Wetenschap 2013- 2014

   Het Tweede  Decennium

°

2013

 

 

http://www.kennislink.nl/slideshows/kennislink-jaaroverzicht-2013

Kennislink jaaroverzicht 2013

 

Terugblik: De wetenschap in 2013.
wetenschappelijke overzichten.
ScienceMag: How We Did in 2013 (gratis te lezen na registratie).
ScienceMag: Science’s Top 10 Breakthroughs of 2013.
NewScientist: Best video’s of 2013.
PBS Newshour: The gifts science gave us in 2013.
BBC: In pictures: Science news highlights of 2013.

http://en.wikipedia.org/wiki/2013_in_science

 

°

Vooruitblik: De wetenschap in 2014.
Knack.Be: Van een komeetlanding tot 4D-printing: Wat brengt de wetenschap in 2014?
Popular Science: 2014: The Year In Science.
ScienceMag: Areas to Watch in 2014 (gratis te lezen na registratie).
NewScientist: 2014 preview: 10 ideas that will matter next year.
BBC: A science news preview of 2014.

°

2014

 

Kennislink jaaroverzicht 2014

Terugblik op een jaar vol wetenschap…

Van zinkende kuststeden tot oprukkend zout, van Rosetta’s landing tot zweven voor de wetenschap.

http://www.kennislink.nl/slideshows/kennislink-jaaroverzicht-2014

 

http://en.wikipedia.org/wiki/2014_in_science

nature year in science 2014 516300a  <—pdf 

 Photos 2014 516304a   <—-pdf 

  • Eos

 

 

 

 

Het jaar 2014 in 14 wetenschappelijke realisaties

Heel wat gebeurtenissen en doorbraken kleurden het wetenschapsnieuws van 2014: de zoektocht naar een ebola-vaccin,DNA-geknutsel, autonome zwermrobots en (nog meer) microbioom-vondsten bijvoorbeeld. Helemaal bovenaan staat de historische komeetlanding, al was het maar omdat we de Amerikanen, Russen en Chinezen een heel klein beetje jaloers konden maken.

Europa landt op komeet
Philae schrijft op 12 november geschiedenis door te landen op komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko. Door een gebrek aan zonlicht om de accu’s op te laden, gaat de Europese komeetlander 64 uur later in winterslaap – toch net voldoende tijd om organische moleculen op te snuiven die koolstof bevatten, een basis voor leven op aarde.

Dino’s hadden al veren
Een vondst die de Belgische paleontoloog Pascal Godefroit samen met internationale collega’s deed, suggereert dat primitieve veren algemeen verspreid voorkwamen bij dinosauriërs, en niet alleen voorkwamen bij soorten die tot de vogels leidden.

Jong bloed
Experimenten waarbij de bloedsomloop van een oude en jonge muis aan elkaar gekoppeld worden, tonen aan dat jong bloed het brein en de spieren van een oude muis kan verjongen. Momenteel loopt een onderzoek waarbij bloedplasma van jonge donoren wordt toegediend bij mensen met de ziekte van Alzheimer.

DNA-alfabet breidt uit
Miljarden jaren lang al wordt de geschiedenis van alle leven geschreven in precies dezelfde taal van slechts vier letters: A, T, C en G – de bouwblokken waaruit DNA is opgebouwd. In mei melden Amerikaanse wetenschappers in Nature dat zij dat alfabet hebben uitgebreid met twee zelfgemaakte DNA-bouwblokken: X en Y. De extra bouwblokken kunnen leiden naar nieuwe eiwitten die mogelijk nuttige eigenschappen bezitten voor bijvoorbeeld medicijnen of nanomaterialen.

De genen in ons dagelijks brood
In 2014 voegen genetici het genoom van de ui, de komkommer, het tamme konijn en de honingbij toe aan de steeds langer wordende lijst van landbouwgenomen. De belangrijkste realisatie is de ei zo na complete kaart van het uiterst complexe tarwegenoom. De gegevens helpen de ontwikkeling van betere tarwevariëteiten.

Zelfstandige zwermrobots
Computerwetenschappers van onder meer Harvard School of Engineering demonstreren de werking van een ploegje autonome bouwrobots. De kleine wagentjes kunnen zonder ‘werfleider’ of gedetailleerde communicatie blokken oppikken en toevoegen aan een constructie. Dezelfde onderzoekers presenteren ook een ‘leger’ van maar liefst 1.024 kleine robots die zich zonder menselijke tussenkomst organiseren als één collectief.

Prothesen met gevoel
Een nieuwe prothese die rechtstreeks op bot, spieren en zenuwen wordt aangesloten, geeft de drager ervan zijn tastzin en fijne motoriek terug, nodig om bijvoorbeeld veters te strikken.

Ebola-vaccin
Eind november melden Amerikaanse onderzoekers dat een ebolavaccin van GlaxoSmithKline bij twintig gezonde vrijwilligers de levensreddende reactie van het immuunsysteem uitlokt, zonder bijwerkingen. Eerder genas ZMapp alle 18 apen die bij een experiment met ebola werden besmet. Ook het Tropische instituut in Antwerpen onderzoekt een remedie op basis van antistoffen in het bloed van ebola-overlevenden.

Oudste menselijk DNA
Uit een dijbeen gevonden in Siberië reconstrueert de paleogeneticus Svante Pääbo het genoom van een Homo sapiens die 45.000 jaar geleden leefde. De twee procent neanderthaler-DNA in het oudste bekende genoom van de moderne mens laat toe de kruising tussen Homo sapiens en Homo neanderthalensis nauwkeuriger te dateren: tussen 60.000 en 50.000 jaar geleden.

Vrije wil gemanipuleerd
Neurofysiologen van de KU Leuven slagen erin de vrije keuze van makaken te veranderen door het ventrale tegmentale gebied (een deel van de middenhersenen) met lichte elektrische stroompjes te stimuleren. Het resultaat is van belang voor onderzoek naar aandoeningen die te maken hebben met dat beloningsnetwerk, zoals verslaving of leerstoornissen.

Zijn wij ons microbioom?
Het menselijke microbioom, de micro-organismen in en op ons lichaam, blijft aan interesse winnen. Wetenschappers leveren (bij muizen) het eerste harde bewijs dat autisme en depressie gelinkt zijn aan de micro-organismen in de darmen. De link met ontstekingen, allergieën en overgewicht is al langer bekend. Amerikaanse onderzoekers gebruiken dan weer een bodembacterie om uitgezaaide tumoren te vernietigen. Ook de farmawereld springt mee op de razende microbioomtrein. ActoGeniX uit Gent maakt een bacterie die ingezet kan worden bij de behandeling van colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn.

Bodys bacteria may keep our brains healthy

    Viruses help keep the gut healthy

 

 

Niet alleen bijen lijden door neonicotinoïden

Biologen van de Radboud Universiteit leggen voor het eerst een verband bloot tussen de lokale achteruitgang van spreeuwen en zwaluwen en de aanwezigheid van de veelgebruikte pesticide imidacloprid, een soort neonicotinoïde. In gebieden waar de waarde hoger is dan 20 nanogram per liter oppervlaktewater verdwijnt elke drie jaar tien procent van de vogels.

Aidsepidemie begon in Kinshasa
De verspreiding van hiv wereldwijd heeft vrijwel zeker haar oorsprong in de Congolese hoofdstad Kinshasa. Het virus dook rond 1920 op en verspreidde zich vervolgens onder andere via prostituees, spoorlijnen en besmette naalden die door het Belgische Rode Kruis werden gebruikt in grootschalige vaccinatiecampagnes tegen syfilis.

DNA-geknutsel
Chinese wetenschappers passen met succes de genoombewerkingstechniek CRISPR/Cas9 toe bij apenembryo’s. Met de techniek kunnen de wetenschappers stukjes ‘slecht’ DNAuit het genoom van een levende cel wegknippen en vervangen door ‘goed’ DNA. In de toekomst zou het mogelijk zijn om met dezelfde procedure mensen resistent te maken tegen infecties.

Nog in 2014
Uiteraard zijn er nog een pak realisaties die evengoed in dit overzichtslijstje passen.

 

°

  • Science magazine

 

°

Rosetta

De landing van Rosetta

Het was een spektakelstuk, voor de ruimtevaart stond 2014 vooral in het teken van Rosetta. De Europese ruimtesonde kwam in augustus aan bij komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko, na een ruimtereis van ruim 10 jaar. Terwijl de sonde begon met metingen, volgde in november een zenuwslopende landing van de Philae-lander, die gedeeltelijk lukte. Ook werden de eerste verrassend resultaten van de ruimtemissie dit jaar gepubliceerd: het water van de komeet verschilt fundamenteel van dat van de aarde.

 

°

 

Rosetta’s short-lived lander, Philae, grabbed national headlines but the ongoing orbital mission of her mother ship is the real news for science. Its continuous orbit around comet 67P is helping scientists to garner information on the primordial ingredients that helped to jump-start life on Earth. Rosetta’s life at comet 67P has just begun and heralds a new age of comet science.

http://www.sciencemag.org/content/346/6216/1442.full

°

Astronomie en ruimtevaart   

De tien allermooiste ruimtefoto’s van 2014

Komeet 67P/C-G
Dit jaar landde de Philae-lander op het oppervlak van komeet 67P/C-G. Een historische gebeurtenis. De Rosetta-ruimtesonde bekeek de landing van dichtbij en legde de komeet regelmatig op de gevoelige plaat vast. In 2015 zal komeet 67P/C-G zijn kleinste afstand tot de zon bereiken. Dit betekent dat het hemellichaam de komende maanden transformeert en er dus steeds meer jets zichtbaar zijn. Op onderstaand mozaïek is dit al goed te zien. Klik hier voor een hoge resolutie van deze foto.

 

jaaroverzicht  2014  foto

jaaroverzicht 2014 foto

 

In het overzicht van de tien beste ruimtefoto’s van dit jaar mag het eerste kiekje vanaf het oppervlak van komeet 67P/C-G niet ontbreken. Na drie keer stuiteren landde Philae op de komeet om deze foto te maken. Hopelijk wordt de lander in 2015 wakker om meer fascinerende beelden terug te sturen naar de aarde. P.s.: dit is dezelfde foto in hoge resolutie.

komeet1

 

Gigantische zonnevlek
Zie je die grote zwarte ‘puist’ op de zon? Dit is de grootste zonnevlek van de huidige zonnecyclus (die in 2008 startte). De zonnevlek was in oktober dit jaar te zien en had een diameter van 128.747 kilometer. De aarde paste er – met gemak – tien keer in. AR 12192 mag dan de boeken ingaan als de grootste zonnevlek uit deze zonnecyclus, het is zeker niet de grootste zonnevlek die ooit op de zon is gespot. Die zagen astronomen in 1947. En die zonnevlek was bijna drie keer zo groot als AR 12192. Onderstaande foto is gemaakt door het Solar Dynamics observatorium.

 

zonnevlek 2014

zonnevlek 2014

 

Onze aarde
Astronaut Reid Wiseman twitterde dit jaar veel vanuit het internationale ruimtestation. Aan zijn tweets voegde hij altijd een foto toe, bijvoorbeeld onderstaande foto van de aarde. Wat een uitzicht! Meer mooie foto’s van Reids hand zien?Ga naar zijn Twitter-kanaal.

reid-wiseman

M83
Het spiraalstelsel M83 is een geliefd doel onder amateur-astronomen. Dit jaar fotografeerde de Hubble-telescoop deze flinke groep sterren, nevels, zwarte gaten en andere exotische objecten. Het sterrenstelsel is 15 miljoen lichtjaar van ons verwijderd en is ongeveer 50.000 lichtjaar breed. Bekijk de hoge resolutie versie.

 

M83  nevel  2014 Hubble

M83 nevel 2014 Hubble

 

Protoplanetaire schijf
Dit is geen artistieke impressie van een protoplanetaire schijf. Nee, het is een echte foto. De stofschijf rondom de jonge ster HL Tauri is gefotografeerd door ALMA, een astronomische interferometer van 66 radioschotels. Sinds dit jaar wordt de ALMA-telescoop op volle sterkte gebruikt, waardoor er veel details zichtbaar zijn op deze foto. Op de foto is de stofschijf rondom de één miljoen jaar oude ster duidelijk zichtbaar. Zie je de donkere ringen? Dit zijn banen die door jonge protoplaneten zijn schoongeveegd. Hier draaien dus planeten om de jonge ster. Bekijk de grote versie van deze foto.

 

image of the protoplanetary disc around HL Tauri

image of the protoplanetary disc around HL Tauri

 

Tarantulanevel
Hubble fotografeerde de Tarantulanevel in infrarood licht, waardoor deze kosmische kraamkamer nog dramatischer oogt dan normaal. Ook wel logisch, want een stervormingsgebied is een turbulente omgeving met veel straling. Veel van deze straling is met onze ogen niet waarneembaar, maar gelukkig wel door de ogen van de Hubble-telescoop. Links van het centrum is R136 zichtbaar, een zogenoemd supersterrencluster. Dit is de voorloper van een bolvormige sterrenhoop. De hoge resolutie foto is absoluut de moeite waard.

Tarantulanevel

Tarantulanevel

 

Stralende zon
Schitterend. Er is geen ander woord voor een reeks foto’s van de Amerikaanse fotograaf Alan Friedman. Hij legde de zon vanuit zijn achtertuin in Buffalo vast. De kleuren op de foto zijn omgedraaid, dus de heldere vlekken zijn eigenlijk donkere zonnevlekken. Bekijk de volledige reeks foto’s.

 

zon

 

NASA brengt zonnegloed prachtig in beeld

NASA’s zonneobservatiecentrum heeft een mooi filmpje uitgebracht. De zon zendt verschillende stralen uit, waaronder schadelijke. Maar die kunnen niet door de atmosfeer en dus niet bij de aarde komen. Ze geraken wel in de sfeer waar de gps- en communicatiesignalen zich bevinden. Hierdoor zouden die verstoord kunnen raken. (beelden: NASA – Goddard Space Flight Center)

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/nieuws/buitenland/1.2191100

 

 

 

Selfie op Mars
Dit jaar vierde Marsrover Curiosity zijn eerste Martiaanse jaar op de rode planeet. Eén Martiaans jaar is precies 687 aardse dagen. Om dit te vieren stuurde de rover een selfie naar Mission Control. Het feest was extra groot, omdat Curiosity zijn belangrijkste doel in dat eerste Marsjaar al had behaald. De rover kon in het eerste jaar vaststellen dat de omstandigheden op Mars ooit gunstig waren voor microbieel leven. Bekijk de grotere foto.

 

http://www.scientias.nl/stokoude-opportunity-aan-het-dementeren/

 

curiosity

curiosity

 

Mysterieuze lichtjes
Wat zijn die mysterieuze lichtjes voor de kust van Bangkok ? Dit vroeg astronaut Reid Wiseman zich af, na het schieten van deze foto. Het groene licht wordt niet veroorzaakt door nucleair materiaal. En nee, het zijn ook geen gloeiende algen. Volgens de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie gaat het hier om vissersboten.

De vissers verlichten het water, in de hoop plankton aan te trekken. Aangezien vissen en inktvissen plankton eten, worden deze dieren naar de vissersboten gelokt.

 

 

mysterieuze lichtjes voor de kust van Bangkok

mysterieuze lichtjes voor de kust van Bangkok

 

°

 

In 2014 piekte een ‘goudlokjeplaneet’. Dat is een planeet die zich in een bewoonbare zone om een ster heen bevindt, in een gebied dat zo dicht bij of ver weg van de ster ligt dat er niet met zekerheid kan worden gezegd of er water op de oppervlakte aanwezig is. Water is een vereiste voor leven zoals wij dat kennen.ster heen bevindt, in een gebied dat zo dicht bij of ver weg van de ster ligt dat er niet met zekerheid kan worden gezegd of er water op de oppervlakte aanwezig is. Water is een vereiste voor leven zoals wij dat kennen.

‘Goudlokje- gebied exoplaneet’ (goldilocks zone exoplanet) . De planeet ligt op 490 lichtjaar afstand van de Aarde en we weten niet of die bewoonbaar is of niet.

goudlokje

 

 

 

 

  • Below are some more popular  highlights from 2014,

2014 si-tribesR_0

Isolated tribe makes contact for the first time

© FUNAI

Beginning in early July, a few members of an isolated Amazonian tribe emerged from a dense rainforest in Brazil and approached a team of scientists—the first time the villagers had willingly made contact with the outside world. Officials suspect that the tribe fled illegal logging and drug trafficking in their traditional homelands in Peru. Anthropologists remain deeply concerned about the tribe’s future as it encounters novel diseases and resource-hungry outsiders.

http://www.survivalinternational.org/stammen/geisoleerdperu

http://www.joop.nl/wereld/detail/artikel/27860_unieke_indianenstammen_bedreigd_met_uitsterven/

 

 

Ancient magma plumbing found buried below moon’s largest dark spot

 

ancient magma

ancient magma

KOPERNIK OBSERVATORY/NASA/COLORADO SCHOOL OF MINES/MIT/JPL/GODDARD SPACE FLIGHT CENTER

There may be nothing new under the sun, but scientists have found something new under the moon. Several kilometers below the largest dark spot on our satellite’s near side, researchers have discovered a giant rectangle thought to be the remnants of a geological plumbing system that spilled lava across the moon about 3.5 billion years ago. The finding shows that the moon, early in its history, experienced tectonic and volcanic activity normally associated with large planets.

https://www.astroblogs.nl/2013/03/12/maan-oppervlak-is-meer-dan-een-keer-gesmolten/

How to survive a nuclear explosion

‘Vampire’ squirrel has world’s fluffiest tail

 

2014 sn-vampire squirrel_0

Rona Dennis

Any time you can get both “vampire” and “fluffiest” into a headline, you know you’ve got a good story. This one is about the rare tufted ground squirrel, which is twice the size of most tree squirrels and reputedly has a taste for blood. Oh, yeah: It also has the bushiest tail of any mammal compared with its body size.

http://en.wikipedia.org/wiki/Tufted_ground_squirrel

http://nl.wikipedia.org/wiki/Borneo-eekhoorn

 

 

Rocks made of plastic found on Hawaiian beach

Plasticglomeraat hawaai

Plasticglomeraat hawaai

PATRICIA CORCORAN

It’s been a big year for plastic, from researchers developing self-recycling plastic to discovering trillions of pieces of plastic trapped in Arctic ice. But our favorite plastic story is this one: scientists finding a new type of rock on Hawaiian shores, one cobbled together from beach sand, seashells, corals, and, yes, plastic.

