Ammonieten

GLOS A   

ammonieten en aanverwanten.docx (3.3 MB)

°Hedendaagse verwanten van de ammonieten

ammonite-related-octopus

octopus    octopus <— archief document 

Squid (pijlinktvissen )     /

Pijlinktvissen 2

Pijlinktvissen1

                                                       

Nautillus  

Nautilusweekdieren-8Nautillus

crown group  and ancestors

Palaeoecology.

 

 

 

 

°

Verwanten  & crown group

° KERNWOORDEN   

Prehistorische inktvissen beten van zich af

woensdag 15 juli 2009

Wat doe je als hongerige inktvis als je een ammoniet (fossiele inktvisachtige met kalkschaal) tegenkomt? Val je de opening waardoor de armen van de ammoniet komen aan? De op het oog gemakkelijkste weg is niet de meest succesvolle. Prehistorische inktvissen zonder kalkschaal vielen juist de achterkant van de ammoniet van achter aan, beten een gat in de schaal en vraten hun prooi op. Met groot succes. Tijdsperiode? Van 200-66 miljoen jaar geleden toen de ammonieten én de roofdieren veelvuldig aanwezig waren in de oceanen.

Ammonieten: één van de bekendste fossielen ter wereld. Deze prehistorische inktvisachtige moeten vele vijanden hebben gehad. Daar is echter weinig over bekend. Adiël Klompmaker, Natascha Waljaard (beiden Universiteit Utrecht) en René Fraaije (Oertijdmuseum De Groene Poort in Boxtel) hebben een nieuwe vijand gevonden: andere inktvissen. Deze rovers vielen de ammonieten van achter aan, beten door hun schaal heen en peuzelden de prooi op. Dat staat te lezen in het bekende wetenschappelijke vakblad Palaeogeography, Palaeoclimatology,

Ammonoid

Veel ammonieten leefden in de waterkolom. Sommige ammonieten vertoefden nabij de bodem van de oceaan op zoek naar onder andere algen.

Ammonieten

Deze fossiele inktvisachtigen leefden van ongeveer 400 tot 66 miljoen jaar geleden. Rondom de beroemde Krijt-Tertiair grens stierven ze uit. Waarschijnlijk als gevolg van de komeetinslag nabij Mexico en langdurig vulkanisme in India. Ammonieten zijn één van de meest gewilde collectoritems voor fossielenzoekers vanwege hun schoonheid. Ook zijn ze heel belangrijk in het bepalen van de ouderdom van gesteentelagen op aarde. Ammonieten fossiliseren namelijk goed, zijn wereldwijd te vinden en evolueerden snel. Het 8-10 armige beestje leefde in de oceanen en had een uitwendige kalkschaal.

Ammonoid_cross_section

Een doorsnede van een ammoniet. De (hier kleine) armen staken door de opening naar buiten. De kalkschaal diende niet alleen voor bescherming. De luchtkamertjes maakten de ammoniet een beetje lichter, waardoor de ammoniet niet als een baksteen naar de bodem zonk.

Bescherming mislukt

De kalkschaal dient deels ter bescherming. Maar die bescherming gaat niet altijd op. Veel predatoren grijpen zich vast aan de opening waar de armen uitkomen en bijten/knippen stukjes ervan af. Dergelijke aanvallen op levende Nautilus, een andere groep inktvisachtigen met een uitwendige schaal, zijn vaak niet succesvol. Aanvallen op de opening van de ammonietenschaal mislukten ook vaak, soms geholpen door een verdikking van de schaal op deze plaats. Het is zelfs zo dat sommige ammonieten zich zelfs konden terugtrekken in de ammonietenschaal, met al hun armen.

In de Jura (200-145 miljoen jaar geleden) en in het Krijt (145-66 miljoen) veranderde er iets in het oceaanecosysteem. Inktvissen zonder een uitwendige schaal namen enorm toe in aantal en soortenrijkdom in de vroege Jura. De vele nieuwe soorten waren alle op zoek naar voedsel. Ook is bekend dat inktvissen niet bepaald de domste jongens van de klas zijn. Deze inktvissen hadden het op de veel voorkomende ammonieten voorzien. Op een speciale manier. De inktvissen vielen namelijk niet op de conventionele manier aan, maar ze vielen de ammoniet van de achterkant aan. Een echte verrassingsaanval dus. Waarschijnlijk gebruikten ze hun armen voor houvast voordat ze hun dodelijk beet plaatsten. Met hun sterke en scherpe bek beten ze moeiteloos door de schaal heen. De weke massa was zo gemakkelijk toegankelijk.

Bewijs daarvoor zijn de vele beschadigingen in de laatste winding van de ammonietenschaal op een relatief vaste positie. De auteurs hebben dit type beet het ‘ventrale bijtspoor’ genoemd. Het deel van de schaal waar de beschadiging zit, heet namelijk de ventrale kant.

Bijtsporen

Bijtsporen

Androgynoceras links en Amaltheus margaritatus rechts missen een deel van hun schaal. Niet toevallig aan de achterzijde van de ammoniet. Deze ammonieten zijn afgebeeld in ongeveer hun vermoedelijke levenspositie in de waterkolom. (Herman Akkerman)

Hakken en verzamelen

Het balletje ging aan het rollen toen René Fraaije veel van deze beschadigingen vond in het Duitse Dotternhausen. Tijdens gezamenlijke veldwerken in 2006 en 2008 werden er nog meer gevonden door het onderzoeksteam. Verder onderzoek aan collecties in onder andere Naturalis (Leiden), Natuurhistorisch Museum Maastricht en aan de universiteit in het Duitse Münster leverde nog meer resultaten op. De herkomst van de collecties was onder andere Nederland, Duitsland, Frankrijk en Spanje.

In alle grote collecties uit de Jura en het Krijt doken vele bijtsporen op. Wel 10-20% van de collectie had zo’n beschadiging. Van 400-200 miljoen jaar geleden zijn er echter nauwelijks dergelijke bijtsporen in ammonieten bekend. En dat is helemaal niet vreemd aangezien de belangrijkste predator pas vanaf 200 miljoen jaar enorm in soortenrijkdom en aantallen toenam. Waarschijnlijk hebben ook roofvissen een klein deel van deze bijtsporen veroorzaakt.

Eten en gegeten worden blijft boeien. De paleontologie levert zo nu en dan een zo’n verhaal op. Een verhaal dat letterlijk op te rapen is in de groeves.

Squid

Een overblijfsel van een fossiele inktvis (links) en de ammoniet Harpoceras (rechts). Ze leefden zo’n 180 miljoen jaar geleden samen in de wateren rond het Duitse plaatsje Dotternhausen. In deze plaats zijn veel ammonieten met bijtsporen gevonden. Natascha Waljaard

Onderzoek en perspresentatie

Klompmaker en Waljaard deden hun onderzoek als afsluiting van hun master Biogeologie aan de Universiteit van Utrecht. Adiël Klompmaker onderzocht de beschadigingen aan de ammonieten door de geologische tijd heen en van verschillende vindplaatsen. Natascha Waljaard specialiseerde zich in de bijtsporen uit een belangrijke vindplaats in Duitsland (Dotternhausen). Voor het onderzoek kregen beide begeleiding van Prof. dr. Bert van der Zwaan (Universiteit Utrecht) en Dr. René Fraaije.

De presentatie van het onderzoek zal plaatsvinden op zaterdag 18 juli om 15:00 uur in Oertijdmuseum De Groene Poort te Boxtel (Bosscheweg 80, 5283, WB Boxtel, http://www.oertijdmuseum.nl). Vertegenwoordigers van de pers zijn van harte welkom.

Voor meer info kunt u zich wenden tot Adiël Klompmaker (adielklompmaker@gmail.com) of Oertijdmuseum De Groene Poort (info@oertijdmuseum.nl) of bellen naar 0411-616861.

Referentie:

Klompmaker, A.A., N.A. Waljaard & R.H.B. Fraaije. 2009. Ventral bite marks in Mesozoic ammonoids. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology. doi:10.1016/j.palaeo.2009.06.013

Fossil_squids

Voorbeelden van fossiele inktvissen zonder uitwendige schaal. Deze beestjes leefden zo’n 180 miljoen jaar geleden in de oceaan van zuidwest Duitsland. Toen op zoek naar ammonieten, nu in een museum. Natascha Waljaard

Zie ook:

Ammonieten behoren met hun opgerolde schelp tot de fraaiste fossielen. Het zijn de resten van een uitgestorven groep inktvissen.

De naam ammoniet is afgeleid van de Egyptische god Ammon, die werd voorgesteld als een ram. De vorm van de fossiele schelp lijkt dan ook op een ramshoorn. In de Middeleeuwen werden ammonieten slangenstenen genoemd. Volgens de legende had de heilige Hilda de slangen die haar plaagden in steen veranderd. Soms werd de overeenkomst met een opgerolde slang versterkt door het fossiel te verfraaien met een uitgehakte slangenkop. Het Engelse plaatsje Whitby in Yorkshire draagt drie van deze ammoniet/slangen in zijn wapen.

Tegenwoordig weten we dat ammonieten de schalen zijn van een uitgestorven groep inktvissen. Net als de recente Nautilus, een tropische inktvis die leeft in het westen van de Stille Oceaan, hadden deze inktvissen een uitwendige schelp. Ammonieten zijn echter meer verwant met de pijlinktvissen. Net als deze dieren hadden ze waarschijnlijk tien armen.

Gidsfossielen van het     Mesozoïcum

De oudste ammonieten vinden we in het   Devoon (410-360 miljoen jaar geleden). De oudste soorten hebben een min of meer rechte schelp. In de loop van de evolutie zou die schelp steeds verder oprollen. In de Duitse vindplaats Hunsrück is een aantal prachtig bewaard gebleven fossielen uit het Vroege Devoon gevonden. De inktvissen van deze vindplaats laten zien dat er in die tijd een grote variatie was. Sommige soorten hadden rechte schelpen, bij andere soorten is de schelp helemaal opgerold. Allerlei tussenvormen zijn ook aanwezig.

Bij typische ammonieten is de schelp spiraalvormig opgerold. Vooral in het Krijt ontstaan er veel ontrolde vormen. Er ontstaan dan allerlei merkwaardige schelpen, die weinig op typische ammonieten lijken.

Ammonieten hadden hun bloeitijd in het Mesozoïcum (250-65 miljoen jaar geleden). Ze waren zo talrijk en wijdverspreid, dat de indeling van het Mesozoïcum grotendeels op ammonieten is gebaseerd. Aan het eind van de periode stierf de groep uit.

Levenswijze

Waarschijnlijk konden ammonieten, net als de recente Nautilus, zwemmen. De Nautilus kan drijven doordat er lucht in de kamers van zijn schelp zit. Als er gevaar dreigt, kan hij door hard water weg te spuiten, zich uit de voeten maken. Sommige soorten ammonieten hielden zich dicht bij de bodem op. Daar waren ze op zoek naar allerlei diertjes en leefden mogelijk ook van aas.

In de 19de eeuw ontdekte een Duitse paleontoloog dat in vindplaatsen van ammonieten groepjes van twee soorten waren te onderscheiden. Als ze klein waren was er weinig verschil, maar de volwassen exemplaren verschilden in de vorm van de buitenste windingen. Tegenwoordig denkt men dat het hier helemaal niet om twee soorten gaat. De kleine (microconchen) en grote (macroconchen) schelpen behoren tot dezelfde soort, maar verschillen in geslacht. Waarschijnlijk zijn de microconchen de mannetjes en de macroconchen de vrouwtjes van de soort.

Het wetenschappelijk onderzoek aan grote fossiele ongewervelde dieren geniet de laatste jaren steeds minder belangstelling. Men richt zich meer en meer op het onderzoek aan microfossielen. Tijdens proefboringen voor bijvoorbeeld aardolie komen duizenden microfossielen naar boven. De kans dat men een ammoniet in een boring aantreft is echter zeer klein. Microfossielen lijken dus veel nuttiger. De indeling van het Mesozoïcum is echter oorspronkelijk vastgesteld met behulp ammonieten. Daarom is het juist belangrijk dat we voldoende kennis houden over deze groep. 

This is a fossiliferous concretion containing a large macroconch of Hoploscaphites brevis, Inoceramus nebrascensis and Baculites cuneatus . This fossil, collected as AMNH 63467, was found in the Baculites cuneatus Zone, Pierre Shale, Meade County, South Dakota. (Credit: S. Thurston/AMNH)

Invertebrate fossils collected from the methane seep. The scale bar applies to all except A, D, H, and K. (Credit: by AMNH\S. Thurston)
Landman, Neil H.; Kennedy, W. J. (William James); Cobban, William Aubrey; Larson, Neal L. Scaphites of the ‘nodosus group’ from the Upper Cretaceous (Campanian) of the Western Interior of North America. Bulletin of the American Museum of Natural History, 2010; 342 [link]
These marcasite-coated ammonites were discovered during the re-development of the railway station in Bielefeld, Germany. (Credit: Picture: Paul Marx / PIXELIO)
Kenneth De Baets, Christian Klug, Dieter Korn, Neil H. Landman. Early evolutionary trends in ammonoid embryonic development. Evolution, 2012; DOI: 10.1111/j.1558-5646.2011.01567.x

‘Het  genus   BACULITES  stierf  uit door haar

 strikte dieet’

 07 januari 2011   1
Baculites from peru 
Baculite species   peru 2011

Honderen miljoenen jaren regeerden de ammonieten de zeeën en oceanen en nog steeds duiken de fossiele resten overal op. Maar geen enkel fossiel kon wetenschappers vertellen wat enkele   soorten   van het genus   Baculites   aten .

http://en.wikipedia.org/wiki/Baculites

Tot nu:

onderzoekers hebben een scan van de kaken gemaakt en concluderen dat ( de onderzochte ) dieren  enkel plankton aten . En dat kan wel eens  hun  ondergang zijn geworden.

De onderzoekers reconstrueerden de kaken van drie Baculites  specimen  die ongeveer 76 miljoen jaar geleden leefden.

South-Dakota025

The three ammonites used for this study were collected in South Dakota on AMNH expeditions. 
Credit: Landman

De bovenste kaak van deze ammonieten was ongeveer net zo groot als de helft van de onderkaak en vrij plat.

These jaws were made for squashing  ….This is a 3-D reconstruction of the radula (tongue-like anatomical structure of mollusks for feeding) of a Baculites fossil. Teeth are depicted in yellow and the fragments of the fossil’s last meal, caught between the jaws, in blue (for a crustacean) and pink (for a snail), respectively. (Credit: I. Kruta/MNHN)

Strikt dieet
Uit de beelden van de wetenschappers lijkt  dat deze baculites  eigenlijk enkel in staat waren  om plankton te eten. Dat vermoeden wordt bevestigd door de voedselrestanten ( van   een   kleine zeeslak   en  drie minuscule  crustaceeen – , waarvan eentje in twee is “gebeten ”  ) die de onderzoekers in één van de  onderzoekobjekten vonden.

Ammonites Dined

Reconstructed radula of the straight shelled ammonite Baculites (70-80 Myr-old) with each color representing a different type of tooth; generated from Synchrotron Radiation microtomographic slices. 
Credit: Tafforeau/Kruta

Ammonite jaws lie just inside the body chamber. The research team’s new scans of  Baculites, a straight ammonite found worldwide, confirms older research that ammonites had multiple cusps on their radula, a kind of tongue covered by teeth that is typical of mollusks. The radula can now be seen in exquisite detail: the tallest cusp is 2 mm high, tooth shape varies from saber to comb-like, and teeth are very slender. The jaw is typical of the group of ammonites (the aptychophorans) to whichBaculites belongs. In addition, one specimen has a tiny snail and three tiny crustaceans in its mouth; one of the crustaceans is even cut in two pieces. Because these planktonic fossils are not found anywhere else on the specimen, the team thinks that the specimen died while eating its last meal rather than being scavenged by these organisms after death.

Uitgestorven
De studie suggereert niet alleen wat deze dieren op het menu hadden staan, maar verklaart mogelijk ook waarom deze soort zo plotseling verdween. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat plankton zo’n 65 miljoen jaar geleden in het nauw zat: hun aantal liep rap terug. (1b) Deze soort  zou daardoor zonder eten hebben gezeten en zijn verdwenen.

Enkele  ” wetenschapsjoernalisten “ ,( OPGELET   **  ) generaliseerden  dat graag  naar” alle” ammonieten  (A)  .

Echter lang niet alle onderzoekers zijn overtuigd door dergelijke “conclusion jumping ” ( zelfs niet wanneer ze worden gemaakt door de onderzoekers van de studie in kwestie )

Sommigen wijzen erop dat plankton nooit helemaal verdween ……….en dat deze ” ammoniet”  dus nog wel wat voedsel voorhanden had.

De onderzoekers hebben bovendien maar( drie specimen van  )  één soort van het genus  baculites  bestudeerd, dus het zou kunnen dat andere soorten ( en dat zijn er  zoveel meer   )  wel een gevarieerd menu hadden.  (1) 

Tekening van de  door de wetenschappers onderzochte ammoniet.
Afbeelding: A. Lethiers / UPMC
°
Bronmateriaal:
Ammonites’ strict diet doomed them to extinction” – Newscientist.com
Kruta, I.; Landman, N.; Rouget, I.; Cecca, F.; Tafforeau, P. (2011). “The Role of Ammonites in the Mesozoic Marine Food Web Revealed by Jaw Preservation”. Science 331 (6013): 70–72. Bibcode:2011Sci…331…70K. doi:10.1126/science.1198793.

Ammonites are prominent in macroevolutionary studies because of their abundance and diversity in the fossil record, but their paleobiology and position in the marine food web are not well understood due to the lack of preserved soft tissue. We present three-dimensional reconstructions of the buccal apparatus in the Mesozoic ammonite Baculites with the use of synchrotron x-ray microtomography. Buccal mass morphology, combined with the coexistence of food remains found in the buccal mass, SUGGESTS   that these ammonites fed on plankton.

This diet may have extended to all aptychophoran ammonites °   which share the same buccal mass morphology. Understanding the role of these ammonites in the Mesozoic food web provides insights into their radiation in the Early Jurassic, as well as their extinction at the end of the Cretaceous/early Paleogene. 

http://www.geo.fu-berlin.de/geol/fachrichtungen/pal/eigenproduktion/Band_10/21_Schweigert.pdf

°  Synchrotron analysis of an aptychophoran ammonite revealed remains of isopod and mollusc larvae in its buccal cavity, indicating at least this kind of ammonite fed on plankton.

Citaten 

“Our research suggests several things. First, the radiation of aptychophoran ammonites might be associated with the radiation of plankton during the Early Jurassic,” says Landman.

“In addition, plankton were severely hit at the Cretaceous-Tertiary boundary, and the loss of their food source probably contributed to the extinction of ammonites. This research also has implications for understanding carbon cycling during this time.”

(1)  Commentaren  

**OPGELET

…. Het oorspronkelijke( nederlands-talige )  artikel is een verschrikking (qua vertaling en interpretatie )  ….Niettemin blijft het wel een  artikeltje  dat    een  nuttige  signaalfunctiebezit  … Gelukkig is veel van het oorspronkelijke   studie- materiaal ( en achtergronden )  beschikbaar na wat zoekwerk   ….

(A)

 https://nl.wikipedia.org/wiki/Ammonoidea

Voorkant
<– Google books  Ammonoid Paleobiology
geredigeerd door Neil H. Landman,Kazushige Tanabe,Richard Arnold Davis
  • Remains of small crustaceans inside ammonites have been interpreted as stomach contents,
  • Some specimen contains the tiny jaws of another ammonite

Stomach contents ammonitesFossielenzoeker  :      ik geloof het generaliserende  ammonietenverhaal niet.     – Uit Solnhofen zijn mooie fossielen bekend van ammonieten met de resten  van vrijzwemmende zeelelies in hun maag.

-Maar ….. de “gevonden  “maaginhouden” zijn slechts interpretaties

  • (1b ) Ammonieten maakten, na het  uitkomen uit hun ei, zélf een planktonische fase door.Dat was hun achilleshiel en de oorzaak van hun uitsterven.” ….Men denkt dat de ammonieten door hun voortplantingsstrategie uitstierven. De jongen maakten deel uit van het plankton dat aan het zeeoppervlak dreef. Zure regen en verduistering van de zon door stofwolken zorgden waarschijnlijk voor slechte condities voor de eitjes en de jongen om zich te ontwikkelen….” (wikipedia)

Orthoceras[1].pdf (584.2 KB)

La historia en la piedra #1 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life light reflection history luz valencia stone fossil three nikon stones live sombra shades paleontology vida bodegn reflejo tres fotografia minimalismo sombras historia ammonites valence freelance piedras fotografo piedra onblack fosil vivir paleontologia orero d80 aplusphoto naturewatcher ammonoide palontologo nikon175528dxThe Golden Section (dougchinnery.com) Tags: sea shells white black macro poster spiral fossil mono fineart shell inside toned chambers ammonites fossils nautilus spiralling thegoldensectionLa historia en la piedra #2 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life light reflection history luz valencia stone three nikon stones live sombra shades vida bodegn reflejo tres fotografia minimalismo sombras historia ammonites valence freelance piedras fotografo piedra fosil vivir paleontologia orero d80 flickrestrellas ammonoide palontologo nikon175528dx
Ammonite IIa (dedalus11) Tags: pictures orange abstract macro art nature spiral photography fossil amber photo foto fotografie photographer photographie close natural image photos spirals space patterns kunst natur structures imagens images photographic structure fotos ammonite makroaufnahme organic fotografia macros makro spacy madagascar photoart bilder imagen ammonites fossils artnoveau macrophotography ammonit fantastique  makros naturalpatterns macrophotos macroshots makroaufnahmen makrofoto nahaufnahmen fossilien versteinerungen makrofotografie macroaufnahmen naturalezza makrobilder challengeyouwinner macroaufnahme dedalus11 macroart bioarchitecture makrobild makrofotos ammonoidea haphazartlikeapainting imatgen macrorealidad flossils imagten Ammonite Fossils (Evelyn Flint) Tags: uk canon somerset explore ammonites fossils kilve eos7d evelynflintMy history #1 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life 2 naturaleza history blanco nature water valencia animal stone wall pared gris agua nikon gray 8 paleontology laundry vida target tamron historia jurassic ammonites valence piedra fosil fosiles molusco puebo paleontologia jursico orero d80 cretacico cretacic paleontologo ammonoide jursicopaleontologo paleontologicsteampunk spiral (dedalus11) Tags: art nature spiral kunst ammonites fossils spirale steampunk ammonit ammoniten naturalezza cleoniceras besairieiAmmonite XI (dedalus11) Tags: pictures orange abstract macro art nature spiral photography fossil amber photo foto fotografie photographer photographie close natural image photos spirals space patterns kunst natur structures imagens images photographic structure fotos ammonite makroaufnahme organic fotografia macros makro spacy madagascar photoart bilder imagen ammonites fossils artnoveau macrophotography ammonit fantastique makros naturalpatterns macrophotos macroshots makroaufnahmen makrofoto nahaufnahmen fossilien ammoniten versteinerungen makrofotografie macroaufnahmen naturalezza makrobilder macroaufnahme dedalus11 macroart bioarchitecture makrobild makrofotos ammonoidea cleoniceras haphazartlikeapainting imatgen macrorealidad flossils imagten besairieiAmmonites.. (Sea Moon) Tags: fossil seashell ammonites nautilus mollusk cephalopod1031024 (El Bibliomata) Tags: old art illustration century vintage book arte antique illustrated libro illustrations drawings books engraving plates dibujos antiguo ammonites xix 19th engravings ilustraciones siglo grabados lminas ilustrado pixelegis bibliomata lellouniversalWhitby seabed (tina negus) Tags: cambridge fossil blackwhite yorkshire whitby ammonites seabed sedgwickmuseumofgeologyLone Ammonite (shadamai) Tags: shells black fossil gold amber simple prehistoric ammonites flickrchallengegroup flickrchallengewinner rocksminerals fiveprojectsfossils (somecat) Tags: fossils bw ammonites memoriesPromicroceras marstonensi (tina negus) Tags: cambridge fossil geology ammonites sedgwickmuseum marstonmarbleKs jura ammoniteszek a Dunntli-kzphegysgbl  // Late Jurassic ammonites from Hungary (Fzy Istvn) Tags: fossil ammonites fozy smaradvny fzy ammonitesz magyaroraszg

Geologie in TELEGRAMSTIJL D

°

°
Dactylioceras 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Dactylioceras

http://en.wikipedia.org/wiki/Dactylioceras

dactylioceras cluster

http://bedrockfossils.com/daam.htm

Dal
-antecedent
-bodem
-dichtheid
-eind
-evolutie
-gletsjers
-hoofd
-stelsels
-wand
Davis, W.M
Debiet 2 3 4 5

 

debris avalanche

http://www.geo.mtu.edu/volcanoes/hazards/primer/move.html

http://vulcan.wr.usgs.gov/Glossary/DebrisAval/description_debris_aval.html         http://vulcan.wr.usgs.gov/Glossary/DebrisAval/framework.html

http://geology.com/articles/yosemite-rockfall.shtml

 

Spectacular Rockfall and Debris Avalanche in Yosemite National Park // //A debris avalanche is triggered and starts moving down the steep slope

http://en.wikipedia.org/?title=Debris_avalanche&redirect=no                                                                                                 Debrisavalanche = Landslide

 Volcanic debris avalanche

 
Decapoda
Declinatie
Deflatie 2 3 4 5
Deformatie 2 3
Deformeren
Degenkrab
Degradatie
Dekblad
Dekzand 2 3 4
-jonger
-ouder
Del
Delta 2
Demospongiae
Demosponzen
Dendrieten
Dendrietisch
Dendrograptus
Dentalium
Denudatie 2 3 4
Denudatiebasis
Depressies
-afvloeiloze
Desertpavement
Desintegratie
Desquamatie 2
Determinatie
Determineren
Detritische 2
Devoon
Diabaas 2
Diadematoida
Diagenese 2 3
Diaklaas(azen) 2 3 4
Diadematacea
Diasteem
Diatomeeën 2 3 4
Diatomeeënslib
Diatomiet 2
Dichtheid
Dicotylen 2
Didelphia
Dieptegesteenten 2
Diepzeetroggen 2 3
Differentiatieverschijnsel
Dilatatie
Dinoflagellaten 2
Dioriet 2
Dip slope
Disconformiteit
Discontinuïteitsvlak
Discordant
Discordanties
Divergerend
-patroon
Documenteren van vondsten
Dogger
Dolerieten
Doline(s)
-instortings
-meertjes
-oplossings
Dolomiet 2
Dolomitisatie
Dom
Domichni
Domichnia 2
Donken
Doorbraakdalen
Doordringbaarheid
Doorzichtigheid
Draadwormen
Drachenfelstrachiet 2
Drift
Driftstromen
Droogdalen
Druipsteen
Druk
-gelaagdheid
-ontlasting
-splijting 2
-verschillen
Dryas 2 3 4
-Jonge Dryas
-Late Dryas
Duinen
-dwars
-kam
-lengte
-lij
-organogene
-pan
-parabool
-sikkel
-streep
-vrije
Duizendpoten
Duricrusts 2
Dynamische metamorfose

Echinacea 2
Echinocorys
Echinocystitoida
Echinodermata 2 3 4
Echinoida 2
Echinoidea
Echinolampas
Echinoneina 2
Echinothuroida
Echinozoa 2 3
Ectoproct 2 3
Edelstenen
Edrioasteroidea
Eembodem
Eéncelligen
Eénzaadlobbigen
Eerstelingen
Effluent
Eilandenbogen
Elasmobranchia
Elementen
Eleuterozoa
Elsterien
Eltvillertuf 2
Endemisch
Endichnia
Endogene krachten
Endogene processen
Endorheïsche gebieden
Ensemble
Entelophyllum
Entoprocta 2 3
Eoceen 2
Eolisch(e) 2 3 4 5
-ablatie
-corrasie
-transport
Epibiont
Epicentra
Epicentrum
Epichnia
Epicontinentale bekkens
Epicontinentale zeeën 2
Epidermisplooiing
Epidootgroep
Epifyt
Epigenese
Epigenetisch dal
Epigenetische mineralen
Epilimnion
Epilithe
Epirogene meren
Epirogene verbuiging
Epirogenese 2 3 4 5 6
Epirogenetische opheffingen
Epixatie
Epizoair
Equisetophyta 2
Era
Eratheem
Erg
Erosie 2 3
-achterwaartse
-basis 2
-breedte
-glaciale
-terrassen
-vlakte
Erratica
Ertsgangen
Ertswinning
Erupties
Estuaria
Estuarium
Etage
Euchinoidea
Eukaryota(en) 2 3
Eumetazoa
Eustatische 2 3
Euthycarcinoida
Eutroof 2 3
Evaporieten 2 3 4
-fossiele
Evolutie 2 3
Exfoliatie 2
Exichnia
Exogene processen 2
Exogeologie
Explosiekrater
Extraterrestrische
Extrusiegesteente
Faciës
Faciësfossiel
Familie
Fauna
Favosites 2
Felsische mineralen
Fenokristen
Ferricretes
Ficus
Firn
-bekken
-lijn
-plateaus
Fissidentalium
Fjorden
Flagellaten 2
-silico
Flexibilia
Flexuren
-steile
Flint
Flora
Fluorescentie
Fluoriet
Fluviatiel-denudatieve reliëf
Fluvioglaciale afzettingen
Flysch 2
Flyschafzettingen
Fodinichnia 2
Foramen
Foraminiferen
Formatie
Fosfaatafzettingen
Fosfaten
Fosforiet(en) 2
-knollen
Fossiele(n)
-brandstoffen
-evaporieten
-sporen
-strandwalformaties
Fossilisatie
Fragmocoon
Franjeriffen
Freatische vlak
Ftaniet
Fugichnia 2
Fulguriet 2
Fumarolen
Fungi 2
Fusulinina
Fyla 2
Fylliet
Fylogenetische verwantschap
Fylum 2
Fysische geografie
Fytolieten
Fytoplankton 2 4
Gabbro
Galeniet
Gammastralen
Ganggesteenten
Gangopvullingen
Garnalen
Gasbronnen
Gassen
Gastrioceras
Gastrolieten
Gastropoda
Gebergte
-residuair
-rest
-vorming 2
Gelaagdheid
-gegradeerde
-jaar
-kriskras
-scheve
Gelede wormen
Geleedpotigen 2
Gelifluctie 2
Gelivatie
Gemmologie
Genese
Genetische eenheden
Genus
Geo
Geochemie
Geoden 2
Geodesie
Geodynamica 2
Geofysica
Geohydrologie 2
Geologie 2
-algemene
-dynamische 2
-fysische 
-historische
-kwartair
-structurele
-tektonische 2
-toegepaste
Geologische
-geschiedenis
-tijdschaal
-verzameling
Geomorfologie 2 3
Geosynclinalen 2
Geotektoniek 2
Geothermische gradiënt
Geprecipiteerd
Geresedimenteerd
Geslacht 2
Gesteenten
Gesteentetellingen
Getijgolven
Getijstromen 2 3
Getrapt
Getuigeberg
Gewervelde dieren
Geysers 2
Gidsfossiel(en) 2
Gingko
Gips 2
Git
Glabella
Glaciaal(e) 2
-dal
-erosie
-meren
Glaciatie
Glaciologie
Glans
Glassponzen
Glauconia
Glauconiet
-korrels
Gletsjer(s)
-erosie
-krassen
-tong
Glimmers
Glimmerschist
Glycymeris
Gnathostomata 2
Gneis 2
Gondwana
Goniatites
Gors
Graafgangen
Graafvoetigen
Gradiënt 2 3
-stromen 2
Granaatgroep
Graniet 2
Granietische magma
Granuliet
Graptolieten 2
Graptolites
Graptolithina 2
Grauwacke
Gravitatieve bewegingen
Grind
-niveaus
-tellingen
-vloertjes
Groenschist
Groenschistfaciës
Groep
Grondboringen
Grondwater
-veen
Grondwaterspiegel 2
-gespannen
-schijn
-zwevende
Grotten
Grubben
Gryphaea
Guano
Günz
Gymnospermae 2
Gyrolithes
Haaien
Haakombuiging 2
Häckel
Haematiet
Hagedissen
Halfwaardetijd
Haliet 2 3
Halogeenverbindingen
Halokinese
Halvemaanvormig
Hamites
Hammada
Hardground 2
Hardheid 2
Hardheidsschaal
Hardwaterlagen
Hartschelp
Helicoïdale stroming
Helicoplacoidea
Heliolieten
Hellingprocessen 2
Hematiet 2 3
Hemiasterina
Hemichordata 2
Hemicidaris
Hemicidaroida 2
Hemipneustes
Herbivoren
Hercynische orogenese 2
Hesemann, formule van
Heterotroof
Hexagonaal
Hexagonaria
Hexapoda
Holaster
Holasteroida
Holecephali
Holectypina
Holectypoida
Holen
Holoceen 2
Holothuroidea
Holotype
Holtedieren
Homalozoa
Hominidae
Homo
-erectus
-habilis
-sapiens 2
-sapiens neanderthalensis
-sapiens sapiens
Hooggebergte
Hoornblende
Hoornrots 2
Horizon
-bovenste
Horizont van Nagelbeek
Horizont(en) 2
Horizontale bewegingen
Horsten
Horton, wetten van,
Huidje
Humuslaag
Hyalospongia
Hydratatie 2
Hydro
-geologie 2
-lakkolieten
-logie 2
-lyse
-sfeer 2
-thermale gangen
-thermische metamorfose
-xiden
Hydroïdpoliepen
Hypichnia
Hypo
-centrum 2 3
-limnion
-stoma
Hypsometrische kaart
Ichnofauna
Ichnogenus
Ichnologie 2 3
Ichnospecies
Ichthyosaurus
Ignimbriet
Iguanodonten
IJslenzen
IJstijd(en) 2 3 4
IJzer
-concreties
-oer
-tijd
-verbindingen
Imbrikatie 2
Impact
Inadunata
Inarticulata 2
Inclinatie
Incompetent gesteente
Indampingsgesteenten
Indruk
Influent
Inkoling
Inkolingsreeks
Inktvissen
Insecta 2
Inselberge
In situ
Inslag
Insolatie 2
Inspoelingshorizon
Interambulacraalvelden
Interglaciaalen (alen) 2
Interstadiaal(-en)
Intrazonale processen
Intrusielichamen
Intrusies
Ionen
Irregulaire zeeëgels
Irregularia
Isostatische daling
Isostatische oprijzing
Jama’s
Jura 2
Jurassisch reliëf 2
Juveniel
Juveniel water
Kaaklozen
Kaar 2
Kaarmeer
Kalium
Kalium – Argon -Methode
Kalk
-areniet
-branderijen
-knollen
-koolzure
-korsten
-oölieten
-sinter
-sponzen
-steen
-tuf
Kamptozoa 2
Kanaal
Karaat 2
Karboon
-onder
Karneool
Karren
Karst
-depressies
-hydrologie
-kloven
-pijpen
-restbergen
-verschijnselen 2 3
Kationen
Kauri
Kegel
-karst
-schelpjes
Keienvloertje
Keileem 2 3
Keukenzout
Keuper
Keverslakken
Kiezel 2
-concreties
-korsten
-oölietgrinden
-zuur
-zuurgroep
Klapperstenen
Klasse
Klastisch 2
Klei
-rode diepzee
Kleur
Kleurindex
Klieving
Klimaat(en) 2 3 4 5
-aride
-berg
-gordels
-makro
-mediterrane
-micro
-meso
-paleo
-polair
-semi-aride
-steppe
-subtropisch
-tropisch
-tropische savanne
-woestijn
-zones
klimatologie
Klippen
Kloofdal
Knopstralers
Koem
Kokerwormen 2
Kokkels
Kolonie
Koninkrijken 2
Koolstofgehalte
Koolwaterstoffen 2
Koolzuurontrekking
Koppotigen 2
Koraalsponzen
Koralen 2
Korrelgrootte 2 3
Korund
Kosmisch stof
Kosmogene
Kosmopolitisch
Kraagdieren 
Kraakbeenvissen
Krabben
Krater
-meer
-wand
Kratonen
Kreeften
Krijt
Krijtfossielen
Krimpscheuren
Kristalassen
Kristal(len) 2
-lografie
-roosters
-stelsels 2
-structuur
-water
Kritische snelheid
Krokodillen
Kronkelberg
Kruin
Kruipen
-gangen
-sporen
Kryoturbatie
Kubisch
Kunstmatige systemen
Kustdrift
Kusten 2
Kustvlakte
Kwalitatieve analyse
Kwallen
Kwantitatieve analyse
Kwartair 2 3
Kwarts
Kwartsiet
Kwel
Kwelder
Laag
Laagland
Laccolieten
Lacustriene
Laganina
Lagunes 2 3
Lakprofielen
Lamellibranchiata 2
Laminaire stromingen
Laminatie(s) 2
Landijs
Landtongen
Lapilli
Laterale erosie
Latiet
Latosols
Lava 2
Lawine(s) 2
-droge
-grond
-natte
-stof
Leem 2
Lei
Leisplijting 2
Lengteprofiel
Lens
Lepidodendron
Lepidostrobus
Levenssporen
Ligniet
Lijzijde
Limnologie 2 3
Limoniet 2
Lingoïde
Lingula
Lingulida
Linnaeus 2
Lithificatie
Lithofaciës
Lithologie 2
Lithophaga lithophaga
Lithosfeer
-platen
Lithostratigrafie 2
Lithostrotion
Littorina
Load casts
Loefzijde
Longitudinale
-sedimentaanvoer
-stromen
Loodglans
Loodzand
Loopsporen 2
Lophophora
Lopolieten
Loricata
Löss
-afzettingen 2
-bruine
-grijsgele
-middelste
-onderste
-ontkalkte
-poppetjes
Luminiscentie
Lutieten
Lutum
Lycopodiophyta
Lycopsida
Lydiet 2
Maagstenen
Maaren
Maashagedis
Macrofossielen
Mafische mineralen
Magma 2
Magnesiet
Magnesium
Magnoliophyta 2
Malachiet
Malacostraca 2
Malm
Mammalia 2
Mammoetboom
Mangaanknollen
Mantelschelpen
Mariene processen
Markasiet 2
Marmer
Marsupia
Martinson, classificatie
Massabeweging
Meander
-afglijdings
-dal
-ingezonken
Meercelligen
Mega-annum
Megascopisch gesteente
Melkkwarts
Member
Meren
-carbonaat
-chloride
-kunde
-sulfaat
Merostomata
Mesa
Mesheften
Mesofossielen 2
Mesolithicum
Mesotroof 2 3
Mesozoa
Metabolisme
Metamorfose 2 3
Metaphyta
Metasomatose
Metazoa
Meteorieten 2 3
-krater
-stof
Meteorisch water
Methaan
Meyeria
Michelina
Micraster
Micrasterina
Microfossielen
Micromounts
Microtektoniek
Midatlantische rug 2
Middengebergte
Migreren 2
Milankovitch
Mindel
Mineraalafzettingen
Mineraalinhoud
Mineralen 1
-fysische kenmerken
-optische kenmerken
Mineralogie 2
Mioceen 2
Modderstromen
Moedergesteente Moedermateriaal 2 3
Moerasijzererts
Moeraskalk
Mohoroviçic
Molasse 2
Mollusca 2
Molukkenkreeft
Monadnocks
Monera 2
Monoclinale rug
Monocotylen 2
Monocraterion
Monodelphia
Monograptus
Monoklien
Monomineraal
Monoplacophora 2
Monotremata
Moore R.C.
Morene(s)
-binnen
-eind
-grond
-oppervlakte
Morfogenese
Morfologie 2 3
Mosasaurus
Mosdiertjes 2 3
Mosplanten
Mosselkreeftjes
Mossels
Muiltje
Mummificatie
Munsell-kleurenkaart 82
Murex
Muschelkalk 2
Muscoviet
Myophoria
Myriopoda
Mystacocarida
Naaktzadigen 2
Naamgeving 2 3
Nannofossielen
Nannoplankton
Natica
Natrium
Natuurlijke bouwstenen
Natuurlijke systemen
Nautilus
Neerslag
Neerwaartse ombuiging
Nekton
Nemathelminthes
Nemertea
Neolampadoida
Neololithicumum
Neptunisme
Nerietisch
Nesten
Neteldieren 2
Neuropteris
Niche
Nievelsteiner zandsteen
Nodosaria
Nomenclatuur 2
Noordpool
-geografische
-magnetische
Nucula
Nummeren
Nummulieten
Nunataks
Obductie
Obolellida
Obsidiaan 2 3
Oceanische ruggen
Oceanografie
Octocorallia
Octopus
Oesters
Oeverwallen
Ofocalciet
Oilpool
Oiltrap
Olifantstandjes
Oligoceen
Oligotroof 2
Olivijn
Ombrogeen veen
Omgekeerde metamorfose
Omloopberg
Omnivoren
Ompolingen
Omwentelingsellipsoïde
Onderschuivingen
Ondersoort
Onthoofding
Ontmenging
Ontogenese
Ontologie
Onyx
Oöieden 2
Oölieten 2
Oöliticia
Opaak
Opaal
Ophidia
Ophiocistoidea
Ophiomorpha
Ophiuroidea
Oppervlaktegolven
Opschuiving 2
Opvriezen
Orbitoïden
Orde
Ordovicium
Organismen 2 3 4
-pelagische
Organogene
-duinen
-sedimenten
Orgelpijpen
Orogeen(-enen 2 3
Orogenese 2 3 4 5 6 7 8
Orogenetische bewegingen
Orthida
Ortho
Orthogneis
Orthoklaas
Oscillaties
Osculum
Osteichthyes
Osteologie
Ostracoda
Ostracoden
Ostrea
Ouderdomsbepaling
Overschuiving(-en) 2
Oxiden
Oxydatie
Paalworm 2
Paardenstaarten 2
Paddestoelrotsen
Palaechinoida
Paleo
-biologie
-botanie
-ceen
-ecologie 2
-geografie 2
-ichnologie
-klimaten 
-lithicum
-magnetisme 2
-milieu
-pathologie
-sols
-vulkanisme
-zoölogie
Paleontologie 2
-systematische
Palimpsest
Palynologie
Pandemisch
Pangea 2
Para
Paragneizen
Paramoedra’s
Parasiet
Parasitisch
Parataxonomisch
Parazoa
Parent
Pascichnia
Paterinida Pecopteris
Pecten
Pediment(en) 2 3
Pedina
Pedinoida 2
Pediplains
Pedogenese
Pegmatiet 2
Pegmatitisch gesteente
Pek 2
Pelagisch(e) 2 3
-organismen
Pelecypoda
Pelliculair
Pelmatozoa
Peneplain 2 3
Pentamerida
Pentastomida
Pentremites
Perichoechinoidea
Peridotiet 2
Periferie
Periglaciaal(e) 2 3
-meren
-verschijnselen
Periode
Periodiek systeem
Perm 2
-Boven 2
-Onder
Permafrost 2 3 4 5 6
Permeabiliteit 2 3 4 5
Petricolidea
Petrografie 2
Petrologie 2 3
Pholadidae
Phoronida
Phragmatoppoma lapidosa
Phylloceras
Phymosomatoida
Piedmont fans
Pijlwormen
Pingo’s
Pingoruïne(s) 2
Pinna
Pinnulae
Pinophyta 2
Pisces
Plaatkieuwigen
Placentadieren
Placentalia
Plagioklaas
Planaties
Plankton 2 3plankton de richting van oceanen bepaalt?
-fyto
Plantae 2
Platentektoniek 2 3
Platwormen
Platyhelminthes 2
Playa 2 3
Pleistoceen 2 3 4 5
Pleistocene zoogdieren
Pleniglaciaal
Pleocyemata
Plesiocidaroida
Plesiosaurus
Pleurae
Plica
Plioceen
Plooien 2
-buig
-cleavage
-gordels
-vloei
Plooiing(-en) 2
Plutonen)
Plutonieten
Plutonische gesteenten
Plutonisme 2 3
Pluvialen
Podsolic
Podzol(s) 2
-profiel
Pogonophora
Poikilitische textuur
Poljes
Pollen 2
-analyse
Polychaeta
Polydora
Polygonen 2
Polyplacophora
Polypodiophyta 2
Pongidae
Ponoren
Populatie
Porfieren 2
Porfierische textuur
Poriënwater 2
Porifera 2
Porositeit
Posidonia
Posidoniën
Potamides
Preboriaal
Precambrium
Precipitatie 2
Prepareren
Primaten
Prioriteitsregel
Prisma’s
Processen
-azonale
-chemische
-endogene
-exogene 2
-fysische
-intrazonale
-mechanische
-zonale
Progressieve sortering
Prokaryota
Prokaryoten 2
Proterozoïcum
Protista 2 3
Protophyta
Protozoa
Psammechinus
Psammieten van Condroz
Pseudofossiel
Pseudomorf
Psilopsida
Psilotophyta
Pteropsida
Puimsteen
Puin
-last
-waaier(-s) 2 3
Pycnogonida
Pygaster
Pygasteroida
Pygidium
Pygurus
Pyriet 2 3 4 5
Pyrometamorfose
Pyroxeengroep
Pyroxeniet
Radiair patroon
Radioactiviteit
Radiolariën 2 3
-slik
Radiolariet 2
Ras
Recent
Reductie
Reflectievermogen
Refractie
Regime
Regionale metamorfose
Regnum
Regoliet
Regressie
-grind
-vlak
Regulaire zeeëgels
Regularia
Rekristallisatie 2 3
Relatieve datering(-en) 2 3
Relictstructuur
Reliëf 2 3 4 5
Reliëfvormen
Rendzina’s
Repichnia 2
Repterend
Reptilia 2
Resequente rivieren
Reservoirgesteente
Residu
Resistentie
Restbergen
Reticuloceras
Retrogade
Revinienkwartsiet
Rhizopoda 2
Rhynchocoela
Rhynchonellida
Rhyncolites
Rhynia
Ribkwallen
Riffen 2 3
Rijken 2
Rillen
Ringwormen 2
Riss
Rivieren
-anastomoserend
-antecedente
-beddingen
-consequente
-dalvormende 2
-divergerend
-duinen 2
-efemere 2
-episodische
rivieren vervolg
-erosie
-intermitterende
-meanderende 2 3
-obsequente
-onderbroken
-patronen
-periodieke
-permanente
-rechte
-terras 2
-verwilderde
-vlechtende 2
-waaiervormig
Rocourt bodem
Rogerella
Roggen
Rompvlakten
Rookkwarts
Rostrum
Rotatie
Rotliegendes 2 3
Rotting
Rottingsproducten
Rotulina
Rozenkwarts
Rugosa
Saalien
Salenioida
Salina 2
Saliniteit 2
Saltatie 2
Sandr
Saprofiet
Saprofytisch
Sapropeel 2
Sapropelium
Sarcopterygii
Sauria
Scaphopoda 2
Scaphopoden 2
Schaaldieren 2
Schalie 2 3 4
Schiervlakte(n) 2 3
Schietende
Schijnfossiel
Schildpadden
Schimmels 2
Schist 2
Schizophyta
Schoklamellen
Schollen
Schollentektoniek
Schoorwallen
Schor
Schubboom
Sciadopytys
Scleractinia 2
Sclerospongiae 2
Sclerosponzen
Scultellina
Sea floor spreading
Secreties
Sedentair
Sedeplain
Sediment(en)
-gesteenten 2 3 4 5
-klastisch 2 3
-limnische
-pelagische
-in meren voorkomende
-shelf
-terrigene
Sedimentatie 2 3 4 5 6
-bekkens
-terrassen
Sedimentologie 2
Selachii
Segregatie
Segregatieijs
Seilacher, classificatie van
Seismografen
Seismologie
Sepia
Septaria
Sequentie
Sequoiadendron
Sericiet
Serie
Serir
Serpentijngroep
Serpula 2
Serpulidae
Sessiel
Sfaleriet
Sferoïdale desintegratie
Sheet flood 2 3
Sheet wash 2
Sheeting
Shelf 2
Shelfzeeën
Sideriet 2 3 4
Sifo
Sigillaria
Silcretes 2 3
Silex
Silicaat(en) 2
Silicificatie
Sills
Silt 2
Siltsteen
Siluur 2
Sintels
Siphunculoidea
Sipuncula
Situ
Skelet
Skolithos linearis
Slakken 2
-mineralen 2
Slang(en)
-sterren
Slenken 2
Slib
-diatomeeën
-organisch
Slik
-diatomeeën 2
-globigerinen 2
-radiolariën
Slump
Smelt
Sneeuw
Snoerwormen
Solifluctie 2 3
Solum
Somasteroidea 2
Soort 2
Spatangoida
Species
Speleologie
Sphagnales
Sphenopteris 2
Spinachtigen
Spinel
Spira
Spiriferen
Spiriferida
Splijting 2
Splijtlagen
Spoel
-pedimenten
-vlakten 2
-zandvlakten
Spondylus
Spons(zen) 2 3
-lichaam
-naalden
-riffen
Sporen
-elementen 2
Spuitwormen
Squamata
Strophomenida
Stadialen
Stalactieten
Stalagmieten
Stam(men) 2
Steen
-eter
-kernen
-kool 2
-koollagen
-zout 2
Steentijd
-Jonge Steentijd
-Midden Steentijd
-Oude Steentijd
Stekelhuidigen 2 3
Stigmaria
Stollingsgebieden
Stollingsgesteenten
Stone lines
Stoottanden
Stralingscurve
Stralingsintensiteit
Strandwallen
Stratigrafie 2 3 4 5
Stratigrafie van het Krijt
Stratigrafische correlatie
Stratum
Streckeisen, ruit van 2
Streep
Streepduinen
Stromatoporen 2 3
Stromatoporenriffen
Stroming
Stroom(en)
-drift
-fossiele stroomribbels
-gebied 2
-niet-oscillerende
-ribbels 2
-snelheid
Structurele geologie
Structurele geomorfologie
Structuur(en) 2 3
-tektonische
-verdringings
Stuifmeel
Stuifzanden
Stuwwal
Stylolieten 2
Subatlanticum
Subboreaal
Subductie
Subglaciale gesteenten
Sublimatie
Submariene gesteenten
Subsequente rivier
Subspecies
Sulfaten
Sulfiden
Superfamilie
Superpositie
Suspensie 2 3
Suspensiemateriaal
Sutuur
Syeniet
Symmetrie 2
Synclinaal(-en) 2
Synclinorium
Synform
Syngenese
Syngenetische mineralen
Syringopora
Systeem
Tabulaten
Tafelberg
Tardiglaciaal
Taunuskwartsiet
Taxonomie 2 3
Teer
Tektieten 2 3 4
Tektoniek 2
Tektonisch(e)
-deformatie
-meren
-venster
Tellurisch
Temperatuur
Tentaculata
Tepelhoorn
Terebratula grandis
Teredinidae
Teredo
Teredo navalis
Terras(sen)
-bovenste
-fluviatiel
-erosie
-jongste
-kruising
-onderste
-oudste
Terrestrische
Terrigeen
Terrigene afzettingen
Tertiair 2
Terugkaatsing 2
Terugschrijdende (erosie)
Tetragonaal
Textuur 2 3
Thallophyta
Theca
Thermale bronnen
Thermische gradiënt
Thermische metamorfose
Thermokarstmeren
Thorax
Tigillites
Tijd(s)(en) 2 3
-eenheid
-interglaciale
-schaal
-tussen
-vak(ken) 2 3
Tillieten
Toetssteen
Torenkarst
Tornatella
Torrentiële stromingen
Toxasterina
Trachiet
Transgressie(s) 2 3
Travertijn 2 3
Trepostomaten
Trias 2
-Onder
Trigonaal
Trigonia
Triklien
Trilobieten 2 3
Trilobita
Trilobitoidea
Trilobitomorpha
Trog
-geosynclinale troggen
-vormig
Tsjernosem
Tsunami(‘s) 2 3
Tuf(-fen) 2
Tufkrijt
Tunicata
Tunneldal
Turbidieten 2 3 4
Turbulente stromingen
Turritella 2
Tweekleppigen 2 3
Tweezaadlobbigen
Typeexemplaar
Typelokatie
Tyrannosaurus
Uitbarstingen
Uitspoelingshorizon
Uitstroomopening
Uitvloeiingsgesteente(n) 2 3 4
Uitwerpselen 2
Umbo
Uniformitarisme
Uvala’s
Vagiel
Valsnelheid
Varanen
Varens
Varische orogenese
Varven 2
Vauclusebron
Veen 2
-dal
-hoog
-laag
-mosveen
-topogeen
-vorming
Vegetatie 2 3 4
Veldspaatgroep
Verbogen terras
Verdwijngaten
Vergletsjering
Verhang
Verkiezeling
Verlandingsveen
Verplaatsing materiaal door:
-afspoelen
-glijden
-kruipen
-rollen
-schuiven
-vallen 
-vloeien 2
Verschuiving
-horizontaalverschuiving
Verspoeling
Vertebrata 2
Verweerbaarheid
Verwering(s) 2 3 4 5 6
-laag
-leem 2
-materiaal
Verzamelen
Vishagedis
Vlakte(n)
-abyssale
Vloedgolven
Vloeitextuur
Vluchtsporen 2
Voedselcyclus 2
Voedselketen
Voetvlakten
Vogels 2
Vondstomstandigheden 2
Voorlandbekkens
Voortplantingssporen
Vorst
-creep
-heuvels
-scheuren 2
-spleten
-verwering 2
-wiggen
Vraatsporen 2 3
Vulkaan (anen)
-actief
-gedoofd
-slapend
Vulkanieten
Vulkanisch(e)
-as
-bommen
-glas 2
-schuim
-stof
Vulkanisme 2 3 4 5 6
Vulkanologie
Vuursteen 2 3
-eluvium 2
-mijnbouw
Waddengebieden
Wadi
Warnetonbodem
Warven
Water
-aders
-angulaire
-artesisch water
-capillair water
-connaat water 2 3 4
-doorlatendheid
-geregenereerd water
-grond 2 3
-houding
-juveniel
-kringloop
-oppervlakte 2
-scheiding 2
-vlooien
-zoet
Weekdieren 2
Wegener 2
Weichselien 2 3
Wereldbeving
Whittaker
Wind 2
-corrasie 2
-erosie 2
-kanters
-keien
Woestijn(en) 2
-grind
-kiezel
-lak
-steen
-roos
-rots
-zand
Wolfsklauwen 2
Wormgangen
Wormkokertjes
Wrijfkrassen
Wrijfspiegels
Wrijvingsbreccie
Wulk
Würm 2
Xenolieten
Xyliet
Zaadvarens
Zaagvissen
Zand 2
-afzettingen
-steen 2 3
-tongen
Zechstein
Zee
-anemonen
-bevingen
-binnen
-bodemreliëf
-dadel
-egels 2
-kat
-komkommers
-lelies
-pokken
-spiegelbewegingen
-spinnen
-sterren
Zeolietfaciës
Zijp
Zinkblende
Zirkoon
Zoarium
Zoetwatermossel
Zoetwaterzakken
Zonale processen
Zone(es)
-abyssale 2
-bathyale 2
-bewonings
-breuk
-cluviale
-geplooide
-hadale
-illuviale
-littorale
-nerietische
-pelagische 2
-rek
Zonnestelsel
Zonneverhitting
Zoogdieren 2 3 4
Zoöplankton
Zout(en)
-afzettingen 2
-gehalte
-heid
-koepels
-korst(-en) 2
-meren
-pijlers
-steen
-tektoniek
Zuurgraad 2 3
Zuurstofisotopen
Zuurstofrevolutie
Zwaarspaat
Zwaartekracht
ZwammenZwerfstenenhttp://www.kijkeensomlaag.nl/cms/index.php?option=com_content&view=article&id=638&Itemid=441
Zwerfsteengezelschappen
Zwerfsteentellingen

naar Geologie in Telegramstijl
naar Geologische Tijdschaal
naar Trefwoordenregister
naar Literatuurlijst

GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL INLEIDEND

°

 zie onder Geologie

NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING


GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

door F.C. Kraaijenhagen

Een gezamenlijke uitgave van de
NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING
en de
NGV afdeling LIMBURG
September 1992

1992 © Copyright Nederlandse Geologische Vereniging.

Voor Internet herzien en bewerkt in 2006 door George Brouwers Oisterwijk.

***

AAngevuld en uitgebreid met

http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000448.html#A

Geologische begrippen   

Klik op een begrip voor de definitie. Wil je meer weten over een bepaald begrip, bekijk dan het thema‘De ondergrond van Nederland’, of gebruik de zoekmachine.

De geologische tijdvakken zijn niet opgenomen in deze begrippenlijst. Zie voor de beschrijving van deze tijdvakken het thema ‘Ondergrondse tijdmachine’.

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z

&

Glossary of Terms for Geology

(From The Earth’s Dynamic Systems, Fourth Edition by W. Kenneth Hamblin. Macmillan Publishing Company, New York, NY. Copyright © 1985) 

[A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z ]

http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary_Geology.html

http://www.geologyrocks.co.uk/glossary/

By Letter

A B C D E F G H I J K LM N O P Q R S T U V WX Y Z

By Category

____________________________________________________________________________

* naar Trefwoordenregister   

 naar  Geologische Tijdschaal 

naar Literatuurlijst

index n.g.v    word lid n.g.v

INHOUD 

2.3. Geologische processen
3.0. De aarde
3.1. Gegevens over de aarde
3.2. De aardkorst
4.0. Tijd in de geologie en geologische geschiedenis
4.1. Relatieve ouderdomsbepaling
4.2. Stratigrafie
4.3. Absolute ouderdomsbepaling
4.4. Activeringsanalyse
5.0. De geologische geschiedenis van de aarde en van Nederland
6.0. Structurele geologie
6.1. Plooien
6.2. Breuken
7.0. Geotektoniek
7.1. Orogenese
7.2. Epirogenese
7.3. Krachten in de geotektoniek
7.4. Vulkanisme
7.5. Aardbevingen
8.0. Exogene processen 8.1. Klimaten
8.2. Meteorieten
8.3. Blikseminslag
9.0. Verwering
9.1. Mechanische verwering
9.2. Chemische verwering
10.0. Bodemkunde
10.1. Bodemvorming
11.0. Hellingprocessen
11.1. Belang van hellingprocessen
11.2. Verplaatsing van materiaal
11.3. Invloed op hellingprocessen
11.4. Vormen van hellingen
12.0. Transport en afzetting van sedimentaire deeltjes
12.1. Sedimentaire deeltjes
12.2. Soorten stromingen
12.3. Transport en sedimentatie in water
12.4. Transport en sedimentatie door wind
12.5. Transport en sedimentatie door golven
12.6. Sedimentaire deformatie-structuren
13.0. Rivieren
13.1. Indeling van rivieren
13.2. De waterhuishouding
13.3. Vervoer van sedimentair materiaal in rivieren
14.0. Het fluviatiel-denudatieve reliëf
14.1. Dalvorming
14.2. Dalprofielen
14.3. De cyclus van de dal-evolutie
14.4. Dalstelsels
14.5. Droge dalen
14.6. Doorbraakdalen
14.7. Dalmeanders
15.0. Terrassen
15.1. Soorten terrassen
15.2. Ontstaan van terrassen
16.0. Vlakke reliëfs
16.1. Pedimenten
17.0. Reliëf en tektonsiche structuur
17.1. Cuesta’s
18.0. Meren
18.1. Ontstaan van meren
18.2. Water van meren
18.3. Zoutmeren
18.4. Sedimentatie in meren
19.0. Ondergronds water
19.1. Soorten ondergronds water
19.2. Grondwaterbeweging
19.3. Grondwatervoorkomens
20.0. Afbraak en opbouw door grondwater
20.1. Karstverschijnselen
20.2. Karsthydrologie
20.3. Afzettingen uit grondwater
21.0. Geologische werking van wind
21.1. Winderosie
21.2. Eolisch transport
21.3. Woestijnen
22.0. De geologische werking 
22.1. Sneeuw
22.2. IJs en gletsjers
22.3. Periglaciale verschijnselen
23.0. IJstijden
23.1. Oorzaken van ijstijden
24.0. De zee
24.1. Waterbeweging in zee
24.2. De voedselcyclus
24.3. Het zeebodemreliëf
24.4. Afzettingen in zee
24.5. Bewoningszones in zee
25.0. Kusten
25.1. Rotskusten
25.2. Kusten uit los materiaal
25.3. Zeespiegelbewegingen
26.0. Zout
26.1. Evaporieten
27.0. Fossiele brandstoffen
27.1. Veen, bruinkool, steenkool
27.2. Aardolie
27.3. Aardgas
28.0. Mineralen
28.1. Kristallen
28.2. Fysische kenmerken
28.3. Optische kenmerken
28.4. Diverse specifieke kenmerken
28.5. Chemische samenstelling en indeling van mineralen
28.6. Voorkomen van mineralen
28.7. Micromounts
28.8. Slakkenmineralen
29.0. Gesteenten en gesteentevorming
29.1. Stollingsgesteenten
29.2. Sedimentgesteenten
29.3. Concreties en secreties
29.4. Metamorfe gesteenten
29.5. Overige gesteenten
30.0. Fossielen
30.1. De studie van fossielen
30.2. Classificatie en naamgeving van fossielen
30.3. Geschiedenis
30.4. Naar een moderne taxonomie
30.5. Fossielen van Rijk 1: Monera
30.6. Fossielen van Rijk 11: Protista
30.7. Fossielen van Rijk 111: Plantae
12.6. Sedimentaire deformatie-structuren
30.8. Fossielen van Rijk IV: Fungi
30.9. Fossielen van Rijk V: Animalia
31.0. Fossiele sporen van levende organismen
31.1. Loopsporen
31.2. Kruipgangen en boorgaten
31.3. Aanhechtingssporen
31.4. Vraatsporen e.d
31.5. Sporen van parasieten en ziekten
31.6. Nesten en holen
31.7. Uitwerpselen
31.8. Gastrolieten
31.9. Voortplantingssporen
32.0. De geologische collectie
32.1. Verzamelen
32.2. Prepareren en conserveren
32.3. Determineren
32.4. Documenteren
32.5. Het bewaren van uw verzameling
32.6. Lakprofielen
33.0. De amateur en geologie
33.1. Levenssporen
33.2. Gesteentetellingen
33.3. Mesofossielen
33.4. De Fulguriet van Hergenrath
33.5. Radioactiviteit in onze bodem
33.6. Natuurlijke bouwstenen
33.7. Prehistorische Vuursteenmijnbouw
33.8. Kalkbranderijen
33.9. Pleistocene zoogdieren
33.10.Ertswinning nabij onze Zuidgrens
33.11.Krijtfossielen beschreven
33.12.De stratigrafie van het Krijt
33.13.Het ontstaan van een museum
33.14.Grondboringen in Zuid-Holland
33.15.Van amateur tot onderzoeker
34.0. Nederlandse Geologische Vereniging (NGV)

 

ALGEMEEN 

°

1/1

°GEOLOGIE.  aardkunde = de wetenschap, die zich bezig houdt met het ontstaan van de aarde, met de studie van debouw en de samenstelling van de   aardede processen die zich erin en erop afspelen en de historie hiervan .

NB. Ge = aarde. Logos = wetenschap, betekenis, kunde (grieks).

°Algemene geologie = de leer van de geologische processen. //Men verstaat onder algemene geologie ook wel: de leer van de geologische krachten = dynamische geologie. Deze krachten kunnen fysisch, chemisch of organisch zijn

°Aardwetenschappen = de wetenschappen, die zich bezighouden met de aarde in haar gasvormige, vloeibare en vaste fasen.

°Cosmogonie = 

°cosmografie = de wetenschap, die zich bezighoudt met de vorming en de ontwikkeling van het  heelal = de Cosmos.

°Tellurisch = als bijvoeglijk naamwoord gebruikt voor: behorend tot en betrekking hebbend op de aarde.

°Geologische processen = algemene geologie = de voortdurende werking, waardoor de gesteenten van de aarde worden gevormd, veranderd en verplaatst. Ook wel: de geologische, fysische, chemische en organische krachten.

http://www2.ulg.ac.be/geolsed/processus/processus.htm

°Neptunisme = de theorie, die stelde, dat vrijwel al het gesteente van de aardkorst is afgezet in water.

°Plutonisme = het proces, waarbij gesteente in de aardkorst ontstaat door stolling van lava.
Hierbij ontstaat dieptegesteente

Plutonisme kan verwijzen naar:

  • intrusie, het binnendringen van vloeibare magma in de aardkorst;
  • plutonisme, een 18e- tot 19e-eeuwse theorie in de geologie.

2.1

*** Deelwetenschappen van de geologie    

De   geologische wetenschap omvat verschillende disciplines = deelwetenschappen.

Hiervan noemen we:
-historische geologie = studie van de chronologische geschiedenis van de aardkorst (vooral beoefend door stratigrafen).
-stratigrafie = studie van sedimentgesteenten in hun verticale opeenvolging en hun horizontale spreiding.
-sedimentologie = studie der sedimenten = afzettingsgesteenten; is opgebouwd uit delen van de mineralogie, petrologie, algemene geologie en stratigrafie.
-mineralogie = studie der mineralen.
-mineralen = vaste chemische stoffen met een specifieke chemische samenstelling.  
-kristallografie = beschrijving der kristallen.
-petrologie =gesteentekunde.
-paleontologie = paleobiologie = studie van fossielen (belangrijk voor stratigrafen).
-tektonische -of structurele geologie = studie der vervormingen in de aardkorst.
-fysische geologie = dynamische geologie (wat verouderd) = de studie van de geologische processen, hun werking en de resultaten daarvan.
-fysische geografie = geomorfologie = fysische aardrijkskunde = natuurkundige aardrijkskunde = de studie van de uitwendige kenmerken en de veranderingen van het land, het water en de atmosfeer van de aarde = ook wel: de studie van reliëfvormen en van reliëfvorming.
-palaeogeografie = paleogeografie = de studie van de verdeling van land en zee gedurende de geschiedenis van de aarde en de verdeling van gebergten, woestijnen, rivieren, meren, enz.
-paleoecologie = studie van het verband van organismen met hun omgeving in geologische tijden = studie van het leefmilieu in geologische tijden.
-geodynamica = de wetenschap die zich bezighoudt met bewegingen binnen de aarde.
-geofysica = onderzoek van de aarde met natuurkundige methodieken en instrumenten (meestal meetinstrumenten).

-geochemie = studie der chemische processen in de aarde.

-geodesie = het vaststellen door waarnemingen en door metingen van de relatieve positie van punten en gebieden op aarde en de vorm van de aarde als geheel.
-toegepaste geologie = een tak van de geologie ten behoeve van een beperkt toepassingsgebied.

Voorbeelden hiervan zijn:
*technische geologie = b.v. ten behoeve van bouwkundige werken.
*economische geologie = t.b.v. de opsporing en de kennis van nuttige stoffen.
Vergelijk: delfstofkunde, aardoliegeologie.
-hydrogeologie = de studie t.b.v. exploratie en exploitatie van grondwater.

Wetenschappen, die nauw zijn verbonden met geologie zijn o.a:
*Klimatologie .
*oceanografie = studie van oceanen en zeeën, inclusief kusten.
*hydrologie = studie van het stromende water (hydraulica).
*glaciologie = studie van de gedragingen van ijs.
*limnologie = studie van meren.
*bodemkunde = kennis van het bovenste deel van het landoppervlak. Is van belang voor de landbouw e.d.
*speleologie = bestudering van grotten.
*ichnologie =studie van fossiele sporen, gemaakt door dieren.

NB

Woorden eindigend op ‘logie’ duiden op de studie van iets.
Woorden eindigend op ‘grafie’ duiden op het beschrijven van iets.
Voorbeeld:
petrologie = gesteentekunde, leer der gesteenten.
petrografie = beschrijving van gesteenten

Eigenlijk dus ook: geologie = studie van de aarde en geografie = beschrijving van de aarde. Dit geeft al aan, dat de grenzen kunnen vervagen en dat het spraakgebruik zijn eigen weg gaat.
Toch blijft inzicht in de terminologie belangrijk.

Geologie is ook hulpwetenschap van menige andere wetenschap.
Voorbeeld: de uit de VS stammende

°

*‘geoarchaeology‘.

***  

2.2. Werkmethoden in de geologie 

Men kan geologie benaderen vanuit:
1.huidige waarneembare processen en deze ‘terugvertalen’.
2. waarnemingen aan objecten en deze deduceren = conclusies logisch afleiden.
3. experimenten.

sub 1. Men noemt dit

°actualisme = vergelijking van huidige processen met vroegere. Dit veronderstelt 
°uniformitarisme 
= onveranderlijkheid van de processen.
sub 2. Dit is een vorm van vergelijkende ontologie: processen afleiden uit waarnemingen en zo mogelijk vooral uit reeksen waarnemingen.

°Ontologie = de leer van het zijn.
sub 3. In het geologische laboratorium of in het veld.

***

2.3. Geologische processen.

In de geologie onderscheidt men twee soorten processen:
endogene processen = de oorsprong, de krachtbron ligt in de aarde zelf.
exogene processen = de werking komt van buitenaf, uit de atmosfeer, hydrosfeer, biosfeer.

Van de endogene processen noemen we:
 ° –  plooiing = vervorming met behoud van het verband der lagen.

° _ breuken = vervorming zonder behoud van het verband der lagen.  //Onderbreking van de samenhang van gesteenten; scheur in de aardkorst waarlangs veelal een gebied is opgeheven of juist is weggezakt

Zowel in toepassing op onderbrekingen zonder verplaatsing der delen langs het breukvlak als op onderbrekingen met verplaatsing, verschuiving van lagen.

.

°orogenese = gebergtevorming.
°epirogenese = rijzen en dalen van grote delen van de aardkorst.
° metamorfose = rekristallisatie van gesteente in vaste toestand, meestal op grote diepte.–>metamorfe gesteenten 

Afb. 3 De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose.

De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose
° plutonisme = processen, die samenhangen met de vorming van gesteente in de aardkorst uit gesmolten toestand.

°vulkanisme = processen rond de uitvloeiing en uitblazing van gesmolten gesteente, vorming van gangen, sills e.d.

 

composietbeeld van de Olympus Mons op de planeetMars, met een hoogte van 27.000 meter en een diameter van ruim 500 kilometer de grootst bekende vulkaan en berg van het zonnestelsel

Dieptegesteenten en vulkanisme 

°

Van de exogene processen noemen we:

-klimaten = weersomstandigheden in bepaalde gebieden ‘het jaar rond’, bepaald over lange perioden, gewoonlijk van 30 jaar.

-klimaatzones = gebieden met overeenkomstig klimaat.

-verwering = verandering en/of afbraak van gesteente onder invloed van atmosfeer en organismen. Zie ook erosie 

-denudatie = afvoer van verweringsmateriaal vanaf de plaats van verwering.
-sedimentatie = afzetting van losse gesteenten.
-diagenese = verandering van sedimenten in harde gesteenten.

—> De werking van wind.
Processen rond water, sneeuw en ijs in verschillende vormen.
mariene processen = werking van de zee.
Al deze processen komen in de verdere tekst nog ter sprake.

°
°

3. DE AARDE.    (‘klik’)

De aarde is één van de hemellichamen van ons zonnestelsel en meer in het bijzonder van het planetenstelsel van de zon.
De exogeologie is de studie van de buitenaardse geologie = de geologie van de buitenaardse hemellichamen. Wij zullen ons alleen bezighouden met de geologie van de aarde.

3.1. Gegevens over de aarde.

De aarde bestaat al meer dan 4.5 miljard jaar. Met het ontstaan van een harde korst, meer dan 3.8 miljard jaar geleden, ontstaan er omstandigheden, waarin men van geologie kan spreken.
Het is opvallend, dat er (geologisch gezien) kort daarna al organismen zijn waar te nemen.

De aarde is niet zuiver bolvormig, maar is aan de polen iets afgeplat. Door rotatie = omwenteling om de aardas = de denkbeeldige lijn door N- en Z-pool heeft ze de vorm van een omwentelingsellipsoïde = afgeplatte bol.
– de vaste aarde heeft een radius van 6370 km.
– de omtrek langs de evenaar is 40.077 km. De equatoriale diameter is 43 km langer dan de as door de polen.
– de massa van de aarde is ca. 6 x 1024 kg, het volume 1012 km³
– het totale aardoppervlak is ruim 500 miljoen km².

De aarde bestaat uit:
de kern – straal ca. 3470 km, waarin een binnenkern met een straal van ca. 1600 km.
de mantel – dik ca. 2900 km. Men onderscheidt wel een binnenmantel van 2290 km dik en een buitenmantel van 630 km dik.
de korst – onder de continenten enkele tientallen km’s dik, gemiddeld ca.35 km; onder de oceanen dunner, ca. 5-10 km.
De grens tussen mantel en korst heet het discontinuïteitsvlak van Mohoroviçic of kortweg Moho.

Het s.g. van de mantel varieert van 3.2 tot 5.7. Daar de gehele aarde een s.g. heeft van ca. 5.52 moet de kern een s.g. hebben van gem. ca. 11.00, m.a.w. de kern is van zwaar materiaal en bestaat, uit nikkel en ijzer.
Het binnenste deel van de kern bestaat waarschijnlijk uit vaste stof. Het buitenste deel van de kern , die uit vloeibaar ijzer bestaat, veroorzaakt vermoedelijk het aardmagnetisme = magneetveldveld van de aarde.



Fig.l. Opbouw van de aarde.

   

Er bestaat een magnetische Noordpool en een geografische Noordpool. Een magneetnaald, die naar de magnetische N.pool wijst heeft een inclinatie = de hoek met de horizontaal en een declinatie = de hoek tussen de horizontaal = de richting van de magnetische Noordpool en de geografische Noordpool.

