Notes C : Observations / waarnemingen

 

notes

 

°

DIRECTE  EN INDIRECTE  WAARNEMING (1)

Het is aantoonbaar dat dingen die te ver weg zijn om direct te zien, of te groot zijn om direct te zien, of te klein zijn om direct te zien, of te ver in het verleden om direct te zien, gevolgen kunnen hebben die wel direct waarneembaar zijn.

 

  • Het is hierop dat wetenschap is gebaseerd.
  • Het is hierop dat biologie is gebaseerd, net als natuurkunde, chemie, astronomie, Kosmologie

°

zie ook = 

http://www.talkorigins.org/faqs/comdesc/sciproof.html

 

 

(1)

Naast de  wetenschapspraktijk van het empirisch ( direct en indirirect )waarnemen en verzamelen van tastbaar feiten  … is er natuurlijk ook de theoretische  wetenschap ….. 

Beide insteken  van en voor   kennisvergaring en ordening ( en onderlinge correcties ) gaan samen in de (natuur)wetenschap 

  • De theoretische wetenschap controleert of er geen fouten zijn gemaakt  in zowel de redeneringen als de observaties  … Nogal relevant is daarbij (bijvoorbeeld )het ontmaskeren van foutieve gevolgstrekkingen  op grond van drogredeneringen  //
  • zie bijvoorbeeld  

NOTA  : observaties  kunnen ook “vervuild”  worden , door  illusies  waarbij de hersenen  ingewikkelde  zintuigelijke  waarnemingen  herleiden tot  “bekendere ” herkenbare patronen

bijvoorbeeld

uiteraard zijn  ook hier  controle en  andere  benaderingen en insteken …… de remedies om ze   weg te filteren  uit het uiteindelijke  model  dat primair  was  gebaseerd op “waarnemingen ” …..

 

°

De theoretische wetenschap maakt bovendien “voorspellingen ” die moeten uitkomen (= geconstateerd door de (op hun beurt controleerbare )observatie(s )

°

Organigram van de “wetenschappelijke methode “

 

WETENSCHAPPELIJKE METHODE

 

1.  What is science?

Science is a way to understand nature by developing explanations for the structures, processes and history of nature that can be tested by observations in laboratories or in the field.  Sometimes such observations are direct, like measuring the chemical composition of a rock.  Other times these observations are indirect, like determining the presence of an exoplanet through the wobble of its host star.  An explanation of some aspect of nature that has been well supported by such observations is a theory.  Well-substantiated theories are the foundations of human understanding of nature.  The pursuit of such understanding is science.

2.  What is religion?

Religion, or more appropriately religions, are cultural phenomena comprised of social institutions, traditions of practice, literatures, sacred texts and stories, and sacred places that identify and convey an understanding of ultimate meaning.  Religions are very diverse.  While it is common for religions to identify the ultimate with a deity (like the western monotheisms – Judaism, Christianity, Islam) or deities, not all do. There are non-theistic religions, like Buddhism.

3. What is the difference between science and religion?

Although science does not provide proofs, it does provide explanations. Science depends on deliberate, explicit and formal testing (in the natural world) of explanations for the way the world is, for the processes that led to its present state, and for its possible future. When scientists see that a proposed explanation has been well confirmed by repeated observations, it serves the scientific community as a reliable theory. A theory in science is the highest form of scientific explanation, not just a “mere opinion.” Strong theories, ones that have been well confirmed by evidence from nature, are an essential goal of science. Well-supported theories guide future efforts to solve other questions about the natural world.

Religions may draw upon scientific explanations of the world, in part, as a reliable way of knowing what the world is like, about which they seek to discern its ultimate meaning.  However, “testing” of religious understandings of the world is incidental, implicit and informal in the course of the life of the religious community in the world.  Religious understanding draws from both subjective insight and traditional authority.  Therefore, some people view religion as based on nothing more than personal opinion or “blind faith,” and so, as immune to rational thought.  However, this is an erroneous judgment.  Virtually all of the historic religions include traditions of rational reflection.

 

Advertenties

OCTOPUSSY

°

BIODIVERSITEIT  

MOLLUSCA  

WEEKDIEREN  

°

Trefwoorden

CEPHALOPODA   

°

27-03-2009

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<– oorspronkelijk  uit bloggen be  octopussy  =  (OCTOPUSSEN  EVOLUTIE  -)

1.- VONDSTEN   IN  LIBANON 

Keuppia levante sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâdjoula (Lebanon).
Middle Cretaceous in Lebanon,

The holotype specimen Keuppia levante (Image credit: Dirk Fuchs, )
http://www.examiner.com/x-1242-Science-News-Examiner~y2009m3d17-Against-the-odds-ancient-octopus-fossils-discovered
another  Source here

Keuppia levante is een van de  drie (1) zopas  in  libanon  ontdekte  -95a-100 MY oude ,  fossiele  octopus soorten
(Octopoda (=Incirrata)http://nl.wikipedia.org/wiki/Achtarm  )uit het krijt

—>  Octopus fossielen zijn  zeldzaam  en  ongebruikelijk :  
Ze  bezitten geen  inwendig skelet (2)   en  daardoor zullen  na hun dood  de  weke delen  binnen enkele weken compleet verschrompeld zijn.Dit exemplaar is  echter  uitzonderlijk  compleet :   zelfs de inktzak en zuignappen zijn nog  te onderscheiden

Bovendien  ging  vroeger  niemand   gericht   op zoek naar een fossiele octopussen  , om die bovenvermelde  redenen
Toch waren  en zijn er  reeds   fossiele octopussen  bekend

O.m. uit diezelfde site  Middle Cretaceous in Lebanon ____   een zogenaamde Lagerstaete  wat staat voor een bepaalde type  formatie die exceptionele bewaring  van  (ook zachte  )weefsels mogelijk maakt  _____,werd al 100 jaar geleden een  andere  fossiele  octopus  , de  Palaeoctopus  gerecupereerd

Cretaceous Octopus Fossil

Woodward’s 1896 specimen / Old Covent, Sahel-el-Alma, Mount Lebanon( British Museum of Natural History in London)
Order Cirroctopoda(?) familie ,  Paleoctopodidae
Palaeoctopus is preserved as a film, or tissue impression, in sandstone. It is a short squat eight-armed octopus with an indistinct head.
Much as with Pohlsepia and Proteroctopus, Palaeoctopus has a pair of triangular fins on either side of its head though these are smaller than Proteroctopus.( zie appendix )
A faint trace of a web uniting the arms is visible and the presence of suckers on the arms has been identified.

Palaeoctopus newboldi

°

Er  zijn daar bovenop  genoeg  andere   fossiele COLEOIDEA  (–>  inktvisachtigen  mét  inwendige schelp )gevonden
–>-Tegenwoordig worden fossielen zeer gericht gezocht.
De kennis van de tijdschaal van de evolutie en van de geologische vorming van de aardlagen is zo ver gevorderd  dat paleontologen gericht  op locaties kunnen zoeken naar tussenvormen om hun hypotheses te testen. 
In hoeverre dit   fossiel (mogelijks)  gericht is gezocht  , weet ik (nog ) niet
Maar de
 keuze van de  site is zeker niet toevallig  (zie hierboven )

_

De ontdekker van de huidige libanese  fossielen  ,    Dirk Fuchs van de Universiteit van Berlijn.,  zei
Deze dingen zijn 95 miljoen jaar oud, maar één van de fossielen is nauwelijks van levende soorten te onderscheiden,”

Dat is een “onvoorzichtige” uitspraak die natuurlijk  door allerlei creationisten zal worden  ge-quoted
( Nu door  bijvoorbeeld ..de( Belgische YEC-er ) Oneof   ,naprater  van    de (Nederlandse  fundamentalisten van   ) Schepper en zoon  (3)

Creationisten  zijn er natuurlijk,  ook zonder die quote,   al  als de kippen bij__ zoals een korte  lezing van lezersbrieven en reacties op blogs laat zien  ____ om te  verklaren dat  ;

” Vreemd  ,dat  octopussen  er na al die miljoenen jaren nog hetzelfde uitzien. “(3**)
en ook Harun Yayah  volgelingen zullen het gegeven beslist  gaan gebruiken 


°


Maar creationisten   vergeten een bepaald  gedeelte   van de anatomie dat  kompleet anders  is dan van  de huidige  octopussen  :
Er  is zelfs  geen enkele andere  huidige koppotige( cephalopoda )  die   een  zelfde   GLADIUS  bezit   als dit fossiel . 
°

Deze  fossiele en  de huidige octopussen  gelijken  alleen oppervlakkig  op elkaar .
Het kompleetste  fossiel  bezit een  herkenbaar  vestigale  schelp  de gladius

http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/18/octopods-from-the-cretaceous/

De gedetailleerde  schets (rechts ) met de  vestigale gladius  van het holotype, MSNM i26320a 


holotype, MSNM i26320a

(Click for larger image)
Keuppia levante sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâdjoula (Lebanon). A,
holotype, MSNM i26320a. B, sketch of the holotype

PZ MEYERS  :
” ….there is a shell gland a chitinous chunk of vestigial shell called the gladius…”

Gladius/Zwaard. 
Hoornige, veervormige schelp van inktvissen. 
Komt overeen met de opperhuid van een schelp.
 http://www.soortenbank.nl/soorten.php?so

(PZ MEYERS )
Octopods also have something similar, but in modern forms it is reduced to a delicate little rod-like bar, nothing more.

Note that in Keuppia above, the gladius is relatively robust — it looks like a pair of clamshells imbedded in the head. Next, here’s another of the specimens found in this locality, Styletoctopus annae.
Look at the gladius here. “

i-4c45d63a0a312e034a823a85d9e7fe0a-styletoctopus.jpeg

Styletoctopus annae sp. nov. from the Upper Cenomanian (Metoicoceras geslinianum Zone) of Hâqel (Lebanon). 
A, specimen MSNM i26323. B, close-up of A showing the imprints of the stylets situated in the lateral mantle sac.

–> Deze ontdekking  is eveneens  biezonder omdat   het hier  gaat   om de   zoveelste (zogenaamde  )” transitionnal  “(4)
*het fossiel bevat een mix  van kenmerken  (= een mozaïk )
*K.Levante   bezit  een tweedelige  robustere  versie  van een vestigale  gladius , ( in elk geval  robuuster  dan de rudimentaire gladius-resten van de   huidige   leden  van de  moderne Familie Octopodidae

(nota ) Er wordt soms een andere classering gebruikt  waarbij  de hier  in dit  artikel en figuur  gebruikte 
(Engelse )Octopoda —>  =  ( ned ) Onderorde Incirrina (octopoda)     ,   (Engelse )   Ciroctopoda  —-> =  (ned) OnderordeCirrina  )

” ….If you put these data together with other observations of even older cephalopods, including more squid-like forms, you get a picture of an evolving morphology from an ancestral unpaired shell to a divided form to spread-apart lateralized stylets to the modern, even more reduced form…..”
i-84a4f08733ca149207ee361c9b486c52-oct_phylo.jpeg

(Click for larger image)

http://geology.about.com/b/2009/03/18/fossil-octopus-really.htm
http://www.sciencedaily.com/releases/2009/03/090317111902.htm
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/octopods_from_the_cretaceous.php
http://www.msnbc.msn.com/id/29757659

abstract 
NEW OCTOPODS (CEPHALOPODA: COLEOIDEA) FROM THE LATE CRETACEOUS (UPPER CENOMANIAN) OF HÂKEL AND HÂDJOULA, LEBANON
Authors: FUCHS, DIRK1; BRACCHI, GIACOMO2; WEIS, ROBERT3
http://www.ingentaconnect.com/content/bpl/pala/2009/00000052/00000001/art00005
Evolutie van giften
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/04/cephalopod_venoms.php

____________________________________________________________________________________________________________________________________

NOTEN EN COMMENTAREN

(1)
Keuppia levante gen. nov., sp. nov.,
Keuppia hyperbolaris gen. nov,. sp. nov.
Styletoctopus annae gen.

(2)
De    COLEOIDEA   bezitten echter  wel een   inwendige ( meestal  brose ) schelp =de  meeste  fossiele cephalopoden   werden voornamelijk  (en worden nog )  door paleontologen gedetermineerd  aan de  hand van de (uitwendige ) ” schelp“(bv.ammonieten )
en de inwendige schelp ( bv.Belemnieten )
Bij octopussen ( die tot de  Coleoidea  behoren  )  is dat een klein beetje  anders

http://www.geologie.ac.at/filestore/download/BR0046_045_A.pdf
(waaruit )
“…..Their (= the octopoda) evolution can be demonstrated by allometric growth and reduction of the middle field of the gladius.  ”
Toch zijn  fossielen van  weke delen  van organismen ___en van erg vluchtige  voorvallen ____ bewaard  gebleven  ….
er  zijn  bijvoorbeeld  “fossiele”  regendruppel-inslagen en voetafdrukken  in  vulkanische  as bewaard gebleven ; om nog maar te zwijgen van  allerlei  sporen  van dino’s
Er zijn ook  kwallen en” weke “skeletloze  overblijfselen  van andere  precambrische organismen bekend  –> bijvoorbeeld   Dicksonia

(3) Bijvoorbeeld de Nederlandse  YEC creationist  ;  Schepper & zoon heeft het  ook  over
Van ‘primitieve’ octopussen werd verondersteld dat ze vlezige vinnen aan hun lijf hadden, maar daarvan werd niets gezien bij deze fossielen, hoewel ze uitzonderlijk goed bewaard zijn gebleven.”
maar dat is mogelijk  een afleidings-manoeuvre (of een niet terzake doende  opmerking   , die alleen maar  een of andere    veronderstelde  (hypotghetische) “primitieve “octopus-voorouder   verder  weg  doet plaatsen  in de tijd  …)
Waar het om gaat is  de  vestigale  GLADIUS ( in vergelijking met de  rudimentaire  gladius-resten   van tegenwoordige octopus-soorten ) ,maar  daarover zwijgt men  …..

(3**)
Hier vind je enkele  antwoorden aan   (amerikaanse ) creationisten
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/in_which_i_am_woefully_accurat.php
http://scienceblogs.com/pharyngula/2009/03/even_dumber_than_denyse_oleary.php
Omdat nederlandstalige   creationisten veelal   clonen zijn van “amerikaanse”voorbeelden  , is het verantwoord te verwijzen naar  de
antwoorden  van de  amerikaanse “debunkers ” :  je zit dan meteen aan de bron  van die “eindeloze discussies ” …

( vertaalde  samenvatting uit bovenstaande  blogposts  )
a-
“…….Creationisten  beweren  dat   deze  nieuwe   vondsten  een  “voorbeeld zijn van  stasis ”  ( bijvoorbeeld hier –>  false conclusion that this is an example of stasis  )….
Maar  dat is niet zo  : deze fossielen zijn duidelijk verschillend van moderne vormen

  ( amerikaanse )Creationisten  beweren  verder , op grond van die valse conclusie ,   dat ;
De
 octopus (vulgaris?  ) “helemaal niet evolueerde  “

Noteer echter dat het bezit van  acht  tentakels   ,  een zeer algemeen kenmerk is van  de  octopodiformes   ….
De evolutionaire   veranderingen  die worden  beschreven kan je niet zomaar   verwerpen  omdat
je meent   dat  ”  alles met acht “armen “bezaaid  met herkenbare zuignappen   , wel hetzelfde soort  schepsel moet zijn  ”
Er zijn meer dan 200 verschillende  species opgenomen   in de familie Octopodidae, en er staan  meer dan  100  specima  te wachten op verdere  beschrijvingen en classificatie in die  familie   ___er zijn ongetwijfeld nog meer octopodidae  die op ontdekking wachten .
De octopodidae  zijn  van een  ongelofelijk diversiteit ( en dat alleen al wijst op een zeer  hoge ouderdom van hun  gemeenschappelijke  voorouder  met andere  octopusachtigen ( waarvan velen ook acht  “armen “bezitten  )

Deze blinde beunharen  en  morosofe  kwaks ( of misschien wel  regelrechte leugenaars ?) doen eigenlijk  steeds hetzelfde  .
Zo zouden  ze  ___ eenzelfde redeneertrant volgend ____ook  gemakkelijk  de paleontologen erop kunnen wijzen  dat  ;
Er   GEEN  evolutie heeft plaatsgevonden  , omdat  365 miljoen oude  tetrapoda …… net als  alle hedendaagse   zoogdieren  nog  steeds  vier  ledematen bezitten …..”

(Mijn commentaar )
In feite is  het hier aangevoerde  creationistische ” bezwaar ” de aloude mantra  :
” Hoe  gegeven  organismen  ( zoals hier  , de octopussen )   ook mogen varieeren
ze blijven  octopussen   ( = een bijbelse “geschapen  “soort   of  “baramin ( baranoom  )”
waarbij  micro-evolutie  wordt aanvaard  en macroevolutie  ontkent
(micro en macro evolutie uiteraard in de creationistische terminologie  / betekenissen  )

(anderen )
* Veel  volwassenen kennen  nauwelijks   het verschil  tussen  een  spin, een insect en  zelfs kleine schaaldiertjes  (= pissebedden ) ;
Ze  vatten dat alles  gemakshalve samen als  het   te verdelgen    “klein kruipend   (on)gedierte ”  :  de  “beestjes ”
Deze creationistische  artikels tonen  nogmaals aan dat  hun doelgroep  diegenen   zijn  met het grootst mogelijk  onbegrip  over de natuur  ___
en die er het meest  over willen  vertellen  . Ze  vinden  dat zij  serieus  moeten  worden  genomen   als  plaatselijke  “autoriteiten” ter zake  …
zelfs als ze worden herkend als  ignoramus
Iets waarop  creato’s  inspelen  opdat ze hun meningen  ( met een grote portie  populair appeal ) als  “wetenschappelijk valabele  en verantwoorde   kritiek  ”
verder kunnen slijten

*” ….De 95 miljoen-jaar-oude octopus evolueerde  uiteindelijk niet  als  puntje bij paaltje komt ” ( Denise O’Leary  )
Echter  deze gevonden  octopus is een  basale vorm  uit de  orde  der  octopoda ____net zoiets  als… de   afstand maki-Mens .
Iemand moet een  classificatie-cursus   volgen

.*…de morfologische  verschillen tussen de  voorbeelden  uit het krijt    en   de  moderne octopodae zijn op zijn  minst even  divers  als die tussen  chimpansees en mensen.
Indien er slechts  micro evolutie en variatie is  opgetreden in het  inkvis -baramin ….wat is dan  de reden  om  de mens NIET te zien als een variatie  van de chimp ? (of omgekeerd )

*Zelfs als de fossiele octopus morfologisch  identiek  moest  zijn   ( wat hij  niet IS )  aan eigentijdse , zou dat nog  niets zeggen  over  de genetische drift , welke zich niet noodzakelijk  dient te manifesteren in de  restanten van de  fysieke verschijning

b.-

(creato )
1  “Wetenschappers  zijn in verwarring   gebracht door de vondst  van  het recentste fossiel ”
2″ Het is een octopus die zij  op 95 miljoen  jaar oud hebben geschat  ”
3 “en,weet je  wat?
Het  ziet eruit als een moderne  hedendaagse  modern  octopus –  kompleet  met acht armen , met rijen zuignappen   en zelfs sporen van inkt. ”
4 “Het lijkt erop  dat in al die tijd  de octopus niet  is  geëvolueerd  – niet eens  één uiterst klein beetje.
 ”

(PZ)
1.- Wetenschappers  zijn helemaal   niet  door deze ontdekking in de war  gebracht.
2.-  Oppervlakkig gezien is dit juist
Alhoewel  – ze ” schatten”  het niet (zonder onderbouwing )  op – 95 miljoen jaar .
De creationist  probeert de indruk te wekken dat het hier omeen blote gissing  (= slechts een “‘claim”)gaat …
Het is een conclusie die door het geologische  bewijsmateriaal wordt gesteund.
De vondst is gedaan in een geologische formatie die minstens al honderd jaar bekend is  en  telkens weer  is gedateerd en gekontroleerd
3 .-Er zijn honderden octopus-soorten
De hierboven vermelde  beschrijving van de “octopus ”  is van kleuter niveau  ,een vierjarige die  met een kleurpotlood iets krabbelt
De fossielen  (er waren verscheidene geïdentificeerden species) lijken NIET  op  moderne octopods, maar hebben verscheidene veelbetekenende verschillen.
4 .-Compleet  vals.
De creationist heeft het wetenschappelijke   paper ( en uiteraard de argumenten ) niet gelezen  dat deze fossielen in de  lange geschiedenis van evolutieve veranderingen
en  vertakkingen binnen het   geslacht (plausibel )  inpast.

Ik kom toch nog eventjes terug op die  Schepper&zoon -figuur
die schrijft  o.a.   in het kader  van  een   soort  persoonlijk  kommentaar  op een  creationistisch  bewerkt  artikel over deze vondsten ;
Een evolutionaire voorloper van deze beesten kan niet worden getoond en in 95 miljoen jaar zou er niets aan ze veranderd zijn,
terwijl in diezelfde tijd dino’s in vogels veranderden.
Hier is iets niet in de haak als je het mij vraagt.”

1.- de evolutionaire voorloper  van “deze beesten”   is nog niet met zekerheid bekend …..heilaas zal  ook deze voorloper  niet worden  herkend  daar geen enkele van  al “deze beesten ” een   identiteitskaart op zak  heeft  of een  trouwboek  bezit
..Een beschrijving  , robotfoto’s    van   een mogelijke  kandidaat  binnen een  bekende  fossiele   groep waaruit ” deze  ( nu gevonden  fossiele)beesten ”   kunnen zijn voort gekomen , is echter  wél voorhanden
2.-” er zou niets veranderd zijn “=  is een  tendentieuze  sxuggestie die   een  ordinaire  ,   verdraaiende  leugen  tracht te  verbergen    – De huidige  verwanten /  collaterale  afstammelingen  van die  beesten  zijn dus wél veranderd  …  de gevonden  fossielen en  de hedendaagse octopussen  zijn  morfologisch  /anatomisch  wel  degelijk andere beesten
, terzelfdertijd vertonen ze ook veel  gelijkenissen  ….nogal duidelijk  toch ?
Lees   trouwens  de” paper ” , zodat je er iets meer  van afweet  dan de schijver van die creato- kwakkels en suggestieve truuks   …
3.-  Vogels  ZIJN  de   huidige  nog levende  dino’s….Niemand weet  op welk moment  of tijdstip  (een ) afstammingslijn( en ) uit  een bepaalde dino -groep  is afgetakt  die dieren heeft opgeleverd die men  “vogels” kan noemen ….Die creato  weet dat  blijkbaar wél ?
alhoewel  hij niet in evolutie “gelooft “( evolutiekunde   is trouwnes  geen geloof maar  een  interdiciplinaire wetenschap !!!   )
Er is echter  wel degelijk  genoeg  fossiel ( en  ander  vergelijkend ) materiaal  om de link   theropoda -moderne vogels , te kunnen maken  en te  ondersteunen …
4.- Wat hier ” niet in de haak”is ?   De  moedwillige onkunde   en  de mogelijke  leugenachtigheid  van deze creationist ….is voor iedereen duidelijk

(4)
Eigenlijk  is elk  fossiel (en  extant organisme )een ” transitionnal “ …
*
De term ( in het biezonder   het creationistische weggevertje  ” missing link “  )
heeft   bar  weinig  te  maken met  de wetenschap  zelf  maar  alles met  opherklopte en   sensationele persberichten  erover

——————————————————————————————————————————————————————————————————–

andere  CEPHALOPODA  

APPENDIX
(OPGEPAST  !!! de  volgende   artikels   zijn  wel   iets   verouderd  sinds deze nieuwe  vondsten  )

(Victor Strijdbos ) 

Evolutie van de Cephalopoda.
De oudste Cephalopoda zijn vermoedelijk ontstaan uit de monoplacophora, de oermollusken. Het lichaam verlengde zich in dorsoventrale richting en de voet verplaatste zich naar de kopstreek.

mollusca-phylog



Mogelijke evolutie series binnen de  mollusca 

evolutie mollusca(naar Salvini-PLawen )

crown group  and ancestors

crown group and ancestors 

°De mogelijke evolutie van de oermollusk  naar de Cephalopoda.