 

Onze Aarde is een nieuw gesteente rijker. Volgens geologen is plastiglomeraat een blijver en een onmiskenbare getuige van onze vervuilende gewoonten.

Dat schrijft de nieuwssite Liberty Voice.

Plastiglomeraat vormt zich wanneer plastic smelt en zich vermengt met lavasteen, koraal en zand. Geoloog Patricia Corcoran van de universiteit van Ontario en Charles Moore, kapitein van een oceanisch onderzoekschip, ontdekten de steen op een Hawaïaans strand. Ze publiceerden hun onderzoek in het vakblad Geological Society of America Today.De wetenschappers vermoeden dat de stenen ontstonden toen kampeerders plastic voorwerpen als vorkjes, tandenborstels en touw verbrandden. Veel van die voorwerpen waren nog herkenbaar.Overal ter wereld
Omdat plastic zo alomtegenwoordig is en niet natuurlijk afbreekt, denken de geologen dat plastiglomeraat een permanente nieuwe aanwinst is op de lijst van gesteenten op Aarde. Corcoran is ervan overtuigd dat het nieuwe gesteente, nu het geïdentificeerd is, aan talloze kusten in de hele wereld ontdekt zal worden.Volgens paleontoloog Jan Zalasiewicz van de universiteit van Leicester is de ontdekking de officiële inluiding van een nieuw tijdperk: het Antropoceen. Voor toekomstige generaties vormt het nieuwe gesteente een blijvend bewijs van onze vervuilende gewoonten. Sinds 1950 produceerden we bijna 6 miljard ton plastic, genoeg om de planeet mee te verpakken.http://www.demorgen.be/wetenschap/plastic-rots-in-hawai-bewijst-het-de-mens-vervuilt-meer-dan-ooit-a1916688/

  • Het mens  zit vastgeroest  in al zijn systemen  en komt er waarschijnlijk niet alleen  uit tot moeder natuur (o.a.) de politiek en de verspilzieke en vervuilende   mens   laat zien wie er werkelijk de baas is.

Black Death left a mark on human genome

Romani woman

Romani woman

 

CORBIS

The Black Death may have decimated Europe nearly 700 years ago, but it’s still leaving an impact on people today. A new genetic analysis helps explain why Europeans respond differently from other people to some diseases and have different susceptibilities to autoimmune disorders.

 

http://www.scientias.nl/kan-de-zwarte-dood-opnieuw-toeslaan-ja/

http://www.ru.nl/nieuws-agenda/nieuws/vm/radboudumc-onderzoek/zwarte-dood/

https://www.radboudumc.nl/OverhetRadboudumc/NieuwsEnMedia/archief/Nieuwsarchief2014/Februari2014/Pages/Pestversterktezigeunergenoom.aspx

 

04-02-2014

Dodelijke epidemieën beïnvloeden het menselijk immuunsysteem. Onderzoeker Mihai Netea van het Radboudumc en collega’s ontdekten dat enkele afweergenen bij zigeuners en Europeanen onder invloed van de pest veranderden. Dezelfde genengroep veranderde niet bij mensen uit Noordwest-India, waar zigeuners oorspronkelijk vandaan komen. Hun resultaten verschenen 3 februari online in PNAS.

Het afgelopen millennium teisterden verschillende epidemieën Europa, waarvan de uitbraak van de builenpest in de 14e eeuw waarschijnlijk de bekendste is. Onder invloed van dit soort infectieziekten evolueren de genen van het immuunsysteem. Mensen met genen die beter bestand zijn tegen de ziekte blijven leven en planten zich voort. Dragers van genen die niet opgewassen zijn tegen de ziekte, overlijden. Mihai Netea en collega wetenschappers bekeken het effect van onder andere de pestuitbraak op het genoom van zigeuners (Rroma) en Roemenen. Roemenen zijn van oudsher Europeanen, maar de uit Noordwest-India afkomstige zigeuners vestigden zich pas 1000 jaar geleden in Europa.

verspreiding  zigeuners
Europeanen/Roemenen en Roma/zigeuners wonen in hetzelfde gebied, maar de laatste groep is afkomstig uit Noordwest-India. Bron: PNAS

Vergelijkbare evolutie
Het onderzoeksteam nam het DNA van drie groepen onder de loep: 100 mensen van Roemeense afkomst, 100 zigeuners en ter vergelijking 500 huidige inwoners van Noordwest-India. Uit de resultaten blijkt dat drie genen die voor de Toll-like receptoren (TLR’s) van het immuunsysteem coderen, vergelijkbaar evolueerde bij zigeuners en Roemenen. Bij mensen uit India bleef die aanpassing uit. Een mooi voorbeeld van convergente evolutie waarbij soorten die geen familie van elkaar zijn op elkaar gaan lijken omdat ze onder dezelfde omstandigheden leven. De onderzoekers denken daarom dat de pest een belangrijke rol speelde in die genetische verandering. Daarnaast kunnen andere infecties waarin de TLR’s een rol spelen, zoals tuberculose en lepra, voor evolutionaire druk op de genen hebben gezorgd.

Om hun vermoeden te bevestigen, brachten de wetenschappers bloedcellen van 101 mensen van Europese afkomst in aanraking met de bacterie die de pest veroorzaakt: Yersinia pestis. Als reactie zorgde de TLR genengroep voor een verhoogde productie van cytokines, moleculen die een belangrijke rol bij de afweer spelen.

Netea en zijn collega’s hopen met hun resultaten verschillen in gevoeligheid tussen Europeanen en andere bevolkingsgroepen voor moderne infectieziektes of auto-immuun ziektes te verklaren.

 

°

°

De meest bijzondere nieuwe diersoorten van 2014

23/12/14   Bron: Science Daily, Mongabay, Volkskrant.nl© rv.

 Elk jaar worden gemiddeld 15.000 nieuwe planten- en diersoorten ontdekt. Ondanks al die nieuwe vondsten schatten wetenschappers dat we nog geen tien procent van alle soorten op aarde kennen. Hieronder vindt u enkele van de interessantste ontdekkingen van dit jaar.

© reuters.

Sengi springspitsmuis

Macroscelides micus

De Macroscelides micus is zonder twijfel een van de schattigste ontdekkingen van het jaar. De kleine olifantspitsmuis is ondanks zijn 19 centimeter en 28 gram meer verwant aan olifanten dan aan muizen.

De Macroscelides micus woont in een klein gebied in Namibië dat bestaat uit vulkanische rotsen en heeft een rode vacht die hem moet helpen camoufleren. Met zijn lange en spichtige poten lijkt het diertje ook wat op een antilope. Met zijn neus zoekt het naar insecten om te eten.

© Wikimedia Commons/Erin Prado .

Malagidris sofina

Het Afrikaanse eiland Madagascar is een hotspot als het om biodiversiteit gaat. Nergens anders op aarde worden zo veel soorten gevonden als hier. Een soort die er in 2014 uitsprong, was de Malagidris sofina, of de ‘heldhaftige mier’. Gewapend met een reeks bouw- en verdedigingstechnieken heeft deze mier zich op een fascinerende manier aangepast aan zijn omgeving.

Om zijn kolonie in de harde kleigrond te beschermen tegen verstikking, bouwt deze mier een opvallend, trechtervormig nest. Zo wordt de luchttoevoer geoptimaliseerd. Even indrukwekkend is de verdedigingstechniek van deze insecten, zo stelden wetenschappers van de California Academy of Sciences na observaties. Wanneer een vreemde mier het nest nadert, verlaat één mier de kolonie om de indringer te bespringen.

© California Academy of Sciences.

Pylorobranchus hearstorum

Ook de zeeën worden door wetenschappers grondig uitgekamd, en dat leidde dit jaar onder andere tot de ontdekking van deze Pylorobranchus hearstorum in Nieuw-Zeeland. Deze wormpaling, de grootste in zijn soort, is genoemd naar William en Margaret Hearst, die de onderzoeksexpeditie sponsorden.

Van hoofd tot staart is deze paling 127 centimeter lang, twee keer zo lang en drie keer zo zwaar als andere wormpalingen. Hij is verwant aan slangpalingen, zo genoemd omwille van hun slangachtige verschijning. Hij vertoeft 300 meter onder het wateroppervlak. Tot nu toe werd slechts één Pylorobranchus hearstorum gevonden.

© ap.

Olinguito

De olinguito, een vleeseter, werd ontdekt in Equador. Hij lijkt op een kruising tussen een kat en een teddybeer, en behoort tot de familie van de wasbeerachtigen. Het diertje weegt slechts 2 kilo. Een internationaal comité van taxonomen verkoos het tot een van de meest bijzondere soorten van 2014.

Opmerkelijk is dat het dier al jaren in een Amerikaanse zoo zat. Het bordje aan zijn kooi zei dat het een olingo-wasbeer was, maar volgens wetenschappers van het Smithsonian Institute gaat het om een nieuwe diersoort: de olinguito.

© rv.

Zospeum tholossum

De Zospeum tholossum is een slak van 2 millimeter lang, die geen ogen heeft. Zijn slakkenhuis heeft geen pigment, waardoor hij eruit ziet als een spook. Hij werd gevonden in een grot, op 900 meter diepte in Kroatië.

© Wikimedia Commons/Michael Stabb.

Deuteragenia ossarium

Als mieren een horrorfilm zouden maken, zou deze wesp er wellicht een hoofdrol in spelen. Ze bouwt haar nest namelijk van dode mieren. “Onze ontdekking toont op een indrukwekkende manier aan welke fascinerende strategieën in het dierenrijk ontwikkeld zijn om het nageslacht te beschermen”, zegt onderzoeker Michael Stabb van de universiteit van Freiburg.

© Wikimedia Commons/Animalparty.

Ampulex dementor

Een andere interessante wespensoort is de Ampulex dementor, of de ‘Harry Potterwesp’. Wat dit insect zo boeiend maakt, is zijn eerder onorthodoxe reproductiewijze. De wesp steekt een kakkerlak in het hoofd. Wanneer het gif inwerkt op het zenuwstelsel van de kakkerlak, wordt die onderdanig en volgt hij de wesp naar zijn nest. In het nest legt de wesp een ei op de kakkerlak. Na enkele dagen komt de larve uit, en kan die zich voeden met de kakkerlak.

© Natural History Museum, London.

Ichthyophis multicolor

Waarom de Ichthyophis multicolor al schertsend ‘penisslang’ genoemd wordt, zal u niet verbazen. Bovenstaande foto is het hoofd van de nieuw ontdekte soort, die deel uitmaakt van de wormsalamanders. Dat is een bizarre klasse amfibieën, die met de ringen op hun lijf lijken op slangen of wormen. Veel wormsalamanders brengen heel hun leven onder de grond door, waardoor ze nog maar weinig bestudeerd zijn.

 BIZAR 

een wel heel bijzondere soort insect waarbij het vrouwtje een penis heeft en het mannetje het met een vagina moet doen.

In sex-reversed cave insects, females have the penises” – Cell Press (via Sciencedaily.com)

This shows the female penis of N. aurora.
Credit: Current Biology, Yoshizawa et al.

In sex-reversed cave insects, females have the penises

April 17, 2014  //Cell Press
Summary:
Little-known cave insects with rather novel sex lives have been discovered by researchers. The Brazilian insects, which represent four distinct but related species in the genus Neotrogla, are the first example of an animal with sex-reversed genitalia.

 

De theorie van alles

De ontdekking van de ‘oergravitatiegolven’, zou de algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica kunnen samenbrengen en zo een compleet nieuwe superwetenschap inluiden.

 

°

 

Welke vragen beantwoordt de wetenschap in 2015?

De grootste deeltjesversneller ter wereld wordt in maart na een lange periode van onderhoud opnieuw aangezet. (Foto: Belga Image)

 Natuurkundigen kijken uiteraard uit naar de heropstart van de Large Hadron Collider, die hen – nog meer – nieuwe inzichten kan brengen in de opbouw van het universum.

Europa buigt zich over de kwestie of het verantwoord is om een nieuwe ivf-techniek toe te laten waarbij kinderen geboren worden met niet twee, maar drie genetische ouders.

En mogen we ook hopen dat West-Afrika van ebola wordt verlost,

en dat de wereldleiders in december een geslaagd klimaatakkoord bereiken?

Welke exotische fysica komt uit de opgedreven deeltjesversneller?
De grootste deeltjesversneller ter wereld, de Large Hadron Collider (LHC) onder de grond bij de Zwitserse stad Genève, wordt in maart opnieuw aangezet. Het is de bedoeling dat vanaf dan deeltjes worden versneld en tegen elkaar gebotst worden met een energie van 13 biljoen elektronvolt (13 TeV) – bijna het dubbele van wat de versneller totnogtoe presteerde. De fysici van het CERN willen eerst zien of alle bekende processen, inclusief het Higgs-boson, zich nog steeds gedragen als voordien. Daarna zijn alle ogen gericht op eventuele signalen van nieuwe deeltjes die niet meer bij het standaardmodel horen of essentieel zijn in meer omvattende theorieën – zoals bijvoorbeeld die van supersymmetrie. De LHC is sinds 2013, kort na de “Higgs-hysterie”, in onderhoud geweest.

Is het einde van de ebola-epidemie in zicht?
De ebolacrisis in West-Afrika zal waarschijnlijk tot het einde van komend jaar duren. Dat verwacht Peter Piot, mede-ontdekker van het ebolavirus en het hoofd van de afdeling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die zich bezig houdt met de uitbraak van het virus. Hoewel hij optimistisch is voor de mogelijkheden die nieuwe therapiën kunnen bieden, duurt het nog een tijd voor vaccins echt ontwikkeld zijn. Daarom is het goed mogelijk dat de huidige uitbraak een ‘erg lang en nogal hobbelig staartje kan hebben. We moeten ons voorbereiden op een lange inspanning, die we vol moeten houden tot waarschijnlijk de rest van 2015’, aldus Piot in een interview met deBBC.

Meer dan 7500 mensen zijn omgekomen sinds het virus eind vorig jaar de kop opstak in Guinee. Het virus verspreidde zich met name in dat land en in Liberia en Sierra Leone. Peter Piot was in december in Sierra Leone. Daar liep de afgelopen tijd het aantal besmettingen nog flink op. Maar desondanks is hij positief. ‘Er zijn nu door het hele land behandelcentra. Je ziet geen mensen meer sterven op straat. Ook overleven meer mensen de ziekte door simpele behandelingen met infuzen en antibiotica. Inmiddels gaat nog maar één op de drie besmette mensen dood. Om het sterftecijfer nog lager te krijgen, is een specifieker medicijn nodig.’

Ontdekken we buitenaards leven?
De Amerikaanse Marswagen Curiosity registreerde begin december kortdurendemethaanpieken in de Marsatmosfeer. Dat zou in principe een biologische oorsprong kunnen hebben. De vondst deed de harten van E.T.-fans daarom sneller slaan, maar niet-biologische verklaringen zijn ook mogelijk, en wellicht waarschijnlijker. Maar toch durven we ook nu weer de vraag stellen: ontdekken we in 2015 eindelijk buitenaards leven?

Mars wordt daarvoor zeker strak in de gaten gehouden, maar ruimtevaartorganisatiesNASA en ESA richten hun blik ook op andere opties. Net zoals elk jaar mogen we ook voor 2015 verwachten dat de Kepler-satelliet van NASA weer enkele mogelijke leefbare planeten zal ontdekken. En op 6 maart komt komt de Amerikaanse ruimtesonde Dawn aan bij de dwergplaneet Ceres. Ceres heeft een dikke mantel van ijs en mogelijk een ondergrondse oceaan.

In 2015 zullen NASA en ESA ook hun plannen concreter voor missies die meer inzicht moeten geven in de ‘leefbaarheid’ van de drie Jupitermanen Ganymedes, Europa en Callisto – de Europese JUICE-missie en de Europa Clipper van NASA. Het effectieve vertrek is pas voor over een jaar of tien. Dat betekent dat we pas rond 2030 meer te weten zullen komen over het inwendige van deze intrigerende Jupitermaan.

Ook Nederland speurt sinds 2014 naar radioboodschappen van aliens. Met de nieuweLOFAR-telescoop in Drenthe is eind september voor het eerst een “Search for Extra-Terrestrial Intelligence” (SETI) ondernomen. (bron: http://allesoversterrenkunde.nl)

Bereiken de wereldleiders een klimaatakkoord?
In december 2015 gaan wereldleiders in Parijs om tafel om een opvolger te zoeken voor het Kyoto-klimaatakkoord uit 1997. De Amerikanen hebben dat akkoord nooit bekrachtigd, maar beloofden begin 2014 – samen met China, die andere grote uitstoter – wel dat ze zich in Parijs willen engageren om een beleid uit te werken dat de uitstoot van broeikasgassen moet beperken.

Is het aanvaardbaar om een kind met drie ouders te verwekken?
In het Verenigd Koninkrijk kunnen vanaf 2015 kinderen geboren worden met niet twee, maar drie genetische ouders. Hoewel de Britten de nieuwe ivf-techniek alleen willen toepassen bij vrouwen met een zeldzame genetische aandoening, is de publieke discussie inmiddels ontaard in een ethisch steekspel. Ook Europa mengt zich in 2015 in het debat, en wil dan beslissen of de techniek al dan niet wordt toegelaten in de ganse Europese Unie.

