/2012/07/fossil-egg-discovered-in-lleida-spain.html

http://www.aninews.in/newsdetail9/story62402/fossil-egg-found-in-spain-links-dinosaurs-to-modern-birds.html

Vroegste basale  vogel     

LINKS

 Pelagornis chilensis      De vogel had een spanwijdte van 5,1 meter!

‘Steltloper is in 110 miljoen jaar geen spat veranderd’

archaeopteryx

GLOS A   
1.-NaDarwin ; Archaeopteryx lithographa
2.-Beste specimen ooit
3.-Hersenonderzoek bij archaeopteryx
4.-Een brein dat kon vliegen
5.-Leden Archaeopteryx en andere dino’s aan hersenbeschadiging?
6.-Archaeopteryx had ‘verstandelijk’ vermogen tot vliegen
7.-Klauw mogelijk bewijs evolutie dinosaurus in vogel

°

 Archaeopteryx capturing a meal
(from: Evolutionary Genetics )

 

   <–klik op de figuren  voor vergrotingen
banner
Archaeopteryx lithographica
 een artikel  van Tim Spaan over dit veelbesproken fossiele dier.

dino-vogels

DINO  VOGELS

Ten tijde van het uitkomen van de Origin of Species was in ieder geval het fossielenbestand niet de juiste plaats om bewijs voor de evolutietheorie te vergaren. De gevonden fossielen waren sporadische resten uit het verleden, en konden nauwelijks een idee geven hoe de wereld er destijds had uitgezien, laat staan welke ontwikkelingen er zich hadden afgespeeld. En vooral de overgangsvormen, waarvan de evolutietheorie voorspelde dat ze er zouden zijn, waren nauwelijks gevonden.

Tegenwoordig is dat wel anders, we kunnen kijken naar een uitgebreide collectie fossielen van overal ter wereld om een goed idee te krijgen hoe het leven er uit zag in elk van de geologische tijdperken, en tevens zijn er een zeer groot aantal overgangsvormen bekend. Maar rond 1860 was er eigenlijk maar een overgangsfossiel voor handen, een fossiel dat vandaag de dag nog steeds veel wordt besproken en van grote invloed is tijdens het onderzoek naar biologische evolutie, namelijk Archaeopteryx.

Van Archaeopteryx lithographica zijn 6 fossiele overblijfselen ontdekt, daarnaast nog een fossiel van een andere soort, Archaeopteryx bavarica, en een losse veer.  *

Bij elkaar dus 8 fossiele resten (*) , waaronder, en dat weten niet veel mensen, een fossiel dat al 150 jaar in Nederland is. In het Teyler museum ligt een stenen plaat met enkele botfragmenten waarvan tot 1970 werd gedacht dat ze afkomstig waren van een Pterosaurier. Echter, men ontdekte op het fossiel, schuin bekeken, de afdrukken van veren, en aldus werd de ware identiteit achterhaald

_____________________________________________________________________________________________________

(*) deze cijfers stammen uit de tijd dat het artikel van Tim Spaan werd geschreven ; dat is ondertussen veranderd: er zijn fossiele vondsten bijgekomen )

° Ondertussen zijn nog nieuwe exemplaar opgedoken sommigen zijn nog niet officieel als “echt”erkend …Er is ook nog een tiende ( voorlopig het meest komplete ) exemplaar gevonden( zie hieronder )

Een goed overzicht is hier te vinden imageshttp://en.wikipedia.org/wiki/Archaeopteryx

_______________________________________________________________________________________________________

imageshttp://www.igreens.org.uk/archaeopteryx_fossils_of_sohlnho.htm

Archeopteryx L . in teyler’s museum  /The first specimen of what is now classified as Archeopteryx lithographica was discovered near Reidenburg in 1855. But it was misclassified as a pterodactyl until 1970. It is now in Teylers Museum in Harlem.

A feather was found near Solnhofen five years later in 1960. /  This is now in Berlin.

this fossil makes the MfN the only museum – to my knowledge – that holds TWO specimens of Archaeopteryx

.

Archaeopteryx fossil, London specimen

NATURAL HISTORY MUSEUM, LONDON/SCIENCE PHOTO LIBRARY

Archaeopteryx. Fossil of Archaeopteryx lithographica, a crow-sized flying reptile with feathers. The bones are surrounded by feathers (rippled areas). Eleven specimens of Archaeopteryx have been found, all from the Solenhofen limestones of the late Jurassic period (195-135 million years ago), in Bavaria, Germany. Archaeopteryx shows that birds evolved from dinosaurs. The claws seen on its wings are a combined reptilian and avian characteristic. This is the London Specimen, discovered in 1861

The London Archaeopteryx by Owen.

Archaeopteryx and Velocirapto skeletonsArchaeopteryx (front) and Velociraptor (back) skeletons. These dinosaurs lived in Mongolia, China and Russia during the Jurassic and cretaceous period.
Natural History Museum's cast of first Archaeopteryx fossil found in Solnhofen, Germany in 1861.

Natural History Museum’s cast of first Archaeopteryx fossil found in Solnhofen, Germany in 1861. © The Natural History Museum, London

This  third specimen was recognised as a genuinely new species. Now known as the London specimen it was found in 1861, near Langenaltheim and bought to London by Richard Owen. It featured largely in the debate over Darwin’s theory of evolution between Owen and Huxley.

The fourth specimen, the best preserved and most famous of all, was found in 1877 near Blumenberg and is now in Berlin.

    

The fifth specimen was found in 1958 near Langenaltheim, in the same quarry as the London Specimen.

It consisted only of a torso and remained in the possession of its finder Eduard Opitsch until his death in 1992. It was then found to have gone missing and has not so far reappeared.

 

The sixth Eichstatt specimen was found near Workerszell in 1951. It is smaller than the others and may be a juvenile, and is currently the star exhibit in the Jura Museum Willibaldsburg.

In 1992 the seventh and so far final specimen of Archeopteryx lithographica was found near Eichstatt. It is now exhibited in the Burgermeister-Muller Museum in Solnhofen.

One final specimen appeared in 1993 but is thought to be a different species,  Archeopteryx bavarica. It remains in a private collection.

Archaeopteryx fossil
Fossil of an Archaeopteryx found near Workerszell, Germany, in 1951 Photograph: Sally A. Morgan/Corbis

The Natural History Museum’s original Archaeopteryx skeleton is known as the “London specimen“, and a replica is on public display there.
In all, 10 Archaeopteryx skeletons have been discovered, all in quarries in Bavaria, south-east Germany, within a radius of about 15 miles. The fossils were buried in very fine-grained limestone near the village of Solnhofen (during the Jurassic period, this part of Germany was covered by a warm, shallow lagoon with a soft mud bottom that has proved ideal for preserving ancient fossils).
While nothing like Archaeopteryx has been discovered anywhere else in the world, it is clear there must have been a line of earlier “protobirds” from which it evolved – these just haven’t been found yet.
Archaeopteryx was small, growing up to half a metre long (and half of that was tail). It shared key skeletal features with small, carnivorous theropod dinosaurs such as Deinonychus and Velociraptor. But in addition to carefully preserving these ancient fossils, the limestone also revealed a clear impression of Archaeopteryx’s flight and contour wing feathers (the actual feathers had disintegrated long ago). The structure of these feathers was almost exactly like those found on birds today, leading scientists to infer that Archaeopteryx must have had some ability to fly.

Much more recently, use of modern CT (“computed tomography”) scanning equipment on the London Archaeopteryx’s skull has enabled scientists to reconstruct the whole of its bony brain case – and so model the structure of the brain itself. The research showed that Archaeopteryx’s brain was built and organised like a modern bird’s brain – a fundamental evolutionary shift away from dinosaurs.

Archaeopteryx Was Not Very Bird-like: Inside The First Bird, Surprising Signs Of A Dinosaur
imageshttp://www.sciencedaily.com/releases/2009/10/091009090436.htm


Wat was Archaeopteryx nu voor dier? Het was zo groot als een duif, had lange armen en poten en zeer duidelijk veren. Alle gevonden skeletten bevatten veren, maar alleen bij het Berlin -en London Specimen zijn ze duidelijk te zien. Volgens Richard Owen, één van de paleontologen die het dier heeft onderzocht, moest Archaeopteryx aldus worden geclassificeerd binnen de Aves, oftewel vogels. Geen ander dier dan vogels beschikken immers over veren, dacht men in die tijd. Owen kon niet weten dat er een eeuw later een tiental soorten dinosauriers zouden worden gevonden met duidelijke veerafdrukken, niet alleen kleine vogelachtige dinosauriers, maar bijvoorbeeld ook een bijzonder grote Therizinosaurier Beipiaosaurus. Ook bijvoorbeeld de dinosauriers Microraptor en Sinornithosaurus. Veren zijn dus allerminst een kenmerk dat uitsluitend aan vogels is voorbehouden. Maakt dat iets uit voor Archaeopteryx? Jazeker, het wegvallen van veren als ondersteuning voor de vogelstatus van Archaeopteryx maakt dit dier eigenlijk niks anders dan een miniatuurversie van Velociraptor, want zoals we nog zullen zien is er taxonomisch gezien meer reden om Archaeopteryx een Dromaeosaurier te noemen dan een vogel.

Archaeopteryx was gevonden in het Solnhofen gebied in Duitsland, in Laat-Jurastische lagen. Met zijn vogelachtige veren en reptielachtige skelet was het precies wat Darwin nodig had om zijn woorden waar te maken, maar vreemd genoeg besteedde hij er weinig aandacht aan. Thomas Huxley, een nieuwbakken Darwinist deed dat wel, hij benadrukte dat het dier, als zijnde een ‘reptielachtige vogel’ met kenmerken van beide groepen, precies was wat de evolutietheorie voorspelde, en daarvoor wel eens gelijk had kunnen hebben in diens bewering dat nieuwe diergroepen ontstaan uit oudere diersoorten. In de populaire -en Pseudowetenschap zijn er heel wat andere, soms ronduit ridicule beweringen gedaan over Archaeopteryx. Iemand stelde eens voor om de naam te veranderen in Griphosaurus, omdat het volgens hem een griffioen zou zijn, een mythologisch monster. Ook hebben er verhalen de ronde gedaan over een vervalsing, dat de veren er kunstmatig op zijn aan gebracht. Dit laatste is simpelweg onjuist omdat er bij het Maxburg specimen veren onder de botten doorlopen.
Maar van bijzonder belang in dit geval is wat de creationisten er over zeggen, want uiteraard hebben zij een heel andere mening dan de specialisten die de fossielen persoonlijk hebben bestudeerd en onbevooroordeeld een conclusie hebben getrokken. Een kleine minderheid houdt het op een vervalsing, hoe waar dat is bleek net al, maar de meerderheid beschouwt Archaeopteryx als een pure vogel. Hierbij praten ze voornamelijk Dr. Duane Gish na:

Het ontstaan van de vogels uit de reptielen is al evenzeer een mysterie, ondanks het feit dat de evolutionisten hier hun grootste vondst aandragen, namelijk de beroemde ‘tussenvorm’ archaeopteryx. Dat is echter geen tussenvorm maar voor 100% een echte vogel.

Deze bewering probeert Gish waar te maken op basis van de volgende stellingen:

De zogenaamde reptielkenmerken van Archaeopteryx bestaan uit de klauwachtige aanhangsels aan de vleugelranden, het bezit van tanden, wervels die naar buiten steken langs de staart, en een klein borstbeen. Maar dit kunnen geen kenmerken van een echte tussenvorm zijn, aangezien deze kenmerken grotendeels nog steeds bij vogels voorkomen. De hoatzin bijvoorbeeld, een hoenderachtige vogel uit Zuid-Amerika, heeft nog steeds twee klauwen aan beide vleugels en een opmerkelijk klein borstbeen; toch is het dier 100% vogel. Ook het jong van de touraco, een koekoekachtige vogel uit Afrika, heeft klauwen aan de vleugels.

Hij stelt zelfs, heel brutaal, dat wetenschappers in hun verbeelding Archaeopteryx meer reptielachtiger hebben willen maken teneinde een overgangsvorm te maken. Ondertussen heeft hij geen idee wat voor een uiterst simplistische kijk op de zaken hij heeft, de reptielkenmerken die hij opnoemt, zijn maar een paar van de ruim twintig reptielachtige kenmerken die zijn gevonden op Archaeopteryx.

Maar ja, dan moet je je gaan verdiepen in termen als onverhoornde Premaxilla en maxilla, en onversmolten Metatarsals, en dat wordt een beetje te ingewikkeld voor de arme Gish.

       
 
arch-drom2arch2

°Skeletkenmerken (& de veren)

1. Veren
Veren zijn typische kenmerken voor vogels, maar zoals verschillende dinosauriërs als Microraptor en Sinornithosaurus hebben aangetoond, worden ze ook gevonden in reptielen.
2. Lange, gedraaide Hallux (4e teen)
De achterste vierde teen functioneert als een duim en stelt een vogel in staat om op een tak te zitten. Archaeopteryx beschikt hier over, maar zoals we nog zullen zien is dit feitelijk het enige aan hem dat uniek is voor vogels.
3. Forcula (Vorkbeen)
Dit is een beentje dat niet vaak bewaard blijft tijdens fossilisatie, toch is in een van de gevonden fossielen van Archaeopteryx een Forcula gevonden. Ook in verschillende dinosauriers zoals Oviraptor en Ingenia. In de meeste vogels komt het voor, maar niet allemaal (In sommige papegaaien bijvoorbeeld niet.).
4. Achteruit stekende Pubis (Schaambeen)
Een kenmerk dat in sommige dinosauriers, vogels en Archaeopteryx voorkomt, een neutraal kenmerk dus. De vorm van Archaeopteryx’s pubis komt overigens meer overeen met die van dromaeosauriers.
5. Premaxilla and maxilla zijn niet met hoorn bedekt.
Of anders gezegt, het heeft geen snavel. Archaeopteryx heeft een ongehoornde snuit met tanden in z’n bek, geen snavel. Wat is een vogel zonder snavel?
6. De voorste rugwervels zijn onversmolten.
Bij vogels zijn de wervels in de zogenoemde ‘trunk region’ tegen elkaar versmolten. Archaeopteryx heeft daarentegen vrije, losse rugwervels, net als dinosauriers.
7. De beenderen zijn hol.
Vogels, maar ook sommige dinosauriers beschikken hierover. Een neutraal kenmerk.

8. De Pubis schacht is plaatachtig.
Een kenmerk van Dromaeosauriers.
9. De hersenen.
Een afdruk van de hersenen onthulde een typisch reptielenbrein.
10. De nek is van achter aan de schedel bevestigt.
In tegenstelling tot vogels, wiens nek aan de onderkant van de kop is bevestigt.
11. Het midden van de cervicale wervels heeft eenvoudige concavegewrichtsfacetten.
Een kenmerk van alle Archosauri�rs.
12. Een lange benige staart zonder Pygostyle.
Vogels hebben een zeer korte staart waarvan de wervels met elkaar zijn versmolten in het zogeheten Pygostyle.
13. Tanden op de boven -en onderkaak.
Vogels zijn tandeloos.
14. Slanke ribben, zonder verbindingen of een uncinate process die niet in verbinding staan met het borstbeen.
Vogels hebben forse ribben met elk een uncinate process (uitsteeksel) en staan in verbinding met het borstbeen.
15. Het bekkengordel en dijbeenverbinding is reptielachtig en niet vogelachtig (Behalve achterwaartse pubis zoals hierboven vermeld).
Hierin is Archaeopteryx een ware overgangsvorm, hoewel het bekken ronduit reptielachtig is steekt de pubis naar achter zoals bij vogels (En Dromaeosauri�rs).
16. Het Sacrum bevat 6 wervels.
Het Sacrum is een groepje aaneengegroeide wervels voor ondersteuning van de heupen. Bij dinosauri�rs en Archaeopteryx bevat het Sacrum 6 wervels, bij vogels vari�erd dit aantal tussen de 11 en 23.
17. Vrije Metacarpals (handbeentjes) (behalve de 3de metacarpal), en flexibele pols.
Bij vogels zijn de handbeentjes vergroeid tot 占쏙옙n been dat het carpo-metacarpus wordt genoemd. Alle vogels, levend of fossiel, beschikken hierover. Archaeopteryx niet…
18. Neusopeningen ver voorin de snuit, en tussen de neus en ogen bevind zich een (preorbitaal) schedelvenster.
Typisch voor reptielen, niet voor vogels. Voor zover vogels een Preorbitaal venster hebben is het altijd sterk gereduceerd, en is betrokken bij de beweging van de bek.
19. De ‘Deltoid’ rand op de humerus wijst voorwaarts.
Zoals bij reptielen.
20. 3 klauwen aan elke hand.
Geen moderne vogel heeft 3 klauwen per hand. Sommige hebben er 占쏙옙n per hand, zoals de Hoatzin, maar alleen in onvolwassen staat. Alle vogels hebben klauwen in embryonale staat, die ze verliezen voor het uitkomen. Hoatzin lijkt een geval te zijn waarin de klauwen bij uitzondering nog een tijdje na de geboorte aanwezig zijn.
21. De fibula is evenlang als de tibia.
Net als bij dinosauri�rs. Bij vogels is er van de fibula hooguit een klein stompje over.
22. Metatarsals (voetbeentjes) zijn onversmolten.
In feite het zelfde verhaal als bij nr. 17, maar nu bij de voetbeenderen. De voetbeenderen van vogels zijn versmolten tot een been dat de tarso-metatarsus wordt genoemd. Archaeopteryx beschikt hier niet over.
23. Gastralia aanwezig.
Gastralia zijn ‘buikribben’, kleine beentjes die langs het onderlijf van sommige reptielen lopen. Ook in Archaeopteryx zijn ze aanwezig, niet bij vogels.

Conclusie:
Veruit de meeste kenmerken van Archaeopteryx zijn typisch reptielachtig. Al met al beschikt hij over slechts één kenmerk dat niet ook in dinosauriërs wordt gevonden, namelijk nr.2.

De lange, naar achter gekeerde hallux. Gregory S. Paul heeft dan ook geconcludeerd dat Archaeopteryx taxonomisch gezien een dinosauriër is, met genoeg kenmerken om binnen de familie der Dromaeosauriërs te worden geplaatst. Hij vermelde er tevens bij dat verschillende dinosauriërs zoals Dromaeosauri�rs, Troodons en Oviraptora nog meer vogelachtig zijn dan Archaeopteryx. Er blijft van de bewering van Gish dus niks over dan een rokende ruïne. Je kunt van een dier nou eenmaal niet zeggen dat het een vogel is als het er niet uit ziet als een vogel. Hij heeft beweerd dat wetenschappers in hun verbeelding Archaeopteryx meer reptielachtiger hebben willen maken, terwijl nu blijkt dat hijzelf er veel meer vogelachtige kenmerken aan heeft gefantaseerd, zo beweerde hij dat de kop en hersenen van het dier ‘volslagen vogelachtig’ waren. Niets is minder waar, voor een vogelachtige structuur in de schedel en hersenpan is in het geheel geen bewijs.

Maar zouden we hieruit kunnen concluderen dat Archaeopteryx in het geheel niks met vogels te maken heeft en dat het een doodgewone kleine dinosauriër is? Nou nee, laten we niet vergeten dat veel van de reptielachtige kenmerken van Archaeopteryx verder alleen worden teruggevonden in dinosauriërs die al reeds als vogelachtig worden beschouwd, zoals Dromaeosauriërs, Oviraptors en dergelijke. Het dier bevind zich wel in de vogelstamboom, maar helemaal aan het begin. De veren waren assymetrisch, wat wijst op een goede vlieger. Wellenswaar beschikte hij niet over een groot borstbeen waaraan de vleugelspieren waren bevestigd, maar dit is niet noodzakelijk om te kunnen vliegen, vleermuizen beschikken er ook niet over. Toch is het waarschijnlijk meer realistischer dat het een zwever zou zijn geweest. De lange, naar achter gekeerde hallux, een volwaardig vogelachtig kenmerk dat in geen enkele dinosauri�r wordt aangetroffen, geeft aan dat het om een boombewonend dier ging. Archaeopteryx was ongetwijfeld in staat om met zijn vingerklauwen bomen te beklimmen, zoals moderne vleermuizen en het Hoatzinkuiken doen. Eenmaal in de bomen kon hij met behulp van zijn hallux op takken gaan zitten en rondspeuren naar insecten of ander voedsel. Met zweefvluchten kon hij afstanden afleggen van de ene naar de andere boom, of insecten in het voorbijkomen uit de lucht grijpen. Het is zeer realistisch dat een dergelijke levenswijze, die lijkt op die van moderne vliegende eekhoorns en het vliegend draakje, gestalte heeft gegeven aan het echte vliegen van de vogels die kort daarna zouden volgen.


Bronnen:

1 The Marshall illustrated encyclopedia of dinosaurs & prehistoric animals, Cox & Palmer 1988.

2 Prehistoric life, the rise of the vertebrates, Norman 1994.

3 Dinosaurs and how they lived, 1987.

4 The Book of Life, S.J.Gould 1993.

imagesAll About Archaeopteryx

imagesDromaeosaurid Archaeopteryx

Evolutie van de eerste VOGELS
Pharyngyla links
Beste specimen ooit
The 10th skeletal specimen of the Archaeopterygidae (collection number WDC-CSG-100) in ventral view. (A) Skeleton with wing and tail feather impressions. (B) Ultraviolet-induced fluorescence photograph to show the preserved bone substance.
Skull of the new Archaeopteryx specimen. (A) Overall view as preserved. (B) Ultraviolet-induced fluorescence photograph. (C) Interpretative drawing. ch, choanal process of palatine; dt, dentary teeth; ec, ectopterygoid; fr, frontal; hy, hyoid; j, jugal; la, lacrimal; md, mandible; mf, maxillary fenestra; mx, maxilla; na, nasal; pa, parietal; pf, promaxillary fenestra; pg, pterygoid; pj, jugal process of palatine; pm, praemaxilla; pt, palatine; q, quadrate; sc, plates of sclerotic ring;?v,?vomer. (D) Detail of antorbital fenestra with palatine bone.
Selected post-cranial bones of the new Archaeopteryx specimen. (A) Right coracoid in cranial view. (B) Left coracoid in lateral view, proximal end of left humerus in caudal view, and left scapula in lateral view. (C) Right tarsus in cranial view. (D) Left foot in dorsal view. (E and F) Right foot in dorsal (E) and dorsomedial (F) view. as, astragalus; ap, ascending process of astragalus; bct, biceps tubercle; ca, calcaneus; co, coracoid; dt, dentary teeth; fe, feather impressions; fi, fibula; fns, foramennervi supracoracoidei; gl, glenoid process of coracoid; hu, humerus; mt1, first metatarsal; pla, lateral process of coracoid; sca, scapula; tr, proximodorsally expanded articular trochlea of first phalanx of second toe. White arrows in (C) indicate the margins of the ascending process of the astragalus; pedal digits are numbered in (D) to (F).
Hersenonderzoek bij archaeopteryx
/2004
Onderzoekers van het Natuurhistorisch Museum van Londen hebben de versteende resten van hersenen uit een Archaeopteryx schedel geprepareerd.
Deze versteende hersenen “ technisch ” bekend als endocasts – hadden de grootte van een kootje van een menselijke pink.Met behulp van röntgenstraling (X-ray computed tomography) werd een serie van opnamen van een hoge resolutie gemaakt, waardoor de structuur van de hersenen en het binnenoor tot in detail gereconstrueerd kon worden.
In het geval van Archaeopteryx was de brandende vraag: kon het beest vliegen?
Tot nu toe moest deze vraag beantwoord worden door de interpretatie van het skelet en de veren. En dat was niet makkelijk.
—>Het borstbeen was fragiel, waardoor er twijfel was of de spieren van de vleugels wel een aanhechtingsplaats hadden.
—->En van de meeste exemplaren waren de veren niet tot nauwelijks geconserveerd.
Het gaat bij het vliegen echter niet alleen om de vleugels maar ook om de aanwezigheid van een boordcomputer.
de hersen-scans scan tonen dat Archaeopteryx alle stuur-structuren bezat voor succesvol vliegven ” zei co- auteur Dr Milner. De hersenen van de nu onderzochte Archaeopteryx lijken in veel opzichten op de hersenen van tegenwoordige vogels.
We hadden verwacht een dinosaurus-achtig brein te ontdekken
zei Dr Milner
“maar het was integendeel een kompleet vogelbrein “
Ze zijn evenwel groter dan die van reptielen maar kleiner dan vogels.
” Vogels met dezelfde lichaamsmassa als archaeopterys hebben hersenen die 33 % tot 5 x groter zijn …
Het brein van archaeopteryx is ongeveer 3x het volume van niet-vogelachtige reptielen van vergelijkbare lichaamsgroote “
Gedetaileerde scans, stelden de onderzoekers in staat acuratere metingen over de grote van het brein in kwestie uit te voeren wat ook de vergelijking met andere vogel en reptiel hersenen vergemakkelijkte

Scale bar, 10 mm. a, Original prepared specimen in left lateral view6. b, c, 3D reconstructions of braincase based on X-ray CT data; left lateral view (b) and posterior view (c) showing right side collapse. d, e, Stereopair of restored braincase in oblique right-anterior view (d) and posterior view (e). Elements from the left side are reversed except for the right quadrate. L and R indicate left and right. Abbreviations: *BO?, ?basioccipital fragment; ca, crista arcuata; cq, mandibular condyle of quadrate; F, frontal; fm, foramen magnum; LS, laterosphenoid; met, metotic; O, opisthotic; oc, occiput; opq, orbital process of quadrate; otq, otic wing of quadrate; P, parietal; pcq, pterygoid condyle of quadrate; pop, paroccipital process of opisthotic; PR, prootic; Q, right quadrate; *SO, supraoccipital fragment; V, trigeminal nerve foramen; VII, facial nerve foramen. Original imagery available at < http://www.DigiMorph.org >.