De magnetische Noordpool verplaatst zich met een snelheid van enkele km per jaar.
Behalve deze verplaatsing kunnen er ook ompolingen = omkeringen van de polariteit plaatsvinden, d.w.z. de Noordpool en de Zuidpool verwisselen van plaats.
Deze verschijnselen spelen een rol bij geologische en archeologische dateringen.

°
Paleomagnetisme = het magnetisme op een bepaald moment in het geologische verleden.
Het paleomagnetisch veld kan worden gemeten aan enkele magnetische mineralen, zoals magnetiet, ilmeniet, pyrrhotien en haematiet.

De temperatuur in de aarde neemt met de diepte toe. Deze toename over een bepaalde diepte heet de  geothermische gradiënt. .De geothermische gradiënt  is afhankelijk van de lokale warmteflux en de geleidbaarheid van de aanwezige gesteenten in de ondergrond.  …… In W.Europa is deze ca. 3° C per 100 m

Figuur die de warmteflux in Vlaanderen weergeeft (Laenen, 2009)

Lokale warmeflux in Vlaanderen, afgeleid uit temperatuurmetingen in diepe boringen (Laenen, 2009)

Het buitenste deel van de aarde, dat uit gesteente bestaat heet     de lithosfeer. Lithos = steen.

Waar zich oceanen bevinden spreekt men van de hydrosfeer.

Gesteenten bedekt met zeewater zijn submariene gesteenten,

die onder ijs zijn subglaciale gesteenten.

3.2. De aardkorst.

Als we het oppervlak van de aarde bezien, dan kunnen we vaststellen, dat de continenten ca. 35% van het oppervlak beslaan en als grote plateaus boven de oceanen uitsteken.
De oceanen beslaan ca. 65%. Over grote gebieden zijn ze tussen 4000 en 6000 m diep.
De oceaanbodem wordt voor ca.10% gevormd door vlakke delen, de abyssale vlakten. Er zijn ook oceanische ruggen = brede onderzeese bergruggen, zoals b.v. de midatlantische rug tussen Amerika en Europa/Afrika. Verderdiepzeetroggen, lange smalle depressies van vaak meer dan 10.000 m diep. Deze liggen vaak dicht bij randen van continenten of langs eilandenreeksen.
Langs de rand van een continent loopt bijna altijd een shelf = continentaal plat = een ondiepe zone, tot 200 m diep. Dit is a.h.w. een onderzeese voortzetting van het continent.

Wat wij het landschap noemen, kan men aanduiden als het reliëf van het aardoppervlak. De tak van de geologie en de geografie die zich hiermee bezighoudt is de geomorfologie. Beschrijving van het reliëf zou men dus demorfografie moeten noemen. Het ontstaan en de ontwikkeling van de vormen in de tijd heet de morfogenese.
De processen, die hierbij een rol spelen zijn fysisch, chemisch of biologisch van aard.
Waar materiaal wordt weggenomen vindt erosie plaats, waar het wordt opgehoopt accumulatie.

Een geomorfologische kaart wil zowel de vormen van het landschap als hun genese = hun ontstaan voorstellen. Door middel van kleuren en tekens, die worden vastgelegd in een bijgevoegde legenda, worden alle gewenste geomorfologische gegevens op de kaart aangegeven.
Een hypsometrische kaart is een kaart, waarop de hoogtelijnstroken zijn ingekleurd.

4. TIJD IN DE GEOLOGIE EN GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS.

In de geologie worden twee methoden voor ouderdomsbepaling gebruikt: de absolute – en de relatieveouderdomsbepaling.
Al in de 19e eeuw is er een relatieve tijdschaal opgesteld. Pas veel later werden hieraan de eerste absolute dateringen toegevoegd. Deze werden meestal bepaald aan de hand van het uiteenvallen van radioactieve elementen in de aardkorst, hetgeen met constante snelheid geschiedt.
De normale tijdseenheid is 1 miljoen jaar = 1 Megaannum = 1 Ma.

  • Ouderdomsbepalingen:
    • Relatieve bepalingen
    • Absolute bepalingen
    • De geologische tijdschaal

4.1. Relatieve ouderdomsbepaling.

Relatieve ouderdomsbepaling berust op superpositie en op evolutie van organismen.

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/7/79/Geological_time_spiral.png
Het wordt gebruikt voor stratigrafische correlatie = het bepalen van gelijktijdigheid van b.v. afzettingen op enige afstand van elkaar.
°

Superpositie = het hoger of lager liggen van lagen t.o.v. elkaar.
NB. Dit is slechts bruikbaar over kortere afstanden.(= geologische afstanden ) 

Sedimentaire gesteentelagen in de Verenigde Arabische Emiraten.

°
Evolutie kan verlopen van ‘eenvoudiger’ naar ‘ingewikkelder’ organismen, maar ook omgekeerd.

°

Faciës = lithologische groepering, die duidt op een constant milieu = het geheel van minerale samenstelling,korrelgrootte, fossielinhoud en aard van de gelaagdheid, waaruit conclusies kunnen worden getrokken over de omgeving = het milieu, waarin het gesteente is gevormd. Voorbeeld: diep water of een kenmerkende fauna.
Op enige afstand van elkaar kunnen zich tegelijkertijd in verschillende milieus verschillende processen afspelen. Ook kan er verschil zijn in flora en fauna. Deze verschillende lokale kenmerken van flora en fauna in sedimenten duidt men aan met facies. Samenhangend met de milieus spreekt men b.v. van strandfacies, koraalfacies, rivierfacies e.d. Deze facies kunnen in de geologische geschiedenis herhaaldelijk optreden.

Wil men de nadruk leggen op de aard van het gesteente dan spreekt men van lithofacies, b.v. een zandige facies, een kalkfacies, enz. Flora en fauna geven hun naam aan biofaciës,b.v. koraalfacies.
Het kennen van de facies is belangrijk bij relatieve ouderdomsbepaling. Maar zorgvuldigheid is hierbij geboden, want twee dicht bij elkaar gelegen facies van gelijke ouderdom kunnen totaal verschillende fossielen e.d. opleveren Bijvoorbeeld een kust en een nabijgelegen zee of rivier leveren tegelijkertijd verschillende fossielen op.

De relatieve tijdschaal verdeelt de geologische tijd in tijdseenheden.

Era = hoofdtijdperk = de grofste verdeling in tijdseenheden.
Voorbeeld: het Mesosoïcum, vroeger het secundair genoemd.
Een afzetting uit een Era heet een Eratheem.

Periode =een eerste onderverdeling van een Era.
Voorbeelden: het Krijt en het Carboon.
Een afzetting uit een Periode heet een Systeem.

TijdvaK = een verdere onderverdeling van een Periode.
Voorbeelden: Boven-Krijt, Onder-Devoon, Oligoceen.
Een afzetting uit een Tijdvak heet een Serie.

Tijd = een onderverdeling van een Tijdvak.
Voorbeelden: Maastrichtiën, Westfaliën. In België spreekt men van Maastrichtiaan, Westfaliaan e.d.

Een afzetting uit een Tijd heet een Etage.

Weliswaar worden de benamingen van vooral de afzettingen niet veelvuldig gebruikt, toch is het zeer nuttig, om ze bij de hand te hebben. Al was het maar, om verkeerd gebruik, zoals nogal eens voorkomt, te vermijden. Zo zou het b.v. foutief zijn om te spreken van het Tijdvak het Krijt. Het Krijt is een Periode en het Onder-Krijt is een Tijdvak.

4.2. Stratigrafie.

Stratigrafie = de tak van de geologie, die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen in de aardkorst.

°
Lithostratigrafie = de tak van de stratigrafie, die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen op basis van gesteentekenmerken = van de lithologie = gesteentekunde van de lagen.

°
Biostratigrafie = de tak van de stratigrafie, die zich bezighoudt met de beschrijving van gesteentelagen op basis van fossielen die er in worden aangetroffen.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Biostratigrafie

Principe van biostratigrafie. In de figuur zijn de sedimentaire pakketten van twee locaties als lithologische colommen weergegeven. De opeenvolgingen van drie biozones maakt correlatie mogelijk. Geheel links staat de chronostratigrafie.

°
Chronostratigrafie = de tak van de stratigrafie, die zich bezighoudt met de beschrijving van de plaats die de gesteentelagen innemen in een relatieve tijdsindeling.
Zie ook 4.3: absolute ouderdomsbepaling.
Een bijdrage tot de chronostratigrafie wordt geleverd door de biostratigrafieen door de lithostratigrafie.

°
Correlatie = het met elkaar in verband brengen van gesteentepakketten op grond van lithologiemineralen,fossielinhoud,e.d.

°

Een Horizon = Horizont is het scheidingsvlak tussen twee lagen = een laagvlak.

°
Een lithostratigrafische Horizont = een scheidingsvlak = niveau tussen twee lagen met afwijkende gesteentekenmerken.

°
Een biohorizont = een laag, waarin fossielen bepaalde kenmerken bezitten.

°
Een biostratigrafische eenheid = een stratigrafische eenheid met een typerende fossielinhoud.

°
Een typelokatie = typelokaliteit = de plaats, waar het stratotype = de plaats met de kenmerkende eigenschappen van een stratigrafische eenheid zich bevindt en die de naam heeft geleverd van de Laag of de Formatie.

°
Een gidsfossiel heeft voldoende spreiding en specifieke kenmerken, om bruikbaar te zijn voor het bepalen van de plaats in de stratigrafie van een Laag of een Horizon.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Gidsfossiel

Voor het Cambrium zijn trilobieten de belangrijkste gidsfossielen, voor het Ordovicium en het Siluur worden ook graptolieten gebruikt en voor de periode van het Devoon tot het Krijt vaak ammonieten.

Genetische eenheden zijn eenheden, die op eenzelfde manier zijn ontstaan.
Een sequentie = een opeenvolging van boven elkaar liggende lagen in een gebied.
Accumulatie = afzetting van sediment.
Deflatie = winderosie.
Ablatie = erosie van sneeuw en ijs. Vb. gletsjers.
Abrasie = erosie door de zee.
Tussen perioden met sedimentatie komen vaak perioden voor van stilstand, sedimentpakketten vertonen dan hiaten. Dit is meestal zichtbaar in de laagpakketten. Vb. hardgrounds in kalkafzettingen.
Een hardground = een hardere laag in een pakket kalksteenlagen, die meestal is ontstaan door een tijdelijke onderbreking in de afzetting ter plaatse.
Een diasteem = een hiaat = een korte onderbreking in de stratigrafische opeenvolging. Dit is vaak waar te nemen als een dun uitwiggend = op niets uitlopend laagje.

Sedimentatie-cyclothemen = een cyclische opeenvolging van kenmerken in gesteentepakketten. Komen b.v. voor in de kalkstenen van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg.
– aan de basis een basisconglomeraat, dat bestaat uit echt conglomeraat van rolstenen tot kalkzand, maar dat ook fossielen, fossielgruis, glauconietzand, enz. kan bevatten.
– daarop een kalkzandlaag = kalkareniet. In het bovenste deel hiervan vaak bioturbaties in de top een hardground= een cementering met calciet, met bioturbaties en alleen aan de bovenkant duidelijk begrensd.
Men spreekt van een harde kalksteenbank harde kalksteenlaag, als er geen bioturbaties zijn en de boven- en onderkant beide duidelijk begrensd zijn.
Genetisch is er geen onderscheid.
Vuurstenen hebben een vaste plaats in de cyclotheem.
Het grensvlak tussen twee cyclothemen noemt men eveneens een horizont.
Vroeger zocht men voor dit verschijnsel een verklaring in cyclische bodemdaling. Nu denkt men eerder aan kosmische oorzaken, die ook de stralingscurve van Milankovitch (zie ook 23.1) verklaren.


Fig.2. Cyclotheem in de kalksteen van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg.
(Naar W.M.Felder, 1975)

Een ander voorbeeld van een cyclische opeenvolging is die in het Boven-Carboon van steenkool, schalie, zandige schalie en zandsteen.

Een lens = een gesteentelichaam, dat aan beide zijden uitwigt en op niets uitloopt.
Een huidje =een laagje of bedekking dunner dan l cm.
Een wat langere onderbreking heet een disconformiteit.
Liggen de lagen van vóór en na de onderbreking evenwijdig, dan liggen ze concordant. Maken ze een hoek met elkaar, dan liggen ze discordant. Voorbeeld: het in Zuid-Limburg afgezette Krijt op het geplooide Carboon.

Fig.3. Discordante ligging van het Boven-Krijt op het Boven-Carboon in Zuid-Limburg.
(gedeeltelijk naar W.J. Jongmans, 1937)

Een Groep = Assise (Frans) = meerdere Formaties.

Een Formatie = een lagenpakket als onderverdeling van een assise. Men kent lithologische en biostratigrafische formaties. Een Formatie is karteerbaar tot 1:50000.
Voorbeelden: de Formatie van Gulpen, Kiezeloöliet-Formatie.

Afzettingen vormen een onderverdeling van een Formatie.
Voorbeelden: Zand van Cottesen, Kalksteen van Schiepersberg, Afzettingen van Kosberg.

Een Member (Eng) is een onderdeel van een Formatie = een Afzetting.

Een Stratum (Eng) = Bed (Eng) = Laag = een pakket gesteenten van dezelfde eenheid, dikker dan l.cm. Strata zijn een onderverdeling van een Afzetting.

Men maakt wel fijnere onderverdelingen met de voorvoegsels -sub = onder en -super = boven.

4.3. Absolute ouderdomsbepaling.

De belangrijkste methoden van absolute ouderdomsbepaling maken gebruik van het feit, dat radioactieve elementen uiteenvallen met een constante halfwaardetijd.

atoomkernen halfwaardetijd
Van veel van deze elementen is deze halfwaardetijd bekend. De halfwaardetijd = de tijd, waarin de helft van het radioactieve element uiteenvalt, enz. Door meting van de stand van de afbraak kan dus de ouderdom globaal worden bepaald. Hierbij geldt een onnauwkeurigheidsmarge, die bij iedere vermelding van de ouderdom mede wordt vermeld.
Voorbeeld: 40K valt uiteen in het stabiele 40Ar en 40Ca met een halfwaardetijd van 1.3 x 109 jaar. Men noemt deze methode de Kalium-Argon-methode.
We geven een beknopt lijstje van enkele methoden, die worden gebruikt voor absolute datering:
– Lood 210 (210Pb)
– Radioactieve Koolstof (14C)
– Kalium-Argon (40K-40Ar)
– Argon-Argon (39Ar-40Ar)
– Rubidium-Strontium (87Rb-87Sr)
– Uranium-Lood (234U en 235U)
– Thorium-Lood (232Th)
– Thermoluminiscentie
– Aminozuur
– Archeomagnetisme, een archeologisch begrip. Bij verhitting boven het Curie-punt = 1670 °C richten ijzerdeeltjes in een vaste stof zich naar de magnetische Noordpool.
– Paleomagnetisme. Bezinkende partikels richten zich op de magnetische Noordpool.
– De verhouding 160 : 170 : 180 in water verschilt met de temperatuur. Bij lagere temperatuur neemt de 180 relatief toe, doordat de 160 sneller verdampt. Dit is ook het geval en ook meetbaar in b.v. schelpen van schelpdieren. Deze methode wordt b.v. gebruikt bij boringen in poolijs.

Een tabel met een relatieve tijdschaal, waarop een benadering van een absolute datering is aangegeven treft U aan op de achterzijde van dit boek.
Wij raden U aan deze tabel tijdens het gebruiken van dit boek regelmatig te raadplegen ! Een dergelijke tabel is ook opgenomen in het boek ‘Algemene Geologie’ van A.J. Pannekoek et al. van 1973, 1984 en 1992. Een soortgelijk overzicht komt ook voor op de achterzijde van de Geologische Kaart van Zuid-Limburg en omgeving, schaal 1:50.000 van de afdeling Kartering van de voormalige Rijks Geologische Dienst, uitgave 1984

4.4. Activeringsanalyse.

Hoewel niet goed passend in een hoofdstuk over tijd in de geologie, maar direct aansluitend aan 4.3. noemen we hier kort een methode, om gesteenten te determineren door middel van de z.g. activerings-analyse.
Als men een gesteente bestraalt in een kernreactor, worden bepaalde sporenelementen = slechts in sporen = in uiterst kleine hoeveelheden voorkomende elementen radioactief. Nauwkeuriger gezegd: er ontstaan radioactieve isotopen. Omdat hun afbraaktijd uiterst klein is, breken ze ook zeer snel weer af. Door de hierbij vrijkomende straling verraden ze a.h.w. hun aanwezigheid, hetgeen wordt geregistreerd.
Zo heeft men b.v. getracht vuursteen van verschillende herkomst een specifieke analyse mee te geven. Hierdoor zouden ze dan op iedere archeologische vindplaats herkenbaar zijn als afkomstig van bepaalde bronnen.
Met deze methode kan men b.v. ook in veel gevallen de herkomst van de klei van aardewerk bepalen.

5. DE GEOLOGISCHE GESCHIEDENIS VAN DE AARDE EN VAN NEDERLAND.

Eerst een inleidende opmerking.
Als er in de volgende teksten sprake is van ‘ons gebied’, dan is hiermee ons land (en omgeving) bedoeld, zoals het zich nu bevindt op ons continent. De lokalisering van dat gebied binnen Europa is niet ingrijpend veranderd. Wat stellig wel is veranderd, is de situering van het continent Europa/Azië op de aarde. Daarover doet de aanduiding ‘ons gebied’ geen uitspraak.

Het ontstaan van de aarde wordt gesteld op 4.5 miljard = 4500 miljoen jaar geleden.

NB. Als we bedoelen 3.8 miljard jaar geleden, zullen we voortaan vermelden: 3.8 miljard jaar. Van b.v. 590 miljoen jaar geleden tot 505 miljoen jaar geleden wordt dan: 590 – 505 miljoen jaar.

PRECAMBRIUM. tot 590 miljoen jaar.

De oudste geologische Periode is het Precambrium, dat wel wordt onderverdeeld in het Archaeïcumtot ca. 3 miljard jaar en het Proterozoïcum van 3 miljard – 590 miljoen jaar.

De oudste bekende gesteenten zijn te dateren op ca. 3.8 miljard jaar.

In het Precambrium waren er al perioden met ijstijden tussen 2.3 en 2.2 miljard jaar en tegen het einde van het Precambrium.

Er zijn al levende organismen bekend van vóór 590 miljoen jaar.

In de oudste Perioden was er op aarde vermoedelijk weinig O2 = zuurstof. Er was wel N2 = stikstof, CO = koolmonoxide, CO2 = kooldioxide en H2O = waterdamp. De atmosfeer ging meer zuurstof bevatten na de opkomst van groenwieren e.d.

CAMBRIUM. 590 – 505 miljoen jaar.

Er zijn grote epicontinentale zeeën = zeeën, die de continenten omgeven en de gehele verdere aarde bedekken.
Op de continenten zijn er veel woestijngebieden.
Het klimaat is over het algemeen warm.
Er zijn veel sedimenten afgezet, zoals zanden en kleien. Deze afzettingen worden nu aangetroffen als metamorfe gesteenten, zoals kwartsieten en leisteen.
In het Cambrium verschijnen alle ongewervelde fyla = stammen.
Er begint een evolutie van een fauna met harde schalen en skeletten. Mariene algen zijn algemeen.

Nederland: Tijdens het Cambrium bevond het huidige W.Europa zich op een breedtegraad, die overeenkomt met waar nu in het Zuiden van Z.Amerika ongeveer Argentinië ligt.

In onze omgeving zijner Cambrische afzettingen bekend uit het Hohe Venn in België. Vb. de bekende Revinienkwartsiet.

ORDOVICIUM. 505 – 438 miljoen jaar.

Grote delen continent vallen droog. Tegen het Midden-Ordovicium zijn er weer enorme epicontinentale zeeën.
Het klimaat is over het algemeen vrij warm. Tegen het einde van het Ordovicium is er een derde ons bekende periode met ijstijden.

Veel sedimentafzettingen, die nu voorkomen als zandsteen en leisteen.

Organismen: Rifbouwende algen. De eerste (kaakloze) vissen.
Verder o.a. Trilobieten, Brachiopoden, Gastropoden, Crinoïden, Zeeëgels, Bryozoën, Koralen en in de diepzee Graptolieten.

Nederland:
Tijdens het Ordovicium lag W.Europa op een breedtegraad, die ongeveer overeenkomt met die van Rio de Janeiro.

SILUUR. 438 – 408 miljoen jaar.

Tijdens het Ordovicium, het Siluur en begin Devoon vindt de Caledonische Orogenese = gebergtevorming plaats, met het hoogtepunt in het Siluur.

In het Siluur is er een grote uitbreiding van de zeeën. Continenten zijn kleiner, er is dus minder aanvoer van sedimentmateriaal.
Europa en Amerika naderen elkaar, met als gevolg veel vulkanisme.
Afzettingen: mariene sedimenten als klei en kalk.
Organismen: Bloei van vissen. Veel koraalriffen. Uit het Siluur zijn de eerste landplanten bekend.

DEVOON. 408 – 360 miljoen jaar.

In het Devoon botsten Europa en Amerika tegen elkaar. Uit deze Periode stammen ook de Caledonische bergketens van Schotland en Scandinavië.
Van de afzettingen treffen we nu dikke pakketten rode zandsteen aan. Verder intrusies van graniet uit de ondergrond.
Organismen: Veel vissen. Ontwikkeling van vissen met kaken en benige vissen. Uit longvissen evolueren amfibieën.
Explosieve rifvorming. Graptolieten sterven uit.
Ongewervelde landdieren.
Ontplooiing van landplanten. Veel landplanten, o.a. varens.

Nederland: In de Eifel en de Ardennen treffen we Midden-Devonische kalksteen en uitgestrekte koraalriffen aan.
Uit het Boven-Devoon resten kalkstenen, zandstenen en schalies.
De oudste bekende afzettingen in ons land stammen uit het Devoon en liggen in het uiterste Zuiden bij Maastricht en Eysden.

CARBOON. 360 – 286 miljoen jaar.    

Gondwana, het zuidelijke continent, dreef in het Carboon tegen Europa aan. Hierdoor ontstonden in Zuid-Europa sterke plooiingen. Deze Hercynische = Varische orogenese heeft haar hoogtepunt in het Boven-Carboon.

In het midden van het Carboon valt de vierde ons bekende periode met ijstijden, met op het Zuidelijk halfrond veel gletsjers. De landmassa’s in equatoriale regio’s hebben een warm klimaat.

Fauna: Er zijn veel Amfibieën. Eerste Reptielen. Vissen. Insecten evolueren snel.

De gesteenten van het Onder-Carboon zijn dichte, donker gekleurde kalkstenen, schalie en wat zandsteen. Die van het Boven-Carboon zijn vooral schalies en verder zandstenen en steenkool.

Nederland: Tijdens het Carboon lag ons gebied rond de evenaar.

Ten Z. van ons gebied lag een landmassief. Ons gebied lag aan de rand van een geosynclinaal bekken met een ondiepe zee op een continentaal plat.
Continentale afzettingen vormden een meer dan 5000 m dik pakket sedimenten.
De rijke steenkoolflora leidde tot vele soms metersdikke veenlagen, gevormd uit o.a. Boomvarens, Zaadvarens en Paardenstaarten. Door inkoling ontstonden hieruit steenkoollagen.

PERM. 286 – 248 miljoen jaar.

De Hercynische orogenese werkt nog door. Ook Azië botst tegen Europa, waardoor de Oeral wordt gevormd.
Grote delen van het nieuwe, enorme continent vallen droog. Het klimaat is droog en warm, waardoor veel woestijnen.
De afzettingen zijn roodgekleurde zandsteen en zandige schalies.De oppervlakte aan warme, ondiepe oceanen krimpt in.
Verklaart dit misschien het massale uitsterven van veel planten- en dierensoorten, vooral van mariene vertebraten?
Ca. 30% van de fyla van planten en dieren sterft uit. Vb. Trilobieten en sommige Brachiopoden, Bryozoën, Crinoïden en Koralen.
Als oorzaken worden ook genoemd: voedselschaarste, klimaatveranderingen, sterke concurrentie tussen soorten, verandering van de saliniteit van het water en verlaging van het zuurstofgehalte in de atmosfeer. Misschien leidde een combinatie van factoren tot verminderde voortplanting.

In het Perm gaan landdieren zich verspreiden. Reptielen beginnen amfibieën te overheersen. Tegen het einde van het Perm beginnen zoogdierachtige reptielen de boventoon te voeren.

Nederland: Tijdens het Perm lag ons gebied ongeveer op dezelfde breedtegraad als het huidige Midden-Amerika, maar dan waarschijnlijk halverwege het huidige Amerika en Afrika.

Het massief ten Z. van ons gebied breidt zich uit.

TRIAS. 248 – 213 miljoen jaar.

Pangea, het grote verenigde continent blijft intact.

Er zijn veel woestijngebieden. Plaatselijk ontstaan er lava-gebieden, maar vooral zandsteenafzettingen. Verder schalie.
Flora: Vooral varens. Ook naaldbomen.
Fauna: In het Trias ontstaan er nieuwe soorten mariene vertebraten. De voornaamste vertebraten zijn nog de Reptielen en de Amfibieën.
Mollusken gaan overheersen. Ammonieten tonen een duidelijk herkenbare evolutie. De eerste zoogdieren evolueren

Nederland: in de Onder-Trias ligt er ten Z. van ons gebied een massief en ten N. ervan een deltagebied.
Van de Triasafzettingen in Oost-Nederland zijn vooral de kalkafzettingen (Muschelkalk) van de Midden-Trias bekend.

JURA. 213 ~ 144 miljoen jaar.

Het continent Pangea begint uiteen te vallen. Door nieuwe oceanische ruggen stijging van het zeeniveau. Continenten gedeeltelijk bedekt met ondiepe zeeën.
Hierdoor sedimentatie, afwisselend klei, zand en kalk.

Flora: Naaldbomen, varens en paardenstaarten domineren.
Fauna: In mariene afzettingen veel Ammonieten. Verder Koralen, Brachiopoden en Echinodermen. In ondiepe kustzeeafzettingen veel Foraminiferen en Ostracoden.
Vertebraten reptielen, grote Dinosauriërs en de eerste vogels. Vb. Archaeopteryx.

Nederland: Het gebied van het huidige W.-Europa lag in de Jura zo ongeveer op de breedtegraad van waar nu Israël ligt.

Ten Z. van ons gebied ligt een landmassief. Ten N. daarvan ligt een zee. Tegen het einde van de Jura behoren de Noordelijke provincies tot een Noordelijk landgebied.

KRIJT. 144 – 65 miljoen jaar.

Pangea drijft verder uiteen. De Atlantische Oceaan wordt breder.

In het Onder-Krijt gaat de regressie door en treedt er op de continenten erosie op, wat niet-mariene sedimentatie tot gevolg heeft. Fijnkorrelige zanden en enkele kleilagen.

In het Boven-Krijt stijgt de zeespiegel weer en zijn er flinke transgressies. Hierin worden pakketten kalksedimenten afgezet.

In het Boven-Krijt is er een merkbare invloed van het elkaar naderen van Afrika en Europa. Dit veroorzaakt het begin van de langdurige Alpiene orogenese

Flora: Opkomst van bedektzadigen = bloeiende planten.
Fauna: Op het land opkomst van enorme reptielen en van sommige andere vertebraten.
Einde Krijt: massaal uitsterven van diersoorten, o.a. van de Sauriërs. Oorzaak: inslag van enorme meteorieten?

Nederland: De plaats van het huidige Nederland moeten we ons in het Krijt ongeveer voorstellen in de buurt van waar nu Spanje ligt.

Ten Z. van ons gebied weer (nog) een groot massief.
Van ons land is een groot deel bij het begin van het Krijt landgebied, maar daarna breiden transgressies zich uit.
Over ons hele gebied zetten zich kalksedimenten af.

TERTIAIR. 65 – 2 miljoen jaar.

Fauna: gekenmerkt door ontplooiing van zoogdieren.
Flora: gekenmerkt door het ontstaan van graslanden.

Van de Periode het Tertiair geven we een onderverdeling in een aantal Tijdvakken.
NB. De inzichten over de indeling in de volgende Tijdvakken met hun tijdsindeling kunnen van auteur tot auteur enigszins verschillen aan de hand van de gekozen uitgangspunten.

– PALEOCEEN. ca.65 – 55 miljoen jaar.

Europa en Azië zijn nog gescheiden door de Oeralzee.
Australië zit nog vast aan Antarctica. India is nog los van Azië. Noord-Amerika en Europa zijn in het Noorden nog met elkaar verbonden. Het zeeniveau daalt sterk, dus over het algemeen afzetting van veel klastische sedimenten.

Nederland: Ons land is in het oudste deel van het Paleoceen bedekt met een ondiepe zee. In ons land ontstaan veel lagunaire- en zoetwaterafzettingen: donkere kleien en zanden.

– EOCEEN. ca.55 -38 miljoen jaar.

Fauna: Uit het Eoceen stammen de eerste echte Primaten. Vb. Adapis, Notharctus.

De landbrug Europa Amerika wordt verbroken.

Nederland: Een deel van ons land is bedekt met een ondiepe zee; een deel is deltagebied.

– OLIGOCEEN. ca.38 – 26 miljoen jaar.

Fauna: Uit het Oligoceen kennen we een aantal aapachtigen, die in verband kunnen worden gebracht met de ontwikkelingslijn richting mens. Vb. PropliopithecusParapithecus, Aegyptopithecus.
NB. pithecus = aap.

Sinds het Boven-Krijt was er al sprake van het naderen tot elkaar van Afrika en Europa. In het Oligoceen heeft dit een culminerend effect. In het algemeen is er regressie van de oceanen o.a. door vergletsjering van Antarctica. Zand- en kleiafzettingen.

Nederland: Bij ons is er een ondiepe zee en een deltagebied.
De kust ligt ten Z. en ten ZW. van ons land. België en Engeland vormen één landgebied.

– MIOCEEN. ca.25 – 12/7 miljoen jaar

Voortgaande regressie. Dus erosie en een hiaat in de afzettingen.
Fauna: zoogdieren evolueren verder. In het Mioceen valt misschien de splitsing van Pongidae, de voorvaders van huidige apen en de Hominidae, die behoren tot de voorvaders van de mens.

Nederland: In ons gebied gedurende het Midden-Mioceen afzettingen van mariene zanden. In Zuid-Nederland en de Keulse Bocht afzettingen van dikke pakketten veen, die worden omgezet in bruinkool.
In het Boven-Mioceen rijst het uiterste Zuiden van ons land boven de zeespiegel uit. Dit is het begin van een periode met fluviatiele afzettingen.

– PLIOCEEN. ca.12/7 – 2 miljoen jaar.

Flora: Misschien al in het Mioceen, maar zeker in het Plioceen valt de sterke verbreiding van grassen over de aarde.
Fauna: In het Plioceen vallen de vondsten van Australopithecus afarensis, Vb.’Lucy‘, 3.5 milioen iaar, en van –Africanus, 3 – 2.5 miljoen jaar, die passen in de stamboom van de mens. Verdere voorbeelden van Pithecusgeslachten: Pliopithecus, Dryopithecus, Gigantopithecus, Ramapithecus, enz.

Nederland: Er ligt land ten ZW. van ons gebied en ten 0. ervan in Duitsland. Een deel van ons land behoort tot het Noordzee-bassin. Steeds grotere gebieden in ons land vallen droog.
Er worden fluviatiele sedimenten van Oer-Rijn en Oer-Maas afgezet.

KWARTAIR. 2 miljoen jaar – heden.

Het Kwartair wordt onderverdeeld in het Pleistoceen en het Holoceen.

– PLEISTOCEEN. 2 miljoen – 10.000 jaar.

Het Pleistoceen is een Tijdvak met ijstijden.

Het zeeniveau daalde in de laatste ijstijd ca. 95 m. De landoppervlakte breidt zich uit.

Flora: De vegetatiegrens schuift 2000 km op naar het Zuiden.
Fauna: In het Pleistoceen valt de prelude van de ontwikkeling van de mens, vrijwel zeker alleen in Afrika.
Van onze mogelijke directe voorouders noemen we:
Homo habilis, 2.3 à 1.7 miljoen jaar.
Homo erectus, 1.5 miljoen – 200.000 jaar.
Homo sapiens, 300.000 jaar.
Homo sapiens neanderthalensis, 200.000 35.000 jaar.
Homo sapiens sapiens, vóór 35.000 jaar, het tijdstip van zijn verschijning in Europa.

Nederland: In ons land ontstaan afzettingen van Rijn en Maas. Verder morenes van de glaciaties en eolische afzettingen van dekzanden en löss.

Voor het laatste deel van het Weichselien wordt er wel een indeling gehanteerd, die min of meer aansluiting geeft op het Holoceen.
Deze indeling ziet er als volgt uit:
– Pleniglaciaal = nog vol Pleistoceen. 20.000 -13000.
– Tardiglaciaal = Laatglaciaal, van 13.000 -10.000 jaar.

NB. Vanaf deze tijd bezien we nog uitsluitend ons land.

Een gebruikelijke geologische onderverdeling in Tijden is:

– OUDSTE DRYAS. 20.000 – 13.000 jaar.

Een koude fase met in ons gebied toendra’s en steppen.
In deze periode worden er nog volop eolische lössafzettingen gedeponeerd in Zuid-Nederland.
Tussen 20.000 en 18.000 jaar geleden wordt Zuid-Nederland nog wel bereikt door zwevende deeltjes van vulkaanuitbarstingen in de Eifel. Uit deze periode vindt men in de Zuid-Limburgse löss op veel plaatsen een afzetting, die Eltvillertuf wordt genoemd.
In grote delen van de rest van Nederland vindt afzetting plaats van dekzanden.

– BØLLING. 13.000 – 12.000 jaar.
Klimaat iets milder. Parklandschap, berkenbossen en den.

– OUDE DRYAS = VROEGE DRYAS. 12.000 – 11.800 jaar.
Kouder. Steppe en open parklandschap.

– ALLERØD. 11.800 – 11.000 jaar.
Interstadiaal: iets warmer. Den, berk, wilg.

– JONGE DRYAS = LATE DRYAS. 11.000 10.000 jaar.
Kouder. Steppe en parklandschap.

Archeologisch gezien behoren de culturen vanaf het ontstaan van de mens tot het einde van hetPleistoceen, dus tot ca. 10.000 jaar geleden, tot het Paleolithicum = Oude Steentijd.

– HOLOCEEN. 10.000jaar – heden,

Er ontstaan mariene -, fluviatiele – en veenafzettingen.
In het Holoceen onderscheiden we koudere en warmere fasen.

In de archeologie begint met het Holoceen het Mesolithicum = Midden Steentijd, globaal van 10.000 – 6500 jaar, een periode met culturen van jagers en voedselverzamelaars.
Deze periode eindigt met het optreden van de eerste boeren ca. 6500 jaar geleden, in het Atlanticum.

Het Holoceen is te verdelen in de volgende Tijden:

– PREBORIAAL. 10.000 – 9000 jaar.
Gematigd klimaat. Toenemende bebossing met berken- en dennenbos.

– BOREAAL. 9000 – 8000 jaar.
Kouder. Vochtig. Open bos met o.a. hazelaar. Van ca. 8000 – 4000 treffen de transgressies Calais I – IV delen van ons kustgebied. Rond 7500 ontstaat het Kanaal en wordt Engeland dus een eiland.

– ATLANTICUM. 8000 – 5000 jaar.
Warm, warmer dan nu. Vochtig. Gemengd eikenbos.
De eerste boeren zijn in ons land actief vanaf ca. 6500 jaar geleden. Hiermee begint in ons land archeologisch gezien het Neololithicum = Jonge Steentijd.
De eerste vuursteenmijnbouw in Ryckholt.
Het Neolithicum duurt tot het begin van de Bronstijd ca. 5000 jaar geleden.

– SUBBOREAAL. 5000 – 2700 jaar.
Kouder.
Ontbossing door de mens. Ontstaan van heidevelden.
De Bronstijd valt globaal samen met het Sub-boreaal.

– SUBATLANTICUM. 2700 jaar – heden.
O.a. haagbeuk en beuk. In deze fase van het Holoceen leven wij thans.
In de archeologie begint de IJzertijd rond de overgang van Subboreaal naar het Subatlanticum. De IJzertijd eindigt met de komst van de Romeinen rond 57 v.Chr. Daarna begint de geschiedenis.

Fig.4. Chronostratigrafie en pollenzonering van het Holoceen.
(naar voormalige RGD. Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland, 1975.

6. STRUCTURELE GEOLOGIE.

Endogene krachten = krachten vanuit de aarde zelf kunnen het materiaal van de aardkorst deformeren =vervormen.
Deze deformatie wordt bestudeerd in de tektonische = structurele geologie.

De structurele geologie houdt zich bezig met de invloed van deformatieop gesteenten op betrekkelijk kleine schaal, n.l. op microscopischemesoscopische en macroscopische schaal, m.a.w. van zeer klein tot maximaal het gebied van een geologisch kaartblad.
Microtektoniek houdt zich bezig met gesteenten tot het formaat van handstukken en maakt veelal gebruik van een microscoop.

Zeer grote gebieden worden behandeld door de geotektoniek. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Fig.5 Diverse tektonische deformatieplooien.

De strukturele geomorfologie legt er de nadruk op, dat reliëfs, landschappen, insnijdingen, enz. weliswaar worden gevormd door specifieke processen, maar dat het resultaat sterk afhangt van de omstandigheden ter plaatse, zoals:
– de weerstand van het gesteente tegen erosie, breuk, e.d.
– afwisseling van hardere en zachtere lagen.
– de doorlatendheid van het gesteente.
– de dichtheid van het diaklazennet.
– de verplaatsbaarheid van het gesteente.
– plaatselijke klimaatverschillen.
Vooral het voorkomen van verschillen binnen een beperkt gebied zullen bij dezelfde processen tot verschillende gevolgen leiden.
Voorbeelden:
– cuesta’s ontstaan alleen maar bij de gratie van het voorkomen van afwisselend hardere en zachtere lagen.
– watervallen ontstaan door het voorkomen van een of meer zeer resistente lagen.

Tektonische deformatie wordt onderscheiden in:
1. plooien
2. breuken

Zie ook hoofdstuk 6 voor geotektoniek.


Fig.6. Inwelving en opwelving van plooienstelsels

6.1. Plooien.

Plooien = plooiingen = flexuren zijn vervormingen, waarbij lagen zijn verbogen, zonder dat desamenhang is verbroken.
Een plooi heeft flanken = vleugels en ombuigingen.
Het naar boven gesloten deel van de plooiing heet de anticlinaal = anticlinale = anticline = antiform.
Het naar beneden gesloten deel heet synclinaal = synform. De hoogste en de laagste plaats van een ombuiging heten respectievelijk kruin en trog.
Een stelsel, dat bestaat uit meerdere plooien, die een opwelving vormen heet een anticlinorium. Een dergelijk stelsel met neerwaartse plooien heet een synclinorium. Voorbeelden: het synclinorium van Dinant en dat van Namen.

Men kan de vormen van plooiingen op velerlei manieren indelen, b.v. naar openheid of dichtheid van de buiging, enz.

Als gevolg van plooiing treden er in de gesteentelagen spanningen op, die splijtlagen veroorzaken, die ongeveer evenwijdig aan elkaar verlopen, maar in de regel een hoek maken met de oorspronkelijke gelaagdheid. Dit duidt men aan met de namen cleavage = druksplijting drukgelaagdheid. Er kunnen ook meerdere, elkaar snijdende vormen van drukgelaagdheid optreden.
NB. Het is zeer belangrijk, zich van dit verschijnsel bewust te zijn. In wat oudere gesteenten komt vrijwel altijd een gelaagdheid voor, die al gauw zou kunnen worden aangezien voor een sedimentatiegelaagdheid. In heel veel gevallen is dat echter een drukgelaagdheid.
In micahoudende, lichtmetamorfe gesteenten, zoals lei, spelen micakristallen een rol bij het ontstaan van splijtvlakken. Onthoudt in dit verband de naam leisplijting = slaty cleavage. Verder bestaat er nog de fracture cleavage.

Als bij plooiing de gesteentelagen intact blijven spreekt men van buigplooien. Als het gesteente in de lagen gespleten is spreekt men van cleavageplooien.

Het gedrag van gesteenten onder spanning wordt sterk bepaald door hun eigenschappen. Men noemt een gesteente, dat weinig buigzaam en niet bros is een competent gesteente. Een incompetent gesteente is buigzaam en gemakkelijk deformeerbaar. Deze eigenschappen spelen een rol bij het al of niet optreden van cleavage bij plooiing.
Bij zeer beweeglijk gesteente, b.v. diep in de aardkorst, kunnen er vloeiplooien ontstaan.
Het spreekt vanzelf, dat er alle mogelijke mengvormen van de genoemde plooiingen kunnen voorkomen.

Een plooiing kan zich voordoen diep onder het aardoppervlak, in het gehele gesteentepakket of alleen of hoofdzakelijk in de lagen dicht bij de oppervlakte. Een plooiing in de oppervlakkige lagen, die het reliëf en het landschap beïnvloedt, kan een epidermisplooiing zijn. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de Jura. Hier heeft zich een typisch ruggenreliëf gevormd door epidermisplooiingen. Zo’n reliëf noemt men daarom wel een jurassisch reliëf.

6.2. Breuken.

Breuken zijn deformaties, waarbij de cohesie = samenhang van het gesteente aan beide zijden van het breukvlakten opzichte van elkaar is verbroken.
Als de gesteentepakketten aan beide zijden van de breuk nièt ten opzichte van elkaar zijn verschoven, dan is er sprake van een diaklaas. Zijn ze wèl verschoven dan spreekt men van een verschuiving. In de praktijk wordt ten onrechte heel vaak voor een verschuiving de naam breuk gebruikt. In dat geval zou men dan breuken en diaklazenmoeten onderscheiden.
De gesteentemassa’s, die ten opzichte van elkaar zijn verschoven, heten schollen = blokken.
Door schuifspanning ontstaan er afschuivingen, als het breukvlak helt = afloopt naar de gedaalde schol. Er ontstaat een opschuiving, als het breukvlak helt naar de gerezen schol. Bij een horizontaalverschuiving zijn de schollen alleen verplaatst in een horizontaal vlak.
Een overschuiving is een opschuiving onder een zeer kleine hoek, zodat de bladen a.h.w. op elkaar liggen.
N.B. Als we spreken over schollen, die zijn gedaald of gerezen, dan bedoelen we dat relatief, d.w.z. ten opzichte van elkaar. Een schollensysteem kan wel in zijn geheel zijn gedaald met een groter deel van de aardkorst, maar als A t.o.v. B. méér is gedaald, dan zeggen we dat A. is gedaald en B. is gerezen. Dit dus binnen het kader van de verschuiving.

Fig.7. Twee voorbeelden van tektonische verschuivingen.

Afschuiving: het breukvlak helt in de richting van de gedaalde schol, met andere woorden het breukvlak helt = daalt naar rechts. De gedaalde schol ligt rechts. Het is dus een afschuiving.
Opschuiving: het breukvlak helt in de richting van de gerezen schol, met andere woorden het breukvlak helt = daalt naar rechts. De gerezen schol ligt rechts. Het is dus een opschuiving.

Krimpscheuren zijn diaklazen, die zijn ontstaan ten gevolge van volumevermindering van het gesteente zelf. Zo’n volumevermindering kan b.v. optreden bij het uitdrogen van klei of bij het afkoelen van lava.
Gedroogde kleioppervlakken vertonen vaak een veelhoekig patroon. Dikke basaltlava’s vormen vaak een zeshoekig patroon, met diep doorlopende zeshoekige prisma’s = basaltzuilen.
Ook in losse sedimenten kunnen door afkoeling spleten voorkomen, b.v. in periglaciale gebieden, waarvorstscheuren worden gevormd door sterke afkoeling van bevroren sedimenten.
In massieve stollingsgesteenten kunnen diaklazen ontstaan evenwijdig aan het terreinoppervlak. Deze worden verklaard door dilatatie ontspanning van gesteente, dat eerder onder grote druk stond. Hierdoor kunnen hele gesteenteplaten los komen te liggen. Vandaar de naam exfoliatie sheeting.(Eng).
De oorzaak van exfoliatie kan echter ook een andere zijn, b.v. wateropnamen.

We moeten nog opmerken, dat zowel diaklazen als breuken grote geologische betekenis hebben. In diaklazen en langs breuken kan zich water verplaatsen, waarbij er zich chemische processen kunnen afspelen. Zo bieden diaklazen en breuken verwering vaak gelegenheid het gesteente aan te tasten.
Omdat vooral diaklaaspatronen sterk verschillen van gesteente tot gesteente, kan er door verschillen in verwering een landschap ontstaan met grote reliëfverschillen.

Een breuk bestaat meestal niet uit een enkel vlak, maar uit een breukzone, die vaak vele meters dik is. Door vergruizing van gesteente in de breukzone kan er een wrijvingsbreccie worden gevormd.
Op een breukvlak zijn vaak wrijfkrassenrillen of groeven te zien. Ook nemen we wel wrijfspiegels = gepolijste glansvlakken waar.

Plooiing vindt geleidelijk plaats, terwijl de beweging langs breuken meestal schoksgewijs plaatsvindt. Bij grote bewegingen langs breuken ontstaat er een aardbeving,met als bijverschijnsel eventueel aardverschuivingen envloedgolven.

Combinaties van breuken vormen:
– slenken. Dat zijn gebieden, die langs ongeveer evenwijdige afschuivingen zijn gedaald ten opzichte van de ernaast gelegen schollen.
– horsten. Dat zijn vergelijkbare gerezen gebieden.
– trapbreuken = breuktrappen. Dit is een systeem van evenwijdige breuken, waarbij er langs elke breuk een afschuiving heeft plaatsgevonden. Ze liggen vaak aan de rand van slenken.

Slenken bepalen het karakter van enkele grote gebieden op aarde. De grootste ligt in Oost-Afrika en is 6000 km lang en 40-50 km breed. De bekende Boven-Rijnslenk is ca. 300 km lang en 30 km breed.

Horizontale spanningsvelden in de aardkorst veroorzaken soms breuken, vaak gecombineerd met plooien, die een geringe helling hebben of zelfs horizontaal liggen. Men spreekt dan van overschuivingen of onderschuivingen.
Zijn deze meer dan ca. 5 km over elkaar geschoven, dan spreekt men van een dekblad. In de Alpen liggen er meerdere boven elkaar, sommige met een overschuiving van meer dan 50 km. Als een deel van een dekblad is weggeërodeerd ontstaat er een tektonisch venster.
Blijven er na erosie nog maar een paar geïsoleerde massa’s van het dekblad over, dan spreekt men van klippen.

Een voorbeeld van een grote horizontale verschuiving is de San Andreas Fault in Californië, waarbij we direct denken aan het verband met de grote aardbevingen rond San Francisco. Verdere voorbeelden zijn de verschuivingen op de oceaanbodems, waarlangs de oceaanruggen horizontaal zijn verplaatst.

Al leest men er niet veel over in geologieboeken, men spreekt ook wel van zeebevingen (aard)bevingen onder zeeën,

7. GEOTEKTONIEK.

Geotektoniek heeft betrekking op processen van wereldomvattende omvang. Het voorvoegsel geo duidt op een wereldwijde betekenis.

Geotektoniek = beweging van grote delen van de aardkorst, zoals gebergten, continenten en oceanen.
Geodynamica = de wetenschap die zich bezighoudt met bewegingen binnen in de aarde.Paleogeografie = de kennis van de verdeling van land en oceanen e.d. in geologische tijden.

We behandelen in dit verband:
1. orogenese.
2. epirogenese.
3. platentektoniek e.d.

7.1. Orogenese.

Op een geologische wereldkaart kunnen we relatief smalle, intensief geplooide zones over de hele aarde vervolgen. Deze heten orogenen. Een orogeen is een mobiele strook van de aarde, waarin vaak langgerekte sedimentatiebekkens voorkomen, de geosynclinalen.
De orogenese, de eigenlijke plooivorming, ging vaak gepaard met de vorming van dekbladen, met metamorfose in de ondergrond en met intrusie van granieten.

Tijdens en na de plooiing zijn veel orogenen opgeheven tot gebergten, soms gepaard gaande met vulkanisme.
Het gebruik van het woord orogenese voor zowel gebergtevorming als voor vorming van wereldwijde plooizones is wat verwarrend, vooral omdat orogenese toch letterlijk ‘gebergtevorming’ betekent. Oros = berg; genese =ontstaan, vorming.

In Europa kennen we sinds het Cambrium = de laatste 590 miljoen jaar achtereenvolgens.
– de Caledonische orogenese, culminerend in het Siluur.
– de Hercynische orogenese, culminerend in het Boven-Carboon.
– de Alpiene orogenese, beginnend in het Boven-Krijt en culminerend in het Tertiair.

De gordel van de Caledonische orogenese moeten we o.a. zoeken in Schotland en in Noorwegen, doorlopend in Noord- en Zuid-Amerika. Die van Hercynische orogenese loopt o.a. van Spanje over Midden-Europa naar Zuid-Rusland (Bretagne, Centraal Plateau, Ardennen, Harz).
De Alpiene orogenese vinden we o.a. nog terug in het gebied van de Middellandse Zee en de Donaulanden.

Molasse = puin van gebergtevorming, dat zich ophoopt in de voorlandbekkens = sedimentatiebekkens aan de rand van een gebergte, waarin puinwaaiers voorkomen.
Soms is molasse geconsolideerd, maar meestal ongeconsolideerd. Molasseafzettingen zijn meestal zeer complex van samenstelling. Er kunnen zelfs pakketten mariene afzettingen in voorkomen.

Flysch = gelaagde afzettingen in zee van klei en zand, in de vorm van turbidieten = afgezet door onderzeese troebelstromen, langs de alpiene orogenese. Het zijn dus puinafzettingen in zee, van de zich vormende hellingen van de tot ontwikkeling komende orogenese.
In het vóórterrein van de Alpen komen Flyschafzettingen voor als dikke pakketten van afwisselende zand- en kleilagen (vnl. kleiige lagen), die bij de orogenese van de Alpen geosynclinale troggen hebben gevuld.

7.2. Epirogenese.

Epirogenese = rijzen en dalen van grote delen van de aardkorst.
Het gesteente is hierbij niet of nauwelijks vervormd.
Tussen de orogenen = geplooide zones liggen grote delen aardkorst, waar de afzettingen weinig of niet geplooid zijn. Dit zijn de kratonen. Deze kunnen wel door rijzen of dalen verticaal zijn verplaatst. Deze verplaatsing valt onder het begrip epirogenese. Hierdoor kunnen grote sedimentatiebekkens of berggebieden worden gevormd.

De sedimentatiebekkens kunnen we onderscheiden naar drie verschillende hoofdvormen:
– epicontinentale bekkens op grote kratonische delen van de aardkorst, dus tussen de orogenen.
– geosynclinalen, als voorlopers van de orogenen, soms ook gelijktijdig.
– voorlandbekkens van gebergten, ook een vorm van synclinalen.

7.3. Krachten in de geotektoniek.

Verschillende theorieën over de oorzaken van de geotektonische bewegingen in de aardkorst hebben, al opgeld gedaan. We duiden ze kort even aan.

– de contractietheorie,die berust op inkrimping van de aarde.

– de theorie van continentverschuivingen van Wegener, volgens welke de continenten drijven op de aardmantel en erop kunnen bewegen.
Bij de bestudering der bewegingen speelde paleomagnetisme een rol

– plate tectonics = platentektoniek is gebaseerd op de gedachte, dat de oceanische ruggen, van waaruit de beweging ontstaat, de aarde verdelen in grote arealen = lithosfeerplaten, die langs elkaar kunnen bewegen en schuiven.

In de loop van de geologische geschiedenis hebben hele continenten zich uiterst langzaam, maar zeer ingrijpend verplaatst over de aarde. Men zoekt een verklaring hiervoor in de convectiestromenin de aardmantel.

Fig.8. Convectiestromen in de mantel volgens Vening Meinesz (naar Hess, 1962)

Er zijn geen plaatsen op aarde te bedenken, waar dit verschijnsel niet een belangrijke invloed heeft gehad.
We geven een voorbeeld.
Er bestaat een theorie, dat ver vóór het Carboon -de plaats waar wij nu wonen zich ergens bevond, waar nu Zuid Afrika ligt.

Opzijn tocht naar het Noorden passeerde de bewegende landmassa uiteraard de evenaar. Dit zou dan de weelderige plantengroei tijdens het Carboon kunnen verklaren.

– sea floor spreading is een modern begrip voor het verschijnsel, dat het materiaal van de bovenste mantel met zijn dunne oceanische korst voortdurend aangroeit door uittredende magma in de oceanische ruggen, waardoor de eerder gevormde korst wordt weggedrukt, samen met de continenten, die deel uitmaken van de plaat. Vanuit de ruggen verbreidt het zich naar beide zijden. Aangekomen bij de eilandenbogen en de kusten duikt het hieronder of botst het er tegenaan.

7.4. Vulkanisme.

Vulkanisme is het geheel van processen, die samenhangen met het verplaatsen van materiaal uit het binnenste der aarde tot aan of nabij de oppervlakte.
Vulkanologie is de tak van de geologie, die zich bezighoudt met vulkanisme.
Paleovulkanisme = vulkanisme in het geologische verleden.

Vulkanisme kan ontstaan als gevolg van orogenese = gebergtevorming, en/of obductie spanningen in de aardkorst, in samenhang met platentektoniek.

Op plaatsen, waar orogenen = geplooide zones voorkomen en wel speciaal in plooigordels en rekzones, kunnen zwakke plekken ontstaan in de aardkorst. Hier kan magmatisch materiaal door de aardkorst heenbreken en kunnen er vulkanen ontstaan.

Als gevolg van de bewegingen der platen bij platentektoniek kunnen er aan de rand van de platen scheuren in de aardkorst ontstaan, zodat daar zones kunnen voorkomen- met sterk verhoogde vulkanische activiteit.
Deze zones liggen vooral aan de randen van continenten en bij eilandenbogen.
Een hot spot is een gebied op de mantel met een verhoogde stroming van heet materiaal vanuit het diepere deel van de mantel, waardoor er vulkanisme kan ontstaan.

Een vulkaan kan zijn:
– actief = met van tijd tot tijd erupties = uitbarstingen.
– slapend = in ruststadium, maar met kans op nieuwe erupties.
– gedoofd = in ruststadium, zonder dat nieuwe activiteiten worden verwacht.

Vulkanen kunnen verschillende vormen aannemen. Meestal ontstaat er door ophoping van uitstromend materiaal een kegel = dom met in het midden een krater. Bij rustende vulkanen ligt hierin vaak een kratermeer.
Een vulkaan kan a.h.w. ontploffen, waarbij er een explosiekrater ontstaat. De kraterwand kan ontbreken of is soms gedeeltelijk weggevaagd. Soms verzakt na afkoeling de kern van de vulkaan langs steile wanden, waardoor er een calderaontstaat, die veel groter is dan de oorspronkelijke krater.
Maaren, zoals die voorkomen in de Eifel, zijn ontstaan door een explosie.

Bij uitbarstingen produceert de vulkaan: gassen.
smelt = gesmolten gesteente = magma = in of onder de aardkorst gesmolten silikaten met erin opgeloste gassen.
lava = uitvloeiend en uitgestroomd stollingsgesteente.
Als lava in de lucht wordt geslingerd kan het neerkomen als:
– vulkanische bommen, als het grotere afgeronde stukken vast gesteente zijn.

Vulkanische bom.

Puy de domes 
Hun grootte varieert van enkele cm tot bijna een meter. In andere puys ziet men bommen als koe-plak, hetgeen betekent, dat de lava nog zacht was, toen het neerkwam. Ook vindt men bommen in de vorm van bloemkool, vooral in de buurt van maren.
i493i492
Gestroomlijnde bom, boven , en niet gestroomlijnde bommen onder 

– sintels = slakken bij afmetingen van enkele cm’s.
– lapilli bij afmetingen als van een erwt.
– vulkanische as en vulkanisch stof.
– extrusiegesteente = lava + gefragmenteerd gesteentemateriaal.
– puimsteen = gestold vulkanisch schuim.
– obsidiaan = vulkanisch glas.
Fijnkorrelige afzettingen, b.v. van as, die samenkitten, vormen tuffen.

Trachiet en Latiet zijn uitvloeiingsgesteenten.
NB. In het spraakgebruik komt men het woord Drachenfelstrachiet tegen. Men bedoelt dan een groep vulkanische gesteenten, afkomstig van de Drachenfels. Ze zijn door consolidatie ontstaan uit afzettingen van tuf in de vorm van as en puimsteen. 100.-tot 200 m. dik ! trachys = ruw.
Deze zg. Drachenfelstrachiet wordt al gebruikt als bouwsteen sinds de Romeinen en komt voor in de Keulse Dom, de Dom van Utrecht, enz.

Plutonieten zijn dieptegesteenten. Zie Hoofdstuk Gesteenten.

Door nawerking ontstaan er soms:
– fumarolen = gasbronnen, die soms zwavel bevatten.


– geysers = intermitterend spuitende bronnen met stoom en/of heet water.

– thermale bronnen = warme bronnen, vaak met koolzuurgas-, zwavelwaterstof-houdend water.

Makaken in een warmwaterbron bij Nagano

Uitbarstingen van vulkanen kunnen soms een enorme omvang hebben.
Bekend is de uitbarsting van de Krakatau in 1883 tussen Java en Sumatra.

Bekend is een serie uitbarstingen in Siberië, die door onderzoek aan gesteenten werd gedateerd op ca.250 miljoen jaar geleden.
Ca.260.000 km² werd bedekt met lava, die plaatselijk 800 m dik was. Met deze hoeveelheid van 1.5 miljoen km³ zou de hele aarde bedekt kunnen worden met een laag van 3. m. dikte. De uitbarstingen strekten zich uit over een tijd van misschien 200.000 jaar. Ze zijn te plaatsen in Perm, Trias en Jura.
Er is geen verband aangetoond met het uitsterven van 75-90% van alle diersoorten aan het einde van het Perm.
Maar het feit, dat beide verschijnselen gelijk gedateerd worden geeft wel een basis voor de hypothese, dat het massale uitsterven zou kunnen zijn veroorzaakt door de enorme uitstoot van miljoenen tonnen stof, as en gas, die een klimaatsverandering konden veroorzaken volgens het scenario van een nucleaire winter.
Ook al staat het verband tussen het uitsterven en de uitbarstingen niet onomstotelijk vast, toch geven de getallen een indruk van de geweldige omvang die vulkaanuitbarstingen kunnen hebben.

7.5. Aardbevingen.    

Een aardbeving = aardschok = aardstoot ontstaat altijd in samenhang met andere geologische gebeurtenissen.
Ze kunnen regionaal van omvang zijn, maar soms ook wereldomvattend. Men spreekt in het laatste geval van eenwereldbeving = geregistreerd over de hele wereld.

Seismologie is de wetenschap. die zich bezighoudt met de studie van aardbevingen en van kunstmatige ontploffingen en het meten en registreren ervan. Ze maken daarbij gebruik van seismografen = registrerende aardbevingsmeetapparatuur en van veel andere instrumenten.

Het epicentrum van een aardbeving is het punt aan de oppervlakte, waar de aardbeving het sterkst wordt waargenomen. Het hypocentrum is de plek in de aarde, waar de aardbeving wordt veroorzaakt.
Een inventarisatie van geregistreerde epicentra toont aan, dat er concentraties zijn van aardbevingen in gebieden op de wereld met Alpiene orogenese en op de huidige Midatlantischeruggen.

Naar oorzaak delen we aardbevingen als volgt in:
– vulkanische aardbevingen worden geassocieerd met vulkanische activiteiten.
– tektonische aardbevingen worden geassocieerd met tektonische processen. Ze komen voor bij de randen van de platen van de platentektoniek, waar bewegingen aardbevingen kunnen veroorzaken, b.v. bij subductie = een plaat schuift onder een andere plaat.
De energie voor deze aardbevingen wordt geleverd door de bewegende schollen. Het hypocentrum ligt globaal niet dieper dan 70 km.
Een voorbeeld van aardbevingshaarden, gekoppeld aan bewegende schollen zien we in Californië bij de St.Andreasbreuk.

– diepe aardbevingen hangen ook samen met bewegende schollen. Het hypocentrum ligt op een diepte van meer dan 70 km en van maximaal ca 670 km. Ze vormen ca 25% van alle aardbevingen.
Ze komen veelal voor evenwijdig aan diepzeetroggen, eilandenbogen en kusten.
Op de grotere diepte van diepe aardbevingen is het gesteente plastisch = vervormbaar, wat strijdig is met opvattingen over het ontstaan van aardbevingen.
Een nieuwere theorie wijst erop, dat op ca 400 km diepte druk en temperatuur zo oplopen, dat het mantelmateriaalolivijn overgaat in het dichtere spinel. Hierdoor zou er instabiliteit in het gesteente ontstaan, dat daarbij bezwijkt.
Diepe aardbevingen zouden hiermee te verklaren zijn. Enkele nevenverschijnselen, zoals bepaalde naschokken zouden deze theorie bevestigen. Ook het niet voorkomen van aardbevingen dieper dan 670 km zou hiermee verklaard zijn.
Een Tsunami = een hoge vloedgolf als gevolg van een aardbeving
Vergelijkbare hoge vloedgolven kunnen zich voordoen bij vulkaanuitbarstingen. Vb. Krakatau, 1883.

8. EXOGENE PROCESSEN.

In 2.3. noemden we al de exogene processen, die hun oorsprong vinden in werking op de aardkorst van buitenaf, n.l. vanuit de atmosfeer, hydrosfeer en biosfeer.
Hierbij krijgen we te maken met klimaten, verwering, denudatie, sedimentatie, diagenese en de werking van wind, water, sneeuw en ijs.
Allemaal processen, die uiterst belangrijk zijn voor de geologische veranderingen op onze aarde en die we in ons eigen gebied kunnen waarnemen.

8.1. Klimaten.

Exogene processen zijn in hoge mate afhankelijk van het klimaat ter plaatse. Op het land zijn de belangrijkste elementen die het klimaat bepalen: de neerslag (gemiddelde hoeveelheid per jaar en vooral de verdeling over het jaar) en de temperatuur (gemiddelde temperatuur en de temperatuurschommelingen).

Zonale processen = processen, die zijn gebonden aan een bepaald klimaat.
Azonale processen = processen, die niet zijn gebonden aan een klimaatzone.
Intrazonale processen = processen, die niet afhankelijk zijn van het klimaat, maar b.v. gebonden aan bepaalde landschappen of gesteenten.
Voorbeeld: karstverschijnselen.

Geologen hebben wel belangstelling voor de huidige klimaten, maar natuurlijk vooral voor depaleoklimaten = vroegere klimaten en klimatologische omstandigheden.
De tegenwoordige klimaten op de aarde zijn ingedeeld in klimaatzones =-berg
klimaatgordels 
= gebieden met gelijke gemiddelde weertoestand gedurende een lange reeks van jaren.

Deze hoofdklimaatgordelsworden aangeduid met de hoofdletters A, B, C, D en E. Ze zijn globaal gerangschikt van de equator naar de polen. Een tweede, kleine letter geeft de neerslag en/of de temperatuur aan.
Zo onderscheiden we b.v.:
A = tropischklimaat.
Af = tropisch -vochtig.
Aw = tropisch met droge winter.
B = steppe- of woestijnklimaat.
C = subtropischklimaat.
E = polairklimaat.
Een aparte groep wordt gevormd door de bergklimaten.
De genoemde indeling van klimaten is globaal. Men spreekt dan ook over makroklimaten. Regionaal spreekt men over mesoklimaten. Topografisch bijzondere omstandigheden leiden tot >microklimaten. Voorbeelden hiervan zijn dicht bos, grasvlakten, e.d.

Aanwijzingen voor de aard van paleoklimaten kunnen we slechts vinden in de aardkorst. Organismen zijn over het algemeen klimaatgebonden, hetgeen we dan kunnen terugvinden in hun fossielen. Denk b.v. aan koraalriffen en moerasbossen.

Fig.9. Schema van klimaatgordels en overheersende windrichtingen. Rechts van de globehelft een overzicht van de verticale luchtbewegingen.

Geologische verschijnselen kunnen samenhangen met klimaten.
Vb: gletsjers, zoutafzettingen, bepaalde kleimineralen.
De stabiele zuurstofisotopen 160 en 180 in kalkschalen van levende organismen vormen een indicatie voor dezeewatertemperatuur. De verhouding van 160 en 180 in fossiele kalkschalen op zeebodems maakt het mogelijk, de temperatuurfactor van het klimaat ten tijde van het sterven van het organisme te reconstrueren tot op 1°C nauwkeurig.
Zo heeft men b.v. lange reeksen opeenvolgende ijstijden met tussenliggende warme tijden kunnen vaststellen.
De oorzaken van klimaatveranderingen kunnen vele zijn, zoals de verdeling van land en zee, continentverschuivingen, de stralingsintensiviteit van de zon, de stand van de aardas, enz. In de laatste 600 á 1000 miljoen jaar lijkt er geen sprake te zijn van fundamenteel verschillende klimaten, maar wel degelijk van een andere verdeling van klimaatzones over het aardoppervlak.
Verder terug dan ca. 1 miljard jaar kan men niet meer spreken van klimaten en klimaatzones, omdat de samenstelling van de atmosfeer en de aard van de invloed van ruimtestraling geleidelijk wezenlijk veranderen.

Verschillende klimaten hebben ingrijpend verschillende invloeden op de aardkorst. Alle gesteenten, zowel stollingsgesteenten als metamorfe gesteenten en sedimentgesteenten aan de aardoppervlakte worden aangetast en ontleed door de inwerking van de atmosfeer, het regenwater en organismen. Deze inwerking noemt menverwering. Soort en intensiviteit van de verwering is in hoge mate bepaald door de heersende klimaten.

8.2. Meteorieten.

Meteorieten zijn stukken van hemellichamen, die de dampkring van de aarde zijn binnengedrongen.
Slechts een klein deel bereikt ook de aarde.
Er zijn duizenden vondsten geregistreerd. Per jaar bereiken zo’n 500 meteorieten de aarde. Er zijn ijzermeteorieten en gesteentemeteorieten.
De impact inslag van een meteoriet veroorzaakt een meteorietenkrater, soms van enorme omvang. Ook ontstaat er vaak meteorietenstof. Een voorbeeld van een grote meteorietenkrater is te vinden in Arizona, waar een krater is met een diameter van 1300 m en een diepte van 180 m.

Zie voor de mineraleninhoud van meteorieten hoofdstuk 29.5.

Zijdelings merken we op, dat er daarnaast overal op aarde ook kosmisch stof kan terechtkomen.

Tektieten zijn kleine glasachtige voorwerpen, die in zeer grote aantallen worden gevonden in sommige streken op aarde.
Ze worden in verband gebracht met meteorieten. Men denkt, dat ze zijn ontstaan bij inslagen van meteorieten als gevolg van de zeer hoge druk en de zeer hoge temperaturen, met hogere waarden dan kunnen voorkomen bij vulkanisme, waarbij wel obsidiaan kan ontstaan, maar geen tektieten.
– inslag-aardbevingen = veroorzaakt door inslag van een meteoriet op aarde.

De inslag van enorme meteorieten kan op verschillende ogenblikken van de aardgeschiedenis grote veranderingen en zelfs catastrofes teweeg hebben gebracht.

Een bekend voorbeeld zou zich volgens een overigens wel aangevochten theorie hebben voorgedaan aan het einde van het Krijt. Op de overgang van Krijt  Tertiair zouden minstens drie zeer grote meteorieten het uitsterven van een groot deel van alle organismen hebben veroorzaakt, waardoor nieuwe groepen organismen een kans kregen zich te ontplooien.
De inslag van een meteoriet met een diameter van ca. 200 km (!), die ca. 65 miljoen jaar geleden plaats vond in Yucatan in een pakket kalklagen, zou zoveel CO2 hebben vrijgemaakt, dat de temperatuur op aarde met 10°C steeg, een soort uit de hand gelopen broeikaseffect. Tot de aanwijzingen van deze theorie zijn te rekenen: een wereldwijd aangetroffen kleilaagje met resten van meteorietisch materiaal als platina en iridium. Verder tektieten enmicrotektieten. Ook schoklamellen in kristallen zijn alleen door meteorieten te verklaren.
Tot de verschijnselen behoren ook tsunamis = enorme vloedgolven, zoals die ook voorkomen bij aardbevingen.

Tot de uitgestorven organismen behoren volgens sommigen wel 75% van alle diersoorten. Van de zich daarna ontwikkelende soorten zijn de zoogdieren het belangrijkst. Men stelt zelfs wel eens dramatisch: zonder die meteorieten zouden er geen mensen zijn geweest.

8.3. Blikseminslag.

Een fulguriet = bliksembuis = meestal in zand gevormd door blikseminslag. De doorsnede varieert van 2 tot 40 mm. Ze zijn onregelmatig van vorm.
Bij de vorming spelen hoge temperatuur en stoomvorming door het vocht uit het zand een rol.
Zie ook hoofdstuk 32.

9. VERWERING.

Gesteenten kunnen verweren door mechanische = fysische en door chemische processen. Bij fysische verwering valt het gesteente in kleinere delen uiteen, zonder dat de mineralogische samenstelling verandert.
Ook van groot belang is de chemische verwering, waarbij vele mineralen uit gesteenten worden omgezet in andere mineralen.
Sommige omzettingsproducten worden in oplossing afgevoerd, zodat er volumevermindering optreedt.
Veelal spelen ook organismen een rol bij verwering, in welk geval men spreekt van biologische verwering. Deze is in veel gevallen moeilijk te onderscheiden van chemische verwering.

Het verbrokkelde residu = puin = de resten, blijft als de helling niet te steil is liggen op het onverweerde gesteente en vormt een verweringslaag = regoliet = los oppervlaktemateriaal.

Verwering is om verschillende redenen een allerbelangrijkst geologisch proces op het aardoppervlak:
– het verbrokkelde materiaal kan worden afgevoerd, b.v. door water, hetgeen afbraak van het reliëf tot gevolg heeft.
– elders worden sedimentgesteenten opgebouwd.
– door afvoer van oplosbare bestanddelen wordt het gesteente relatief verrijkt met minder goed oplosbare bestanddelen. Soms zelfs zodanig, dat ze als delfstof exploitabel zijn. Voorbeelden: ijzererts, bauxiet = aluminiumerts.
– de verkleining van de korrelgrootte en de chemische verwering, die oplosbare voedingsstoffen opleveren, makenplantengroei mogelijk.

Door de enorme invloed van verwering, die plaatselijk het aardoppervlak ingrijpend aantast en op andere plaatsen sterk opbouwt, speelt deze een grote rol in de landschapsvorming.

9.1. Mechanische verwering.

De mechanische verwering = desintegratie afbraak in kleinere delen door mechanische processen speelt slechts in enkele klimaatomstandigheden een hoofdrol.
We onderscheiden hierbij:
1. vorstverwering.
2. a>insolatie.
3. biologische verwering.
4. drukontlasting.

Mechanische verwering speelt zich in beginsel af nabij het aardoppervlak. Toch is als grootste diepte waarbij een exogeen afbraakproces werkzaam was op 1000 meter gesteld, n.l. bij permafrost.

sub 1. Vorstverwering.
Vorstverwering is een periglaciaal of subglaciaal verschijnsel. Het komt ook voor op nunataks = gebergtetoppen die boven het ijs uitsteken. IJs heeft een groter soortelijk volume dan water. Door bevriezing van water, dat is doorgedrongen in diaklazen = scheurtjes of poriën van het gesteente, kunnen verdere scheuren ontstaan. Eerst haarscheurtjes en na dooien en opnieuw bevriezen grotere scheuren. Hierdoor ontstaan er hoekige stenen en brokken. Ook reeds getransporteerde stenen kunnen door vorst splijten. Zo kan het voorkomen van veel gespleten rolstenen in grind wijzen op het ondergaan van een koud klimaat.
N.B. Theoretisch kan de druk van bevriezend water oplopen tot 2100 kg/cm² bij -22°C. Meestal zal een rots al uiteenspringen bij 14 kg/cm². Dit uiteenspringen is een vorm vandesquamatie.

sub 2. Insolatie.
Waar begroeiing en regoliet ontbreken, zoals b.v. in sommige woestijnen, ontstaat er in gesteenten door afkoeling ‘s nachts en door zonneverhitting = insolatie overdag spanning dicht onder de oppervlakte. Hierdoor kan de buitenste schil loslaten. Dit verschijnsel heet exfoliatie = sferoïdale desintegratie. Het wordt in verband gebracht met slechte temperatuurgeleiding en met verschillende kleuren van de samenstellende deeltjes. Dit proces heeft men lang beschouwd als de hoofdoorzaak van verwering in woestijnen.
Proeven en waarnemingen bevestigen dit echter niet. Bovendien is dit proces ook op grote diepte onder het aardoppervlak waargenomen. Daarom denkt men nu veeleer aan het uitkristalliseren van zouten uit verdampend grondwater en dauw. Dit proces heeft vooral vat op poreuze gesteenten. Gladde oppervlakken bieden meer weerstand.
Woestijnlak
is een dun donker huidje van silicaat met veel ijzer = Fe en mangaan = Mn op gesteenten. Velen zien dit als een verwering door algen.

sub 3. Biologische verwering
ontstaat door de inwerking van levende organismen. Vb. boomwortels. Wortels van bomen kunnen doordringen in diaklazen, waarin diktegroei verdere splijting kan veroorzaken.

sub 4. Drukontlasting.
Door denudatie kunnen enorme pakketten gesteente, die op het onderliggende gesteente drukken worden opgeruimd. In de Alpen b.v. wel tot 20 km dik. In de blootkomende oppervlaktelagen kan door drukontlasting een blokvormende klieving ontstaan evenwijdig aan de oppervlakte. Dit treedt vooral op bij intrusiegesteenten, kwartsieten en zandsteen.