Winnen we de oorlog tegen resistente bacteriën?
Op dit moment loopt in België – en in 40 andere landen – een campagne om mensen aan te zetten tot verantwoord gebruik van antibiotica (u hoorde of zag de beestjes met hun hoge stemmetjes vermoedelijk wel al op de radio of televisie?) De kans is groot dat u in 2015 nog veel meer van de strijd tegen antibioticaresistentie zult horen. We dreigen letterlijk zonder antibiotica te vallen. Een Britse studie die in 2014 werd gepubliceerd voorspelt dat er vanaf het jaar 2050 wereldwijd jaarlijks tien miljoen mensen zullen overlijden aan de gevolgen van infecties die worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen medicijnen. Malaria, tuberculose en de E. Coli-bacterie vormen de grootste bedreiging.

De Wereldgezondheidsorganisatie publiceert in mei 2015 een wereldwijd actieplan om antibioticaresistentie aan te pakken.

 

CHIRALITEIT

°

Abiogenesis

Chemie

°

chiraliteit.docx (609.8 KB)

Hoe het leven richting koos

Voorkeur van de natuur nu nagebootst

Vanaf het eerste begin had het leven op aarde een voorkeur voor rechtsdraaiende suikers en linksdraaiende aminozuren. Hoe is dat zo gekomen? Nijmeegse onderzoekers vonden een methode die misschien wel lijkt op wat er ooit in de oersoep is gebeurd.

door

24 november 2014

Kernwoorden

, , , , , ,

Dnadna2

Een fascinerende vraag: hoe is de voorkeur voor moleculen voor rechts- of linksdraaiend ontstaan op de jonge aarde?

Van alle spiegelbeeldmoleculen maakt het leven steeds gebruik van maar één variant. Het DNA van alle levende wezen op aarde bestaat uit een rechtsdraaiende dubbele helix. Alle aminozuren, de bouwstenen van eiwitten, zijn weer linksdraaiend. Dat de natuur dat zo doet, en hoe dat ooit begonnen is, blijft een mysterie. Want chemici die zulke moleculen maken vanuit simpele bouwstenen zonder ‘handigheid’, krijgen altijd een mengsel met zowel rechts- als linksdraaiende varianten.

Een Nijmeegs onderzoeksteam, onder leiding van professoren Elias Vlieg en Floris Rutjes, is het nu voor het eerst gelukt om in één reageerbuis van simpele bouwstenen op aminozuur lijkende moleculen te maken, die allemaal linksdraaiend zijn. Deze week staat hun onderzoek in het vakblad Nature Communications.

185833_962_1201251417683-handenkleiner

novactabio.com

Spiegelbeelden

Sommige moleculen komen voor in twee spiegelbeeldvormen. Dat kenmerk heet chiraliteit, afgeleid van het Griekse woord cheir wat hand betekent. De linker- en rechterhand zijn namelijk ook spiegelbeelden van elkaar. Ze hebben hetzelfde aantal vingers en kunnen allebei dingen vastgrijpen. Ook spiegelbeeldmoleculen hebben dezelfde opbouw en dezelfde eigenschappen, maar de biologische werking kan verschillen. Dat verschil in werking is te vergelijken met een linkerhand die wel de linkerhandschoen past, maar de rechterhandschoen niet.

Theorie

Al in 1953 stelde de Britse fysicus Frederick Charles Frank een theorie op die kan verklaren hoe één spiegelbeeldvorm ontstaat uit een oplossing van bouwstenen die geen handigheid, ofwel draaiing hebben. Hij beredeneerde: als een chiraal molecuul zijn eigen vorming katalyseert, dan moet het mogelijk zijn om meer moleculen van de ene spiegelbeeldvorm te produceren dan van de andere.

Jaren later, in 1995, probeerden wetenschappers de theorie te bewijzen met een experiment. Maar dit werkte alleen door aan het begin van de reactie al een heel klein beetje van de links- of rechtshandige moleculen toe te voegen.

Chemische_evolutie

Nijmeegse onderzoekers vonden een methode die misschien wel lijkt op wat er ooit in de oersoep is gebeurd. RUG

100% linkshandig

De Nijmeegse chemici kregen het nu echt voor elkaar. Ze namen een oplossing van een keton en een amine, twee bouwstenen zonder draaiing, om een aan een aminozuur verwant molecuul te maken dat steeds één spiegelbeeldvorm heeft. Ze staken het concept van Frank in een nieuw jasje door kristallen van het product te gebruiken als katalysator. “Door de bouwstenen onder hele hoge concentraties te laten reageren nemen gaan de ontstane chirale moleculen vanzelf kristalliseren”, vertelt promovendus René Steendam die de experimenten uitvoerde.

In het buisje ontstaan in eerste instantie zowel rechts- als linksdraaiende kristallen. Maar door het mengsel lang genoeg te roeren, blijft er uiteindelijk één spiegelbeeldvorm over. “Tijdens dit proces lossen kleine kristallen gedeeltelijk op of hechten aan grotere kristallen van dezelfde soort, waardoor er uiteindelijk maar één soort overblijft. “Dat roeren is alleen maar nodig om het proces te versnellen, maar als je tijd genoeg hebt, zoals tijdens het ontstaan van de aarde, dan gebeurt het ook zonder deze truc”, zegt Vlieg.

Komeet

De onderzoekers hebben hiermee een methode gevonden die misschien wel lijkt op wat er ooit in de oersoep is gebeurd. Vlieg: “In één eenvoudige reactie, in één potje van geen chiraliteit tot een eindsituatie te komen die 100% linkshandig of 100% rechtshandig is, heeft nog nooit niemand eerder gedaan.”

Lander

Gaat Philae linksdraaiende aminozuren vinden? Europese ruimtevaart organisatie (ESA)

“De eerste linkshandige aminozuren op aarde kunnen zo ontstaan zijn” zegt Steendam. Maar het kan ook zo zijn dat aminozuren via meteorieten op aarde zijn beland. Op dit moment onderzoekt de onbemande verkenner Philea of er op de meteoriet 67P linkshandige aminozuren aanwezig zijn. Dat zou een aanwijzing zijn dat de oorsprong van het leven niet op aarde ligt en dat wij in feite allemaal aliens zijn.

“Beide theorieën worden door wetenschappers als reëel beschouwd”, zegt Steendam. “Uiteindelijk gaat het om het feit dat simpele moleculen ooit zijn gereageerd tot chirale moleculen. Waar dat is gebeurd, op aarde of daarbuiten, maakt voor ons onderzoek niet uit.”

Bron:

  • R. Steendam e.a., ‘Emergence of single molecular chirality from achiral reactants’,Nature Communications, online publicatie op 21 november 2014.

Notes C ; Causaal en correlatie

notes

 

 

°

Correlatie

Men spreekt van correlatie als er sprake is van een samenhang tussen variabelen in (reeksen van) metingen. Zo bestaat er bijvoorbeeld een logische correlatie tussen de temperatuur en het jaargetijde.
Gevonden op http://www.multiscope.nl/kennis/begrippen.html

 

CAUSAAL  EN CORRELATIE 

Correlation does not imply causation – Wikipedia, the free encyclopedia// // //

°
Het is aantoonbaar dat bepaalde oorzaken gevolgen hebben.

°
Het is aantoonbaar dat correlatie vaak een indicatie is van causatie.

°

MAAR DAT BETEKENT NIET DAT gefocuste  CORRELATIE uitspraken ALTIJD de CAUSATIE heeft gevonden  en dus ook  bij naam impliceert en aanduidt :…… of zelfs  DE ECHTE OORZAKEN  al heeft gevonden of   zelfs KAN VINDEN( bijvoorbeeld ) omdat de correlatie gegevens te beperkt of onvoldoende zijn )

*

en

*

dat geld in het bijzonder voor  statistische  gegevens waarbij men voorbarig  en (onnauwkeurige of regelrecht onzinnige of “uitgevonden ”   ) causale verbanden legt (bijvoorbeeld wanneer men oorzaken aanhaalt die  supernaturalistisch zijn —> Goddidit , de ( maar -dan- placebo) effekten van bijvoorbeeld “bidden ” )

of oorzaken vind door gewoon  massa’s nieuwe ( bijvoorbeeld  psychiatrische ) termen uit te vinden die men vervolgens  gebruikt als (mogelijk)stigma en/of gaat vervolgens die mensen (= kinderen ?) behandelen  met  “geneesmiddelen “(1)

°

Causaal verband

Dit is het verband tussen oorzaak en gevolg.
Hierbij dient rekening gehouden te worden met de toepasselijke causaliteitsleer.
Gevonden op http://www.encyclo.nl/lokaal/10251

Causaal verband is duidelijk empirisch aantoonbaar  dmv  (in)directe waarnemingen die gebeuren in een bepaalde opstelling waarvan de  parameters  gecontroleerd  kunnen worden gevarieerd  ….. Voorwaarde is  dat

  • oorzaak en  gevolgen onafhankelijk van elkaar  en buiten de opstelling  als werkeleijk bestaand  kunnen worden aangetoond  en/of gemeten
  • de   redenering  of het verband    Oorzaak —> gevolg ,  kan dus niet zomaar worden omgekeerd (logisch wél valabel  natuurlijk)  :  geconstateerde fenomenen  —> (bekende )oorzaak  …. omdat men onafhankelijke waarnemingen moet beritten die aantonen dat de ( veronderstelde ) oorzaak  werkelijke bestaat  ……

Filosofie   :

de drogreden : 

Cum hoc ergo propter hoc

Correlation does not imply causation is a phrase in science and statistics that emphasizes that a correlation between two variables does not necessarily imply that one causes the other.

Many statistical tests calculate correlation between variables. A few go further and calculate the likelihood of a true causal relationship; examples are the Granger causality test and convergent cross mapping.

The counter assumption, that correlation proves causation, is considered a questionable cause logical fallacy in that two events occurring together are taken to have a cause-and-effect relationship. This fallacy is also known as cum hoc ergo propter hoc, Latin for “with this, therefore because of this”, and “false cause”. A similar fallacy, that an event that follows another was necessarily a consequence of the first event, is sometimes described as post hoc ergo propter hoc (Latin for “after this, therefore because of this”).

 

(Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie)

Cum hoc ergo propter hoc(Latijn voor “met dit, dus vanwege dit”) is een drogreden waarbij twee gebeurtenissen die samen optreden verkeerdelijk voorgesteld worden als oorzaak en gevolg. Een verband wordt dus ten onrechte voorgesteld als een oorzakelijk verband.

Bijvoorbeeld:

Tieners gaan veel uit.                          (propositie ) p1
Tieners hebben puistjes.                     (propositie) p2
________________________
Dus: uitgaan veroorzaakt puistjes.  (afgeleide conclusie)  C1

Soms is het verband gewoon toeval, zoals hierboven, soms kan een derde gebeurtenis de oorzaak zijn van beide gebeurtenissen.

Bijvoorbeeld:

Er is een sterk verband tussen de verkoop van roomijs en de misdaadcijfers.
Dus: roomijs veroorzaakt misdaad.

Dit is een “cum hoc ergo propter hoc” drogreden, omdat in de werkelijkheid warmte zowel de verkoop van roomijs als de misdaad bevordert.

Soms worden oorzaak en gevolg gewoon verwisseld. Bijvoorbeeld:

Mensen die in een rolstoel zitten hebben meer ongevallen gehad dan gemiddeld.
Dus: mensen in een rolstoel lopen meer risico.

Natuurlijk is het omgekeerd: mensen die een ongeval hebben gehad zitten daarom vaker in een rolstoel. Zie ook: Omkering van oorzaak en gevolg

Cum hoc ergo propter hoc – Wikipedia// // //

°

 

(1) …..Net zoals men vroeger (het  tegenwoordig  als normaal en bepaald geen ongezond verschijnsel , = )”masturbatie ” beteugelde  omdat het een  “zondige “( of “schadelijke”=   je zou er bijvoorbeeld een zwakke rug van kunnen krijgen, beweerde men   🙂 ) handeling was die men ook medisch kon intomen (kalmeermiddelen , plantextracten (valeriaan ) valium  etc …)…..

Veel van die geneesmiddelen hebben echter  (zoals alle geneesmiddelen ) ongewenste bijwerkingen  …men kan zelfs in sommige gevallen spreken van chemische castratie …..

°

Zie ook(gerelateerd ) =

Teologie argument en causaal verband  <— archief doc 

 

 

°

 

HYENA

 

°

Trefwoord

Aardwolf

Meer afbeeldingen

  1. De aardwolf is een hyena uit zuidelijk en oostelijk Afrika. Het is de enige levende soort uit de onderfamilie aardwolven; de aardwolf verschilt sterk van andere hyena’s en kan worden beschouwd als het buitenbeentje van de familie. Wikipedia

Bruine hyena (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea Meer afbeeldingen

  1. De bruine hyena of strandwolf is een van de vier nog levende soorten hyena’s. Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend. Wikipedia

Civetkat

  1. Civetkatten zijn een geslacht van kleine, slank gebouwde roofdieren die voorkomen in Zuidoost-Azië. Wikipedia

Gevlekte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gevlekte hyena is de grootste, agressiefste en de luidruchtigste hyenasoort. In grote delen van Afrika is het het meest voorkomende grote roofdier. De gevlekte hyena is de enige nog levende soort uit het geslacht Crocuta. Wikipedia

Gestreepte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gestreepte hyena is één van de vier hyenasoorten. Ze danken hun naam aan de zwarte strepen over het hele lichaam. Wikipedia

HyaenadonMeer afbeeldingen

  1. Hyaenodon is een geslacht van uitgestorven Creodonta dat miljoenen jaren heeft geleefd en op bijna alle continenten voorkwam. Er zijn zo’n vijftien soorten in dit geslacht benoemd. Er zijn vele soorten gevonden, die sterk in grootte verschilden. Wikipedia

OxyaenaMeer afbeeldingen

  1. Oxyaena is een uitgestorven carnivoor zoogdier behorend tot de familie Oxyaenidae van de Creodonta. Oxyaena had een lichaamslengte van ongeveer een meter. Het was één van de algemeenste roofzoogdieren van de Noord-Amerika in het Wasatchian. Wikipedia

 

 

°

LINKS

http://www.pinterest.com/tsjok/hyenas/

 

Kruger park

http://www.bryerpatch.com/news/africa2000/animals.htm

 

Hyena

Hyena baby

pregnant hyena

Spotted hyena with pup in Kruger National Park, South Africa

Playing with mama

°

AFSTAMMING  & EVOLUTIE

De eerste  hyena achtigen

the early  cat line

 

 

 

 

Hyanodon.JPG

 

hyanodon

 

http://www.ansp.org/museum/leidy/paleo/hyaenodon.php

http://fingerlakesfossilfarm.org/mammal_fossils.htm

hyanodon skeleton

hyaenodon.skeleton jpg
Creodonts are an extinct group of carnivorous mammals that were long thought to be the ancestors of modern Carnivora. This is no longer thought to be the case. Creodonts were the dominant group of carnivorous mammals in the early Tertiary and were quite diverse. They ranged from very large, wolf-like animals as Hyaenodon to small mongoose-like forms such as Prototomus vulpeculus.

Creodonts lived in North America, Asia, Europe, and Africa.

.

civetkat

 

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Civetkatten

De vroegste hyena’s leken sterk op de hedendaagse Civetkatten, maar toen de bossen plaatsmaakten voor open vlaktes, werden de hyena’s snel rennende roofdieren in de Oude Wereld, vergelijkbaar met de honden in Noord-Amerika.

Zo’n 15 miljoen jaar geleden waren er ongeveer 30 hondachtige hyenasoorten, maar toen veranderde het klimaat. Naarmate de hyena’s in aantal terugliepen, trokken de honden (die ook leden onder de kou) vanuit Noord-Amerika naar het zuiden over de nieuwgevormde landbrug.

De hyena’s hebben zich weliswaar aangepast aan de nieuwe omstandigheden, maar omdat de honden reeds bezit hadden genomen van hun leefmilieu moesten ze zich ontwikkelen tot bottenkrakers (of termieteneters).

Phylogeny

nested hierarchy and phylogeny   of  cat  , bear and dog branch

 

Cat / bear /dog branches

 

phylogeny hyanidae

 

 

http://www.hyaenidae.org/uploads/images/kay%20phylogeny.jpg

http://www.hyaenidae.org/ancient-hyaenas.html

ICITHERIUM

ichterium

 

 

De eerste hyena’s verschenen 15 miljoen jaar geleden in het Midden-Mioceen en ontstonden vermoedelijk in Afrika, ze worden beschouwd als verwanten van de katten.

De hyena Chasmoporthetes was de enige van zijn familie die ook in Noord-Amerika voorkwam dit ten tijden van het Pleistoceen.

Dit genus had zich ook verspreidde ze zich over Azië, Europa en Afrika.

 

 

 

Chasmoporthetes

 

chasmaporthetes

 

 

Gemaakt 29-12-04

PACHYCROCUTA

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Pachycrocuta

 

PACHYCROCUTA

 

 

 

 

 

Pachycrocuta brevirostris/ Carnivore /

pachycrocuta  and homo erectus

 

Where: Eurasia and eastern Africa/   MiddlePliocene to Middle Pleistocene

The Pachycrocuta brevirostris was largest of the prehistoric hyenas, and is frequently called: the Giant Hyena. It was about 100 cm tall and weighed about 190 kg. this would make it the largest hyena to have ever lived. It was a small-pack hunter of large animals, but it probably preferred to scavenge, because it was a heavyset animal not built for chasing prey over long distances.

