HYENA

 

°

Trefwoord

Aardwolf

Meer afbeeldingen

  1. De aardwolf is een hyena uit zuidelijk en oostelijk Afrika. Het is de enige levende soort uit de onderfamilie aardwolven; de aardwolf verschilt sterk van andere hyena’s en kan worden beschouwd als het buitenbeentje van de familie. Wikipedia

Bruine hyena (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea Meer afbeeldingen

  1. De bruine hyena of strandwolf is een van de vier nog levende soorten hyena’s. Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend. Wikipedia

Civetkat

  1. Civetkatten zijn een geslacht van kleine, slank gebouwde roofdieren die voorkomen in Zuidoost-Azië. Wikipedia

Gevlekte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gevlekte hyena is de grootste, agressiefste en de luidruchtigste hyenasoort. In grote delen van Afrika is het het meest voorkomende grote roofdier. De gevlekte hyena is de enige nog levende soort uit het geslacht Crocuta. Wikipedia

Gestreepte hyenaMeer afbeeldingen

  1. De gestreepte hyena is één van de vier hyenasoorten. Ze danken hun naam aan de zwarte strepen over het hele lichaam. Wikipedia

HyaenadonMeer afbeeldingen

  1. Hyaenodon is een geslacht van uitgestorven Creodonta dat miljoenen jaren heeft geleefd en op bijna alle continenten voorkwam. Er zijn zo’n vijftien soorten in dit geslacht benoemd. Er zijn vele soorten gevonden, die sterk in grootte verschilden. Wikipedia

OxyaenaMeer afbeeldingen

  1. Oxyaena is een uitgestorven carnivoor zoogdier behorend tot de familie Oxyaenidae van de Creodonta. Oxyaena had een lichaamslengte van ongeveer een meter. Het was één van de algemeenste roofzoogdieren van de Noord-Amerika in het Wasatchian. Wikipedia

 

 

°

LINKS

http://www.pinterest.com/tsjok/hyenas/

 

Kruger park

http://www.bryerpatch.com/news/africa2000/animals.htm

 

Hyena

Hyena baby

pregnant hyena

Spotted hyena with pup in Kruger National Park, South Africa

Playing with mama

°

AFSTAMMING  & EVOLUTIE

De eerste  hyena achtigen

the early  cat line

 

 

 

 

Hyanodon.JPG

 

hyanodon

 

http://www.ansp.org/museum/leidy/paleo/hyaenodon.php

http://fingerlakesfossilfarm.org/mammal_fossils.htm

hyanodon skeleton

hyaenodon.skeleton jpg
Creodonts are an extinct group of carnivorous mammals that were long thought to be the ancestors of modern Carnivora. This is no longer thought to be the case. Creodonts were the dominant group of carnivorous mammals in the early Tertiary and were quite diverse. They ranged from very large, wolf-like animals as Hyaenodon to small mongoose-like forms such as Prototomus vulpeculus.

Creodonts lived in North America, Asia, Europe, and Africa.

.

civetkat

 

 

 

 

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Civetkatten

De vroegste hyena’s leken sterk op de hedendaagse Civetkatten, maar toen de bossen plaatsmaakten voor open vlaktes, werden de hyena’s snel rennende roofdieren in de Oude Wereld, vergelijkbaar met de honden in Noord-Amerika.

Zo’n 15 miljoen jaar geleden waren er ongeveer 30 hondachtige hyenasoorten, maar toen veranderde het klimaat. Naarmate de hyena’s in aantal terugliepen, trokken de honden (die ook leden onder de kou) vanuit Noord-Amerika naar het zuiden over de nieuwgevormde landbrug.

De hyena’s hebben zich weliswaar aangepast aan de nieuwe omstandigheden, maar omdat de honden reeds bezit hadden genomen van hun leefmilieu moesten ze zich ontwikkelen tot bottenkrakers (of termieteneters).

Phylogeny

nested hierarchy and phylogeny   of  cat  , bear and dog branch

 

Cat / bear /dog branches

 

phylogeny hyanidae

 

 

http://www.hyaenidae.org/uploads/images/kay%20phylogeny.jpg

http://www.hyaenidae.org/ancient-hyaenas.html

ICITHERIUM

ichterium

 

 

De eerste hyena’s verschenen 15 miljoen jaar geleden in het Midden-Mioceen en ontstonden vermoedelijk in Afrika, ze worden beschouwd als verwanten van de katten.

De hyena Chasmoporthetes was de enige van zijn familie die ook in Noord-Amerika voorkwam dit ten tijden van het Pleistoceen.

Dit genus had zich ook verspreidde ze zich over Azië, Europa en Afrika.

 

 

 

Chasmoporthetes

 

chasmaporthetes

 

 

Gemaakt 29-12-04

PACHYCROCUTA

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Pachycrocuta

 

PACHYCROCUTA

 

 

 

 

 

Pachycrocuta brevirostris/ Carnivore /

pachycrocuta  and homo erectus

 

Where: Eurasia and eastern Africa/   MiddlePliocene to Middle Pleistocene

The Pachycrocuta brevirostris was largest of the prehistoric hyenas, and is frequently called: the Giant Hyena. It was about 100 cm tall and weighed about 190 kg. this would make it the largest hyena to have ever lived. It was a small-pack hunter of large animals, but it probably preferred to scavenge, because it was a heavyset animal not built for chasing prey over long distances.

 

hyena's

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hyena’s

carnivoraforum

 

carn

 

carnovofo

 

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331029/1/

Spelonkhyena

Crocuta crocuta spelaea

Species: Crocuta crocuta Subspecies: Crocuta crocuta spelaea

spelonkhyena  schedel

 

 

The Cave Hyena (Crocuta crocuta spelaea)

is an extinct subspecies of spotted hyena (Crocuta crocuta) native to Eurasia, ranging from Northern China to Spain and into the British Isles. Though originally described as a separate species from the spotted hyena due to large differences in fore and hind extremities, genetic analysis indicates no sizeable differences in DNA between Pleistocene cave hyena and modern day spotted hyena populations. It is known from a range of fossils and prehistoric cave art. With the decline of grasslands 12,500 years ago, Europe experienced a massive loss of lowland habitats favoured by cave hyenas, and a corresponding increase in mixed woodlands. Cave hyenas, under these circumstances, would have been outcompeted by wolves and humans which were as much at home in forests as in open lands, and in highlands as in lowlands. Cave hyena populations began to shrink after roughly 20,000 years ago, completely disappearing from Western Europe between 14-11,000 years ago, and earlier in some areas.

 

 

 

 

 

skull spelonk hyenaA nearly complete skull of Crocuta spelaea from Europe. Photo from Diedrich & Zak (2006).

_

The main distinction between the spotted hyena and the cave hyena is grounded on different lengths of the hind and fore limb bones. The humerus and femur are longer in the cave hyena, indicating an adaptation to a different habitat to that of the spotted hyena. It is unknown if they showed the same sexual dimorphism of the spotted hyena. It has been estimated that they weighed 102 kg (225 lbs).

Little is known of their social habits. It is widely accepted that they used caves as dens, although sites in the open-air are also known. There is no indication of cave hyenas living in large clans or on a more solitary basis, though large clans are not considered likely in their Pleistocene habitat.

Crocuta_crocuta_spelaea_

 

 

 

 

 

 

grothyena schedel

 

http://carnivoraforum.com/topic/9331026/1/

 

°

EXTANTE  HYAENA’S

 

extante soorten

 

 

°gevlekte hyena

 

gevlekte hyena

Mensen zijn altijd weer verrast als ze horen dat hyena’s deel uitmaken van de katachtigen en helemaal niet nauw verwant zijn met de honden.Dat komt omdat ze binnen de katachtigen  de tegenhangers van honden zijn en zich tot langeafstandslopers hebben ontpopt op de vlaktes. Vandaag de dag zijn er nog maar vier hyenasoorten over. Drie daarvan hebben de “klassieke” verbrijzelende kaken en zijn jagers/aaseters.De vierde is de aardwolf, die zich voedt met termieten.

gevlekte hyena's

 

Hyena welpen

welpen

lachende hyena

lachende volwassen hyena

Hyena’s communiceren met behulp van bacteriën

12 november 2013 Caroline Kraaijvanger5

's nachts

Masai Mara National Reserve

 

 

Masai Mara National Reserve in Kenya

Hyenas recognize each other’s smell — or perhaps the smell of each other’s microbiome.  // ANUP SHAH / NATUREPL.COM

°

Hyena’s laten boodschappen aan elkaar achter in de vorm van uitwerpselen. Wetenschappers hebben nu ontdekt dat die uitwerpselen veel meer bacteriën bevatten dan gedacht en dat die bacteriën de boodschap van de hyena overdragen.

Wanneer hyena’s uitwerpselen achterlaten in het gras dan bevatten die zuur ruikende signalen héél veel informatie die andere dieren kunnen ‘lezen’,” vertelt onderzoeker Kevin Theis. “Hyena’s kunnen zo snel een gedetailleerde boodschap achterlaten en weer gaan. Het is een soort prikbord waarop te zien is wie er in de buurt zijn en hoe het met die hyena’s gaat.”

Wetenschappers hebben die geurige boodschappen van de hyena’s nu grondig bestudeerd. Ze ontdekten zo onder meer dat deze veel meer bacteriën bevatten dan gedacht. En dat die bacteriën degenen zijn die de boodschap overbrengen. “De plekken waar de hyena’s hun uitwerpselen neerleggen zijn prikborden, de uitwerpselen zijn visitekaartjes en de bacteriën zijn de inkt die letters en woorden vormen en informatie aan de bezoekers van het prikbord informatie bieden over diegene die het prikbord bezocht heeft. Zonder de inkt is het gewoon een bord met lege, niet-informatieve kaartjes.”  (1)

De geuren van de uitwerpselen verschilden sterk. Die verschillen bleken nauw samen te hangen met de soort hyena, het geslacht en de mate van vruchtbaarheid.

Geuren vertellen hyena’s dus iets over andere hyena’s. En die geuren worden geproduceerd door de bacteriën, zo schrijven de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

 

Bronmateriaal:

“Bacteria may allow animals to send quick, voluminous messages”

 – MSU.edu                               

 

 http://msutoday.msu.edu/news/2013/bacteria-may-allow-animals-to-send-quick-voluminous-messages/

 

 Hyenas scent posts

Hyenas scent posts

may be short, relatively speaking, yet they convey an encyclopedia of information about the animals that left them. (Credit: Courtesy of MSU)

 

°

De bacteriën die in de geurklieren van hyena’s leven, zijn bepalend voor de geuren waarmee de dieren signalen afgeven aan elkaar.

De samenstelling van de micro-organismen bij gevlekte en gestreepte hyena’s is verschillend, zodat deze verschillende soorten hun soortgenoten aan hun geur kunnen herkennen.

 

Ook verandert de structuur van de bacteriën als vrouwtjes klaar zijn om te paren, zodat ze op dat moment een specifieke geur uitdragen.

 

Lichaamsvocht

De wetenschappers slaagden erin om met een speciale techniek een zeer groot aantal bacteriën in de geurklieren van hyena’s in kaart te brengen.

Met deze informatie kunnen ze verschillen meten in het lichaamsvocht dat hyena’s achterlaten op gras om geuren te communiceren.

 

http://www.sciencedaily.com/releases/2013/11/131111161510.htm

 

“De diversiteit van de bacteriën is genoeg om de origine van deze signalen te verklaren”, verklaart Theis op Nature News. http://www.nature.com/news/smelly-microbes-help-hyenas-to-communicate-1.14141

 

 

°

De wetenschappers vermoeden dat ook andere diersoorten gebruik maken van micro-organismen om verschillende geuren te communiceren. Meer onderzoek moet uitwijzen of dat ook echt zo is.

 

 

  • De term “visitekaartjes” is nogal vrij van interpretatie, haha. Maar goed, volgens mij kan deze studie naar behoorlijk wat diersoorten geëxtrapoleerd worden, omdat de ontlasting van iedereen uniek is en zeer veel over een individu kan zeggen. Het is namelijk een afbraakproduct van een systeem met ontelbaar veel processen.  Als je dat nauwkeurig gaan analyseren, krijg je een behoorlijke uitgebreide anamnese

Bruine hyena

 

 

Engels : Brown hyena
Duits : Schabrackenhyäne, Braune Hyäne, Strandwolf
Frans : La hyène brune

De bruine hyena of strandwolf (Hyaena brunnea syn. Parahyaena brunnea) is een van de vier nog levende soorten hyena’s.
Hij is nauw verwant aan de gestreepte hyena en samen worden ze ook wel tot hetzelfde geslacht, Hyaena, gerekend.

De wetenschappelijke naam van deze soort is voor het eerst beschreven door Thunberg (Carl Peter Thunberg was een Zweedse natuuronderzoeker. Hij was een student van Carolus Linnaeus.) in 1820.

De bruine hyena leeft in westelijk Zuid-Afrika, Zimbabwe, Namibië en Zuid-Angola.
Hij komt meer dan de andere hyena’s in woestijnen voor, voornamelijk in de Kalahari en de Namibwoestijn.
Ook komt hij voor in drogere, met struiken begroeide steppen en savannes.
Ook langs de woestijnkust van Namibië komen ze geregeld voor.

Bruine hyena

Bruine hyena
auteur : Southafrica.net op
www.dinosoria.com

De bruine hyena heeft een ruige, donkerbruine tot zwarte vacht, met een lichtgele kraag om de hals, die als maan dient bij volwassen dieren, en een grijzig gezicht.
Over de poten lopen witte horizontale strepen.
De staart is kort en donker van kleur.
De losse, ruige vacht kan bij conflicten worden opgezet, waardoor het dier groter en indrukwekkender lijkt.

Hij wordt ongeveer 110 tot 161 centimeter lang, met een 21 tot 30 centimeter lange staart.
De schouderhoogte bedraagt zo’n 72 tot 88 centimeter.
De bruine hyena weegt tussen de 28 en de 55 kilogram.
Mannetjes worden groter dan vrouwtjes.

 

bruine hyena Hyaena brunnea

Hyaena brunnea
auteur : Sally London op http://www.dinosoria.com    
CC 3.0

De bruine hyena is een nachtdier.
Overdag rust hij in een zelfgegraven hol (tot 150 centimeter diep), een natuurlijk hol tussen de rotsen of in het hol van een aardvarken.

Hij eet voornamelijk aas, maar ook afgevallen vruchten.
Soms maken ze actief jacht op kleine en middelgrote zoogdieren als de springhaas, jonge antilopen en de grootoorvos, kleine gewervelden als kikkers en hagedissen en ongewervelden.
Langs de kust van Namibië zoeken ze naar dode welpen van de Zuid-Afrikaanse zeebeer, aangespoelde walvissen en andere dode zeedieren.
Op de vuilnisbelten van Johannesburg, Pretoria en andere grote steden zoeken ze ook naar voedsel.
De bruine hyena eet per dag gemiddeld 2,8 kilogram.

De dieren foerageren alleen, omdat ze zelden voedsel vinden waar meer dan één hyena van kan leven.
Bij grote karkassen houden zich zelden meer dan drie dieren op.
Tijdens het foerageren kunnen ze afstanden afleggen van wel 54 kilometer

 

Brown Hyaena Portrait

De bruine hyena
auteur : © Martin Heigan    

 

Bruine hyena’s kennen geen vaste sociale structuur.
Ze leven solitair, in paren of in kleine, losse groepen, die kunnen bestaan uit zes tot vijftien dieren, en bestaan uit tot drie volwassen mannetjes en vijf volwassen vrouwtjes.
Als de dieren oud genoeg zijn om op zichzelf te staan, kunnen ze bij de groep blijven of gaan rondzwerven.
Sommige dieren blijven hun hele leven bij dezelfde troep. Een groep houdt een los territorium bij, die veelvuldig wordt gemarkeerd.
Markeren gebeurt door geurvlaggen en latrines(vaste plaats waar ze hun behoefte doen).

Bruine hyena’s planten zich het gehele jaar door voort.
Het vrouwtje paart met meerdere mannetjes, zowel groepsleden als rondzwervende mannetjes.
Een vrouwtje krijgt per worp één tot vijf (gemiddeld twee tot vier) jongen na een draagtijd van 120 dagen.
Ze worden blind en doof geboren in een ondergronds hol.
Het vrouwtje zondert zich de eerste paar maanden af van de rest van de groep.
Meestal krijgt één vrouwtje in de groep een nest, maar ook andere vrouwtjes mogen zich voortplanten.
Jongen worden in zulke situaties na enkele maanden door alle zogende vrouwtjes gezoogd, en de jongen worden bij elkaar verzorgd in een gezamenlijk hol.
De jongen worden twaalf tot vijftien maanden lang gezoogd.
Na drie maanden eten ze hun eerste vaste voedsel.

Na 18 maanden verlaten ze meestal het nest.
Vrouwtjes zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp.

OCTOPUSSY

°

BIODIVERSITEIT  

MOLLUSCA  

WEEKDIEREN  

°

Trefwoorden

CEPHALOPODA   

°

27-03-2009

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<– oorspronkelijk  uit bloggen be  octopussy  =  (OCTOPUSSEN  EVOLUTIE  -)

1.- VONDSTEN   IN  LIBANON 

Keuppia levante sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâdjoula (Lebanon).
Middle Cretaceous in Lebanon,

The holotype specimen Keuppia levante (Image credit: Dirk Fuchs, )
http://www.examiner.com/x-1242-Science-News-Examiner~y2009m3d17-Against-the-odds-ancient-octopus-fossils-discovered
another  Source here

Keuppia levante is een van de  drie (1) zopas  in  libanon  ontdekte  -95a-100 MY oude ,  fossiele  octopus soorten
(Octopoda (=Incirrata)http://nl.wikipedia.org/wiki/Achtarm  )uit het krijt

—>  Octopus fossielen zijn  zeldzaam  en  ongebruikelijk :  
Ze  bezitten geen  inwendig skelet (2)   en  daardoor zullen  na hun dood  de  weke delen  binnen enkele weken compleet verschrompeld zijn.Dit exemplaar is  echter  uitzonderlijk  compleet :   zelfs de inktzak en zuignappen zijn nog  te onderscheiden

Bovendien  ging  vroeger  niemand   gericht   op zoek naar een fossiele octopussen  , om die bovenvermelde  redenen
Toch waren  en zijn er  reeds   fossiele octopussen  bekend

O.m. uit diezelfde site  Middle Cretaceous in Lebanon ____   een zogenaamde Lagerstaete  wat staat voor een bepaalde type  formatie die exceptionele bewaring  van  (ook zachte  )weefsels mogelijk maakt  _____,werd al 100 jaar geleden een  andere  fossiele  octopus  , de  Palaeoctopus  gerecupereerd

Cretaceous Octopus Fossil

Woodward’s 1896 specimen / Old Covent, Sahel-el-Alma, Mount Lebanon( British Museum of Natural History in London)
Order Cirroctopoda(?) familie ,  Paleoctopodidae
Palaeoctopus is preserved as a film, or tissue impression, in sandstone. It is a short squat eight-armed octopus with an indistinct head.
Much as with Pohlsepia and Proteroctopus, Palaeoctopus has a pair of triangular fins on either side of its head though these are smaller than Proteroctopus.( zie appendix )
A faint trace of a web uniting the arms is visible and the presence of suckers on the arms has been identified.

Palaeoctopus newboldi

°

Er  zijn daar bovenop  genoeg  andere   fossiele COLEOIDEA  (–>  inktvisachtigen  mét  inwendige schelp )gevonden
–>-Tegenwoordig worden fossielen zeer gericht gezocht.
De kennis van de tijdschaal van de evolutie en van de geologische vorming van de aardlagen is zo ver gevorderd  dat paleontologen gericht  op locaties kunnen zoeken naar tussenvormen om hun hypotheses te testen. 
In hoeverre dit   fossiel (mogelijks)  gericht is gezocht  , weet ik (nog ) niet
Maar de
 keuze van de  site is zeker niet toevallig  (zie hierboven )

_

De ontdekker van de huidige libanese  fossielen  ,    Dirk Fuchs van de Universiteit van Berlijn.,  zei
Deze dingen zijn 95 miljoen jaar oud, maar één van de fossielen is nauwelijks van levende soorten te onderscheiden,”

Dat is een “onvoorzichtige” uitspraak die natuurlijk  door allerlei creationisten zal worden  ge-quoted
( Nu door  bijvoorbeeld ..de( Belgische YEC-er ) Oneof   ,naprater  van    de (Nederlandse  fundamentalisten van   ) Schepper en zoon  (3)

Creationisten  zijn er natuurlijk,  ook zonder die quote,   al  als de kippen bij__ zoals een korte  lezing van lezersbrieven en reacties op blogs laat zien  ____ om te  verklaren dat  ;

” Vreemd  ,dat  octopussen  er na al die miljoenen jaren nog hetzelfde uitzien. “(3**)
en ook Harun Yayah  volgelingen zullen het gegeven beslist  gaan gebruiken 


°


Maar creationisten   vergeten een bepaald  gedeelte   van de anatomie dat  kompleet anders  is dan van  de huidige  octopussen  :
Er  is zelfs  geen enkele andere  huidige koppotige( cephalopoda )  die   een  zelfde   GLADIUS  bezit   als dit fossiel . 
°

Deze  fossiele en  de huidige octopussen  gelijken  alleen oppervlakkig  op elkaar .
Het kompleetste  fossiel  bezit een  herkenbaar  vestigale  schelp  de gladius

http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/18/octopods-from-the-cretaceous/

De gedetailleerde  schets (rechts ) met de  vestigale gladius  van het holotype, MSNM i26320a 


holotype, MSNM i26320a

(Click for larger image)
Keuppia levante sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâdjoula (Lebanon). A,
holotype, MSNM i26320a. B, sketch of the holotype

PZ MEYERS  :
” ….there is a shell gland a chitinous chunk of vestigial shell called the gladius…”

Gladius/Zwaard. 
Hoornige, veervormige schelp van inktvissen. 
Komt overeen met de opperhuid van een schelp.
 http://www.soortenbank.nl/soorten.php?so

(PZ MEYERS )
Octopods also have something similar, but in modern forms it is reduced to a delicate little rod-like bar, nothing more.

Note that in Keuppia above, the gladius is relatively robust — it looks like a pair of clamshells imbedded in the head. Next, here’s another of the specimens found in this locality, Styletoctopus annae.
Look at the gladius here. “

i-4c45d63a0a312e034a823a85d9e7fe0a-styletoctopus.jpeg

Styletoctopus annae sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâqel (Lebanon). 
A, specimen MSNM i26323. B, close-up of A showing the imprints of the stylets situated in the lateral mantle sac.

–> Deze ontdekking  is eveneens  biezonder omdat   het hier  gaat   om de   zoveelste (zogenaamde  )” transitionnal  “(4)
*het fossiel bevat een mix  van kenmerken  (= een mozaïk )
*K.Levante   bezit  een tweedelige  robustere  versie  van een vestigale  gladius , ( in elk geval  robuuster  dan de rudimentaire gladius-resten van de   huidige   leden  van de  moderne Familie Octopodidae

(nota ) Er wordt soms een andere classering gebruikt  waarbij  de hier  in dit  artikel en figuur  gebruikte 
(Engelse )Octopoda —>  =  ( ned ) Onderorde Incirrina (octopoda)     ,   (Engelse )   Ciroctopoda  —-> =  (ned) OnderordeCirrina  )

” ….If you put these data together with other observations of even older cephalopods, including more squid-like forms, you get a picture of an evolving morphology from an ancestral unpaired shell to a divided form to spread-apart lateralized stylets to the modern, even more reduced form…..”
i-84a4f08733ca149207ee361c9b486c52-oct_phylo.jpeg

(Click for larger image)

http://geology.about.com/b/2009/03/18/fossil-octopus-really.htm
http://www.sciencedaily.com/releases/2009/03/090317111902.htm
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/octopods_from_the_cretaceous.php
http://www.msnbc.msn.com/id/29757659

abstract 
NEW OCTOPODS (CEPHALOPODA: COLEOIDEA) FROM THE LATE CRETACEOUS (UPPER CENOMANIAN) OF HÂKEL AND HÂDJOULA, LEBANON
Authors: FUCHS, DIRK1; BRACCHI, GIACOMO2; WEIS, ROBERT3
http://www.ingentaconnect.com/content/bpl/pala/2009/00000052/00000001/art00005
Evolutie van giften
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/04/cephalopod_venoms.php

____________________________________________________________________________________________________________________________________

NOTEN EN COMMENTAREN

(1)
Keuppia levante gen. nov., sp. nov.,
Keuppia hyperbolaris gen. nov,. sp. nov.
Styletoctopus annae gen.

(2)
De    COLEOIDEA   bezitten echter  wel een   inwendige ( meestal  brose ) schelp =de  meeste  fossiele cephalopoden   werden voornamelijk  (en worden nog )  door paleontologen gedetermineerd  aan de  hand van de (uitwendige ) ” schelp“(bv.ammonieten )
en de inwendige schelp ( bv.Belemnieten )
Bij octopussen ( die tot de  Coleoidea  behoren  )  is dat een klein beetje  anders

http://www.geologie.ac.at/filestore/download/BR0046_045_A.pdf
(waaruit )
“…..Their (= the octopoda) evolution can be demonstrated by allometric growth and reduction of the middle field of the gladius.  ”
Toch zijn  fossielen van  weke delen  van organismen ___en van erg vluchtige  voorvallen ____ bewaard  gebleven  ….
er  zijn  bijvoorbeeld  “fossiele”  regendruppel-inslagen en voetafdrukken  in  vulkanische  as bewaard gebleven ; om nog maar te zwijgen van  allerlei  sporen  van dino’s
Er zijn ook  kwallen en” weke “skeletloze  overblijfselen  van andere  precambrische organismen bekend  –> bijvoorbeeld   Dicksonia

(3) Bijvoorbeeld de Nederlandse  YEC creationist  ;  Schepper & zoon heeft het  ook  over
Van ‘primitieve’ octopussen werd verondersteld dat ze vlezige vinnen aan hun lijf hadden, maar daarvan werd niets gezien bij deze fossielen, hoewel ze uitzonderlijk goed bewaard zijn gebleven.”
maar dat is mogelijk  een afleidings-manoeuvre (of een niet terzake doende  opmerking   , die alleen maar  een of andere    veronderstelde  (hypotghetische) “primitieve “octopus-voorouder   verder  weg  doet plaatsen  in de tijd  …)
Waar het om gaat is  de  vestigale  GLADIUS ( in vergelijking met de  rudimentaire  gladius-resten   van tegenwoordige octopus-soorten ) ,maar  daarover zwijgt men  …..

(3**)
Hier vind je enkele  antwoorden aan   (amerikaanse ) creationisten
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/in_which_i_am_woefully_accurat.php
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/even_dumber_than_denyse_oleary.php
Omdat nederlandstalige   creationisten veelal   clonen zijn van “amerikaanse”voorbeelden  , is het verantwoord te verwijzen naar  de
antwoorden  van de  amerikaanse “debunkers ” :  je zit dan meteen aan de bron  van die “eindeloze discussies ” …

( vertaalde  samenvatting uit bovenstaande  blogposts  )
a-
“…….Creationisten  beweren  dat   deze  nieuwe   vondsten  een  “voorbeeld zijn van  stasis ”  ( bijvoorbeeld hier –>  false conclusion that this is an example of stasis  )….
Maar  dat is niet zo  : deze fossielen zijn duidelijk verschillend van moderne vormen

  ( amerikaanse )Creationisten  beweren  verder , op grond van die valse conclusie ,   dat ;
De
 octopus (vulgaris?  ) “helemaal niet evolueerde  “

Noteer echter dat het bezit van  acht  tentakels   ,  een zeer algemeen kenmerk is van  de  octopodiformes   ….
De evolutionaire   veranderingen  die worden  beschreven kan je niet zomaar   verwerpen  omdat
je meent   dat  ”  alles met acht “armen “bezaaid  met herkenbare zuignappen   , wel hetzelfde soort  schepsel moet zijn  ”
Er zijn meer dan 200 verschillende  species opgenomen   in de familie Octopodidae, en er staan  meer dan  100  specima  te wachten op verdere  beschrijvingen en classificatie in die  familie   ___er zijn ongetwijfeld nog meer octopodidae  die op ontdekking wachten .
De octopodidae  zijn  van een  ongelofelijk diversiteit ( en dat alleen al wijst op een zeer  hoge ouderdom van hun  gemeenschappelijke  voorouder  met andere  octopusachtigen ( waarvan velen ook acht  “armen “bezitten  )

Deze blinde beunharen  en  morosofe  kwaks ( of misschien wel  regelrechte leugenaars ?) doen eigenlijk  steeds hetzelfde  .
Zo zouden  ze  ___ eenzelfde redeneertrant volgend ____ook  gemakkelijk  de paleontologen erop kunnen wijzen  dat  ;
Er   GEEN  evolutie heeft plaatsgevonden  , omdat  365 miljoen oude  tetrapoda …… net als  alle hedendaagse   zoogdieren  nog  steeds  vier  ledematen bezitten …..”

(Mijn commentaar )
In feite is  het hier aangevoerde  creationistische ” bezwaar ” de aloude mantra  :
” Hoe  gegeven  organismen  ( zoals hier  , de octopussen )   ook mogen varieeren
ze blijven  octopussen   ( = een bijbelse “geschapen  “soort   of  “baramin ( baranoom  )”
waarbij  micro-evolutie  wordt aanvaard  en macroevolutie  ontkent
(micro en macro evolutie uiteraard in de creationistische terminologie  / betekenissen  )

(anderen )
* Veel  volwassenen kennen  nauwelijks   het verschil  tussen  een  spin, een insect en  zelfs kleine schaaldiertjes  (= pissebedden ) ;
Ze  vatten dat alles  gemakshalve samen als  het   te verdelgen    “klein kruipend   (on)gedierte ”  :  de  “beestjes ”
Deze creationistische  artikels tonen  nogmaals aan dat  hun doelgroep  diegenen   zijn  met het grootst mogelijk  onbegrip  over de natuur  ___
en die er het meest  over willen  vertellen  . Ze  vinden  dat zij  serieus  moeten  worden  genomen   als  plaatselijke  “autoriteiten” ter zake  …
zelfs als ze worden herkend als  ignoramus
Iets waarop  creato’s  inspelen  opdat ze hun meningen  ( met een grote portie  populair appeal ) als  “wetenschappelijk valabele  en verantwoorde   kritiek  ”
verder kunnen slijten

*” ….De 95 miljoen-jaar-oude octopus evolueerde  uiteindelijk niet  als  puntje bij paaltje komt ” ( Denise O’Leary  )
Echter  deze gevonden  octopus is een  basale vorm  uit de  orde  der  octopoda ____net zoiets  als… de   afstand maki-Mens .
Iemand moet een  classificatie-cursus   volgen

.*…de morfologische  verschillen tussen de  voorbeelden  uit het krijt    en   de  moderne octopodae zijn op zijn  minst even  divers  als die tussen  chimpansees en mensen.
Indien er slechts  micro evolutie en variatie is  opgetreden in het  inkvis -baramin ….wat is dan  de reden  om  de mens NIET te zien als een variatie  van de chimp ? (of omgekeerd )

*Zelfs als de fossiele octopus morfologisch  identiek  moest  zijn   ( wat hij  niet IS )  aan eigentijdse , zou dat nog  niets zeggen  over  de genetische drift , welke zich niet noodzakelijk  dient te manifesteren in de  restanten van de  fysieke verschijning

b.-

(creato )
1  “Wetenschappers  zijn in verwarring   gebracht door de vondst  van  het recentste fossiel ”
2″ Het is een octopus die zij  op 95 miljoen  jaar oud hebben geschat  ”
3 “en,weet je  wat?
Het  ziet eruit als een moderne  hedendaagse  modern  octopus –  kompleet  met acht armen , met rijen zuignappen   en zelfs sporen van inkt. ”
4 “Het lijkt erop  dat in al die tijd  de octopus niet  is  geëvolueerd  – niet eens  één uiterst klein beetje.
 ”

(PZ)
1.- Wetenschappers  zijn helemaal   niet  door deze ontdekking in de war  gebracht.
2.-  Oppervlakkig gezien is dit juist
Alhoewel  – ze ” schatten”  het niet (zonder onderbouwing )  op – 95 miljoen jaar .
De creationist  probeert de indruk te wekken dat het hier omeen blote gissing  (= slechts een “‘claim”)gaat …
Het is een conclusie die door het geologische  bewijsmateriaal wordt gesteund.
De vondst is gedaan in een geologische formatie die minstens al honderd jaar bekend is  en  telkens weer  is gedateerd en gekontroleerd
3 .-Er zijn honderden octopus-soorten
De hierboven vermelde  beschrijving van de “octopus ”  is van kleuter niveau  ,een vierjarige die  met een kleurpotlood iets krabbelt
De fossielen  (er waren verscheidene geïdentificeerden species) lijken NIET  op  moderne octopods, maar hebben verscheidene veelbetekenende verschillen.
4 .-Compleet  vals.
De creationist heeft het wetenschappelijke   paper ( en uiteraard de argumenten ) niet gelezen  dat deze fossielen in de  lange geschiedenis van evolutieve veranderingen
en  vertakkingen binnen het   geslacht (plausibel )  inpast.

Ik kom toch nog eventjes terug op die  Schepper&zoon -figuur
die schrijft  o.a.   in het kader  van  een   soort  persoonlijk  kommentaar  op een  creationistisch  bewerkt  artikel over deze vondsten ;
Een evolutionaire voorloper van deze beesten kan niet worden getoond en in 95 miljoen jaar zou er niets aan ze veranderd zijn,
terwijl in diezelfde tijd dino’s in vogels veranderden.
Hier is iets niet in de haak als je het mij vraagt.”

1.- de evolutionaire voorloper  van “deze beesten”   is nog niet met zekerheid bekend …..heilaas zal  ook deze voorloper  niet worden  herkend  daar geen enkele van  al “deze beesten ” een   identiteitskaart op zak  heeft  of een  trouwboek  bezit
..Een beschrijving  , robotfoto’s    van   een mogelijke  kandidaat  binnen een  bekende  fossiele   groep waaruit ” deze  ( nu gevonden  fossiele)beesten ”   kunnen zijn voort gekomen , is echter  wél voorhanden
2.-” er zou niets veranderd zijn “=  is een  tendentieuze  sxuggestie die   een  ordinaire  ,   verdraaiende  leugen  tracht te  verbergen    – De huidige  verwanten /  collaterale  afstammelingen  van die  beesten  zijn dus wél veranderd  …  de gevonden  fossielen en  de hedendaagse octopussen  zijn  morfologisch  /anatomisch  wel  degelijk andere beesten
, terzelfdertijd vertonen ze ook veel  gelijkenissen  ….nogal duidelijk  toch ?
Lees   trouwens  de” paper ” , zodat je er iets meer  van afweet  dan de schijver van die creato- kwakkels en suggestieve truuks   …
3.-  Vogels  ZIJN  de   huidige  nog levende  dino’s….Niemand weet  op welk moment  of tijdstip  (een ) afstammingslijn( en ) uit  een bepaalde dino -groep  is afgetakt  die dieren heeft opgeleverd die men  “vogels” kan noemen ….Die creato  weet dat  blijkbaar wél ?
alhoewel  hij niet in evolutie “gelooft “( evolutiekunde   is trouwnes  geen geloof maar  een  interdiciplinaire wetenschap !!!   )
Er is echter  wel degelijk  genoeg  fossiel ( en  ander  vergelijkend ) materiaal  om de link   theropoda -moderne vogels , te kunnen maken  en te  ondersteunen …
4.- Wat hier ” niet in de haak”is ?   De  moedwillige onkunde   en  de mogelijke  leugenachtigheid  van deze creationist ….is voor iedereen duidelijk

(4)
Eigenlijk  is elk  fossiel (en  extant organisme )een ” transitionnal “ …
*
De term ( in het biezonder   het creationistische weggevertje  ” missing link “  )
heeft   bar  weinig  te  maken met  de wetenschap  zelf  maar  alles met  opherklopte en   sensationele persberichten  erover

——————————————————————————————————————————————————————————————————–

andere  CEPHALOPODA  

APPENDIX
(OPGEPAST  !!! de  volgende   artikels   zijn  wel   iets   verouderd  sinds deze nieuwe  vondsten  )

(Victor Strijdbos ) 

Evolutie van de Cephalopoda.
De oudste Cephalopoda zijn vermoedelijk ontstaan uit de monoplacophora, de oermollusken. Het lichaam verlengde zich in dorsoventrale richting en de voet verplaatste zich naar de kopstreek.

mollusca-phylog



Mogelijke evolutie series binnen de  mollusca 

evolutie mollusca(naar Salvini-PLawen )

crown group  and ancestors

crown group and ancestors 

°De mogelijke evolutie van de oermollusk  naar de Cephalopoda.

De voet ontwikkelde zich tot een nieuw bewegingsysteem, er vormden zich tentakels en 2 over elkaar liggende lappen, die samen een trechter vormen. Het dier bezit tentakels welke aan zijn kop bevestigd zijn, vandaar koppotigen. Uit deze traag voortbewegende vorm van Cephalopoda hebben zich weer actievere soortgenoten ontwikkeld. Een aantal tentakels reduceerde naar stevige armen en de trechterlappen vergroeiden met elkaar. De ingewandenzak werd nog langer, de mantel overgroeide de schelp die geleidelijk kleiner werd. Er zijn ook Cephalopoda met een inwendige schelp, zoals o.a. bij de belemnieten.

De uitwendige schelp, een ronde- of ellipsvormige conische rechte of opgerolde buis, is verdeeld in kamers. Een goed voorbeeld vanrecente Cephalopoda met een uitwendige schelp is de nautilus

Een ammonoida

ceratites

CERATITES 

nautilus 2

Nautilus

en met een inwendige schelp de sepia.

sepia zeekat
De uitwendige schelp van de Ammonoidea en Nautiloidea, werd omgevormd tot een hydrostatisch orgaan.
Bij Cephalopoda met een inwendige schelp verloor de schelp de drijffunctie.
De schelp werd achteraan verzwaard door materiaalafzetting, hierdoor krijgt men een betere gewichtsverdeling.
Het dier werd duidelijk mobieler en kon zich ook sneller horizontaal bewegen.