<Braincase of the holotype of Archaeopteryx lithographica (BMNH 37001).

Figure 1 Full size figure and legend (54K)

Scale bar, 1 mm. Abbreviations: ptf, pterygoid facet; pnf, pneumatic foramen; mc, mandibular condyle; opp, optic process; otc, otic capitulum. See also Supplementary Information for clear views of the pneumatic foramen.

<Right quadrate of BMNH 37001 in medial view.

Elements from the left side are reversed. Scale bar, 10 mm. a, Right lateral view. b, Dorsal view. c, Posterior view. Abbreviations: c, cerebrum (telencephalon); cb, cerebellum; fl, floccular lobe of the cerebellum; fm, foramen magnum; mo, medulla oblongata (rhombencephalon); o, olfactory lobe; ol, optic lobes (metencephalic tectum); ot, olfactory tract; pc, cerebellar prominence; pg, pineal gland (epiphysis); ss, semicircular sulcus. Cranial nerves: II, optic; III?, possible oculomotor; V, trigeminal; VII, facial; VIII?, auditory (or endolymphatic duct, see Fig. 5); IX?, glossopharyngeal; X, vagus; XII, hypoglossal. Original imagery available at < http://www.DigiMorph.org >.

<Restored endocast of the brain of BMNH 37001
rendered as a shell.

Figure 3 Full size figure and legend (100K)

imageshttp://www.nhm.ac.uk/nature-online//virtual-wonders/vrbraincase.html
Archaeopteryx, is the earliest known flying bird, about the size of a magpie. However, until now we have been unsure about how sophisticated its flying may have been. The brains of modern birds are adapted for flight, and this reconstruction of Archaeopteryx’s braincase was done in to to find out how similar it was to our familiar modern birds.

Measuring the 3D reconstruction has shown that that Archaeopteryx had enlarged brain regions for sight and control of movement, similar to modern-day birds. Its brain to body size-ratio resembled that of today’s feathered fliers. These qualities are not found in animals that do not take to the skies.

Its very likely that Archaeopteryx had a keen sense of sight, and the movement and balance control needed for controlled flight, and not just gliding. Follow the story to see the evidence…

Endoencephalic volumes of recent birds from ref. 17, brain masses for recent reptiles based on ref. 29; corrected to volumes using delta = 1.036 g cm-1 (refs 3, 17). Mass for BMNH 37001 based on mass = 468 g10, horizontal error bar indicates masses from 350 g to 500 g and the estimation of Jerison14. See also Table 1 in Supplementary Information.

<Encephalization index for birds, reptiles and BMNH 37001.

3D model based on X-ray CT. Scale bar, 2 mm. a, Lateral (external) view. b, Anterior view. c, Posterior view. Abbreviations: aa, anterior ampulla; ac, anterior canal; cc, common crus; cd, cochlear duct; fr, fenestra pseudorotunda; fv, fenestra vestibuli (fenestra ovalis); la, lateral ampulla; lc, tentative course of lateral canal; LO, left opisthotic; pc, tentative course of posterior canal; pc (u), posterior canal (upper part); PR, prootic; sa, sacculus; ut, utriculus; VIII?, acoustic nerve or endolymphatic duct. Original imagery available at < http://www.DigiMorph.org >.

<Right inner ear of BMNH 37001.

Figure 5 Full size figure and legend (28K)

3D reconstruction of right inner ear of Archaeopteryx (path of missing parts indicated by blue wires).
1. The anterior semicircular canal is elongated and flexed as it is in birds for enhanced spatial sensory perception (balance and position).
2. The cochlea duct houses the hearing organ (lagena). Its length suggests good hearing ability.

Both of these features add weight to the idea that Archaeopteryx was an accomplished flyer.

Kate Ravilious /The Guardian, Thursday 5 August 2004

Patricio Dominguez Alonso of the University of Madrid and his colleagues report in Nature that archaeopteryx, which had the teeth and claws of a dinosaur but also feathers and wings, had a brain similar to a modern sparrow’s – with all the features necessary for flight.

Using state-of-the-art technology, the Madrid team found evidence that archaeopteryx could soar. The 2cm skull of a fossil, acquired by the Natural History Museum in London in the 19th century, was taken to the University of Texas for scanning by x-ray computed tomography, to build a 3D computer model of the brain. The tests showed archaeopteryx had good balance and eyesight and a brain equipped for flight.

The findings may push the origins of bird flight further back. “If flight was this advanced by the time archaeopteryx was around, were birds flying millions of years earlier than we’d previously thought?” asked Angela Milner of the Natural History Museum

a, Anterior and posterior semi-circular canals. b, Length of the cochlea. All data on modern taxa were taken from ref. 23 (see also Supplementary Information) except Alligator22. For sources of data on fossil taxa see Table 2 in Supplementary Information.

Figure 6 Full size figure and legend (57K)

Comparative proportions of the inner ear of BMNH 37001, selected recent birds, archosaurs and non-archosaur reptiles.

Het artikel

De gereconstructureerde beelden van de endocast en het middenoor zijn uitzonderlijk
(Meer foto’s en QuickTime movies) click hier voor de ” online digital data ” —>

Het visuele centrum is goed ontwikkeld.
Ook de kanalen in het binnenoor lijken meer op die van vogels dan reptielen.
Deze kanalen hebben een belangrijke functie gehad bij de co철rdinatie van hoofd- en oog-bewegingen en het evenwicht.
PATRICIO DOMÍNGUEZ ALONSO1, ANGELA C. MILNER2, RICHARD A. KETCHAM3, M. JOHN COOKSON5 & TIMOTHY B. ROWE4
1 Departamento de Paleontologia, Universidad Complutense de Madrid, Ciudad Universitaria, 28040 Madrid, Spain
2 Department of Palaeontology, The Natural History Museum, Cromwell Road, London SW7 5BD, UK
3 High-resolution X-ray CT Facility,
4 Department of Geological Sciences, 1 University Station C1110, University of Texas at Austin, Austin, Texas 78712, USA
5 University of Hertfordshire, Hatfield, Herts AL10 9AB, UK
Correspondence and requests for materials should be addressed to A.C.M. (A.Milner@nhm.ac.uk).
Archaeopteryx, the earliest known flying bird (avialan) from the Late Jurassic period, exhibits many shared
primitive characters with more basal coelurosaurian dinosaurs (the clade including all theropods more bird-like
than Allosaurus), such as teeth, a long bony tail and pinnate feathers.
However, Archaeopteryx possessed asymmetrical flight feathers on its wings and tail, together with a wing feather
arrangement shared with modern birds. This suggests some degree of powered flight capability but, until now,
little was understood about the extent to which its brain and special senses were adapted for flight.
We investigated this problem by computed tomography scanning and three-dimensional reconstruction of the
braincase of the London specimen of Archaeopteryx.
Here we show the reconstruction of the braincase from which we derived endocasts of the brain and inner ear.
These suggest that Archaeopteryx closely resembled modern birds in the dominance of the sense of vision and in
the possession of expanded auditory and spatial sensory perception in the ear.
We conclude that Archaeopteryx
had acquired the derived neurological and structural adaptations necessary for flight.
An enlarged forebrain suggests that it had also developed enhanced somatosensory integration with these special
senses demanded by a lifestyle involving flying ability.
°
Die studie vond dat de bouw van het gehoororgaan van de archaoperyx ( net zoals de hersenen ) eveneens tussen reptiel en vogel in
staat …( een feit dat door de creationisten NIET word verder besproken )
Zowel de studie van het brein als van het inwendige oor bevestigen dat archeopteryx een transitionnal is tussen reptielen en vogels …
De auteurs stellen zelfs expliciet in hun artikel dat
we hebben data gepresenteerd in grafische vorm die aantonen dat de semicircular canals van archeoptereryx een vorm hebben die tussen dinosauriers en vogels inligt …”
Echter de proporties van de semi circulaire kanalen in het binnenoor en tde cochlea, liggen binnen de groep van de moderne vogels
Daaruit kan men ( voorlopig ) belsuiten dat de archaeopteryx eerder een vroege ” echte” vogel was die zich al geruime tijd van de reptielen had
afgesplitst …
Er is ook vergelijkbaar onderzoek gedaan naar de bouw van hersenen bij andere groepen van reptielen, zoals de Pterosauria.
Witmer (2003) ontdekte dat deze
groep een uitbreiding en reorganisatie van de hersenen en het binnenoor had die veel leek op Archaeopteryx.
Verder is de verhouding tussen de hersenen versus de totale lichaamsgrootte bij beide groepen vergelijkbaar.
Volgens evolutionisten hebben deze twee groepen onafhankelijk van elkaar( convergent ) het vermogen om te vliegen ontwikkeld.
Pterosauria moeten dat volgens de evolutionaire schema’s echter zelf van de grond af aan hebben gedaan.
Het beeld is echter nog gecompliceerder, want de hersenen van sommige Theropoda (jagende dino’s) hebben ook vergelijkbare kenmerken.
De vogelachtige niet-vliegende Theropoda zoals Velociraptor zouden beschouwd moeten worden als secondaire afstammelingen van vroege Archaeopteryx-achtige oer-vogels.?

Witmer stelt dat

“deze onafhankelijk ontstane overeenkomstige structuren de indruk wekken dat er inderdaad bepaalde fundamentele neurologische voorwaarden zijn voor het vliegen.

Dom챠nguez Alonso et al. (2004) verklaren “
Archaeopteryx had in essentie de juiste zaken aan boord om te vliegen.”
voorlopig konkludeerd men

–> Het lijkt erop dat we meer details hebben gevonden over
transitionele veranderingen in de vogel-afstammingslijnen ( archaeopteryx is een vroege vogel met veel mozaik-kenmerken die nog aan de reprielen
herinneren ) en
–> over de voorwaarden waaronder vliegen ( en de evolutie daarvan ) mogelijk is
Het hermodelleren van het brein naar het vogelbrein toe , is veel vroeger ingezet dan de 147 miljoen jaar van de archaeopteryx gedurende het late jura
—> De convergente toename in zichtcentra in pterosauriers is een verdere aanwijzing dat zowel aerodynamische vleugel als een
krachtig centraal zenuwstelsel , integraal deel uitmaken van enrgiek en aktief vliegen
Researchers gaan verder fossielen van andere vogels aan hetzelfde soort onderzoek onderwerpen op zoek naar verdere aanwijzingen over vroege vlucht -evolutie
 

Er zijn echter geen “vogel” fossielen bekend die ouder zijn dan het onderzochte londense specimen

Slechts 6 archaeopteryx fossielen zijn momenteel bewaard , en slechts één daarvan is een gevederd -voorbeeld …
BLUB BLUB BLUBBER
creationitische kommentaren
in hun kommentaar schrijven de creaton lui ;
Het kan wel zijn dat Archaeopteryx in essentie de goede zaken aan boord had om te kunnen vliegen, maar het is niet
genoeg voor de reconstructie van de evolutie van reptielen naar vogels…..
°
—-> Echter volgens creato’s is het NOOIT genoeg …
bovendien zijn er nog vele andere goed gedocumenteerde aanwijzingen …
Ook zonder de hersenreconstructie is archaeopteryx al een zeer goed gedocumenteerde ” transitionnal “
voor een paar degelijke antwoorden zie –>
Jurre –> kenozoicum –
imageshttp://www.kenozoicum.nl
(zie hieronder na darwin )
Verder zit het creationistische kommentaar vol met de gebruikelijke creato kwakkels ;
zie bijvoorbeeld :
een kleine keuze daaruit ;
1.-
Het is een bekend probleem van de evolutietheorie:
—>de ene keer worden overeenkomstige structuren als homoloog aangemerkt en wijzen ze op een
evolutionaire verwantschap,
—>een volgende keer zijn overeenkomstige structuren onafhankelijk van elkaar ontstaan en is er sprake van convergente evolutie.
Het gewone “gevit” en gesneer over technische termen dus , waarvan de semantische betekenis voortdurend rethorisch kan worden verdraaid
het is meestal alleen maar een creationistische ” mening ” zonder enige onderbouwing met materieele aanwijzingen ( evidenties ) of
bewijsstukken … een mantra
—> Het echte probleem is dus het ” creationisme
2.-“KINDS ”
—-> Creationisten stellen dat de verscheidenheid aan levensvormen het gevolg is van een schepping van een aantal onafhankelijke basistypen,(
baramins en “bijbelse” kinds ? waarschijnlijk ) van waaruit een groot aantal soorten ontstaan zijn.
( door micro evolutie ? de zogenaamde “variatie” ? )-
Daarbij kunnen bepaalde kenmerken als veren, snavels of klauwen bij meerdere basistypen toegepast zijn.
het argument van de ” common designer
In een creationistisch basistypemodel wordt dit acceptabel geacht aangezien een beproefd concept vaker toegepast kan worden.
3.-
Archaeopteryx is een goed voorbeeld van een zogenaamde mozaiek-verdeling.
Het bezit een aantal kenmerken die gevonden worden bij reptielen en vogels.
—> Dat kunnen ze dus moeilijk nog bestrijden ….
vervolgens dus maar het volgende stukje rethoriek ;
Maar om een echte overgangsvorm te kunnen zijn is er meer nodig: een reeks van fossiele tussenvormen met een
goede documentatie van de ontwikkeling van cruciale organen als de veren.
—> zoals gewoonlijk vragen creationisten naar het onmogelijke :
de ECHTE MISSING LINK dus :
—> de gedetailleerde afstammingslijn met alle tussenstappen in zowel de rechtstreekse
lijn als mogelijke aftakkingen —> de vraag naar de generatie waarin de overgangsvorm in de rechtstreekse lijn die
behoort tot de nieuwe soort en onstaat uit de oude soort … de macro mutant in fossiele vorm bewaard …
4.- In die zin voldoet Archaeopteryx niet.
Het is een geïsoleerde groep van dieren geweest zonder voorouders of nakomelingen.
—> rechtstreeks “geschapen” als “basistype uit het niets indien van nergens afstammend en daarna vernietigd door uitsterving ? ”
veronderstel ik dus
—> Zat archaeoptheryx net als de dino’s op de ark van Noach ?
5.- En het blijft verbazingwekkend dat minder ver ontwikkelde tussenvormen
als de gevederde dino’s later in de geologische kolom opduiken dan Archaeopteryx
.
—-> die gevederde dino’s stierven uit na de stranding van de ark op de berg ararat ?
————————————————————————————
Oorspronkelijk nederlandstalig artikel gebruikt als aangever voor het verdere opzoekwerk :
http://www.creaton.nl/pages/news.php?id=87
zie ook
°
Een brein dat kon vliegen door kim de rijck, (kidr) 06/08/2004
Een brein dat kon vliegen
De Archaeopteryx was zo groot als een kraai. © John Sibbick/NHM
De Archaeopteryx, een prehistorische overgangssoort van reptielen naar vogels, had de hersenen om te vliegen, verraadt scanner-onderzoek van een fossiele schedel

Archaeopteryx leefde 140 miljoen jaar geleden in het Jura-tijdperk en was een belangrijke schakel in het ontstaan van de vogels uit de dinosaurusachtige reptielen. De lichaamskenmerken van fossiele Archaeopteryx-exemplaren sturen het debat al sinds de eerste vondst in 1861 in twee richtingen. De pluimen en sommige beenderen suggereren dat het dier kon vliegen als een vogel, het staartbot en de getande bek hebben dan weer meer van een reptiel, dat de klauwen halfweg de vleugels kon gebruiken om in bomen te klimmen om nadien in zweefvlucht weer neer te dalen.De Spaanse onderzoeker Patricio Dominguez denkt nu stevige aanwijzingen gevonden te hebben dat het dier echt kon vliegen.Hij legde een fossiele schedelhelft die losgemaakt was uit het historische Archaeopteryx-fossiel van het Natuurhistorisch Museum in Londen, onder een CT-scanner. Die scanner tast de schedel met röntgenstralen vlak per vlak af. Een computer verwerkt de gegevens en maakt een driedimensionaal model van de schedel. Op dat computerbeeld konden de onderzoekers zelfs de kleinste details aan de binnenkant van de schedel bestuderen.

Zo hebben ze gezien dat de Archaeopteryx grotere hersenen had dan reptielen met een vergelijkbare lichaamsgrootte, maar kleiner dan van moderne vogels.

Opmerkelijk is dat het deel van de hersenen voor de visuele waarneming, het zicht, net als bij moderne vogels goed ontwikkeld is, evenals de relatief grote evenwichts- en gehoororganen in het oor.

En het voorste hersendeel dat voor waarneming zorgt, is bij de Archaeopteryx vrij groot, zo beschrijven de wetenschappers in Nature.

Blijkbaar waren de kenmerken die nodig zijn om te vliegen en te navigeren, zoals een goed zicht en evenwichtsgevoel, bij de Archaeopteryx al ver ontwikkeld. De kans is dus groot dat hij kon vliegen, besluiten de onderzoekers.

Gelijkaardige hersenkenmerken werden eerder ook gezien bij fossielen van pterosaurussen, een prehistorische reptielensoort die kon vliegen. Dat lijkt te bevestigen dat deze hersenkenmerken ook bij andere soorten dan vogels nodig waren om te kunnen vliegen.

,,Wellicht gaan nu ook andere onderzoeksgroepen fossielen scannen die de overgang tussen reptielen en vogels vertegenwoordigen”, voorspelt Lawrence Witmer in een commentaarstuk in Nature.

,,Dan zal nog duidelijker worden welke hersenfuncties belangrijk waren voor die overgang in de evolutie, en hoe de dierlijke vliegkunst ontstond “

°

Leden Archaeopteryx en andere dino’s aan hersenbeschadiging?http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsnr.php?nummer=138

Veel fossiele dino’s – van de vliegende pterosauriërs tot exemplaren van Tyrannosaurus rex – worden in een bijzondere positie aangetroffen: met de bek wijd open, een achterover liggende kop en een naar achteren kromgetrokken ruggengraat. Nog duidelijker komt dat naar voren bij diverse exemplaren van Archaeopteryx, het dier dat lang bekend stond als de oervogel, maar dat nu meer algemeen wordt beschouwd als de eerst gevonden soort van de gevederde dinosauriërs.

Weinigen hebben zich ooit afgevraagd waardoor deze merkwaardige houding van relatief zoveel fossiele dino’s kan zijn veroorzaakt. Verder dan een opmerking dat de houding moet zijn gekregen bij transport van het kadaver door een stroom kwam het eigenlijk nooit. Merkwaardig genoeg is het bovendien moeilijk voorstelbaar hoe zo’n merkwaardige houding bij transport door water zou zijn verkregen.


Tekening van Archaeopteryx zonder verenkleed,
waardoor de positie van de botten duidelijker zichtbaar is.

Voor vee- en dierenartsen gaat het echter om een welbekende houding. Zij kennen hem van dieren die na een moeilijke doodsstrijd zijn omgekomen, zoals na vergiftiging met strychnine, aanrijding door een auto, etc. Ook neurologen kennen deze houding, en wel van mensen die zijn overleden aan bepaalde vormen van hersenbeschadiging zoals die optreedt bij langzame verstikking, hersenvliesontsteking, tetanus of vergiftiging, kortom bij oorzaken die leiden tot een langzame dood.

Sommige fossiele dino’s die in zo’n positie zijn gevonden moeten inderdaad zo’n moeilijke dood zijn gestorven, getuige hun laatste rustplaats in vulkanische as. Ze moeten gestikt of vergiftigd zijn, of wellicht een langzame en pijnlijke dood hebben ondergaan op een gloeiendhete ondergrond. Maar in veel andere gevallen is van zo’n herkenbare situatie geen sprake. Bij hen zou volgens recent onderzoek de doodsoorzaak moeten worden gezocht in een slopende ziekte, hersenbeschadiging, ernstig bloedverlies, gebrek aan bepaalde stoffen (zoals thiamine) of vergiftiging.


Skeleton Cast of Struthiomimus altus. This is one of the most complete skeletons of an ornithomimid, or bird-like dinosaur. The original is on display in New York City and was collected in Dinosaur Provincial Park. The striking pose results from the drying out of ligaments and muscles along the backbone after death. As they dry they pull the head back and the tail forward.

Royal Tyrrell Museum, Drumheller, Alberta, Canada. 

   

Struthiomus  altus in de klassieke houding van een dier met hersenbeschadiging
of overlijden door verstikking (foto American Museum of Natural History) ?

Als deze redenering juist is, dan is het een nieuwe aanwijzing dat dino- en pterosauri챘rs, net als zoogdieren, warmbloedig waren. Bij andere soorten fossielen is deze merkwaardige houding namelijk nooit aangetroffen (op zich een sterke aanwijzing dat transport van het kadaver niet de oorzaak kan zijn geweest). Koudbloedige dieren, zoals reptielen, gebruiken namelijk minder zuurstof en hebben daarom minder last van verminderde zuurstoftoevoer tijdens hun doodsstrijd.

Volgens de onderzoekers, waarvan er een zowel paleontoloog als dierenarts is, kan de houding van de dieren alleen worden verklaard door stuiptrekkingen die het gevolg zijn van aantasting van het centrale zenuwstelsel. Ze wijzen daarbij ook op de eerdere vondst van een exemplaar van Allosaurus (een op T. rex lijkende dino), waarvan de botten vervormingen toonden die wijzen op een bacteriële infectie die tot hersenvliesontsteking kan leiden, waardoor de hersenwerking kan worden aangetast en stuiptrekkingen kunnen optreden. Dit zou er weer op kunnen wijzen dat microorganismen – die in het water een dodelijke werking kunnen uitoefenen, zoals bij algenbloei – ook in het geologische verleden op land al een dergelijke rol gespeeld kunnen hebben.