 

hyena's

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hyena’s

carnivoraforum

 

carn

 

carnovofo

 

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331029/1/

Spelonkhyena

Crocuta crocuta spelaea

Species: Crocuta crocuta Subspecies: Crocuta crocuta spelaea

spelonkhyena  schedel

 

 

The Cave Hyena (Crocuta crocuta spelaea)

is an extinct subspecies of spotted hyena (Crocuta crocuta) native to Eurasia, ranging from Northern China to Spain and into the British Isles. Though originally described as a separate species from the spotted hyena due to large differences in fore and hind extremities, genetic analysis indicates no sizeable differences in DNA between Pleistocene cave hyena and modern day spotted hyena populations. It is known from a range of fossils and prehistoric cave art. With the decline of grasslands 12,500 years ago, Europe experienced a massive loss of lowland habitats favoured by cave hyenas, and a corresponding increase in mixed woodlands. Cave hyenas, under these circumstances, would have been outcompeted by wolves and humans which were as much at home in forests as in open lands, and in highlands as in lowlands. Cave hyena populations began to shrink after roughly 20,000 years ago, completely disappearing from Western Europe between 14-11,000 years ago, and earlier in some areas.

 

 

 

 

 

skull spelonk hyenaA nearly complete skull of Crocuta spelaea from Europe. Photo from Diedrich & Zak (2006).

_

The main distinction between the spotted hyena and the cave hyena is grounded on different lengths of the hind and fore limb bones. The humerus and femur are longer in the cave hyena, indicating an adaptation to a different habitat to that of the spotted hyena. It is unknown if they showed the same sexual dimorphism of the spotted hyena. It has been estimated that they weighed 102 kg (225 lbs).

Little is known of their social habits. It is widely accepted that they used caves as dens, although sites in the open-air are also known. There is no indication of cave hyenas living in large clans or on a more solitary basis, though large clans are not considered likely in their Pleistocene habitat.

Crocuta_crocuta_spelaea_

 

 

 

 

 

 

grothyena schedel

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331026/1/

 

°

EXTANTE  HYAENA’S

 

extante soorten

 

 

°gevlekte hyena

 

gevlekte hyena

Mensen zijn altijd weer verrast als ze horen dat hyena’s deel uitmaken van de katachtigen en helemaal niet nauw verwant zijn met de honden.Dat komt omdat ze binnen de katachtigen  de tegenhangers van honden zijn en zich tot langeafstandslopers hebben ontpopt op de vlaktes. Vandaag de dag zijn er nog maar vier hyenasoorten over. Drie daarvan hebben de “klassieke” verbrijzelende kaken en zijn jagers/aaseters.De vierde is de aardwolf, die zich voedt met termieten.

gevlekte hyena's

 

Hyena welpen

welpen

lachende hyena

lachende volwassen hyena

Hyena’s communiceren met behulp van bacteriën

12 november 2013 Caroline Kraaijvanger5

's nachts

Masai Mara National Reserve

 

 

Masai Mara National Reserve in Kenya

Hyenas recognize each other’s smell — or perhaps the smell of each other’s microbiome.  // ANUP SHAH / NATUREPL.COM

°

Hyena’s laten boodschappen aan elkaar achter in de vorm van uitwerpselen. Wetenschappers hebben nu ontdekt dat die uitwerpselen veel meer bacteriën bevatten dan gedacht en dat die bacteriën de boodschap van de hyena overdragen.

Wanneer hyena’s uitwerpselen achterlaten in het gras dan bevatten die zuur ruikende signalen héél veel informatie die andere dieren kunnen ‘lezen’,” vertelt onderzoeker Kevin Theis. “Hyena’s kunnen zo snel een gedetailleerde boodschap achterlaten en weer gaan. Het is een soort prikbord waarop te zien is wie er in de buurt zijn en hoe het met die hyena’s gaat.”

Wetenschappers hebben die geurige boodschappen van de hyena’s nu grondig bestudeerd. Ze ontdekten zo onder meer dat deze veel meer bacteriën bevatten dan gedacht. En dat die bacteriën degenen zijn die de boodschap overbrengen. “De plekken waar de hyena’s hun uitwerpselen neerleggen zijn prikborden, de uitwerpselen zijn visitekaartjes en de bacteriën zijn de inkt die letters en woorden vormen en informatie aan de bezoekers van het prikbord informatie bieden over diegene die het prikbord bezocht heeft. Zonder de inkt is het gewoon een bord met lege, niet-informatieve kaartjes.”  (1)

De geuren van de uitwerpselen verschilden sterk. Die verschillen bleken nauw samen te hangen met de soort hyena, het geslacht en de mate van vruchtbaarheid.

Geuren vertellen hyena’s dus iets over andere hyena’s. En die geuren worden geproduceerd door de bacteriën, zo schrijven de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

 

Bronmateriaal:

“Bacteria may allow animals to send quick, voluminous messages”

 – MSU.edu                               

 

 http://msutoday.msu.edu/news/2013/bacteria-may-allow-animals-to-send-quick-voluminous-messages/

 

 Hyenas scent posts

Hyenas scent posts

may be short, relatively speaking, yet they convey an encyclopedia of information about the animals that left them. (Credit: Courtesy of MSU)

 

°

De bacteriën die in de geurklieren van hyena’s leven, zijn bepalend voor de geuren waarmee de dieren signalen afgeven aan elkaar.

De samenstelling van de micro-organismen bij gevlekte en gestreepte hyena’s is verschillend, zodat deze verschillende soorten hun soortgenoten aan hun geur kunnen herkennen.

 

Ook verandert de structuur van de bacteriën als vrouwtjes klaar zijn om te paren, zodat ze op dat moment een specifieke geur uitdragen.

 

Lichaamsvocht

De wetenschappers slaagden erin om met een speciale techniek een zeer groot aantal bacteriën in de geurklieren van hyena’s in kaart te brengen.

Met deze informatie kunnen ze verschillen meten in het lichaamsvocht dat hyena’s achterlaten op gras om geuren te communiceren.

 

http://www.sciencedaily.com/releases/2013/11/131111161510.htm

 

“De diversiteit van de bacteriën is genoeg om de origine van deze signalen te verklaren”, verklaart Theis op Nature News. http://www.nature.com/news/smelly-microbes-help-hyenas-to-communicate-1.14141

 

 

°

De wetenschappers vermoeden dat ook andere diersoorten gebruik maken van micro-organismen om verschillende geuren te communiceren. Meer onderzoek moet uitwijzen of dat ook echt zo is.

 

 

  • De term “visitekaartjes” is nogal vrij van interpretatie, haha. Maar goed, volgens mij kan deze studie naar behoorlijk wat diersoorten geëxtrapoleerd worden, omdat de ontlasting van iedereen uniek is en zeer veel over een individu kan zeggen. Het is namelijk een afbraakproduct van een systeem met ontelbaar veel processen.  Als je dat nauwkeurig gaan analyseren, krijg je een behoorlijke uitgebreide anamnese

Bruine hyena

 

 

Engels : Brown hyena
Duits : Schabrackenhyäne, Braune Hyäne, Strandwolf
Frans : La hyène brune

De bruine hyena of strandwolf (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea) is een van de vier nog levende soorten hyena’s.
Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend.

De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Thunberg (Carl Peter Thunberg was een Zweedse natuuronderzoeker. Hij was een student van Carolus Linnaeus.) in 1820.

De bruine hyena leeft in westelijk Zuid-Afrika, Zimbabwe, Namibië en Zuid-Angola.
Hij komt meer dan de andere hyena’s in woestijnen voor, voornamelijk in de Kalahari en de Namibwoestijn.
Ook komt hij voor in drogere, met struiken begroeide steppen en savannes.
Ook langs de woestijnkust van Namibië komen ze geregeld voor.

Bruine hyena

Bruine hyena
auteur : Southafrica.net op
www.dinosoria.com

De bruine hyena heeft een ruige, donkerbruine tot zwarte vacht, met een lichtgele kraag om de hals, die als maan dient bij volwassen dieren, en een grijzig gezicht.
Over de poten lopen witte horizontale strepen.
De staart is kort en donker van kleur.
De losse, ruige vacht kan bij conflicten worden opgezet, waardoor het dier groter en indrukwekkender lijkt.

Hij wordt ongeveer 110 tot 161 centimeter lang, met een 21 tot 30 centimeter lange staart.
De schouderhoogte bedraagt zo’n 72 tot 88 centimeter.
De bruine hyena weegt tussen de 28 en de 55 kilogram.
Mannetjes worden groter dan vrouwtjes.

 

bruine hyena Hyaena brunnea

Hyaena brunnea
auteur : Sally London op http://www.dinosoria.com    
CC 3.0

De bruine hyena is een nachtdier.
Overdag rust hij in een zelfgegraven hol (tot 150 centimeter diep), een natuurlijk hol tussen de rotsen of in het hol van een aardvarken.

Hij eet voornamelijk aas, maar ook afgevallen vruchten.
Soms maken ze actief jacht op kleine en middelgrote zoogdieren als de springhaas, jonge antilopen en de grootoorvos, kleine gewervelden als kikkers en hagedissen en ongewervelden.
Langs de kust van Namibië zoeken ze naar dode welpen van de Zuid-Afrikaanse zeebeer, aangespoelde walvissen en andere dode zeedieren.
Op de vuilnisbelten van Johannesburg, Pretoria en andere grote steden zoeken ze ook naar voedsel.
De bruine hyena eet per dag gemiddeld 2,8 kilogram.

De dieren foerageren alleen, omdat ze zelden voedsel vinden waar meer dan één hyena van kan leven.
Bij grote karkassen houden zich zelden meer dan drie dieren op.
Tijdens het foerageren kunnen ze afstanden afleggen van wel 54 kilometer

 

Brown Hyaena Portrait

De bruine hyena
auteur : © Martin Heigan    

 

Bruine hyena’s kennen geen vaste sociale structuur.
Ze leven solitair, in paren of in kleine, losse groepen, die kunnen bestaan uit zes tot vijftien dieren, en bestaan uit tot drie volwassen mannetjes en vijf volwassen vrouwtjes.
Als de dieren oud genoeg zijn om op zichzelf te staan, kunnen ze bij de groep blijven of gaan rondzwerven.
Sommige dieren blijven hun hele leven bij dezelfde troep. Een groep houdt een los territorium bij, die veelvuldig wordt gemarkeerd.
Markeren gebeurt door geurvlaggen en latrines(vaste plaats waar ze hun behoefte doen).

Bruine hyena’s planten zich het gehele jaar door voort.
Het vrouwtje paart met meerdere mannetjes, zowel groepsleden als rondzwervende mannetjes.
Een vrouwtje krijgt per worp één tot vijf (gemiddeld twee tot vier) jongen na een draagtijd van 120 dagen.
Ze worden blind en doof geboren in een ondergronds hol.
Het vrouwtje zondert zich de eerste paar maanden af van de rest van de groep.
Meestal krijgt één vrouwtje in de groep een nest, maar ook andere vrouwtjes mogen zich voortplanten.
Jongen worden in zulke situaties na enkele maanden door alle zogende vrouwtjes gezoogd, en de jongen worden bij elkaar verzorgd in een gezamenlijk hol.
De jongen worden twaalf tot vijftien maanden lang gezoogd.
Na drie maanden eten ze hun eerste vaste voedsel.

Na 18 maanden verlaten ze meestal het nest.
Vrouwtjes zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp.

WAT IS EEN SOORT ?

 °

I  °SOORTEN 

 watis een soort <–Doc archief 

soortbastaarden  <–Doc archief

-SOORTPROBLEEM 

Axolotl en het soortprobleem

°

SOORTVORMING 

CICHLIDS  <–doc archief 

°

Wat is een soort?

op 17 januari 2014    14

tijger

Jaarlijks worden er heel wat nieuwe soorten beschreven. Maar wat is nu eigenlijk een soort? Een simpele vraag waarop heel wat complexe antwoorden geformuleerd zijn door biologen en filosofen.

Tijd voor een overzicht.

Wat is een soort? Vele biologen deinzen stilletjes achteruit wanneer zij met deze vraag geconfronteerd worden.

Charles Darwin gaf het reeds aan in ‘On the Origin of Species:

“Geen enkele definitie heeft vooralsnog alle naturalisten tevreden gesteld; toch weet elke naturalist vaag wat hij bedoelt als hij over een soort spreekt.

Sindsdien zijn er talloze artikels en boeken over dit onderwerp geschreven. En naast biologen hebben ook enkele filosofen bijgedragen aan de discussie.

“WAT IS DE ESSENTIE VAN DE TIJGER? STREPEN? NEE!”

Essentialisme
Metafysica is een traditionele tak van de filosofie die zich bezighoudt met het verklaren van het fundamentele “zijn”.

Bestaan de dingen die wij waarnemen werkelijk of zijn het constructies van onze hersenen? Deze vraag kan ook toegepast worden op soorten.(1)

Sommige filosofen volgen het essentialisme en zien soorten als natuurlijke entiteiten (Engels: natural kinds). Een entiteit wordt gekenmerkt door een eigenschap (i.e., de essentie) die noodzakelijk is om lid te zijn van een bepaalde groep.

Een chemisch element, zoals bijvoorbeeld koolstof (C), is een entiteit, want alle koolstofatomen worden gekenmerkt door een essentiële eigenschap, het atoomnummer (het aantal protonen in de kern).

Als een element atoomnummer 6 heeft, dan is het koolstof. Maar heeft een element atoomnummer 7, dan hebben we te maken met stikstof (N).

Het atoomnummer is dus de essentie van een chemisch element.

Nu kan men dit principe doortrekken naar soorten. Heeft elke soort een essentie? Bijvoorbeeld, wat is de essentie van de soort tijger (Panthera tigris)? Strepen? Nee, want er bestaan andere soorten met een gestreept vachtpatroon, zoals de zebra.

U kunt blijven zoeken, maar een essentie voor elke soort zult u niet vinden.

°

Kenmerk van clusters
Toch hebben filosofen het essentialisme niet opgegeven.

Als soorten niet door een enkele essentie gekenmerkt worden, dan misschien door een verzameling kenmerken.

In het geval van de tijger, kunnen we een lijst opstellen met kenmerken, zoals gestreepte vacht, katachtige, carnivoor, enzovoort. Deze denkwijze, gebaseerd op clusters van kenmerken, werd geïntroduceerd door Ludwig Wittgenstein. Maar opnieuw komen we voor een probleem te staan.

Kijk bijvoorbeeld naar de wilde eend (Anas platyrhynchos). De mannetjes en vrouwtjes van deze veelvoorkomende vogel zien er totaal verschillend uit.

Het is onmogelijk om een lijst kenmerken op te stellen waardoor zowel mannetjes als vrouwtjes tot de entiteit ‘wilde eend’ behoren.

Richard Boyd loste deze situatie op met het principe van homeostatische clusters van kenmerken. Hij stelde dat een soort beschreven kan worden door een verzameling van kenmerken, maar dat een individu niet alle kenmerken moet bezitten om tot een soort gerekend te worden.

Stel dat de wilde eend beschreven wordt door tien kenmerken (om het even simpel te houden), waarvan zeven het mannetje beschrijven en zes het vrouwtje (sommige kenmerken zijn natuurlijk gemeenschappelijk), dan kunt u ‘wilde eend’ als entiteit beschouwen.

Evolutie
Probleem opgelost?

Niet dus, een essentie (in dit geval de homeostatische cluster van kenmerken) is tijdloos en eeuwig.

Een chemisch element met atoomnummer 6 is altijd koolstof, waar en wanneer we het ook tegenkomen.

Maar soorten zijn niet tijdloos en eeuwig, soorten ondergaan evolutionaire veranderingen.

Filosofen hebben twee oplossingen voor dit probleem:

soorten als historische entiteiten of als individuen.

Alle kenmerken die tot nu toe gebruikt werden om soorten te beschrijven waren intrinsiek, ze komen voort uit het individu zelf.

Maar er zijn ook extrinsieke kenmerken die bepaald worden door uitwendige invloeden.

Ik ben bijvoorbeeld de broer van mijn zus (klinkt logisch, toch?). Het feit dat ik een broer ben, is geen intrinsieke eigenschap, maar wordt bepaald door de relatie die ik heb met iemand anders (in dit geval mijn zus).

Op dezelfde manier kan een soort extrinsieke kenmerken hebben doordat alle individuen afstammen van een bepaalde gemeenschappelijke voorouder.

De onderlinge relatie tussen de individuen is de (historische) essentie van de soort.

Een andere zienswijze is soorten als individuen. Een individu heeft een bepaalde positie in tijd en ruimte. Er is een begin en een einde, hiertussen verandert het individu voortdurend. Dezelfde redenering kan toegepast worden op soorten: een soort ontstaat (speciatie) en verdwijnt (extinctie), hiertussen verandert de soort voortdurend (evolutie). Deze zienswijze is erg populair bij biologen, terwijl filosofen eerder vastklampen aan het essentialisme.

De soort als individu.

De soort als individu.

°

Biologisch Soort Concept
Genoeg gefilosofeerd, tijd om het eens langs de biologische kant te bekijken.

Iedereen kent natuurlijk het Biologische Soort Concept (BSC) van Ernst Mayr:

“Een soort is een groep populaties waarvan de individuen het potentieel hebben om onderling vruchtbare nakomelingen te produceren.”

Het bekendste voorbeeld behandelt paarden en ezels. Zij behoren tot verschillende soorten omdat de nakomelingen van een kruising tussen paard en ezel onvruchtbaar zijn.

Hoewel het Biologische Soort Concept veel gebruikt werd, heeft het enkele nadelen.

Ten eerste, sommige populaties (die tot dezelfde soort gerekend worden) leven gescheiden van elkaar en wetenschappers kunnen dus nooit vaststellen of leden van die populaties onderling ( op natuurlijke wijze ) kunnen kruisen.

Vaak is het onbegonnen werk om alle mogelijke combinaties uit te proberen.

Ten tweede, er zijn heel wat vruchtbare kruisingen bekend tussen individuen die tot verschillende soorten behoren.