°
De evolutie ging nog verder,
nog meer actieve Cephalopoda reduceerden de schelp tot een dunne hoornpen zoals bij de pijlinktvissen.
Snel zwemmende Cephalopoda verloren hun schelp volledig, zoals bijvoorbeeld bij de Octopoda

Indeling van de Cephalopoda

De klasse Cephalopoda wordt onderverdeeld in 3 ordes: Ammonoidea, Nautiloidea en Coleoidea.
Ammonoidea hebben een uitwendige schaal, meestal planispiraal. De sutuurlijn is meestal complex en er is een eenvoudig siphokanaal aan de buitenrand van de venter.
Nautiloidea bezitten ook een uitwendige schaal, de sutuurlijn is eenvoudig en er zijn complexe siphonale trechters. Het siphokanaal ligt in het midden van de septa.


mollusca-nested-hierarchy

Bestand:Cuttlebone.jpg
Coleoidea
hebben een inwendige schaal, ( het zogenaamde “zeeschuim” ) zoals bij sepia.
de  sepia is trouwens  ook  een  achtarmige inktvis

Als fossiele Coleoidea denken wij aan de belemnieten.

Nautiloidea en Coleoidea zijn recent nog vertegenwoordigd.


OVERZICHT  OCTOPUS EVOLUTIE

http://www.tonmo.com/science/fossils/fossiloctopuses.php

 tree-of-life-mollusca
Phyllum MOLLUSCADE CLASSIFICATIE  VAN DE CEPHALOPODA  IS NOG STEEDS NIET  AFGEWERKTBOVENDIEN WORDEN OUDE EN NIEUWE  CLASSIFICATIE- SCHEMA’S ( EN VOLGENS DE  VERSCHILLENDE  TAALGEBIEDEN  ) NOG STEEDS  DOOR ELKAAR GEBRUIKT ( ook in de wetenschappelijke  publicaties  !!!  )…..1.- Encyclopedia of Life
http://www.eol.org/pages/2312Molluscs +

http://www.tonmo.com/science/public/vampyroteuthis.php

 

MICROBIEELE ZWARTE MATERIE

°

 zie onder GENETICA     

°

LUCA  ;  °LUCA voorlopig nog denkbaar  <—doc archief  

Deel microbiële zwarte materie in kaart gebracht

Wetenschappers hebben het DNA van 201 niet eerder bestudeerde eencelligen in kaart gebracht. Deze resultaten werpen een nieuw licht op de stamboom van het leven.

Een beschrijving van deze micro-organismen verschijnt zondag in Nature.

In totaal leverden de DNA-analyse van de cellen afkomstig van verschillende plekken op aarde 201 nieuwe soorten op. Alle 201 geanalyseerde cellen maakten deel uit van niet eerder beschreven takken van de stamboom van het leven.

Die stamboom beschrijft de relaties tussen alle soorten organismen die in de loop der evolutie ontstonden.

Enzym

De onderzoekers analyseerden bacteriën en archaea,  Opmerkelijk was dat de bacteriën over eigenschappen beschikten die tot nu toe alleen aan archaea werden toegedicht en vice versa.

Zo bleken de archaea een enzym te hebben om inkepingen in de eigen celwand te kunnen maken zodat celdeling makkelijker wordt. Mogelijk hebben ze  deze eigenschappen verkregen door uitwisseling van genetisch materiaal.

Zwarte materie

Naar schatting leven er miljoenen soorten micro-organismen op aarde, waarvan de overgrote meerderheid nog nooit bestudeerd is, vandaar dat ze ook wel de microbiële zwarte materie genoemd worden. De meeste micro-organismen laten zich niet gemakkelijk kweken in een lab en bestuderen in het wild is onmogelijk.

Sinds een paar jaar gebruiken wetenschappers DNA-technieken om toch meer te weten te komen over al deze micro-organismen. Een veelgebruikte methode is het lukraak in kaart brengen van DNA uit bijvoorbeeld een klein beetje slootwater en daaruit herleiden wat voor soorten organismen er in dat water rondzwommen. Nadeel van die methode is dat je het genetisch materiaal nooit tot op de individuele soort kunt herleiden.

Lasers

Het Amerikaanse onderzoeksteam gebruikte een methode waarbij het bestuderen van één aparte soort wel kan: met behulp van lasers selecteerden ze steeds één cel vanuit een bepaalde populatie en haalden er vervolgens het DNA uit. Op deze manier verzamelden ze 9000 cellen van bacteriën en archaea uit onder meer de Stille Oceaan, een mijn in South Dakota en van de noordoostkust van Hawaii.

De 201 soorten vormen puzzelstukjes om de genetische stamboom des levens verder in te vullen. Het invullen daarvan staat nog aan het prille begin, benadrukt onderzoeksleider Tanja Woyke.

“Om de helft van de nu bekende diversiteit in kaart te brengen moeten we nog van 20.000 soorten het DNA in kaart brengen. En dan heb ik het nog niet eens over de diversiteit waarvan we nog geen weet hebben”, stelt Woyke.

Door: NU.nl/Jop de Vrieze

COMMENTS 

° 1
Uiteindelijk toont dit artikeltje aan dat huidige wetenschappers zich niet meer druk bezig houden met het ” theoretische en materieel bewijzen van de evolutie”?
( gevonden en opduikende fossiele bewijsstukken voor de evolutie en genetische sporen * ervan blijven overigens wel erg belangrijke vakgebieden )
Dat is een gepasseerd station … alleen creationisten zitten daar nog op gefocust en vastgeroest
Waar wetenschappers nu mee bezig zijn is uitvogelen *hoe* evolutie precies werkt, en ” hoe het leven op Aarde”is geëvolueerd. en dat is een enorme puzzel

*Moderne(ge- update ) Evolutie-theorie is eigenlijk een onderdeel van de genetica (= o.m. fylogenetica , de zoektocht naar genetische fossielen in genomen en vergelijkingeen van genomen ….. etc …etc …. )

°2
In deze studie: werden nieuwe en diepe vertakkingen (phyla en superphyla) in de lijnen van de Archaea en Bacteria en onverwachte overeenkomsten tussen groepen, die aan lateral gene transfer worden toegeschreven. , gevonden
Maar geen nieuwe soorten dus die een nieuw domein (naast Archaea, Bacteria en Eukaryota) van het leven zouden moeten vertegenwoordigen  …

( —> Misschien 201 nieuwe soorten  maar wel ( tot nu toe )  behorend tot de klassieke  “oude “rijken   ?

( *)Volgens  Craig Venter  behoren zeer veel  extante   “nieuw-ontdekte  “( en te ontdekken )  micro -organismen mogelijk  tot autonome en verschillende  takken van de ongekende  levende oermaterie ( waarvan we niet eens weten  of ze al dan niet onafhankelijk  ” de novo” /abiogenetisch  zijn onstaan

 

°°°—> Comments op deze  video  waarvan vooral de titel ( creationisten ? ) misleidend is ….

.Craig Venter ontkent de  ” one tree of live  “helemaal  niet ( en al helemaal niet  wanneer men die beschouwd als de stamboom van alle  “hogere organismen” )…. maar  hij vecht wél de(verouderde ) visie aan  die  haar   wortels heeft   in een enkele  (theoretische )LUCA  oorsprong ……De ( onzichtbare en microbieele ) wortels zijn volgens hem misschien  = netwerken = a bush of life  … die niet noodzakelijk  een  enkele gemeenschappelijke  afstamming kennen  ……

In elk geval bestaan er  verschillende  genetische codes  ( of variaties op de  genetische codes )  en zijn er in alle geval in de oceanen ( door Venter  en co   )   organismen ontdekt  die de  sequenties van hun genomen  baseren  op een ander  biochemisch ” alfabet”( zie ook —> synthetische biologie en  de   verwarring scheppende discussies  met IDC-ers  en ” fine Tuners ”  rond de “optimale ” of beste code,( hier op onzer planeet )  die noodzakelijk  moet geschapen zijn door een Intelligent Designer)     dan het gebruikelijke  ….

Of de  verschillende   microbieele  “de novo”  stamlijnen  die het  wortel-netwerk vormen , in staat zijn( of waren )tot  Laterale gen transfert  bespreekt Venter  NIET   in dit korte video  fragment 

http://sandwalk.blogspot.be/2013/02/craig-ventor-discusses-tree-of-life.html

° 3
We zijn nog lang niet toe aan het “vinden  door eliminatie  van een of ander(theoretisch) LUCA -genoom ; het was /is überhaupt nog een groot raadsel….en deze studie maakt het “vinden van de luca essenties( als die al bestaan ) ” weer verder weg dan ooit

De eukaryoten, zoals we die nu kennen, worden wel verondersteld een symbiose te zijn tussen
1) een “oer-eukaryoot”, mogelijk een uitsluitend op RNA gebaseerde levensvorm, een
2) bacterie
3) en archeon.
Een consequentie daarvan is dat we ook zouden moeten veronderstellen dat het leven (replicerende cellen onderhevig aan mutatie en natuurlijke selectie) meer dan één keer zouden zijn ontstaan (op aarde of daarbuiten).

° 4

 

 

°(Roots of ) the tree of life

http://sandwalk.blogspot.be/2013/07/what-should-we-teach-about-tree-of-life.html
http://sandwalk.blogspot.ca/2007/03/web-of-life.html

 

Theme
The Three Domain Hypothesis
http://sandwalk.blogspot.be/2007/05/theme-three-domain-hypothesis.html

_http://sandwalk.blogspot.be/2013/07/the-largest-prokaryotic-genomes.html

– Contradictory Phylogenies for Cyanobacteria
http://sandwalk.blogspot.be/2013/07/contradictory-phylogenies-for.html

PAARDEN

paardenevolutie   <— doc archief

 

‘verre voorouders van onevenhoevigen   ontstonden in India’

An artist’s depiction of Cambaytherium thewissi.
Credit: Elaine Kasmer

Paleontologen hebben in India de 54,5 miljoen jaar oude fossiele resten gevonden van een voorouder van het paard, de neushoorn en de tapir.

AUTEUR: LISA DUPUY FOTOGRAAF: ELAINE KAMSER; NATURE

De vondst toont volgens onderzoekers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KNIB) en Amerikaanse en Indische collega’s aan dat de onevenhoevigen in India ontstonden. Dat schrijven ze deze week in Nature Communications.

Verste voorouder
Het team heeft in totaal meer dan tweehonderd fossielen opgegraven. De tanden, schedels en botten zijn van een primitief zoogdier dat ze Cambaytherium thewissi hebben genoemd. Het dier heeft zowel kenmerken van de huidige onevenhoevigen, maar ook van primitievere dieren. Vooral de tanden, het heiligbeen en de hand- en voetbeentjes duiden op een primitief dier. De vondst biedt dus een “blik op hoe de verste voorouders van paarden en neushoorns eruit moeten hebben gezien”, aldus Thierry Smith, de paleontoloog van het KNIB die het onderzoek leidde. “Zo dicht bij de oorsprong zijn we nog niet geerder geweest.”

 

skull an teeth  of cambaytherium

 

Beeld: Nature. De schedel, onderkaak en tanden van Cambaytherium thewissi. De fossielen laten een “mix” zien van kenmerken van moderne paarden en een primitiever dier, zoals de tanden. 

Cambaytherium thewissi leek op een klein paard en woog waarschijnlijk tussen de 20 en 35 kilo. Het primitieve paard at planten vruchten en grassen. “Later in hun evolutie zijn ze op alleen maar grassen overgeschakeld”, zegt Smith.

India in het vroege eoceen
De fossielen stammen uit het vroege eoceen en zijn 54,5 miljoen jaar oud. Cambaytherium is nergens anders gevonden, wat erop duidt dat India toen een geïsoleerd gebied was – een eiland dat was losgescheurd van Madagaskar, en richting het huidige Azie dreef

 

http://www.readcube.com/articles/10.1038/ncomms6570?utm_campaign=readcube_access&utm_source=nature.com&utm_medium=purchase_option&utm_content=thumb_version&show_checkout=1&tracking_action=preview_click

 

Perissodactyla trees

http://www.sciencedaily.com/releases/2014/11/141120081752.htm                     http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap

http://phenomena.nationalgeographic.com/2014/11/25/fossil-beast-helps-fill-the-backstory-of-horses-tapirs-and-rhinos/

Cambaytheridae  

Klik om toegang te krijgen tot new_early.pdf

 

°

Paardenfossiel van 47 miljoen jaar oud hield nog kleine verrassing verborgen

JOERI VLEMINGS11-11-14, 20.40uBron: Huffington Post
©Senckenberg Research Institute Frankfurt

Twaalf jaar geleden ontdekten paleontologen een fossiel van een voorhistorisch paard van maar liefst 47 miljoen jaar oud. In het millenniumjaar waren zij zich niet bewust van de kleine verrassing die het dier nog in petto had. Blijkt nu dat de merrie drachtig was.

De huidige X-stralen-technologie met hoge resolutie legt de zwangerschap van de Eurohippus messelensis onomstotelijk bloot. De merrie was in de laatste fase van de dracht, zo laat de grootte van het ongeboren veulen zien. De positie van het babypaardje sluit ook uit dat noch moeder noch kind omkwamen tijdens de bevalling.

“Bijna alle beenderen van de foetus bevinden zich op hun oorspronkelijke plaats“, zeg dr. Jens Lorenz Franzen van het Senckenberg Onderzoekscentrum in Frankfurt. “Alleen de schedel is verbrijzeld”, zegt Franzen, leider van het onderzoeksteam.

Het is nog maar het tweede bekende fossiel waarvan de placenta te herkennen valt. De afmetingen doen vermoeden dat het prehistorische paard ongeveer zo groot als een fox terriër was. Het voortplantingssysteem is grofweg hetzelfde gebleven bij de veel grotere paarden die we vandaag kennen.

De overblijfselen werden in 2000 ontdekt in het Duitse Messel Pit, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Frankfurt, waar meer dan 1.000 fossielen van planten en dieren gevonden werden, tot wel 57 miljoen jaar oud.

Wetenschappers denken dat een oud meer op de site giftig vulkanisch gas bevatte dat heel wat dieren doodde, waaronder de Eohippus-soort. Door het gebrek aan zuurstof op de bodem van het meer braken anaerobe bacteriën de karkassen af om een opvallend gedetailleerd en intact fossiel over te houden.

 

http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/1651601.stm

Walking With Beasts, BBC

 

°

 

 

 

Evolutie van een nobel dier   <— NADARWIN 

http://web.archive.org/web/20070930185026/http://www.nadarwin.nl/FB/paarden.html

( ANTI CREATO)  vooral ook  —>   tussenvormen bestaan niet ( een  uitgebreid   word -document dat apart inplakbaar is op gelijk welke internet pagina  en /of discussieplatform )

horse-evolution

 

File:Equine evolution.jpg

‘Archaische Paarden ( EQUUS ) ontstonden vier miljoen jaar geleden’

27 juni 2013

http://en.wikipedia.org/wiki/Evolution_of_the_horse

This image shows a representative sequence, but should not be construed to represent a “straight-line” evolution of the horse. Reconstruction, left forefoot skeleton (third digit emphasized yellow) and longitudinal section of molars of selected prehistoric horses

Horseevolution

°(UPDATE  )

°

De  ” equus” Paardenlijn   takte waarschijnlijk twee miljoen jaar eerder  af  dan gedacht, zo blijkt uit DNA uit een prehistorisch paardenbot dat is gevonden in Canada.

Horse-fossil

oeroud paardenbot© Ludovic Orlando

Deze twee stukjes paardenbot zijn omstreeks 700 duizend jaar oud en bevatten genoeg leesbaar DNA om de hele genenkaart van het dier te reconstrueren.

Het bot is afkomstig van een paard dat ongeveer 560.000 tot 780.000 jaar geleden leefde. Op basis van een vergelijking tussen genetisch materiaal uit het fossiel en de genen van moderne paarden kan worden aangenomen dat de eerste archaische paarden ongeveer vier miljoen jaar geleden ontstonden.

Daarmee zijn paarden twee miljoen jaar eerder geëvolueerd dan tot nu toe werd aangenomen. Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

IJsbeer

Het prehistorische paardenbot is gevonden in het noorden van Canada in een permanent bevroren laag van de aarde, waardoor het DNA in het fossiel relatief goed bewaard is gebleven.

De wetenschappers onttrokken het genetisch materiaal uit het collageen van het bot. Met speciale technieken slaagden ze erin om de DNA-volgorde te reconstrueren. Dat is uitzonderlijk gezien de ouderdom van het fossiel.

Het oudste bot waaruit tot nu toe DNA was onttrokken, was afkomstig van een ijsbeer die ongeveer 110.000 tot 130.000 jaar geleden leefde. “We hebben die tijdsbarrière nu doorbroken”, verklaart hoofdonderzoeker Ludovic Orlando op Nature News.

Wanneer een organisme sterft, kunnen de DNA-moleculen bewaard blijven. Niet als volledige chromosomen, maar wel als korte stukjes. Dit is te vergelijken met een puzzel. Wetenschappers moeten de puzzelstukjes op de juiste manier in elkaar leggen om het totaalplaatje te zien. Des te ouder het fossiel, des te minder ‘data’ blijft er over om het genoom in kaart te brengen. De puzzel wordt dus alsmaar lastiger.

Analyse
De wetenschappers analyseerden de botresten van het paard en vonden aminozuren. “We werden direct enthousiast, omdat dit een sterk teken was dat er nog eiwitten aanwezig waren”, vertelt onderzoeker Dr. Orlando. “Toen we even later bloedeiwitten ontdekten, begon het onderzoek veelbelovend te worden.” De onderzoekers vonden een klein beetje DNA, maar het was genoeg om het volledige genoom inzichtelijk te krijgen.

De eerste paardachtige
Door het genoom te vergelijken met het genoom van een 43.000 jaar oud paard, zes hedendaagse paarden en een ezel, stellen wetenschappers vast dat de voorouder van alle moderne paardachtigen ongeveer vier tot 4,5 miljoen jaar geleden op het toneel verscheen. Voorheen dachten onderzoekers dat de eerste moderne  paardachtige pas twee miljoen jaar geleden op aarde galoppeerden . Er moet dus een en ander ge-updated worden

Terug in de tijd
“Dankzij nieuwe technologieën kunnen we nu tien keer verder terug in de tijd kijken”, zegt professor Willerslev. “Hierdoor kunnen we de evolutionaire geschiedenis van dieren beter ontrafelen.”

Przewalskipaard

http://en.wikipedia.org/wiki/Przewalski%27s_horse

File:Przewalski's Horse, Dubbo Zoo, c 2005.jpg

Op basis van de prehistorische paardengenen kunnen de Deense onderzoekers inschatten hoe de de populatie van wilde paarden varieerden  in de loop der tijd. Vooral in klimatologische periodes waarin veel graslanden ontstonden, groeide het aantal paarden waarschijnlijk. In tijden van extreme kou krompen  de populaties.

Uit het gereconstrueerde DNA blijkt verder dat het oorspronkelijk uit Mongolië afkomstige Przewalskipaard genetisch gezien het enige overgebleven wilde paard op aarde is.

Przewalskipaarden waren in in de jaren zestig bijna uitgestorven, maar met behulp van een speciaal fokprogramma is de soort weer nieuw leven ingeblazen. ……  De dieren zijn onder meer uitgezet in  het Nederlandse  Natuurpark Lelystad.

 

Oudste DNA-analyse: van 100.000 naar ca. 700.000 jaar oud

Przewalski's paard en veulen

Deense onderzoekers slaagden er in om DNA te extraheren uit botten van een paard dat 580.000 à 760.000 geleden leefde in Yukon, Canada. Ze konden het genoom van dit paard terug samen stellen. Dit kon lukken omdat de botten in de permafrost, 700.000 jaar oud ijs, bewaard bleven.
Het vorige record voor DNA-analyse van 100.000 jaar oude botten kwam van een neanderthaler in Scladina (Sclayn) , België. (1)
De vondst in Yukon werd vergeleken met die van 43.000 jaar oude paardenbotten, DNA van hedendaagse paarden en de aan het paard verwante ezel. Daaruit kon men afleiden dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle paardachtigen (waaronder ook zebra’s en onagers) 4 à 4,5 miljoen jaar geleden leefde. Dat is dubbel zo lang als men tot voor kort aannam. Przewalski’s paarden splitsen van gedomesticeerde paarden af tussen 38.000 en 72.000 jaar.

Bron:
Ludovic Orlando et al., Recalibrating Equus evolution using the genome sequence of an early Middle Pleistocene horse, Nature (2013)

doi:10.1038/nature12323.

http://www.nature.com/nature/journal/v499/n7456/abs/nature12323.html

http://www.readcube.com/articles/10.1038/nature12323

 

°

 

°

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Domestication_of_the_horse

 

DOMESTICATIE 

 

 

 

Wetenschappers identificeren genen die paarden tam maakten

Wetenschappers hebben een groot aantal genen geïdentificeerd die de domesticatie van paarden mogelijk maakten.

Het gaat om 125 genen die fysieke en psychologische veranderingen teweeg hebben gebracht bij paarden.

De genetische mutaties zorgden er bijvoorbeeld voor dat gedomesticeerden paarden eigenschappen ontwikkelden als verminderde angst, sterkere spieren en een betere balans.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS.

 

Botten

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen door de genen van vijf moderne paardensoorten te vergelijken met DNA dat werd aangetroffen in botresten van enkele wilde paarden die 16.000 tot 43.000 jaar geleden in Siberië leefden.

Waarschijnlijk stammen alle moderne soorten af van deze wilde paarden, die inmiddels zijn uitgestorven.

Door een genetische analyse slaagden de onderzoekers erin om het domesticatieproces van de wilde paarden te reconstrueren.

 

Transport

“Wij leveren in deze studie een lijst van genmutaties die waarschijnlijk door mensen zijn gestimuleerd bij de domesticatie van paarden”, verklaart onderzoekster Beth Shapiro op nieuwssite ScienceDaily.

 

A man catches domestic Mongolian horses with a lasso in Khomiin Tal, Mongolia. Credit: Copyright: Ludovic Orlando.

A man catches domestic Mongolian horses with a lasso in Khomiin Tal, Mongolia.
Credit: Copyright: Ludovic Orlando.

 

 

 

 

“Het is een fascinerende lijst, omdat er enkele genen in voorkomen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van spieren en botten. Dit suggereert dat deze genen hielpen om paarden meer geschikt te maken om goederen te transporteren”, aldus Shapiro.

Maar ook het gedrag van de paarden veranderde vermoedelijk door de selectie van bepaalde genen. “We hebben ook genen geïdentificeerd die schrikreactie van paarden beïnvloeden”, aldus hoofdonderzoeker Ludovic Orlando. “Deze genen zouden wel eens de sleutel kunnen zijn bij het temmen van wilde dieren.”

 

Nadelen

De domesticatie van paarden zorgde ook voor nadelige genmutaties. De wetenschappers vonden bij moderne gedomesticeerde paarden meer genen die wijzen op inteelt dan bij de wilde paarden uit Siberië.

Waarschijnlijk ontstonden deze mutaties omdat de eerste gedomesticeerde paarden werden gefokt in een relatief kleine populatie.

http://www.nu.nl/wetenschap/3954555/wetenschappers-identificeren-genen-paarden-tam-maakten.html

Paarden Genen 

 

°

 

Paard al minstens  14000 jaar geleden tam gemaakt

 1 februari 2012
http://www.nu.nl/wetenschap/2729088/paard-al-14.000-jaar-geleden-tam-gemaakt.html

– Paarden zijn meerdere malen in de geschiedenis gedomesticeerd.

Dat schrijven Italiaanse wetenschappers van de universiteit van Pavia in PNAS.

De onderzoekers analyseerden mitochondriaal DNA van 83 paarden. Mitochondriaal DNA wordt alleen overgeërfd via de moeder en door het te bestuderen kon een van de oudste  voorouderlijke   Equus ferus  –oermerries die  mede aan de basis stond van de huidige tamme paardenpopulaties, (op theoretische gronden )worden gereconstrueerd …. die (nog wilde ) merrie moet zo ongeveer  tussen  140.000 tot 160.ooo jaar geleden hebben rondgelopen (1)

http://phys.org/news/2012-01-mtdna-modern-horses-ancestor-years.html

Omdat de huidige wilde (przewalksi) en  tamme  paarden ( volgens  hun chromosmengetal  ___en verder verfijnd door de nieuwe analyse  ) van elkaar verschillen, kan  bepaald worden wanneer de eerste tamme paarden een feit waren.

-chromosomen: ( wild )  Przewalskis —> 66,

– tamme paarden  ( inclusief verwilderde  paarden zoals mustangs en de uitgestorven Tarpan )—-> 64  chromosomen,

-de kruisingsprodukten   tussen beiden   —>65  chromosomen

Oermerries

De 83 onderzochte paarden kwamen van over de hele wereld: Azië, Europa, het Midden-Oosten en beide Amerika’s. Analyse van al deze paarden leverde niet één maar achttien mitochondriale clusters ( =18   haplogroepen  –>http://en.wikipedia.org/wiki/Haplogroup  ) op.

Dat betekent dat er meerdere (latere ?) oermerries moeten zijn  geweest , en  misschien ook dat het paard dus vaker dan een keer tam is gemaakt.

MAAR  

DAT  WORDT NU  BETWIJFELD DOOR  EEN   NIEUWE DNA -ANALYSE (ditmaal –>  NUCLEAIR  DNA van  monsters bij minstens 300 verschillende paarden uit alle windstreken     ZIE —> ( 2b )   ) 

……Uit de analyse bleek ook dat alle gevonden mitochondriale  haplo -groepen zo rond de 14.000 (2)  jaar geleden  al present  waren : verschillende  groepen mensen kwamen blijkbaar   op het idee om paarden te gaan houden en ze in te zetten voor transport, in gevechten en als voedselbron.

Met .andere.woorden

Alle  gevonden  haplogroepen  behoren tot het  neolithicum   en takken af van een (oudste) vrouwelijk ancestraal  mtDNA genoom  (130,000–160,000 ). Azie is de geboortegrond  van alle  (gekende ) afstammelingen van de equus merries ( inclusief de wild gebleven extante  Przewalskis  )

Opvallend is de ( op basis van de studie  oudste geschatte )ouderdom van paarddomesticatie.

Andere dieren, zoals de koe en het schaap zijn pas 10.000 jaar geleden tam gemaakt.(2 &  3)

(1)

Het betekent  onder meer  dat die “oudste”voorouderlijke  oermerrie van het moderne paard =de recentste gemeenschappelijke matrilineaire voorouder van alle nu levende paarden is  en  omdat alle nu levende moderne paarden  hun mitochondriale DNA (met mutaties) van haar “geërfd” hebben.

Men neemt aan (in die studie )dat  deze  mitochondriale merrie  ( net als de mitochondriale Eva )  ongeveer 160.000 tot 140.000    geleden moet hebben geleefd. Het blijft echter  een  theoretische aanname 

zie ook  –> mitochondriale Eva  : dat is eveneens  een  puzzel die erg veel (andere )misverstanden  heeft opgeleverd   

http://nl.wikipedia.org/wiki/Mitochondriale_Eva

http://en.wikipedia.org/wiki/Domestication_of_the_horse

(2)

dat is  ouder  , maar inpasbaar  als  betere inschatting,   dan  ”  other  modern sources  that suggest  horse domestication in asia  between  5000 en 8000 years ago   “

http://www.biomedcentral.com/content/pdf/2041-2223-3-4.pdf

……the conclusion (of the italian paper ) appears to be that domestication occurred – multiple times, by mankind sourcing different wild mares at different points of history and from different locations – on the Eurasian Steppes from the Eneolithic onwards. The Eneolithic falls between the Neolithic and the Bronze Age, and might also be called the Copper Age. As there is already a large amount of archaeology linking horse domestication, copperwork and the spread of proto-Indo European in this area, this appears to confirm the theory that the Steppes were the origin of large scale and enduring horse domestication.

This also means that the Saudi Arabians need to come up with a bit more proof for their claim that horse domestication began in the Arabian Peninsula circa 7,000 BC and that there were already Arab-type horses at that period.

http://susannaforrest.wordpress.com/tag/mitochondrial-genomes-from-modern-horses-reveal-the-major-haplogroups-that-underwent-domestication/

°

(2b )

FINALE   UPDATE  ?  

8 May 2012

“……Archeologische resten wijzen erop dat de eerste paarden in het westelijke deel van de Euraziatische steppe werden gehouden, maar dna-onderzoek zou erop wijzen dat wilde paarden meerdere keren zijn getemd, op verschillende plaatsen.

Nieuw genetisch onderzoek spreekt dat laatste tegen: de eerste paarden kwamen wel degelijk uit de regio rond het zuidwesten van Rusland. Bovendien hebben de wetenschappers die de studie uitvoerden een goede verklaring bedacht voor de uitkomsten van het eerdere dna-onderzoek.  ….”

 

°

 

 Harry van Schalkwijk
harryschalkwijk.wordpress.com

Dank zij de relevante   links  naar recentere  (peer reviewed ) opvolgings studies  ,   geleverd door  Harry  Schalkwijk ( zie hieronder in de reacties   ) kunnen we  nu o.m.  een  mogelijke  verklaring leveren  aangaande  de kwestie  … ” vanwaar de     mitochondriale DNA      bijdragen  van de  oermerries  aan de huidige  paardengenomen  ,  vandaan  komen ( ook bij het éénmalige  domesticeren van het paard   in de euraziatische steppe  ) “

°Het  gaat  om  een  DNA  studie  met als resultaat  een  nieuw geponeerde   samenvattende   stelling  die  erin slaagt  twee  posities in het debat over paardendomesticatie  te verenigen

BBC =

“.….Domestic horses …… spread across Europe and Asia, breeding with WILD  mares   ALONG  THE WAY ……,research published in the journal PNAS     suggests.  ” 

De nieuwe studie  vergeleek  Nucleaire DNA monsters van 300 paarden uit  8 landen   in Europa en Azie  ….Genetische data werden  ingevoerd  in  computer modellen  , die waren ontwikkeld  om verschillende   domesticatie scenario’s te onderzoeken  

Dr Vera Warmuth from the Department of Zoology at Cambridge said:

“It shows that horse domestication originated in the western part of the Steppes and that the spread of domestication involved lots of integration of wild horses.”

De Conclusies van de studie  kunnen  verklaren  …. waarom bewijs verkregen uit  mitochondriaal DNA (mtDNA )  en verkregen  uit uitstuitend  matrilineaire  stamlijnen  ____wat tot desuggestie  leide dat  paarden meermaals werden getemd  ____ niet noodzakelijk de voormelde voorgestelde   suggestie  moeten  ondersteunen   …. integendeel

°  Wilde merries werden steeds  opnieuw gebruikt om reeds getemde kudden  van nieuw genetisch materiaal te voorzien …. Temeer omdat de getemde  kuddes  zich(misschien )  moeilijk  bleken  voort  te  planten  zonder dat “vers bloed ”  …..

(“In fact, it appears that wild mares were used to re-stock herds of existing domesticated horses, perhaps because they did not breed easily in captivity.”

—-> This is the case with Przewalski’s horse, which is the closest wild relative of modern horses.

Przewalski’s horses, the closest wild relatives of the domestic horse
Przewalski’s horses are the closest wild relatives of the domestic horse   )

 

 ” 

(3)

(wolfs)”honden “schijnen  veel vroeger te zijn gewoon geraakt aan de mens 

Cultuur impact   ?

Het feit dat paarden al ” veel eerder(dan  5000 jaar geleden ) getemd  ”  waren door mensen heeft grote invloed op cultuur van mensen over de hele wereld 

Het verbeterd de mogelijkheid tot handel en heeft grote voordelen in tijden van oorlog. Als we de oorsprong van paardendomesticatie verder naar achter schuiven, (—>  zie ook ( 2b ) voor een tegengeluid  dat het opschuiven van de  ouderdom van de paarddomesticatie  betwijfeld   )zullen we opnieuw moeten nadenken over de impact die het heeft gehad op de ontwikkeling van de mensheid. 

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

°

Verdere  LINKS  over paarden evolutie  : 

http://www.kennislink.nl/publicaties/my-little-pony-maar-dan-in-het-echt

LIJST L Fossiele AMFIBIEEN

°

 GLOS A 

 

L

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Cross-section of a labyrinthodont tooth

Ima1 labyrinthodont

cette dent découverte dans le rhétien Lorrain est typique des Labyrinthodontes, on distingue une structure fortement plissée et sinueuse rappelant un labyrinthe d’où le nom. Cette caractéristique est issue des poissons sarcopterygiens ancêtres de ces animaux.
labyrinthodont   tand
°
Labyrinthodont: teeth (or having teeth) characterized by folded sheets of dentine. Such teeth are common in sarcopterygians and basal tetrapods. A pulp cavity is not always present, and the entire tooth may be filled with folded dentine. An outer enamel layer may also be present.                       See image: cross section of labyrinthodont tooth from Eusthenepteron.
Labyrinthodont tooth Labyrinthodont tooth/Author: Moya Meredith Smith/Sources: Parc national de Miguasha// 1996Cross-section through a tooth from Eusthenopteron foordi. The labyrinth pattern of infolded dentine inside the tooth is a characteristic feature shared by the first tetrapods.http://www.miguasha.ca/mig-en/eusthenopteron.php

1. Having teeth with a labyrinthine internal structure.
2. Of or relating to the Labyrinthodontia, an extinct group of amphibians having a labyrinthine tooth structure.
Labyrinthodont

http://nl.wikipedia.org/wiki/Labyrinthodontia     http://en.wikipedia.org/wiki/Labyrinthodontia

Labyrinthodontia    

De eerste amfibieën waren labyrinthodonten, zij waren de eerste gewervelde dieren die het land op trokken. Hun experiment duurde 160 miljoen jaar, van het Laat-Devoon tot in de vroege Jura. Het was een gedeeltelijk succes. Tijdens de hoogtijperiode in het Vroeg-Perm waren zes van de tien labyrinthodonten volledig aan het leven op het land aangepaste insekteneters. Hierna zette het verval in en aan het eind van de Trias waren ze alle uitgestorven. De labyrinthodonten danken hun naam aan de labyrintvormige plooiing van het tandbeen in hun kegelvormige tanden. Deze tanden lijken sterk op de tanden van de rhipidistespiervinnige vissen. Dit en nog een aantal ander skeletkenmerken hebben paleontologen tot de overtuiging gebracht dat de amfibieën van deze spiervinnige vissen afstammen. De Labyrinthodontia worden opgesplitst in twee goed afgebakende orden – de Temnospondyli en de Anthracosauria. Een derde orde, de Ichthyostegalia – de eerste amfibieën – zijn volgens sommige paleontologen primitieve temnospondylen.

subclass

Labyrinthodontia

kingdom Animaliaanimals »  phylum Chordatachordates

order Ichthyostegalia Save-Soderbergh, 1932
order Temnospondyli Zittel, 1888
order Anthracosauria Save-Soderbergh, 1934

Labyrinthodontia incertae sedis

superfamily Loxommatoidea
°

(by  Neal Robbins)   Laccocephalus was a prehistoric amphibian of the Rhinesuchidae family. Fossils of it have been found in the Daptocephalus Zone of the Beaufort beds in the Orange Free State of South Africa. There is some debate about when this creature existed. Carroll said that it lived during the Induan, i.e. the first subperiod of the Triassic. However, Anderson and Cruikshank insist that it was of the late part of the Permian period.

P.S. Laccocephalus was in the same family as these genera:
Broomistega
Uranocentrodon
Rhinesuchus

http://palaeos.com/vertebrates/temnospondyli/stereospondyli.html

Laccocephalus:

Range: Late Permian or Early Triassic of South Africa.

Phylogeny: Rhinesuchidae: Rhinesuchus + Uranocentradon + Broomistega + *.

Laccocephalus Watson.
Horizon:
Daptocephalus zone, Beaufort Beds, Orange Free State, South Africa
Age: ? Changhsingian
Place: central Gondwana

Comments: previously included with Uranocentradon in the family Uranocentrodontidae. Carroll lists this genus as early Triassic, but according to Anderson & Cruikshank (1978) it is late Permian. Perhaps it is from the early Changhsingian. (MAK 010423).

Laccosaurus is an extinct genus of prehistoric amphibian.

http://paleodb.org/cgi-bin/bridge.pl/geoscience.wisc.edu/geoscience/people/faculty/shanan-peters/bridge.pl?a=basicTaxonInfo&taxon_no=267020

http://www.palaeocritti.com/by-group/lissamphibia/laccotriton

Salamander   Lissamphibia Caudata Urodela


Holotype fossil (GMV 1602) of Laccotriton subsolanus. From Gao & Shubin, 2001.

xxx

Fine form. This juvenile Laccotriton has external gills preserved.

http://palaeos.com/vertebrates/temnospondyli/plagiosauroidea.html

Laidleria from Warren (1998)

Laidleria gracilis - life reconstruction by Dmitry Bogdanov

 

 Laidleria was a temnospondyl amphibian of the Triassic. The systematic paleontology of it is:
Amphibia Linnaeus 1758
Temnospondyli Zittel 1888
Stereospondyli Zittel 1887
Trematosauria Romer 1947
Plagiosauroidea Abel 1919
Laidleriidae Warren 1998
Laidleria Kitching 1957
Laidleria gracilis Kitching 1957
    Laidleria gracilis was 30-40 cm. (11.8 in.-1.31 ft.) in length. Fossil remains of this amphibian have been found in the Cynognathus Zone in South Africa. They date to the early Triassic.
  This excerpt from Palaeos Vertebrates lists physical characteristics of Laidleria:
Characters: 30-40 cm long. Extremely thin, flat skull forming an equilateral triangle; dental teeth larger than corresponding maxillary teeth; dentary tusks present; maxillary excluded from choana by sutural articulation of palatine and vomer; more than 8 palatine teeth; no denticles on parasphenoid; ventral surface of pterygoid ornamented; ascending ramus of pterygoid ornamented; ascending ramus of pterygoid does not contact squamosal; prefrontal and jugal in sutural contact; orbits behind mid-length of skull; quadratojugal with lateral projection; stapes robust, terminating under a solid section of skull roof, with no possible contact with a tympanum; uniform ornamentation of pits surrounded by ridges; strongly armored and “turtle-like;”, no specialized scutes associated with neural spines.
Anne Warren (1998). Laidleria uncovered: a redescription of Laidleria gracilis Kitching (1957), a temnospondyl from the Cynognathus Zone of South Africa. Zoological Journal of the Linnean Society 122(1-2): 167-185).
Graciela Pineiro, Claudia Marsicano, and Nora Lorenzo wrote an article titled A NEW TEMNOSPONDYL FROM THE PERMO-TRIASSIC RUENA VISTA FORMATION OF URUGUAY. It was published in 2007 in Palaeontology, Volume 50, Issue 3, pp. 627-640. The abstract is on this link.
    (Neal Robbins)

    Lapillopsis nana  was a temnospondyl amphibian species that lived in Australia during the early Triassic. Fossils of Lapillopsis date to the Olenakian Age (249.7 – 245 million years ago). Those fossils were found in the Arcadia Formation of the Rewan Group in Queensland.
    Lapillopsis is a member of the family Lapillopsidae. The lapillopsids are in the order Limnarchia. It survived the mass extinction that occurred at the end of the Permian.
    One other member of Lapillopsidae has been identified. It is Rotaurisaurus contundo.
These amphibians were small, which was a common trait among temnospondyls of the early Triassic in Australia.
Another temnospondyl was identied from Lower Triassic fossils found in Queensland. It is Nanolania anatopretia. Adam M. Yates wrote an articl about this spcies. It was published in September, 2000 in the Journal of Vertebrate Paleontology, Volume 20, Issue 3, pp. 484-489. The title is A NEW TINY RHYTIDOSTEID (TEMNOSPONDYLI; STEREOSPONDYLI) FROM THE EARLY TRIASSIC OF AUSTRALIA AND THE POSSIBILITY OF HIDDEN TEMNOSPONDYL DIVERSITY. This excerpt from the abstract says:
A new genus and species of stereospondyl temnospondyl, Nanolania anatopretia, is described from the Early Triassic Arcadia Formation (Rewan Group) of Queensland, Australia. N. anatopretia has several character states that suggest it belongs to the group of derived trematosaurian stereospondyls that include the Rhytidosteidae and Brachyopoidea. These include the absence of a lacrimal, an untwisted quadrate ramus of the pterygoid, and a shallow otic notch. It is tentatively referred to the Rhytiodosteidae. N. anatopretia is the third temnospondyl taxon from the Arcadia Formation to be represented by a skull less than 50 mm long.
The others are the basal stereospondyl Lapillopsis nana and juveniles of the capitosaurid Parotosuchus aliciae. Given that Lapillopsis nana and Nanolania anatopretica are not well known from any larger specimens, it is suggested that they are species that never grew large.
    Yates also says that it is apparent that small and large temnospondyls co-existed to a great extent during the Triassic. The small ones included both basal and derived types.
(Neal Robbins)
 The taxonomy of Lapillopsis is:
Kingdom: Animalia
Phylum: Chordata
Class: Amphibia
Subclass: Temnospondyli
Order: Limnarchia
Suborder: Stereospondyli
Family: Lapillopsidae
Genus: Lapillopsis
Species: Lapillopsis nana

Lapillopsis nana

This genus is from Arcadia Formation of Queensland. The description of this genus is based on many small skulls less than 2 cm long. Superficially it resembles micropholids. They lacked sensory-line grooves and had a long-stemmed interclavicle bone beneath the shoulder region. Both these features indicate that Lapillopsis was more adapted for life on land than any other Triassic temnospondyls from the Arcadia Formation.