Referenties:
  • Faux, C.M. & Padian, K., 2007. The ophistotomic posture of vertebrate skeletons: postmortem contraction or death throes? Paleobiology 33, p. 201-226.
2004
*De dierkundige Per Christiansen van de Universiteit van Kopenhagen en de paleontoloog Niels Bonde van het Geologisch Instituut in Kopenhagen maakten een nieuwe  studie van het meest bekende vogelfossiel, de Archaeopteryx.
Uit dit onderzoek werd duidelijk dat deze vogel zowel op zijn rug als op zijn poten lange veren had.
De onderzoekers zagen bij dit vogelfossiel op zijn rug de contouren van veren, die bij elkaar gebonden zaten, ook rondom de poten en waarschijnlijk aan het begin van zijn nek. De veren zien er verrassend modern uit en zien er volstrekt hetzelfde uit als de veren van vogels, zoals we ze nu kennen.
Verstand van vliegen
Het lijkt er ook steeds meer op dat de stamvader van de vogels, Archaeopteryx, zelfs ook al kon vliegen.
Zijn brein had daarvoor de noodzakelijke onderdelen, blijkt uit computermodellen.
Er bestond nog veel onenigheid of Archaeopteryx ook daadwerkelijk kon vliegen.
Maar computermodellen tonen nu aan dat het dier vogelachtige hersenen had.
Zo had Archaeopterix grote ogen, een flink bijbehorend hersengebied dat visuele informatie verwerkt en een voortreffelijk evenwichtsorgaan, schrijven paleontologen
in Nature.
Sluit dit venster
Een driedimensionale reconstructie van de schedel die de hersenen van Archaeopteryx overkapte. De rode vlekken zijn mangaankristallen, die zijn ontstaan tijdens het fossiliseren. Archaeopteryx wordt vaak gezien als de overgangsvorm van dinosaurus naar vogel. (Foto: Nature)
imageshttp://www.nhm.ac.uk/nature-online//virtual-wonders/vrbraincase.htmlArchaeopteryx, is the earliest known flying bird, about the size of a magpie. However, until now we have been unsure about how sophisticated its flying may have been. The brains of modern birds are adapted for flight, and this reconstruction of Archaeopteryx’s braincase was done in to to find out how similar it was to our familiar modern birds.Measuring the 3D reconstruction has shown that that Archaeopteryx had enlarged brain regions for sight and control of movement, similar to modern-day birds. Its brain to body size-ratio resembled that of today’s feathered fliers. These qualities are not found in animals that do not take to the skies. Its very likely that Archaeopteryx had a keen sense of sight, and the movement and balance control needed for controlled flight, and not just gliding. Follow the story to see the evidence…

De onderzoekers bestudeerden een afgietsel van ’s werelds bekendste Archaeopteryxfossiel, dat ligt opgeslagen in het Natural History Museum in Londen.
Sluit dit venster

Het Archaeopteryxfossiel in het Londense Natural History Museum. De hersenen van het dier ongeveer net zo groot als die van huidige vogels. (Foto: NHM)

Het fossiel zelf is plat, maar dankzij CAT-scans en driedimensionale computerbeelden kwam de oerschedel weer tot leven

Archaeopteryx had ‘verstandelijk’ vermogen tot vliegen

SAMENVATTING
Een van de meest tot de verbeelding sprekende fossielen is Archaeopteryx, de uit het Laat-Jura stammende oudst bekende vogel, waarvan zeven exemplaren bekend zijn.
Hoewel Archaeopteryx algemeen als vogel wordt beschouwd, vertoont hij nog veel kenmerken van bepaalde groepen dinosauri챘rs, zoals tanden en een lange staart.
Hoewel er geen twijfel aan bestaat dat hij een verenkleed had, is het altijd omstreden geweest of deze primitieve vogel ook heeft kunnen vliegen.

Of hij daadwerkelijk vloog, valt waarschijnlijk nooit meer te achterhalen. Maar de beantwoording van de vraag of hij in staat was om te vliegen, is een stuk dichterbij gekomen.Onderzoekers van het Museum voor Natuurlijke Historie in Londen hebben namelijk de hersenpan uit het in hun museum aanwezige exemplaar ge챦soleerd; dit onderdeel van de schedel is ongeveer 2 cm groot. Deze hersenpan is op de Universiteit van Texas onderzocht met een vorm van hoge-resolutie tomografie. Bij die techniek wordt met behulp van r철ntgenstralen een beeld verkregen van een bepaald vlak in een voorwerp. In feite onderzoekt men dan dus een heel dun plakje van het betrokken voorwerp. In dit geval waren die plakjes extreem dun: minder dan de helft van een blaadje papier. Door al deze extreem dunne plakjes als het ware op elkaar te leggen, wordt een drie-dimensionaal beeld van het voorwerp verkregen. Niet alleen van de buitenkant (die kan men immers ook gewoon zien), maar ook van het inwendige.
Zo kreeg het onderzoeksteam onder meer een beeld van het binnenoppervlak van de hersenpan. Die is niet geheel glad, want de hersenen (met hun kronkels, etc.) laten daar in de loop van tijd hun sporen op achter. Aan de hand van die sporen (indrukken) konden de onderzoekers dus heel nauwkeurig de vorm van de buitenkant van de hersenen reconstrueren. Dat gebeurde met digitale technieken. Ook van het binnenoor werd zo een zeer precies beeld verkregen. Vergelijking van de zo verkregen gegevens met soortgelijke gegevens van huidige vogels en reptielen kon op deze manier inzicht verschaffen in de ‘verstandelijke’ vermogens van Archaeopteryx.

  De onderzochte hersenpan

imageshttp://www.nhm.ac.uk/nature-online//virtual-wonders/vrbraincase2.html
Archaeopteryx braincase

Introduction

Archaeopteryx shares characters (similarities in body shape) with certain primitive dinosaurs, such as teeth, a long bony tail, and feathers. However, Archaeopteryx possessed feathers adapted for flight on its wings and tail. The wing feather arrangement is similar to that of modern birds.

The feather arrangement suggests some degree of powered flight capability, but little was understood about the extent to which its brain and special senses were adapted for flight.

Museum scientists and colleagues in the USA investigated this problem by 3D reconstruction of the braincase of the Natural History Museum’s specimen of Archaeopteryx, from computed tomography (CT) x-ray scanning images.Archaeopteryx

braincase  //Compare it yourself

imageshttp://www.nhm.ac.uk/nature-online//virtual-wonders/vrbraincase4.html

Comparison of the brains of modern reptiles, birds and Archaeopteryx

The reconstruction above is of the probable shape of the brain. The brain fits very closely to the inside of the skull, and the shape and size of above model was created by estimating this fit.
The nearest living relatives of Archaeopteryx are crocodiles, alligators and birds. Comparison with these shows that Archaeopteryx had a bird-like brain organisation indicating the dominance of vision and importance of balance. The size of the brain suggests that Archaeopteryx had also achieved the brain size and functional integration of these special senses demanded by a flying lifestyle.

Brain volume imageshttp://www.nhm.ac.uk/nature-online//virtual-wonders/vrbraincase5.html

graph showing that the Archaeopteryx brain / body weight ratio was similar to that of modern birds image showing the position of the brain

The volume of the brain compared to body size places Archaeopteryx much closer to the range for modern flying birds than previous estimates, again suggesting that it was adapted for flight.

The brain is relatively bigger than the brain of non-flying reptiles, including dinosaurs.

Het blijkt dat de hersenen van deze vogel veel gemeen hadden met die van de huidige vogels, al waren ze primitiever. Ze waren groter dan die van een hedendaags reptiel met vergelijkbare afmetingen, maar kleiner dan die van recente vogels van gelijke grootte. De opbouw was in wezen gelijk aan die van vogels, maar de gebieden die gericht waren op beweging waren groter. Ook waren de visuele centra groter dan bij de huidige vogels. De oudste vogel was sterk gericht op zien.De resultaten van het onderzoek van het binnenoor zijn zeer belangwekkend, omdat uit recent onderzoek is gebleken dat de karakteristieken daarvan sterk samenhangen met gedrag en leefwijze. Bij Archaeopteryx blijkt ook in dit opzichten een veel grotere gelijkenis te bestaan met recente vogels dan met recente reptielen, en bovendien blijkt dat co철rdinatie van hoofd- en oogbewegingen zeer goed moet zijn geweest.

Hiermee is de vraag of Archaeopteryx kon vliegen nog niet echt beantwoord. Daarom hebben de onderzoekers de verkregen gegevens vergeleken met die van soortgelijke gegevens die bestonden van een pterosauri챘r: een goed vliegend dier dat echter duidelijk tot de sauri챘rs (en dus de reptielen) behoorde. De verhouding tussen omvang van de hersenen en lichaamsgewicht blijkt voor Archaeopteryx en pterosauri챘r vrijwel identiek. Op basis van al deze (en meer) argumenten komen de onderzoekers tot de conclusie dat de hersenen van Archaeopteryx vliegen mogelijk moeten hebben gemaakt. En hun onderzoek bevestigt dat Archaeopteryx een tussenvorm is tussen sauri챘rs en vogels, maar meer met de laatste groep gemeen heeft dan met de eerste.

Literatuur:
Dominguez Alonso, P., Milner, A.C., Ketcham, R.A., Cookson, M.J. & Rowe, T.B., 2004. The avian nature of the brain and inner ear of Archaeopteryx. Nature 430, p. 666-669.
Stokstad, E., 2004. X-ray scan shows oldest known bird had a brain. Science 305, p. 764.
Witmer, L.M., 2004. Inside the oldest bird brain. Nature430, p. 619-620.

Zie ook:
images
Bezoek de website van de Nederlandse Geologische Vereniging en het elektronisch geologisch tijdschrift NGV Geonieuws.

Vogelbrein ontstond eerder dan de vogel zelf

 01 augustus 2013  1
Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

vogelbrein

Wetenschappers hebben ontdekt dat dinosaurussen lang voordat ze (in de vorm van vogels) het luchtruim kozen al het brein ontwikkelden dat nodig was om te kunnen vliegen. Blijkbaar ontstond het vogelbrein dus eerder dan de vogel zelf.

De onderzoekers trekken die conclusie in het blad Nature nadat ze de schedels van 24 verschillende soorten bestudeerden. Onder deze soorten bevonden zich onder meer moderne vogels, ‘oervogel’Archaeopteryx en niet-vliegende dinosaurussen zoals de Tyrannosaurus. De onderzoekers scanden de schedels en maakten er 3D-reconstructies van om het volume van de schedels en de grootte van verschillende delen van het brein vast te kunnen stellen.

°

Other ancient birds

Epidexipteryx

Epidexipteryx – a very small feathered dinosaur discovered in China and first reported in 2008(above). It had four long tail feathers but there is little evidence that it could fly.

Jeholornis – this creature lived 120 million years ago in the Cretaceous. It was a relatively large bird, about the size of a turkey. First discovered in China, and reported in 2002.

Sapeornis – lived 110 to 120 million years ago. Another small primitive bird about 33 centimetres in length. It was discovered in China and was first reported in 2002.

Xiaotingia, a chicken-sized dinosaur which dates back 155 million years to the Jurassic Period,reported in 2011.

Aurornis, which means “dawn bird” lived about 160 million years ago, about 50cm tail to beak reported in China in 2013.

°

Verrassing
Het onderzoek leverde een verrassing op. Zeker enkele niet-vliegende dino’s bleken hersenen te hebben die relatief gezien net zo groot of zelfs groter waren dan die van Archaeopteryx. Dat wijst erop dat sommige dinosaurussen het brein hadden om te kunnen vliegen. “Archaeopteryx werd altijd gezien als een unieke overgangssoort tussen de gevederde dinosaurussen en moderne vogels,” vertelt onderzoeker Amy Balanoff. “Maar door het schedelvolume van nauwverwante dinosaurussen te bestuderen, hebben we ontdekt dat Archaeopteryx mogelijk niet zo speciaal was.”

Veel dinosauriërs die op de grond leefden, beschikten al over een brein dat geschikt was om te vliegen. Daarmee is aangetoond dat het vogelbrein vermoedelijk niet ontstond door de evolutie van de eerste vogelachtige Archaeopteryx.

In plaats daarvan kwamen vogelhersenen al eerder op een veel complexere manier tot stand, zo melden Amerikaanse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

Archaeopteryx artwork

Archaeopteryx is no longer regarded as the only model of the “missing links”  for the transition from dinosaur to bird

CT-scans

De wetenschappers maakten CT-scans van gefossiliseerde dinosauriërbreinen van verschillende aan vogels verwante dinosauriërs, zoals oviraptors en de Zanazabar junior. Deze dieren konden nog niet vliegen.

A 3D rendering from CT scans of the troodontid dinosaur Zanabazar junior In this image the endocast (brain) is rendered opaque and the skull transparent

Dinosaurs like the troodontid Zanabazar junior had enlarged “bird brains”

Uit de studie blijkt echter dat hun hersenen al wel geschikt waren om het luchtruim te kiezen. De dieren hadden een relatief groot brein ten opzichte van hun lichaam, vooral hun voorste hersenen waren erg goed ontwikkeld.

Ook bij vogels is dit hersengebied relatief groot. De dieren gebruiken dit deel van hun brein voor de coördinatie en het goede zichtvermogen dat ze nodig hebben bij het maken van vluchten.

Zweven

Dat suggereert dat de evolutie van vogels op een zeer complexe manier verliep. “Het was niet zo simpel als: eerst konden dinosauriërs niet vliegen, en toen kwam de Archaeopteryx en die kon dat opeens wel”, zegt bioloog Adrian Thomas op BBC News.

“Er waren een heleboel dinosauriërs die tegelijkertijd de voordelen van zweven en vliegen verkenden. Sommigen maakten korte zweefvluchten vanuit bomen, anderen probeerden te klapwieken met primitieve vleugels”, aldus Thomas. “Vogels zijn de soorten die hiermee doorgingen op een succesvolle manier tot vandaag de dag.”


Verschillen
Het brein van vogels onderscheidt zich op verschillende manieren van het brein van moderne reptielen. Zo is het vogelbrein relatief groter. Dat is vooral goed te zien aan de voorkant van het brein. Dankzij zo’n ‘vogelbrein’ kunnen vogels onder meer zeer goed zien: een eigenschap die van pas komt in de lucht. Eerder onderzoek wees er al op dat verschillende eigenschappen die we in het verleden enkel aan vogels toeschreven – bijvoorbeeld veren en het vorkbeen in de borst – ook terug te vinden zijn bij sommige dinosaurussen die niet konden vliegen. En nu blijkt dat we het relatief grote vogelbrein aan dat lijstje met niet zulke unieke kenmerken kunnen toevoegen. “Als Archaeopteryx een brein had dat klaar was om te vliegen, en dat weten we bijna zeker, dan moeten ook andere niet-vliegende dinosaurussen dat gehad hebben.”

Een andere factor die moderne vogels in staat stelt om te kunnen vliegen, is een specifiek onderdeel in het brein dat ze gebruiken om informatie te verwerken en hun evenwicht te bewaren. De onderzoekers denken de equivalent van dit deel van het brein in de schedel van Archaeopteryxteruggevonden te hebben. Maar dit hersendeel konden ze niet vinden in het brein van de dinosaurussen die niet konden vliegen, maar wel (relatief) grotere hersenen hadden danArchaeopteryx.

Meer onderzoek zal moeten uitwijzen hoe dat precies zit.

Bronmateriaal:
Bird Brains Predate Birds Themselves” – AMNH.org
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door ©AMNH / A. Balanoff.

°

Zou de zorg voor de jongen (het broeden) en het leren aan de jongen om te overleven ook  te maken kunnen hebben met die hersenevolutie ?

—-> Wil je het gedrag van een dinosaurus bestuderen kijk dan naar de vogels.

—>  de vogels  zijn  de directe afstammelingen  van dinosauriers   die  zijn dus  helemaal  niet  (kompleet)uitgestorven…..Niet alleen de  basis -hersenen structuur , maar ook het skelet en de longen van dinosaurussen zijn sterk gelijkend   aan die van de vogels.

Jongen

De op de grond levende dinosauriërs met een vogelbrein gebruikten hun vergrootte hersenen waarschijnlijk voor andere zaken. “Grote voorhersenen worden ook geassocieerd met een verhoogd bewustzijn en de verzorging van jongen”, verklaart hoofdonderzoekster Amy Balanoff van de Stony Brook Universiteit in New York.

Het vogelbrein is niet de enige eigenschap van vogels die ontstond voordat dinosauriërs het luchtruim kozen. Veel op de grond levende soorten beschikten ook al over primitieve vleugels en veren.

Figure 1: Coelurosaur phylogeny and partitioned endocranial casts. a–e, Endocasts of Citipati osmolskae (IGM 100/978) (a), unnamed troodontid (IGM 100/1126) (b), Archaeopteryx lithographica (BMNH 37001) (c), Struthio camelus (ostrich) (d), and Melanerpes aurifrons (woodpecker) (e) divided into neuroanatomical partitions based on homologous osteological landmarks using computed tomography data. Partitions roughly correlate to the olfactory bulbs (orange), cerebrum (green), optic lobes (pink), cerebellum (blue) and brain stem (yellow). Endocasts are not scaled to size. f, Sagittally sectioned skull of Phaethon rubricauda with osteological landmarks highlighted to correspond to the regions shown in the endocasts. g, Phylogeny of included taxa. Proposed episodes of encephalization are indicated by changes in colour. Phylogeny adapted from ref. 30.

Figure 2: Bivariate plots of log-transformed body-mass data. a, b, Body mass (kg) plotted against total endocranial volume (cm3) (a) and cerebral volume (b). Crown birds display apomorphically high endocranial and cerebral volumes with respect to body size. Colours indicate crown birds (blue), non-maniraptoran theropods (white), Shuvuuia deserti (purple), oviraptorosaurs (red), deinonychosaurs (yellow), Archaeopteryx lithographica (green). Reduced major-axis regression line for entire sample (solid line), crown birds (large dashes), and non-avian theropods (small dashes). Regression statistics given in Supplementary Table 3.

 
Figure 3: Bivariate plots of log-transformed total-endocranial-volume data. a, b, Total endocranial volume (cm3) plotted against cerebral (a) and cerebellar (b) volumes. Colours are the same as in Fig. 2. Highlighting on the tree indicates those groups that share crown-like volumes. These can be interpreted as being either homologous (synapomorphic for a more inclusive group including crown birds) or convergent (appears in crown birds and more distantly related groups). Regression statistics are given in Supplementary Table 4.

Figure 4: Principal components analysis plot of neuroanatomical region volumes. Colours are the same as in Fig. 2. Complete volumetric isolation is indicated for Oviraptorosauria. A paravian (see Fig. 1) group is recovered in the principal components analysis (PCA) plot, but not an avialan (Archaeopteryx plus crown birds) volumetric grouping. PCA loadings are provided in Supplementary Table 5.

 

°( geplukte reacties  )

  1. “als je kan vliegen, heb je een evolutionair voordeel t.o.v. een organisme dat niet kan vliegen”
    *   ….Het ligt eraan wat de situatie is natuurlijk. Maar algemeen voordeel is minder energie verbruik, de botten zijn lichter en de wind helpt mee. Je kunt beter je territorium bekijken voor voedsel en/of potentieel gevaar en migraties gaan veel sneller waardoor er meer genetische diversiteit ontstaat en dus ook meer gevleugelde soorten met meer variatie. Een goed voorbeeld is de aasgier.
  2.  Het is niet noodzakelijkerwijs voordelig  . Maar je  mag  oorzaak en gevolg niet omwisselen : het vermogen is niet het gevolg van het voordeel, maar de oorzaak van het voordeel. Je moet dus eerst een vermogen hebben, voordat natuurlijke selectie daarop kan werken om het te versterken. Daarbij is de evolutieleer een leer van divergentie, van soorten die zich verschillende richtingen uit ontwikkelen. Er is geen enkel specifiek voordeel dat een noodzakelijke ontwikkeling is. Vogels hebben hun voordelen, zoogdieren de hunne. 
  3. “Dat suggereert dat de evolutie van vogels op een zeer complexe manier verliep.”                                                                                             *tenenkrommend slecht artikel dus wat de suggestie wekt dat evolutie in grote stappen zou plaatsvinden,(saltationisme )  terwijl al vanaf het begin door  evolutie wetenschap  aangenomen wordt dat het juist een uitgebreide opeenvolging is van geleidelijke veranderingen. Dat zegt over complexiteit in feite niets, want er is juist GEEN sprake van onverklaarbaar grote sprongen of evolutionaire gaten. Als iets stapje voor stapje, beetje voor beetje veranderd onder invloed van survival of the fittest en natuurlijke evolutie, dan is dat haast extreem simpel.
  4. natuurlijke selectie ontwerpt echter helemaal niks,het selecteert slechts ontwerpen.Deze [vernieuwde]ontwerpen ontstaan uit mutaties. 
  5. nog nooit waar dan ook bewezen dat er iets uit niets kan ontstaan.”                                                                                                                        *Juist! En daarom kan deen of DE   schepper ook nooit uit het niets zijn ontstaan.  

°

Menselijk brein vertoont overeenkomsten met vogelbrein

De hersenen van mensen vertonen qua organisatie opvallende overeenkomsten met het brein van duiven, zo blijkt uit nieuw onderzoek.

18 juli 2013

De hersengebieden in het menselijk brein zijn ondanks de zeer uiteenlopende evolutionaire onstaansgeschiedenis op een vergelijkbare manier met elkaar verbonden als de verschillende onderdelen in het brein van duiven.

Met name hersendelen die betrokken zijn bij bewuste denkprocessen en het langetermijngeheugen lijken op dezelfde manier ‘aangesloten’. 

Mogelijk verklaren de overeenkomsten waarom veel vogels in staat zijn tot intelligent gedrag. Dat melden onderzoekers van het Imperial College in Londen in het wetenschappelijk tijdschrift Frontiers in Computational Neuroscience.

Hersenscans

De onderzoekers kwamen tot hun bevindingen door de hersenen van duiven in kaart te brengen en deze scans te vergelijken met hersenscans van verschillende zoogdieren, waaronder mensen.

De hippocampus, een hersengebied dat is betrokken bij navigatie en het geheugen, bleek bij zowel duiven als mensen zeer sterk verweven met anderen delen van het brein.

Ook de prefrontale cortex van mensen lijkt op ongeveer dezelfde manier verbonden met omliggende gebieden als het vergelijkbare hersendeel bij vogels, de nidopallium caudolaterale.

 Evolutie  //   De uitkomsten van het onderzoek zijn opmerkelijk omdat de evolutie van het vogelbrein niet te vergelijken is met de ontwikkeling van menselijke hersenen.

“Vogels splitsten zich evolutionair gezien ongeveer 300 miljoen jaar geleden af van zoogdieren”, verklaart hoofdonderzoeker Murray Shanahan op nieuwssite Physorg.com.

Volgens de wetenschappers wijzen de overeenkomsten in breinorganisatie op een basaal principe dat verantwoordelijk is voor het vermogen tot intelligent gedrag bij zowel mensen als vogels.

 

Robotvogel

“Studies laten zien dat vogels zich opmerkelijk intelligent kunnen gedragen, op een vergelijkbare manier als apen en mensen”, aldus Shanahan. “Ons onderzoek toont aan dat we de basale principes voor dit gedrag kunnen vinden door hun brein te bestuderen dat dus wel intelligent gedrag kan generen, maar verder weinig lijkt op dat van ons.”