Robert Kraus (Wageningen Universiteit) en collega’s toonden bijvoorbeeld aan dat diverse eendensoorten onderling extensief kruisen, met uitwisseling van genetisch materiaal als resultaat.

Volgens het Biologisch Soort Concept behoren alle betrokken eendensoorten dan tot één enkele soort, hoewel ze morfologisch zeer verschillend zijn.

Ten derde, dit soortconcept kan enkel toegepast worden op soorten die zich seksueel voortplanten.                                                   Aseksuele organismen worden simpelweg genegeerd.

“IN THEORIE WEET MEN DUS WAT EEN SOORT IS, MAAR IN DE PRAKTIJK BLIJKT HET AARTSMOEILIJK OM SOORTEN AF TE BAKENEN”

Theorie versus praktijk
Omdat het Biologisch Soort Concept niet altijd toepasbaar of praktisch is, werden andere concepten geformuleerd.

In 1997 verzamelde Richard Mayden (Saint Louis University, Missouri, USA) alle soortconcepten.

Op dat moment waren er minstens 24 concepten in gebruik. (2)

Hij ontdekte het probleem dat had geleid tot deze enorme diversiteit aan soort concepten: het gebrek aan een scheiding tussen theorie en praktijk.

In theorie weten alle biologen wat een soort is, maar in de praktijk is het zeer moeilijk om individuen in soorten te verdelen.

Mayden stelde voor om een onderscheid te maken tussen een primair, theoretisch soortconcept en secondaire, praktische soortconcepten.

Als primaire concept bracht hij het Evolutionaire Soort Concept (ESC) van George Gaylord Simpson naar voren. Dit concept stelt het volgende:

“een soort is een voorouder-afstammeling lijn die onafhankelijk van andere lijnen evolueert met zijn specifieke evolutionaire rol en betekenis.”

Alle andere soortconcepten zijn secundair en kunnen in de praktijk gebruikt worden.

Kevin de Queiroz (Smithsonian Institution, Washington DC, VS) werkte dit principe verder uit en introduceerde het tegenwoordig veelgebruikte General Lineage Concept‘.

Dit concept is zeer technisch met heel wat complexe terminologie (vandaar dat ik het voorlopig hierbij zal laten), maar lijkt sterk op het Evolutionaire Soort Concept van Simpson.

In theorie weet men dus wat een soort is, maar in de praktijk blijkt het aartsmoeilijk om soorten af te bakenen. Dit heeft te maken met de manier waarop soorten ontstaan.

Er zijn diverse modellen van soortvorming geformuleerd, maar elke situatie is hoe dan ook uniek.

Richard G. Harrison (Cornell University, Ithaca, VS) vatte dit idee samen in de ‘Life History Approach waarbij elke soort een specifieke levensgeschiedenis heeft waarvan de afzonderlijke fasen overeenkomen met verschillende soortconcepten.

Om dus te bepalen of twee individuen behoren tot verschillende soorten, moet men de evolutionaire geschiedenis van de betrokken soorten eerst achterhalen.

°

Bronmateriaal:


Boyd, R. (1999) Homeostasis, Species and Higher Taxa. In Wilson, R.A. Species: New interdisciplinary essays. MIT Press, Cambridge.
de Queiroz, K. (1998). The general lineage concept of species: Species criteria and the process of speciation. In Howard, D.J., Berlocher, S.H. Endless forms: Species and speciation. New York: Oxford University Press. pp. 57–75.
Ghiselin, M.T. (1997) Metaphysics and the Origin of Species. State University of New York Press, Albany.
Kraus R.H.S et al. (2012) Widespread horizontal genomic exchange does not erode species barriers among sympatric ducks. BMC Evolutionary Biology, 12:45.
Mayden, R. L. (1997). A hierarchy of species concepts: The denouement in the saga of the species problem. In Claridge, M.F., Dawah, H.A., Wilson, M.R. Species: The units of biodiversity. London: Chapman and Hall. pp. 381–4.
Mayr, E. (1942). Systematics and the Origin of Species, from the Viewpoint of a Zoologist. Cambridge: Harvard University Press.

Richards, R.A. (2010) The Species Problem: A Philosophical Analysis. Cambridge University Press.

The Species Problem Philosophical Analysis Richard Richards[1]   pdf

De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Moni Sertel (cc via Flickr.com).

 

_________________________________________________________________________________________

APPENDIX  

AANVULLINGEN EN KOMMENTAREN 

°

OVER SUBSOORTEN  (en   klassieke  kweek en kruisings- programma’s om  “verloren soorten”  terug te brengen )

…..

(een opinie over iets wat mij stoort in natuurbescherming:)

Ik erger me persoonlijk aan biologen die soorten puur willen houden, en daarin ook zeer fanatiek zijn. Ik begrijp het wel, want het resulteert vaak, uiteindelijk, in het verlies van een soort, in ieder geval het uiterlijk, qua genen weet ik niet.

De wilde eend bijvoorbeeld is op een aantal plekken geintroduceerd, en paart er flink op los met zijn exotische verwanten, zoals bijvoorbeeld de wenkbrauweend. Biologen spreken dan van genetische vervuiling, wat nogal doet denken aan een bepaalde politieke stroming, en organiseren in gevallen uitroeiings campagnes om hun soort te behouden van de ondergang.

Een aantal dieren in de dierentuin mogen niet worden geherintroduceerd in het wild omdat ze niet raszuiver zouden zijn.

Ik denk dan, de omgeving selecteerd uiteindelijk wel het beste type. Subsoorten zijn ook ontstaan uit één type, de vraag is alleen of wij dat zouden meemaken als subsoorten zich nu vermengen.

En daarnaast, ik heb geleerd van diezelfe biologen dat genetische diversiteit goed zou zijn, dus waarom geldt dat niet bij bijvoorbeeld de tijger (dierentuin) of de wilde eend en variaties?

Nog zoiets, beschermers van de wolf zijn dolblij dat wolven populaties die genetisch verschillend zijn, zoals de Italiaanse en Spaanse populatie, zich vermengen. Hoezo is dat geen genetische vervuiling?

Het zal ook wel de angst zijn dat een soort “het te goed doet”.

Of de ideologie dat invloed van mens onnatuurlijk is, wat paradoxaal is omdat we tegenwoordig vrijwel al het leven beinvloeden op de wereld. (Het overgrote gedeelte natuur in Nederland is bijvoorbeeld gemaakt door mensen handen en kan zonder de mens zichzelf niet in stand houden (denk aan naaldbossen en heide))

Avatarauteur  Jente  

……. Mijn onderzoek draait rond hybridisatie bij ganzen en ik denk dat zuivere soorten een illusie zijn

Ja ganzen kunnen er wat van. Op waarneming.nl staat een 20-tal hybrides.

Een ander voorbeeld: wisenten en bisons hebben bloed van onze runderen. In ieder geval de Russische populatie in de Kaukasus.

Bij tijgers is het trouwens wel zo dat de Sumatraanse tijger kleiner is, een aanpassing aan het leefgebied. Dus een Siberische tijger loslaten op Sumatra is dan weer niet zo’n goed idee. Maar ik vind het extreem als een grotendeels Sumatraanse tijger niet kan worden geherintroduceerd omdat het deels bloed heeft van bijvoorbeeld een Bengaalse tijger.

En ik denk ook dat biologen het aanpassingsvermogen van dieren onderschatten. Het gedomesticeerde varken veranderde al snel weer in het wild-type zwijn, en doet het uitstekend in bijvoorbeeld Australie en de Verenigde Staten. Die verwilderde varkens zijn dan wel vaak bont.

(Voorbeeld ) Hogzilla was a male hybrid of wild hog and domestic pig that was shot and killed by Chris Griffin in Alapaha, Georgia, United States, on June 17, 2004

It was originally considered a hoax
http://upload.wikimedia.org/wi…

Ik lees net op wikipedia dat de wilde zwijnen in Europa ook voor een deel gedomesticeerd bloed hebben.

http://www.natuurbericht.nl/?i…

Bij  de Duitse wilde zwijnen populaties  komen nog regelmatig bonte voor.

Er zijn nog veel interessante wetenswaardigheden over dit onderwerp.

Het is nu algemeen bekend dat wij DNA hebben van neanderthalers, maar de Aboriginals hebben bijvoorbeeld ook DNA van H. Denisova.

Bij de rode wolf was het onduidelijk of het een aparte soort was of een hybride tussen coyote en wolf. Ondertussen wordt het wel beschouwd als aparte soort.

De coyotes van de oostkust zijn wel echt hybrides tussen coyote en wolf, volgens wat ik nu net heb gelezen.

De wetenschap gaat zo snel dat ik soms dingen lees die na een jaar al weer niet correct zijn.

En het schijnt dat er zwarte wolven zijn omdat het ontstaan is bij honden en dat via honden de wolven ( twee nauw verwante soorten )  het gen voor zwarte vacht kregen.

De zwarte vacht schijnt wolven beter bestand te “maken” tegenover ziektes.

°

Ik wijs hierbij op de herhaalde  hoogstwaarschijnlijke    kruisingen ( genoomonderzoeken van Svante Paabo )van de vroege homo sap  mens met andere vertegenwoordigers van nauw verwante ( uitgestorven )  mensachtigen(neanderthaler / Denisova  / Erectus ?  )  … Ook hier scheen die  uitwisselingen van genen  een voordeel te hebben geboden   ( maar soms ook een nadeel  —> de verhoogde vatbaarheid  van  zuid amerikanen  voor diabetes bijvoorbeeld  ( afkomstig van   een   oost- aziatische neanderthaler populatie  , ook gevonden rond Denisova  en waarvan het beschikbare  gedeelte van het  relevante  genoom is ge- sequensed  )

(1)  FILOSOFISCHE  SITUERING VAN DE  GEBRUIKTE   TERMEN  

Of  de ” dingen”  werkelijk zijn ( zoals we   ze  ons voorstellen ) of slechts  menselijke “ideen” (–> Plato en de universalia leer      )of zelfs alleen maar (nuttig bevonden ) hersenspinsels  en projekties   zijn  of   hoogstens constructies (met eventueel enige vereenvoudigde  en gelimiteerde weergave van (connecties met ) de werkelijkheid —> Model )werden traditioneel filosofisch ook   behandeld door  het zogenaamde  kennistheoretische    ” Realisme <–>nominalisme  debat  “ 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Nominalisme

” …..Het nominalisme is een theologische/filosofische stroming uit de tweede helft van de Middeleeuwen. Deze stroming binnen de metafysica acht de individuele dingen als werkelijk en niet de universele gestalte ervan. Niet de boomheid is werkelijk, maar de individuele boom  …. 

“t ….Het nominalisme stond tegenover het middeleeuwse realisme (homoniem voor verschillende stromingen), waarin vooral wordt gedacht in termen van het zijn en dat juist de universalia (algemeen voorkomende abstracte begrippen als kleur, smaak en dergelijke) beschouwt als werkelijk. Universalia zijn die kenmerken van een bepaald voorwerp, die het maken tot het bepaalde voorwerp dat het is. ( = essentialisme   dus )

De in alle bomen terugkerende gestalte van de boomheid is werkelijk en niet zozeer de individuele boom.

Volgens die richting is dus –>  een tijger , een tijger omdat hij deel heeft aan de “tijgerheid “—> de foto bovenaan dit artikel neemt ook deel aan de “tijgerheid ” maar dan niet de “volledige tijgerheid ” ….Maar wat de volledige ‘tijgerheid ‘inhoud , weten we (nog) niet   ( ook de tijger niet ) 

°

( de biologen spreken niet van‘ tijgerheid ‘ maar van “tijgerachtigen “ en dat heeft te maken met geneste hierarchieen  )

Nested Hierarchies

Common ancestry is conspicuous.
Evolution predicts that living things will be related to one another in what scientists refer to as nested hierarchies—rather like nested boxes. Groups of related organisms share suites of similar characteristics and the number of shared traits increases with relatedness. This is indeed what we observe in the living world and in the fossil record and these relationships can be illustrated as shown below.

cladogram illustration showing nested hierarchies

In this phylogeny, snakes and lizards share a large number of traits as they are more closely related to one another than to the other animals represented. The same can be said of crocodiles and birds, whales and camels, and humans and chimpanzees. However, at a more inclusive level, snakes, lizards, birds, crocodiles, whales, camels, chimpanzees and humans all share some common traits.

Humans and chimpanzees are united by many shared inherited traits).

But at a more inclusive level of life’s hierarchy, we share a smaller set of inherited traits in common with all primates. More inclusive still, we share traits in common with other mammals, other vertebrates, other animals.

At the most inclusive level, we sit alongside sponges, petunias, diatoms and bacteria in a very large “box” entitled: living organisms.

—>  Menselijke constructies   = 

Definities (=begrenzingen) zijn bijna altijd man made, :  gemaakt als hulp- of werkhypothese. Echte grenzen komen in de natuur maar zelden voor.

DNA-barcode maakt snelle ontdekking nieuwe  en determinatie  van  reeds   bekende  soorten , mogelijk of minstens gemakkelijker

Door het genetisch profiel van dieren en planten in een snel te lezen streepjescode te vatten is de ontdekking van nieuwe variëteiten en een betere bescherming van de biodiversiteit mogelijk.
—> Maar critici vrezen misbruik door multinationals.
Picture

DNA-barcodering is een nog zeer jonge discipline die biologische soorten wil identificeren aan de hand van een stukje DNA dat alle soorten delen (bij dieren het zogeheten CO1-gen).

°

Stofwisselingsgen CO-1, is  een stukje mitochondriaal DNA van ruim 600 baseparen. Individuen van één  diersoort hebben nagenoeg hetzelfde CO-1-gen. Bij mensen verschilt de streepjescode op slechts een tot twee van de 648 plaatsen. Tussen chimpansees en mensen daarentegen verschilt het gen op zestig plaatsen, tussen mensen en gorilla’s op zeventig plaatsen.

Eind vorig jaar(2003)  verschenen twee wetenschappelijke publicaties waarin de methode op de pijnbank werd gelegd, en werd vergeleken met de traditionele, taxonomische manier van soortbeschrijving.

-In één studie werd de streepjescode van 260 soorten Noord-Amerikaanse vogels bepaald. Alle vogelsoorten hadden zoals verwacht een verschillende streepjescode, op vier na. Die hadden twee aan twee hetzelfde CO-1-gen.

Dezelfde soorten, luidde de conclusie dan ook.

– In een andere studie, waar onder meer Paul Hebert aan meewerkte, werden exemplaren van de Costaricaanse vlindersoort ‘Astraptes fulgerator’ onder de streepjescode-lezer gelegd.

Niet één soort, luidde de conclusie, maar tien verschillende soorten.

Taxonomen hadden zich laten misleiden door de identieke verschijningsvorm van de volwassen vlinders – alle tien hebben ze beige vleugels, met een blauw centrum. Onderzoekers vermoedden al langer dat er iets niet in de haak was met de Astraptes – de vlinders komen voort uit verschillende rupsen, en hebben bovendien een verschillend dieet.

De streepjescode werkt, willen de onderzoekers maar zeggen.

Het is een bruikbaar gereedschap om soorten van elkaar te onderscheiden.

Haken en ogen zitten er evenwel ook aan de methode.

Zo is het nog maar de vraag of recent van elkaar afgesplitste soorten wel worden herkend.

Bovendien is al duidelijk dat één streepjescode niet genoeg is, legt Erik van Nieukerken van het natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden, en deelnemer aan het symposium in Londen, uit:

“Voor amfibieën werkt CO-1 niet als streepjescode. Binnen één soort varieert dat gen veel te veel. Ook bij planten werkt CO-1 niet als identificatieplaatje. Daar zal een ander gen, afkomstig uit de bladgroenkorrels, voor worden gebruikt.

In Londen werd de start van drie megaprojecten bekendgemaakt. De komende jaren moeten de streepjescodes van álle bekende vogels (tienduizend soorten) en vissen (23 duizend soorten) bepaald worden.

Daarnaast zal de streepjescode van achtduizend zaaddragende planten op Costa Rica worden bepaald.

Worden taxonomen nu overbodig, als iedere avonturier met een draagbaar apparaatje soorten kan determineren en wellicht nieuwe soorten kan ontdekken?

Daar maakt Van Nieukerken zich niet ongerust over.

“Taxonomie is nu een versnipperde wetenschap. Kennis is verspreid over duizenden artikelen en voorwerpen in musea en bibliotheken. Op deze manier komt die informatie voor iedereen beschikbaar. Democratisering van taxonomische kennis, dus.

°

Als men al die DNA-stukjes in kaart heeft gebracht, zal men met een scanapparaatje meteen kunnen achterhalen tot welke soort een plant of dier behoort.

“Het zal de biodiversiteit van het land helpen documenteren, zodat we nadien beter beschermingsplannen kunnen maken“, zegt onderzoekster Lidia Cabrera van het Biologisch Instituut van de Nationale Autonome Universiteit van Mexico (UNAM).

Mexico behoort tot de top 5 van landen met de grootste biodiversiteit ter wereld.  Het herbergt 108.519 soorten, waarvan 72.327 dieren, 29.192 planten en 7000 schimmels.

Revolutie voor taxonomen.

“Het bepalen van een soort op een betrouwbare en snelle manier zal een revolutie betekenen voor de manier waarop we de ons omringende natuur waarnemen en voor de wetenschappen die haar bestuderen, zoals de ecologie en de taxonomie“, zegt Manuel Elías van Ecosur.

Het Mexicaanse project heeft tot dusver gegevens van 20 procent van de vissen, van 70 procent van de vogels en van 10 procent van de planten.

De databank van MexBOL moet uiteindelijk openbaar worden.

Niet iedereen in Mexico is gelukkig met het project.