Some of the diagnostic features of this genus are long jugal bones extending in front of the eyes. There are well-developed tabular horns and large orbits. The latter feature are probably features of immature animals. Sensory-line canals were not well developed. Some think Lapillopsis is closely related to Micropholis from Germany. Others disagree that it is closely related to the dissorophopids, believing it is more closely related to stereospondyls.

Sources & Further reading   John A Long, Dinosaurs of Australia and New Zealand, University of New South Wales Press

°

Latiscopidae  almasaurus

Leterpeton austriacum  
Permian
Czech Republic

Letoverpeton lived before the dinosaurs in the Early to Middle Permian. Little is known of these primitive amphibians, which are extremely rare members of the Discosauriscidae family.

Name: Amphibia: Urodela; Liaoxitriton zhongjiani  Age: Lower Cretaceous, (~125 m.y.a.)  Size (25.4 mm = 1 inch): 110 mm long (tip of skull to tip of tail along backbone). Matrix: 296 mm by 60 mm   Location: Huludao City, Jiufotang Formation, Liaoning Province of China

Description: This is a fine positive/negative pair of a rarely seen amphibian; a salamander known as Liaoxitriton zhongjiani. . The species takes its generic name from Liaoxi, the general region from which the specimen comes, while the specific name is for the researcher who first discovered this specimen. The detail is incredible; even more remains to be uncovered (see some of the bones of the forearm). Even a 20 mm partial tail of another unknown vertebrate is present.

Phyletogentic analysis of the Urodeles shows that Asia is the origin of the clade, leading to the hypothesis that the basal salamanders radiated from the region. Some salamanders demonstrate neoteny, or the capability of reproducing while in what is apparently the larval state. Note the soft tissue outlines preserved, and what appears to be gill structures, a telltale that this is not a larval form but a neotenic example.

Neoteny is not all that uncommon among modern-day salamanders (some 40 species in 9 different families demonstrate this strategy), with the Mexican Salamander or Axolotl being a prime example. This means that it retains its gills and fins, and it doesn’t develop the protruding eyes, eyelids and characteristics of other adult salamanders. It grows much larger than a normal larval salamander, and it reaches sexual maturity in this larval stage.

The independent occurrence of neoteny in both Mesozoic and recent groups of salamanders makes parallel evolution of numerous morphological features an enduring feature of their history. An example such as this of the first salamander to be discovered from the Mesozoic in the east Asian region

M

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Mastodonsaurus

 

 

METOPOSAUROIDEA
v4metoposaurus

v3metoposaurus     

Ces vertébres sont plates et peuvent appatenir à Metoposaurus.

Grosse dent peut être Metoposaurus ? dans tous les cas un animal de plus de 2 m.

Metoposaurus tand

metaposaurus  fr

(ce crâne de Metoposaurus diagnosticus a été découvert en Pologne a Krasiejowa)

http://fosillia-vosgiensis.over-blog.com/article-35791401.html

metoposaurus

File:Metoposaurus bakeri1DB.jpg

Long bone histology of Metoposaurus diagnosticus (Temnospondyli) from the Late Triassic of Krasiejów (Poland) and its paleobiological implications

http://www.tandfonline.com/toc/ujvp20/current#.Unl_SaAVHcf

This image shows microanatomy of the midshaft of Metoposaurus femur. Credit: Photo by Georg Oleschinski

This is the femur of Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis as viewed from behind (posterior). The sectioned plane is marked by the white stripe. Credit: Photo by Georg Oleschinski.

Read more at: http://phys.org/news/2013-09-giant-triassic-amphibian-burrowing-youngster.html#jCp

Metoposaurus diagnosticus

Metoposaurus diagnosticus weighed half a tonne and was 10 feet long, but its environment had only two seasons: wet and dry. It needed water for its lifestyle, but researchers have discovered the extremely long dry season 230 million drove the species to burrow underground and go dormant

The burrowing behaviour of Metoposaurus was recently discovered by Dorota Konietzko-Meier, of the University of Opole in Poland and the University of Bonn in Germany, and Martin Sander, also of the University of Bonn.

Metoposaurus diagnosticus bones

The study examined a cross-sections of Metoposaurus bones which have growth rings, called annuli. The above image shows annuli in femur samples of metoposaurus diagnosticus. A thick inner phase of fast growth is marked by zI and a broad phase of slow growth can be seen in the middle left image (a1)

Metoposaurus diagnosticus

The broad, flat head broad flat arm bones, wide hands, and large tail of Metaposaurus diagnosticus led the investigators to conclude that this species swam in lakes during the wet season

Metoposaurus

Dr Michel Lauri, from the Musium National d’Histoire Naturelle said: ‘This animal was much larger than any extant burrowing species I know of, and if it dug, I suspect that the snout (pictured) and tail played a far greater role than the limbs, as we observe in most extant aquatic vertebrates’

The Metoposaurus diagnosticus was thought to be a mostly aquatic animal.  It had small limbs, sharp teeth and a large flat head. Its diet was mainly fish which it captured with its wide jaws lined.

Metoposaurus could reach up to 3m (10 feet) long, weighed 454 kg and was one of the last large amphibians.

Many Metoposaurus mass graves have been found. Researchers believe this was probably from creatures that grouped together in drying pools during drought.

Read more: http://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-2408926/Prehistoric-amphibian-weighing-half-tonne-burrowed-underground-survive-extreme-droughts-230-million-years-ago.html#ixzz2jojuCuj3

partial skull of the amphibian Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis


leg bone of Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis


part of the armour of Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis


skull of Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis

http://www.discussfossils.com/forum/printer_friendly_posts.asp?TID=615

Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis Sulej, 2002 – rekonstrukcja
Metoposaurus diagnosticus krasiejowensis Sulej, 2002

 

 

Micromelerpeton was een amfibie die in het Onder-Perm leefde in wat nu zuidwest-Duitsland is. Hij behoorde tot de Branchiosauriërs: volwassen amfibieën met de kenmerken van larven, zoals uitwendige kieuwen en niet-verbeende elementen in de pols en enkel. Micromelerpeton kon maximaal 20 cm lang worden. In het Onder-Perm lag Duitsland veel zuidelijker dan tegenwoordig. De gemiddelde temperatuur was tropisch en het klimaat vochtig, ideaal voor amfibieën. De voornaamste vijanden van Micromelerpeton waren vooral Sclerocephalus en zoetwaterhaaien zoals Orthacanthus.

http://www.henskensfossils.nl/NETH0001.htm

Micromelerpeton from the Permian of Germany with Skin Preservation
6” long amphibian Micromelerpeton Credneri is over 260 million years old from Odenhein, Germany. . Micromelerpeton still probably spent much of its time in water close to the shallow sea bottom.
What makes this specimen so exceptional is its state of preservation. It is virtually complete with the exception of a few hand and foot bones. The 1” arrow shaped skull is complete with even patches of its ornamental skin preserved. The body and tail is covered with carbonized skin impressions some even preserving the texture of the skin. As a bonus there are also two partial amphibians also present on the same 13” x 8” stone slab. The 3” partial also has carbonized skin and is nearly complete missing only its head and 3 legs. The two small jaws with sharp teeth are present near the top of the slab. This is a remarkably detailed and important fossil.

  • Order Microsauria. A large group (at least 30 genera) from Carboniferous and Early Permian North America and Europe of mainly terrestrial amphibians, that are characterized by the reduced number of bones in the skull and the occiput-atlas complex. They show some evolution towards a burrowing life style. Two examples of microsaurs are Tuditanus from Ohio, USA, which had lizard-like proportions and Microbrachis from the Czech republic, which is thought to have become secondarily aquatic.Reconstruction of (a) Tuditanus and (b) Microbrachis, from Benton, 1997

[edit]N

Contents: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Order Nectridea. A group of aquatic early amphibians from the Late Carboniferous to the Early Permian. Many were newt-like in appearance with long flat tails for swimming, such as Sauropleura from Late Carboniferous Europe and North America. Interesting members of this order are Diplocaulus and Diploceraspis from the Late Carboniferous and Early Permian of the USA, which have expanded skulls with large horns growing out of the sides. The juvenile forms have no horns at all and they enlarge throughout life. The function of the horns is still not understood.

O

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

[edit]P

Contents: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Pantylus

Pantylus is an extinct lepospondyl amphibian from the Permian period of North America.Pantylus was probably a largely terrestrial animal, judging from its well-built legs. It was about 25 centimetres (10 in) long, and resembled a lizard with a large skull and short limbs. It had numerous blunt teeth, and probably chased after invertebrate prey.

Paracyclotosaurus davidi fossil.

The only known example of Paracyclotosaurus davidi,an amphibian that lived in Australia around 235 million years ago.The type specimen of Paracyclotosaurus is the only example of a complete articulated skeleton of a capitosaur, one of the major groups of Triassic temnospondyl amphibians.

NHM

  • Phlegethontia      Phlegethontia, an aistopod from the Pennsylvanian.

PLAGIOSAUROIDEA (Abel, 1919)

Les vertébres ont un centra cylindrique. Sur la face dorsale on peut observer une rainure centrale bordée par les facettes d’insertions des arcs neuraux.

v1plagiosauridae    v2plagiosauridae
 
 Ces vertébres peuvent appartenir à Plagiosaurus ou a Gerrothorax deux animaux aux crânes particuliers

[edit]Q

Contents: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

[edit]R

Contents: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
 

Roodgekleurd merg ontdekt in fossielen Spaans amfibieën

Het fossiele skelet van de kikker Rana pueyoi.Een donkerbruine biofilm markeert de plaats waar zacht weefsel aanwezig was.
Michiel van Nieuwstadt

Tien miljoen jaar oud beenmerg is ontdekt in fossiele kikkers (Rana pueyoi) en salamanders (Triton) die zijn gevonden in het noordoosten van Spanje.

Volgens een team van Spaanse en Ierse wetenschappers is het beenmerg (weefsel aan de binnenkant van grote botten waar de meeste bloedcellen worden aangemaakt) bewaard gebleven in zijn oorspronkelijke toestand. Zelfs de oorspronkelijke rode kleur is nog te zien. (Geology, augustus 2006).

De ontdekking is een nieuwe aanwijzing dat kwetsbare, zachte weefsels in fossielen beter bewaard kunnen blijven dan lang is aangenomen. Voor wetenschappers is dat van belang omdat uit deze weefsels sporen van DNA en zelfs de eiwitten van dieren gewonnen kunnen worden.

Paleontologe Mary Schweitzer van de Universiteit van Montana publiceerde vorig jaar in Science over de ontdekking in beenderen van Tyrannosaurus rex van collageen, bloedvaten en mogelijk zelfs bloedcellen. Over het mechanisme waardoor deze weefsels 65 miljoen jaar behouden bleven, heeft zij nog niet gepubliceerd.

In hun studie over salamanders en kikkers opperen Maria McNamara van University College Dublin en haar collega’s dat het beenmerg beschermd is gebleven tegen bacteriën en andere schadelijke chemische processen door een laag omringend bot. Omdat de weefsels van de salamanders en die van T. rex zijn ontdekt in milieus die sterk verschillen (respectievelijk kleisteen en zandsteen) achten de onderzoekers het waarschijnlijk dat de conservering van kwetsbare weefsels in fossielen veel algemener is dan tot nu toe is aangenomen.

In het Libros-bekken, een bekende fossiele vindplaats in Spanje, onderzochten McNamara en haar collega’s 15 volwassen salamanders en 56 volwassen kikkers. Uit zes van de kikkers en één salamander konden de onderzoekers beenmerg halen met een pincet. Omdat dit alleen mogelijk was op plaatsten waar de fossiele botten gebroken waren, veronderstellen zij dat in werkelijkheid een groter percentage van de fossielen beenmerg bevat.

[edit]S

Contents: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Reconstruction of Sauropleura, from Benton, 1997.

 

Sclerocephalus haeuseri,

 

Sclerocephalus haeuseri,

Sclerocephalus was een salamander (een amfibie dus) die ongeveer 280 miljoen jaar geleden (in het Onder-Perm) in wat nu zuidwest-Duitsland is leefde. Hij leefde in zoetwatermeren en was met zijn maximale lengte van 2 m één van de grootste amfibieën in Europa ooit. Hij leefde van vis en andere amfibieën. Net als andere amfibieën hadden de larven kieuwen en haalden ze dus hun zuurstof uit het water. De volwassen exemplaren hadden longen en konden dus ook tijdelijk op het land leven.Rare Amphibian with First Conifer - Pfalz, GermanyRare Amphibian with First Conifer - Pfalz, GermanyRare Amphibian with First Conifer - Pfalz, Germany

Rare Amphibian with First Conifer - Pfalz, Germany

(Sclerocephalus sp.) in association with the earliest conifer species (Walchia speciosa). These salamander-like amphibians once inhabited swamps in what is now Southwest Germany. Age: Permian – 295 million years. Location: Odenheim, Germany (Pfalz).


A famous amphibian-like creature widely  regarded as an intermediate form between
ancient amphibians and reptiles.
Baylor County, Texas    / Lower Permian (approx. 280 million years)

  • Order Seymouriamorpha. A small group of reptilomorphs that are close to the intermediary link between reptiles and amphibians, from the Early Permian. They were abundant in the USA and are thought to have had amphibian-like skulls but more reptile-like bodies with powerful limbs that held the body high off the ground.

SIHETUN ( CHINA )124 million year old frog fossil comes from Sihetun, China

This 124 million year old frog fossil comes from Sihetun, China

 

T

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

°TEMNOSPONDYLI  (zie ook  –>   Labyrinthodontia )                                ° TEMNOSPONDYLI 

 

http://blogs.scientificamerican.com/tetrapod-zoology/2013/04/16/gharial-snouted-archegosauroids-and-kin/

De temnospondylen ontwikkelden zich aan het einde van het Vroeg-Carboon, zo’n 330 miljoen jaar geleden. Gedurende die 120 miljoen jaar van hun ontwikkeling ontstonden er talrijke landvormen waarvan er een aantal erg groot waren (tot zo’n 4 meter). Ze waren het meest algemeen in het CarboonPerm en Trias. Ze werden gekenmerkt door de bouw van de schedel, die een driehoekige tot parabolische vorm had en vaak was versierd met beenkammen, en de wervels (een grote halvemaanvormige, binnenste wervel met kleine, zijdelings gelegen elementen aan het centrum van de wervel). De dieren bezaten grote, puntvormige tanden, wat er dus op wijst dat het roofdieren (vleeseters, viseters of insekteneters) waren. Met de opkomst van de zoogdierachtige reptielen werden de temnospondylen teruggedreven naar de moerassen waar zij vandaan kwamen. Tegen het begin van de Jura stierven de meesten uit. Enkele soorten overleefden in afgelegen delen van de wereld, zoals Australië en Oostelijk-Azië tot in het Vroeg-Krijt. Binnen deze groep was toen echter al wel een aantal vormen ontstaan, die zich zouden ontwikkelen tot de voorouders van onze hedendaagse kikkers en padden.

  • Order Temnospondyli. The main Carboniferous tetrapod group with some 170 genera. They were abundant until the end of the Triassic, even reaching the Cretaceous. There were three main body shapes, crocodile-like, neotenous (larval characters in the adult, and salamander-like.

  Proc.-R.-Soc.-B-2007-Ruta-3087-95 Temnospondylii clade     Temnospondyl phylogeny

http://nl.wikipedia.org/wiki/Temnospondyli  http://en.wikipedia.org/wiki/Temnospondyli

http://palaeos.com/vertebrates/temnospondyli/temnospondyli2.html

temnobodiestemno20composite temnobodiesfossil

temno-skulls-dorsalLabyrinthodontTemnospondyliAbbreviated Dendrogram
TETRAPODA
|--+--LEPOSPONDYLI
|  `--REPTILIOMORPHA
|
TEMNOSPONDYLI 
 `--+--+--Edopoidea
     |  |  |--Edops 
     |  |  `--+-Cochleosauridae
     |  `--Saharastega
     `--+-+--Balanerpeton
         |  `--+--Dendrerpeton
         |     `--+--Eugryinus
         |        `?--Dvinosauria (if basal - Ruta et al 2007)
         `--+--Capetus
            |--+--Iberospondylus
            |   `--Euskelia
            |       |==Dissorophoidea   
            |       |     `--LISSAMPHIBIA
            |       `--Eryopoidea
            `--+?--Dvinosauria (if Limnarchia - Yates &Warren 2000)
                `--Stereospondyli
                    |--Rhinesuchidae
                    `--+--Lydekkerinidae
                       |--+--Plagiosauroidea
                       |   `--+--Rhytidosteidae
                       |       `--Brachyopoidea
                       `--+--Capitosauria
                           `--Trematosauria
                              |--Trematosauroidea
                              `--Metoposauroidea


Trias and jura temnospondyls  : 

Temnospondyls trias and jura
temnospondyls

Triadobatrachus

Op het eiland Madagaskar is het oudste uitgestorven amfibie gevonden dat op de moderne kikker lijkt, de Triadobatrachus massinotide. Hij leefde 250 miljoen jaar geleden.

De schedel leek al op die van een kikker, breed en met grote oogopeningen maar het lichaam was langer, had meer wervels en een kleine staart.

De staartwervels waren nog niet versmolten zoals bij de moderne kikkers en ook waren het scheen- en kuitbeen nog niet versmolten. Daardoor zal de Triadobatrachus massinoti geen beste springer zijn geweest.

De belangrijkste veranderingen die kikkers tijdens de evolutie hebben ondergaan zijn het korter worden van het lichaam en het verliezen van de staart.

U

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

URODELA 

De salamanders, verenigd in de Urodela, verschenen voor het eerst laat in de Jura. Hun levende verwanten behoren tot de minst gespecialiseerde amfibieën. In tegenstelling tot kikkers en padden ondergaan zij geen volledige gedaanteverwisseling. Het volwassen dier en de larve leven op dezelfde wijze, beide zijn zwemmende insekteneters met een lange staart. De herkomst van de Urodela is een raadsel. Mogelijk hebben zij met de Anura (die waarschijnlijk van de temnospondyle labyrinthodonten afstammen) een gemeenschappelijke voorouder gehad. Ze kunnen echter ook ontstaan zijn uit een lepospondyle microsauriër. Tot op heden zijn er geen fossielen gevonden die licht op dit probleem zouden kunnen werpen.

V

W

X

Y

Z

Zaphrissa

http://www.baystatereplicas.com/amphibians.htm

http://fossils.valdosta.edu/fossil_pages/fossils_per/a9.html

Zatrachys Skull 11.5 x 10.8 cmLate Permian / Texas/Oklahoma USA. 

Zatrachys serratus

Amphibia; Temnospondyli; Zatracheidae; Zatrachys //North America; USA; New Mexico; Rio Arriba County; Welles Quarry, Arroyo de Agua//Permian; Wolfcampian; Cutler Fm//(c) Yale Peabody Museum//YPM VP 004166

http://discover.odai.yale.edu/ydc/Record/3096198

CHELICERATA

° Chelicerata behoren tot de  arthropoda arthopods   <——   arthropoda.docx (2.3 MB)
°

(de zeespinnen staan NIET op dit schema  vermeld  )

Chelicerata

chelicerata  <— doc

is een onderstam van de stam Arthropoda (Geleedpotige). Ofschoon cheliceratendrager letterlijk “gifkakendragers” betekent, zijn er families zonder echte gifklauwen.

Ze hebben geen voelsprieten en 4 paar poten, met als uitzondering zeespinnen die wel met 2 en 3 paar poten bestaan.

Chelicerata zijn verdeeld in 3 klassen:

http://www.youtube.com/watch?v=sF646bdT_Xk

°

http://www.core-orsten-research.de/05_Evolutionary%20implications.html

 http://research.amnh.org/scicomp/pdfs/wheeler/Wheeler%26Hayashi1998.pdf

http://www.biomedcentral.com/1471-2148/12/19

http://en.wikipedia.org/wiki/Hemocyanin

 

 

PRIMATEN IN GEVAAR

Artikels over primaten  http://eoswetenschap.eu/topics/Primaat

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.UITSTERVINGSGOLF     http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=95

 2012

25 meest bedreigde primaten

 15 oktober 2012 2

De wereld telt zo’n 633 verschillende soorten primaten en zeker 54 procent daarvan wordt met uitsterven bedreigd. In een nieuw rapport presenteren onderzoekers de 25 meest bedreigde primaten waarvan we – als er niet snel iets veranderd – binnenkort voorgoed afscheid moeten nemen.

De 25 ernstig bedreigde primaten leven in verschillende delen van de wereld. Negen ervan treffen we aan in Azië, Madagaskar telt er zes, Afrika vijf. In het Neotropisch gebied (Zuid-Amerika, Midden-Amerika, Caribisch Gebied en het zuidelijke puntje van Florida) zijn vijf bedreigde soorten primaten terug te vinden.

De noordelijke wezelmaki. Tekening: Conservation International / Stephen Nash.

Noordelijke wezelmaki  (Lepilemur septentrionalis)

Eén van de primaten die we op de lijst terugvinden, is de noordelijke wezelmaki. Het dier gaat de boeken in als de meest bedreigde lemuur van dit moment. Voor zover bekend zijn er nog maar negentien noordelijke wezelmaki’s in het wild terug te vinden.

En niet alleen met deze soort gaat het slecht: zo’n 91 procent van de 103 soorten lemuren dreigt te verdwijnen.

Indri

http://diertjevandedag.classy.be/zoogdieren/primaten/halfapen/indriachtigen/familie_indriachtigen.htm

 indriachtigen

  • De indri of babakoto is de grootste nog levende halfaap. Hij komt enkel voor in het noordoosten van Madagaskar. Wikipedia     Meer afbeeldingen <—

De indriachtigen zijn een familie halfapen waarvan de indri, de wolmaki en de sifaka de belangrijkste zijn.  Deze dieren komen alleen voor op Madagaskar.  Dat is een groot eiland voor de kust van Afrika.  Het zijn dieren die hoog in de bomen leven en niet gauw op de grond komen, zelfs niet om te drinken.  In de droge bossen van het eiland leven ze van bladeren, knoppen, vruchten, noten en bloemen. 

Hun gezicht is niet behaard en zwart van kleur.  De achterpoten zijn sterk waarmee ze van tak naar tak kunnen springen.  Op de grond huppelen ze recht vooruit met hun voorpoten uitgestoken.  Ze leven in kleine groepen dieren en kunnen veel lawaai maken als een andere groep te dichtbij komt.  De vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes en krijgen één jong per jaar die ze eerst op hun buik, daarna op hun rug dragen. 

Het zijn bedreigde dieren omdat vele bossen en wouden worden gekapt waar de kleine groepen in leven.  Boeren kappen de bossen om er akkers van te maken en het hout te verkopen.

  sifaka

3 geslachten en soorten indriachtigen :

indri’s

                                                                                    sifaka’s                   wolmaki’s
  • Perriers sifaka
  • goudkroonsifaka
  • Milne-Edwards sifaka
  • Verreaux’ sifaka
  • Coquerels kroonsifaka
  • oostelijk wolmaki
  • westelijke wolmaki

 

    • De indriachtigen behoren tot een familie van lemuren. Tot deze familie behoort de grootste nog levende halfaap, de indri, evenals de wolmaki’s en de sifaka’s. Indriachtigen komen enkel voor op het eiland Madagaskar. Wikipedia

Op de lijst vinden we ook het dwergspookdier terug. Maar niet alleen de kleinere primaten lopen gevaar.

°

Op de lijst zijn ook enkele grotere exemplaren te vinden. De Oostelijke laaglandgorilla bijvoorbeeld.

En de indri en varkensstaartlangoer.(Simias concolor)
*

Simakobu (Simias concolor).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Varkensstaartlangoer

Ontbossing
De grootste gevaren waar deze primaten mee te maken krijgen, zijn ontbossing en de jacht op de dieren. Sommige primaten worden gevangen voor hun vlees. Anderen weer om illegaal door te worden verkocht. “Dit rapport laat zien dat ‘s werelds primaten steeds sterker bedreigd worden door menselijke activiteiten,” concludeert onderzoeker Christoph Schwitzer. “Hoewel we in deze eeuw nog geen soorten primaten verloren zijn, zitten enkelen in zeer zwaar weer.” Vooral over de lemuren maken de onderzoekers zich zorgen. Het thuisland van de lemuren – Madagaskar – doet volgens de wetenschappers te weinig om ze te beschermen.

Ook bedreigd

Op een lijst met 25 plaatsen passen natuurlijk maar 25 bedreigde dieren. Maar er zijn er veel meer, zo benadrukken de onderzoekers. Primaten die de top 25 net niet haalden, maar eigenlijk net zo ernstig worden bedreigd zijn onder meer de pas ontdekte Rhinopithecus strykeri – u weet wel: de aap met de bijzondere neus) en de Cross Rivergorilla.

Cruciale rol
Dat het zo slecht gaat met de primaten is onvergefelijk, vinden de onderzoekers. “Primaten spelen een cruciale rol in hun omgeving,” vertelt onderzoeker Russell Mittermeier. “Ze doen vaak dienst als verspreiders van zaden en helpen de diversiteit in het bos te behouden.” En die bossen en hun diversiteit zijn weer belangrijk voor ons mensen. “We moeten steeds meer erkennen dat bossen een enorme bijdrage leveren aan ons ecosysteem: ze voorzien ons van drinkwater, voedsel en medicijnen.”

Is er in dit zwartgallige rapport dan ook nog goed nieuws aan te treffen? De echte optimist kan in het rapport inderdaad wel iets goeds terug vinden. Er zijn namelijk ook enkele primaten van de lijst – die elke twee jaar wordt opgesteld – verdwenen. De baardaap bijvoorbeeld. En ook de breedsnuithalfmaki. Maatregelen die werden getroffen om deze soorten te beschermen, hebben hun vruchten afgeworpen: hun aantal neemt toe en de dreiging neemt iets af.

Bronmateriaal:
Primates in peril – conservationists reveal the world’s 25 most endangered primates” – IUCN.org
De tekeningen bovenaan dit artikel zijn gemaakt door Conservation International / Stephen Nash.

08-08-2008

Bedreigde mensapen

8918180-primates-10

Cross River Gorilla /Nigeria, Cameroon

°

Zeldzaamste mensaap stiekem gefilmd

Geschreven op 09 mei 2012 om 09:44 uur door 

Beeldmateriaal van de Cross River Gorilla is nog schaarser dan de gorilla zelf. En dus zijn deze nieuwe beelden van de soort heel bijzonder.

Wereldwijd zijn er nog maar 250 exemplaren van terug te vinden: de Cross River Gorilla. Slechts zelden laten de dieren zich aan mensen zien en dus is ook het beeldmateriaal schaars. Zeker het beeldmateriaal dat de gorilla’s in hun eigen omgeving terwijl ze op hun gemak zijn, laat zien.

Acht
Maar nu kunnen we een prachtig filmpje aan dat schaarse beeldmateriaal toevoegen. Het filmpje is gemaakt door verdekt opgestelde camera’s in een beschermd gebied in Kameroen. Zodra onderzoekers de beelden terugkeken, konden ze hun geluk niet op. Op de foto zijn maar liefst acht Cross River Gorilla’s te zien die op hun gemakje door het bos wandelen.

Slaan
Het hoogtepunt van de video is zonder enige twijfel het moment waarop één van de gorilla’s zich op de borst begint te slaan. Wie goed oplet, ziet tussen de acht gorilla’s ook een gorilla lopen die een arm lijkt te missen. Mogelijk is hij met zijn arm een keer in een strik blijven hangen en deze vervolgens kwijtgeraakt.

“De video is het beste beeldmateriaal dat tot op heden van de Cross River Gorilla’s is gemaakt,” stelt Christopher Jameson namens de Wildlife Conservation Society, de maker van de video. Hij benadrukt dat de gorilla’s heel schuw zijn en normaal gesproken vluchten zodra ze mensen zien. “Dit beeldmateriaal geeft ons een glimp van hoe de gorilla’s zich normaal gesproken in hun eigen omgeving gedragen.”

Bronmateriaal:
Video Captures Hidden World of Elusive Apes” – WCS.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Julielangford / http://www.limbewildlife.org (via Wikimedia Commons).

8917570-primates-01

Sumatra Orang oetang

Mensapen zijn bovendien   intelligent  zoals  de Orang duidelijk aantoont  ….maar toch

ororang1
orfang-2

zwem

http://apeconservationeffort.blogspot.be/2007/10/primates-in-peril.html

MALE-ORANG-BRISTOL

041208-chimp-vlg-3p.widec

Ken Bohn / AP / bonobo, pygmee chimpansee

GIBBON
Javaanse-gibbon
 <klik vergroting

Javaanse Gibbon; Zilver Gibbon
Hylobates molochjavan-gibbon

OP APENGATEN

Het gaat slecht met het bewaren van de primaten , met onze erfenis en het beschermen van onze naaste verwanten
En dat is niet van vandaag bekend , maar het is nu wel vijf voor twaalf( en voor sommigen al erover )

De teruggang van het bestand aan apen is namelijk al jaren aan de gang.
Er sterven bovendien al wel altijd ergens planten en dieren soorten uit___om steeds weer complexere sets van interagerende redenen.

Waaronder o.a. ook de verwoestende invloed van de steeds groeiende menselijke ecologische voetafdruk ,vervuiling ,oorlogen ,
uitputting van natuurlijke buffers , toenemende bevolkings-expansie en uiteindelijke allemaal  tengevolge van menselijke  overbevolking ;

(enkele voorbeelden) :
– Het uitbreken van ziekten (waaronder enkele afkomstig of gemeenschappelijk van en met de mens )
– In vele streken worden bepaalde apensoorten tot en met het laatste exemplaar opgegeten door nieuwe invasieve predatoren ook door de hongerige mens ( die deed het al met Noorse Reuzenalk en(waarschijnlijk) de dodo en   (dat  gebeurde ook  al  in de prehistorie  ? )maar
ook door snobs en kapitaal krachtiger fijnproevers ( = Bushmeat restaurants ) van exotische of zeldzame delicatessen
– Het vergiftigen en uitroeien van voedselconcurenten —-> schadelijke ” onkruid-dieren ” en/of lanbouwgewassen en plantage-vruchten dieven
– Het verdwijnen van biotopen en de degradatie van arealen .
– de introductie van exoten ( bijvoorbeeld de nijlbaars in de oostafrikaanse meren is de oorzaak van  cichliden achteruitgang  )
Zo gaat dat.
Ook voor ons komt eens de dag …
En we vergeten maar  al te vlug dat wij tenslotte ook behoren tot de kwetsbare groep der primaten
Niettegenstaande hun opportunistische karakter, zijn alle primaten wel degelijk afhankelijk van een welbepaald millieu waarvan de grenzen niet ongestraft kunnen worden overschreden zonder uiterst nare en enge gevolgen …

De International Union for the Conservation of Nature (IUCN), een internationaal samenwerkingsverband dat zich ondermeer bezighoudt met het behoud van dierensoorten, luidt de noodklok.

Op de Rode Lijst van de IUCN, die in 1963 voor het eerst werd opgestart , blijkt dat de organisatie zich het meest druk maakt om de leefgebieden van zeldzame dieren.

Bosbranden en het kappen van tropische regenwouden beperken de leefomgeving van veel diersoorten aanzienlijk
Uit het groot onderzoek van de Union blijkt dat de situatie voor 48 procent van de bedreigde primaten soorten uiterst nijpend is..
Het rapport is een samenvatting van het werk van honderden wetenschappers en de eerste omvangrijke studie in meer dan vijf jaar. De cijfers hangen een somber beeld op van de toekomst van de apen overal ter wereld.
Volgens de jongste schattingen( in 2008) wordt bijna de helft van de primatensoorten wereldwijd met uitsterven bedreigd.
Van de 634 (bekende )  extante primatenrassen staan er immers 303 omschreven als ‘in gevaar’ of ‘met uitsterven bedreigd’ op de rode lijst van bedreigde diersoorten

Meestal is dit het duidelijkst wat betreft  lokale soorten waarvan het leefgebied wordt vernietigd of versnipperd.
Maar het drama voltrekt zich echter in alle regio’s waar deze dieren leven

Andere bedreigingen voor aapachtigen zijn jagers en de mensen die apenvlees consumeren.
Vooral dat laatste lijkt de afgelopen jaren een trend in diverse landen, zo meldt de organisatie.

“We slaan al jaren alarm dat primaten in gevaar zijn, maar nu hebben we harde gegevens die bewijzen dat de situatie nog veel erger is dan we dachten”, zegt Russell A. Mittermeier van Conservation International (CI).
Het verdwijnen van tropische wouden is altijd het grootste probleem geweest, maar nu blijkt ook dat de jacht in sommige, nog intacte gebieden een ernstige bedreiging vormt.”

Nu al is volgens het WNF 70 procent van het leefgebied van de apen aangetast.
Jaarlijks wordt er nog eens 5 procent verwoest in Azië en 2 procent in Afrika.
Ook beschermde gebieden ontkomen daar niet aan.
Uit een steekproef in 24 dergelijke natuurparken ter wereld blijkt dat de primatenpopulatie er met 96 procent achteruitgaat.

“Het was heel schokkend om dat vast te stellen“, zegt Folgering.
“Apen zijn gewoon heel kwetsbaar.”

Maar de dramatische situatie van de apensoorten is  toch vooral een indicatie dat hele ecosystemen worden vernietigd.

Primatoloog  Bert de Boer
‘Het is niet alleen een kwestie van zielige aapjes, hoezeer dat ook tot de verbeelding spreekt.
Een soort kun je misschien wel missen, maar hele ecosystemen niet’

Dat is momenteel het duidelijkst te zien  in  Azië
daar  hebben inmiddels 70 procent van de aapsoorten het stempel ‘bedreigde diersoort’ gekregen.
De BBC  maakte aan de hand van de Rode Lijst een top 5 van landen waar het percentage van bedreigde dier en apensoorten het hoogst is:   de koplopers komen allen uit azie :

Grey-shanked douc langur, Pygathrix cinerea,Asia 1 Yellow cheeked crested gibbon (Nomascus gabriellae)  2 Javan Gibbon, Hylobates moloch, EN, Indonesia 6

Qinling golden snub-nosed monkey, Rhinopithecus roxellana qinlingensis  3 Kirk's Red Colobus, Procolobus kirkii 4 

gibbon-121822c
Gibbon :   Nomascus gabriellae uit  Cambodja    CI/Sterling Zumbrunn
Kolonies van gibbons en langoeren in vietnam en cambodja gaan er ten onder aan de houtkap
en aan stroperij om te voldoen aan de Chinese vraag naar traditionele geneesmiddelen en huisdieren. Cambodia – 90 procent
Vietnam – 86 procentIndonesië – 84 procent
Laos – 83 procent
China – 79 procent

29/08/08   / Grote kolonies bedreigde apen gevonden in Cambodja

 

Een geelwangkuifgibbon.

Onderzoekers hebben in de jungle van Cambodja grote populaties bedreigde apensoorten ontdekt. Dat heeft de Amerikaanse organisatie Wildlife Conservation Society (WCS) bekendgemaakt.

De wetenschappers vonden twee soorten slankapen en gibbons tijdens een veldonderzoek in een afgelegen stuk oerwoud bij de grens met Vietnam . Ze telden ongeveer 42.000 slankapen en circa 2.500 geelwangkuifgibbons.

Daarmee gaat het om de( met afstand) grootste populaties van deze soorten op aarde

Tot voor kort gingen onderzoekers er vanuit dat Vietnam beschikte over de grootste aantallen. In dit land leven naar schatting zeshonderd slankapen en tweehonderd gibbons van de betreffende soorten.

Het is de tweede keer in korte tijd dat er  dergelijk  nieuws te melden valt over bedreigde apensoorten.
Begin deze maand bleek de laagland-gorillapopulatie in de Democratische Republiek Congo twee keer zo groot als aanvankelijk werd aangenomen.