9.2. Chemische verwering.

Bij chemische verwering treden er reacties op tussen gesteentemineralen en van buiten werkende agentia. Hierbij moet als eerste water worden genoemd. Water is zelf chemisch actief, rnaar het is vooral oplosmiddel voor zuurstof, koolzuur, humuszuren, enz.

Ontleding afbraak tot eenvoudiger componenten.
De chemische processen die een rol spelen bij verwering duiden we slechts kort aan:
– oxydatie = binding door zuurstof, b.v. oxydatie van ferrozouten, die tweewaardig zijn, zoals pyriet en sideriet tot ferrizouten, die driewaardig zijn, zoals haematiet en limoniet.
– hydratatie, waarbij watermoleculen zich hechten aan moleculen van b.v. anhydriet CaSO4, dat wordt tot gips = CaSO4.2H2O.
– hydrolyse, waarbij de H+ en de OH- ionen inwerken op de gesteentemineralen. Hierbij speelt koolzuur vaak een rol als zuurcomponent.
Voorbeeld: kaliveldspaat of orthoklaas wordt door verwering omgezet in het kleimineraal kaoliniet.In vochtigtropische klimaten komt het microkristallijne mineraal Al(OH)gibbsiet veel voor als hoofdbestanddeel vanbauxiet.
– carbonisatie; inkoling .
– reductie = onttrekking van zuurstof aan moleculen van mineralen.
– koolzuuronttrekking is een vorm van chemische verwering, waarbij siliciumoxydehoudende planten, zoals grassen, SiO2 aan gesteente onttrekken. Dit gebeurt b.v. met basalt op IJsland.

10. BODEMKUNDE.

De bodemkunde houdt zich bezig met de ondiepe ondergrond tot een diepte van ca. 1.5 m en het aanrakingsvlak tussen atmosfeer en aarde. Ze bevindt zich hierbij in gezelschap van de kwartairgeologiebiologie, sedimentologie, geohydrologie en grondmechanica
Bodem en water brengen ons ook op het terrein van de agrohydrologie = waterhuishouding.

10.1 . Bodemvorming.

Een belangrijk proces, dat zich afspeelt dicht onder het aardoppervlak, is de pedogenese bodemvorming.
Het woord bodem heeft in dit verband een veel engere betekenis, dan in het dagelijkse spraakgebruik, waarin we b.v. over bodemschatten spreken, ook als die diep in de grond zitten. In de geologie en de bodemkunde isbodemvorming het proces, waarbij door werking van organismen en organische stoffen veranderingen optreden in verweringsmateriaal aan de oppervlakte.
Een solum = bodem is dan een differentiatieverschijnsel binnen de verweringslaag. Dit manifesteert zich door het ontstaan van duidelijk te onderscheiden lagen, de horizons =horizonten. Een opeenvolging van horizonten in een verticale doorsnede heet een bodemprofiel. Elk bodemtype,dat behoort bij een aantal ter plaatse geldende omstandigheden, heeft een kenmerkend profiel.
Bodemvorming heeft plaats in losse deeltjes, dus in verweringsmateriaal of losse sedimenten.
Het is lang niet altijd een voltooid proces, maar een dynamisch proces. Water beheerst als agens het proces van de bodemvorming.
Bij neerwaartse verplaatsing van water worden opgeloste en meegevoerde organische en anorganische stoffen verplaatst. Op verschillende diepten gaan deze met het bodemmateriaal en met elkaar chemische reacties aan. Dit klinkt misschien wat theoretisch, maar een voorbeeld zal veel duidelijk maken.
We kiezen als voorbeeld een podzolprofiel.
Podzol is overigens een Russisch woord. Dat komt, doordat Russen een eerste wereldwijde bodemclassificatieopstelden.

We gaan uit van een parent = moedermateriaal, bedekt met een humuslaag en al dan niet rustend op onverweerd vast gesteente.
Het bodemvormingsproces vormt hiertussen horizons, te onderscheiden als gekleurde lagen. Deze worden aangeduid met hoofdletters:
bovenste horizon =uitspoelingshorizon cluviale zone.
inspoelingshorizonaanrijkingshorizon illuviale zone.
moedermateriaal.

Inspoelend water bevat koolzuur en organische zuren uit de humuslaag. De zuurgraad = pH is dan laag; we spreken van zuur water.
In de A1 en A2-zone worden hierdoor ijzer en aluminium opgelost en meegevoerd. De kleur van de A2-horizont wordt hierdoor bleekgrijs, waardoor we wel over loodzand spreken.
In de B2-horizont is de pH weer gestegen en slaan humus, ijzer en eventuele kleideeltjes neer. De B2-horizont is hierdoor meestal donkerbruin, tot koffiebruin toe.
Naar beneden toe gaat de B2-horizont geleidelijk over in de C-horizont met moedermateriaal.

Fig.10. Podzolprofiel in een verweringsbodem van zandsteen.

Op dit voorbeeld zijn veel varianten mogelijk, afhankelijk van de volgende pedogenetische bodemvormende factoren:
– klimaat: neerslag, verdamping.
– biosfeer: humus, soort begroeiing, wormen, schimmels, bacteriën.
moedermateriaal: textuur = granulaire- = granulometrische samenstelling = korrelgrootteverdeling; structuur = aanzien, aard en soort van het gesteente (b.v. kalk, klei) en permeabiliteit = waterdoorlatendheid.
– reliëf: helling, afspoelend water, grondwaterspiegel.
– tijd: bodemvorming vraagt tijd en omgekeerd zegt de fase van bodemvorming iets over de factor tijd.
– antbropogene = door de mens veroorzaakte invloeden, zoals ploegen, bemesten, beplanten, kaalslag, grondverplaatsing, bevloeiing, wijziging van de grondwaterspiegel.

Wij herinneren eraan, dat ons voorbeeld maar één enkele podzolbodem behandelde. Er zijn echter niet alleen veel soorten podzols, maar daarnaast ook nog podzolachtige = podsolic bodems en meer andere typen gekleurde bodems.

Verder zal het duidelijk zijn, dat delen van bodems kunnen worden opgeruimd, vaak tot op de hardere B2-horizonten. Dan is er sprake van getrunkeerde bodems.

Op deze en op andere wijze kunnen er aan de oppervlakte duricrusts = harde korsten ontstaan. Voorbeelden van duricrusts zijn caliches = calcretes = kalkkorsten van kalk, ferricretes van hematiet Fe2O3, en silcretes van kiezel SiO2.

We noemen nog een paar begrippen, waarvan U de naam kunt tegenkomen in publicaties, maar waarop we nu maar heel kort ingaan.
zonale bodems = bodems, gebonden aan klimaatzones.
intrazonale bodems = bodems, gevormd onder factoren, die de klimaatfactoren overheersen.
rendzina’s = bodems op afwijkend gesteente, zoals b.v. kalk, die hun karakter bepalen.
gleybodems = bodems met kenmerken van stagnerend grondwater. Door het afwisselend stijgen en dalen van het grondwater met beurtelings reducerend en oxyderend milieu. Hierdoor ontstaat er een vlekkerige ijzerneerslag in een grijze omgeving.
latosols = laterietische bodems = bodems van tropische oorsprong. Ze zijn veelal dik en rood van kleur, met kaoliniet, hematiet en vaak gibbsiet.
tsjernosem = ‘zwarte aarde‘, gevormd in steppen met lang gras en veel humus.
chestnutbodems = bruine bodems van drogere steppen.

Welke betekenis hebben bodems nu voor ons ? Dat ze voor landbouwkundigen heel belangrijk zijn is duidelijk.
Ook archeologen hechten er veel waarde aan, vanwege de mogelijkheid van relatieve ouderdomsbepaling en het vaststellen van erosie en/of afzettingen.
Wij geologen moeten vooral bedenken, dat er in de ondergrond ontelbare lagen voorkomen, die ooit aan de oppervlakte hebben gelegen en daar onderworpen zijn geweest aan processen als erosie, verspoeling, verwering, opdikking en ook aan bodemvorming.
Behalve recente bodems zijn er dus ook oude bodems waar te nemen op verschillende niveaus onder de oppervlakte. Deze vallen onder namen als paleosolsfossiele bodems, reliktbodemspolygenetische bodems,begraven bodems.
Ze zeggen ons iets over de tijd, het paleomilieu en de omstandigheden van hun ontstaan, zoals over klimaat, grondsoort, tijdsduur, ouderdom, begroeiing, biosfeer, gesteentestructuur, reliëf, verplaatst materiaal van bodems.

11. HELLINGPROCESSEN.

Nauwelijks enig stukje aardoppervlak is werkelijk vlak en horizontaal. Omdat er dus overal kleine of grote, flauwe of steile hellingen zijn, zal het U niet verbazen, dat hellingprocessen een uiterst belangrijke rol spelen in de geologie.

Onder het begrip hellingprocessen vatten we een aantal mechanismen samen, waardoor (meestal verweerd) gesteente van een helling wordt afgevoerd.
Omdat dit gebeurt onder invloed van de zwaartekracht, spreken we van gravitatieve bewegingen.
Men kan de krachten van het proces ook ontleden volgens de regels van de mechanica. Daarom gebruikt men ook wel het begrip massabeweging.
Bij denudatie wordt het onverweerde vaste gesteente er min of meer door blootgelegd.

In vrijwel alle gevallen spelen water sneeuw of ijs een wezenlijke rol.
Water kan het verweringsmateriaal doordringen, waardoor het beweeglijker wordt of het kan door zijn spoelende werking materiaal meevoeren in de stroompjes die de helling af vloeien.

11.1. Belang van hellingprocessen.

Hellingprocessen zijn belangrijk door hun aandeel in:
– het leveren van verweringsmateriaal aan rivieren, waardoor later sedimentatie mogelijk wordt.
– het veranderen van hellingen, waardoor het reliëf wordt beïnvloed.
– het opbouwen, maar veel vaker het vernielen of zelfs afvoeren van grond, waaronder voor landbouwgrond. Hierbij kunnen akkers, wegen, huizen, dijken enz. ernstig en vaak zelfs onherstelbaar worden aangetast.

11.2. Verplaatsing van materiaal.

Omdat hellingprocessen dus kennelijk belangrijk zijn voor de samenleving gaan we eens na; hoe verweringsdeeltjes worden verplaatst.
a) vallen en rollen. Losgeraakte deeltjes kunnen alleen maar vallen bij rotswanden. Bij zeer steile hellingen kunnen ze rollen.
b) glijden of schuiven (Eng.: slide). Hierbij verplaatst verweringsmateriaal zich min of meer samenhangend over een schuifvlak. Dat vraagt een vrij steile helling en nogal wat water, dat is opgenomen in het materiaal.
c) creep = soil creep = kruipen. Het materiaal beweegt zich langzaam bergaf door herhaaldelijk nat worden en drogen of doorbevriezen en ontdooien.
d) vloeien = flow. Het materiaal verplaatst zich onder invloed van veel water, waarbij de inwendige samenhang van het materiaal verloren gaat.
e) afspoelen. Materiaaldeeltjes worden vervoerd in stromend water. Er is sprake van hellingprocessen, zolang het (regen)water zich nog niet heeft samengevoegd tot beekjes.

Hellingprocessen kunnen ook worden ingedeeld naar de snelheid van hun verloop, van geleidelijk tot catastrofaal, met alle mogelijke tussenvormen.sub a). Transport door vallen geschiedt nogal incidenteel, omdat het door verwering losgeraakt materiaal betreft. Sneeuw kan dit proces echter het karakter geven van een lawine.Verder kunnen er, gelukkig bij uitzondering, hele bergstortingen plaatsvinden langs een diaklaas of langs een anderhellend vlak.

sub b). Kruipen kan men vaak goed waarnemen in de wand van een groeve. Creepheeft daar vaak eenhaakombuiging = neerwaartse ombuiging van de lagen veroorzaakt

sub d). Vloeien ontstaat, als de poriën van een los gesteente zijn gevuld met water en als er daarna nog verdere toevoer van water plaatsheeft. Bij het afvloeien van het materiaal kan er ontmenging plaatshebben, waarbij de grovere deeltjes tot afzetting komen, terwijl het lichtere materiaal met het water wordt afgevoerd. Er kunnen ook ware modderstromen ontstaan, vooral als de korrelgrootte gering is, zoals bij klei, löss keileem en vulkanische afzettingen, maar ook wel bij grind en zand. Deze modderstromen kunnen zware steenblokken vervoeren


Fig.11. Bodemtransport bij hellingprocessen.

Een periglaciale vorm van vloeien is gelifluctie = congelifluctieAls de bodem tot op grote diepte is bevroren, hetgeen het geval is bij permafrost, kan de bovenlaag in de zomer ontdooien en zich als een papperige massa enkele cm’s – tot ca. l. m per jaar verplaatsen door vloeien.
Opmerking: solifluctie = lett. bodemvloeiing is een meer algemene benaming.
Gelifluctie geeft beter het verband met vorst aan (Lat. gelare = bevriezen) en verdient dus in het hierboven beschreven geval de voorkeur.

sub e). Afspoelen leidt al gauw tot de vorming van geultjes. De Amerikanen noemen hellingen met zulke geultjes ‘badlands‘. De geultjes van ‘badlands’ kunnen zich al gauw verenigen tot beekjes, waarmee we ons buiten het terrein van de door ons besproken hellingprocessen begeven.

Bij landbouwgrond is de term bodemerosie in gebruik.

Colluvium = sediment, bestaande uit korrelig materiaal en puin, dat aan hellingprocessen onderhevig is geweest, b.v. aan solifluctie.
Slump =het afglijden van een in stukken gebroken laag.

.11.3. Invloed op hellingprocessen.

We sommen in het kort op, welke factoren de hellingprocessen beïnvloeden:
– klimaat: regenval, sneeuw, vorst, verdamping.
vegetatie: dichte vegetatie bevordert verwering, maar remt het transport van de verweringsdeeltjes af.
 vorm en steilte van de helling.
gesteente: hardheid, gelijkmatigheid, samenhang = cohesie.
– permeabiliteit: doordringbaarheid van het verweringsmateriaal en van de ondergrond.
verweerbaarheid van het gesteente. Verschillen in verweerbaarheid veroorzaken reliëfverschillen.

Genoemde factoren kunnen elkaar onderling beïnvloeden.
Als voorbeeld noemen we graniet, dat in een koud klimaat nogal resistent is, zodat het vaak als een klomp of bult boven het omringende terrein uitsteekt. Maar in een tropisch klimaat verweert het zo snel, dat een granietvoorkomen soms een diepe depressie vormt in het terrein.

11.4. Vormen van hellingen.

Onder invloed van hellingprocessen kunnen hellingen verschillende vormen aannemen: recht, convex = beneden steiler, concaaf = bovenaan steiler, getrapt of combinaties van deze vormen

Tenslotte moeten we nog opmerken, dat er zich onder water ook hellingprocessen afspelen. Vb. turbidieten.

12. TRANSPORT EN AFZETTING VAN SEDIMENTAIRE DEELTJES.

http://www2.ulg.ac.be/geolsed/processus/processus.htm

Transport van deeltjes vindt plaats door water van zee en rivieren, door wind, sneeuw en ijs.

12.1. Sedimentaire deeltjes.

Sedimentologie = de studie van sedimentaire afzettingen en hun vorming. Een sediment = afzetting =sedimentaire afzetting = een hoeveelheid vast materiaal, verhard of niet verhard, gevormd op of nabij het aardoppervlak, getransporteerd en afgezet door een vloeibaar medium of door lucht.
De getransporteerde deeltjes zijn meestal klastische = detritische componenten, afkomstig uit een oorspronggesteente en dus aangevoerd van elders. Maar soms zijn ze ook in een plaatselijk milieu ontstaan dooruitkristalliseren.
Het kunnen ook bioklasten = breukdeeltjes zijn, ontstaan uit organismen, b.v. uit schalen van schelpdieren.

De sedimenten vertonen meestal kenmerken, waaruit het proces van het transport kan worden afgeleid. Ook het milieu van afzetting kan meestal worden gereconstrueerd.
We kunnen waarnemingen, doen over:
– fossiele flora en fauna.
– korrelgrootte – verdeling.
– korrelvorm.
– sedimentatiestructuren, zoals vormen van gelaagdheid, vervorming daarvan e.d.
– textuur = ruimtelijke relatie van de korrels t.o.v. elkaar, zoals de oriëntatie van platte korrels, die b.v. dakpansgewijs gerangschikt kunnen zijn. Dit verschijnsel heet imbrikatie.

Uit al deze waarnemingen kan men conclusies trekken over de aard van het transporterende medium, over stroomsnelheden, richting, geulen, kolken en in het algemeen over het afzettingsmilieu.
Om tot conclusies te komen moeten we inzicht hebben in de processen van stroming en bezinking.
Het bezinken van deeltjes wordt beïnvloed door grootte, vorm en aard van de deeltjes en door de dichtheid, de viscositeit en de stroming van het medium.

12.2. Soorten stromingen.

Stromingen van water en lucht verplaatsen deeltjes over de aarde. In rivieren ontstaan stromingen door dezwaartekracht, in lucht door drukverschillen.

In de zee onderscheiden we:
– gradiëntstromen , veroorzaakt door drukverschil = gradiënt verschil in zoutgehalte en temperatuur.
– driftstromen, veroorzaakt door constant windstelsels.
– getijstromen, onder invloed van eb en vloei en dus van de stand van de maan en de zon.

Bij water- en luchtstromen onderscheiden we:
– laminaire stromingen, bij geringe stroomsnelheid en over een glad oppervlak. De water en luchtdeeltjes bewegen zich evenwijdig aan de stroomrichting.
– turbulente = wervelende stromingen. Bij ruwere bodem en bij toenemende stroomsnelheid
schietende = torrentiële stromingen, bij zee hoge stroomsnelheden.

Turbulente stromingen komen verreweg het meest voor. Ze treden op boven de eerste kritische snelheid.
Bij een rivier van 2 m diepte ligt die tussen de 0.04 en 0.2 cm/sec, wat zeer gering is.
Bij wind is de eerste kritische snelheid onder de 100 cm/sec. Dit is zwakke wind = windkracht 1 volgens de schaal van Beaufort. Ter vergelijking dient, dat pas bij windkracht 4 stof en papier opdwarrelen.Schietende stromingen in rivieren treden op boven de tweede kritische stroomsnelheid. Deze komt normaal
bij rivieren niet voor. We rnoeten dan denken aan sommige bergbeekjes.

Bij een turbulente stroming is het debiet = de gemiddelde hoeveelheid water, die per tijdseenheid een dwarsdoorsnede door de rivier passeert. Het debiet in m³/sec gedeeld door de dwarsdoorsnede in m² = de gemiddelde stroomsnelheid.

De stroomsnelheid op een bepaalde plaats wordt beïnvloed door:
– de diepte.
– de bodemruwheid.
– de gradiënt =het verhang = de gemiddelde helling in de richting van de stroom = het hoogteverschil per lengteeenheid.

Al deze factoren zijn voor geologen van groot belang, omdat ze te maken hebben met het transport en de sedimentatie van materiaal.

12.3. Transport en sedimentatie in water.

Sediment kan in stromend water worden vervoerd:
– door rollen of schuiven over de bodem. Aldus vervoerd materiaal, dat wat grover is, heet beddingmateriaal = debodemlast = bed load.
– in suspensie = zwevend in water. Alleen zeer kleine deeltjes kunnen gelijkmatig in het water verdeeld en echt in suspensie zijn.
– in saltatie = springend. Dit is een tussenvorm, waarbij wat grover materiaal door turbulentie van de bodem wordt getild en vervolgens weer op de bodem terechtkomt, enz.

De stroomsnelheid, waarbij de eerste korrels bodemmateriaal van een bepaalde grootte beginnen te bewegen, heet de competente snelheid voor die korrelgrootte. Deze is b.v. voor fijn zand van ca. 0.01 mm ca. 18 cm/sec = 0.648 km/h. Voor korrels van ca. 2 mm is dat ca. 40 cm/sec = 1.44 km/h. Voor grind van ca. 1 cm is het ca. 100 cm/sec = 3.6 km/h, dus wandelsnelheid.
De eerste beweging is vrijwel altijd rollend.

Bij iets grotere stroomsnelheid kunnen stroomribbels ontstaan op de bodem. Deze zijn asymetrisch. Instroomopwaartse richting = aan de loefzijde is de ribbelhelling flauwer. Stroomafwaarts = lijzijde = in de luwte is de helling steiler.
Bij weinig toevoer van nieuw materiaal kunnen de stroomribbels migreren = zich verplaatsen. Stroomribbels kunnen ononderbroken evenwijdig recht of slingerend zijn, of onderbroken halvemaanvormig of trogvormig=lingoïde.

Bij toenemende stroomsnelheid ontstaan er in stroomgoten veel grotere stroomribbels, in de V.S. dunes genoemd. Hun hoogte kan van enkele cm’s tot enkele meters zijn.
Bij zeer grote stroomsnelheden verdwijnen de stroomribbels geheel en kan de bodem nagenoeg glad worden.
De opbouw van de stroomribbels vertoont inwendig een laminatie = opbouw in laagjes. Scheve gelaagdheid komt in verschillende varianten voor, afhankelijk van de stroomsnelheid en het meegevoerde materiaal. Een veel gebruikte naam voor één van die varianten is kriskrasgelaagdheid. Een kenmerk van scheve gelaagdheid is, dat de laminatie een hoek van max. zo’n 30° à 35° maakt met het horizontale vlak.

Aan fossiele stroomribbels kan men dus in geologische formaties de stroomrichting en de helling van fossiele rivieren ten naaste bij bepalen.
Soms kan men ook iets zeggen over stroomsnelheid.

12.4. Transport en sedimentatie door wind.

De valsnelheid van deeltjes in lucht is 35 tot 100 maal zo groot als de bezinkingssnelheid in water.
De windsnelheid, nodig om een korrel in beweging te brengen is ook groter, n.l. 5 m/sec = 18 km/h = matige wind = ca. normale fietssnelheid.
Zandkorrels komen normaal niet hoger dan ca. 1 m en maximaal tot 2 m hoog.
Korrels groter dan 5 mm worden niet meer opgeheven en kunnen slechts rollend worden voortbewogen.
Zand dat wordt gesedimenteerd door wind = eolisch zand = b.v. het dekzand in Nederland.

Door de grote valsnelheid en door het botsen worden korrels afgerond. In water gebeurt dit op een andere manier alleen in de branding door heen en weer rollen. Aan de afronding kan men vaststellen of zandkorrels door de wind of door water zijn getransporteerd.
Eveneens door de grote valsnelheid kunnen zandkorrels bij het neerkomen andere korrels doen opspringen. Een echt voorbeeld van saltatie.

Ook door wind kunnen er ribbels ontstaan. Bij de kleinere ribbels ontstaat er door de uniforme korrelgrootte geen scheve gelaagdheid. Bij de later te bespreken duinvorming wèl.

Deflatie = wegblazen van materiaal door wind.
Flare = waaien.

12.5. Transport en sedimentatie door golven.

Golven ontstaan gewoonlijk door wind. Ze kunnen ver doorlopen vanaf de plaats van hun ontstaan; bij stormen tot 5000 km ver!
Transport van materiaal door golven heeft alleen plaats in zeer ondiep water. Bij een kust kan er door golven een landwaartse bovenstroom en een zeewaartse onderstroom ontstaan of een stroom evenwijdig aan de kust. Elk van deze stroomsoorten kan materiaal vervoeren.

12.6. Sedimentaire deformatiestructuren.

Dit zijn deformatie= vervormingen, die voorkomen in afzettingen.
We noemen er in het kort enkele.
Levende organismen veroorzaken bioturbaties = verstoringen door organismen, zoals graafgangen = burrows.(Eng)
Als zand wordt afgezet op een natte kleilaag, op veen of op kleiig veen, dan kunnen er na indroging instulpingen van zand in deze laag ontstaan, die na diagenetische verharding terug zijn te vinden als uitpuilingen van de zandsteenlaag in de schalie. Deze uitstulpingen heten ook wel load casts.
Hierbij kan verdringing ook een rol spelen, zodat men van verdringingsstructuren kan spreken. Het compactere, zwaardere zand kan hei onderliggende klei- of veenpakket plaatselijk naar alle kanten wegdrukken. Er ontstaan dar zak- of buidelvormige structuren.
Verder zijn er natuurlijk allerlei soorten afglijdingen en klastische vervormingen mogelijk.

13. RIVIEREN.

Rivieren zijn behalve de afvoerwegen voor water van neerslag, smeltwater en grondwater ook de vervoerders vanafbraakproducten. Zodoende vormen ze een schakel tussen de vorming van verweringsproducten en die van sedimenten, hetzij in de zee, hetzij in meren of langs de rivier zelf.

Fijne klei- en siltdeeltjes worden in suspensie vervoerd en bereiken dus doorgaans wel de zee. Zand en grind bereiken in mindere mate de zee en dan nog veelal in een proces, dat vele malen wordt onderbroken doorsedimentatie en hernieuwde erosie.

13.1 . Indeling van rivieren.

Men kan rivieren indelen op grond van verschillende criteria.
a) naar hun vorm.
b) naar de herkomst van het water.
c) naar de wisselingen in de afvoer.

sub a. Indeling naar de vorm van de loop.
1. Dalvormende rivieren.
Als de erosie overheerst vormt de rivier een kloof of een dal. De gradiënt is dan groot en het bodemmateriaal wordt afgevoerd tot er een evenwicht is bereikt.
Op de verschillende dalvormen komen we nog terug.
2. Meanderende rivieren.
Deze hebben een slingerend verloop. Men neemt aan, dat deze vorm in los materiaal ontstaat bij een vrij constant blijvende gradiënt en een regelmatig debiet.
De naam meander komt van de Anatolische (Turkse) rivier de Meneres, die in de Griekse tijd Meander heette.
3. Verwilderde– of vlechtende rivieren.
Deze rivieren hebben niet één enkele bedding, maar ze bestaan uit een stelsel van meerdere ondiepe waterlopen, die anastomoseren = zich herhaaldelijk splitsen en weer samenvoegen. Factoren, die het ontstaan beïnvloeden zijn: sterk wisselend debiet, vrij hoge gradiënt en misschien vooral het verhogen van de puinlast.
4. Rechte rivieren. Deze komen feitelijk niet voor. Het is zelfs moeilijk om rechte kanalen waardoor water stroomt recht te houden.

sub b. Indeling naar de herkomst van het water.
Volgens deze maatstaf onderscheidt men:
1. Sneeuw- en gletsjerrivieren.
2. Regenrivieren.
3. Bronrivieren.
4. Samengestelde rivieren.

De eerste drie soorten zijn bijna altijd kort en liggen bij hun oorsprong. Lange rivieren zijn altijd samengesteld.

sub c. Indeling naar de wisseling van de afvoer.
Men onderscheidt:

1. Intermitterende = periodieke = episodische rivieren. Zij voeren slechts voor een deel van het jaar water. Tot deze groep behoren sommige verwilderde rivieren.
2.Efemere rivieren. Deze bevatten slechts zelden water. B.v. een wadi.
3. Permanente rivieren. Deze bevatten het hele jaar water.
4. Onderbroken rivieren. Deze verliezen plaatselijk al hun water in de ondergrond en komen verderop weer te voorschijn. Dit komt overwegend voor in kalksteengebieden, zoals in de Jura, maar ook in sommige zandige, droge streken.

13.2. De waterhuishouding.

Onder de waterhuishouding = het regime van een rivier verstaat men het debiet  de afvoer, zoals die verloopt in een heel jaar en de factoren, die hierop van invloed zijn.
Het gebied, waaruit de neerslag naar een rivier stroomt, heet het verzamelgebied = het stroomgebied. Het wordt begrensd door de waterscheiding.
Factoren, die de waterafvoer van een helling naar een rivier beïnvloeden zijn:
– het klimaat. Hierbij is niet alleen de neerslag van belang, maar ook de verdamping.
– de vegetatie. Weinig vegetatie bevordert niet alleen de snelle afvloeiing van water, maar ook de erosie. Zo moet in het oudste Paleozoïcum en in het Precambrium, toen de begroeiing niet noemenswaardig was, de erosie veel sterker zijn geweest dan later.

We gaan nu niet dieper in op het verband tussen breedte en diepte van een rivier en op het verband tussen afvoer en dwarsdoorsnede.
Ook laten we de stroomsnelheidsverdeling in rechte en gebogen beddingen rusten, behalve één begrip dat we willen noemen, n.l. de helicoïdale stroming. Hierbij bewegen waterdeeltjes in een rivier zich niet alleen in de stroomrichting, maar ze beschrijven tevens een schroefvormigespiraalvormige baan. De neergaande helicoïdale beweging = kurkentrekkerbeweging langs de concave oevers = de buitenbochten heeft erosie van de bedding tot gevolg. Langs de convexe oevers = de binnenbochten veroorzaakt de lagere stroomsnelheid sedimentatie. Dit maakt een rivierbedding asymmetrisch.
Verder is er vastgesteld, dat meanders zich langzaam stroomafwaarts kunnen verplaatsen.

13.3. Vervoer van sedimentair materiaal in rivieren.

Eerder bespraken we al, dat water materiaal kan vervoeren, hetzij als suspensiemateriaal = suspensielast, hetzij als bodemmateriaal = bodemlast.Dit laatste betreft slechts een klein deel van het totaal vervoerde materiaal. Een en ander wordt natuurlijk sterk beïnvloed door veranderingen in het debiet.
Vaak leest men in de literatuur, dat in rivierafzettingen de afname van de korrelgrootte in stroomafwaartse richting het gevolg zou zijn van vergruizing, afslijping en oplossing. Dat is maar ten dele waar. Vergruizing en afslijping spelen maar een geringe rol. Oplossing kan bij mineralen en zelfs bij kalksteen worden verwaarloosd. Alleen in de eerste paar kilometers van bergbeken vindt vergruizing plaats. Daarna vermindert dit proces snel.
Rivierzanden voelen dan ook aan als scherp zand, in tegenstelling tot afgeronde strand- en duinzanden. Afgeronde korrels in rivierzanden zijn dan ook altijd afkomstig van langs de rivier liggende oude gesteenten.

Afname van korrelgrootte stroomafwaarts in een rivier moet worden toegeschreven aan progressieve sortering als gevolg van afname van de stroomsnelheid.

Een belangrijke waarneming kan nog worden gedaan aan afgezette platte steentjes. Die worden bij transport schoksgewijs vervoerd en hierbij klappen ze om. Ze liggen daardoor dakpansgewijs tegen de stroomrichting in. Dit verschijnsel heet imbrikatie. Hieruit kan men vaak in fossiele afzettingen de stroomrichting van een rivier aflezen.

Aan de monding van een rivier kan zich een delta vormen, zoals b.v. de Rijn in ons land. In andere gevallen vormt zich een estuarium = een trechtervormige monding, binnen het bereik van eb en vloed. Beide vormen komen ook samen voor.
Uit fossiele sedimentstructuren kan veel worden afgeleid over meanders, verwilderde rivieren, komgronden, sedimentwaaiers, enz, al vraagt dit enige ervaring.

Fig.12a. Erosie en sedimentatie door een meanderende rivier.


Fig.12b. Schema van een riviermeander.

14. HET FLUVIATIEL-DENUDATIEVE RELIËF

Sprekend over het reliëf raken we de kern van de geomorfologie, die reliëfvormen als hoofdonderwerp heeft.

Terzijde merken we op, dat geomorfologie als wetenschap dateert uit de tweede helft van de vorige eeuw.
Stimulansen gingen uit van de ontdekkingsreizen van Alexander von Humboldt en van Ferdinand von Richthofen. Verder van de geologische exploratie in Amerika van de Far West en van de evolutiegedachte over dalvorming van Davis.
Waar gebergten en heuvels voorkomen, wordt de oppervlakte van de aardkorst aangetast door verwering. Het losgemaakte materiaal wordt afgevoerd door exogene processen. Het oppervlak, dat na deze degradatie =afbraak overblijft, of dat door aggradatie = opbouw is ontstaan, is het reliëf.
Continenten zouden door de afbraak tot laaglanden vervlakken, als b.v. epirogenese niet zou zorgen voor opheffing van de aardkorst.
Hierdoor ontstaan de hoofdvormen van het reliëf, zoals gebergten, terwijl fijnere structuren, zoals dalen en bergtoppen, veelal ontstaan door exogene afbraak.

Afbraak door verwering en door hellingprocessen vindt overal plaats. Eroderende werking van rivieren uiteraard alleen in de bedding.
Geologisch gezien is het belangrijk, dat rivieren zich insnijden en afbraakmateriaal vervoeren. Daarom is de titel van dit hoofdstuk dan ook het ‘fluviatieldenudatieve reliëf‘.

Reliëfvormen worden gewijzigd door afbraak ten gevolge van:
– verwering, gevolgd door hellingprocessen en fluviatiele erosie.
– wind.
– gletsjers.
– de branding aan de kust.
– de oplossende werking van grondwater.

De afbraaksnelheid heeft men wel trachten te berekenen door de hoeveelheid afgevoerde stoffen in de rivieren te meten. Men komt dan tot zeer lage gemiddelde afbraaksnelheden. Ergens tussen de 1 en 50 cm per 1000 jaar.

14.1. Dalvorming.

Verschillende riviertypen oefenen een verschillende eroderende werking uit.
– dalvormende rivieren hebben meestal een steile gradiënt en verrichten in een smalle bedding diepteerosie. Ze versnijden een gebergte door dalen.
– meanderende rivieren veroorzaken nauwelijks nog diepteerosie. In de buitenbochten treedt breedteerosie op, waardoor de dalbodem wordt verbreed.
– vlechtende rivieren kunnen de weinige keren, dat ze veel water voeren over een grote breedte de bodem eroderen. Bij afnemende waterhoeveelheid bedekken ze deze dan weer met een breed puinbed.

Waar een rivier uit een gebergte komt kan bij intensieve regenval een groot oppervlak worden bedekt met water. Dit stromende watervlak heet sheet flood. Deze kan een groot oppervlak eroderen tot een pediment. Ook kan een groot oppervlak worden bedekt met een puinlaag; dan vormt zich een puinwaaier.

14.2. Dalprofielen.

Het dwarsprofiel van een dal bestaat uit een dalwand, waarop denudatie plaatsvindt, een dalbodem met de van de rivier en de bedding, waarin de rivier werkzaam is.

Uit het lengteprofiel van een rivier kan men aflezen, tot hoe diep deze zich op een bepaalde plaats van zijn loop in de bodem heeft ingesneden. Vanzelfsprekend kunnen de hellingen van een rivierdal niet dieper reiken dan tot deze punten. Ze vormen de denudatiebasis voor de hellingen.
Een rivier kan nergens dieper eroderen dan het punt van samenvloeiing met een hoofdrivier of van uitmonding in de zee. Dat is voor dat moment de erosiebasis.
Pas als de hoofdrivier zich dieper insnijdt, respectievelijk als de zeespiegel daalt, kan de rivier zich dieper insnijden, doordat de erosiebasis is verlaagd.
Wordt de erosiebasis daarentegen verhoogd, b.v. door stijging van de zeespiegel, dan zal de rivier materiaal gaan afzetten.

Het lengteprofiel van de rivier is concaaf = steiler in de bovenloop. Dit hangt samen met de toename van het debiet, de afname van de bodemruwheid en de hardheid van het gesteente.

Bij zijn oorsprong veroorzaakt een rivier veelal terugschrijdende = achterwaartse erosie.
Een kaar = een kort glaciaal dal, een soort nis, met steile wanden en vaak een bekken en een drempel. In het Frans: een cirque. Qua vorm heeft een kaar iets weg van een cuesta. Zie hoofdstuk 16.1.

14.3. De cyclus van de dalevolutie.

De Amerikaan W.M.Davis (1850-1934) lanceerde een theorie over de evolutie van dalen. Hij hanteerde de begrippen jongerijpe en oude dalen. Dit niet in de betekenis van leeftijd, maar als stadium.
Elk dal ontwikkelde zich volgens hem, in sneller of langzamer tempo naar gelang van de resistentie van het gesteente, in een aantal fasen:
1. Een kloofdal, als gevolg van de sterk eroderende werking van de rivier, die zich snel achterwaarts insnijdt.
2. Een Vdal, als de stroomsnelheid afneemt en de wanden worden aangetast tot hellingen.
3. Het dal verbreedt zich, doordat de rivier gaat meanderen en de laterale erosie = in de breedte, toeneemt. Dit is het stadium van de rijpheid.
4. Het dal verwijdt zich verder. De bedding vult niet meer de dalbodem. Het massatransport krijgt steeds meer invloed.
5. Uiteindelijk ontstaat er een nagenoeg vlak landschap met hellingen van slechts enkele graden.
Er is een peneplain = schiervlakte ontstaan.

Het niveau wordt dus tenslotte teruggebracht tot de erosiebasis.
In de peneplain verheffen zich enkele resistente gesteentemassa’s, de monadnocks.Waar de schiervlakte nog niet is doorgedrongen verheffen zich nog residuaire bergen = restbergen restgebergte.
Als de peneplain weer wordt opgeheven sluit zich de ‘cyclus’ van Davis.

Op deze cyclustheorie van Davis kan de volgende kritiek worden geleverd:
– de hellingprocessen en de erosiesystemen komen onvoldoende tot hun recht.
– er is onvoldoende rekening gehouden met omstandigheden in aride en semiaride gebieden.
– ‘snelle’ opheffing van gebieden komt slechts bij uitzondering voor. Dalvormende processen verlopen geleidelijk in samenhang met epirogenetische processen.
Conclusie: het systeem is te simplistisch.

Toch heeft deze theorie grote betekenis gehad, door de erover gevoerde discussies en doordat veel benamingen in gebruik zijn gebleven.
Tenslotte nog een opmerking. Niet alle dalen zijn ontstaan, zoals in dit hoofdstuk beschreven. Sommige zijn ontstaan door sedimentaire, andere door tektonische oorzaken.
Voorbeelden van dit laatste zijn: het dal van de Rijn tussen Bazel en Bingen en de slenken in Afrika en West-Azië.

14.4. Dalstelsels.

Als een dalstelsel in een homogene ondergrond ongestoord en volledig tot ontwikkeling kan komen, dan vormt er zich een dendrietisch boomvormig dalstelsel. NB. Dendron = boom. Zo’n stelsel omvat veel kleine einddalletjesbrondalletjes, die zelf geen zijdalletjes meer hebben. Ze worden dalletjes van de eerste orde genoemd. Deze stromen uit in dalen van de tweede orde, die in dalen van de derde orde, enz. Het hoofddal is het dal van de hoogste orde. De verhouding van het aantal dalen van opeenvolgende orde noemt men de bifurcation ratio = devertakkingfactor van het dalstelsel of deel daarvan.
Er bestaan allerlei wetmatigheden; waaraan de omstandigheden binnen een dalstelsel voldoen. Ze zijn vastgelegd in de Wetten van Horton.
We behandelen dat niet verder, maar we noemen wel de namen van enkele begrippen die daarbij een rol spelen: de gemiddelde dallengte, de verhouding tussen stroomgebied en dallengte, de bifurcation ratio en de verhouding tussen rangordegetal en gemiddeld verhang.
Deze gegevens karakteriseren een rivier. Er blijkt iets uit over de geologische, geografische en geomorfologische omstandigheden van het gebied.

De daldichtheid = de wijdmazigheid van het dalstelsel is afhankelijk van de intensiviteit van de neerslag, devegetatie, de permeabiliteit van de ondergrond en de steilte van het reliëf.

Een waterscheiding vormt de begrenzing van een stroomgebied van een rivier. De definitie van een stroomgebied is: het gebied, waarvan alle effectieve neerslag in de rivier terechtkomt. Hieruit blijkt, dat de lijn, die de hoogste punten tussen twee rivieren verbindt, niet exact behoeft samen te vallen met de waterscheiding. Het beeld kan immers worden vertekend door ondergrondse waterstromen, die kunnen worden beïnvloed door resistente, hellende lagen
Waterscheidingen kunnen zich verplaatsen. Als van twee aan elkaar grenzende stroomgebieden één een lagereerosiebasis heeft en dus dieper ingesneden dalen, dan kan dit gebied zich uitbreiden ten koste van het andere. De waterscheiding zal zich dan langzaam verplaatsen.
Veel ingrijpender is het aansnijden van een rivier A ergens in zijn loop door een andere rivier B. Dat kan gebeuren als de aansnijdende rivier B een dieper ingesneden dalstelsel heeft en er achterwaartse erosie plaats heeft. Na het aansnijden stort rivier A zich in het dal van rivier B. Rivier B heeft dan rivier A onthoofd = aangetapt. Het is duidelijk, dat dit gevolgen heeft voor de verdere ontwikkeling van de dalen van A en B.
De geologische omstandigheden, die leiden tot onthoofding kunnen bestaan uit:
1. Verschil in hardheid van gesteente.
2. Tektonische bewegingen.
3. Verschil in afstand tot de erosiebasis.
4. Verstopping van een rivier door overmatig sediment.

sub 2. Door tektonische beweging kwam de Rijn in de slenkvormige Bovenrijnse Laagvlakte lager te liggen, waardoor een zijrivier van de Rijn de Donau heeft onthoofd.
sub 3. De Po heeft bij Majola een stukje van de bovenloop van de Inn, die nog veel verder te gaan had, onthoofd.
sub 4. Bij verstopping met sediment loopt de rivier a.h.w. over en gaat dan via een lage waterscheiding naar een andere rivier afstromen. Dit heeft zich voorgedaan bij de bekende en voor ons zo belangrijke ‘onthoofding van deMaas‘.
Eens was de Boven-Moezel de voornaamste arm van de bovenloop van de Maas. Totdat bij Toul het Maasdal verstopt raakte en de toenmalige Maas begon af te lopen naar het Oosten naar een zijriviertje van de Meurthe, die behoort tot het dalstelsel van de Moezel. Hierdoor werd het dalstelsel van de Moezel waterrijker en bleef de Maas achter als een kleinere rivier in een overbemeten dal.
Als gevolg van deze onthoofding komen er dus gesteenten in het Maasgrind voor uit het stroomgebied van de Moezel, o.a. uit de Vogezen, hetgeen uit voorkomens binnen het huidige stroomgebied van de Maas niet valt te verklaren. Deze gesteenten zijn dus afkomstig van vóór de onthoofding.

Nog kort even enkele rivierpatronen, die voorkomen naast het dendrietische stelsel. In geplooide gebieden kunnentralievormige of zelfs rechthoekige patronen voorkomen. Een radiair patroon ontstaat bij geïsoleerde opwelvingen, zoals b.v. vulkanen.
Een divergerend patroon ontstaat waar een rivier vanuit bergen in een vlakte komt of in een delta.
Een anastomoserend patroon ontstaat, waar getijgeulen voorkomen als gevolg van eb en vloed.

Asymmetrische dalstelsels behoren tot een patroon, dat afwijkt van het ideale patroon. De rivier heeft aan één zijde langere en meestal ook meer zijrivieren. De dalwand is aan die zijde ook minder steil en de rivier stroomt meestal ook relatief dichter bij de andere, steilere wand. Het asymmetrische dalstelsel komt in Zuid-Limburg vrij algemeen voor.
Factoren, die bij het ontstaan een rol kunnen hebben gespeeld, zijn:
1. Er kan van één zijde meer sediment zijn aangeleverd, waardoor de hoofdrivier opzij werd gedrukt en vooral aan de andere zijde erodeerde.
2. Het gebied kan tektonisch of epirogenetisch zijn gekanteld.
3. In de IJstijd kan de heersende Westenwind veel sneeuw hebben opgehoopt in de luwte van de westelijke oever. Het smeltwater kan gelifluctie hebben veroorzaakt, waardoor de rivier opzij werd gedrukt, waarbij vooral de tegenoverliggende wand door erosie werd aangetast.
4. Verschillen in solifluctie kunnen ook zijn ontstaan door de ligging van het dal t.o.v. de zon.
5. Een verschil in condities voor solifluctie kan tot gevolg hebben, dat de gesorteerdheid naar korrelgrootte van het materiaal in de dalwanden verschilt, hetgeen de solifluctie versterkt, respectievelijk verzwakt. In fijn materiaal treedt n.l. gemakkelijker solifluctie op. In fijn materiaal wordt de dalwand vlakker.
6. In dalen, die gevuld zijn met löss of met door wind vervoerd dekzand, kan door de luwte van de dalwand een ongelijke opvulling van het dal hebben plaatsgehad, wat gevolgen heeft voor de latere dalvorm.
7. Het z.g. ‘afglijden’ van een meander.
8. Helling en geaardheid van het onderliggende gesteente.
9. Naar het Zuiden geëxponeerde hellingen ontvangen meer licht en warmte, waardoor in het voorjaar eerder erosie kan optreden.

Voor Zuid-Limburg komen enkele van bovengenoemde redeneringen wel in aanmerking. Men kan ook denken aan een combinatie van enkele factoren. Hoge ogen gooien de verklaringen dat het gebied tektonisch langzaam is gekanteld en de exponering op het Zuiden.

Het is opmerkelijk dat in de Europese middengebergten de boven omschreven asymmetrische dalen alleen voorkomen beneden een niveau van 600 á 700 m boven de zeespiegel.Daarboven is de asymmetrie omgekeerd.
In de Harz ligt de grens op 600 m. In het Fichtelgebirge en het Bayerische Wald op 650 m, in de Schwäbische Alb op 740 m en in het noordelijke Schwarzwald op 720 m.
Een goede verklaring is hiervoor nog niet gevonden.

14.5. Droge dalen.

Droge dalen = met een germanisme ‘droogdalen‘ = grubben zijn karakteristiek voor kalkgebieden en andere gebieden met een zeer waterdoorlatende bodem. Theoretisch kunnen ze zijn ontstaan door zeer sterke neerslag-perioden, maar dat is maar zelden het geval.
Steekhoudender verklaringen zijn:
– een vroegere hogere grondwaterspiegel, waarbij de dalen zijn gevormd en de bronnen nu zijn verdwenen.
– gedurende een ijstijd was er permafrost, waardoor de waterdoorlatendheid van de anders zo permeabele kalk miniem was. Daardoor konden de dalen ontstaan, die na de ontdooiing droog werden.
Voor Zuid-Limburg houden we het op deze laatste verklaring, al zullen rijdende karren en regen in de loop der eeuwen in een aantal gevallen ook wel invloed hebben gehad.

14.6. Doorbraakdalen.

Vaak zien we, dat een rivier door een gebergte is heengebroken. Men moet zich dan afvragen, hoe dat kon gebeuren.
Er zijn twee mogelijkheden:
1. Het gebergte is opgeheven, nadat de rivier er al was, waarbij de erosie van de rivier het opheffen kon bijhouden. Men spreekt dan van een antecedente rivieren een antecedent dal. Ze zijn vaak te herkennen aan een verbogen terras.
Voorbeeld: het doorbraakdal van de Rijn door het Leisteengebergte. Ook in de Ardennen komt dit veelvuldig voor.
2. Als een rivier door een sedimentdek stroomt, ontstaat er bij opheffing van het gebied een heuvelland met brede dalen. Maar waar de rivier onderliggende hardere, resistentere lagen aansnijdt, kan er een gebergterug boven de heuvels blijven uitsteken. Hierin kan slechts een nauw dal worden uitgeslepen. Dit heet een epigenetisch dal. Als dat uitslijpen slecht lukt, kan de rivier tot vaak haakse bochten worden gedwongen en soms zelfs worden ‘teruggestuurd’, zoals de Donau in het Boheems Massief.

14.7. Dalmeanders.

Het kan voorkomen, dat een meanderende rivier zich begint in te snijden, zoals hij op dat moment toevallig ligt. We spreken dan van ingezonken meanders. In de buitenbochten kan verdere erosie plaatsvinden, waardoor de dalwand hier steil is (in het Duits ‘Prallhang’). In de binnenbochten, die flauwer hellen kan sedimentatie plaats hebben, met opbouw van uitgebreide terrassenresten. De rivier lijkt a.h.w. af te glijden naar buiten. Men spreekt dan ook van afglijdingsmeanders = in het Duits ‘Gleithang’. Ook hier kan een meander zichzelf afsnijden en eenkronkelberg = omloopberg vormen.

15. TERRASSEN.

Een rivierterras fluviatiel terras is een rest van een vroegere dalbodem. De rivier heeft zich hierin ingesneden en wordt van het terras gescheiden door een helling.
Een terras is het gevolg van een toestandsverandering. Na een periode van breedte erosie en sedimentatie op de dalbodem is er een insnijding van de rivier in de dalbodem gevolgd. Het stroombed is dieper komen te liggen en een nieuw dal is gevormd in de oudere dalbodem.

15.1. Soorten terrassen.

Hierbij kunnen zich twee gevallen voordoen:

l. Erosieterrassen: de nieuwe insnijding gaat dieper dan het sedimentatiepakket en snijdt zich dus ook in het onderliggende materiaal in. Bij erosieterrassen is het bovenste terras het oudste en het onderste terras hetjongste!! Van de ingesneden sedimenten is het bovenste sedirnent het jongste en het onderste het oudste.

2. Accumulatieterrassen = sedimentatieterrassen:de rivier snijdt zich alleen in het bovenste pakket van de zich ophopende sedimentatie in. Bij accumulateterrassen is de onderste terrasafzetting de oudste en de bovenste de jongste.

Bij herhaalde insnijding en dalvorming ontstaat er een trapvormige reeks terrassen.
NB.!! Hierbij is het bovenste terras het oudste en het onderste terras het jongste. Van de ingesneden sedimenten is natuurlijk het bovenste sediment het jongste en het onderste het oudste. Het zal U duidelijk zijn, dat het zeer gecompliceerd is om de achtereenvolgende terrassen te herkennen en te dateren. Hierbij moet uitsluitsel worden gegeven door fossielen, sedimentologische verschillen, korrelgrootteverdeling, mineralogische samenstelling en de grindsamenstelling.

15.2. Ontstaan van terrassen.

Hoe ontstaan terrassen? De oorzaken van herinsnijding van een rivier kunnen er vele zijn. De drie belangrijkste zijn:
1Klimaatveranderingen.
2. Veranderingen in de zeespiegel.
3. Epirogenetische opheffingen.

Sub 1. Klimaatveranderingen
In onze streken, nu de gematigde klimaatzone, was het klimaat in de ijstijd afwisselend glaciaal, interstadiaal ofinterglaciaal. Er waren dus verschillen in de waterhuishouding, zoals t.a.v. het debiet = de waterhoeveelheid, depuinlast en de korrelgrootte. In koude tijden was het debiet van de rivieren sterk wisselend, waardoor ze verwilderden.
Er was weinig vegetatie. Door vorstverwering en gelifluctie werd er veel grof materiaal aangeleverd, zodat de rivieren hun dalvlakten ophoogden.
In interglaciale perioden steeg de zeespiegel. De vegetatie nam toe, het debiet werd regelmatiger en het verweringsmateriaal werd minder.
De rivieren gingen zich weer insnijden.

Dit beeld wordt b.v. wat de Alpenrivieren betreft bevestigd door de grindafzettingen op de rivierterrassen in Zuid-Limburg, die uit glaciale tijden stammen.
In het gebied van Zuid-Limburg hebben de rivieren zich hooguit enkele meters ingesneden in het dikke pakket afzettingsmateriaal uit de laatste ijstijd, het Würm = Weichsel-glaciaal. Het oppervlak van deze afzetting ligt maar enkele meters boven de huidige rivierbedding. Men noemt dit oppervlak het laagterras.
Langs de Maas is dit zeer goed waar te nemen.

sub 3. Epirogenetische opheffingen.
Door epirogenetische opheffing kan het lengteprofiel van een rivier worden gewijzigd. Er kan zich ergens in de rivierloop b.v. een opheffing voordoen. De rivier gaat hierin terugschrijdend eroderen. Ter plaatse van de bult kan de rivier boven de dalbodem een terras achterlaten, dat als kenmerk heeft, dat het gekromd is. Men spreekt van eenverbogen terras. In het midden van de bult ligt de bodem het hoogst, bij het begin en het einde van de opheffing wigt het terras uit. Dit proces kan zich herhalen tot meerdere terrassen.

Welk proces heeft nu een rol gespeeld bij de vorming van de Limburgse terrassen ?
Vermoedelijk een mengeling van 1, 2 en 3: klimaatveranderingen, veranderingen van de zeespiegel en epirogenetische opheffing.

Een bijzonder geval doet zich voor bij de Maas in de omgeving van Roermond.

Door daling van West-Nederland hebben de rivieren hier een sedimentatiebekken opgevuld met lagen, waarvan de oudste natuurlijk onder liggen en de jongste boven.
De grenszone wordt gevormd door een steile flexuur, een breuk of, zoals in het geval bij Roermond, door eenbreuktrap, veroorzaakt door de zg. Grote Slenk tussen Sittard en Roermond.
Stroomopwaarts daarvan ligt een gebied, dat relatief steeg. Hierin zijn de Limburgse terrassen gevormd, waarbij dus precies omgekeerd de oudste lagen boven liggen en de jongste onder. Dit verschijnsel heet eenterraskruising.

In de praktijk zullen terrassen veelal zijn gevormd door factoren, zoals genoemd onder 1, 2 en 3.

Fig.13. Dalterrassen.

°

16. VLAKKE RELIËFS.

Inleiding.
Toen we spraken over terrassen, stelden we vast, dat verwering, denudatie en riviererosie sterk variëren met de heersende klimaten.
En daarmee verschillen ook sterk de door deze processen gevormde reliëfs.
Lange tijd heeft men het reliëftype van onze streken, dat van de koelgematigde en humide gebieden van West-Europa en de Oostkust van de VS, als ‘normaal’ beschouwd. We moeten echter vaststellen, dat dit wereldwijd gezien allerminst normaal is, omdat ijstijden het reliëf hier grondig hebben beïnvloed
Tegenwoordig heeft men dan ook de reliëfvormen van aride, semiaride en tropische gebieden grondig bestudeerd. Hierbij moet men beseffen, dat de in deze gebieden gevormde reliëfs ook in onze ondergrond algemeen zijn terug te vinden.

Bij de bestudering van reliëfvormen moeten we niet alleen letten op de toendertijd heersende klimaten ter plaatse, maar ook rekening houden met de duur van de inwerking, die van beslissende invloed is. ‘Jonge’ gebergten, die worden versneden door dalvormende rivieren, vertonen b.v. andere reliëfs dan oudere gebergten, waar exogene processen in hun afhankelijkheid van het klimaat, hun werking lange tijd hebben uitgeoefend.

We bespreken nu enkele reliëfvormen, te beginnen met vlakke reliëfs.
Deze komen in verschillende vormen voor, b.v. als kustvlakte en als peneplain.Kleine vlakke gebieden noemt menplanaties = vervlakkingen. Meerdere aaneengesloten vlakke gebieden vormen een groot vlak oppervlak = eenvlakte. Een sedeplain = een regressievlak, b.v. van een zee, met als kenmerk regressiegrind.

°

16.1Pedimenten

Pedimenten = voetvlakten zijn flauw hellende oppervlakken aan de voet van een gebergte of van geïsoleerde bergen of heuvels.
Hun oppervlakte varieert van enkele m² tot vele km².
De afwatering bestaat uit veel divergerende waaiervormigeefemere = slechts zelden water bevattende beddingen.

Pedimenten komen voor in de warmere klimaten: aridesemi-aride, mediterrane of tropische savanneklimaten.
Aride = droge pedimenten komen b.v. voor in Utah en Arizona. Ze zijn enigszins concaaf bol en ze sluiten aan op een residuairgebergte = restgebergte. Dit laatste geeft al aan, dat erosie zeer lang haar werk heeft kunnen doen. Het pediment bestaat uit hetzelfde gesteente als het restgebergte. De oorzaak van haar ontstaan kan dus niet worden gezocht in een hardere laag, m.a.w. in verschil in resistentie. Op het pediment ligt meestal alleen een bedekking van los gesteente en wat zand, die verder van de berg iets dikker wordt.
De dikte van deze puinlaag is gering, tot maximaal 1.50 m.
Conclusie: een pediment is dus een erosievlakte en geen accumulatievlakte. Op het erosievlak liggende steenbrokjes, die door latere afzettingen worden bedekt. Deze kan men in te onderzoeken profielen terugvinden alsgrindniveaus = stone lines = grindvloertjes.
Al lang geleden was er een vorm van erosie bekend, die pedimenten kon vormen. Bij hevige onweersbuien stroomt het water over het gehele oppervlak af. Deze krachtig stromende, enkele cm’s dikke waterlaag, kan stenen en zand vervoeren. Men noemt zo’n waterlaag sheet flood. Een dun waterlaagje, dat afstroomt bij minder hevige stortbuien, wordt wel sheet wash genoemd.
Het restgebergte kan variëren van enkele kleine kopjes tot een flink gebergte. In dit laatste geval komen er uit het bergland verwilderde rivieren, die zich divergerend = waaiervormig vertakken. Bij hevige regenbuien stromen ze over en ze vormen dan ook een sheet flood of een sheet wash.

De hellingen van de residuaire bergen wijken door de afspoeling terug. Dat kan zover doorgaan, dat er nog nauwelijks enig reliëf overblijft in een pediment, dat is uitgegroeid tot een grote vlakte, die valt onder het begrippeneplain. Het zou heel goed kunnen zijn, dat veel van de eerder genoemde peneplains = schiervlakten op deze wijze zijn ontstaan in aride of semiaride gebieden en dus pedimenten = pediplains zijn.

Aan de periferie, dus aan de onderrand van het flauw hellende pediment, blijft het getransporteerde materiaal liggen en wordt het dus gesedimenteerd. Een pediment, waarvan het benedengedeelte een accumulatievlakte is en ook wel een vlakte, ontstaan door verdrogen van meren of een zoutvlakte heet een playa. Vanuit een playa kan materiaal worden weggevoerd door water of door de wind (denk aan löss).
Als er, zoals in woestijnen vaak het geval is, geen afwatering naar zee is, dan verdampt het water en ontstaan er vaak zoutafzettingen.
Soortgelijke afzettingen heten duricrusts = harde korsten. Ze vormen vaak de scheiding tussen de grondwaterspiegel en het oppervlaktewater. Ze kunnen ook bestaan uit kalk en heten dan caliches = calcretes. Er bestaan ook kiezelkorsten = SiO2-korsten,die silcretes heten.

Als het gebergte meer puin levert dan de sheet flood van het pediment kan afvoeren, dan vormen er zich aan de voet van het restgebergte piedmont fans = puinwaaiers. Van de berg afgaande wordt de korrelgrootte van het materiaal kleiner.
Degelijke piedmontafzettingen zijn in geologische tijden heel vaak ontstaan na orogenese gebergtevorming.
Voorbeelden komen voor in het Rotliegendes van het Boven-Perm, de Buntsandstein van de Onder-Trias en deMolasse rondom de Alpen van het Tertiair.

In een mediterraan klimaat liggen de pedimenten veelal op weinig resistent gesteente en bovendien is er vaker en meer wateraanbod. Hierdoor ontstaan er sedimentatiepakketten, waarin dalen zijn uitgesneden. In de dalbodems kunnen bij klimaatschommelingen nieuwe insnijdingen ontstaan. Hierdoor kunnen pedimenten terrasgewijsboven elkaar komen te liggen. Dit soort pedimenten is door franse onderzoekers beschreven onder de naamglacis.
De klimaatsveranderingen, waardoor de terrasvormige pedimenten zijn ontstaan worden in verband gebracht met de ijstijden.
NB. Pedimenten kunnen wel terrasvormig zijn, maar het zijn geen terrassen, want ze houden geen verband met sedimenten.

In een savanneklimaat is er sprake van een tropische regentijd, gevolgd door een lange tijd van droogte. Het gesteente onder de oppervlakte verweert tot een rode bodem. Door de open vegetatie kan het verweringsmateriaal gemakkelijk worden afgespoeld. Men spreekt dan ook van spoelpedimenten = spoelvlakten.
De restbergen in spoelvlakten, met hun steile hellingen met veel chemische verwering, duidt men internationaal aan met de Duitse benaming ‘Inselberge‘.Stellig zijn ook enkele peneplains = schiervlakten te identificeren met deze spoelvlakten. Ze zijn dus ontstaan in een savanneklimaat, hetgeen ook wordt bevestigd door de er in voorkomende rode bodems. Voorbeelden zijnte vinden in de Harz en in het Leisteengebergte.

Een tropisch klimaat is humide = vochtig. Er zijn wel inselbergen, maar die zijn minder steil en meer versneden. Dat komt, doordat door de zwaardere begroeiing de sheet floods worden afgeremd. De afspoeling krijgt meer het karakter van afglijden en van kruipen = creep.
De rivieren vervoeren fijnkorrelig verweringsmateriaal en ze snijden zich weinig diep en weinig terugwaarts in.

Tenslotte merken we op, dat gebieden met pedimenten natuurlijk ook kunnen worden opgeheven. De pedimenten zijn dan meestal niet meer actief, m.a.w. het is een fossiel pediment. Voorbeelden vindt men veelvuldig in de Ardennen. Blijven ze wel fungeren als pediment, dan spreekt men van rompvlakten.

17. RELIËF EN TEKTONISCHE STRUCTUUR.

Bij het bestuderen van reliëfs op het landoppervlak moet men zich afvragen, welke factoren een rol hebben gespeeld bij de vorming van de waargenomen reliëfs.
In het spraakgebruik zijn reliëfs richels, heuvels, bergen, enz. Geologisch gezien zijn het relatievehoogteverschillen. Al eerder zagen we, dat hoogteverschillen vooral ontstaan en zich wijzigen doortektoniek en door erosie.
Tektonische bewegingen hebben we eerder in hoofdstuk 6 al onderscheiden in plooien, ver schuivingen engeotektoniek.
Erosie snijdt dalen in, vormt hellingen, breekt bergen af, enz.

Laagland = terrein met hoogteverschillen van 0 – 200 m.
Middengebergte = terrein met lokaal reliëf van 200 – 1500 m.
Hooggebergte = terrein met lokaal reliëf van meer dan 1500 m.

Bij het reconstrueren van geologische vormingsprocessen van een landschap, speelt de factor tijd een doorslaggevende rol. Hoe lang hebben de processen hun invloed uitgeoefend? Hoe lang geleden vonden processen als plooiing, verschuiving, orogenese en erosie plaats? Of werken ze misschien nog?
Er is nog een belangrijke factor: de samenstelling en de hardheid van het gesteente. En vooral ook de plaatselijke verschillen hierin.
Dit alles en nog veel meer moet men in ogenschouw nemen als we het ontstaan van de verschillende landschappen proberen te verklaren.

Bij de invloed van tektonische structuren op het reliëf doen er zich twee varianten voor.

1. In het eerste geval is de tektonische structuur al lang geleden ontstaan en is het huidige reliëf vooral ontstaan door de langdurige werking van erosie. In homogeen gesteente, b.v. in geplooide schalie, is dit het best waar te nemen. Na de inwerking van verwering en denudatie is er geen invloed meer waarneembaar van tevoren gevormde structuren. Men spreekt dan van een passieve invloed van de tektoniek.
Een voorbeeld hiervan vindt men in de Appalachen in de VS. Een oud plooiingsgebergte is bedekt geweest door een peneplain en daarna door rivieren versneden. De reliëfs zijn dus ontstaan onder invloed van verschillen in resistentie van het gesteente. Men noemt daarom zo’n reliëf, met passieve invloed van de tektoniek, wel eenAppalachisch reliëf.

2. Als de tektonische beweging nog betrekkelijk jong is of zelfs nog plaats vindt, ligt het heel anders. Dan is de invloed van de tektonische structuur op het reliëf belangrijker dan die van de erosie. Verschillen in hoogte zijn in het reliëf nog duidelijk terug te voeren tot de tektonische beweging, zoals plooien en breuken. Men spreekt dan vanactieve invloed van de tektoniek.
Een voorbeeld van actieve invloed vindt men in de Jura.
Hier zijn bergruggen gevormd door de anticlinalen van een jonge, actieve plooiing en de dalen door de synclinalen.Dus een zichtbare invloed van de tektoniek. Daarom noemt men een reliëf, ontstaan onder invloed van actieve invloed van de tektoniek op het reliëf wel een Jurassisch reliëf.

Intussen hebben sommige geologen alweer kritiek op het kiezen van de Appalachen en de Jura als typelocatievoor de beide verschijnselen. Dit illustreert wel, hoe gecompliceerd de besproken processen in werkelijkheid kunnen verlopen.

17.1. Cuesta’s.

Cuesta’s kunnen ontstaan, als er in een gebied een hardere laag ligt, met daarboven en eronder een pakket zachtere lagen, waarbij het geheel zwak helt. Erosie neemt dan de bovenliggende zachtere lagen weg, waardoor de zwak hellende hardere laag wordt ontbloot en er hierop een z.g. dip slope ontstaat.
Deze hardere laag heet de cuestadrager = cuestavormer.
Verwering en denudatie kunnen de harde laag doorbreken, waardoor ook de onderliggende zachtere lagen kunnen eroderen, waarbij het materiaal wordt afgevoerd, b.v. door een beek of rivier.
Er ontstaat dan een steile wand, het z.g. cuestafront.
Het geheel vormt een typische asymmetrische bergrug. Vanaf de hoogste kam loopt één helling flauw af, de andere helling is zeer steil, soms zelfs een vrijwel loodrechte wand. Vaak bestaat het systeem uit een meerdere min of meer evenwijdige cuestafronten.

Fig.14. Riviersysteem in een cuestalandschap.

Davis gaf de afwateringsrichtingen en dus de rivieren van een cuestareliëf namen. Een rivier tussen twee cuesta’s, evenwijdig aan de cuestafronten, heet een subsequente rivier.
Van de ene zijde, haaks daarop, stromen over de dip slope naar de rivier de resequente rivieren. Van de andere kant komen de obsequente rivieren. Anders gezegd: de resequente rivieren stromen met de helling der lagen mee, obsequente rivieren stromen hieraan tegengesteld. Vandaar natuurlijk hun naam.
Grotere rivieren, die cuesta’s in de richting van de hellende lagen doorsnijden heten consequente rivieren. Ze stromen a.h.w. consequent de helling volgend dwars door alles heen.
Twee obsequente rivieren, die dus haaks op het cuestafront lopen, kunnen een deel van de cuesta als vooruitspringende neus geïsoleerd laten staan. Dit heet een eenzame tafelberg = mesa = getuigeberg. Hij getuigt van de vroegere ligging van de cuesta en van de latere terugschrijding.

Het woord cuesta stamt uit het spaans. Men komt cuesta’s op heel veel plaatsen tegen, b.v. in de Ardennen, Spanje, Zuid-Duitsland, Noord- en Oost-Frankrijk, Zwitserland, Engeland, de VS, enz.
U treft ze dan ook aan onder namen voor het systeem als côte, Schichtstufe en monoclinale rug. Voor het cuestafront zelf kunt U aantreffen: in het engels face slope = escarpment, in het Frans front = talus,in het DuitsStirn.

Nog even een relativerende opmerking. Het zal U duidelijk zijn, dat we het begrip cuesta schematisch hebben trachten voor te stellen, door te spreken van een harde laag met daarboven en daaronder zachtere lagen. U heeft daarbij misschien gedacht aan sedimenten. In het algemeen is dat wel juist, maar vanzelfsprekend komen er ook b.v. hardere vulkanische lagen als basalt in deze context voor. Verder kan men het begrip hardheid ook vervangen door verschillen in permeabiliteit = doordringbaarheid of door verschillen in vorstresistentie. Men komt dan ook tot verklaringen voor cuesta’s en voor soortgelijke processen.
Naar men aanneemt heeft b.v. het verschil in vorstresistentie vooral een rol gespeeld bij de vorming van de uit de prehistorie zo bekende abri‘s = ondiepe grotten (lett: schuilplaatsen), zoals die veel voorkomen in de Dordogne.

18. MEREN.

De bestudering van de geologische aspecten van meren is een onderdeel van de limnologie, oorspronkelijk alleenmerenkunde. Nu is het de wetenschap van zoet water, dus ook van rivieren.
Meren ontstaan waar water blijft staan in een afvoerloze depressie, waar de normale fluviatiele afwatering stagneert.
Geologisch gezien hebben meren vrijwel altijd een kort leven, hetgeen niet wil zeggen, dat ze geologisch oninteressant zijn.
Ze kunnen leeglopen als de afwatering wordt hersteld of ze kunnen worden opgevuld met sedimenten, hetzij anorganische, hetzij organische.

18.1. Ontstaan van meren.

Er zijn tientallen processen, die tot de vorming van meren kunnen leiden. We noemen er enkele:
– In slenken vinden we tektonische meren. Ze zijn ontstaan door tektonische bewegingen = door vervormingen van de aardkorst = door daling van slenken. Meren in slenken zijn lang, meestal smal en bijna altijd diep. Aan weerszijden worden ze door evenwijdige breuken gescheiden van hoger gelegen schollen.
Voorbeelden zijn de meren van de Oost-Afrikaanse slenksystemen, zoals het Tanganyikameer en Lake Rudolf, het Baikalmeer in Siberië en de afvoerloze Dode Zee in de Jordaanslenk. Enkele van deze meren zijn bijna 700 km lang, 70 km breed en zo’n 1500 m. diep.
– Een andere soort tektonische meren is ontstaan door epirogene verbuiging, in dit geval daling van een groot gedeelte van de aardkorst. Voorbeelden van epirogene meren zijn het Viktoriameer en het grootste meer op aarde, de Kaspische zee. Dit laatste meer is er een voorbeeld van, hoe een deel van een zee kan worden afgesneden, meestal, zoals hier, door een strook laagland. Zo wordt het tot een meer.
– Oeverwallen zijn zandige ruggen, die vaak liggen langs rivieren en geulen. Erachter vormen zich vaak meren in de fluviatiele vlakten. Ze zijn meestal ondiep en moerassig en ze kunnen bij hoge waterstanden nieuwe aanvoer van rivierwater en sediment ontvangen.
– Lagunes ontstaan in kustvlakten, door afsluiting van de zee door strandwallen, waardoor zoetwatermeren ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn de étangs in Frankrijk. Dergelijke ondiepe meren vormen een goed milieu voor het ontstaan van bosvenen, waarin de meeste steenkolenlagen zijn ontstaan. In Zuid-Limburg is dat niet het geval. De daar voorkomende steenkool is gevormd in ondiepe lagunes, kustzeeën e.d.
Glaciale meren vormen een belangrijke groep. De meeste zijn ontstaan door gletschererosie = glaciale erosie.Stromend ijs vormt een hobbelige ondergrond met veel gesloten depressies. Hierin ontstaan dan later meren. Vroegere vergletscherde gebieden zijn rijk aan grillig gevormde meren. Denkt U maar aan Scandinavië, Finland en Canada.
– Periglaciale meren zijn eveneens talrijk. Vb. pingoruïnes en thermokarstmeren.
– Door afdamming van rivierdalen door puinophopingen, bergstortingen, lava of morenen.
– In kraters.
– In karstdepressies.
– In winddepressies.

18.2. Water van meren.

Het water van meren kan variëren van zoet tot zout. Dit laatste b.v. in endorheïsche gebieden = gebieden zonder afvloeiing naar zee. Het water verdwijnt hier alleen door verdamping.

In meren komen bijna altijd levende organismen voor. De basis voor hun bestaan wordt o.a. gevormd door de in het water opgeloste stoffen, zoals voedingszouten, koolzuurgas, fosfor, stikstof en zuurstof. Primitieve ééncellige plantaardige organismen als fytoplankton vormen hiervan, onder invloed van zonlicht, organische verbindingen. Dit fytoplankton vormt de basis van alle verdere leven in meren.
In de limnologie onderscheidt men eutroof voedselrijk en oligotroof = voedselarm water, met als tussenvormmesotroof water.
De stikstof is normaal van organische oorsprong. Eutroof water komt dus vooral voor in gebieden met een rijke vegetatie. Een modern probleem is, dat de mens grote hoeveelheden organische afval- en meststoffen loost in rivieren en dus ook in meren. Het water wordt dan overmatig eutroof en er ontstaat overmatig veel plankton. Hierbij wordt zuurstof uit het water verbruikt, waardoor organismen afsterven. Het water wordt a.h.w. vergiftigd en kan zo dood worden als een pier.
Ook het temperatuurverloop in het jaar heeft grote invloed.
‘s Zomers wordt de bovenlaag van het water verwarmd. Het warmere, soortelijk lichtere water = het epilimnion blijft boven het koudere, soortelijk zwaardere water = het hypolimnion staan. In het stagnerende water bij de bodem is de zuurstof spoedig opgebruikt. Organismen sterven af. Door rotting ontstaat er koolzuur.
Rotting heeft plaats, als het milieu aëroobis = als er voldoende zuurstof aanwezig is. Als dit niet het geval is, dan kan er door anaërobe bacteriën = geen zuurstof nodig hebbende bacteriën, stinkend H2S= zwavelwaterstof worden gevormd.
In de herfst en in de winter koelt het water bij de oppervlakte af en ontstaat er weer circulatie.