De voet ontwikkelde zich tot een nieuw bewegingsysteem, er vormden zich tentakels en 2 over elkaar liggende lappen, die samen een trechter vormen. Het dier bezit tentakels welke aan zijn kop bevestigd zijn, vandaar koppotigen. Uit deze traag voortbewegende vorm van Cephalopoda hebben zich weer actievere soortgenoten ontwikkeld. Een aantal tentakels reduceerde naar stevige armen en de trechterlappen vergroeiden met elkaar. De ingewandenzak werd nog langer, de mantel overgroeide de schelp die geleidelijk kleiner werd. Er zijn ook Cephalopoda met een inwendige schelp, zoals o.a. bij de belemnieten.

De uitwendige schelp, een ronde- of ellipsvormige conische rechte of opgerolde buis, is verdeeld in kamers. Een goed voorbeeld vanrecente Cephalopoda met een uitwendige schelp is de nautilus

Een ammonoida

ceratites

CERATITES 

nautilus 2

Nautilus

en met een inwendige schelp de sepia.

sepia zeekat
De uitwendige schelp van de Ammonoidea en Nautiloidea, werd omgevormd tot een hydrostatisch orgaan.
Bij Cephalopoda met een inwendige schelp verloor de schelp de drijffunctie.
De schelp werd achteraan verzwaard door materiaalafzetting, hierdoor krijgt men een betere gewichtsverdeling.
Het dier werd duidelijk mobieler en kon zich ook sneller horizontaal bewegen.

°
De evolutie ging nog verder,
nog meer actieve Cephalopoda reduceerden de schelp tot een dunne hoornpen zoals bij de pijlinktvissen.
Snel zwemmende Cephalopoda verloren hun schelp volledig, zoals bijvoorbeeld bij de Octopoda

Indeling van de Cephalopoda

De klasse Cephalopoda wordt onderverdeeld in 3 ordes: Ammonoidea, Nautiloidea en Coleoidea.
Ammonoidea hebben een uitwendige schaal, meestal planispiraal. De sutuurlijn is meestal complex en er is een eenvoudig siphokanaal aan de buitenrand van de venter.
Nautiloidea bezitten ook een uitwendige schaal, de sutuurlijn is eenvoudig en er zijn complexe siphonale trechters. Het siphokanaal ligt in het midden van de septa.


mollusca-nested-hierarchy

Bestand:Cuttlebone.jpg
Coleoidea
hebben een inwendige schaal, ( het zogenaamde “zeeschuim” ) zoals bij sepia.
de  sepia is trouwens  ook  een  achtarmige inktvis

Als fossiele Coleoidea denken wij aan de belemnieten.

Nautiloidea en Coleoidea zijn recent nog vertegenwoordigd.


OVERZICHT  OCTOPUS EVOLUTIE

http://www.tonmo.com/science/fossils/fossiloctopuses.php

 tree-of-life-mollusca
Phyllum MOLLUSCADE CLASSIFICATIE  VAN DE CEPHALOPODA  IS NOG STEEDS NIET  AFGEWERKTBOVENDIEN WORDEN OUDE EN NIEUWE  CLASSIFICATIE- SCHEMA’S ( EN VOLGENS DE  VERSCHILLENDE  TAALGEBIEDEN  ) NOG STEEDS  DOOR ELKAAR GEBRUIKT ( ook in de wetenschappelijke  publicaties  !!!  )…..1.- Encyclopedia of Life
http://www.eol.org/pages/2312Molluscs +

http://www.tonmo.com/science/public/vampyroteuthis.php

 

OPTISCHE ILLUSIES

BREIN EN EVO  INHOUD     

optische illusies.docx (1.8 MB)<–Archief 

Kernwoorden

, , , , , , , , ,

Geneeskunde, Maatschappijwetenschappen

Gezondheid, Hersenen & Gedrag, Mens & Maatschappij

°

 Hersencellen gevonden welke optische illusies veroorzaken.

1 oktober 2013

Wetenschappers hebben een groepje hersencellen gelokaliseerd dat mensen en dieren vatbaar maken voor optische illusies

kanisza vierkant

Het groepje hersencellen (1) in de visuele cortex – het hersendeel voor visuele waarneming – wordt actief als afbeeldingen verkeerd worden geïnterpreteerd.

De cellen bevinden zich in een klein gebiedje met de naam V4 en zorgen er waarschijnlijk voor dat patronen in optische illusies worden aangevuld door het brein, zodat niet bestaande vormen worden waargenomen.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Maine in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Kanizsa-vierkant  (2)

vierkant

Wat ziet u als u het plaatje hierboven bekijkt? De meesten van ons zullen een vierkant zien. Maar dat is er niet: het plaatje laat feitelijk alleen vier cirkels met een hap eruit zien. Het vierkant verzint ons brein erbij. Wetenschappers hebben nu ontdekt waar ons brein die denkbeeldige vormen precies creëert.

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen met een experiment waarbij apen (makaken) werden geconfronteerd met een Kanizsa-vierkant. Dat is een afbeelding waarbij vier pacmans met hun monden de illusie van een vierkant creëren.

Zoogdieren – waaronder mensen – verwerken visuele prikkels in een deel van het brein dat we visuele cortex of gezichtsschors noemen. Dit deel van het brein is weer onder te verdelen in vijf regio’s: V1 tot en met V5. Van V4 weten we dat het betrokken is bij het herkennen van objecten. “Dus we dachten dat het betrokken zou zijn bij denkbeeldige vormen,” stelt onderzoeker Michele Cox.

brain diagram

The gold square marks the location in the V4 region of a macaque’s visual cortex, where the neurons respond to visual contours. (Alex Maier, Donna Pritchett / Vanderbilt)

Als de makaken naar de het Kanizsa-vierkant keken werden er zenuwcellen in het hersengebied V4 actief, zo bleek uit metingen op het netvlies van hun ogen.

Wanneer de dieren een afbeelding bekeken waarin de pacmans omgekeerd waren afgebeeld zodat de illusie niet meer werkte, was er geen activiteit in het hersengebied V4 meetbaar.

Detective

Volgens hoofdonderzoeker Alexander Maier bewijst het experiment dat het groepje hersencellen verantwoordelijk is voor optische illusies die mensen en dieren waarnemen.

“Eigenlijk werkt het brein hier als een soort detective”, verklaart hij op nieuwssite ScienceDaily. “Het reageert op aanwijzingen uit de omgeving en doet pogingen om deze te combineren. In het geval van dit soort illusies komt het brein echter tot een verkeerde conclusie.”

Niet alleen mensen en apen zien overigens deze illusies. Ook katten, uilen, goudvissen en honingbijen zien ze. Onderzoekers denken dan ook dat deze illusie een belangrijke functie heeft. Het zou één van de methodes zijn waarmee ons brein roofdieren of prooien die zich bijvoorbeeld in de bosjes ophouden, op kan sporen.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

Bronmateriaal:
Finding the place where the brain creates illusory shapes and surfaces” – Vanderbilt.edu

(1)  

Als de conclusie juist is moet “dit groepje” wel uit heel veel zenuwcellen bestaan. Het lijkt me logischer er vanuit te gaan dat het altijd gebeurt en dat dit groepje bepaalde situaties waarin dit zeker gebeurt herkend. 

  1.  We weten toch al lang dat de hersenen beelden aanvullen?! 
  2. Uit meerdere onderzoeken bleek al  dat we helemaal niet zien  wat zintuigelijk  voorhanden is   en  dat hetgeen we denken te zien  grotendeels wordt ingevuld door onze hersenen.(—> we zijn ons brein )
  3. Dit is misschien ook  omdat er teveel informatie binnenstroomt die we bewust kunnen waarnemen.—>  heel goed dat we dit hebben, anders zouden we niet meer normaal kunnen functioneren ?

(2)

. Dit is helemaal geen illusie. Er is geometrisch gezien daadwerkelijk een onderbroken vierkant aanwezig. Het is erg goed dat ons brein instaat is dit aan te vullen en herkend.

Zien wat er niet is

woensdag 1 september 1999 Dit is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek

Zuivere, natuurgetrouwe, pure waarneming bestaat niet. Dat wat we zien – ons beeld van de directe omgeving – is een en al interpretatie, vervorming, invulling, opvulling en aanvulling. Vrijwel alles wat we zien, is er niet echt. Een promotieonderzoek aan de TU Delft werpt nu een nieuw licht op waarneming.

door

Buiten ons bevindt zich de echte, fysische ruimte. Die voldoet keurig aan de mathematische wetten van de geometrie. We kunnen er met winkelhaken en meetlatten assenstelsels in aanbrengen en hem zo tot een mathematische ruimte maken. De fysische ruimte gedraagt zich dan als wiskundige ruimte waarin, ik noem maar wat, de stelling van Pythagoras geldig is.

Heel iets anders geldt voor die andere ruimte, de visuele ruimte. Dat is de fysische ruimte zoals wij hem waarnemen. Tussen de fysische ruimte en de visuele ruimte zitten dan ook nogal wat stappen. Het waarnemen begint natuurlijk met twee ogen. De inhoud van de driedimensionale fysische ruimte veroorzaakt twee iets afwijkende beelden op twee netvliezen. Twee optische zenuwbundels transporteren beide beelden naar het visuele centrum achter in de hersenen, waar ze worden verwerkt. Overigens vindt een gedeelte van de bewerking al veel eerder plaats. Het netvlies zelf bewerkt al, bijvoorbeeld door contrast aan te scherpen. Uiteindelijk wordt in de hersenen de driedimensionale ruimte geïnterpreteerd en ervaren. Wat mensen ervaren, is uiteindelijk wat we de visuele ruimte noemen. Tijdens het traject van fysische ruimte naar visuele ruimte treden talloze vervormingen op.

Bedrogen ogen

Plaatjes die je voor de gek houden

De kamer van Ames is een optische illusie bij uitstek. De kamer is sterk vervormd, met taps toelopende wanden, vloer en plafond, maar geeft de illusie van een gewone, vierkante kamer.(Amy Snijder/ Exploratorium http://www.exploratorium.edu)

Er zijn mooie voorbeelden van bedrogen ogen – plaatjes die je doelbewust voor de gek houden. Ze illustreren overduidelijk de eigenaardigheden van ons visuele systeem. Een van die eigenaardigheden is dat de visuele ruimte niet isotroop is: niet alle richtingen worden gelijk behandeld. In de menselijke waarneming spelen de horizontale en verticale richtingen een speciale rol. Een meer schokkende illustratie van visueel bedrog is de kamer van Ames. De kamer is bewust scheef gebouwd, met wanden, ramen en een vloer in de vorm van trapezoïden. We interpreteren de Ames-kamer echter zonder enige aarzeling als een normale kamer, waardoor de personen die zich erin bevinden, onmiddellijk niet-menselijke proporties aannemen.

Een kwalitatieve verklaring van de illusie die de Ames-kamer opwekt, is dat het visuele systeem niet alleen afgaat op wat de ogen zien, maar tevens op ervaringen die je in het verleden hebt opgedaan. Dat kan ook niet anders. Uit het patroon dat een bepaalde driedimensionale situatie op ons netvlies veroorzaakt, kan ons visueel systeem de oorspronkelijke situatie niet exact reconstrueren. Er zijn oneindig veel driedimensionale situaties die hetzelfde beeld op het netvlies veroorzaken. Er bestaat bijvoorbeeld een normale, rechthoekige kamer die op ons netvlies hetzelfde beeld veroorzaakt als de Ames-kamer, en precies dat is de kamer die we denken te zien. Om een interpretatie te verkrijgen, kiezen de hersenen uit deze talloze situaties. In het geval van de Ames-kamer worden ze domweg doelbewust naar de verkeerde keus geleid.

Waarneming is dus nooit puur, maar eerdere ervaringen kneden de interpretatie. Een van de belangrijkste vragen op dit gebied is dan ook hoe ons visueel systeem het klaarspeelt om van die veelheid van mogelijke interpretaties het merendeel te verwerpen en één mogelijkheid te selecteren, die meestal nog de goede is ook.

Ruimte

Afgelopen 14 juni promoveerde de natuurkundige Nicole Schoumans aan de Technische Universiteit Delft op een onderzoek naar het verband tussen de visuele ruimte en de fysische ruimte. Uiteraard is zij niet de eerste die onderzoek doet naar de visuele ruimte, maar ze is wel de eerste die zich expliciet richt op de invloed van context op de waarneming. De context is de omgeving van het beeld dat je bekijkt, zeg maar de muur waartegen het schilderij hangt. Dat de visuele ruimte een vervorming is van de werkelijke ruimte, is inmiddels wel duidelijk. Maar is die vervorming constant? Of is het juist de scène, het beeld in de fysische ruimte, dat bepaalt hoe de vervorming is?

Twee stromingen

Het belang van Schoumans’ onderzoek blijkt uit de stand van zaken op het gebied van theorieën over visuele waarneming. Daarin zijn grofweg twee stromingen te onderscheiden, die sterk verschillen in de rol die ze toekennen aan de context. De bekendste van de twee is de Gestaltpsychologie, waarvan de Tsjechische psycholoog Max Wertheimer (1880-1943) samen met zijn twee assistenten Wolfgang Köhler en Kurt Koffka, als grondlegger wordt beschouwd.

De kern van de Gestaltpsychologie is dat het waargenomene uiteindelijk veel meer is dan de verzameling van beeldelementen. We nemen geen verzameling losse punten waar, nee, we zien een patroon. We zien geen bruine, groene en blauwe kleurvlakken, maar we zien een boom tegen een zomerse hemel. Het zijn nooit losse elementen in het beeldveld, het zijn altijd patronen die zich onweerstaanbaar opdringen.

De Necker-kubus. De tekening leent zich voor twee driedimensionale interpretaties. De ene keer kijk je tegen de bovenkant aan, de andere keer tegen de onderkant.

Kubus

Een mooi voorbeeld van wat de Gestaltpsychologie bedoelt, is de Necker-kubus. We zien de Necker-kubus niet zoals hij is. Het ís namelijk een verzameling lijntjes op papier, maar we zíén een driedimensionale kubus. De lijntjes lenen zich, net als de Ames-kamer, voor oneindig veel interpretaties. Daarvan nemen er in dit geval meestal slechts twee waar: je kijkt ofwel tegen de bovenkant van de kubus aan, ofwel tegen de onderkant. Het is daarentegen vrijwel onmogelijk de tekening te zien als een verzameling lijntjes; we zien altijd een van de driedimensionale mogelijkheden. Beide sluiten elkaar echter uit, zodat je de kubus ziet ‘omklappen’ van de ene interpretatie in de andere.

Gekromde ruimte

Het gegeven dat onze waarneming de werkelijke ruimte vervormd weergeeft, was al vroeg bekend. Experimenten daterend van het begin van de eeuw toonden bijvoorbeeld duidelijk aan dat mensen parallelle lijnen niet altijd parallel waarnemen (iets wat Euclides in 300 v.Chr. overigens al opmerkte).

Precies dit gegeven was de inspiratie voor de tweede stroming die in deze eeuw opkwam en zich bezighield met visuele perceptie. Deze meer wiskundige aanpak gaat ervan uit dat je de visuele ruimte echt mathematisch kunt beschrijven, net zoals je dat met de werkelijke ruimte kunt. Als dat zo is, dan bestaat er een wiskundige transformatie die het exacte, numerieke verband weergeeft tussen fysische ruimte en visuele ruimte.

In 1947 ontwikkelde de Duitser Rudolf K. Luneburg zo’n mathematisch model. Hij veronderstelde dat de visuele ruimte een Riemann-ruimte was. Een Riemann-ruimte is een generalisatie van de Euclidische ruimte uit de wiskunde en is gekromd. De Riemann-ruimte speelt een fundamentele rol in de relativiteitstheorie. Gekromd betekent hier dat twee parallelle, rechte lijnen in de visuele (waargenomen) ruimte transformeren naar twee kromme, niet-parallelle lijnen in de fysische ruimte.

Het Kanizsa-vierkant: je ziet wat er niet is. Bij het aanwijzen van de middens van de zijden, blijken proefpersonen steevast te ver naar het midden te wijzen.

Kanizsa-vierkant

Het Kanizsa-vierkant is een voorbeeld van een visuele illusie. Vier pacmans suggereren een vierkant. De illusie is zo sterk, dat het vierkant lijkt op te lichten; je kunt de randen van het vierkant ‘zien’ terwijl er helemaal geen vierkant is. Er zijn alleen vier pacmans. Nicole Schoumans onderzocht of deze illusoire contouren helpen bij het lokaliseren van het middelpunt van de zijden.

Uit eerder onderzoek is bekend dat de visuele ruimte van mensen niet isotroop is, ook niet in twee dimensies. Dat blijkt uit het volgende experiment: op papier, of op een computerscherm, staan twee punten. Een proefpersoon wordt gevraagd om het midden van de denkbeeldige lijn tussen de twee punten aan te wijzen. Ligt de denkbeeldige lijn horizontaal of verticaal, dan maken proefpersonen hierbij geen systematische fouten. Als de lijn echter diagonaal ligt, dan wijzen de proefpersonen systematisch te laag.

Schoumans vroeg zich af hoe dit nu met het Kanizsa-vierkant zit. Twee punten wekken immers geen optische illusie op, maar de vier pacmans wel. Wellicht helpt de illusie je om het midden te lokaliseren. Mochten in beide gevallen de fouten een overeenkomstig patroon vertonen, dan is het waarschijnlijk dat hetzelfde mechanisme verantwoordelijk is voor het uitlijnen van objecten als voor het creëren van het illusoire vierkant.

De uitkomsten van het experiment leren echter dat de werkelijkheid ingewikkelder in elkaar zit. Proefpersonen lokaliseren de middens van de zijden van het Kanizsa-vierkant systematisch te ver naar het midden toe. De afwijking is hier zelfs groter dan in het geval van de twee punten! Als de illusie van het vierkant al iets doet, dan wordt het er alleen maar erger op. Schoumans vond bovendien dat de fouten sterk afhangen van hoe je het vierkant suggereert: met pacmans, met punten, kruizen of hoeklijntjes. Elk van de situaties gaf weer andere afwijkingen. De vorm van de elementen die de denkbeeldige lijn aangeven, bepaalt dus mede hoe je hersenen die lijn trekken.

Experiment

Schoumans’ onderzoek richtte zich op de context van de waarneming: in hoeverre heeft de scène waarin zich het waargenomen beeld bevindt, invloed op de vervormingen ervan? Het belang van het onderzoek is dat het begrip context het onderscheidende element vormt tussen beide scholen: de Gestaltpsychologie zegt dat waarneming zonder context betekenisloos is, terwijl de wiskundige aanpak de context buiten beschouwing laat.

Schoumans ontwikkelde een experiment om inzicht te krijgen in de geometrische eigenschappen van de visuele ruimte van proefpersonen. Daartoe moesten de proefpersonen richtexperimenten doen. Zij moesten een punaise, zwevend in de ruimte, zo nauwkeurig mogelijk richten op een oplichtende punt, elders in de ruimte. Punaise en punt waren beide virtueel; om het experiment zo gecontroleerd mogelijk te laten plaatsvinden, koos Schoumans ervoor om de proefpersonen met een speciale methode een driedimensionaal computerbeeld voor te schotelen. Met de pijltoetsen op het toetsenbord konden de proefpersonen de punaise draaien.

De beelden die het rechteroog van de proefpersoon te zien kreeg, links zonder en rechts met context. Met de pijltoetsen op het toetsenbord van de computer kon ze de punaise op het doel richten. Het linkeroog kreeg een iets ander beeld voorgeschoteld.

Om de invloed van context te bekijken, voerde de onderzoekster het experiment tweemaal uit: een keer met alleen punaise en lichtende punt, een tweede keer met hulpvlakken. De hulpvlakken bevatten informatie over hoe aanwijzer en doel ten opzichte van elkaar waren gepositioneerd, en om het makkelijk te maken hadden beide vlakken een patroon als een soort badkamerbetegeling. De vraag was in hoeverre de proefpersonen de hulpvlakken gebruiken om nauwkeuriger te richten. Het is een type experiment waarbij Luneburg en de zijnen de vingers zouden aflikken. Je kijkt er direct mee in de visuele ruimte van de proefpersonen. Het richten van ruimtelijk punt A naar ruimtelijk punt B geeft immers direct weer hoe in de visuele ruimte van de proefpersoon de lijn van A naar B loopt. Mikken de proefpersonen er consequent naast? En zo ja, hoe dan?

Los van de context

Een eerste bevinding staat nog geheel los van de context. Het blijkt dat de visuele ruimte is verdeeld in twee componenten, die zich anders gedragen. De fout die de proefpersonen maken in het vlak parallel aan het computerscherm vertoont een duidelijke trend die onafhankelijk is van de persoon. In de horizontale en verticale richting maken ze geen systematische fout, terwijl ze er het verst naast richten als de richting 30° daarvan afwijkt. In de diepterichting lopen de gedragingen van de proefpersonen daarentegen wel fors uiteen. De fouten die een proefpersoon maakt, zijn echter wel systematisch. Dit suggereert dat verschillende mensen geheel verschillende mechanismen gebruiken om diepte te schatten.

Context

Dan de context. Schoumans voert dezelfde experimenten uit, maar brengt nu twee hulpvlakken aan. Zowel door de punaise als door de lichtende punt loopt een vlak, en voor de duidelijkheid zijn beide vlakken voorzien van een betegeling, een vierkant patroon als de wand van de badkamer. In het experiment varieert Schoumans de hoek die beide wanden met elkaar maken, en de hoek die de wanden met de proefpersoon maken. Hiermee probeert ze te achterhalen of en hoe de context van invloed is op de waarneming.

Het experiment laat zien dat de waargenomen richting, dus de richting van de punaise naar het doel zoals de proefpersonen die zien, behoorlijk kan veranderen als er vlakken aan de scène worden toegevoegd. Hóé de proefpersonen wijzen, verandert systematisch met een verandering in die vlakken. Daarnaast nemen de verschillen tussen de proefpersonen af door het toevoegen van de context.

Eén conclusie is duidelijk: er ís invloed. Het is echter nog niet duidelijk langs welke patronen de invloed van de context zich laat gelden. Je zou bijvoorbeeld verwachten dat de proefpersonen houvast aan de vlakken ontlenen en dus preciezer gaan richten. Wellicht richten ze nog steeds verkeerd, maar op zijn minst mag je verwachten dat ze een stabielere hand verkrijgen en minder zwabberen. Technisch gesproken betekent dat dat de standaarddeviatie in de resultaten afneemt. Dat blijkt niet het geval te zijn.

Echte theorieën over visuele perceptie, theorieën die gedegen toetsing hebben weten te doorstaan – zulke theorieën zijn er niet. Ook de resultaten van het onderzoek van Nicole Schoumans hebben daar geen verandering in gebracht. Haar resultaten tonen wel aan dat dergelijke theorieën de inhoud van de scène als uitgangspunt moeten nemen. De hele wiskundige aanpak van Luneburg en de zijnen is hiermee grotendeels gefalsificeerd. Die aanpak hield immers geen rekening met wát er te zien was.

Dit betekent dat er geen mathematische transformatie van de fysieke ruimte naar de visuele ruimte kan bestaan, of zo’n transformatie zou rekening moeten houden met wat er zich in die ruimte bevindt. Een wiskundige theorie van de visuele ruimte bestaat ofwel helemaal niet, ofwel is hij veel ingewikkelder dan tot nu toe werd verondersteld.

 

 

 

 

Drie optische illusies 

drie  optische illusies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KLEUR en schaduw-ILLUSIES 

Screen shot 2013-10-11 at 5.05.37 AM

The white line at the top of the bottom half implies that the light on this hinged object is coming from above, and thus the bottom half of the object is the same color as the illuminated line, and lighter as well than the top half of the object.

But it isn’t: it is in fact the same color as the top of the object. We compensate for the assumption that the bottom is lighter by visually interpreting it as lighter, so the object looks as if it were in two shades.

This is one way that evolution, I suspect, has conditioned for vision, making our brains interpret the assumption of shadowing in a way that compensates for it.

A famous example of this compensation, which I’ve written about before, is the “checker shadow” illusion in which a cylinder rests on a checkerboard and casts a shadow:

772px-Grey_square_optical_illusion

Squares “A” and “B” are actually the same color and shade (if you don’t believe that, go to my original post to see for yourself, as well as the explanation for this remarkable illusion).

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2013/10/11/another-shadow-illusion/

 

°

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2014/09/08/another-bizarre-illusion/

 

Permalink voor ingesloten afbeelding

 

Yes, the lines are abstolutely straight; you can check that out with a ruler or a piece of paper. Now why do they look curved?

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2014/09/09/illusion-explained/

 

 

°

 

 

optische illusies  <— pdf

 

 

 

<–Klik voor animatie

Draait dit dansende meisje nu mee of tegen de wijzers van de klok         .

http://media.perthnow.com.au/fatwire/spinner/woman_spin.gif

  

°

 

http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=CKxoRaUFq1I#!