“Het fundamentele probleem is dat het wordt voorgesteld alsof het alleen maar een onderzoeksproject is, terwijl het een reeks organismen classificeert waarin de multinationals in de farmaceutische industrie en de synthetische biologie geïnteresseerd zijn”, zegt Silvia Ribeiro, directeur Latijns-Amerika van de Actiegroep Erosie, Technologie en Concentratie (ETC). “Er bestaat geen enkele waarborg in dit verband.” Ze wijst erop dat er in het internationale Biodiversiteitsverdrag van 1992 niets staat over artificiële creatie op basis van biologisch materiaal.

Maar daarvoor bestaat het Nagoya-protocol over de toegang tot genetische rijkdommen, dat in 2010 door 116 landen werd ondertekend en in werking treedt zodra 50 landen het hebben geratificeerd.

In Mexico was er eind jaren negentig al heel wat ophef rond het verzamelen van genetisch materiaal.Ecosur, de Amerikaanse Universiteit van Georgia en het Britse Molecular Nature waren in 1997 het project ICBG-Maya gestart in de zuidelijke deelstaat Chiapas. Dat moest onder meer tot de ontwikkeling van nieuwe medicijnen op basis van natuurproducten leiden.

Sociale en inheemse organisaties protesteerden. Ze vreesden dat het de deur zou openzetten naar biopiraterij en het commerciële gebruik van biologisch materiaal. Vooral de zending van zevenduizend stalen naar de Universiteit van Georgia leidde tot grote bezorgdheid. De VS hebben het Biodiversiteitsverdrag en het Nagoya-protocol niet ondertekend. Amerikaanse bedrijven zouden het genetisch materiaal commercieel kunnen exploiteren. Door het protest werd ICBG-Maya in 2000 stopgezet.

Ook bij DNA-barcodering spelen de VS een belangrijke rol, zeggen critici. Het internationale Consortium voor de Barcode van het Leven (CBOL), dat in 2004 is opgericht, heeft zijn secretariaat in het National Museum of Natural History in Washington.

Volgens onderzoeker Lidia Cabrera is misbruik niet mogelijk.

“Het gaat maar om een klein DNA-fragment, dat technologisch gezien NIET  gebruikt kan worden om genetisch gemodificeerde gewassen te maken. Daarvoor moet men de  totale plant kennen en de kenmerken van de soorten.”

“Ik zie niet in hoe een stukje gen de commerciële bedoelingen van grote bedrijven kan dienen”,

zegt ook Elías.

Maar volgens Silvia Ribeiro is”geen enkele voorzorg genomen tegen het patenteren van welke modificatie van de genetische code ook.”

Barcode van het Leven

Het internationale project voor DNA-barcodering wordt vaak als de Barcode van het Leven aangeduid. Het ontstond in 2003 aan het Instituut voor Biodiversiteit van de Universiteit van Guelph in Canada, onder impuls van bioloog Paul Herbert.

Een jaar later werd het Consortium voor de Barcode van het Leven opgericht. Mexico trad tot het consortium toe in 2009.

De databank telt al meer dan 1,2 miljoen exemplaren van ruim 100.000 soorten. In 2015 wil CBOL de barcodes van minstens een half miljoen soorten hebben.

Wereldwijd zijn er meer dan achtduizend van dergelijke DNA-projecten aan de gang.

De resultaten worden  besproken  de   internationale conferenties over DNA-barcodering. en op het blog van de universiteit  van rockefeller 

http://phe.rockefeller.edu/barcode/blog/

°

Als je de soort benadert als een verzameling individuen loop je er inderdaad tegenaan dat er dan binnen de soort essentiële verschillen zijn, vooral tussen mannelijk en vrouwelijk. Je kan dat oplossen door te stellen dat de soort uit 2 (of meer) verzamelingen bestaat: man en vrouw.

*De definitie van Ernst Mayr:(Biologisch soort concept ) 

“Een soort is een groep   populaties waarvan de individuen het potentieel hebben om onderling vruchtbare nakomelingen te produceren.” Blijkt een goede werkhypothese en je kan aan de bezwaren tegemoetkomen door scherper te definiëren, zoals:

Een soort is een eenheid van voortplanting, waarbinnen de voortplanting hoofdzakelijk of uitsluitend plaatsvindt.  (*)

Dat geldt dan ook voor een  aantal vogelsoorten, die  toch  onderling vruchtbaar zijn.

* ( mijn Kommentaar ) De begrenzing ( de barrière ) van dergelijke soorten   ligt daar dus niet alleen  bij de  fysieke vruchtbaarheid, ( bijvoorbeeld is het moeilijk voorstelbaar dat een chihuahua en een deense dog ooit  zullen paren (op natuurlijke wijze )…….maar door bijvoorbeeld    niche invulling  😦 zoals bij veel insecten ) voedselkeuze , kolonisatie van nieuwe gebieden  … etc … verschillen in  vruchtbaarheidsperiodes  ( bron,stperiodes )  volgend op  aanpassingen  van de populatie  aan  de lokale  omstandigheden …. en zelfs  door het bestaan van   RING-species  wanneer het bijvoorbeeld  gaat om kosmopolieten  met lokale ecomorfen (of rassen , om maar eens een beladen woord te gebruiken  ) en of  variabel gedrag en verschillende    “culturele normen  ” 

Er  zijn  niettemin  hybride soorten en  dan  wordt dat probleem ( van het tussen twee stoelen zitten  )dus soms opgelost.

Die voortplantingseenheid kan men ook in historisch perspectief zien en dan is er verband met de genetische afstammingslijnen. ( stambomen en fylogenetica )

De voortplantingseenheid functioneert niet overal even sterk  doordat dieren die op grote afstand wonen niet met elkaar  kunnen paren.maar ze kunnen  toch met elkaar verbonden door     tussenliggende  verwanten –  buurtschappen van beide populaties of    ondersoorten van dezelfde soort  —>  RING species …

Een goed voorbeeld is bijvoorbeeld  de  mens zelf   

ringspecies  &  subspecies

ringspecies 2

Himalayan ringspeciesEr is dan vaak wel genetische uitwisseling tussen de populaties en als die er niet  meer is dan kan de eenheid nog geruime tijd blijven bestaan, in feite dan als potentiële voortplantingseenheid. Ook hier is de historisch achtergrond van de soort als voortplantingseenheid van belang.

Ook de ongeslachtelijke voortplanting geschiedt binnen de eenheid van de soort. Hoewel dat minder relevant lijkt omdat ongeslachtelijke voortplanting primair genetisch identieke individuen voortbrengt langs de afstammingslijnen. Toch voldoet de definitie daar dan,( denk ik.)—> Alleen is er  onderscheid te maken tussen microscopische wezen en  zogenaamde  “grotere” zichtbare soorten die zich voortplanten dmv clonen (wortelstekken ) en zelfs diersoorten die bestaan uit uitsluitend vrouwelijke dieren  (en die het moeten hebben van maagdelijke geboortes  of parthenogenese  ….

> bv wiptail lizards  ) er wel genetische uitwisseling mogelijk ( met andere soorten dan  —> HGTof horizontale genoverdracht ….deze soorten staan dan ook dichter bij de wortels van de boom en vormen daar (genetisch gezien een netwerk  )

*OPMERKING : De meeste  van de soort-concepten zijn (historisch )  opgesteld door zooologen …. Microbiologen en botanici  zullen veel frekwenter  allerlei  andere  concepten gebruiken   en dat volgt uit de aard van hun  vakgbied en de daar waargenomen  en gedocumenteerde   feiten  : neem bijvoorbeeld de  voortplantingsystemen en verbanden    bij  verschillende  “soorten ” paardenbloemen    

(2)

http://scienceblogs.com/evolvingthoughts/2006/10/01/a-list-of-26-species-concepts/

A list of 26 Species “Concepts”

 John S. Wilkins  October 1, 2006

Here is a working list of species concepts presently in play. I quote “Concepts” above because, for philosophical reasons, I think there is only one concept – “species”, and all the rest are conceptions, or definitions, of that concept. I have christened this the Synapormorphic Concept of Species in (Wilkins 2003). More under the fold:

A Summary of 26 species concepts

There are numerous species “concepts” (i.e., conceptions of “species”) at the research and practical level in the scientific literature. (Mayden 1997) has listed 22 distinct species concepts along with synonyms, which provides a useful starting point for a review. I have added authors where I can locate them in addition to Mayden’s references, and instead of his abbreviations I have tried to give the concepts names, such as biospecies for Biological Species, etc. (following George 1956), except where nothing natural suggests itself. There have also been several additional concepts since Mayden’s review, which I have added the views of Pleijel and Wu, and several new revisions presented in Wheeler and Meier (2000). I also add some “partial” species concepts – the compilospecies concept and the nothospecies concept. I distinguish between two phylospecies concepts that go by various names, mostly the names of the authors presenting at the time (as in the Wheeler and Meier volume). To remedy this terminological inflation, I have christened them the Autapomorphic species concept and the Phylogenetic Taxon species concept.

1. Agamospecies

Synonyms: Microspecies, paraspecies, pseudospecies, semispecies, quasispecies, genomospecies (for prokaryotes Euzéby 2006) Principal authors: Cain (1954), Eigen (1993, for quasispecies) Specifications: Asexual lineages, uniparental organisms (parthenogens and apomicts), that cluster together in terms of their genome. May be secondarily uniparental from biparental ancestors.

2. Autapomorphic species

See: Phylospecies Principal authors: Nelson and Platnick (1981); Rosen (1979) Specification: A geographically constrained group of individuals with some unique apomorphous characters, the unit of evolutionary significance (Rosen); simply the smallest detected samples of self-perpetuating organisms that have unique sets of characters (Nelson and Platnick); the smallest aggregation of (sexual) populations or (asexual) lineages diagnosable by a unique combination of character traits (Wheeler and Platnick 2000).

3. Biospecies

Synonyms: Syngen, speciationist species concept Related concepts: Biological species concept, Genetic species, isolation species Principal authors: John Ray, Buffon, Dobzhansky (1935); Mayr (1942) Specifications: Inclusive Mendelian population of sexually reproducing organisms (Dobzhansky 1935, 1937, 1970), interbreeding natural population isolated from other such groups (Mayr 1942, 1963, 1970; Mayr and Ashlock 1991). Depends upon endogenous reproductive isolating mechanisms (RIMs).

4. Cladospecies

Synonyms: Internodal species concept, Hennigian species concept, Hennigian convention Principal authors: Hennig (1966; 1950); Kornet (1993) Specifications: Set of organisms between speciation events or between speciation event and extinction (Ridley 1989), a segment of a phylogenetic lineage between nodes. Upon speciation the ancestral species is extinguished and two new species are named.

5. Cohesion species

Synonyms: Cohesive individual (in part) (Ghiselin and Hull) Principal authors: Templeton (1989) Specifications: Evolutionary lineages bounded by cohesion mechanisms that cause reproductive communities, particularly genetic exchange, and ecological interchangeability.

6. Compilospecies

Synonyms: None Related concepts: Introgressive taxa Principal authors: Harlan (1963), Aguilar (1999) Specifications: A species pair where one species “plunders” the genetic resources of another via introgressive interbreeding.

7. Composite Species

Synonyms: Phylospecies (in part), Internodal species (in part), cladospecies (in part) Principal authors: Kornet (1993) Specifications: All organisms belonging to an internodon and its descendents until any subsequent internodon. An internodon is defined as a set of organisms whose parent-child relations are not split (have the INT relation).

8. Ecospecies

Synonyms: Ecotypes Related concepts: Evolutionary species sensu Simpson, Ecological mosaics Principal authors: Simpson (1961); Sterelny (1999); Turesson (1922); Van Valen (1976) Specifications: A lineage (or closely related set of lineages) which occupies an adaptive zone minimally different from that of any other lineage in its range and which evolves separately from all lineages outside its range.

9. Evolutionary species

Synonyms: Unit of evolution, evolutionary group Related concepts: Evolutionary significant unit Principal authors: Simpson (1961); Wiley (1978); (1981) Specifications: A lineage (an ancestral-descendent sequence of populations) evolving separately from others and with its own unitary evolutionary role and tendencies (Simpson).

10. Evolutionary significant unit

Synonyms: Biospecies (in part) and evolutionary species (in part) Principal authors: Waples (1991) Specifications: A population (or group of populations) that (1) is substantially reproductively isolated from other conspecific population units, and (2) represents an important component in the evolutionary legacy of the species.

11. Genealogical concordance species

Synonyms: Biospecies (in part), cladospecies (in part), phylospecies (in part) Principal authors: Avise and Ball (1990) Specifications: Population subdivisions concordantly identified by multiple independent genetic traits constitute the population units worthy of recognition as phylogenetic taxa

12. Genic species

Synonyms: none Related concepts: Genealogical concordance species, genetic species (in part), biospecies (in part), autapomorphic species (in part) Principal author: Wu (2001b; 2001a) Specifications: A species formed by the fixation of all isolating genetic traits in the common genome of the entire population.

13. Genetic species

Synonyms: Gentes (sing. Gens) Related concepts: Biospecies, phenospecies, morphospecies, genomospecies Principal authors: Dobzhansky (1950); Mayr (1969); Simpson (1943) Specifications: Group of organisms that may inherit characters from each other, common gene pool, reproductive community that forms a genetic unit

14. Genotypic cluster

Synonyms: Polythetic species Related concepts: Agamospecies, biospecies, genetic species, Hennigian species, morphospecies, non-dimensional species, phenospecies, autapomorphic phylospecies, successional species, taxonomic species , genomospecies Principal author: Mallet (1995) Specifications: Clusters of monotypic or polytypic biological entities, identified using morphology or genetics, forming groups that have few or no intermediates when in contact.

15. Hennigian species

Synonyms: Biospecies (in part), cladospecies (in part), phylospecies (in part), internodal species Principal authors: Hennig (1966; 1950); Meier and Willman (1997) Specifications: A tokogenetic community that arises when a stem species is dissolved into two new species and ends when it goes extinct or speciates.

16. Internodal species

Synonyms: Cladospecies and Hennigian species (in part), phylospecies Principal author: Kornet (1993) Specifications: Organisms are conspecific in virtue of their common membership of a part of a genealogical network between two permanent splitting events or a splitting event and extinction

17. Least Inclusive Taxonomic Unit (LITUs)

Synonyms: evolutionary group (in part), phylospecies Principal authors: Pleijel (Pleijel 1999; Pleijel and Rouse 2000) Specifications: A taxonomic group that is diagnosable in terms of its autapomorphies, but has no fixed rank or binomial.

18. Morphospecies

Synonyms: Classical species, Linnaean species. Related concepts: Linnean species, binoms, phenospecies, monothetic species, monotypes, types, Taxonomic species Principal authors: Aristotle and Linnaeus, and too many others to name, but including Owen, Agassiz, and recently, Cronquist (1978) Specifications: Species are the smallest groups that are consistently and persistently distinct, and distinguishable by ordinary means (Cronquist). Contrary to the received view, this was never anything more than a diagnostic account of species.

19. Non-dimensional species

Synonyms: Folk taxonomical kinds (Atran 1990) Related concepts: Biospecies, genetic species, morphospecies, paleospecies, successional species, taxonomic species Principal authors: Mayr (1942; 1963) Specifications: Species delimitation in a non-dimensional system (a system without the dimensions of space and time, Mayr 1963)

20. Nothospecies

Synonyms: hybrid species, reticulate species Related concepts: Compilospecies, horizontal or lateral genetic transfer Principal author: Wagner (1983) Specifications: Species formed from the hybridization of two distinct parental species, often by polyploidy.

Phylospecies

Synonyms: Autapomorphic phylospecies, monophyletic phylospecies, minimal monophyletic units, monophyletic species, lineages Related concepts: Similar to internodal species cladospecies, composite species, least inclusive taxonomic units. Principal authors: Cracraft (1983); Eldredge and Cracraft (1980); Nelson and Platnick (1981); Rosen (1979) Specifications: The smallest unit appropriate for phylogenetic analysis, the smallest biological entities that are diagnosable and monophyletic, unit product of natural selection and descent. A geographically constrained group with one or more unique apomorphies (autapomorphies). There are two versions of this and they are not identical. One derives from Rosen and is what I call the Autapomorphic species concept. It is primarily a concept of diagnosis and tends to be favoured by the tradition known as pattern cladism. The other is what I call the Phylogenetic Taxon species concept, and tends to be favoured by process cladists.

21. Phylogenetic Taxon species

See: Phylospecies Principal authors: Cracraft (1983); Eldredge and Cracraft (1980); Nixon and Wheeler(1990) Specifications: A species is the smallest diagnosable cluster of individual organisms within which there is a parental pattern of ancestry and descent (Cracraft); the least inclusive taxon recognized in a classification, into which organisms are grouped because of evidence of monophyly (usually, but not restricted to, the presence of synapomorphies), that is ranked as a species because it is the smallest ‘important’ lineage deemed worthy of formal recognition, where ‘important’ refers to the action of those processes that are dominant in producing and maintaining lineages in a particular case (Mishler and Brandon 1987).

22. Phenospecies

Synonyms: Phena (sing. phenon) (Smith 1994), operational taxonomic unit (OTU) Related concepts: Biospecies, genetic concordance species, morphospecies, non-dimensional species, phylospecies (in part), phenospecies, successional species, taxonomic species, quasispecies, viral species, genomospecies (bacteria) Principal authors: Beckner (1959); Sokal and Sneath (1963) Specifications: A cluster of characters that statistically covary, a family resemblance concept in which possession of most characters is required for inclusion in a species, but not all. A class of organisms that share most of a set of characters.

23. Recognition species

Synonyms: Specific mate recognition system (SMRS) Related concepts: Biospecies Principal author: Paterson (1985) Specifications: A species is that most inclusive population of individual, biparental organisms which share a common fertilization system

24. Reproductive competition species

Synonyms: Hypermodern species concept , Biospecies (in part) Principal author: Ghiselin (1974) Specifications: The most extensive units in the natural economy such that reproductive competition occurs among their parts.