18.3. Zoutmeren.

Hoe zouten zich kunnen ophopen in afvoerloze meren signaleerden we al. Iets dergelijks gebeurt in depressies in woestijnen, waar meren soms water bevatten en dan weer langdurig droogvallen. Het door oppervlaktewater aangevoerde zout blijft op de bodem achter in de vorm van een zoutkorst, playa of salina.
Maar er kan door verdamping ook capillair water opstijgen uit de ondergrond en daarbij zouten aanvoeren. Dit water uit de ondergrond kan connaat water zijn, dus zeewater, dat sinds de vorming van de afzetting in het gesteente is gebleven als poriënwater. Dit water bevat normaal Na+ en Cl- ionen. Hierdoor kunnen onder de zoutmeren de z.g. chloridemeren worden gevormd, naast sulfaat en carbonaatmeren. Kortom: connaat water kan de samenstelling van het zout in zoutmeren sterk beïnvloeden. Zie ook hoofdstuk 26.1: evaporieten.

18.4 . Sedimentatie in meren.

In meren vindt uiteraard sedimentatie plaats. We onderscheiden lacustriene = lacustrische = limnische in meren voorkomende sedimenten in:
1. klastische sedimenten, aangevoerd door rivieren.
2. biogene sedimenten.
3. chemische sedimenten.
4. evaporieten, ontstaan door indamping. Zie ook hoofdstuk 26.1.

sub 1. Waar rivieren in meren uitmonden, ontstaat er door de verminderde stroomsnelheid een afzetting van vrijwel alle meegevoerde verweringsmaterialen. Hierdoor wordt er een delta gevormd. Alleen deeltjes in suspensieworden in z.g. turbidieten dicht boven de bodem van het meer verder vervoerd.
Rivierwater, dat een meer verlaat, bevat nog nauwelijks enige sedimentlast.

sub 2. Biogene- en chemische sedimentatie is sterk seizoensafhankelijk.
Calciumcarbonaat = kalk wordt voornamelijk geprecipiteerd = neergeslagen door kalkalgen. In meren met een rijke flora van diatomeeën kiezelalgen kan bij afwezigheid van kleiaanvoer diatomiet worden afgezet.
Op de bodem van een meer kan door de seizoencyclus een jaargelaagdheid ontstaan van organische stof en kalk of klei.
In speciale gevallen kunnen er nog verschillende andere stoffen in meerafzettingen terechtkomen, zoalsijzerverbindingen, pyriet en chert kiezel.

Meerafzettïngen verschaffen dus geologische gegevens over landschappen, formaties, gesteenten, processen en milieu.

19. ONDERGRONDS WATER.

De geologische deelwetenschap, die zich bezighoudt met zowel grondwater als oppervlaktewater is dehydrologie. Grondwaterhydrologie houdt zich alleen bezig met grondwater. Fijnproevers onderscheiden verder nog de geohydrologie en de hydrogeologie. De geohydrologie behandelt de beweging en de winning van water. De hydrogeologie richt zich meer op het geologische milieu en op de samenstelling van het water.
Als we het hebben over ondergronds water, dan spreken we over water, dat zich bevindt in poriën, spleten en holten in de aardkorst, dus het vrije water. Water, dat chemisch gebonden is aan mineralen valt er dus niet onder.

19.1. Soorten ondergronds water.

Ondergronds water is te verdelen in twee groepen:
– het water in de bovenste, onverzadigde zone, waarin zich ook nog lucht bevindt, is het bodemvocht.
– het water in de daaronder liggende verzadigde zone is het grondwater.
Het grensvlak tussen beide zones heet de grondwaterspiegel = het freatische vlak.
Als men in het dagelijkse spraakgebruik spreekt over grondwater, dan denkt men meestal aan zoet water. Daarnaast is echter, geologisch gezien, zout connaat water zeker zo belangrijk. Dat is water, dat bij de vorming van sedimenten in poriën ‘achterbleef en dat zich daar nog steeds bevindt. Connaat water komt niet alleen voor onder oceanen en zeeën, maar soms ook onder het landoppervlak. Dit water is in de loop der tijden enigszins veranderd van samenstelling.
Dit komt nog ter sprake in het hoofdstuk over diagenese.
Zoals bekend gaat water bij vooral bij hoge temperaturen over in damp. Beneden een diepte van 10 à 15 km komt er geen grondwater meer voor.

De totale hoeveelheid water, die op aarde voorkomt is te schatten op zo’n 1.4 miljard km³. Slechts 0.62% van deze enorme hoeveelheid is grondwater. Procentueel is de hoeveelheid zoet water en dus drinkwater op aarde zeer gering.

In de onverzadigde zone bevindt zich rondom de bodemkorrels ook in de allerdroogste omstandigheden wel enig vocht. Bij geringe toevoer van regen vormt zich om de korrels een dun waterfilmpje, dat door adhesie wordt vastgehouden. Dit water heet pelliculair water.

Bij iets hoger vochtgehalte bevindt zich in de hoekjes tussen de korrels enig water, het angulaire water. Deze beide toestanden noemt men droog, omdat het water niet kan uitdruipen. Neemt de hoeveelheid water in de poriën verder toe, dan ontstaan de opencapillaire en de continue -= volcapillaire toestand. In de beide laatste situaties wordt er water boven de grondwaterspiegel door capillaire werking tegen de zwaartekracht in omhooggezogen. Hierdoor ontstaat boven de grondwaterspiegel een capillaire franje = capillaire zoom, die met de stijging en daling van die spiegel mee op en neer gaat. De dikte ervan wordt bepaald door de grootte van de poriën. Zo is in grof zand de dikte 10-15 cm en in leem tot 2.50 m.

Op grond van de herkomst kan men grondwater onderscheiden in vier soorten:
– meteorisch water, afkomstig uit de atmosfeer, m.a.w. van regen, sneeuw, hagel, rivieren, meren e.d.
– connaat water, afkomstig uit de tijd van de afzetting van de sedimenten.
– geregenereerd water, vrijkomend bij afname van de porositeit ten gevolge van metamorfose.
– juveniel water, dat vrijkomt bij het uitkristalliseren van magma, of water dat diep in de aardkorst wordt gevormd uit zuurstof en waterstof.

19.2. Grondwaterbeweging.

Grondwater verplaatst zich meestal onder invloed van de zwaartekracht. We volstaan hier met vast te stellen, dat dit horizontaal of verticaal kan zijn, zowel naar boven als naar beneden.
Watervoerende lagen heten aquifers, hetgeen zoiets betekent als waterdragers. In de volksmond spreekt men ook van wateraders. De mate van watertransport wordt sterk bepaald door de porositeit en de permeabiliteit. De porositeit bepaalt ook de hoeveelheid water, die een gesteente kan bevatten. Deze. is soms verrassend groot. De porositeit wordt ook bepaald door spleten, laagvlakken e.d. De permeabiliteit of waterdoorlatendheid is een maatstaf voor de weerstand, die het stromende water ondervindt. Ze is van grote invloed op de mogelijkheid van eventuele waterwinning.

19.3. Grondwatervoorkomens.

Fig.15. Grondwatervoorkomens.

In de verzadigde zone zijn alle poriën en open ruimten gevuld met water, zodat men kan spreken van eenwaterlichaam.
De diepte van de waterspiegel is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals neerslag, verdamping, vegetatie, doorlatendheid, irrigatie, drainage en bemaling.
Behalve de normale grondwaterspiegel kent men een schijn = zwevende grondwaterspiegel. Dit is de bovenzijde van een grondwaterlichaam, dat zich geïsoleerd boven de grondwaterspiegel bevindt. Beter dan door veel woorden wordt door bijgaande schets getoond, hoe dit mogelijk is.

Een gespannen grondwaterspiegel = drukspiegel treedt op, als een ondoordringbare laag het grondwater verhindert om te stijgen tot de echte spiegel. Het water kan dan onder een zodanige druk komen te staan, dat het in een boring of natuurlijke bron omhoogspuit als artesisch water. Deze naam is afgeleid van Artois in Frankrijk.

We moeten nog een bijzondere vorm van zoetwaterlichamen noemen, die van groot belang zijn voor de drinkwatervoorziening. Bedoeld zijn de z.g. zoetwaterzakken. Dit zijn zoetwaterlichamen in de ondergrond, die, gevoed door regen, a.h.w. drijven op het onderliggende, soortelijk zwaardere zoute water. Voorbeelden hiervan zijn te vinden onder veel eilanden en onder onze duinen. Het is duidelijk, dat er hierdoor een kwetsbare situatie ontstaat. Om deze reden leidt men in ons land rivierwater in de duinen.
Rivieren kunnen ook een open verbinding hebben met het grondwater en er water aan onttrekken of toevoegen. In het eerste geval noemt me de rivier effluent, in het tweede geval influent.

Waar grondwater natuurlijk uitvloeit is er een bron. Waar dit over een groter gebied diffuus gebeurt is er sprake van een kwel = een zijp.

Grondwater bevat gemiddeld wat meer opgeloste stoffen dan oppervlaktewater. Naast de ionen van opgeloste vast stoffen komen er ook opgeloste gassen in voor.
Met de opgeloste stoffen hangen samen:
– het elektrische geleidingsvermogen.
– de zuurgraad = de PH = de negatieve logarithme van de waterstofionenconcentratie.
– de hardheid, veroorzaakt door de aanwezigheid van vooral calcium- en magnesiumionen. Hard water schuimt slecht. Hardheid wordt uitgedrukt in graden. Een graad komt overeen met 10 mg CaO per liter. Water met 0 tot 4 graden hardheid is zeer zacht. Van 12 tot 18 graden tamelijk hard. Boven 30 graden is zeer hard.

Tot slot nog een verontrustend gegeven. De hoeveelheid winbaar drinkwater wordt voor Nederland geschat op zo’n 1.5 miljard m³ per jaar. De geschatte behoefte tegen het einde van deze eeuw ligt 3 à 4 maal deze hoeveelheid.

20AFBRAAK EN OPBOUW DOOR GRONDWATER.

We kennen allen het begrip ‘oplosbaar in water’. Als we de oplossingsprocessen geologisch benaderen, dan stellen we vast, dat de oplosbaarheid van gesteenten wordt beïnvloed door:
1. de oplosbaarheidseigenschappen van het gesteente.
2. de samenstelling van het oplossende water.

sub 1. Goed oplosbare gesteenten zijn b.v. kalksteen = CaCO3, dolomiet = CaMg(CO3)2, gips = CaSO4.2H2O, steenzout NACI en kalkrijke mergels. Uit het lijstje valt al af te leiden, dat factoren, die de oplosbaarheid bevorderen zijn: de oplosbaarheid van de samenstellende bestanddelen van het gesteente en de samenhang van het gesteente.

sub 2. In zuiver water zijn zelfs kalk en dolomiet slecht oplosbaar. Maar dat verandert snel, als het water zurenbevat. Koolzuur blijkt in de praktijk van de geologie het belangrijkste oplossende zuur te zijn. Dit koolzuur is afkomstig uit de vrije atmosfeer en vooral uit bodems. Toen we de bodems bespraken in hoofdstuk 9 zagen we, dat de A-horizon een humushorizon is. Bij rotting = ontleding van humus ontstaat er veel CO2. Veel meer dan er in de atmosfeer aanwezig is. Water kan in de atmosfeer ca. 80 mg kalk bevatten. In de grond kan dit oplopen tot een paar honderd milligram per liter.

De rivier de Timavo in het karstgebied bij Triëst voert per jaar ca. 200 miljoen kg kalk in oplossing af naar zee.

Poriënwater.
Dit is het water dat de mineraalkorrels in een gesteente omringt.
Poriënwater kan een belangrijke functie vervullen in het proces van diagenese, omdat de samenstelling van het poriënwater een gunstig milieu kan scheppen voor diagenese.

Sedimenten kunnen zijn afgezet in zoet of in zout water.
We hebben al eens besproken, dat er bij stromend water in het onderliggende sediment een onderstroom kan voorkomen. Maar deze gaat veel langzamer en naarmate het sediment verdicht of anderszins verandert kan deze onderstroom tot stilstand komen.
Evenals onder stilstaand water verplaatst het water dat de korrels omringt als poriënwater zich niet meer. Het poriënwater, dat a.h.w.in het gesteente is opgesloten blijft dus lang in contact met de mineraalkorrels. Hierdoor kunnen zowel het mineraal als het water veranderen.

Marien connaat poriënwater.
Dicht onder de zeebodem is er werking van bacteriën en andere organismen. Ze leveren rottingsproducten op. Ze gebruiken bij de rotting zuurstof op, waardoor er een reducerend milieu ontstaat. Voor de speurneuzen: deanaërobe sulfaatreducerende bacteriën produceren vaak H2S = zwavelwaterstof.
Door een proces, dat lijkt op bodemvorming, kan fijnkorrelige CaCO3 = kalk worden opgelost en iets dieper weer neerslaan. Ook met kiezelzuur = SiO2, kan dit gebeuren.
Op grotere diepte zijn de veranderingen ingrijpender.
In het ingesloten poriënwater neemt het gehalte aan Mg-ionen = magnesiumionen af en het gehalte aan Na- enChl-ionen = natrium- en chloorionen toe. Dit veroorzaakt verschillende chemische processen.

20.1. Karstverschijnselen.

Waar kalkgesteente door middel van oplossing wordt aangetast spreken we van karstverschijnselen. De naam is ontleend aan het Karstgebergte = het Adriatische Karstplateau, ten NO van Triëst. Het Sloveense woord kras = krsbetekent steen of rots.
Kenmerkend voor zo’n gebied is, dat vrijwel al het regenwater of sneeuwsmeltwater in het gesteente verdwijnt. Er zijn nauwelijks rivieren. Soms kan een rivier aan de voet van een steile helling tevoorschijn komen. We spreken dan van een Vauclusebron.
De gevolgen van de oplossende werking van water op kalkgesteente kan verschillende karstverschijnselenveroorzaken, die we achtereenvolgens zullen bespreken.

Karren. Op het oppervlak van kalk, dolomiet of gips kan corrosie groeven en kammen vormen, die op een hellend oppervlak naar beneden zijn gericht. Vaak doet het patroon denken aan een groot wasbord. De groeven zijn van centimeters tot soms meters diep. Behalve afstromend water kunnen ook microorganismen een rol spelen. Breuken en diaklazen kunnen karren diep doorsnijden.
Ook onder bodems kunnen karren ontstaan. De vorm is dan grilliger.
Karren aan het oppervlak van ons krijt in Zuid-Limburg zijn soms heel fraai te zien, als het krijt wordt ‘afgedekt’ = vrijgemaakt vóór de exploitatie van het krijtgesteente.Er is dan een grotesk ‘maanlandschap’ zichtbaar.

Karstdepressies.
In karstgebieden zijn in het onregelmatige reliëf veel gesloten depressies aanwezig, dus zonder afwatering. Ze zijn zelfs kenmerkend voor zo’n gebied.
Ze worden ingedeeld naar de vorm:
1. Dolines zijn komvormige of steilwandige depressies, ontstaan door de oplossende werking van water alsoplossingsdolines of door instorting van holle ruimten als instortingsdolines. Dolines komen voor met een diameter tot meer dan een kilometer en een diepte tot zo’n 300 m. Als verweringsleem de bodem ondoordringbaar maakt kunnen dolinemeertjes ontstaan.

2. Uvala’s zijn ontstaan door het aaneengroeien van dolines. Ze zijn meestal ovaal en groter dan de hen omringende dolines.

3. Karstpijpen zijn verticale opgevulde oplossingsholten in kalksteen. Meestal zijn ze ontstaan uitgaande van diaklazen. In wanden van groeven en insnijdingen zijn ze zichtbaar als orgelpijpen.

4. Open karstpijpen =jama’s komen ook voor. Ze zijn vaak spleetvormig en diep. Meestal komen ze uit in grotten.

5. Karstkloven = bogazi zijn een variant met grillige bodem.

6. Poljes zijn zeer bekend. Het zijn gesloten bekkens met een oppervlakte van enkele tot vele km². Uit de vrij vlakke bodem ervan rijst een steile wand op, vaak met vauclusebronnen.
Het oppervlaktewater verdwijnt in ponoren of verdwijngaten. Men neemt aan, dat ze zijn ontstaan door corrosie van agressief water, dat op de bodem stagneert en dan zijdelings de wanden aantast.

7. Karstrestbergen kunnen uitsteken boven corrosieve karstvlakten. In tropische gebieden zijn ze vaak talrijker en kleiner. Als het niet méér zijn dan kegels of torens dan spreken we van torenkarst = kegelkarst.

8. Grotten,meestal uitgegroeid tot grotsystemen. Geologisch gezien zijn grotten jong en hebben ze geen lange levensduur. Maximaal een paar miljoen jaar. Veel grottensystemen zijn opvallend horizontaal en in meer etages. Ze zijn dan ook vaak te correleren met rivierterrassen of met andere tijdelijke erosiebases.

9. Vuursteeneluvium. Als gevolg van oplossing van de kalk aan de top van het kalksteenpakket, blijft op dit pakket een oplossingsresidu over. Dit residu bestaat uit de moeilijk of niet oplosbare bestanddelen. Bevat de kalksteen b.v. vuursteen, dan blijft er een verweringslaag over, die voor een groot deel uit vuursteen bestaat =vuursteeneluvium.

10. Stylolieten. Deze zijn vroeger wel eens beschreven bij de karstverschijnselen, maar ze behoren in het rijtje niet thuis. Zie hoofdstuk 20.4.

Fig.16. Doorsnede van een geologische orgelpijp met een doline in het Vylenerbos, Zuid-Limburg.

20.2. Karsthydrologie.

Kenmerken van de hydrografie van karstgebieden zijn grote bronnen en het verdwijnen van neerslag en vanoppervlaktewater.
Er zijn nogal wat meningsverschillen geweest over het gedrag van bodemwater in karstgebieden. De belangrijkste vraag was, of karstwater zich gedroeg als een soort bodemwater metsamenhangende grondwaterspiegel (hier dus karstwaterspiegel), of dat er zich op verschillende hoogten aparte vaatsystemen bevonden.
Door veel onderzoek met kleurstoffen bleek, dat er zowel grote doorlopende systemen bestaan, als meerdere lokale systemen in een vrij klein gebied.
Bepalend is, naar zich ook laat begrijpen, ofwel het bestaan van grotere gebieden met veel doorlopende verbindingen, dan wel het voorkomen van veel kleine spleetsystemen met veel kleine bronnen.

20.3. Afzettingen uit grondwater.

Bij verandering van bepaalde omstandigheden kunnen in water opgeloste stoffen tot afzetting komen. Deze veranderingen kunnen betrekking hebben op de druk,de temperatuur, de Ph zuurgraad, verdamping en het ontwijken van opgeloste CO2.
De afzettingen van opgeloste stoffen = mineraalafzettingen komen voor in verschillende vormen.

1. Cementering.
Hierbij worden de poriën van sedimenten opgevuld met mineralen, meestal kalk of kiezel. We komen hierop terug bij het onderwerp diagenese.

2. Gangopvullingen.
Deze vindt men terug als aders in veel gesteenten. Veelal bestaat de opvulling uit kwarts of calciet.

3. Travertijn.
Waar kalkrijk water de oppervlakte bereikt kan er zich kalk afzetten als gevolg van temperatuurverschillen, het ontwijken van gassen, meestal CO2, en drukontlasting. Deze afzetting heet travertijn = kalksinter. Een zachte vorm is kalktuf. Travertijn is langzaam opgebouwd in zeer dunne laagjes, die van kleur kunnen verschillen, hetgeen heel decoratief is. Vandaar de toepassing als wand- of vloerbedekking.
Een zeer fraai voorbeeld is de afzetting van travertijn in de Romeinse waterleiding in de Eifel, waardoor kalkrijk water naar Keulen werd gevoerd. Deze travertijn is o.a. gebruikt voor zuiltjes in een boogconstructie tegen een kerkwand. Als niet-dragende zuiltjes, want travertijn is niet sterk. Het doet denken aan marmer, maar het is wezenlijk anders.

4. Druipsteen.
De meeste afzettingen in grotten bestaan uit calciet. Kalkrijk, met biogeen koolzuurgas verrijkt water percoleert door het kalkgesteente en komt terecht in een grot, waar de partiële koolzuurspanning lager is. Het koolzuurgas ontwijkt en het calciet zet zich af. Soms in de vorm van aragoniet.In tegenstelling tot wat wel eens wordt gedacht speelt verdamping nauwelijks een rol bij dit proces.
De bekendste grotafzettingen zijn de aan het plafond hangende stalactieten en de op de grond staandestalagmieten. Hun doorsnede varieert van ragfijn tot meer dan een meter. Hun groei verloopt uiterst traag, b.v. zo’n 0.25 mm per jaar, maar is zeer verschillend.

21. GEOLOGISCHE WERKING VAN WIND.

In hoofdstuk 12.4 behandelden we al kort het transportvermogen van wind.
We bezien nu het grote belang van wind voor geologische processen. Daarbij constateren we, dat de invloed van wind zeer veelzijdig is.
– Wind heeft een grote invloed op het klimaat.
– Wind is de oorzaak van het ontstaan van golven en van veel stromingen in zeeën en oceanen.
– Wind levert een grote bijdrage aan de kringloop van water, waarbij de wind het transport van de vochtige lucht verzorgt.
– In de geologie is wind een belangrijke agens = een werkende of een werking veroorzakende kracht. Die werking kan afbrekend zijn, b.v. bij erosie ofwel opbouwend,b.v. bij sedimentatie.
De inwerking van wind hangt nauw samen met de vegetatie en dus ook met klimaten. Effectieve inwerking vindt plaats bij ontbreken van vegetatie, zoals in tropische of juist in zeer koude woestijnen, op stranden, in drogerivierbeddingen en bij anthropogene = menselijke verstoringen, zoals bij ontginning, overbeweiding, roofbouw, egalisering, enz.

21.1.Winderosie.

Deze kan men onderscheiden in deflatie = afvoeren van materiaal en eolische corrasie windcorrasie = abrasie= aantasting van gesteente door met zand beladen wind.
Ook wordt wel de term attritie gebruikt voor de verkleining van de korrelgrootte van getransporteerde zandkorrels.
In aride gebieden kunnen door deflatie = eolische ablatie diepe depressies ontstaan van beperkte tot soms zeer grote omvang. De onderste begrenzing van zo’n depressie wordt bepaald door b.v. de grondwaterspiegel,zoutkorstenverkitte laagjes of oude bodemprofielen.
Een bijzonder geval doet zich voor, als het weggeblazen zandpakket steentjes of stenen bevat. Deze blijven liggen en vormen na enige tijd een aaneengesloten laagje op de zandoppervlakte en verhinderen hierdoor verdere deflatie. Zo’n laagje heet desertpavement = keienvloertje. Men kan ze vaak terugvinden in zand- of lössprofielen. Men kan ze b.v. ook waarnemen in verstuivingen van Pleistocene afzettingen op de Veluwe en in oudere dekzand-afzettingen in Nederland.
Tijdens hun ontstaan zal er dus een polair woestijnklimaat hebben geheerst.

Door de corraderende werking van met zand beladen wind worden gesteenteoppervlakken gladgeslepen en bij verschillende hardheid van de gesteentelagen ontstaan er soms richels. Een bekend voorbeeld van windcorrasieis het voorkomen van windkeien = windkanters. Het zand heeft aan stenen facetten geslepen, begrensd doorscherpe ribben.
In Noord- en Midden-Nederland vindt men ze in Pleistocene afzettingen. Een extreem voorbeeld van corrasie is het ontstaan van paddestoelrotsen in woestijnen, al zal verwering hier ook een rol spelen.

21.2. Eolisch transport.

Zand wordt opgenomen vanaf een windsnelheid van ca. 5 m/sec en een korrelgrootte van ca. 64micron. Zand wordtsalterend = springend of repterend = kruipend vervoerd.
Zeer fijn materiaal tot ca. 0.2 mm wordt in suspensie vervoerd over zeer grote afstanden. Vb. woestijnstof, vervoerd tot in ons land, bekende löss = loess = limburgse klei.

°Accumulatie =ophoping van materiaal.

°Afzettingen door wind kunnen bestaan uit zand, meestal goed gesorteerd en kwartsrijk, uit gips- ofkalkfragmenten of uit de ons zo bekende löss, overwegend met een korrelgrootte van minder dan 50 micron.

°Zandafzettingen vormen zich vooral vóór of achter obstakels of vegetatie.

Men onderscheidt:
1. lijduinen = zandtongen, die zich niet verplaatsen.
2. vrije duinen, ontstaan in een open zandvlakte. Ze migreren = verplaatsen zich. Naar de vorm spreekt men overbarchanen = sikkelduinen, dwarsduinen en lengteduinen.
3. organogene duinen, ontstaan door vegetatie. Ze verplaatsen zich niet. Naar de vorm kent men paraboolduinen,kamduinen en streepduinen.
4. rivierduinen, sterk van vorm wisselende duinen langs rivieren.
In Nederland komen vrij veel donken = deels begraven rivierduinen voor.
5. dekzand, een over grote oppervlakte voorkomend zandpakket, gevormd in periglaciale omstandigheden. De vorm kan variëren.
6. stuifzanden, op plaatsen, waar de vegetatie is verstoord. Bestaat meestal uit dekzand.
7. lössafzettingen.

Fig.17. Opgestoven asymmetrisch zandlichaam

Over de details van verstuivingen en zandafzettingen zullen we kort zijn.

sub 1, 2, 3. Duinen.
Een opgestoven zandlichaam heeft altijd een vorm die wordt bepaald door de windrichting. Met de windrichting mee bestaat het zandlichaam uit een flauw oplopende helling, met vanaf het hoogste punt een veel steiler aflopende helling.

Als het zandlichaam zich verplaatst, ontstaat er in het inwendige een gelaagdheid evenwijdig aan de steilste helling.

De mens bevordert duinvorming door vegetatie, door aanplant van helmgras en biestarwegras. Inzinkingen in een duingebied noemen we een del = duinpan. Als het dieper worden hiervan wordt verhinderd door het bereiken van de grondwaterspiegel, dan zal de bodem gemakkelijk begroeien. Hierdoor zal bij verdere aanvoer van verwaaid zand dit worden vastgehouden, waardoor weer ophoging plaatsvindt.
Uit dit voorbeeld zal U duidelijk worden, dat duinvorming een mengsel en opeenvolgi ng is van deflatie– enafzettingsprocessen.

sub 4. Rivierduinen.
Rivierduinen liggen langs rivierdalen, die in het Laat-Pleistoceen periodiek droogvielen. In Nederland langs de Rijn, Maas, IJssel en Overijsselse Vecht. Het staat vast, dat het materiaal van deze duinen afkomstig is uit de fluviatiele afzettingen van de drooggevallen beddingen.

sub 5. Dekzand.
In Nederland is het dekzand o.m. afgezet in de laatste koude fase van het Pleistoceen, het Weichselien. Men onderscheidt ouder, dat meestal duidelijk gelaagd is en dunne leemlaagjes bevat en jonger dekzand, dat doorgaans grover van korrel is, geen leembandjes bevat en dat plaatselijk sporen toont van lengteduinen, streepduinen en paraboolduinen.

De oorsprong van het zand van de Noord-Nederlandse dekzanden is lang gezocht in het (drooggevallen) Noordzeegebied. Mineralogisch onderzoek heeft echter aangetoond, dat men als oorsprongsgebied moet denken aan het gebied van de directe Nederlandse omgeving.

sub 7. Löss.
Lössafzettingen komen wereldwijd veel voor. De korrelgrootte ligt globaal tot ca. 50 micron. Als het materiaal afkomstig is uit woestijnen dan spreekt men van continentale löss. Als het materiaal van periglaciale oorsprong is, dan spreken we van glaciale löss. Continentale löss vindt men aan de lijzijde van woestijnen. Glaciale löss ligt aan de lijzijde van gebieden, die in het Pleistoceen door het ontbreken van vegetatie blootstonden aan deflatie.
Afzettingen van löss vindt men in Nederland plaatselijk tussen Arnhem en Dieren en aan de oostzijde van de stuwwal bij Nijmegen.
Een aaneengesloten lössdek ligt ten Zuiden van Sittard.
In Noord-Brabant komt, bedekt met dekzanden, de z.g. Brabantse leem voor, een löss, die waarschijnlijk onder water is afgezet.

Onze löss is ongetwijfeld eolisch. Het is het resultaat van eolische sortering. Na afzetting is het plaatselijk blootgesteld geweest aan verspoeling en solifluctie.

Stellig is keileem een leverancier geweest van materiaal voor löss. Een groot deel van onze löss is afkomstig uit de afzettingen van Rijn en Maas.
Algemeen wordt aangenomen, dat de noordgrens van het lössgebied is bepaald door een vegetatiegrens.

Het ‘ideale profiel’ van onze Limburgse löss ziet er ongeveer als volgt uit:
– Bovenaan bruine löss = ontkalkte löss, dik 2-4 m.
– Daaronder grijsgele löss, die kalkhoudend is.
– Daaronder volgt de z.g. Horizont van Nagelbeek. Dicht hieronder herkent men veelal een laagje tuf, afkomstig van vulkanisme in de Eifel, de Eltvillertuf, te dateren op ca. 20.000 BP.
– Dan volgt de middelste löss, die enigszins gelaagd is.
– Hieronder liggen de Warnetonbodem, een Eembodem en de Rocourt bodem.
– Daaronder ligt tenslotte de onderste löss, afgezet in de Saaleijstijd.

21.3. Woestijnen.

Tot slot een paar namen, voorkomend in verband met woestijnen:
– Een rots of steenwoestijn duidt men aan met de naam hammada.
– Een grind of kiezelwoestijn heet een serir.
– Een zandwoestijn heet een erg of een koem.

Een bekend voorbeeld van een fossiele woestijn met gips- en zoutlagen vindt men in het Onder-Perm, het bekendeRotliegendes.

Fig.18. Indeling van de lössafzettingen in Zuid-Limburg. (Naar W.M. Felder, 1989)

22. DE GEOLOGISCHE WERKING VAN IJS, SNEEUW EN VORST .

We spraken al veel over de geologische werking van water. Het wordt tijd ook eens te kijken naar water in vaste vorm, dus naar sneeuw en ijs.
Sneeuw en ijs zijn mineralogisch en chemisch aan elkaar gelijk. In fysisch en geologisch opzicht verschillen ze sterk, al moeten we vaststellen, dat ijs in veel gevallen uit sneeuw ontstaat. We zouden kunnen spreken vandiagenese.
Omdat tijdens het Pleistoceen het ijs van de ijstijden enkele malen ons land bereikte, zullen we hieraan in een apart hoofdstuk aandacht besteden.

22.1. Sneeuw.

De sneeuwgrens is de gemiddelde grens over een aantal jaren, tussen het altijd geheel of gedeeltelijk met sneeuw bedekte gebied en het sneeuwvrij wordende gebied. Deze grens verloopt onregelmatig in verband met hoogte, helling, neerslag, blootstelling aan de zon e.d.
Boven de sneeuwgrens valt er meer sneeuw, dan er door afsmelten en sublimatie = verdamping verdwijnt. Het overschot wordt afgevoerd in de vorm van lawines of door gletsjers. Bij droge sneeuw onder O°C kunnen erdrogelawines of stoflawines ontstaan. Bij regenval of dooi ontstaan er vaak natte lawines of grondlawines. In beide gevallen kan de werking vernietigend zijn. Ze ontdoen hellingen regelmatig van los verweringspuin; ze zijn dus een belangrijke agensbij de denudatie.

22.2. IJs en Gletsjers.

Sneeuw kan overgaan in ijs. Een tussenvorm is firn. Tijdens de diagenese verandert de kleur. Firnijs is nog wit en troebel; maar naarmate het luchtgehalte van het ijs vermindert, wordt de kleur meer blauw of blauwgroen.
Het accumulatiegebied = het firnbekken wordt begrensd door de firnlijn. Naar beneden toe vinden we hetablatiegebied, waar ijs verdwijnt door verdamping en vooral door smelten of afkalven. Hier vinden we degletsjertong, die meestal lang en smal is.
Bij ijskappen zijn er vaak geen tongen.

Het met ijs bedekte gebied verdelen we globaal in:
landijs, dat het land geheel of vrijwel geheel bedekt.
firnplateaus, met meer gletsjertongen aan één ablatiegebied.
dalgletsjers, die in een dal liggen, waar de omringende bergen bovenuit steken.

Ongeveer 10% van het aardoppervlak is bedekt met gletsjers en landijs. Hiervan neemt het Zuidpoolgebied zo’n 8.5% voor haar rekening. Op Groenland is het ijs gemiddeld ca. 1500 m dik. Afsmelten van dit ijs zou de zeespiegel op aarde met ca. 6 m verhogen.
Op Antarctica ligt een ijskap van gemiddeld 2000 2500 m dik. Door afsmelten zou de zeespiegel ca. 60 m stijgen.

Gletsjerijs verplaatst zich langzaam dalwaarts. De verschijnselen, die hierbij optreden, zoals vervormingen, snelheidsverschillen, spleetvorming e.d. laten we onbesproken.

Glaciale erosie kan blijvende sporen nalaten en is dus voor ons van belang.
Door het zich verplaatsende ijs en vooral door de meegevoerde stenen wordt het onderliggende vaste gesteenteafgeslepen en gekrast. De verplaatsingsrichting is vast te stellen aan de hand van gletsjerkrassen en van deoriëntatie van vervoerde stenen.
Een tunneldal ligt in of onder een gletsjer. Bij afsmelting van de gletsjer verdwijnt dus ook het tunneldal.
Op de bodem van een tunneldal veroorzaakt het afstromende water soms diepe erosie. De hierdoor gevormde dalen hebben een U-vormig dwarsprofiel met steile wanden. Het lengteprofiel is onregelmatiger in het verval dan bij fluviatiel gevormde dalen.

Ter hoogte van de sneeuwgrens ontstaat vaak een kaar = cirque. Dat is een halfronde erosievorm met steile wanden en een vlakke bodem. In een kaar bevindt zich vaak een kaarmeer. Bij het ontstaan van karen spelenvorstverwering en >glaciale erosie een zeer belangrijke rol.
Fjorden ,die soms tot 1000 m diep zijn, zijn ontstaan door ingressie van de zee in glaciaal gevormde trogdalen. Aan de zeezijde bevindt zich meestal een drempel.

Het door gletsjers vervoerde materiaal noemt men morenes. We onderscheiden oppervlaktemorenes,binnenmorenes, grondmorenes en eindmorenes.
Grondmorenes worden aangeduid met de naam keileem = boulderclay = glacial till  Geschiebemergel. Ook andere morenes leveren keileem.
Als reeds gevormde afzettingen door ijs worden gestuwd, dan ontstaat er een stuwwal. De schubstructuur in stuwwallen wordt wel in verband gebracht met permafrost.
Stuwwallen in Nederland zijn de Hondsrug (gedeeltelijk), de Veluwe ten W. van Apeldoorn, de Utrechtse Heuvelrug en de heuvels ten Z. van Nijmegen.
Zwerfstenen = erratica zijn door ijs over grote afstand vervoerde stenen.

Van de fluvioglaciale afzettingen = door smeltwater gevormde afzettingen noemen we alleen de sandr =spoelzandvlakten.
De in Zweden voorkomende per seizoen in cycli wisselende afzettingen in meren heten varven. Deze kunnen worden gebruikt voor tijdmetingen in jaren.

22.3. Periglaciale verschijnselen.

Deze verschijnselen zijn typisch voor de kale of toendragebieden nabij gletsjers en landijs.
Permafrost komt voor in aardlagen, die het jaar rond een temperatuur hebben beneden O°C. De laag erboven, die ‘s zomers ontdooit en daarna weer bevriest is de opdooilaag = actieve laag. Op het grensvlak van water en ijs kan water worden aangezogen uit niet-bevroren lagen. Dan kunnen er ijslenzen ontstaan. Het ijs ervan is hetsegregatieijs. Als er ijslenzen worden gevormd, hetgeen alleen bij fijnkorrelig materiaal geschiedt, dan gaat de grond opvriezen.
Onder ongeveer 20% van het aardoppervlak bevindt zich een blijvend bevroren pakket. Soms is het voorkomen ervan niet te verklaren uit de huidige klimaatsomstandigheden en moeten we ze als fossiel beschouwen en stammend uit de ijstijd. Permafrost komt voor in dikten tot ettelijke honderden meters.

Vorstheuvels = pingo’s = hydrolakkolieten hebben een dikke ijskern. Ze kunnen tot ca. 20 m hoog zijn. Als eenpingo wordt aangetast door dooi en tenslotte geheel wegdooit, blijft er in het terrein een ronde inzinking over, meestal gevuld met water, omgeven door een lage wal = pingoruïne.
In Noord-Nederland komen ze veel voor. Dan zijn ze meestal gevuld met veen.

Als de temperatuur plotseling daalt tot ca. -20°C kunnen er in de bevroren grond vorstscheuren ontstaan. Deze zijn van minder dan 1 mm tot 2 cm breed en soms enkele meters diep. Ze kunnen worden gevuld met ander materiaal of met water en zo zichtbaar blijven. Dit proces kan zich in meerdere seizoenen herhalen, waardoor er vorstspletenof vorstwiggen kunnen ontstaan. Een patroon van enorme vierhoeken of veelhoeken = polygonen vanvorstspleten kan aldus ontstaan, waarbij de diameter van de patronen kan variëren van < 10 tot wel >40 meter.

Door volumevergroting bij bevriezing kan er gemakkelijk vorstverwering = gelivatie optreden.

Fig. 19. Ontwikkelingsfasen van een pingo (Naar G.W. Holmes en A. Pissar)

Kryoturbatie treedt op, als lagen sterk worden gedeformeerd door vorst en dooi.

Structuurbodems zijn bodems met een patroon, zoals cirkels of polygonen, waarbij stenen en grind zijn geconcentreerd langs de randen van de structuren. Over een verklaring zijn de geleerden het niet eens. Misschien spelen scheuren in de bodem en opvriezen een rol.

Opvriezen is het verschijnsel, waarbij de bodem bij bevriezing wordt opgeheven. Grof materiaal wordt hierbij mee opgeheven, waardoor er onder stenen soms een holte ontstaat, die gevuld kan raken met water, dat tot ijs wordt. Na smelten kan de steen in veel gevallen zijn oorspronkelijke plaats niet meer innemen, omdat die is opgevuld met ander materiaal. Hierbij kan regen ook een rol spelen. Veel boeren nemen dit op hun akkers waar en zeggen dan wel ‘de stenen groeien de grond uit’.

Tenslotte nog iets over creep en gelifluctie. Bij bevriezing van de oppervlakte van een helling wordt het buitenste materiaal door opvriezen opgeheven loodrecht op de helling. Bij dooi zakt het verticaal naar beneden. Hierdoor buigen de lagen materiaal bij de oppervlakte op den duur a.h.w. naar beneden. Bij dit verschijnsel hanteert men de begrippen vorstcreep, gelifluctie, solifluctie en haakombuiging.

Fig.20. Invloed van vorst en dooi op hellingprocessen.

23. IJSTIJDEN.

In gebieden, die ver van de huidige gletsjers verwijderd zijn, komen verschijnselen voor, die zijn veroorzaakt door vroegere ijstijden, waarin de gletsjers zich hebben uitgebreid over grote gebieden. Deze verschijnselen zijn o.a.glaciale en fluvioglaciale erosie en sedimentatie, periglaciale omstandigheden, migratie van planten, glaciaal-isostatische opheffing of daling van gebieden en zeespiegelfluctuaties.

Een belangrijke vergletsjering glaciatie veroorzaakt een ijstijd = glaciale tijd, glaciaal. Tussen glacialen liggentussenijstijden = interglaciale tijden = interglacialen. Warmere fasen binnen een ijstijd heten interstadialen, koudere fasen zijn koele oscillaties = stadialen.
Het Pleistoceen is een tijdvak van het Kwartair met een opeenvolging van ijstijden en ‘warme’ tijden.

Fig.21. Vergelijking van de absolute ouderdom van de oorspronkelijk onderscheiden ijstijden in de Alpen en de tot heden herkende koude fasen in Nederland.

Fig.22. Chronostratigrafie en klimaatscurve van het laatste deel van het Kwartair inWest-Europa. (Naar Zagwijn, 1975)

Tijdens de laatste periode met ijstijden, het Pleistoceen, was er niet alleen een uitbreiding van het ijs rondom de poolkappen, maar ook in b.v. de Alpen. Begin deze eeuw benoemden Penck en Brückner vier glacialen van het Pleistoceen met namen van Zuid-Duitse riviertjes: Günz, Mindel, Riss en Würm.In Noord Europa zijn voor perioden met ijstijden namen in gebruik als Elsterien, Saalien en Weichselien.

In aride en semiaride gebieden als de Sahara en b.v. rond de Middellandse Zee komen tijden voor met afwisselend grote droogte en grote neerslag = pluvialen.

Er zijn stellig veel meer glacialen geweest, dan men oorspronkelijk aannam, maar sporen hiervan zijn moeilijk waar te nemen, omdat latere glacialen deze vaak hebben opgeruimd.
Hierdoor is het ook moeilijk, om glacialen en pluvialen in verschillende gebieden in samenhang met elkaar te brengen. Een wereldwijde correlatie is dan ook een hachelijke zaak.

Gedurende het Pleistoceen zouden zich ca. 20 ijstijden hebben voorgedaan. De aanzet voor de ijstijden deed zich al voor in het jongste deel van het Tertiair.

Fig.23. Chronostratigrafie van het Boven-Tertiair en het Kwartair in Nederland.

In ons land was de stroomrichting van het ijs vermoedelijk eerst vanuit het NO en daarna mogelijk uit het N en NNW.

Nederland is o.a. in de Saaleijstijd voor ongeveer de helft bedekt geweest met landijs. Uit de NW-richting van een aantal oerdalen, zoals dat van de Overijsselse Vecht zou men kunnen afleiden, dat het ijs gedurende het begin van de Saalevergletsjering ons land bereikte uit de richting van de huidige Noordzee.

Ramingen van de maximale grootte van de ijskappen gedurende het Pleistoceen komen uit op ca. driemaal het oppervlak van de huidige gletsjers en landijskappen.

Doordat het ijs grote hoeveelheden water bond en weer vrijgaf, kwamen er tijdens het Pleistoceen grote schommelingen van het zeeniveau voor. Bij maximale vergletsjering was de zeespiegelstand mogelijk ca. 130 m lager dan de huidige. Bij wegsmelten van al het nu nog aanwezige ijs zou de zeespiegel ca. 65 m stijgen.

Zoals gezegd, zijn er behalve in het Pleistoceen, nog verscheidene eerdere ijstijden geweest.
Er zijn al ijstijdverschijnselen bekend uit het Pre-Cambrium, uit het Ordovicium, van de grens tussen Siluur en Devoon en van de grens tussen Perm en Carboon, het zg. Permocarboon.

23.1. Oorzaken van ijstijden.

Over de oorzaken van ijstijden bestaan er verschillende hypothesen. Men onderscheidt terrestrische = aardse enextraterrestrische buitenaardse oorzaken.
Van de mogelijke aardse oorzaken noemen we continentverschuivingen = schollentektoniekorogenetische bewegingen en veranderingen in het CO2-gehalte van de atmosfeer.

Als buitenaardse oorzaken denkt men o.a. aan veranderingen van stralingsintensiteit van de zon en aan wijzigingen in de absorbtie van de zonneenergie door interstellaire materie = ruimtestof. De stand van de aardasis ook van invloed geweest.

Fig.24. De stralingscurve van Milankovitch voor 65° N.B.
De curve geeft de variaties weer in de intensiteit van het zonnelicht over de laatste 600.000 jaar. De veranderingen zijn uitgedrukt als breedtegraadsequivalenten, d.w.z. de straling die b.v. 550.000 jaren geleden op 65° N.B. werd opgevangen komt overeen met de straling die nu op 73° N.B. invalt. (vrij naar W. Köpper en A. Wegener, 1924).

24. DE ZEE.

De zee bedekt ruim tweederde van het aardoppervlak. Bovendien is 90% van de op het land voorkomende sedimenten van mariene oorsprong. De verdeling tussen land en water over het aardoppervlak is in de geschiedenis van de aarde heel vaak veranderd.
Tijdens de geologische geschiedenis van de aarde hadden er grote eustatische zeespiegelveranderingen = veranderingen, die over de gehele aarde gelijk zijn, plaats over de gehele aarde. Als oorzaken zijn vooral te noemen:
– uitbreiding en terugtrekking van de ijskappen rond de polen en de gletsjers.
– volumveranderingen van oceanische ruggen. Eustatische zeespiegelveranderingen door glaciaties verliepen vermoedelijk sneller dan die door veranderingen in gebergtemassa’s onder water.
Bijna alle bekende chemische elementen komen ook in zee voor. Het zeewater bevat chemische stoffen in verschillende vorm.
Het gehalte aan opgeloste ionen bepaalt de saliniteit = de zoutheid van het zeewater. De onderlinge verhouding van de hoofdbestanddelen Cl = chloor, Na = natrium, Mg = magnesium, Ca = calcium en K = kalium varieert heel weinig. Het totale zoutgehalte kan variëren als gevolg van verschillen in zoetwatertoevoer door regenval en rivieren en in verdamping. Zo is door verdamping de saliniteit van de Dode Zee, die overigens geen zee is, b.v. zeer hoog.

24.1. Waterbeweging in zee.

De belangrijkste waterbewegingen zijn:
– oppervlaktegolven,die worden veroorzaakt door wind. Het transporterend vermogen ervan is gering. Alleen bij kusten is het groot.
– tsunamizijn zeer lange golven, veroorzaakt door onderzeese afschuivingen, aardbevingen of door vulkaanerupties. Ze kunnen grote schade aanrichten.
– getijgolven en getijstromen ontstaan door eb en vloed en dus door de aantrekking van zon en maan.
– niet-oscillerende stromen ontstaan door wind = driftstromen of door horizontale verschillen in waterdruk =gradiëntstromen. Gradiëntstromen kunnen op alle diepten voorkomen.
– convectiestromen zijn stromingen als gevolg van temperatuurverschillen. Ze veroorzaken horizontale stromen.

24.2. De voedselcyclus.

Aan het begin van de voedselcyclus = de biologische voedselketen staat plankton = de verzamelnaam voor microscopisch kleine organismen, die vooral leven nabij de oppervlakte van zeeën en oceanen. Fytoplanktonbestaat uit zwevende plantaardige organismen zoals algendiatomeeën, coccolithophoren en dinoflagellaten. Het fytoplankton dient o.a. als voedsel voor het zoöplankton = dierlijke plankton, b.v. wormen, eieren en larven. Dat dient op zijn beurt als voedsel voor grotere organismen.
Eén kubieke meter zeewater kan wel tot honderd miljoen microorganismen herbergen.
Na de dood en afbraak van organismen ontstaat er vooral weer CO2. Dode resten van flora en fauna zinken naar dieper water, waar door ontleding voedingszouten vrijkomen en oplossen.
Waar door dieptestromen deze voedingszouten ergens anders aan de oppervlakte komen ontwikkelt zich veel fytoplankton.
Bepalend voor het optreden van fytoplankton is de aanwezigheid van ijzer. Dat is vnl. van terristische oorsprong, b.v. van inwaaiend woestijnzand. Waar ijzer ontbreekt, zal er ondanks voedselrijkdom weinig plankton tot ontwikkeling komen.
Veel plankton komt voor in het noordelijk deel van de Atlantische, de Indische en de Pacifische Oceaan. Het fytoplankton bestaat hier vooral uit geweldige hoeveelheden diatomeeën, waarvan de naar de bodem zinkende skeletdeeltjes het hoofdbestanddeel vormen van het sediment. Dit diatomeeënslik ligt als een brede gordel om het gehele Antarctische continent.
Langs sommige kusten van Amerika en Afrika ontstaan er door passaatwinden opwaartse stromingen, die een enorme planktonontwikkeling tengevolge kunnen hebben, vooral van de warmteminnende flagellaten. Deze scheiden giftige stoffen af, waardoor er een massale sterfte ontstaat van vissen en andere zeedieren. Dooraccumulatie = ophoping van hun fosfaatrijke beenderresten ontstaan er hier op de zeebodem fosfaatafzettingen.

Sommige diepe zeebekkens zijn door een drempel min of meer afgesloten. Doordat stromingen stagneren ontstaat er een zuurstofgebrek, waardoor leven op grotere diepte vrijwel onmogelijk wordt. Er ontwikkelt zich een flora van anaërobe = geen zuurstof gebruikende bacteriën. Deze produceren H2S = zwavelwaterstof. Onder normale omstandigheden wordt organisch materiaal door oxydatie gemineraliseerd.
In de boven beschreven bijna zuurstofloze omstandigheden gebeurt dit veel minder. Hierdoor is het bezinksel veel rijker aan organische stoffen.
Zo bevat b.v. het bodemslik in de Zwarte Zee tot 35% organisch materiaal, terwijl ca. 10% normaal is.
Behalve rijk aan organisch materiaal is dit slik meestal ook rijk aan pyriet.

Een voorbeeld van een fossiele formatie, die onder deze omstandigheden is gevormd, is de Liassische, dusJurassische Posidoniaschalie in West-Europa. Deze formatie is beroemd om de rijkdom aan goed bewaarde fossielen van reptielen, crinoïden op drijfhout, ammonieten en andere zeedieren. Een bekende vindplaats is Holzmaden in Zuid-Duitsland. De fossielen zijn goed geconserveerd door het zuurstofarme en H2S-rijke water, maar bovendien talrijk, doordat er in dit milieu geen aaseters konden leven.
Gezegende geologische omstandigheden dus voor fossielenverzamelaars.

24.3. Het zeebodemreliëf.

De samenstelling van de aardkorst onder de continenten en de oceanen verschilt wezenlijk. Onder de oceanen bestaat dekristallijne korst vooral uit relatief SiO2-arme gesteenten. Bovenin vooral basalt, dieper ook gabbro,amfiboliet en serpentiniet.
De aardkorst is onder oceanen zelden dikker dan 5-7 km. De sedimentbedekking kan oplopen tot verscheidene kilometers.
In randbekkens, van de oceanen gescheiden door eilandenreeksen of onderzeese ruggen, loopt het sedimentpakket wel op tot meer dan 10 km.Een ondiepe randzone van een continent heet een shelf = contintaal plat.

De bodem van oceanen bestaat uit gedeelten, die vanuit de grote oceanische ruggen uiteendrijven met een snelheid van enkele cm’s per jaar. Dit gaat gepaard met de toevoer van nieuw gesteente in de mediane gedeelten van de oceanische ruggen, dat oprijst deels in vaste toestand, deels in vloeibare vorm als basalt. Het hier beschreven proces leidt tot het geleidelijke iets breder worden van b.v. de Atlantische Oceaan. Bij de Pacifische Oceaan ligt dat iets anders, doordat de oceaankorst hier langs schuine vlakken wegduikt onder de randen van de opdringende continenten.
Deze wegduikstroken worden over het algemeen gemarkeerd door diepzeetroggen. Landinwaarts ontstaan hier gebieden met veel vulkanisme.

Behalve de hiervoor beschreven horizontale bewegingen drift van continenten, die invloed hebben op de vorm van zeeën en hun bodem, bestaan er ook verticale bodembewegingen.

Waar voor kusten ondiepe zones zijn en waar de bodem zich leent voor erosie, kunnen door sterke getijstromen, samen met enkele andere factoren, langgerekte banken ontstaan met geulen ertussen. Zulke banken liggen b.v. in het Nauw van Calais en in delen van het Kanaal.

Wij hebben U er al vaak op gewezen, dat we recente verschijnselen signaleren, omdat ze van belang kunnen zijn voor het herkennen van ‘fossiele’ vormen in het landschap of in de ondergrond.
Welnu, als U tegenwoordig de autoweg volgt van Geleen naar Leuven, ziet U enkele kilometers voor Leuven links en rechts weg van de autoweg, ongeveer evenwijdig daaraan, langgerekte heuvelruggen. Dat zijn van zulke fossiele stroomruggen, waarbij U moet bedenken, dat sinds hun opheffing boven de zeespiegel de tussenliggende geulen grotendeels zijn opgevuld, zodat de hoogteverschillen tussen ruggen en dalen = stroomsleuven nog tientallen meters meer moeten zijn geweest.

Als U beseft, dat ver van de kusten onder water erosie en sedimentatie over het algemeen een geringe rol spelen, dan zal het U duidelijk zijn, dat onderzeese canyons, bergen-, troggen, vulkanen enz. veel geprononceerder zijn dan die op het land.

24.4. Afzettingen in zee.

Het meeste in zee afgezette materiaal is afkomstig van het land en als klastisch materiaal vervoerd en bezonken. Ze vormen terrigene sedimenten. Rivieren spelen bij het transport een hoofdrol. Golferosie neemt nauwelijks 1% voor zijn rekening. Vanzelfsprekend komt vrijwel alle materiaal dicht voor de kust tot bezinking. Maar heel weinig partikeltjes bereiken zwevend in zeestromingen het midden van oceanen. Bovendien is een deel van het hier voorkomende sediment eolisch getransporteerd.
Een aparte bron voor aangevoerd materiaal vormt het vulkanisme. Volledigheidshalve moeten we ook kosmogene= uit de ruimte afkomstige bestanddelen noemen.

Biologische componenten spelen bij zeeafzettingen een grote rol.
Dat kunnen zijn pelagische =vrij in het water rondzwemmende of zwevende organismen of benthonische = bodembewonende organismen.
De hoofdbestanddelen van organogene = van organische oorsprong zijnde sedimenten zijn koolzure kalk enkiezel.
De belangrijkste pelagische kalkleveranciers zijn foraminiferen.Benthonische kalkproducenten zijn veel gevarieerder. Ze behoren tot de foraminiferen, sponzen, koralen, bryozoën, mollusken, brachiopoden, echinodermen en anneliden.Kalkwieren zijn plantaardige kalkleveranciers.

Kiezelzuur wordt geleverd door diatomeeën, radiolariën, silicoflagellaten en sommige sponzen.Het wordt ook aangevoerd door rivieren.

Zeewater is aan de oppervlakte vaak bijna geheel verzadigd en soms zelfs oververzadigd met opgeloste CaCO3. In het laatste geval kan b.v. in ondiep water precipitatie = afzetting = neerslag optreden.

De kalk slaat bij voorkeur neer op bestaande kleine kernen, waardoor in turbulent water concentrisch gelaagde bolvormige lichaampjes oöieden kunnen ontstaan, vaak maar enkele mm’s groot. Dergelijke oöieden kunnen door verkitting tot gesteente verharden tot oölieten. Een oön = een ei, zo genoemd vanwege de gelijkenis van het gesteente met viskuit.

We signaleren kort rifvormende organismen en kalkslikken.

Bij rifformaties onderscheiden we franjeriffenbarrièreriffenen atollen. Zie 24.6.

Ca-fosfaten, verhard tot gesteenten noemt men fosforiet.

We wezen al eerder op het ontstaan op vrij geringe diepte in stijgstromen voor kusten. Fosfaten worden afgezet in de vorm van knollen, knollige platen e.d.

Glauconietkorrels zijn meestal groen van kleur. Het is een waterhoudend K-Mg-Fe-Al-silicaat. Het wordt neergeslagen in korreltjes van zandgrootte. Vaak vindt men glauconiet als opvulling van foraminiferenschalen.

Het zal U duidelijk zijn, dat vele afzettingen kunnen worden omgevormd door diagenese. Hierdoor worden b.v. pyrieten dolomiet gevormd.
Verder worden er door zeestromingen materialen, die eenmaal zijn gesedimenteerd opnieuw opgenomen, verplaatst en geresedimenteerd.

24.5Bewoningszones in zee.

Wij geven tot slot nog enkele namen van zones, waarin organismen in zeeën voorkomen.
– de pelagische zone wordt bevolkt door rondzwemmende en zwevende organismen.
– de benthonische zone is de levensruimte van op de bodem levende organismen.
Deze laatste zone wordt veelal onderverdeeld in
– de littorale zone = de kuststrook
– de nerietische zone, die tot 200 meter diep is.
– de bathyale zone, die loopt tot de dieptelijn van ca. 1000 m.
– de abyssale zone, die de diepste delen van de zeebodem omvat, exclusief de diepzeetroggen
– de hadale zone, de bodem van de diepzeetroggen.

Fig.25. De chemische oplossing en precipitatie van kalksteen.

24.6. Mariene sedimenten en bewoners.

Omdat een groot deel van de oudere mariene afzettingen, die we thans aantreffen op het land,zijn gevormd inshelfzeeën, bespreken we eerst de shelfsedimenten. Hun faciës is in hoofdzaak nerietisch = uit de zone tot de 200 m dieptelijn. Het in deze zone gevormde materiaal bestaat vooral uit terrigeen materiaal = in zee afgezet materiaal, dat afkomstig is van het land en verder uit resten van benthonischorganismen = organismen, die de zeebodem zelf bewonen. Ter herinnering: dit dus in tegenstelling tot de pelagische organismen = in het water rondzwemmende of zwevende organismen.
Directe precipitatie = afzetting van kalk speelt een ondergeschikte rol en is vooral beperkt tot zeer ondiep water. De afzettingen hebben dan plaats in de vorm van oöieden (zie 24.4.) of van fijnkristallijne kalkslik.
Een recent voorbeeld hiervan is te vinden op de Bahamabank, waar nu directe kalkneerslag plaatsheeft. Fossiele voorbeelden vinden we in W.Europa b.v. in het OnderKarboon en in de Dogger.

Terrigene afzettingen vertonen normaal een korrelgrootteverdeling met een afneming van de grootte van de kust af. Toch treft men vaak na het passeren van de silt-en kleizone nog verder van de kust af weer een bedekking aan met grove, zandige en zelfs grindhoudende sedimenten. Deze grove sedimenten zijn afgezet tijdens het Pleistoceen door rivieren, die over de shelven stroomden. Deze lagen toch, droog als gevolg van de zeespiegelverlagingen tijdens de ijstijden.

TNO-NITG en anderen doen de laatste jaren veel onderzoek naar de levende fauna in de kustzone en op de shelfs. Hier is een grote rijkdom aan leven. Dit is niet verwonderlijk, daar de rivieren veel voedselrijk water aanvoeren.

Biogene afzetting verloopt overigens uiterst langzaam. Men heeft b.v. vastgesteld, dat de bodem op een diepte van 50 – 150 m. in de Adriatische zee niet sneller wordt opgehoogd dan 0.5 – 1 cm per 1000 jaar. Zou men hieruit nu moeten afleiden, dat een pakket kalksteen, bestaande uit nerietische benthosbewoners, zou zijn afgezet in 10 – 20 miljoen jaar? Daarbij moet men bedenken, dat in ondieper water, b.v. niet dieper dan enkele tientallen meters, de sedimentatie waarschijnlijk veel sneller was. Dergelijke omstandigheden komen nu weinig of niet voor, omdat de huidige shelfzeeën dieper zijn, als gevolg van het afsmelten van de Pleistocene ijskappen, m.a.w. als gevolg van depostglaciale zeespiegelrijzing.

Van de biogene afzettingen noemen we tenslotte nog kort de riffen. Zoals bekend, worden riffen gevormd doorkolonievormende koralen. Maar ook door sponzen en kalkalgen. Hierbij niet te vergeten de op een vast rif levende organismen als mollusken, echinodermen en foraminiferen. Factoren voor het goed ontwikkelen van riffen zijn: ondiep, helder voedselrijk water met een goede doorluchting en een temperatuur van 25 – 30°C. Beneden 18°C worden geen grote riffen gevormd.

Ook in de Noordzee leven op verschillende plaatsen koralen.
Riffen komen bij ons zelfs voor in de brakke Zeeuwse wateren. Dit zijn kalkriffen, gevormd door bryozoën in symbiose met blauwalgen. Men onderscheidt koraalriffen naar hun vorm in:
– franjeriffen, die aan kusten zijn vastgegroeid.
– barrièreriffen, langgerekt en meestal evenwijdig aan een kust.

atollen, grote ringen van riffen, die een lagune omsluiten. Ze liggen meestal in diepere zeeën. — diverse kleinere riffen, zoals rifknollen, plaatriffen en rifpinakels in atollagunes. Ze liggen meestal in ondiep water.

We besteden aandacht aan riffen, hoewel die nu in onze streken schaars voorkomen, omdat ze in fossiele vorm zeer talrijk zijn. Ook in onze omgeving zijn er zeer beroemde voorbeelden te noemen van fossiele riffen:
– uit het Siluur op het eiland Gotland vooral stromatoporen, koralen, bryozoën en algen.
– uit het Frasnien,behorende tot het Devoon,in de Belgische Ardennen, onderaan koralen en bovenaan vooralstromatoporen.
NB. In deze Frasnien-formaties zijn er in groeven ontsluitingen met riffen van geweldig formaat.
– uit het Perm langs de Z.W.-rand van de Hartz algen-bryozoën- riffen.
– uit het Malm, behorende tot de Jura in Zuid-Duitsland o.a. sponzen.
– iets verder weg in de Dolomieten uit de Trias koralen en algen.

Fossielen zijn in afzettingen naast de rifkern vaak goed geconserveerd. In het rif zelf is vaak door omkristallisatie de rifbouwende fauna minder goed te herkennen. Een bijkomend verschijnsel is daarbij vaak, dat door rekristallisatie in holten fraaie calcietkristallen zijn gevormd.

Over de bathyale zone = tot de dieptelijn van ca. 1000 m en abyssale zone = nog diepere zeegedeelten (zie hiervoor 24.5.) kunnen we vrij kort zijn.
We noemen in dit verband de turbidieten = sedimenten, die zijn afgezet aan de voet van continentale hellingen. Ze kunnen vaak honderden kilometers lang zijn. Ze vertonen een gegradeerde gelaagdheid.
Als gevolg van hun afzetting is er in ieder pakket afzettingen een gegradeerdheid in korrelgrootte ontstaan. Hierdoor komen binnen ieder pakket de grotere korrels beneden voor, de kleinere boven en de allerkleinste verdeeld over het gehele pakket.

Stroomribbels, als gevolg van bodemtransport zijn vaak fossiel zeer goed waarneembaar. Bij getijstromen zijn ze meestal te herkennen aan hun grotere variatie in vormen.
In oude formaties zijn bythyale en abyssale afzettingen, bestaande uit terrigene bestanddelen zeer algemeen, vooral in geosynclinale series, m.a.w. in sedimentatiebekkens, die zijn ontstaan door plooiingen van de aardkorst.
In dit verband noemen we de veel gebruikte term Flysch. Men bedoelt hiermee de enorme sedimentaccumulaties, die zijn ontstaan langs de rand van de Alpen, als gevolg van de opheffing en de erosie van de Alpen.
Flysch wordt gekenmerkt door dikke series fossielarme, kleiige sedimenten, met siltige of zandige tussenlaagjes (van turbidieten), soms met ingeschakelde breccies of conglomeraten (van grove turbidieten en van afglijdingspakketten).

Tot slot nog iets over afzettingen in de pelagische zone = de pelagische sedimenten. We hebben het dan over de diepe oceaanbodem, die buiten het bereik ligt van de kusten, de invloed van rivieren e.d. Eerder noemden we al, dat dit gebied alleen wordt bereikt door zwemmende en zwevende organismen. Zo wordt het natuurlijk ook alleen maar bereikt door zwevende anorganische deeltjes.
Volledigheidshalve noemen we van de afzettingen globigerinenslik, ‘rode’diepzeekleidiatomeeënslik enradiolariënslik.

Bij de bestudering van boorkernen van de betreffende lagen, kan men de bezinkingen op velerlei manieren gebruiken voor het trekken van conclusies. Een bekend voorbeeld is de bestudering van de kalk van de foraminiferenskeletjes. Daar men hieruit de temperatuur van het water, waaraan deze organismen hun kalk hebben onttrokken, kan afleiden met de 16O – 18O – methode kan men uit de resultaten conclusies verbinden over het voorkomen van ijstijden. Een moeilijke en gecompliceerde tak van de geologische wetenschap. Maar de theorie, dat er tientallen meer ijstijden moeten zijn geweest, dan men oorspronkelijk dacht, wordt er stevig mee ondersteund.

25. KUSTEN.

De grens tussen zee en land is niet een grensvlak, maar een kustlijn of beter gezegd een smalle zone, dekustzone of littorale zone.
De agentia in deze zone zijn de golfslag en stromingen,veroorzaakt door wind en getijden. In beperkte mate spelen ook planten en dieren een rol; denkt U maar aan wieren en koralen.

De exacte scheidingslijn tussen water en land is de waterlijn. Omdat deze lijn zich verplaatst bij eb en vloed neemt men hiervoor de lijn van gemiddeld hoog water. De getijzone is bij steile rotskusten uiteraard zeer smal. Op andere plaatsen is er een breed strand aanwezig.
Over langere tijd en zeker als men denkt in geologische tijden ligt de kustlijn verre van vast. Factoren, die kustlijnen doen verplaatsen zijn o.a. erosie, sedimentatie, stijging en daling van de zeespiegel en stijging en daling van het land. De vaak wereldwijde stelsels van zeestromingen vervoeren wel materiaal, maar spelen geen grote rol bij de verandering van kustvormen. Ze kunnen wel een rol spelen, waar door rivieren grote hoeveelheden slib wordt aangevoerd. Van grotere invloed zijn de getijstromen en de golfslag.

25.1. Rotskusten.

Bij kusten, waar vast gesteente aan de dag treedt vormen zich steile rotswanden. Vooral doordat het water verweringsmateriaal snel afvoert, maar ook door de erosie door de golven, die wel abrasie wordt genoemd. Abradere = afkrabben.
Daar de werking van de golfbeweging ondiep is, is ook de werking van de abrasie van de golven nooit dieper dan enkele meters onder de laagwaterspiegel. Waar een kustklif door de werking van de branding achteruit schuift vormt zich daardoor een abrasieplatform.

Bij sommige gesteenten speelt ook de chemische eroderende werking van het zeewater een rol, b.v. bij kalksteen.
Bij zachtere gesteenten spelen ook dieren een rol bij de kustafbraak. ‘Rotsboorders’, die holen en gangen maken, vindt men onder de sponzen, holtedieren, wormen, crustaceeën, echiniden en vooral onder de mollusken.

25.2. Kusten uit los materiaal.

Door de golfbeweging wordt los materiaal verplaatst loodrecht op de kust. De landinwaartse bovenstroom in de golven heeft in het algemeen een grotere snelheid dan de zeewaartse onderstroom. Hierdoor kan er sedimentatiemateriaal op het strand worden aangevoerd in de vorm van zand, schelpen en fijn grind. Dit kan door gebrek aan aan te spoelen materiaal natuurlijk niet eindeloos doorgaan. Verbreding van een strand heeft dan ook alleen plaats, als stromingen langs de kust nieuw materiaal aanvoeren. Wordt er integendeel steeds materiaal afgevoerd door longitudinale stromen, dan heeft er strandafbraak plaats.
Sedimentverplaatsing evenwijdig aan de kust is meestal een gevolg van samenwerking tussen golfslag en stroming langs de kust.
Doordat de golfslag meestal iets schuin op de kust staat en doordat afgezet materiaal daarna bovendien door de wind, dus eolisch, wordt verplaatst, heeft er bij veel eenzijdige windrichting een voortdurende materiaalverplaatsing plaats langs de kust. Dit noemt men kustdrift.

Door het aanvoeren van materiaal op het strand ontstaat er op enige afstand van het strand een geul. Daarachter vormt zich in samenhang met de kustdrift een rug. Als er door rivieren in de buurt materiaal wordt aangevoerd kunnen deze ruggen zelfs tot boven de waterspiegel aangroeien. Ze beschermen dan het strand voor verdere sterke golfbewegingen, waardoor het strand zich sprongsgewijs voorwaarts kan verplaatsen. Op deze wijze kunnen er evenwijdig aan de kust ruggen en sleuven worden gevormd met tussenruimten van meestal enkele tientallen meters.

Een kust is meestal niet kaarsrecht, maar vertoont vaak bochten. Hierdoor kunnen driftstromen soms zodanig ombuigen, dat er afzetting plaats heeft van sediment verbonden met de kust. Dan ontstaan er landtongen ofschoorwallen. Dit gebeurt uiteraard het meest, als er veel los materiaal is. Plaatsen waar schoorwallen voorkomen liggen vaak bij kapen, inhammen en rivierdelta’s.

Langgerekte littorale, dus evenwijdig aan de kust liggende formaties, die vaak nog door duinvorming zijn opgehoogd, noemt men strandwallen.
Er zijn veel strandwallen, die veranderd zijn in langgerekte strandwaleilanden, van elkaar gescheiden door zeegaten. Soms sluiten ze aan het begin of het eind aan bij het vasteland. Voorbeelden zijn de eilandenreeksen aan de Golfkust, in de Adriatische Zee ten N. van de Po-delta en natuurlijk onze Waddeneilanden.
Vrij algemeen wordt aangenomen, dat onze Waddeneilanden niet zijn ontstaan in open zee,maar dat de achterliggende Wadden zijn te beschouwen als ‘verdronken land’. Een dergelijk gebied, dat slechts bij hoge vloed onderloopt heet kwelder, schor of gors.
Terwijl strandwallen over het algemeen smal blijven, konden ze zich in ons geval verbreden, toen de zeespiegelstijging zo’n 5000 jaar geleden sterk afnam, waardoor ze zich zeewaarts konden verbreden doorlongitudinale sedimentaanvoer.

Als de zeespiegel als gevolg van geologische omstandigheden vele tienduizenden jaren ongeveer gelijk blijft kunnen er zich wereldwijd op vele plaatsen littorale pakketten afzetten, hetgeen kan leiden tot langdurige kustuitbouw. Hierdoor kan men onder terristische afzettingen vaak mooie fossiele strandwalformatiesaantreffen. Fraaie voorbeelden hiervan zijn te vinden in het Mioceen van Zuid-Limburg.

Het milieu in lagunes en waddengebieden is vaak minder zout tot brak door de aanvoer van rivierwater. Dit heeft zijn invloed op flora en de fauna, zoals men die later in fossiele afzettingen aantreft.
Ook in estuaria = brede riviermonden kan men rneestal een brak milieu aantreffen.

Fossiele afzettingen in lagunes en waddengebieden zijn normalerwijze slechts dun als gevolg van de ondiepte van het water waarin ze zijn afgezet en anderzijds als gevolg van de grote kans, dat ze na afzetting weer zijn vernietigd, b.v. door kustafslag. Alleen in geval van bodemdaling kan het afgezette pakket dikker zijn.

Er zijn talrijke voorbeelden van mariene afzettingen, die boven het laagwaterniveau zijn gevormd. We noemen depsammieten van Condroz in België.
Verder moeten we natuurlijk de beroemde Muschelkalkafzettingen in de groeven van Winterswijk vermelden.
Deze zijn vermoedelijk ontstaan in lagunes, die bij zeer hoge waterstanden onder water kwamen te staan. Door de tussentijdse lange droge perioden werden er diepe krimpscheuren gevormd, die plaatselijk vele decimeters diep zijn.

25.3. Zeespiegelbewegingen.

Deze zijn geologisch alleen van belang, als het eustatische bewegingen betreft, d.w.z. veranderingen van de zeespiegel over de gehele wereld. Dit is het geval bij aangroei of afsmelting van ijskappen en in enkele gevallen door grote veranderingen in oceaanbodems.
Dit laatste heeft zich vermoedelijk voorgedaan tijdens het Boven-Krijt, toen grote stukken continent door shelfzeeën werden bedekt.

Andere processen, die onder deze categorie vallen zijn: compactie, breukbewegingen, epirogenese, isostatische daling en oprijzing bij de vorming, respectievelijk de afsmelting van ijskappen. Dit laatste vond o.a. plaats in het Kwartair. Aan het einde van het Pleistoceen, rond het begin van het Holoceen bedroeg de niveaustijging van de zee maximaal wel zo’n 8 cm per eeuw.
Hierbij past uiteraard weer de opmerking, dat een stijging of daling, die we ergens ter plaatse waarnemen, een relatieve stijging is, namelijk t.o.v. het land.

Tenslotte moet ik U nog twee begrippen noemen.
Een transgressie is het overstromen van grote stukken land langs de zeekust als gevolg van eustatische zeespiegelstijging en/of van bodemdaling.
Een regressie is het droogvallen onder omgekeerde omstandigheden.
Op geologische tabellen van de Lage Landen van het Holoceen treft men vele transgressies en regressies aan, verbonden met namen als Calais en Duinkerken.

26. ZOUT.

26.1. Evaporieten.

Zie ook hoofdstuk 17.3. Zoutmeren.Evaporieten = indampingsgesteenten ontstaan door het verdampen van zeewater en het water van meren, die gezien het klimaat, dat gunstig is voor snelle verdamping meestal woestijn – of steppemeren zijn. Evaporieten bestaan uit goed oplosbare zouten, zoals chloriden en sulfaten van kalium,natrium, calcium en magnesium. Hoewel dolomiet in vergelijkbare omstandigheden kan ontstaan rekent men het niet tot de evaporieten, omdat het ontstaat uit kalkslib en dus niet valt onder de definitie ‘goed oplosbare stoffen’.

Bij indamping ontstaan de kristallen in volgorde van hun oplosbaarheid. Bij zeewater begint de kristallisatie als ca.70% van het water is verdampt. Dan is de saliniteit = het zoutgehalte ca. 12%, waarbij de eerste kristallen verschijnen van gips = calciumsulfaat. Is 90% verdampt dan voltrekt zich bij een saliniteit van 31% de afzetting vanhaliet = steenzout = NaCl, ook wel keukenzout genoemd. Als 98% van het zeewater is verdampt zetten zich de laatste zeer oplosbare zouten af. Dat zijn de chloriden en sulfaten van kalium en magnesium. In de zoutmijnbouw spreekt men in dit verband van ‘Abraumsalze‘.