Maar ondanks deze  opstekers ,blijven het  wel  bedroevend lage  aantallen om de vermelde  soorten  probleemloos verder blijvend   te kunnen  behouden …..
(dpa/sam)

New Gibbon Species Discovered | Primatology.net

 

http://primatology.net/2010/09/22/new-gibbon-species-discovered/

 

The northern buffed-cheeked gibbons (Nomascus annamensis) live in the rainforests of Annamite Mountains, situated around Vietnam, Laos and Cambodia. The northern buffed-cheeked gibbons were once thought to be the yellow-cheeked gibbons (Nomascus gabriellae) but vocalization and genetic research prove that both are distinct species.

 

 

The northern buffed-cheeked gibbon males (left) have a black pelt that shimmers silver in sunlight. The chest is brownish in color and the cheeks are deep orange-golden. The crest is very prominent in males. Females (right) are orange-beige in color and lack the characteristic crest. Photo by Tilo Nadler, Endangered Primate Rescue Center, Vietnam.
Comparison between the northern buffed-cheeked gibbon male (left) and the yellow-cheeked gibbon male (right). Photo of the yellow-cheeked gibbon from The Gibbon Network.
Comparison between the northern buffed-cheeked gibbon female (left) and the yellow-cheeked gibbon female (right). Photo of the yellow-cheeked gibbon from The Gibbon Network.

 

499w
< klik    (vietnam) Cat Ba Island 
Golden Headed Langur.
dit dier kwam < ook in india voor maar is daar bijna totaal verdwenen

 <link

Delacour’s Langur   Photo: Tilo Nadler

sri-lanka-loris
Horton Plains slender loris.
“Wat er in Zuidoost-Azië gebeurt, is angstaanjagend“, zegt Jean-Christophe Vié, hoofd van het soortenprogramma van de IUCN.
“Een groep dieren waarvan zo’n hoog percentage bedreigd is, dat hebben we nog bij geen enkele andere soortengroepen  vastgesteld.”
De precaire situatie in Azië wordt mee in de hand gewerkt door de vraag uit China om apen te gebruiken voor medicijnen of als huisdier.
 3CA45B25-C838-7990-4601BB1B7CE146D7-3
Ook al op de lijst der bedreigde primaten in azie : de NEUSAAP

*

*

*

Ook in   AFRIKA  hebben primaten het moeilijk om te overleven.
Zo zijn elf van de dertien soorten rode franjeapen geclassificeerd als (ernstig) bedreigd.
Twee zijn er mogelijk al uitgestorven.

De bouvier is al in geen 25 jaar meer waargenomen.
De Miss Waldron hebben primatologen sinds 1978 niet meer gezien, maar af en toe duikt er een bericht op dat er nog enkele van deze franjeapen in leven zijn.

red-colobus-monkey  red_colobus_monkey.(miss waldron monkey )

Procolobus

Roloway-dianaRoloway diana.  http://eol.org/pages/1657


Roloway Guenon
Cercocebus diana roloway


Tana River Red Colobus
Procolobus rufomitratus


Niger Delta Red Colobus Monkey
Procolobus epieni


Kipunji
Rungwecebus kipunji

“Van de Afrikaanse soorten staan altijd de grote apen in de belangstelling, zoals gorilla’sen bonobo’s”,
zegt voorzitter Richard Wrangham van de International Primatological Society.
“Hoewel ook zij ernstig bedreigd zijn, zijn het de kleinere soorten, zoals de franjeapen, die het eerst kunnen uitsterven.”

Ook de jacht op bushmeat ( gorilla en chimp zijn zelfs lekkernijen ) en de illegale dierenhandel eisen hun tol.

071026nipprimates-3

De laagland  gorilla
In de Democratische Republiek Congo  leven volgens de laatste telling zeker 125.000 laagland gorilla’s.
De onderzoekers telden nesten van gorilla’s om te bepalen hoeveel dieren er in Congo leven.
Deze soort komt het meest voor, maar is toch ernstig bedreigd door de snelheid waarmee de populatie krimpt.Volgens de oude schattingen leefden er maximaal 50.000 gorilla’s in Congo.
De populatie zou ernstig te lijden hebben onder illegale jacht en ziekten waaronder ebola .
Een flinke drom gorilla’s blijkt het nu in het noorden van het land overleefd te hebben.
Dat heeft de Wildlife Conservation Society bekend gemaakt op een congres over primaten in het Schotse Edinburgh

Maar primatoloog  Bert de Boer, bioloog en directeur van dierenpark De Apenheul in Apeldoorn,nuanceerde de gegevens  .
Volgens De Boer zijn cijfers over grote primaten in uitgestrekte en ontoegankelijke oerwoudgebieden notoir onbetrouwbaar.

‘Een vorm van schijnzekerheid waar het publiek gemakkelijk verkeerde conclusies aan verbindt.’


Order: Primates /  Infraorder: Catarrhini/ Family: Hominidae /Species: Gorilla gorilla

Subspecies:
G. g. gorilla (western lowland)
G. g. diehli (Cross River)

Species: Gorilla beringei

Subspecies:
G. b. beringei
 (mountain)
G. b. graueri (eastern lowland)

Some primatologists list one additional subspecies of mountain gorilla, and are proposing to separate the Bwindi population into a fifth gorilla subspecies.

Shy vegetarians, the world’s largest primates face an uncertain future in Africa’s remaining equatorial forests.
Gorilla of different subspecies vary in coat length, hair color, and jaw and teeth size. Individuals vary, but many western lowland gorillas (G. g. gorilla)—the subspecies to which the Zoo’s gorillas belong—have brownish-gray coats, unlike the often blackish coats of the mountain (G. b. beringei) and eastern lowland (G. b. graueri) gorillas.
Generally, the mountain gorilla has longer hair than the other subspecies.
Western lowland gorillas have a more pronounced brow ridge, and ears that appear small in relation to their heads. They also have a different shaped nose and lip. Adult male gorillas’ heads look conical due to the large bony crests on the top (sagittal) and back (nuchal) of the skull. These crests anchor the massive muscles used to support and operate their large jaws and teeth. Adult female gorillas also have these crests, but they are much less pronounced. In comparison to the mountain gorilla, the western lowland gorilla has a wider and larger skull and the big toe of the western lowland gorilla is spread apart more from the alignment of his other four toes.
Like all great apes, gorillas’ arms are longer than their legs. When they move quadrupedally, they knuckle-walk, supporting their weight on the third and fourth digits of their curled hands. Like other primates each individual has distinctive fingerprints.
Lowland gorilla hair is short, soft, and very fine. There is no under fur (a thick layer of insulating hair close to the skin, such as on dogs or minks). Lowland gorillas’ coats are suited for warm, moist forest habitats. Mountain gorillas are more shaggy and thick-furred due to the colder temperatures at high altitudes.
Size
The eastern lowland gorilla is the largest. Adult male gorillas have silvery white “saddles” that inspired the name “silverback” for these animals.
On two legs, adult male gorillas stand about five a half feet tall (rarely a bit taller). They weigh between 300 and 400 pounds. Females are smaller, standing up to five feet tall and averaging about 200 pounds. Zoo animals are often heavier.
Geographic Distribution
Western lowland gorillas live in lowland tropical forests in Cameroon, the Central African Republic, the Republic of Congo, the Democratic Republic of Congo, Equatorial Guinea, Gabon, Angola, and Nigeria.
Eastern lowland gorillas, also called Grauer’s gorillas, live in tropical forests from low elevations up to 8,000 feet in the Democratic Republic of the Congo (formerly Zaire) and along the border with Uganda and Rwanda.
Mountain gorillas, the rarest of the subspecies, hang on in mountain forests (up to 11,000 feet) at the borders of Rwanda, Uganda, and the Democratic Republic of the Congo.
Status
Western lowland and Cross River gorillas are listed as critically endangered on the IUCN Red List of Threatened Species. Eastern lowland and mountain gorillas are listed as endangered on the Red List.
Habitat
Gorillas live in moist tropical forests, often in secondary, or re-growing, forests or along forest edges, where clearings provide an abundance of low, edible vegetation. Mountain gorillas range up into cloud forest.
Diet in the Wild
Gorillas are primarily herbivorous, eating the leaves and stems of herbs, shrubs, and vines. In some areas, they raid farms, eating and trampling crops. They also will eat rotten wood and small animals.

The diet of western lowland gorillas also includes the fleshy fruits of close to a hundred seasonally fruiting tree species; the diets of other gorilla subspecies include proportionally less fruit. Gorillas get some protein from invertebrates found on leaves and fruits. Adult male gorillas eat about 45 pounds (20 kg) of food per day. Females eat about two-thirds of that amount.
Reproduction
Female gorillas reach maturity at seven or eight years old, but they usually don’t breed until ten years or older.
Due to competition between males for access to females, few wild males breed before they reach 15 years old. Eight and a half months after mating, a female gives birth to one young, which can usually walk within three to six months. Young are usually weaned by three years old, and females can give birth every four years.
Upon reaching sexual maturity, between ages seven and ten, young gorillas strike out on their own, seeking new groups or mates. Zoo gorillas may reach sexual maturity before seven years old, and may have young every two to three years.
Life Span
Gorillas may live about 35 years in the wild, and up to 54 in zoos.
Behavior
Gorillas live in groups. Each group usually contains one or more silverbacks and two to ten females and young. Newly established silverbacks may kill young not sired by them, but otherwise, gorilla family life is mostly peaceful. Bloody battles sometimes occur between silverbacks when they square off to compete over female groups or home ranges. Gorillas spend their mornings and evenings feeding, usually covering only a small area of forest at a time. Groups spend the middle of the day sleeping, playing, or grooming (females groom their young or a silverback). At night, gorillas fashion nests of leaves and branches on which to sleep; unweaned infants sleep in their mothers’ nests.
Social Structure
Gorillas are behaviorally flexible. This means that their behavior and social structure is not set in stone; there is great variety. The information below should only be used as a general guide.
Gorillas live in groups, or troops, from two to more than 30 members. Western lowland data seem to indicate smaller group sizes, averaging about five individuals. Groups are generally composed of a silverback male, one or more black back males, several adult females, and their infant and juvenile offspring. This group composition varies greatly due to births and deaths and to the immigration and emigration of individuals.
Mature offspring typically leave their natal group to find a mate. At about eight years old, females generally emigrate into a new group of her choosing. She seems to choose which silverback to join based on such attributes as size and quality of his home range, etc. This seems to be related to the silverback’s size, but not always. A female may change family groups a number of times throughout her life. When leaving their natal group, some sexually mature males may attempt to replace the silverback in an already established group. However, they usually spend a few years as solitary males. Nevertheless, a new troop can be easily formed when one or more non-related females join a lone male.
The group is led by the adult, dominant, silverback male. He has exclusive breeding rights to the females. At times he may allow other sub-adult males in the group to mate with females. The silverback mediates disputes and also determines the group’s home range. He regulates what time they wake up, eat and go to sleep.
Gorillas are most active in the morning and late afternoon. They wake up just after sunrise to search for food, and then eat for several hours. Midday, adults take a siesta and usually nap in a day nest while the young wrestle and play games. After their midday nap they forage again. Before dusk each gorilla makes its own nest, infants nest with their mothers.
All gorillas over three years make nests, day nests for resting and night nests for sleeping. Infants share their mothers’ nests. Gorillas form nests by sitting in one place and pulling down and tucking branches, leaves, or other vegetation around themselves. Adult males usually nest on the ground. Females may nest on the ground or in trees. Juveniles are more apt to nest in trees. Studies of western lowland gorillas have shown that the number of nests found at a site does not necessarily coincide with the number of weaned animals observed in a group.
The western lowland gorilla is characterized as a quiet, peaceful, and non-aggressive animal. They never attack unless provoked. However, males do fight over acquisition and defense of females, and the new leader of a group may kill unrelated infants. This causes the females to begin cycling sooner. An adult male protecting his group may attempt to intimidate his aggressor by standing on his legs and slapping its chest with cupped or flat hands while roaring and screaming. If this elaborate display is unsuccessful and the intruder persists, the male may rear his head back violently several times. He may also drop on all fours and charge toward the intruder. In general, when they charge they do not hit the intruder. Instead, they merely pass them by. This demonstration of aggression maintains order among separate troops and reduces the possibility of injury. It is thought that size plays an important role in determining the winner of an encounter between males (the larger male wins). Because of gorilla variability, some or all of these behaviors may not be seen.
Gorillas exhibit complex and dynamic relationships. They interact using grooming behaviors, although less than most other primates. Also affiliation may be shown by physical proximity.
Young gorillas play often and are more arboreal than the large adults. Adults, even the silverback, tolerate infant play behavior. He also tolerates, to a lesser extent, and often participates in the play of older juveniles and black back males.
The duration and frequency of sexual activity in gorillas are low in comparison to other great apes. The silverback has exclusive mating rights with the adult females in his group. The reproductive success of males depends upon the maintenance of exclusive rights to adult females. The female chooses to mate with the silverback by emigrating into his family group. Normally quiet animals, some gorillas are unusually loud during copulation.
Communication
Gorillas communicate using auditory signals (vocalizations), visual signals (gestures, body postures, facial expressions), and olfactory signals (odors). They are generally quiet animals, grunting and belching, but they may also scream, bark, and roar. Dian Fossey heard 17 different kinds of sounds from mountain gorillas. Other scientists have heard 22 different vocalizations, each seeming to have its own meaning. Gorillas crouch low and approach from the side when they are being submissive. They walk directly when confident and stand, chest beat (actually they slap with open hands), and advance when being aggressive.
Past/Present/Future
Until several decades ago, gorilla populations enjoyed the seclusion of vast tracts of forest. Today, Africa’s growing population puts many pressures on these declining primates. Logging roads snake into forests, opening frontiers to settlers and loggers, while hunters kill or capture gorillas for their meat, parts (sometimes sold as souvenirs), or because the animals raid farm fields. Gorilla meat is eaten by hunters and loggers, and is also sold in city markets and restaurants.
While protection laws exist in most countries still inhabited by gorillas, enforcement is often lacking. Civil wars in Rwanda and the Democratic Republic of Congo have harmed conservation efforts in these countries and opened parks to poachers. Gorillas also stumble into snares set for other animals, and may be killed or injured. Increased political stability, better public awareness, and carefully protected parks would go a long way toward reversing the gorillas’ decline.
Outbreaks of the Ebola virus and increased hunting led the IUCN to move the western lowland gorilla from endangered to critically endangered status in 2007. In August 2008, the Wildlife Conservation Society released a census showing that more than 125,000 western lowland gorillas are living in two adjacent areas of the northern part of the Republic of Congo. Previously, it was thought there could be fewer than 50,000 of these gorillas.
With a population of fewer than 300 individuals, Cross River gorillas are listed as critically endangered.


Adolescent mountain gorilla (Gorilla gorilla beringei) 7 

http://www.seniorennet.be/Dossier/Natuurbehoud/gorillas_soorten.php

osteo6 Chimpansees soorten 
osteo6 Gorilla’s
osteo6 
Biologie
   osteo6 Bedreigingen
   osteo6 Het werk van WWF 
osteo6
 Neushoorns

VIDEO
http://www.youtube.com/watch?v=b0YEBkVIFi0

Gorilla’s : soorten

Er bestaan twee afzonderlijke soorten gorilla’s, die nog eens zijn onderverdeeld in vier ondersoorten:

De berggorilla  

BerggorillaLatijnse naam: Gorilla beringei beringei

Status: Met uitsterven bedreigd   update –>berggorilla’s (Tsjok45)

Habitat

De bossen op de flanken van de vulkanen van het Nationaal Park van Virunga (op de grens met de Democratische Republiek Congo) en van Bwindi-Impenetrable National Park in het zuid-westen van Ouganda.
Meer info : Het Nationaal Park Virunga

071026nipprimates-2

 

Uiterlijk     Hij heeft een zwarte vacht, de volwassen mannetjes hebben een witte strook op hun rug en worden zilverrug genoemd.

Populatie    Er zijn op dit moment naar schatting zo’n 700 berggorilla’s in leven. Omdat zij voorkomen in een gebied dat ernstig verstoord wordt door de burgeroorlog, is het moeilijk om de dieren te beschermen.

Het relaas van een ontmoeting met een gorilla: Lessen in bescheidenheid

DE OOSTELIJKE LAAGLANDGORILLA of gorilla van Grauer

Oostelijke laaglandgorillaLatijnse naam:   Gorilla beringei graueri

Status: Ernstig met uitsterven bedreigd

Habitat :   De vlakten en het hoogland van het middengebergte in het oosten van de Democratische Republiek Congo.

Uiterlijk :   Hij heeft een zwarte vacht zoals de berggorilla, maar verschilt van hem door de kortere beharing, de tanden en de langere armen

Populatie :  Ongeveer 3.000 individuen.

DE WESTELIJKE LAAGLANDGORILLA

Westelijke laaglandgorillaLatijnse naam: Gorilla gorilla gorilla

Status: Met uitsterven bedreigd

Habitat:   Een heel groot territorium dat zich uitstrekt over de grote bossen in het laagland vanCentraal Afrika. De meerderheid van de dieren zou in de wouden van Gabon leven.

Uiterlijk:    De westelijke laaglandgorilla heeft een bruin-grijze vacht met een rode of roodbruine kruin. De volwassen mannetjes hebben meestal eenwitte strook van hun rug tot hun middel.

Populatie:  Ongeveer 94.500 individuen.§ zie hierboven voor andere cyfers )

DE “Cross River” GORILLA


Cross River Gorilla

Latijnse naam : Gorilla gorilla diehli

Status : Ernstig met uitstreven bedreigd

Habitat : De laatste bossen in het zuid-oosten van Nigeria en in het westen van Kameroen.

Uiterlijk :   Deze ondersoort heeft dezelfde vacht als zijn neef uit het laagland ((bruingrijs met rode of roodbruine kruin), )en verschilt alleen door de grootte van de schedel en de tanden.

Populatie : 250 tot 280 individuen.

Bron: WWF
_____________________________________________________________________________________________________

African-golden-monkey

Een streekgenoot van de berggorilla 

MADAGASCAR
De situatie in het enige  thuisland  van de  lemuren /halfapen   is uiterst  precair  voor het voorbestaan van vele verschillende unieke  soorten( niet alleen maar primaten )
lemurs-2012
Madagascar  is en was  een  biodiversiteit -hotspot  met  unieke fauna en flora  .
Er is sprake van een ver doorgedreven ontbossing   en  ook  de   halfapen  zijn nog steeds  slachtoffer van jacht en stroperij
http://www.amnh.org/sciencebulletins/bio/s/primates.20050711/Op de lijst  staan  de bijna uitgestorven  :
Prolemur simus.
Eulemur albocollarisPropithecus perrieri
Propithecus perrieri
Propithecus perrieri
Photo: Matthew Banks silky-sifaka-107483 sifakawade-600Dancing sifaka // Richard dawkins’s favoriete dierPropithecus candidus
   Behalve dat de mens met zijn destructieve gedrag moet stoppen, zijn er volgens Folgering nog mogelijkheden om de primaten te redden.“Je kunt overheden overtuigen van het belang van ecotoerisme. In Rwanda betalen bezoekers nu al 500 dollar om berggorilla’s te zien. Zo komt er geld in het laatje om de natuur in stand te houden en creëer je een draagvalk onder de bevolking om respect op te brengen voor hun omgeving.”

Hier en daar zijn er al kleine successen behaald.
In Brazilië zijn het roodstuitleeuwaapje, het zwarte leeuwaapje  en het gouden leeuwaapje in de rode lijst opgeklommen van kritiek  naar bedreigd. *
Dat is het resultaat van dertig jaar inspanningen voor natuurbehoud.
De dieren zijn   nu goed beschermd, maar ze lijden nog steeds  onder een te kleine habitat.
Golden lion tamarin (Leontopithecus rosalia) 5  leeuwaapje

     
http://www.wildlifetrust.org/news/2005/0501a_tamarin.htm

BLT1


zwartkop tamarin

Map-sm

*

*

“Als je wouden hebt, kun je de primaten beschermen”,
zegt wetenschapper Anthony Rylands van de IUCN.
“Het werk met de leeuwaapjes in Brazilië toont aan dat het broodnodig is om gefragmenteerde wouden te beschermen en ze met elkaar te verbinden via groencorridors. Dat is niet alleen levensnoodzakelijk voor de primaten, maar ook voor een gezond ecosysteem, de watervoorziening, en de strijd tegen de klimaatverandering.”

Folgering:
“Het is nog altijd de moeite om te vechten.
Voor veel populaties is de toestand kritiek, maar opgeven doen we niet.”

De drie  categorieën:  “kwetsbaar”, “bedreigd” en  “ernstig bedreigd”.

*“bedreigd”,
Soorten komen in die categorie terecht omdat ze
-zeldzaam zijn,
-snel in aantal verminderen
-en in een klein gebied voorkomen.

http://primates.squarespace.com/storage/PDF/Primates.in.Peril.2008-2010.pdf


Rondo Dwarf Galago
Galagoides rondoensisGalago


Javan Slow Loris
Nycticebus javanicus


Siau Island Tarsier
Tarsius tumpara

Indonesian-Tarsiers

Indonesian tarsiers

Artwork from: Endangered Primate Rescue Center
Cuc Phuong National Park, Nho Quan District, Ninh Binh Province, Vietnam
Full size artwork, distribution maps, and more info at EPRC Website



Grey-Shanked Douc
Pygathrix cinerea

Pygathrix n. nigripes
Black-shanked Douc

Pygathrix nemaeus
Red-shanked Douc

 
Tonkin Snub-nosed Monkey
Rhinopithecus avunculus

http://www.hln.be/hln/nl/959/Bizar/article/detail/1672360/2013/07/20/Britse-zoo-is-trots-op-Royal-Monkey.dhtml

Tonkin langoer baby

tonkinlangoer  baby ;   één van de zeldzaamste apen ter wereld en met uitsterven bedreigd. De geboorte van zo’n aapje met dan nog eens een speciale vacht, maakt het beestje extra bijzonder.

Trachypithecus f. poliocephalus
Tonkin Hooded Black Langur
Cat Ba Langur
Trachypithecus p. poliocephalus

Trachypithecus f. delacouri
White-rumped Black Langur
Delacour’s Langur
Trachypithecus delacouri

Trachypithecus laotum
White-browed Black Langur

Trachypithecus francoisi
Francois’ Langur or Leaf Monkey

Trachypithecus cristatus
Silvered Leaf-monkey or Langur

Trachypithecus phayrei
Phayre’s Langur or Leaf Monkey


Simakobu
Simias concolor


Western Purple-faced Langur
Semnopithecus vetulus nestor

HYLOBATES  

White-handed gibbon portrait

Scientific name: Hylobates lar     /Rank: Species      //  White-handed gibbon

Taxonomy
Order: Primates    Suborder: Haplorhini  Infraorder: Catarrhini   Family: Hylobatidae
The 12 species of gibbons are classified, referring to their size, as lesser apes. They exhibit many of the general characteristics of primates: flat faces, stereoscopic vision, enlarged brain size, grasping hands and feet, and opposable digits; and many specific characteristics of apes: broad chest, full shoulder rotation, no tail, and arms longer than legs.
Gibbons are relatively small, slender, and agile. They have fluffy, dense hair. They are not sexually dimorphic in size. Mature females usually weigh more than mature males. They have very long arms, which they use in a spectacular arm-swinging locomotion called brachiation. Their hands and fingers are also very long. The relatively short thumb is set well down on the palm, and their fingers form a hook, which is used during brachiation. Gibbons have very good bipedal locomotion, which they use on stable surfaces too large to grasp. When walking bipedally, arms are held up to keep from dragging and to assist with balance. Gibbons are sometimes observed putting their weight on their hands and swinging their legs through as if using crutches.
Gibbons do not build nests like the great apes. They sleep sitting up with their arms wrapped around their knees and their head tucked into their lap. They have ischial callosities (fleshy, nerveless pads attached to the hip bones, a characteristic otherwise found only in Old World monkeys).
Social Structure
Gibbons live in small, monogamous families composed of a mated pair and up to four offspring. Less than six percent of all primate species (more than 300) are considered monogamous.
Gibbons are one of the few apes where the adult female is the dominant animal in the group. The hierarchy places her female offspring next followed by the male offspring and finally by the adult male.
Gibbons are physically independent at about three, mature at about six, and usually leave the family group at about eight, though they may spend up to ten years in their family group.Communication
Gibbons are known for their beautiful song. Their loud vocalization can be heard up to one mile away and is used to announce location, defend territory, and maintain bonds with the family unit. The adult pair, sometimes joined by practicing juveniles, sing duets. Each individual can be identified by his or her song.
Siamangs have a louder call than white-cheked gibbons, amplified by a throat sac. Their call can be heard up to two miles away. Also used to defend territory, it includes more of a boom, bark, and a loud call increasing in speed as the call goes on, as compared to the chatter and calling of the other gibbon families.
Life span
Longevity in the wild is 25 to 30 years and can be as long as 40 years in captivity.
Conservation
All gibbons are endangered, largely due to deforestation. They are also hunted and trapped for the pet trade.http://www.bbc.co.uk/nature/life/Lar_Gibbon
The rainforest of Borneo habitat : rainforest 
northern white-cheeked gibbon

Nomascus leucogenys
northern white-cheeked gibbon
Photo credit: Bertrand L. Deputte

Nomascus leucogenys
northern white-cheeked gibbon
Photo credit: Alan Mootnick

northern white-cheeked gibbonhttp://pin.primate.wisc.edu/factsheets/image/32

Taxonomy
Genus and species: Nomascus leucogenys

Distribution and Habitat
White-cheeked gibbons are found in Laos, Vietnam, and southern China in evergreen tropical rainforests and monsoon forests.
Gibbons have a home range of about 75 to 100 acres (0.3 to 0.4 km2) and travel about one mile (1.6 km) per day through this range. They defend approximately three-quarters of their range as their group territory. Defense takes the form of calls from the center of the territory, calls from the boundaries, confrontations across the boundaries, chasing across the boundaries, and, rarely, physical contact between males. Gibbons are arboreal and spend most of their time in the canopy. They rarely stay on the ground for very long. Here at the Zoo the gibbons spend more time on the ground. You may see youngsters wrestling in the grass.

Nomascus leucogenys
northern white-cheeked gibbon
Photo credit: Bertrand L. Deputte

northern white-cheeked gibbon

Physical Description
White-cheeked gibbons are 18 to 25 inches (47 to 64 cm) tall and weigh about 15 to 20 pounds (7 to 9 kg). Our females are slightly heavier than males, which is not typical of gibbons in the wild. They exhibit sex- and age-linked color dimorphism. All infants are a beige color. By the time they are one to one and a half years old, their coat has become black with white cheek patches. At sexual maturity (five to seven years), males remain black and females become a beige color again. The external genitalia of males and females are remarkably similar, and the sex of an individual can be hard to determine without close examination. Both sexes have long, dagger-like canines.

Nomascus leucogenys
northern white-cheeked gibbon
Photo credit: Bertrand L. Deputte

northern white-cheeked gibbon

Social Structure
Like all gibbons, white-cheeked gibbons live in small, monogamous families composed of a mated pair and up to four offspring. They are physically independent at about three, mature at about six, and usually leave the family group at about eight, though they may spend up to ten years in their family group.
Gibbons are one of the few apes where the adult female is the dominant animal in the group. The hierarchy places her female offspring next followed by the male offspring and finally by the adult male.
Grooming is an important social activity between adults, between sub-adults, and between adults and young. Infant centered play behavior is another common social activity.
Communication
Vocalization (see gibbon communication information) is a major social investment. The basic pattern is an introductory sequence where both male and female “warm up,” followed by alternating sequences of male and female calls and of female great calls, usually with a male coda at the end. Calls are often accompanied by behavioral acrobatics.
Reproduction and Development
The menstrual cycle is 28 days, and the gestation period is seven months. White-cheeked gibbons give birth to a single offspring every two or three years. Infants cling to their mothers from birth. Newborns are often found clinging horizontally across the female’s abdomen. This allows the mothers to sit with their knees up as most gibbons do. Older infants orient vertically on the abdomen. Youngsters are weaned early in their second year. Once the offspring reach full maturity they usually leave the family group and search for a territory and mate of their own.
Diet in the Wild
White-cheeked gibbons eat mostly ripe fruits, leaves, and a small amount of invertebrates. Fruit eating occupies about 65 percent of feeding time and young leaf eating about 35 percent of feeding time. They move and feed mainly in the upper and middle levels of the canopy and almost never come down to the ground. Families often feed together in the trees.

buff-cheeked gibbon
Male & female Nomascus Gabriellae

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?sec=BASIC&qry=gibbon

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=16

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=32

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=48

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=64

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=80

http://www.animalpicturesarchive.com/list.php?qry=gibbon&p=96


Eastern Black Crested Gibbon
Nomascus nasutus


W. Hoolock Gibbon
Hoolock hoolock


Sumatran Orangutan
Pongo abelii

MALE-ORANG-BRISTOL
Orangutan
Order: Primates
Family: Pongidae
Genus and Species: Pongo pygmaeus (Bornean) and Pongo abelii (Sumatran)
The world’s largest tree-dwelling animal, the orangutan relies upon its intelligence and well-adapted body to survive in the tropical rainforest.
Physical Description

female borneo orang 

These orangish-red-haired great apes have long arms and curved hands and feet, which they put to good use when traversing the treetops. Older orangutans usually move through the trees on all fours, while young ones often brachiate, or swing hand over hand. Males have longer hair than females and disc-like cheek pads.
Both sexes have throat pouches that make their calls resonate through the forest. The males’ pouches are more developed. Orangutans crush tough foliage and hard-shelled nuts with their strong teeth and jaws. Two species exist: P. pygmaeus of Borneo, and the Sumatran species, P. abelii. Outside of their native ranges, they can be differentiated only through chromosomal or DNA analysis.
Size
Orangutans are Asia’s largest primates, and males are larger than females. Males stand about four and a half feet tall and weigh 130 to 200 pounds. Females stand about four feet tall and weigh 90 to 110 pounds. Zoo animals are often heavier.

Geographic Distribution
Once more widely distributed, orangutans now live only in forests on the Southeast Asian islands of Sumatra and Borneo.

june 2009 swimming orang

Status
The Sumatran species is listed as critically endangered and the Bornean species is listed as endangered on the World Conservation Union’s Red List of Threatened Animals.
Habitat
Orangutans live in tropical rainforests, including hill forests and swamp forests.

Natural Diet
Orangutans feed primarily on forest fruits, including durians, jackfruits, lychees, mangos, and figs. Leaves and shoots make up the remainder of their diet, supplemented occasionally by small animals, tree bark, and soils rich in minerals. Researchers have documented more than 400 different foods eaten by wild orangutans.
Reproduction
Male orangutans establish home ranges that embrace those of several females. Females reach maturity at around ten years of age and can remain fertile for more than 30 years. Recent research suggests that, on average, wild females give birth only every eight years. Young orangutans may nurse until age six, and stay close to their mothers until the next offspring comes along.
Life Span
Orangutans may live about 35 years in the wild, and up to 60 in zoos.
Behavior
Active during the day, orangutans spend much of their lives high in the trees. Solitary, they rarely encounter others of their kind unless sharing a fruiting tree or mating. Each night, orangutans bend branches into nest platforms that support the apes while they sleep in the trees.
Orangutans move slowly through the forest, seeking fruiting trees, which they may find by following the movements of hornbills and other fruit-eaters. When heavily fruiting trees are found, orangutans will spend many hours feeding.
Past/Present/Future
Once widespread in Asian tropical forests, orangutans now live only on Sumatra and Borneo, where forest loss is the greatest threat to their existence. Naturally occurring forest fires, and those set by farmers and large companies to clear the way for plantations of oil palm, fast-growing pulpwood, and other crops, devastate forests. The destruction spreads even further during dry years. In 1997, an area the size of New Jersey burned in Indonesia, and many of the fires occurred in orangutan habitat. Large reserves and strictly enforced wildlife protection laws are needed to keep orangutans safe from extinction

 

 

LEMUREN 

Photographs of lemurs in Madagascar


Cheirogaleus major
lemur
Indri lemur in Andasibe

White-footed lepilemur
(Lepilemur leucopus)


Ringtailed lemur
(Lemur catta) eating with baby on back


Sifaka lemur in “The Thinker” position


Ring-tailed lemurs paddycake


Ringtails on a mission

Black lemurs (Nosy Komba)
Black lemurs

Collared lemur (Eulemur fulvus collaris) (Ankarana)
Collared lemur


Mother lemur catta with
baby on chest
Red-fronted brown lemur
with baby on back at Kirindy
White ruffed lemur
feeding on tamarind


Red-fronted brown lemur
(E. fulvus rufus) in tree


Red ruffed lemur (Varecia variegata rubra)


White-fronted brown lemur


Greater Bamboo Lemur


Eulemur fulvus rufus
in tree at Kirindy
Microcebus rufus
(Brown mouse lemur)
Varecia variegata
variegata


Diademed sifaka in
Mantady NP


Milne-Edwards Sifaka

Grey Bamboo Lemur (Andasibe)
Grey Bamboo Lemur


Red-fronted brown lemur

Eulemur fulvus rufus

Excited ring-tailed lemur


Leaping lemur


Sifaka just hanging out


Upside-down sifaka lemur

MORE
LEMUR
PHOTOS

 

 

 

 

 

 

‘Veel lemuren met uitsterven bedreigd’

 13 juli 2012

– Het aantal soorten lemuren dat met uitsterven wordt bedreigd, is veel groter dan tot nu toe werd gedacht. Dat blijkt uit nieuw onderzoek naar deze primaten.

Dat schrijft de BBC. Een groep onderzoekers bestudeerde lemuren op Madagaskar, de enige plek waar deze dieren nog in het wild leven. De onderzoekers stelden naar aanleiding hiervan een rode lijst samen van lemuren die met uitsterven worden bedreigd.

Van de 103 verschillende soorten hoort 91% volgens de onderzoekers op deze rode lijst thuis. 23 Soorten lemuren moeten zelfs als ‘ernstig bedreigd’ worden beschouwd. Het predicaat ‘ernstig bedreigd’ is voorbehouden voor dieren waarvan er nog 50 of minder in het wild leven, of waarvan de populatie binnen tien jaar met minstens 80% is afgenomen.
“In totaal wordt 91% van de lemuren met uitsterven bedreigd. Dat percentage is veel hoger dan bij welke andere zoogdiersoort dan ook,” aldus onderzoeksleider Russ Mittermeier.

Oorzaken

Het vorige onderzoek naar lemuren, dat in 2008 plaatsvond, leverde een rode lijst van 40 soorten op, waarvan acht ernstig bedreigd. Als belangrijkste oorzaken voor de toename van het aantal bedreigde soorten worden houtkap en jacht op de dieren genoemd.
Lemurs 2012 07 13

Two ring-tailed lemur babies sit on their mother’s back at the zoo in Frankfurt, Germany, on Mar. 30, 2010. (THOMAS LOHNES /AFP/Getty Images)

A new survey shows lemurs are far more threatened than previously thought.

A group of specialists is in Madagascar – the only place where lemurs are found in the wild – to systematically assess the animals and decide where they sit on the Red List of Threatened Species.

More than 90% of the 103 species should be on the Red List, they say.

Since a coup in 2009, conservation groups have repeatedly found evidence of illegal logging, and hunting of lemurs has emerged as a new threat.

The assessment, conducted by the Primate Specialist Group of the International Union for the Conservation of Nature (IUCN), concludes that 23 lemurs qualify as Critically Endangered – the highest class of threat.
Fifty-two are in the Endangered classification, and a further 19 Vulnerable to extinction.

“That means that 91% of of all lemurs are assessed as being in one of the Red List threatened categories, which is far and away the largest proportion of any group of mammals,” said Russ Mittermeier, chairman of the specialist group and president of Conservation International.

Species can qualify for a Red List category on several measures.

A Critically Endangered listing can mean the population numbers less than 50 mature adults or that it has shrunk by 80% over 10 years, for example.

The previous lemur assessment, published in 2008, put eight species in the Critically Endangered class. Eighteen were Endangered, and 14 Vulnerable.
Hunting crisis //  The new assessment also confirms that there are more lemur species that previously thought.

We see local people hunting lemurs, even blue-eyed black and sportive lemurs which we never saw before”

End Quote Dr Christoph Schwitzer Bristol Zoo

Detailed observation and genetic testing have revealed several cases where populations that had been presumed to belong to one species were in fact from different ones.

The 103rd species, a mouse lemur that has yet to be named, was identified during the assessment exercise.

But the experts have been dismayed by ongoing deforestation, and have documented hunting of lemurs at levels not seen before.

“Several national parks have been invaded, but of greater concern is the breakdown in control and enforcement,” Dr Mittermeier told BBC News.

“There’s just no government enforcement capacity, so forests are being invaded for timber, and inevitably that brings hunting as well.”

Christoph Schwitzer, head of research at the UK’s Bristol Zoo, said his students had seen this at first hand in the northwest of the island.

The zoo runs a conservation project there with blue-eyed black lemurs (Eulemur flavifrons) and Sahamalaza sportive lemurs (Lepilemur sahamalazensis) – both Critically Endangered species.

About 90% of Madagascar’s original forest has been lost, with lemurs and the many other endemic forest-dwelling species clinging to an increasingly precarious existence in the fragments that remain.

lemur (primate suborder) — Britannica Online Encyclopedia
http://www.britannica.com/EBchecked/topic/1059297/lemur

1333056-d8d116f4b816be154de1abcbbacf48ef


Taxonomy

Order: Primates
Suborder: Strepsirhini
Infraorder: Lemuriformes
Family: Lemuridae

Distribution and Habitat
Lemurs survive only on the island of Madagascar off the southeast coast of Africa in the Indian Ocean (shown in green), and on the neighboring Comoros islands. The various species of lemurs can be found in habitats as different as the lush, wet, rainforest of eastern Madagascar and the very dry spiny desert in the southwest.

Physical Description

Lemurs are primates. The species living today are small to medium-size mammals ranging from the smallest of all primates, the tiny pygmy mouse lemur (Microcebus myoxinus), which weighs only 30 grams (1 ounce), to the largest lemurs, the indri (Indri indri) and the diademed sifaka (Propithecus diadema diadema), which weigh slightly over 7 kg (15 pounds) and can reach 4 feet (1.2 m) tall.

Coquerel's Sifaka

Coquerels kroonsifaka is een dagactieve maki uit het geslacht van de sifaka’s. Dit is een van de drie geslachten uit de familie van de indriachtigen. Wikipedia

 

MBG: Madagascar Biodiversity and Conservation – Coquerel’s Sifaka

Afbeeldingen van coquerel’s sifaka.

 

 

Lemurs like all, primates have binocular vision and grasping hands. However, unlike most other primates, lemurs and other prosimians have a rhinarium, a moist, very sensitive nose.