Train illusion

Nadat je dit een tyijdje hebt bekeken  ; zie je plots de trein in omgekeerde richting rijden  … Hoe deze illusies procies noemt weet ik niet  …..

http://whyevolutionistrue.files.wordpress.com/2013/05/train.gif?w=480&h=309

°

Why do the dots disappear?

This is one of the most baffling illusions I’ve ever seen. Take a look at the gif below.  First, look at any yellow dot as the figure moves. The yellow dot remains present and stationary. If you concentrate on all three yellow dots, they remain there as well.
But now concentrate on the central green dot. You will see one or more of the yellow dots disappearing and then reappearing sporadically. They are not—this is an optical illusion. The dots remain and your brain simplydoesn’t register their presence from time to time. Weird, eh?

anigif_enhanced-16656-1408614979-1

An article by John Whitfield in Nature News, “A brain in doubt leaves it out,” explains the phenomenon:

Yoram Bonneh, of the Smith-Kettlewell Eye Research Institute in San Francisco, and colleagues have been showing people a swirling pattern of blue dots superimposed on some stationary yellow dots1. [JAC: for some reason the reference isn’t given.]

The yellow dots seem to wink in and out. But the erasing happens in the mind, not the computer. Nearly everyone tested saw the effect.

The brain seems to have internal theories about what the world is like. It then uses sensory input – which tends to be patchy and disorganized – to choose between these. In some sensory situations, different theories come into conflict, sending our perceptions awry.

The illusion, which Bonneh’s team calls motion-induced blindness, catches the brain ignoring or discarding information. This may be one of the brain’s useful tricks, a deficiency – or perhaps both, says Bonneh.

The researchers suggest this may (and I suggest that it certainly must) happen in daily life:

The researchers speculate that this phenomenon could happen in everyday life without us noticing it. A highway at night, with drivers staring dully at a mass of moving lights, might recreate the kind of conditions used in the experiments, says Bonneh, causing objects – the tail lamp of the car in the next lane, for example – to temporarily vanish.

Jack Pettigrew, a neuroscientist at the University of Queensland in Brisbane, believes that the illusion results from a tussle for supremacy between the left and right halves of the brain.

He has found that applying a pulse of magnetism to the brain to temporarily disrupt its function affects the occurrence of motion-induced blindness. When the pulse is applied to the right hemisphere (leaving the left dominant) the dots disappear; zapping the left brings them back2.

The left hemisphere seems to suppress sensory information that conflicts with its idea of what the world should be like; the right sees the world how it really is. Some people with paralysis caused by injuries to their right hemisphere will deny that they are disabled.

My only question is why it takes motion to generate this illusion. Is that because motion is associated with visual confusion?

Source of gif: Professor Michael Bach at the University of Freiburg,

Bach has a page with 113 of these damn things!

 

 

Ceci n’est pas une spirale

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2014/12/11/ceci-nest-pas-une-spirale/

That’s right, this is not a spiral.  If you check this illusion (from Sean Michael Ragan at Make) with your finger or mouse, you’ll find that it’s a series of concentric circles.

not-a-spiral

Also, if you move the picture around on the screen, it will appear to spiral.

h/t: Matthew Cobb

 

 

 

LINKS :

 

 

 

 

 

The origin of species

NOTES   ON  ”  THE ORIGIN OF SPEC IES  “

WAARSCHUWING ( voor creationisten )
Het boek van Darwin noemt “On the Origin of Species by means of Natural Selection  “… en  NIET  “On the Origin of Life”!
°Het ontstaan van leven uit levenloze materie valt NIET  binnen het gebied van de evolutietheorie. 
°Evenmin als het ontstaan van het heelal…

____________________________________________________________________

*On the Origin of Species 

— “Over het ontstaan van soorten” — is het bekendste werk van Charles Darwin (1809 — 1882)
Hierin ontvouwt hij de evolutietheorie die zoveel opschudding zou veroorzaken in de negentiende eeuw.
De impact van dit boek was enorm, zowel in natuurwetenschappelijke kring als daarbuiten.

Het volgende is in het kort Darwins theorie:

°via het natuurlijke proces van het selecteren van de best aangepaste (erfelijke) varianten (¨*1)onder de overproductie  van afstammelingen en  levensvormen, verandert het levende doorlopend, en zo ontstaan uiteindelijk wat men “soorten” noemt ( die niets anders zijn dan een punt in een continuum van stamlijnen  ) .

(*1) – today we know that    “adaptive fitness” refers solely to
the relative reproductive output of carriers of different genes.

– *De nieuwe theorie maakte het” Scheppingsverhaal”( Genesis en andere  mythische scheppingsverhalen  )  met de grond gelijk.
Om die reden is zij onophoudelijk bekritiseerd.
In 1859 verscheen de eerste druk.

Vanwege vele kritieken veranderde Darwin veel.  

Darwin is een grondlegger van de evolutieleer.
Wat niet inhoud dat de huidige denkbeelden nog steeds letterlijk dezelfde zijn , maar het is altijd in alle wetenschapsgebieden belangrijk te weten hoe de denkbeelden zijn ontstaan
Het oorspronkelijke   boek moet je  lezen als een wetenschap- historisch boek.
Er zijn sinds de publicatie van het boek veel nieuwe ontwikkelingen gekomen die dingen nuanceren , aanvullen , verbeteren  en  zelfs  verwerpen.
Toch is het interessant ook  om te lezen hoe darwin tot zijn evolutieleer is gekomen  ….


Vandaag de dag wordt de evolutietheorie weliswaar even algemeen aanvaard als de atoomtheorie of de gravitatietheorie, maar dat neemt niet weg dat zij de gemoederen nog steeds in beweging brengt,en dat ongetwijfeld nog geruime tijd zal blijven doen.
Regelmatig laait weer de discussie op over de juistheid van Darwins theorie (bv. in het natuurwetenschappelijk onderwijs en in kerkelijke kringen); daarom is herdruk en  een  vertaling naar modern taalgebruik nuttig.(voetnoot 1)

Darwins evolutietheorie is en blijft een van de meest revolutionaire visies op mens en natuur uit de wereldgeschiedenis, en het boek ” Over het ontstaan van soorten”  is een van de belangrijkste teksten  van de moderne tijd.

Man, this guy didn’t know anything

bron ;  .volkskrantblog   bericht/240948    door     Tomasso Agricola


Je hebt (als journalist of blogger  )al een aantal artikelen geschreven over evolutie, de evolutietheorie en Charles Darwin, maar je hebt nog nooit The origin of species… gelezen. ?
Dan is het in 2009, 150 jaar na de eerste druk, eindelijk zover.
Je leest eindelijk het boek waar alles mee begon (ok, ik overdrijf hier een beetje).
Hoe komt het dan op je over?

Dit experiment wordt onder de titel “Blogging the Origin” gedaan door John Whitfield.
Hij leest, voor het eerst The origin of species…, hoofdstuk na hoofdstuk, en blogged daarover (in het Engels).

Het is zeer interessant.

 

De uitspraak in de titel hierboven is de start van het blog over het eerste hoofdstuk: Variation under domestication.

images

http://scienceblogs.com/bloggingtheorigin/

Voetnoot

(1)

Overigens zijn er al ( met wisselend succes )pogingen ondernomen om “Darwin’s Origin” the up-daten …
Een van de bekendste is :
“ALMOST LIKE A WHALE ” van STEVE JONES 

(2)

Een van de jongste :
ADAM RUTHERFORD 

images

http://www.guardian.co.uk/commentisfree/series/theoriginofspecies

Er waren reeds geruime tijd evolutietheorieën in omloop voor het werk van Charles Darwin in 1859 verscheen.

 

De belangrijkste innovatie van Charles betrof dus niet zo zeer het idee van evolutie op zich maar vooral dat van natuurlijke selectie; dit was ook het belangrijkste punt van onderscheid met de ideeën van zijn grootvader.

In de theorie van Charles treden biologische veranderingen tussen generaties op een geheel willekeurige manier op.
Veranderingen die in een bepaalde leefomgeving gunstig zijn leiden tot betere overlevings- en dus reproductiekansen.
De meest ‘fitte’ leden van een populatie, dat wil zeggen, zij die het best toegerust zijn op hun omgeving, zullen aldus de populatie
gaan overheersen.

 

 

 

( hierboven :  Giraffen evolutie volgens  het  Lamarckisme   )

Volgens Erasmus Darwin  hebben giraffes een lange nek omdat zij generaties lang hebben geprobeerd om bij blaadjes hoog in een boom te kunnen geraken(= dat is     orthodox “Lamarckisme” ) ;

Volgens Charles Darwin  zijn giraffe-varianten   met een toevallig langere nek de populatie gaan overheersen omdat zij zich beter konden voeden.(vooral in moeilijke  tijden )

Om zijn evolutieleer te onderbouwen zou Darwin op latere leeftijd veel tijd doorbrengen met potten en planten in zijn eigen botanische kassen.

_____________________________________________________________________________________________________

NYT   

Darwin discovered two major forces in evolution — natural selection and sexual selection — and wrote three radical scientific masterpieces, 
“On the Origin of Species” (1859), 
“The Descent of Man and Selection in Relation to Sex” (1871) and 
“The Expression of the Emotions in Man and Animals” (1872). 

The “Origin,” of course, is what he is best known for. 
This volume, colossal in scope yet minutely detailed, laid the foundations of modern biology.
Here, Darwin presented extensive and compelling evidence that

all living beings — including humans — have evolved from a common ancestor, 
and that natural selection is the chief force driving evolutionary change. 

Sexual selection, ( in “Descent” ) he argued, was an additional force, responsible for spectacular features like the tail feathers of peacocks that
are useless for (or even detrimental to) survival but essential for seduction.

Before the “Origin,” similarities and differences between species were mere curiosities;
Questions as to why a certain plant is succulent like a cactus or deciduous like a maple could be answered only, “Because.”
Biology itself was nothing more than a vast exercise in catalog and description.
After the “Origin,” all organisms became connected, part of the same, profoundly ancient, family tree.
Similarities and differences became comprehensible and explicable.
In short, Darwin gave us a framework for asking questions about the natural world, and about ourselves.

He was not right about everything. 
How could he have been?
Famously, he didn’t know how genetics works; as for DNA — well, the structure of the molecule wasn’t discovered until 1953. 
So today’s view of evolution is much more nuanced than his. 
We have incorporated genetics, and expanded and refined our understanding of natural selection, and of the other forces in evolution. 

But what is astonishing is how much Darwin did know, and how far he saw. 
His imagination told him, for example, that many female animals have a sense of beauty — that they like to mate with the most beautiful males.
For this he was ridiculed. But we know that he was right. Still more impressive: he was not afraid to apply his ideas to humans.
He thought that natural selection had operated on us, just as it had on fruit flies and centipedes.

As we delve into DNA sequences, we can see natural selection acting at the level of genes.
Our genes hold evidence of our intimate associations with other beings, from cows to malaria parasites and grains.
The latest research allows us to trace the genetic changes that differentiate us from our primate cousins, and shows that large parts of the human
genome bear the stamp of evolution by means of natural selection.

I think Darwin would have been pleased. 
But not surprised.

The “Origin” changed everything. Before the “Origin,” the diversity of life could only be catalogued and described; afterwards, it could be explained and understood. Before the “Origin,” species were generally seen as fixed entities, the special creations of a deity; afterwards, they became connected together on a great family tree that stretches back, across billions of years, to the dawn of life. Perhaps most importantly, the “Origin” changed our view of ourselves. It made us as much a part of nature as hummingbirds and bumblebees (or humble-bees, as Darwin called them); we, too, acquired a family tree with a host of remarkable and distinguished ancestors.

The reason the “Origin” was so powerful, compelling and persuasive, the reason Darwin succeeded while his predecessors failed, is that in it he does not just describe how evolution by natural selection works. He presents an enormous body of evidence culled from every field of biology then known. He discusses subjects as diverse as pigeon breeding in Ancient Egypt, the rudimentary eyes of cave fish, the nest-building instincts of honeybees, the evolving size of gooseberries (they’ve been getting bigger), wingless beetles on the island of Madeira and algae in New Zealand. One moment, he’s considering fossil animals like brachiopods (which had hinged shells like clams, but with a different axis of symmetry); the next, he’s discussing the accessibility of nectar in clover flowers to different species of bee.

At the same time, he uses every form of evidence at his disposal: he observes, argues, compares, infers and describes the results of experiments he has read about, or in many cases, personally conducted. For example, one of Darwin’s observations is that the inhabitants of islands resemble — but differ subtly from — those of the nearest continents. So: birds and bushes on islands off the coast of South America resemble South American birds and bushes; islands near Africa are populated by recognizably African forms.

He argues that the reason for this is that new islands become colonized by beings from the nearest continents, and that the new inhabitants then begin evolving independently. He then asks: can animals and plants from the continents get to new islands, especially those that are far out at sea? To investigate this, he conducts experiments to see how long seeds from different plants can remain immersed in saltwater and still begin to grow. In short, he tests his reasoning over and over again.

He is also, in some respects, surprisingly far-seeing. The “Origin” does not just expound natural selection. It contains a wealth of additional ideas and hypotheses, some of which Darwin went on to elaborate in other books. Among them: sexual selection. This is the idea — and it remained controversial until recently — that males in many species are burdened with showy ornaments like enormous tails because the females of their species have, by repeatedly picking the showiest males as their mates, caused them to evolve them that way.

This is not to say that the “Origin” is flawless, or that Darwin was right in every respect. It isn’t, and he wasn’t. Nor is the book a definitive account of how evolution works. It wasn’t even definitive in his lifetime: he published six editions, revising, sometimes heavily, from one to the next. (In the third edition, which appeared in 1861, he introduced a historical sketch in which he discusses his precursors, including Matthew and Wells.) Yet his knowledge of the natural world is so immense, and the scrutiny to which he subjects his ideas is so thorough and scrupulous, that the “Origin” presents a grand new vision of the world. A vision that, as far as possible given the knowledge available at the time, he worked out in every detail. A vision that changed the world forever.

(Olivia Judson,)

__________________________________

JERRY   COYNE 

The GALAPAGOS ISLANDS did not, as is often assumed, constitute a “eureka moment” for Darwin: he did not hit upon, nor even begin to formulate, his theory of “transmutation” until several years thereafter.

True, the Galápagos did constitute important evidence for the biogeographic chapters of The Origin, but this came as much from the plants (and Joseph Hooker’s analysis of them) as from the finches. Indeed, “Darwin’s finches” are not even mentioned in The Origin! This may be because Darwin botched his collections there, failing to put the island source on the collecting labels. He was forced to reconstruct the biogeography of the finches (which he at first didn’t see as a monophyletic group) using specimens collected — and properly labelled — by Darwin’s manservant and by Captain Fitzroy himself. Darwin’s failure to mention finches in The Origin may reflect his continuing uncertainty about the nature of the evidence. He knew by 1859 that the 14 species were indeed closely related (ornithologist John Gould had determined that for him), but the uncertainty about their biogeography led to confusion about what role geographic isolation played in the origin of species.

Darwin’s plant collections, on the other hand, were properly labeled, for pressing plants on the spot is more conducive to accurate recording of localities. And it was Joseph Hooker’s identification of the plants, their affinity, and especially the uniqueness of many species to specific islands, that helped convince Darwin he was on the right track.

Here, from Chapter 12, is the most famous mention of the Galápagos in The Origin. Notice Darwin’s clever use of rhetorical questions to attack creationism.

How could a Victorian reader fail to be convinced by arguments like this?

“…..The most striking and important fact for us in regard to the inhabitants of islands, is their affinity to those of the nearest mainland, without being actually the same species. Numerous instances could be given of this fact. I will give only one, that of the Galapagos Archipelago, situated under the equator, between 500 and 600 miles from the shores of South America. Here almost every product of the land and water bears the unmistakeable stamp of the American continent. There are twenty-six land birds, and twenty-five of those are ranked by Mr Gould as distinct species, supposed to have been created here; yet the close affinity of most of these birds to American species in every character, in their habits, gestures, and tones of voice, was manifest. So it is with the other animals, and with nearly all the plants, as shown by Dr. Hooker in his admirable memoir on the Flora of this archipelago. The naturalist, looking at the inhabitants of these volcanic islands in the Pacific, distant several hundred miles from the continent, yet feels that he is standing on American land. Why should this be so? why should the species which are supposed to have been created in the Galapagos Archipelago, and nowhere else, bear so plain a stamp of affinity to those created in America? There is nothing in the conditions of life, in the geological nature of the islands, in their height or climate, or in the proportions in which the several classes are associated together, which resembles closely the conditions of the South American coast: in fact there is a considerable dissimilarity in all these respects. On the other hand, there is a considerable degree of resemblance in the volcanic nature of the soil, in climate, height, and size of the islands, between the Galapagos and Cape de Verde Archipelagos: but what an entire and absolute difference in their inhabitants! The inhabitants of the Cape de Verde Islands are related to those of Africa, like those of the Galapagos to America. I believe this grand fact can receive no sort of explanation on the ordinary view of independent creation; whereas on the view here maintained, it is obvious that the Galapagos Islands would be likely to receive colonists, whether by occasional means of transport or by formerly continuous land, from America; and the Cape de Verde Islands from Africa; and that such colonists would be liable to modifications; the principle of inheritance still betraying their original birthplace….”

De evolutie van The origin…
bron :  vkblog. De_evolutie_van_The_origin

On the Origin of Species: The Preservation of Favoured Traces

images

http://benfry.com/traces/

1

“Over het ontstaan van soorten door middel van natuurlijke selectie, of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het leven”
Charles Darwin
Dit is de veelgeprezen vertaling van Ludo Hellemans van de oorspronkelijke editie van On the Origin of Species uit 1859.
GRATIS DOWNLOAD

http://darwindownloads.nieuwezijds.nl/soorten.pdf

images

Over het ontstaan van soorten is het bekendste werk van Charles Darwin (1809–1882).
Hierin ontvouwt hij in ‘een lang argument’ de evolutietheorie die vanaf de publicatie op 24 november 1859 tot de dag van vandaag zoveel
opschudding heeft veroorzaakt.
De impact van dit boek op het denken is enorm geweest.
Vandaag de dag wordt de evolutietheorie weliswaar even algemeen aanvaard als de atoomtheorie, maar dat neemt niet weg dat zij de gemoederen
nog steeds in beweging brengt omdat ze de grens tussen geloof en wetenschap raakt.

Darwins benadering van het leven is rationeel en natuurwetenschappelijk.
Zijn wereldbeeld is opgebouwd uit louter kenbare en verifieerbare feiten.
Hij houdt zijn lezers voor dat alle levensvormen op aarde, de mens nadrukkelijk niet uitgezonderd, zijn geproduceerd door onbezielde en
doelloze natuurkrachten.

Darwins evolutietheorie is en blijft een van de meest revolutionaire visies op mens en natuur uit de wereldgeschiedenis,
en het boek Over het ontstaan van soorten is een van de belangrijkste teksten van de moderne tijd: een onbetwiste must in het wetenschappelijk canon.

imageshttp://www.nieuwezijds.nl/lees-darwin-nu/

images (2)


COMPLETE ON LINE TEXT
imageshttp://www.literature.org/authors/darwin-charles/

The Voyage of the Beagle 

The Origin of Species

 

Preface
Introduction
Chapter 1 – Variation Under Domestication
Chapter 2 – Variation Under Nature
Chapter 3 – Struggle for Existence
Chapter 4 – Natural Selection
Chapter 5 – Laws of Variation
Chapter 6 – Difficulties on Theory
Chapter 7 – Instinct
Chapter 8 – Hybridism
Chapter 9 – On the Imperfection of the Geological Record
Chapter 10 – On The Geological Succession of Organic Beings
Chapter 11 – Geographical Distribution
Chapter 12 – Geographical Distribution continued
Chapter 13 –
Mutual Affinities of Organic Beings: Morphology: Embryology: Rudimentary Organs
Chapter 14 – Recapitulation and Conclusion
Glossary

Charles Darwin

images

MYTH’S ABOUT DARWIN’S TEXTS

images

Myth 1:  >  Myths about Darwin  Darwin did not believe in the reality of species

>  Myths 2: The origin of species  Darwin did not explain the origin of species

>   Myth 3: Darwin was a Lamarckian

>  Myth 4: Darwin was a gradualist

>  Myth 5: Darwin thought evolution relied on accidents and chance

>  Myth 6: Darwin thought everything was due to natural selection

>  Myth 7: Darwin thought that Australian aborigines were closer to apes than to Europeans

>  Myth 8: Darwin was a social Darwinian

imageshttp://scienceblogs.com/evolvingthoughts/?s=myth+8+%3A+darwin+

0

Links on tsjok’s blogs

WP 

 … scene with the crow sized Archaeopteryx capturing a meal (from: Evolutionary Genetics at … Tim Spaan. Ten tijde van het uitkomen van de Origin of Species was in ieder geval het fossielenbestand niet de juiste plaats om …

→DARWINJAAR … Darwin 13.- Revolutie in het denken over evolutie 14.-The Origin of Species: het grootste waagstuk aller tijden Gert Korthof 15.-Darwin en …

→Darwinjaar Be NL Fr UK Links … werd geboren; 150 jaar geleden kwam zijn boek “On the origin op Species ” uit

→EVOLUTIE … toegevoegd dat *veel mutatie géén aanwijsbaar voor- of nadeel hebben, maar neutraal zijn. * Door toevalsfluctuaties (welke … Darwin publiceerde in 1859 zijn “On the origin of species by means of natural selection”, waarin hij de basis …

→GALAPAGOS … is where it all started… I only wish to be back among the Marine Iguana’s Slideshow … and variation took shape. And ever since On the Origin of Species was published 150 years ago this year, the modern field of( biology ) …

→SPECIATIE 1 (prof Walter Verraes ) ….van de evolutietheorie en schrijver van het boek “On the Origin of Species” (“Over het Ontstaan van Soorten”), komt bedrogen …

 

 

 

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.kevermania


OOGEVOLUTIE

LEVEND FOSSIEL EN OOGEVOLUTIE :

Platynereis dumerilii /Mysterie opgelost ?

Onze ogen zijn onstaan uit de breincellen van een verre gemeenschappelijke voorouder van zowel vertebraten als invertrebraten … Dat is de nieuwe theorie in verband met de oogevolutie die werd geformuleerd  door Europese Onderzoekers en gepubliceerd in het blad Science …
De ogen van de huidige inverterbraten en de gewervelden bezitten verschillend gebouwde photoreceptoren ( en bij de arthropoda is er zelfs sprake van andere structuren waarbinnen  hun photoreceptoren zijn gerangschikt )

Echter het brein van de bestudeerde zeeworm bezit photo -gevoelige cellen die nauw verwant zijn met de principes van vertebraten photo-receptoren

Platynereis dumerilii is een quasi onveranderde annelida die reeds 500 miljoen jaar rondzwemt

Het is een van de bekendste tegenwerpingen aan het adres van Darwins evolutieleer: hoe kan zo’n complex orgaan als het oog ontstaan zijn door spontane mutatie en natuurlijke selectie? En nog wel twee keer, want de ogen van ongewervelden en gewervelden zijn verschillend.

Maar er zijn nieuwe aanwijzingen voor de evolutie van de oog, melden Europese onderzoekers in Science van 29 oktober.

De onderzoekers van het Europees Moleculair Biologische Laboratorium ontdekten dat de lichtgevoelige cellen in het netvlies van de mens en van andere gewervelde dieren, de bekende staafjes en kegeltjes, zijn voortgekomen uit oeroude voorlopers die oorspronkelijk in de hersenen voorkwamen.

Bewijs daarvoor leverde de levende fossiel Platynereis dumerilii een zeeworm die al ruim 500 miljoen jaar onveranderd is en sterk lijkt op de laatste gemeenschappelijke voorouder van insekten en gewervelden.

De worm heeft in zijn ogen lichtgevoelige cellen die verwant zijn aan die van insecten, en in zijn hersenen cellen met staafjes en kegeltjes die verder alleen voor komen bij gewervelden.

De verwantschap van de lichtgevoelige cellen in het mensenoog en die in het wormenbrein werd aangetoond met een “moleculaire vingerafdruk” (oftewel DNA: )= in beide celtypen zaten dezelfde lichtgevoelige moleculen, de zogeheten opsinen.