Gips bevat een zekere hoeveelheid in het molecuul gebonden water. Chemisch gezien is gips CaSO4.2H2O. Bij hoge temperatuur wordt gips omgezet in anhydriet = CaSO2. Aan de oppervlakte kan in vochtige klimaten anhydriet weer worden omgezet in gips.Een gipsmolecuul is groter dan een anhydrietmolecuul.
Als anhydriet, dat als een laagje voorkomt in een gesteenteblok door hydratatie = vochtbinding verandert in gips, kan dat door de volumevergroting, desquamatie = bloksplijting veroorzaken.

Bij Bad Aseberg in Sleeswijk-Holstein steekt een gipsberg boven het landschap uit. Dit is de top van een zoutkoepel.
Kaliumzouten worden gewonnen voor de kunstmestindustrie.

Het zal duidelijk zijn, dat zoutafzettingen vooral ontstaan in afgesloten bekkens afvloeiloze depressies. Water kan afkomstig zijn van een rivier of van grondwater. Als de bodem droogvalt, ontstaat er een zoutvlakte = playa =salina.
In een lagune kan ook zout worden afgezet, als de verdamping sneller verloopt dan de toevoer van nieuw zeewater door een kleine opening in de strandwal.

Fossiele evaporieten komen voor in alle hierboven beschreven vormen.
Afzettingen uit lagunes en zoutmeren, die meestal beperkt zijn in dikte en oppervlakte zijn b.v. bekend als gips- en halietlagen in het Keuper in Duitsland, als gipslagen in het Eoceen in het Bekken van Parijs en als gipslagen in hetMioceen in Spanje.
Dit soort afzettingen stammen van de grens tussen continentale en mariene milieus, m.a.w. langs de randen van zeebekkens.
Veel belangrijker en omvangrijker zijn de Permische evaporieten in Noord-Nederland en Noord-Duitsland. Het voorkomen van aardgas houdt daar verband mee. Het eiland Helgoland is een boven zee uitstekende Bontzandsteenrots, die de top vormt van een, dieper liggende zoutbult.

Grote evaporietafzettingen, met een oppervlakte van honderdduizenden km² en dikten tot ca. 1000 m moeten zijn ontstaan in flinke binnenzeeën ter grootte van b.v. de huidige Middellandse Zee of de Rode Zee.
Deze bekkens zullen wel afgesloten zijn geweest door een shelf, zodat er toch een voortdurende en langdurige aanvoer is geweest van vers zout water vanuit een oceaan, dit dan gevoegd bij de aanvoer door rivieren.
Dicht bij de instroming is vooral carbonaat afgezet. Meer naar binnen volgt er een dikker pakket gips. Midden in het bekken ligt er op een dunne gipslaag een dik pakket haliet = steenzout. Daarop kunnen zich afzettingen bevinden van kalium- en magnesiumzouten.
Dit laatste duidt op een toenemende afsluiting van de toevoer van oceaanwater. Als de saliniteit door gehele afsluiting en latere hernieuwde toestroming sterk wordt gewijzigd, dan ontstaat er een cyclothemen in het zoutpakket.

In ons zoutbekken in NO Nederland, dat behoort tot het Zechstein van het Boven-Perm komen vier van zulke cycli voor.
Verder komt er in zoutlichamen vaak een fijne gelaagdheid voor, die men toeschrijft aan seizoenfluctuaties. Deze jaargelaagdheid = laminaties = worden ook wel varven = warven genoemd.
Zout wordt onder hoge druk zeer plastisch, waardoor het erboven liggende gesteenten omhoog kan persen enzoutpijlers = zoutkoepels = saltdomeskunnen worden gevormd. Hierdoor kan de zoutlaag, die in N.Nederland op zo’n 2500 m. diepte ligt b.v. bij Winschoten een niveau bereiken van slechts een paar honderd meter diepte.
Dergelijke verschijnselen vallen onder het begrip halokinese = zouttektoniek.

27. FOSSIELE BRANDSTOFFEN.

In een kort hoofdstuk bespreken we beknopt de geologisch en voor de mens belangrijke delfstoffen van organische oorsprong, die in Nederland voorkomen.
Traditioneel werden de fossiele brandstoffen in ons land alleen gebruikt voor verwarming. De laatste decennia hebben de brandstoffen, die zich hebben kunnen handhaven vooral nog belang als hulpstof bij de staalbereiding en als grondstof voor de petrochemische industrie.

27.1. Veenbruinkool, steenkool.

Bruinkool en steenkool ontstaan uit veen door toename van het koolstofgehalte. Dit gaat gepaard met afname van de vluchtigheid, toename van het reflectievermogen en dus van de glans.
Bij voortschrijden van de inkoling is er sprake van een inkolingsreeks: turf, zachte bruinkool, matbruinkool, glansbruinkool, vlamkool, gaskool, vetkool, esskool, magerkool, anthraciet.

Veen.
Veenvorming = transformatie van geaccumuleerd plantaardig materiaal in stagnerend water, regenwater, grondwater of gestuwd water, met weinig zuurstof.
We onderscheiden: laagveendalveen en hoogveen.
Ombrogeen veen = veen, dat vrijwel alle water verkrijgt uit de atmosfeer, uit neerslag, zoals bij hoogveen. Dit veen ligt dus boven de grondwaterspiegel.
Topogeen veen =veen, dat vrijwel alle water ontvangt als grondwater, zoals bij laagveen. Men maakt ook wel onderscheid naar de grondstof voor de veenvorming in: rietveen, mosveen, heideveen, toendraveen, bosveen, enz.

Alle organisch materiaal rot in aerobe = zuurstofrijke omstandigheden snel. In een anaerobe = zuurstofarme omgeving, dus onder water, verloopt de rotting langzaam en kan er dus accumulatie plaatsvinden. Hierbij is het water eerst nog eutroof = voedselrijk, maar daarna wordt het via mesotroof tenslotte oligotroof = voedselarm.

In Noord- en Oost-Nederland kon men zich de veenafzetting als volgt voorstellen.
Tijdens het Holoceen vormden zich eerst eutroof/mesotroof verlandingsveen (riet- en zeggeveen). Later ontstond het grondwaterveen (moerasbosveen). Tijdens het Atlanticum vormde zich hierop oligotroof veenmosveen(regenwaterveen).

Hardwaterlagen = bruine, jonge, humeuze inspoelingslagen en zand onder veenafzettingen. De waterdoorlatendheid ervan is klein.

Bruinkool.
Bruinkool = ligniet staat wat inkoling betreft tussen veen en steenkool in.
Bij inkoling neemt het koolstofgehalte toe, terwijl CO2, N2, H2O en CH4 = methaan ontwijken. Het proces voltrekt zich onder invloed van druktemperatuur en vooral ook van tijd.
Bruinkool bevat 10-75% water.

Xyliet = ingekoolde stukken hout, qua inkoling vergelijkbaar met zachte bruinkool.

In onze streken zijn er in Zuid-Limburg en vooral in het gebied tussen Limburg en de Rijn omvangrijke bruinkoolafzettingen. Deze zijn gevormd in het Mioceen.

Steenkool .
Steenkool ontstaat door verdere inkoling. Bij anthraciet is het koolstofpercentage opgelopen tot 95%.
Men spreekt nog van steenkool bij minder dan 40% organische bestanddelen.Steenkoollagen zijn altijd laagsgewijs afgezet. Het zijn accumulatielagen van organisch materiaal, afgewisseld door sedimentatielagen van ander materiaal, vooral van schalie en zandsteen. Dit afzettingspatroon blijft gehandhaafd, zolang de bodem regelmatig relatief daalt.
In ons land maken de kolenlagen minder dan 5% uit van het totale pakket van het z.g. productieve Carboon.

27.2. Aardolie.

Aardolie is een vloeibare fossiele brandstof, een mengsel van koolwaterstoffen, dat voor 83-87% bestaat uit C = koolstof en voor 11-14% uit H = waterstof. Aardolie bestaat uit een hele reeks koolwaterstoffen met verschillend moleculairgewicht.

Als een molecuul 1 tot 4 koolstofatomen bevat is de verbinding gasvormig. Vb. aardgas.
Bij 5 tot 15 koolstofatomen per molecuul is de stof vloeibaar: de eigenlijke aardolie.
Bij meer dan 22 koolstofatomen per molecuul is de stof vast. Men spreekt dan van asfalt of pek. Teer is een bestanddeel van pek. Al deze natuurlijke koolwaterstoffen vat men samen onder de naam bitumen = bitumina.

Fig.26. Carbonisch veenmoeras. (naar Rijks Geologische. Dienst, 1985).

Het ontstaan van aardolie stelt men zich ongeveer als volgt voor. Dood organisch materiaal in zeeën, hoofdzakelijk afkomstig van plankton zinkt naar de bodem. In het bovenste zeegedeelte vindt afbraak plaats door zuurstofgebruikende fauna. Bij verdere bezinking vindt afbraak plaats door anaërobe = in zuurstofvrije omgeving levende bacteriën. De rest van de organische stof zinkt met het sediment naar de bodem. Als een sediment minstens 2 tot 10% organisch materiaal bevat (dat is een hoog gehalte te noemen), dan spreekt men vansapropeel sapropelium = organisch slib. Dit sapropeel ziet men als de grondstof voor het ontstaan van aardolie. Voorwaarde is, dat het sediment, dat later het moedergesteente voor de aardolie vormt, fijnkorrelig is.

Een recent voorbeeld, waar dit proces nog plaats heeft vinden we in de Zwarte Zee. Essentieel is een vrijwel afvoerloos bekken zonder noemenswaardige bodemcirculatie.
We gaan niet verder in op de chemische processen, waardoor sapropeel wordt omgezet tot de verschillende koolwaterstofbestanddelen van aardolie, de transformatie.
We constateren wel nog, dat de gevormde aardolie in veel gevallen migreert = zich verplaatst binnen het moedergesteente of uit het moedergesteente naar een poreus reservoirgesteente. Dit gesteente kan b.v. zandig of kalkachtig zijn.
Een zandig reservoirgesteente, zoals bij Schoonebeek, heeft een groot poriënvolume.
Een kalkachtig reservoirgesteente is veelal een breccie of een anderszins tektonisch vervormd gesteente, waarin veel scheuren en breuken voorkomen.
Binnen het reservoirgesteente zoekt de aardolie de hoogste punten op. Als hier ondoorlaatbare gesteenten verdere migratie tegenhouden, dan wordt de aardolie als het ware gevangen in een z.g. oiltrap en kan ze zich ophopen tot een exploitabele hoeveelheid, een aardolieaccumulatie = oilpool.
Uiteraard kunnen anticlinalen, discordanties en breuken bij deze processen een rol spelen.
In ons land wordt aardolie aangetroffen in afzettingen van het Onder-Krijt tot Midden-Jura. In Schoonebeek is het reservoirgesteente Bentheimer Zandsteen.
Op het Continentale Plat zijn het afzettingen van het Carboon tot het Eoceen.

27.3. Aardgas.

Aardgas kan zich uiteraard nog gemakkelijker verplaatsen naar de bovenste lagen van een reservoirgesteente. Bij het aardgas in Groningen fungeert zandsteen van het Rotliegendes uit het Onder-Perm als reservoirgesteente.

28. MINERALEN.

Eerst weer enkele definities.
Een mineraal is een homogeen in de natuur ontstaan bestanddeel van de aardkorst. Hieraan moeten we tegenwoordig toevoegen: of van een ander hemellichaam.
De wetenschap, die zich bezighoudt met de studie van mineralen is de mineralogie.

Zware mineralen = mineralen met een s.g. van meer dan ca. 2.9.

Edelstenen zijn mineralen, die harder zijn dan kwarts en die worden gebruikt als sieraad.
De studie van edelstenen is de gemmologie = edelsteenkunde.
Edele metalen = metalen, die in de natuur niet worden aangetast door oxydatie.

Het gewicht van edelstenen en goud wordt uitgedrukt in karaat. Karaten waren de zaadjes van een Johannesbroodboom. Ze werden in het Midden-Oosten gebruikt voor het wegen van edelstenen.
Nu is 1 karaat = 0.2 gram.
In Engeland is 1 ounce = 20 pennyweight. 1 pennyweight = 24 grains. Volgens een wet van 1066 is een pennyweight het gewicht van 32 tarwekorrels, die midden uit de aar zijn geplukt.

Een zelfde stof kan zich voordoen in verschillende aggregatietoestanden = vormen, waarin het kan voorkomen:vast, vloeibaar of gasvormig. De meeste mineralen zijn vaste stoffen. Een belangrijke uitzondering is water, dat in alle drie aggregatietoestanden in de natuur voorkomt. Een andere uitzondering is kwik.

Sommige mineralen zijn, wat men bij metalen noemt gedegen = ze bestaan uit één element. De meeste zijn verbindingen.

Gesteenten zijn opgebouwd uit aggregaten van mineralen. Men kan ze o.a. determineren aan de hand van de mineralen waaruit ze zijn opgebouwd.
Daarom moeten dus eerst de mineralen worden gedetermineerd.

Bij het determineren van mineralen maakt men gebruik van diverse parameters = maatstaven = grootheden, waarmee stoffen of mengsels van stoffen kunnen worden beschreven.
We noemen de voornaamste kenmerken, die door geologen worden gebruikt om mineralen te determineren:
28.1. kristallen.
28.2. fysische eigenschappen.
28.3. optische eigenschappen.
28.4. diverse specifieke eigenschappen.
28.5. chemische samenstelling.

We zullen deze parameters achtereenvolgens behandelen.

28.1 Kristallen.

Krystallos = ijs. De Grieken beschouwden bergkristal als zo sterk bevroren water, dat het niet meer kon ontdooien.

Voor het nauwkeurig beschrijven is een aantal kenmerken van belang:
1. kristalstructuur.
2. symmetrie.
3. kristalassen.
4. kristalstelsels.

sub 1. Kristalstructuur.
De opbouw van moleculen uit atomen heeft plaats volgens vaste patronen, die schematisch worden weergegeven in een chemische formule. Op haar beurt vindt de opbouw van mineralen uit ionen plaats in een georganiseerde regelmatige rangschikking, die het aanzien van het mineraal bepalen.

Als de opbouw van een mineraal uit zijn samenstellende moleculen ongestoord kan plaatsvinden, dan worden erkristallen gevormd, met regelmatige vlakken = kristalvlakken, van vaste vorm en in een vaste ligging t.o.v. elkaar. Het is heel belangrijk om te weten, dat elk mineraal een vaste erbij behorende kristalvormkristalstructuur heeft.
Samenklonteringen van kristallen noemt men wel (kristal) aggregaten.

Anhedrisch = zonder enige kristalvorm.
Epixatie = een afzetting van een mineraal, meestal in een dunne laag, op het kristaloppervlak van een ander mineraal.

sub 2. Symmetrie.
Voor het beschrijven van het uiterlijk van een kristal hanteert men een aantal begrippen:
– De hoek tussen de kristalvlakken kan men meten. De hoek tussen overeenkomstige vlakken blijkt bij alle kristallen van een zelfde soort constant.
– Een symmetrievlak verdeelt een kristal in twee delen, die elkaars spiegelbeeld zijn. Die twee delen zijnsymmetrisch = gelijkvormig.
Een symmetrielijn = symmetrieas loopt zodanig door een kristal, dat er in meerdere richtingen symmetrie optreedt t.o.v. die as.
Draait men een kristal om zijn symmetrieas, dan kan men eenzelfde symmetrie in één omwenteling soms tweemaal, driemaal, viermaal of zesmaal waarnemen. Men spreekt dan van tweetallige, drietallige, viertallige ofzestallige symmetrie.
Verder kan een kristal méér dan één, b.v. 3 of 4 symmetrieassen hebben, die onder rechte of schuine hoeken t.o.v. elkaar kunnen staan.
– Een middelpunt = symmetrisch centrum in een kristal is een punt, ten opzichte waarvan in meerdere richtingen symmetrie optreedt.

sub 3. Kristalassen.
Om tot een overzichtelijke indeling van kristalstelsels te komen, brengt men in een kristal een denkbeeldig systeem aan van kristalassen, evenwijdig aan de ribben van de elementaire kristalvorm. De lengte van deze assen spelen ook een rol.

sub 4. Kristalstelsels.
Met behulp van bovengenoemde hulpmiddelen kan men elke kristalvorm definiëren en indelen in eenkristalstelsel.
Gewoonlijk worden de mineralen ingedeeld in zeven kristalstelsels:
– kubisch.
– tetragonaal. tetra = vier; gonia = hoek.
– hexagonaal. hexa = zes.
– trigonaal. tri = drie.
– orthorombisch.
– monoklien. monos = alleen; klinein = hellen.
– triklien. tri = drie.

Deze kristalstelsels gaan uit van enkelvoudige kristallen, maar er zijn talloze mengvormen en vervormingen denkbaar.
Mineraalaggragaten = vergroeiingen zijn vaak met moeite toe te schrijven aan een kristalstelsel. Men maakt dan gebruik van nadere aanduidingen zoals niervormig, dendrietisch = vertakt, naaldvormig, schubvormig e.d..

Een geheel ander verschijnsel is, dat er op gesteenten soms dendrieten voorkomen, op boomtakken of mos gelijkende afzettingen van mangaan- of ijzerverbindingen. dendron = boom.

28.2. Fysische kenmerken.

Voor het determineren van mineralen wordt er gebruik gemaakt van een scala van fysische natuurkundigekenmerken van het mineraal.

De optische kenmerken en de diverse specifieke kenmerken worden, hoewel strikt genomen ook fysisch, apart behandeld.
1. dichtheid.
2. hardheid.
3. splijting.
4. breuk.
5. verwering. Vb.pyriet.

sub 1. Dichtheid.
Onder de dichtheid van het materiaal verstaat men de gewichtshoeveelheid per volumeeenheid, b.v. grammen per cm³. Men hanteert meestal het begrip s.g. = soortelijk gewicht = de verhouding van het gewicht van een hoeveelheid mineraal met het gewicht van eenzelfde volume water.
Globaal kan men zeggen: hoe zwaarder de ionenroosters, hoe hoger het s.g..
Maar ook de stapeling van de ionen speelt een rol. Zo zijn bijvoorbeeld kwarts en tridymiet beide kiezelzuur = SiO2. Toch heeft kwarts door een dichtere stapeling een hoger s.g.

sub 2. Hardheid.
Men kan de hardheid van een mineraal bepalen, door de weerstand tegen krassen of slijpen te bepalen.
Omdat het moeilijk is hiervoor praktisch bruikbare absolute waarden vast te stellen, hanteert men de relatieve hardheid van een reeks mineralen. Mineraal B krast mineraal A en is dus harder; mineraal C. krast B en is dus nog harder, enz.
F. Mohs heeft hiervoor al in 1812 een nog steeds zeer goed bruikbare hardheidsschaal opgesteld. Nummer 1 is het zachtst, nummer 10 het hardst.
1. talk.
2. gips.
3. calciet.
4. fluoriet.
5. apatiet.
6. orthoklaas.
7. kwarts.
8. topaas.
9. korund.
10. diamant.

sub 3. Splijting.
Als er bij breken van het mineraal een plat vlak ontstaat, dat verband toont met de kristalstructuur, dan spreekt men van een splijtvlak, ontstaan door splijting. Vgl: diamantsplijten.
Mica splijt b.v. zeer gemakkelijk in vergelijking met de meeste andere mineralen.

sub 4. Breuk.
Als bij breuk van een mineraal, in tegenstelling tot een splijtvlak, het vlak onregelmatig is spreekt men vanbreukvlak.
Een bekend voorbeeld hiervan is de schelpvormige breuk van bergkristal. Metalen hebben meestal een hakige breuk

Fig.27. De zeven kristalstelsels gebaseerd op de zeven typen elementaire cel. De foto’s geven voor elk stelsel een mineraal als voorbeeld weer, namelijk:

27.1 FLUORIET.
27.2 APOFYLLIET – verzameling E. Vanes, Beek.
27.3 SMARAGD – verzameling en foto N. Leurs, Heerlen.
27.4 CERUSIET – idem.
27.5 ARAGONIET – idem.
27.6 ORTHOKLAAS – verzameling E. Vanes, Beek
27.7 CYANIET. – idem.

28.3. Optische kenmerken.

Optische kenmerken hangen samen met de invloed van de structuur van het mineraal bij op- en vooral doorvallende lichtstralen.
Men maakt gebruik van de volgende optische eigenschappen:
1. Doorzichtigheid.
2. Terugkaatsing, breking.
3. Glans.
4. Kleur.
5. Streep.
6. Luminiscentie.

sub 1. Doorzichtigheid.
Afhankelijk van de lichtabsorbtie = het tegenhouden van het licht, als het ware het opslurpen van licht, is een mineraal
– transparant = doorzichtig, b.v. heldere kwarts en bergkristal.
– doorschijnend, b.v. opaal.
– ondoorschijnend = opaak. b.v. git.
N.B. Als een fragment maar dun genoeg is, zoals bij een slijpplaatje, dan worden veel opake materialen toch nog doorschijnend.

sub 2. Terugkaatsing, breking.
Van een opvallende lichtstraal wordt een deel teruggekaatst = reflectie en een ander deel, dat doordringt in het mineraal wordt van richting veranderd, zoals bij een stok, die men in water steekt. = gebroken of refractie = dubbele breking volgens een bepaalde brekingsindex.

sub 3. Glans.
Afhankelijk van de grotere of kleinere hoeveelheid teruggekaatst licht heeft een mineraaloppervlak meer of minderglans.Ook wordt de glans beïnvloed door de brekingsindex.

Men duidt dit aan met een heel assortiment namen, zoals vetglans, glasglans, metaalglans, half-metalliek, niet-metalliek, harsglans, diamantglans, parelmoerglans, zijdeglans.

sub 4. Kleur.

De kleur is het resultaat van selectieve absorbtie van bepaalde golflengten van het witte licht. De kleur uit hetkleurenspectrum die het minst wordt geabsorbeerd bepaalt de waarneembare kleur.
De structuur en de chemische samenstelling zijn van invloed op dit proces en dus mede bepalend voor de kleur.
Het aanduiden van een kleur is subjectief. Begrippen als donkerbruin en vuilwit zijn nogal rekbaar. Daarom maakt men wel gebruik van een kleurenkaart, waarmee men door vergelijking de juiste kleur bepaalt en deze dan kan aangeven met een codering.
Veel gebruikt is de

Munsell-kleurenkaart. Deze Amerikaanse kaart is nogal duur. Er bestaat ook een goedkopere Japanse uitvoering.

sub 5. Streep.
Als men een mineraal krast op b.v. ongeglazuurd porselein of aluminium, dan ontstaat er in veel gevallen een gekleurde streep, die kan helpen bij het determineren van het mineraal.
Voorbeeld: goud gekrast op eentoetssteen van lydiet en zwarte hematiet geeft een rode streep.

sub 6. Luminiscentie.
Luminiscentie = het lichten van een stof onder invloed van een of andere straling, opgewekt door natuurkundige of chemische reacties, met uitzondering van de zuivere warmtestraling.

Fluorescentie is een van de vormen van luminiscentie. Bij bestraling met UV-stralen = ultra violet licht, dat zelf onzichtbaar is, geven sommige mineralen gekleurd licht af. Dit verschijnsel heet fluorescentie. Het deel van hetkleurenspectrum dat zichtbaar wordt is een aanwijzing voor de aard van het mineraal. We kennen ook lichten door bestraling met Röntgenstralen. Verder is er ook nog fosforescentie.

28.4. Diverse specifieke kenmerken.

Sommige mineralen hebben specifieke kenmerken, die determinatie mogelijk maken.
Dat kan b.v. betrekking hebben op magnetisme,radioactiviteit, electrische geleiding,enz.

28.5. Chemische samenstelling en indeling van mineralen .

Dit is wellicht het belangrijkste kenmerk van een mineraal.
Door chemische kwalitatieve analyse = bepalen uit welke elementen de stof is opgebouwd, kan men al enig inzicht krijgen in de samenstelling van het mineraal. Zo mogelijk kan een kwantitatieve analyse verdere gegevens verschaffen. Deze analyses kunnen een chemische formule opleveren, die de samenstelling van het molecuul weergeeft. Daarmee is in vrij veel, maar niet in alle gevallen vast te stellen met welk mineraal men te doen heeft. Samen met de andere genoemde kenmerken komt men er uiteindelijk wel uit.

Er zijn 92 soorten natuurlijke atomen = chemische elementen, die op grond van hun atoomgewicht, vorm en eigenschappen zijn ingedeeld in het z.g. periodiek systeem der elementen.
Sporenelementen zijn elementen, die in een gesteente voorkomen in een concentratie van minder dan 0.1% = 1000 ppm = 1000 parts per million.
Grofweg gezegd is een molecuul opgebouwd uit atomen en een atoom uit een elektrisch positief geladen kern en een aantal negatief geladen electronen.
Als deze ladingen elkaar in evenwicht houden, dan zijn de atomen waaruit het mineraal is opgebouwd neutraal.
Is het saldo een positieve of negatieve lading, dan is er sprake van ionenAnionen hebben een negatieve lading,kationen een positieve lading.
Een kation = het positieve deel van een molecuul bestaat vaak uit een metaal.
Een anion = het negatieve deel van een molecuul wordt meestal gevormd door groepen atomen, zoals b.v.carbonaat, sulfaatfosfaat,enz.

De moleculen van een mineraal kunnen verder nog kristalwater = chemisch gebonden H2O bevatten. Het mineraal is dan gehydrateerd.
Vb. gips, dat chemisch gebonden water bevat.
Indeling naar chemische samenstelling:
Men deelt mineralen meestal in naar hun anionengroepen.

We geven U de meest voorkomende groepen, sommige met voorbeelden van bekende mineralen.
In de mineralogie worden deze groepen klassen genoemd.
We onderscheiden:

Klasse 1.
Elementen.
De meeste mineralen bestaan uit moleculen, die zijn opgebouwd uit verschillende soorten atomen.

Slechts weinig mineralen komen in de natuur gedegen voor = bestaande uit slechts één element.
Voorbeelden zijn: platina, goud, zilver, zwavel, koper, arseen, antimoon, bismuth, ijzer en koolstof in de vorm van diamant of van grafiet.
Tot de groep der gedegen mineralen van klasse 1 worden ook wel de verbindingen gerekend van 2 of meer metalen, meestal amalgamen = verbindingen van een metaal met kwik.
Een voorbeeld hiervan is Ag5Hg8 = landsbergiet, een natuurlijke legering van zilver en kwik.

NB. In de atmosfeer komen enkele gassen voor, die slechts één soort atomen bevatten, zoals zuurstof en stikstof. Maar die kan men niet tot de mineralen rekenen, hoewel ze veel voorkomen in mineralogische verbindingen.

Klasse 2.
Sulfiden 
=verbindingen met S =zwavel.
Vb: FeS2 = pyriet of markasiet. PbS = galeniet = loodglans. ZnS = sfaleriet = zinkblende.

Klasse 3. 
Halogeenverbindingen
 = verbindingen met halogenen = verbindingen met F = fluor, Cl = chloor,Br = broom of J =jodium.
Vb: CaF2, = fluoriet.NaCl = haliet = steenzout = keukenzout.

Klasse 4.
Oxiden en Hydroxiden = verbindingen met O = zuurstof of met OH = hydroxidegroep.
Vb: Fe2O3 = haematiet = letterlijk: bloedsteen. Al2O3 = korund.
De kiezelzuurgroep. Hierin komen enkele uiterst bekende mineralen voor, zoals:
SiO2 = kwarts = bergkristal = rozenkwarts = citrien = amethist = rookkwarts = melkkwarts, enz.
SiO2 – achaat, onyx, chalcedoon, karneool en chrysopaas.
SiO2.nH2O = opaal.

Klasse 5.
Nitraten, Carbonaten en Boraten.
Nitraten = verbindingen met NO3-groep.
Carbonaten = verbindingen met CO3-groep = carbonaatgroep.
Vb: CaCO3 = calcietof aragoniet.
MgCO3 = magnesiet.
CaMg( CO3)2 = dolomiet.
CU2CO3(OH)2 = malachiet.
FeCO3 sideriet
Boraten = verbindingen met BO3-groep.

Klasse 6.
Sulfaten, Chromaten, Molybdaten en Wolframaten.
Sulfaten = verbindingen met een SO4-groep = sulfaatgroep
Vb: BaSO4 = bariet= zwaarspaat.
CaSO4 = anhydriet.
CaSO4.2H2O = gips.
NB. Een bijzondere vorm van gips is de bekende ‘woestijnroos‘.
Chromaten = verbindingen met een CrO4-groep.
Molybdaten = verbindingen met een MoO4-groep.
Wolframaten = verbindingen met een WO4-groep.

Klasse 7.
Fosfaten, Arsenaten en Vanadaten.
Fosfaten =verbindingen met een PO4-groep = fosfaatgroep.
Arsenaten = verbindingen met een AsO4-groep.
Vanadaten = verbindingen met een VO4-groep.

Klasse 8.
Silicaten = verbindingen met een SiO4-groep.
Vb. ZrSiO4 = zirkoon.
Granaatgroep .
Epidootgroep .
Pyroxeengroep .
Amfiboolgroep , met als voorbeeld
Hoornblende .
Glimmers .
Chlorietgroep . chloros =groen.
Serpentijngroep .
Veldspaatgroep .
met de overbekende voorbeelden: orthoklaas, plagioklaas, alkaliveldspaat.

Zeolieten = Al-silicaat met Ca, K en soms Ba en Sr.

Plantaardige stenen zijn o.a. barnsteen en git. Deze zijn niet gekristalliseerd.

N.B. In planten komen ook mineralen voor. Een voorbeeld is het voorkomen van fytolieten = kiezelzuurdeeltjes in de cellen van b.v. granen en grassen. Zij veroorzaakten de hoogglans op stenen werktuigen, die zijn gebruikt alssikkel en eveneens op de latere metalen sikkels en zeisen.

Nog een enkel woord over kleimineralen.
Namen die U kunt tegenkomen in dit verband zijn b.v. illiet, chloriet, kaoliniet, montmorilloniet.
Een kleimineraal, dat kan ontstaan door desintegratie van het veel voorkomende stollingsgesteenten graniet is het bekende kaoliniet. Kaolien = porseleinaarde is een witte klei, waarvan kaoliniet een belangrijk bestanddeel is. Het wordt ontgonnen voor porseleinfabricage.
De naam kaolien = China clay is afkomstig van de Chinese winningsplaats Kao-Ling = hoge heuvel.
De vindplaatsen van kaolien zijn gekoppeld aan beroemde porseleinsoorten: Sèvres, Meissen, Limoges, Kopenhagen (met klei van Bornholm) en Wedgwood.

28.6. Voorkomen van mineralen.

Zoals gezegd zijn alle gesteenten opgebouwd uit mineralen.

Syngenetische mineralen zijn gelijk gevormd met het omringende gesteente. Epigenetische mineralen zijn later gevormd dan het omringende gesteente.

Segregatie = een proces, dat concentraties veroorzaakt, b.v. van ertsen.

Een verzamelaar van gesteenten zal vooral zoeken naar gesteenten, die op de een of andere manier bijzonder zijn, maar vooral kenmerkend in geologisch opzicht. Voorbeelden: zwerfstenen afkomstig van een bepaald gebied; gesteenten die kenmerken vertonen van geologische verschijnselen of processen.
Een verzamelaar van mineralen zal vooral uit zijn op concentraties van zuivere mineralen = mineralen vanconsistente samenstelling. En dan vooral in omstandigheden, waarin zich vrijuit grote, mooie of bijzonderekristallen hebben kunnen vormen. Dat is vooral het geval in holle ruimten, spleten, breukzones e.d.

Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen in ertsgangen. Deze zijn ontstaan, waar zich uit oplossingen bij wisselende temperaturen in spleten en breuken (hydrothermale gangen) mineralen hebben afgezet.
Behalve de eigenlijke ertslichamen bevinden zich in de nabijheid daarvan vrijwel steeds gebroken gesteenten,waarin men vooral in holten en spleten dankbaar kan zoeken naar mineralen.
In geheel of gedeeltelijk opgevulde gasblazen ontstonden soms de bekende geoden of achaten met vaak mooie kristallen van een reeks mineralen.
Ook in vulkanische gesteenten worden veel mooie mineralen gevonden, zoals b.v. bij Idar-Oberstein.

Barnsteen = amber is in het Tertiair en Kwartair, o.a. in het Oligoceen, in grote hoeveelheden gevormd uit hars van sparren en dennen, vooral in het gebied rond de Oostzee. Het is vroeger veel gevonden op onze stranden en het komt ook nu nog wel eens voor. Hetzelfde geldt voor vindplaatsen in tertiaire en pleistocene zanden in Noord-Nederland.
Voorbeeld: In 1860 kon uit tertiair zand bij Kloosterholt in O.Groningen 25 kg. barnsteen worden verzameld.

28.7. Micromounts.

Bij het zoeken zal de verzamelaar vooral belangstelling hebben voor stukken met grote,mooi uitgegroeide kristallen en kristalgroepen. In ons land en directe omgeving zijn de mogelijkheden om die zelf te vinden zeer beperkt. Menige verzamelaar is echter geen voorstander van kopen, omdat zelf zoeken ook gegevens oplevert overvondstomstandigheden.
En voor een goede amateur is naast het verzamelen van voorwerpen het vergaren van kennis minstens even belangrijk.

Een goede middenweg wordt geboden, door te specialiseren op micromounts = microzettingen.
Dit zijn uiterst kleine kristalletjes of groepjes kristalletjes, die bestudeerd kunnen worden met behulp van eenvergrootglas of microscoop.
Daartoe moeten ze worden ingegoten in kunststof of gemonteerd op een plaatje.

Als men hiervoor het, overigens boeiende, werk over heeft, gaat er een wereld van schoonheid en kennis open.

28.8. Slakkenmineralen.

Een in populariteit toenemende rnineralenhobby is die van het verzamelen van slakkenmineralen. Deze kan men vinden als secundaire vormingen op afvalhopen van oude mijnen. Vooral ertsmijnen natuurlijk. Moderne mijnen hebben in dit opzicht weinig te bieden.

29. GESTEENTEN EN GESTEENTEVORMING.

De aarde is, evenals de maan en sommige planeten, opgebouwd uit gesteenten.

Gesteenten zijn aggregaten = opeenhopingen = samenstellingen van een of meer mineralen. Als een gesteente uit één mineraal bestaat is het monomineraal. Een andere definitie is: gesteenten = natuurlijk gevormde minerale materie, zoals die voorkomt in de aardkorst.
Onder gesteenten vallen dus zowel vaste gesteenten, zoals graniet, zandsteen, kwartsiet enz, als los gesteente,zoals zand, grind, klei, enz.

Petrologie = studie van gesteenten, hun ontstaan, hun eigenschappen, veranderingen en verwering.

Petrografie = beschrijving en classificatievan gesteenten. Petra = steen, graphein = schrijven.

De petroloog = petrograaf = gesteentekundige zal vooral gesteenten bestuderen, om de geologische geschiedenis van de aarde of delen ervan te achterhalen. Hij levert zijn bijdrage onder meer aan de kennis omtrent geologische omstandigheden in de verschillende geologische perioden.

Chemisch gezien bestaat de aardkorst hoofdzakelijk uit zuurstof = O en silicium = Si.
Acht elementen zijn elk voor meer dan 1% aanwezig, te weten:
O = zuurstof.               Si = silicium.
Al = aluminium.           Fe = ijzer.
Ca = calcium.              Na = natrium.
K = kalium.                  Mg = magnesium.
Zij maken samen 98.5% van de aardkorst uit.
Zuurstof neemt 90% van het volume van de aardkorst in, doordat het overgrote deel van de bestanddelen bestaat uitoxiden.
We gaan niet diep in op alle structuren en chemische verbindingen en stellen slechts vast, dat de aardkorst ruwweg bestaat uit bolstapelingen van zuurstofionen, die wetmatig zijn georganiseerd in kristalroosters en zo ook de meerderheid van de mineralen opbouwen.
Zie hiervoor ook hoofdstuk 28: ‘Mineralen

In het eerste stadium van de wordingsgeschiedenis van de aarde was er nog geen sprake van gesteenten. Nadat er een min of meer vloeibare massa, het magma was ontstaan vormden zich hieruit door stolling de eerste vaste gesteenten. Deze zijn stellig al direct onderworpen aan beïnvloeding door hun omgeving als temperatuur, druk, chemisch milieu e.d.
Sindsdien worden er voortdurend gesteenten gevormd, veranderd, afgebroken en opnieuw gevormd.

Nabij de aardoppervlakte kunnen gesteenten verweren en soms uiteenvallen. De verweringsdeeltjes kunnen door transport worden verplaatst en elders worden gesedimenteerd. Plaatselijk kunnen deze sedimenten weer vast gesteente worden.
Onder extreme omstandigheden kan gesteente weer smelten en in magma worden opgenomen. De genoemde processen kunnen zich in verschillende omstandigheden in vrijwel iedere combinatie en volgorde voordoen.

Indeling van gesteenten .
We zouden gesteenten kunnen indelen naar hun chemische samenstelling, maar we geven de voorkeur aan eengenetische indeling = naar hun ontstaanswijze.

Gesteenten worden ingedeeld in:
1. stollingsgesteenten = magmatisch gesteente = ontstaan door stolling van magma.
2. sedimentgesteenten = afzettingsgesteenten = aan of bij de oppervlakte ontstaan door bezinking uit water of lucht of door neerslag uit een chemische oplossing.
3. metamorfe gesteenten = ontstaan door rekristallisatie = metamorfose, meestal op grote diepte.
4. overige gesteenten. Vb. buitenaardse gesteenten.

29.1. Stollingsgesteenten.

Stollingsgesteenten ontstaan door stolling van magma.
Magma = gesmolten gesteente in de bovenmantel en de onderkorst van de aarde. Magma is een mengsel van silicaten en oxiden met verschillende smeltpunten. Hierdoor zullen bij stolling bepaalde silicaten het eerst kristalliseren, terwijl de daarna tot stolling komende bestanddelen zich in de overgebleven ruimten zullen moeten schikken.
Magma bevat ca. 14 volume % opgeloste gassen en ook wel wat vaste stoffen.
Tijdens de stolling en vlak daarna is magma voortdurend onderhevig aan veranderingen in vorm en samenstelling.

Fig.28. Kringloop van de gesteenten op aarde.
(gedeelte van tekening. Rijksmuseum van geologie en mineralogie Leiden, 1978)

Magma kan zijn:
– basaltische magma. Deze bevat ca.50% kiezelzuur en heeft een temperatuur van ca. 900-1200°C. Het ontstaat door het gedeeltelijk smelten van peridotiet, b.v. als het omhoogkomende materiaal bij oceanische ruggen.
– granietische magma. Deze bevat 60 á 70% kiezelzuur en heeft een temperatuur van ca. 800°C. het is viskeuzer = beter vloeibaar. Het ontstaat o.a. in gebieden waar continenten botsen. Dit hangt veelal samen met vulkanisme.

Men noemt magma en de daaruit gevormde gesteenten ook wel:
a. zuur bij 45 – 70% kwarts.
b. basisch bij 30 – 45% kwarts.
c. kwartsarm bij minder dan 30% kwarts.

De indeling van stollingsgesteenten berust op mineralogische samenstelling en op structuur. Bij de bestudering spelen nog enkele andere aspecten een rol, zoals kleur, korrelgrootte en textuur.

Mineraalinhoud.
De belangrijkste maatstaf voor de indeling en naamgeving van stollingsgesteente is de mineraalinhoud. In hoge mate bepalend is de aanwezigheid of afwezigheid van kwarts.

Structuur.
De structuur van een stollingsgesteente heeft betrekking op de opbouw van het gesteente in een groter verband.
Begrippen, die hierbij aan de orde komen zijn b.v.:
– gelaagdheid of gestreeptheid. Men kan verschillende lagen in het gesteente waarnemen met b.v. een duidelijk verschillende kleur of textuur.
– blazen of grotere holten kunnen het karakter van het gesteente bepalen. We kennen dit van lava.
– amandelsteenis een dergelijk gesteente, waarbij de holten zijn opgevuld met mineraal.
– xenolieten = brokken meegesleurd ander gesteente kunnen voorkomen in stollingsgesteenten.
– diaklazen kunnen voorkomen in stollingsgesteenten en zelfs het karakter ervan bepalen. Zo vertonen lava’s soms een prismatische klieving, zoals we die kennen van de vijf- of zeskantige basaltzuilen. Deze werden vroeger veel gebruikt voor bestrating van wegen.

Kleur.
Om het begrip kleur inhoud te geven hanteert men een colour-index = kleurindex. Deze wordt schattingsgewijs vastgesteld door het percentage donkere = mafische en lichte = felsische mineralen te bepalen.

Korrelgrootte.
Bij een vast gesteente is de korrelgrootte de gemiddelde doorsnede van de mineraalkorrels. De korrelgroottewordt vastgesteld aan de grondmassa, waarin overigens soms flinke grote kristallen kunnen liggen. Vb.fenokristen eerstelingen bij porfieren.
Het gesteente is zeer fijnkorrelig, als de korrels niet met het blote oog zijn te onderscheiden. Het is eenmicroscopisch gesteente.
Bij fijnkorrelig gesteente zijn de korrels met het blote oog wel te zien, maar niet goed te herkennen. Men spreekt dan van een megascopisch gesteente.
Bij grofkorrelig gesteente zijn de mineraalkorrels niet alleen goed te zien maar ook goed te determineren.
Pegmatitisch gesteente heeft grote kristallen van wel enkele cm’s.

Textuur.
Onder de textuur van een gesteente verstaan sommigen de vorm, verdeling en rangschikking van de mineralen in een gesteente.
Om deze enigszins subjectieve maatstaven zo concreet mogelijk te vatten in een indelingssysteem, hanteert men hierbij een aantal standaardbegrippen, zoals:
– een korrelige textuur: de korrels zijn ongeveer gelijk van grootte en vorm.
– een poikilitische textuur: grote mineraalkorrels omhullen kleinere korrels van een ander mineraal.
– een porfierische textuur: grote kristallen = fenokristen liggen in een fijnkorrelige grondmassa.
– een vloeitextuur: langgerekte of platte kristallen liggen als gevolg van het vloeien van het magma in eenzelfde richting gericht in een grondmassa.

Naamgeving.
Nieuwe afspraken over naamgeving zijn gemaakt in 1972 te Montreal.
Deze berusten op het gehalte aan lichte bestanddelen, kwarts, alkaliveldspaat, plagioklaas en veldspatoïden. Opbasis van de percentages van drie van deze lichte bestanddelen is een nomenclatuur opgebouwd. Deze kan worden weergegeven in de zg. ruit of driehoek van Streckeisen.
Door deze benadering kan men komen tot een overzichtelijke indeling in twee hoofdgroepen van mineralen:
– de lichtgekleurde =felsische mineralen, waartoe behoren de kwartsen alkaliveldspaat, plagioklaas enveldspatoïden.
– de donkergekleurde = mafische mineralen, waartoe behoren de pyroxenen, amfibolenglimmers en olivijnen.

Stollingsgebieden.
Magma kan stollen in drie stollingsgebieden, waarbij de volgende drie belangrijke gesteentegroepen ontstaan:

I.   Dieptegesteenten = plutonische gesteenten.
II   Ganggesteenten. De kristallen worden van heel klein tot wel enkele dm’s groot.
III. Uitvloeiingsgesteente.

I. Dieptegesteenten = plutonische gesteenten. NB. Pluto is de god van de onderwereld. De kristallen worden 1-10 mm groot. Dieptegesteenten komen o.a. voor in grote intrusies als batholieten, laccolieten, lopolieten enplutonen.
Een plutoon is een grote scherp begrensde massa dieptegesteenten. Plutonen komen in verschillende vormen voor.
Discordante plutonen ontstaan als magma door het gelaagde gesteente heenbreekt.
Concordante plutonen ontstaan als magma tussen de lagen van een gesteentepakket binnendringt en de lagen a.h.w. volgt.
Batholieten = grote intrusielichamen, waarvan de voet niet is ontsloten. De bovengrens is meestal onregelmatig. Ze zijn meestal discordant = ze doorbreken de gesteentelagen. Hun samenstelling is meestal granietisch.
Laccolieten = intrusielichamen met een bol bovenvlak.
Lopolieten = intrusielichamen met een schotelvormig, hol bovenvlak.

Uit een zure smelt ontstaat meestal graniet.

Uit een basische smelt ontstaat b.v. bij uitvloeiing basalt met kleine kristallen.
Uit een basische smelt met: veldspaten olivijn ontstaat peridotiet.


Fig.29. Nomenclatuurdiagram naar Streckeisen voor vulkanische gesteenten. (naar IUGS Sub- Commission. Systematics Ingeneous Rocks, 1978 in H.Jahrb.Min.Abh.,134).
Q = kwarts A = alkaliveldspaat (incl. albiet) P = plagioklaas (excl, albiet) F = veldspatoiden of foiden
M = gehalte aan donkere bestanddelen (colour index”)

De ruit bestaat uit 2 gelijkzijdige driehoeksdiagrammen, resp. AQP en AFP, voor het weergeven van procentuele samenstellingen in drie componenten. Voor elk punt in b.v. driehoek AQP geldt: a + q + p = h = 100%. De lengte van de lijnstukken a, q, en p geven de gehalten weer voor resp. de mineralen A, Q en P. Het ingetekend gesteente valt met resp. 20% – 50% en 30% in veld 3 van het diagram en is dus een rhyoliet.

Fig.30. Een aantal vormen van magmatische intrusies.

veldspaten orthopyroxeen ontstaat pyroxeniet.
plagioklaas + klinopyroxeen ontstaat gabbro.
plagioklaas + albiet + amfibool ontstaat dioriet.
albiet + kaliveldspaat + biotiet ontstaat graniet.

Uit kwartsarme magma kunnen b.v. kwartsarme veldspaten ontstaan.
Uit albiet + kaliveldspaat met bijna geen kwarts + biotiet ontstaat syeniet.
Uit max. 10% kwarts + plagioklaas + amfibool ontstaat dioriet.

Het bovenstaande bewijst, dat er een scala van mogelijkheden bestaat, dat kan leiden tot de vorming van een veelsoortigheid van gesteenten.

II Ganggesteenten.
Ze bezitten meestal een fijne tot middelmatig korrelige textuur en komen voor in meestal plaatvormige stollingslichamen, ontstaan in spleten en scheuren in de aardkorst.
Gangen zijn plaatvormige intrusielichamen, die discordant het nevengesteente doorbreken. Volgen ze de gelaagdheid dan zijn het sills.
Voorbeelden van ganggesteenten zijn:
Porfieren en Porfierieten. Enkele mineralen zijn het eerst gestold tot duidelijke kristalvormen. De mineralen in de grondmassa zijn niet met een loep te onderscheiden.
Dolerieten. Vb. Diabasen. Veel overeenkomst met diorieten en gabbros. Apliet. Fijn kristallijn. Inhoud ongeveer als van graniet.
Pegmatiet. Zeer grof kristallijn. Van granietische samenstelling. De kristallen van de erin voorkomende veldspatenen kwartsen zijn soms groot! Ook de kristallen van Biotiet en Muscoviet kunnen méér dan l. m. groot zijn.

III. Uitvloeiingsgesteenten = vulkanieten extrusieve gesteenten zijn vulkanische gesteenten, die zijn gestold aan de oppervlakte. Uitvloeiingsgesteenten zijn over het algemeen fijnkristallijn en soms glasachtig. Ze komen voor alslava en als ignimbriet.
Voorbeelden van uitvloeiingsgesteenten zijn:
Basalt. Is ontstaan uit materiaal, afkomstig uit de mantel.
Andesiet. Bevat geen of max. 10% kwarts.
Porfier. Bevat fenokristen = eerstelingen in een fijnkorrelige grondmassa.
Obsidiaan = vulkanisch glas, dat ontstaat bij zeer snelle afkoeling.

29.2. Sedimentgesteenten.

Aan en bij het aardoppervlak staan alle gesteenten bloot aan afbraak = verwering.
Verweringsdeeltjes kunnen ter plaatse blijven liggen. Meestal worden ze weggetransporteerd door water, lucht, ijs of de zwaartekracht. Elders worden ze afgezet als losse gesteenten, zoals zand, klei, grind, löss, enz. Hieruit kan weer een vast gesteente worden gevormd.

Onder het aardoppervlak is verwering meestal chemisch. Aan of bij het oppervlak zijn de oorzaken b.v. water, temperatuurverschillen (vorst, zonbestraling), druk, organische werking.
Zuiver water heeft weinig verwerend vermogen, maar meestal zijn er in water stoffen opgelost, die de verwering sterk in de hand werken. Dit geldt zowel voor extern water als voor poriënwater.
De mate van verwering is niet alleen afhankelijk van de sterkte van de verwerende invloeden, maar ook van deweerstand van het aangetaste materiaal.

Onderstaande figuren zijn magmatische gesteenten uit de vererzameling van Henk W. Oosterink, Winterswijk.

Fig.31 RAPAKIVI-GRANIET – dieptegesteente

Fig.32 PORFIER – uitvloeiingsgesteente

Fig.33 PEGMATIET – ganggesteente

Fig.34 DIABAAS – – ganggesteente

Fig.35 GNEIS – metamorfgesteente

Losse sedimentgesteenten.
Deze zou men evenals andere gesteenten kunnen indelen naar mineraalinhoud, textuur en structuur. De vorm der samenstellende korrels en de kleur spelen wel een rol.
Een indeling naar korrelgrootte = in korrelgrootteklassen = in textuurklassen = fracties is geologisch gezien belangrijk.
Vooral omdat de energie, die nodig is voor transport en afzetting van de deeltjes varieert met de korrelgrootte. Er bestaat dus een sterke relatie tussen de korrelgrootte en de geologische processen.

Een veel gebruikte indeling in fracties is enigszins verkort als volgt:
NB. 1 mu = 1 micrometer = 1/1000 mm.
lutum -minder dan 2 mu.
silt -2-64 mu.
zand -64 mu – 2 mm.
grind -2-64 mm.

Fig.36. Indeling en benaming van de klastische sedimenten naar korrelgrootte en een deel van de toepassingsgebieden. (gedeeltelijk naar W.M. Felder, 1989)

Gezegd moet worden, dat er hierover nogal wat spraakverwarring heerst tussen de verschillende landen en vooral tussen de verschillende disciplines, b.v. tussen geologen, geomorfologen en bodemkundigen en zelfs binnen eenzelfde discipline in eenzelfde land.
Een paar aanvullende opmerkingen:
löss = een eolisch getransporteerde leem, die overwegend bestaat uit korrels in de siltfractie, dus van 2-64 mu.
adobe = een lössachtige klei.
leem = een mengsel van klei, silt en zand, waarin de siltfractie overheerst.
In België ontmoet men de naam leem voor de fractie 2-50 mu, dus silt.
slib klei fijne silt.

Lutum is eigenlijk een betere naam voor de fractie tot 2 mu dan de veelgebruikte naam klei. Klei is een complex los gesteente dat een bepaalde hoeveelheid kleimineralen bevat naast een grote hoeveelheid kwarts in de fractie < 2 mu. Daarnaast bevat klei korrels in de siltfractie (2-64 mu) en zandfractie (64 mu-2 mm).
Leem bevat te weinig kleimineralen om een klei te zijn. Het bevat ook zand.
Als er iets bekend is over de genese komt er een voorzetsel vóór de naam. Vb. Verweringsleem, keileem, lössleem (= löss), hoogvloedleem.

Dat benamingen kunnen leiden tot enige spraakverwarring moge duidelijk zijn uit het volgende voorbeeld.
In Noord-Nederland spreekt men over keileem = tilliet = keienleem en men bedoelt daarmee (ik citeer A.J. Wiggers) ‘de Pleistocene grondmorene’, dat is ‘Het puin en fijne materiaal, dat door de beweging van gletsjers is gemengd tot een homogene massa van keien met zand en leem’. Keileem is dus een op klei gelijkend materiaal, bestaande uit klei, zand, grind en stenen.
In België spreekt men over de Leemstreek. Het daarmee aangeduide gebied zouden wij een lössgebied noemen.
In ieder geval bedoelt men met de leem van dit gebied iets anders dan de leem van de keileem.

Om de weg niet te verliezen in het gebied van de naamgeving moet U vooral onthouden, dat namen als lutum, silt en zand korrelgrootteaanduidingen zijn. U moet zich niet op het verkeerde been laten zetten, door erbij aan mineralogische samenstelling te denken. De naam klei zegt wel iets over mineralogische samenstelling.

Compactie .
De compactie = samendrukking = klink inklinking van grofkorrelige materialen, zoals zand, is zeer gering. Van fijnkorrelige sedimenten, zoals klei, (< 2 mu) is de compactie groot. Bij klei verloopt de compactie langzaam, maar gaat zeer lang door. Dit kan worden waargenomen, als een landschap met welvingen en depressies geheel wordt bedekt met klei. Na langere tijd klinkt de klei in de depressies sterk in, waardoor nieuwe depressies ontstaan. Was de opvulling zand, dan zouden er geen nieuwe depressies ontstaan. Ook kleilichamen in een andere ondergrond, b.v. van kalk, kunnen depressies veroorzaken.
Van veen is de compactie zeer groot; in een paar duizend jaar tot 1/5 à1/10 van de dikte. Bij verdere druk ontstaat er door compactie en chemische omzetting bruinkool.

Men onderscheidt bij sedimenten:
1. Klastische sedimenten.
2. Chemische sedimenten.
3. Organogene sedimenten.

sub 1. Klastische sedimenten.
Deze zijn opgebouwd uit klastische = detritische = vaste door water, ijs of wind getransporteerde deeltjes.Bioklasten = sedimentbestanddelen van organische oorsprong. Klastische sedimenten kunnen bestaan uit:
– grof materiaal: grind, conglomeraat, breccie, tilliet.
– middelmatig materiaal: zandsteen, grauwacke, arkose.
– fijn materiaal: siltsteen, klei.

sub 2. Chemische sedimenten.
Deze zijn neergeslagen uit oplossingen. De oververzadiging van de oplossing, die de neerslag tot gevolg heeft, kan zijn ontstaan door voortgaande aanvoer van oplosbaar materiaal of door indamping, zoals bij evaporieten.

Moeraskalk is een zachte kalkafzetting, ontstaan in waterbekkens in het Pleistoceen. Dit komt o.a. voor in Midden-Limburg en in de omgeving van Winterswijk.

IJzerafzettingen komen in ons land veel voor in de vorm van limoniet, sideriet, hematiet en pyriet.
Dat kan zijn als moerasijzererts, ijzeroer of ijzerhydroxide, vooral bestaand uit goethiet. Een andere vorm is als limonietconcreties = waterhoudend ijzerhydroxide. Goethiet en limoniet zijn chemisch gelijk. De ijzerconeretiebloedsteen of hematiet Fe2O3 komt voor als zwerfsteen en o.a. in de Eifel en de Ardennen. Het is in de prehistorie gebruikt als kleurstof. Het is zelfs gevonden in graven van Neanderthalers.
IJzeroer is gebruikt als bouwsteen, b.v. voor de kerk in Hellendoorn en het kasteel in Coevorden.
De belangrijkste toepassing van ijzeroer was als grondstof voor ijzerbereiding. Aangetoond is, dat de winning ervan teruggaat tot in de prehistorie, ca. 3000 BP. In 1870 was er in Nederland nog een productie van 30 miljoen kilo ijzer per jaar uit ijzeroer. IJzeroer wordt nog steeds gevormd. Na winning is er na ca.30 jaar weer voldoende erts.
NB. Het hek van het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam was van inheems ijzer. Ook in Limburg is er ijzeroer ontgonnen. Vanaf 1927 was er een firma actief bij Maasniel. In percelen weiland werd in 1927 ca. 1000 ton ijzeroer gewonnen en gedeeltelijk verscheept naar Engeland. Het diende voor de vervaardiging van olieverf (gele en bruine oker). Verder voor het filtreren van gas in gasfabrieken en het afscheiden van teerwater. Al in 1929 liep de afzet spaak.

Oölieten zijn gesteenten, die zijn opgebouwd uit concentrisch gelaagde bolletjes, meestal < l mm. Uiterlijk lijken oölieten op viskuit. De naam is afgeleid van het Griekse oön = ei. De bolletjes heten oöieden. Ze bevatten soms een uiterst kleine kristallisatiekern. De oöieden zijn opgebouwd uit verbindingen, die chemisch in water zijn neergeslagen.
Het meest voorkomend zijn kalkoöieden, die samengekit door fijn kalkcement de kalkoölieten vormen.
Een goed gesorteerde kalkoöliet wijst op afzetting in een warme, ondiepe, turbulente door het getij beïnvloede zee.
We kennen bet woord oölieten vooral in samenstellingen. Vb. Kiezeloölieten, kalkoölieten, enz.
Op de Tertiaire verweringsoppervlakte, die zich vanaf Oost-Frankrijk over de Ardennen tot in Zuid-Limburg uitstrekte, zijn oölietische Jurakalken verkiezeld en als rolstenen vervoerd en o.a. terechtgekomen in de Miocene tot Pleistocene grindafzettingen van de Rijn en de Maas. Omdat dit kenmerkend is voor dat grind noemt men hetkiezeloölietgrinden.
Dit grind bestaat dus niet uit oölieten, maar het bevat verkiezelde oölieten. En niet eens erg veel, maar het iskarakteristiek.

Verdere voorbeelden van chemische sedimenten zijn: sommige kalkstenen, sommige soorten dolomiet, travertijn, keukenzout, gips, sommige fosfaten.

sub 3. Organogene sedimenten.
Deze bestaan uit organogene bestanddelen = van organische oorsprong, plantaardig of dierlijk.
Voorbeelden zijn: veel kalkstenen, sommige fosfaten, veen, bruinkool, steenkool, sapropeel.

Vorming van vaste sedimentgesteenten .
Diagenese = alle processen, die op een sediment inwerken na de afzetting bij atmosferische temperatuur en druk, waarbij veelal het sediment overgaat in een hard gesteente = lithificatie = consolidatie.

Deze processen kunnen zijn:
– vorming van nieuwe mineralen.
– herverdeling en herkristallisatie van samenstellende bestanddelen.

Diagenese vindt vooral plaats onder invloed van (circulerend) water en van druk.

Diagenese kent enkele stadia:
– Syngenese = vroege diagenese heeft plaats als het sediment pas is afgezet en als het daarna bedekt raakt, waardoor het niet meer in contact is met het transporterend medium, maar met poriënwater.
– Anadiageneseals het sediment bedekt wordt door steeds meer afzettingen (van enkele honderden tot duizenden meters). Tenslotte wordt dan het poriënwater vervangen door mineralen en wordt het sediment een vast gesteente.
– Epigenese = late genese. Hierbij kan het gesteente de grens van metamorfose naderen of, b.v. in geval van opheffing door orogenese chemisch worden beïnvloed door meteorisch water.

Als tijdens diagenese het gesteente aan de oppervlakte komt te liggen kan verwering de plaats van diagenese gaan innemen.

Vaste sedimentgesteenten.
De gevormde vaste sedimentgesteenten zijn qua korrelgrootte in te delen in:
1. Grove sedimentgesteenten, zoals:
conglomeraten, ontstaan uit afgerond puin.
breccies, ontstaan uit hoekig puin.
tillieten, ontstaan uit glaciaal getransporteerd puin.

2. Arenieten = middelgrove sedimentgesteenten, zoals:
zandsteen uit zand.
arkose = verweringspuin van graniet met korrels van kwarts en veldspaat.
grauwacke, ontstaan uit zand met kleideeltjes.
Bentheimer zandsteen = een bekende kwartszandsteen, die ook in ons land veelvuldig is gebruikt als bouwsteen voor gebouwen, voor drinkbakken voor vee, enz.
Nievelsteiner zandsteen = een zandsteen, die is ontstaan door verkitting van kwartszand in de vorm van zilverzand. Het komt voor in de omgeving van Eygelshoven. Het is als bouwsteen o.a. gebruikt voor de kerken van Eygelshoven en van Margraten, voor het Klooster Rolduc en voor de beroemde Romeinse sarcophaag van Simpelveld.

3. Lutieten = fijn sedimentgesteente, zoals: siltsteen uit silt.
schalie uit klei.
Diagenelische processen.
We bespreken enkele processen die door diagenese leiden tot gesteentevorming.

Mineralogische veranderingen zijn vooral het gevolg van chemische veranderingen in het poriënwater, dat de sedimentkorrels omringt. We onderscheiden authigenese = nieuwvorming en rekristallisatie, al dan niet met vervanging van mineralen. Er kan ook toevoeging voorkomen, b.v. van ijzer.
Een bijzondere vorm van mineralogische verandering is, de vorming van concreties = concentraties van mineralen.

Rekristallisatie tot grotere kristallen maakt gebruik van in het sediment aanwezige mineralen. Het bekendst is het vormen van grotere calcietkristallen uit moleculen van fijnkorrelige kalksteen. Voor ons is het van groot belang, dat dit ook is gebeurd met fossielen, waarbij de uitwendige vorm van het gerekristalliseerde fossiel gelijk blijft.
Aragoniet kan worden omgevormd tot stabiele calciet.
Radiolariën– en diatomeeënslib kan worden omgevormd tot radiolariet en diatomiet. Door oplossing en herafzetting ontstaat hieruit cryptokristallijne kwarts, chalcedoon, kwartskwartsine of pseudochalcedoniet.

Cementering = verkitting, ontstaat door nieuwvorming van mineralen, waarbij een zgn. cement, bestaande uit één of meerdere mineralen, wordt neergeslagen in de poriën tussen de korrels. De korrels en het cement kunnen bestaan uit, hetzelfde mineraal, zoals b.v. bij zandsteen (kwarts) en bij kalksteen (calciet), of uit verschillende mineralen, zoals bij kalkzandsteen en grauwacke.

Dolomitisatie is de vervanging van CaCO3 = calciet door CaMg(CO3)2 = dolomiet, genoemd naar de Franse mineraloog De Dolomieu, die leefde van 1750 – 1801. Felle en lange discussies zijn gevoerd over de vraag in welk stadium van kalkafzetting of daarna en onder welke omstandigheden dit proces zich heeft afgespeeld.

Verkiezeling = silicificatie = het geheel of gedeeltelijk vervangen van een gesteente of een fossiel door SiO2 = silicium in de vorm van kwarts, chalcedoon of opaal.
Zo zijn o.a. de zg. cementkwartsieten ontstaan. Denk ook aan vuursteenvorming en de hierbij optredende verkiezeling van fossielen.
Deze vorm van verkiezeling wordt ook in aride gebieden naast SiO2-korsten = silcretes aangetroffen.

Een ander voorbeeld van vervanging is die van kalk door fosforiet. Bij mariene sedimentatie kan onder omstandigheden Ca-fosfaat direct neerslaan. Het fosfaatrijke water kan in de kalk doordringen, waardoor kalk wordt vervangen door Ca-fosfaat = fosforiet. Op deze manier zijn wellicht de grote fosfaatafzettingen in Noord-Afrika ontstaan, hoewel we hierbij ook moeten denken aan opeenhopingen van guano = vogelmest. Ze vormen nu een belangrijke bron o.a. voor onze kunstmestindustrie.

Calciet kan ook worden vervangen door ijzercarbonaat =sideriet = FeCO3. Zo zijn wellicht sommige ijzerertsen ontstaan.
Kalksteen, CaCO3, ontstaat uit microscopisch kleine kalkpantsertjes van planktonorganismen e.d.
Calcareniet = grofkorrelige kalk, opgebouwd uit fragmenten van stekelhuidigen, schelpen van Lamellibranchiata, Brachiopoden, Bryozoën en benthonische Foraminiferen, enz.
Tufkrijt = grofkorrelige zachte kalksteen is een calcareniet en vormt een deel van de bekende Maastrichtse kalksteen.
Bioliet =organisch gevormd gesteente van organisch materiaal.
Biohermen = riffen = autochtone kalkafzettingen, gevormd door vastzittende organismen. Vb. Koraalriffen.
Biostroom = een doorlopende laag autochtone kalk, opgebouwd door kalkalgen, koralen, oesters of bryozoën.
Vb. Stromatoporen, gevormd door kalkalgen.

Als in kalksteen fossielfragmenten van één groep organismen overheersen geeft men de kalksteen wel de naam van dat organisme mee. Dan spreekt men van crinoïdenkalk, schelpenkalk, foraminiferenkalk, koraalkalk e.d.

Fig.37. Oölietische Jurakalksteen uit de
groeven van Brauvilliers, in het zuiden van
het Département de la Meuse.
Vergroting 2 x.

Fig.38. Kiezeloölieten uit de Kiezeloöliet
Formatie in Zuid-Limburg.
Vergroting 1,2 x.

Fig.39. Concentrisch gelaagde opbouw
van de oöieden in een Kiezeloöliet uit de
Afzettingen van Waubach (Brunssummerheide).
Vergroting 15 x.

Bij kalksteen treffen we soms het verschijnsel aan van de vorming van stylotieten.
Stylolieten kunnen ontstaan, als zich tussen twee nog niet geconsolideerde kalksteenlagen, die zijn verzadigd met water, een dun kleilaagje bevindt.
Onder invloed van drukverschillen boven en onder dat laagje kunnen er vele kleine scheurtjes ontstaan in het kleilaagje. Door verschillen in plaatselijke omstandigheden zal op de ene plaats verplaatsing naar boven plaats hebben en op andere plaatsen naar beneden. Hierdoor ontstaat er een grillig patroon in dergelijke scheidingslaagjes, hetgeen men stylolieten noemt.

In het Krijt van Zuid-Limburg komen stylolieten niet voor, maar ze zijn wel goed waar te nemen in de harde kolenkalk, een kalksteen van het Onder-Carboon, b.v. langs de Maas in België. Als daar blokken worden gezaagd, zijn ze op het zaagvlak zeer mooi te zien.

29.3.Concreties en secreties.

Het ontstaan van concreties en secreties valt onder diagenese. Toch wijden we er een apart hoofdstukje aan, omdat deze gesteenten nogal opvallend zijn. We kunnen de vorm het best omschrijven als ‘knollen’.

Concreties zijn onregelmatig gevormde knollige aggregaten van één of meer mineralen. Concreties groeien vanuit een kern en worden hiervan uitgaande groter.

Kiezelconcreties komen vooral voor in kalksteen. Voorbeelden zijn de vuursteen in kalksteen in het Krijt van Zuid-Limburg en in de Carbonische kalksteen van België.
Het is moeilijk om een duidelijke grens te trekken tussen de verwante soorten vuursteen (Frans: silex, Engels:flint), chert,e.d.
Het ontstaan is een onderwerp op zichzelf. In het algemeen kan men zeggen, dat deze kiezelconcreties zijn ontstaan, door oplossing en aanvoer van kiezelzuur. Daarna is het kiezelzuur in concreties afgezet en omgezet in cryptokristallijne kwarts.

Ftaniet =een zwarte vuursteen of chert uit het Onder-Carboon, die voorkomt in België. Bevat in een aantal gevallen herkenbare resten van Crinoïden.

Paramoedra’s = langwerpige, vrijwel verticale kiezelconcreties = vuursteen in kalkgesteente. Vaak peervormig. Paramoedra = letterlijk: peren van de zee. De Duitsers hebben er ook een mooie naam voor: Sasznitzer Blumentopfen. Ze gaan soms uit van een hardground naar beneden. Maar ze doorkruisen ook vaker verticaal de horizontale vuursteenlagen. Men neemt aan, dat ze zijn ontstaan uit graafgangen, meestal van wormen.

Kalkknollen.
Overvloedig voorkomen van kalkconcreties in kalksteen kan leiden tot vorming van onderbroken lagen knobbelkalkof van massieve kalkbanken.
Lösspoppetjes zijn kalkknollen in löss.
Septaria zijn een bijzondere vorm van concreties van kalk of van ijzercarbonaat. De buitenkant was eerder verhard. De kern vertoont krimpscheuren. Hierin zijn later vanuit poriënwater calciet of andere mineralen, zoals pyriet in kristallen afgezet.
Ze komen o.a. voor in de mariene Oligocene klei van Oost- en Zuid-Nederland.

Fosforietknollen ,concreties van fosfaten (van glauconietzanden met apatiet) zijn o.a. ontstaan in zandafzettingen op de grens van het Eoceen en het Oligoceen. Ze komen voor in Overijssel. Ze bevatten daar ca.12% fosfor. Ze zijn in de Eerste Wereldoorlog zelfs ontgonnen. Ze werden verzameld uit Oligocene klei in kleigroeven, waarna ze werden gemalen voor bemesting.
Ze komen ook in grote getale voor in de zee op continentale plateaus.

IJzerconcreties kunnen ontstaan als knollen en in andere vormen van limoniet, sideriet, hematiet en pyriet. Ze komen in ons land veel voor. Klapperstenen zijn limonietconcreties in de vorm van ronde knollen o.a. uit Pleistocene zanden in het Gooi, op de Veluwe en op vele andere plaatsen, zoals in Zuid- en Midden-Limburg.
Pyrietknollen bevatten soms straalvormige kristallen. Op een vers breukvlak zien ze er goudgeel uit. Na verwering bruin tot zwart. Aan de lucht vallen ze vrijwel steeds na enige tijd tot korrels uiteen.

Mangaanknollen komen plaatselijk overvloedig voor op de bodem van oceanen.
Ze bevatten vooral mangaanoxide en ijzeroxiden en -hydroxide, maar ook wat koper-, nikkel-, zink- en kobaltverbindingen. Meestal is de diameter 0.5 – 25 cm (gem.3 cm). De grootste opgehaalde knol weegt ca. 850 kg.
De groeisnelheid varieert, maar is meestal gering: gemiddeld enkele mm per miljoen jaar. De aanwezige hoeveelheid mangaanknollen wordt geschat op een kleine 2000 miljard ton!

Fig.40. Aragoniet. Vergroting 1,2 x.

Fig.41. Achaat. Vergroting 1,2 x.

Fig.42. Achaatvorming als poriënvulling en een met
heldere kwartskristallen beklede open holte.
Vergroting 1,4 x.

Fig.43. Achaat met verspreid- en in banden georiënteerd
ijzeroxidepigment. Vergroting 1,3 x

In 1986 haalde de voormalige Rijks Geologische Dienst ca. 600 kg omhoog van een heuvel op de oceaanbodem op de abyssale vlakte van Madeira op 5350 m diepte.
Concentraties van mangaanknollen op de oceaanbodem worden tegenwoordig aangetoond door middel van satellieten.

Secreties zijn ontstaan in holle ruimten. Ze groeien vanaf de wand naar het centrum, waardoor de holle ruimte steeds kleiner wordt.

Geoden zijn ontstaan in gasbellen of in andere holten. De holle ruimte is gedeeltelijk gevuld met afzettingslaagjes en met kristallen.

Achaten bestaan uit afzettingslaagjes van chalcedoon, die door insluitsels verschillen van kleur, hetgeen een gebandeerd effect geeft. Achaten kunnen onderdeel uitmaken van een geode.
Meestal kleine, maar vaak mooie stukjes achaat komen voor in onze riviergrinden en grindgroeven.

29.4. Metamorfe gesteenten.

NB: Meta = na; morphè = vorm.
Metamorfose = rekristallisatie van gesteente op grote diepte onder invloed van veranderingen in fysische omstandigheden, zoals temperatuur en druk.
Bij deze rekristallisatie blijft de mineralogische en chemische samenstelling gelijk, behalve als er stoffen van buiten worden aangevoerd. Als de chemische samenstelling zich wel belangrijk wijzigt spreekt men vanmetasomatose = vervanging. Daarbij vindt uitwisseling van gesteentevormende bestanddelen plaats.

We stelden vast, dat belangrijke factoren, die metamorfe processen beïnvloeden druk en temperatuur zijn.

Metamorfose vraagt een temperatuur van minstens 200°C. De temperatuur voor de metamorfose kan worden geleverd door de grote diepte. Vgl. de thermische gradiënt = de toename van de temperatuur met de diepte. In W.Europa ca 3°C per 100 m.

De fysische veranderingen hebben plaats in vaste gesteenten. Het poriënvocht, dat een klein percentage uitmaakt van het gesteente speelt vaak een grote rol in de plaatsvindende chemische en fysische reacties.

De oudst bekende gesteenten op aarde zijn 3800 miljoen jaar oud en gevonden op Groenland.
Ze blijken metamorf te zijn. Dit en andere vondsten bevestigen de theorie, dat vrijwel alle zeer oude gesteenten op aarde zijn beïnvloed door metamorfose.
Metamorfe gesteenten maken ca.85% uit van de bovenste 29 km van de aardkorst.
In ons land komen er nauwelijks vaste metamorfe gesteenten aan de oppervlakte. Een ‘kwartsietgroeve’ bij Epen is de enige ontsluiting, die hierop misschien aanspraak kan maken.
Maar deze armoede wordt rijkelijk gecompenseerd door het vóórkomen van metamorfe gesteenten in grindvoorkomens en als zwerfstenen.