With the exception of the indri, lemurs have long furry tails. They use these tails for balance when leaping through the forest canopy, but unlike some New World monkeys, these tails are not prehensile, and lemurs cannot hang from them.

The Evolution of Lemurs
How and when lemurs diverged from the lineage that led to monkeys is unclear. Although it was once thought that lemurs were on Madagascar when the island separated from Africa, recent advances in geological science have shown that Madagascar was separated from Africa by hundreds of kilometers before lemurs evolved. Accordingly, the ancestors of Madagascar’s lemurs must have crossed over from Africa on floating vegetation early in primate evolution and become reproductively isolated from Africa.

Once on Madagascar, the lemurs underwent an amazing radiation, evolving into many different species. Then, about 2,000 years ago, the first human settlers arrived on Madagascar from the Malaysian-Indonesian area. By the time the Europeans who wrote about the natural history of the island reached Madagascar in the mid-1600s, 15 species of lemurs, forming eight entire genera, had become extinct.

All of these 15 fossil lemur species were larger than any of the surviving species. The largest of these was Archaeoindris, which is estimated to have weighed 350 to 440 pounds (160 to 200 kg), or as much as an adult male gorilla. Another group, the “sloth lemurs” includingBabakotia and Paleopropithecus, weighed 44 and 88 pounds, (20 and 40 kg) respectively, and appear to have traveled by hanging upside down from branches like current South American sloths. Another unusual extinct lemur, Megaladapis, 88 to 175 pounds, (40 to 80 kg), appears to have hung onto trees much like an Australian koala. The loss forever of these bizarre and wonderful animals in the recent past is unfortunate. As you know these species will not be the last to disappear unless we all act quickly to preserve the remaining species.

Lemurs are much less closely related to humans than are monkeys and apes. Living lemurs more closely resemble primitive primates that lived millions or tens of millions of years ago than do living monkeys. For this reason, the study of living lemurs can provide unique and highly valuable insight into primate evolution, including the evolution of human ancestors.

There are now 88 species of living lemurs divided into five surviving families:

Cheirogaleidae—Mouse and dwarf lemurs. This family boasts the smallest of all primates, the gray or lesser mouse lemur. These lemurs are nocturnal. They are solitary foragers but sleep in small groups.

red ruffed lemur 146558-050-294F70A4


Lemuridae
True lemurs. Our animals on Lemur Island, the ring-tailed lemur and the red-fronted lemur are found in this family as well as the red-ruffed lemur in the Small Mammal House. These lemurs have long bushy tails used for balancing as they jump from branch to branch. They have a well-developed sense of smell and often scent mark their territories.

Megaladapidae—Sportive lemurs are nocturnal and arboreal. They are primarily leaf eaters.

Indriidae—Woolly lemurs and sifakas are the largest of the lemur families. Some can reach four feet (1.2 m) from head to toe. The sifakas have long spring-like legs that allow them to jump over 30 feet (9 m) from tree to tree.

Daubentoniidae—The only member of this family is the rare aye-aye. They are solitary and nocturnal. They have elongated, narrow, flexible fingers that they use to reach under tree bark for grubs.

Social Structure

Lemurs spend most of their time in trees or large bushes, although the ring-tailed lemur, the most terrestrial species, may spend as much as half of its day on the ground. The smaller species tend to be nocturnal and solitary, but most of the larger species are active during the day, or diurnal. The diurnal lemurs also tend to live in social groups or mobs.

Lemurs feed primarily on leaves and fruits, and most are arboreal. For some of the nocturnal lemurs, insects form a large part of their diet.

Communication
Lemurs communicate vocally as well as through scent markings.

Conservation
Several species of lemur are endangered, largely due to deforestation. They are also hunted and trapped for the pet trade and food.

ring-tailed lemur

ringstaartmaki

Taxonomy

Order: Primates
Family: Lemuridae
Genus and species: Lemur catta

Distribution and Habitat
Ring-tailed lemurs are found in the southwest portion of Madagascar. They live in arid, open areas and forests. Ring-tailed lemurs live in territories that range from 15 to 57 acres (0.06 to 0.2 km2) in size.

Physical Description
The average body mass for adult males is six to seven pounds (3 kg). Females are usually smaller.

Ring-tailed lemur backs are gray to rosy brown, limbs are gray, and their heads and neck are dark gray. They have white bellies. Their faces are white with dark triangular eye patches and a black nose. Their tails are ringed with 13 alternating black and white bands. This famous tail can measure up to two feet (61 cm) in length.

Unlike most other lemurs, ring-tails spend 40 percent of their time on the ground. They move quadrupedally (on all fours) along the forest floor.

Social Structure
Ring-tailed lemurs are found in social groups ranging in size from three to 25 individuals. The groups are composed of both males and females. Females remain in their birth group throughout their lives. Generally males change groups when they reach sexual maturity, at age three. Ring-tail groups range over a considerable area each day in search of food, up to 3.5 miles (6 km). All group members use this common home range. Groups are often aggressive towards other groups at the border of these areas.

Females are dominant in the group, which means they have preferential access to food and choice of whom to mate with. This, like the gibbons, is unusual in the primate world. Males do have a dominance hierarchy, but this does not seem important during mating season because even low-ranking males are able to copulate.

Females have been seen to have closer social bonds with other female relatives in a group than they do with unrelated females.

These social bonds are established and reinforced by grooming. Prosimians groom in a rather unique way, all prosimians have six lower teeth, incisors and canines, that stick straight out from their jaw, forming a toothcomb. This comb is used to groom their fur and the fur of the other members of their social group.

One of the most unusual lemur activities that ring-tailed lemurs participate in is sunbathing. The ring-tailed mob will gather in open areas of the forest and sit in what some call a yoga position facing the sun. They sit with their bellies toward the sun and their arms and legs stretched out to the sides. This position maximizes the exposure of the less densely covered underside to the sun. The temperature in the forest can be cold at night and this is a way to warm up before they forage.

Communication
As true with all lemurs, olfactory (smell-oriented) communication is important for ring-tails. Ring-tailed lemurs have scent glands on their wrists and chests that they use to mark their foraging routes. Males even have a horny spur on each wrist gland that they use to pierce tree branches before scent-marking them.

  • Tail flick: Secretions from the wrist glands are rubbed on the tail and flicked at an opponent.

Ring-tailed lemurs communicate visually in a number of ways as well. When ring-tail troops travel throughout their home range, they keep their tails raised in the air, like flags, to keep group members together. They also communicate using facial expressions. Some examples:

  • Staring open-mouth face: The eyes are opened wide, the mouth is open with the teeth covered by the lips. This occurs when mobbing a predator or serves to communicate an inhibited threat.
  • Staring bared-teeth scream face: The eyes are opened wide, the mouth is open with the corners drawn back so that the teeth and gums are revealed. This display occurs with terror flight.
  • Silent bared-teeth face: The eyes are staring at the stimulus, the eye brows are either relaxed or up, and the corners of the mouth are drawn back allowing the teeth to show. This is used to communicate submission or a friendly approach.
  • Bared-teeth gecker face: Similar to silent bared-teeth face only with a rapid noise attached to it. This display occurs during subordinate flee-approach conflicts and also when an infant is bothered.
  • Pout face: The eyes are opened wide and the lips are pushed forward such that the mouth resembles an “O” shape. This occurs with contact calls and also occurs with begging.
  • Hoot face: The lips are pushed forward to resemble something called a “trumpet-mouth.” This display occurs with long-distance calls (e.g. territorial calls).

Ring-tailed lemurs are one of the most vocal primates. They have several different alarm calls to alert members of their group to potential danger. Common calls include:

  • Infant contact: soft purr
  • Cohesion: cat’s meow. Used when the group is widely dispersed.
  • Territorial: howl. Can be heard for over a half a mile (1 km).
  • Alarm: Starts as a grunt then becomes a bark.
  • Repulsion: series of staccato grunt sounds. It occurs between two individuals.

Reproduction and Development
Females usually produce their first offspring at age three, and annually thereafter. This can happen as early as 18 months in captivity.

In the wild, mating is extremely seasonal beginning in mid-April with infants being born in August and September. Gestation lasts four and a half months. Generally ring-tailed lemurs give birth to one offspring, but twins can be a frequent sight if food is plentiful.

Initially, infants cling to their mother’s belly, but after about two weeks, they can be seen riding jockey style, on their mother’s back. Infants begin sampling solid food after about a week and will become increasingly independent after about a month. They return to mom to nurse or sleep until they are weaned at about five or six months of age. All adult females participate in raising the offspring of the group.

Life Span
Ring-tails can live 20 to 25 years.

Diet in the Wild
The main diet of ring-tails consists of leaves, flowers, and insects. They can also eat fruit, herbs, and small vertebrates.

Zoo Diet
Once a day, they are fed a mixture of fruits and vegetables and leaf-eater biscuits.

Health Care
Each animal has a yearly physical, including a dental checkup. Fecals are checked for parasites every January and June.

The National Zoo’s Ring-tailed Lemurs
The Zoo is not actively breeding lemurs. These animals have well represented genes and the SSP does not need them as part of the breeding population. The Zoo currently houses eight ring-tails, two males and six females. They arrived from the Duke Primate Research Center in September 2001.

Conservation
Ring-tailed lemurs are endangered. The gallery forests of Madagascar that these lemurs prefer are rapidly being converted to farmland, overgrazed by livestock, and harvested for charcoal production. They are also hunted for food in certain areas of their range and are frequently kept as pets. Fortunately, ring-tails are found in several protected areas in southern Madagascar, but the level of protection varies widely in these areas, offering only some populations protection from hunting and habitat loss.

Ring-tailed lemurs breed very well in captivity, and more than 1,000 can be found at about 140 zoos around the world.

 

°

 

Red-fronted brown lemur

Red-fronted brown lemur  (Tsingy de Bemaraha)

Taxonomy

Order: Primates
Family: Lemuridae
Genus and species: Eulemur fulvus rufus

Distribution and Habitat
Red-fronted lemurs live in the deciduous forests of western and eastern Madagascar, off the southeast coast of Africa.

Red-fronted lemurs are the only subspecies of Eulemur in the western part of its range.

Eulemur fulvus rufus in tree at Kirindy(Kirindy)  Eulemur fulvus rufus in tree at Kirindy

Eulemur fulvus rufus (Tsingy de Bemaraha)

Physical Description
The red-fronted lemur is one of seven subspecies of brown lemur. They are all sexually dichromatic, meaning that males and females have different fur patterns. Males are grey to grey-brown and females are reddish brown. Both sexes have pale patches over their eyes, and the males have a reddish crown.

They are about the size of a house cat, 4.5 to 8 pounds (2 to 4 kg). Their tails can measure as much as 22 inches (56 cm).

This is an arboreal species that moves through the forest canopy quadrupedally (on all fours). It is also capable of leaping.

Social Structure
Red-fronted lemurs live in multimale-multifemale social groups of between four and 18 individuals, although the average group size is seven to eight. Both home and day ranges for this subspecies are very small, usually less than 2.5 acres (0.01 km2). Unlike many prosimians, red-fronted lemurs do not show marked female dominance.

Social bonds within the group are established and reinforced by grooming. Prosimians groom in a unique way. Most prosimians, including red-fronted lemurs, have six lower teeth that stick straight out from their jaw, forming a dental comb that the animals use to groom their fur and the fur of other members of their social group.

Communication
As with all true lemurs, olfactory (smell-oriented) communication is extraordinarily important, used in such capacities as transmitting physical state, locomotion, and individual recognition.

Red-fronted lemurs have a few documented calls:

  • Ohn: nasal sound. It is used in maintaining group cohesion.
  • Cree: high pitched sound. It is a territorial call.
  • Crou: alarm call. Signal of danger to other lemurs.

Reproduction and Development
In the wild, female red-fronted lemurs give birth to one offspring in the fall, after a gestation period of approximately four months. Infants cling to their mother’s belly for the first three weeks, shifting only to nurse. At approximately three weeks of age, the young lemurs will begin spending time riding, jockey style, on the mother’s back, and then will take their first tentative steps. With this hint of independence, infants begin to taste solid food, sampling bits of whatever the other members of their group are eating. Nursing continues, in a steady decline in importance in the infant’s diet, until the infant is weaned at approximately four to five months of age. Males have been known to assist the females with child rearing.

Life Span
Red-fronted lemurs can live 20 to 25 years.

Diet in the Wild
They are mainly folivorous, or leaf-eating, lemurs. They can also eat flowers, fruit, and bark. However, red-fronted lemurs have very adaptable diets, shifting to invertebrates and fungi when plant matter is scarce.

Zoo Diet
They are fed a mixture of fruits and vegetables and Marion leaf-eater biscuits.

Health Care
Each animal has an annual physical, including a dental checkup. Fecals are checked for parasites every January and June.

The National Zoo’s Red-fronted Lemurs
The Zoo is not actively breeding lemurs. These animals have well represented genes and the SSP does not need them as part of the breeding population. The Zoo currently houses two red-fronted lemurs, one male and one female on Lemur Island. They arrived from the Duke Primate Research Center in September 2001.

Conservation
Forest destruction is the primary threat to the survival of red-fronted lemurs. In the west, forests are being cleared for pasture, while in the east, the forests are burned for slash-and-burn agriculture and cut for charcoal production. Red-fronted lemurs are found in several protected areas in Madagascar, and may be one of the more protected subspecies of brown lemur.

Lemur References:

Brown Lemur (Eulemur fulvus), 2000, Wisconsin Regional Primate Research Center, University of Wisconsin – Madison, (link no longer active)

The Lemur Database,
link tohttp://www.stormloader.com/lemur/ringtailed.html 

Red-fronted Lemurs, 1999, Duke University Primate Research Center (link no longer active)

Ring-tailed Lemurs, 1999, Duke University Primate Research Center
link tohttp://www.duke.edu/web/primate

Ring-tailed Lemur (Lemur catta), 2000, Wisconsin Regional

Primate Research Center, University of Wisconsin – Madison

The Variety of Living Lemurs, 1999, Duke University Primate Research Center

http://nationalzoo.si.edu/Animals/Primates/MeetPrimates/MeetLemurs/default.cfm

Ring Tailed Lemurs

Ring-Tailed Lemurs
Endangered 
Names:
 Snair, Mary, Eve, Ivy, Sygmond, Kicker

and many more!


More Info
Go To Webcams
Black & White Lemu

Black & White Lemurs
Endangered 
Names: Shredder, Echo, IHOP, and many more!


More Info
Go To Webcams
Red Ruff Lemurs

Red Ruffed Lemurs
Endangered 
Names: Wilma, Durango, & Betty


Greater Bamboo Lemur
Prolemur simus


Gray-headed Lemur
Eulemur cinereiceps


Sclater’s Lemur
Eulemur flavifrons


Northern Sportive Lemur
Lepilemur septentrionalis


Silky Sifaka
Propithecus candidus

Callicebus-caquetensis

http://www.volkskrant.nl/wetenschap/article1408832.ece/Nieuwe_apensoort_ontdekt_in_Colombia

Pas ontdekt maar  bedreigd 


Cotton-top Tamarin
Saguinus oedipus

Cotton-top tamarin, Belfast Zoo, Belfast, Ireland, July 2009

*

*

Cotton-top tamarin (Saguinus oedipus), Colombia, Primates in Peril: The World’s 25 Most Endangered Primates 2008–2010 has been compiled by the Primate Specialist Group of IUCN’s Species Survival Commission (SSC) and the International Primatological Society (IPS), in collaboration with Conservation International (CI). © CI/photo by Russell A. Mittermeier

http://smu.gs/SkRvi8

cottontop-tamarin

* *


Brown Spider Monkey
Ateles hybridus


Yellow-tailed Woolly M.
Oreonax flavicauda

zaadplanten evolutie

 

 

Fossiele resten van oudste Landplanten ontdekt

12 oktober 2010  

The rocks in the Sierras Subandinas, northwestern Argentina, that yielded the fossils 

The fossils were found in rocks of the Sierras Subandinas, Argentina

°

Wetenschappers hebben in Argentinië de fossiele resten van zeer oude planten ontdekt.

Het gaat om de eerste planten die op het land groeiden. De vondst wijst erop dat die kolonisatie van het land tien miljoen eerder plaatsvond dan gedacht. Naar schatting was er zo’n 472 miljoen jaar geleden al een rijke diversiteit aan planten op het land.

Het gaat om levermossen: hele eenvoudige planten zonder wortels. De vondst bevestigt ook dat de mossen de voorouders van alle planten op het land zijn.

A modern liverwort (credit: Eric Guinther)

Modern liverworts are probably common ancestors of all land plants
°
(worden tegenwoordig   beschouwd als “onkruid ” )
°
Marchantia polymorpha
Levermos met parapluutjes, de sporendragers

Detail blad met de spatbekertjes

Doorbraak
Het moment waarop de planten op het land gingen groeien, wordt in de wetenschap als een doorbraak gezien. De planten veranderden de grond en het klimaat en maakten  o.a.   het ontstaan van complex dierlijk leven mogelijk.

Diversiteit
De wetenschappers deden hun ontdekking van de voor zover bekende oudste planten, in het noordwesten van Argentinië. Ze namen er een aantal sedimenten weg en stelden deze bloot aan sterke zuren. In het sediment bleken de sporen van vijf verschillende soorten levermossen te zitten. “Dat bewijst dat planten al diverser begonnen te worden en dat betekent dat ze het land eerder gekoloniseerd hebben dan gedacht,” vertelt onderzoeker Claudia Rubinstein.

Oud
De onderzoekers vermoeden dat de kolonisatie tussen 488 en 472 miljoen jaar of mogelijk zelfs 499 tot 488 miljoen jaar geleden plaatsvond.

De oudste sporen van planten op het land die hiervoor gevonden waren, stammen uit de periode tussen 463 en 461 miljoen jaar geleden.

Liverwort cryptospores, the oldest land plant fossils yet found

The cryptospores are the oldest land plant fossils yet found
°

De sporen die in Argentinië gevonden zijn, wijzen erop dat de planten op Gondwana voor het eerst voet aan wal zetten. Het levermos evolueerde zich tot mossen en planten.

Een deel daarvan komt vandaag de dag nog op de aarde voor. 

im3221,spores-triletes-formation-qasim-ordovicien-superieur-katien-du-sondage-qsaiba-etudie-ici-diametre-30-40-m

spores-triletes-formation-qasim // ordovicien-superieur  / katien-du-sondage-qsaiba  diametre-30-40-m

Tétrades et dyades de l'Ordovicien moyen (Darriwillien) d'Arabie Saoudite, diamètre de 20 à 40 µm.

tetrades-dyades//ordovicien-moyen  / darriwillien-arabie-saoudite  diametre-20-40-m

°

Bronmateriaal:
Fossils of earliest land plants discovered in Argentina” – News.bbc.co.uk

http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Levermossen                                                               http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Liverworts

File:Liverwort life cycle.jpg

_

SPORENPLANTEN  

Gedurende miljoenen jaren regeerden Sporenplanten (mossen, wolfsklauwen en varens) het land.

Bij de Sporenplanten kunnen we twee duidelijke generaties onderscheiden, die gametofyt en sporofyt genoemd worden.De sporofyt vormt sporen, waaruit een nieuwe plant (gametofyt) groeit. De gametofyt maakt mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen en na bevruchting ontstaat hieruit weer een sporofyt. Heel veel mensen zullen de gametofyt van een varen niet bewust gezien hebben, het is een klein “plantje” (prothallium) tussen de volwassen varenplanten (sporofyt). Op het prothallium ligt vaak een dun laagje water, waardoor mannelijke geslachtcellen naar de vrouwelijke geslachtscellen kunnen zwemmen.

EVOLUTIE ZAADPLANTEN

http://www.botaniewebsite.nl/evolutie_zaadplanten.html

Dit artikel verscheen in de Hortuskrant van juni 2004. Daarnaast verscheen in deze krant een artikel van mij over het ‘levend fossiel’ Welwitschia mirabilis. In de Hortuskrant van september 2002 schreef ik een ander artikel over de evolutie, namelijk over Carboonplanten door

In de Hortus ( Amsterdam ) werd een evolutieroute uitgezet. http://www.adonline.id.au/plantevol/tour/

in het kader van het thema evolutie wil ik met u de ontwikkeling van het Plantenrijk gaan bekijken. En voornamelijk de evolutie van de “hogere planten”, de zaadplanten, omdat deze groep tegenwoordig dominant aanwezig is. )

Fred Triep

Tegen het einde van de geologische periode Siluur,

Oudste hout ter wereld ontdekt

Geschreven op 12 augustus 2011 om 12:47 uur door  1

Wetenschappers hebben in Frankrijk in 407 miljoen jaar oude gesteenten fossiele resten van hout aangetroffen.

De fossielen bewijzen dat hout nog zo’n tien miljoen jaar ouder is dan gedacht. Tussen de fossiele resten bevinden zich ‘stammetjes’ van wel twaalf centimeter lang.

Planten
Wie bij deze fossiele resten denkt aan dikke bomen heeft het mis. Hout was honderden miljoenen jaren geleden nog hard bezig aan een opmars. In het begin werd het vooral gebruikt door planten.

Water
Planten ontwikkelden een houtachtige structuur om water op een efficiënte manier op te kunnen nemen. Zo’n 407 miljoen jaar geleden nam de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer af en hierdoor konden de planten ook minder efficiënt water vanuit de grond halen en opnemen. Tegelijkertijd nam de behoefte aan water toe.

Houtachtig
Om in die behoefte te kunnen voorzien, ontwikkelden de planten in hun stengels een structuur die sterk aan hout doet denken. Zo bevinden zich lange, dunne cellen in de fossiele resten (aangegeven met rode pijltjes). Kleine cellen strekken zich uit van het binnenste van de stengel naar de randen.

De houtstructuur hielp de planten enorm en het duurde dan ook niet lang voordat deze zich ontwikkelde tot iets wat lijkt op de bomen die we vandaag de dag kennen.

°

Rond 350 miljoen jaar geleden (eind Devoon/begin Carboon)ontstonden de eerste zaadplanten.

Bij de zaadplanten is de voortplanting minder kwetsbaar voor milieu-invloeden. De zaadplanten bezitten ook de eerder genoemde generaties, maar de gametofyt blijft op de sporofyt zitten en is omgeven door de sporofyt en daardoor niet meer zichtbaar. Bij de bloemplanten komt de gametofyt overeen met de zaadknop in het vruchtbeginsel van de stamper en de pollenkorrel in het helmhokje van de meeldraad. De voortplanting is niet meer afhankelijk van transport via water, waardoor droge gebieden “gekoloniseerd” konden worden.

De zaadplanten worden al sinds Linnaeus verdeeld in twee groepen, de Naaktzadige Planten (Gymnospermen) en Bedektzadige Planten (Angiospermen). Bij de eerste groep is het zaad niet volledig opgesloten. Bijvoorbeeld bij de Coniferen vinden we kegels waar de zaden contact hebben met de buitenlucht. Bij de Angiospermen zitten de zaden in een afgesloten vrucht. Biologen nemen aan dat deze groep zich uit de Gymnospermen ontwikkeld hebben.

De oudste Gymnospermen waren de Zaadvarens, die meer op varens leken dan op de huidige zaadplanten. Nu weet men dat het geen varens zijn maar zaadplanten, omdat er fossiele bladeren met daaraan zaden gevonden zijn.

Deze groep planten leefde miljoenen jaren op aarde, van 300 miljoen jaar geleden tot ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Uit de Zaadvarens ontwikkelde zich waarschijnlijk de Cycadeeën. Deze naaktzadige planten worden ook wel Cycaspalmen genoemd, maar niets met echte palmen te maken. De Cycadeeën vormen tegenwoordig een kleine groep van planten, die bijna uitsluitend in de (sub)tropen gevonden worden. De Cycadales hebben een dikke stam met op de top een krans van varenachtig stevige bladeren, die erg op palmbladeren lijken. Gedurende de geologische periode Jura (190 tot 136 miljoen jaar geleden) hadden ze hun bloeiperiode, daarna nam hun aantal af. Nu leven er nog maar weinig soorten van deze groep. De bekendste plant uit deze groep is de Cycas revoluta, die nu als een decoratieve kamerplant verkocht wordt in tuincentra. Fraaie voorbeelden vindt u in de palmenkas, o.a. de oostkaapse broodboom, Encephelartos altensteinii.

De Coniferen vormen tegenwoordig de belangrijkste groep Gymnospermen op aarde. Hoewel de “bloeiperiode” (eveneens de Jura) van de Coniferen voorbij is, zijn zij in bepaalde streken op aarde nog steeds sfeerbepalend: de hogere breedtegraden op aarde met de taiga (naaldwoudzone). Coniferen gebruiken voor hun voortplanting minder energie dan de Cycadeeën. De kegels met mannelijke geslachtscellen (pollen) en vrouwelijke geslachtscellen (zaadknoppen) bevinden zich op één boom, wat de bevruchting vergemakkelijkt. Daarnaast laat een conifeer pas na bevruchting de kleine zaadknop uitgroeien tot een groter zaad. Een Cycaspalm laat al zijn zaadknoppen volledig uitgroeien.

Naast de Cycadeeën en de Coniferen zijn er nog twee andere groepen Gymnospermen. In de periode Trias (225 tot 190 miljoen jaar geleden) kwamen er al bomen voor, die op de huidige ginkgo (Ginkgo biloba) lijken. Deze voorouders hadden een wereldwijde verspreiding, maar de huidige ginkgo komt nog maar in een klein gebiedje in West China voor. Voor het uitsterven van deze boom hoeft niet gevreesd te worden, omdat hij gekweekt wordt voor zijn decoratieve kwaliteiten. Evenals de cycaspalm wordt de ginkgo een “levend” fossiel genoemd.
De laatste groep Gymnospermen, die ik wil bekijken, is een kleine groep van planten die samen gerekend worden tot de Gnetales. Hiertoe behoren 3 geslachten (Ephedra, Gnetum, en Welwitschia), die meer op de huidige bloemplanten lijken dan op de ander naaktzadige planten.

De vrouwelijke en mannelijke voortplantingsorganen liggen evenals bij de bedektzadige planten (bloemplanten) in lagen om elkaar heen.

Daarnaast hebben de Gnetales gespecialiseerde transportcellen, die lijken op die van de bedektzadige planten. Botanici dachten daarom, dat ze verwant waren aan de voorouders van de bedektzadigen. Uit moleculair genetisch onderzoek is echter gebleken, dat de Gnetales meer overeenkomst vertonen met de coniferen.

Figuur 1 geeft de recente inzichten in de verwantschap tussen Gymnospermen en Angiospermen op basis van het moleculair genetisch onderzoek weer, dat in 1999 gepubliceerd is.

Figuur 1. // De stamboom van de Zaadplanten volgens inzichten n.a.v. moleculair genetisch onderzoek in 1999.
Uit: The evolution of Plants (K.J. Willis en J.C. McElwain)

Uit dit onderzoek is ook gebleken dat het struikje Amborella trichopoda (de enige vertegenwoordiger van de familie Amborellaceae) van eilanden uit de Stille Zuidzee zeer grote genetische overeenkomst heeft met de voorouder van onze bloemplanten.

Het onderzoek aan het DNA van planten heeft ook binnen de groep van de Angiospermen tot andere inzichten geleid.

Biologen namen aanvankelijk aan, dat Magnolia de meeste primitieve bedektzadige is, omdat de bloem uit een groot aantal delen bestaat. Nu gaat men er van uit, dat dit na de Amborella de planten uit de orde Nymphaeales (verwanten van de waterlelie) zijn.

—–>Zie UPDATE    onderaan pagina =” ….ze(= zaadplanten )  verschenen volgens de nieuwste fossiele  vondsten  in het vroege trias en waarschijnlijk zelfs vroeger in hun voorouderlijke  vormen …. en dt ter vervanging v an de oudere opvatting —> “De bloemplanten verschenen in het vroege Krijt (140 miljoen jaar geleden).-***(1)

____________________________________________________________________________________

Binnen relatief korte tijd ontstonden verschillende families van de bedektzadige planten.

Tegen het einde van het Krijt (60 miljoen jaar geleden) hadden zij de naaktzadige planten van hun dominante positie verdrongen. De eerste Angiospermen ontstonden waarschijnlijk in het supercontinent Gondwana.

Gondwana is het continent dat gedurende miljoenen jaren uit onder andere het huidige Zuid- Amerika, Afrika, Australie, Antarctica en India bestond.

Figuur 2 geeft weer hoe Gondwana er omstreeks 135 miljoen jaar geleden uitzag en omstreeks 95 miljoen jaar geleden.

      

.Klik op de thumbnails, als je de grote tekeningen (respectievelijk 66 en 62 Kb groot) wilt zien

Links: Gondwanaland 135 miljoen jaar geleden
Rechts:Gondwanaland 95 miljoen jaar geleden Deze tekeningen zijn bewerkingen van de figuren uit het boek Mary E. White over Gondwanaland

Gondwana en zaadplanten

De Angiospermen ontstonden op de grens, waar Zuid- Amerika en Afrika werden gescheiden. Van daar uit verspreidde deze groep zich naar hogere breedten op de aarde.

De snelle evolutie van de Angiospermen is onder andere het gevolg van de co-evolutie met insecten. De allereerste bloemplanten hadden waarschijnlijk witte bloemen (zoals de Magnolia), omdat ze bestoven werden door kevers.

De bestuiving door bijen en andere insecten, die kleuren kunnen zien zorgden voor een selectiedruk op veranderingen in de bouw en de kleur van de bloemen: van radiaal symmetrisch naar tweezijdig symmetrisch en van wit naar verschillende kleuren.

°

Uit de verspreiding van een aantal plantenfamilies over het zuidelijk halfrond is nog steeds te zien, dat vele groepen Angiospermen in Gondwana ontstonden.

In figuur 3 ziet u de verspreiding van de familie Proteaceae over de wereld. De meeste soorten leven nu in Zuid Afrika, maar er worden ook soorten in Zuid- Amerika en Australie (bijvoorbeeld de Australische zilvereik of Grevillea robusta) gevonden. Hetzelfde patroon vinden we ook bij de familie Winteraceae, Restionaceae en het grootste deel van de familie Myrtaceae.

figuur 3. De verspreiding van de Proteaceae over de wereld 
Deze tekening is afkomstig uit het boek van Mary E. White over Gondwanaland

De Angiospermen worden verdeeld in grote groepen. Voor veel lezers is waarschijnlijk de indeling in tweezaadlobbige planten (Dicotylen) en eenzaadlobbige planten (Monocotylen) bekend.

De moleculair genetische onderzoeken van 1999 hebben ook hier tot nieuwe inzichten geleid.. Bij de nieuwe indeling zijn de Monocotylen nog steeds aanwezig, maar de Dicotylen worden dan verdeeld in twee groepen, de grootste groep met de meeste Dicotylen (de meer ontwikkelde Eudicots) en een restgroep die primitiever is met onder andere de verwanten van de waterlelie, de laurier en de magnolia.

Het genetisch onderzoek geeft ook aanleiding te veronderstellen, dat de Monocotylen uit de Dicotylen zijn ontstaan. Dit wordt bevestigd door de fossiele vondsten: onder de fossielen van 127 tot 112 miljoen jaar geleden worden geen eenzaadlobbige planten aangetroffen.

De evolutie van de bloemplanten heeft ook grote gevolgen gehad voor uiterlijk van de wereld. Door bijvoorbeeld het ontstaan van de grassen (begin Eoceen, ongeveer 50 miljoen jaar geleden) konden de grote grazers zich ontwikkelen. Grassen kunnen zich beter herstellen van vraat dan andere planten. Zij waren ook in het voordeel ten opzichte van ander planten toen het klimaat in het Eoceen steeds droger werd. Uiteindelijk maakte het ontstaan van de grassen ook de ontwikkeling van de huidige mens mogelijk, veel gewassen (granen) komen uit de grassenfamilie (Poaceae).

Wilt u meer lezen over de evolutie van de planten? Een boeiende website over de evolutie van planten is de mooie en zeer verzorgde website van de 23 jarige Australische student Adam Dimech.

Elders in de krant vindt u nog een verhaal over het ‘levend fossiel’ Welwitschia mirabilis.

Literatuur

Barry Thomas
De evolutie van Planten en Bloemen
Lannoo, Tielt en Bussum, 1982
ISBN 90 209 1079 5

K.J. Willis en J.C. McElwain
The Evolution of Plants
Oxford University Press, 2002
website van het boek:
http://www.oup.co.uk/best.textbooks/biology/plantevol/

Mary E. White
The Greening of Gondwana – The 400 million story of
Australia ’s Plants
Kangaroo Press, 3e druk, 1998
ISBN 0 85417 895 6

Adam Dimech
Plant Evolution Tour
http://www.adonline.id.au/plantevol/tour/

FOSSIELE PLANTEN

http://www.xs4all.nl/~steurh/index.html#inhoud

De oudste landplantenDe oudste landplanten (vervolg)

Cooksonia, een zeer oude landplant Cooksonia, een zeer oude landplant (vervolg)

Pachytheca, een vreemd, plantaardig bolletje De raadselachtige plant Parka decipiens

(Zaad)varens van de Piesberg en Ibbenb체ren

De wolfsklauwboom Lepidodendron De wolfsklauwboom Sigillaria

Determinatietabel Sigillaria-soorten De paardenstaartboom Calamites

De naaktzadige boom Cordaites Het blad van de zaadvaren Neuropteris

De boomvaren Psaronius (Sterrenshow) De Perm-flora van Lod챔ve

Hout van coniferen De boomvaren Tempskya

Fossiele DIEREN

Diertjes in het steenkolenwoud Platen-atlas van de Rhynie Chert (Diashow)

Diertjes uit de Rhynie Chert Zeer oude miljoenpoten uit Schotland

Acht mooie fossielen van dieren

LinksPaleobotanische boeken Publicaties Lezingen Werkgroep Fossielen Wageningen

En de creationisten ?
Coniferen en creationisten
Figuur 2. 10
Hierboven staan twee kegeldragende planten die zowel fossiel als tegenwoordig bekend zijn.
Bloeiende planten en creationisten
Fossiele planten lijken heel erg veel op die welke we tegenwoordig hebben en zij
worden in grote aantallen gevonden in de gesteenten uit het Krijt.
Crea  Claims
—>Er zijn geen aanwijzingen hoe zij uit andere soorten planten ontstaan zouden kunnen zijn.
—>Zij verschijnen abrupt in de fossielen kolom in grote variatie zonder tussenvormen die schakels leggen naar andere planten.
 Darwin was zich bewust van deze feiten.
Hij noemt de oorsprong van bloeiende planten – een afschuwelijk mysterie-.
—> alweer de oude smoes van het ontbreken van fossiele ” missing links “er zijn echter wel degelijk moleculaire stambomen te konstrueren die  verwijzen naar  de evolutie van de planten en de zaadplanten  
verwantschapsbomen

 
Depicted are relationships among the three lineages of plants: glaucophytes (freshwater algae; blue), rhodophytes (red algae; red), and the green plants (chlorophytes, charophytes, and land plants; green). Estimated dates for some nodes are listed in millions of years before present. The primary endosymbiotic event is estimated to have occurred at least 1.6 billion years ago. A deep split within the green lineage created the chlorophyte clade and the charophyte plus land plant clade. Note that both the charophytes and the bryophytes are grades and are not monophyletic. Major events in the evolution of land plants are demarcated with arrows. Species for which complete nuclear genome sequences are available are listed in color (photographs at right; the three angiosperm species are pictured upper left). Species positioned in large phylogenetic gaps where genome sequences would be informative (black) include the following: the basal lineage of land plants, the liverworts, charophycean algal lineages (Chara, Coleochaete) that are sisters to land plants, and the gymnosperms, which are the sister group to flowering plants (angiosperms). Also included is a multicellular chlorophytic green alga. Secondary endosymbiotic events have occurred within both the red algae (e.g., diatoms, pictured) and green plants. Pie chart shows the relative species richness of the major clades. The vast majority of species within the Plantae are angiosperms (250,000 species), with other groups having substantially fewer described species (numbers approximated): glaucophytes 13; rhodophytes 5,920; chlorophytes 3,720, charophytes 3,400; bryophytes 17,000 (liverworts 7,000, mosses 10,000, hornworts 100); lycophytes 1,225; ferns 12,000; gymnosperms 800.
 
The Scientist 13[24]:12, Dec. 6, 1999
Discovering Relatives in the Flowering Plant Family Tree
By Barry A. Palevitz
http://www.the-scientist.com/yr1999/dec/palevitz_p12_991206.html
( Nota van de beheerder ; ik geef hier het oorspronkelijke engelse artikel omdat het niet makkelijk is te bereiken/openen zonder abonnement … )Botanists argued over whether ancestors of the 250,000 flowering plants, or angiosperms, were tender herbs or woody, like shrubs.
Now they may be writing the final chapters of Darwin’s whodunit, not with the traditional phrases of fossils and plant anatomy, but with the letters and words of gene sequences.
Botanists have been particularly eager to learn more about the lowest branches of the angiosperm evolutionary tree–the plants that, having diverged first, are closest to the group’s progenitors.
But
“as recently as the beginning of this year, people were viewing this as a difficult problem that might be intractable,”
says Douglas Soltis of the School of Biological Sciences at Washington State University in Pullman. Now,
“within the space of a few months, several labs using different approaches have shown the same thing.”
Adds Jeffrey Palmer of the department of biology, Indiana University in Bloomington, “It took so long to get this far and now, boom, we’re here.”
So why the sudden progress?
What made the difference?
Botanists traditionally relied on fossils together with plant anatomy and physiology to infer evolutionary history.
For example, they used to think magnolias were primitive based on flower structure.
But the value of structural information is limited by the number of characters you can define–perhaps a few score–so plant biologists turned to comparative gene sequences for more definitive data.
A gene contains thousands of characters in the form of nucleotides.
At first botanists used single genes, including the chloroplast-based rbcL and a nuclear gene encoding the 18S RNA of cytoplasmic ribosomes (18S rDNA), to construct evolutionary trees.
Researchers realized, however, that in constructing such trees, or phylogenies, more sequences translate into even greater resolution and confidence, so they pooled data from multiple genes.
With so much data,
“support for the first branches becomes extraordinarily high,” says Soltis,
who with wife Pamela Soltis advocated combining sequences two years ago.(1 )
There’s simply more statistical power in the results,”
adds Richard Olmstead of the department of botany, University of Washington in Seattle.
Olmstead stresses another important ingredient for success: a federally funded consortium called the Green Plant Phylogeny Research Coordination Group.
The group’s members reported their results at last summer’s International Botanical Congress in St. Louis.
“There’s been a lot of sharing of data, sources, and materials,”
notes Olmstead, adding,
“The grant helped stimulate things. It fostered collegiality and cooperation in a way that is too rare in science today.”
That doesn’t mean there’s no competition–the teams are racing to get their work into print.
Phytochrome Illuminates the Problem
First to the finish line, barely, were Sarah Mathews and postdoctoral mentor Michael Donoghue of Harvard University’s department of organismic and evolutionary biology.
The duo sequenced two genes for phytochrome, a protein plants use to change their growth and development in response to light.(2 )
Phytochrome is encoded by a family of genes, two of which, PHYA and PHYC, probably arose by gene duplication with the first angiosperms.