Zie hierover —-> Evolution of eyes and photoreceptor cell types

DETLEV ARENDT* European Molecular Biology Laboratory, Developmental Biology Programme, Heidelberg, Germany /Int. J. Dev. Biol. 47: 563-571 (2003) ——-> http://www.ijdb.ehu.es/ijdb20034778/ft563.pdf

aanvullende opmerking ;
1.- het feit dat in de evolutie die heeft geleid tot de vertebraten er blijkbaar cellen uit het brein ( cilliary photocells ) zijn verhuisd naar de ogen is misschien de verklaring voor de” binnenste buiten” winding van het gewervelden oog in het bijzonder wat betreft de retina –structuur ….
Vertebrate eye suboptimal design —->evowiki
2.- Overigens bezitten de menselijke hersenen
nog altijd lichtgevoelige cellen ; die zijn nu in staat ( in gebruik om ) het rythme van de dagelijkse activiteiten te regelen …
Ze zijn dus ook nog steeds verbonden met een of andere vorm van lichtdetektie /verwerking
( bijvoorbeeld ; reageren op pulstreinen die van de ogen afkomstig zijn )
Verdere links

http://www.labanimal.com/news/2004/041025/full/041025-18.html                      http://www.innovations-report.com/html/reports/life_sciences/report-35418.html

Een ” peer reviewed ” document van die onderzoekers zelf is hier te vinden –>   http://dev.biologists.org/cgi/content/full/129/5/1143
Development 129, 1143-1154 (2002)
2002 The Company of Biologists Limited
Accepted 11 December 2001

Development of pigment-cup eyes in the polychaete Platynereis dumerilii and evolutionary conservation of larval eyes in Bilateria
Detlev Arendt1, Kristin Tessmar1,*, Maria-Ines Medeiros de Campos-Baptista1, Adriaan Dorresteijn2 and Joachim Wittbrodt1,
Author for correspondence e-mail:
jochen.wittbrodt@embl-heidelberg.de

http://dev.biologists.org/cgi/content/figsonly/129/5/1143

http://wiki.cotch.net/index.php/Eye_evolution

Nilsson, D.-E., and Pelger, S.
‘A pessimistic estimate of the time required for an eye to evolve.’
Salvini-Plawen, S. V. and Mayr, E., 1977. On the evolution of photoreceptors and eyes. Evolutionary Biology. 10, 207-263.

futuyma_eye.gif 

Goldsmith, T. H., 1990. Optimization, constraint, and history in the evolution of eyes

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=2146698&dopt=Abstract

Quarterly Review of Biology. 65(3), 281-322. PubMed http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=2146698&dopt=Abstract)

Oakley, T.H. 2003. The eye as a replicating and diverging, modular developmental unit. Trends in Ecology and Evolution. 18(12), 623-627.

PDF http://www.lifesci.ucsb.edu/eemb/labs/oakley/pubs/Oakley2003TREEnocover.pdf

Uncovering The Ancestry of A Complex Organ, The Eyehttp://www.maayan.uk.com/evoeyes1.html

Computer modelling of eye evolution

http://www.biol.lu.se/funkmorf/vision/dan/model.html

Discussions

Article in Commentary critiques eye evolution / http://www.iscid.org/boards/ubb-get_topic-f-18-t-000004.html

Meer over deze worm en evo- devo research :
(engels )

http://www.uni-giessen.de/~gf1307/breeding.htm
http://getentry.ddbj.nig.ac.jp/cgi-bin/get_entry.pl?X53330

(frans )
http://www.cgm.cnrs-gif.fr/evodevo/

classificatie van de worm

Annelida  : Segmented worms: bristleworms, ragworms, earthworms, leeches and their allies http://www.tolweb.org/Annelida

http://www.eol.org/pages/406337

http://www.itis.gov/servlet/SingleRpt/SingleRpt

AnimaliaAnnelidaPolychaeta > Palpata >Aciculata >Phyllodocida > Nereididae >Platynereis

Tweecellige ogen
20 11 2008     //  De meest primitieve ogen op aarde bestaan uit slechts twee cellen.
Hoe ze precies werken is nu voor het eerst ontrafeld.
Volgens de onderzoekers is het een belangrijke stap om erachter te komen hoe de eerste ogen in de loop van de evolutie konden ontstaan en hoe ze werkten.

Veel larven van ongewervelde zeedieren hebben deze zogenaamde eyespots, van wormen en sponzen tot kwallen.
Er daadwerkelijk beelden mee zien, zit er helaas niet in. Alleen de sterkte en richting van licht kan ermee bepaald worden. Op die manier oriënteren de diertjes zich in de zee.

De larve van de borstelworm Platynereis dumerilii werd door de onderzoekers eens goed onder de loep genomen.
Ze bekeken de oogjes, twee cellen dus, en hoe deze waren verbonden met hun simpele zenuwstelseltje.

Ze ontdekten dat een van de oogcellen, de fotoreceptor, een directe zenuwverbinding heeft met de dunne, haarachtige uitsteekseltjes waarmee de larf zich voortbeweegt – de zogenaamde cilia.
De fotoreceptor vangt het binnenkomende licht op, zet het om in een elektrisch signaal en stuurt dit rechtstreeks door naar de cilia.
Deze beginnen dan als een soort buitenboordmotortje te draaien en de larf komt in beweging.

Door de prehistorische oogjes vervolgens van verschillende kanten te belichten, zagen de onderzoekers hoe de larf telkens van richting veranderde.
De lichtinval en sterkte ervan bepaalde welke cilia gingen bewegen, en dus de richting van de larf.

Het feit dat deze lichtdetecterende cellen in directe verbinding kwamen te staan met de cilia, is volgens de onderzoekers een cruciale stap in de evolutie van het oog.
Het larfje van deze borstelworm is met zijn primitieve ogen dus een echt levend fossiel.

Alle zenuwstelsels zijn 600 mln jaar oud

Bron: NRC 24-04-2007
Auteur: Onbekend

Samenvatting In fossielen van 600 mln jaar oud zijn zenuwstelsels gevonden. Deze zenuwstelsels werken op bepaalde cruciale momenten net zoals die van de mens en andere dieren.

Het zenuwstelsel van wormen, insecten en gewervelde dieren (vissen, mensen) gaat terug op een gemeenschappelijke voorouder die ongeveer 600 miljoen jaar geleden leefde. Dit blijkt uit een onderzoek van de activiteit van bij het zenuwstelsel betrokken genen in het embryo van de primitieve in zee levende borstelworm Platynereis dumerilii.

In dit paar centimeter lange levende fossiel van de ringwormenfamilie blijken op cruciale momenten in de ontwikkeling van het zenuwstelsel dezelfde genen op dezelfde wijze actief te zijn als bij mensen en andere gewervelden. Het is uitgesloten dat deze overeenkomst op toeval berust, zo scheef een team van biologen afgelopen vrijdag in het vakblad Cell.

Over de kwestie van de oorsprong van het dierlijk zenuwstelsel wordt al ruim honderd jaar getwist.

Gaan het terug op één gemeenschappelijke voorouder of is het in verschillende diertypen (fyla) opnieuw ontwikkeld?

Het grootste probleem is dat wormen en insecten hun zenuwbanen vooral aan de buikzijde hebben lopen in de vorm van een ladder, terwijl bij de gewervelde dieren de zenuwen zich vertakken vanuit de rug, vanuit het ruggemerg.

Volgens de ringwormentheorie van Anton Dohm uit 1875 heeft de voorouder van de gewervelden zich op een gegeven moment omgedraaid: buik werd rug. Maar die theorie bleef tot tien jaar geleden zeer omstreden, omdat toch altijd erg veel verschillen werden gevonden in de zenuwsystemen. Tien jaar geleden werden al wel genetische overeenkomsten gevonden in de ontwikkeling van het zenuwstelsel bij insecten en gewervelden.

De analyse van de genetische activiteit in P. dumerilii brengt nu aan het licht dat in dit wel zeer ver verwijderde familielid zes genen dezelfde complexe rol vervullen als bij de gewervelden.

Rhabdomeric and Ciliary eye

http://scienceblogs.com/pharyngula/2006/09/rhabdomeric_and_ciliary_eyes.php#more

NEUS   en OOG

Vis en zeeworm geven Schepper ervan langs

Een slechte week voor de Schepper. Twee organen waarvan diepgelovige christenen altijd beweren dat ze een goddelijke schepping bewijzen, blijken heel gewoon door aardse evolutie tevoorschijn geboetseerd. Nog altijd herinnert de geboorteafwijking de hazenlip aan de dagen dat onze neus zich vormde.

Nog altijd zijn er christenen die denken dat God er de hand in moet hebben gehad, in de schepping. Neem nu onze ogen. Die kunnen alleen maar op Gods tekentafel zijn ontstaan. Met een oog dat half af is, zie je immers niks. Iemand moet de evolutie dus hebben gestuurd: en nu gaan we ogen maken. En daarna rustig alle tussenstadia hebben laten passeren. Of neem de neus, nog zo’n raadselachtig orgaan. “Bewijs voor een intelligent ontwerp,” stelde de beruchte biochemicus en creationist Michael Behe al jaren geleden vast. “Om te kunnen functioneren, heeft het systeem zeer veel onderdelen nodig. En als enkele daarvan ontbreken, zou de neus het niet werken.”

Twee studies, een in Nature en een in Science, bewijzen dat het anders zit.

In China vonden paleontologen een wonderlijke vis die de ‘missing link’ vormt in de evolutie van de neus. En in Duitsland bestudeerden onderzoekers een nietig zeewormpje dat een voorstadium van het oog in zijn kopje heeft.

Rond de neus is ook onder niet-religieuze onderzoekers veel gedoe. Sommige prehistorische vissen zoals het levende fossiel Coelacanth hebben twee tunneltjes in hun snuit om water door te laten, één links en één rechts.

Dieren met een neus hebben die tunneltjes ook: het zijn onze neusgaten. Alleen komen die niet meer uit bij onze wangen, zoals bij vissen het geval is, maar voeren ze naar twee gaten achterin onze keel – ‘choanae’, luidt de officiële naam van die openingen.

Dat moet betekenen dat de choanae zich op een zeker moment in de evolutie naar binnen hebben verplaatst. Door de kaaklijn, langs het verhemelte, naar de keelholte. En dat lijkt nogal een reis, voor een neusgat: op een zeker moment in de evolutie moet er een dier zijn geweest dat neusgaten in zijn bovenkaak had, op de plek waar wij nu voortanden hebben.En zowaar: zo’n dier blijkt inderdaad te hebben geleefd.

De Chinees Min Zhu en de Zweed Per Ahlberg onthullen deze week het fossiel van een vis,die inderdaad neusgaten in zijn tandlijn had. De oervis, door de onderzoekers ‘Kenichthys’ gedoopt, leefde zo’n vierhonderd miljoen jaar geleden in het huidige China. Dat was in het tijdperk waarin de allereerste amfibieën aan land krabbelden.

Sluit dit venster

Hoe we neuzen kregen: de neus ontwikkelde zich uit tunneltjes op de snuit van oervissen. Het achterste deel van die tunneltjes (p, posterior) verplaatste zich geleidelijk via de mond naar de keelholte, terwijl het voorste deel (a, anterior) veranderde in neusgaten. De ontwikkeling vond plaats via de uitgestorven vissen Kenichthys en Osteolepis, terwijl een iets andere ontwikkeling leidde tot de longvis. De letter ‘c’ in de plaatjes staat voor ‘choanae’, de benaming voor de uitgang van de neusholte. (Nature)

Fascinerend genoeg zit de oervis nog steeds diep verstopt in ons lichaam. Dat komt tot uiting als er iemand met een hazenlip wordt geboren, menen Zhu en Ahlberg: een baby met een open verhemelte.

Sluit dit venster

Is de hazenlip direct bewijs voor het feit dat we ooit een vis waren met een neus in wording?
De geboorteafwijking is volgens Zhu en Ahlberg een directe herinnering aan de tijd dat we nog neusgaten in onze tandlijn hadden. Ook Kenichthys had een gat in zijn verhemelte – een gat dat veel lijkt op het niet goed gesloten verhemelte van een kind met hazenlip.
zie ook Oren ontstaan als ademgat
comment 1

In het Duitse Heidelberg heeft men intussen ontdekt waar de lichtgevoelige zintuigcellen van ons netvlies eigenlijk vandaan komen. Zowel de ‘staafjes‘ (waarmee we licht zien) als de ‘kegeltjes’ (waarmee we kleuren onderscheiden) blijken direct afkomstig uit het brein.

Dat kon ook moeilijk anders. De ogen zijn een direct uitgroeisel van onze hersenen, het enige stuk van ons brein dat je van buitenaf kunt zien zitten. Bovendien bevatten hersenen lichtgevoelige celletjes, die onder meer dienen om onze biologische klok af te regelen en die en passant ook onze gemoedstoestand beïnvloeden. Heel logisch dus dat de kegeltjes en de staafjes directe nakomelingen zijn van die groep cellen.Het bewijs daarvoor vonden de Duitsers bij een even nietig als obscuur zeewormpje, ‘Platynereis dumerilii’.

Sluit dit venster

De zeeworm ‘Platynereis dumerilii’: een levend fossiel met oerogen. (Maj Britt Hanse, EMBL Heidelberg)

Het diertje lijkt nog steeds sterk op soorten die zeshonderd miljoen jaar geleden leefden – de allereerste meercellige levensvormen. Door toeval kreeg onderzoeker Detlev Arendt foto’s te zien van het hersenweefsel van de worm. “Het viel me op dat de vorm van de cellen leek op die van de staafjes en kegeltjes in het menselijke oog. Ik was onmiddellijk gegrepen door het idee dat beide cellen dezelfde origine hebben.”

Dat blijkt inderdaad het geval. Detailonderzoek van beide cellen wijst uit dat zowel de wormenhersencellen als menselijke oogcellen een lichtgevoelig eiwit bevatten, opsine, dat zeer sterke overeenkomsten vertoont. Anders gezegd: de cellen waarmee we zien zijn direct verwant aan cellen die zeshonderd miljoen jaar geleden nog in het brein zaten.Of dat aanhangers van de scheppingsleer zal overtuigen, valt te betwijfelen. Creationistische bezoekers van het forum The Panda’s Thumb op internet zijn in elk geval niet onder de indruk.

“Dat twee eiwitten op elkaar lijken zegt niets over hoe de evolutie optrad,” merkt een zekere Steve op. “Er zitten planken in mijn schutting en er zitten planken verwerkt in mijn huis. Maar dat wil nog niet zeggen dat er uit mijn schutting een huis groeit.”

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/16462201/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/10268384/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/10849024/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/10707179/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/16648618/

(Maarten Keulemans)

Min Zhu en Per Ahlberg: “The origin of the internal nostril of tetrapods”. In: Nature, Vol. 432, 94-97 (2004)

D. Arendt, K. Tessmar-Raible, J. Wittbrod et al: “Ciliary photoreceptors with vertebrate-type opsins in an invertebrate brain”. In: Science, Vol. 432, 94-97 (2004)

(creationist )Jonathan Sarfati: “Olfactory design: smell and spectroscopy”. In: Creation Ex Nihilo Technical Journal, Vol. 12, 37-38 (2004)

23 September 2005
Nieuwe inzichten in de oog-evolutie zijn stuikelblok voor de intelligent design theorie
Hoe complexe en bijzondere structuren zoals het oog ooit zijn kunnen evolueren is al lang een moeilijke biologische puzzel geweest .
Onderzoek naar de evolutionair geschiedenis van het kritieke crystalline oog-eiwit onthulde een onverwachte link tussen bepaalde oogstructuren bij vertebraten __zoals bij de mens ___en de opbouw van primitieve lichtgevoelige systemen bij ongewervelden . Dit onderzoek in Oxford en aan de Radboud Universiteit , leide tot een conceptueel model en groter begrip van de evolutie van de ooglens zoals we die nu kennen …
Het menselijke gezichtsvermogen hangt af van de capaciteit van ons oog om een duidelijk, geconcentreerd beeld op de retina te vormen.
Kritiek aan deze functie is de ooglens en de fysieke eigenschappen die aan de transparantie van de lens ten grondslag liggen. De capaciteit van het oog licht precies te breken hangt af van de vereiste hoge concentraties aan speciale proteïnen (crystallines ) die in lenscellen worden gevonden.
Gewervelde dieren zoals vissen, kikkers, vogels, mensen en andere zoogdieren bezitten beeld-vormend gezichtsvermogen omdat onze ooglenzen het nodige cristalline bevatten .
Maar onze verwanten zonder ruggegraat, zoals zeescheden of zakpijpen , hebben slechts eenvoudige ogen die wel licht kunnen onderscheiden maar onbekwaam zijn om een beeld te vormen. Dit leidt tot de opvatting dat de lens vroeg binnen de groep van de gewervelde dieren evolueerde . Hoe kon een complex orgaan met dergelijke opmerkelijke fysieke eigenschappen uberhaupt evolueren ?
De onderzoeker Sebastian Shimeld van Oxford zocht het antwoord op deze vraag door de evolutieve oorsprong van één crystalline eiwitfamilie teonderzoeken, die als ??-crystallines , bekend is geworden .
Hij concentreerde zich op zeescheden of zakpijpen ,en vondt dat deze schepselen één enkel crystalline bezitten, dat in die primitieve zicht- systeem aanwezig is . Het gen dat door dit crystalline wordt uitgedrukt , werd ook gevonden in het complexere gewervelde dier in het bezit van ??-crystallinen … .
Misschien nog opmerkelijker is dat de genexpressie van zakpijp-crystalline door nog andere genetische elementen wordt gecontroleerd die ook aan de factoren beantwoorden die lensontwikkeling in gewervelde dieren regelen .
Dit werd aangetoond toen de regelgevende gebieden van de zakpijpgenen werden getransplanteerd naar kikkerembryo’s waar zij de genuitdrukking in het visuele systeem van van de kikkervisjes aandreven, met inbegrip van de lensvorming .
De onderzoekers zeggen dat voorafgaand aan de evolutie van de lens, er een regelgevend verband bestond tussen twee rijen genen, die later ook voor het controleren van lensontwikkeling verantwoordelijk zouden worden, en die verder zouden helpen de lens zijn speciale fysieke eigenschappen te geven.
Voor deze combinatie van genen schijnt dan in een vroeg gewerveld dier tijdens de evolutie van zijn visueel systeem geselecteerd te zijn, wat tot de lens leide …
De nieuwe bevindingen brengen een ernstige slag toe aan de creationisten en Intelligent Design beweging , die lang hebben beweerd dat het gebrek aan een duidelijke evolutieve weg voor complexe oogontwikkeling op de aanwezigheid van een opperste ontwerper wees.
Ref:
current biology , Volume 15, pagina’s 1684-1689, 20 September, 2005, DOI 10.1016/j.cub.2005.08.046

Ooglensgen zat al in doorzichtig zeedier

Nieuw zicht op evolutie ooglens

Alweer een stapje verder in de goede richting.

Heus, we komen er wel.
Alles is een kwestie van tijd, net als evolutie.

Larven van zakpijp doen nog wel aan gewervelden denken

(zakpijpgen in kikkervisje )
Volwassen zakpijpen zijn sterk gedegenereerd

Lichtsensorgen van de zakpijp actief in ooglens kikker (foto Ron Dirks, Radboud Universiteit Nijmegen)
Het oog – dat zoiets complex kon ontstaan is voor sommigen zoveel als een godsbewijs, voor anderen een intrigerende evolutionaire puzzel.
Hoe heeft dit ingewikkelde orgaan kunnen evolueren in de betrekkelijke korte levensgeschiedenis van de gewervelde dieren?
Biologen uit Oxford, Londen en Nijmegen hebben een stukje van de verklaring gevonden:
het genetisch programma voor de ooglens is ouder dan de gewervelden zelf.
Current Biology publiceert de ontdekking op 20 september. 2005

Wij – en andere gewervelden – kunnen beelden zien doordat we een helder, scherp beeld op ons netvlies kunnen vormen. Cruciaal voor dat scherpe beeld is uiteraard de ooglens: kristalhelder en met verfijnde lichtbrekingseigenschappen. Deze eigenschappen komen voort uit de hoge concentratie van speciale eiwitten, de crystalline-eiwitten, in de lenscellen.
Ongewervelden kunnen geen beelden zien. Zelfs de naaste óngewervelde verwanten kunnen slechts licht waarnemen. De ontwikkeling van het oog valt dus samen met die van de gewervelden en dat is op de evolutietijdschaal onwaarschijnlijk kort om tot zo’n ingewikkeld orgaan te komen.
Verder is het moeilijk voorstelbaar dat een lens kan ontstaan door het proces van aanpassing en selectie: een imperfecte lens is immers nutteloos. Ook Darwin zelf heeft onze ooglens genoemd als een orgaan waarvoor het moeilijk te begrijpen was hoe die volgens zijn evolutionaire theorie kon zijn ontstaan.
Wat het raadsel nog verder bemoeilijkt is het feit dat de lens lijkt te ontstaan uit weefsel dat niet verwant is aan dat van het netvlies en dat er geen voorlopers van de crystalline-eiwitten in ongewervelde dieren leken te zijn.

Gen lag klaar

De auteurs van het Current Biology-artikel hebben nu toch een evolutionaire voorloper van bèta-gamma-crystalline gevonden, één van de crystalline-eiwitten in ons oog.

De onderzoekers richtten zich in hun onderzoek op glaszakpijpen (Ciona intestinalis), zeedieren uit de orde van manteldieren waar ook zeeanemonen bij horen.

Verondersteld wordt dat dit de naaste verwanten zijn van de gewervelden en dus een goed beeld geven van de directe voorouder van de gewervelden.

De zakpijpen blijken één enkel gen voor crystalline te hebben.

Analyse van dit eiwit wijst er sterk op dat uit dit enkele gen het bèta-gamma-crystalline van gewerveldenis voortgekomen.

Regelmechanisme voor lens én netvlies Dit gen komt in de zakpijp opmerkelijk genoeg tot uitdrukking in licht-gevoelige cellen (vergelijkbaar met het netvlies) en wordt door dezelfde genetische elementen beïnvloed als bij de gewervelden. Dit werd aangetoond door het regelgen van de zakpijp over te brengen in kikkervisjes: het gen komt tot uitdrukking in het hele visuele systeem van de kikkervisjes – inclusief in de lens. Dit suggereert dat vóórdat het oog evolueerde er al een koppeling bestond tussen twee series genen: een die later de lensontwikkeling zouden controleren en een andere die de fysieke eigenschappen van de rest van het oog bepalen. In de vroege gewervelden hebben deze genen samengewerkt en zo zag de lens het licht.

PS

De inktvis – ongewerveld – heeft een oog dat sterk lijkt op dat van de gewervelden. Een voorbeeld van convergente evolutie: twee maal heeft de evolutie voor de zelfde invulling van een behoefte gezorgd. De genetische oorsprong en de eiwitten in het inktvisoog zijn echter van andere oorsprong dan dat van gewervelden.

Camera-ogen met lens zijn ook gevonden in “hersenloze ” kwallen

Current Biology, dd 20-9-2005: Urochordate ß? -crystallin and the evolutionary origin of the vertebrate eye lens. Sebastian M. Shimeld,1 Andrew G. Purkiss,2 Ron P.H. Dirks,3 Orval A. Bateman,2 Christine Slingsby2 and Nicolette H. Lubsen3.

Het alziend oog

Nee niet , God de vader : wél HET “lievelingsdier “(blijkbaar ) dat is geschapen met het ( tot nu toe bekende )meest “perfecte” oog ….Bovendien is het een groot krachtpatser , een van de sterkste dieren ter wereld ( als je rekening houd met de grote ) ….Ook een soort ” kroon der schepping” als het ware

Sluit dit venster

Als een verschijning van een andere wereld wandelt de bidsprinkhaankreeft (Odontodactylus scyllarus) over zijn koraal.

De bidsprinkhaankreeft ziet een wereld die onzichtbaar is voor elk ander dier op aarde, tonen Australische en Zwitserse onderzoekers aan.

Onder de duikers van het Great Barrier Reef in Australië is de kreeft berucht. Het kost het dier weinig moeite om de duim van de ongelukkige duiker tot moes te slaan met zijn steenachtige knuppels.

En zijn karakter liegt er ook niet om, hij is bijzonder agressief. Heel raar is dat niet. Zijn knuppelvormige poten kunnen namelijk stoten met de snelheid van een kogel. Alleen een aquarium met kogelvrij glas is opgewassen tegen de wapens van deze dertig centimeter lange en bijzonder mooi gekleurde kreeft.