Als de wetenschappers erin slagen om dit basisprincipe in kaart te brengen, hopen ze hun bevindingen te gebruiken bij de ontwikkeling van robots die net als vogels intelligent gedrag kunnen vertonen.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

Klauw mogelijk bewijs evolutie dinosaurus in vogel

19-05-2006
RIO DE JANEIRO – Archeologen in Brazilië denken het bewijs te hebben gevonden dat dinosauriërs zijn geëvolueerd in vogels. Een fossiele klauw van een Maniraptoran dinosaurus is gevonden in Braziliaanse staat Minas Gerias. De klauw is volgens archeologen wel zeventig miljoen jaar oud.

april 2007

In Rusland zijn de goed bewaarde hersenen teruggevonden van een vogel van meer dan 90 miljoen jaar. De overblijfselen leveren nieuwe aanwijzingen over de evolutie van het pluimvee, volgens een gepubliceerde studie. De fossiel werd gevonden in oude geologische lagen van 95 en 93 miljoen jaar oud, dichtbij Melovatka, in de regio van Volgograde (800 km ongeveer ten zuiden van Moskou).
Endocranial cast of the Melovatka brain and associated bones (PIN 5028/2). (a) Left lateral view, (b) dorsal view, (c) right lateral view, (d) dorsocaudal view, (e) caudal view, (f) ventral view. Abbreviations: bs, basisphenoid; c, cavity of cerebellum; ec, endocasts of auditory, sphenoidal and other bone regions; ep, epiphysis; if, interhemispheric fissure; is, interorbital septum; ms, mesencephalon; mst, mesencephalon tectum (optic lobe); mt, metencephalon; ol, olfactory lobe; ot, olfactory tract; po, parietal organ; pr, pineal recess; ps, parasphenoid; t, telencephalon; tr, telencephalon recess; rs, paraspenoid rostrum and ts, torus semicircularis. Scale bar, 10 mm.
De resten bevatten de fijne elementen van de hersenen van de primitieve vogel, aldus het Instituut van paleontologie van de Russische Academie van wetenschappen. Zijn algemene vorm en zijn structuren zijn gelijk aan de hersenen van de fossiele vogels die reeds gekend waren, aldus de wetenschappers. Daarentegen brengt de fossiel onbekende elementen voort die tot nu toe wijzen op een nieuwe etappe in de zintuigevolutie van de vogels. In tegenstelling tot dat wat men over het algemeen geloofde, toont de fossiel van Melovatka dat de vergroting van de vogel-hersenen zich los heeft voorgedaan van de evolutie van de vlucht. (afp)
OO

ABCDEF woordenlijst … informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Archaeopteryx Zie ook: Overgangsfossiel Wat zijn … hebben deze structuur (die bijvoorbeeld aanwezig is bij de Archaeopteryx) verloren. Zie ook: Hoatzin DNA DNA …

AUSTRALOPITHECUS … gelegenheden om zich te distantiëren van beweringen zoals Archaeopteryx oplichterij is, dat de snelheid van het licht afneemt, en dat er …

DARWINJAAR … waagstuk aller tijden Gert Korthof 15.-Darwin en Archaeopteryx 16.-NIEUWE SYNTHESE ? De ” NIEUWE ” biologie ? De … moderne evolutiehandboeken aan de hand van de trefwoorden Archaeopteryx, Neanderthaler, Hyracotherium, Darwin finches, Iguanas, Tree of …

DINOSAURICON A … Neuquenraptor Archaeoceratops Archaeodontosaurus Archaeopteryx Archaeopteryx “Archaeoraptor” – now known as the bird Yanornis and …

DINOSAURICON F … (birds) Protarchaeopteryx 135 Archaeopteryx 147 Recent …

DINOSAURICON G … Plateosaurus Griphornis – junior synonym of the bird Archaeopteryx Griphosaurus – junior synonym of the bird Archaeopteryx “Gripposaurus” – nomen nudum; …

DINOSAURICON J … – junior synonym of the bird Archaeopteryx “Jurassosaurus” – nomen nudum; Tianchisaurus …

DINOSAURICON S … Juravenator and Tawa. A sister to Sinocalliopteryxpreceded Archaeopteryx and the rest of the birds. While Sinocalliopteryx lived later …

DINOSAURICON UVW … which compareswell with the 12 or more secondaries in Archaeopteryx (3). About18 secondaries are suggested for the dromaeosaurid … het woord, die dus dichter bij de moderne vogels staat dan Archaeopteryx. Volgens dit alternatieve model is Velociraptor — of zijn …

Dromaeosauridae … actief konden vliegen. De ontdekking van een fossiel van Archaeopteryx (algemeen geaccepteerd als de eerste vogel) waarin de … zijn aan de allereerste vogels, tot op het punt dat Archaeopteryx als lid van de dromaeosauriërs kan worden beschouwd. Als de … zijn geweest, die minstens zo geavanceerd zijn als Archaeopteryx, dan is de controversiële doch logische conclusie direct …

FOSSIELE VOGELS … gevonden, bij Solenhofen in Duisland. Het kreeg de naam Archaeopteryx macrura, wat letterlijk betekent ‘vroegere vogel met lange … in het Natuurhistorisch Museum van Berlijn. De archaeopteryx of ‘vogel-hagedis’ was reeds helemaal bedekt met veren, …

MICRORAPTOR GUI … hiervoor het bewijs. Toch is de eerste echte vogel, Archaeopteryx zo’n 25 miljoen jaar ouder! Hier lopen de meningen van de … kleine, gevederde dieren waren met armen zoals Archaeopteryx en voeten die lijken op die van in bomen klimmende dieren. Er …

Notes O:  The origin of species

Over Oren … oude reptielvogels en tetrapoden —>Archeopteryx archaeopteryx

TUSSENVORMEN BESTAAN NIET ? 1 … dat vormen zoals Tiktaalik, maar ook bijvoorbeeld Archaeopteryx en de fossiele tussenvormen uit de overgang naar walvissen en die … en verwanten. Kenmerken van reptielen en vogels, zoals Archaeopteryx en verwanten. Kenmerken van reptielen en zoogdieren, zoals …

VIRTUAL DINOSAURS and links … between the London and Berlin specimens referred to Archaeopteryx,” in: Geological Magazine, series 2, vol. 8 (1881), pp. … Dinner for Compsognathus, 1903 16a. Vogt’s Image of Archaeopteryx, 1880 17a. A British Iguanodon from Brussels, 1895 17b. …

VOGELEVOLUTIE … wel duidelijk te zien het grote verschil in de vingers van Archaeopteryx en hedendaagse vogels en de overeenkomsten met … a living fossil and equated these claws with those of Archaeopteryx, the ancestor of modern birds that lived 150 million years ago. … early maniraptoran Ornitholestes F: the Jurassic avialae Archaeopteryx G: the cretaceous enantiornithe Sinornis H: the wing of an …

Darwinvinken

 

°

°

http://people.rit.edu/rhrsbi/GalapagosPages/DarwinFinch.html

Modified from “A Field Guide to the Birds of Galapagos”

 

zangvogels  Galapagos-eilanden.

Inleiding en taxonomie

DARWIN VINKEN    vormen een  aantal verwante vormen zangvogels  die voorkomen op de galapagoseilanden

Binnen het dierenrijk behoren de Darwinvinken, ook wel eens Galapagosvinken genoemd, natuurlijk tot de klasse der vogels (aves). Ze behoren tot de grote orde der zangvogels (Passeriformes)en de familie der Gorzen (Emberizidae). Vroeger werden de darwinvinken tot een geslachtengroep (Geospizini) gerekend, nu hebben ze een eigen onderfamilie binnen de gorzen: de Geospizinae.

Geschiedenis

In de geschiedenis hebben de Galapagos-eilanden, en dus ook de darwinvinken een zeer belangrijke rol gespeeld, want toen de natuuronderzoeker en latere schrijver van de evolutietheorie Charles Darwin in de herfst van 1835 de Galapagos-archipel bezocht zag hij er de vele verwante soorten. Darwins bevindingen werden uiteindelijk gepubliceerd in On the origin of species, (1859) (24/11).

Indeling der geospizinae

Toen Darwin de geospizinae voor het eerst zag, was hem al meteen duidelijk dat elke soort zijn eigen snavelvorm en voedingsgewoonten had (hoewel de soorten van een geslacht soms hetzelfde soort voedsel eten, maar wel in andere maten en gewichten) en ook een eigen leefgebied, broedplaatsen en schuilplaatsen. Hij bedacht dat ze alle uit een dezelfde voorouder waren ge챘volueerd, om verschillende ecologische niches te bezetten. Dit deden ze omdat ze, toen hun vooroudersoort voor het eerst een populatie had gesticht op de Galapagos, moesten samenleven met twee of meer andere soorten (sympatrie). Hierdoor ontstond concurrentie met andere soorten en met soortgenoten om voedsel en andere dingen, zoals nestelgelegenheid. Individuen die lichte aanpassingen vertoonden bleven beter in leven, en gingen verder en verder divergeren, en zo werden uiteindelijk 14 soorten gevormd. Ook het isolement van de Galapagos speelde een rol door het aantal concurrerende soorten te beperken. Dit fenomeen, dat een soort zich in een aantal gewijzigde soorten splitst als het de kans krijgt een nieuw leefgebied in te nemen, heet adaptieve radiatie. De darwinvinken worden onderverdeeld in zes geslachten. Hieronder de verschillende geslachten en soorten.

  • Eters van gemengde kost, met een voorkeur voor plantaardige voeding: geslacht Geospiza, 6 soorten:
    • grote,
    • middelste en
    • kleine grondvink,
    • grote cactusvink met kegelsnavel,
    • cactusvink en
    • spitssnavelgrondvink.
  • Planteneters: geslacht Platysspiza: omvat 1 soort, de
    • plantenetende boomvink
  • Eters van gemengde kost met een voorkeur voor insecten: geslacht camarhynchus, omvat 3 soorten:
    • kleine,
    • middelste en
    • grote boomvink
  • Insecteneters: 3 geslachten met elk 1 soort op cactospiza na:
    • spechtvink en
    • mangrovenvink (cactospiza),
    • cocoseilandvink (pinaroloxias) en
    • insectenvinkje (certhidea).

 

Voortplanting van de Darwinvinken

Op de Galapagosarchipel valt het warme seizoen tussen januari en mei, en dit is de voornaamste broedtijd voor de Geospizinae. De grondvinken verlaten dan altijd het groene hoogland en vestigen zich in het droge gebied dicht bij de kust, dat nu groen aan het worden is. De grondvinken krijgen soms gezelschap van enkele kleine boomvinken en plantenetende boomvinken, maar de meeste van deze vogels nestelen in het hoogland. De cactusvinken verlaten het laagland nooit. Mannelijke Darwinvinken die nog geen wijfje hebben stelen regelmatig materiaal uit de nesten van hun buren om het voor hun eigen nest te gebruiken. Als er eenmaal een paar gevormd is, bekleedt het wijfje de binnenkant van het nest met gras, veren of orchillakorstmossen, en bij de grondvinken helpen de mannetjes hierbij. Het legsel telt 1 tot 5, meestal 3 eieren. Enkel het wijfje broedt. De broedtijd duurt 11 tot 14 dagen. In deze tijd voor het mannetje zijn vrouwtje op of vlakbij het nest. De beide oudervogels voeren hun jongen uit de krop met fijngemaakt voedsel. Na het uitvleigen worden de jongen enkel nog door het manentje gevoed. Sommige soorten zoals de spechtvink slaan soms een jaar over bij grote droogte en/of schaarste aan insecten. Na de broedtijd vormen jonge en oude vogels die tot soorten met eenzelfde voedingswijze behoren losse zwermen die tot 400 vogels kunnen tellen. De insecteneters leven voornamelijk solitair. De nesten worden soms gebouwd in een takvork, maar meestal tussen cactusstengels.

 

Snavelvorm en voedingswijze

Zoals reeds gezegd, kunnen we aan de snavels de ontstaansgeschiedenis van de Darwinvinken begrijpen. De snavelgrootte bij deze nauw verwante soorten geeft een zeer nauwkeurige indruk van de grootte en hardheid van de zaden waarmee zij zich voeden. De beide soorten cactusvinken eten voornamelijk delen van de schijfcactus (Opuntia galapageia) en wringen ook schors los om insecten te vangen. De kleine en spitssnavelgrondvink eten naast zaden, bessen en nectar ook nogal wat dierlijke kost: ze zoeken kleine zeediertjes tussen de rotsen van de laagwaterlijn en pikken teken van de rug van zeeleguanen. Qua voedingsgewoonten bestaan er vaak verschillen tussen de verschillende eilandvariëteiten van eenzelfde soort. Zo is de kleine spitssnavelgrondvink op Genovesa een bijna zuivere planteneter, terwijl zijn grotere neef op Isla Wolf, de grote of noordelijke spitssnavelgrondvink, die met zijn gewicht van 24 g bijna dubbel zo zwaar is de voorkeur geeft aan allerlei dierlijke kost, maar ook plantaardige kost versmaadt hij niet. Men heeft waargenomen dat deze vinken de ellebooghuid van broedende pelikanen openpikken om het bloed op te drinken. Deze merkwaardige gewoonte komt slechts bij enkele andere vogels, zoals de afrikaanse ossepikkers, voor. Bovendien eet de grote spitsssnavelgrondvink graag aas, op rotsen stukgeslagen krabben en gemorste hapjes vis bij de nesten van rotspelikanen. Tenslotte pikt deze vink ook graag eieren van zeevogels open en drinkt ze leeg. Bij het eten zoeken op de grond keren de grondvinken met hun snavel groge bladeren om en gooien ze tegelijkertijd om met de poten. Ook duwen ze losse steentjes met een poot weg en bewerken het met hun snavel, juist zoals een spechtvink dat op een tak doet. Bij de boomvinken geldt dat hoe groter de soort is, hoe meer hij zijn voedsel (hoofdzakelijk insecten) zoekt onder losgescheurde boomschors, waarbij ze vaak op de manier van mezen met de kop naar beneden aan een tak hangen. De verwante plantenetende boomvink pikt slechts zeer zelden insecten op, en bewerkt die zonder zijn poten te gebruiken. Het klein insectenvinkje is een bijna zuivere insecteneter en zoekt op de manier van mezen bosjes bladeren en takken af en vangt ook veel vliegende insecten, grote buit houdt hij evenals de boomvink met de poot vast. De cocoseilandvink voedt zich, aan de snavel te oordelen, op eenzelfde wijze.

Werktuiggebruik bij genus cactospiza

De twee soorten van het geslacht cactospiza, de spechtvink en de mangrovevink, gebruiken werktuigen (doorns van planten om insecten uit holten te peuteren.) De laatste wordt bijna alleen gevonden in de mangroven van Isabela (het grootste eiland) en Fernandina. Beide soorten vangen insecten op de wijze van spechten: ze hakken half vergaan hout uit elkaar en maken de schors van de stammen los, breken dunne takjes af en porren de insecten uit hun schuilhoeken. Dit doen ze echter niet met de snavel, maar met een cactusstekel of een dun stokje.

Overzicht van de dertien soorten darwinvinken en enkele bijkomende details

Grondvinken (Geospiza)

Snavel dik en vinkachtig, mannen zwart, vrouwen en jonge mannen grijsbruin mer vlekken. 6 soorten: grote grondvink(Geospiza magnirostis), middelste grondvink, kleine grondvink (Geospiza fuliginosa), spitssnavelgrondvink (Geospiza difficilis), cactusvink(Geospiza scandens) en grote cactusvink (Geospiza conirostris).

Plantenetende boomvink (Platyspiza crassirostris)

Enige soort van dit geslacht, langste darm van alle Darwinvinken, uitsluitend planteneter, 13,5 cm lang, 41 gram zwaar, snavel goudvinkachtig. Latijnse naam : Platyspiza crasirostris.

Boomvinken (Camarhynchus)

Lijken op bovenstaande soort. Bovenkant olijfgroen, onderkant vaalbruin. Bovenste deel van rug en borst met kleine zwarte vlekjes. Bovenkop oude mannen zwart. 3 soorten : kleine boomvink (Camarhynchus parvulus), middelste boomvink en grote boomvink (Camarhynchus psittacula).

Spechtvinken (Cactospiza)

Bovenzijde olijfgroen, onderzijde geelachtig grijs. Seksen identiek. Twee soorten: spechtvink (Cactospiza pallida) en mangrovevink (Cactospiza heliobates).

Insektenvinkje (Certhidea olivaeca)

9,5 cm lang, slanke priemsnavel, kortste darm van alle Darwinvinken, bijna uitsluitend insecteneter.

Cocoseilandvink (Pinaroloxias inornata)

Kleur als bij grondvinken, enige soort die niet op Gal찼pagos-eilanden, maar op Cocoseiland (ca. 800 km naar Noordoosten) leeft.

Externe links

http://www.eeb.princeton.edu/FACULTY/Grant_R/Grant_BR.html

http://www.eeb.princeton.edu/FACULTY/Grant_P/grantPeter.html

Darwinvinken
 

‘Darwin had helemaal niet door dat die Galápagosvinken belangrijk waren,’ vertelt Bieke Vanhooydonck, evolutiebioloog aan de Universiteit van Antwerpen. ‘Hij vond ze maar saai en determineerde ze als winterkoninkjes, lijsters en gewone vinken, soorten die ook op het vasteland voorkomen. Hij bewaarde ze allemaal bij elkaar in een grote zak zonder te vermelden van welk eiland ze afkomstig waren. Pas terug in Engeland bleek hoe speciaal ze waren. Darwin liet de vogels zien aan de beroemde ornitholoog John Gould, en die zei dat het een hele nieuwe groep vinken betrof.’

Toen pas realiseerde Darwin zich hoe stom het was geweest om niet op te schrijven waar hij de vogels had gevonden. Vlak voor zijn vertrek had de Britse gouverneur van de eilanden hem nog verteld dat de grote schildpadden per eiland een ander patroon op hun schild hadden. Misschien waren het zelfs aparte soorten. Zou dat ook voor de vinken gelden?

Gelukkig hadden kapitein FitzRoy en Darwins assistent Syms Covington ook vinken geschoten en zij hadden ze wel goed gelabeld. Uit hun gegevens bleek dat er maar liefst veertien verschillende vinkensoorten op de eilanden voorkwamen, elk met een unieke snavelvorm die aangepast was aan hun dieet. Sommige vinken aten alleen zaden, andere aten cactusvruchten, cactusbloemen, insecten en zelfs bladeren.

Oervink
Voor hij aan zijn reis begon, was Darwin creationist, zoals de meeste wetenschappers. Maar door de Galápagosvinken begon hij te twijfelen.

Waarom zou God voor elk eiland een aparte soort maken, terwijl die eilanden erg op elkaar lijken?

Hij speculeerde in 1837 al dat de verschillende vinken misschien allemaal uit een ‘oervink’ waren ontstaan. Op een beroemd kladje uit die tijd schetste hij de klassieke tree of life’, een stamboom waarbij verschillende soorten uit elkaar ontstaan. Maar het duurde nog zeker twintig jaar voor Darwin het ook echt opschreef in The Origin of Species: ‘Seeing this gradation and diversity of structure in one small, intimately related group of birds, one might really fancy that from an original paucity of birds in this archipelago, one species had been taken and modified for different ends’.

Bieke Vanhooydonck onderzoekt dezelfde vinken als Darwin. ‘Ik kijk naar een mechanisme dat “evolutionary trade-offwordt genoemd. Het komt erop neer dat specialisatie op het ene vlak betekent dat je iets anders moet inleveren. Elk voordeel heeft als het ware een nadeel.’

Ze onderzocht dit fenomeen oorspronkelijk bij hagedissen.

Vanhooydonck: ‘Om snel te kunnen lopen hebben die lange poten nodig, dan kun je grotere stappen maken. Maar voor hagedissen die langs boomstammen klauteren is dat niet handig. Als die hoog op hun poten staan, ligt hun zwaartepunt te ver van de boomstam af. Dat maakt klimmen moeilijk. Je kunt als hagedis niet tegelijkertijd korte poten en lange poten hebben. Dus je moet je specialiseren in lopen op vlakke, of steile oppervlakken.’

In de evolutieliteratuur wordt onder een trade-off vaak een beperking verstaan. Maar dat is niet altijd zo, aldus Vanhooydonck. ‘Op individueel niveau werkt het inderdaad beperkend: je kunt nu eenmaal niet en-en hebben, zoals die hagedis. Maar op soortniveau kan het juist variatie in de hand werken. Dan ontstaan al snel twee populaties die morfologisch van elkaar verschillen. Dat kan weer leiden tot nieuwe soorten.’

http://www.npowetenschap.nl/nieuws/artikelen/2010/februari/Vinken-met-een-grote-bek.html

 Bieke VanHooydonck

°

Grote bek
De bekgrootte van Darwinvinken is een mooi voorbeeld van zo’n trade off, zegt Vanhooydonck. ‘Een grote bek biedt veel ruimte aan kaakspieren, daar kun je harde noten mee kraken. Maar mannetjes met een grote bek krijgen minder makkelijk een vrouwtje, omdat ze niet zo mooi kunnen zingen. Een snel en gevarieerd riedeltje vereist namelijk een kleine, snel bewegende bek.’

Zo ontstaan er twee populaties: vogeltjes die mooi kunnen zingen en waarvan de mannetjes vaak zullen paren en veel nakomelingen krijgen. En vogels met een grote bek, die minder in trek zijn bij de vrouwtjes. Maar bij voedselschaarste zijn juist zij in het voordeel omdat ze met hun grote bek ook heel harde zaden kunnen kraken. Ze leven daardoor langer dan de schoonzingers, en de kans op nakomelingen is voor beide groepen dan ook even groot.

Vanhooydonck besloot ook de vorm van de vleugels van de vinken te onderzoeken. Dat was nog nooit eerder gedaan, terwijl bekend was dat sommige vinken slechte vliegers zijn. Het vliegvermogen werd gemeten door de vogels in het lab los te laten vanaf een zogeheten krachtenplaat, die meet hoe hard de vogel zich van de grond afzet. Met een hogesnelheidscamera werd de versnelling en het aantal vleugelslagen gemeten. Ook daar bleek inderdaad een verband tussen vleugelvorm en functie.

’Met grote vleugels kun je grotere afstanden afleggen, dat is voordelig als er voedselschaarste is. Maar om vrouwtjes te verleiden in de paartijd, moet een mannetje een ingewikkeld paringsdansje doen, met veel snelle vliegmanoeuvres. Dan is een andere vleugelvorm voordeliger.’

Het opvallendst vond Vanhooydonck de enorme variatie in vleugelvorm. ‘Daar verschoot ik echt van. Die vinken zijn dus op verschillende gebieden heel flexibel. Volgens mij is dat het geheim voor de succesvolle kolonisatie door een organisme.

Het onderzoek vergt intensief veldwerk. Vanhooydonck heeft al snel 180 vogels nodig voor haar experimenten. Zomaar een paar honderd vogels afschieten, zoals Darwin deed, is nu streng verboden – het zijn tenslotte beschermde dieren. De vogels worden doorgaans met netten gevangen en aan het eind van het experiment weer ongeschonden losgelaten. Toen de Vlaamse enkele exemplaren wilde opofferen om de bekspieren nader te onderzoeken, kreeg ze daar geen toestemming voor.

‘We moesten iets anders verzinnen, dus we zijn op zoek gegaan naar dode exemplaren langs de drukke weg tussen het vliegveld en het stadje. Toen bleek dat er ontzettend veel verkeerslachtoffers waren, niet alleen Darwinvinken, maar allerlei soorten vogels. De mensen van het Charles Darwin Research Centre hebben daar nu een onderzoek naar gestart.’