Men onderscheidt metamorfose in enkele hoofdgroepen:
1. contactmetamorfose.
2. regionale metamorfose.
3. hydrothermische metamorfose.
4. dynamische metamorfose.
5. pyrometamorfose.
6. omgekeerde metamorfose.

sub 1. Bij contactmetamorfose = thermische metamorfose heeft intrusie plaats van magma in de aardkorst. Dit proces kan op iedere diepte plaatshebben. De zone, waarin dit bij de intrusie plaatsvindt kan variëren van enkele cm tot vele kilometers.

sub 2. Regionale metamorfose heeft plaats in grote gebieden, b.v. in de wortels van bergketens. De krachten worden uiteindelijk geleverd door het botsen van tektonische platen.

sub 3. Hydrothermale metamorfose ontstaat door intensieve activiteit van heet water.
Vb. geysers = geysirs in het Yellowstone National Park in de VS.

sub 4. Dynamische metamorfose = dynamometamorfose is een gevolg van gerichte druk of spanning, b.v. op een breukvlak. Soms bestaat de verandering uit het vermalen van gesteentekorrels of de heroriëntatie van kristallen.
In enkele gevallen kan er zelfs smelting optreden.

sub 5. Pyrometamorfose heeft plaats, als een stuk gesteente wordt omringd door magma en de temperatuur van het magma aanneemt.

sub 6. Over het algemeen is metamorfose onomkeerbaar, ook al omdat er gasvormige of vloeibare bestanddelen ontwijken. In enkele gevallen vertonen metamorfe gesteenten toch sporen van een omgekeerde reactie bij dalende druk en temperatuur. Er is dan sprake van regressieve = retrogade = omgekeerde metamorfose.

Metamorfose kan betrekking hebben op zowel magmatische als op sedimentaire gesteenten. Het voorvoegselpara geeft aan, dat we te maken hebben met een metamorf gesteente van sedimentaire oorsprong. Het voorvoegsel ortho duidt op een magmatische oorsprong.

Welk gesteente er ontstaat als gevolg van metamorfose hangt af van de mineraalinhoud en van de fysische en chemische factoren, die bij de metamorfose een rol spelen.

Bij toenemende druk en temperatuur treden er opeenvolgende graden van metamorfose op. Van laag naar hoog onderscheiden we de:
– zeolietfaciës.
– groenschistfaciës.
– amfibolietfaciës.

Bij nog hogere temperaturen begint er smelting op te treden en komen we op het terrein van het plutonisme.

Structuur en textuur.
Als de structuur van een metamorf gesteente herkenbaar is terug te voeren op zijn oorsprongsgesteente, dan spreekt men van een relictstructuur = palimpsest.
Er kunnen ook geheel nieuwe structuren ontstaan, zoals druksplijting en microplooiing.

De mineralen van metamorfe gesteenten ondergaan het veranderingsproces vaak onder gerichte grote druk. Dit geeft metamorfe gesteenten vaak een bijzondere textuur.
Lei is een fijnkorrelig gesteente, dat gemakkelijk kan worden gespleten: de z.g. leisplijting. Leiplaten vinden dan ook toepassing o.a. als dakbedekking.
Fylliet is iets grofkorreliger en heeft vaak een zilverachtige of groenige glans op de drukvlakken.
Schist is grofkorrelig en wordt gekenmerkt door plaatvormige en stengelvormige mineralen. Vaak zijn er laagjes kwarts en veldspaat tussengeschakeld.
Gneis is korrelig met duidelijke parallelle structuren.
Hoornrots is fijnkorrelig. Het heeft een gelijkmatige textuur. Het is ontstaan door thermometamorfose, in dit geval door contactmetamorfose.

We geven enkele voorbeelden van metamorfe gesteenten.

Uit diabaas en basalt kunnen in de volgende metamorfosefasen o.a. groenschist en amfiboliet ontstaan. Bij contactmetamorfose ontstaat er een basische hoornrots.
Gneis kan ontstaan uit graniet of uit sedimentgesteenten.

Uit zandsteen ontstaat in de hogere graad van metamorfose en bij contactmetamorfose kwartsiet. De structuur kan gestreept of massief zijn.

Taunuskwartsiet = een kwartsiet uit het Onder-Devoon. De kleur is grijs, met wijnrode vlekken.
Revinienkwartsiet = een Cambrische kwartsiet uit het Massief van Stavelot en het Massief van Rocroi. Komt voor in ons Maasgrind.

Uit zuivere kalksteen ontstaat er in elke metamorfosegraad marmer door rekristallisatie. Het bestanddeel iscalciet. De structuur is gelaagd of massief.

Uit onzuivere kalksteen kan er achtereenvolgens kalkschist,een kalksilicaatgesteente, ook wel ofocalcietgenoemd of gneis ontstaan. Bij contactmetamorfose kan er een kalkhoornrots ontstaan.

Uit grauwacke ontstaan er in de lagere fasen schisten en in de hoge fase gneis of granuliet.

Uit kleiige gesteenten en schalies kan er een hele reeks metamorfe gesteenten ontstaan, zoals leisteen, fylliet, schist.

Bij wijze van voorbeeld beschrijven we een korte opsomming met globaal toenemende metamorfosegraad:
Leisteen is metamorf ontstaan uit schalie.
In leisteen vormen zich al vroeg in de beginfase van metamorfose enkele nieuwe mineralen van de glimmergroep, vnl. chlorieten sericiet. Er ontstaan chloriet-en sericietleien.
In een volgende fase wordt de lei een fylliet. Het is iets grofkorreliger en bevat glimmermineralen,zoals muscoviet= sericiet.
Gaat het proces verder dan vormen zich biotietepidoot, granaat en soms ook amfibool. We hebben dan eenschist = glimmerschist.
Verder vormen zich ook stauroliet, granaat en soms veldspaat, waardoor een hoogmetamorfe gneis ontstaat.
Volledigheidshalve: gneizen, ontstaan uit oorspronkelijke sedimenten, heten paragneizen. Als een oorspronkelijk stollingsgesteente wordt omgevormd dan ontstaat er orthogneis.

Nemen druk en temperatuur nog verder toe en zet het proces zich dus nog verder voort, dan ontstaan er ultrametamorfe omstandigheden en wordt er magma gevormd. Het gesteente ondergaat een ultrametamorf granitisatieproces. Als later zo’n magmamassa stolt ontstaat er in de ondergrond een lichaam van stollingsgesteente, een plutoon, b.v. een batholiet.
Hoornrots is een klei of schalie, die door de warmte van een nabij magma is gemetamorfoseerd, m.a.w. hoornrotsontstaat bij contactmetamorfose.

29.5. Overige gesteenten.

Voor deze groep resteren alleen nog enkele ‘buitenaardse’ gesteenten, die op de aarde kunnen worden aangetroffen.

Meteorieten zijn brokken gesteente, die uit de ruimte de atmosfeer zijn binnengedrongen. We kennenijzermeteorieten en gesteentemeteorieten.
De mineraalinhoud bestaat meestal uit nikkelijzer en uit de silikaten olivijn, pyroxeen en plagioklaas.
Bij de inslag van een meteoriet ontstaat er soms het mineraal coesiet, een variant van kwarts, die alleen kan worden gevormd bij extreem hoge druk en temperatuur, die slechts voorkomt bij het inslaan van grote meteorieten. Zie ook hoofdstuk 7.2.

Tektieten zijn kleine glasachtige voorwerpen, meestal met een diameter van 1-3 cm en een onregelmatige vorm. Ze worden slechts aangetroffen in enkele streken van de aarde. En dan in aantallen van vele miljoenen.
Ze worden genoemd naar de streek, waarin ze worden gevonden. Zo kennen we philippinieten, australieten, billitonieten, enz.
Het leeuwenaandeel van de vondsten stamt uit de Philippijnen.
Als plaats van herkomst en ontstaan is lang gedacht aan de ruimte, b.v. de maan.
Thans doet de theorie opgang, dat ze op de aarde zijn ontstaan uit gesteenten die zijn gesmolten door de inslag van bijzonder grote meteorieten.

30. FOSSIELEN.

Fossielen zijn herkenbare organische resten of sporen = resten of sporen van flora en fauna, die in de aarde bewaard zijn gebleven.
Sommigen voegen hieraan toe ‘en die ouder zijn dan 10.000 jaar’. Dat wil dus zeggen, van vóór het Holoceen.

Fossilisatie = het ontstaan van een fossiel uit een organisme.

Een pseudofossiel = schijnfossiel. Is geen fossiel, maar kan door zijn uiterlijk de indruk wekken een fossiel te zijn. Dit komt nogal eens voor bij concreties, vooral bij vuursteen.
Een pseudomorf fossiel = een fossiel dat is ontstaan, doordat tijdens de fossilisatie een ander materiaal het oorspronkelijke heeft vervangen.
Een faciësfossiel = een fossiel van een organisme, dat beperkt is tot bepaalde omstandigheden in een speciale omgeving.
Een juveniel fossiel = een fossiel van een jong exemplaar van een organisme.

Fossielen kunnen op verschillen manieren ontstaan:
– als complete organismen of als harde delen van organismen, al dan niet versteend = verstevigd door binnendringende mineralen.
– afdrukken = sporen op of in omringend gesteente.
– steenkernen = sporen op binnengedrongen gesteente of afdrukken van interne structuur.
– vervanging = het organische materiaal is vervangen door b.v. kiezelzuur of pyriet, waarbij de vorm bewaard is gebleven. Een variant hierop is inkoling = carbonisatie =omzetting in en verrijking van koolstof, zoals b.v. bij steenkool.
– indirecte sporen. Voorbeelden: graafgangen, vraatsporen, voet- of kruipsporen, boorgaten van mosselen. Zie hoofdstuk 31.

Een voorwaarde voor fossilisatie = het ontstaan van fossielen, is over het algemeen een snelle bedekking met sediment of andere conserverende omstandigheden. Goede en gave fossilisatie is uiterst zeldzaam. Dat we toch nog zo enorm veel fossielen aantreffen, is te danken aan het onnoemelijk grote aantal organismen, dat heeft geleefd in de onvoorstelbaar lange geologische geschiedenis van de aarde.
De overigens schaarse puntgave fossielen zijn te danken aan het procentueel zeer kleine aantal bijzondere gevallen, zoals het invriezen in ijs, dat bewaard is gebleven als permafrost en het inkapselen in barnsteen of pek.
Ook kan een organisme voor kortere of langere tijd worden geconserveerd onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals b.v. door droogte mummificatie of door anaerobe = anoxisch omstandigheden, m.a.w. onder afsluiting van zuurstof. Vb. Posidoniën in schiefer.

Ook het bestuderen van fossiele fragmenten kan een grote bijdrage leveren tot de kennis van organismen.
Hierbij zijn er twee mogelijkheden:
– de gevonden fragmenten kunnen op zichzelf aanwijzingen bevatten, die van belang zijn.
– als van een organisme de fossiele vorm van het geheel bekend is, dan kan een fragment door vergelijking vaak worden toegewezen aan een soort.
We verwijzen in dit verband op de studie van mesofossielen, ook wel bioklastengenoemd als het fossielfragmenten betreft; dit wordt besproken in hoofdstuk 33.3.
Microfossielen = fossielen van microscopisch kleine afmetingen = alleen onder een microscoop goed zichtbaar.
Macrofossielen = met het blote oog zichtbare fossielen.
Mesofossielen = de groep daar tussenin, met afmetingen tussen ca. l en 2.4 mm.
Nannofossielen = de allerkleinste groep, kleiner dan ca. 0.03 mm, meestal uitgedrukt in mu.

Enige begrippen (alfabetisch):
allochtoon = binnengekomen uit een ander gebied of milieu, hetzij levend, na het sterven of als fossiel.
autochtoon = inheems = steeds levend in een speciaal gebied of milieu. NB. De plaats van sterven en van de vondst van het fossiel is ook de plaats van leven.
associatie = een gemeenschap van planten of dieren.
benthos = bodembewoners.
biogenetischverschijnselen = veroorzaakt door organismen.
biosfeer = het bovenste deel van de aardkorst, het aardoppervlak en het laagste deel van de atmosfeer,dat wordt bewoond door organismen.
endemisch = behorend tot, voorkomend in een beperkt geografisch gebied.
ensemble = een leefgemeenschap van organismen.
fauna = het geheel van alle dierlijke leven.
flora = idem voor plantaardig leven.
fytoplankton = phytoplankton = plantaardig plankton.
Voorbeeld: dinoflagellaten, coccolitoforen.
kolonie = een leefgemeenschap van afhankelijke organismen.
metabolisme = stofwisseling van organismen.
metamorfose = in de biologie: gedaanteverwisseling gedurende de levensfasen van een dier.
morfologie = in paleontologie: de vorm van een organisme als geheel of in zijn algemene kenmerken.
nannoplankton = plankton kleiner dan 0.03 mm.
nekton = het geheel van vrijzwemmende diertjes in water.
ontogenese = de ontwikkeling van individu tot volwassenheid.
paleozoölogie en paleobotanie = de studie van fossiele dieren, resp. planten en hun voorkomen in de tijd.
palynologie = de studie van pollen = stuifmeelkorrels, sporen en van andere microfossielen, zoals b.v. dinoflagellaten.
pandemisch = kosmopolitisch =wijdverbreid voorkomend.
pelagisch = in open water, zee, meren, vrij van de bodem levend.
plankton = het geheel van drijvende of zwevende planten en diertjes in water.
populatie = een groep individuen of exemplaren.
sedentair = levende organismen, die zich niet of nauwelijks verplaatsen.
sessiel = zich niet verplaatsend.
vagiel = vrij bewegende organismen.
zoplankton = dierlijk plankton.

30.1. De studie van fossielen.

Paleontologie = de wetenschap van fossielen = de studie van fossielen.

Het doel van de paleontologie is:
– het bestuderen van fossiele overblijfselen.
– het vaststellen van ontwikkelingen in het leven op aarde.
– reconstructie van de evolutie der soorten.
– bepaling van het milieu in de verschillende tijdvakken = paleoecologie.
– correlatie van gesteenteformaties, dus horizontaal.
– bepalen van de relatieve ouderdom van gesteenten.
– het ondersteunen van absolute ouderdomsbepalingen.

Een geologische tijdschaal heeft vooral waarde als overzicht van de relatieve ouderdom.

Recent = voorkomend in de laatste paar duizend jaar, inclusief het heden.

Gidsfossielen = fossielen van organismen, die voorkomen in voldoende aantallen in voldoende grote gebieden en die in deze vorm betrekkelijk kort hebben geleefd. Daardoor zijn ze geschikt voor correlatie en relatieve datering, respectievelijk voor het vaststellen van gelijktijdigheid van gesteentepakketten.

Het bepalen van een absolute datering van gesteentepakketten en daarin voorkomende fossielen is besproken in hoofdstuk 4.3.
Door de grote nauwkeurigheid zijn deze methoden zeer waardevol, maar het aantal mogelijke dateringen is gering.
Anderzijds leveren fossielen grote aantallen relatieve dateringen op. Daarom vormen beide daterings-methoden een nuttige aanvulling op elkaar.

Een belangrijk voorbeeld hiervan levert de datering van de fossiele vondsten van voorouders van de mens in O.Afrika.

Het opstellen van evolutiereeksen op basis van fossielen is riskant. Immers kunnen veranderingen een vermeende ontwikkeling en ‘vooruitgang’ tonen, maar ook het omgekeerde komt voor, n.l. specialisatie en vermeende of echte degeneratie.

Verder moet men er zeker van zijn, dat de gebruikte vondsten in situ liggen = op z’n plaats = niet verplaatst.
Men moet zich ook afvragen, of de betreffende soorten niet behoren tot een biologische niche = enigszins geïsoleerd, aangepast aan de omgeving.

30.2. Classificatie en naamgeving van fossielen.

Taxonomie = classificatie = systematische indeling = indeling in categorieën aan de hand van internationaal erkende maatstaven. Taxis = rangschikking.
Een taxon = aanduiding voor een natuurlijke groep = een officieel erkende groep organismen. Vb: soort, geslacht, familie. Meervond: taxa.
nomenclatuur = (wetenschappelijke) naamgeving.
systematische paleontologie = de tak van de paleontologie, die zich bezighoudt met beschrijving, naamgeving enclassificatie van fossielen.

Voor fossielen betreft dit vooral visuele, anatomische, fysische en chemische maatstaven.
Er is echter ook een samenhang met evolutie,ecologie = milieu = leefomgeving, genetica = ontstaansgeschiedenis = erfelijkheid, gedrag en vergelijkende fysiologie.

Het doel van classificatie is tweeledig: indeling in natuurlijke groepen en identificatie.

Om een indeling effectief te kunnen gebruiken worden er namen gegeven. Om hierbij misverstanden uit te sluiten, behoren hierbij beschrijvingen, definities en typeexemplaren. Een holotype =typeexemplaar; het exemplaar van een soort of geslacht, dat door de naamgever is beschreven als type, met de kenmerken van de soort of het geslacht en wordt bewaard op een toegankelijke plaats. De naam is in het Latijn of gelatiniseerd.

In het spraakgebruik blijft het wel eens vaag, wat er met een naamaanduiding en met verwantschap tussen soorten precies wordt bedoeld. Daarom hebben biologen al vroeg getracht een internationale formele classificatie =taxonomie op te stellen, die kon dienen als basis voor een internationale nomenclatuur.

30.3. Geschiedenis.

De oudst bekende classificatie is van Aristoteles .(384-322 v.Chr). Hij gebruikte de uiterlijke kenmerken van organismen als maatstaf, van eenvoudige tot complexe organismen.
Dit systeem bleef globaal gangbaar tot in de 18e eeuw.

Vanaf de 12e eeuw groeide de belangstelling voor de botanie ten behoeve van de geneeskunde.
De Renaissance bracht een verdere opbloei van de biologie.

De Zweed Linnaeus (1707-1778) publiceerde in 1758 een indelingssysteem, dat geldt als basis voor de modernebotanische en zoölogische nomenclatuur.
Zijn binomische = binaire nomenclatuur = stelsel van tweedelige namen, was van blijvende waarde.

Dit stelsel, dat nog steeds gangbaar is, werkt als volgt:
De namen, die ook worden gebruikt voor fossielen, geven over het algemeen een geslacht genus aan, gevolgd door de soort = species. Voorbeeld: Equus (paard) caballus.
Als uit de resten niet is vast te stellen, met welke soort binnen een geslacht we te maken hebben, dan gebruiken we de geslachtsnaam, gevolgd door species. Voorbeeld: Equus species = Equus sp.

Soms wordt achter een soortnaam ook nog een ondersoort = ras aangegeven. Voorbeeld: Homo sapiens neandertalensis of Homo sapiens sapiens.
Ook voegt men in hoofdletters wel de naamgever toe, eventueel met het jaartal, waarin de naam werd gegeven. Dit is van belang, als aan eenzelfde soort tweemaal een naam wordt gegeven. Zodra blijkt, dat men met eenzelfde soort te maken heeft, dan heeft de oudste naam voorrang volgens de prioriteitsregel.
In geschriften schrijft men de naam van een genus met een hoofdletter. Vb. Homo. Die van een soort met kleine letter. Vb. erectus. Beide termen cursief of onderstreept.
Wat ook heel belangrijk is, LINNAEUS somde de kenmerken op, die bruikbaar waren voor determinatie.
Linnaeus onderscheidde de dieren in de volgende klassen:
1. Zoogdieren. 2. Vogels. 3. Amfibieën. 4. Vissen. 5. Insecten. 6. Wormen

Een klasse wordt onderverdeeld in: orde, familie, genus (geslacht)en species (soort).

Een groep geslachten vormt een familie. De naam eindigt op idae.
Voorbeeld: Hominidae.
Een groep families vormt een orde. De naam eindigt in principe op da.
Een groep orden vormt een klasse en eindigt op a.
Voorbeeld: Gastropoda
Een groep klassen vormt een fylum = stam. Voorbeeld: Bryoza, Mollusken, Echinodermata, Gewervelde dieren.
Alle stammen samen vormen de Rijken = Koninkrijken.

Om een en ander te verduidelijken geven wij U het voorbeeld van de classificatie van de mens, te beginnen met het fylum de gewervelde dieren.

stam = fylum Vertebrata = gewervelde dieren.
klasse Mammalia = zoogdieren.
orde -Primates.
superfamilie – Cercopithecoidea.
familie – Hominidae.
genus = geslacht  Homo.
species = soort  Homo sapiens.
subspecies = ras = ondersoort – Homo sapiens sapiens.
Homo sapiens = denkende mens.

Volgens de regels eindigt in de diersystematiek de naam van een klasse op a, subklasse is naar eigen keuze, orde op da en onderorde op na, superfamilie op idea, familie op idae en onderfamilie op inae.
In de plantensystematiek eindigen in het algemeen de namen van een orde op ales en die van een familie op aceae.

NB. Het woord groep komt in deze opsommingen niet voor. Het is dan ook geen officiële aanduiding. Men kan dus wel spreken over een groep dieren met een bepaalde naam, maar het is nauwkeuriger, om een wetenschappelijke naam te gebruiken uit de officiële indeling, zodat ook internationaal duidelijk is, waarover men spreekt.

30.4. Naar een moderne taxonomie.

Bovenstaand overzicht begint bij de stam van de gewervelde dieren, maar een volledige taxonomie van de biologie begint bij rijken.
Een regnum = rijk = koninkrijk. Meervoud: regna.

Zowel Aristoteles als Linnaeus hanteerden een hoofdindeling van alle levende organismen in planten en dieren, dus in een plantenrijk en een dierenrijk.
Opmerking: Linnaeus noemt eigenlijk drie koninkrijken: dierlijk, plantaardig en mineraal.

Paddestoelen en bacteriën rekende Linnaeus tot de planten.
Bij de paddestoelen leek dit geen probleem; ze waren immers onbeweeglijk verankerd met wortels.
Bij ééncellige organismen blijken de moeilijkheden groter.
Sommige ééncellige algenhebben zowel plantaardige als dierlijke kenmerken, door b.v. wèl chlorofyl = bladgroente bezitten, terwijl anderzijds de cellen zeer beweeglijk zijn.
De grens der plantaardige en dierlijke kenmerken loopt zelfs dwars door de flagellaten.

De oudste classificatiesystemen zijn kunstmatige systemen, d.w.z. ze zijn gebaseerd op de morfologie = uiterlijke kenmerken.
Moderne systemen, waartoe Linnaeus een eerste poging deed, trachten natuurlijke systemen te zijn. Ze proberen minder te letten op uiterlijkheden en meer op biologische kenmerken en eigenschappen.

Een moderne taxonomie wordt opgesteld op basis van fylogenetische verwantschap = de vraag in hoeverre ze in de evolutie verwant zijn of van elkaar afstaan.

Een paleontologische reeks = een serie van fossiele vormen, waardoor een ontwikkelingsproces zichtbaar wordt.

De onvrede over de indeling in twee rijken leidde in de vorige eeuw tot aanpassingen.
Op voorstel van Häckel (1839-1919) werd het rijk der Protista = ééncelligen ingevoerd.

In een onderverdeling maakte hij onderscheid tussen ééncelligen mèt en zonder kern.

Hier raken we één van de grondslagen van de moderne classificatiemethodiek.
Door de enorme mogelijkheden van de huidige techniek, b.v. van de biochemie en van de electronenmicroscopie is het nu mogelijk inzicht te krijgen in de bouw van cellen van levende organismen.
Men nam waar, dat sommige organismen geen celkern hebben. In 1939 introduceerde de Franse bioloog Chatton hiervoor de naam Prokaryoten = organismen zonder celkern. Pro = vóór, karyon = kern.
Het overgrote deel der organismen heeft wèl een celkern; het zijn Eukaryoten = organismen mèt celkern, die is gescheiden van het cytoplasma = de rest van de cel door een membraan. Eu = echt.

Prokaryotische cellen zijn eenvoudiger en kleiner (1-10 mu; 1 mu =0.001 mm) dan eukaryotische cellen (10-100mu). Er zijn nog meer verschillen, o.a. de ligging van de DNA in de kern, het voorkomen van chromosomen en de wijze van vermenigvuldigen.
We stellen vast, dat de verschillen zo fundamenteel zijn, dat we hier te maken hebben met één van de grootste verschillen, die ooit zijn ontstaan in de evolutie. Zoals een NGV-lid in een artikel in Grondboor & Hamer 1988 nr.2 stelt: op grond hiervan is het verschil tussen de prokaryoten, de blauwgroene algen, en de eukaryoten, de rode of de groene algen, groter, dan dat tussen de eukaryoten het madeliefje en de mammoet.

In 1950 introduceerde Copeland (1901-1968) een nieuw koninkrijk, de Fungi = schimmels, die geen bladgroen bezitten en geen wortels.

In 1959 publiceerde Whittaker een vijf-koninkrijken systeem.

Fig.44. Het vijfkoninkrijkensysteem voor het leven op aarde.

Dat hiermee de problemen niet waren opgelost bewijst het feit, dat U in boeken en naslagwerken nauwelijks twee schema’s zult kunnen vinden, die volkomen identiek zijn.
Dat is geen ramp, omdat een moderne taxonomie in grondgedachten wel overeenstemt met alle andere. De verschillen liggen in nuances en in de naamgeving.
Wij geven U enkele voorbeelden.

De Encyclopaedia Brittanica van 1986 geeft zowel een systeem met vijf koninkrijken als een met vier.

Classificatie in vier koninkrijken .
Koninkrijk Monera.
Divisie Schizophyta = bacteria en blauwe wieren.
Divisie Cyanophyta = blauwgroene algen.
Koninkrijk Protista.
Subkoninkrijk Protophyta. Vb. algen, korstmossen.
Subkoninkrijk Protozoa.
Koninkrijk Plantae (Metaphyta = bryophyta = niet-vaatplanten + Embryophyta = vaatplanten.
Koninkrijk Metazoa = hogere dieren.
Subkoninkrijk Parazoa = sponzen.
Subkoninkrijk Metazoa.

Een verdere onderverdeling is in fyla, enz.

Opmerking. Het valt op, dat er als eerste onderverdeling sprake is van divisies en van subrijken. Plantkundigen houden vast aan divisies. Dierkundigen aan subrijken. Een kwestie van woorden dus.

Het meest gebruikte systeem, waaraan wij ons ook zullen houden, is het volgende VijfKoninkrijken systeem, dat voorkomt in de Encyclopaedia Britannica en in verschillende andere publicaties:

Rijk I. Monera = Moneren = Prokaryota.
Dit Rijk omvat de prokaryotische ééncelligen, dus zonder celkern.

Rijk II. Protista = Protisten = Eukaryota.
Dit Rijk omvat de eukaryotische ééncelligen, dus mèt een celkern.

De eukaryotische méércelligen omvatten:
Rijk III. Plantae = planten.

Rijk IV. Fungi = hogere schimmels, zwammen.

Rijk V. Animalia = dieren.

Na de hoofdindeling in rijken, die soms worden gesplitst in subrijken en divisies, volgt een verdere splitsing naarfylum = stam, klasse, orde, familie, genus = geslacht en species = soort. Elk van deze groepen kan weer verder worden onderverdeeld, verfijnd en uitgesplitst.
Als U weet, dat er over de hoofdindeling al moeilijk enige overeenstemming kan worden bereikt, zal het U niet verbazen, dat er over details in de onderverdeling veel discussies worden gevoerd. Door de snelle ontwikkeling van de wetenschap, maar ook door nieuwe vondsten en waarnemingen, worden er voortdurend wijzigingen voorgesteld.
Toch behoeft dit geen probleem te vormen.
Een voortreffelijk werk over de indeling van fossielen als dat van A.H. Müller uit 1962 is op sommige detailpunten misschien verouderd en aangevochten. Toch kunt U dit werk goed blijven gebruiken, mits U bij de hieraan ontleende gegevens over classificatie van door U beschreven fossielen e.d. maar de bron vermeldt. Dat kunt U doen door de geciteerde auteur en het jaartal van zijn publicatie te vermelden. Dus: vlg. Müller, 1962.

30.5. Fossielen van Rijk I: Monera.

De Prokaryoten van het rijk Monera staan aan de basis van de ontwikkeling van alle levende organismen.
Ze zijn fossiel aangetoond in gesteenten in West-Australië van ca. 3.5 miljard jaar oud. Dus in het Precambrium.
De voedingswijze was autotroof. We moeten dus denken aan bacterieachtige organismen. Hieruit zijn ca. 2.3 miljard jaar geleden de cyanobacteriën = blauwwieren ontstaan als pioniers van de zuurstofrevolutie.

We verdelen het Rijk Monera in twee divisies:
– Schizophyta, waartoe de virussen en de bacteriën worden gerekend.
– Cyanophyta = cyanobacteria = blauwgroene algen = blauwgroene wieren = blauwwieren.

Virussen worden veelal tot de Monera gerekend. Sommigen laten ze erbuiten, omdat een virus zich niet kan vermenigvuldigen zonder gastheercel en daarom niet tot de levende organismen zou moeten worden gerekend.

30.6. Fossielen van Rijk II: Protista.

De Eukaryoten van het rijk Protista zijn van 1.5 tot 1.2 miljard jaar geleden in het Precambrium ontstaan uit de Prokaryoten.
Bij het begin van het Cambrium, ca. 600 miljoen jaar geleden komen er ingewikkelder levensvormen tot ontwikkeling.
Binnen een paar miljoen jaar verschijnen er voorlopers van alle taxonische rijken.

We verdelen het rijk Protista in twee subrijken:

– Protophyta = Protos = eerste. Phyta = plant.
De naam duidt op associaties met plantaardige organismen, zoals wieren en sommige algen. Hiertoe behoren ook de Flagellaten = zweepwieren en de Pyrrophyta = Dinoflagellaten = ééncellige algen. Flagellum = zweephaar.
Sommige van deze organismen leven in kolonies van ééncelligen. Vb. ééncellige algen.

Fig.45. Hystrichosphaeridium stellatum MAIER 1959. Het immobiele ruststadium van een dinoflagellaat, zoals dit fossiel voorkomt in de vuursteen van het Maastrichtien.

Diatomeeën zijn ééncellige algen, die algemeen voorkomen in zout, brak en zoet water. De tweedelige celwand bevat kiezelzuur.

– Protozoa. Protos = eerste. Zoön = dier. De naam duidt dus op associaties met dierlijke organismen. Vb. amoeben, sommige flagellaten, ciliaten, parasitische protozoa.
De protozoën hebben een enorm grote rol gespeeld in de opbouw van de aarde.

Het subrijk Protozoa wordt onder meer onderverdeeld in een aantal fyla = waaronder de stam Protozoa welke de klasse Rhizopoda = Wortelpotigen omvat.

De klasse Rhizopoda is opgesplitst in twee zeer belangrijke subklassen:
1. Foraminiferen.
2. Radiolariën.

sub 1. Foraminiferen.
Foraminiferen = letterlijk: Gaatjesdragers, zijn ééncellige diertjes, in afmetingen van 0.1 – 100 mm. Wat als fossiel bewaard kan blijven, zijn de, meestal in kamertjes onderverdeelde schaaltjes, die ze om zich heen bouwen. Sommige soorten scheiden hiervoor zelf kalk af, terwijl andere zandkorrels met kalk en/of chitine aaneenkitten.
Ze zijn al bekend vanuit het Paleozoïcum.
Door hun ongelooflijk grote aantallen hebben ze enorme gesteentelagen opgebouwd. Zeer bekend is de kalksteen, die is gebruikt voor de Egyptische piramiden. Die bevat reuzenforams = nummulieten (zie verder).
Sommige foraminiferen zijn microscopisch klein, andere zijn met het blote oog te zien en uit te zeven met een zeef van 1 mm. De grootste meten meer dan 6 mm.
In ons land zijn foraminiferen in veel formaties te vinden: in zanden, kleien, tufkrijt, in vuursteen, enz.
Foraminiferen komen voornamelijk voor in zee, maar ook in zoet water. Ze zijn over het algemeen milieugebonden. Toch zijn ze vaak bruikbaar voor correlatie en voor stratigrafie.

Gevolgd wordt de indeling naar Loeblich & Tappan.

De orde Foraminiferida omvat 5 suborden:
–. Allogromiina. Boven-Cambrium – recent.
–. Textulariina. Cambrium – recent.
–. Fusulinina. Ordovicium – Trias. Spoelvormig.
–. Miliolina. Carboon – recent.
–. Rotaliina Verdana Perm – recent.

De suborde Rotaliina bestaat uit een aantal superfamilies waarvan enkele foraminiferen voorbeelden:
– Nodosariacea met het geslacht: Nodosaria, Perm – recent. Schijfvormig; enkele mm’s groot.
Kamertjes vormen een keten tot langwerpige schaaltjes. Zijn aan te treffen in Oligocene en Miocene klei van Twente en de Achterhoek.
– Rotaliacea met de geslachten: Ammonia, Mioceen – recent. Komt ook voor aan onze kusten en Nummilites, Paleoceen – Oligoceen. Ronde, platte schijfjes. Nummulus = muntje. Overvloedig in het Paleogeen = vroeg Tertiair.
Nog een voorbeeld: Globigerinen. Zwevend plankton, dat naar de bodem zinkt en daar globigerinenslik vormt. Sinds Tertiair. Afzettingen b.v. in de N.Alpen

Fig.46. Diepzeeslik, 550 x vergroot.
d en e = Foraminiferen.
h en i = Diatomeeën.
g en g’ = Radiolariën.

sub 2. Radiolariën.
Radiolariën = letterlijk: straaldiertjes, zijn ééncelligen in afmetingen van 0.1 – 5 mm. Ze komen alleen voor in zee.
Ze bouwen hun skelet niet op uit kalk, maar uit opaal = kiezel.Ze zijn soms met het blote oog waarneembaar, b.v. als puntjes in vaste gesteenten.
Onder een microscoop blijkt, dat ze oneindig veel verschillende, meestal stervormige, ingewikkelde structuren hebben opgebouwd.
Ze kwamen al voor in het Cambrium en leven ook nu nog in enorme aantallen. Radiolariën hebben diepzeeafzettingen gevormd, die diagenetisch zijn verhard tot radiolariet en lydiet. Deze gesteenten komen algemeen voor als zwerfsteen.

30.7. Fossielen van Rijk III: Plantae = Plantenrijk .

Het Rijk Plantae = Metaphyta = meercellige planten, omvat de echte algen, mossen, varens, coniferen en bloeiende planten.

Onderrijk Thallophyta = planten zonder wortel, steel of bladeren; thallos = scheut, jonge loot.

Onderrijk Cormophyta = vaatplanten. De vaatplanten omvatten mossen + varens + bloeiende planten.

Plantaardige fossielen .
Fossiele resten van flora kunnen bestaan uit:
– resten of afdrukken van planten,zoals bladeren, naalden, stengels, stam- of takdelen, wortels, bloemen en vruchten.
– pollen = stuifmeel en sporen. Pollenanalyse is de laatste decennia uitgegroeid tot een belangrijk middel om aanwijzingen te verzamelen voor de reconstructie van een plantengemeenschap. Opgrond hiervan kan men conclusies trekken over het milieu. De planten, struiken en bomen, waarvan het pollen afkomstig is geven inzicht in de heersende temperatuur, de bodemgesteldheid, de vochtigheid,enz.
Van grassen zijn zelden fossiele resten bewaard gebleven, behalve in venen, maar hun pollen is wel veel voorkomend.
 veen, bruinkool en steenkool nemen een bijzondere plaats in door hun zuiver plantaardige oorsprong en door hun conserveringstoestand.

Een gangbare onderverdeling in fyla = stammen is:

1. Bryophyta = mosplanten = nièt-vaatplanten = spruitplanten.
2. Psilotophyta = borstelvarens.
3. Lycopodiophyta = wolfsklauwen = Lycospora = Lycopodiales.
4. Equisetophyta = Lycopsida = Paardenstaarten = Sphenopsida = Equisetales (verouderd).
5. Polypodiophyta = echte varens = Pteropsida.
6. Pinophyta = Gymnospermae = naaktzadigen = nièt-bloeiende planten.
7. Magnoliophyta = Angiospermae = bedektzadigen bloeiende planten.

– a. Klasse Monocotyledonae = Monocotyledonen = éénzaadlobbigen monocotylencotyl = zaadlob.
– b. Klasse Dicotyledoneae = Dicotyledonen tweezaadlobbigen = dicotylen = bloemdragende planten, die als embryo met twee zaadlobben zijn uitgerust.

Fig.47. Lepidodendron. Wolfsklauw uit het Carboon.
(fig.47 t/m 50 tekeningen J.A. Driessen, 1954)

Fossiele resten van hogere planten zijn bekend vanaf het Siluur.

sub 1. Bryophyta. Voorbeelden hiervan zijn mossen en levermossen. Bekend zijn de Sphagnales = veenmossen.

sub 2. Psilophyten zijn de oudst bekende landplanten. Ze stammen uit Siluur en Devoon. Ze hadden geen blad, zaad of wortels.
Vb: De uitgestorven geslachten Rhynia en Psilophyton,die als fossiel bekend zijn, waren in Siluur en Devoon wijd verbreid.

sub 3. Lycopodiophyta = Wolfsklauwen zijn bekend van het Devoon tot heden.
Vb. Lepidodendron = Schubboom is de bekendste van de fossiele wolfsklauwen. In het Carboon kwamen ze veelvuldig voor als enorme bomen. De wortels zijn bekend onder de naam Stigmaria. de kegel heetLepidostrobusSigillaria = Zegelboom. Carboon – Perm.

sub 4. Equisetophyta = paardenstaarten komen eveneens voor vanaf het Devoon tot op heden.
Vb: Bekend zijn de talrijke fossielen van Calamitesuit het Carboon. De stammen vertonen evenwijdige lengtestrepen en op bepaalde afstanden ringvormige knopen.

Fig.48. Calamites. Paardenstaart uit het Carboon.

sub 5. Polypodiophyta = Psilopsida = Varens komen ook al voor in het Devoon.
Vb: Pecopteris en Neuropteris,zaadvarens. Overvloedig in het Carboon. Sphenopteris een zaadvaren. Carboon.

Fig.49. Sphenopteris. Zaadvaren uit het Carboon.

sub 6. Gymnospermae = Pinophyta = naaktzadigen zijn over het algemeen bomen of heesters en typische windbloeiers.
Deze stam omvat enkele zeer belangrijke klassen, zoals de Palmvarens, Gingko’s en Naaldbomen.
Echte coniferen stammen uit Perm en Trias. Vb. Araucariaachtigen.
Vb. De orde Cordaitales, een uitgestorven groep bomen, die de voorlopers zijn van de naaldbomen.

Fig.50. Cordaites, naaktzadige boom uit het Carboon.

Bekend uit het Carboon.
Gingko, een naaldboom uit de Jura, waarvan nu nog een familielid voorkomt.
Sequoiadendron =Mammoetboom stamt uit het Oligoceen. In de verte verwant aan de bekende Redwood uit Californië.

sub 7. Angiospermae = Magnoliophyta = Bedektzadigen overvleugelen vanaf het Mesozoïcum, vanaf het Krijt, de naaktzadigen. De zaadknoppen zitten in een vruchtbeginsel. Het is opvallend, dat een aantal bedektzadigen zich vanaf vroege geologische perioden tot heden hebben gehandhaafd.
We noemen enkele voorbeelden:
Sciadopytys van Jura – recent.
Laurier, Plataan, Populier, Esdoorn, LindeMagnolia, Wilg, enz. sinds het Krijt.
Rhus en Acer sedert het Paleoceen. Planera, een iep,sinds het Mioceen.

De klasse van de monocotylen omvat naast iris, orchidee en palm ook de grote orden van de granen en grassen.
De dicotylen worden zeer belangrijk vanaf einde Krijt.

30.8. Fossielen van Rijk IV: Fungi.

Tot het Rijk van de zwammen = schimmels behoren organismen als gist, parasitische zwammen, truffels en vele paddestoelen. Ze leven als saprofiet of als parasiet.
Saprofytisch = saprofietisch = evend van dode organismen.
Parasitisch = levend van levende organismen. Terwijl planten autotroof zijn = ze produceren hun voedsel d.m.v. fotosynthese, zijn fungi heterotroof = ze absorberen (evenals dieren) hun voedsel.
Hoewel de celwand van cellulose of chitine is zijn fossiele Fungi zeer schaars. We kunnen alleen fossiele Fungi melden in IJzerstromatolieten uit Warstein in het Sauerland.

30.9. Fossielen van Rijk V: Animalia = dierenrijk.

Fossiele resten van dierlijke organismen zijn veel talrijker dan plantaardige fossielen. De meeste dierlijke fossielen zijn afkomstig van zeebewoners. De fossilisatiekans is in rnariene sedimenten veel groter dan op het land. Fossielen van planten, die meestal op het land leven, zijn daarom betrekkelijk zeldzaam. Door hun talrijkheid zijn dierfossielen voor de geologie veel belangrijker.

Het Rijk van de Animalia = Metazoa = meercelligen omvat o. a. organismen als sponzen, koralen, weekdieren, geleedpotigen, wormen en vertebraten.

De Animalia verschijnen in de geologische tijdschaal veel later dan de planten.

Het Rijk Anirnalia wordt wel onderverdeeld in drie subrijken:
I.   Mesozoa.
II   Parazoa.
III. Eumetazoa = letterlijk overigen.

sub I. Mesozoa.
Slechts vertegenwoordigd door één fylum, dat in zijn ontwikkeling naar meercelligheid is blijven steken.

sub II Parazoa.
Alleen vertegenwoordigd door het fylum = stam Porifera = Sponzen. Sponzen worden beschouwd als de eenvoudigst georganiseerde meercellige dieren. Ze zijn bekend vanaf het Cambrium, maar ze kwamen hoogstwaarschijnlijk al in het Precambrium voor.
Sponzen zijn waterfilters. Via talloze poriën wordt water van buiten aangezogen. Ontdaan van zuurstof en voedsel wordt het afvalwater door een fijn vertakt kanalenstelsel afgevoerd via uitstroomopeningen, die vaak in een centrale holte (sponsholte of spongocoel) uitmonden. Het bovenste deel ervan wordt ook osculum = uitstroomopeninggenoemd.

Het sponslichaam wordt ondersteund door talrijke van puntige uitsteeksels voorziene sponsnaalden. Veelal liggen deze los in het sponsweefsel, maar ze kunnen ook aaneengegroeid zijn tot een skelet.Deze skeletten leveren ons de fossiele overblijfselen van sponzen.
De vorm van sponzen is bijzonder variabel, zelfs binnen een en dezelfde soort. Kom- of bekervormige typen komen veel voor. Sponzen kunnen gesteentevormend zijn. Als rifvormers kwamen sponzen hoofdzakelijk in het Paleozoïcum voor. De rifvormende functie is later overgenomen door stromatoporen en door koralen.

In Noord-Nederland worden regelmatig zwerfsteensponzen uit het Ordovicium en het Boven-Krijt gevonden. In Zuid-Nederland  zijn zwerfsteensponzen uit het Boven-Krijt te vinden. In de Limburgse kalksteen komen sponzen in situ voor.

We onderscheiden de volgende klassen:
– Calcarea = Kalksponzen met een skelet van kalknaaldjes.
– Hexactinellidea glassponzen, (vroeger ook Hyalospongia genoemd), met een skelet van kiezelzuur
– Demospongiae =Demosponzen = ‘gewone sponzen’ met een skelet van hoornachtig materiaal = spongine, of van kiezelzuur zonder spongine.

Clionidae Boorsponzen zijn demosponzen. Ze zijn merkwaardig vanwege hun aparte levenswijze. Hun levenssporen komen in allerlei gefossiliseerde schaal- en schelpdieren voor. Cliona boorde hele rijen gaatjes in de kalk van schelpen. Ze zijn bekend uit het Limburgse Krijt, van de vele aangeboorde Cardita-schelpen uit het Eoceen van het strand van Cadzand en van kalkstenen langs de kusten van Normandië, Duitsland en Denemarken.

De Sclerosponzen is een groep met vooralsnog een onzekere plaats in de taxonomie
–a. De Sclerospongiae = Sclerosponzen worden volgens sponzendeskundigen als dr. R.W.M. van Soest niet meer als een klasse van de Porifera beschouwd
–b.De Sclerospongiae = koraalsponzen werd in 1972 als klasse geïntroduceerd op grond van de (her)ontdekking van koraalsponzen voor de kust van Jamaica (Hartman en Goreau, 1972).
Ze leven daar in een cryptisch milieu, d.w.z. verborgen in grotten en holen en onder overhangende gedeelten van koraalriffen.
Sclerosponzen scheiden een basaal skelet af van calciumcarbonaat waarin wel of geen kiezelachtige sponsnaalden zijn ingebouwd en vertoont in veel gevallen een sterke overeenkomst met dat van koralen
Een aantal onderzoekers rekenen fossiele organismen als stromatoporen tabulaten en talrijke massievebryozoën, waaronder de meeste trepostomaten, tot de nieuwe klasse der Sclerospongea.

Fig.51. Favosites, Devoon, Eifel. (naar Zittel, 1915)

Ordovician Favosites hamiltoniae Coral Fossils

http://www.fossilmuseum.net/fossils/Cnidaria/Favosites-hamiltoniae/Favosites-hamiltoniae.htm

Veel onderzoekers beschouwen de paleozoïsche heliolieten wèl als koralen, maar zeer waarschijnlijk zijn dit ook sclerosponzen. Hun skeletbouw is homoloog aan die van veel trepostomate bryozoën.

Voordien werden de organismen stromatoporen, tabulaten en heliolieten gerekend tot de Coelenterata (spreek uit seulenterata) = holtedieren.

Fig.52. Michelina, Kolenkalk, Ardennen. (naar Zittel, 1915)

Voorbeelden van Tabulaten:
Favosites is wel het bekendste tabulaat. Het bezit een massief kalkskelet, dat bestaat uit slanke, dicht opeenstaande buisjes met prismatische doorsneden. Favosites wordt veel gevonden in de keileem van de noordelijke Hondsrug, tussen Haren en Groningen. Verkiezeld komen ze veel voor in Midden-Pleistocene zanden in Noord-Nederland.
Syringopora. Spreiding wereldwijd. Van Boven-Ordovicium tot Onder-Perm. Wordt vrij veel als silurische zwerfsteen gevonden op de noordelijke Hondsrug.
Michelina, o.a. in het grind op de Brunssummerheide.
Michelina en ook Syringopora zijn te vinden in onder-carbonische kalkstenen in Maas- en Rijngrind. Soms ook verkiezeld in het midden en het zuiden van ons land.
Stromatoporen. Van Ordovicium tot recent. Heel bekend zijn de stromatoporenriffen uit het Siluur van Gotland en die uit het Midden-Devoon van de Ardennen en de Eifel. In Zuid-Duitsland zijn sponsriffen bekend uit de Boven-Jura (Malm).

sub III. Eumetazoa.
De cellen zijn hier meestal verenigd tot organen. Het lichaam is beweeglijk door spieren en zenuwen.

We onderscheiden deze ‘overige dieren’ in een groot aantal fyla = stammen:
1. Cnidaria = Neteldieren = Coelenterata = Holtedieren.
2. Acnidaria = Ribkwallen = Coelenterata = Holtedieren.
3. Platyhelminthes = Platwormen.
4. Entoprocta = Kamptozoa.
5. Nemertea = Rhynchocoela = Snoerwormen
6. Aschelminthes = Nemathelminthes = Ronde of Draadwormen.
7. Mollusca = Weekdieren.
8. Siphunculoidea = Sipuncula = Spuitwormen.
9. Annelida = Gelede wormen = Ringwormen.
10. Arthropoda = Geleedpotigen.
11. Phoronida.
12. Bryozoa = Ectoprocta = Mosdiertjes.
13. Brachiopoda = Armkieuwigen.
Opmerking: Men vat de Phoronida, Bryozoa en de Brachiopoda wel samen onder één fylum: de Tentaculata =Lophophora, dus voorzien van tentakelkrans.
14. Hemichordata = Branchiotremata = Kraagdieren.
15. Pogonophora = Baardwormen.
16. Echinodermata = Stekelhuidigen.
17. Chaetognatha = Pijlwormen.
18. Graptolites = Graptolithina = Graptolieten.
19. Chordata = Chordadieren.

Opmerking: Als U dat beter lijkt, kunt U bovenstaande namen ook heel goed in zijn Nederlandse variant gebruiken, zoals b.v. Bryozoën i.p.v. Bryozoa, Mollusken i.p.v. Mollusca, enz.

NB. Conodonten, kenmerkende gidsfossielen van Cambrium tot Trias, zijn niet in te delen bij een fyllum. Ze lijken enigszins op tanden of op een gebit

sub 1. Coelenterata.
Coelenterata zijn holtedieren. Ze omvatten Hydroïdpoliepen,, Kwallen, Zeeanemonen en Koralen. Het zijn voornamelijk zoutwaterorganismen.
Eenvoudig voorgesteld bestaat een holtedier uit een soort zak, omgeven door een lichaamswand, die uit twee cellagen is opgebouwd. Deze wand omsluit een centrale holte, de coelenteron. Deze staat in verbinding met de buitenwereld, maar kan naar believen worden afgesloten.
Holtedieren kunnen, zowel solitair als kolonievormend zijn.

Müller (1965) geeft de volgende indeling van de Coelenterata:
Stam: Coelenterata.
Substam: Cnidaria = Neteldieren.
Klassen:
I.   Protomedusea.
II.  Dipleurozoa.
III. Scyphozoa. Vb. Kwallen.
IV. Hydrozoa. Vb. Zoetwaterpoliepen.
V.  Anthozoa. Vb. Zeeanemonen en koralen. Fossiele Anthozoa zijn bekend vanaf het Cambrium.

De Anthozoa = Bloemdieren worden onderverdeeld in de onderklassen:
1.  Rugosa.
2.  Octocorallia.
3.  Scleractinia.

ad 1. Rugosa zijn te beschouwen als de voorlopers van de huidige rifbouwende koralen, de Scleractinia.
Rugose koralen kwamen voor in het Paleozoïcum. Ze omvatten zowel solitaire als kolonievormende soorten.
Bekende vindplaatsen ervan liggen in de Eifel in het Midden-Devoon in de omgeving van Gerolstein.
Op het eiland Gotland in de Oostzee zijn langs de kust heel veel solitaire Rugosa te vinden. Kolonievormende soorten zijn daar in talrijke stromatoporenriffen te vinden.
Voorbeelden van Rugosa zijn:
Acervularia. Siluur.  Gotland.
Entelophyllum. Siluur. Gotland.
Cyathophyllum. Midden-Devoon. Eifel en Ardennen.
Hexagonaria. Midden-Devoon. Eifel en Ardennen.
Lithostrotion. Onder-Carboon. Kolenkalk. België.

sub 2. Platyhelminthes.
Platyhelminthes = platte wormenleverbotlintworm e.d.

sub 3. Entoprocta.
Entoprocta = Kamptozoa lijken meer op bryozoën dan op wormen. Ze worden en vooral werden daar vaak toegerekend.
Het zijn solitair of in kolonies levende wormpjes, die alleen in zee voorkomen.

sub 4. Mollusca.
De stam Molusca = Mollusken = weekdieren vormen wel de grootste en bekendste hoofdgroep fossielen. De aantallen fossielen zijn enorm. Hierbij moet men beseffen, dat maar een klein deel der schelpen fossileert en bewaard blijft.
Als de kalk van een schelp zoals b.v. bij oesters uit calcietbestaat kan de schelp een fossiel worden. Als het materiaal, zoals bij veel slakkenhuizen bestaat uit aragoniet, dan lost het materiaal meestal op, zodat we hoogstens nog steenkernen terugvinden.

Aan de basis van de mollusken staan de al in het Cambrium bekende Monoplacophora, een diertje met een enkel rugschild. Ze komen ook nu nog voor!

De stam der Mollusken wordt wel verdeeld in twee substammen:
I.  Amphineura = Keverslakken.
II. Conchifera.

ad I. Amphineura.
De slakken van de onderstam Amphineura: o.a. Keverslakken zijn aan de buikzijde zacht. Aan de rug en zijden hebben ze een cuticula = een schelp met stekels.
Tot deze onderstam behoren o.a. de 1000 soorten van de klasse der Polyplacophora = Loricata = Keverslakken.

ad II. Conchifera.
De Conchiferahebben aan de rugzijde een één of tweedelige kalkschaal.

Deze substam telt enkele voor ons uiterst belangrijke klassen:
1. Gastropoda Gastropoden = Monoplacophora = Slakken.
2. Scaphopoda Scaphopoden = Graafvoetigen = Graafpotigen.
3. Bivalvia =Bivalven = Lamellibranchiata Tweekleppigen.
4. Cephalopoda = Cephalopoden = Koppotigen.

ad 1. Gastropoda.
De Gastropoden = Slakken = letterlijk: Buikpotigen zijn de meest verbreide mollusken. Ze tellen zo’n 100.000 soorten, die in vrijwel alle milieusvoorkomen.
De schelp kan zijn: gewonden, nietgewonden, zoals bij napslakken, of ontbrekend bij naaktslakken.
De schelp is opgebouwd uit twee lagen kalkachtig materiaal. De buitenste laag bestaat uit aragoniet,debinnenlaag uit parelmoer, aragoniet of porseleinachtig materiaal.
Gastropoden onderscheidt men door verschil in vorm van de winding, mondopening, schelpversiering e.d.
Een winding omvat 360°.
De spira = de schelp behalve de laatste, grootste winding.
Een sutuur = de naad, waarmee de windingen aan elkaar zijn gegroeid.
De mondopening = de opening van de schelp. NB. Niet te verwarren met de mondopening van het levende schelpdier.
De columella = de as = de centrale kolom van de schelp.
De Gastropoden komen al volop voor vanaf zo’n 450miljoen jaargeleden, van het Paleozoïcum tot heden. De vormenrijkdom is dan ook verbazingwekkend.

Met onze voorbeelden volstaan we dan ook met de namen van enkele, voor velen bekende, geslachten.
Bellerophon. Siluur – Trias.
Natica = Tepelhoorn. Bolvormig. Trias – recent. Recent aan de Nederlandse kust; het Tertiair; al bekend uit het Krijt van Limburg. De Tepelhoorn is een roofdier. Hij boort andere schelpen aan.
Oöliticia. Jura – Krijt.
Tornatella. Jura – Oligoceen.
Crepidula = Muiltje. Jura – recent.
Calliostoma. Krijt – recent.
Cypraeafont = Kauri. Krijt – recent.
Glauconia. Bij ons bekend uit het Onder-Krijt van Glanerbrug en Bentheim.
Murex. Krijt – recent.
Conus. Krijt – recent.
Turritella. Torenvormig, met veel windingen, versierd met ribbels. Sinds het Krijt, met bloeitijd in het Tertiair.
Ficus. Eoceen – recent.
Potamides. Ook wel Cerithium geheten. Heeft zijn naam gegeven aan de Cerithiumklei uit de directe ondergrond van een deel van Zuid-Limburg en de omgeving van Tongeren.
Buccinum = Wulk. Plioceen – recent.
Littorina = Alikruik.

Fig.53.

a: Natica (Amauropsis) bulbiformis SOWERBY, Boven-Krijt.
b: Turritella turris BASTEROT, Mioceen, Eifel. (naar Zittel, 1915)

ad 2. Scaphopoda.
De Scaphopoden = Solenoconcha = Stoottanden = Tandslakken = Olifantstandjes vormen met ca. 350 soorten een belangrijke, maar minder omvangrijke klasse der Mollusken. Ze zijn overwegend enkelvoudig, langgerekt en enigszins kegelvormig. Hun vorm heeft vaak die van een kleine olifantstand.
Vanaf Devoon tot recent.

Voorbeeld:
Dentalium. Met dunne en dikke lengteribben. NB. De naam Dentaliumbank voor een bepaald laagje in het Limburgse Krijt is verwarrend, omdat de daarin talrijk voorkomende fossielen geen Dentaliën, maar Serpuliden =kokerwormen zijn.
Fissidentalium. Krijt – recent.

ad 3. Bivalvia.
De klasse der Bivalven = Tweekleppigen = Lamellibranchiata = Plaatkieuwigen = Pelecypoda telt 20.000 soorten, waarvan een enkele tot 1.30 m lang.
Ze omvatten globaal kokkels, mantelschelpenmesheften, oesters en mossels.
De twee kleppen zijn meestal symmetrisch. O.a. oesters vormen hierop een uitzondering, ze zijn ongelijkkleppig.
De kleppen scharnieren om de slotlijn. Aan de randen zijn soms tanden aanwezig. Binnen in de schelp is meestal een spieraanhechting te zien

Fig.54. a: Nucula strigilata GOLDFUSS, Trias, Tirol

Gezien het grote aantal soorten noemen we weer slechts enkele zeer bekende voorbeelden:
Nucula. Devoon – recent. Behoort tot de orde der Paleotaxodonta.Klein, ovaal. Massaal in Oligocene klei in Limburg, de Nuculaklei, o.a. ontsloten bij Kleine-Spauwen bij Tongeren in België. Ook in de Septariënklei uit het Oligoceen van Twente en de Achterhoek.
Nucula nucleus. LINNÉ, Mioceen, Oostenrijk. (naar Zittel, 1915)
Pinna. Carboon – recent. Tot zeer groot met brede ribben en een dunne schaal.
Carbonicola. Carboon. Zoetwatermollusk.
Chlamys. Trias – recent. Versiering met sterke spiraalsgewijs geplaatste ribben.
Trigonia. Jura – recent. Ongeveer driehoekig. Komt veel voor in Jura-afzettingen aan de Kanaalkust bij Boulogne-sur-Mer.
Myophoria. Verwant aan Trigonia. o.a. in de Muschelkalk van de Onder-Trias van Winterswijk.
Gryphaea. Trias – Jura.
Pecten. Trias – heden. De schelp van het Shell-embleem.
Spondylus. Jura – recent. Met twee ongelijke kleppen.
Teredo = Paalworm = boormossel. Orde: Adapedonta. Krijt – recent. Een mollusk met een zeer kleine schelp, die boorgaten maakt in hout.
Anodonta = zoetwatermossel. Krijt – recent.
Glycymeris. Krijt – recent. Met concentrische richels en een opvallende, boogvormige getande rand. Vooral als afdruk in het Krijt. De schelp komt voor in Oligoceen zand in Oost-Nederland en in Zuid-Limburg.

Fig.55. Glycymeris

Ostrea = gewone oester.Krijt – recent. Radiale ribben op één van de kleppen.
Cardium = Kokkel = Hartschelp. Fossiel o.a. uit het Krijt en uit de Eemlagenobovatus LAMARCK, Oligoceen. (naar Zittel, 1915)

ad 4. Cephalopoda.
De Cephalopoden = Koppotigen tellen duizenden soorten. Vanaf Boven-Cambrium.
Ze worden o.a. vertegenwoordigd door de nog levende Inktvissen = Octopus, Sepia = Zeekat en Nautilus.Minstens even belangrijk zijn de twee grote uitgestorven groepen Ammonieten en Belemnieten.
– Bactriteswordt beschouwd als voorloper van de Ammonieten.
– Ammonieten leefden in het Paleozoïcum en vooral in het Mesozoïcum. Ze zijn kenmerkend voor de periode van Devoon t/m Krijt. Ze hadden een wereldwijde verspreiding en ze zijn van groot belang voor datering binnen het Mesozoicum. Ze lijken op platte Gastropoden.
Typisch is de sifo = een buis, die langs de buikzijde van de winding door alle kamers, waaruit een ammoniet is opgebouwd, heenloopt.

Fig.56. Anarcestes (Anarcetes) lateseptatus plebeius (BARRANDE), Devoon, Böhmen. (naar Zittel, 1915)
Ammonieten kunnen worden ingedeeld naar hun voorkomen in geologische perioden of zelfs in tijdvakken

Voorbeelden:
Goniatites. Devoon – Perm. Bij ons in het Onder-Carboon, in zwerfstenen of los als zwerfsteen.
Reticuloceras. In schalie uit het Boven-Carboon o.a. bij Epen.
Gastrioceras. Boven-Carboon.
Ceratites. Trias.
Dactylioceras. Midden- en Onder-Jura. o.a. bekend uit Holzmaden in Duitsland.
Phylloceras. Onder-Jura – Boven-Krijt.
Asteroceras Jura.
Hamites. Krijt.
Rhyncolites, een bovenkaakdeel, misschien behorend tot Nautilus. Boven-Maastrichtiën.

– Belemnieten behoren tot een uitgestorven groep cephalopoden. Ze zijn vooral belangrijk in Jura en Krijt. Belemnon = werpspeer.
We vinden als fossiel gewoonlijk alleen het rostrum = het achterstuk = een deel van de inwendige schelp. Nauwkeuriger gezegd: een belemniet is het rostrum van een inktvissoort.
Op een breuk ziet men in het rostrum een radiale = straalvormige structuur van calcietvezels. Het holle gedeelte aan de voorkant heet de alveoleHierin past een ander deel met kamers van de schelp = het fragmocoon.
Belemnieten komen in het Limburgse Krijt in zeer grote aantallen voor in een z.g. ‘belemnietenkerkhof’. Waar zo’n laag dagzoomt kan man ze bij honderden aantreffen.

ad 5. Coniconchia = Kegelschelpjes wordt wel vermeld als aparte stam en zijn alleen bekend uit het Paleozoïcum.
Ze hebben iets weg van Scaphopoda = Dentaliën = olifantstandjes, maar ze zijn recht. Ze hebben de vorm van een kegeltje, dat aan de top dicht is. In de dwarsrichting hebben ze op de oppervlakte een golvend ringenpatroon.
Hoewel ze bepaald niet zeldzaam zijn staat een goede inpassing in een groter verband nog ter discussie.

sub 5. Anellida.
De stam Annelida = Gelede-of Ringwormen, omvat o.a. de klasse Polychaeta = Borstelwormen.
Hiertoe behoort de bekende Wadpier, die recent in groten getale voorkomt en wordt gebruikt als aas door vissers.
Ze hebben geen harde delen. Ze zijn dan ook alleen het vermelden waard, doordat ze sporen achterlaten in andere fossielen.
De orde Sedentaria hebben buisvormige fossielen achtergelaten en zijn o.a. bekend onder de naam Serpula. Komen voor van het Boven-Perm – recent.

Fig.57. Belemnitella mucronata (SCHLOTHEIM), Boven-Krijt, Westfalen. (naar Zittel, 1915)

sub 6. Arthropoda.
De Arthropoda = Geleedpotigen vormen wel het grootste fylum van het dierenrijk, met de grootste soorten- en vormenrijkdom. Ze bestrijken alle perioden van het vroegste Cambrium tot heden.
Deze stam kent o.a. de volgende onderstammen en klassen:
– Trilobitomorpha met de klassenTrilobitoidea en Trilobita = Trilobieten.
– Chelicerata met de klassen: Arachnida = Spinachtigen en Merostomata = Molukkenkreeft = Degenkrab.
– Pycnogonida = Zeespinnen.
– Crustacea = Schaaldieren met de klassen: BrachiopodaBranchiura, CephalocardiaCirripediaCopepoda,EuthycarcinoidaMalacostracaMystacocarida en Ostracoda.
– Onychophora.
– Myriopoda = Duizendpoten.
– Insecta = Hexapoda = Insekten.
– Pentastomida.
– Tardigrada.

We bezien de voor ons belangrijksten:
– Trilobieten.
Tri = drie. Lobos = lob. Dus: drielobbigen. De Trilobieten waren aan het begin van het Cambrium al goed ontwikkeld en zijn in het Perm uitgestorven.
Het dorsale pantser van trilobieten was opgebouwd uit Calciumfosfaten, hetgeen een redelijke kans bood opfossilisatie. De buikzijde en de poten waren van zachter materiaal en worden dan ook zelden fossiel aangetroffen.
Alleen het hypostoma = hypostoom, een plaat aan de onderzijde van de mond komt als fossiel plaatselijk veel voor.
Globaal betaat een trilobiet uit drie delen:
kopschild = cephalon, borstschild = thorax en staartschild = pygidium.
Twee groeven verdelen het kopgedeelte, de losse segmenten van het borstschild en het eveneens gesegmenteerde staartschild in de lengterichting in drie delen.
Het aantal segmenten verschilt per soort. Het middendeel in de lengte van het dier is het asgedeelte.
De glabella = het middengedeelte van het kopschild. De zijstukken van het kopgedeelte heten de wangen. Dezijstukken van borststuk en staartstuk zijn de pleurae.
Men is er niet zeker van of Trilobieten zich voortplantten d.m.v. eieren.

Fig.58. Paradoxides bohemicus BARRANDE, Cambrium, Böhmen. (naar Zittel, 1915)

Skeletresten van trilobieten zijn in ons land schaars en vrijwel alleen bekend uit Ordovicische en Silurische zwerfstenen. In het Carboon ontbreken ze, waarschijnlijk omdat onze Carbonische gesteenten hoofdzakelijk zijn afgezet in zoet water.
Loopsporen van trilobieten zijn in ons land nog weinig gevonden. H. Huisman uit Lieveren vond twee zwerfstenen met loopsporen van trilobieten.

Voorbeelden van in Nederland gevonden fossiele trilobieten hebben alle betrekking op zwerfstenen.
In de omgeving van Groningen verzamelde H. Huisman in kalksteenzwerfstenen meer dan 120 soorten Ordovicische en Silurische trilobieten, evenals F. Rhebergen uit Emmen.
Vondsten uit Twente betreffen vooral Ordovicische trilobieten. Uit de rest van Nederland zijn de vondsten schaars.

– Crustacea = schaaldieren vormen wellicht de belangrijkste groep mariene invertebraten = ongewervelde zeedieren. Ze omvatten o.a. de kreeften, krabben, garnalen, watervlooien en zeepokken.
De klasse Ostracoda = Ostracoden = Mosselkreeftjes. Ostracon = schelp, kwamen en komen nog plaatselijk zeer massaal voor, zowel in zout als zoet water.
De meeste soorten zijn microscopisch klein, van 0.5 – 3 à 4 mm. Er zijn echter ook exemplaren bekend tot ca.30 mm. Ostracoden hebben een op de rug scharnierend tweekleppig schelpje. Ze zijnbelangrijk alsmilieuindicatoren. Hierdoor bieden ze de mogelijkheid om gebruikt te worden voor correlatie van afzettingen en dus voor het opbouwen van een stratigrafie en b.v. voor het bepalen van transgressies.
Ze zijn bekend uit Ordovicische en Silurische Noordelijke kalkzwerfstenen in Nederland, het Carboon, Krijt, Paleoceen, Eoceen, Oligoceen en Mioceen. In Noord-Nederland komen reuzenvormen voor in Silurische kalkstenen. Vb. Leperditia van meer dan 2 cm.

We geven een enkel voorbeeld van geslachten die behoren tot de onderstam Crustacea:
Balanus. (klasse CirripediaZeepok bekend vanaf het Siluur tot recent. Bij ons uit het Krijt van Zuid Limburg en op Tertiaire fossielen. De leefholten zijn bedekt met een plaatje.
Callianassa. Een van de vele uit het Limburgse Krijt bekende kreeftachtigen.
Meyeria (klasse Malacostraca, orde Decapoda, onderorde Pleocyemata). Een kreeft. Bekend uit het Onder-Krijt van Bentheim.

 Insecta.
Insekten zijn vrijwel uitsluitend op het land levende dieren. Ze hebben harde delen, die bestaan uit chitine. Bovendien zijn de omstandigheden zelden gunstig voor fossilisatie. Daardoor zijn er in ons land in verhouding tot hun overvloedige voorkomen bijzonder weinig fossielen gevonden. Een enkele afdruk, b.v. in het Carboon en een paar vondsten in barnsteen.

sub 7. Bryozoa.
Bryozoën = Ectoprocta = Mosdiertjes zijn vroeger tot de koralen en ook wel tot de Stromatoporen gerekend, maar dat bleek niet juist. Deze vormen een apart fylum. Ze omvatten ca. 4000 recente soorten. Fossiel kennen we zo’n 16.000 soorten, die overal in het water leven en leefden, vooral zeewater.
Ze komen voor van het Cambrium tot recent. Bryon = mos. zoön = dier. In het Engels heten ze meestal Polyzoa. De naam Ectoprocta duidt op de ligging van de anus buiten de krans van tentakels. Ectos = buiten. Dit in tegenstelling tot de Entoprocta Entos = binnen.

Bryozoën zijn kolonievormend. Elk individu = zoïde leeft in een kokertje. Een kolonie = een zoarium. De opening van het kokertje = de mondopening = de apertuur.
De bryozoën zijn te verdelen in 6 orden, die in verschillende perioden leefden van het Paleozoïcum, het Mesozoïcum en het Kenozoïcum.

Recente voorbeelden van Bryozoën zijn ook te vinden in ons land. In brakke wateren in Z.W.Nederland komen kolonies voor in riffen.

sub 8. Brachiopoda.
Brachiopoden = Armpotigen = Armkieuwigen = Armvoetigen hebben twee kleppen, een buik- en een rugschelp. Toch worden ze om een aantal redenen niet gerekend tot de Bivalvia = tweekleppigen, waartoe kokkels, mossels en oesters behoren.
Brachiopoden wijken in veel opzichten af.
O.a. hebben ze ongelijke kleppen, terwijl iedere klep zelf tweezijdig symmetrisch is = te verdelen in twee gelijke helften (in spiegelbeeld).
De steelklep = ventrale klep = aan de buikzijde is meestal het grootst en heeft een foramen = een opening om een aanhechting, een vlezige steel door te laten. De andere klep is de armklep = dorsale klep = aan de rugzijde.
Men kan brachiopoden determineren door uiterlijke verschillen in de slotrand = het scharnier, de umbo = snavel, de interarea = het platte tussendeel tussen slotrand en snavel en de plica = plooi = een lange verdikking op de schelp.
Daarnaast vooral door interne verschillen, die zichtbaar worden na doorzagen.
De versieringsribben zijn meestal radiaal.

De schelpen van een groep brachiopoden, de Inarticulata bestaan evenals bot uit fosfaten en hebben geen slot.
Een andere grotere groep, de Articulatahebben schelpen van kalk en hebben wel een slot.

Brachiopoden komen voor van Cambrium tot heden, maar het aantal soorten is nu nog maar heel beperkt.

Fig.59. Ancistocrania parisiensis (DEFRANCE), Boven-Krijt. (naar Zittel, 1915)

Voorbeelden:

De klasse Inarticulata wordt in 4 orden onderverdeeld.
Lingulida. Lingula is een bekend voorbeeld van een fossiel, dat van het Cambrium tot op heden nauwelijks is veranderd. Wereldwijde verspreiding vóór kusten. o.a. bekend uit ons Carboon.
Acrotretida. Cambrium tot recent. Isocrania bekend uit het Krijt van Zuid-Limburg.
Obolellida. Onder- en Midden-Cambrium
Paterinida. Onder- en Midden-Cambrium

De klasse Articulata wordt in 6 orden onderverdeeld en hebben hun toppunt in het Devoon.
Orthida. Cambrium – Perm. Beschreven zijn ondermeer de geslachten Orthis, NicolellaOrusia.
Strophomenida. Ordovicium – Onder-Jura.
Pentamerida. Midden-Cambrium – Devoon.
Rhynchonellida. Midden-Ordovicium – recent.
Spiriferida = Spiriferen. Midden- Ordovicium – Jura. Regelmatig gevonden wordt de Cyrtospirifer uit het Frasnien Barvaux België.
Terebratulida. Devoon – recent. Terebratula grandis BLUMENBACH het z.g. ‘suikerschepje’ bekend van het strand bij Westkapelle-Domburg.

sub 9. Hemichordata =Branchiotremata. Zie sub 18.

sub 10Echinodermata.
De Echinodermata = Echinodermen = Stekelhuidigen zijn veelal vrij goed te herkennen door hun gelijkenis met recente vormen. Alle soorten van deze stam zijn marien.
Al in het Paleozoïcum kwamen er veel Echinodermen voor. In het Perm stierven er veel soorten uit. In Trias en Jura waren ze nog zo algemeen, dat ze dikke lagen kalksteen vormden. In het Krijt nam hun belangrijkheid af.

De stam Echinodermata werd vroeger verdeeld in 2 substammen.
– Pelmatozoa = gesteelde = vastgehechte stekelhuidigen.
– Eleuterozoa = Echinozoa = Homalozoa = vrijlevende stekelhuidigen.