Niet alleen is dit het sterkste dier op aarde voor zijn grootte, ook zijn ogen worden in het dierenrijk niet ge챘venaard.

De krachtpatser ziet maar liefst twaalf basiskleuren en zelfs ultraviolet en infrarood licht ontgaat hem niet. Bovendien kan de garnaal met gemak verschillende vormen gepolariseerd licht zien, schrijven een Zwitserse bioloog en een Australische natuurkundige in het vakblad PLoS ONE.

De mens kan maar een magere drie basiskleuren waarnemen. De kegeltjes in ons netvlies zijn namelijk maar voor drie vormen van licht gevoelig.

De onderzoekers plozen de lichtgevoeligheid van de kreeften uit door de ogen te prepareren en te beschijnen met verschillende vormen van licht. Zo konden ze zien op welke frequenties licht de lichtcellen in de ogen reageerden.

Andere dieren zien ook bepaalde vormen van gepolariseerd licht, maar niet zoveel tegelijk als de bidsprinkhaankreeft.

Hiermee ziet hij een wereld ontoegankelijk voor elk ander dier op de wereld. Waarschijnlijk kan hij zo de doorzichtige diertjes zien die hij lekker vindt, schrijven de onderzoekers in hun artikel. Deze kleine beestjes zitten vol met suikers die gepolariseerd licht uitstralen, waardoor ze voor de bidsprinkhaankreeft oplichten en makkelijk te zien zijn.

Steijn van Schie

Karatekreeft

Zeedier piekt prooi dood

Een enge zeekreeft uit de tropen blijkt zijn tegenstanders dood te timmeren met de krachtigste karateklap uit de natuur. De ‘bidsprinkhaankreeft’ heeft zelfs een vreemdsoortige trekker in zijn skelet ontwikkeld om de moeder aller doodschoppen uit te delen.

“De gladiator van het koraalrif”, wordt hij wel genoemd. En het moet gezegd: de bidsprinkhaankreeft (Odontodactylus scyllarus) is niet bepaald een watje. Zelfs de kranigste straaljagerpiloot zou de versnelling waarmee het diertje zijn poot in beweging brengt niet overleven. Tot meer dan tienduizend g bedraagt die versnelling – achtbanen gaan tot een g’tje of vijf, een mens is dood bij vijftien.

‘Poot’ is trouwens niet helemaal het juiste woord. De kreeft mept er namelijk op los met een soort steenachtige knuppel die aan zijn lijf bungelt. Een echte naam voor het lichaamsdeel bestaat niet; in de literatuur worden termen gebruikt als ‘voedingsuitsteeksel’, ‘hiel’ of ‘wijsvinger’.

Strikt genomen is het accurater om te zeggen dat de kreeft zijn voedsel dood piekt. Tussen haakjes: in het Nederlands spreekt men van een ‘kreeft’, in het Engels heet het beest ‘garnaal’ (‘mantis shrimp’)

Amerikaanse biologen hebben nu ontdekt hoe de kreeft/garnaal zijn kunstje lapt. Uiteraard maakt het dier gebruik van een katapult, zoveel was al snel duidelijk. Geen spier die binnen drie duizendste seconden tijd een knuppel vanuit stilstand kan versnellen tot meer dan tachtig kilometer per uur.

Opnames met de hogesnelheidscamera leerden dat de kreeft een soort pistooltrekker gebruikt. Denk aan een zadelvormig stukje kraakbeen, dat deel uitmaakt van het exoskelet van het dier. Tegen etenstijd drukt de kreeft zijn knuppelvinger tegen zijn lijf en bouwt hij de spierspanning op, zodat de knuppel onder enorme druk komt te staan. De hele constructie wordt intussen op zijn plaats gehouden door een ingenieuze scharnier, met de trekker als sluitstuk. Uiteindelijk haalt de kreeft de trekker over, waarna het dier er lustig op los timmert.

S. Patek en collega’s van de Universiteit Berkeley van Californië zagen op de hogesnelheidsopnames dat er nóg iets gebeurt. Door de enorme waterverplaatsing ontstaan er bij de knuppel heel plaatselijk ‘cavitaties’, kleine lagedrukgebiedjes in het water. Die holtes vullen zich weer met water – letterlijk met een klap. Vandaar dat de kreeft een tikkend geluid maakt, dat van verre te horen is. Vandaar ook dat de onderzoekers op de film een raar lichtverschijnsel zagen. Dat licht ontstaat bij het gewelddadige dichtklappen van de holtes.

Sluit dit venster

Zeldzame, met hogesnelheidscamera gemaakte opname van een energie-ontlading, veroorzaakt door een dichtklappende waterholte (bij het pijltje). De kreeft gebruikt dergelijke energie-uitbarstingen om slakken open te breken en visjes te verlammen. (S. Patek, Nature)

Sluit dit venster

Doorsnede van de zwaaiende knuppel van de kreeft en de ‘trekker’ waarmee hij het scharnierende mechaniek bedient. (S. Patek, Nature)

De Twentse vloeistofonderzoekers Detlef Lohse en Michel Versluis ontdekten jaren geleden dat ook de garnaal ‘Alpheus heterochaelis’ gebruik maakt van dichtklappende waterholtes. Het dier beschiet er zijn tegenstanders mee en dankt zijn dagelijkse naam ‘pistoolgarnaal’ aan het lawaai dat met het dichtklappen van de cavitaties gepaard gaat. De Nederlanders becijferden destijds dat de hitte in een dichtklappende bubbel oploopt tot vijfduizend graden Celsius. Dat is de temperatuur van plasma, het spul waar ook de zon op draait.

Patek vermoedt dat ook de bidsprinkhaankreeft bubbels gebruikt om zijn slachtoffers te verlammen. Dat zou gek genoeg betekenen dat de slachtoffers van de kreeft niet worden doodgeslagen door de heftigste pets van de natuur, maar door waterbubbels.

Een keerzijde heeft het doldrieste gepiek van het garnaaltje 처처k. Het knuppeltje van het dier is gemaakt van steenachtig, gemineraliseerd weefsel, maar slijt snel. Bidsprinkhaankreeften vervellen daarom voortdurend. Om de paar maanden moet het dier het oppervlak van zijn slagvinger vervangen.

Maarten Keulemans

S. Patek, W. Korff en R. Caldwell: Deadly strike mechanism of a mantis shrimp. In: Nature, Vol. 428, 819-820 (2004)

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/17297838/;jsessionid=89CF01A8B3198B079BCBDE04594439DA”>

A Peacock Mantis Shrimp attacking a Emerald Crab.
RARE KERELS
‘Lichaam van zee-egel werkt als groot oog’
3 mei 2011
Zee-egels gebruiken waarschijnlijk het oppervlak van hun hele lichaam om te kunnen zien. Dat beweren Italiaanse wetenschappers in een nieuwe studie
De onderzoekers van het Anton Dohrn Zoölogisch Station in Napels hebben twee verschillende groepen lichtreceptoren gelokaliseerd in de honderden buisvormige zuigvoetjes waarmee zee-egels zich over de zeebodem verplaatsen.
De ontdekking suggereert dat de dieren de onderkant van hun lichaam als netvlies gebruiken. De rest van hun lichaam doet volgens de wetenschappers dienst als een schild tegen inkomend licht. Dat meldt National Geographic News
Pigmentcellen

Daarmee werkt het lichaam van een zee-egel waarschijnlijk op dezelfde manier als de ogen van de meeste dieren. In een oog kan het netvlies licht opvangen vanuit elke richting. De pigmentcellen daar omheen blokkeren licht vanaf de zijkant en achterkant, zodat de blik van de dieren is gericht op wat er voor hun ogen gebeurt.

De nieuwe bevindingen zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Raadsel

Tot nu toe was het een mysterie hoe zee-egels konden waarnemen. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat de dieren reageren op licht, terwijl ze geen ogen hebben. Verder beschikken zee-egels over veel genen die bij andere dieren worden geassocieerd met de ontwikkeling van het netvlies.

Uit de nieuwe studie blijkt dat de lichtreceptoren van de dieren niet op één plaats groeien zoals bij dieren met ogen, maar verspreid aan de onderkant van hun lichaam.

De functie van het stekelige bovenlichaam is overigens ook erg belangrijk voor het zicht van een zee-egel. Uit verschillende testen is naar voren gekomen dat zee-egels meer kunnen waarnemen naarmate er meer stekels op hun lichaam groeien..

_
.evolutie en kwallen
De vele ogen van de kwal
Sluit dit venster
De kwallen Tripedalia cystophora en Chiropsella bronzie hebben maar liefst 24 ogen. Waar gebruiken ze die in hemelsnaam voor? Foto: Anders Garm.

Links

Giftige zeewespen zijn kwallen met maar liefst 24 ogen. Waar gebruiken ze die in hemelsnaam voor? Een deel zorgt ervoor dat ze niet tegen allerlei obstakels opbotsen, ontdekten Zweedse onderzoekers.

In tegenstelling tot de meeste kwallen heeft de giftige zeewesp een nogal uitgebreid visueel systeem. Deze kwal, die onder andere in tropische zeeën bij Australië en de Filippijnen leeft, heeft namelijk 24 ogen. Anders Garm van de Lund Universiteit in Zweden vraagt zich af waarom: “Ons aanvankelijke doel was om te begrijpen waarom zo’n kleine kwal zo’n fascinerend visueel systeem heeft ontwikkeld”. Zijn voorlopige resultaten presenteert hij op de jaarlijkse bijeenkomst van de sociëteit voor experimentele biologie in Glasgow (UK).

Giftige zeewespen zwemmen actiever dan de meeste kwallen. Ze kunnen snel van richting veranderen en manoeuvreren zich listig tussen objecten door. Het is dus aannemelijk dat de ogen van deze gewiekste zeewesp een belangrijke rol spelen in de uitvoering van dit kunstje. Om dit te testen lieten onderzoekers het beestje in een bak met stromend water verschillende objecten ontwijken. En wat bleek? Gekleurde objecten ontweek de kwal, maar tegen doorzichtige objecten botste hij op. Een deel van het kijksysteem gebruikt de kwal voor navigatie.

Met de bovenste twee soorten ogen kijken ze door het water heen naar de wereld boven water. De overige twee soorten gebruiken ze om onder water te kijken. Het lijkt erop dat maar één van de twee soorten onderwaterogen de juiste resolutie heeft om objecten te kunnen detecteren. Dat maakt deze onderste ‘camera-ogen’ de meest waarschijnlijke kandidaat om de hoofdrol te spelen in objectontwijking bij deze giftige kwallen. Dat stukje van de puzzel is dus alvast opgelost. Het wachten is op het moment dat de Zweedse onderzoeker de rest van het kwallenogenmysterie onthult

LINKS
Photoreceptors of cnidarians/ Vicki J. Martin
Nilsson D-E, Gislain L, Coates MM, Skogh C, Garm A (2005) Advanced optics in a jellyfish eye.

a, The rhopalium shows the upper and lower lens eyes flanked by two pairs of simpler eyes. b, c, The live lower eye displays a mobile pupil. In b the eye was exposed for about 10 min to light intensities corresponding to direct sunlight, which is enough to close the pupil maximally. The fully open pupil in c is the result of total darkness for 10 min. Pupil adjustments take about 1 min. d, An accurate anatomical model. The sagittal section contains the statolith and the internal structure of the two lens eyes. The spherical lenses are surrounded by a cellular capsule, the inner part of which forms the equivalent of a vitreous body between lens and retina. Iris constriction in the large eye is caused by contraction of the outer part of the lens capsule. The lower eye is rotationally symmetrical, but the upper eye is only bilaterally symmetrical (front view shown to the right). Receptor outer segments fill the retina of both lens eyes. The alignment of receptor outer segments is unusual, especially in the upper eye, where receptor axes converge on a point at one side of the lens. Scale bars, 100 µm.

BACK TO ARTICLE

ac, Upper eye; df, lower eye. In a and d the refractive index is plotted as a function of radial position in the lenses (values from six lenses of each kind, normalized to unity radius). In the upper-eye lens (a) the refractive index follows a near-parabolic profile, whereas the lower-eye lens (d) has a homogeneous centre and a gradient only in the outer half. Curves fitted to the data (grey traces in a and d) were used to calculate the ray paths in b and e. From these it is obvious that the lens of the upper eye forms a much better image than that of the lower eye. The upper-eye lens produces an almost aberration-free focus at a distance of 3.3 radii from the lens centre, whereas the lower-eye lens displays positive spherical aberration, with focal lengths ranging from 2.6 to 3.7 lens radii. c, f, The difference in image quality was confirmed by direct observation of images produced behind fresh isolated lenses. A grating object at infinity generates a crisp image behind a lens of the upper eye (c), but the same object imaged by a lens from a lower eye is contaminated by considerable aberration blur (f). The difference in image magnification is a consequence of the different focal lengths. Scale bars, 25 µm.

a, The optical models were used for tracing rays through the lens and retina and computing the absorption of light in selected single photoreceptors (red bars). Rays were traced in three dimensions, and by calculating receptor absorption at different incident angles of the ray bundle it was possible to generate receptive field maps for any receptor in the eyes. b, c, Receptive fields of receptors in the upper eye (b) and the lower eye (c). The top panels in b are for the central and peripheral receptors in the upper eye, as indicated in a. Note that the tilted receptors cause asymmetric receptive fields. The bottom panel in b shows the receptive field of a peripheral receptor in the perpendicular plane of the upper eye (see frontal view in Fig. 1d). Because the lower eye (c) is rotationally symmetrical, the perpendicular plane is identical with that shown in a. The top panels are modelled with an open pupil, for central (left) and peripheral (right) receptors (see red bars in a). The bottom panels are for the same receptors under a closed pupil. The sensitivity of the receptors was normalized to 100% in accordance with the colour map in b.

 

Nilsson D-E, Gislain L, Coates MM, Skogh C, Garm A (2005) Advanced optics in a jellyfish eye. Nature 435:201-205.
Department of Cell and Organism Biology, Lund University, Zoology Building, Helgonavagen 3, 22362 Lund, Sweden. dan-e.nilsson@cob.lu.se
Abstract
Cubozoans, or box jellyfish, differ from all other cnidarians by an active fish-like behaviour and an elaborate sensory apparatus. Each of the four sides of the animal carries a conspicuous sensory club (the rhopalium), which has evolved into a bizarre cluster of different eyes. Two of the eyes on each rhopalium have long been known to resemble eyes of higher animals, but the function and performance of these eyes have remained unknown. Here we show that box-jellyfish lenses contain a finely tuned refractive index gradient producing nearly aberration-free imaging. This demonstrates that even simple animals have been able to evolve the sophisticated visual optics previously known only from a few advanced bilaterian phyla. However, the position of the retina does not coincide with the sharp image, leading to very wide and complex receptive fields in individual photoreceptors. We argue that this may be useful in eyes serving a single visual task. The findings indicate that tailoring of complex receptive fields might have been one of the original driving forces in the evolution of animal lenses.PMID: 15889091 [PubMed – in process]
Dawkins over de evolutie van het” oog ” 
Gradualisme
Volgens Darwins theorie gaat de evolutie met hele kleine stapjes.
Dit noemen we het gradualistische model.
Dit model heeft veel kritiek gekregen, omdat de oorsprong van ingewikkelde organen zoals het oog moeilijk voorstelbaar is in kleine stapjes.
—> een oog ontstaat geleidelijk, zoals al die andere briljante inrichtingen als de zovele , tussen -produkten van de voortgaande evolutie ? …
” …Ik moet eerlijk bekennen dat de veronderstelling dat het oog, met zijn onnavolgbare trues om de brandpuntsafstand op verschillende afstanden in te
stellen,verschillende hoeveelheden licht toe te laten en sferische en chromatische aberraties te corrigeren, gevormd zou kunnen zijn door natuurlijke
selectie, buitengewoon absurd lijkt….”
( Darwin )
Misschien werd Darwin beinvloed door de problemen die zijn vrouw Emma hiermee had. Vijftien jaar voor de “origin of species “ had hij een lang artikel geschreven waarin hij de theorie van evolutie door natuurlijke selectie uiteenzette.
Hij wilde dat Emma het zou laten publiceren voor het geval hij zou overlijden, en liet het haar lezen.
De aantekeningen die ze in de kantlijn maakte zijn bewaard gebleven, en het is heel interessant dat ze juist zijn suggestie dat het menselijk oog “misschien verkregen is door geleidelijke selectie van geringe, maar altijd nuttige afwijkingen” eruit lichtte.
De aantekening van Emma luidt:
‘Vergaande veronderstelling / E.D/
Lang nadat De oorsprong der soorten verschenen was, gaf Darwin in een brief aan een Amerikaanse collega toe:
‘Het oog bezorgt me tot op de dag van vandaag koude rillingen, maar als ik denk aan de fijne gradaties die bekend zijn, zegt de rede me dat ik mijn
rillingen moet overwinnen.”

Dawkins ;
Darwin beschouwde zijn twijfel echter als een uitdaging om verder te denken, niet als een welkom excuus om ermee op te houden.”
1.- Hoe kan een onwaarschijnlijk geavanceerd instrument als het oog ontstaan uit een reeks van minieme veranderingen die allemaal op zich gunstig moeten zijn voor het overleven van het individu dat die minieme verandering ondergaat?
Voor het antwoord op die vragen verwijst men veelal naar Richard Dawkins die op minutieuze wijze aantoont dat een oog inderdaad gevormd kan worden in
vele honderden geleidelijke stapjes die allen op zich concurrerende voordeel bieden aan het individu dat de stap zet.
Dawkins toont aan dat het wonder van het ontstaan van het oog dan wel een zeer onwaarschijnlijk pad is, maar wel degelijk een mogelijk pad.
2.- En hoe kan dit proces zich dan weer herhalen in zoveel verschillende takken van de evolutie?
Hoe is het mogelijk dat ditzelfde (? op zijn minst de insekten hebben een “ander” oog ) pad in de natuur in de loop der tijd letterlijk honderden
malen gevolgd is door verschillende soorten (zowel samengesteld als kamera -oog zijn op vele plaatsen in de evolutie onafhankelijk van elkaar tot ontwikkeling gekomen ? )
Het is wel zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijk complexe ontwikkeling elke keer leidt tot hetzelfde identiek resultaat, te weten ons huidige vertebraten oog
ondanks het voor de hand liggend feit dat het oog in zijn verschillende vormen van complexiteit gebaseerd is op dezelfde technische principes ;
Het zou echter vreemd zijn als het leven zich niet zou richten naar de wetten van de natuur(kunde)en de optica in het bijzonder .
(zie over dat laatste (Conway morris )—> ;
—> ook het oog moet zich telkens weer hebben ontwikkeld MAAR zoals nu duidelijk is aangetoond bestaan er minstens twee verschillende “hogere” oogsoorten
die BEIDEN traceerbaar/herleidbaar zijn tot een verschillende oorsrpong in “hersencellen “en daardoor volgens andere principes zijn geevolueerd ( facetoog en camera-oog )
—>Platynereis dumerilii
Andere modellen
Er zijn ook andere evolutie- modellen bedacht….
Micro- en macro-evolutie en “saltationisme “
Naast kleine verschillen binnen een soort zien we grotere verschillen tussen soorten, nog grotere tussen geslachten, enzovoort.
Voor sommigen (= de creationisten dus ) was dat reden om aan te nemen dat er verschillende processen een rol spelen.
Er zouden ( volgens dde onterpretaties en definities van de creationisten )veranderingen zijn die niet leiden tot nieuwe soorten, ook wel microevolutie genoemd,
en veranderingen die wel leiden tot nieuwe soorten, nieuwe kenmerken en bouwplannen, macro-evolutie genoemd.
Vooral voor het ontstaan van grote verschillen en ingewikkelde structuren, zoals ogen, waarvan men zich het nut niet kan voorstellen in een opbouwfase,
als het half af is, werden
‘sprongmutaties’ bedacht.
De geneticus Goldschmidt dacht dat er nu en dan een
hopeful monster “”ontstond, een volkomen nieuw type dat op een of andere manier toch in leven bleef.
(Hij vertelde er niet bij waar dit arme monster dan een partner kon vinden. )
Dit model heeft de laatste tijd
opnieuw de aandacht getrokken van de ontwikkelings -biologie ( EVO -devo ) zogenaamde macro-muaties ( als veranderingen in het bouwplan —>en is vooral in verband gebracht met de ontdekking van homeobox en hox-genes als de “ master switches ” van ontwikkelingen in de levenscyclus ….
Punctuated equilibrium
Het idee van sprongsgewijze ( saltatie) in plaats van graduele veranderingen lijkt ondersteund te worden door de fossielen.
Hier zien we vaak soorten lange tijd nauwelijks veranderen, om er dan plotseling anders uit te gaan zien, waarna ze weer lange tijd gelijk blijven.
Het ( geologisch paleontologisch ) ontbreken van zulke schakels (= missing links) tussen de typen was al lang bekend en werd toegeschreven aan de onvolledigheid van de fossielen.
De kans dat een soort fossiliseert, is immers erg klein en afhankelijk van allerlei verschillende factoren.In 1972 bedachten de Amerikaanse paleontologen Eldredge en Gould dat de fossiele overlevering misschien helemaal niet zo onvolledig was, maar dat de
soorten in zo korte tijd sterk veranderden dat de kans op het vinden van fossielen van die zogenaamde tussenvormen erg klein was.
Er waren er simpelweg te weinig van. Zij noemden dit verschijnsel punctuated equilibrium, onderbroken evenwicht.
Langzame en snelle evolutie
Als ondersteuning van het model van punctuated equilibrium is wel aangehaald, dat het overeenkomt met wat men waarneemt als een populatie van weinig
individuen plotseling explosief groeit: in korte tijd treden veel veranderingen op.
We spreken dan echter wel over een heel andere tijdschaal.
Een populatie kan in tien, vijftien jaar sterk veranderen.
Bij punctuated equilibrium moeten we volgens Gould toch denken aan 챕챕n procent of minder van de totale leefduur van een soort.
Als een soort gemiddeld tien miljoen jaar zou bestaan, zou het bij punctuated equilibrium om een veranderingsperiode van 100.000 jaar gaan.
Het is dan ook de vraag of het zinnig is deze vergelijking te maken.