By comparing PHYA and PHYC sequences in various plants, Mathews and Donoghue constructed phylogenies for each gene, the most parsimonious or frugal of which turned out to be remarkablysimilar. Mathews and Donoghue then pooled data from both genes to produce a consensus tree.The results were striking–a single species, the New Caledonian shrub Amborella, turned out to
be sister to all other angiosperms.

In other words, Amborella’s ancestors diverged very early from all current flowering plants.
Next to diverge were the water lilies, then an Australian vine called Austrobaileya, followed by more familiar species such as magnolia, pepper, and grasses.
It’s not that Amborella was a surprise–botanists had their suspicions, especially from the Soltises’ earlier work1–
but there was no clear signal … the data were equivocal,” says Mathews. Now we know that
Amborella is the most primitive flowering plant with PHYA and PHYC.”
But Claude dePamphilis, associate professor in the department of biology, Pennsylvania State University, is circumspect:
“It depends on at what point the phytochrome gene duplication really occurred.”
His own data on mitochondrial genes turned up the same three lower branches, but don’t distinguish which came first. Still, dePamphilis is upbeat:
“It’s a very important result, and a novel and informative way to find the root of the tree.”
More Gene Sequences, More Support
Close on the Harvard team’s footsteps were the Soltises, who participated in two studies comparing nuclear, chloroplast, and mitochondrial genes in a large sample of plants.

With Mark Chase of the Royal Botanic Gardens at Kew, United Kingdom, they surveyed more than 550 angiosperms for two chloroplast genes (including rbcL) and 18S rDNA–nearly 5,000 nucleotides per species all told.(3 )

A second analysis led by Yin-long Qiu of the Institute of Systematic Botany, University of Zurich, used fewer species but concentrated on the lower branches of the tree, adding two mitochondrial genes to increase resolution.(4) In the resulting trees, Amborella once again branched first, followed by water lilies. Austrobaileya came next, in a group that also included Illicium and Schisandra, shrubs, and woody vines from East Asia and the southeastern United States.
In a study soon to appear in Current Biology, Palmer, together with Christopher Parkinson and Keith Adams, reached the same conclusion about the tree’s lower branches by combining sequences from three mitochondrial genes, rbcL, and
18S rDNA.(5 )
Still, Palmer defers to Olmstead for the definitive answer–
he has the most nucleotides and the most resolution.”
Olmstead’s laboratory examined nearly 15,000 nucleotides in 17 slowly evolving chloroplast genes, including rbcL, concentrating on 40ュ50 species in lower branches of the tree.
The results were the same–Amborella is the first branch.
Olmstead hopes to publish in the near future.
Obviously, the strategy of combining multiple sequences paid off in remarkable agreement–
Questions Remain
Not everything is settled, of course. One of the biggest problems is the monocots, a large group that includes grains such as rice and maize. In the Mathews/Donoghue scheme, monocots cluster with eudicots such as columbine, but in the Soltises’ tree they’re more related to the magnolias. “Monocot placement is one of the next big challenges,” opines Palmer. The solution is probably more sequences from more species.
Another big challenge is the seed plants, the next taxonomic level down the plant kingdom encompassing angiosperms and gymnosperms, including cycads and conifers like pine. Gymnosperm ancestry is contentious–that’s why the Soltises,
Palmer, and dePamphilis expanded their efforts to include more plants, and publications are already in the works. Qiu’s team provided the first published hint that surprises are in store–the Gnetales, which include a strange Namibian desert plant called Welwitschia and were once thought to be angiosperm allies, now seem to fall with conifers.
New Inferences
Phylogenetic trees are not an end in themselves–biologists use them to make further predictions. Looking at the growth habit of plants on the lower branches of their tree, Mathews and Donoghue think the first angiosperms may have been woody. That’s because Amborella and Austrobaileya are woody shrubs and vines. What’s more, wide water-conducting conduits called vessels dominate angiosperm wood. Since Amborella lacks vessels, dePamphilis thinks the new trees can illuminate “at what point the genetic basis for the formation of vessels appeared.”
The lower branches of the tree are not species rich (Amborella is alone in its own family), so flowering plants may not have diversified right away, according to Mathews and Donoghue. Palmer and coworkers aren’t so sure–Amborella and Austrobaileya may be survivors of once rich families that are mostly extinct. DePamphilis agrees:
“They’re likely to be only a small portion of what was around at the time.”
Angiosperms quickly dominated the plant kingdom because of their yin-yang relationship with animal pollinators, especially insects, which promotes cross pollination and genetic diversity–at least, that’s been the party line.(6 )
But Mathews and Donoghue wonder if their rapid diversification came after a switch to an herblike habit, which is probably what happened to the water lilies.
“We can now test if there’s a cause and effect relationship between herbiness and angiosperm diversity,” hopes Mathews. Palmer is still cautious: “There have been a lot of transitions [between woody and herbaceous forms], and multiple in both directions, so we have to be careful.”
Palmer’s group sees another use for more accurate trees–interpreting the fossil record. Many of the earliest identifiable angiosperm fossils seem to be magnoliids and date to 120ュ130 million years ago. Since the magnolias are higher up on the new phylogenetic trees, the first angiosperms closest to Amborella and water lilies must have appeared earlier. Paleontologists are sure to be out hunting, if not now then soon.
(Barry A. Palevitz (palevitz@botany.dogwood.uga.edu) is a contributing editor for The Scientist.)
References
1. D.E. Soltis et al., “Angiosperm phylogeny inferred from 18S ribosomal DNA sequences,” Annals of the Missouri Botanical Garden, 84:1ュ49, 1997.
2. S. Mathews and M.J. Donoghue, “The root of angiosperm phylogeny inferred from duplicate phytochrome genes,” Science, 286:947ュ50, Oct. 29, 1999.
3. P.S. Soltis et al., “Angiosperm phylogeny inferred from multiple genes as a tool for comparative biology,” Nature, 402:402ュ4, Nov. 25, 1999.
4. Y.-L. Qiu et al., “Evidence of the earliest angiosperms from mitochondrial, plastid and nuclear genomes,” Nature, 402:404ュ7, Nov. 25, 1999.
5. C.L. Parkinson et al., “Multigene analyses identify the three earliest lineages of extant flowering plants,” Current Biology, in press, 1999.
6. P.R. Crane et al., “The origin and early diversification of angiosperms,” Nature, 374:27 33, 1995.
See also :
Sarah Mathews and Michael Donoghue in the Oct. 29 1999 issue of Science.
Paper 1997
°
UPDATE 
*** (1)

Bloeiende planten   vroeger dan het krijt

 02 oktober 2013r 0

Flower-like pollen from the Triassic (picture: UZH)

Nieuw onderzoek wijst erop dat de eerste bloemen ongeveer honderd miljoen jaar eerder bloeiden dan gedacht. 

Onderzoekers van de universiteit van Zürich trekken die conclusie op basis van fossiele resten van stuifmeelkorrels. Deze stuifmeelkorrels bewijzen dat de directe voorouders van bloeiende planten 240 miljoen jaar geleden al op aarde voorkwamen.

Afstamming
De bloeiende planten stammen af van – inmiddels uitgestorven – planten die weer familie zijn van bijvoorbeeld coniferen en zaadvarens. De enige resten die we vandaag de dag nog van de eerste bloeiende planten hebben, zijn stuifmeelkorrels.

Omdat gefossiliseerde pollen van bloemen pas in aardlagen die 140 miljoen jaar oud zijn met grote regelmaat opdoken, namen onderzoekers altijd aan dat de bloeiende plant pas rond die tijd ontstond. Maar dit nieuwe onderzoek maakt melding van pollen die sterk lijken op de pollen van bloeiende planten en die 100 miljoen jaar ouder zijn. Dat suggereert dat de bloeiende planten ergens tussen 252 en 247 miljoen jaar geleden – en wellicht zelfs eerder – ontstonden.

Bedektzadigen zijn nu de dominerende plantengroep op het land. De groep wordt gekenmerkt doordat het zaad goed zit afgeschermd door een sappige of droge vrucht. Denk maar aan de pit in een kers bijvoorbeeld. Alle bedektzadigen hebben bloemen. Bij sommige is dat heel opvallend, bij bijvoorbeeld gras is dat al een pak subtieler.

Fossiele  Pollen opgegraven die microscopische kenmerken hebben die gelijkaardig zijn aan die van bedektzadigen.

De zeer goed bewaarde fossielen zijn zo’n 245 miljoen jaar oud. Algemeen werd aangenomen dat bloemen pas 100 miljoen jaar later waren ontstaan.

“Onze bevindingen tonen aan dat bloemplanten veel diepere wortels hebben dan tot nu toe werd gedacht”, zegt van de onderzoekers. De wetenschappers hebben zes verschillende soorten pollen teruggevonden. Dat zou erop kunnen wijzen dat er toch al een relatief grote diversiteit was bij die bedektzadigen.

Tot nu toe werd ook aangenomen dat bloemplanten relatief snel na het ontstaan van de groep de wereld hebben veroverd. Die snelle opmars heeft wetenschappers altijd verbaasd. Nu ontdekt is dat bloemplanten al 100 miljoen jaar langer bestaan, is het niet denkbeeldig dat die opmars een pak trager is gegaan.

Voor het Krijt

De onderzoekers ontdekten de fossiele resten – die uit het begin van het Trias stammen – in het noorden van Zwitserland. Eerder troffen de onderzoekers zo’n 3000 kilometer verderop – ten zuiden van Spitsbergen – al fossiele pollen aan die sterk leken op de pollen van bloeiende planten en die uit het midden van het Trias stamden. “We geloven dat zelfs zeer voorzichtige wetenschappers nu wel overtuigd zullen zijn dat bloeiende planten lang voor het Krijt al ontstonden.”

Belangrijk
De vondst is belangrijk, zo stellen de onderzoekers. Wetenschappers proberen al lange tijd de leeftijd van bloeiende planten te achterhalen. Vooralsnog zonder resultaat, voornamelijk doordat er maar geen extreem oude fossiele resten van bloeiende planten werden teruggevonden.

Daarom is de huidige vondst van bloem-achtige pollen uit het Trias zo belangrijk,” benadrukt onderzoeker Peter Hochuli.

Als de bloeiende planten inderdaad rond 250 miljoen jaar geleden ontstonden, betekent dat dat de bloem ouder is dan de bij. De bij ontstond namelijk pas ongeveer 100 miljoen jaar later. De onderzoekers vermoeden dan ook dat deze eerste bloeiende planten door andere insecten, (bijvoorbeeld) kevers, bestoven werden.

Bronmateriaal:
New fossils push the origin of flowering plants back by 100 million years to the early Triassic” – UZH.ch

06 januari 2014

Darwin’s abominable mystery: het ontstaan van bloemdragende planten opgehelderd?

In de Science van 20 Dec 2013 stond een artikel [1] over de oorsprong en evolutie van Angiospermae (flowering plants, ‘bloemdragende planten’, bedektzadigen). Wat mijn aandacht trok was een opmerking in de inleiding:

Darwin's abominable mystery

“Darwin famously characterized the rapid rise and early diversification of flowering plants (angiosperms) in the fossil record as an “abominable mystery”. [1]

Charles Darwin noemde het schijnbaar plotselinge ontstaan van de Angiospermae een ‘vreselijk mysterie’. Het was mij ontgaan dat Darwin dit als een groot probleem zag. Misschien niet zo verbazingwekkend, want het staat niet in het hoofdstuk ‘Difficulties on Theory’ van The Origin of Species [14]. En in evolutiehandboeken komt het ook niet vaak voor. Het waren slechts een paar losse opmerkingen in een brief van Darwin uit 1879 en in een brief uit 1881 [2]. Maar toch zijn deze losse opmerkingen beroemd geworden. Ik wil in dit blog stilstaan bij de betekenis van Darwin’s abominable mystery voor de evolutietheorie. 

Wat is het probleem?

Wat was het probleem? Waarom is het zo’n groot probleem? Waarom wordt er nu nog steeds verwezen naar Darwin’s verzuchting? Heeft de recente Science publicatie het probleem nu opgelost?

Er zijn 6 deelproblemen die opgelost moeten worden:

  • de plaats van oorsprong van de bloemdragende planten
  • het tijdstip van oorsprong
  • de evolutionaire voorouder (gezien de combinatie van unieke kenmerken, is het onwaarschijnlijk dat Angiospermae meer dan één keer ontstaan zijn. (bron)
  • de oorzaken van de enorme ecologsche en morfologische diversiteit (deAngiospermae omvatten zo’n 350.000 soorten die alle uithoeken van de wereld hebben veroverd)
  • de explosieve toename van het aantal soorten (een soort big bang)
  • de onderlinge fylogenetische relaties binnen de Angiospermae

Stamboom van Angiospermae

Amborella trichopoda,°
De Science publicatie benadert het probleem vanuit genomics (=complete DNA van een organisme). Het DNA van een primitieve Angiosperm Amborella is gesequenced. De publicatie wijst op de rol van een genoomduplicatie (polyploidie) vlak voor het ontstaan van de Angiospermen gevolgd door nog vele genoomduplicaties (zie figuur). In de stamboom van de planten hebben er in totaal 19 genoomverdubbelingen plaatsgevonden. Dat geeft mogelijkheden voor mutaties in het gedupliceerde deel zonder dat oorspronkelijke functies aangetast worden. En op basis van mutaties kunnen adaptaties ontstaan.
Een populair probleem met een geschiedenisMijn eerste indruk van de Science publicatie was dat Darwin’s probleem nu min of meer was opgelost. Maar, dat bleek niet te kloppen. Het is in feite een vervolg studie van eerdere onderzoeken uit 2011 en 2006 waar Amborella ook al figureerde. InScience vond ik nog 10 andere artikelen tussen 8 Feb 2013 en 1904 [3] en in Nature27 publicatie’s in de 110-jarige periode 2013–1903 die de Darwin quote bevatten. Verder in vele wetenschappelijke boeken die zich met de evolutie van Angiospermaebezighouden, op populair-wetenschappelijke websites zoals ScienceDaily [4] en anti-creationistische website zoals TalkOrigins [5], maar ook op creationistische sites [7] en boeken [10].
Google Scholar (Google’s wetenschappelijke zoekmachine) geeft een –voor wetenschappelijke publicaties– verbazingwekkend aantal van 371 hits op de zoekterm “Darwin’s abominable mystery”. Het is zeer bijzonder dat een opmerking in een brief van Darwin zo vaak voorkomt in de wetenschappelijke literatuur. Maar het feit dat dezelfde quote ook door een eindeloze rij creationisten wordt ‘gebruikt’ maakt de quote pas echt uniek. Het is verbijsterend dat een opmerking van Darwin in een briefuit 1879 over de mysterieuze oorsprong van de Angiospermae terug te vinden is op christelijke websites zoals ‘Christian Web’ en in christelijken boeken als: ‘Handbook of Biblical Evidences: The Facts on Jesus Creation The Bible’ ! Christenen geïnteresseerd in de oorsprong van Angiospermen?
Het aantal treffers in de standaard Google zoekmachine zou ongeveer 162.000 zijn! Zelfs in de New York Times. Een zeer populaire quote kun je wel zeggen. Een zeer leesbaar overzicht van wat Darwin nu precies bedoelde met die quote vind je hier: [11].Ook in een evolutiehandboekVolgens Strickberger’s Evolution derde (2000) en vierde editie (2008, p.331) is Darwin’s abominable mystery nog steeds niet opgelost. Voor zover ik kan nagaan komt Darwin’s abominable mystery in de vijfde editie (2013) helaas niet meer voor, terwijl de evolutie van de Angiopsermae wel wordt behandeld. Futuyma (1998)Evolutionary Biology maakt geen melding van Darwin’s abominable mystery. Andere handboeken vermelden  abominable mystery niet en hebben weinig overAngiospermae te melden. Evolutiehandboeken zijn er in principe om studenten vaststaande kennis te leren en niet om ze met onopgeloste problemen te confronteren? Maar, het zou toch knullig zijn als ze van het probleem op de hoogte gesteld werden door christelijke websites? Dan kun je het maar beter goed uitleggen in evolutie studieboeken. Een overigens uitstekend boek van Donald R. Prothero (2007) ‘Evolution. What the Fossils Say and Why it Matters‘ [17] zegt helemaal niets over planten, en Angiosperms komen niet in de index voor. Alsof ‘fossielen’ synoniem zijn met ‘fossiele dieren’. Alsof er geen fossiele planten zijn.Probleem opgelost of niet?

Titels van artikelen zoals “could help solve”, “provides insight into”, “Unraveling Darwin’s “abominable mystery”, “addresses Darwin’s ‘abominable mystery”, “towards resolving Darwin’s abominable mystery” [9] suggeren dat het probleem nog niet is opgelost. Soms een optimistische titel in een wetenschappelijke tijdschrift: “an ecological explanation for Darwin’s ‘abominable mystery'” van de Nederlanders Frank Berendse en Marten Scheffer [12]. De website ScienceDaily maakt hier van: “Darwin’s Mystery Of Appearance Of Flowering Plants Explained” [4]. Probleem opgelost! Een populair artikel kopt “Resolving Darwin’s abominable mystery” (hier), dat suggereert dat het probleem opgelost is. Nog een optimistische titel ‘Charles Darwin: A Hole in Theory of Evolution Explained’ in een niet-wetenschappelijke bron. Eén wetenschapper waagt zich in 1998 aan een optimistische voorspelling:

I predict that the great “abominable mystery,” with us for over 100 years, will not last another 10.” (W. Crepet, ‘The Abominable Mystery’, Science 27 Nov 1998)

Die voorspelling is nu 15 jaar geleden en is dus niet uitgekomen. Desondanks concludeert een artikel uit 2007: “After a dozen years of progress the origin of angiosperms is still a great mystery” [8]. Pessimistische geluiden zijn van tijd tot tijd te vinden in de wetenschappelijke literatuur, zoals een artikel in 1952 [15].  Een overzichtsartikel uit 2008 concludeert dat het verschijnen van Angiospermae in de fossil record niet zo abrupt is als Darwin dacht [11]. Twee publicatie’s die nog het meest in de buurt van een oplossing komen zijn: [18, 19].
Maar, wanneer is ‘het probleem’ eigenlijk opgelost? Wat zijn eigenlijk de criteria voor een definitieve oplossing? Welke gegevens moeten op tafel liggen? Het hangt natuurlijk af van welk deelprobleem je wilt oplossen (zie bovenstaande 6 deelproblemen). Die vragen worden niet vaak gesteld in de wetenschappelijke literatuur, is mijn indruk. De meeste wetenschappelijke artikelen houden het er op dat we vorderingen maken, maar dat het probleem nog niet is opgelost.

Wetenschapsfilosofische vragen

De evolutietheorie impliceert dat de Angiospermae voorouders gehad moet hebben. Wat als wetenschappers die niet kunnen vinden? Is de hele evolutietheorie dan weerlegd? Als de evolutietheorie niet alleen overgangsvormen voorspelt, maar ook dat daar van (binnen 150 jaar) voldoende fossielen gevonden moeten worden, dan vormt het gebrek aan fossielen op zijn minst een anomalie (een feit tegen de theoretosche verwachting in [16]), of zelfs dat de theorie is  weerlegd. Vooral, als andere groepen, zoals zoogdieren of vogels wel aan die verwachtingen voldoen.
Een ander wetenschapsfilosofisch aspect is: wanneer is de evolutietheorie eigenlijk ‘bewezen’? Zijn er gradatie’s in ‘bewezen zijn’? Heeft Darwin in 1859 de evolutietheorie bewezen of voldoende aannemelijk gemaakt? De wetenschapshistoricus Barry Gale betoogde dat Darwin in 1859 weinig bewijsmateriaal had voor zijn evolutietheorie, zie mijn review: [6].
Kunnen we de evolutietheorie accepteren zonder dat het ‘abominable mystery‘ opgelost is? Kan dat zonder Mendelse genetica en DNA? Zo ja, hoeveel bewijsmateriaal en wat voor soort bewijsmateriaal heb je eigenlijk nodig? Houdt het een keer op met bewijzen aandragen? Als dat zo is, is dan al het bewijsmateriaal wat daarna wordt aangedragen (zoals de oplossing van abominable mystery) extra? het invullen van het algemeen beeld? het inkleuren van witte vlekken op de kaart? Als de theorie waar is, kan hij dan nog ‘waarder’ worden door nog meer bewijsmateriaal? Maakt tegenwoordig een beetje méér support voor de evolutietheorie nog uit? Of zijn er duidelijke gaps die echt opgelost moeten worden? Ook al zou de theorie dat vereisen, met een variatie op de uitspraak van Dirk van Delft (directeur Museum Boerhaave): “Ontdekkingen kun je niet bestellen”: fossielen kun je niet bestellen.

Nog gecompliceerder wordt wanneer er vele aanwijzingen zijn voor de correctheid, maar tegelijk enige aanwijzingen voor de onjuistheid van de theorie.
Zijn dit eigenlijk wel zinnige vragen? Moeten we niet spreken over de evolutietheorie als hét onderzoeksprogramma in de biologische en aanverwante wetenschappen dat onderzoeksvragen formuleert en richting geeft aan alle toekomstig biologisch onderzoek? En als er gaten zitten in de evolutietheorie of het bewijsmateriaal, die niet opgelost kunnen worden met welk theoretisch of experimenteel wetenschappelijkalternatief dan ook, dan zijn we kennelijk aangelopen tegen de grenzen van wetenschappelijke kennis in het algemeen.CreationismeEen onopgelost probleem in de evolutietheorie dat al sinds Darwin bestaat, en erkend is door Darwin zelf, is natuurlijk koren op de molen van het Creationistendom. Een godsgeschenk! Gooi één van beide Darwin citaten in Google en je krijgt een parade van creationisten en andere anti-evolutionisten. Een extreem (recent) voorbeeld: Het Institute for Creation Research (ICR):

  • “However, what is known about flowers is consistent with the creation account in Genesis, which teaches that each flower kind was formed by God on day three of the creation week.”
  • “Thus, the burden of proof lies squarely with those who insist that polyploidy spurs evolutionary innovation. They should provide supportive experimental or observational data to back up their claim.”
  • “flowering plants exist because the Creator deliberately engineered them from the beginning.” [7]

Het onwetenschappelijk, archaïsch taalgebruik, en de vaagheid van hun eigen alternatieve verklaring contrasteert sterk met de gedetailleerdheid van alle wetenschappelijke verklaringen. De bedoeling van de Science studie is niet een simpele conclusie in de trant van ‘Darwin was right’, maar de verwantschap tussenAngiospermae onderling en met niet-Angiospermae gedetailleerd in kaart te brengen door middel van een stamboom op basis van DNA. Het creationisme kan niets anders zeggen dan: God heeft de Angiospermae geschapen. Dit levert helemaal geen nieuwe kennis op. Niets. Het is helemaal geen kennis.

In feite behelst het ICR artikel een hoge mate van bedrog door de brutale claim dat ze wetenschappelijke methodes gebruiken en echte wetenschap bedrijven.
Het tragische van het hele verhaal is dat het ICR van evolutiebiologen eist dat ze hun stellingen moeten ondersteunen met experimentele en observationele data (‘They should provide…’), terwijl zij zelf doodleuk uit Genesis citeren. Is Genesis experimenteel en observationeel bewijsmateriaal!? Als Genesis bepalend is voor de waarheid in de biologie, dan is het inconsequent om bewijsmateriaal van biologen te eisen en niet van jezelf. Ten diepste hebben we hier te maken met een category mistake [13]: beoordelingscriteria uit de categorie fictie en non-fictie door elkaar halen. Zelfs de schijnbaar redelijke vraag: Heeft het ICR ‘scheppingsfossielen’ als bewijs voor haar theorie? is een category mistake.
Een comfortabele positie voor het ICR: geen enkele vooruitgang in de wetenschappelijke kennis zal bij het ICR ook maar enig gewicht in de schaal leggen. Niets kan Genesis weerleggen. Genesis is onweerlegbaar. Als Genesis het volledige verhaal vertelt, dan kan het ICR nooit nieuwe biologische details over de schepping onthullen.
Conclusie: Óf je onderwerpt je aan de regels van de wetenschap, óf Genesis is het enige critierium voor waarheid in de biologie. Net doen alsof je wetenschap bedrijft, maar ondertussen Genesis als maatstaf voor de waarheid accepteren, is de grootst mogelijke inconsistentie. En is verwarring scheppend.ConclusieDarwin was zó bezorgd over de snelheid van de diversificatie (‘rate of diversification‘) en over het gebrek aan fossiele voorlopers van de Angiospermae, dat hij het eenabominable mystery noemde. Het ging te sterk tegen geleidelijke evolutie in (‘gradual evolution‘). Het is echter onredelijk te eisen dat alle details over de geschiedenis van het leven op aarde bekend en verklaard moeten zijn vóórdat de evolutietheorie als de juiste wetenschappelijke theorie over geschiedenis van het leven geaccepteerd wordt. De evolutietheorie omvat nl. als belangrijk onderdeel de gemeenschappelijke afstamming van al het leven (‘common descent‘). Het argument daarvoor is, zoals we nu weten, dat al het leven (dieren, planten, bacterieën) DNA als drager van de erfelijkheid hebben en dezelfde genetische code hebben die DNA ‘vertaalt’ in eiwitten. Welnu, is er is geen enkele aanwijzing dat Angiospermae daar een uitzondering op zijn. Sterker nog, niemand heeft dat ooit beweerd. Angiospermae zijn opgenomen in de ‘Tree of Life’, zie figuur van de stamboom hierboven. Men kan twisten over de oorzaken waardoor de Angiospermae relatief snel de dominante plantengroep op aarde zijn geworden en waarom er nog geen fossiele voorlopers gevonden zijn. Maar dit specifieke gebrek aan bewijsmateriaal kan de gemeenschappelijke afstamming van al het leven op aarde niet ondermijnen. Daarvoor zouden de Angiospermae óf een andere drager van de erfelijkheid dan DNA moeten hebben óf een andere genetische code dan de rest van het leven moeten hebben. En dat is niet het geval. Daarom maken biologen zich geen grote zorgen over de juistheid van de evolutietheorie. Bovendien is het nog steeds mogelijk dat het ontbrekende bewijsmateriaal gevonden wordt. Er is dus geen reden om de evolutietheorie te vervangen. Vervangen door wat? Toch kiezen sommigen voor buiten-wetenschappelijke oplossingen. Zoals het woord al zegt, valt deze keuze buiten de wetenschap. Die keuze kan het wetenschappelijk onderzoek dus niet beïnvloeden, maar heeft wel onevenredig grote impact op het grote publiek.Noten

  1. Amborella Genome Project (2013) The Amborella Genome and the Evolution of Flowering Plants Science 20 December 2013
  2. Het eerste citaat: Charles Darwin’s letter to Joseph Dalton Hooker, 23 July 1879 (dus 20 jaar na het verschijnen van de eerste druk van The Origin of Species):
    • “The rapid development as far as we can judge of all the higher plants within recent geological times is an abominable mystery.”

    Dit citaat is niet te vinden in mijn favoriete Darwin Online en The Darwin Correspondence Project kent de brief maar zet er bij “The full text of this letter is not yet available online”! Voor een analyse wat de achtergrond van Darwin’s beroemde 2 woorden was zie noot 11. Het tweede citaat is wel aanwezig op http://darwin-online.org.uk :

  3. Science: 8 Feb 2013,3 Apr 2009, 1 jul 2005, 3 mei 2002, 10 April 2011, 13 Aug 1999, 27 Nov 1998, 18 Jun 1976, 8 Mar 1963, 6 Sept 1929. 1904: Report of the Annual Meeting, Volume 73, British Association for the Advancement of Science, J. Murray.
  4. ScienceDaily:
  5. TalkOrigins Quote #73 (2003 – 2004): The quote seems accurate as far as it goes, but it is hardly damning to the theory of evolution that Darwin did not (indeed, could not, given the evidence known in his time) have a theory that described the evolution of plants. It was written in 1879 after all. … But as quotes go, I will not call this creationist quote dishonest. Google shows mainstream science sites using the quote as well … [I]n 1879 Darwin’s basic ideas were still controversial and being debated in the scientific community (as is right and proper for any new theory). This letter is simply part of that debate – one in which Darwin admits to not knowing one particular answer.
  6. Zie mijn review van Evolution Without Evidence. Charles Darwin and The Origin of Species op mijn website.
  7. Brian Thomas (2011) Duplicated Plant Genes Don’t Solve Darwin’s ‘Abominable Mystery’,Institute for Creation Research, April 18, 2011. Quote: “Without any supporting empirical evidence for “evolution through polyploidy,” Darwin’s old flower “mystery” still stands. For those who rely on the biblical record of Genesis, however, the mystery has long been solved—flowering plants exist because the Creator deliberately engineered them from the beginning.” ICR baseert dat artikel op: Elizabeth Pennisi. Ook de ID site met de bedreigelijke titel Evolution News and Views grijpt de gelegenheid aan: Another Notable Explosion: Has Darwin’s “Abominable Mystery,” the Origin of Flowering Plants, Been Solved? (gaat zo te zien niet zo ver te claimen dat Flowering Plants Intelligent Ontworpen zijn).
  8. Michael W. Frohlich, Mark W. Chase (2007) After a dozen years of progress the origin of angiosperms is still a great mysteryNature 450, 1184-1189 (20 December 2007). MAAR: “Here we discuss recent advances surrounding the origin of angiosperms. Putatively primitive characters are now much better understood because of a vastly improved understanding of angiosperm phylogenetics, and recent discoveries of fossil flowers have provided an increasingly detailed picture of early diversity in the angiosperms.”
  9. Vamosi JC, Vamosi SM. 2010 Key innovations within a geographical context in flowering plants: towards resolving Darwin’s abominable mystery.: “Recent work has found that diversification is often diversity-dependent, suggesting that species richness depends on geographical area available more than on traits or the time available to accumulate species.”
  10. Het bekende boek van Michael Denton (1986) Evolution: A Theory in Crisis, p. 163 vermeldt nog een tweede quote van Darwin:
    • “Nothing is more extraordinary in the history of the vegetable kingdom, as it seems to me, than the APPARENLTY very sudden or abrupt development of the higher plants.”

    Dit is een correct citaat dat inderdaad te vinden is in: The Life and Letters of Charles Darwin, John Murray, London, vol 3, p248. Gooi dit citaat in google en je krijgt een complete optocht van voornamenlijk creationisten!!!

  11. William E. Friedman (2008) The meaning of Darwin’s “abominable mystery” (gratis fulltext). Leesbaar achtergrond artikel. Aanbevolen.
  12. Link. “Here, we suggest an ecological explanation for their escape from their subordinate position relative to gymnosperms and ferns”. Een interessante theorie.
  13. Zie: Category mistake: een christelijke komkommer of een atheïstische pompoen. Als je bedenkt dat christenen uitdrukkingen gebruiken als “God’s ways are mysterious” en dan Darwin verwijten maken over het “abominable mystery”, dan is dat de grootst mogelijke oneerlijkheid.
  14. Wel staat er in de The Origin: “…the unknown progenitor of flowering plants…”. De term ‘Angioserms’ komt niet voor in de Origin. Kennelijk was Darwin zich toen nog niet zo bewust van het probleem, het abominalbe mystery was immers van 20 jaar later.
  15. Daniel I. Axelrod (1952) ‘A Theory of Angiosperm Evolution’, Evolution
    Vol. 6, No. 1 (Mar., 1952), pp. 29-60
  16. Anomalie (anomaly):  in dit geval is er geen positief feit dat de anomalie veroorzaakt, maar het onbreken van feiten die verwacht worden op basis van de gangbare theorie en die door verder onderzoek gevonden zouden kunnen worden. De gezochte feiten zijn zelf nietanomalous, uitzonderlijk, extreem, en kunnen gevonden worden door de standaard methodes van de wetenschap, en vallen binnen de groep van fossielen zoals die bijna dagelijks gevonden worden.
  17. Toegevoegd: 7 jan. Het boek van Prothero is overigens aanbevolen als uitstekend geillustreerd overzicht van fossiele dieren.
  18. Xin Wang et al (2007) Schmeissneria: A missing link to angiosperms? BMC Evolutionary Biology 2007, 7:14
  19. Douglas E. Soltis et al (2008) Origin and Early Evolution of Angiosperms, Ann. N.Y. Acad. Sci. 1133: 3–2

REPTIEL en/of ZOOGDIER

  zie vooral de paragraaf   MISSING LINK
pelycosaurs <– doc

PermianTriassic Age <—doc

therapsids <–doc

 

 

°
 
Oudste vertegenwoordigers   van de voorouderlijke   plantenetende land(zoog)dieren ontdekt  :

17 april 2014 om 11:57 uur door

http://www.scientias.nl/oudste-voorouder-van-de-plantenetende-landdieren-ontdekt/99854

Onderzoekers hebben in Kansas de fossiele resten van één  van  de oudste voorouder van de plantenetende land(zoog)dieren ontdekt. Het gaat om een  dier dat aan de basis ligt van  de zoogdieren 

een gefossiliseerd skelet van een jonge synapside ( uit de groep der    Cadeidae ) met een lengte van ongeveer 20 centimeter.

Het dier, genaamd Eocasea martini, (1) een gefossiliseerd skelet van een jonge primitieve   stam-synapside  met een lengte van ongeveer 20 centimeter ,  leefde ongeveer 300 miljoen jaar geleden en behoorde tot een  lijn  van gewervelde dieren die later  zouden evolueren tot o.m.  de   moderne plantenetende zoogdieren.

Dat melden Canadese onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschriftPLOS One.

 

Insecten

Reptielen van de soort Eocasea martini aten op volwassen leeftijd weliswaar vlees in de vorm van kleine insecten, maar in hun jonge jaren verorberden de dieren alleen planten, zo blijkt uit het onderzoek op het fossiel.

Voor de verschijning van Eocasea Martini konden dieren geen vezels van planten verteren.

“Eocasea was het dier dat het proces in gang zette waaruit het aardse ecosysteem ontstond met veel planteneters en steeds minder vleesetende roofdieren”, verklaart hoofdonderzoeker Robert Reisz van de Universiteit van Toronto Mississauga op nieuwssite ScienceDaily.

 

Drempel

“Toen het vermogen om planten te eten bij Eocasea was ontstaan, leek het alsof er een hindernis wegviel. Er ontstonden meerdere herbivore dieren, onafhankelijk van elkaar.”

Met vervolgonderzoek hopen de wetenschappers uit te zoeken onder invloed van welke oorzaken het vermogen om planten te eten ontstond bij dieren.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

 

Cadeidae
De onderzoekers vergeleken de fossiele resten met de resten van verwante organismen en ontdekten dat E. martini behoort tot de Cadeidae, een uitgestorven groep reptielen.

De Cadeidae (1)  behoren weer tot de Synapsida, een groep gewervelde dieren. Deze groep – waartoe ook de oudste plantenetende landdieren en grotere roofdieren behoren – evolueerde uiteindelijk tot de moderne zoogdieren zoals we die vandaag de dag kennen.

Eocasea is het meest primitieve lid van deze groep

. “Eocasea is het eerste dier dat het proces dat resulteerde in een ecosysteem op het land met heel veel planteneters en steeds minder roofdieren, in gang zette,” stelt onderzoeker Robert Reisz.

 

reptiel

 Eocasea martini. Dit organisme leefde zo’n 300 miljoen jaar geleden. E. martini zit in de basisgroep  van  de stamlijnen  van   de  grote planteneter  

The smallest and largest caseid: this is a reconstruction of 300-million-year-old tiny carnivorous Eocasea in the footprint of 270-million-year-old largest known herbivore of its time, Cotylorhynchus.
Credit: Artwork by Danielle Dufault

Afbeeldingen van Cotylorhynchus.

Minstens zeven  keer convergentie evolutie 

°
Maar de vaardigheid om plantaardig materiaal te verteren, ontstond niet alleen in de groep waar Eocasea deel van uitmaakte, zo ontdekten de onderzoekers. De vaardigheid ontwikkelde zich zeker op vijf plekken in de stamboom van moderne zoogdieren.

Elke keer onafhankelijk van elkaar(=  convergent ) en twee keer onder reptielen. “Toen de vaardigheid om planten te verteren na Eocasea ontstond, was het hek van voor de dam,” stelt Reisz. “Verschillende groepen ontwikkelden dezelfde eigenschappen die nodig waren om planten te verteren.”

Verstandige stap
Dat de overstap van vlees op planten – die overvloedig op het land groeiden – een verstandige stap was, blijkt wel als we de stamboom van de Cadeidae volgen. Het oudste lid van deze groep – Eocasea – was heel klein en woog nog geen twee kilo. Het jongste lid van deze groep was zwaarder dan 500 kilo.

Hoewel het onderzoek verschillende vragen beanwoordt, roept het ook vragen op.

“Eén van de grote mysteries die in mij opkomen, is waarom gingen organismen niet eerder planten eten en waarom ontwikkelden ze die vaardigheid onafhankelijk van elkaar in verschillende groepen? Dat maakt deze gebeurtenis zo fascinerend. Het is de eerste keer dat zoiets gebeurt en het resulteert in een enorme verandering in het ecosysteem op het land.”

 Bronmateriaal:
Earliest ancestor of land herbivores discovered” – UToronto.ca
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Danielle Dufault.

Hier zijn echte ‘looks’

http://www.livescience.com/ima…

e-martini-skeleton-140416

(1) The lizardlike animal, dubbed Eocasea martini, was a caseid. Caseids were a primitive group of synapsids, an umbrella term that includes mammals and their close relatives.
Ancient nonmammalian synapsids, including caseids, looked reptilian — the famous fin-backed Dimetrodon was a synapsid — but were an entirely different branch of life from reptiles and birds.