25. Successional species

Synonyms: Paleospecies, evolutionary species (in part), chronospecies Principal authors: George (1956); Simpson (1961) Specifications: Arbitrary anagenetic stages in morphological forms, mainly in the paleontological record.

26. Taxonomic species

Synonyms: Cynical species concept (Kitcher 1984) Related concepts: Agamospecies, genealogical concordance species, morphospecies, phenospecies, phylospecies Principal author: Blackwelder (1967), but see Regan (1926) and Strickland et al. (1843) Specifications: Specimens considered by a taxonomist to be members of a kind on the evidence or on the assumption they are as alike as their offspring of hereditary relatives within a few generations. Whatever a competent taxonomist chooses to call a species.

References

Aguilar, Javier Fuertes, Josep Antoni Roselló, and Gonzalo Nieto Feliner (1999), “Molecular evidence for the compilospecies model of reticulate evolution in >Armeria> (Plumbaginaceae)”, Systematic Biology 48 (4):735-754.

Atran, Scott (1990), The cognitive foundations of natural history. New York: Cambridge University Press.

Avise, J. C., and R. M. Ball Jr (1990), “Principles of genealogical concordance in species concepts and biological taxonomy”, in D. Futuyma and J. Atonovics (eds.), Oxford Surveys in Evolutionary Biology, Oxford: Oxford University Press, 45-67.

Beckner, M (1959), The biological way of thought. New York: Columbia University Press.

Blackwelder, Richard E. (1967), Taxonomy: a text and reference book. New York: Wiley.

Cain, Arthur J. (1954), Animal species and their evolution. London: Hutchinson University Library.

Cracraft, Joel (1983), “Species concepts and speciation analysis”, in R. F. Johnston (ed.), Current Ornithology, New York: Plenum Press, 159-187.

Cronquist, A (1978), “Once again, what is a species?” in LV Knutson (ed.), BioSystematics in Agriculture, Montclair, NJ: Alleheld Osmun, 3-20.

Dobzhansky, Theodosius (1935), “A critique of the species concept in biology”, Philosophy of Science 2:344-355.

—— (1937), Genetics and the origin of species. New York: Columbia University Press.

—— (1950), “Mendelian populations and their evolution”, American Naturalist 74:312-321.

—— (1970), Genetics of the evolutionary process. New York: Columbia University Press.

Eigen, Manfred (1993), “Viral quasispecies”, Scientific American July 1993 (32-39).

Eldredge, Niles, and Joel Cracraft (1980), Phylogenetic patterns and the evolutionary process: method and theory in comparative biology. New York: Columbia University Press.

Euzéby, J.P. (2006), List of Prokaryotic Names with Standing in Nomenclature 2006 [cited 17/2/2006 2006]. Available from http://www.bacterio.cict.fr/.

George, T. N. (1956), “Biospecies, chronospecies and morphospecies”, in P. C. Sylvester-Bradley (ed.), The species concept in paleontology, London: Systematics Association, 123-137.

Ghiselin, Michael T. (1974), The economy of nature and the evolution of sex. Berkeley: University of California Press.

Harlan, J. R., and J. M. J. De Wet (1963), “The compilospecies concept”, Evolution 17:497-501.

Hennig, Willi (1950), Grundzeuge einer Theorie der Phylogenetischen Systematik. Berlin: Aufbau Verlag.

—— (1966), Phylogenetic systematics. Translated by D. Dwight Davis and Rainer Zangerl. Urbana: University of Illinois Press.

Kitcher, Philip (1984), “Species”, Philosophy of Science 51:308-333. Kornet, D (1993), “Internodal species concept”, J Theor Biol 104:407-435.

Kornet, D, and JW McAllister (1993), “The composite species concept”, in, Reconstructing species: Demarcations in genealogical networks, Rijksherbarium, Leiden: Unpublished phD dissertation, Institute for Theoretical Biology.

Mallet, J (1995), “The species definition for the modern synthesis”, Trends in Ecology and Evolution 10 (7):294-299.

Mayden, R. L. (1997), “A hierarchy of species concepts: the denoument in the saga of the species problem”, in M. F. Claridge, H. A. Dawah and M. R. Wilson (eds.), Species: The units of diversity, London: Chapman and Hall, 381-423.

Mayr, Ernst (1942), Systematics and the origin of species from the viewpoint of a zoologist. New York: Columbia University Press.

—— (1963), Animal species and evolution. Cambridge MA: The Belknap Press of Harvard University Press.

—— (1969), Principles of systematic zoology. New York: McGraw-Hill.

—— (1970), Populations, species, and evolution: an abridgment of Animal species and evolution. Cambridge, Mass.: Belknap Press of Harvard University Press.

Mayr, Ernst, and Peter D. Ashlock (1991), Principles of systematic zoology. 2nd ed. New York: McGraw-Hill,.

Meier, Rudolf, and Rainer Willmann (1997), “The Hennigian species concept”, in QD Wheeler and R Meier (eds.), Species concepts and phylogenetic theory: A debate, New York: Columbia University Press.

Mishler, Brent D., and Robert N. Brandon (1987), “Individuality, pluralism, and the Phylogenetic Species Concept”, Biology and Philosophy 2:397-414.

Nelson, Gareth J., and Norman I. Platnick (1981), Systematics and biogeography: cladistics and vicariance. New York: Columbia University Press.

Nixon, K. C., and Q. D. Wheeler (1990), “An amplification of the phylogenetic species concept”, Cladistics 6:211-223.

Paterson, Hugh E. H. (1985), “The recognition concept of species”, in E. Vrba (ed.), Species and speciation, Pretoria: Transvaal Museum, 21-29.

Pleijel, Frederik (1999), “Phylogenetic taxonomy, a farewell to species, and a revision of Heteropodarke (Hesionidae, Polychaeta, Annelida)”, Systematic Biology 48 (4):755-789.

Pleijel, Frederik, and G. W. Rouse (2000), “Least-inclusive taxonomic unit: a new taxonomic concept for biology”, Proceedings of the Royal Society of London – Series B: Biological Sciences 267 (1443):627-630.

Regan, C. Tate (1926), “Organic evolution”, Report of the British Association for the Advancement of Science, 1925:75-86.

Ridley, M (1989), “The cladistic solution to the species problem”, Biology and Philosophy 4:1-16.

Rosen, Donn E. (1979), “Fishes from the uplands and intermontane basins of Guatemala: revisionary studies and comparative biogeography”, Bulletin of the American Museum of Natural History 162:267-376.

Simpson, George Gaylord (1943), “Criteria for genera, species and subspecies in zoology and paleontology”, Annals New York Academy of Science 44:145-178.

—— (1961), Principles of animal taxonomy. New York: Columbia University Press.

Smith, Andrew B. (1994), Systematics and the fossil record: documenting evolutionary patterns. Oxford, OX; Cambridge, Mass., USA: Blackwell Science.

Sokal, Robert R., and P. H. A. Sneath (1963), Principles of numerical taxonomy, A Series of books in biology. San Francisco,: W. H. Freeman.

Sterelny, Kim (1999), “Species as evolutionary mosaics”, in R. A. Wilson (ed.), Species, New interdisciplinary essays, Cambridge, MA: Bradford/MIT Press, 119-138.

Strickland, Hugh. E., John Phillips, John Richardson, Richard Owen, Leonard Jenyns, William J. Broderip, John S. Henslow, William E. Shuckard, George R. Waterhouse, William Yarrell, Charles R. Darwin, and John O. Westwood (1843), “Report of a committee appointed “to consider of the rules by which the nomenclature of zoology may be established on a uniform and permanent basis””, Report of the British Association for the Advancement of Science for 1842:105-121.

Templeton, Alan R. (1989), “The meaning of species and speciation: A genetic perspective”, in D Otte and JA Endler (eds.), Speciation and its consequences, Sunderland, MA: Sinauer, 3-27.

Turesson, Göte (1922), “The species and variety as ecological units”, Hereditas 3:10-113.

Van Valen, L (1976), “Ecological species, multispecies, and oaks”, Taxon 25:233-239.

Wagner, Warren H. (1983), “Reticulistics: The recognition of hybrids and their role in cladistics and classification”, in N. I. Platnick and V. A. Funk (eds.), Advances in cladistics, New York: Columbia Univ. Press, 63-79.

Waples, R S (1991), “Pacific salmon, Oncorhynchus spp., and the definition of ‘species’ under the Endangered Species Act”, Marine Fisheries Review 53:11-22.

Wheeler, Quentin D., and Rudolf Meier, eds. (2000), Species concepts and phylogenetic theory: a debate. New York: Columbia University Press.

Wheeler, Quentin D., and Norman I. Platnick (2000), “The phylogenetic species concept (sensu Wheeler and Platnick)”, in Quentin D. Wheeler and Rudolf Meier (eds.), Species concepts and phylogenetic theory: A debate, New York: Columbia University Press, 55-69.

Wiley, E. O. (1978), “The evolutionary species concept reconsidered”, Systematic Zoology 27:17-26.

—— (1981), “Remarks on Willis’ species concept”, Systematic Zoology 30:86-87.

Wilkins, John S. (2003), “How to be a chaste species pluralist-realist: The origins of species modes and the Synapomorphic Species Concept”, Biology and Philosophy 18:621-638.

Wu, Chung-I (2001a), “Genes and speciation”, Journal of Evolutionary Biology 14 (6):889-891. —— (2001b), “The genic view of the process of speciation”, Journal of Evolutionary Biology 14:851-865.

LINKS

GENETIC SPECIES  CONCEPT 

–>  Baker, R. J., and R. D. Bradley. 2006. Speciation in mammals and the genetic species concept. Journal of Mammalogy 87(4):643-662.                                                              http://www.mammalogy.org/uploads/Baker%20and%20Bradley%202006.pdf

 –>  Aardig onderzoek waarbij 2 soorten toch 1 soort blijkt te zijn                http://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/02724634.2013.782875#tabModule

GEOLOGIE UVW

° zie onder Geologie

°

U

UNIFORMITARiSM 

–>Uniformitarianism started in the early 19th century as a means to understand geological patterns based on observable, material processes, and is applied more generally throughout science today.“Uniformitarianism” ( is  arguably attributed to Darwin’s mentor Charles Lyell)

—> Uniformitarianism says that the processes we observe today are RELEVANT   to explaining the phenomena of the past

The principle of uniformitarianism is at the core of historical science.

It enables us to make scientific inferences about an event, even if it happened long ago, by postulating that processes observable today (like gravity and decay) have been active in one form or another throughout history.

Sciences like evolutionary biology, astronomy, geology, or forensics use evidence we now have to make predictions that should follow if some claim about the past actually happened.

°
For example, in 1912, Alfred Wegener theorized that continents were not always in their present positions.
Decades later, the discovery of paralleled magnetic reversals in sea-floor deposits on either side of the mid-Atlantic ridge was one line of evidence showing that North America and Europe have indeed been moving apart over time,
proving Wegener correct. This inference depends on uniformitarianism because we make the reasonable assumption that iron oxides in molten rocks have oriented towards the Earth’s magnetic poles in the past as they do today.

bron = 

http://www.huffingtonpost.com/robert-j-asher/a-new-objection-to-intell_b_4557876.html

°

uniformiteitsprincipe  <— Notes UVW  

°

V

Veen
Veen is een grondsoort die voornamelijk bestaat uit gedeeltelijk verkoold plantenmateriaal met een vochtgehalte van meer dan 75%.

Verdamping
Verdamping is de overgang van water in vloeibare of vaste vorm in waterdamp.

Verhang
Verhang is de gemiddelde helling van het stroombed van een rivier, meestal uitgedrukt in centimeters per kilometer.

Verwilderde rivier
Een verwilderde of vlechtende rivier is een rivier met vele ondiepe waterlopen die zich rond banken of door aanslibbing ontstane eilanden splitsen en verenigen, met een snel wisselend patroon, en met weinig kleisedimentatie.

Verzadigde zone
De verzadigde zone is het deel van de grond waarin de poriën geheel met water zijn gevuld.

°

VULKAAN  

°

VULKAANUITBARSTING

Verschil in magma leidt tot verschillende uitbarstingen

wo 30/04/2014 – 13:33 Luc De Roy
De Kilauea-vulkaan op Hawaï kent twee soorten uitbarstingen: hevige, spectaculaire en kalme waarbij de lava uit de vulkaan borrelt. Het verschil tussen beide wordt verklaard door de samenstelling van het magma uit de aardkern, zo blijkt nu.

De Kilauea op Hawaï is een zeer actieve vulkaan die gevoed wordt door magma uit de aardmantel, de laag tussen de aardkorst en de kern van de aarde.

De vulkaan kent twee soorten uitbarstingen: vaak borrelt de lava kalmpjes uit de vulkaan en loopt dan naar beneden, soms kent de vulkaan spectaculaire uitbarstingen waarbij gordijnen van lava wel 150 meter hoog de lucht in worden geslingerd.

Tot nu toe werd verondersteld dat het verschil toegeschreven kon worden aan verschillen in hoe snel de lava de oppervlakte bereikt, of aan het feit dat de gassen in de lava al dan niet zachtjes kunnen ontsnappen tijdens het opstijgen van het magma. Nieuwe bewijzen doen echter uitschijnen dat de oorzaak dieper gezocht moet worden.

Rotsen

Een team van wetenschappers van Cambridge University en Hawaï hebben de rotsen bekeken die uit de vulkaan geslingerd werden in 25 historische uitbarstingen gedurende de laatste 600 jaar.

Ze ontleedden de chemische samenstelling van de originele gesmolten rots van elke uitbarsting, die bewaard is in de vorm van glasachtige klodders in de vulkanische gesteenten. Het bleek dat de energieke uitbarstingen en de kalme gevoed worden door delen van de aardmantel met een licht verschillende samenstelling.

In het tijdschrift Nature Geoscience schrijven de geleerden dat de explosieve uitbarstingen gevoed worden door “primitieve magma” die rijk is aan vluchtige elementen en die vanuit de aardkern snel omhoog komt en de magmakamer voorbijgaat. De magmakamer is een reservoir van magma dat bovenaan in de vulkaan ligt en gevoed wordt door magma uit de aardmantel.

Andere samenstelling

Hoofdonderzoeker doctor Marie Edmonds van de Cambridge University zei aan de BBC: “De chemische samenstelling van het primitieve magma dat de explosieve uitbarstingen voedt, blijkt statisch gezien verschillend van het magma van de uitvloeiingsuitbarstingen.”

“We denken dat dat “primitieve magma” verzadigd is met gassen en dat het bellen vormt diep in het systeem, met een grotere snelheid naar de oppervlakte schiet en de magmakamer aan de top links laat liggen. Daardoor barst het veel explosiever uit aan de oppervlakte. Dit werk is het eerste dat een verband aantoont tussen de aard van de gesmolten massa uit de aardmantel, en variaties in de aard van de uitbarstingen. Het heeft belangrijke implicaties voor het opvolgen van de vulkanen en het vaststellen van het risico dat ze inhouden”, zei Edmonds.

°

Uit de gegevens blijkt dat de veranderingen in de uitbarstingen subtiele plaatselijke veranderingen in de chemische samenstelling van de aardmantel weerspiegelen, die zich voordoen over tientallen jaren tot zelfs eeuwen. Het beter leren kennen van die veranderingen, zal het makkelijker maken vast te stellen welk risico vulkanen vormen volgens het team.

AP

Een rustige lavastroom van de Kilauea.

°

VULKAAN UITSTOOT 

a) en  klimaat  :  

opwarming  en Co2

Er zijn bij vulkaanuitbarstingen, (en ook supervulkaanuitbarstingen )relatief niet zoveel CO2 uitstoten .

  1. Vulkanisme kan zelfs een verkoelend effect (verduistering door as en stof –> krakatau )   hebben …. en ook  door  SO2( rotte eieren luchtjes )
  2. Geoloog Salomon Kroonenberg  levert een relativerende blik op hoe het klimaat van onze wereld aan heftige veranderingen en  aan  grote Co2 schommelingen heeft blootgestaan zonder dat de mens daar een rol in speelde
    1. Vergeleken met de mens:  klopt het  dat vulkanen  niet veel Co2 uitstoten 
    2.  Maar iedere 12.52 uur stoot de huidige  mens  zoveel  CO2 uit als Mt Pinatubo – de grootste eruptie van de laatste honderd jaar . M.a.w. we zouden zo’n 700 Mt Pinatubo erupties per jaar  moeten hebben om de hoeveelheid te bereiken die de mens uitstoot. Omgerekend naar de hoeveelheid magma die vrijkwam bij Pinatubo komt dat neer op zo’n 8 super erupties ( ontploffende caldera’s )per jaar (meerdere malen Yellowstone).http://www.agu.org/pubs/pdf/2011EO240001.pdf 
    3. Op korte termijn hebben vulkaan uitbarstingen  een afkoelende werking. Niet zozeer door de as, omdat die snel uitregent, maar vooral door de uitstoot van SO2 die in de lucht aerosolen vormt.
    4. De uitbarsting van Pinatubo zorgde overigens slechts voor een nauwelijks waarneembaar dipje in de temperatuur begin jaren 90.
    5. Op zeer langere geologische tijdschaal speelt de uitstoot van broeikasgassen door vulkanen wel een rol.
    1. wij leven nu. Laatste keer dat CO2 concentraties zo hoog waren als nu was 15 miljoen jaar geleden. http://www.sciencedaily.com/releases/2009/10/091 …

_

Vuursteen
Vuursteen is het gesteente dat voorkomt als concretie in kalkgesteente en is opgebouwd uit vrijwel amorfe kwarts.

Het staal van de prehistorie

Vuursteen: ruwe grondstof en werktuig. Foto Wessex Archaeology, http://www.flickr.com/photos/wessexarchaeology/54290053/in/set-72057594078946147/.

Vuursteen is het hardste steentype dat in Nederland is te vinden. Het glasachtige materiaal kan zeer scherpe randen hebben en is vanwege zijn goede splijtbaarheid ideaal voor het vervaardigen van werktuigen.