Een ander probleem bij dit model is, dat het vaak moeilijk is vast te stellen of opeenvolgende fossiele typen tot dezelfde ontwikkelingslijn behoren of
onafhankelijke lijnen vertegenwoordigen.
Grote en kleine verschillen
Als we praten over grote en kleine verschillen, gaat het om subjectieve waarneming.
Stel, je hebt een plantensoort met twee rassen: éé met rode en één met gele bloemen.
Er is een verwante soort met blauwe bloemen.
Is het verschil tussen rood en geel kleiner dan tussen rood en blauw?
Wellicht is het zinvoller door te dringen tot de kern van de verschillen, namelijk het DNA.Een maat voor verschillen zou het aantal verschillen in organische basen kunnen zijn.
Maar ook dit geeft geen uitsluitsel, want basen kunnen meerdere malen vervangen worden zonder dat het later is terug te zien aan het DNA.
Het lijkt het beste het hele verhitte debat over snelheid van verandering en grootte van verschillen voorlopig te laten voor wat het is en de aandacht te
richten op de vraag: hoe ontstaan in het DNA nieuwe eigenschappen?
Dawkins’ evolutionaire berg
Een van Richard Dawkins’ favoriete beelden is een hoge berg, de ‘Mount Improbable’ uit de Engelse titel van het boek ‘ climbing Mount Improbable “,
waarvan de hoogte het ontwikkelingsniveau van organismen verbeeldt.
Hoe hoger je komt, hoe moeilijker het wordt om je voor te stellen dat zulke organismen door natuurlijke selectie ontstaan zijn.
Wat Dawkins laat zien is dat het voorstellingsprobleem er vooral in zit dat we te grote stappen nemen.
Elk evolutieproces kan opgedeeld worden in evolutionaire stapjes die zo klein zijn dat je je opeens wel kunt voorstellen dat die door selectie op basis
van genetische variatie genomen kunnen worden. ( gradualisme dus )
Wij zien de steile kliffen van Mount Improbable, maar buiten ons gezichtveld, aan de achterkant zogezegd, ligt een lange, licht glooiende helling
waarlangs de gebrekkigste wandelaar nog schuifelend de top kan bereiken — als ie daar de tijd maar voor neemt.
Zelfs zoiets perfects als het oog, dat Darwin soms al even deed twijfelen of zijn theorie wel deugde, blijkt in kleine stapjes te kunnen ontstaan.
En over zoiets veelbesprokens als de vleugels van vogels of vleermuizen, waarvan we keer op keer tot vervelens toe moeten horen van creationisten dat die
niet geleidelijk konden ontstaan omdat de tussenvormen — te vleugelig om mee te lopen, te potig om mee te vliegen — niet levensvatbaar zijn, blijkt een keurig
selectionistisch verhaal te vertellen…
Afzonderlijke ontwikkeling van ogen in de verschillende delen van het dierenrijk.
Dawkins ;
….. Door over ‘het ” oog te spreken doen we het probleem overigens geen recht.
Er zijn gezaghebbende schattingen gedaan dat het oog zich minstens veertig keer en waarschijniijk meer dan zestig keer heeft ontwikkeld, onafhankelijk van
elkaar in verschillende delen van het dierenrijk.
Soms maken die ogen gebruik van zeer verschillende principes.
Onder de veertig tot zestig ogen die zich onafhankelijk van elkaar hebben ontwikkeld heeft men negen verschillende principes gevonden.
Hoe weten we trouwens dat iets zich bij verschillende groepen dieren afzonderlijk heeft ontwikkeld?
1.- De ontwikkeling van het oog in een embryo.
Kikkers en pijliinkt-vissen hebben goede lensogen, maar in de respectievelijke embryo’s ontwikkelen ze zich zo volkomen anders dat we er zeker van zijn dat ze onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.
Dat betekent niet dat de gemeenschappelijke voorouder van kikkers en pijiinktvissen helemaal geen ogen had.
Het zou me niet verbazen als de gemeenschappelijke voorouder van alle nu levende dieren, die misschien een miljard jaar geleden leefde, “ogen” had,
al was het misschien niet meer dan een rudimentair gebied met lichtgevoelig pigment en kon hij alleen dag en nacht van elkaar onderscheiden.
( Nota ; camera-ogen en facetogen lijken alleszins herleidbaar op Platynereis dumerilii – achtige modellen ;
Maar de gecompliceerde, beeldvormende organen die wij tegenwoordig ogen noemen, hebben zich vele malen onafhankelijk van elkaar ontwikkeld,
soms min of meer volgens hetzelfde concept,
soms volgens zeer uiteenlopende concepten.
In mijn overzicht van de diversiteit van dierlijke ogen zai ik er vaak bij zeggen waar op de hellingen van het Onwaarschijniijkheidsgebergte elk type te
vinden is. Maar vergeet niet dat we het altijd hebben over de ogen van de huidige diersoorten, niet die van hun en onze voorouders.
Het is een prettige gedachte dat ze ons aanwijzingen zouden kunnen geven over de ogen van eerdere soorten, en ze bewijzen in elk geval dat ogen die
zich halverwege het Onwaarschijniijkheidsgebergte bevinden functioneren.
Dat is belangrijk, want ….
geen enkel dier (kan) zich handhaven door alleen maar een tussenstation op de evolutionaire weg te zijn.
Wat wij beschouwen als een halteplaats op de weg omhoog naar een geavanceerder oog, kan voor het dier zelf zijn voornaamste orgaan zijn geweest en voor zijn manier van leven, waarschijniijk het ideale oog.

—> Beeldvormende ogen met een hoge resolutie zijn bijvoorbeeld ongeschikt voor heel kleine dieren.

—> Ogen van hoge kwaliteit moeten een bepaalde minimumgrootte hebben – in absolute zin, niet ten opzichte van de lichaamsomvang van het dier -en hoe
groter hoe beter, eveneens in absolute zin.
—>Voor een heel klein dier zou de constructie van een groot oog waarschijniijk een te grote investering zijn,
terwiji het resultaat bovendien te lomp en te zwaar is om mee te dragen.
Zie ook de bijdrage van PLUK over het boek van Dawkins
” mount improbable
“Climbing Mount Improbable” van Richard Dawkins beschrijft de onwaarschijnlijke evolutie van het oog van de landvertebraten. Je kan op twee manieren “Mount Improbable” beklimmen zegt Dawkins, gewoon steil omhoog uitsluitend via de kansberekening, of via de achterkant langs de helling naar de top, langzaam-aan, want dan kan je mutatie en selectie laten meewerken. Op die helling kan je op de toppen van allerlei tussenheuveltjes eindstadia van ogensoorten aantreffen, zoals die van inktvissen, slakken, platwormen, insecten. Op de hoogste top is het hoornvlies+lens oog van de landvertebraten tot ontwikkeling gekomen door selectie uit de tussendalletjes. Een nabijgelegen iets lager gelegen “Mount improbable 2” is de berg waarop de eerste zich vermenigvuldigende moleculen en organismen uit de oersoep zijn ontstaan. De kans hierop is volgens de kansberekening 1:20100 of 1:10130. Die kans wordt vergeleken met de kans dat een Boeing 747 vliegklaar uit een metalen afvalberg voor je staat als er een wervelwind overheen blaast. De weg langzaam omhoog via de helling van “Mount improbable 2” naar de top, waar de zich vermenigvuldigende cellen ontstaan (er is denkt men 1-2 miljard jaar voor die tocht) is ook hier de oplossing, net zoals bij de ontwikkeling van het mensen-oog (hiervoor is 500 miljoen jaar beschikbaar). “Random mutation” maar vooral “non-random selection” langs de helling zijn ook hier de mechanismen Er wordt veel onderzoek gedaan naar, maar er is nog niets bekend over die zichzelf vermenigvuldigende voorlopermoleculen halverwege de helling …”
FIGUUR 5.1 .
Fantasieslak met ogen die groot genoeg zijn om even goed te zien als een mens.
Een slak zou er heel gek uitzien als hij het gezichtsvermogen van menselijke ogen had (zie figuur 5.1).
Slakken met ogen die lets groter zijn dan het huidige gemiddelde zouden misschien beter kunnen zien dan hum rivalen, maar de prijs die ze daarvoor zouden
betalen is heel veel extra gewicht, zodat hun overlevingskansen zouden afnemen.
Het grootste oog dat ooit is waargenomen heeft een doorsnee van 27 centimeter.
De reus die het zich kan permitteren dergelijke ogen mee te zeulen is een enorme pijiinktvis met tentakels van tien meter.

http://www.ucc.ie/ucc/research/adc/img/arch.jpg
giant squid caught in Irish waters in a demersal trawl. It measuring 20 feet with it’s tentacles outstretched and weighs 60lb.

Kolossale inktvis en voetbalgrote ogen

Het grootste oog, dat wetenschappers tot nog toe hebben onderzocht, behoort tot een zogeheten Kolossale inktvis uit de diepzee. Met 27 centimeter doorsnee is het duidelijk groter dan een voetbal uit de Belgische competitie (circa 22 centimeter). “Dit is werkelijk een fenomenaal oog”,berichtte de Nieuw-Zeelandse intvissenexpert Steve O’Shea woensdag in Wellington.495 kilogram
Zijn team onderzoekt in het nationaal museum Te Papa Tongarewa momenteel de Kolossale inktvis (Mesonychoteuthis hamiltoni), die vissers in februari 2007 in de Antarctische zee in hun netten naar boven haalden De 495 kilogram zware en tien meter lange diersoort is een van de grootste gevangen inktvissen ooit.Voorzichtig geconserveerd
De vissers hadden op zoek naar stokvis of heek, het dier toevallig gevangen. Het tweede oog werd daarbij vernietigd. Tot nog toe was het dier ingevroren, maar sinds maandag werd het in een bad chemicali챘n voorzichtig geconserveerd. De buitengewooon zeldzame vangst trok wereldwijd de aandacht van wetenschappers en camerateams. Met zijn enorme bek is de calamaris “gemakkelijk” in staat om de ruggengraat van twee meter lange vissen door te bijten, vulde O’Shea aan.Bek ver opentrekken
De bek van het dier bestaat uit twee delen. De beide helften – een is 42,5 millimeter lang – zijn apart in een weefsel “opgehangen”. Daardoor kan de bek veel verder opengetrokken worden als bijvoorbeeld bij een papegaai. De bek bestaat uit een bijzonder hard biologisch materiaal. In de maag van walvissen werden volgens de wetenschappers echter al calamarisbekken gevonden van 49 millimeter lang, wat erop wijst dat er nog veel grotere exemplaren van de Kolossale inktvissen bestaan.Vrouwtjesdier
Om het exemplaar nog dit jaar zoveel mogelijk in zijn originele vorm te presenteren, onderzoeken de zeebiologen de maaginhoud enkel met een endoscoop. Volgens wetenschappelijk assistente Kat Bolstad at de inktvis hoofdzakelijk heken, die het met zijn met haken uitgeruste tentakels buit maakte. De wetenschappers gaan met grote omzichtigheid te werk, omdat het zeer kwetsbare kadaver snel afbreekt. Intussen is het ook duidelijk geworden dat het om een vrouwtjesdier gaat: binnenin het kadaver troffen ze duizenden eitjes aan.
(belga/odbs)

Grote ogen reuzeninktvissen om vooral potvissen beter te zien

17 maart 2012

De 25-centimeter grote ogen van reuzeninktvissen zijn nuttig om hongerige potvissen van grote afstand in het donker te kunnen zien.

Dat schrijven onderzoekers van Lund University donderdag in Current Biology.

De ogen van de soort reuzeninktvis ( en van de soort kolossale inktvis ) zijn qua afmetingen vergelijkbaar met een voetbal. Het was onduidelijk waarom die kijkers zo enorm waren.( respectievelijk 25 en zelfs 27 centimer )

Grote ogen van dieren die onder water leven hebben geen nut als ze er prooi mee moeten kunnen zien die kleiner is dan henzelf. Daarom zijn de ogen van grote walvissen bijvoorbeeld maar 9 centimeter.

De onderzoekers gebruikten een wiskundig model voor kijken onder water.(1) Ze testten de voordelen van grote ogen voor een aantal taken en voor verschillende hoeveelheden licht. Hieruit bleek dat grote ogen niet veel beter zijn dan kleine, tenzij ze iets zien dat enorm groot is.

Potvis

De grote vijand van de inktvis is de potvis. Voor een potvis is een inktvisje niet te versmaden. De reuzeninktvis is zelfs ontdekt doordat biologen een paar tentakels in de maag van een aangespoelde potvis vonden.

Het voordeel van grote ogen voor reuzeninktvissen is niet alleen dat ze hun vijand ( op tijd ) kunnen zien. Zodra ze een potvis ontwaren, zijn ze ook in staat om eraan te ontsnappen.

Toch is het opmerkelijk dat de dieren zo goed kunnen waarnemen, terwijl ze tussen de 300 en 1500 meter onder water leven, een diepte waar geen daglicht meer het water binnendringt. De onderzoekers verklaren dit door bioluminiscentie: licht dat door kleine organismen wordt geproduceerd zodra het water beweegt, bijvoorbeeld wanneer een potvis langs zwemt.

De reusachtige kijkers zijn zeer lichtgevoelig In de donkere diepten van de zee kunnen inktvissen meer contrastverschillen waarnemen en verder kijken dan met kleine ogen het geval zou zijn.

Om contrastverschillen waar te nemen is er nog steeds licht nodig. Hebben die reusachtige ogen dan nog zin op een diepte van anderhalve kilometer of meer, wanneer het volledig donker is?

Jazeker, en wel door het verschijnsel bioluminescentie. Bioluminiscente dieren stralen licht uit. Dit geldt ook voor sommige soorten plankton. Wanneer die plankton verstoord wordt lichten ze op. Als de verstoring groot genoeg is kan de inktvis het oplichtende plankton zien en begrijpen dat er iets aankomt.

Het lichtgevoelige oog van de reuze- en de kolossale inktvis kan het zwakke licht van het plankton tot wel 120 meter ver opmerken. Dit betekent in de praktijk dat een watervolume van zeven miljoen kubieke meter in de gaten gehouden kan worden.

Hoewel de inktvissen in de donkere diepten ongeveer een voetbalveld ver zien kunnen de potvissen met behulp van sonar veel verder ‘zien’. Aangezien de inktvissen doof zijn voor de hoge frequentie van sonar, blijft zicht het enige hulpmiddel om aankomende jagers op te sporen.

Maar volgens biologen zijn de grote inktvissen snel genoeg om van die afstand aan de potvissen te kunnen ontsnappen. Het is dan ook geen toeval dat juist de grootste inktvissen de grootste ogen hebben, zeggen de onderzoekers: het lichaam dat nodig is om de ogen te laten groeien en mee te dragen is meteen ook snel genoeg om aan de jager te ontkomen die de ogen kunnen zien aankomen.

(1) Het nieuwe rekenmodel kan ook worden gebruikt om te voorspellen hoe ver andere dieren onder water kunnen zien.

Bron:
Dan-Eric Nilsson e.a., A unique advantage for giant eyes in giant squid. In: Current Biology

http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2012/maart/Grootste-ogen-op-aarde-zien-in-het-donker.html

Aan de hand van de standaard brandstofslang op de voorgrond is berekend dat het oog ongeveer 27 centimeter in doorsnee was. (De foto komt uit 1981)

© Kelly Carnes/ Smithsonian

Lichtgevoelige kijkers

Het is moeilijk te zeggen wat de gemiddelde grootte van de inktvisogen is, simpelweg omdat er nog niet heel veel over de twee grootste inktvissoorten bekend is. De biologen hebben zich daarom gebaseerd op een goed gedocumenteerde vangst met foto. Het oog van het zeemonster in kwestie was 27 centimeter groot met een pupil van 9 centimeter. Volgens het onderzoeksteam is er bij reuzeninktvissen en kolossale inktvissen sprake van buitenproportioneel grote ogen. Kleinere inktvissen hebben ook grote ogen (in vergelijking met andere dieren) maar bij de twee grootste inktvissen zijn de ogen naar verhouding nog groter.

Lichtgevoelige cellen ;

(Dawkins ) ;
Maar laten we nu eerst de voet van de hellingen van het gezichtsvermogen opzoeken, met alle beperkingen die de metafoor van het Onwaarschijnlijkheids-gebergte meebrengt.
We treffen daar ogen aan die zo simpel zijn, dat ze de naam “oog” nauwelijks verdienen.
We zouden beter kunnen zeggen dat het hele lichaamsoppervlak enigszins lichtgevoelig is.
Dit geldt voor sommige eencellige organismen, sommige kwallen, zeesterren, bloedzuigers en verschillende soorten wormen.
Deze dieren kunnen zich geen beelden vormen en zeifs niet bepalen uit weike richting het licht afkomstig is.
Het enige dat ze (vaag) waarnemen is de aanwezigheid van (fel) licht ergens in de nabijheid.
( fototropisme )

19200x.jpg (32441 bytes)

(Vreemd genoeg zijn er aanwijzingen dat de genitalien van zowel mannelijke als vrouwelijke vlinders cellen bevatten die op licht reageren.
Niemand lijkt te weten hoe vlinders deze cellen gebruiken, zeifs William Eberhard niet, wiens onderhoudende boek Sexual Selection and Animal Genitalia
mijn informatiebron is.)
Dat zijn allemaal niet beeldvormende ogen (of oog-vlekken) , maar ze merken het verschil tussen licht en donker op en vertegenwoordigen misschien een
soort beginpunt al swe het over de verre, evolutionaire oorsprong van ogen hebben.
Als we ons voorstellen dat de vlakte onder aan het Onwaarschijnlijkheids-gebergte bevolkt is door voorouderlijke dieren die geen enkele invloed van het licht ondergingen, bevinden de ongerichte lichtgevoelige huiden van zeesterren en bloedzuigers (en de geslachtsdelen van vlinders) zich maar lets hoger,
op het punt waar het pad begint.
Dat pad is niet moeiliJk te vinden.
Het is zelfs mogelijk dat de ^vlakte’ van totale ongevoeligheid voor licht altijd klein is geweest.
Misschien worden levende cellen altijd enigszins door licht beihvloed – een mogelijkheid die de geslachtsdelen van vlinders in een minder vreemd daglicht
plaatst. Een lichtbundel bestaat uit een rechte stroom fotonen.
Als een fbton een molecuul van een of andere gekleurde stofraakt, kan hij tot staan gebracht worden en kan het molecuul een andere vorm aannemen.
Als dat gebeurt komt er een beetje energie vrij.

Groene planten en groene bacterien gebruiken deze energie om voedselmoleculen aan te maken, volgens een proces dat fotosynthese wordt genoemd.

Bij dieren kan deze energie een reactie in een zenuw uitlokken, en dat is de eerste stap in het proces dat wij ‘zien’ noemen, ook bij dieren die niets
hebben waarin wij een oog kunnen herkennen.
( zie alweer http://groups.msn.com/evodisku/glosop.msnw?action=get_message&mview=0&ID_Message=655&LastModified=4675495908525631190 die deze ” link” die door dawki,ns tussen oog en zenuw wordt gelegd zonder meer documenteerd )
 
Allerlei gekleurde pigmenten lenen zich voor die eerste fase.
Deze pigmenten zijn in overvloed aanwezig, ook om andere redenen dan het opvangen van licht.
De eerste voorzichtige stap-jes omhoog bestonden waarschijniijk uit een geleidelijke verbetering van de pigmentmoleculen.
Het is een zacht glooiende, ononderbroken helling die zonder moeite met kleine stappen beklommen kan worden.

Euglena


Phototrophic species possess an eye-spot made of carotenoids (directed swimming to light source = phototaxis)http://www.bigelow.org/cytometry/Image_gallery/PCILIATE.html
http://www.bigelow.org/cytometry/Image_gallery/PNAN.html

The process of Secondary endocytobiosis:

an already phototrophic unicellular eukaryote is engulfed by another (here) heterotrophic eukaryotic cell (a) resulting in a “supercell” (b). The redundant compartments are eliminated (c) until only the remaining second pair of membranes identifies the complex plastid as a formerly free living cell


Licht op Hydra

maandag 15 maart door pierra

De zoetwaterpoliep van het geslacht Hydra, een simpel diertje dat sterk verwant is met kwallen en koraal, heeft geen ogen maar is wel gevoelig voor licht. Het is moeilijk om ze in de natuur waar te nemen, want zodra er een lichte schaduw over ze valt, trekken ze zich als een bolletje terug. Nu hebben deze simpele, haast primitive diertjes geen ogen, maar een recente studie wijst uit dat ze gebruik maken van opsine, net zoals gewervelden.

Opsine maakt deel uit van ons oog. Deze proteine bevindt zich in de kegeltjes en

verandert van conformatie wanneer er licht op valt. Hierdoor worden ionenkanalen geactiveerd. Dit elektrische signaal bereikt via de zenuwcellen de hersenen.

De onderzoekers tonen aan dat de zoetwaterpoliep, net als wij, opsine heeft en daarmee dezelfde soort ionenkanalen activeert. Zodra ze de ionenkanalen blokkeerden waren de diertjes niet meer in staat te reageren op licht: ze worden dus net als bij ons gebruikt voor fototransductie.

De onderzoekers vergeleken daarna 22 zeer uiteenlopende dieren en toonden aan dat hydra’s en mensen opsine-genen bezitten die voortkomen uit een gemeenschappelijk voorouderlijk gen. Ze concluderen dat Hydra het meest primitieve dier is met functionele opsines en dat dit organisme de oorsprong van dierlijke fototransductie vertegenwoordigt. Dit systeem evolueerde vervolgens in het meer complexe oog.

HydraVan internet: Hydra

Nu gebruiken creationisten vaak het argument dat het oog, zo complex als het is, nooit geëvolueerd zou kunnen zijn. Elk onderdeel van het oog heeft op zich namelijk geen functie als de andere delen ontbreken. Een half oog bestaat niet wordt er beweerd. Richard Dawkins gaf in 1991 zijn Christmas Lectures, (zie ook widget rechts) waarin hij op een leuke manier, waarbij hij de kinderen uit het publiek erbij betrekt, laat zien hoe het oog geëvolueerd kan zijn. Het filmpje hieronder is een ‘chop’ uit deze lezing en duurt slechts een kwartier. De moeite waard

Hydra ziet wat hij eet

maart 6, 2012 2 reacties

Niet lang geleden is er aangetoond dat de zoetwaterpoliep Hydra genen voor opsine bezit. Dit eiwit, dat van conformatie verandert zodra er licht opvalt, zet ionenkanalen in beweging waarmee hetzelfde proces van fototransductie geactiveerd wordt zoals men dat in het oog van de mens aantreft. Het diertje heeft geen ogen maar is middels deze fototransductie gevoelig voor licht. Het kan daarop reageren door zich samen te trekken en te verplaatsen.

Een Hydra die een watervlo verorbert. Foto van Charles Krebs

Hydra eet watervlo

Hydra maakt deel uit van de familie Cnidaria. Deze familie bestaat uit dieren met radiale symmetrie waarvan de kwal het meest bekende voorbeeld is. De zoetwaterpoliep jaagt op watervlooien (zoals Daphnia) en plankton en vangt zijn prooi met de tentakels.

Recent onderzoek wijst uit dat het gen opsine vooral tot uitdrukking komt in de tentakels van Hydra. In de tentakels bevinden zich de cnidoblasten die middels nematocysten giftige stekels op prooien kunnen afvuren. Deze stekels worden ook wel gebruikt als verdediging. Ze blijken nu via een primitief zenuwstelsel in verbinding te staan met lichtgevoelige zenuwcellen. Dit systeem verklaart hoe Hydra kan reageren op licht terwijl het geen ogen heeft. Het is mogelijk dat deze lichtgevoeligheid gebruikt wordt om schaduwen te detecteren die de prooidieren werpen.

Tentakels van Hydra. Het spierweefsel is groen, cnidoblasten en zenuwcellen zijn rood en de celkernen zijn blauw

Hydra Opsine

Hydra bestaat al zo’n 600 miljoen jaar. Hoewel het systeem waarmee ze licht gebruiken en hun prooien vangen erg simpel is, is de weg waarlangs zich dit afspeelt gelijk aan dat van de mens of aan de ogen van andere dieren in het algemeen. Dit duidt op een gemeenschappelijke voorouder.

De zoochlorella zijn duidelijk zichtbaar net zoals de cnidoblasten waarvan enkelen hun nematocysten hebben afgevuurd. De nauwelijks zichtbare uitsteeksels zijn de afgevuurde harpoenachtige pijlen.

Cnidoblasten in tentakel Hydra

Uit: Scientific American, ScienceDaily, BMCBiology

, , ,, , ,


(Dawkins )

Een geringe toename van pigmentcellen kwam uit bij de evolutie van het levende equivalent van een fotocel, een cel die zich ontwikkelde om met behulp van een pigment fotonen te vangen en de inwerking ervan om te zetten in zenuwimpulsen.

Ik zal het woord fotocel blijven gebruiken voor de cellen in het netvlies (bij de mens staafjes en kegeltjes genoemd) die gespecialiseerd zijn in het vangen van fotonen.
De truc die ze daarbij toepassen is toename van het aantal pigmentlagen dat fotonen kan vangen.
Dat is belangrijk, omdat de kans groot is dat een foton dwars door een pigmentlaag heenschiet en ongedeerd aan de andere kant weer te voorschijn komt.
Hoe groter het aantal pigmentlagen, hoe groter dus de kans dat een foton gevangen wordt.
Maar waarom is het aantal fotonen dat gevangen en het aantal dat doorgelaten wordt zo belangrijk?
Zijn er niet altijd fotonen in overvloed?
Nee.
En dat is fundamenteel voor ons inzicht in de structuur van het oog.
Er is een soort fotoneneconomic, die even benepen is als de menselijke economie en een onvermijdelijke ruilhandel met zich meebrengt.
Maar voordat we ingaan op het interessante gegeven van de economische ruilhandel:
het staat vast dat er op sommige momenten een tekort aan fotonen is in
absolute zin.
Fotonen arriveren op willekeurige momenten, net als regendruppels. Als het serieus regent weten we dat en zouden we willen dat we onze paraplu niet in de
bus hadden laten liggen. Maar als het zachtjes begint te spetteren, hoe weten we dan op welk moment het nog niet regent en op welk moment wel?
We voelen een druppel en kijken bezorgd omhoog, totdat een tweede en een derde druppel ons overtuigen.
Wanneer regendruppels zo onregelmatig neervallen zai de een zeggen dat het regent en de ander dat het niet regent – de druppels vallen soms zo onregelmatig
dat er een minuut kan verstrijken voordat de ander ook geraakt wordt.
We merken pas dat er werkelijk licht is, als de fotonen ons netvlies met een redelijk grote regelmaat raken.
…. Toen Juliet en ik in de richting van de komeet van Halley stonden te kijken, werden de individuele fotocellen in ons netvlies waarschijniijk geraakt
met het onwaarschij’nlijk trage tempo van een per veertig minuten! Dat betekent dat eike fotocel zou zeggen: Ja, er is licht’,
terwiji de meerderheid van de na-burige fotocellen zou zeggen dat er geen licht was.
Fotocellen ;
De enige reden waarom ik iets waarnam van een komeetvormig object was dat mijn hersenen de mening van honderden fotocellen samenvoegden. ….
Twee fotocellen vangen meer fotonen dan een.
Drie vangen er meer dan twee, en zo gaat het verder omhoog langs de helling van het Onwaarschijniijkheidsgebergte.
Geavanceerde ogenzoals de onze hebben miljoenen fotocellen, dicht opeengepakt als de pool van een tapijt, die elk zijn ingericht om zoveel mogelijk fotonen te vangen.