°
°
De Pelycosauriërs verschenen tijdens het Carboon en zijn de vroegste zoogdierachtige reptielen.
ZE zijn  de vertegenwoordigers van de groep binnen de synapsiden  , waaruit   onder  meer  de  reptielen  zich verder ontwikkelden……
°
 edapho2
<—  you can see a fully mounted skeleton from the Permian of Texas. The long tail and sprawling posture are characteristic of the pelycosaurs. These images were taken at the Field Museum of Natural History in Chicago
°
Edaphosaurus : Pelycosaurs include a variety of forms and lifestyles. Not all of them were carnivores; some, like Edaphosaurus, were herbivores. In the image above (top) you can see that there are no nasty, pointy teeth filling this pelycosaur’s jaw. You may also see the additional knobs sticking out from the dorsal fin bones, which are unique to the Edaphosauridae.
edapho1
°
SYNAPSIDA
The Fossil Record: Evolution or “Scientific Creation”
Clifford A. Cuffey

Modern reptiles and mammals are very distinctive, easily diagnosable, and do not intergrade. Reptiles are covered by scales, mammals by hair; reptiles are cold-blooded, mammals warm-blooded; reptiles do not suckle their young, mammals have mammary glands; reptiles have sprawling posture, mammals have upright posture. Most of these features are soft part anatomy or physiology that very rarely fossilize (although dinosaur skin impressions are known from Cretaceous sediments, and imprints of mammal hair are known from Eocene bats from Germany; Franzen, 1990). In the fossil record, we must look to skeletal features.

There are many skeletal features which allow us to distinguish the reptiles from the mammals (Carroll, 1988; Table 1, rows A, M). The single most important defining characteristic is the nature of the articulation of the lower jaw to the skull (Simpson, 1959). In reptiles, multiple bones comprise the lower jaw. A small bone at the posterior end of the lower jaw, the articular, articulates with the quadrate bone of the skull (Simpson, 1959; Carroll, 1988). In mammals, one large bone, the dentary, comprises the lower jaw. It articulates with the squamosal bone of the skull (Simpson, 1959; Carroll, 1988).

From comparative anatomy studies, it is certain that most of the bones of the reptiles and mammals are homologous (Crompton & Parker, 1978; Carroll, 1988). Of greatest importance, the middle ear bones of mammals (stapes, incus, malleus, and tympanic) are homologous with several of the skull and jaw bones of reptiles (stapes, quadrate, articular, and angular, respectively; Romer, 1956, p. 33-38, 1970a; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Crompton & Parker, 1978; Hopso n, 1987, 1994; Carroll, 1988). One group of reptiles, the synapsids (Subclass Synapsida), share with the mammals an additional homologous structure: the lateral temporal fenestra, which is an opening in the skull behind the eye socket at the triple junction between the squamosal, jugal , and post orbital bones (Broom, 1932; Frazetta, 1968; Kemp, 1982; Carroll, 1988). A band of bone composed of the jugal and the squamosal is adjacent to the lateral temporal fenestra (Broom, 1932; Kemp, 1982; Carroll, 1988). This is the cheek arch so characteristic of mammal skulls (Broom, 1932; Kemp, 1982; Carroll, 1988). Therefore, synapsids are commonly named the “mammal-like reptiles.”

The presence of diagnosable morphologic differences between reptiles (including the oldest reptiles and the oldest synapsids) and mammals distinguishes them as distinct taxa. This allows us to test evolution by looking for transitional forms between the two. Because many of the bones are homologous, we should find evidence illustrating how these bones were modified over time to become the new bones. Furthermore, these morphologic changes should happen in parallel and in geochronologic succession.

Synapsid reptiles inhabited Pangea from the Middle Pennsylvanian through the Early Jurassic (Kemp, 1982, 1985; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1969, 1987, 1994; Hopson & Crompton, 1969; Hotton, et al., 1986; Crompton & Jenkins, 1973; Sidor & Hopson, 1998; Romer & Price, 1940; Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Tchudinov, 1983; Olson, 1944; Tatarinov, 1974; Vyushkov, 1955; Efremov, 1954). From the Early Permian through the Early Triassic, they were the largest and most abundant land animals (Sloan, 1983; Colbert, 1965). Though much less well known to the general public than dinosaurs, one of the “cereal box dinosaurs,” Dimetrodon (the sail-backed reptile), is a synapsid, not a dinosaur (Romer & Price, 1940; Carroll, 1988). The oldest mammals are Late Triassic (Kemp, 1982; Carroll, 1988). Below is a discussion of the geochronologic succession linking synapsids and mammals. The oldest reptiles (named protorothyrids; Carroll, 1964, 1988, p. 192-199) are from the lower Middle Pennsylvanian, and the oldest synapsids (Reisz, 1972) are from the upper Middle Pennsylvanian, both of Nova Scotia. Upper Pennsylvanian and Lower Permian forms are known primarily from the midcontinent and Permian Basin region of the United States (Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Kemp, 1982; Sloan, 1983). The basal Upper Permian forms are known from Russia (Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Ivakhnenko et al., 1997). Most of the Upper Permian and Lower Triassic succession is known from southern Africa, especially the Great Karoo of South Africa (Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Hopson & Kitching, 1972; Kemp, 1982; Sloan, 1983). The Middle Triassic forms are from South America (Romer, 1969a, 1969b, 1970b, 1973; Romer & Lewis, 1973; Bonaparte & Barbarena, 1975), and the Upper Triassic and Lower Jurassic mammals are known from Eurasia (Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Kemp, 1982). Subsequent Mesozoic mammals are known from all over the world (Simpson, 1928; Lillegraven et al., 1979).

When placed in proper geochronologic succession, the synapsids naturally form a succession of taxa (genera and families) that progressively become more mammal-like and less reptile-like (Kemp, 1982, 1985; Sloan, 1983; Sidor & Hopson, 1998; Hopson, 1987, 1994). Morphologic changes, summarized in Table 1 and Figure 1, affect the entire skeletal anatomy of these animals, but are most clearly displayed in their skulls.

The lateral temporal fenestra increased in size from a tiny opening smaller than the eye socket to a giant opening occupying nearly half the length of the skull. Ultimately, it merged with the eye socket, thus producing the full development of the cheek arch so characteristic of mammals (Broom, 1932; Frazetta, 1968; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Hopson, 1987, 1994; Carroll, 1988).

Successively, the relative proportion of the lower jaw comprised of the dentary bone (teeth-bearing bone) gradually increased until the entire lower jaw consisted of the dentary (Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1987, 1994). In Pennsylvanian and Lower and basal Upper Permian synapsids, the postero-dorsal edge of the lower jaw rose broadly but only slightly above the level of the tooth row (Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Ivakhnenko et al., 1997; Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Hopson, 1987, 1994). In succeeding forms, the posterior part of the dentary expanded dorsally and posteriorly as a blade-like process, and progressively became larger (Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Sigogneau, 1970; Brink, 1963; Kemp, 1979; Hopson, 1987, 1994), forming the coronoid process (Parrington, 1946; Fourie, 1974; Romer, 1969b, 1970b, 1973; Hopson, 1987, 1994) to which the mammalian-type jaw musculature is attached (Barghusen, 1968; Bramble, 1978; Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). Concomitantly, the post-dentary bones progressively reduced in size (Allin, 1975; Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1987, 1994).

Beginning with the Upper Pennsylvanian sphenacodonts, a notch developed in the angular bone that offsets a projection, the reflected lamina (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). The reflected lamina first became a large blade-like flange (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Ivakhnenko et al., 1997; Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Broom, 1932; Sigogneau, 1970; Boonstra, 1963, 1969, 1971), and then was progressively reduced to a delicate horseshoe-shaped bone (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Brink, 1963; Parrington, 1946; Fourie, 1974; Romer, 1969b, 1970b, 1973; Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Kemp, 1979, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988).

Simultaneously, the quadrate progressively decreased in size (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). The articular did not decrease in size much, being small initially, but developed a downward-pointing prong (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). In the synapsids, the lower jaw was hinged to the skull by the articular and quadrate bones (Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994). Thus they are classified as reptiles (Simpson, 1959; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). As the quadrate and articular became smaller, they were relieved of their solid suture to the dentary and skull (Crompton, 1972; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). A projection of the dentary extended posteriorly and made contact with the squamosal. Morganucodon possessed the mammalian dentary-squamosal jaw joint adjacent to the reptilian articular-quadrate jaw joint (Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Carroll, 1988). It is classified as the first mammal, but it is a perfect intermediate. Now that a new jaw joint was established, the quadrate and articular were subsequently relieved of that function (Crompton, 1972; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). Ultimately, in Middle and Upper Jurassic mammals, the tiny quadrate, articular, and ring-like angular migrated as a unit to the middle ear where they joined the stapes and became the incus, malleus, and tympanic bones (Allin, 197 5, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988).

Progressively, the teeth became differentiated. The large canines developed first, followed by the development of multicusped cheek teeth, reduced tooth replacement (Osborn & Crompton, 1973; Crompton & Parker, 1978), and finally full y differentiated incisors, canines, premolars, and molars with one tooth replacement during life (Kemp, 1982; Hopson, 1994).

Many other morphologic changes are documented in the fossil record. These demonstrate the morphologic and geochronologic succession from sprawling limb posture to upright limb posture of mammals (Jenkins, 1971; Romer & Lewis, 197 3; Kemp, 1982; Carroll, 1988; Hopson, 1994). As Jenkins (1971, p. 210) stated, “In details of morphology and function, the cynodont post-cranial skeleton should be regarded as neither ‘reptilian’ nor ‘mammalian’ but as transitional between the two classes .” Other changes have been adequately summarized elsewhere (Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1994). Obviously, fundamental physiologic changes must have taken place as well, many of which are not directly preserved in the fossil record, though some can be inferred from the skeletal anatomy (Findlay, 1968; Kemp, 1982; Sloan, 1983, Carroll, 1988; Hopson, 1994).

This is well documented in the fossil record by a massive volume of incontrovertible data that cannot be explained away. Such large-scale, progressive, continuous, gradual, and geochronologically successive morphologic change (Sidor & Hopson, 1998) is descent with modification, and provides compelling evidence for evolution on a grand scale.

[DOC]

amniotes.docx – Bloggen.be

De ontwikkeling van kaak en gehoorbeentjes 

(klik voor vergrotingen op de afbeeldingen )

cuffey1

cuffey3

TAXONOMY LATERAL TEMPORAL FENESTRA LOWER JAW DENTARY TEETH LOWER JAW: POST- DENTARY BONES MIDDLE EAR & JAW ARTICULATION
M: Early Placental mammals
Asioryctes
Upper Cretaceous
Merged with eye socket; cheek arch bowed out laterally 100% of jaw length is the den- tary; condylar process in contact with squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement No post-dentary bones 3 middle ear bones (stapes, incus, malleus) + tympanic; squamosal-dentary jaw joint
L: “Pantothere” mammals
Amphitherium
Middle/Upper Jurassic
X 100% of jaw length is the den- tary; condylar process contacts squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement Post-dentary bones migrated to middle ear Probably 3 middle ear bones (stapes, incus, malleus) + tympanic; squamosal-dentary jaw joint
K:Morganucodontid mammals
Morganucodon Upper Triassic & Lower Jurassic
Merged with eye socket; cheeck arch bowed out laterally 100% of jaw length is the den- tary; condylar process expanded posteriorly to make contact with squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement 20% of jaw length; reflected lamina decreased to narrow ribbon-like horseshoe Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate tiny; both quadrate-articular and squamosal-dentary jaw joints
J:Chiniquodontid cynodonts
Probainognathus
Middle Triassic
Much larger than eye socket; 40- 45% of skull length; expanded posterioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 95% of jaw length is the dentary; large coronoid process expanded posteriorly; condylar process expanded posteriorly Large single canine; cheek teeth multicusped; tooth replacement reduced 20% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of main part of angular decreased; reflec – ted lamina decreased to narrow ribbon-like horseshoe Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate tiny; quadrate-articular joint
I:Galesaurid cynodonts
Thrinaxodon
Lower Triassic
Much larger than eye socket; 40% of skull length; expanded pos- terioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 85% of jaw length is the dentary; large coronoid process expanded to top of eye socket and pos- teriorly; jaw muscles attached to most of coronoid process Large single canine; cheek teeth multicusped; tooth replacement reduced 25% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of reflec- ted lamina decreased; width of main part of angular decreased Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
H: Procynosuchid cynodonts
Procynosuchus
upper Upper Permian
Much larger than eye socket; 40% of skull length; expanded pos- terioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 75-80% of jaw length is the den- tary; coronoid process expanded to near top of eye socket and posteriorly; jaw muscles attached to dorsal part of coronoid process Large single canine; cheek teeth multicusped 30% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of reflected lamina decreased Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
G: Early Therocephalians
Pristerognathus
lower Upper Permian
Larger than eye socket; expanded posteriorly and medially; 30% of skull length 75-80% of jaw length is the den- tary; posterior end of dentary expanded posteriorly and dorsally into narrow blade-like coronoid process; rises to middle of eye socket Large single canine; other teeth simple cones. 35% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
F: Early Gorgonopsians
Eoarctops
lower Upper Permian
Slightly larger than eye socket; expanded posteriorly and medially (minimal); 20-25% of skull length 65-75% of jaw length is the den- tary; posterior end of dentary slightly expanded posteriorly and dorsally as incipient coronoid process Large single canine; other teeth simple cones. 40% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
E:Eotitanosuchians
Sphenacodon
Lower Permian
Small; slightly smaller than eye socket; slightly expanded posteriorly and medially 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Large single canine; other teeth simple cones. 40% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
D: Late sphenacodonts
Sphenacodon
Upper Pennsylvanian
Small; smaller than eye socket; confined to one side of skull 65% of jaw length is the dentary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above the tooth row Enlarged incipient canines; other teeth simple cones 60% of jaw length; venntral edge of angular notched (“angular notch”) offsetting a short pro- tusion (reflected lamina) Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate large and plate-like; quadrate- articular jaw joint
C: Early spenacodonts
Haptodus
Upper Pennsylvanian
Tiny; smaller than eye socket; confined to one side of skull 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares 70% of jaw length; ventral edge of angular with shallow indentation Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
B: Early ophiacodonts
Archaothyris
upper Middle Pennsylvanian
Tiny; smaller than eye socket; confined to one side of skull x Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares x Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
A: Protorothyrids
Hylonomus
lower Middle Pennsylvanian
Absent 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares 70% of jaw length; ventral edge of angular continuous Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint

Table 1: Morphology of synapsid reptiles and mammals (Note that Hylonomus is a protothyrid, not a synapsid). Data from references cited in text.

De Zoogdieren zijn ontstaan uit de Reptielen, en wel uit de Therapsida of Zoogdierachtige reptielen.
non-cynodont_phylogeny

Permian/Triassic Age Reptiles and Amphibians

Therapsid phylogeny

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.000.html

     http://www.kheper.net/evolution/therapsida/index.html http://www.locolobo.org/Clades2.html

 geschiedenis aarde/sphenacodontidae.html

De zoogdieren van vandaag zijn slechts één tak van de  Synapsida:

een grote groep gewervelden ,   met 300 miljoen jaar geschiedenis.
Pre-zoogdier synapsidae  – met inbegrip van  de  beroemde „zeildinosaurier  “ Dimetrodon, — overheerste   de  gewervelde landfauna tijdens het  Perm en   het vroege Trias
en alvorens de heerschappij te veliezen  aan de zich diversifiërende archosauriers en dino’s  .

http://psychosaurus.com/frames/dino/dimetrodon.html http://lesdinos.free.fr/Au%20temps%20des%20dinosaures%20Dossier_Vie-terre.htm http://italian-american.blogspot.com/2007/03/whatever-happened-to-dimetrodon.html

Deze pre-zoogdier synapsidae  werden  af en toe  „zoogdierachtige  reptielen“ genoemd  .
Maar de term wordt  tegenwoordig afgeraden omdat  geen van hen eigenlijk  echte  reptielen noch zoogdieren  waren.
Ze vormen de eerste  suborde

De  tweede  orde  is die  der Therapsida (proto-mammalia ). 

 

De  derde grote (sub)ordeTheriodontia („dierentand“, verwijzend naar  zoogdier- tanden) vormt een groep die dichter bij de zoogdieren staat

http://www.ucmp.berkeley.edu/synapsids/gorgonopsia.html

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html
Theriodonten   omvatten zowel carnivoren als herbivores, en de diverse geslachten vullen de  niches  die  huidige  wolven, wezels, otters, knaagdieren, en spitsmuizen als leefomgeving bezetten .
Succesvol en erg gediversifieerd  tijdens het  late Perm en vroege Trias , werden zij  vervolgens  meer en meer overweldigd door de opkomst en de  beginnende bloei  van de archosauriers  uit   het late Trias.
http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html

Tijdens het laat  Trias   (laat  Noriaan en  Rhaeticum  ) evolueerde  minstens één lijn tot de  Eutheriodonten ( zoogdieren. )
Eén andere  familie, de  knaagdierachtige  Tritylodontiden  haalde nog net  het  late   Jura (Oxfordiaan)
Theriodonten ontwikkelden een bijt en kauw – mechanisme  dan succesvoller was dan  dat van de  Dinocephalia.
Het quadraat-been in de  onder kaak werd  kleiner .

A:
Wanneer de kaken wijd (tekening hierboven)openden  , haakten   het gewrichtsbeen (art ) en uiteinde van de  kleine quadrate (q) gemakkelijker  in( en uit ) elkaar
Wanneer de kaken worden gesloten zitten de lage snijtanden  volledig achter de hoge snijtanden , .
De ontwikkeling van veelzijdige kaakbewegingen en een nauwkeuriger type van tandocclusie speelden ook een kritieke rol in het pre-adapteren  van  elementen van  het  theriodonten gewrichts complex
die later de gehoorbeentjes   van het zoogdier -middenoor worden

B
Het Kleine quadraat  hing  vrij  los aan de schedel, waarschijnlijk voorzien  , in het levende dier , van een vezelig stootkussen en  van  samenhoudende   ligamentbanden   ;
Het hoge eind ervan ,  zit  in een  holte van het  squamosaal(sq) die het  q ook van achter steunde.
Zodat,  zo verondersteld  Hopson, het waarschijnlijk geschikt was  voor een kleine  gedeeltelijk -achterdekse beweging aan het  lagere  uiteinde.
Niettemin was de verbinding tussen quadrate en gewricht  een  strakke
Een stevig in elkaar grijpende gewrichts beweging werd  mogelijk door deze  kaakverbindingen, maar een gedeeltelijke -achterdekse beweging was slechts  beperkt tot een scharnier (die  transversaal glijdt)
de  quadraat-condyle .

Theriodonten  vallen in drie verschillende groepen uiteen , die als infraorders kunnen worden beschouwd of
(als Theriodonta zelf als een orde wordt beschouwd eerder dan zoals gewoonlijk het geval is, suborde) suborders:
Gorgonopsia;

 

http://www.kheper.net/evolution/therapsida/Gorgonopsia.htm       geschiedenis aarde/sphenacodontidae.html

http://www.ucmp.berkeley.edu/synapsids/gorgonopsia.html
Therocephalia,

 http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html

en
Cynodontia.

 (Perm) 

miller_fig11 (Trias )  


http://www.cartage.org.lb/en/themes/sciences/Paleontology/FossilsAndFossilisation/Taxonomy/Taxonomy.htm

  geschiedenis van de aarde  / cynodontia

Een vierde groep, Bauriamorpha, wordt  nu over het algemeen  ook gerangschikt bij   Therocephalia.

http://en.wikipedia.org/wiki/Bauria

De  opkomst en bloei der   Cynodonten

Cynodonten , of „de hondtanden“, waren de  meest succesvolle  en één van de meest diverse groepen therapsiden , die hun bloei beleefden  tijdens het  late   Perm en  het  Trias …Deze groep bezat   allerlei vormen
zoals  de  grote vleesetende cynognathiden , de even grote herbivore traversodonten , en  de kleine erg  zoogdierachtige   tritylodontiden  en ictidosauriers
Ictidosauriers  (= Trithelodontiden ) is bijna zeker dicht bij  de wortel van het  directe voorgeslacht  van de klasse Mammalia
(nota – er zijn  ook  zoogdieren  afgeleid   van een onbekende vroege Trias  cynodontenstam ; misschien  waren dat   vormen zoals de Thrinaxodon. (onder )

 http://digimorph.org/specimens/Thrinaxodon_liorhinus/

 

Maar dit is  bijna zeker onjuist gebleken ,en alleszins kunnen ze  de voorouders  niet zijn van    Cynognathus (onder ) en latere  vormen  van  zoogdieren  . Recente cladograms brengen de eerste zoogdieren in verband  met cynodonten uit het  laat  tr ias  ).

http://www.britannica.com/EBchecked/media/5132/Restored-skeleton-of-Cynognathus

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/410Cynodontia/410.300.html

De  erg zoogdierachtige structuur van de  cynodonten  is al bijna honderd jaar bekend  , maar slechts in de  laatste  jaren  hebben wij  genoeg  bijgeleerd   over  de  cynodonten  en over de zeer vroege zoogdieren,
om met vertrouwen  te kunnen stellen  dat   alle zoogdieren inderdaad van één enkele groep cynodonten  afstammen (1) 
Zelfs  de vroegste cynodonten  –  de  Procynosuchidae van het laat- Perm, tonen  reeds vele zoogdier-caracteristieken , zoals
een verminderd aantal beenderen in de onderkaak,
een secundair knokig gehemelte en een complex patroon op de kronen van  hun kiezen.
Het is waarschijnlijk dat  Cynodonten was minstens gedeeltelijk  , indien al niet als niet volledig warmbloedig, waren
Ze bezaten waarschijnnlijk  ook al  haar, dat hen heeft geïsoleerd en hielp  om een hoge lichaamstemperatuur te handhaven.
In het vroege Trias, bestonden  de  cynodonten   uit  grote roofzuchtige carnivoren zoals Cynognathus en gematigde grote allesetende en herbivore types zoals Trirachodon en Diademodon

Het  midden Trias was een belangrijke  bloeiperiode ( en hoogtepunt)   voor de herbivore  cynodonten   waaronder de  familie Traversodontidae.
In  deze  familie  evolueerden    gespecialiseerde  en uitzonderlijke  oude   zoogdieren –
Tritylodontidae van het     laat Trias t/m Midden Jura,
de „knaagdieren“ van het  vroege Secundair
Tezelfdertijd waren de  nakomelingen van Cynognathus aanwezig  die zich   in middelgrote  kleine vleesetende en insektivore vormen hzdden ontwikkeld .
Het is interessant om zien   dat  de archosauriers  groter werden,  en de cynodonten  kleiner om  misschien uiteindelijk nachtdieren te worden  .
He hete dorre Trias bevoordeligde  zowel  het   ectothermische  reptielen  metabolisme van de  archosauriers  als het  zich perfectionerende   homoitherme zoogdiermechanisme van de  cynodonten  goed.
Uiteindelijk, werden de  geavanceerde  cynodonten en hun   zoogdiernakomelingen  klein  en  nachtelijk,
Afhankelijk van het gehoor  en de reukzin   en werd de dag aan de visueel georienteerde  archeosauriers (thecodonten en dinosauriers )   ,overgelaten
Cynodonte  en de vroege zoogdierhersenen waren groter dan sauropside (reptiel) hersenen,  niet omdat zij intelligenter waren, maar wegens de vergrote reuk en auditieve cortex .

Kleine cynodonten  en de Secundaire zoogdieren beheersten  de koele nacht, of leefden in bomen

Grote besliste thecodonten  en  dinosaurussen de  warme dag en de grond.
Dat alles begon honderd  vijftig miljoen jaar voor de inslag van de xichulub -meteoor

(1) De zoogdieren kunnen zowel  een monophyletische  als   een  of polyphyletische  oorsprong hebben.
hier wordt een monophylitische  oorsprong verdedigd 

http://bioweb.wku.edu/courses/Biol459/f2000/protected/mammevol.htm

Laterale(LGT )/Horizontale gentransfert(HGT)Horizontale genoverdracht (HGO)

Trefwoorden (zoektermen )

Lateral gene transfert /  Horizontale  gen transfert   / Horizontale gen overdracht  / aktief delen van genen met andere genomen  / Gene Swapping

Succesvolle ” resistentie – genen , onstaan( door mutaties ) in een bepaalde strain (= stam), maar kunnen zich ook nog eens door “ horizontale gen transfer ” verspreiden in andere bacteria en micro-organismen ( ook van andere soorten ) en zichzelf inbouwen in die ( geinfecteerde ?) genomen , zodat de voordelen van een ergens in het “wild” onstaan resistentie-gen kan worden verworven (zonder afhankelijk te zijn van een mutatie in de verwerver ) en vanuit de bestaande genenvoorraden in de ecologische samenhangen en microbieele fauna’s waarin de verwerver leeft …

Uitwisseling van resistente genen gaat sneller dan zelf muteren;    28 januari 2011 Arjen Dijkgraaf

Bacteriën evolueren vooral door genen over te nemen van andere soorten, en veel minder door mutatie van hun eigen DNA. Dat hebben Todd Treangen en Eduardo Rocha (University of Maryland) vastgesteld door een groot aantal microbiële genomen met elkaar te vergelijken.

MRSA-bacterie: 'Ruilen?'MRSA-bacterie: ‘Ruilen?  Hun publicatie in PLoS Genetics zou onder meer kunnen verklaren waarom bacteriën zo snel resistentie tegen antibiotica kunnen ontwikkelen. Als er eentje eenmaal heeft uitgevonden hoe het moet, geeft hij het recept kant en klaar aan collega’s door.Dát bacteriën relatief gemakkelijk genetisch materiaal uit een andere cel kunnen overnemen om het in hun eigen DNA in te bouwen, was overigens al bekend. Maar tot nu toe werd min of meer automatisch aangenomen dat dat mechanisme ondergeschikt was aan de traditionele evolutie, zoals je die bij meercellige organismen tegenkomt.

 Het betekent vooral dat binnen de evolutiebiologie de nodige aannames op de helling moeten.

bron: University of Maryland

Horizontal Gene Transfer Database (HGT-DB)
Evolutionary Genomics Group. Biochemistry and Biotechnology Department.
Universitat Rovira i Virgili (URV). Tarragona. Spain.
Dr. Michael Syvanen
http://www.yvm.net/vme/hgt/
Toenemende Evolutie snelheid ?

Het was lange tijd een mysterie waarom de snelheid en complexiteit van evolutie met de tijd leek toe te nemen.

Bijvoorbeeld: het fossielen-verslag suggereert dat : eencellig leven voor het eerst ongeveer 3,5 miljard jaar geleden verscheen en toen deed meercellig leven er nog eens 2,5 miljard jaar over om te evolueren.

Dan houd je nog maar iets van een miljard jaar over voor de evolutie van diverse planten, zoogdieren, insecten, vogels en andere soorten die de aarde bevolken.

 

HGT voegt complexiteit toe en versneld de evolutie

Snellere evolutie is een voordeel ?
ScienceDaily (29 Januari..2007) –
Het is altijd een raadsel geweest waarom de frequentie (en de toename in complexiteit ) van de evolutie schijnt te versnellen , met tijd mee :
Alles in het het fossiele verslag wijst erop dat het eencellig leven ongeveer 3,5 miljard jaar geleden is onstaan , en het duurde tot ongeveer een kleine miljard jaar vooraleer het eerste meercellige leven van start ging … .
Zoogdieren, veel insecten, vogels, bloeiende planten ( en andere soorten die tegenwoordig de aarde bevolken ) moesten wachten tot ver na het
cambrium….Maar ontwikkelden zich in ( geologisch relatief ) korte tijd in vergelijking met vroegere oeroude verdwenen fauna ?(1)
De oude wiskundige evolutie- modellen hielden zich grotendeels bezig met fluctaties in populaties veroorzaakt door puntmutaties
— kleine beperkte willekeurige veranderingen in enige nucleotiden op de DNA- kettingen ( micro-mutaties en graduale accumulaties ).
Een paar andere theorieën hebben zich terzelfdertijd geconcentreerd op de nieuwe combinatie — die bijvoorbeeld onstaan door seksuele selectie ___waarbij de genetische opeenvolgingen in de genomen van de soort opnieuw worden gemengd/gekombineerd door ( bijvoorbeeld) de haploide inbreng van de ouders bij de bevruchting .
Echter , de in de microwereld bekende horizontale genoverdracht (HGT) is een species overschrijdende vorm van genetische overdracht die aan belang wint
in de huidige modelleringen .
HGT is het proces waarbij DNA van één soort ( op de een of andere manier ) wordt geïntroduceerd. in een andere soort ( een soort natuurlijke GM ?)
Het idee werd 50 jaar geleden het eerst voorgesteld en geridiculiseerd , maar de komst van resistente bacteriën en verdere ontdekkingen____ met inbegrip
van de identificatie van een gespecialiseerde prote챦ne die bacteri챘n gebruiken om genen te ruilen___heeft de laatste jaren geleid tot brede acceptatie van het
denkbeeld
“Wij weten dat de meerderheid van het DNA in de genomen van sommige dier en plant soorten — met inbegrip van mensen, muizen, tarwe en graan — uit inserties bestaan die afkomstig zijn van HGT … Wij kunnen , bijvoorbeeld , de ontwikkeling van aanpassingern in het immuum systeem van de mens en andere (verwante )gewervelde dieren ___aan een HGT-insertie van ongeveer 400 MY geleden, toeschrijven . “
Het nieuwe wiskundige model dat door Deem en professors Jeong-Man Park werd ontwikkeld tracht om te weten te komen hoe HGT de algemene dynamica
van de evolutie verandert.
In vergelijking met bestaande modellen die slechts met puntmutaties en/ of seksuele nieuwe combinaties , rekening houden geven, toont het model van het Park hoe HGT de snelheid van de evolutie verhoogd en door gunstige selectiedruk vderspreid in populaties .
Deem onderstreepte het evolutionaire belang van” horizontale genoverdracht” in een ” physics today ” artikel van Januari 2007
HGT houdt in dat de genetische info van de modulaire aard is : dat maakt het haalbaar om gehele reeksen van genetische code — zoals genen ___te
ruilen ….dat staat bacteriën toe om antibiotica te overleven .
“Het wordt duidelijk dat het leven verder is geëvolueerd om ook genetische informatie in een modulaire vorm op te slaan,
en nuttige modules van andere organismen over te nemenof en/of uit te wisselen ”
Rice University
(1)
Het feit dat we niet weten hoeveel “soorten” zulke oude ” biosferen ” herbergden … maakt natuurlijk zulk een overweging uiterst speculatief …
In elk geval is er toch sprake van een paar getuigen van vroegere rijke biodiversiteiten in het fossielen verslag
( bijvoorbeeld de cambrische explosie )maar die is grotendeels te wijten aan de goede fossilisatie van organismen met harde delen …
en goed bewaarde zeeroude vindplaatsen ( lagerstaten bijvoorbeeld ) die lokaal weinig hebben geleden onder morfogenetische rotsvorming
HGT bij hogere organismen
Rhodinus prolixus. (Credit: Dr. Erwin Huebner, University of Manitoba, Winnipeg, Canada)
Repeated horizontal transfer of a DNA transposon in mammals and other tetrapods
Space Invaders, ExtraTerrrestrials en Bloedzuigers
G. Korthof
In de biologie zijn in 2008 echte, niet virtuele, Space invaders ontdekt: mobiele genetische elementen (of jumping genes) die in het DNA van zeer verschillende dieren zoals sommige ratten, muizen, vleermuizen, hagedissen, en kikkers binnengedrongen zijn en zich daar permanent gevestigd hebben.
Ze zijn verantwoordelijk voor één van de grootste invasie’s van DNA transposons die ooit hebben plaatsgevonden. Er zijn voorbeelden van 100.000 copieën per genoom.
Tot nu toe was het een raadsel hoe die stukken DNA van het ene dier naar het andere overgebracht konden worden. Hoe is dat in zijn werk gegaan? Hoe komt een stuk DNA in zeer verschillende diersoorten terecht?

Rhodnius prolixus

In Nature van donderdag 29 april 2010 staat de gouden tip. Gilbert en collega onderzoekers vonden de Space Invader elementen in een bloedzuigend insect Rhodnius prolixus (zie foto).

Dit insect had al een slechte naam omdat het de verwekker van de ziekte van Chagas overbrengt. Het is een neven-effect van bloedzuigen.

Hetzelfde verschijnsel als bij de malariamug die de malaria parasiet overbrengt wanneer ze bloed zuigt. Rhodnius prolixus is hoofdverdachte in deze zaak, omdat al bekend was dat hij bloed zuigt bij diverse zoogdieren, vogels en reptielen. Niet echt kieskeurig dus.

Maar laten eerst nog even naar de verspreiding van Space Invaders kijken. Het bijzondere is de willekeurige verspreiding van de SPINs (afkorting van Space Invaders) over de 102 diersoorten waarvan een complete genome beschikbaar is. Het gaat in tegen iedere evolutioniare logica omdat de verspreiding niet volgens evolutionaire verwantschap is (Tree of Life). Bij nauw verwante soorten en genera ontbreken de SPIN elementen, en exact dezelfde SPINs komen voor in niet verwante groepen als zoogdieren en reptielen.

Tot nu toe zijn er geen vissen, vogels of andere insecten gevonden met de betreffende SPINs (of gelijksoortige transposons).

Er waren 11 soorten vissen onderzocht: allemaal negarief. Dit lijkt me logisch. Een bloedzuigend insect heeft geen toegang tot vissen. Ook waren de 21 soorten insecten negatief. Ook dat lijkt me logisch. Dit alles wijst op horizontale DNA overdracht. Aan die conclusie valt moeilijk te ontkomen.

Zeer belastend bewijsmateriaal voor het insect Rhodnius prolixus is het gegeven dat hij bloedzuigt precies bij die diersoorten die ook SPINs hebben. Als je naar de exacte DNA volgorde van de SPIN elementen in vertebraten en invertebraten kijkt, dan zie je overeenkomsten van 95% tot 98%. Het is extreem onwaarschijnlijk dat die SPINs door gebruikelijke verticale evolutionaire weg overgedragen zijn, omdat de meest recente gemeenschappelijke voorouder van gewervelden en ongewervelden zeker 500 miljoen geleden geleefd heeft. En de DNA gegevens wijzen allemaal op een tijdstip van het ‘misdrijf’ van plm 50 miljoen jaar geleden.

We zijn dus gebeurtenissen in het verre verleden aan het reconstrueren. Op heterdaad betrappen is dus niet meer mogelijk. Maar gelukkig geldt er in de biologie geen verjaringstermijn! Met al dit belastend bewijsmateriaal op tafel: probeer je dar maar eens uit te praten. Dan moet je een heel goede advocaat hebben.

Maar DNA onderzoek wijst op een medeplichtige: de zoetwater slak Lymnaea stagnalis. Wat zijn rol in deze zaak is, is nog niet helemaal duidelijk. Wel staat vast dat deze -op het oog onschuldige- slak onderdak verleent aan parasitaire wormen die we ook in zoogdieren vinden. En het dier komt wereldwijd voor. Een mogelijk link, dus. Het valt mij op dat de 11 onderzochte Nematode wormen allemaal negatief waren. Nematodes zijn vaak parasitair.

De verdediging wijst op tegenstrijdige data en tunnelvisie, om enige termen uit de rechtspraak te gebruiken. De verdachte R. prolixus komt alleen voor in Zuid Amerika (op kaartje aangegeven met ‘Triatomine bug’) en de SPIN-slachtoffers Tenrec, Lemur, Bushbaby and Xenopus (kikker) komen voor in Afrika, en de Tarsier komt voor in Zuid-Oost Azië. De verdachte moet dus gelijktijdig op drie continenten actief geweest zijn! Dat lijkt zeer onwaarschijnlijk. Een extreem voorbeeld van tunnelvisie!? De continenten waren al 65 miljoen jaar vóór het misdrijf gescheiden (plm 115 miljoen geleden).

De grote open vraag is en blijft: wat is de link tussen de Oude Wereld en de Nieuwe Wereld?

Onze beeldspraak vervolgend: de verdediging wijst er tevens op dat er van meerdere zgn schakelbewijzen gebruik gemaakt wordt. Dat parasitaire Trypanosomen verspreid kunnen worden door uitwisseling van grote hoeveelheden bloed en speeksel tussen bloedzuigende insecten en hun slachtoffers, en dat daarbij ook DNA overgedragen wordt, is nog géén bewijs dat verdachte R. prolixus dit ook gedaan zou hebben.

Ook het feit dat verdachte R. prolixus op zijn eigen continent Zuid Amerika de Oppossum en het doodshoofdaaje (‘Squirrel monkey’) heeft besmet, is geen bewijs dat hij het ook op andere continenten heeft gedaan. Inderdaad, dat doet onmiddellijk denken aan de recente zaak tegen Lucia de B. waarin het schakelbewijs leidde tot de onterechte veroordeling van de verdachte. Trouwens, over de rol van beeldvorming gesproken: het verdachte insect heeft al Chagas ziekte op zijn naam staan, dus … eenmaal een crimineel, altijd een crimineel.

Wat ik graag als aanvullend bewijsmateriaal zou zien is Space Invaders in het bloed van nu levende R. prolixus individuen. En -heel belangrijk!- een bevestiging dat Space Invaders experimenteel via het bloed in het DNA van een organisme overgebracht kunnen worden. Hoe makkelijk is dit eigenlijk? Ook zou het interessant zijn om nader onderzoek te doen aan eventuele soorten die wel door R. prolixus gestoken worden, maar géén Space Invaders hebben, en het mechanisme daarachter ophelderen. Zijn die soorten beter in staat Space Invaders op te ruimen?

Tenslotte, wat hebben die ExtraTerrestrials (ET) er nu mee te maken? ExtraTerrestrials zijn ook DNA transposons. Ze bleken behalve in de verdachte R. prolixus ook in Planaria en de vleermuis Myotis (Euro-Azië) voor te komen.

Het geheel overziend, is dit een prachtig voorbeeld van een onderzoek waar genomics, ecologie en biogeografie op een veelbelovende wijze samengaan!

Dit is evolutie op zijn leukst!

Literatuur

Clément Gilbert et al (2010) ‘A role for host-parasite interactions in the horizontal transfer of transposons across phyla‘, Nature, 29 april 2010

J.K. Pace (2008) ‘Repeated horizontal transfer of a DNA transposon in mammals and other tetrapods‘, PNAS, 4 nov 2008 (hier worden de Space Invaders geintroduceerd).

Wiki artikel over de betreffende groep van bloedzuigende insecten Triatominae.
Space Invaders zult U nog niet vinden in de handboeken of in wikipedia. Wel een algemeen artikel over transposons of ‘Springend gen in wiki. Hoewel het onderwerp transposons voorkomt in Virolution van Frank Ryan (vorige blog) en in het verlengde liggen, komen Space Invaders niet in dat boek voor.

Virussen in ons DNA

Virolution

Virolution van Frank Ryan is niet zo zeer een boek dat ik zou aanraden als men een diepgaande kritiek zoekt op het neo-Darwinisme.