Nu hanteren we een verdeling in 4 substammen:
a. Homalozoa.
b. Crinozoa = zeelelieachtigen.
c. Asterozoa.
d. Echinozoa = zeeegelachtigen.

sub a. Homalozoa.
Carpoidea. Deze groep is niet belangrijk voor verzamelaars en daarom niet verder besproken.

sub b. Crinozoa.
De substam Crinozoa is opgesplitst in 3 klassen:
– Cystoidea = Buidelstralers. Bolvormig. Van Ordovicium tot Boven-Devoon.
– Blastoidea= Knopstralers.
Het zijn bloemknopvormige fossielen, hebben een bolle vorm met langwerpige groeven. Ze leven aangehecht in ondiepe zeeën en ze zijn maar klein.
Vb. Pentremites uit het Carboon. Ze komen voor in verkiezende kalkstenen in Noord-Nederland.
– Crinoidea = Crinoiden = Zeelelies.
De klasse Crinoidea lijkt op een plant met een steel en een kop, die doet denken aan een bloem of kelk, die gevederde armen draagt, tot enkele tientallen toe.
De theca = kelk bestaat uit platenmet 5 of meer armen, bezet met pinnulae = haarachtige uitsteeksels.De steel is geleed. De leden worden meestal als fossiel gevonden. Men treft ze b.v. aan in de bekende ‘blauwe’ Carbonische stoepsteen.
De verschillende soorten komen voor van Ordovicium tot recent.
De klasse Crinoidea is opgesplitst in 4 subklassen te weten: Camerata, Inadunata, Flexibilia en Articulata.

sub c. Asterozoa.
Er zijn 3 subklassen resp. SomasteroideaAsteroidea en Ophiuroidea.
– Somasteroidea = oervorm van de slangsterren.
– Ophiuroidea = Slangsterren. Een subklasse met 1900 soorten, met armen tot 0.70 m larng. Het kalkskelet bestaat uit een groot aantal platen.
– Asteroidea= Zeesterren.
Deze subklasse omvat 1500 soorten. Ze zijn meestal stervormig met vijf armen, die verschillen in lengte.
Zeesterren leverden zelden goede fossielen op, daar ze na afsterven spoedig uiteenvielen in kleine fragmenten. Fossiele soorten zijn bekend vanaf het Ordovicium tot in het Kwartair.

sub d. Echinozoa
Deze substam bevat 7 klassen:
1. Helicoplacoidea. Onder-Cambrium.
2. Holothuroidea = Zeekomkommers, Cambrium, Carboon – recent.
Deze klase telt weliswaar 1100 soorten, maar ze zijn weinig bekend als fossielen, doordat het kalkskelet gereduceerd is.
3. Ophiocistoidea. Ordovicium – Devoon.
4. Cyclocystoidea. Midden-Ordovicium – Midden-Devoon.
5. Edrioasteroidea. Cambrium – Onder-Carboon.
Komen voor in een beperkt aantal soorten. Ze zijn schijfvormig en hebben verhoogde, stervormige groeven. Ze lijken op zeesterren met een balvormig lichaam.
6. Campostromatoidea. Onder-Cambrium.
7. Echinoidea. Ordovicium – recent.

ad 7. De klasse Echinoidea = Zeeëgels omvat met zijn meer dan 1000 soorten wellicht de bekendste stekelhuidigen. Hun vorm is meestal rond, maar soms vijfzijdig of hartvormig. Ze bezitten een schaal = kalkskelet, waarop beweeglijke stekels zijn geplaatst. Deze dienen als bescherming, maar ook als middel voor verplaatsing over de zeebodem. Bij het fossiel is de bevestigingsplaats van de stekels waar te nemen. Soms zijn deze zelf ook fossiel bewaard gebleven.
Op de schaal zijn radiaal rijen waar te nemen van paren poriën, die ambulacraalvelden begrenzen. Tussen deze velden liggen de interambulacraalvelden.

Echinoidea heeft naar R.C. Moore, 1966, 2 subklassen:
a. Perichoechinoidea met 4 orden:
Bothriocidaroida, Echinocystitoida, Palaechinoida, Cidaroida.
b. Euchinoidea met 4 superorden, 17 orden en 11 suborden:
Diadematacea , Echinacea, Gnathostomata, Atelostomata.

1. Diadematacea met de orden: EchinothuroidaDiadematoida, Pedinoida, Pygasteroida.
2. Echinacea met de orden: Salenioida, Hemicidaroida, Phymosomatoida, Arbacioida, Temnopleuroida,Echinoida, Plesiocidaroida.
3. Gnathostomata met de orde: Holectypoida en de suborden: Holectypina, Echinoneina, Conoclypina.
de orde: Clypeasteroida en de  suborden: Clypeasterina, Laganina, ScutellinaRotulina.
4. Atelostomata met de orden: Cassiduloida, HolasteroidaNeolampadoida en Spatangoida met de suborden:Toxasterina, Hemiasterina, Micrasterina, Asterostomatina.

Fig.60. Echinocorys scutata forma ovata LESKE. (naar Zittel, 1915)

– Regulaire zeeëgels = Regularia.
Deze groep omvat zeeëgels met een globaal ronde schaal met een opening aan de top en recht daar tegenover hetondervlak = het orale vlak.De onderste opening is de mond. De bovengelegen opening is de anus.

Voorbeelden:
Pygaster, (orde Pygasteroida), Jura – Krijt.
Pedina, (orde Pedinoida), Komt voor van Jura – Mioceen.
Acrosalenia, (orde Salenoida), Jura. Heeft een afgeplatte schaal met grote knobbels.
Hemicidaris. (orde Hemicidaroida), Jura – Krijt, wereldwijd. Bezet met grote knobbels.
Coelopleuris, (orde Arbacioida), Eoceen-recent, wereldwijde verspreiding.
Psammechinus, (orde Echinoida), Plioceen-recent.

– Irregulaire zeeëgels = Irregularia.
Bij deze groep ontbreekt de opening aan de top. Hierbij is de anus niet op de top, maar aan de achterzijde. De vorm is meestal niet rond. Irregulaire zeeëgels komen voor sinds de Juraperiode.

Voorbeelden:
Holaster, (orde Holasteroida), Jura-Krijt.
Hemipneustes striatoradiatus, (orde Holasteroida). Is een van de grootste irregulaire zeeëgels. Komen voor in het Limburgse Krijt en (zeer zeldzaam) als tot vuursteen omgevormd fossiel in het grind.
Micraster, (onderorde Micrasterina), Krijt-Paleoceen. De schaal is hartvormig. Het patroon van de poriënzones is verzonken. De spreiding is wereldwijd. Komt in Europa veel voor.
Echinocorys, (orde Holasteroida). Flink van formaat. In Zuid-Limburg in het Krijt.
Pygurus, (orde Cassiduloida), Krijt-Eoceen. Afgeplatte, enigszins vijfhoekige vorm.
Conulus, (onderorde Echinoneina), Krijt. Komt veel voor in het Krijt van Engeland.
Echinolampas, (orde Cassiduloida), Eoceen-recent.
Clypeaster, (suborde Clypeasterina), Eoceen-recent. Met afgeplatte schaal.

sub 11. Graptolithina.
Graptolithina = Graptolieten leefden in het Paleozoïcum en zijn uitgestorven. Het was een kolonievormendorganisme.
Ze kwamen voor van Cambrium tot Carboon en vooral in Ordovicium, Siluur en Devoon. Ze maakten een snelle evolutie door. Dit maakt ze geschikt voor relatieve datering = stratigrafie van het Paleozoïcum. Het zijn dusgidsfossielen.
Men treft ze b.v. aan in leien en schalies als dunne, vliesachtige resten op de gelaagdheid. Ook wel in zwerfstenen.
De namen zijn veelal samenstellingen met de uitgang -graptus.

Voorbeelden:
Monograptus. Wereldwijd. Siluur – Onder-Devoon.
Dendrograptus .
NB. Tegenwoordig worden Graptolithina niet meer als fylum beschreven, maar als klasse ingedeeld bij deBranchiotremata. Zie sub 14.

sub 12. Chordata.
De stam Chordata = Chordadieren is vooral gekenmerkt door een dorsale zenuwstreng, de chorda dorsalis en een gesloten bloedvatenstelsel.
Tot de stam der Chordata behoort, naast twee voor ons onbelangrijke onderstammen: Tunicata en Acrania, de des te belangrijkere onderstam Vertebrata Craniota = Gewervelde dieren.Deze onderstam telt 44.000 soorten, waarvan in de meeste gevallen de chorda is ontwikkeld tot een wervelkolom.
De gewervelde dierenverschijnen tijdens het Ordovicium, zo’n 475 miljoen jaar geleden.
De oudste vertebraten zijn de vissen. Een kenmerk is het inwendige skelet,dat bestaat uit been en/of kraakbeen, dus uit calciumfosfaten en organische stof.

Tot de gewervelde dieren behoren de volgende klassen:
1. Agnatha = Kaaklozen.
2. Chondrichthyes = Kraakbeenvissen.
3. Osteichthyes = Beenvissen Pisces.
4. Amphibia = Amfibieën = Tweeslachtige dieren.
5. Reptilia = Reptielen = Kruipende dieren.
6. Aves = Vogels.
7. Mammalia = Zoogdieren.

ad 1. Agnatha.
Tot de klasse Agnatha behoren ca. 45 soorten, waarvan de meeste uitgestorven. Een voorbeeld is de recente Lamprei. De uitgestorven pantservissen kwamen voor in Siluur en Devoon.

ad 2. Chondrichthyes.
Kraakbeenvissen met kaken en een geraamte van kraakbeen komen voor vanaf het Devoon – heden. Tot deze klasse behoren de subklassen:
– Elasmobranchia met de orden CladoselachiiSelachii = haaienBatoida= roggen en zaagvissen, Bradyodonti.
– Holecephali.
Haaien en de Roggen zijn bekend vanaf het Devoon. Het skelet van kraakbeen is zelden bewaard gebleven. Fossiel vinden we vrijwel alleen de scherpe tanden, soms in grote aantallen. Dat komt, doordat één haai vele honderden tanden oplevert. Vondsten van grote hoeveelheden haaientanden zijn b.v. bekend uit het Krijt, uit het Tertiair van Twente en Achterhoek en uit het Eoceen van Antwerpen, Gent en Cadzand.
De tanden van roggen zijn plat met richels, waarmee ze schelpen kunnen vermalen.

ad 3. Osteichthyes
Beenvissen komen voor sinds het Devoon. Er bestaan zo’n 20.000 soorten. en vormen hiermee de grootste groep gewervelde dieren. Beenvissen omvatten ook de meeste huidige vissen. Uit het Paleozoïcum zijn ze voor het eerst bekend als een zich uitbreidende groep mariene vissen.

Er worden 3 subklassen onderscheiden:
– Acanthodii.
– Axtinopterygii.
– Sarcopterygii.

ad 4. Amphibia.
Amfibieën zijn tweeslachtig = deels levend in het water en deels op het land en tellen 2800 soorten. Ze zijn bekend sinds het Boven-Devoon, maar ze zijn als fossiel in Nederland nog niet aangetroffen.
Wel zijn er vermoedelijke loopsporen gevonden in de Muschelkalk van Winterswijk.

ad 5. Reptilia.
Reptielen, met 5900 soorten, omvatten de orden der Schildpadden, Krokodillen en Squamata. Deze laatste orde telt de onderorden der Sauria = Hagedissen en der Ophidia = Slangen.
Reptielen zijn bekend sinds het Carboon. Ze waren vooral dominant van het Perm tot het einde van het Krijt. Denk maar eens aan de grote reptielen, zoals de Dinosauriërs met hun vele geslachten, o.a. de Iguanodonten en deTyrannosaurus.
Het uitsterven van deze grote reptielen aan het einde van het Krijt is nog steeds onderwerp van discussie. De meeste theorieën gaan uit van een wereldomvattende natuurramp, zoals het op aarde inslaan van enormemeteorieten.

De lchthyosaurus = vishagedis uit Trias, Jura en Krijt, waarvan vooral losse wervels en fragmenten van kaken met tanden heeft gevonden, leek veel op de Dolfijn.

Van de Hagedissen noemen we verder als voorbeeld de bekende Mosasaurus = Maashagedis uit de Sint Pietersberg bij Maastricht. Dit dier is verwant aan de tegenwoordige op het land levende Varanen.
Fossielen van Plesiosaurus en van enkele andere Sauriërs zijn bekend uit kalkgroeven van Oost-Nederland en de omgeving van Gronau.

Van de Schildpadden vindt men meestal het pantser = carapax of de schildjes, waaruit het is opgebouwd. Voorbeelden zijn bekend uit het Krijt van de Sint Pietersberg en uit de Pleistocene klei bij Tegelen.

ad 6. Aves.
De oudste Vogels = Aves stammen uit de Jura. Ze zijn voluit ontwikkeld in het Paleoceen begin van het Tertiair. Ze tellen 8600 soorten.
Fossiele vogels zijn zeer zeldzaam. Bekend is Archaeopteryx.

ad 7. Mammalia.
Tot de klasse der Mammalia = Zoogdieren met 6000 soorten behoren de mensen, maar b.v. ook walvissen envleermuizen.

Men kan de zoogdieren onderscheiden in:
– Monotremata = Cloacadieren = eierleggend. Bv. Vogelbekdier.
 Didelphia = Marsupia = Buideldieren.
 Monodelphia = Placentalia = Placentadieren = hogere zoogdieren.

De oudst bekende echte zoogdieren leefden in het Trias, maar de ontwikkeling tekent zich ook daarvoor al af in het Perm. De sterke ontplooiing valt in het Tertiair, na het verschijnen van de Placentalia nà het Krijt, aan het begin van het Tertiair.

De mens behoort tot de orde der Primaten Opperdieren.
NB. De mens is niet vroeger te dateren dan zo’n 2 miljoen jaar geleden. Wel een bescheiden ouderdom vergeleken met veel andere soorten.

We zien af van het vermelden van namen van orden, families en soorten, maar we signaleren alleen een onderverdeling in Carnivoren = Vleeseters, Herbivoren = Planteneters en Omnivoren = Alleseters. Deze indeling is al vroeg ontstaan, doordat de tanden en kiezen, op grond waarvan men deze indeling kan maken, het best zijn geconserveerd.

Het skelet van zoogdieren bestaat, evenals bij vogels, uit botten. Osteologie = de studie van botten.

Bekend zijn de vele vondsten van fossiele botten en kiezen van Laat-Tertiaire en Pleistocene zoogdieren, die zijn opgebaggerd of door vissers in hun netten opgevist uit onze grote rivieren, uit de Zeeuwse wateren en van de Bruine Bank in de Noordzee.
Gezien de wijze van verzamelen is een stratigrafische indeling niet te geven. Toch kan men met enige inspanning en een goede aanpak hieruit veel paleontologische gegevens halen. Daarop komen we in een volgend hoofdstuk terug.

31. FOSSIELE SPOREN VAN LEVENDE ORGANISMEN.

In hoofdstuk 30 bespraken we fossiele resten van organismen. De resten betroffen de organismen zelf, afdrukkenervan of vervangend materiaal, waarvan de vorm het organisme verraadt.
Dit hangt allemaal samen met afgestorven organismen.
Maar ook de levende organismen hebben vaak biogliefen = sporen achtergelaten van hun aanwezigheid en activiteiten.
lchnologie = de wetenschap, die zich bezighoudt met sporen, die worden achtergelaten door levende organismen = de ichnofauna,inclusief hun beschrijving, classificatie en interpretatie.
Paleoichnologie = de studie van fossiele levenssporen (niet van schimmels e.d.).
Biogliefen zijn vaak moeilijk toe te schrijven aan bepaalde organismen. Een indeling naar diersoort is niet haalbaar, omdat geheel verschillende dieren nagenoeg gelijk uitziende sporen kunnen achterlaten. Ook kan eenzelfde dier onder andere omstandigheden afwijkende sporen nalaten.
De classificatiein de ichnologie is parataxonomisch = staat naast de taxonomie = classificatie van planten en dieren. Classificatie van sporen is gebaseerd op de vorm. Ze worden ingedeeld naar hun eigen specifieke kenmerken.
Ze worden ook aangeduid met een binomische nomenclatuur, met een ichnogenus voor een ‘geslacht‘ en eenichnospecies voor een ‘soort‘. Dit maakt een indeling mogelijk, maar vraagt ook om een typebeschrijving.
Er zijn twee verschillende classificaties in gebruik.

De classificatie van Seilacher (1953-1954), een indeling volgens het gedrag van de dieren, vooral bedoeld voorpaleontologen en biologen,onderscheidt:
– Domichnia = woongangen.
– Fodinichnia = voedingsgangen.
– Pascichnia = voedselsporen van sedimenteters en graassporen.
– Cubichnia = rustsporen.
– Repichnia = kruipsporen, bewegingssporen, zwemsporen.
– Fugichnia =vluchtsporen.

De classificatie van Martinson (1970), vooral bedoeld voor geologen en sedimentologen onderscheidt vier groepen. Ze gaan uit van de ligging van de sporen t.o.v. een belangrijke laag of bank in een ontsluiting, waarin levenssporen zichtbaar zijn. De namen geven dus aan, of de sporen op, in of onder de laag liggen, of dat ze het grensvlak van de laag snijden.
 Epichnia = op de laag liggend.
– Endichnia = in de laag liggend.
– Hypichnia = in het onderste grensvlak van de laag liggend.
– Exichnia = onder de laag liggend, maar wel in contact ermee.

31.1. Loopsporen.

Repichnia = kruipsporen, bewegingssporen, zwemsporen.
Fugichnia =vluchtsporen. Hieronder vallen de fossiele voetstappen = loopsporen van mens en dier en hun voorouders.
Voorbeelden: de zeer oude en beroemde voetafdrukken van mensen in vulkanische as in W.Afrika en in versteende modder in de VS. Verder de bekende pootafdrukken van reptielen, geleedpotigen, amfibieën en zoogdieren. Ook kruipsporen van sommige reptielen behoren tot deze categorie.
Bekend zijn de Sauriërsporen in kalksteen uit de Onder-Muschelkalk van de Midden-Trias bij Winterswijk.

Loopsporen van trilobieten heten bilobieten.

Een indruk = de originele poot- of voetafdruk.
Een indruk is primair.
Een afdruk = de opvulling daarvan.
Een afdruk is secundair.

31.2. Kruipgangen en boorgaten .

Hiertoe behoren b.v. Fodinichnia = voedingsgangen en Pascichnia = voedselsporen van sedimenteters en graassporen.
Kruipgangen van wormen e.d. zijn bekend uit los materiaal, dat later is verhard en uit hout, dat later is gefossiliseerd.

Voorbeelden:
Zeer algemeen en vermaard zijn graafgangen van organismen in Onder- en Midden-Cambrische kwarts-zandstenen in Midden- en Noord-Nederland.
Verder diverse vermoedelijke wormgangen uit de Onder-Muschelkalk uit de Trias van Winterswijk.
Daarin komen ook diverse sporen voor van vertebraten, zoals voedings- en woongangen van kreeftachtigen.
Verder kruipsporen van slakken.
Ophiomorpha = kreeftegangen in het zand van het Krijt en Mioceen van Zuid-Limburg en in Kunrader Kalksteen.
Gyrolithes = spiraalvormige kruipgangen uit zanden van de Formatie van Vaals van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg. Ook bekend in vuursteen-zwerfstenen uit Scandinavië.
Monocraterion = een bundel kruip- of graafgangetjes in Cambrische kwartsietische zandstenen.
Tigillites, belangrijker dan Monocraterion.
Chondrites = gangetjes van slijketende organismen, b.v. uit het Devoon. Chondrites komt voor van het Cambrium tot het Tertiair.

Boorgaten in de bodem, van borende organismen zijn enigszins vergelijkbare sporen. Ze worden o.a. gemaakt door sponsen, bryozoën, slakken, mossels, zeeëgels, zeepokken, borstelwormen en ringwormen.
De borende organismen kunnen ook plantaardig zijn, b.v. algen.
Een belangrijke groep boorders zijn de Boormossels. Wat verwantschap betreft vormt deze groep geen eenheid.
Recente en fossiele voorbeelden:
Lithophaga lithophaga =Zeedadel = de ‘steeneter‘.
Petricolidea: Petricola pholadiformis = Amerikaanse boormossel.
Pholadidae Pholas dactylus.
Teredinidae: Teredo navalis = Paalworm. NB. Is géén worm!
Rogerella, een zeepok.
Cliona, een spons.
Polydora = een worm, die lusvormige buisjes boort in o.a. kalkzwerfstenen aan het zeestrand. Zeer algemeen langs de gehele Oostzeekust.
Arenicola, een borstelworm.
Borende algenin schelpen uit het Siluur vormen een voorbeeld van plantaardige borende organismen.

31.3. Aanhechtingssporen.

Aanhechtingssporen van organismen zijn b.v. bekend van oesters, die zich vasthechten aan gesteenten en van crinoïden in Silurische kalkstenen.
Verder van zeepokken en ook oesters, gehecht aan andere organismen.
Veel organismen hechten zich aan schelpen of skeletten van andere organismen, die dood of levend kunnen zijn.
Epibiont = levend op een ander levend wezen.
Epizoair = een organisme, levend op een dier.
Epifyt = een plant, levend op een plant.
Epilithe = een organisme, levend op een gesteente.

31.4. Vraatsporen e.d.

Dieren die zich voeden met andere levende of dode dieren verorberen hun prooi soms niet geheel. Dan kunnen etensresten of aangevreten prooidieren fossiliseren.
Voorbeelden:
Er zijn zeeëgels uit het Krijt van Zuid-Limburg bekend met vraatsporen.
In fossiel hout komen veel vraatsporen voor van b.v. keverlarven.
Tot deze categorie sporen behoren ook botbreuken en kapotgebeten en kapotgeslagen botten. Denk b.v. aan prooidieren zoals hyena’s en aan apen en mensen, die botten verbrijzelden om het merg te bereiken.
Hyena’s hebben forse molaren, waarmee ze botten versplinteren of knaagsporen achterlaten op grote beenderen. Voorbeelden hiervan zijn herhaaldelijk aangetroffen uit het Pleistoceen.
Ook knaagdieren vreten vaak botten aan.
Voorbeeld: Door bosmuizen aangevreten hazelnoten uit Swanton-Morley in East-Anglia, Engeland uit het Pleistoceen.
Apen en andere dieren slaan ook vaak de harde bast van vruchten kapot. Zanglijsters, Turdus philomelos, slaan slakkenhuisjes kapot op stenen of boomwortels, om de slak te kunnen bereiken. Maar dat zal aan fossielen wel nooit te herkennen zijn.

31.5. Sporen van parasieten en ziekten.

Paleopathologie = ziekte bij fossiele organismen.
Organismen kunnen zijn aangetast door parasieten of door ziekten, waarvan sporen zijn terug te vinden op fossielen. Beide groepen worden in één adem genoemd omdat de grens ertussen moeilijk is te trekken.
Zowel ziekteverwekkende virussen en bacteriën als parasieten kunnen zichtbare vervormingen veroorzaken.
Afwijkingen kunnen overigens ook aangeboren zijn.
Voorbeeld:
– Gezwellen op zeelelies uit Ordovicium en Jura, misschien veroorzaakt door parasitaire wormen.
– Parasitaire boorgangen in Tabulaten uit Silurische kalkstenen in Noord-Nederland.

31.6. Nesten en Holen .

Domichnia = Domichni = woongangen = sporen van bewoning, zoals nesten, legers en gangen.
Cubichnia = rustsporen.
Voorbeelden:
Serpula =wormkokertjes.
Phragmatoppoma lapidosa uit Florida = wormen, die grote buisvormige woonkolonies bouwen uit los materiaal op een vaste ondergrond. Ze zijn niet te onderscheiden van de typische Skolithos linearis.
Een bijzonder fraaie vondst is die van een fossiel vogelnestje met eieren in travertijnafzettingen uit het Eem-Interglaciaal, Laat-Pleistoceen, van Weimar-Ehringsdorf in Duitsland.31.7. Uitwerpselen.Uitwerpselen = afvalstoffen van de spijsvertering van levende organismen zijn in velerlei vorm als fossiel bekend.
Coprolieten = fossiele uitwerpselen van dieren komen in vrijwel alle geologische formaties voor.
Dat kunnen b.v. kleine korrelvormige bolletjes zijn. Bekend en plaatselijk overvloedig zijn de coprolieten van vissen.
Coprolieten komen voor in vrijwel het gehele Krijt van Zuid-Limburg. Plaatselijk kunnen ze hele laagjes vormen. Het samengaan met glauconiet is opvallend.
Coprolieten van reptielen en vissen komen ook veel voor in de Onder-Muschelkalk van Winterswijk.
Uitwerpselen kunnen ook voorkomen als echte drollen van dieren. Die zijn b.v. bekend uit het Tertiair en het Kwartair van Oost-Nederland. Echte keutels van hyena’s zijn bekend uit het Tiglien, het eerste Interglaciaal van het Pleistoceen. Hyena’s verorberen veel beenresten, waardoor hun uitwerpselen kalkrijk zijn en dus een goede kans hebben op fossilisatie.
Ze zijn gevonden in kleigroeven bij Tegelen en ze zijn ook opgevist uit de Oosterschelde.
Er zijn enorme bolussen bekend van mammoeten uit China en de VS. uit het Laat-Pleistoceen.

31.8. Gastrolieten.

Gastrolieten = Gastrolithen = maagstenen, die sommige dieren, zoals reptielen en vogels in hun maag als maalstenen gebruiken, zullen wel moeilijk herkenbaar blijven, hoewel ze stellig ook fossiel zullen voorkomen.
Enkele grindsteentjes uit het Krijt van Zuid-Limburg worden door sommigen aangezien voor gastrolieten.

31.9. Voortplantingssporen.

Fossiele eieren zijn bekend van verschillende dieren.
Zie b.v. hoofdstuk 31.6 laatste alinea.

32. DE GEOLOGISCHE COLLECTIE.

Het opzetten van een geologische verzameling is een bezigheid, die iedere geoloog veel voldoening en vreugde kan schenken.
Wij raden U aan, Uzelf hierbij wel een doel voor ogen te stellen. Zet Uw verzameling niet al te breed of al te groots op.
Kies een deelgebied uit van de geologie, b.v. fossielen of zelfs bepaalde fossielen, mineralen of gesteenten. Beperk U ook tot een bepaald geografisch gebied of tot een bepaald geologisch tijdperk.
Uw vondst behoeft niet altijd een voorwerp te zijn. Vergeet niet, dat waarnemingen ook vondsten zijn, die waard zijn om te worden vastgelegd en eventueel te worden gepubliceerd. Documenteert Uw vondsten goed.
Voorzie Uzelf van goede literatuur, zodat het hoofddoel van het opzetten van een verzameling, het verzamelen van kennis, ook kan worden bereikt.

32.1. Verzamelen.

Voor het verzamelen van fossielen, gesteenten of mineralen moet men enig inzicht hebben in de stratigrafie en andere geologische omstandigheden van de betreffende streek.
Kennis van gesteenten is daarbij van belang. Fossielen komen b.v. vooral voor in sedimenten als kalksteen,schalie en ook wel in zandsteen. Deze gesteenten zijn dus in situ of als zwerfsteen kansrijk voor het aantreffen van fossielen.
In losse sedimenten kan men ook wel fossielen vinden, b.v. in klei of in löss, als deze kalkhoudend is. Dit laatste is na te gaan met een zoutzuuroplossing van ca. 10%. Het beste is om hiervoor een druppelflesje te gebruiken. Als men een druppel op de löss of op een gesteente laat vallen gaat dit bruisen als het gesteente kalkhoudend is.
Ontsluitingen zijn over het algemeen de aangewezen vindplaatsen.
Geologische kaarten en beschrijvingen zijn in de meeste gevallen onmisbaar.
Aantekeningen over de vondstomstandigheden moet U altijd direct ter plaatse maken. Het vastleggen van de coördinaten of aantekenen op de topografische kaart, de betreffende laag en de ligging van Uw vondst zijn noodzakelijk. Het best stopt U deze aantekeningen samen met de vondst in een plastic zak.
Breng thuisgekomen op Uw vondst, na eventuele reiniging, een merkteken aan, b.v. een nummer, in ieder geval de vindplaats en een korte omschrijving, zodat onmiskenbaar is, welke vondst bij welke gegevens behoort.
Een goede methode om te nummeren is de volgende.
Breng op een zo vlak mogelijk plekje een laagje blanke nagellak of witte correctielak aan. Laat dit drogen. Daarna schrijft U hierop een nummer of lettertjes. Bij gebruik van blanke lak kan dit vrijwel altijd met zwarte O.I.-inkt. Bij pikzwarte gesteenten gebruikt U witte inkt. Witte correctielak is hier in het voordeel. Als ook dit droog is dekt U het geheel af met een tweede laagje blanke nagellak. Deze methode heeft het voordeel, dat er geen inkt in het voorwerp kan dringen, dat het nummer goed beschermd is en dat U bovendien alles later weer kunt verwijderen met aceton.
Men kan gegevens ook op een papiertje of zelfklevende etiket schrijven en dit met velpon opplakken en afdekken met blanke lak.
Het nummer op Uw vondst moet corresponderen met gegevens, die U noteert in een cahier, kaartsysteem of PC.
Een stuk in een verzameling zonder vondstgegevens is misschien leuk of mooi om te zien, maar voor een serieuze amateur of vakman meestal waardeloos.
Vooral de vindplaats is boven alles belangrijk!

Voor leden van de Nederlandse Geologische Vereniging is een compleet digitaal opbergsysteem aan te vragen .Raadpleeg hiervoor http://www.geologischevereniging.nl/fossielen/fossielen.htm

32.2. Preparenen en Conserveren.

Uitprepareren en conserveren doet U zo veel mogelijk thuis.
Als een vondst is gevat in gesteente kunt U thuis bekijken, of het mogelijk is, dit gesteente voorzichtig te verwijderen. Dit kan soms met beiteltjes, schrapertjes, een graveerapparaat, ed. Soms ook met oplosmiddelen, d.m.v. dompelen en bevriezen in de koelkast of met chemische middelen, zoals zuren en logen.
Een artikel over het gebruik van Röntgentechnieken door amateurs bij het uitprepareren van fossielen treft U aan in ‘Grondboor & Hamer’ 1984/2.
Als U maar even twijfelt aan de mogelijkheden, laat U dan adviseren.

In enkele gevallen kunnen gesteenten toegankelijker of fraaier worden gemaakt door zagen en polijsten of door trommelen.

Conservering zal soms nodig zijn bij bros of verweerbaar gesteente. Hiervoor bestaan vloeistoffen, die onder verschillende namen in de handel zijn. Een goed middel verstevigt Uw vondst en verleent geen hinderlijke glans.
Over het algemeen worden kleurverschillen bij stenen iets contrastrijker. Behandeling geschiedt door dompelen of door opbrengen met een kwast. Een eenvoudig middel op basis van PVA = polyvinylacetaat en is te koop bij Uw verfhandel. Verdunnen met water ca. 1 : 3 á 4. Het is een behangvernis of muurversteviger.
Verder zijn er de duurdere ‘beroepsmiddelen’ als Archeo-Derm, Remberfluat P/original Steinpflege (bij een natuursteenhandel) en Dermoplast.
De instabiele variant van pyriet en markasiet, die heel vaak op de lange duur uiteenvallen kunt U behandelen met hydroginon en na droging nog eens met één van bovengenoemde middelen.
Laat U hierbij zo mogelijk adviseren door mensen met ervaring.
Misschien kunt U terecht bij een natuurmuseum of geologisch museum.

Speciale aandacht verdienen vondsten, die zijn doordrenkt met zouten. Dat kan voorkomen bij b.v. zeeëgels en schelpen, die U vindt aan zeekusten. Spoel deze vondsten grondig en laat ze wekenlang liggen in telkens ververst schoon leidingwater. Doet U dit niet, dan zal na droging Uw vondst waarschijnlijk barsten, doordat het zout vocht gaat opnemen.

32.3. Determineren .

Voor het determineren van Uw vondsten is er een schat aan literatuur beschikbaar, van eenvoudig tot zeer specialistisch.
De NGV kan U hierbij op verschillende manieren van dienst zijn.
– de NGV-bibliotheek bevat werken per streek en per onderwerp. Zie adres achterin dit boek.
– op bijeenkomsten kunt U vondsten laten determineren en kunt U er met anderen over spreken. Er is daar altijd wel iemand, die U zelf kan helpen of U kan verwijzen naar deskundigen, die U vooruit willen en kunnen helpen.

32.4. Documenteren.

Zorg er voor, dat van al Uw vondsten gegevens voorhanden zijn over de vindplaats, vondstomstandigheden e.d. Bij het uitwisselen van gegevens met anderen en bij het maken van een ‘vondstmelding’ zijn deze gegevens onontbeerlijk.
Als U een belangrijke vondst doet, die b.v. opvalt door zeldzaamheid, bijzondere gaafheid, compleetheid of door bijzondere vondstomstandigheden, tracht dan een vondstmelding te verzorgen. Eventueel met de hulp van een specialist of ervaren vriend. Een publicatie, b.v. in ‘Grondboor & Hamer’, het tijdschrift van de Nederlandse Geologische Vereniging legt niet alleen de gegevens vast voor de toekomst, maar kan ook reacties en/of aanvullingen van anderen opleveren. Bovendien genieten anderen mee van Uw vondst.
Een waarneming is nog kwetsbaarder dan een materiële vondst. Legt Uw waarnemingen dus goed vast in een ‘beschrijving, schetsen en foto’s. Maak deze gegevens toegankelijk voor anderen, b.v. door vermelding in een geologisch tijdschrift.

32.5. Het bewaren van een verzameling.

Hoe U uw verzameling opbergt is geologisch gezien meestal niet zo belangrijk, maar het is natuurlijk prettig, als Uw stukken goed toegankelijk zijn en aantrekkelijk zijn gepresenteerd. Het is heel belangrijk, dat de kennis, die Uw verzameling vertegenwoordigt goed is vastgelegd. Laat Uw materiaal en Uw kennis niet verloren gaan, als U onverhoopt iets mocht overkomen.
Veel van Uw vindplaatsen zullen na verloop van tijd niet meer toegankelijk zijn. Hierdoor kan Uw verzameling grote waarde krijgen. Wij bedoelen dat niet in geld, maar in documentatiewaarde.
Leg daarom vast, wat er met Uw verzameling moet gebeuren, als U hem niet meer wilt of kunt beheren. Stel zo mogelijk het bestuur van de Nederlandse Geologische Vereniging of een van haar afdelingen op de hoogte van de door U getroffen regeling.

32.6. Lakprofielen .

Profielen van de wand van ontsluitingen kunnen interessant zijn, als er laagstructuren, storingen of bodemprofielen op te zien zijn. Deze kunt U vaak goed vastleggen in lakprofielen, die fraai en decoratief zijn en meestal ook nog instructief.
U heeft hiervoor een plaat board, een doek, profielvernis, verdunningsmiddel en fixeer nodig. Instructies kunt U wellicht krijgen op bijeenkomsten van de NGV of bij een Natuurmuseum.

Geologische Tijdschaal

naar Inhoudsopgave
naar Geologie in Telgramstijl
naar Trefwoordenregister
naar Literatuurlijst

Literatuur

Een keuze uit geraadpleegde en lezenswaardige literatuur:GRONDBOOR & HAMER, 1955 – heden, Tijdschrift van de Nederlandse Geologische Vereniging (zesmaal per jaar).SPREKENDE BODEM, 1956 – heden, Tijdschrift van de afdeling Limburg van de NGV. (viermaal per jaar).

STARINGlA 1 t/m 7, Speciale uitgaven van de NGV.

ALLABY, A. and ALLABY, M, 1990, The Concise Oxford Dictionary of Earth Sciences, Oxford University Press, Oxford/New York.

BATES, D.E.B. en J.F. KIRKALDY,1977, Moussault, Baarn.

BATES, R.L. and J.A. JACKKSON (eds), 1987, 3rd ed, Glossary of Geology, American Geological Institute, Alexandria, Virginia, US.

BAUER, J, 1974, Welk mineraal is dat?, Thieme, Zutphen.

BEURLEN, K, 1977, Geologie, Thieme, Zutphen.

BISHOP, A.C, A.R. WOOLLEY, W.R.HAMILTON, 1978 3e druk, Elseviers stenengids, Stenen, mineralen, fossielen. Elsevier, Amsterdam/Brussel.

BROMLEY, R.G, 1990, Trace Fossils. Biology and Taphonomy, Unwin Hyman, London.

BROUWER, dr.A, 1959, Algemene paleontologie, Academische Bibliotheek W. de Haan, Zeist.* Standaard Boekhandel

BROWN, P.L, 1978, Planeet aarde in kleur, Moussault, Baarn.

BRUIN de, drs.H, M.W.HALSEMA, dr.G.M.N. VERSCHUUREN, 1988, Oculair, Van cel tot populatie. Kroese Leiden.

CAMBRIDGE ENCYCLOPEDIE van de NATUURWETENSCHAPPEN, 1983, Unieboek, Bussum.

The New ENCYCLOPAEDIA BRITTANNICA, 15th edition, 1977 en 1986.

FABER, F.J, 1967, De bekoring van het zoeken, Elsevier, Amsterdam/Brussel.

FABER, F.J, 1979, Hoe Nederland ontstond, Servire, Katwijk.

FELDER, P.J, 1981, Mesofossielen in de kalkafzettingen uit het Krijt van Limburg, Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg,reeks XXXI, afl. 1-2.

HALSTEAD, L.B, 1983, Op zoek naar de oertijd, Zomer en Keuning, Ede/Antwerpen.

HICKMAN, Cleveland P, gl961 2e druk, Integrated principles of zoology, The C.Y.Mosby Company, St. Louis

KIRKALDY, J.F, 1972, Fossielen in kleur, Moussault, Amsterdam.

Grote Nederlandse LAROUSSE ENCYCLOPEDIE, 1978.

LEHMANN, Ulrich, Paläontologisches Wörterbuch, 1977, Enke Verlag, Stuttgart.

LIJN v.d., P, 1973 6e druk, 1986 7e druk, bewerkt door dr.G.J.Boekschoten, Het Keienboek,Mineralen, gesteenten en fossielen in Nederland, Thieme, Zutphen.

MOORE, R.C, Directed and Edited by, 1953.. , Treatise on Invertebrate Paleontology, University of Kansas Press and The Geological Society of America, Kansas/New York.

MOXELY, R, 1981, De prehistorische wereld, ICOB, Alphen a.d. Rijn

MÜLLER, dr.A.H, 1965 2e druk, Lehrbuch der Paläozoologie, Band 11 Invertebraten, deel 1: Protozoa – Mollusca I, deel 2: Mollusca 2 – Arthropoda 1, deel 3: Arthropoda 2 – Stomochorda, VEB Gustav Fischer Verlag Jena.

MUROWSKI, Hans, Geologisches Wörterbuch, Enke Verlag, Stuttgart.

O’DONOGHUE, M, 1985 3e druk, Het Stenenboek, Zomer en Keuning, Ede.

PANNEKOEK, A.J, (redactie),1973, 1982 3e druk, 1984 4e druk, bewerkt door L.M.J.U. van Straaten, 1992 5e druk, Algemene Geologie, Tjeenk Willink, Zwolle/Groningen.

PAPE, H, 1975, De Stenenverzamelaar, Thieme, Zutphen.

PINNA, G, 1973, Fossielen, Gaade, s’Gravenhage.

RICHTER, A.E, 1985, Fossielen verzamelen, Thieme, Zutphen.

SCHUMANN, W, 1985, Elseviers gids voor stenen en mineralen, Elsevier, Amsterdam.

SMITH, dr.Peter J, 1987, De Aarde, Elsevier, Amsterdam/Brussel.

TUREK, Vojtech, Jaroslaw MAREK, Josef BENES, 1988, 1990 2e druk. De grote encyclopedie der Fossielen, Artia, Praag, Ned.Vertaling 1989, Rebo Productions, Lisse.

VEENVLIET, drs. Jaap, 1986, Kijk op Geologie, Zomer en Keuning, Ede/Antwerpen.

VISSER, W.A, (editor), 1980, Geological Nomenclature. Uitgave van het K.N.G.M.G.­Kon.Ned.Geol.en Mijnbouwk.Genootschap, Bohn, Scheltema en Holkema, Utrecht/Martinus Nijhoff, Den Haag, Boston, Londen.

VOGEL, Günther en Hartmut ANGERMANN, 1967, Sesam Atlas bij de biologie, Ned.vertaling 1970, Bosch en Keuning, Baarn.

WHITTAKER, R.J, Een nieuwe indeling van de organismen, Natuur en Techniek nr.107.

WHITTEN, D.G.A, with J.R.V.BROOKS, 1972 le druk, 1976, A Dictionary of Geology, Penguin Books.

ZONNEVELD, J.I.S, 1981 le druk, Vormen in het landschap, Hoofdlijnen van de geomorfologie. Een overzicht van de aard en het ontstaan van de vormenwereld van het aardoppervlak, Aulapaperback 58, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.

Geologie in Telegramstijl B

 zie onder Geologie


°

NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING


GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

door F.C. Kraaijenhagen

Een gezamenlijke uitgave van de
NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING
en de
NGV afdeling LIMBURG
September 1992

1992 © Copyright Nederlandse Geologische Vereniging.

Voor Internet herzien en bewerkt in 2006 door George Brouwers Oisterwijk.

AAngevuld en uitgebreid met

http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000448.html#A

Geologische begrippen   

Klik op een begrip voor de definitie. Wil je meer weten over een bepaald begrip, bekijk dan het thema‘De ondergrond van Nederland’, of gebruik de zoekmachine.

De geologische tijdvakken zijn niet opgenomen in deze begrippenlijst. Zie voor de beschrijving van deze tijdvakken het thema ‘Ondergrondse tijdmachine’.

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z

&

Glossary of Terms for Geology

(From The Earth’s Dynamic Systems, Fourth Edition by W. Kenneth Hamblin. Macmillan Publishing Company, New York, NY. Copyright © 1985) 

[A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z ]          http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary_Geology.html

 

°

Baardwormen
bacteriën
Bactrites

°BACKSWAMP  : The marshy area of a flood plain at some distance beyond and lower than the natural levees that confine the river

°BACKWASH : The return sheet flow down a beach after a wave is spent

*BADLANDS  Badlands : An area nearly devoid of vegetation and dissected by stream erosion into an intricate system of closely spaced, narrow ravines

Badlands II
badlands walls

http://nl.wikipedia.org/wiki/Badlands_National_Park

 

BAJADA  /  BAJADA.docx (230.9 KB)    The surface of a system of coalesced alluvial fans

* Banded structure: A rock containing definite bands, e.g. banded flint.

ge-“aderde” rots

(Niet te verwarren met ofwel 1.- “gevlamde ” rots : want dat duidt specifiek op (meestal morfogene ) gesteenten met marmer-achtig uitzicht )ofwel 2.- “gelaagde rots(formaties )” : want gelaagdheid duidt meestal op diverse strata uit de chronografische universele geologische kolom )

in het gewone Nederlandse taalgebruik wordt de term “ader” bij voorkeur gebruikt voor ersten en erts-aders

Goud ader

°BAR  :(zandbank )  An offshore, submerged, elongate ridge of sand or gravel built on the sea floor by waves and currents

 

°

BARBERTON GREENSTONE BELT

Een Zuid-Afrikaans gebied dat ongeveer honderd kilometer lang en zestig kilometer breed is.
Hier zijn hele oude gesteenten te vinden.
Met behulp van modellen reconstrueerden de onderzoekers de gebeurtenissen die tot het ontstaan van deze gesteenten hebben geleid.

 

3,26 miljard jaar geleden: 37 kilometer grote planetoïde slaat op aarde in!

planetoide

Iets meer dan 3,2 miljard jaar geleden sloeg een planetoïde op aarde in. De steen was zo’n drie tot vijf keer groter dan de planetoïde die de dino’s van de aarde veegde en creëerde een krater die bijna 500 kilometer breed was. Dat hebben onderzoekers ontdekt.

Wanneer we het over inslagen op aarde hebben, dwalen onze gedachten doorgaans gelijk af naar die ene grote inslag zo’n 65 miljoen jaar geleden. Een planetoïde van zo’n tien kilometer breed sloeg op aarde in en leidde tot het uitsterven van veel soorten, waaronder de dinosaurussen. Onderzoekers vermoedden al wel dat de aarde in een ver verleden nog veel meer en grotere inslagen had meegemaakt. Maar een nieuw onderzoek brengt nu heel concreet zo’n heel oude, enorme inslag in kaart.

Aanwijzingen
De eerste aanwijzingen voor deze enorme inslag werden een decennium geleden al ontdekt in Zuid-Afrika. Onderzoekers bestudeerden gesteenten en stelden dat deze getuigden van een grote inslag. “We wisten dat deze groot was, maar we wisten niet hoe groot,” stelt onderzoeker Donald Lowe. Dit onderzoek brengt de inslag, de veroorzaker en de consequenties van die inslag voor het eerst in beeld. Het is bovendien voor het eerst dat onderzoekers op deze manier een inslag die meer dan drie miljard jaar geleden plaatsvond, in kaart brengen.

Tsunami’s
Het gebeurde allemaal zo’n 3,26 miljard jaar geleden. Een planetoïde van 37 tot 58 kilometer breed sloeg met een snelheid van 20 kilometer per seconde op aarde in. De schok zorgde ervoor dat seismische golven zich honderden kilometers diep de aarde in haastten en grote bevingen veroorzaakten. En er ontstonden enorme tsunami’s in de oceanen. De lucht werd bloedheet, de atmosfeer vulde zich met stof en het bovenste deel van de oceanen kookte. Gesmolten gesteente belandde in de atmosfeer, cirkelde rond de aarde, werd weer hard en viel terug op aarde.

De planetoïde die 3,26 miljard jaar geleden op aarde insloeg in vergelijking met de planetoïde die de dinosaurussen van de aarde veegde (links) en de Mount Everest (rechts). Onder ziet u de kraters die beide planetoïden veroorzaakten in vergelijking met Hawaii. Afbeelding: American Geophysical Union.

Bombardement
De planetoïde die 3,26 miljard jaar geleden op aarde insloeg, was waarschijnlijk één van de vele planetoïden die tijdens het Late Heavy Bombardment – een periode waarin onder meer de aarde bekogeld werd met ruimtestenen – op aarde belandden. De kraters die deze inslagen – die tussen de drie en vier miljard jaar geleden plaatsvonden – achterlieten, zijn grotendeels door toedoen van erosie verdwenen. Maar in Zuid-Afrika en het westen van Australië zijn nog sporen van de inslagen te vinden. Desalniettemin is het onderzoekers nog niet gelukt om de exacte plek waar 3,26 miljard jaar geleden een planetoïde insloeg, vast te stellen. Wel weten ze dat de planetoïde waarschijnlijk op duizenden kilometers van Zuid-Afrika – waar ze de bijbehorende vervormde gesteenten ontdekten – insloeg.

Onderzoeken zoals deze zijn heel belangrijk.

Ze helpen ons om een beter beeld te krijgen van de geschiedenis en ontwikkeling van de aarde. Zo is het aannemelijk dat de enorme inslag van 3,26 miljard jaar geleden de aardkorst en tektoniek verstoorde en aanleiding gaf tot het ontstaan van een modernere platentektoniek. Bovendien heeft de inslag waarschijnlijk invloed gehad op het leven op aarde. Zo zou het zomaar kunnen dat de veranderingen die de inslag op aarde bewerkstelligde, ertoe leidden dat veel microscopisch kleine organismen verdwenen, waardoor andere organismen konden evolueren, wat uiteindelijk wellicht resulteerde in de soorten zoals we die vandaag de dag kennen.

Bronmateriaal:
Scientists reconstruct ancient impact that dwarfs dinosaur-extinction blast” – AGU.org
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door NASA / Don Davis.

Barchanen   /vrije duinen, ontstaan in een open zandvlakte. Ze migreren = verplaatsen zich. Naar de vorm spreekt men over barchanen = sikkelduinen, dwarsduinen en lengteduinen.

>

Barchan dune  : A crescent. shaped dune, the tips or horns of which point downwind. Barchan dunes form in desert areas where sand is scarce

 

800px-Mesquite_Sand_Dunes

Photograph of Mesquite Flat Dunes in Death Valley looking toward the Cottonwood Mountains from the north west arm of Star Dune (the largest dune in the area — Death Valley National Park, California.

 

 

Afbeeldingen van Barchan dune

Barchan Dunes:

The barchan dune takes the form of the crescent and its width and length are approximately the same. These are the fastest moving dunes and are formed by the wind continuously coming from one direction.

Barchan dune can be found in the(egyptian)  Great Sand Sea but is most common near the Dakhla and Al-Kharga Oases.

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Sikkelduin

_________________________________________________________________________________________________

°

Bariet

Calciet+Bariet-Rammelsbach%20Kusel-Germany%20detail

 

Calciet+Bariet-Rammelsbach Kusel-Germany detail

Het mineraal bariet is een barium-sulfaat met de chemische formule BaSO4. Wikipedia

_________________________________________________________________________________________________
Barnsteen 2 3 4 / AMBER

Barnsteen/  ( vroeger ook  ook wel “Meershuim ” genoemd ) is fossiele hars van naaldbomen.
Het hars is miljoenen jaren geleden uit bomen gedropen en daarna versteend.

Het is vrij duur .  Betrekkelijk jonge barnsteen ,(= Copal ) is minder waard …  Het voelt soms nog kleverig aan.

Meestal zijn barnsteenvondsten op de stranden alleen in kleine stukjes te vinden . ‘Op stukjes van een kubieke centimeter is men over het algmeen al heel trots …..Een ovaal blok van 2,5 kilo is  al een  grote uitzondering .

Barnsteen Ans Molenkamp
Barnsteen gevonden in Langenboom, 29 april 2005 Ans Molenkamp
Baltische barnsteen Zandstra collectie, Naturalis

Dit blok  barnsteen “de bal van Oosterwoldiger”   (5,5 kgr ) werd gevonden op het  noordzeestrand  van Ameland … het is gescheurd door uitdroging …..

Barnsteen van bijna zeven kilo uit Noordzee. Collectie K. Post
Opgevist in 1994 in de Noordzee bij de Bolders Bank voor de Britse kust.

http://www.geologievannederland.nl/zwerfstenen/beschrijvingen/barnsteen

Het grootste stuk  Baltische  barnsteen ooit gevonden woog 10,478   kilo en is in 1969 opgevist door Deense vissers.Het stuk brak echter ; het grootste stuk weegt nu 8,886  kilo en t is tegenwoordig te bewonderen in het Copenhagen Amber Museum 

                                                                                                   A normal chunk of amber weighs less than ten grams. This impressive piece weighs no less than 8,866 grams and was found off the coast of Sweden in 1969.

One of the main attractions of the museum is the collection of more than 100 pieces of amber with inclusions of insects and plants

Barnsteen , copenhagen amber museum 2

Barnsteen , copenhagen amber museum 1

 

Barnsteen met ingesloten insecten

Veel barnsteen bevat inclusies :dat gaat van pollen , insekten , tot  en met  hagedissen en andere kleine dieren die in de kleverige hars  gevat  ,  verdronken en bewaard werden als  amber-fossiel …Het begin van dit   proces van fossilieering is heden ten dage nog  altijd  “life ”  waarneembaar 

  • Barnsteen is een fossiele hars die afkomstig is van naaldbomen. Deze bomen werden veelal aangeduid met de wetenschappelijke soortnaam Pinus succinifera, een nog levende dennensoort. Wikipedia

Zoals ook nog bij de tegenwoordige dennen het geval is, loopt er uit kleine beschadigingen van de schors hars uit de boom. Deze hars beschermt de boom tegen insecten en schimmels. In vroegere tijden zijn door de bomen in het Oostzeegebied grote hoeveelheden hars geproduceerd. Na de ijstijd is het barnsteen uit de grond gespoeld en in zee terechtgekomen.

Vloeibare hars uit naaldboom. Bron http://www.natuurinformatie.nl

Jongere, niet gefossiliseerde barnsteen heet ‘kopal‘. Het voelt vettig aan.

____________________________________________________________________________________

°BARRIER ISLAND  An elongate island of sand or gravel formed parallel to a coast

Barrier islands are narrow strips of land that parallel the coastline and consist of a variety of fine sediments and particulate matter. A barrier island is separated from land by a shallow bay or lagoon and can stretch for tens of miles.


Source: University of Texas

– See more at:

http://geology.rockbandit.net/2008/09/15/how-barrier-islands-such-as-galveston-work/#sthash.4jPGM0ZO.dpuf

http://en.wikipedia.org/wiki/Barrier_island

________________________________________________________________________________________________

°Barrièreriffen 2   

°BARRIER REEF   : An elongate coral reef that trends parallel to the shore of an island or a continent, separated from it by a lagoon

__________________________________________________________________________________________________

basalt   basalt  (Volcanology)

Basaltic columnar-jointed lava (Iceland)

Basaltic columnar-jointed lava (Iceland)

The most common type of volcanic rock, with a relatively low silica content and typically erupted at shield volcanoes.
Basalt is the usually hard and black volcanic rock formed from (liquid) balsalitc lava. Balsaltic lava contains less than about 52 percent silica (SiO2) by weight. Because of its low silica content, it has a low viscosity (resistance to flow). Therefore, basaltic lava can quickly and easily flow more than 20 km from a vent. The low viscosity typically allows volcanic gases to escape without generating enormous eruption columns, although basaltic lava fountains and fissure eruptions, however, still can be hundreds of meters tall. Basaltic lava is erupted at temperatures between 1100 to 1250°C.Basalt is by far the most common volcanic rock type. Basaltic magma is formed by partial melting of material from the upper mantle, and and is therefore typical for volcanism at hot-spots and at rift-zones. In these areas, upwelling of the mantle (either caused by a rising mantle plume underneath hot-spots, or by a divergent plate boundary at mid-ocean rift zones) decreases the pressure of the hot rock and therefore causes (partial) melting.Oceanic crust and submarine volcanoes consist largely of basalt, because most of them are formed at rift-zones (all ocean floor) or hot-spots. Among subaerial volcanoes, basaltic lava is primarily found at shield volcanoes.

Basaltic lava flows can be subdivided into two end-member structural types, according to their flow surfaces:

Pahoehoe lava – smooth, billowy, or ropy surface.

A’a’ lava – fragmented, rough, sometimes spiny, or blocky surface

Related keywords (1): andesite

°

 

Basalt 2 3 /  A dark colored, aphanitic (fine-grained) igneous rock composed of plagioclase (over 50%) and pyroxene. Olivine may or may not be present. Basalt and andesite represent 98% of all volcanic rocks

< basalt  :  Een stollingsgesteente. De oceaanbodem is opgebouwd uit basalt.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Basalt_(gesteente)

_________________________________________________________________________________________________

* Basalt breuksteen 

(Tuin  )

BASALT   LAVA 

Basaltische magma
Basaltzuilen

North  Ireland 

 

___________________________________________________________________________________________________

° BASE LEVEL  :  The level below which a stream cannot effectively erode. Sea level is the ultimate base level, but lakes form temporary base levels for inland drainage systems

° BASEMENT  COMPLEX  : A series of igneous and metamorphic rocks lying beneath the oldest stratified rocks of a region. In shields, the basement complex is exposed over large areas

______________________________________________________________________________________________

°

base surge base surge(Volcanology)

Base surge deposits from the great Minoan eruption on Santorini(ca. 1613 BC)

Base surge deposits from the great Minoan eruption on Santorini (ca. 1613 BC)

Base surges are ground hugging, fast outward moving and turbulent, dilute clouds of gas and ash. They result from water magma interactions (violent steam explosions). During the 1965 eruption of Taal volcano (Philippines), such base surges were first observed. Some of them traveled 4 km and killed 189 people. Base surges were first identified during ocean nuclear weapons explosions in the Pacific.
 Related keywords (1): pyroclastic flow
____________________________________________________________________________________________________

 

° BASIN  : 1 (structural geology) A circular or elliptical downwarp. After erosion, the youngest beds are exposed in the central part of the structure. 2 (topography) A depression into which the surrounding area drains

°

basisafvoer :  < Het water dat constant naar de rivier toestroomt. (vergelijk: piekafvoer, die afvoer is er alleen maar na flinke regenbuien op hellingen)

°

Basisconglomeraat  ;

-onderdeel  van  Sedimentatie – Cyclothemen = (een cyclische opeenvolging van kenmerken in gesteentepakketten).nml aan de basis – een  basisconglomeraat,  bestaat uit echt conglomeraat van rolstenen tot kalkzand, maar dat kan ook fossielen, fossielgruis, glauconietzand, enz. bevatten.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Conglomeraat_(geologie)

http://www.kijkeensomlaag.nl/cms/index.php?option=com_content&view=article&id=241&Itemid=337

http://www.aardkundigewaarden.nl/digitaalzwerfstenenmuseum/gesteentetuinen/tuinen.php?tuin_ID=431

°

Batholieten 2  / BATOLITHE  :A large body of intrusive igneous rock exposed over an area of at least 100 km2

http://fr.wikipedia.org/wiki/Batholite
half dome  yosemite     °

http://earth-of-fire.over-blog.com/article-les-structures-ignees-intrusives-les-batholites-89288496.html

°

Pic de miel Batholite
Bathyale zone

°BATHYMETRIC   CHART /A topographic map of the earth’s surface underlying a body of water (such as the ocean floor

° BATHYMETRY  : The measurement of ocean depths and the charting (mapping) of the topography of the ocean floor

° BAUXITE :A mixture of various amorphous or crystalline hydrous aluminum oxides and aluminum hydroxides, commonly found as a residual clay deposit in tropical and subtropical regions. Bauxite is the principal commercial source of aluminum

BAUXIET : aluminium erts :http://nl.wikipedia.org/wiki/Bauxiet

Het Stuk Van Het Bauxiet Afzonderlijk Stock Foto's - Beeld: 19894553

     

°Batoida

°  BAAI/ BAY / A wide, curving recess or inlet between two capes or headlands

° BAYMOUTH BAR  : A narrow, usually submerged ridge of sand or gravel deposited across the mouth of a bay by longshore drift. Baymouth bars commonly are formed by extension of spits along embayed coasts

°BEACH ( STRAND) /A deposit of wave-washed sediment along a coast between the landward limit of wave action and the outermost breakers

°BEACH DRIFT :The migration of sediment along a beach caused by the impact of waves striking the shore at an oblique angle

______________________________________________________________________________________________________

BEACH PROFILE

beach profile

___________________________________________________________________________________________________

°Bedektzadigen 2

* Bed: A layer within a sedimentary rock, different to those above and below, and characterised by a certain lithology, fossil assemblage, colour etc.

*Bedding, bedding plane: A definite change in the character of a rock, which is parallel to the surface of deposition. In many cases it is possible to split a rock along its bedding planes.    Bedding

*Bed load  Material transported by currents along the bottom of a stream or river by rolling or sliding, in contrast to material carried in suspension or in solution

*Bedrock: Unweathered rock found below soil or sediments./ The continuous solid rock that underlies the regolith everywhere and is exposed locally at the surface. An exposure of bedrock is called an outcrop
Beddingmateriaal
Beenvissen 2
Bekkens
Belemnieten 2
Bellerophon

______________________________________________________________________________________________________

BELL ROCK 

SONY DSC

Bell-Rock-North-West-Side-180

_bell-rock-trail-pathway-courthouse-butteSONY DSC

___________________________________________________________________________________________°BENIOFF  ZONE : A zone of deep-focus earthquakes that dips away from a deep-sea trench and slopes beneath the adjacent continent or island arc
Bentheimer zandsteen
Benthonisch 2 3
Benthos
Bergkristal

°
Bergstortingen   bergstorting  :  Rotsmassa die in een snelle beweging naar beneden komt. Berginstorting

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bergstorting  // In de nacht van 24 op 25 november 1248 kwamen naar schatting 5000 mensen om door een bergstorting aan de noordflank van de Mont Granier. Dit is de grootste ramp als gevolg van een bergstorting in de Europese geschiedenis.

Arteara, Barranco de Fataga. Bergstorting. Door instabiliteit van de barrancowand is in het verleden                                                                          een enorm stuk rots naar beneden gestort. Bergstortingen komen in berglandschappen regelmatig voor.

°

BERM :

< A nearly horizontal portion of a beach or backshore formed by storm waves. Some beaches have no berms; others have several

beach profile

 

berm shape

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Seasonal variation in beach profile shape. The wave climate during the winter is much more energetic. Large, short-period waves associated with storms tend to erode the beach and berm and move sediment seaward into an offshore bar. The beach profile is typically steeper with a much smaller or non-existent berm. Smaller, longer-period waves during the summer tend to move sediment back onto the upper portion of the beach, rebuilding the berm and creating a less steep beach profile.

http://www.maine.gov/dacf/mgs/explore/marine/faq/shape.htm

http://www.maine.gov/dacf/mgs/explore/marine/facts/jul13.pdf

°

B HORIZON  : The solid zone of accumulation underlying the A horizon of a soil profile. Some of the material dissolved by leaching in the A horizon is deposited in the B horizon

°
Bètastralen  :

°
Bewaren van een verzameling
Bezinking
Bezinkingssnelheid
Bifurcation ratio
Bilobieten
Binaire nomenclatuur
Binomische
-nomenclatuur
Biofaciës
Biogene
-afzetting
-sedimenten
Biogenetische
Biogliefen
Biohermen
Biohorizont
Bioklasten 2 3 4
Bioliet

°BIOLOGIC  MATERIAL  : A general term for material originating from organisms. Examples: fossils (shells, bones, leaves), peat, coal. biosphere The totality of life on or near the earth’s surface
Biologische
-componenten
-niche
-verwering
Biosfeer 2 3
Biostratigrafie 2
Biostroom
°   Biotiet 2 3    BIOTITE  /” Black mica.” An important rock-forming ferromagnesian silicate with silicon-oxygen tetrahedra arranged in sheets

This large book of biotite (~ 6″ across) shows the 6-sided shape of perfect biotite crystals. There is a smaller book to the left.
It is easy to peel off thin black sheets of black biotite to create a pile as in the photo above.
The white mineral is calcite, which is not commonly found with biotite.
Bioturbatie(s) 2

°

BIRD -FOOT DELTA  : A delta with distributaries extending seaward and in map view resembling the claws of a bird.

Example: the Mississippi Delta

NOAA Photo Library Image - line0042

 A bird’s eye view of a bird’s foot delta – the Passes of the Mississippi River 

the bird’s foot delta of the Mississippi River as it builds into the Gulf of Mexico in Louisiana, south of New Orleans. This ASTER image shows the tip of the delta in which several distributaries have built up deposits above sea level, giving the bird’s foot effect(left ) :

The Bird's Foot Delta of the Mississippi River; ASTER image.  Sediments around the Bird's Foot Delta of the Mississippi River; Landsat image.

As seen by Landsat(right ), this enhanced image brings out more details in the sediments:

°
Bitumen

The picture shows bitumen manifestations  in biocalcarenites, in the Valle Romana Quarry close to the village Lettomanoppello in the area of the Majella Mountain in central Italy

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bitumen

http://en.wikipedia.org/wiki/Asphalt

Natural Bitumen (Gilsonite, Natural Asphalt, Asphaltum, Uintahite)

http://msiminerals.en.ecplaza.net/natural-bitumen-gilsonite-natural-asphalt–172980-883595.html

°
Bitumina
Bivalven 2
Bivalvia 2

°
Bladgroen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bladgroen

      

Gemeenschappelijke structuur van chlorofyl a en b

°

°

Blastoidea

°

Blauwwieren

°
Bliksembuis 2     FULGURIET

http://nl.wikipedia.org/wiki/Fulguriet

Een fulguriet uit Okeechobee in Florida, van bovenaf en van opzij gezien.

Hier enkele foto’s van fulguriet of bliksembuizen.

Een foto van een fulguriet - roger-russell.com Foto van een fulugriet - carionmineraux.com

Een foto van een fulguriet - lindaskoglund.com foto van een fulguriet - carionmineraux.com Foto opgraving van een fulugriet - carionmineraux.com

Enkele video’s van fulguriet.

°
Blikseminslag

____________________________________________________________________________________________________

°

block   bomb (Volcanology: volcanic bomb)

Large bomb ejected from Etna volcano’s SE crater.

Large bomb ejected from Etna volcano's SE crater.

Ejected fragments of fresh magma larger than 64 mm in diameter, often shaped aerodynamically during their flight.
Volcanic bombs are lava fragments larger than 64 mm in diameter that were ejected while still viscous and partially molten. Many bombs acquire rounded aerodynamic shapes during their travel through the air. Volcanic bombs include breadcrust bombs, ribbon bombs, spindle bombs (with twisted ends), spheroidal bombs, and “cow-dung” bombs.

Related keywords (3): blockbreadcrust bombexplosive

http://nl.wikipedia.org/wiki/Vulkanische_bom

 

File:Vulkanbombe strohn 20080722.jpg

De 100.000 kilo zware lava- of vulkaanbom bij Strohn (eifelgebergte ) 

Deze lavabom ligt in Strohn, Duitsland. Deze lavabom is waarschijnlijk ontstaan door het op en neer bewegen van een grote lavaklomp in een vulkaan. Hierdoor is deze lavabom 5 meter in doorsnee. Hij weegt ongeveer 100 ton en is te zwaar om als echte lavabom uit een vulkaan te worden geslingerd.

 

– Omstreeks 1640 voor Christus maakte een vulkaanuitbarsting een plotseling einde aan de Minoïsche beschaving op Kreta. Daarbij werden blokken van een halve meter doorsnee tot 7 kilometer ver weggeslingerd — echte vulkanische bommen zeg maar. Ook de hoeveelheid as die werd uitgestoten was onvoorstelbaar groot: ze is te vinden tot ver in Egypte(en was waarschijnlijk verantwoordelijk voor de in de Bijbel (nogal fantasievol ) beschreven “zeven plagen van Egypte”.)

Alles bij elkaar werd er bij de uitbarsting zoveel materiaal uitgestoten dat er een instortingskrater (caldera) ontstond, waarvan nog een gedeelte over is. Het plotseling instorten van de krater had tot gevolg dat een enorme vloedgolf Kreta overspoelde. Ze vaagde de Minoïsche beschaving in een klap weg; de legende van het verzonken Atlantis is waarschijnlijk hierop gebaseerd. De uitbarsting vond plaats op het Griekse eilandje Thera, dat alleen nog bestaat uit wat er van de oorspronkelijke vulkaan (de Santorini) over is.

 

_______________________________________________________________________________________________

 

 

°

Bloedsteen 2

  (kidney ore )bloodstone hematite

°

BLOCK  FAULTING :A type of normal faulting in which segments of the crust are broken and displaced to different elevations and orientations    —>  Bloksplijting

°

BLOWOUT : A basin excavated by wind erosion    … ( example ) A ‘hole’ is created in the surface of the dunes called a blowout.

A Small Blowout

A Small blowout                                      

a large  blowout    ° Duinpan 

Devils Hole on Ravenmeols

Blowout and erosion down to wet sand

Blowout and erosion down to wet sand at the water table

http://www.sandsoftime.hope.ac.uk/succession/blowout.htm

°

BLUE -SHIST   : A fine-grained schistose rock characterized by high pressure, low-temperature mineral assemblages, and typically blue in color.

Syros / Greece 

...

 lawsonite-blueshist interbedded with aragonite (light color).

blueshist

http://en.wikipedia.org/wiki/Blueschist

 
°

Bodem(‘s)
-begraven
-chestnut
-classificatie
-erosie   —>Het opnemen en afvoeren van gronddeeltjes door wind of water
-fossiele
-getrunkeerde
-gley
-intrazonale
-kunde
-last 2
-laterietische
-polygenetische
-profiel
-relikt
-structuur
-type
-vloeiing
-vorming
-zonale

°
Bogazi
Bølling
Bolussen
Boorgaten
Boormossel (-s)
Boorsponzen
Boreaal
Borstelvarens
Borstelwormen
Bothriocidaroida

°

BOULDER :A rock fragment with a diameter of more than 256 mm (about the size of a volleyball). A boulder is one size larger than a

°

cobble

°
Boulderclay

°
Brachiopoda 2 3

°

BRACKETED INTRUSION : An intrusive rock that was once exposed at the surface by erosion and was subsequently covered by younger sediment. The relative age of the intrusion thus falls between, or is bracketed by, the ages of the younger and older sedimentary deposits
°

Bradyodonti

°

BRAIDED STREAM :A stream with a complex of converging and diverging channels separated by bars or islands. Braided streams form where more sediment is available than can be removed by the discharge of the stream
Branchiotremata 2 3
Branchiura

 

____________________________________________________________________________________________________

°

breadcrust bomb  breadcrust bomb  ( Volcanology)

Breadcrust bomb, ca. 50 cm long, from Lokon volcano (N-Sulawesi, Indonesia)Breadcrust bomb, ca. 50 cm long, from Lokon volcano (N-Sulawesi, Indonesia)
Perfectly shaped breadcrust bomb from Nea Kameni, Santorini (Greece)

Perfectly shaped breadcrust bomb from Nea Kameni, Santorini (Greece)
Volcanic bomb with a cracked surface, similar to bread, caused by the slow expansion of the interior gas bubbles while cooling.
A breadcrust bomb is a volcanic bomb with a cracked and checkered surface, sometimes resembling the surface of a loaf of bread. The cracks develop when the outer surface of a partially molten lava fragment cools to form a brittle surface and then subsequently cracks as the hot interior expands due to the continued growth of gas bubbles.
 Related keywords (1):bomb

 

____________________________________________________________________________________________________

°

°BREAKER   :A collapsing water wave
° Breccies / BRECCIA : A general term for sediment consisting of angular fragments in a matrix of finer particles. Examples: sedimentary breccias, volcanic breccias, fault breccias, impact breccias
Brekingsindex 2
Breuk(-en) 2 3 4 5 6 7
8 9
-bewegingen
-trap 2 3
-vlak
-zone

°

BREUKGEBERGTE  < Gebergte dat ontstaat als een oud, afgesleten plooiingsgebergte opnieuw wordt opgeheven. Er ontstaan horsten en slenken.

http://www.rinivanderpol.com/2011_02_01_archive.html

°

Bron
Bronstijd

°
Bruinkool 2 3 4 5       

°
Bryophyta 2

°
Bryozoa 2

°
Buccinum

°
Buideldieren

°
Buidelstralers

°
Buikpotigen

°
Buntsandstein

http://de.wikipedia.org/wiki/Buntsandstein

http://nl.wikipedia.org/wiki/Buntsandstein

De Buntsandstein (soms in het Nederlands vertaald als Bontzandsteen; Engels: Bunter) is een pakket gesteentelagen in de ondergrond van het westen en midden van Europa. Ze bestaat uit voornamelijk zandsteen, die gevormd werd in het Vroeg-Trias. Samen met de jongere Muschelkalk en Keuper vormt de Buntsandstein de zogenaamde Germaanse Trias, een karakteristieke opeenvolging van gesteentelagen in Europa, waar het tijdperk Trias naar genoemd is (Trias betekent driedeling).

Onder de Buntsandstein ligt het Zechstein en er boven ligt de Muschelkalk.

http://geologisch.wordpress.com/2011/04/11/temporarer-buntsandstein-muschelkalk-aufschlus-im-stadtzentrum-jenas/

°
Burrows

°BUTTE : A somewhat isolated hill, usually capped with a resistant layer of rock and bordered by talus. A butte is an erosion remnant of a formerly more extensive slope

SONY DSCSONY DSC

http://fastwindtoaim.blogspot.be/2013/02/introduction-of-erosion-landform-01butte.html

el

GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL A

°  zie onder Geologie

NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING


GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

door F.C. Kraaijenhagen

Een gezamenlijke uitgave van de NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING en de NGV afdeling LIMBURG September 1992

1992 © Copyright Nederlandse Geologische Vereniging.

Voor Internet herzien en bewerkt in 2006 door George Brouwers Oisterwijk.

***

AAngevuld en uitgebreid met

http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000448.html#A

Geologische begrippen   

Klik op een begrip voor de definitie. Wil je meer weten over een bepaald begrip, bekijk dan het thema‘De ondergrond van Nederland’, of gebruik de zoekmachine.  De  Geologische  tijdvakken zijn niet opgenomen in deze begrippenlijst. Zie voor de beschrijving van deze tijdvakken het thema ‘Ondergrondse tijdmachine’.

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z

&

Glossary of Terms for Geology

(From The Earth’s Dynamic Systems, Fourth Edition by W. Kenneth Hamblin. Macmillan Publishing Company, New York, NY. Copyright © 1985) 

[A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z ] http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary_Geology.html

___________________________________________________________________________________________________

°

*A’A  FLOW  

Lava flows     ...common products of the Earth’s volcanoes. There are two major types of lava flow, referred to around the world by their Hawaiian names: pahoehoe, a more fluid flow with a smooth to ropy surface;and aa (or a’a), a more viscous flow whose surface is covered by thick, jumbled piles of loose, sharp blocks. Two types of lava flows, pahoehoe and a`a, are different textural forms of otherwise identical lava. The smooth-textured pahoehoe (foreground) are formed by gas-poor lava, whereas the sharp & jagged-surfaced a`a flows (the hot lava pictured) are produced during eruptions with lava coming out of gas-rich magma. Eruptions of a`a lava commonly evolve into the pahoehoe forms. OR :  Both types have the same chemical composition ……..but diffferent viscocity  due to temperature  conservation(by velocity (inclination ) of the flows and  the obstacles present  in the  flow -beds ,   after the  eruptive origin

Photo: ropy pahoehoe, Kilauea Volcano, HawaiiPhotograph by T.N. Mattox on 11 June 1995 Close view of ropy texture forming on the surface of a pahoehoe flow at Kilauea Volcano, Hawai`i.

Ropy pahoehoe

Ropy pahoehoe is the most common surface texture of pahoehoe flows. The numerous folds and wrinkles (“ropes”) that are characteristic of ropy pahoehoe form when the thin, partially solidified crust of a flow is slowed or halted (for example, if the crust encounters an obstruction or slower-moving crust). Because lava beneath the crust continues to move forward, it tends to drag the crust along. The crust then behaves like an accordian that is squeezed together–the crust is flexible enough to develop wrinkles or a series of small ridges and troughs as it is compressed and driven forward. A’a’ lava is the most common appearance type of lava flows that cool down forming fragmented, rough, sometimes spiny, or blocky surfaces. A’a’ lava forms when the viscosity of the lava (e.g. because of high gas bubbles content and relatively low temperatures) and/or the strain rate of the flow (related mainly to eruption rate and steepness of the ground) are high. When these factors change, the same original lava can sometimes produce the other end-member known as pahoehoe lava, which has a smooth, often twisted surface. In addition, transitional types of lava between both a’a and pahoehoe lava can be found.

Close-up of a’a’ lava (Etna, Sept. 2004) Channelled a’a’ lava flow on Etna (Sept. 2004).
Huge a’a’ lava flow from Hekla volcano in 2000

http://www.britannica.com/EBchecked/topic/165/aa http://volcano.oregonstate.edu/education/hawaii/small_struct/lava_flows/aa.html ________________________________________________________________________________________________ *Aanhechtingssporen (holdfast trace-fossil  ) 

Zie   https://tsjok45.wordpress.com/2012/11/12/woordenlijst-paleontologie

____________________________________________________________________________________________

*Aanrijkingshorizon -diepe -tektonische -vulkanische ____________________________________________________________________________________________

*Aard(e)      

-as 2

-beving (-en) 2 3  *Aardbeving ( earthquakes)   

-gas 2 -kern -korst

-magnetisme  

-mantel -olie -olieaccumulatie -schok -stoot -verschuivingen  ( zie ook hieronder ) -wetenschappen   *Aardwetenschappen

-zwarte

________________________________________________________________________________________________ *Aardkundig monument …. een aardkundig object dat vanwege zijn bijzondere kenmerken door een officiële instantie tot monument benoemd is.