Structuur van het menselijke Netvlies ( Retina )
Staafjes zijn gespecialiseerd in het opvangen van weinig fotonen (nachtzicht )
De synapsen “vuren” af bij veel lagere drempelwaarden van aantallen gevangen fotonen dan
Kegeltjes ; die laatste soort fotocellen zijn gespecialiseerd in “kleurenzicht” en hebben een groot oplosvermogen (kontrasten en “pixels” )maar zullen veel meer fotonen nodig hebben ..vooraleer ze werken .
De stof waaruit de ” laagjes ” bestaan is ook verschillend =
Rhodopsine bij staajfes …
Er bestaan drie verschuillende soorten kegeltjes en drie verschillende kegeltjes -opsines ( voor de detectie van rood , blauw , groen )
Een ‘biologische fotocel om fotonen te vangen:
een menselijke netvliescel (staafje).
(Deze figuur )…. laat een geavanceerde fotocel zien, in dit geval een menselijk exemplaar, maar de andere wijken er niet sterk van af.
De wriemelende massa van wat op het eerste gezicht een kolonie maden lijkt, bestaat uit mitochondrien. Dat zijn kleine lichaampjes die in cellen leven.
Oor-spronkelijk stammen ze afvan parasitaire bacterien, maar ze hebben zich onmisbaar gemaakt bij de energieproductie in al onze cellen.
Een zenuw fungeert als verbindingsdraad van de fotocel .
Het fraaie, rechthoekige geheel van membranen opgebouwd met militaire precisie, is het gedeelte waar de fotonen gevangen worden.
Eike laag bevat moleculen met het cruciale, fotonen vangende pigment
(rhodopsine ) .
Het exacte aantal lagen is niet zo belangrijk: hoe meer hoe liever , wat het vangen van fotonen betreft, maar er zijn overheadkosten die een te groot
aantal lagen onwenselijk maken.
Het punt is dat eenennegentig membranen effectiever zijn dan negentig, terwiji negentig effectiever zijn dan negenentachtig, enzovoort, tot aan
een membraan, dat meer fotonen vangt dan geen membraan.
Dat is wat ik bedoel als ik zeg dat het Onwaarschijniijkheidsgebergte een geleidelijke stijging vertoont.
We zouden met een steile helling te maken hebben als bijvoorbeeld alles boven de vijfenveertig heel effectief was, terwiji elk aantal lager dan
vijfenveertig geen enkel effect had. Maar noch het gezond verstand noch de gegevens waarover we beschikken wijzen in de richting van zo’n plotselinge
discontinuiteit.
Inktvis fotoreceptor
Zoals we hebben gezien ontwikkelden pijiinktvissen gelijksoortige ogen, onafhankelijk van de gewervelde dieren.
Zelfs hun fotocellen vertonen overeenkomsten.
Het belangrijkste verschil is dat de lagen van de inktvis niet als een stel schijven is opgestapeld, maar ringen vormen rondom een holle buis.

25 kb gif
Schematic diagram of a slice of squid retina (centre) with expanded areas showing the structure of a retinula cell (left)
and the arrangement of the photoreceptor membranes in the rhabdomes (right).
The photoreceptor layer of the retina (centre, vertical stripes) faces the incoming light and the cut-away region shows the appearance of the receptor mosaic in transverse section.
The ribbon-like outer segments of the photoreceptor cells weave together into a retinal mosaic with the microvilli running in two orthogonal directions
(right). (Rh) rhabdome, (ON), optic nerve, (EC), extracellular space, (IC), intracellular space.

Squid and octopus eyes

http://www.bumblebee.org/invertebrates/Cephaopoda.htm

Resemble vertebrate eye and confer similar visual acuity, evolved independently of
vertebrate eyes- convergent evolution, show some structural and functional similarities to vertebrate eyes:

  • Eyeball roughly spherical, light focused onto retina by lens
  • In many of these species lens can be moved to focus on objects at various distances ie. accommodation
  • In squids and octopuses eyeballs can be moved in head by three pair of extraocular muscles as in vertebrates
  • Evidence suggests that squid and octopuses have reflexes for stabilizing moving image on retina as in vertebrates
  • In some squid specialized area of retina where photoreceptors more densely packed like fovea in some vertebrate eyes Absolute numbers of photoreceptors similar 20,000 to 50,000/mm2 in shallow water squid
  • Color vision absent, all photoreceptors equivalent to rods

Evidence of independent evolution

  • Retinas of squid and octopuses arranged inside out compared to vertebrates, photoreceptors face pupil rather than back of eyeball
  • Fewer cell types in molluscan retina, more visual processing takes place in brain
  • Photosensitive parts of photoreceptors are arranged in rhabdoms like those of insect, not like rods of vertebrate

http://en.wikipedia.org/wiki/Cephalopod

THE ( embryologic ? ) DEVELOPMENT OF THE SQUID.
LOLIGO PEALII (LESUEUR).
http://www.mbl.edu/publications/pub_archive/books/Brooks/

http://www.bio.davidson.edu/people/midorcas/animalphysiology/websites/2003/Muller/development%20of%20the%20cephalopod%20eye.htm
Ontogenese van inktvis en vertebraten oog 


 


Verschillende oplossingen ;
Oppervlakkige verschillen zijn in de evolutie heel gebruikelijk, om dezelfde onlogische reden waarom Engelse schakelaars aangaan als ze worden ingedrukt
en Amerikaanse schakelaars uitgaan als ze worden ingedrukt
.
Alle geavanceerde dierlijke fotocellen laten( bij het ontwikkelen van een oog ) allerlei varianten van een zelfde truuk zien, namelijk de toename van het aantal lagen van pigmentrijke membranen die een foton moet passeren om ongedeerd te kunnen worden ingevangen en omgezet in pulsen
Dit soort van varianten( en optimaliseringen van ) op één truc ; verbeteringen en gradaties die neerkomen op ” meer van hetzelfde ” en inrichtingen of “toestellen ” die dezelfde functies vervullen (maar soms gebaseerd zijn op “andere ” bouw- principes ) , zijn argumenten tegen de bewering dat er één enkele ID ( common design by a single common designer en af te leiden uit de” fingerprints “of de “stijl ” van de ontwerper ) aan het werk is geweest die een vooraf bedacht IC( irreducible complex ) – ontwerp heeft uitgevoerd ;
Een blind en hersenloos ( trial en error ) knutsel- proces is namelijk nog veel plausibeler om deze verschillende “ontwerpen “te verklaren ….
Een derde Fotoreceptor ?
Tomaso
9 januari 2008
Op de middelbare school leren we bij de biologieles dat in ons oog twee types lichtgevoelige cellen zitten. De ene noemen we staafjes en de andere kegeltjes.
De kegeltjes zijn niet erg gevoelig voor licht, maar omdat we drie verschillende hebben die elk gevoelig zijn voor een andere golflengte zijn we in staat om er kleuren mee te onderscheiden.
De staafjes zijn gevoeliger, maar komen maar in 1 golflengtegevoelig typevoor, zodat we er ook bij schemering mee kunnen zien, maar niet meer verschillende golflengtes kunnen onderscheiden en dus geen kleuren kunnen onderscheiden.In Current BiologyschrijftRussell van Gelder een artikel over een derde lichtreceptor in ons oog, waarmee ook lichtinformatie kan worden opgevangen en doorgegeven aan de hersenen.
Een derde lichtreceptor naast staafjes en kegeltjes?
Jazeker! Je zult er bij de biologieles op de middelbare school voorlopig niet veel over horen, maar al meer dan 80 jaar bestond het vermoeden dat er nog een derde type moet zijn, in 2002 is hij inderdaad gevonden.
Deze receptor schijnt vooral verantwoordelijk te zijn voor het overbrengen van lichtinformatie naar onze biologische klok in de suprachiasmatische kern (ergens in de hypothalamus), het zorgt dat onze pupillen reageren op veranderingen in lichtsterkte en nog een paar andere zaken.Van Gelder begint zijn artikel met Clyde Keeler die in 1923 als jong studentje de opdracht kreeg om histologische preparaten te maken van de ogen van verschillende gewervelde dieren (u weet wel, vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren).
Keeler hobbiede in die tijd wat met wilde muizen die hij had gevangen en die hij fokte op zijn studentenkamertje. Hij besloot 1 van die muizen te gebruiken voor het preparaat. Zijn begeleider, Samuel Detwiler, was helemaal niet blij toen hij het preparaat van het muizenoog zag. Er was geen staafje of kegeltje te zien. Detwiler dacht dat Keeler maar wat stond te prutsen en dreigde hem uit het graduate program te gooien.Detwiler had het mis en Keeler kon uiteindelijk laten zien dat de muizen, door een mutatie, geen pigmentcellen meer hadden (Keeler Proc Natl Acad Sci 1924).
De muisvariant werd rodless gedoopt. Een paar jaar later (Keeler Am J Physiol. 1927) toonde hij, ondanks dat de dieren duidelijk niets konden zien, dat de pupillen van de dieren nog wel reageerden op veranderingen in lichtsterkte.
Op zo’n moment moet Keeler een echt WAUW! gevoelhebben gehad, maar zo schrijf je dat dan niet in je publicatie natuurlijk.Keeler schreef:
…we may suppose that a rodless mouse will not see in the ordinary sense. Nevertheless, we can imagine the possibility of other forms of stimulation by light, such as through absorption by pigment cells, the contraction of the iris, or direct stimulation of the internal nuclear or ganglionic cells in the case of absence or faulty development of the external nuclear layer or of the rods.Pas in de jaren ’90, mede door de mogelijkheden van genetische manipulatie, werd dit onderzoek weer aangejaagd, voornamelijk doorRussel Foster, en werd er flinke vooruitgang geboekt.
Jammer genoeg voor Foster was hij niet (co-)auteur van het artikel die uiteindelijk de ‘boosdoener’ aanwees.
Dit was een groep rond David Berson die in 2002 in Science liet zien dat een gedeelte (subpopulatie) van de retinale ganglioncellen (een laagje cellen in de retina, zie ook hier voor een afbeelding) direct lichtgevoelig is en deze informatie uiteindelijk overdraagt aan hersengebieden verantwoordelijk voor de pupilreflex en dag-nacht ritmiek.

We hebben dus nog een derde lichtreceptor in het oog, naast de staafjes en de kegeltjes. In het dagelijks leven merk je daar echter niet veel van

-Het lijkt er op dat de mei editie 2011 van Scientific American een artikel heeft over precies dat derde type fotoreceptor waar hierboven al schreef
Ignacio Provencio (hier op wikipedia) heeft een artikel geschreven met de titel The hidden organ in our eyes.

Provencio is de medeontdekker van het pigment melanopsine dat wordt gebruikt door deze derde fotoreceptor (een speciaal type ganglioncellen in de retina) en dus de juiste persoon om dit stuk te schrijven.

Het bestaan van deze receptoren kan bijvoorbeeld het volgende fenomeen verklaren:

recent experiments have shown that certain blind people can also adjust their circadian clocks and constrict their pupils in response to light.

Als de (onderbewuste) manier van ligt waarnemen via deze ganglioncellen nog intact is kunnen deze blinde mensen toch hun fysiologie (pupilreflex, slaap-waak gedrag)aanpassen zonder dat ze bewust het ligt kunnen waarnemen.

Ogen in de evolutie

Oogtypes bij de ongewervelde dieren

Lensoog

  • landslakken: gesteelde ogen Wijngaardslak oogInside it there is an unstructured light-breaking jelly mass as a lens (L) in a spherical eyeball. The external wall of the tentacle, made of translucent cells, serves as a protective cornea (H).In the rear and lateral part of the eye there are light sense cells (Sz), so that this part of the eye wall also forms a retina. Pigment cells (Pz) isolate the sense cells against laterally incident light. As there are only two types of sense cells in a Roman snail’s retina (in a human eye there are four: Rods and three types of cones) one has to assume Roman snails, by the help of the optical pigment rhodopsin, can only see black and white. The Roman snail eye can see in a wavelength spectrum from 390 to 580 nm with an optimum near 496 nm.
  • http://www.weichtiere.at/english/gastropoda/terrestrial/escargot/

snail eyes

  • File:Snail eye.jpg
  • What the Lymnaea eye sees. A Histological section through the the Lymnaea eye showing the lens (L) and retina(R). There is sufficient distance between the lens and the retina for a reasonable image to be formed, especially in the pit or ‘foveal’ (F) area of the retina. B Isolated lens. C An image of a snail formed by the isolated lens is projected through a compound light microscope onto a computer screen. We thank Mike Land for help with producing the ‘snail’ imagehttp://www.scholarpedia.org/article/Lymnaea
  • inktvissen: accommodatie door lensverschuivingCameraoog zonder lens
  • nautilus: beeldvorming zoals in de donkere kamerHet ‘speldeprikcamera-oog’ van Nautilus, een inktvis (Kühn).Bij een groep van inktvissen komt een type oog voor, dat geen lens heeft, maar gebouwd is volgens het principe van de ‘speldeprikcamera’: een kleine opening heeft hetzelfde effect als een lens Achter in het oog zit een ‘netvlies’, d.w.z. een vlies van lichtgevoelige cellen, waarop het door de vooropening ontworpen beeld geprojecteerd wordt. Doordat dit beeld uit lichtere en donkerder partijen bestaat, worden sommige cellen sterk, andere minder sterk, andere, vrijwel of in het geheel niet geprikkeld. De totale prikkeling is dus a.h.w. een patroon van donkerder en lichtere puntenGroefoog
  • schaalhoren (Patella vulgata): beeldvorming onmogelijk, lichtinval wel mogelijkPatella vulgataAbalone head (genus Haliotis.) with central mouth,(bottom) flanked by a pair of oral tentacles and a pair of eyes Facetoog
  • insecten en kreeftachtigen: mozaïekbeeldBij geleedpotigen (kreeften, insecten) komt een heel ander oogtype voor: het facetoogHierin staan vele smalle, iets kegelvormige buisjes naast elkaar, door pigmentwanden optisch van elkaar geïsoleerd. Elk buisje is iets anders gericht dan zijn buurbuisje, en elk ontvangt dus licht van een ander deel van het gezichtsveld dan zijn buurbuisjes. Samen bestrijken zij een groot gezichtsveld. In elk buisje zitten lichtgevoelige cellen. Afhankelijk van de verdeling van donkere en lichte partijen in het gezichtsveld krijgen de verschillende buisjes een verschillende hoeveelheid licht. De lichtgevoelige cellen van elk buisje vormen hier nu één punt van de ‘zinkografie’, en zo ontstaat ook hier een projectie van de buitenwereld. Dit beeld is, in tegenstelling met het beeld in een lensoog, rechtopstaand, niet omgekeerd.Facetoog van een insect (Kühn)http://www.dbnl.org/tekst/tinb003inle01_01/tinb003inle01_01_0005.php
  • Roofvlieg Kreeftenoog Ocellen
  • insecten: met de ocellen bepalen ze de lichtinval
  • jactspinnen: de ocellen zijn waarschijnlijk accommodeerbaar
  • watervlooien: vele oogjes samen op een beweeglijk orgaanThe eye and optical ganglion of a water flea,

daphniaeye

  • Daphnia magnaThe compound eye of Daphnia magna, a similar species to D. pulex. Inset is a drawing of the eye structure, viewed slightly off-axis (dotted line). The white areas are lens facets and the dark area is the retina. Adapted from Smith and Macagno 1990.http://arthropoda.southernfriedscience.com/?tag=daphniaDaphnia magna//

     

  •  

    Er zijn in de loop van de evolutie verschillende typen ogen ontstaan. Zo zijn er clusters van lichtbundels, een camera obscura, lensogen en samengestelde ogen.

    De ogen hoeven niet ingewikkeld te zijn om goed te kunnen functioneren. Ogen hebben zich –net als andere zintuigen– tijdens de evolutie in stapjes van eenvoudige naar ingewikkelder vormen ontwikkeld.

    Je kunt je afvragen hoe het mogelijk is dat zoiets moois en ingewikkelds als het oog is ontstaan. Een oog moet helemaal af zijn om goed te functioneren.

    Tegenstanders van evolutie halen het oog aan als voorbeeld. Een dergelijk ingewikkeld orgaan kan niet in kleine stapjes zijn ontstaan, want een halfgeëvolueerd oog werkt niet. Daarom moet het in één keer zijn ontstaan, geschapen, vinden zij. Toch is er wel degelijk sprake van een evolutie van het zien.

    Er zijn in de loop van de evolutie verschillende typen ogen ontstaan.

    Ogen die uitstekend voldoen en voldeden, ook als er – zoals bij sommige primitieve dieren – nauwelijks sprake is van een oog, maar eerder van een hoop cellen die licht kunnen waarnemen. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen de diverse typen ogen die tijdens de ontwikkeling van het leven zijn ontstaan?

    mensenoog

    Afb. 1. Mensenoog. Het doorzichtige hoornvlies bedekt het hele oog; achter het zwarte gat (de pupil) zit de lens. Licht wordt via de lens op het netvlies geprojecteerd. © Ronald van Weeren, Artis

    Camera- of lensoog

    Een lensoog zoals een mensenoog is een verfijnd optisch orgaan dat is opgebouwd uit verschillende onderdelen die samenwerken en de visuele informatie vormen die vervolgens als zenuwsignalen naar de hersenen worden gestuurd. Daar vindt vervolgens de echte beeldvorming plaats. Het menselijk oog is wellicht het summum op het gebied van ogen. Met het gedetailleerde kleurenzicht dat wij en een aantal apen hebben, onderscheiden we ons van alle andere dieren. Ook veel dieren kunnen kleuren zien, maar niet zo goed als wij. Daarnaast zijn er dieren die alleen maar zwart en wit kunnen zien. (Afb. 1, 2)

    mensenoog model

    Afb. 2. Het menselijk oog bestaat uit een oogbol met een retina (lichtgevoelige laag) verbonden met de oogzenuw, een glasachtig lichaam dat de oogbol opvult, een lens die met behulp van spieren vlakker of boller kan worden (om het beeld scherp te stellen) en een pupil waar het licht doorheen komt en die afhankelijk van de hoeveelheid licht groter of kleiner is. Tot slot het hoornvlies dat het oog en de lens beschermt. © Annemieke Bunjes

    Alle dieren met een schedel en een ruggengraat hebben het zogenaamde cameraoog. Vóór in het oog, achter een verstelbare opening (de pupil) waar het licht doorkomt, bevindt zich een lens die uit organisch materiaal bestaat. Het is materiaal dat vervormbaar is. Door te accommoderen, dat wil zeggen dat het oog de bolling van de lens aanpast aan de afstand waarop scherp moet worden gezien, ontstaat op het netvlies achter in het oog een scherp beeld. Via de oogzenuw gaat dit beeld naar de hersenen.

    De pijlinktvis en de octopus, beide ongewervelde dieren, hebben ogen die vrijwel net zo ingewikkeld zijn als het oog van de gewervelde dieren. Hun oog heeft ook een lens die in een gelei ligt ingebed met daarachter het netvlies. De octopus echter heeft een andere manier uitgevonden om scherp te zien. In plaats van de lens te vervormen, verplaatst hij hem naar voren dan wel naar achteren om een scherp beeld van mogelijke prooidieren of aanvallers te krijgen. (Afb. 3)

    diverse ogen modellen

    Afb. 3. Binnen de groep Weekdieren of Mollusken (tweekleppige schelpdieren, inktvissen en slakken) zijn in de loop van de evolutie verschillende typen ogen ontstaan, van relatief simpele tot bijzonder ingewikkelde. Type 1 bestaat slechts uit een lichtgevoelige laag (slak Patella). Bij type 2 heeft de lichtgevoelige laag zich als kom (theekopje) gevormd (Zeeslak Pleurotomaria). Type 3 is een vrijwel afgesloten ruimte met een klein gaatje, een echt camera obscura-oog (inktvis Nautilus). Type 4 is een echt oog: een volledig afgesloten ruimte met een lens die van voor naar achteren kan bewegen zodat het beeld scherp op het netvlies wordt geprojecteerd (inktvissen: sepia, octopus). Dit oog lijkt sterk op het oog van gewervelde dieren. © Annemieke Bunjes

    Camera obscura

    Een verre verwant van de inktvissen is de nautilus die in de tropische wateren rond Indonesië en Australië leeft. Deze nautilus heeft een eenvoudiger oog dan de octopus. Dat oog is een soort zwarte doos, een echte ‘camera obscura’, dus zonder lens. Een gaatje in een oppervlak met daarachter een holle ruimte die met vocht is gevuld en waarvan de wand is bekleed met een laag lichtgevoelige cellen. De voorouders van de nautilus in het Devoon (410–360 miljoen jaar geleden) lijken erg op hun verre nazaat en het vermoeden bestaat dat ook zij al in het bezit waren van het camera obscura-oog. Ze konden met dit oog wel vormen zien, maar niet heel scherp.