Nee, ik zou het eerder willen aanraden als men een goed beeld wil krijgen van virussen in ons genoom. Er zijn andere boeken voor kritiek op en alternatieven voor neo-Darwinisme (daarover binnenkort meer).

Het is zeker niet overdreven om te zeggen dat er virussen (dode, slapende en actieve) in ons DNA zitten. Ryan weet dat op een boeiende manier uit een te zetten. Het boek leest heel prettig. Het geheim is, denk ik, dat Ryan (een arts) zelf op zoektocht is naar de rol van virussen in de evolutie. Hij is enthousiast en nieuwsgierig. Hij ‘interviewt’ vele experts en stelt zichzelf bescheiden op. Dat maakt hem sympathiek. Daarom leest het boek zo prettig, ook al kom je bekende (misschien zelfs vele bekende) feiten tegen.

Het hoogtepunt van het boek vind ik zelf hoofdstuk 6: ‘How Viruses Helped Make Us Human’. Van hoofdstuk 6 t/m 15 vond ik het minder goed. Daar probeert hij toch eventjes het neo-Darwinisme te corrigeren en daar is hij toch niet de juiste persoon voor.

http://evolutie.blog.com/2010/04/26/virussen-in-ons-dna/

Zie ook blogs  van KORTHOF  over horizontal gene transfer en de Tree of Life:

Een aardig boek over biogeografie (maar zonder moleculaire data) is: Dennis McCarthy (2009) ‘Here Be Dragons‘.

Interessante commentaren
(Korthof ) “eukaryotic chauvinism”:
Vermoedelijk worden hier mensen mee bedoeld die menen dat Horizontal Gene Transfer voornamelijk aan de basis van de Tree of Life voorkomt, en dat HGT dus niet belangrijk is voor het midden en de top van de TOL (daar zitten de eukaryoten).
En dus dat de TOL nog steeds overeind staat.
Ik vind al die discussie over ‘belangrijkheid’ niet echt interessant, het is een subjectief oordeel.
Uit evolutionair oogpunt is het interessant is om te bepalen hoeveel procent van het menselijk genoom uit HGT afkosmtig is, wat zich na binnenkomst heeft vermenigvuldigd, wat de schadelijke of positieve effecten zijn van DNA afkomstig uit HGT. Dat soort data geeft inzicht in de rol van HGT in de menselijke evolutie.

Dat er een groot percentage van ons genoom uit mobiele elementen en andere rommel bestaat is inmiddels duidelijk, onduidelijk is of het enig effect heeft op ons fenotype. En dat is evolutionair belangrijk.

Het is ook belangrijk om tijdschalen in de gaten te houden: op een tijdschaal van menselijke individuen en generaties zijn gewone verticale erfelijkheid en gewone mutaties overheersend. Dat zie je ook: kinderen lijken op ouders. Als een kind totaal niet op de ouders lijkt, wordt er meestal niet aan HGT gedacht maar aan een buitenechtelijk kind, of donorinseminatie, of adoptie.
HGT speelt op evolutionaire tijdschalen, niet op menselijke tijdschalen.

PS: Toch is het misschien interessant om de malariaparasiet en de malariamug te screenen op Space invaders etc om te kijken of er via die weg , DNA overgedragen zou kunnen worden….

Michael R Rose and Todd H Oakley The new biology: beyond the Modern Synthesis Biology Direct 2007, 2:30doi:10.1186/1745-6150-2-30
http://www.biology-direct.com/content/2/1/30
(Quote ) ” ….• We cannot assume in advance the existence, level, or focus of natural selection on a particular biological attribute. The attribute could arise from (i) accidental evolutionary events, (ii) selection on a DNA sequence that evolves independently of the replication of its host, or (iii) unanticipated pleiotropic effects of selection on other characters….”
…..ik vind genomics belangrijk, maar wat hebben we gewonnen als we vervolgens fenotype,
ecologie en biogeografie uit het oog verliezen? Niets!
In tegendeel: dat zou een stap terug zijn!

Maar bij Rose et al ,gaat het wel degelijk ook om de vraag “hoe kom je van geno- naar fenotype” Ze gebruiken daarom metaforen als genetic toolkit
“Ze vergeten het fenotype niet, ze signaleren een probleem.”( denk ik als buitenstaander )Immers ; Het gaat er toch om of het klopt met de feiten en onderzoeksresultaten die
ze aanvoeren?

 ———————————————————————————————————————–
Horizontal Gene Transfer Database (HGT-DB)
Evolutionary Genomics Group. Biochemistry and Biotechnology Department.
Universitat Rovira i Virgili (URV). Tarragona. Spain.
Dr. Michael Syvanen
http://www.yvm.net/vme/hgt/
Toenemende  Evolutie snelheid   ?

Het was lange tijd een mysterie waarom de snelheid en complexiteit van evolutie met de tijd leek toe te nemen.

Bijvoorbeeld:  het fossielen-verslag  suggereert  dat  : eencellig leven voor het eerst ongeveer 3,5 miljard jaar geleden verscheen en toen deed meercellig leven er nog eens 2,5 miljard jaar over om te evolueren.

Dan houd je nog maar iets van een miljard jaar over voor de evolutie van diverse planten, zoogdieren, insecten, vogels en andere soorten die de aarde bevolken.

Michael  Deem 

“…. wij kunnen de ontwikkeling van het adaptieve immuunsysteem van de mens en andere gewervelden, terugtraceren naar een HGT insertie van ongeveer 400 miljoen jaar geleden….”. It is like having a lot of genetic mutations at once. Enzymes allow DNA to be excised from one species to us,”

Deem said.

“Bacterial geneticists have worked on HGT for 15 to 20 years, but not many of the other evolutionary biologists (have).”

bron :Genetic info swapped between different

species http://news.zdnet.com/2100-9596_22-6154336.html
Virussen en  bacterieën zijn in staat om  door middel  van HGT (1) 
evolutieprocessen aanzienlijk te versnellen ….suggereert een nieuwe studie.

Michael  Deem…..”Wij vermoeden al  lang   dat het grootste  deel  van  het  DNA in de  genomen van één of andere dier of  planten- soort ___muizen, tarwe , grassen  , met inbegrip van mensen,___  bestaat uit  genetische kapitaal-winsten en  toevoegingen afkomstig  van (historisch hypothetisch )HGT ” (= uitwisselingen , (H)ERV inserties en endosymbiose )
…Bijvoorbeeld, kunnen wij de ontwikkeling en de aanpassings  van het immuum- systeem bij  mensen en andere  gewervelden aan een  HGT-aanvoer   toeschrijven  , eentje  die  ongeveer 400 miljoen jaar geleden plaats  vond ….
[Virussen en bacterieën ] lenen of produceren door mutaties al eens het genetisch recept voor  een nuttige proteïne (= of een gen,) dat kan worden overgebracht naar het genoom van  complexere soorten (2) 
….Ik denk dat HGT  het belangrijkste mechanisme is waardoor nieuwe functies kunnen onstaan “
De evolutie moet dan ook  als een  in toenamende mate versneld   en complexer geheel worden begrepen .
Het ( reeds gevonden )fossielen bestand , wijst  erop dat de eencellige organismen zowat 3,5 miljard jaar geleden ten tonele  verschenen.
Het vergde daarna  2,5 miljard per jaar vooraleer  de eerste multicellulaire leven-vormen waren ontwikkeld .
Maar in de loop van de daarop  volgende miljard jaar, evolueerden die eerste multicellulaire organismen tot de verbijsterende
fossiele en  de huidige BIODIVERSITEITdie nog niet eens  kompleet is  geinventariseerd …
Waarom versnelde het tempo van evolutie zo dramatisch ?
Michael  Deem zegt dat
HGT een significante rol kan gespeeld hebben in het onstaan( en de verdere ontwikkeling )  van vroege multicellulaire organismen ….
(De) “eenvoudige organismen zijn als lego -bouwsteentjes …Zodra je genoeg voorraad (en verschillende ) Lego blokjes hebt, kunt je vrij gemakkelijk   een interessantere structuur  ineen knutselen .
Het kan drie miljard jaar gevergd hebben om die blokjes te maken, maar zodra je  die  hebt, kan  je die op vele en
verschillende manieren combineren . “
 (3)
“De modulaire structuur van genen maakt  hen voorts  erg geschikt  voor HGT ,  inclusief  de  overdracht van nuttige
programmaatjes  , tussen  de  soorten “, 
voegde hij er  aan toe.
Niet iedereen denkt(vooralsnog )  dat  genen-ruil en HGT   een  prominente rol hebben gespeeld in  het globale evolutie-proces  van grotere meercellige eukaryote  organismen zoals planten en dieren .
Maar HGT is hoogstwaarschijnlijk de  grote oorzaak van de snelle evolutie van micro-organismen,
Otto Berg, professor  moleculaire evolutie aan  de Universiteit van Uppsala (Zweden )die niet betrokken was bij de studie, zegt hierover
(De )”conclusie dat  nieuwe combinaties [ van genen ] en HGT-uitwisselingen ___op zijn minst binnen de prokaryote  microben ____, de evolutie kunnen versnellen, zal  waarschijnlijk niet betwist kunnen  worden,” 
“HGT kan prominenter worden wanneer soorten  daadwerkelijk onder zware overlevingsdruk worden gezet”voegde hij eraan toe.
Bijvoorbeeld, wanneer de bacterieën aan antibiotica worden blootgesteld, moeten zij resistent  worden of verdwijnen /sterven.
Om het even welke  genetische programmatjes  die weerstand tegen de  drugs kunnen verlenen zullen daarom wijd en zijd onder al de aanwezige soorten  bacterieen   worden geleend en gekopieerd .
“Wanneer een (bacterieele )populatie   een nieuwe milieu-uitdaging  of dreiging   (of de kans krijgt   een nieuw ecologisch gebied te  exploiteren,) dan kan  de selectiedruk voor  het verwerven  van  nieuwe [ genetisch gecodeerde en overdraagbare ] functies  zeer sterk  oplopen   en  kan  HGT (4)   een essentieële rol spelen,”
(1)
en  bovenop de  occasionele klassieke( random) mutaties( =die misschien  wel van minder cruciaal belang zouden kunnen  zijn
(dan nu wordt beweerd ) in hun rol als aanbrenger van “nieuw  genetisch voer” voor de  zeef van  de natuurlijke selectie ,
in de latere snellere evolutie/ of beter nog  :ontwikkeling of ontplooing  van de mogelijkheden ,van het bekende  leven
(2)
je kan het  vergelijken  met een soort natuurlijk  “downloaden van een programmaatje” =  of met een vorm  van
natuurlijk voorkomende  genetische  manipulatie  ….
(3)
zelfs op een soort  caleidoscopische manier binnen een aantal fysico chemische en lokale begrenzingen  ?  
(4)= als  een soort  “shuttle”  vector

Horizontale genoverdracht

Horizontale genoverdracht of laterale genoverdracht ( Engels –>Horizontal gene transfer/lateral gene transfer of afgekort HGT )  is een proces waarbij genetisch materiaal tussen twee organismen wordt uitgewisseld (genetische uitwisseling), zonder dat er een familierelatie is tussen de twee. Het overbrengen van genetisch materiaal van het ene organisme op het andere kan op natuurlijke wijze (waarschijnlijk voornamelijk bij zeer eenvoudige organismen), maar ook kunstmatig, door genetische manipulatie, gebeuren.

Horizontale genoverdracht is tegenovergesteld aan verticale genoverdracht, waarbij een organisme zijn genetisch materiaal van zijn ouders overneemt. In de genetica en de evolutietheorie zijn de meeste wetenschappelijke idee챘n gebaseerd op verticale genoverdracht, hoewel tegenwoordig de rol van horizontale genoverdracht een steeds grotere rol wordt toegedicht.

Mechanismen

Er zijn drie mechanismen waarop horizontale genoverdracht kan plaatsvinden:

  • Transformatie vindt plaats als een cel vreemd genetisch materiaal ontvangt dat vervolgens tot expressie komt. De cel verandert hierdoor. Celtransformatie is veel voorkomend bij bacteri챘n maar zeldzamer in eukaryoten. Kunstmatige transformatie wordt gebruikt voor medische en industri챘le toepassingen door de moleculaire biologie en biotechnologie.
  • Transductie, waarbij genetisch materiaal van de ene op de andere bacterie wordt overgedragen door een bacteri챘el virus (een bacteriofaag).
  • Conjugatie, een proces waarbij door fysiek contact tussen twee cellen uitwisseling van genetisch materiaal plaatsvindt.

Voorkomen

Prokaryoten // Zie voor meer informatie het artikel prokaryoot.

Onderzoek naar prokaryotische organismen heeft laten zien dat in dergelijke simpele vormen van leven horizontale genoverdracht een zeer belangrijke rol speelt.[1][2]

Behalve tussen bacterieën van dezelfde soort kan horizontale genoverdracht ook plaatsvinden tussen zeer verschillende soorten. Men vermoedt dat het een belangrijke rol speelt bij het resistent worden van bacterieën tegen antibiotica. Als één cel resistent wordt, kan hij die eigenschap snel aan andere cellen doorgeven.

 Eukaryoten //Zie voor meer informatie het artikel eukaryoten

Analyse van DNA-sequenties heeft het vermoeden opgeworpen dat bij sommige eencellige eukaryotische levensvormen ook horizontale genoverdracht voorkomt. Het ligt daarom voor de hand dat horizontale genoverdracht een belangrijk achterliggend mechanisme is in de evolutie van protisten.[3]

Bewijs voor horizontale genoverdracht bij eukaryoten is zowel gevonden in DNA van chloroplasten en mitochondriën als celkernen.

Over de rol van horizontale genoverdracht bij meercellige levensvormen verschillen de meningen: voorstanders denken dat bacterieën een rol spelen bij het overbrengen van genetisch materiaal tussen organismen,[4] tegenstanders denken dat horizontale genoverdracht slechts een rol van betekenis speelt bij bacterieën.[5]

Horizontale genoverdracht is waargenomen van bacterieën op bepaalde soorten schimmels, zoals de gist Saccharomyces cerevisiae.[6] Er zijn ook (betwiste) waarnemingen bekend van overname van genetisch materiaal van de endosymbiont Wolbachia door de adzukibonenkever (Callosobruchus chinensis).[7]

Betekenis voor biologische evolutie

In de genetica wordt aangenomen dat biologische evolutie verloopt door de overdracht van genen van ouders op nakomelingen (genen worden georven), waarbij door natuurlijke selectie en/of genetische mutaties de nakomelingen niet precies gelijk zijn aan de voorouders. Als sprake is van horizontale genoverdracht verloopt evolutie waarschijnlijk op een andere manier dan wanneer organismen hun erfelijk materiaal alleen van hun ouders kunnen krijgen.[8]

Volgens de Endosymbiontenhypothese zijn de eerste eukaryotische cellen waarschijnlijk ontstaan uit endosymbiontische bacterieën.[9] Uit de eukaryotische ééncelligen zijn vervolgens meercelligen ontstaan, waarbij volgens de wetenschappelijke consensus horizontale genoverdracht een veel kleinere rol speelt. Hieruit volgt dat er een periode is geweest waarin nog geen “moderne”, darwinistische evolutie plaatsvond.

Betekenis voor fylogenetica //Vergelijkingen van DNA-sequenties geven de indruk dat er vaker horizontale genoverdracht heeft plaatsgevonden, ook over de grenzen van fylogenetische domeinen. De fylogenetische geschiedenis van soorten zou in dat geval niet ontrafeld kunnen worden door alleen steeds verder vertakkende stamlijnen voor een bepaald gen te tekenen.[10]

Horizontale genoverdracht is daarom een mogelijke confounder bij het opstellen van stamlijnen gebaseerd op vergelijkingen van DNA-sequenties. Het probleem is dat bij deze vergelijkende onderzoeken vaak maar één gen gebruikt is. Twee soorten bacterieën die slechts ver verwant zijn maar juist dat gen hebben uitgewisseld zullen in de fylogenetische stamboom als nauw verwant worden weergegeven, zelfs al zijn de meeste andere genen verschillend. De fylogenetica probeert dit probleem te ontwijken door meer genen mee te nemen bij vergelijkend onderzoek.

Zo is het meest gebruikte gen bij fylogenetisch onderzoek naar prokaryoten het 16s rRNA gen, omdat de sequenties op dit gen bij nauwe verwantschap redelijk vergelijkbaar zijn. Recent is echter geopperd dat 16s rRNA genen ook horizontaal overgedragen kunnen worden, hoewel dit niet vaak voorkomt. Dit betekent dat alle eerder aan de hand van dit gen opgestelde fylogenetische stamlijnen opnieuw ter discussie staan.

Argument tegen genetische manipulatie ?

Aanhangers van de (omstreden) theorie dat horizontale genoverdracht ook bij hogere levensvormen voorkomt zoals Mae-Wan Ho hebben dit aangevoerd als argument tegen genetische manipulatie. Door horizontale genoverdracht zou kunstmatig genetisch materiaal veel makkelijker in de natuur terecht kunnen komen.

Zie ook

DNA

Uitwisseling DNA tussen bacteriën massaler dan gedacht
2 november 2011

http://www.nu.nl/wetenschap/2657105/uitwisseling-dna-tussen-bacterien-massaler-dan-gedacht.html

Lange tijd veronderstelde   men, dat  HGT  tussen verschillende soorten bacterieen  niet zo  veel voorkwam of in ieder geval niet op zo’n grote schaal.

Amerikaanse wetenschappers hebben  nu   een gigantisch netwerk van recent uitgewisselde genen blootgelegd in meer dan 2000 bacteriën, verspreid over de hele wereld. Het betrof onder andere DNA dat betrokken is bij antibioticaresistentie. Het betekent dat genen zich nog sneller verspreiden dan gedacht. De resultaten zijn gepubliceerd in de Nature-uitgave van deze week.

Sinds de jaren vijftig is bekend dat bacteriën  stukjes DNA aan elkaar kunnen overdragen. Zo passen ze  zich snel aan op hun omgevingZe wisselen antibioticaresistentiegenen uit, maar ook genen om nieuwe stoffen als energiebron te kunnen gebruiken of om zware metalen te kunnen verwerken. Tot nu toe was niet bekend op welke schaal dit fenomeen optreedt.

Uitwisseling
De Amerikanen van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) vergeleken daarom de DNA-volgorde van 2.235 bacteriesoorten met elkaar, op zoek naar identieke genen. Die moesten het gevolg zijn van recente uitwisseling, zo redeneerden de wetenschappers, want anders had evolutie over tijd wel gezorgd voor verschillen in de DNA-volgorde.
De zoektocht leverde 10.000 genen op die via HGT door het bacterierijk vloeiden. Opvallend was dat zelfs totaal verschillende bacteriesoorten genen met elkaar uitwisselden en dat sommige identieke genen zich op duizenden kilometers van elkaar vandaan bevonden. Dat betekent dat genen zich razendsnel over de aarde kunnen verspreiden.

Gevaarlijk
Verontrustend was dat er bij zestig procent van de uitwisselgebeurtenissen tussen bacteriën die op en in de mens voorkomen een antibioticaresistentiegen betrokken was en dat er veel uitwisseling was tussen mensgeassocieerde bacteriën en hun tegenhangers in de veeteelt.
In de intensieve veeteelt wordt veel antibiotica gebruikt, wat leidt tot antibioticaresistente bacteriën. Als zulke resistenties hun weg vinden naar ziekteverwekkers dan kan dat leiden tot onbehandelbare en dus levensgevaarlijke varianten, zoals MRSA en EBSL

http://blogs.discovermagazine.com/notrocketscience/2011/10/31/our-bodies-are-a-global-marketplace-where-bacteria-trade-genes/

the zoo on your skin

live on our skin

In a thorough survey of our skin microbiome, Elizabeth Grice identified species from at least 205 different genera. Your forearm has the richest community with an average of 44 species, while your nostril, ears and inguinal crease (between leg and groin) are the most stable habitats. Grice also found at bacteria from a specific body part have more in common than those from a specific person. Your butt microbes have more in common with mine than they do with your elbow microbes

Resistente  Schimmels 

26/10/11

Per jaar overlijden in Nederland ongeveer 50 mensen aan een ernstige longinfectie die veroorzaakt wordt door een resistente stam van de schimmel Aspergillus fumigatus. Die stam kwam voor 2000 nog niet voor in Nederland, maar is door het gebruik van schimmelbestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw aan een opmars bezig.

“Het is vermoedelijk een onbedoeld bijeffect van middelen die in het milieu worden gebruikt”, stelt arts-microbioloog Paul Verweij van het UMC St. Radboud in Nijmegen. Verweij deed onderzoek naar de resistente schimmel. “We vermoeden dat per jaar 200 tot 400 patiënten ernstig ziek worden door de schimmel, en dat tientallen van hen overlijden.”

Alleen maar mensen die al ziek zijn, kunnen extra ziek worden van de resistente schimmel. “Hij komt in de natuur veel voor; iedereen ademt de schimmels iedere dag in. Als je echter al verzwakt bent, word je er extra ziek van en kan je er zelfs aan overlijden”, aldus Verweij. (anp/svm)

Aspergillus fumigatus.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Aspergillus_fumigatus       http://www.aspergillus.org.uk/

http://www.lifescript.com/health/centers/copd/related_conditions/aspergillosis.aspx

Hoe kan de schimmel Aspergillus fumigatus resistent raken? Het antwoord daarop is van levensbelang voor mensen met een verzwakt immuunsysteem. Aanwijzingen zijn mogelijk te vinden in het landbouwkundig gebruik van schimmelbestrijders, fungiciden. Onderzoekers van Plant Research International en van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen werken dan ook nauw samen.Aspergillus fumigatus is een schimmel die overal in huis en buiten voorkomt en bij mensen met een verzwakt immuunsysteem infecties kan veroorzaken.

Normaliter is behandeling goed mogelijk met schimmelbestrijders. Maar steeds vaker komt het voor dat de aspergillusstam resistent is tegen de deze fungiciden.

Uit de landbouw is al langer bekend dat schimmels resistent kunnen raken tegen fungiciden. Dat is te verklaren doordat het gebruik van die fungiciden in bijvoorbeeld banaan en tarwe vaak hoog is. In de humane geneeskunde is het gebruik van schimmeldodende middelen echter zo laag dat resistentieontwikkeling in patiënten vrijwel niet voorkomt. De selectiedruk die leidt tot resistente Aspergillus-stammen vindt dus ergens anders plaats.

Resistente stammen
De onderzoekers ontdekten dat een deel van Aspergillus-stammen die ze her en der verzameld hadden inderdaad resistent was. Vervolgens testten ze of de gevonden stammen resistent waren tegen 30 landbouwfungiciden en tegen medicijnen met vergelijkbare actieve stoffen. Dit bleek het geval voor vijf fungiciden.

Ook keken de onderzoekers naar de interactie tussen de schimmels en de actieve stof in de fungiciden. Het gen van de schimmel codeert voor een eiwit met een driedimensionale structuur, waarop de actieve stof van het fungicide aangrijpt. De vijf fungiciden pasten als enige precies en dat is extra aanwijzing dat Aspergillus in het milieu onder selectiedruk staat.

Maar daarmee is nog niet verklaard hoe de resistentie optreedt en welke stof de verandering veroorzaakt. Het kan door een fungicide komen, maar ook door iets anders omdat vergelijkbare actieve stoffen ook veelvuldig gebruikt worden in verf, kit, kleding, behangplaksel en op schuttingen.

Het bewijs welke stof en toepassing de selectiedruk veroorzaakt, is nog niet geleverd. Onderzoekers  van  Wageningen univ werken nauw samen met onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud om dit raadsel op te lossen.

Naar:

Het identificeren van de selectiedruk van fungiciden/biociden op Aspergillus fumigatus

Resistentie in Aspergillus fumigatus en Mycosphaerella graminicola en M. fijiensis tegen azoolfungiciden berust op analoge mechanismen (cyp51).

Resistente A. Fumigatus-stammen worden aangetroffen in het (landbouw)milieu en vertonen kruisresistentie met fungiciden.

 

http://www.doctorfungus.org/thefungi/Aspergillus_fumigatus.php

Genoverdracht van bacterie naar plant /Genoverdracht tussen bacterieën /Genoverdracht via virussen

Gentechnologie is gebaseerd op natuurlijke processen.   Overdracht van genen treffen we in de natuur immers aan bij bacteriën en virussen. Die genoverdracht komt  neer op een recombinatie van DNA.            

http://bvj.methodesites.be/docs/Thema13Biotechnologie.pdf.

integratie ( insertie )  van  retro virus -genomen  en  DNA virus-genomen 
1.-
Retrovirus(1) insertion in herpesvirus in vitro en  in vivo.
reticuloendotheliosis virus (REV),(2) in a herpesvirus,(3) Marek’s Disease  virus (MDV).(4)
Studies hebben aangetoond  dat retrovirussen kunnen integreren  en verder muteren  in het genoom  van herpesvirussen tijdens co -infectie.
*  Deze interactie heeft het potentieele vermogen  om het specifiek  gastheren – bereik en de fitness  van deze  ziekteverwekkende ( hier : hespes-)virussen
te verhogen en  te  resulteren in nieuwe infectieuze agentia en pathogenen .

*  Dit verschijnsel laat eveneens  toe  genetisch materiaal uit te wisselen tussen deze virussen en de gastheercellen waarin ze zich samen  reproduceren

Retroviruses en herpesviruses zijn  natuurlijk voorkomende pathogenen bij mensen en dieren.
Co-infection van dezelfde gastheecelr met beide virussen is vrij algemeen .
Deze studie duidt aan dat retrovirus direct in een herpesvirusgenoom kan integreren .
Specifiek, tonen wij  de  insertie aan  van een non-acute retrovirus,( reticuloendotheliosisvirus(4 ), in een herpesvirus (Marek- ziektevirus (MDV)) genoom.
Beide virussen kunnen lymphomas  T bij kippen veroorzaken en co챘xisteren vaak in het zelfde dier.
De integratie( = dmv  “integrase” inplakken ” van retro-translated  DNA ) van  REV-genoom   in MDV kwam ( ondanks de   experimenteel verminderde
aanwezigheid van    MDV  in vitro ) voor , in een co-infectie-experiment op korte termijn.
Wij leveren ook suggestief bewijs dat REV ook  in pathogene  MDV  situaties  , in het verleden is  opgenomen  geworden .
De  homologe  sequenties  van  REV  ,  worden gevonden  in de  LTR   dgedeeltes  van oncogeen  MDV maar niet in non-oncogene MDV .
Deze resultaten bieden  de mogelijkheid  aan  dat  retrovirale informatie door het  herpesvirus kan worden doorgegeven  en dat de herpesvirus-expressie  uitdrukking door retrovirale elementen kan worden gemoduleerd.
Bovendien kan  retrovirus  een nuttig hulpmiddel verschaffen  om  de functies  van het  herpesvirus dmv   door insertional mutagenese te bestuderen

(1)
tik in op de zoekmachine  Retroviridae
zie ook   RNA-virus
(2)
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/ICTVdb/Ictv/index.htm
tik in op de zoekmachine   reticuloendotheliosis virus (REV)
tik in op de zoekmachine   Herpesviridae
zie ook   Herpesvirussen
(4) Marek disease  virus  /Herpes viridae 
http://www.merckvetmanual.com/mvm/index.jsp?cfile=htm/bc/203604.htm

zie ook ;
Zeeslak is van alle dieren het meest plant
De zeeslak Elysia chlorotica, enkele centimeters lang, heeft ten minste één gen dat nodig is voor fotosynthese ingepikt van een alg.
Foto PNAS
16 december 2008
De zeeslak Elysia chlorotica  is niet alleen een dier, hij is ook een beetje een plant.
Ten minste één gen dat nodig is voor fotosynthese blijkt deel uit te maken van het eigen DNA van de slak.
Over die ontdekking schreven Amerikaanse onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.
Het was al langer bekend dat deze groene zeeslak fotosynthese kan bedrijven. Fotosynthese is het omzetten van kooldioxide en water in suikers en zuurstof, met energie uit zonlicht. Deze chemische reactie is kenmerkend voor planten en algen, maar andere organismen blijken in staat om de moleculaire machinerie die ervoor nodig is over te nemen.

De groene zeeslak doet dat door groene algen (Vaucheria litorea) leeg te zuigen. Niet al het algenmateriaal wordt verteerd. De zeeslak neemt de zogeheten bladgroenkorrels op in zijn cellen en laat deze door fotosynthese suikers produceren. Dat doen bladgroenkorrels in een alg of een plant ook.

Het mechanisme werkt zo goed dat zeeslakken die twee weken lang de juiste algen eten, de rest van hun leven geen voedsel meer nodig hebben. Dat betekent dat de zeeslak net als planten zijn eigen voedselvoorziening verzorgt.

Hoe Elysia chlorotica in staat was om de bladgroenkorrels aan de praat te houden buiten een plant was een raadsel. Bladgroenkorrels zijn compartimenten in een plantencel. Ze hebben eigen genen, maar zijn grotendeels afhankelijk van eiwitten die elders in de plant of alg worden gemaakt, met genen in de celkern.

Mary Rumpho van de universiteit van Maine ontdekte hoe de zeeslak dat probleem oplost. Hij heeft ten minste één cruciaal gen voor fotosynthese overgenomen van de alg Vaucheria en geïncorporeerd in zijn eigen DNA. Het ingebouwde gen, psbO, codeert voor een eiwit dat het element mangaan op zijn plaats houdt in een complex van eiwitten dat nodig is voor fotosynthese. Het is aannemelijk dat de zeeslak nog meer plantengenen heeft ingebouwd.

Maar blijkbaar is dit niet ingebouwd in het genoom van   de  verticaal  door te  geven voortplantingscellen .De nieuwe   zeeslak  zygotye  moet dus eerst de juiste algen  eten  voor deze genen kunnen worden ingebouwd  in de somatische  genomen …. 

Elysia chlorotica heeft  aan twaalf uurtjes licht per dag genoeg  en hoegt  niet noodzakelijk
voedsel tot zich  te nemen op de wijze die wij gewend zijn te zien bij dieren.

Hoe het beestje aan deze functionaliteit gekomen is, is nog niet exact bekend.
Duidelijk lijkt wel dat het op de één of andere manier gelukt is om de genen van de algen
die het eet op te nemen in het eigen genoom.
Een gegeven dat al lang bekend is bij wetenschappers, maar nog niet inzichtelijk gemaakt is.
Voor fotosynthese heb je chlorofyl nodig, maar ook chloroplasten.
Voor het eerste wordt gecodeert door genen van het beestje,
maar het tweede genetische programma  moeten ze via het eten van algen verkrijgen.

Het zou kunnen  dat  slakken  het gen ( de genen )voor de chloroplasten constructie
zijn verloren / of dat er een paar  kapot zijn  gemuteerd ( net zoals bij het gulo
gen gebeurde   en er daarna een  gen product (vitC)moest worden opgenomen uit het voedsel
(bij  de mens en zijn naaste verwanten  )

Een tweede  mogelijkheid  is dat er een erv in het  spel is
: bijvoorbeeld  :als een van de voorouders van dit beestje ooit eens geinfecteerd is geraakt
met een virus die genen voor fotosynthese in zijn pool had zitten.
Het is sinds enige tijd bekend dat virussen soms het DNA aanpassen van de geinfecteerde gast cel, als dit gebeurd in een aantal zaadcellen kan deze verandering doorgegeven worden aan het nageslacht. HGT  dus
Maar in dit geval is en blijft het  ook net als de eerstvermelde mogelijkheid    een  werkhypothese,

http://www.livescience.com/animals/green-slug-animal-plant-100112.html

    

“Plantaardige “salamander uitgeplozen

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/44613500/

5-04-2011

Amfibielarven kunnen zonne-energie oogsten dankzij algen in hun cellen. Dat begint al heel vroeg.

Bioloog Ryan Kerney maakte het vorig jaar al op een congres bekend. Nu heeft het ook de kritische blik van collega’s doorstaan en staat het in de wetenschappelijke literatuur: er bestaan salamanders die als embryo voor een deel bestaan uit algen. De eencellige plantjes zitten niet alleen in de eimassa, maar nestelen zich ook in de cellen van de dieren. Voor de zich ontwikkelende salamandertjes levert dat extra voedingsstoffen op, zodat ze sneller groeien. Later in hun leven hebben ze niets meer aan algen in hun cellen, want dan slijten ze hun dagen voornamelijk onder de grond, waar het donker is.

Een van de grote vragen is, hoe het komt dat het afweersysteem van de salamandertjes de algen niet aanvalt. Waarschijnlijk is het antwoord, dat de invasie al plaatsvindt voordat er afweercellen zijn. Misschien zelfs al voor de eieren gelegd zijn, in de eileider van moeder salamander. Omdat ze er bijna vanaf het begin zijn, worden ze niet als ‘vreemd’ gezien. Ook is nog onduidelijk hoe de algjes zich in de cellen weten te werken. Ze moeten daarvoor niet naar het licht toe bewegen, zoals gebruikelijk, maar juist richting donker. Waarschijnlijk worden ze gelokt door de stikstof die de salamanderembryo’s uitwasemen. Dat is afval voor het dier, maar voedsel voor de plant.

Je kunt je ook nog afvragen waarom deze samenwerkingsconstructie niet meer in de natuur te vinden is. Een dier met plantencellen in zich kan vrijwel leven van licht alleen, en dat is natuurlijk heel handig. Misschien komt het wél meer voor, maar hebben we nog niet goed genoeg gezocht, oppert Kerney in PNAS. Voorlopig is de gevlekte salamander echter het enige gewervelde dier dat deels plantaardig is.

Elmar Veerman

Salamanders op zonne-energie

wo 4-08-2010

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/43779269/

Gewervelde dieren die in hun cellen algen kweken en zo zonne-energie oogsten? Klinkt bizar, maar ze blijken echt te bestaan.

Embryo’s van de gevlekte molsalamander (Ambystoma maculatum) worden al tientallen jaren bestudeerd, maar tot nu toe had niemand opgemerkt wat bioloog Ryan Kerney vorige week op een congres bekendmaakte: dat die aanstaande salamandertjes van binnen bezaaid zijn met eencellige algen. Het is al lang bekend dat de larven een innige relatie onderhouden met de algen van de soort Oophila amblystomatis – Oophila betekent zelfs ‘liefhebber van eieren’. Maar de onderzoekers dachten altijd dat de algjes zich buiten de cellen ophielden, en daar profiteerden van de afvalstoffen die zo’n embryo uitstoot. Kerney keek nog eens goed en merkte op dat de cellen ook van binnen groene puntjes bevatten. Er zitten algen in. Dat is spectaculair, want nog nooit eerder gezien bij gewervelde dieren. Wel bij koralen en bij zeeslakken, wat ook al behoorlijk bizar is.

Bij nader onderzoek zag hij dat de algen in de salamandercellen meestal vergezeld waren door meerdere mitochondriën, de energieleveranciers van de cel. Handig, want die kunnen de afvalstoffen van de alg (zuurstof en koolwaterstoffen) direct gebruiken, terwijl de alg juist hun CO2 graag lust. Nu is de vraag natuurlijk hoe die algen in de cellen terechtkomen, en waarom het afweersysteem van de salamanders geen korte metten met ze maakt. Van het laatste is nog vrij weinig bekend, maar over het binnenkomen heeft Kerney wel een idee. Op het moment dat het zenuwstelsel zich begint te vormen, is namelijk extra algenactiviteit te zien vlak buiten het embryo. Dat zal waarschijnlijk ook het moment zijn waarop ze enteren.

De embryo’s zijn trouwens omringd door een gelei-achtige massa, net als bij kikkers. Kerney heeft ontdekt dat in de eileiders van volwassen salamanders, de plaats waar die gelei gevormd wordt, dezelfde eencellige algen voorkomen. Het zit er dus dik in dat moeder salamander ze expres aan haar nageslacht meegeeft. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat salamanderembryo’s van deze soort langzamer groeien als er geen algen aan te pas komen. Lees een uitgebreider verhaal over deze ontdekking bij Nature News.

Elmar Veerman

Aan een volwassen gevlekte salamander is niet te zien dat hij in zijn jeugd deels op zonne-energie heeft geleefd. (Foto dmills727 / Flickr)

Maar aan het dril is duidelijk te zien dat er groene algen actief zijn. Ook in de embryo’s zelf dus, de streepjes in de geleimassa. (Foto dmills727 / Flickr)

Mole Salamanders  // http://www.vernalpool.org/inf_mol.htm

 

___________________________________________________________________
SCIENCEMAG     UPDATES      2013
°
Horizontal transfers were long thought to be specific to Prokaryotes, with the exception of the spread of transposable elements among closely related species and of intracellular transfer from mitochondria and plastids
to the nuclear genome (5, 6).
Recent studies report an increasing number of transfers into eukaryotic genomes from other, less ancient organelles (7), endosymbionts (8), and free-living organisms (9), showing that genetic diversification by horizontal transfer propels
eukaryotic evolution (see the figure).

For example, more than 5% of the gene repertoire of the diatom Phaeodactylum tricornutum probably originated from bacteria
http://www.sciencemag.org/content/339/6124/1154

 

Evolution

With a Little Help from Prokaryotes

Organisms need to innovate to tackle new challenges. This can be achieved by tinkering with their genetic repertoires.
Gene or genome duplications followed by evolution into new functions have thus shaped eukaryotic genomes (1).
Alternatively, organisms may acquire other organisms’ innovations by horizontal gene transfer. Bacteria and Archaea (Prokaryotes) adapt predominantly by transfer
(2), and closely related strains of the same species can differ by a large fraction of their genes repertoires
(3). On page 1207 of this issue, Schönknecht et al. (4) present evidence of massive gene transfers from Prokaryotes to a eukaryote, the unicellular red alga Galdieria sulphuraria.

Gene Transfer from Bacteria and Archaea Facilitated

Evolution of an Extremophilic Eukaryote

Some microbial eukaryotes, such as the extremophilic red alga Galdieria sulphuraria, live in hot, toxic metal-rich, acidic environments.
To elucidate the underlying molecular mechanisms of adaptation, we sequenced the 13.7-megabase genome of G. sulphuraria.
This alga shows an enormous metabolic flexibility, growing either photoautotrophically or heterotrophically on more than 50 carbon sources.
Environmental adaptation seems to have been facilitated by horizontal gene transfer from various bacteria and archaea, often followed by gene family expansion.
At least 5% of protein-coding genes of G. sulphuraria were probably acquired horizontally. These proteins are involved in ecologically important processes ranging from heavy-metal detoxification to
glycerol uptake and metabolism. Thus, our findings show that a pan-domain gene pool has facilitated environmental adaptation in this unicellular eukaryote.