 

lost-2

Website: beagle.vpro.nl / Marian Tjaden – 7 februari 2010

 
 
 
Tijdens zijn reis op het onderzoeksschip de Beagle (1831-1836), deed Darwin zijn ideeën op over de manier waarop soorten kunnen veranderen.
Hij bezocht onder andere de Galapagos-eilanden, waar verschillende vinkensoorten leven.
Iedere soort heeft zijn eigen voedselvoorkeur.
De vinken verschillen van dunsnavelige insecteneters tot diksnavelige zadeneters.
Omdat ieder eiland zijn eigen vinkensoorten kent, bedacht Darwin dat zij allemaal moesten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder.
Door de verschillende omstandigheden per eiland konden er in de loop van de tijd verschillende vinkensoorten ontstaan.
 

Deze door Darwin verzamelde cactusgrondvink bevindt zich in de collectie van Naturalis
 
Darwin ontdekte de naar hem genoemde vinken (eigenlijk zijn het gorzen) in 1835 op 26-jarige leeftijd op de Galapagos-eilanden.
Hij bezocht de eilanden tijdens zijn reis met het schip de Beagle.
De groep Darwinvinken bestaat uit 13 soorten.
In totaal heeft Darwin 31 exemplaren verzameld.
Na zijn terugkeer in Engeland in 1837, droeg Darwin zijn collectie over aan de Zoological Society in Londen.
De meeste Darwinvinken werden opgezet en tentoongesteld in het museum van de Society.
Toen dit museum in 1855 werd opgeheven, verhuisden 22 exemplaren naar het Museum of Natural History.
Van de overige negen Darwinvinken zijn er vijf in de collectie van Naturalis terecht gekomen.
 
 
 
De vijf Darwinvinken van Naturalis die door Darwin zelf zijn verzameld, behoren tot drie soorten. Daarnaast bevat de collectie
nog acht soorten die door anderen zijn verzameld. Er ontbreken dus twee soorten Darwinvinken.
Foutje
Toen Darwin zijn Darwinvinken op de Galapagos-eilanden verzamelde, noteerde hij aanvankelijk niet van welke eilanden ze precies afkomstig waren.
Hij realiseerde zich toen nog niet dat hij hiermee een belangrijke vergissing maakte en dat er grote verschillen bestonden tussen de eilanden onderling.
In de wetenschap wordt de vindplaats van verzamelde planten en dieren genoteerd om inzicht te krijgen in het verspreidingsgebied en de verspreidingsgeschiedenis van soorten.
Bovendien zijn gegevens over de vindplaats van groot belang bij het ontrafelen van de verwantschap tussen soorten.
Na zijn terugkeer in Engeland heeft Darwin daarom alsnog geprobeerd de precieze herkomst van de Darwinvinken te achterhalen.
In een aantal gevallen zat hij ernaast, wat later voor veel verwarring heeft gezorgd bij andere onderzoekers die het materiaal bestudeerden.
Dit bewijst maar weer eens dat wetenschap mensenwerk is.
 
 
 
De vinken van de Galapagoseilanden vormen het opvallendste bewijs voor de evolutietheorie.
Ze stammen af van eenzelfde voorouder en lijken sterk op elkaar.
De verschillende soorten zijn te onderscheiden aan hun snavels. De snavelvorm is een aanpassing aan het soort voedsel.
Bovenaan staan twee zaden etende soorten, met grote sterke snavels. Onderaan staan insectenetende soorten met puntige snavels.
 
 
 
   
.Waarschijnlijk is er ooit een vinkenpaartje of een drachtig wijfje naar een van de eilanden gevlogen (gewaaid). Dat heeft zich daar voortgeplant en uiteindelijk waren er zoveel vinken dat er gebrek aan voedsel ontstond. Daarop zijn ze zich gaan aanpassen aan verschillende manieren van voedselverzamelen en zo ontstonden nieuwe soorten. (In werkelijkheid is het proces veel ingewikkelder, maar dat is voor gevorderden).  Onder de vele soorten die zich ontwikkeld hebben, zijn ook vinken die een stokje als gereedschap gebruikten om insecten uit holtes te peuteren.Meer weten?
Dieren op de Galapagoseilanden
Sluit dit vensterDe middelste grondvink was beter af zonder zijn familielid de grote grondvink. Foto B. Rosemary Grant.

Zo’n uitwaaiering van soorten heet een adaptieve radiatie. Adaptatie betekent aanpassing en een radiatie is een uitwaaiering. Zoals in de stamboom hierboven te zien is, ontstonden er o.m. zangers, cactuseters, grondvinken en boomvinken. Tot de laatste groep behoorden ook de spechtachtige vinken (linksboven).
In het boek ‘De snavel van de vink’ van Jonathan Weiner wordt beschreven hoe het echtpaar Grant op de Galapagoseilanden kon waarnemen hoe in slechte tijden de vorm en omvang van de snavels van de vinken meetbaar veranderde. In tijden van hongersnood waren de vinken met de sterkste snavels in het voordeel omdat ze dan harde zaden konden openmaken. Zij bleven in leven terwijl de vinken met zwakkere snavels omkwamen of hun jongen niet konden voeden.
Overigens evolueren niet alleen lichamelijke kenmerken, maar ook gedragskenmerken. Gedrag, instainct, is voor een groot deel erfelijk. Vaak is de barri챔re tussen nieuw-ontstane soorten volledig veroorzaakt door anderssoortig gedrag, zoals b.v. bij paringsrituelen.

Meer weten?
Darwin’s finches (in het Engels; met foto’s van alle soorten)

Sluit dit venster

De grote grondvink en zijn snavel.

Sluit dit venster

Een middelste grondvink en zijn snavel. Aardig, maar toch een beetje sneu vergeleken met die van zijn grote neef.

Sluit dit venster

Zo ziet een middelste grondvink met kleine snavel eruit. Overigens is deze darwinvink helemaal een stuk kleiner dan de grote grondvink. De eerste weegt gemiddeld achttien gram, de tweede rond de dertig gram.

 

 

 

Live evolutie

Vinken veranderen supersnel van snavel

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/29170227/

Het Amerikaanse biologen-echtpaar Grant was op een van de Galapagos-eilanden getuige van supersnelle evolutie. In slechts twee jaar verruilde de middelste grondvink zijn relatief grote snavel voor een kleiner formaat, onder druk van zijn grote neef. De Grants zagen het live gebeuren. Vandaag staat hun verslag in Science.

Het leven was mooi voor de middelste grondvink. Hij deelde het piepkleine Galapagos-eiland Daphne Major slechts met een andere vinkensoort en de voedzame zaden lagen voor het oprapen. Nee, deze darwinvink, ‘Geospiza fortis’ had niks te klagen. Tot de komst van zijn neef de grote grondvink, in 1982.

Behalve de vogels verbleven op het eiland twee Amerikaanse biologen, het beroemde echtpaar Peter en Rosemary Grant. Sinds de jaren zeventig zitten de twee al met hun neus bovenop de darwinvink. Ze wisten alles van ‘m, behalve hoe hij zou reageren op concurrentie. En terwijl de middelste grondvink de komst van zijn grotere familielid met lede ogen aanzag, knepen de Grants in hun handen. Hier was hun kans om evolutie live te aanschouwen.

De populatie van de middelste grondvink bestond uit qua uiterlijk twee verschillende vogels: die met een tamelijk grote bek en die met een relatief kleine snavel. De eerste aten voornamelijk grote zaden, degene met de kleine snavel richtten zich op kleine zaden. De grote exemplaren zijn weliswaar moeilijk te kraken, maar het eten daarvan levert netto nog steeds meer op dan het eten van een boel kleine zaden. Er vlogen dan ook meer vogels met grote snavels rond dan met kleine.

Maar toen kwam de familie op bezoek. De gelijkenis was treffend, maar de verschillen overduidelijk. De grote grondvinken waren een stuk flinker dan hun middelmatige neven en nichten en bezaten bovendien een zeer stevige snavel. Het kleine spul lieten ze achteloos liggen, want met het grootste gemak kraakten ze dikke schillen en pulkten de voedzame stukjes eruit. De komst van de krakers naar Daphne Major betekende dan ook directe concurrentie voor de goed gebekte middelste grondvinken. Of erger: oneerlijke concurrentie.

In het begin, bij het arriveren van de eerste vogels in 1982, was er geen probleem. De middelste vinken waren veruit in de meerderheid en de zaden die hun grote neven wegpikten misten ze nauwelijks. Maar de groep grote grondvinken groeide en bereikte zijn maximum in 2003, met ruim 350 dieren. En alsof Darwin zich wilde bewijzen, volgde nog dat zelfde en het volgende jaar een periode van grote droogte. Zaden werden schaars en de strijd erom bereikte een hoogtepunt. Vele vinken stierven.

Van de handvol vogels die overbleven, hadden de middelste grondvinken allemaal een kleine snavel. Degene met de grote bekken hadden het afgelegd tegen de grotere immigranten. Ze konden domweg niet op tegen de veel sneller pellende grote grondvinken en verhongerden.

En zo was de verdeling binnen de populatie van de middelste grondvinken in één klap omgekeerd. Had een mannetje voor de droogte van 2003 nog een gemiddelde snavellengte van 11,2 millimeter, in 2005 was die met vijf procent gedaald tot 10,6 millimeter. De ‘kleinsnaveligen’ waren nu in de meerderheid. Een enorm snelle verandering, zegt David Pfennig, evolutionair bioloog aan de Universiteit van North Carolina, in een bijbehorend nieuwsbericht van Science. “Ik had gedacht dat een dergelijke verschuiving veel meer tijd zou kosten.”

(Remy van den Brand)

Peter R. Grant en B. Rosemary Grant, ‘Evolution of character displacement in Darwin’s finches’, Science, 14 juli 2006

Elizabeth Pennisi, ‘Competition drives big beaks out of business’, Science, 14 juli 2006

How Darwin’s Finches Grew Their Beaks

Razendsnelle soortvorming
17 november 2009
http://www.nrc.nl/wetenschap/article2416060.ece/Razendsnelle_soortvorming

Het was een te grote vink met een te grote snavel, een buitenbeentje dat in 1981 in zijn eentje naar een eiland verderop vloog.
En zes generaties later is deze vogel de stamvader geworden van een nieuwe soort.(1)
Soortvorming blijkt geen kwestie van eeuwen.

Het befaamde biologenechtpaar Peter en Rosemary Grant beschreef het relaas van de vink in Proceedings of the National Academy of Sciences.

http://www.pnas.org/content/early/2009/11/12/0911761106.abstract

De twee doen al sinds 1973 onderzoek naar de vinken op de Galapagos-eilanden.
Charles Darwin beschreef dat die vinken op elk eiland anders zijn.
Het geldt als een klassieke onderbouwing van de evolutietheorie.

Het echtpaar Grant merkte en mat elk jaar vinken op het kale en onbewoonde eilandje Daphne Major in het centrum van de Archipel.
Al na acht jaar hadden ze meer dan 90 procent van alle vinken op het eiland in handen gehad.

In 1981 vingen de Grants een vink (een middelste grondvink) die veel groter was dan gebruikelijk – genetisch onderzoek wees uit dat het dier van een naburig eiland kwam. Bovendien bleek de grote vogel een hybride: deels grondvink, deels cactusvink.

De vink paarde op Daphne met een lokaal grondvink-vrouwtje dat ook hybride was.
Achtentwintig jaar volgden de Grants hun nakomelingen.
Die paren nu, in de zesde generatie, alleen nog maar met elkaar.
Een nieuwe soort is ontstaan, schrijft het echtpaar
.

Twee zaken waren beslissend.

Vanaf het eerste uur werkte de zang van de immigrant zijn integratie tegen.
Hij schaafde zijn zang bij door naar soortgenoten op Daphne Major te luisteren, maar leerde de roep niet correct.
Dat maakte hem, en zijn nakomelingen, minder aantrekkelijk voor lokale vrouwtjes.

Het jaar 2004 deed de rest.
Toen was het erg droog en dat bevoordeelde – om verschillende redenen – kleine exemplaren van de grondvink.
De afwijkende familie, met zijn grote vogels, raakte bijna uitgestorven.
Eén broer en zus overleefden.
Die paarden met elkaar, en hun nakomelingen leken opeens nog veel minder op de andere grondvinken.
En sindsdien paart de familie (niet meer dan zo’n twintig of dertig vogels) alleen nog onderling
.
Soortvorming heeft geen eenduidige oorzaak, concluderen Grant en Grant

www.wired.com/wiredscience/200…
www.nature.com/news/2009/09111…

(1)
The Grant’s aren’t yet ready to call 5110’s lineage a new species, a term fraught with difficulty for evolutionary biologists.

“There is no non-arbitrary answer to the question of how many generations should elapse before we declare the reproductively isolated lineage to be a new species,” they say. “For the present it is functioning as a [separate] species because its members are breeding only with each other.”

The Grants think there is only a small chance that 5110’s descendants will remain isolated long enough to speciate. If they do, the new species will have to be named: “When discussing these birds we call them ‘big birds’,” the Grants say. “That could be translated into Latin.”

 

Evolution of Character Displacement in Darwin’s Finches

Peter R. Grant*and B. Rosemary Grant abstract

Competitor species can have evolutionary effects on each otherthat result in ecological character displacement; that is, divergencein resource-exploiting traits such as jaws and beaks. Nevertheless,the process of character displacement occurring in nature, fromthe initial encounter of competitors to the evolutionary changein one or more of them, has not previously been investigated.Here we report that a Darwin’s finch species (Geospiza fortis)on an undisturbed Gal찼pagos island diverged in beak sizefrom a competitor species (G. magnirostris) 22 years after thecompetitor’s arrival, when they jointly and severely depletedthe food supply. The observed evolutionary response to naturalselection was the strongest recorded in 33 years of study, andclose to the value predicted from the high heritability of beaksize. These findings support the role of competition in modelsof community assembly, speciation, and adaptive radiations.

Department of Ecology and Evolutionary Biology, Princeton University, Princeton, NJ 08544–1003, USA.

* To whom correspondence should be addressed:

E-mail: prgrant@princeton.edu

Sinds Darwin weten we dat evolutie middels natuurlijke selectie werkt, en dat proces kan niet vooruit kijken.
Natuurlijke selectie werkt met maar 챕챕n generatie tegelijk.
Het uiterlijk van de huidige generatie wordt bepaald door welke individuen zich een generatie terug hebben kunnen voortplanten, en niet door een doel dat
ver in de toekomst ligt.
Bij de darwinvinken is het niet anders.

Tijdens een droge periode is voedsel beperkt en kunnen grote vinken met stevige snavels meer jongen grootbrengen, omdat zij zich in leven kunnen houden met de harde zaden die hun kleinere soortgenoten niet aankunnen.
Het gevolg in de daaropvolgende generatie: relatief veel vinken met grote snavels, afkomstig van ouders met grote snavels.
Dat is geen gevolg van een evolutionair streven naar grootsnaveligheid, maar van de opportunistische werking van natuurlijke selectie.
Het jaar daarop kan best extreem nat zijn en dan flipt de evolutie onder invloed van de veranderde ‘selectiedruk’ weer een andere kant op.
Snavelstaren op een eiland;
Evolutie op heterdaad betrapt bij de Darwinvinken op de Galapagos
(Felix Eijgenraam )
 
Het veldonderzoek van het biologenechtpaar Grant naar de Darwinvinken op de Galapagos Eilanden vormt een schitterende demonstratie van evolutie door natuurlijke selectie. Zelfs de kwantitatieve voorspellingen kloppen.Jeremy J. D. Greenwood (1993),
Theory fits the bill in the Galapagos Islands, Nature 362, 699.
Peter R. Grant (1991), Natural Selection and Darwin’s Finches. Scientific American, oktober, 60-65.
 
 
Weinig begrippen uit de biologie ontmoeten bij buitenstaanders zoveel onbegrip als het proces van natuurlijke selectie.
Zo luidt de populaire parafrase ervan ‘survival of the fittest’ – en die slogan lijkt verdacht veel op een tautologie.
Want wie zijn de ‘fitsten’? Degenen die overleven. En wie overleven? Juist: de fitsten.
Natuurlijke selectie weggewuifd als tautologie.
Maar zo simpel ligt het niet.
 
Natuurlijke selectie, ruim anderhalve eeuw geleden door Charles Darwin gepostuleerd als verklarend mechanisme voor zijn theorie van ‘evolutie door gemeenschappelijke afstamming’, heeft inderdaad altijd iets ongrijpbaars gehouden. Het is immers geen proces dat je een, twee, drie kunt observeren en het is misschien wel daardoor dat zoveel discussies over het onderwerp (zowel binnen de biologie als daarbuiten) ontaarden in semantische haarkloverij.
Terwijl het begrip toch zo helder en concreet is.
Darwin zelf al hanteerde in zijn Origin of species een definitie die aan duidelijkheid niets te wensen overliet.
Hij schreef:
‘Het behoud van gunstige variaties en de verwerping van nadelige variaties noem ik Natuurlijke Selectie’.
Tegenwoordig omschrijft men natuurlijke selectie als
‘de overleving en het voorplantingssucces van die individuen uit een populatie dank zij eigenschappen die de kans op overleving en voorplanting verhogen’.
Op zichzelf heeft het optreden van natuurlijke selectie nog geen evolutionaire consequenties.
Die volgen alleen maar wanneer de kenmerken waarop wordt geselecteerd ook (geheel of gedeeltelijk) erfelijk bepaald zijn, dus aan een volgende generatie worden meegegeven.
Sinds de fusie van de Darwins evolutietheorie met de Mendeliaanse genetica in het begin van deze eeuw twijfelt geen zinnig bioloog meer aan de werkelijkheid van natuurlijke selectie als motor van evolutionaire verandering.
Populatiegenetici leerden het begrip met wiskundige exactheid te hanteren.
Moleculaire genetici ontrafelden de erfelijke variatie waarop selectie aangrijpt tot op DNA-niveau.
En evolutiebiologen bevestigden in het laboratorium wat elke hondenfokker of duivenmelker allang wist, namelijk tot welke spectaculaire resultaten kunstmatige selectie kan leiden indien losgelaten op de verborgen genetische variatie in een soort.
 
 
In het wild
 
Blijft over “natuurlijke selectie in het wild” . Zo ongeveer alles in de biologie wijst erop dat die alomtegenwoordig is, maar hoe zeker zijn we daar eigenlijk van?
Beschikken we wel over harde bewijzen dat wat we in het laboratorium zo goed kunnen nabootsen, ook werkelijk in de natuur optreedt?
‘Een belangrijke vraag of een lastige, want natuurlijke selectie is niet makkelijk aan te tonen,”
zegt Peter Grant, hoogleraar zoologie aan Princeton University.
Samen met zijn vrouw Rosemary verrichtte Grant 20 jaar lang veldonderzoek aan Darwinvinken op de Galapagos Eilanden.
Het echtpaar documenteerde in die twee decennia niet alleen natuurlijke selectie bij de vinken, maar ook evolutie.
Peter Grant:
‘Men heeft lang gedacht dat natuurlijke selectie en evolutie in het veld wel nooit op heterdaad te betrappen zouden zijn.
Daarvoor, zo dacht men, gaan die processen veel te langzaam. Darwin zelf liet zich op dit punt in zijn Origin al heel pessimistisch uit.
Hij dacht dat natuurlijke selectie alleen maar over zeer vele generaties merkbare effecten op kon leveren, en daardoor op onze menselijke tijdschaal
onzichtbaar zou zijn. Maar dat blijkt alleszins mee te vallen.
Er zijn door de jaren heen al zo’n 130 tot 140 studies gedaan waarin natuurlijke selectie in het wild is aangetoond.”
‘Lastiger ligt het met de evolutionaire respons op die selectie, dat wil zeggen het effect op de nakomelingen.
Dat is veel moeilijker aan te tonen, want daarvoor moet je alle nakomelingen kennen, tot in de volwassenheid volgen, opmeten en vergelijken met de ouders
die de selectie overleefden.
Er bestaat maar een handvol klassieke studies waarin natuurlijke selectie of ” evolutie in het wild” onomstotelijk is aangetoond.
Maar die zijn in vergelijking met ons onderzoek vrij globaal.
Peter en Rosemary Grant, beide bioloog en van Britse afkomst, ontmoetten elkaar in 1960 als promovendi aan de Universiteit van Brits Colombia in Canada.
Ze promoveerden allebei op de evolutie van vogelpopulaties op eilanden en dit onderwerp heeft ze sindsdien niet meer losgelaten.
Peter begon zijn vinkenonderzoek op de Galapagos Eilanden in 1973.
Zijn doel: meer inzicht te krijgen in de relatie tussen erfelijke variatie en soortsvorming.
De geplande duur van de studie was vijf maanden.
Bijzondere plaats De Galapagos Archipel, een groep vulkanische eilanden ter hoogte van de evenaar in de Stille Oceaan zo’n 1000 kilometer uit de kust van
Equador, neemt in de geschiedenis van de evolutiebiologie een bijzondere plaats in.
Volgens de overlevering zou Darwin door de catalogisering van de plaatselijke vinken op de verschillende eilanden , ter plekke zijn ‘bekeerd’ tot zijn evolutietheorie, maar daar is volgens historici die de zaak onderzocht hebben niets van waar.
De vinken speelden bij de conceptie van de evolutietheorie weliswaar een rol, maar pas veel later, terug in Engeland.
Wel deed Darwin op de Galapagos Eilanden observaties aan de vinken die een eeuw later, in 1936, naar hem zouden worden vernoemd.
Hij beschreef hun gedrag en bracht ze onder de aandacht van de wetenschappelijke wereld, maar de soorten kende hij lang niet allemaal: van de dertien verschillende soorten op de archipel verzamelde hij er slechts negen, en uit elkaar houden deed hij er maar zes.
In de Origin of species kregen ze uiteindelijk geen plaats.
Pas in onze eeuw slaagden biologen erin om de onderlinge verwantschappen van de Darwinvinken in kaart te brengen en hun tamelijk ingewikkelde evolutionaire geschiedenis te reconstrueren.
De groep geldt als een schoolvoorbeeld van wat in jargon een ‘adaptieve radiatie’ heet: een uitwaaiering van nieuwe soorten,( ook wel ; een soortenzwerm )
elk met hun eigen specifieke aanpassingen,
allemaal afkomstig van een oerpopulatie.
 
Zulke uitwaaieringen doen zich in de evolutie soms voor wanneer een soort zich plotseling gesteld ziet voor een scala aan nieuwe ecologische mogelijkheden, bijvoorbeeld bij kolonisatie van eilanden.
 
Verdwaalde pioniers
 
Peter Grant:
‘De Darwinvinken stammen af van gemeenschappelijke voorouders die waarschijnlijk minder dan een miljoen jaar geleden, mogelijk als verdwaalde pioniers, de maagdelijke archipel vanuit het Zuidamerikaanse vasteland koloniseerden.
Ze ontmoetten geen concurrentie en omdat de Galapagos Eilanden enorm varieren in grootte, hoogte, vegetatie en mate van isolatie, volgde snel diversificatie.
Door herhaalde afsplitsing ontstonden er soorten met verschillende ecologische specialisaties, aangepast aan de diverse terreinomstandigheden en voedselbronnen.
Zo heb je grondvinken, cactusvinken, boomvinken, mangrovevinken, specht- en vegetarische vinken, waarvan sommige met twee of drie soorten.’
 