De oerbewoners van ons land gebruikten vuursteen al vanaf 250.000 jaar geleden voor het maken van hun gereedschappen. Vuursteen is harder dan staal. Je kunt met vuursteen in staal krassen maar met staal een kras maken in vuursteen lukt niet. Vuursteen komt voor als banken en knollen, die ingebed zijn in de Zuid-Limburgse kalksteenafzettingen. Maar er is in ons land ook veel vuursteen te vinden dat uit het buitenland als zwerfsteen is aangevoerd door rivieren en ijs.

  • Vuursteen of keisteen, silex of flint is een gesteente dat vaak in klompen in kalksteen wordt aangetroffen en meestal bruin of grijs van kleur is. Dergelijke ‘klompen’ worden in de geologie ‘concreties’ genoemd. Wikipedia

Wad
Een wad is een bij eb grotendeels droogvallend uitgestrekt gebied van zand en slib doorsneden door prielen en geulen, aan de zeezijde door eilanden begrensd.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Wad

Afbeeldingen van wad

Het wad van Schiermonnikoog

Ten zuiden van het eiland Schiermonnikoog  ligt het waddengebied. De geulen die daar lopen heten de Grote Siege, de Piebe, en Kleine Siege. Na de afsluiting van de Lauwerszee is het wantij naar het oosten verschoven en zijn een paar geulen van plaats veranderd.

http://www.zeeinzicht.nl/vleet/index.php?id=4845&template=template-vleetned&language=0&item=Het-wad-ten-zuiden-van-Schiermonnikoog

Wadden
Wadden zijn laaggelegen met geulen doorsneden kustgebieden, waarvan een groot oppervlak bij eb droogvalt en bij hoogwater weer onderloopt; vaak gedeeltelijk beschermd door een strandwal.

Waddenzee

De Waddenzee is de binnenzee tussen de Waddeneilanden en de Noordzee aan de ene kant, en aan de andere kant het vasteland van Denemarken, Duitsland en Nederland. Wikipedia

 

W

Alfred  WEGENER 

https://tsjok45.wordpress.com/2012/11/13/plaattektoniek/

Alfred Wegener rond 1925

Wegener & Co.

Op het einde van de 16de eeuw wees de Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius op de overeenkomsten tussen de kustlijn van Noord- en Zuid-Amerika enerzijds en die van Afrika anderzijds. Volgens hem waren deze continenten van mekaar afgescheurd door aardbevingen en vloedgolven. Ortelius kwam in zijn tijd niet echt geloofwaardig over…

Ortelius’ wereldkaart uit 1570 (links) en een samengesteld satellietbeeld van de aarde (rechts)                                           Op beide beelden is het duidelijk dat de oostkust van Zuid-Amerika in de westkust van Afrika past

 

  . 

 

Ham’s Geo-pagina: platentektoniek

In de 19de eeuw werden Ortelius’ ideeën opnieuw opgevist. Bij het begin van de 20ste eeuw werden deze ideeën voor het eerst wetenschappelijk benaderd door de Duitser Alfred Wegener. Volgens Wegener waren de verschillende continenten langzaam uit mekaar geschoven. Hij noemde dit verschijnsel “continentendrift“. Meer dan 200 miljoen jaar geleden zouden alle continenten één groot supercontinent gevormd hebben, Pangaea, dat later zou opsplitsen in Laurazië (N-Amerika + Eurazië) en Gondwana (Z-Amerika + Afrika + Oceanië + India + Arabië + Antarctica).Ortelius’ wereldkaart uit 1570 (links) en een samengesteld satellietbeeld van de aarde (rechts).
Op beide beelden is het duidelijk dat de oostkust van Zuid-Amerika in de westkust van Afrika past.

Ham’s Geo-pagina: platentektoniek

Reconstructie van de opsplitsing van Pangaea in Laurazië en Gondwana en verdere evolutie tot nu.

Naast de overeenkomst van de kustlijnen, wees Wegener ook op het voorkomen van dezelfde (fossiele) plant- en diersoorten op de verschillende continenten. Omdat Wegener niet kon verklaren hoe of waarom de continenten verschoven waren, waren er nog veel wetenschappers die Wegener’s theorie larie vonden.

Ham’s Geo-pagina: platentektoniek

De vindplaatsen van fossielen wijzen erop dat de verschillende continenten ooit aan mekaar grensden.

Later vond men allerlei geologische bewijzen die Wegener’s theorie bevestigden. Net zoals de vindplaatsen van fossielen op mekaar aansloten, deden ook de vindplaatsen van bepaalde ertsen en sporen van ijstijden dat. Vandaag twijfelt geen enkele wetenschapper er nog aan dat de verschillende continenten vroeger één geheel vormden.

TELEONOMIE en Evolutie

°

     EVOLUTIE

0

Kunnen organismen hun eigen evolutie sturen?

 08 november 2013   6
 

stekelbaars

Evolutionaire verandering is het resultaat van willekeurige mutaties en natuurlijke selectie.

De suggestie dat evolutie mogelijk een doel heeft, wordt meteen afgedaan als creationisme of intelligent design. Maar enkele biologen wagen zich nu in de gevarenzone door te stellen dat organismen hun eigen evolutie kunnen sturen.

Eerst en vooral is het belangrijk om aan te geven wat deze wetenschappers niet bedoelen.

Ze zeggen NIET  dat evolutie een intrinsieke neiging heeft tot grotere complexiteit of intelligentie.

Ze zeggen NIET  dat organismen hun mutaties kunnen sturen wanneer nodig.

En zij zeggen NIET   dat organismen gewoonten, die zij tijdens hun leven leren, kunnen doorgeven aan hun nakomelingen volgens het model van Jean-Baptiste Lamarck.

Het fenotype achter het stuur
Maar wat zeggen ze dan?

Organismen passen hun uiterlijk (fenotype) voortdurend aan tijdens hun leven(zie —-> aanpassing /acclimatisatie ), in tegenstelling tot hun genetische opmaak (genotype), om  zodat beter wordt omgegaan  gaan met de omgeving waarin ze zich bevinden.
GEEN ENKEL   van bovenstaande veranderingen is evolutie, aangezien zij niet direct leiden tot een verandering in de genetische opmaak van een organisme.

Maar zij bepalen wel de manier waarop natuurlijke selectie inwerkt op deze genen, en zo evolutie in een andere richting duwt.

De genen, die altijd gezien werden als de belangrijkste bestuurders van de evolutionaire wagen, geven het stuur dus door aan het fenotype. Wanneer het fenotype verandert voor een bepaald doel, dan kunnen de genen dit effect vergroten door mee te liften.

 

Stekelbaarzen
Hoewel het model vooral theoretisch is, komen de aanhangers met enkele voorbeelden naar voren. Neem bijvoorbeeld stekelbaarzen in Canada, die meestal migreren tussen zoet- en zoutwater.

—————————————————————(intermezzo )————————————————————————–

°

Fig. 2. A. Typical anadromous stickleback collected in Mud Lake Alaska (stained with Alizarin Red S) exhibiting a complete series of armor plates along the flank of the body. B. A resident lake stickleback also from Mud Lake exhibiting the “low” armor phenotype. C. Fully developed stickleback pelvis. D. Example of a stickleback with pelvic reduction.

1. Adaptive evolution of the Axial Skeleton.- Resident freshwater stickleback differ from one another in ways that are associated with the habitats that they occupy. At the extremes, resident populations evolve into benthic and limnetic ecomorphs (A in the figure to the right). Benthics are deep-bodied fish that occur in shallow lakes where they feed on relatively large prey items associated with vegetation and structures. Limnetics are elongate fish that occur in deep lakes and spend most of their time in open water feeding on small planctonic prey items. This divergence into deep-bodied and elongate forms adapted to different ecological niches is common in fishes. We have studied body shape evolution in stickleback for some time and have published multiple papers on this topic. We are presently studying how the vertebral column evolves in response to selection for different body shapes. Do the number of vertebrae change, the lengths of vertebrae, or both? Is the change in vertebral phenotypes uniform throughout the body or do abdominal and caudal vertebrae respond differently? Do independently established benthic and limnetic stickleback populations evolve similar changes to the axial skeleton or can the axial skeleton change in different ways in different populations with similar body shapes? To answer these questions we are examining body shape variation using geometric morphometrics and x-raying the same specimens to count and measure vertebrae from independently established limentic and benthic stickleback populations, as well as their anadromous ancestors.

http://condor.depaul.edu/waguirre/research.html

SticklebacksA three-spined stickleback with four of the most common parasites. From top; Gyrodactylus, Diplostomum spathaceum, Diplostomum gasterostei, Schistocephalus solidus

Sticklebacks are common in the wild making them an excellent species to look at real world evolutionary change. I have taken samples from a wild population with a mixture of plate morphs and brought them back to the lab. Using microscopy, parasites can be identified and quantified in the different body tissues.

A gene called eda controls the plate morph of sticklebacks.

Each fish has two copies of the eda gene, either ‘C’ or ‘L’.

Fish with ‘CC’ have most plates, and ‘LL’ have fewer plates, with ‘CL’ fish being intermediate.

From a DNA sample the genes any individual has can be determined by molecular techniques.

Within each plate morph (CC, CL, LL) the exact number of plates is also variable. For finer detail of bone structure the tissue must be stained allowing the position and number of plates to be determined.

http://www2.le.ac.uk/research/festival/meet/biosciences/natalie-simmonds

°

Sticklebacks inhabit hundreds if not thousands of lakes and streams throughout the northern hemisphere. In addition to changes in body armor, these isolated stickleback populations have evolved a variety of changes that set them apart from their ocean-dwelling ancestors. In order to figure out what genes are driving these differences, researchers crossbreed marine and freshwater sticklebacks. By studying the resulting hybrid offspring, geneticists can see what specific changes to which genes are causing the differences. In sticklebacks, as in other organisms, small changes to single  genes can have major effects.

The Ectodysplasin gene appears to be responsible for changes in body armor in many freshwater stickleback populations. Recessive low-armored gene variations are found in about 1% of marine sticklebacks. Evidence suggests that it is this variant that is repeatedly being selected for in freshwater environments. 

http://learn.genetics.utah.edu/content/variation/stickleback/

stekelbaars

http://news.stanford.edu/news/2006/january11/med-evolution-011106.html

A single gene controlled the loss of bony plates (in red) when sticklebacks evolved from ocean (top) to freshwater (bottom) varieties.

http://news.stanford.edu/news/2004/april21/fish.html

The marine stickleback (top) has a large pelvic hind fin but other stickleback populations that evolved in freshwater locations have lost this pelvic fin (bottom). Tracing the evolutionary shift, researchers have discovered that changes in the hind fin skeleton are controlled by alterations in activity of the Pitx1 gene. Photo: Mike Shapiro

http://news.nationalgeographic.com/news/2008/05/080520-fish-evolution.html

Fig. 4.

Representative phenotypes of the parental complete armor (A), parental low armor (B), F1 mapping hybrid (C), and F2 mapping hybrid (DG) generations. The major axes of variation in the F2 intercross generation indicate the segregation of armor loss as a 9:3:3:1 dihybrid Mendelian ratio (red; observed ratio in black) of the parental armor classes. (D) The complete-armor phenotype of the F2 generation. (G) The low-armor phenotype. (E and F) The complete-plate/low-pelvic structure and complete-pelvic/low-plate recombinant phenotypes, respectively. 

http://www.pnas.org/content/101/16/6050/F4.expansion.html

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Phenotype

—————————————————————————————————————————————————————-

°

De vissen kunnen wisselen tussen twee verschillende lichaamsvormen, afhankelijk van hun locatie (zoet- of zoutwater) en het bijbehorende dieet: planktoneters hebben grote ogen en slanke lichamen, terwijl bodem-eters zwaarder zijn met kleinere ogen.

Daarnaast hebben de kaken een zeer verschillende morfologie, aangepast aan de voedingswijze.

Sommige stekelbaarzen hebben echter ‘besloten’ om permanent in een zoetwatermeer te leven. Zij specialiseerden zich ook op een bepaalde voedselbron, maar hier bepalen genen grotendeels de lichaamsvorm van de vis, en niet de locatie of het dieet.

Met andere woorden, de genen hebben de controle overgenomen van wat eens een puur ontwikkelingseffect was.

° Dit nieuwe model zal ongetwijfeld voor discussie zorgen onder evolutiebiologen.

Het controversiële idee dat organismen hun eigen evolutie kunnen sturen door bepaalde fenotypische veranderingen gaat lijnrecht in tegen het huidige model waarin de genen de belangrijkste eenheid van selectie zijn.

Een absolute ommekeer is echter zeer onwaarschijnlijk.

en de voorbeelden uit de praktijk zijn (voorlopig) schaars

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vindt u hier.

MISVATTINGEN

De evolutietheorie: wie kent ‘m niet? Toch doen zich over deze theorie nog flink wat misvattingen de ronde.
Eerder zette Jente de drie belangrijkste misvattingen hier op een rijtje.
 
°
Bronmateriaal:
Peter A. Corning (2013). Evolution ‘on purpose’: how behaviour has shaped the evolutionary process. Biological Journal of the Linnean Society: 1-19.
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Alexander Francis Lydon (via Wikimedia Commons).
 
°
Bloemlezing  reacties  en antwoorden  
°

1) —-> Genen voor grote ogen worden in een omgeving waar grote ogen van pas komen, meer doorgegeven dan genen voor kleine ogen. Na een aantal generaties zie je vanzelf steeds meer grote ogen in die omgeving.

Dat is toch oud nieuws?

°

(Jente )  Er is wel   een zeer subtiel verschil.

Het gaat om een niet-genetische verandering in gedrag of (embryonale) ontwikkeling die ervoor zorgt dat organismen beter kunnen overleven en reproduceren.

Later ontstaat er mogelijk een genetische basis voor die verandering.

Hierdoor kunnen organismen via een niet-genetische ‘beslissing’ de selectiedruk op bepaalde genen veranderen en zo hun eigen evolutie sturen.

Een nauwverwant concept is teleonomiehttp://en.wikipedia.org/wiki/Teleonomy

°

ARCHIEF  

systeembiologie

http://nl.wikipedia.org/wiki/Toeval_en_onvermijdelijkheid

(J Monod ) teleonomie :

Levende wezens hebben volgens Monod de volgende drie karakteristieken: teleonomie (verwant aan teleologie), autonome morfogenese en onveranderlijke voortplanting

Om aan te tonen dat teleonomie een objectief verschijnsel is gebruikt Monod een gedachte-experiment. Stel dat een computerprogramma van allerlei kunstmatige voorwerpen kan vaststellen dat er een doelgerichtheid aan ten grondslag ligt. Het programma kan bijvoorbeeld van een horloge vaststellen wat de bedoeling ervan is. Dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat zo’n programma ook niet zou kunnen vaststellen wat de bedoeling van een cel is, namelijk zichzelf delen.

Deze teleonomie is enerzijds objectief vaststelbaar en anderzijds in tegenspraak met het kernstuk van de moderne (en dus post-Aristoteliaanse) wetenschapsmethode – het objectiviteitsprincipe, dat stelt dat geen wezenlijke kennis kan worden opgebouwd als verschijnselen alleen kunnen worden verklaard door naar planmatigheid te verwijzen. Deze tegenspraak ziet Monod als het centrale probleem in de biologie.

In Toeval en Onvermijdelijkheid gebruikt hij zijn ontdekkingen en die van de genetica en de evolutietheorie om te schetsen hoe deze teleonomie zuiver wetenschappelijk verklaard kan worden. Daarmee brengt hij tevens de definitieve slag toe aan de nog altijd bestaande ideeën over vitalisme.

.

—>EPIGENETICA

http://www.academia.edu/2551188/GENETIC_PRIMING_HOW_ADAPTIVE_BEHAVIOUR_SHAPES_THE_GENOME

 

 

Levende wezens kunnen eigen evolutie sturen

 2007 

“Levende wezens kunnen hun eigen evolutie (onbewust ) beïnvloeden en sturen”. Dat stelt Kevin Verstrepen, een Vlaamse onderzoeker die zowel verbonden is aan de KULeuven als aan de universiteit van Harvard, in het vakblad Cell. Hij relativeert daarmee de gangbare theorie dat mutaties in het erfelijk materiaal totaal willekeurig zouden optreden, onafhankelijk dus van het mogelijke nut in de leefomgeving …..Mutaties
Mutaties komen met name veel frequenter voor waar en wanneer ze het meest nodig zijn.
 
“Cellen hebben complexe genetische mechanismen ontwikkeld waardoor bepaalde genen sneller veranderen. Zo zijn sommige genen die de vorm van het skelet helpen bepalen uitermate veranderlijk. De instabiliteit van die genen is wellicht nuttig om de skeletstructuur van levende wezens aan te passen aan nieuwe omstandigheden”, aldus Verstrepen.Omgekeerde 
Het omgekeerde treedt ook op. Een complex systeem dat perfect functioneerde, wordt door andere systemen afgeschermd voor mutaties zodat het niet verloren gaat.
“Een voorbeeld zijn de genen die instaan voor het metabolisme, de energiewinning in cellen. Dat is zo’n complex en perfect geolied proces dat de meeste mutaties wellicht nadelig zouden zijn. Die genen veranderen in het algemeen minder snel”,
aldus Verstrepen.Ontstaan 
Het is volgens Verstrepen makkelijk te begrijpen dat de evolutie zelf het ontstaan van bepaalde controlerende mechanismen heeft gestimuleerd.
 
“Een organisme dat in staat is om veelvuldige negatieve mutaties te vermijden en mutaties stimuleert waar en wanneer ze waarschijnlijk positieve gevolgen hebben, heeft een groot biologisch voordeel ten opzichte van organismen die dat niet hebben”, aldus nog de onderzoeker. (belga)
 

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

Crea hoekje