Kerkje van Spaarnwoude gelegen op één van de oudste (ruim 5000 jaar) strandwallen in het Nederlandse kustgebied en als kleine verhoging nog goed zichtbaar in het omringende landschap © TNO-NITG

*Aardkundige waarden  …. zijn de aardkundige kwaliteiten van natuur en landschap. Onder het begrip aardkundige waarden vallen geomorfologische, geologische, bodemkundige en geohydrologische verschijnselen. ___________________________________________________________________________________________________

*  Een aardverschuiving   ( Landslides )

—> Een met water verzadigde puinmassa glijdt naar beneden (over een glijvlak)

—> ontstaat door het onder invloed van de zwaartekracht afglijden van los gesteente of aarde. ( en/of als gevolg van aardbevingen  )// Zie ook: Bodemdaling Compressie Inklinking Krimp Overschuiving Rifting Zetting

http://www.nu.nl/buitenland/3421981/weg-oostenrijk-dicht-aardverschuiving.html http://bin.snmmd.nl/m/m1nxf5vapuu7_std640.jpg

Aardbeving veroorzaakte aardverschuivingen

Fig. 1: Kaart met locaties van 18 september 2011 Sikkim aardbeving veroorzaakte aardverschuivingen waargenomen langs belangrijke weg-corridors in Sikkim-Darjeeling Himalaya (op de achtergrond multi-spectrale IRS P-IV Satellite’s LISS III beeld van 2005 werd gebruikt). De locaties worden uitgezet met behulp van geografische coördinaten in Latitudes / breedtegraden met behulp van WGS 84 globaal datum en UTM projectie parameters.

http://nl.earthquake-report.com/2011/11/25/earthquake-induced-landslides-in-the-sikkim-darjeeling-himalayas/ ____________________________________________________________________________________________________

*Ablatie   —>  Ablation …. Reduction of a glacier by melting, evaporation, iceberg calfing, or deflation Figure - refer to figure caption for alternative text description Figure 2. Retreat of South Cascade Glacier, Washington, during the 20th Century and the beginning of the 21st Century. Figure - refer to figure caption for alternative text description Figure 3. Diagram of a glacier showing components of mass balance.   __________________________________________________________________________________________________ *Abrasie 2 3 —>Abrasion  The mechanical wearing away of a rock by friction, rubbing, scraping, or grinding. absolute time Geologic time measured in a specific duration of years (in contrast to relative time, which involves only the chronologic order of events).   

*Abrasieplatform   –> KUSTTERRAS   :  Het plateau dat door erosie ontstaan is aan de voet van een klif- of falaisekust. vb:
Abrasieplatform in Zumaia © Annemieke van Roekel

abrasieplatform zumaia http://www.gea-geologie.nl/informatie/tijdschrift/Gea/2011_03_zumaia.html

°

Robin_Hood Bay2

Robin Hood’s Bay: Het is een schilderachtig dorpje met nauwe kronkelstraatjes aan de voet van een steile klif. Bij eb zie je er een indrukwekkend brandingsterras. Daarop zijn een aantal concentrische cirkels van kleine richels. Let ook op de grote keien die er her en der liggen. Het zijn zwerfstenen meegevoerd door het landijs in de laatste ijstijd. Ze komen helemaal uit het Lake district. http://www.pietsmulders.nl/Robin_Hoods_Bay_abrasieplatform_tekening.jpg Forces from different directions pushed against the rock strata and made them buckle upwarts into a dome. The dome is curved on all sides and lends its shape to the bay. The sea has worn away a wave-cut platform (= brandingsterras) that reveals the underlying rock structure – seen here from the southeast. If you measure the slope of the beds on the wave-cut platform, and sketch their continuation upwarts, you can see the shape of the dome. –> Rock platform

Full-size image (113 K)  NW  Irish coast
Fig. 2. (A) View of the rock platform at Trawenagh Bay. (B) Photo of stacked and imbricated boulders forming ridges at Trawenagh Bay (see Knight et al. (2009) for further data). Trowel for scale.http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0025322710002203

  _______________________________________________________________________________________

* Abyssal Floor ….The deep, relatively flat surface of the ocean floor located on both sides of the oceanic ridge. It includes the abyssal plains and the abyssal hills °Ocean  Floor  ;  Part of the Earth’s surface beneath the seas and the oceans; its topography is highly variable. http://visual.merriam-webster.com/earth/geology/ocean-floor.php * Abyssal Hills … The part of the ocean floor consisting of hills rising as much as 1000 m above the surrounding floor. They are found seaward of most abyssal plains and occur in profusion in basins isolated from continents by trenches, ridges, or rises *Abyssale -vlakten  –Abyssal Plains   ….Flat areas of the ocean floor, having a slope of less than 1:1000. Most abyssal plains lie at the base of a continental rise and are simply areas where abyssal hills are completely covered with sediment  http://science.howstuffworks.com/environmental/green-science/bury-co2-in-ocean2.htm

A 1987 image of dishes from the Titanic on the ocean floor. The great ship is situated on an abyssal plain in the North Atlantic Ocean.John Chiasson/Liaison

-zone  …….Zone located at a depth of 6,600 to 20,000 feet; it covers most of the ocean floor. *Abyssal  … to the great depths of the oceans, generally 2000 m (1000 fathoms) or more below sea level. ____________________________________________________________________________________________________

*Abraumsalze ____________________________________________________________________________________________________

*Abri’s  –> (schuilplaats ): overhangende rots / ondiepe spelonk    —> zie ook rotskunst –> Hominides    hypothetisch model paleothische   woning Abri Pataud http://www.hominides.com/html/lieux/pataud_abri.php http://donsmaps.com/venusabripataud.html Les abris de Laugerie-Basse  Abri Pataud - Falaise - Les Eyzies-de-Tayac Les abris de Laugerie-Basse © Mickael Le Baron Octobre 2004 http://www.lieux-insolites.fr/alsace/oberlarg/oberlarg.htm http://www.agpoulain.com/explorations02.php Mestreville   premier abri de Mestreville   deuxième abri de mestreville  _________________________________________________________________________________________________ *Absolute datering 2 3 -ouderdomsbepaling

__________________________________________________________________________________________________

Absorbsie zonneenergie

____________________________________________________________________________________________________
accretionary lapilli   accretionary lapilli
(Volcanology)

Small spherical balls of volcanic ash
Accretionary lapilli are small spherical balls of volcanic ash that form from a wet nucleus falling through a volcanic ash cloud. They can flatten on hitting the ground or may roll on loose ash and grow like a snowball.
Accretionary lapilli in an ash deposit on Santorini.

____________________________________________________________________________________________________
*Accumulatie 2 3 4 -lagen -terrassen -vlakte ____________________________________________________________________________________________________
*Activeringsanalyse *Active  plate  margin (plate tectonics )      The leading edge of a lithospheric plate bordered by a trench
*Actualisme     –> actualiteitsprincipe  : Je gaat er vanuit dat processen die de aarde nu vorm geven, vroeger ook zo hebben gewerkt.

*Adsorptie  …… is de verdichting van gassen, vloeistoffen of opgeloste stoffen aan het oppervlak van vaste stoffen.

Aëroob(e) 2

Afbraak 2

Afbraakproducten

Afdruk(en) 2 3 4 5

_________________________________________________________________

*Afglijdingen

*Afschuivingen 2

Aftershock  (Na -schok)  An earthquake that follows a larger earthquake. Generally, many aftershocks occur over a period of days or even months after a major earthquake

_________________________________________________________________

*  (Het) afwateringspatroon  ….. is het natuurlijk hiërarchisch patroon van beken en rivieren.

____________________________________________________________________________________________________

*Afzetting(-en2 3 4 5      -piedmont  -sedimentaire   -terristische Een afzetting is een door een transporterend medium (water, wind, ijs of de zwaartekracht) neergelegd sedimentZie ook:   Sedimentaire structuur  Sedimentatie 

*Afzettingsgesteenten

Afzettings gesteenten /Sedimentary rock

Afbeeldingen van sedimentary rock  <—

sedimentary   rock Triassic_Utah

sedimentary rock Triassic_Utah

Sedimentary rock 1-61963ca78e

 

http://skywalker.cochise.edu/wellerr/rocks/sdrocksL.htm

Weathering decomposes bedrock

Flowing water,wind,gravity,and glaciers then erode the rock,transport it downslope,and finally deposit
it on thesea coast or in lakes and river valleys.Finally,the loose sedi-ment is cemented to form hard sedimentary rock.
Sedimentary rocks make up only about 5 percent of the Earth’s crust.However,because they form on theEarth’s
surface,they are widely spread in a thin veneer over underlying igneous and metamorphic rocks.
As a result,sed-imentary rocks cover about 75 percent of continents.Many sedimentary rocks have high economic
value.Oiland gas form in certain sedimentary rocks.Coal,a major energy resource,is a sedimentary rock.Limestone
is an important building material,both as stone and as the primary ingredient in cement.Gypsum is the raw material
for plas-ter. Ores of copper,lead,zinc,iron,gold,and silver concen- trate in certain types of sedimentary rocks

_________________________________________________________________________________________________

*Agate     A variety of cryptocrystalline quartz in which colors occur in bands. It is commonly deposited in cavities in rocks.

___________________________________________________________________

Agens 2 3

*Aggradatie  —>Aggradation  …The process of building up a surface by deposition of sediment..

___________________________________________________________________

 

Agrohydrologie

___________________________________________________________________

ALBIAN   (Albiaan)  European stage of the uppermost Lower Cretaceous, spanning the time between 107 and 95 million years ago.

____________________________________________________________________________________________________

* Alcove   A large niche or recession formed in a steep cliff Algen 2 3 4 5 -blauwgroene -kalk -kiezel *A Horizon   The topsoil layer in a soil profile Alikruik Alkaliveldspaat 2 Allerød Allochtoon

_____________________________________________________________________________________________________

Alluvial Fan A fan-shaped deposit of sediment built by a stream where it emerges from an upland or a mountain range into a broad valley or plain (see diagram).

Alluvial fans

Alluvial fans - Click to enlargeWhen a steep mountain stream enters a flat valley, there is a sudden decrease in gradient and velocity. Sediment transported in the stream will suddenly become deposited along the valley walls in an alluvial fan. As the velocity of the mountain stream slows it becomes choked with sediment and breaks up into numerous distributary channels. http://earthsci.org/flooding/unit3/print.html Alluvial fans are common in arid and semiarid climates but are not restricted to them http://nl.wikipedia.org/wiki/Puinwaaier

Een puinwaaier in Death ValleyCaliforniëVerenigde Staten.

___________________________________________________________________

Alluviaal 

*Alluvium    A general term for any sedimentary accumulations deposited by comparatively recent action of rivers. It thus includes sediment laid down in river beds, flood plains, and alluvial fans

* Alluvial deposits, alluvium:Material that has been deposited by a river on its flood plain, usually composed of sands and gravels.

File:River2.jpg

Op de binnenbocht van de rivier vindt sedimentatie plaats

Alluviale afzettingen ( te mijden = “Alluvium” = verouderde naam voor het geologisch tijdperk Holoceen;): rivier-afzettingen in het eigen overstromingsgebied ; gewoonlijk zand en grind http://nl.wikipedia.org/wiki/Alluviaal
File:Vallee fertile du Nil a Louxor.jpg

Alluviale vlakte van de Nijl bij Luxor        

Alluviale vlakte

___________________________________________________________________

*Alphastralen

_______________________________________________________________

*ALPINE Glacier  A glacier occupying a valley. Synonymous with mountain glacier, valley glacier

_______________________________________________________________

*Alpiene orogenese 2 3

Alveole

Amalgamen

Amandelsteen

Amber

 

_______________________________________________________________

AMASIA

Volgend supercontinent bij de noordpool

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Volgend supercontinent ontstaat nabij de noordpool, bestaat uit Eurazië en Amerika en heet…Amasia

In het blad Nature doen wetenschappers van de universiteit van Yale een nieuwe theorie over het ontstaan van supercontinenten uit de doeken. Volgens deze theorie vormt elk supercontinent zich op negentig graden van het geografische midden van het voorgaande supercontinent.

SUPERCONTINENTEN

Wetenschappers denken dat de aarde reeds drie supercontinenten achter de rug heeft. De laatste was Pangea: dit ontstond zo’n 300 miljoen jaar geleden en Afrika was het middelpunt. Daarvoor hadden we Rodinia (één miljard jaar geleden) en Nuna (1,8 miljard jaar geleden).

Op de pool
Wat betekent dat concreet? Nou, dat het volgende supercontinent praktisch op de noordpool komt te liggen! Volgens deze theorie verdwijnen de Noordelijke IJszee en de Caribische Zee doordat het noorden en zuiden van Amerika zich richting Eurazië begeven. Eurazië en Amerika ontmoeten elkaar daarbij ergens nabij de noordpool en vormen samen het supercontinent ‘Amasia’ (een samensmelting van America en Eurasia). De onderzoekers baseren hun nieuwe theorie op een analyse van gesteenten. Ze stelden de magnetische oriëntatie van de gesteenten vast.

Oude theorie
De theorie van de onderzoekers staat haaks op eerdere theorieën over supercontinenten. Volgens deze theorieën ontstaan supercontinenten of 0 of 180 graden ten opzichte van het geografische centrum van het vorige supercontinent.

Volgens deze theorieën zou het eerstvolgende supercontinent ertoe leiden dat de Atlantische Oceaan verdwijnt en dat het supercontinent op de plaats van Afrika komt te liggen. Of het tegenovergestelde gebeurt en de Stille Oceaan verdwijnt en het supercontinent verschijnt aan de andere kant van de globe.

Amasia en pangea

 

Volgens de nieuwe theorie komt het eerstvolgende supercontinent dus nabij de noordpool te liggen.

Azië of het noorden van Amerika wordt het middelpunt van het supercontinent en komt waar nu de Noordelijke IJszee zich bevindt. De twee continenten worden door een nog te ontstaan gebergte aan elkaar verbonden. Onduidelijk is hoelang het nog duurt voor het supercontinent ‘af’ is.

De onderzoekers vermoeden echter dat we daar zeker nog vijftig tot tweehonderd miljoen jaar geduld voor moeten hebben.

 

Bronmateriaal:

As next supercontinent forms, Arctic Ocean, Caribbean will vanish first” – Yale.edu
De foto bovenaan dit artikel is afkomstig van de universiteit van Yale.

 

_________________________________________________________________

Ambulacraalvelden

Amethist

Amfibolietfaciës

Amfiboolgroep

Ammonia

____________________________________________________________

*Ammonieten 2 3 

Zie ook  https://tsjok45.wordpress.com/2012/11/12/woordenlijst-paleontologie/

___________________________________________________________________

 

*Amorphous Solid ….A solid in which atoms or ions are not arranged in a definite crystal structure. Examples: glass, amber,obsidian

_________________________________________________________________________________________
*Amphibia 2   

Zie ook  https://tsjok45.wordpress.com/2012/11/12/woordenlijst-paleontologie/

amfibieen evolutie en geologie    <–DoCX

_____________________________________________________________

* Amphibole ….An important rockforming mineral group of ferromagnesian silicates. Amphibole crystals are constructed from double chains of silicon-oxygen tetrahedra. Example: hornblende

Amphibole Group  of Minerals  HORNBLENDE TREMOLITE  FLUORRICHTERITEANTHOPHYLLITE http://www.galleries.com/minerals/silicate/amphibol.htm

_____________________________________________________________

* Amphibolite …A metamorphic rock consisting mostly of amphibole and plagioclase feldspar

http://geology.about.com/od/rocks/ig/metrockindex/rocpicamphibolite.htm

Amphibolite is a rock composed mostly of amphibole minerals.

Usually it’s a hornblende schist like this as hornblende is the commonest amphibole. Usually a schist Amphibolite forms when basaltic rock is subjected to higher temperatures (550–750°C) and slightly greater pressure range than that which yields greenschist. Amphibolite is also the name of a metamorphic facies—a set of minerals that typically forms at a specific range of temperature and pressure. For more photos see the Metamorphic Rocks Gallery.

___________________________________________________________________

*

Amphineura 2

Afbeeldingen van amphineura <–

Molusca *

The chitons evolved from multiplacophora during the Palaeozoic, with their relatively conserved modern-day body plan being fixed by the Mesozoic

Acanthopleura granulata with Nerita tessellata

Acanthopleura granulata with Nerita tessellata

Two individuals of Acanthopleura granulata on a rock at high tide level in Guadeloupe

http://palaeos.com/metazoa/mollusca/phylogeny.html

 

___________________________________________________________________

°

Anadiagenese

___________________________________________________________________
°

Anaërobe Anaërobe bacteriën 2 3 4

___________________________________________________________________

*Anastomoseren   Een anastomoserende rivier bestaat uit een stabiel patroon van meerdere, onderling verbonden riviergeulen, gekenmerkt door een hoge sedimentatiesnelheid en een lage kronkelfactor, voorkomend in gebieden met bodemdaling en/of zeespiegelstijging.Zie ook:  Meanderende rivier  Verwilderde rivier 

___________________________________________________________________

*Andesiet   Andesite  .…A fine-grained igneous rock composed mostly of plagioclase feldspar and from 25% to 40% amphibole and biotite, but no quartz or K-feldspar. It is abundant in mountains bordering the Pacific Ocean, such as the Andes Mountains of South America, from which the name was derived. Andesitic magma is believed to originate from fractionation of partially melted basalt Andesite is an extrusive or intrusive igneous rock that is higher in silica than basalt and lower than rhyolite or felsite Named for the Andes In general, color is a good clue to the silica content of lavas, with basalt being dark and felsite being light. Although geologists would do a chemical analysis before identifying andesite in a published paper, in the field they readily call a gray or medium-red lava andesite. Andesite gets its name from the Andes mountains of South America, where arc volcanic rocks mix basaltic magma with granitic crustal rocks, yielding lavas with intermediate compositions. Andesite is less fluid than basalt and erupts with more violence, because its dissolved gases cannot escape as easily. Andesite is considered the extrusive equivalent of diorite. http://geology.about.com/od/rocks/ig/igrockindex/rocpicandesite.htm–> See more andesites in the gallery of volcanic rocks.

°

andesite    andesite(Volcanology)

Andesite is a gray to black volcanic rock with between about 52 and 63 weight percent silica (SiO2). Andesites are typical for lava domes and stratovolcanoes.
Andesite is an igneous, volcanic rock, of intermediate composition, containing between about 52 and 63 weight % silica (SiO2).Andesites contain crystals composed primarily of plagioclase feldspar and one or more of the minerals pyroxene (clinopyroxene and orthopyroxene) and lesser amounts of hornblende. At the lower end of the silica range, andesite lava may also contain olivine. Andesite magma commonly erupts from stratovolcanoes as thick lava flows, some reaching several km in length. Andesite magma can also generate strong explosive eruptions to form pyroclastic flows and surges and enormous eruption columns. Andesites erupt at temperatures between 900 and 1100° C.
Andesite can be considered as the extrusive equivalent to plutonic diorite. Andesites are characteristic of subduction tectonic environments in active oceanic margins, such as the western coast of South America. The name andesite is derived from the Andes mountain range.
Andesite is a characteristic rock on the volcano peninsula Methana and on Nisyros island. Most lava domes on Methana are composed of andesitic rocks. Interesting is the phenomenon of magma-mixing that is thought to be a driving force in many explosive eruptions where the relatively cool andesitic lava is involved: basaltic intrusions in such a magma-chamber heat up the magma and chemical reactions activate such a magma. The result may be a lava dome like Merapi (Indonesia) or Montserrat.

Links:

Typical andesite from the Methana peninsula (Greece)

Typical andesite from the Methana peninsula (Greece)

Related keywords (1):

basalt

__________________________________________________________________

°AMPHITHEATRE 

Ampitheater   Utah, Bryce-Canyon-Nationalpark,  64131282

Ampitheater   Utah, Bryce-Canyon-Nationalpark,  64131282

___________________________________________________________________

*Andesite line …The boundary in the Pacific Ocean separating volcanoes of the inner Pacific basin, which discharge only basalt, from those near the continental margins, which discharge both andesite and basalt  

___________________________________________________________________

*Angiospermae 2

angiosperm-life-cycle

Meer afbeeldingen   <–

  1. De bedektzadigen zijn de belangrijkste groep landplanten. Het is niet bekend hoeveel soorten bedektzadigen er zijn: de meest plausibele schattingen belopen tussen de 200.000 tot 450.000 soorten. Wikipedia

___________________________________________________________________

*Angular unconformity   ….. An  unconformity in which the older strata dip at a different angle (generally steeper) than the younger strata

___________________________________________________________________

Anhedrisch—>

Anhydriet 2

___________________________________________________________________

 

Animalia 2

*Anionengroepen   * Een  anion is een negatief geladen ion, deel van een molecuul.

*Annelida 2

*Anodonta

___________________________________________________________________________________________________

*Anorthosite  ….A coarse-grained intrusive igneous rock composed primarily of calcium-rich plagioclase feldspar

____________________________________________________________________________________________________

*Anoxisch

*Anthozoa 2

*Anthropogeen(ene)    -verstoringen

Anticlinaal(en) 2 3     ANTICLINE  ….A fold in which the limbs dip away from the axis. After erosion, the oldest rocks are exposed in the central core of the fold Anticlinorium Anthraciet Apertuur

*Apanthic texture   ….  A rock texture in which individual crystals are too small to be identified without the aid of a microscope. In hand specimens, aphanitic rocks appear to be dense and structureless Apliet Appalachisch reliëf

*APTIAN …European stage of the Lower Cretaceous, spanning the time between 114 and 107 million years ago.

*aquiclude   =een voor grondwater ondoorlatende laag.  Zie ook:  Aquifer   Aquittard

*Aquifers   Aquifer  A permeable stratum or zone below the earth’s surface through which ground water moves   //Een aquifer is een voor grondwater goeddoorlatende laag. Ook wel watervoerend pakket of watervoerende laag genoemd.

 *Aquittard   een voor grondwater slechtdoorlatende laag.

___________________________________________________________________

*Arachnida

___________________________________________________________________*Aragoniet 2 3 4 5

*Aragonite: Chemical composition: CaCO3. A mineral found in the shells of some ammonites, bivalves etc. It is converted to calcite with heat and pressure. ( morfogenetic rock ) http://en.wikipedia.org/wiki/Aragonite
Aragoniet http://nl.wikipedia.org/wiki/Aragoniet

Aragonite brute environ 3cm 

___________________________________________________________________

Arbacioida

 

ARCHEAN   The middle era of Precambrian time, spanning the period between 3.8 and 2.5 billion years ago. Life arose on Earth during the early Archaean, as indicated by the appearance of fossil bacteria in rocks thought to be about 3.5 billion years old. Its name means “ancient.”

Archaeïcum

Archaeopteryx 2

Archeomagnetisme

*Arenaceous rocksSedimentary rocks containing particles with grain sizes of between 1/16 mm and 2mm. Generally sandstones

Arc-trench gap  The geographic area in an island arc deep-sea trench system that separates the arc of volcanoes from the trench. In most cases, the gap is about 100 km wide Arealen

*ARETE   A narrow, sharp ridge separating two adjacent glacial valleys

Arenicola

Arenieten

*Argillaceous rocksSedimentary rocks containing particles with grain sizes below 1/16mm. Examples include shales, mudstones, siltstones and clays.

Aride 2 3

Aristoteles

*Arkose   Arkose  A sandstone containing at least 25% feldspar

°

Armkieuwigen 2

°

Armpotigen

°

Arthropoda 2 3

___________________________________________________________________

*Artesian bassin …  A geologic structural feature in which ground water is confined and is under artesian pressure

*Artesion pressure  surface …The level to which water in an artesian system would rise in a pipe high enough to stop the flow.

* Artesian water     Ground water confined in an aquifer and under pressure great enough to cause the water to rise above the top of the aquifer when it is tapped by a well

Articulata 2 3

Aschelminthes

___________________________________________________________________

* Ash ( Vulkaan assen )   Volcanic fragments the size of dust particles

*ash

*ashfall

 

* Ash flow   A turbulent blend of unsorted pyroclastic material (mostly fine-grained) mixed with high-temperature gases ejected explosively from a fissure or crater

*Ash flow tuff  A rock composed of volcanic ash and dust, formed by deposition and consolidation of ash flows

___________________________________________________________________

Asfalt

Assise

Associatie

*Asthenophere ….The zone in the earth directly below the lithosphere, from 70 to 200 km below the surface. Seismic velocities are distinctly lower in the asthenosphere than in adjacent parts of the earth’s interior. The material in the asthenosphere is therefore believed to be soft and yielding to plastic flow  /  De asthenosfeer is het bovenste deel van de aardmantel, maximaal 300 km dik. Deze is opgebouwd uit enigszins vervormbaar gesteenteZie ook: Biosfeer  Lithosfeer

*Asteroceras

*Asteroidea 2   Asteroid  …A small, rocky planetary body orbiting the sun. Asteroids are numbered in the tens of thousands. Most are located between the orbit of Mars and the orbit of Jupiter. Their diameters range downward from 770 km  Planetoide

        meteorieten inslag <–DOC

______________________________________________________________________________________________________

Asterostomatina

Asterozoa 2

______________________________________________________________________________________________________

*Astrogeology ….The study of extraterrestrial bodies by the application of geologic methods and knowledge

*Asymmetric fold ….A fold (anticline or syncline) in which one limb dips more steeply than the other Asymmetrische dalstelsels

Atelostomata 2

Atlanticum 2

________________________________________________________________

Atlantische Oceaan 

Zo’n 200 miljoen jaar geleden was er op onze planeet een supercontinent te vinden: Pangea. Maar zo’n 180 miljoen jaar geleden verdween het supercontinent doordat de Atlantische Oceaan ontstond en het continent (letterlijk) verscheurd werd. Van het uiteenvallen van dit supercontinent hebben onderzoekers een vrij goed beeld. Maar hoe is Pangea eigenlijk ontstaan?In het blad Geology komen onderzoekers met een model op de proppen dat beschrijft welke gebeurtenissen aan de totstandkoming van Pangea voorafgingen. En dat model heeft ook implicaties voor de toekomst.Iapetus
Om het ontstaan van Pangea te kunnen verklaren, keken de onderzoekers naar Iapetus. Een oude oceaan die tussen de oude kern van Noord-Amerika en delen van wat nu Europa, Afrika en Zuid-Amerika is, lag. Deze oceaan ontstond zo’n 600 miljoen jaar geleden doordat deze de eerdergenoemde continenten uit elkaar dreef. Om de totstandkoming van Pangea te kunnen verklaren, moet deze oceaan zich op een gegeven moment weer gesloten hebben. Maar hoe maakt een oceaan die overgang van opengaan (en continenten uit elkaar duwen) en sluiten (en continenten naar elkaar trekken)? Het is een vraag die onderzoekers al enige tijd bezighoudt.

“De meeste geologen nemen aan dat de oude Iapetusoceaan stopte met breder worden en begon te krimpen toen er aan de grenzen van de oceaan spontaan subductiezones ontstonden,”

vertelt onderzoeker John Waldron.

Subductiezones zijn plekken waar oceaanplaten onder aardplaten duiken en aardbevingen en vulkanen voorkomen.

“Maar wanneer we kijken naar de historie van de oceanen die sinds Pangea zijn ontstaan, denken we niet dat dit is wat er is gebeurd,” stelt Waldron.

 

NIEUW SUPERCONTINENT

Hoe zou een nieuw supercontinent er uit gaan zien? Lees er hier alles over!

Caribisch gebied
Waldron en zijn collega’s baseren die conclusie deels op wat we momenteel in de Caraïbische Zee zien gebeuren. In het oostelijke deel van deze zee duikt de plaat waar de Atlantische Oceaan op rust onder de Caribische Plaat en ontstaat dus een subductiezone. Een ander voorbeeld is de subductiezone tussen Zuid-Amerika en Antarctica, waar de plaat waar de Atlantische Oceaan op rust ook het onderspit moet delven. Volgens de onderzoekers kunnen deze plekken op aarde ons vertellen hoe Iapetus is verdwenen en Pangea kon ontstaan.

“Het is veel waarschijnlijker dat een kleine plaat, zoals de moderne Caribische Plaat, vanuit het oosten naar Iapetus toekwam. De plaat waarop Iapetus rustte, moest ook het onderspit delven en dook onder de kleine aardplaat. Uiteindelijk werd de plaat waarop de oceaan rustte zo helemaal geconsumeerd en de aardplaten waarop de continenten die Iapetus omringen, rustten, botsten met elkaar. Zo ontstond Pangea, maar ook de Appalachen en de Caledoniden in Schotland en Noorwegen.

Het onderzoek geeft meer inzicht in hoe Pangea kon ontstaan. Maar het heeft ook implicaties voor de toekomst. Want wat Iapetus ooit fataal werd, is nu al gaande in de Atlantische Oceaan. De onderzoekers stellen dat de moderne Atlantische Oceaan dan ook gedoemd lijkt om te verdwijnen als subductiezones zoals die rond de Caribische Plaat de oceanische plaat blijven consumeren. Uiteindelijk zullen de continenten rond de Atlantische Oceaan dan met elkaar botsen en een nieuw supercontinent vormen. Dat supercontinent laat overigens nog wel even op zich wachten; volgens Waldron kan het nog wel honderd miljoen jaar duren.

 

Bronmateriaal:

Researcher finds clues to mystery of birth and death of oceans

– Ualberta.ca

________________________________________________________________

Atmosfeer  Atmosphere  The mixture of gases surrounding a planet. The earth’s atmosphere consists chiefly of oxygen and nitrogen, with minor amounts of other gases. Synonymous with air

___________________________________________________________

*Atollen 2 

Atoll  A ring of low coral islands surrounding a lagoon

Atafu Atoll, Tokelau, Southern Pacific Ocean

Atafu Atoll  /http://earthobservatory.nasa.gov/IOTD/view.php?id=37753

Atoll Formation. Marine Science. Atoll Formation. Marine Science.  

http://www.eoearth.org/article/Atoll

__________________________________________________________________

*asthenosfeer–> Het  deel van de aardmantel onder de lithosfeer waar de convectiestromen zorgen voor beweging van platen.

*Atom  The smallest unit of an element. Atoms are composed of protons, neutrons, and electrons.

___________________________________________________________________________________________

*attitude The three-dimensional orientation of a bed, fault, dike, or other geologic structure. It is determined by the combined measurements of the dip and the strike of a structure

(voorbeeld )

Helium komt voor onder de vorm van 2 isotopen:    //  He met massa (2 protonen + 1 neutron) en

helium 4

 <– Helium met massa 4 (2p + 2n).

http://www.jbruinink.nl/chemischebinding1.html

______________________________________________________________________________________________________

Attritie

°

ugrabie Falls 

SANParks Augrabies Falls

°

Aurora Borealis 

http://en.wikipedia.org/wiki/Aurora_borealis

Jökulsárlón, Iceland   Aurora Borealis

Jökulsárlón, Iceland   Aurora Borealis

http://nl.wikipedia.org/wiki/Poollicht

°

Authigenese

Autochtoon

Autotroof2

Aves 2 3                                                                                                                                                                                              <http://nl.wikipedia.org/wiki/Vogels                                                                                                                         <http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_vogels


Early birds and dinosaurs. (A) In a simplified cladogram of Theropoda, extant birds (Aves) are nested within Avialae, which currently includes the most recent common flighted ancestor of Archaeopteryx and all of its descendants. The relationships among representative theropod genera Sinosauropteryx, Caudipteryx, Sinornithosaurus, Archaeopteryx, Confuciusornis, Neuquenornis, Yixianornis, Anas, and Gallus are shown. Two major events during the evolution of feathers are noted: the origination of filamentous integumentary structures optimized as homologous with the avian feather and the first appearance of elongate pennaceous feathers. The optimized minimum first appearance of active flight homologous with Aves is also shown. (B) Theropod dinosaurs are one of two clades (with sauropodomorphs) that comprise Saurischia, itself one of the two clades of dinosaurs. (From: Clark and Middleton 2006). 

http://people.eku.edu/ritchisong/554notes1.html

<http://nl.wikipedia.org/wiki/Oorsprong_van_de_vogels                                                                            <https://tsjok45.wordpress.com/2012/12/08/vogelevolutie/                                             <https://tsjok45.wordpress.com/2012/12/08/vogelevolutie/bird-hands-and-legs/

*AXIAL PLANE   With reference to folds, an imaginary plane that intersects the crest or trough of a fold so as to divide the fold as symmetrically as possible

*AXIS  1 (crystallography) An imaginary line passing through a crystal around which the parts of the crystal are symmetrically arranged. 2 (fold) The line where folded beds show maximum curvature. The line formed by the intersection of the axial plane with the bedding surface

*Axtinopterygii   /  Actinopterygii  <— file doc 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Straalvinnigen

File:Evolution of ray-finned fish.png

Evolution of ray-finned fishes, Actinopterygii, from the Devonian to the present as a spindle diagram. The width of the spindles are proportional to the number of families as a rough estimate of diversity. The diagram is based on Benton, M. J. (2005) Vertebrate Palaeontology, Blackwell, 3rd edition, Fig 7.13 on page 185

http://palaeo.gly.bris.ac.uk/palaeofiles/fossilgroups/actinopterygii/fossilrecord.html

http://vertebrates.voices.wooster.edu/actinopterygii/

http://palaeos.com/vertebrates/actinopterygii/actinopterygii.html

Abbreviated Dendrogram
Gnathostomata
|--Placodermi
`--o Eugnathostomata
   |---Chondrichthyes
   `--Teleostomi
      |==Acanthodii
      `--Osteichthyes
         |--Actinopterygii
         |  |--Cheirolepis 
         |  `--+--Cladistia
         |     |  |--Guildayichthyiformes
         |     |  `--Polypteriformes
         |     `--Actinopteri
         |        |--Chondrostei
         |        `--Neopterygii
         `--Sarcopterygii

*Azonale processen

 

PERMAFROST

 

GEOLOGIE

 

aarde & klimaat

 

Permafrost stoot meer CO2 uit dan gedacht

Erosie in Alaska door het ontdooien van de permafrost.

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/1.1551827

zo 17/02/2013 –

De dooiende permafrost stoot meer CO2 uit dan aanvankelijk gedacht. Wanneer het oude koolstof in het ijs vrijkomt en in het licht komt, verandert het 40 procent sneller in koolstofdioxide dan wanneer het koolstof in het donker blijft.

Dat blijkt uit een studie in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

Onderzoeker Rose Cory van de universiteit van North Carolina en haar collega’s bestuderen plaatsen in Alaska waar de permafrost aan het smelten is. Ze stelden vast dat het zonlicht de bacteriële omzetting van het koolstof in CO2 in de ontdooiende bodem met minstens 40 procent versnelt in vergelijking met koolstof dat in het donker blijft.

“Dat betekent dat de permafrostkoolstof potentieel een factor van enorm belang is die zal helpen bepalen hoe snel de aarde opwarmt”, zegt coauteur George Kling van de Universiteit van Michigan. “Dit verandert echt het debat” over wanneer en hoeveel CO2 zal vrijkomen wanneer de permafrost ontdooit, zegt Cory.

“We kunnen niet zeggen hoe snel de Arctische koolstof een impact zal hebben op de wereldwijde koolstofcyclus en de klimaatwijziging op aarde zal versnellen, maar het feit dat het aan licht blootgesteld zal worden, betekent dat het sneller zal gebeuren dan we vroeger dachten.”

Drie graden warmer

De permafrost beslaat 13 miljoen vierkante kilometer in Alaska, Canada, Siberië en delen van Europa. In de bevroren grond zit koolstof opgeslagen en ook methaan.

Door de klimaatwijziging kan voldoende CO2 uit de permafrost vrijkomen om de temperaturen wereldwijd nog eens met 3 graden Celsius te doen stijgen, bovenop de stijging door de verbranding van fossiele brandstoffen.

Kantelpunt

Als het Arctische gebied warm genoeg wordt, zal de uitstoot van koolstof en methaan uit de ontdooiende permafrost een proces in gang zetten dat de huidige opwarming zal versterken en versnellen, zegt Kevin Schaefer, een wetenschapper van het Nationale Sneeuw- en IJsdatacentrum in Boulder, Colorado.

Een nauwkeurige schatting van de methaanuitstoot is er niet. Methaan draagt 25 keer meer bij aan de opwarming van het klimaat dan koolstofdioxide en de uitstoot van methaan zal een krachtiger impact hebben op het vlak van opwarming, vooral op temperaturen op korte termijn, zegt Schaefer.

In 2011 situeerde Schaefer het kantelpunt voor de ontdooiende permafrost over vijftien tot twintig jaar. Dat kantelpunt is het punt waarop de permafrost meer broeikasgassen uitstoot dan opneemt. Eens de permafrost broeikasgassen begint uit te stoten, versnelt dat de opwarming en dus ook het verder ontdooien van de permafrost. Zo ontstaat een kettingreactie die zichzelf versterkt.

Door Cory’s nieuwe ontdekking zal dat herbekeken moeten worden. De enige vraag is hoeveel men dat kantelpunt zal moeten vervroegen.

3 tot 5 graden

Robert Watson, de voormalige voorzitter van het IPCC, het VN-klimaatpanel en nu wetenschappelijk directeur van het Britse Tyndall-centrum voor Klimaatonderzoek, zegt dat men rekening moet houden met een wereld die 3 tot 5 graden Celsius warmer is.

Op een symposium vorige dinsdag in Londen zei Watson dat de wereld de kans heeft gemist om de stijging onder 2 graden te houden. “Volgens mij geven alle bewijzen aan dat we op weg zijn naar een wereld die 3 tot 5 graden warmer is.”

Toen Watson van 1997 tot 2002 het VN-klimaatpanel voorzat, was er nog heel wat hoop dat men de uitstoot kon beperken. “Nu zullen alle beloftes ter wereld, waarvan het hoe dan ook weinig waarschijnlijk is dat we ze zullen nakomen, ons geen wereld geven met een stijging van slechts 2 graden Celsius.”

AP

Een onderzoeker steekt methaan in brand dat zich onder het ijs in een meer heeft opgehoopt.

100px-Methane-2D-stereo_svg

 
 
 
 
 
 
°
met video

Dooimeren ontstaan door smelten van permafrost op een schaal van honderden meters.

Een  dooimeer vreet zich een weg in de ‘yedoma’ afzettingen, die grotendeels uit ijs bestaan en ook veel organische stof bevatten. Uit deze dooimeren kan veel methaan komen.

Er staat een stevige, warme wind, en op het meer staat flink wat golfslag. Het meer ligt tegen een ‘yedoma’ heuvelrug aan. Aan de andere kant van de rug ligt ons onderzoeksstation. Waar het meer de rug raakt is een helling met verse erosieverschijnselen. Overal zijn blokken materiaal van de rug, met vegetatie en al, naar beneden gezakt. Op verschillende plaatsen is het glimmende oppervlak van permafrost ijs te zien.

De warme wind blaast tegen de ijswand aan, en voordurend sijpelt er modderig water vanaf en glijden er stukjes grond en vegetatie naar beneden. Dit is een ‘thaw slump’, een glijdende massa veroorzaakt door dooiende permafrost. Onderaan de helling is in het meer een verse pluim sediment te zien. Dat wordt afgezet in diepere delen van het meer. Het meer zelf is door het smelten van de onderliggende permafrost misschien wel meters diep.

Is dit het gevolg van klimaatverandering?

Ja en nee. Aan de ene kant kun je zien dat de uitbreiding van het meer in de heuvelrug al langer aan de gang is, misschien tientallen of een paar honderd jaren. Het is onderdeel van een proces dat voortdurend plaatsvindt.

Aan de andere kant lijken de processen nu, (in deze warme zomer, )extra actief. Twee jaar geleden was ik hier ook, maar toen heb ik die verse ‘thaw slumps’ helemaal niet gezien.

Beneden bij het meer kunnen we veel methaanbellen uit de bodem losmaken door met een stok in de bodem te poken.

Komt dit door smeltende permafrost?

Ja en nee (wetenschap levert nooit van die simpele antwoorden die sommige politici en activisten zo leuk vinden).

Het methaan ontstaat ook zonder permafrost, uit afval van planten die normaal in zo’n meer groeien. Dat gebeurt in ieder meer, ook in de  Loosdrechtse Plassen.

Maar: hoe warmer het water, en hoe meer organisch materiaal door afsmelten van de permafrost in het meer terecht komt, hoe hoger de methaanproductie.

Hoeveel hoger, dat willen we in de toekomst ( vanaf volgend jaar.) meten

°Waar komen dan die verhalen van methaanbellen uit de smeltende permafrost vandaan?

In de eerste plaats zit er in de ‘yedoma’ – afzettingen veel organisch materiaal uit de ijstijd dat een bron van extra methaan zou kunnen zijn.

Er is al aangetoond dat dit bijdraagt aan de methaanvorming.

In de tweede plaats kan methaan op grotere diepte als methaan-ijs voorkomen (clathraat). Bij opwarming wordt dat ook omgezet in gas.

Mogelijk gebeurt dat bij de grotere en diepere dooimeren, die veel ouder zijn dan de poeltjes die we nu op de tundra zien verschijnen.

Van de mensen van de natuurbeschemingsinspectie hebben we wel gehoord dat er meren zijn waar op sommige plekken zoveel methaan opborrelt, dat het meer er zelfs in de Siberische winter niet dichtvriest.

Zelf denk ik dat grootste methaanbron gevormd wordt door de veranderingen in het tundra-ecosysteem.

Door het afsmelten van de permafrost aan de oppervlakte breiden poelen breiden zich uit ten koste van drogere bodems, met name op plaatsen waar het ijsgehalte van de permafrost het hoogst is.

De dwergberkenstruiken die op die drogere plekken groeien sterven af doordat ze wegzakken in de nattigheid.

We zien het hier overal: zwarte poelen met daarin restanten van berkenstruiken.

Ik kom nu al zo’n zeven jaar in de tundra hier en zie steeds meer van die ‘zwarte gaten’.

Uit de metingen van dit veldwerk is al gebleken dat dit soort poelen heel veel kooldioxide en methaan produceren. Ook onze meteotoren zakt nu weg in zo’n poel, volgend jaar moet die verplaatst worden.

Elke warme zomer gaat dit proces zonder twijfel sneller. Overal is de dikte van de ‘active layer’ (opdooilaag) duidelijk groter dan normaal in deze tijd van het jaar.(27 juli 2010)

Sommige ontdooiende bacteriën vangen  wat  van het broeikasgas methaan maar ze produceren daarbij wel co2 ….

 8 november 2011 

 Door het ontdooien van de toendra als gevolg van het broeikaseffect ontwaken micro-organismen die eeuwenlang bevroren waren.

 

Dat zal een grote impact hebben op het klimaat van de aarde, zo stellen Amerikaanse wetenschappers van Berkeley University in Nature van 6 november.

De toendra omvat een groot gedeelte van het noordelijke deel van het noordelijke halfrond, met name in Alaska en Siberië. Eeuwenlang was de grond ervan permanent bevroren, maar door het broeikaseffect verandert dit langzaam.

Dat heeft tot gevolg dat het zeer sterke broeikasgas methaan dat zich in grote hoeveelheden in de bodem van de toendra’s bevindt, ontsnapt richting atmosfeer. De verwachting is dat dit het broeikaseffect zal versterken.

Bacteriën

De bodem van de toendra zit echter ook vol met bacteriën, die eeuwenlang bevroren en levenloos hun tijd uitzaten. De eerste exemplaren zijn de laatste jaren al gewekt en beginnen zich te goed te doen aan alles wat in de grond aanwezig is. Sommige produceren extra methaan, terwijl anderen het juist consumeren.

Om uit te zoeken welke kant de balans op gaat vallen, ontdooiden de onderzoekers stukjes toendragrond in het laboratorium en volgden hoe de bacteriepopulatie zich ontwikkelde. Het bleek dat er de eerste twee dagen veel methaan ontsnapte, maar dat de hoeveelheid daarna afnam: de methaanconsumenten wonnen de slag. Dat zou kunnen betekenen dat niet al het methaan uit de toendra bij gaat dragen aan het broeikaseffect.

Overigens zetten de methaanetende bacteriën het methaan om in CO2. Dat lijkt van de regen in de drup, het is blijkbaar alleen maar een  mogelijke   vertraging van methaan lozingen  maar het blijft een stijging van de Co2 emissie  ……  ‘koolstofdioxide is  weliswar  een veel minder sterk broeikasgas is dan methaan…..,’ stelt hoogleraar microbiële ecologie Janet Jansson, een van de auteurs van het artikel.

De wetenschappers komen echter ook met nog wat  slechter  nieuws voor het klimaat: Een nog sterker broeikasgas dat ook in de toendragrond aanwezig is, lachgas, werd niet geconsumeerd door de ontdooiende bacteriën. Dat betekent dat het vrijkomen van deze stof wel maximaal zal bijdragen aan het broeikaseffect.

°

Yedoma: mogelijk de gevaarlijkste modder ter wereld

 27 april 2013  66
 

siberische toendra

één van de snelst opwarmende gebieden ter aarde: het noordoostelijke deel van Siberië.

yedoma: oeroude bevroren modder die  hier duizenden jaren veilig was , maar nu in een rap tempo ontdooit en mogelijk een grote bijdrage gaat leveren aan de opwarming van onze planeet.

In het noordoosten van Siberië, aan de Kolyma-rivier, vlakbij de Noordelijke IJszee en nog net binnen de boomgrens bevindt zich één van de weinige onderzoekstations die Siberië rijk is. ‘s Winters kan het er tientallen graden vriezen, terwijl de temperatuur er ‘s zomers ruim boven het vriespunt uitkomt.

Het is een oneindig landschap, boordevol permafrost dat al tientallen duizenden jaren oud is. Tegelijkertijd is het ook één van de snelst opwarmende gebieden die de aarde rijk is. Als er ergens dus een hoop aan het veranderen is, is het hier wel. Dat maakt het tot de place to be voor wetenschappers die geïnteresseerd zijn in de gevolgen die klimaatverandering heeft en de wijze waarop deze gevolgen de klimaatverandering weer versterken. 

Yedoma
“Het is een mix van organisch materiaal en ijs,” legt Vonk aan Scientias.nl uit. “Het is tijdens de laatste ijstijden tot stand gekomen en dus al zo’n 30.000 tot 40.000 jaar oud. Omdat er heel veel ijs in zit – meer dan vijftig procent bestaat uit ijs – is het heel vatbaar voor opwarming.” En dat is goed zichtbaar in Siberië. “Bij temperaturen boven het vriespunt trekt de kust die uit yedoma bestaat zich meters per jaar terug. Dat gaat zo’n tien keer sneller dan we verwacht hadden.”

Hier ziet u een rivierbank waarin yedoma-permafrost blootligt. Afbeelding: Jorien Vonk.

Hier ziet u een rivierbank waarin yedoma-permafrost blootligt. Afbeelding: Jorien Vonk.                                                                              Zo eind mei smelt de sneeuw en in juni liggen de temperaturen ergens tussen de vijf en 20 graden Celsius.

Koolstof
En dat is reden tot zorg. Het yedoma bestaat namelijk niet alleen uit ijs, maar ook uit organisch materiaal waarin heel veel koolstof zit opgeslagen. “Men schat dat in yedoma ongeveer éénderde van alle koolstof die in permafrost zit, is opgeslagen.” Wanneer het permafrost ontdooit, komt die koolstof(  co2 en ook methaan ) vrij. En dat versterkt de klimaatverandering weer.

Yedoma is  heel fascinerend.
Vonk
“In 2008 was ik met een andere grote groep Zweedse en Russische onderzoekers mee op een schip in dit gebied. We zijn het water opgegaan en hebben gekeken wat er aan yedoma in zee verdwijnt.”
De expeditie die nu in juni van start gaat, is de land-variant van dit onderzoek.
“We gaan nu kijken naar de Kolyma-rivier. Wanden van deze rivier bestaan uit yedoma. Wanneer dit permafrost ontdooit en in het water belandt, wordt het heel snel afgebroken. Wij willen uit gaan zoeken hoe dat komt. Zitten er wellicht bacteriën in yedoma die een snelle afbraak mogelijk maken? En gebeurt die afbraak overal in het landschap op dezelfde manier? Ook willen we de samenstelling van het permafrost verder gaan onderzoeken.”

Onderzoek doen op Shuchi Lake. Het landschap dat u ziet, is misschien niet direct het landschap waaraan u bij Siberië zou denken. Foto: Jorien Vonk.

Onderzoek doen op Shuchi Lake. Het landschap dat u ziet, is misschien niet direct het landschap waaraan u bij Siberië zou denken. Foto: Jorien Vonk.

 “Dit gebied is de kanarie in de kolenmijn op klimaatgebied. De opwarming gaat hier niet alleen heel hard, maar de effecten ervan versnellen de opwarming ook nog eens.”

Waar het op neerkomt is dat ontdooiend yedoma op Siberië en broeikasgassen die daarbij vrijkomen straks het klimaat wereldwijd kunnen gaan beïnvloeden. En daarmee komt die ver-van-ons-bed-show opeens wel heel dichtbij. “Ik ben natuurlijk niet helemaal onbevooroordeeld, maar mijns inziens is het de belangrijkste plek op aarde om onderzoek te doen.

Vonk of haar onderzoek  zie –>   het Flintwave-profiel

Flintwave
Flintwave is een crowdfunding-website voor wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappers presenteren er hun werk, houden u op de hoogte van de voortgang van hun studie en mensen kunnen onderzoeksprojecten kiezen die ze financieel willen ondersteunen. “Ik zie Flintwave als een leuke manier om meer over yedoma te vertellen,” stelt Vonk. “Maar natuurlijk is ook alle financiële hulp van harte welkom.”

 

Mysterie van Siberische gaten mogelijk opgelost

krater

De afgelopen maanden zijn er diverse kraters ontstaan in Siberië. Wetenschappers hebben mogelijk een verklaring gevonden hoe deze kraters zijn gevormd. De vinger wijst in de richting van klimaatverandering als hoofdverdachte.

Op 19 juli voerden onderzoekers, onder leiding van Andrei Plekhanov van het Scientific Centre for Artic Studies, een onderzoek uit bij de Yamal-krater die eerder die maand is ontstaan. Zij troffen opvallend veel methaan aan. Nabij de bodem van de krater bestond de lucht voor 9,6% uit methaan. En dat terwijl de lucht gemiddeld voor 0,000179% uit methaan bestaat.

krater2Gesmolten permafrost
Plekhanov en zijn team denken dat er sprake is van een connectie tussen het ontstaan van de krater en de opvallend hete zomers in de omgeving van de krater in 2012 en 2013. De gemiddelde temperatuur was vijf graden Celsius hoger dan normaal. De wetenschappers suggereren dat de bevroren permafrost is ontdooid en in elkaar is gestort. Hierbij kwamen grote hoeveelheden methaan vrij. Andere wetenschappers denken dat er sprake is van een langduriger effect. Zij wijzen er op dat de permafrost op een diepte van twintig meter de afgelopen twintig jaar met twee graden Celsius is opgewarmd.

Verder onderzoek
De wetenschappers gaan graag terug naar de krater om meer onderzoek te doen. Ze willen graag de hoeveelheid methaan in de wanden van de krater meten. Maar, het is zeer gevaarlijk werk. De krater is minstens zeventig meter diep. Daarnaast brokkelen de randen dagelijks verder af door opwarming.

Zorgen
Hoewel de krater in onbewoond gebied is gevonden, maken de onderzoekers zich zorgen. Wat als er meer kraters ontstaan in bewoonde gebieden of in gasvelden? Gaan dit soort gaten mensenlevens opeisen?

°

 

Permafrost: niet zo permanent

De ingrijpende gevolgen van ontdooiende grond

  • DOOR: JAN WUITE
Wat is permafrost eigenlijk precies, en wat is ermee aan de hand? Klimaatwetenschapper Jan Wuite, gespecialiseerd in ijzige gebieden, geeft kijkers van Klimaatjagers een spoedcursus.

 

http://www.npowetenschap.nl/nieuws/artikelen/2013/september/Permafrost–niet-zo-permanent.html

http://programma.vpro.nl/wetenschap/nieuws/artikelen/2013/september/Permafrost–niet-zo-permanent.html

 

 

  • Permafrost kaart
© NSIDC
Deze kaart geeft aan waar op het Noordelijk Halfrond permafrost ligt

 Alaska. : Een logische keuze   de klimaatverandering in het Noordpoolgebied is de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn. Juist het Noordpoolgebied wordt sterk geraakt door de wereldwijde opwarming. Dit uit zich onder meer in een sterke afname van het zomer zee-ijs in de Noordelijke IJszee en de afname van het landijs op Groenland 

In de laatste decennia vinden er ook drastische veranderingen plaats in de omvang en dikte van de permafrostlaag op het Noordelijk Halfrond. Wetenschappers onderzoeken deze veranderingen en houden zich bezig met de potentiële gevolgen. Met name de grote hoeveelheden broeikasgassen die bij het ontdooien van permafrost vrij kunnen komen, leiden tot bezorgdheid. Wat is permafrost, en kunnen eventuele veranderingen in de permafrostbedekking klimaatverandering versnellen?

Kamelen

Veel van de huidige permafrost is ontstaan gedurende de laatste ijstijd, soms zelfs nog eerder, toen grote delen van het Noordelijk Halfrond bedekt waren onder een kilometersdikke laag ijs. Deze permafrost is gedeeltelijk behouden gebleven gedurende het Holoceen.

Ook onder de zeebodem kan permafrost aanwezig zijn. Die heeft zich dan meestal gevormd tijdens de laatste ijstijd, toen het zeeniveau drastisch lager was en grote delen van het continentaal plat blootgesteld werden aan de koude poollucht. De permafrostlaag bevat een schat aan informatie over flora en fauna uit deze vroegere tijden. Dankzij de kou zijn veel resten van planten en dieren, die vroeger veel voorkwamen in deze gebieden, goed geconserveerd. Regelmatig worden zo overblijfselen van mammoeten, wolharige neushoorns, en – zelfs – kamelen (een soort die zich oorspronkelijk in Noord-Amerika heeft ontwikkeld) uit de permafrost naar boven gehaald.

Klimaatindicator

Permafrost is echter ook een gevoelige indicator van klimaatverandering Veranderingen in de dikte of de omvang van de permafrost worden voornamelijk veroorzaakt door veranderingen in de luchttemperatuur en door veranderingen van de isolerende sneeuwlaag in de winter. Boorkernen in diepere permafrostlagen kunnen bovendien iets vertellen over het temperatuursverloop in de afgelopen honderd jaar. Temperatuurmetingen in boorgaten verzameld in het hele Arctische gebied laten over het algemeen een signaal van opwarming zien dat zich vanaf de tweede helft van de vorige eeuw heeft ingezet.

Onderzoeker Vladimir Romanovsky van het Amerikaanse Permafrost Research Center meet de temperaturen in de permafrost van Alaska tot op grote diepte. Volgens hem warmt de permafrost significant en snel op en dringt de warmte ook steeds dieper door, voornamelijk door de warmere en langere zomers. Een studie van boorgattemperaturen in Noord Alaska laat zien dat sinds de jaren tachtig de temperatuur daar met maar liefst twee tot drie graden is toegenomen. In 2012 zijn recordtemperaturen gemeten diep in de permafrost van Noord-Alaska, waar eind jaren zeventig metingen begonnen.

Indirect wijzen waargenomen veranderingen in toendravegetatie, bebossing en het aantal meren ook op een opwarming van de ondergrond. De omvang van permafrostgebieden verandert hierdoor. In Noord-Amerika en Rusland verplaatst de zuidelijke grens van het permafrostgebied zich noordwaarts als gevolg van de opwarming sinds de Kleine IJstijd (een relatief koude periode die plaatsvond tussen de zestiende en negentiende eeuw). Ook op het Tibetaanse Plateau is de omvang en dikte van de permafrost sterk veranderd in de laatste tientallen jaren.

Dronken bossen

Het ontdooien van de permafrost heeft ingrijpende gevolgen voor het landschap en ecosystemen. Met name op plaatsen waar veel ijs in de grond zit, worden gebieden steeds meer onderhevig aan verzakkingen, waardoor een chaotisch terrein ontstaat met veel heuveltjes en kuilen. De heuveltjes drogen uit, terwijl in de depressies meertjes ontstaan. Dit verschijnsel wordt thermokarst genoemd, en heeft naast grote ecologische gevolgen onder meer ook gevolgen voor infrastructuur en bebouwing.

Dit proces is ook vaak te herkennen aan bossen waar veel bomen schots en scheef staan als gevolg van verzakkingen, men spreekt dan wel van dronken bossen. De opwarming leidt ook tot een dikkere actieve laag, wat op hellingen kan zorgen voor aardverschuivingen. Aan zee kan afname van de permafrost zorgen voor een instabiele kustlijn met sterke kusterosie als gevolg waarvan hele gemeenschappen bedreigd worden. Dit proces wordt versterkt door het verdwijnen van zee-ijs, waardoor golven sterker worden.

De toendrabodem zit vol organisch materiaal: dode planten- en dierenresten die lange tijd bevroren zijn geweest. Zodoende bevat de permafrost een enorm reservoir aan koolstof. Wetenschappers wijzen erop dat potentieel het grootste gevaar van de ontdooiende permafrost het vrijkomen van grote hoeveelheden koolstof is.

Wanneer de permafrost ontdooit, zal ook het organische materiaal erin ontdooien. Het kan dan door bacteriën worden afgebroken. Bij die afbraak kan koolstof in grote hoeveelheden vrijkomen in de vorm van broeikasgassen: methaan (CH4) of koolstofdioxide (CO2). Welk van deze broeikasgassen ontstaat is afhankelijk van lokale omstandigheden. Wanneer er voldoende zuurstof in de bodem is, ontstaat CO2, anders is dat methaan. Methaan is een broeikasgas dat warmte zo’n 25 maal effectiever vasthoudt dan CO2.

In veel meertjes op de toendra kun je dit methaan in de zomer naar boven zien bubbelen. De toendra’s in het Arctische gebied zijn bezaaid met dit soort meertjes. Methaan blijft ongeveer twaalf jaar in de atmosfeer en breekt dan af tot CO2. Het kost de aarde duizenden jaren CO2 weer naar pre-industriële niveaus terug te dringen door opname in de zogeheten lange koolstofcyclus.

Recente metingen in delen van Siberië laten zien dat veel grotere hoeveelheden methaan vrijkomen van land en zeebodem dan eerdere schattingen aangaven. Het vrijkomen hiervan kan leiden tot een versterking van het broeikaseffect en dus leiden tot extra opwarming. Dat heet een positieve feedback: een zichzelf versterkend mechanisme. In hoeverre en in welke mate dit proces al in gang is gezet is nog onzeker; veel permafrostonderzoek richt zich ook juist daarom hierop.

Ben Abbott

Belangrijke vragen zijn hoeveel koolstof er in de grond ligt opgeslagen dat op korte termijn vrij kan komen, in welke vorm dit vrij komt (als CO2 of als methaan) en hoe snel, en hoe je van bijvoorbeeld metingen van individuele meertjes komt tot schattingen voor de gehele toendra. Om deze vragen te beantwoorden nemen wetenschappers zoals Ben Abbott van de Universiteit van Alaska, (Fairbanks, VS) in de uitzending proefmonsters van de permafrost.

Abbotts onderzoek laat zien dat het duizenden jaren duurt om de grote hoeveelheid organisch materiaal in de bodem op te bouwen, maar dat het in enkele jaren tot decennia vrij kan komen. Hij waarschuwt dat de verwachte opwarming van twee tot vijf graden deze eeuw zal leiden tot een zeer snelle en abrupte verandering van het ecosysteem. Volgens Abbott is het niet meer de vraag óf het permafrostgebied het klimaatsysteem gaat beïnvloeden, maar wanneer en in welke mate.

De concentratie methaan in de atmosfeer is sinds de industriële revolutie sterk gestegen. Volgens de World Meteorological Organization (WMO) bereikte de concentratie methaan in 2011 een nieuw record met een niveau dat ongeveer 2,5 keer hoger ligt dan de preïndustriële waarde. Die toename wordt overigens voornamelijk toegeschreven aan menselijke bronnen, zoals veeteelt, rijstvelden en verbranding van biomassa. Vanaf midden jaren tachtig tot aan het begin van deze eeuw leek de toename van methaan langzaam te stagneren. In de afgelopen jaren is de stijging echter weer toegenomen, maar het is onzeker waar die door veroorzaakt wordt.

Wetenschappers van NASA noemen  de hoge methaanconcentraties die zij op sommige locaties in het Arctische gebied vanuit een vliegtuig meten verontrustend. Tot op heden is echter nog niet aangetoond dat recent vrijgekomen broeikasgassen uit de Arctische toendra een significante bijdrage leveren aan het globale budget. Duidelijk is wel dat de hoeveelheid methaan die vrij zou kunnen komen uit de permafrost voldoende is om de atmosferische concentratie aanzienlijk te verhogen, met een forse opwarming als logisch gevolg.

Slapende reus

Het is voor het huidige klimaatbeleid van groot belang beter te kunnen bepalen hoe de permafrost zich zal gaan gedragen in een warmere wereld en hoeveel broeikasgassen er mogelijk vrij zullen komen. Wanneer dit grote hoeveelheden zijn, zou dat naast ecologische ook grote economische gevolgen kunnen hebben.

Experts verwachten dat in de nabije toekomst significante hoeveelheden broeikasgassen vrij zullen komen door het ontdooien van de permafrost op land en onder zee. De gemiddelde verwachting is dat de hoeveelheid koolstof die deze eeuw vrijkomt uit de permafrost te vergelijken zal zijn met de hoeveelheid die vrijkomt door ontbossing. Maar doordat veel in de vorm van methaan zal zijn, kunnen de gevolgen voor het klimaat veel groter uitpakken.

Voorlopig zal de bijdrage van de ontdooiende toendra’s echter nog sterk ondergeschikt zijn aan de hoeveelheid die vrijkomt bij het verbranden van fossiele brandstoffen. De opwarming door broeikasgassen uit fossiele brandstoffen bepaalt uiteindelijk mede de snelheid waarmee de permafrost ontdooit en zelf broeikasgassen gaat uitstoten en zo de klimaatverandering zal versterken. Hoever we precies van dat kantelpunt afzitten is voorlopig nog moeilijk te zeggen, maar wanneer deze slapende reus eenmaal wakker wordt, is zij moeilijk nog onder controle te houden.

Dr. Jan Wuite is glacioloog

Verdere verdieping
National Snow and Ice Data Center (NSIDC)
International Permafrost Association (IPA)
Permafrost Lab van de Universiteit van Alaska, Fairbanks

APPENDIX  en LINKS  

BROEDKASGASSEN

opwarming broeikasteffect

opwarming

WFK’s, superbroeikasgassen in opkomst

 

broekasgassen atmosfeer  2013
°

LIJST B FOSSIELE AMFIBIEEN

GLOS A

 

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

B

  

    Fig. 3 Reconstructions of amphibian skeletons. (a) Carboniferous temnospondyl Balanerpeton (from A. R. Milner and S. E. K. Sequeira, The temnospondyl amphibians from the Visean of East Kirkton, West Lothian, Scotland, Trans. Roy. Soc. Edinburgh Earth Sci., 84:331–362, 1994). (b) Permian microsaur Rhynchonkos (as Goniorhynchus, from R. L. Carroll and P. Gaskill, The order Microsauria, Mem. Amer. Phil. Soc., 126:1–211, 1978).
Balanerpeton Balanerpeton.

(Milner & Sequeira 1994) [Balanerpetonskeletal reconstruction and life restoration immediately below is from Milner & Sequeira (1994), and borrowed from here].

i-a6a15b511ac2097808c68e8e16c85a0f-Balanerpeton.jpg(Milner & Sequeira 1994) [Balanerpetonskeletal reconstruction and life restoration  from Milner & Sequeira (1994), and borrowed from here].                   http://scienceblogs.com/tetrapodzoology/2007/07/09/temnospondyls-the-early-years-1/

Abbreviated Dendrogram
TETRAPODA
|–+–LEPOSPONDYLI
|  `–REPTILIOMORPHA
|
TEMNOSPONDYLI
`–+–+–Edopoidea | | |–Edops
|  |  `–+-Cochleosauridae
|  `–Saharastega
`–+-+–Balanerpeton | `–+–Dendrerpeton
|     `–+–Eugryinus | `?–Dvinosauria (if basal – Ruta et al 2007)
`–+–Capetus
|–+–Iberospondylus
|   `–Euskelia | |==Dissorophoidea
|       |     `–LISSAMPHIBIA
|       `–Eryopoidea
`–+?–Dvinosauria (if Limnarchia – Yates &Warren 2000)
`–Stereospondyli
|–Rhinesuchidae
`–+–Lydekkerinidae
|–+–Plagiosauroidea | `–+–Rhytidosteidae | `–Brachyopoidea
`–+–Capitosauria
`–Trematosauria
|–TrematosauroideaBalanerpeton woodi - reconstruction of skullBalanerpeton woodi, reconstruction of skull; from Milner & Sequeira 1994 (via Tetrapoda – Balanerpeton)
http://palaeos.com/vertebrates/temnospondyli/temnospondyli2.html
  • Banksiops       A replacement name for Banksia townrowi

http://palaeos.com/vertebrates/temnospondyli/brachyopoidea.html  http://www.paleofile.com/Labyrinthodons/Banksiops.asp

Bashkirosaurus is an extinct genus of archegosauroidean temnospondyl within the family Archegosauridae  http://paleodb.org/cgi-bin/bridge.pl?a=basicTaxonInfo&taxon_no=37059.

  • Batrachiderpeton

 Batrachiderpeton reticulatum (= B. lineatum)

Batrachosauroididae indet.
Stereophotograph 1 : lateral view of the right side of the vertebra ; the picture is taken slightly from the above. Magnification X6.
Stereophotograph 2 : anterior view of the vertebra. Magnification X6.

http://2dgf.dk/publikationer/dgf_on_line/vol_1/duffaud.htm

  Batrachosuchus browni was a temnospondyl amphibian of the Triassic.
The  systematic paleontology of Batrachosuchus is:Amphibia Linnaeus 1758
Temnospondyli Zittel 1888
Stereospondyli von Zittel 1887
Trematosauria Yates and Warren 2000
Brachyopoidea Lydekker 1885
Brachyopidae Lydekker 1885
Batrachosuchus Broom 1903
Batrachosuchus browni Broom 1903    The type locality of Batrachosuchus browni is in the Burgersdorp Formation at Aliwal North Area in South Africa. The strata in which the remains were found is dated to a span of 249.7 – 237 million years ago (Olenekian-Anisian).
The length of Batrachosuchus browni was about 50 cm. (1.6 ft.).
batrachosuchus skull
This excerpt from Palaeos Vertebrates tells about physical characteristics of the family Brachyopidae:The Brachyopids were a group of medium-sized tetrapods characterized by short,broad flat skulls with large eyes situated far forward.
The legs are relativelysmall; the creature would have spent most of its life in streams and lakes,although it may have been quite capable of moving about on land.
The uppermargin of the mouth was armed with large fangs, indicating fish-eating habits.
The different species are distinguished mainly by details of skull shape.
( Neal Robbins)
  <–pdf  AMNH     Temnospondyl phylogeny

beelzebufo devil frog

Sluit dit venster
Zo zal het hele skelet van Beelzebufo ampinga eruit hebben gezien. Alleen de witte delen zijn daadwerkelijk gevonden. Het streepje rechts stelt vijf centimeter voor. (PNAS) Evans en haar collega’s bestudeerden de meer dan 60 fossiele fragmenten die in het Bassin Mahajanga ( Madagascar) werden verzameld. Het team kon geen volledig skelet samenvoegen, maar was wel in staat om een bijna volledig beeld van de schedel te reconstrueren ( er waren genoeg schedelbeenderen aanwezig om minstens de linkerhelft te reconstrueren :de andere helft is dan gebaseerd op symetrie ) , die “groot ,dik en uitgerust met een reusachtige mond” bleek te zijn .
°
°

Belzebufo (left) was 2-3 times bigger than the largest living South American frog in this family (top right), and 4-5 times bigger than the largest living Malagasy frog (bottom right).PNAS
°
Fig. 3.          <–
Fig. 3.

Representative elements of Beelzebufo ampinga, Late Cretaceous of Madagascar. (A and B) Left premaxilla (UA 9622), labial and lingual views. (C and D) Left maxilla, anterior region (FMNH PR 2510), labial and lingual views. (E) Right nasal, rostral process (UA 9674), dorsal view reflected. (F) Partial left nasal (UA 9629), dorsal view, within scaled nasal shape. (G) Immature right nasal, maxillary process (UA 9625, reflected for comparison with F), dorsolateral view. (H) Right squamosal, maxillary process (FMNH PR 1959), lateral view. (I) Left squamosal, partial maxillary process (UA 9639), lateral view. (J) Left frontoparietal, anterior region (FMNH PR 2512), dorsal view. (K) Right squamosal, otic process (FMNH PR 2536), dorsal view. (L) Sacral vertebra, right half with left side added by reflection (FMNH PR 2003), dorsal view. (M and N) Urostyle, anterior part (UA 9636), anterior and dorsal views. (O) Left tibiofibula (UA 9628), posterior view. (P) Left frontoparietal and exoccipital in posterior view with right side added by reflection (UA 9675). Small arrows indicate unbroken edges. ams, absence of medial shelf; ap, alary process; aps, absence of palatal shelf; mxa, maxillary articulation; occ, occipital condyle; pa, premaxillary articulation; pp, posterior process. (Scale bar: 10 mm.)

Beelzebufo ampigna rana huesos

Beelzebufo was the largest frog that ever lived, weighing about 10 pounds and measuring nearly a foot and a half from head to tail. Judging by its unusually wide mouth, it probably feasted on the occasional baby dinosaur as well as the usual insects.
 °
Late Cretaceous (70 million years ago) / Large size; unusually large, wide-opening mouth
 °
Slightly outweighing its contemporary descendant, the Goliath Frog of Equatorial Guinea,http://savenaturesavehuman.blogspot.be/2012/11/goliath-frog.html
°
Beelzebufo was the largest frog that ever lived, weighing about 10 pounds and measuring nearly a foot and a half from head to tail. Unlike contemporary frogs, which are mostly content to snack on insects, Beelzebufo (at least by the evidence of its unusually wide and capacious mouth) must have chowed down on the smaller animals of the late Cretaceous period, perhaps including baby dinosaurs and full-grown “dino-birds” in its diet.
 °
Reprising a common theme, this prehistoric amphibian evolved to its giant size on the relatively isolated Indian Ocean island of Madagascar, where it didn’t have to deal with the large, predatory, theropod dinosaurs that ruled the earth elsewhere.
 °
Goliath frog eating another frog
___________________________________________________________________________________
°

Beiyanerpeton jianpingensis.

The world’s oldest fossil of a salamander has been discovered. Six fossils of 157 million year old salamanders were found embedded in volcanic ash in an ancient lake bed in western Liaoning Province, China. The ash helped keep the fossil remarkably well preserved. The Jurassic salamander has been given the name, Beiyanerpeton jianpingensis. These fossils take salamanders back another 40 million years into the Oxfordian stage of the Late Jurassic. The previous oldest salamander fossil was a 114 million year old fossil found in Spain.

The ancient 4-inch long Jurassic salamanders resembled modern salamanders. The researchers say differences between the fossil and modern salamndroids include “a discrete and tooth-bearing palatine, and unequivocally nonpedicellate and monocuspid marginal teeth in large and presumably mature individuals.”

The research is published here in the Proceedings of the National Academy of Sciences(PNAS).

 

 .

 jurassic salamander fossil

jurassic salamander fossil

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Photo: Mick Ellison, American Museum of Natural History/Proceedings of the National Academy of Sciences
 http://www.sciencespacerobots.com/worlds-oldest-fossil-of-a-salamander-discovered-in-china-32520125
°
Skull of Benthosuchus sushkini, an amphibian that lived 230 million years ago. This fossil originates from the Triassic rocks of the Scharzhenga River, Russia.
NaturalHistoryMuseum  London 
Fossil skull of the amphibian Benthosuchus sushkini

 

 

BRANCHIOSAURUS PERMIAN AMPHIBIAN FOSSIL

This is a fine exemple of a Branchiosaurus sp. from the Lower Permian of Germany. Approximately 260,000,000 years old.

Branchiosaurus

Branchiosaurus   http://www.biolib.cz/en/image/id61951/

ブランキオサウルス

Four Rare Fossil Amphibians  - Pfalz, GermanyFour Rare Fossil Amphibians  - Pfalz, GermanyFour Rare Fossil Amphibians  - Pfalz, Germany

three adults and one larval Branchiosaurs. These salamander-like amphibians once inhabited swamps in what is now Southwest Germany. This fossil plate comes from a  quarry near Pfalz, Germany

Although Branchiosaurs look like modern day salamanders they are not related and are classified in a separate order and family of amphibians. The name branchiosaur means “gill lizard”. As adults Branchiosaurs retained their external gills similar to a modern day amphibians like the mudpuppy (Necturus). Google fossilream to see more of our incredible fossils.

Branchiosaurus Geologic Age: Lower Permian Location: Odenheim, Rhineland-Pfalz, Southwest Germany