Hoewel de meeste vinkesoorten op de Galapagos qua lichaamsproporties en pluimage sterk op elkaar lijken, verschillen ze dramatisch van elkaar in grootte
en in de vorm van hun snavels – juist de kenmerken bepalend voor hun ecologische aanpassing en voedselspecialisatie.
Deze extreme variatie in lichaamsgrootte en snavelvorm is ook terug te vinden binnen de soorten, mogelijk een gevolg van het feit dat ze nog maar zo recent ontstonden.
Rosemary Grant:
Die grote interne soortsvariatie maakt de vinkepopulaties een ideaal studie-object voor onderzoek naar natuurlijke selectie. Want hoe groter de variatie, hoe sneller je het effect van selectie oppikt. Daarnaast bieden de vinken andere belangrijke voordelen.
De Galapagos Eilanden zijn beschermd natuurgebied en de vinkepopulaties behoren tot de weinige in de wereld die absoluut niet zijn verstoord door mensen.
Het zijn bovendien zittende populaties waarvan de leden zelden of nooit wegvliegen, zodat je alle nakomelingen precies kunt meten en volgen.
En last but not least staan de Galapagos Eilanden van jaar tot jaar bloot aan sterke klimaatsschommelingen.
We wisten dat er zowel jaren zijn van extreme droogte als van verhevigde regenval – omstandigheden die de voedselvoorziening ingrijpend beinvloeden en die
daardoor kunnen leiden tot episodes van hevige natuurlijke selectie.”
 
Geen tropisch paradijs
 
De Grants deden hun belangrijkste onderzoek op het piepkleine eilandje Daphne Major, een eenzame tufkegel ongeveer midden in de Galapagos archipel.
Peter:
‘In feite is Daphne niet meer dan een hete, begroeide rots, absoluut niet wat je je bij een tropisch paradijs zou voorstellen.
Het meet maar 1000 bij 750 meter en heeft geen stranden.”
Op deze onherbergzame en geisoleerde bobbel bivakkeerden de Grants en hun promovendi twee decennia lang ieder jaar drie tot zes maanden.
In tenten, onder de onbarmhartige tropenzon, verstoken van nieuws of ander contact met de buitenwereld.
Rosemary: ‘Pas vorig jaar namen we voor het eerst radio’s mee, waarmee we vijf minuten per dag verbinding hadden met het Charles Darwin Onderzoeks Station
op het nabijgelegen eiland Santa Cruz.
Het leven op het eiland is primitief.
Een boot zet ons af met al onze spullen en komt ons drie of zes maanden later weer ophalen.
Al ons water en voedsel moeten we zelf meenemen.”
Peter en Rosemary bestudeerden op Daphne de populaties van twee soorten vinken, de ‘middelgrote grondvink’ Geospiza fortis
en de ‘gewone cactusvink’ Geospiza scandens.
De beginpopulaties waren klein genoeg (samen ongeveer 1200 individuen) voor uitputtende beschrijving en observatie.
Peter:
‘Onze onderzoeksmethode is erg simpel. Voor ons type vraagstelling moet je alle afzonderlijke individuen opmeten en door de tijd volgen, en daarvoor
moet je ze eerst uit elkaar kunnen houden. Dus begonnen we met ze allemaal te ringen.
We vingen de vinken in mistnetten, maten ze op, ringden ze en lieten ze weer vrij.
Elke geregistreerde vink – en dat waren ze al gauw allemaal – kreeg een metalen pootring met een nummer en nog eens drie plastic ringen met een kleurcode
voor dat nummer. De kleurringen zijn met de vogelkijker goed te zien, zodat we elke vink op afstand gemakkelijk kunnen herkennen en gadeslaan.’
 
Snavelstaren
De Grants deden bij elke vink metingen aan zes van de meest variabele kenmerken:
lengte, breedte en diepte van de snavel, gewicht, vleugelspanwijdte en lengte van het loopbeen.
Omdat al deze kenmerken direct samenhangen met de leefwijze en de voedselspecialisatie, mocht worden verwacht dat ze het belangrijkste doelwit zouden
vormen van natuurlijke selectie, zo die mocht optreden.
Het echtpaar en hun medewerkers deden nog veel meer dan alleen maar ‘snavelstaren’.
Rosemary:
‘We lokaliseerden de nesten, bestudeerden het gedrag en de voedingsgewoonten van de vinken en registreerden hun zang.
Daarnaast analyseerden we de vegetatie en bemonsterden we na regenval de rupsen en de insekten. Omdat je op de evenaar maar 12 uur licht hebt en de vinken
daarvan het grootste deel actief zijn, waren ook wij al die tijd in touw.
Alleen op het heetst van de dag, rond lunchtijd, zijn de vogels niet actief, maar die tijd hadden we nodig om onze veldnotities te ordenen en in het net
over te schrijven. Al zaten we dan op het spreekwoordelijke onbewoonde eiland, aan boeken lezen kwamen we niet of nauwelijks toe.”
 
Een belangrijke vraag die de Grants en hun assistenten op Daphne beantwoordden, was in hoeverre de zes kenmerken die ze maten erfelijk bepaald zijn.
In alle zes gevallen ging het om continu variabele kenmerken, verdeeld volgens een Gausse klokcurve en vermoedelijk beinvloed door een flink aantal (onbekende) genen.
Klassieke erfelijkheidsanalyse op individueel niveau is in zulke gevallen niet mogelijk.
Analyse op het niveau van de hele populatie is dat echter wel – het terrein van de kwantitatieve genetica.
Continue variatie in biologische populaties valt doorgaans uiteen in zowel een erfelijke als een omgevingscomponent, die in beginsel overal kunnen liggen
tussen de 0 en de 100%.
De kwantitatieve genetica kent een standaardmethode om de bijdragen van deze beide componenten getalsmatig vast te stellen, gebaseerd op vergelijking bij een groot aantal families van de kenmerken van de nakomelingen met de gemiddelden van de ouderparen.
Daaruit rolt een getal tussen de 0 en 1,
de overerfbaarheid, dat aangeeft welk percentage van de variatie in het kenmerk erfelijk is bepaald.
Hoe hoger de overerfbaarheid van een kenmerk, des te sterker de evolutionaire gevolgen na selectie.
Peter Grant:
‘De overerfbaarheid van alle zes door ons gemeten kenmerken bleek zeer hoog – bijvoorbeeld 0,74 in het geval van de snaveldiepte en
zelfs 0,91 in het geval van de lichaamsgrootte.
We konden er dus vanuit gaan dat er op natuurlijke selectie een evolutionaire respons zou volgen.”

Die natuurlijke selectie liet niet lang op zich wachten. In 1977 deed zich een uitzonderlijk lange periode van extreme droogte voor, doordat er een
compleet nat seizoen uitviel. Het jaar op de Galapagos eilanden kent normaal gesproken een heet en nat seizoen in de eerste helft van het jaar en een
droger en koeler seizoen in het tweede.
Doordat de regen begin 1977 uitbleef, ontstond er een aaneengesloten droogteperiode van anderhalf jaar.
Deze had een dramatische invloed op de voedselvoorziening van de vinken.
De grond- en cactusvinken op Daphne voeden zich vooral met zaden van verschillende soorten planten. Er zijn zowel kleine zachte als grotere en hardere
zaden; de grondvink G. fortis eet normaal gesproken alleen de kleine zachte zaden, maar tijdens de lange droogte van 1976-1978 raakten deze geleidelijk
uitgeput en bleven alleen de grote, hardere zaden over.
Er volgde een slachting onder de populatie, die terugliep van zo’n 1200 tot ongeveer 180 individuen.
En hier deed de natuurlijke selectie haar intrede, dankzij de sterke variatie onder de vinken.
De sterfte trof vooral de kleine en normale vinken.
De grotere vinken met steviger snavels waren duidelijk in het voordeel, omdat die in staat waren om ook de grotere zaden open te breken.
Naarmate de droogte-episode voortduurde, nam de gemiddelde grootte van de vinken en hun snavels gestaag toe.
En door de hoge overerfbaarheid (die toen nog overigens niet getalsmatig was bepaald) kon het haast niet anders of die verschuiving zou ook in de volgende
generatie zijn terug te vinden.
En inderdaad: de nakomelingen geboren in 1978 waren gemiddeld 4% groter dan de oorspronkelijke populatie.
In 1983 volgde er een tweede episode van strenge natuurlijke selectie, maar dan precies de andere kant op.
Ditmaal was de boosdoener een extreem hevige El Nino gebeurtenis. El Nino gebeurtenissen zijn oceanische verstoringen in de Stille Oceaan kust waarbij
ongebruikelijk warm oppervlaktewater met een lage zoutgraad wordt aangevoerd.
Ze komen op de Galapagos voor met (onregelmatige) tussenpozen van gemiddeld 7 jaar.
De gebeurtenis van 1983 was de zwaarste van de afgelopen 100 jaar.
Rosemary:
‘Dank zij El Nino was de regenval in 1983 extreem overvloedig en dit had een dramatisch effect op de vegetatie.
De planten met grote harde zaden werden compleet overwoekerd door eenjarige planten met kleine zaden, en die produceerden een zo grote voorraad zaad dat de
vinken er zelfs nu nog meer dan genoeg aan hebben.”
 
Opnieuw bleek er selectie op te treden, ditmaal in het voordeel van de kleinere vinken.
Kennelijk waren deze beter in staat om de kleine zaden te consumeren dan hun grote soortgenoten, die in verhouding voedsel tekort kwamen.
Opnieuw kon een evolutionaire respons in de volgende generatie worden verwacht.
En ditmaal konden de Grants, die inmiddels de overerfbaarheden van de zes kenmerken kenden, deze respons zelfs kwantitatief voorspellen.
Om te zien of die voorspelling uitkwam was wel veel geduld nodig.
Rosemary:
‘Je moet eerst wachten tot de nakomelingen zijn opgegroeid alvorens je die met hun ouders kan vergelijken.
Bovendien duurt het lang voordat die hele volgende generatie er is, omdat de vinken lang niet elk jaar broeden.
In de jaren tachtig sloegen ze door droogtes een paar keer twee of drie jaar over.
Het gevolg daarvan was dat we pas vorig jaar definitieve conclusies konden trekken.”

De gevolgen van de El Nino-selectie uit 1983 bleken spectaculair in overeenstemming met de voorspellingen.
De gemiddelde grootte van de vinken nam af met 2,5% ten opzichte van de populatie in 1983, een waarde die net als de overige vijf kenmerken precies klopte met de theoretische verwachtingen.
Het prachtige werk van de Grants is door collega’s met veel enthousiasme ontvangen.
Niet alleen vormt het een spijkerhard bewijs voor Darwiniaanse evolutie door natuurlijke selectie in het wild, maar het snoert ook nog eens de mond van
filosofische critici die zeggen dat de evolutiebiologie geen harde wetenschap is omdat ze niet in staat is tot het doen van kwantitatieve voorspellingen.
Peter Grant:
‘Wat we op Daphne zien is onmomstotelijk evolutie, zij het op micro-schaal.
De twee selectie-episodes die we registreerden werkten precies in tegengestelde richting.
Je kunt je afvragen hoeveel van die episodes in dezelfde richting je nodig hebt om te komen van de ene tot de andere soort, laten we zeggen van de
middelgrote tot de grote grondvink.
Ik heb daar samen met een collega aan gemeten en gerekend, en het korte antwoord is dat je in principe al aan 12 tot 15 selectie-episodes ter sterkte van  die al uit 1977 genoeg hebt.
Dat is verrassend weinig, en impliceert dat soortsvorming bij de Darwinvinken in beginsel al kan plaatsvinden in een tijdsbestek van maar enkele duizenden  jaren.”
 
Gen bepaalt snavelvorm Darwinvinken
Sander Voormolen De Darwinvinken op de Galapagos-eilanden zijn een beroemd voorbeeld van het uitwaaieren van soorten door natuurlijke selectie. Iedere vinkensoort heeft er zijn eigen snavelvorm, waardoor de vinken optimaal zijn aangepast aan hun gespecialiseerde levensstijl.
Genetici van de Harvard Medical School in Boston en Princeton University hebben nu als eersten de moleculaire achtergrond opgehelderd van het fenomeen dat Charles Darwin aanspoorde om zijn evolutietheorie verder uit te werken.
Het gen Bmp4, dat een voorname rol speelt in de embryonale ontwikkeling, blijkt een belangrijke regulator van de snavelvorm(Science, 3 sept 2004
Bonemaking Protein Shapes Beaks of Darwin’s Finches
http://www-hsc.usc.edu/~cmchuong/beak2.pdfBmp4 and Morphological Variation of Beaks in Darwin’s Finches
Arhat Abzhanov,1 Meredith Protas,1 B. Rosemary Grant,2
Peter R. Grant,2 Clifford J. Tabin1*http://www.eeb.princeton.edu/FACULTY/Grant_P/Science_2004.pdfDe onderzoekers bestudeerden de embryonale ontwikkeling van zes verschilende vinkensoorten van het geslacht Geospiza. De soort G. difficilis met een kleine puntige snavel, vergeleken zij met de grondbewonende soorten G. fuliginosa, G. fortis en G. magnirostris die zijn uitgerust met brede en diepe snavels, optimaal voor het kraken van zaden. Ook de cactusbewonende vinken G. scandens en G. conirostris met lange en puntige snavels, geschikt om diep in cactusbloemen of -vruchten te kunnen reiken, betrokken zij in het onderzoek.
De onderzoekers gingen op zoek naar de verschillen in de activiteit van groeifactoren tijdens de embryonale ontwikkeling van G. difficilis en de drie grondbewonende vinken.
Ze probeerden een relatie te leggen tussen de breedte en de diepte van de snavel en de activiteit van de verschillende groeifactoren.
Bij de meeste vinkensoorten was er geen verschil tussen de groeifactoractiviteiten.
 
De activiteit van de groeifactoren Bmp2 en Bmp7 had wel een relatie met de grootte van de snavel, maar niet met de vorm.
Uiteindelijk kwam alleen Bmp4 naar voren als bepalende factor voor de snavelvorm.
In soorten met diepere, bredere bekken is deze groeifactor langer actief.
In verdere proeven bleek de plaats in het embryo waar Bmp4 actief was ook van belang.Als de factor kunstmatig verhoogd werd in het ectoderm (de buitenste weefsellaag) dan ontwikkelden de vinken kleinere en smallere bovensnavels.
Gebeurde dat in het mesenchym, dan ontstonden er vogels met lange, brede snavels, min of meer gelijkend op die van de grondvinken.Hoewel verschillen in andere genen mogelijk ook kunen bijdragen aan de verschillen in snavelvorm, zijn de auteurs ervan overtuigd dat de variaties in de groeifactor Bmp4 de belangrijkste regulator zijn van de vormvariatie.De natuurlijke selectie die in de loop van de evolutie deze verscheidenheid tot stand heeft gebracht, moet dus voornamelijk hebben gewerkt op het Bmp4-gen.De ingewikkelde vervolgvraag is waar de variatie in genactiviteit van Bmp4 door ontstaat.

-Elke fenotypische vorm is een uitdrukking van een zich ontwikkelend en differentierend genetisch recept ….(een somatische en differentierende ontwikkeling in het individuele organisme )dat in vele gevallen (in latere fasen van de levensloop ) onomkeerbaar is , en niet steeds vooraf genetisch deterministisch vaststaat …. ) [b]het strakke genetisch determinisme is trouwens fout … tegenwoordig wil men uitgaan ( voor zover albekend ) van de genetica die ten grondslag ligt aan de ecologische evoluties , allelen verschuiving , laterale gen-uitwisseling ,epigenetische sturingen… etc… binnen biotopen en niches van de verschillende uitgangs-soorten in een gebied ( bij v oorkeur eilanden ) en onder invloed van ( vooral) klimaatswijzigingen of “onvoorspelbare ” vooral metereoligsche gebeurtenissen en cycli

Of een bepaald aantal fenotypes de ( default ) norm wordt binnen een bepaalde niche voor alle leden van een soort hangt af van de genotypische opslag van de fenotypische ontwikkelings pathways en hun door de omgeving gestimuleerd (= ge-triggerde )voorkomen binnen de lokaal voorkomende populaties van de soort ….
Zo onstaat (genetisch opgeslagen ) adaptieve radiatie bij darwinvinken na 15 tot 2O droogteperiodes bijvoorbeeld …..

(zie http://groups.msn.com/evodisku/glosd.msnw?action=get_message&mview=1&ID_Message=2453&CType=0&CDir=-1

waaruit ;


Peter Grant:
‘Wat we op Daphne zien is onmomstotelijk evolutie, zij het op micro-schaal.
De twee selectie-episodes die we registreerden werkten precies in tegengestelde richting.
Je kunt je afvragen hoeveel van die episodes in dezelfde richting je nodig hebt om te komen van de ene tot de andere soort, laten we zeggen van de
middelgrote tot de grote grondvink.
Ik heb daar samen met een collega aan gemeten en gerekend, en het korte antwoord is dat je in principe al aan 12 tot 15 selectie-episodes ter sterkte van
die al uit 1977 genoeg hebt.
Dat is verrassend weinig, en impliceert dat soortsvorming bij de Darwinvinken in beginsel al kan plaatsvinden in een tijdsbestek van maar enkele duizenden
jaren.”

 

“Omgevingsfactoren ”

INDERDAAD “omgevingsfactoren “
1.-Genen worden namelijk ondermeer ook
epigenetisch aan- of uit-geschakeld

Zie verder daarover ;
Epigenetica (14 berichten )
http://groups.msn.com/evodisku/glose.msnw?action=get_message&mview=0&ID_Message=905&LastModified=4675575932138637227

Aan of uitgeschakeld bijvoorbeeld door –>Promotoren (genetica)
http://groups.msn.com/evodisku/glosop.msnw?action=get_message&mview=0&ID_Message=1659&LastModified=4675533925632435207

2.- Bovendien blijkt het Bmp4 gen (1)voor te komen bij alle gewervelden
( zelfs verantwoordelijk voor tanden bij kippenembryos en bij voorbeeld tandontwikkeling bij de mens ) en zou het pleiotrope (= meervoudige morfologische , fysiologische en moleculaire paden en ontwikkelingsregulatie expressie /uitwerking )functies kunnen hebben …
.
Veranderingen van de snavel alleen zijn niet voldoende : er dienen ook schedel-aanpassingen te gebeuren , de lichaamsgrote van de vogel veranderd , de keuze van zaden ( voorkeuren en gedrag) veranderen … zelfs de sexuele voorkeuren , het baltsgedrag en de broedperiodes veranderen )

3.-
BMP4 gen is (samen met andere,) verantwoordelijk voor embryonale ontwikkelings-(differentieele) paden aangaande het skelet ….

Mutaties in dat gen kunnen ook erfelijke ziekten( defecten ) veroorzaken …. zeker wanneer ze homozygotisch ( —> inteelt ,bottle neck en founder effect ) voorkomen ( gelijkaardig en op dezelfde plaats (= locus, Loci ) in de haploide DNA inbreng van beide ouder -geslachtscellen )

De mutaties of recept- veranderingen ( 1 % van de nucleotiden sequences )zijn puntmutaties in het gen zelf ( of het genen-recept , inzonderheid de regelgenen en de epistemische suprastructuur van het genoom , invloeden en lagen …..

Naar mijn weten zijn er nog geen komplete GENOOM- kaarten voorhanden van de verschillende soorten Darwinvinken 짢_____



NOTA l
De(belangrijke Nederlandse onderzoeken en vaststellingen , aangaande )
fylogenetische verwantschappen tussen zaadetende darwinvinken zijn gebaseerd op mtDNA vergelijkingen (cytochroom C) en op (een chromosomaal nucleaire gen ß-Fibrinogen intron 7 )binnen de groep van de gorzen , prachtvinken , echte vinken en andere zaadetende zandvogels en dat heeft NIETS vandoen met Bmp4

http://www.leidenuniv.nl/mare/2004/03/0701.html
https://openaccess.leidenuniv.nl/dspace/bitstream/1887/614/5/VanderMeij_proefschrift.pdf 

 

-Elke fenotypische vorm is een uitdrukking van een zich ontwikkelend en differentierend genetisch recept ….(een somatische en differentierende ontwikkeling in het individuele organisme )dat in vele gevallen (in latere fasen van de levensloop ) onomkeerbaar is , en niet steeds vooraf genetisch deterministisch vaststaat …. ) [b]het strakke genetisch determinisme is trouwens fout … tegenwoordig wil men uitgaan ( voor zover albekend ) van de genetica die ten grondslag ligt aan de ecologische evoluties , allelen verschuiving , laterale gen-uitwisseling ,epigenetische sturingen… etc… binnen biotopen en niches van de verschillende uitgangs-soorten in een gebied ( bij v oorkeur eilanden ) en onder invloed van ( vooral) klimaatswijzigingen of “onvoorspelbare ” vooral metereoligsche gebeurtenissen en cycli

Of een bepaald aantal fenotypes de ( default ) norm wordt binnen een bepaalde niche voor alle leden van een soort hangt af van de genotypische opslag van de fenotypische ontwikkelings pathways en hun door de omgeving gestimuleerd (= ge-triggerde )voorkomen binnen de lokaal voorkomende populaties van de soort ….
Zo onstaat (genetisch opgeslagen ) adaptieve radiatie bij darwinvinken na 15 tot 2O droogteperiodes bijvoorbeeld …..

(zie http://groups.msn.com/evodisku/glosd.msnw?action=get_message&mview=1&ID_Message=2453&CType=0&CDir=-1

waaruit ;


Peter Grant:
‘Wat we op Daphne zien is onmomstotelijk evolutie, zij het op micro-schaal.
De twee selectie-episodes die we registreerden werkten precies in tegengestelde richting.
Je kunt je afvragen hoeveel van die episodes in dezelfde richting je nodig hebt om te komen van de ene tot de andere soort, laten we zeggen van de
middelgrote tot de grote grondvink.
Ik heb daar samen met een collega aan gemeten en gerekend, en het korte antwoord is dat je in principe al aan 12 tot 15 selectie-episodes ter sterkte van
die al uit 1977 genoeg hebt.
Dat is verrassend weinig, en impliceert dat soortsvorming bij de Darwinvinken in beginsel al kan plaatsvinden in een tijdsbestek van maar enkele duizenden
jaren.”

 

“Omgevingsfactoren ”

INDERDAAD “omgevingsfactoren “
1.-Genen worden namelijk ondermeer ook
epigenetisch aan- of uit-geschakeld

Zie verder daarover ;
Epigenetica (14 berichten )
http://groups.msn.com/evodisku/glose.msnw?action=get_message&mview=0&ID_Message=905&LastModified=4675575932138637227

Aan of uitgeschakeld bijvoorbeeld door –>Promotoren (genetica)
http://groups.msn.com/evodisku/glosop.msnw?action=get_message&mview=0&ID_Message=1659&LastModified=4675533925632435207

2.- Bovendien blijkt het Bmp4 gen (1)voor te komen bij alle gewervelden
( zelfs verantwoordelijk voor tanden bij kippenembryos en bij voorbeeld tandontwikkeling bij de mens ) en zou het pleiotrope (= meervoudige morfologische , fysiologische en moleculaire paden en ontwikkelingsregulatie expressie /uitwerking )functies kunnen hebben …
.
Veranderingen van de snavel alleen zijn niet voldoende : er dienen ook schedel-aanpassingen te gebeuren , de lichaamsgrote van de vogel veranderd , de keuze van zaden ( voorkeuren en gedrag) veranderen … zelfs de sexuele voorkeuren , het baltsgedrag en de broedperiodes veranderen )

3.-
BMP4 gen is (samen met andere,) verantwoordelijk voor embryonale ontwikkelings-(differentieele) paden aangaande het skelet ….

Mutaties in dat gen kunnen ook erfelijke ziekten( defecten ) veroorzaken …. zeker wanneer ze homozygotisch ( —> inteelt ,bottle neck en founder effect ) voorkomen ( gelijkaardig en op dezelfde plaats (= locus, Loci ) in de haploide DNA inbreng van beide ouder -geslachtscellen )

De mutaties of recept- veranderingen ( 1 % van de nucleotiden sequences )zijn puntmutaties in het gen zelf ( of het genen-recept , inzonderheid de regelgenen en de epistemische suprastructuur van het genoom , invloeden en lagen …..

Naar mijn weten zijn er nog geen komplete GENOOM- kaarten voorhanden van de verschillende soorten Darwinvinken 짢_____



NOTA l
De(belangrijke Nederlandse onderzoeken en vaststellingen , aangaande )
fylogenetische verwantschappen tussen zaadetende darwinvinken zijn gebaseerd op mtDNA vergelijkingen (cytochroom C) en op (een chromosomaal nucleaire gen ß-Fibrinogen intron 7 )binnen de groep van de gorzen , prachtvinken , echte vinken en andere zaadetende zandvogels en dat heeft NIETS vandoen met Bmp4

http://www.leidenuniv.nl/mare/2004/03/0701.html

https://openaccess.leidenuniv.nl/dspace/bitstream/1887/614/5/VanderMeij_proefschrift.pdf

waaruit ;

 
*Er lijkt dus in ieder geval een genetische basis voor de snavelvorm
 
….Maar het kan ook zo zijn dat omgevingsfactoren een dusdanige rol spelen bij de vorming van de snavel (tekort aan bepaalde soorten voedsel e.d), dat de vorm daardoor als (speciaal)phenotype optreedt …..
 …… Er is gekozen voor een moleculaire analyse van een  mitochondriaal gen, Cytochrome b, en een nucleair gen, ß-Fibrinogen intron 7, voor  verschillende soorten uit de superfamilie Passeroidea …..(Hoofdstuk 1).HINT     fylogenie van de darwinvinken
Genetics and the Origin of Birds Species, Grant and Grant in PNAS
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Bekvechten over de vink

(Oorspronkelijk verschenen in Intermediair, 28 juni 2001.)짤 Copyright Menno Schilthuizen

Darwin is de profeet van de evolutietheorie. Toch twijfelen de meeste biologen al meer dan een halve eeuw aan zijn idee챘n over soortvorming. Daar begint nu eindelijk verandering in te komen.

MENNO SCHILTHUIZEN

‘Zijn gedachten over het ontstaan van soorten zijn altijd warrig geweest.’ Met die uitspraak verwoordde de Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson tien jaar geleden de mening van twee generaties evolutiebiologen. En over wie heeft hij het? Over niemand minder dan Charles Darwin. Deze grondlegger van de evolutietheorie, algemeen beschouwd als een van de helderste denkers uit de geschiedenis van de wetenschap, zou een warhoofd zijn geweest op het punt van het ontstaan der soorten (nota bene de titel van zijn beroemdste boek)? Het lijkt te bizar om waar te zijn.

Toch dachten tot voor kort veel biologen er zo over. In On the Origin of Species legt Darwin uit dat natuurlijke selectie ervoor zorgt dat een dier- of plantensoort na verloop van tijd van uiterlijk verandert: wanneer individuen met een bepaalde erfelijke eigenschap meer nakomelingen krijgen dan individuen die die eigenschap missen, dan zal vroeg of laat de hele populatie die eigenschap dragen. In de strijd om het bestaan overleven de best aangepasten.

Akkoord. Maar voor het ontstaan van nieuwe soorten gaat het niet om verandering van 챕챕n soort maar om splitsing in twee챘n. ( SPECIATIE / radiatie –> En het was het splitsen van soorten, ‘soortvorming’, waar Darwin weinig vat op zou hebben gehad. Toch wijdt hij er in The Origin een hoofdstukje aan. Hij noemt het Divergence of Character en volgens hem gaat het als volgt.

Stel dat een populatie vinken moet leven van een schaarse voedselbron: zaden die op de grond liggen, bijvoorbeeld. De erfelijke variatie in de grootte van de snavel zal ervoor zorgen dat er een paar vinken zijn met heel kleine snavels, een paar met heel grote snavels, en een heleboel met snavelgroottes ertussenin. Omdat de snavelgrootte bepaalt welk formaat zaden de dieren aankunnen, zal de competitie vooral gaan tussen de vinken met de gemiddelde snavels, en veel minder tussen kleinsnavelige vinken enerzijds en grootsnavelige vinken anderzijds. In tijden van schaarste zullen de vogels met extreme snavels dus in het voordeel zijn. Onder bepaalde omstandigheden kan het voorkomen dat de vinken met de gemiddelde snavels verdwijnen en alleen de extremen overblijven.

Volgens Darwin was dit de kern van soortvorming.

Maar het was het midden van de negentiende eeuw, Divergence of Character beslaat slechts twee secties in een van de vijftien hoofdstukken van het boek, en bovendien was het concept van evolutie 체berhaupt nog z처 nieuw en controversieel, dat niemand wakker lag van details. Geen wonder dat er meer dan zeventig jaar verstreken voor een wetenschapper zich serieus ging bemoeien met het hoe en waarom van het splitsen der soorten.

Bankier met bolknak
Die wetenschapper was de Duitser Ernst Mayr, die alom wordt gezien als de invloedrijkste evolutiebioloog van de twintigste eeuw.

Als jonge doctor in de ornithologie bezocht Mayr in 1927 het Internationaal Dierkundig Congres in Boedapest. Daar ontmoette hij Lord Rothschild, patriarch van de beroemde bankiersfamilie. Rothschild, die behalve succesvol financier vooral ook hartstochtelijk ornitholoog was, bezat een priv챕-museum in het Engelse Tring. Om zijn museum van materiaal te voorzien, had Rothschild honderden verzamelaars in dienst, die van overal ter wereld geprepareerde vogels naar Tring stuurden. En toen hij kennismaakte met de jonge en enthousiaste Mayr, haalde de 300-ponder zijn bolknak uit de mond, prikte zijn vinger in de borst van de jonge Duitser en zei: ‘Jij wordt mijn nieuwe verzamelaar in Nieuw-Guinea.’ Mayr had het niet beter kunnen treffen.

In de drie jaar die hij op Nieuw-Guinea en de omliggende eilanden zwierf, ving hij in totaal 3.400 vogels, die hij opmat, prepareerde, tekende, beschreef en op transport naar Tring zette. En passant deed hij een hoop interessante ontdekkingen. Zo stelde hij vast dat veel vogelsoorten alleen maar voorkwamen op ge챦soleerde eilandjes en niet op het vasteland.

Wat had dat te betekenen? Waarom verandert een soort zodra zij zich verschanst op een onbewoond eiland? Hoe ontstaan nieuwe soorten eigenlijk? Die vragen hielden Mayr bezig tijdens de vier jaren die hij reizend en verzamelend doorbracht (eerst in dienst van Rothschild, later als leider van een Amerikaanse expeditie naar de Stille Zuidzee). En hoe langer hij erover nadacht, hoe duidelijker het hem werd dat Darwins model van Divergence of Character niet deugde.

Tijdens zijn reizen meende hij waargenomen te hebben dat nieuwe soorten zelden midden in een bestaande populatie evolueren, wat op basis van Darwins theorie wel verwacht mocht worden.

‘Mijn theorie챘n zijn gebaseerd op observaties‘, zegt Mayr. ‘Op het empirische feit dat we de meest afwijkende populaties altijd in isolatie vinden. Op een afgelegen eiland bijvoorbeeld of in een grot of op een bergtop.

In zijn twee hoofdwerken, het in 1942 verschenen Systematics and the Origin of Species, en het uit 1963 daterende Animal Species and Evolution, geeft Mayr lange lijsten van voorbeelden die allemaal bewijzen dat nieuwe soorten pas ontstaan als een populatie gedurende lange tijd afgescheiden blijft van de moedersoort.

Kleine verschillen in omgeving en de opeenstapeling van toevallige genetische foutjes maken dat de twee populaties steeds verder uit elkaar groeien, tot hun DNA op zoveel punten verschilt dat ze niet langer willen en/of kunnen kruisen.

Pas daarna kunnen de moeder- en dochtersoort elkaars verspreidingsgebied binnendringen en zij aan zij voorkomen. Mayr noemt zijn theorie ‘allopatrische soortvorming’ (van het Griekse allos, ‘ander’ en patra ‘vaderland’).

Darwins sympatrische (‘zelfde vaderland’) soortvormingsmodel, waarbij de nieuwe soort midden tussen de oude ontstaat, kan nooit werken, legt Mayr uit, vanwege de voortdurende genetische vermenging. Iedere tweespalt (kleinsnavelige en grootsnavelige vinken, bijvoorbeeld) die in de ene generatie door natuurlijke selectie wordt bewerkstelligd, wordt de daaropvolgende generatie weer tenietgedaan doordat de twee typen met elkaar zullen kruisen en gemiddeldsnavelige kuikentjes zullen krijgen.

Er leek geen speld tussen te krijgen en gedurende vrijwel de gehele tweede helft van de twintigste eeuw waren biologen ervan overtuigd dat Mayrs allopatrische model alleenzaligmakend was. Een van de eerste bekeerlingen was geneticus Theodosius Dobzhansky, die al in in 1937 schreef: ‘Soortvorming zonder geografische isolatie is onmogelijk.’ Mayr zelf juicht in 1963: ‘Vrijwel niemand twijfelt nog aan het wijdverbreide voorkomen van allopatrische soortvorming.’ En nog in 1997 schreef geneticus Jeffrey Powell dat allopatrische soortvorming vrijwel zeker de regel is.

Toch waren de bewijzen tegen de alleenheerschappij van allopatrische soortvorming zich al jaren aan het opstapelen.

De appelvlieg bijvoorbeeld verscheen in NoordAmerika in 1862, anderhalve eeuw nadat daar de appelboom uit Europa was ge챦ntroduceerd. Toch was de vlieg niet uit Europa afkomstig, want zijn nauwste verwant is de meidoornvlieg, die alleen in Amerika voorkomt.

De appelvlieg is vooral de laatste twintig jaar het onderwerp van intensief onderzoek, dat heeft aangetoond dat hij van de meidoornvlieg verschilt in de lengte van de legboor, de kleur van het achterlijf, de levenscyclus, en minstens zes verschillende eiwitten. Al deze verschillen moeten sympatrisch zijn ge챘volueerd in de hooguit drie eeuwen nadat sommige meidoornvliegen waren begonnen met eieren leggen op appels.

http://en.wikipedia.org/wiki/Apple_maggot

http://www.nd.edu/~aforbes/

http://groups.msn.com/evodisku/gloss.msnw?action=get_message&mview=1&ID_Message=1192

Een ander bekend voorbeeld komt uit Afrika. De Duitse onderzoeker Ulrich Schliewen inventariseerde in 1989 de vissen van Bermin, een kratermeertje in Kameroen ter grootte van een flinke parkvijver. Hij ontdekte dat het meertje negen soorten nauw verwante vissen herbergt die nergens anders ter wereld voorkomen. Aan de hand van hun DNA kon Schliewen in Nature rapporteren dat de vissen in een paar duizend jaar ter plekke van 챕챕n voorouder waren afgesplitst. En omdat Bermin niet meer is dan een kleiige, kegelvormige put, zonder plaatsen waar vissen ge챦soleerd kunnen raken, kon dit wederom maar 챕챕n ding betekenen: sympatrische soortvorming.

http://www.blackwell-synergy.com/doi/abs/10.1046/j.1365-294X.2001.01276.x?journalCode=mec

http://zipcodezoo.com/Animals/T/Tilapia_bakossiorum.asp

En behalve bij appelvliegen en kratermeervissen is het proces inmiddels vastgesteld bij een bonte verzameling organismen, van stippelmotten en spintmijten tot vinken en gaasvliegen.

Grootsnavelige mannetjes
Dus waar zat de fout? Hoe kan een populatie zich toch in twee챘n splitsen, zonder te worden gehinderd door de door Mayr voorspelde genetische vermenging? Evolutiebioloog John Endler van de Universiteit van Californi챘 in Santa Barbara loste het probleem in 1977 op. Als de extreem gevormde individuen (de groot- en kleinsnavelige vogeltjes uit het voorbeeld) inderdaad in het voordeel zijn, en de gemiddeldsnavelige in het nadeel, redeneerde Endler, dan zullen dieren die een erfelijke voorkeur hebben om te paren met partners met dezelfde snavelgrootte ook in het voordeel zijn, omdat ze op die manier voorkomen gemiddeldsnavelige kindertjes te krijgen.

In theorie (en Endler lardeerde zijn betoog met een kleine honderd wiskundige formules) klopte het, en inmiddels is bekend dat het ook in de natuur niet zelden zo werkt. Want dezelfde lichaamsdelen die worden gebruikt voor voedselkeuze spelen vaak ook een rol bij partnerkeuze. Een mooi voorbeeld werd een paar maanden geleden gepubliceerd door Jeffrey Podos van de Universiteit van Arizona. In Nature rapporteerde hij dat grootsnavelige mannetjes van de Darwinvink Geospiza fortis niet alleen hardere zaden aankunnen dan kleinsnavelige, maar ook anders zingen. Eenvoudigweg doordat ze zingen zoals ze gebekt zijn.

http://www.lifesci.ucsb.edu/eemb/faculty/endler/

http://www.lifesci.ucsb.edu/eemb/faculty/endler/research/research.html

Inmiddels zijn veel biologen ervan overtuigd dat soorten zich in de natuur minstens zo vaak houden aan Darwin als aan Mayr.

Endler, die eerder over Mayr zei dat deze bijna iedereen lange tijd onder de duim heeft gehouden, is opgelucht: ‘Eindelijk! Eindelijk zijn die sterke meningen aan het verdwijnen en beginnen mensen sympatrische soortvorming serieus te nemen.’

En hoe denkt Mayr er tegenwoordig zelf over? De nu 96-jarige bioloog, die nog altijd een hoogleraarspositie bekleedt in Harvard University’s Museum of Comparative Zoology, laat desgevraagd over de telefoon weten dat hij geen aanleiding ziet zijn oorspronkelijke mening te herzien. Hoewel hij toegeeft dat de vissen in Kameroen sterk bewijs zijn voor sympatrische soortvorming, beschouwt hij het als een uitzondering op zijn regel. ‘Allopatrische soortvorming is de enige manier voor zoogdieren, vogels, en ook de meeste andere dieren en planten’, houdt hij onverbiddelijk vol met Duitse tongval.

Maar wie de wetenschappelijke tijdschriften de laatste jaren heeft bijgehouden, weet wel beter: Darwins Divergence of Character is terug van weggeweest.

MAYER
 

 

Creato hoekje
onderuitgehaald :
 
Dat Darwin zijn theorie baseerde op de darwinvinkjes van de Galapagoseilanden is een aardig verhaal, maar helaas niet waar.
 
Hij werd zelfs niet ( alleen maar) door die vinkjes geïnspireerd.
 
 
 

 “Darwin  heeft  helemaal geen ‘Eureka moment’ gehad toen hij deze vogels bestudeerde.”

……helemaal juist en ook te vinden in de uitstekende Darwin-biografie van Desmond en Moore….Het “schandaal “dat de creato  daarmee  denkt wereldkundig te kunnen  maken staat zelfs op deze Wikipedia-pagina over de vinken.

De citaten uit ‘On the origins of species’ op deze pagina laten zien wat Darwin zelf schreef over de vogels:

.ze lijken sterk op die van het vasteland van Amerika. En wanneer je vervolgens naar de Kaapverdische eilanden vaart, vind je daar een vergelijkbaar landschap maar met heel andere vogels – die lijken op vogels van het vasteland van Afrika…..Kortom, alles wijst erop dat de Galapagos eilanden zijn gekoloniseerd van uit Zuid-Amerika, die van de Kaapverdische eilanden vanuit Afrika. En de soorten op de eilanden zijn anders dan de soorten op het vasteland, dus er heeft ontwikkeling plaatsgevonden…..

Darwin heeft tijdens de gehele reis met de Beagle feiten verzameld en nagedacht. Eenmaal thuis heeft hij vondsten geanalyseerd, nog meer feiten verzameld via experimenten en nog veel en veel langer nagedacht. De evolutietheorie is niet op een zondagmorgen in elkaar gezet, maar is het gevolg van jaren hard werken.

En dan de volgende  “zet” van de   crea’s  :

 “Ook de stelling dat de variatie van de snavels van Galapagos-vinken door natuurlijke selectie is ontstaan, is door modern onderzoek inmiddels op losse schroeven gezet. Daarmee zouden de plaatjes helemaal hun evolutionaire legitimatie verliezen.”

Ik ben heel benieuwd naar de bron van deze bewering ( en vooral  dat modern onderzoek )  . Want als er iets is dat via observatie is bewezen, dan is het dat de grootte van de snavel varieert door natuurlijke omstandigheden. Dit is het werk van Peter en Rosemary Grant, die jarenlang studie maakten van de ‘Darwinvinken’.

O ja, op Wikipedia is ook een verwijzing te vinden naar een artikel dat de moleculaire basis van de variatie in beklengte uitlegt.

*    ( afkomstig van )http://www.sterrenstof.info/?p=1726#more-1726        –> (bewerkt )

 En dat Darwin hoopte dat anderen  wél zijn theorie zouden bewijzen is ook al   NIET waar:  
Hij hoopte dat anderen méér bewijsstukken  voor zijn theorie zouden  aandragen, en dan met name  vooral fossiele tussenvormen. ….
Tsja   . En dat hebben die  vele  anderen  ondertussen  ook gedaan
 

* Is het bestaan van een dozijn fossielen die de overgang van landzoogdier naar walvis documenteren niet overtuigend?          *Is het bestaan van tientallen fossielen van dieren die tussen reptielen en zoogdieren instonden nog niet genoeg?

Er is meer bewijs voor de evolutietheorie dan voor het overgrote deel van de andere wetenschappelijke theorieën,
dus wie meent dat de evolutietheorie niet is bewezen, moet in wel heel grote onzekerheid leven.
 
Ook dat die Darwinvinkjes , vinkjes bleven is eveneens wat te  kort door de bocht ( en een creationisten mantra ) .
We hebben het over dertien soorten vogels, die onderling net zo veel van elkaar verschillen als de kuifmees en de pimpelmees.
Ja mezen, zijn mezen, maar het zijn wel degelijk verschillende soorten, die voortgekomen zijn uit één oudersoort, net zoals de Darwinvinkjes.
En dat wordt nu juist wel bewezen door DNA-analyse , in tegenstelling tot de beweringen van sommigen dat DNA-analyse bewijst dat macro-evolutie niet bestaat.
 
 
  ******************************************************************************************************************
 
 
 
 
 
 
Het MYSTERIE der MYSTERIEËN
 
//    Menno SHILTHUIZEN
 
 
 
 
VOORWOORD
 
De wereld zit tjokvol met” bizar” geevolueerde dieren .
 
 
 
 
 
 
Darwins vinken van de Galapagos-eilanden
 
 
ze hebben hun snavels aangepast aan alle mogelijke vogellevenswijzen.
Met 13 varianten op snavelvorm zijn de Galapagosvinken omgevormd in even zoveel verschillende soorten.
Een soort met een zware snavel specialiseert zich in het kraken van harde zaden, terwijl smalsnavelige vinken zich gedragen als insecteneters of
nectardrinkers.
Zoals Darwin in1845 al opmerkte:
‘Het lijkt er bijna of, bij een oorspronkelijke schaarste aan vogelsoorten in de archipel, er eentje is genomen die vervolgens op allerlei manieren is
gemodificeerd.’
 
    ********************************************************************************************************************
 
 
 
 
 
Een ander, minder beroemd voorbeeld zijn de   TENRECS   
Deze diertjes van muisformaat, die wonen op Madagascar, zijn uitgewaaierd tot een assortiment van ongeveer 30 soorten.
Sommige zijn klimmers, sommige zijn kruipers, andere zijn zwemmers, weer andere zijn springers of gravers.
Sommige produceren worpen met tientallen jongen, andere hebben maar een of twee nakomelingen per keer.
Sommige zijn harig, andere gestekeld.
Sommige eten wormen, andere eten termieten, weer andere kikkers. Sommige zijn zo groot als grote ratten, terwiji andere zo klein zijn als de kleinste
spitsmuisjes. Maar geen van hen is identiek.
 
 
 
 
Family Tenrecidae
(tenrecs)
 
tenrec 1
 
Tenrecs, Darwinvinken, zijn divers: biodivers.
 
 
Vreemd genoeg dateert het woord ‘biodiversiteit’ pas van 1986,
toen het werd bedacht door een Amerikaanse persvoorlichter met een gave voor rake termen.
Het is verbazingwekkend dat de wereld het zo lang zonder dit woord heeft kunnen stellen, want ons leven en ons milieu is ermee doordrenkt
(hoewel vandaag de dag misschien iets minder dan vroeger).
Het meest in het oog springende aspect van biodiversiteit zijn soorten.
‘Soort’ is niet meer dan een geformaliseerde biologische term voor wat niet-biologen gewoonlijk aanduiden als ‘typen’ of ‘vormen’.
(Een nieuw type vogel is ontdekt… Op dat eiland groeien twee verschillende vormen van palmen…)
En de diversiteit aan soorten is ontstellend: er leven 13 soorten Darwinvinken op de Galapagos-archipel, rond de dertig soorten tenrecs op Madagascar,
600 vogelsoorten in Thailand, 3000 soorten kevers in Groot-Brittannie, 75.000 soorten week-dieren op de wereld en miljoenen en nog eens miljoenen soorten
insecten in tropische regenwouden. En dan hebben we het alleen nog maar over de dieren.
Loop je plaatselijke supermarkt binnen en neem een kijkje in de schappen. Kiwi’s, kokosnoten, krenten en koolraap: allemaal verschillende soorten.
In je tuin kunnen honderd verschillende planten voorkomen, als je tenminste niet alles hebt afgedekt met kiezeis en tegels.
En je biertje, je kaas, je wijn, je yoghurt en je azijn zijn allemaal het product van verschillende soorten micro-organismen -evengoed als je puisten en
je diarree.
 
 
 
 
Wat zijn soorten en waarom bestaan ze?
Waarom heeft de natuur het nodig gevonden zich op te splitsen in verschillende soorten levende dingen?
En waarom zijn er in vredesnaam zoveel van?
Heeft het gemiddelde Europese land werkelijk 6000 verschillende soorten kevers nodig ?
en zeker twee keer zoveel soorten wespen?
Waarom zien eikenbomen in Washington er anders uit dan eikenbomen in Wiesbaden?
En waarom groeien er andere soorten paddestoelen onder beuken dan onder berken?
En zelfs als er een goede ecologische reden bestaat voor dit alles, hoe zijn die soorten dan ontstaan?
Hoe veranderden die van Zuid-Amerika weggewaaide vinken in 13 totaal verschillende soorten vogels?

Hoe ontstonden uit een reptiel meer dan genoeg soorten dinosauriers om als plastic souvenirs een museumwinkel mee te vullen?
En hoe kwam het dat een tweebenige aap op de Afrikaanse savanne zich splitste in een reeks schepsels waarvan er uiteindelijk eentje
populair-wetenschappelijke boeken zou gaan lezen?
 
‘Door evolutie’ is het voor de hand liggende en juiste antwoord.
 
 
Maar wat voor soort evolutie?
 
 
Stel je het schema van een evolutionaire boom voor.
Van die dingen die in biologielokalen hangen en in de binnenkant van de kaften van wetenschappelijke boeken staan.
Als we de wormen en kwallen en konijnen en netjes geklede zakenheden die aan de toppen van takken hangen even wegdenken, dan is zo’n boom eigenlijk
opgebouwd uit twee dingen: de vorken waar takken zich splitsen en de takken zelf.

Maar het type evolutie dat plaatsvindt in een tak is heel anders dan de evolutie die een vork produceert.
 
De eerste – de tak – is het type evolutie waarover Darwin het meeste schreef.
Natuurlijke selectie maakt dat planten en dieren geleidelijk van uiterlijk veranderen, omdat ze zich voortdurend aanpassen aan veranderende omstandigheden.
Een nachtvlindertje in het Engeland van Shakespeare had beige vieugels als camouflage bij de lichtgekleurde boomstammen waar hij het liefst op zit.
Na de industriele revolutie, met het gehele landschap donker gekleurd door roet, vallen zijn beige vieugels plotseling op, wat hem een gemakkelijke prooi
maakt voor vogels. Alleen de vlinders met de donkerste vieugels blijven gespaard. Dientengevolge verandert deze vlindersoort na verloop van tijd van beige
in roetzwart.
 
 
 
Dit is het soort evolutie dat wordt vertegenwoordigd door een tak.
Er is misschien verandering, maar het blijft een enkele soort.(= micro-evolutie of variatie binnen de soort zegggen creationisten )
Heel anders is het bij de vorken.
Net als bij de takken, kan natuurlijke selectie ook een rol spelen bij het ontstaan van vorken.
Maar in plaats van een verandering van het uiterlijk van een soort, vindt hier een splitsing ( radiatie ) plaats.
Zo was er bijvoorbeeld ooit een soort grote katachtige, maar nu hebben we er twee: leeuwen en tijgers.
 
Na de splitsing gaat elk zijn eigen evolutionaire weg. Dit proces van splitsing, dat het,aantal bestaande soorten vergroot, wordt ‘soortvorming’ of
‘speciatie’ genoemd .Darwin noemde het anders. Hij sprak van ‘divergentie van eigenschappen’, en sommige biologen vinden dat het niet een onderwerp was
waarover hij erg duidelijke ideeen had.
Zoals de beroemde bioloog Edward 0. Wilson klaagde:
‘[Darwins] denken over diversiteit is altijd warrig gebleven’.
En hoewel Darwin, zoals we later zullen zien, soortvorming beter begreep dan veel moderne biologen beseffen, bleef hij ernaar verwijzen met de term
‘dat Mysterie der Mysterien’. We moeten wel bedenken dat dit in het midden van de negentiende eeuw was, toen de evolutietheorie nog in de kinderschoenen
stond.
Maar zestig jaar later, in 1922, zei de invloedrijke bioloog William Bateson nog:
‘dat … stukje van de evolutietheorie dat gaat over de oorsprong en de aard van soorten, blijft volstrekt mysterieus’.
En zelfs nog zo recente-ijk als 1974 stelde geneticus Richard Lewontin dat
‘we vrijwel niets weten over de genetische veranderingen die plaatshebben bij soortvorming’.
 
Al deze frustraties zijn begrijpelijk. Evolutiebiologen ondergaan dagelijks de tantaluskwelling dat ze evolutie niet direct kunnen zien plaatsvinden.
Ze zien natuurlijk wel kleine veranderingen, meestal veroorzaakt door natuurlijke selectie – zoals die nachtvlinders die van kleur veranderen over de
tijdspanne van een paar decennia.
Maar dat (soms wat neerbuigend ‘micro-evolutie’ genoemd) is een lachertje vergeleken met het ontstaan van volstrekt nieuwe soorten.
Biologen kunnen misschien accepteren dat ze nooit getuige zullen zijn van zulke grote evolutionaire gebeurtenissen als het ontstaan van de dinosauriers,
de oorsprong van de mens of de evolutie van de vogels. Maar zoiets bescheidens als het zien ontstaan van een enkele nieuwe soort, dat zou toch niet te veel
gevraagd moeten zijn?
En toch, hoewel nieuwe soorten overal om ons heen in allerlei stadia van ontwikkeling zouden moeten zijn, zijn biologen er altijd van uitgegaan dat het
proces duizenden jaren in beslag neemt, en dat soortvorming dus een veel te traag proces is om van begin tot eind te bestuderen.
Maar de laatste twintig jaar zijn we erachter gekomen dat dat een te pessimistische kijk is.
Soortvorming is niet altijd zo langzaam.
Het kan soms maar een paar honderd jaar duren; korter zeifs.
Het kan worden nagebootst in een wetenschappelijk laboratorium en zelfs in je achtertuin (mits onder competente supervisie, natuurlijk).
Het is echte ‘macro-evolutie’;
het is waar biodiversiteit op draait en het is niet langer een Mysterie der Mysterien.
Toch, hoewel we soortvormingsgebeurtenissen beginnen te begrijpen, zijn we eerbied aan hen verschuldigd; zo eindeloos fascinerend zijn ze.
 
Net als liefdesgeschiedenissen vinden ze keer op keer plaats, iedere keer weer op een iets verschillende manier, afhankelijk van de omstandigheden en de
eigenschappen van de personages, en elk is een mirakel op zichzelf: een mirakel der mirakelen.
 
 
°
zie ook

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2014/08/13/the-grants-in-the-galapagos-and-their-hybrid-species/

05JPESSA1-master675

(Times caption): Daphne Major, foreground, a volcanic cinder cone island in the Galápagos, has served as a natural laboratory for two British biologists for the past 40 years.

Credit D. Parer and E. Parer-Cook

05JPESSA2-articleLarge

(From the Times): Peter and Rosemary Grant on Daphne Major, capturing and measuring finches. Their work documented the evolution of finches in the genus Geospiza in real time. Credit K.T. Grant

 °
 
Keer terug naar    >        https://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/ 

Casuarius en andere loopvogels

BIODIVERSITEIT / VOGELS —
°

 

 

http://www.sciencedaily.com/videos/06c88869234ad94a1dc01ea83947e6c6.htm

How Did Flightless Birds Spread Across The World?

 

http://ngm.nationalgeographic.com/2013/09/cassowaries/ziegler-photography?utm_source=NatGeocom&utm_medium=Email&utm_content=pom_20130818&utm_campaign=Content

CASSOWARY 

The cassowary is a standout: Six feet tall, 160-plus pounds, and dad sits on the eggs.
CASUARIUS is een geslacht van vogels uit de familie kasuarissen. De kasuaris is een grote, vleugelloze vogel. Hij komt voornamelijk voor in het regenwoud van Australië en op de nabijgelegen eilanden. Het hoofdvoedsel van de kasuaris is fruit. Wikipedia
*
Rang: Geslacht
°

Bedreigde soorten

De vogels leven  in de regenwouden van Australië en Nieuw Guinea  …maar ze wagen zich ook in toenemende  mate in   de  aanpalende savannes  , fruitplantages  en in de mangroves

 https://tsjok45.wordpress.com/2012/09/01/regenwoud/

http://carnivora.proboards.com/index.cgi?board=aves&action=display&thread=2837

      Overblijvend reservaten -gebied (Queensland )

http://australian-animals.net/casso.htm 

In tegenstelling tot wat men zou verwachten is  de hen de grootste en de zwaarste van de  twee   ….Ze is tevens  dominant  en  polygaam  ….Mannetjes  broeden gedurende twee maanden de  2 a 3    eieren uit  , en zorgen voor de  jongen … Het  wijfje is  na het leggen van de  eieren  zo vlug mogelijk  weg   ….

De cassowaries (of Casuariidae)    Kasuarissen   hebben dan misschien wel een aantrekkelijke naam, de dieren ( in het bijzonder de grote helmkasuaris )blijken plots  erg gevaarlijker snuiters  te kunnen  zijn ….. zeker  nu  en dat    tengevolge van  de klimaat rampen die het australische  continent  de laatste tijd  hebben getroffen .

Hun overgebleven  reservaten / habitat ( in Queensland ) werd onlangs  zwaar beschadigd   door  de  orkaan Yasi en zo raakten de aldaar levende   helmkasuarissen   op de dool … Ze zijn  nu  volop verwikkeld  in  een  heftige  “struggle for life “

Hoewel het vrij schuwe vogels zijn, is het niet al te   verstandig om  ze  al  te dicht te benaderen  en wél omdat zij dan erg agressief  en gevaarlijk  kunnen worden …

Het zijn bovendien ook nog eens   alleseters ( net zoals  varkens daarom ook gevaarlijk kunnen zijn ) die zeker geen dierlijke  proteinen versmaden wanneer de nood het hoogst is    en ze  zijn voorzien van gevaarlijke  verdedigingswapens

casoar_a_casque_jefe_4g

De middenteen bezit een dolkklauw van 8   t/m 12,7  cm  en kan opgericht worden    .De helmkasuaris bezit  weliswaar  krachtige poten met drie dodelijke klauwen  , maar die  wapens  dienen vooral ter bescherming.  Het zijn dus   loopvogelsd  in het bezit van erg sterke  en dodelijke  poten : Met één trap kunnen ze de buik van mensen, honden en zelfs paarden openrijten….. en ze doen dat zeker wanneer ze in het nauw gedreven worden

In 1926   was dit al bekend geraakt   :    De 16-jarige Philip McClean en zijn broer wilden een vogel doden. Het dier vocht  heftig terug en sneed met zijn klauw de nek van de jongen open, die  vervolgens  overleed

Het dier doet ( net als andere grote loopvogels denken  aan   de  kleinere   theropoden  … dat zijn hun verre voorouderlijke verwanten onder  de  uitgestorven   dinosauriers  )

 < klik voor vergroting

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/557/11/10.pdf

,< klik

Heel bijzonder is dat deze  loopvogel ook erg goed kan  zwemmen

De Helmkasuaris bezit bovendien een  benig (=  keratine met  melanine gekleurd   ) kapsel   bovenop  de schedel     en dat doet    ook al aan  bepaalde  dino’s   denken  : de kasuaris gebruikt  zijn helm om  zich  zeer  vlug  een  weg door het struikgewas te kunnen banen

De helm dient trouwens ook  als versterker  voor de  lage  imponerende /intimiderende    en  grollende  verwitigingsroep   die  de vogel     kan  produceren

Het is tevens  een statussymbool ___ weliswaar   onder de hennen   die ook het zwaarts  zijn en het mooist gekleurd  en dat  in tegenstelling tot de  “modernere ”  neohnathea      en  met haar meer dan 8000 soorten , het gros van de  extante vogelsoorten  waar de mannetjes in de regel   de plak zwaaien

WTQ-107: Cassowary  Skull (Teaching Quality Replica)       casuario2     casoar_a_casque_pain_2g

De vogel   eet vooral   fruit    maar ook  af en toe    kleinere  dieren  en   het   beschikt toch over een krachtige bek  ( net zoals de andere  loopvogels,  een stevige  bek die erg goed   taai  en sterk plantaardig materiaal  aankan  )die ook allerlei slangen  en grotere  hagedissen   te lijf kan :  De vogel   kan met grote precisie en met een  nauwkeurige  snavelstoot  zijn ( ook  dikwijls giftige ?  )   belager( of misschien   prooi(?) ) of doden  of verlammen (door bijvoorbeeld  zenuwen te raken  )

Net zoals andere  alleseters versmaden ze ook  geen aas  … omnivoren zijn bovendien meestal  opportunisten of   geen  voedselspecialisten( ze kunnen natuurlijk  voorkeuren hebben  bij overvloed )    ;maar   ze kunnen alle kanten op :  Dat is een serieus evolutionair voordeel      ….Ook de mens is een omnivoor (= zoals bij andere zoogdieren  kan men dat gemakkelijk vaststellen  aan het gebit , bij vogels is dat, om voor de hand liggende redenen  , moeilijker ; vooral de  snavel is een goede  aanwijzing     ) ….

De  Kasuarissen   zijn intussen wél een bedreigde diersoort geworden: dat komt door het rooien van regenwoud en het omzetten van hun habitat in plantages en landbouwgrond  met vooral een versnippering  van hun woonplaatsen  waardoor de soort  plaatselijk terug  moet  vallen op  van langsom meer   inteelt  en tengevolge daarvan vermindering van de  bufferende  waaier aan  normale fenotypische  variaties ….Verwilderde zwijnen en loslopende grote honden  (= afstammelingen van de  grijze wolf ) vreten  nesten , jongen en broedende mannetjes op  of bijten ze dood voor de lol   : de vogels hebben  ook te lijden van  ziektes die ware epidemieen blijken te zijn     …. Ze zijn echter in speciale beschermde   reservaten nog aanwezig    maar door de huidige  slechte weersomstandigheden gaan  de overlevenden    nu  ook  in toenemende  mate  in  de bewoonde wereld op zoek naar voedsel   . Ze vinden immers  op dit ogenblik   weinig ( vooral fruit )   in de bossen  , aangezien de orkaan veel van hun voedsel   daar  vernield  of verjaagd heeft  …overigens  passen  dieren( die buiten de reservaten leven   )  zich ook al een  tijdje aan , aan  de australische   menselijke  omgevingen /cultuurlandschappen   (1)

“Niemand mag de cassowaries voederen, dat is te gevaarlijk en ook niet goed voor de overlevingskansen van de dieren”, zegt Kate Jones, minister van Duurzaamheid en millieu  in Queensland, (= volgens de Daily Telegraph.)

De regering is van plan om voedsel uit de lucht te droppen om de vogels uit de omgeving  van woonbuurten te houden.

Het zal mogelijk nog tot volgend jaar duren voor het reservaat –  regenwoud  op natuurlijke  wijze   terug genoeg voedsel voor de casuarissen kan leveren … maar het zal nog  jaren duren voor het  woud  zich volledig heeft hersteld  van de zware  voorbije  storm.

Recent werden veel (hongerige ?  )  kasuarissen  in de buurt van een dorp gezien.

In 2007 werden deze vogels nog uitgeroepen tot de gevaarlijkste vogel- soort ter wereld.
Met hun zestig kilo kunnen ze dan ook geen “lief vogeltje” meer genoemd worden ;
Het zijn ook bepaald geen doetjes
Dat hebben ze hard nodig gehad in de loop van hun evolutionaire ontwikkeling …
°
( zie ook   ANDERE )  LOOPVOGELS
<
Vestigale vleugels  

>

The Wings on Flightless Birds

The Wings on Flightless Birds

In 1798, sixty years before Charles Darwin’s first book was published, a French anatomist, Étienne Geoffroy St. Hilaire, traveled to Egypt with Napoleon where he witnessed and wrote about a flightless bird whose wings appeared useless for soaring. The bird that Hilaire described was an ostrich, but he described it as a “cassowary”, a term used back then to describe various birds of ostrich-like appearance.

De struisvogel en de cassowary
Ostriches and cassowaries are among several birds that have wings that are vestigial.
Besides the cassowary, other flightless birds with vestigial wings are the kiwi, and the kakapo (the only known flightless and nocturnal parrot), among others.
Kiwi 2349939950-33092edcdd-z
KIWI
In general, wings of a bird are considered complex structures that are specifically adapted for flight and those belonging to these flightless birds are no different.
They are, anatomically, rudimentary wings, but they could never give these bulky birds flight.
The wings are not completely useless, as they are used for balance during running and in flagging down the honeys during courtship displays.
°

Piepkleine kiwi blijkt nauw verwant aan enorme olifantsvogel

 

Niet de emoe, maar de inmiddels uitgestorven olifantsvogel is het meest nabije familielid van de kiwi. Dat blijkt uit nieuw onderzoek, dat bovendien aantoont dat de kiwi – en de olifantsvogel – ooit konden vliegen!

De kiwi is een Nieuw-Zeelands icoon. Je begrijpt dan ook wel dat de Nieuw-Zeelanders geschokt waren toen onderzoekers in de jaren negentig stelden dat het Nieuw-Zeelandse symbool feitelijk een importproduct was en uit Australië kwam. Onderzoekers concludeerden namelijk dat de meest nabije familieleden van de kiwi de Australische emoe en casuarius waren. De meeste Nieuw-Zeelanders zijn die schok inmiddels wel te boven. En nu kondigen onderzoekers weer iets anders aan.

 

Het skelet van een olifantsvogel en daarnaast een olifantsvogelei. De olifantsvogel kon meer dan drie meter hoog worden en honderden kilo's wegen.

Het skelet van een olifantsvogel en daarnaast een olifantsvogelei. De olifantsvogel kon meer dan drie meter hoog worden en honderden kilo’s wegen.

afbeelding : Monnier

°

Olifantsvogel
Uitgebreid onderzoek toont aan dat het meest nabije familielid van de kiwi de inmiddels uitgestorven olifantsvogel is. Hoewel ze er heel anders uit zien en in heel andere gebieden wonen (de olifantsvogel was te vinden op Madagaskar) zijn de twee vogels genetisch gezien nauw met elkaar verbonden. “Dit resultaat was zo onverwachts als maar kan,” stelt onderzoeker Kieren Mitchell.

Vliegen
De conclusie dat de kiwi een nabij familielid in Madagaskar had, heeft grote implicaties voor ons beeld van de grote loopvogels. Hieronder vallen onder maar de emoe en de struisvogel. De groep bevat tevens uitgestorven grootheden zoals de moa en olifantsvogel. Lang werd gedacht dat de verschillende soorten in de afgelopen 130 miljoen jaar in complete isolatie op de verschillende zuidelijke continenten ontstonden. Maar dat beeld moet nu op de schop. “Nieuw-Zeeland en Madagaskar waren ooit slechts in de verte – middels Antarctica en Australië – met elkaar verbonden, dus de resultaten tonen aan dat de loopvogels zich vliegend over de wereld hebben verspreid.” Het is in lijn met recent onderzoek naar fossiele resten van kleine voorouders van de kiwi. “We vermoedden dat deze konden vliegen,” vertelt onderzoeker Trever Worthy. “De genetische resultaten onderschrijven die interpretatie en bevestigen dat de kiwi’s konden vliegen toen ze in Nieuw-Zeeland arriveerden.”

Aan de hand van het DNA van de olifantsvogel konden de onderzoekers ook vaststellen wanneer de verschillende soorten loopvogels ontstonden. “Het bewijs suggereert dat de vliegende voorouders van de loopvogels zich kort nadat de dinosaurussen uitstierven en nog voor de zoogdieren enorm in grootte toenamen en de dominante groep werden, over de aarde verspreidden,” vertelt onderzoeker Alan Cooper. “We denken dat de loopvogels die periode (tussen de ondergang van de dino en de opkomst van het zoogdier, red.) gebruikten om grote herbivoren te worden, maar zodra de zoogdieren ook groot werden – ongeveer 50 miljoen jaar geleden – kon geen enkele andere vogel dat meer proberen, tenzij die vogel zich op een eiland zonder zoogdieren bevond, zoals de dodo.”

Bronmateriaal:
Ancient DNA ends Aussie claim to kiwi origins” – Adelaide.edu.au
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Jim Jenkins / Smithsonian’s National Zoo (cc via Flickr.com).

 

Eieren zijn er in allerlei soorten en maten. Anno 2011 is de struisvogel degene die de grootste eieren produceert. Eén struisvogel wist er in 2008 zelfs het Guinness Book of Records met te halen. De vogel legde een ei van maar liefst 2,589 kilo! De eieren van een struisvogel zijn supersterk. Zelfs als een volwassene op een degelijk ei gaat staan, zal dit ei nog niet barsten. Mede door de sterke schaal en de enorme grootte van een struisvogelei moet u veel geduld hebben als u het ei wilt koken. Wie van een hardgekookt eitje houdt, moet het ei al snel anderhalf uur op het gas zetten.

Een kippenei tussen eieren van struisvogels. Foto: John Federico (cc via Flickr.com).

 

°

Ook groot
De kiwi legt eieren die ongeveer net zo groot zijn als eieren van de emoe. En dat is heel bijzonder. Zeker als u in ogenschouw neemt dat de kiwi zelf niet veel groter is dan een kip. De kiwi legt relatief gezien dan ook de grootste eieren. Soms kan zo’n ei wel twintig procent van het lichaamsgewicht van de moeder uitmaken.

 

Een kiwi en haar ei. Foto: Simon Willison (cc via Flickr.com).Een kiwi en haar ei. Foto: Simon Willison (cc via Flickr.com).
Olifantsvogel
Hoewel de struisvogel en kiwi anno 2011 elk op hun eigen manier recordhouders zijn, kan er natuurlijk maar één vogel echt de grootste eieren leggen. Voor zover bekend is die eer weggelegd voor de inmiddels uitgestorven olifantsvogel. Eieren met een breedte van zo’n 25 centimeter waren eerder regel dan uitzondering.

 

Olifantsvogels. Afbeelding links: Acrocynus, rechts : Monnier   (beiden via Wikimedia Commons).

 

Enige witte kiwi overleeft operatie netEnige witte kiwi overleeft operatie net

Er is er voor zover bekend maar één van op de hele wereld: een witte kiwi. En dat…

°
VOGELEILAND
800px-Vogeleiland

De Reuzenmoa ( lang versleten voor  de  Olifantsvogel ?Aepyornis  Maximus  ) gereconstrueerd in het Museon te Den Haag (links) met rechts een struisvogel en daar tussenin een reconstructie van de dodo. Misschien komt daar ook nog DNA van te voorschijn uit een eierschaal.

 

Loopvogels zijn  trouwens   nooit  watjes  =  ze moeten  hun heil zoeken in  welgemikte  dodelijke  trappen( ook struisvogels en nandoe”s  kennen er wat van___, om maar niet te spreken van de  uitgestorven Moa’s en olifantsvogels   ____)  , agressief gedrag   en moeten  desgewenst  erg vlug   kunnen  wegrennen( de helm bied in het struikgewas goede diensten )  met een groot uithoudingsvermogen en/ of  zijn uiterst wendbaar en kunnen   gemakkelijk uit het oog worden verloren  (=  de kleine kiwi bijvoorbeeld )   en dat  allemaal  wanneer de  belagers of de dreging   te sterk blijken …
In de  australische  bossen is door een samenloop van omstandigheden(  bijvoorbeeld   =het verdwijnen van toppredatoren  )   de helmkasuaris de top van een plaatselijke  voedselpyramide geworden
Eigenlijk vult het de niche op  van  de “pekari ” in  Zuid-Amerikaanse   regenwouden
Maar in vergelijking  met (ver)wilde(rde) varkens  , pekari’s  etc … zijn het toch maar  doetjes
Tegen  ontsnapte en  verwilderde ” ingevoerde ” zwijnen ( in feite exoten in de australische fauna   )   hebben ze zelfs weinig verhaal …. en ondanks het feit dat ze tweede grootste loopvogel op deze planeet  zijn  ….
Overigens  bezat  australie vroeger ook  grote roofdieren …
°
O.A.
De  verwilderde hond ;  de Dingo ( afkomstig uit zuid-oost azie ) ,  is een serieuze  hedendaagse   kaper op de kust
maar kan ook niet op tegen de  gevaarlijke poot -uithalen  van de helmkasuaris
Dingo
 Het dier is beschermd en mag niet meer bejaagd worden
De vogels  werden( en worden nog steeds ) door  de  traditionele inheemse   bevolkingen   bereid als  grote voortreffelijk  smakende  kippen
Maar of er ook al  pogingen zijn ondernomen  om het dier te kweken als  eier  en vleesleverancier ( de struisvogel   wordt wel al  grootschalig  gekweekt om zijn vlees ) weet ik niet  … Vanwege zijn  slechte karakter  zal het wel een  moeilijke zaak blijven
Verweesde kuikens  worden   dikwijls en  zonder problemen   geadopteerd  door  gewone kippen

geadopteerd  Kasuariskuiken met  pleegmoeder

(1)

Overigens zijn ook hier   veel  opportunistische  wilde dieren  bezig zich aan te passen  aan de mens : zie stads-vossen , stadsroofvogels  …meeuwen  …reigers   etc

Stadsvossen

evolutie in actie

http://epiccreature.blogspot.com/2011/03/cassowary.html