    Zeekatten

    Afb. 4. Zeekatten (sepia). Deze inktvissoort heeft ogen met een lens. © Ronald van Weeren, Artis

    Eenvoudig

    De meest eenvoudige versies van ogen zijn clusters van gekleurde, lichtgevoelige cellen in de huid zoals bij sommige weekdieren, bijvoorbeeld Patella, de schaalhoorn, het geval is. Eén stap verder ligt het oog van platwormen. Die hebben op hun kop indeukingen die aan de binnenkant met lichtgevoelige cellen zijn bekleed. Bij deze ‘theekopjes-ogen’ is dus geen sprake van lenzen of ander gereedschap om scherp te stellen. Kennelijk hebben ze dat niet nodig; ze zijn al vele honderden miljoenen jaren op aarde. Als ze maar licht van donker kunnen onderscheiden en de richting waar het licht vandaan komt, want ze bewegen van het licht af. In het donker weten ze zich beter beschermd. (Afb. 4, 5)

    oog groene leguaan

    Afb. 5. Het oog van een gewerveld dier, in dit geval de groene leguaan. © Ronald van Weeren, Artis

    Samengestelde ogen

    Net als bij het lensoog is de bezitter van het zogenaamde ‘samengestelde’ oog in staat een scherp beeld van de omgeving te vormen. Een samengesteld oog bestaat uit meerdere afzonderlijke oogjes, dicht tegen elkaar aanliggend en met in elk oogje – we spreken van facetoog – een lens. Dergelijke samengestelde ogen treffen we aan bij de insecten en bij schaaldieren: krabben, kreeften en garnalen; en ook bij sommige gelede wormen. (Afb. 6) Zo’n facetoog bestaat dus uit een lens met daarachter een lichtgevoelige cel. Het registreert echter maar een klein deel van het visuele veld. Alle facetten bij elkaar – soms duizenden in één oog – vormen samen een mozaïekbeeld. Elk dier met dergelijke ogen is goed in het registreren van beweging. Eén beweging met de vliegenmepper en weg is de vlieg! Aan de andere kant, ook roofinsecten zoals libellen hebben profijt van dergelijke ogen. (Afb. 7)

    oog libelle

    Afb. 6. Het samengestelde oog met tienduizenden facetten van een libelle is prima geschikt om snelle bewegingen te registreren. Het oog van een heidelibel is aan de bovenzijde, waar het roodbruin gepigmenteerd is, gevoelig voor lichtkleuren met een hoge frequentie. Vanaf blauw tot in het ultraviolet kan de libel de hemel waarnemen. Het onderste deel van het oog heeft een veel bredere kleurgevoeligheid en kan groen, geel en zelfs rood zien. Zo kan de libel gelijktijdig gevaren boven zich en potentiële prooien onder zich optimaal waarnemen. © Ronald van Weeren, Artis

    facetoog

    Afb. 7. Links: De facetlens en de kristalkegel eronder zorgen samen voor de afbuiging en concentratie van het licht naar de pigmentstaaf (het rhabdoom). Die wordt bij elk facet omringd door lichtgevoelige cellen die de visuele informatie via de oogzenuw(en) naar de hersenen sturen. Rechts: Doorsnede van een facetoog. Het samengestelde oog van insecten bestaat uit honderden tot duizenden lensjes. © Annemieke Bunjes

    Vermoedelijk is het samengestelde oog het oudste beeldbepalende oog op aarde. Want we zien ze al bij trilobieten die vanaf 543 miljoen jaar geleden op aarde voorkwamen. Trilobieten zijn verre verwanten van kreeften, krabben en insecten, maar ze zijn al lang uitgestorven. Men onderscheidt aan het dier een kop, een romp en een staart. Op de kop aan de rugzijde bevinden zich de twee samengestelde ogen. De lenzen, de facetten, zitten als een waaier in elk oog, waardoor ze toch met hun twee ogen rondom beeld hebben. Heel goed vergelijkbaar met het insectenoog dus. Er is echter één opmerkelijk verschil. De lens van het trilobietenoog bestond niet uit zacht weefsel zoals bij de insecten, maar uit calciet dat in zuivere vorm kleurloos en dus doorzichtig is. Trilobieten konden niet zoals wij scherp stellen door de vorm van de lens te veranderen. Mogelijk bepaalde het leefmilieu van elke afzonderlijke trilobietensoort de afstand waarop scherp kon worden gezien. (Afb. 8, 9, 10)

    oog van trilobiet Phacops

    Afb. 8. Detailopname van het oog van de trilobiet Phacops. De putjes vormen de afzonderlijke facetten. Bij dit type oog wordt iedere facet omringd door een dikke wand wat hier duidelijk te zien is. © Ronald van Weeren, Artis

    Verschillende groepen van trilobieten hadden verschillende ogen. Niet alleen het type oog en lens verschilt, maar ook het aantal lenzen. Zo waren er trilobieten met wel 15.000 lenzen per oog, maar ook zijn er soorten geweest die helemaal geen ogen hadden en dus blind waren. Andere bezaten ogen op steeltjes. Vermoedelijk leefden die in de bodem verstopt onder het zand met slechts hun ogen erbovenuit. En die zonder ogen leefden óf op diepte waar geen licht kon doordringen, óf in grotten.

    oog van trilobiet Dalmanites cristata

    Afb. 9. Oog van de trilobiet Dalmanites cristata. De rijen kleine bolletjes zijn de versteende lenzen van dit samengestelde oog. Eén hoornvlies bedekte alle lenzen. © Ronald van Weeren, Artis

    Slimme lenzen

    Het bijzondere aan de ogen van trilobieten is dat het geen eenvoudige dubbelbolle lenzen zijn. Ze zijn zo gevormd dat optische afwijkingen worden gecorrigeerd en er over het hele beeldveld een goede scherpte optreedt. Zo’n 400 miljoen jaar later zou onze beroemde landgenoot Christiaan Huygens in 1690 een dubbelbolle lens ontwerpen waarbij ook de randen van het beeldveld een scherp beeld opleveren. Hij had in de gaten dat bij een gewone dubbelbolle lens zonder correcties verschillende brandpuntafstanden ontstaan en dus onscherpte. Zijn aangepaste, asferische lens vertoont grote overeenkomst met de lens van een bepaald type trilobiet (Dalmanitina). Wanneer we het langdurige succes van de zogenaamde primitieve dieren zoals platwormen en bepaalde weekdieren met eenvoudige theekopjesogen en het camera obscura-oog in acht nemen, dan wordt duidelijk dat deze ogen prima werkten voor wat deze dieren moesten doen om te overleven en zich voort te planten. Ogen hoeven dus echt niet zo ingewikkeld te zijn om goed te kunnen functioneren. Ogen hebben zich – net als andere zintuigen – tijdens de evolutie in stapjes van eenvoudige naar ingewikkelder vormen kunnen ontwikkelen.

    Probleem is wel dat ogen van zacht materiaal zijn gemaakt en dus vrijwel niet fossiliseren (zoals we zagen zijn trilobietenogen daarop een uitzondering). Maar tegenwoordig kunnen onderzoekers ook indirecte bewijzen vinden via onderzoek van DNA – het genetisch materiaal – om verwantschappen tussen heel verschillende dieren te vinden als het om de ontwikkeling van zintuigen gaat.

    trilobiet Phacops

    Afb. 10. Phacops, met rechts de kop. De facetten van het rechteroog zijn duidelijk zichtbaar. © Ronald van Weeren, Artis

    Dit artikel verscheen in het tijdschrift Artis vol. 54 (5) en in Gea maart 2009.

    Zie ook:

    ——————————————————————————–

     

    Oog-evolutie   volgens   Carl Zimmer
    15 Februari..2005
    (1)Het uit elkaar halen  van matroeska – poppetjes  
    Voor  een negentiende-eeuwse naturalist, scheen niets zo complex te zijn als het  oog, met zijn lens, hoornvlies, retina,  en andere prachtig samenwerkende delen
    Het besef  dat de natuurlijke selectie een dergelijk orgaan “kon produceren schijnt, ” ook darwin , “ vrij absurd  …, in de hoogst mogelijke graad,” 
    Voor Darwin, was het sleutelwoord in die zin :  schijnt.
    Hij realiseerde zich dat als je ” naar  de verschillende soorten  ogen in de natuurlijke wereld  kijkt____ en de manieren waarop zij konden  zijn geëvolueerd ___ deze  absurditeit verdwijnt. ”
    Het bezwaar dat het menselijke oog  onmogelijk  kon geëvolueerd zijn ,, “is  nauwelijks als ernstig  te  beschouwen .” schreef hij verder

    De evolutie van het  “oog.” bestuderen

    Hoe meer de  wetenschappers het oog verder bestuderen ,  hoe meer ze erkennen  dat Darwin juist zat .

    Dit wil daarom nog niet  zeggen dat zij alles ( al ) weten  over hoe het oog evolueerde.

    De evolutie biologie is geen automatische antwoordmachine die alle  details over en in verband met  oog-evolutie — of de evolutie van  een ander orgaan — onmiddellijk kan  vertellen  of verklaren 

    In  de plaats daarvan,maken wetenschappers  studie van verschillende  types ogen ( en  andere lichtreceptoren ,)
    de prote챦nen waarvan zij zijn gemaakt ,
    de  embryologische ontwikkelingen ervan  ende genen die hun ontwikkelings” recepten ” ___en bijhorende programma’s____  bewaren en  opslaan.
    Dergelijke onderzoek-wetenschappers  komen met hypothesen op de proppen over hoe de evolutie deze resultaten kon  veroorzaakt  en bereikt hebben.
    Die hypothesen sturen dan de nieuwe vervolg- en opvolgings experimenten  .
    Op deze wijze, is de evolutie- biologie methodisch  niet-verschillend van de  geologie of meteorologie, of een andere wetenschap die de natuurlijke wereld wil doorlichten  .

    Er zijn duizenden  verschillende ogen (en andere lichtgevoelige  organen zoals bijvoorbeeld  bij planten ), elk gebouwd en gestuurd  door hun  verschillendesoort-eigen  ( unieke  en gedeelde ) reeksen genen en configuraties van genen .

    Nauw verwante   dieren  neigen ertoe om gelijkaardige ogen te hebben, omdat zij van recente voorvaderen afstammen .

    ( en zijn echter ook  ogen ontwikkeld in   historisch-genetisch   ver  uit elkaar liggende diersoorten, die  dezelfde principes hebben toegepast  –> bijvoorbeeld   de ogen van gewervelden en  cephalododa  ….)

    Sommige wetenschappers bestuderen hoe de ogen over een paar miljoen jaar  zich aan de speciale leef-omstandigheden en  omgevingstoetandsen  van een bepaalde soort kunnen aanpassen (en/of ermee interreageren . )

    Andere wetenschappers  nemen wat meer afstand , om zo  te kunnen  onderzoeken   hoe de verschillende types vanuit  ogen van

    “eenvoudiger”  voorlopers zijn   geëvolueerd.

    En  weer andere wetenschappers  gaan zelfs heel ver terug in de tijd  , om ( min of meer )aanwijzingen  te vinden  van waaruit   die eenvoudiger voorlopers weer voortkwamen .

    Een voorbeeld van zulke onderzoeken vind je hier

    EVOLUTION OF THE TAPETUM

    http://aosonline.org/xactions/2002/1545-6110_v100_p187.pdf

    (het tapetum komt voor bij katten en  haaien , maar het ontbreekt bij tarsiers  alhoewel dit nachtdieren zijn, die ook in donkere omgevingen  actief zijn  )

    In dit eerste  artikel http://www.corante.com/loom/archives/2005/02/15/eyes_part_one_opening_up_the_russian_doll.php)
    zal  ik ( carl Zimmer )   in  de tijd terugkeren  :___ vanaf vandaag  en terug naar de  veronderstelde “oorsprong”: en doorheen  de verschillende stadia van oogevolutie, en ( volgens de bevindingen en scenario’s ) zoals op het huidige
    ogenblik door de wetenschap  voorgesteld  …
    Camera ;
    De mens bezit een  speciaal  soort lichtdetektor , bekend als  het cameraoog  . 
    De eerste lichtbreking onstaat in het hoornvlies en  gaat vervolgens  doorheen  een lens , die  het licht  verder breekt,  zodat er  een geconcentreerd( gefocust ) beeld op de retina  kan worden gevormd .
    Wij zijn primaten ; het is niet  verrassend  dat alle andere primaten een gelijkaardig type van oog hebben.
    Maar de onderscheiden  primaten hebben belangrijke  verschillen  in de vormgeving en bouw  van hun oog.
    Nocturnale primaten hebben bredere, meer gebogen hoornvliezen dan primaten die tijdens de dag actief zijn.
    Een breder hoornvlies laat nachtelijke  primaten toe heelwat toe ;  het grootste deel van het maanlicht kan door dit type  oog beter  worden opgevangen .
    De primaten actief tijdens de dag profiteren waarschijnlijk van kleine vlakke hoornvliezen omdat de lens verderop in het  oog kan zitten, en dat veroorzaakt dan  een scherper beeld.
    Deze regeling laat veel licht niet binnen, maar tijdens de dag, is dat  geen groot verlies.
    Chris Kirk van de Universiteit van Texas analyseerde  die  verschillende  types primaten ogen in  kwestie
    ziehier voor de details van het hier besproken onderzoek ;
    http://www.utexas.edu/cola/depts/anthropology/physical/Kirk%202004.pdf 
    Comparative Morphology of the Eye
    in Primates
    E. CHRISTOPHER KIRK*
    Department of Anthropology, University of Texas, Austin, Texas).
    Grotendeels, gebruiken  nocturnale en dagprimaten dezelfde oplossingen en  oogtypes   ,dat zijn  modellen en  patronen zoals die ook bij   andere zoogdieren zijn  gevonden .Maar  de mensapen (met inbegrip van mensen) blijken  uiterst kleine, vlakke hoornvliezen, te bezitten zelfs in  vergelijking met andere primaten die tijdens de  dag actief zijn.
    Kirk demonstreert dat deze bepaalde groep primaten (anthropoiden ) natuurlijke selectie heeft ondergaan  die een  nog
    scherper gezichtsvermogen ( dan gevonden bij andere  dag-actieve zoogdieren  )heeft veroorzaakt.
    Het is mogelijk dat onze voorvaderen dergelijke scherpe ogen  ontwikkelden bij de jacht op insekten  :
    De apen en de mensapen zijn ook uiterst sociale dieren, en zij gebruiken  hun scherpe ogen ook  om elkaars lichaamstaal ___
    waaronder nauwelijks merkbare en kortstondige  subtiele aanwijzingen  in de gelaatsmimiek van soortgenoten ____
    erg snel  te detekteren .
    Onze capaciteit om verfijnde hulpmiddelen ___ werkuigen  en instrumentjes ____ te fabriceren en te hanteren ,
    kan mogelijk te maken hebben met  de  evolutie van uiterst kleine hoornvliezen ….
    ( intermezzo )


    Andere aspecten  van het antropoide oog maken het ook optimaler , met inbegrip van de  fovea


    ____een kleine  centrale vlek op de retina die ongelooflijk dicht met photoreceptors is bezet en bovendien veel minder last heeft van de typische
    ” omgekeerde ” bouw van het vertebratenoog )
    de  Fovea  ; is om nog andere belangrijkere reden  , van groot belang vanuit het oogpunt van de evolutie-theorie   ; 
    Het representeert namelijk een oplossing voor de moeilijkheden die door de “verkeerde” winding  van het vertebraten oog ,
    een minderwaardig soort beeld konden opleveren ( niet erg belangrijk voor dieren die zich vooral moesten behelpen met
    specialisaties van  reuk en  gehoor  bijvoorbeeld )
    Zoals men op dit plaatje kan zien  is de  fovea een zeer licht-gevoelige plaats in het oog ….
    : het licht  dat in de  fovea  wordt gevangen levert het leeuwenaandeel van de  visuele informatie die door de optische
    hersengebieden  wordt gebruikt :
    Eigenlijk is het een clevere  aanpassing  :  doordat het  inkomende licht  in dat  gebied niet meer wordt gehinderd door  zenuwbedradingen ,
     ganglion en bipolaire cellen  en daardoor rechtstreeks valt op de dichte  massa fotocellen ( ong   17,500 kegeltjes ( voor het zien van kleuren )
    in de  centrale  staafjes- vrije  fovea  , waarvan de  afgegeven signalen worden  geleid door aan de fovea  aanpalende  bedradingen ) onstaat een
    optimale plek voor  lichtwaarneming in de inrichting van het oog ….
    zie ook R. Dawkins  —> Slechte vertebraten-oog design
    vooral  het kommentaar van   Victor stengler   —->
    http://lx5.isu.edu/pipermail/evolidaho/2003-October/000118.html)
    In feite, worden anthropoiden   slechts door roofvogels in  de  scherpte  van hun  gezichtsvermogen , overtroffen .
    Niet alleen bezitten roofvogels meer fotocellen per oog dan de anthropoiden
    maar  arenden  en gieren  bezitten ook nog eens   twee  fovea  ( eentje voor verscherpt zij-zicht  , eentje voor vooruit-zicht )

    Oog-evolutie   volgens   Carl Zimmer
    15 Februari..2005
    (1)
    Het uit elkaar halen  van matroeska – poppetjes (2) 
    Het veranderen van de vorm van een oog vereist veranderingen  in de molecules die het verder optimaliseren …
    Moleculaire verfijningen   kunnen  de capaciteiten  van een oog  veranderen door  bijvoorbeeld , UV- STRALEN te blokkeren,
    licht te breken bij  verschillende hoeken, of gevoeliger voor verschillende kleuren(golflengtes )  te maken .
    Ondanks het feit dat alle gewervelde dieren het zelfde basisoogplan delen, kan men  een brede waaier van  verschillende
    molecules binnen hun ogen aantreffen .
    Sommigen zijn uniek bij  vissen, weer anderen te vinden bij  hagedissen, sommigen slechts bij  zoogdieren aanwezig .
    Hoe konden  deze “nieuwe “molecules  evolueren  binnen deze groepen ?
    Één manier is het leentje buur spelen .
    Joram Piatigorsky 
    ( National eye institute )
    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=15642334en zijn collega’s hebben veel van de molecules ge챦dentificeerd die de lens en het hoornvlies van mensen en andere dieren
    samenstellen .
    Deze molecules zijn praktisch identiek aan molecules die elders in het lichaam worden gevonden.
    Sommigen  zijn essentieel voor de ontwikkeling van het hoofd in een embryo.
    Anderen beschermen onze cellen tegen hitte en andere spanningen ,
    Anderen detoxifieren  vergiften die anders in het bloed zouden opbouwen.
    Oorspronkelijk, ___ zo vertellen ons de aanwijzingen en  gevonden bewijsstukken____ werden veel van de molecules die
    vandaag in  de ogen worden gevonden , vroeger slechts geproduceerd in andere delen van het lichaam.

    Maar toen____ dankzij een verandering,____ begon hetzelfde genrecept  zijn molecules te produceren in het ontwikkelende oog.
    Er ontwikkelden zich selektief enkel die  fysieke  en moleculaire eigenschappen die het goed geschikt maakten als onderdeel
    in een oog.
    In recentere generaties, keurde de natuurlijke selectie  die veranderingen goed die tot optimalisering  van het oog  leidden .
    Maar deze nieuwe funkties  binnen  in het oog kan de originele funkties  van die molecule elders in het lichaam  , verloren
    hebben  of  minstens veranderd .
    De verdere verfijning en optimalisering kan slechts mogelijk geweest zijn als  het oorspronkelijke  genrecept  een
    bijzonder drastische mutatie onderging —-> het dupliceerde.
    Nu kon één exemplaar van het genrecept  de bijzondere  nieuwe funkties in het oog  verwerven , terwijl  het andere
    exemplaar  zich verder bleef   specialiseren in de  originele funktie(s ).
    Duplikatie en evolutie —>
    Darwin wist niets van genen  en/of genverdubbeling , maar hij slaagde  er toch in om sommige belangrijke
    observaties  te doen  over de vraag   , hoe het menselijke oog vanuit  een eenvoudigere voorloper kon zijn  geëvolueerd .
    —->De vroege ogen zouden  niets meer dan een flard van fotogevoelige cellen zijn geweest die een dier konden vertellen of het
    zich  in  het licht of in de  schaduw bevond .
    —>Als deze primaire laag zich omvormde tot een kuuiltje  zou het ook de richting van het licht kunnen  hebben waagenomen .
    Geleidelijk aan, kon het oog nieuwe verbeteringen  en capaciteiten  selectief  opslaan (in het genenrecept bewaard
    zoals we nu  weten )  en   uiteindelijk  kon het beelden  gaan vormen .
    —-> Zelfs vandaag, kan  men  deze soorten proto-ogen in platwormen  en andere dieren vinden.De dichtste verwanten (zonder ruggegraat )van gewervelde dieren passen keurig in deze voorspellingen van Darwin.
    —> Amphioxus,(http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=15353907) die
    op   een sardien met  afgesneden hoofd  lijkt, heeft geen echte hersenen of camera-ogen .
    Maar het vooreinde van zijn zenuwkoord ( notochord ) is lichtjes gezwollen , en door veel van dezelfde genen gestuurd  die ook menselijke hersenen opbouwen  tijdens de ontwikkeling .
    Amphioxus bezit ook één   kuilje  dat  met licht-gevoelige cellen is  gevoerd  en dat schijnt te worden gebruikt om  het  zwemmen te sturen
    (amphioxus zwemt niet veel , het  diertje zit meestal in het zand en is een zogenaamde  filter-eter )
    Het kuiltje bevind zich wel vooraan maar het is  bovenaan ( dorsaal ) gesitueerd , niet frontaal ( net zoals de o-cellen van insekta  dat doen  ? )
    Is het later tijdens de evolutionaire ontwikkeling  naar voren geschoven ( net zoiets  als de ogen van platvissen  die dan zijn verschoven  naar een  lichaamszijde  )en heeft het zo uiteindelijk de “verkeerde ” bedrading  van zijn vertebraten-oog  afstammelongen of verwanten  veroorzaakt  ?
    Het is een optie ….
    in elk geval zijn
    De genen die deze kuil bouwen  bijna identiek aan de genen  die ons oog helpen ontwikkelen .
    Het feit dat Aphioxus een dergelijke eenvoudige voorloper van  het gewervelde oog bezit  zou kunnen  suggeren  dat dit orgaan  bij  amphioxus volkomen nieuw en en onafhankelijk ” plots”   onstond . ( op  plotse en mirakuleuze schepping ? )
    Maar toch kunnen dit  soort  ogen  en  daaruit ontwikkelde “camera-ogen ”  ook bij veel andere dieren worden gevonden —
    bij  arthropoda ,molusken,
    , spinachtigen , pijlinktvis,
    en veel andere dieren .
    (Comparative Analysis of Gene Expression for Convergent Evolution of Camera Eye Between Octopus and Human
    http://www.genome.org/cgi/content/full/14/8/1555 )
    Evolueerden ze  “Onafhankelijk”  ? 
    Het antwoord is ja en nee
    In de jaren ’90, ontdekten Walter Gehring van de Universiteit van Bazel en zijn collega’s  een  essentieel oog-opbouwend  hox-gen :  pax-6 dat door
    insecten en mensen word gedeeld.
    —————————————-
    A Review of the Highly Conserved PAX6 Gene in Eye Development Regulation
    Adam A. L. Friedman
    http://www.jyi.org/volumes/volume1/issue1/articles/friedman.html
    ——————————————————————————-
    Toen  Gehring  de menselijke versie van het gen in een vliegenlarve -genoom  inbouwde ,  doken  overal op het lichaam van de volwassen vlieg ,
    vliegenogen op .
    Gehring stelde dat pax-6 een hoofdcontrolegen is ( en een lid van een hele familie  pax-genen ) , die de volledige kring(=  circuit )  van oog-bouwende
    genen aan of uit schakelt …
    In insecten en in mensen (en in de elk van dieren die hun  gemeenschappelijke voorvader delen,) bouwt deze  produktie-band/genen-kring ___met bijhorend
    recept____tijdens de ontwikkeling , ogen ….
    Maar in elke afstammingslijn , is een verschillende reeks genen opgenomen in deze kring, zodat zij  verschillende ogen kunnen bouwen
    zoals het facetoog  van een insect en het cameraoog van een mens.
    De eenvoudigste verklaring ( waarom vele dieren de zelfde kring delen)  is dat zij allen het van hun gemeenschappelijke voorvader hebben geerfd
    — een klein worm___ een  schepsel  dat als bilateriaal  bekend  staat  en dat 570 miljoen jaar geleden zou kunnen hebben geleefd
    Welke soort ogen  en  kring-genen in het  Precambrian ontbraken   is  echter niet duidelijk
    Platynereis dumerilii
    En tot vorige herfst 2004 , scheen ook nog een  andere eigenschap van het oog niet in  deze hypothese te passen: :
    de verschillende photoreceptor-cellen
    Dieren  zonder ruggegraat en gewervelde  hebben verschillende photoreceptors in gebruik bij de detektie van licht
    Maar  onderzoekers hebben geconstateerd dat beide soorten fotoreceptors op een bescheiden dier groeien dat als een
    ragworm
     (http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=15514158 bekend staat ,)
    die zich zeer vroeg in de evolutie van bilaterialen (wordt verondersteld ) heeft vertakt .
    Het is mogelijk dat de voorvader van  levende bilaterialen  beide soorten photoreceptors bezat .
    Één soort fotoreceptoren  werd verloren in de  gewervelden lijn  , en  de andere werd verloren in  enkele  afstammingslijnen van andere
    ongewervelden .
    (Er dient opgemerkt dat er ook ongewervelden bestaan ( buiten de  ragworm ) die twee  verschillende  oog-types ( facetogen en cameraogen )  bezitten
    —> insekten   hebben bijvoorbeeld  primitieve  camera-ogen ;  o-cellen ( het derde oog )die dienen als navigatiehulpmiddel ( en mogelijk als sensor van
    bepaalde  biologische klokken , aanzetknop vanuit de omgeving   van ontwikkelingsphases en circadiaanse rythmes —> “hersenen ” )   en  facetogen
    die dienen bij de detektie van bewegingen ( jacht, voedselvergaring  en  “spijsvertering” ? alarminstallatie  )  in de omgeving   …. )
    Ogen zonder  hersenen
    Maar toch zijn  ogen niet beperkt tot bilaterialen .
    Kwallen behoren tot een tak van dieren die als cnidaria  bekend  staan en  van de voorvaderen van bilaterialen  zowat 600 miljoen jaar geleden afsplitsen.
    Sommige soorten hebben eenvoudige photoreceptors, terwijl anderen echte en hoog gesofistikeerde  camera-ogen  die aan hun tentakels vasthangen.
    De biologen willen  wel  eens weten of deze ogen onafhankelijk evolueerden, of  gen-instructies delen  vanuit dezelfde  voorouderlijke toolkit die ook
    menselijke ogen  en vliegenogen produceerde . Één aanwijzing dat zij een gemeenschappelijke erfenis delen is het feit dat enkele genen die de kwallen
    gebruiken om ogen te bouwen een opvallende gelijkenis met  pax-6 en andere genen vertonen  die de  bilateriale  ogen-opbouw  verzorgen .
    Anderzijds, hebben de meesten cnidaria (waaronder zee- anemones en koralen) geen ogen.
    Kwallenogen   zijn vrij bizare inrichtingen  vergeleken met  de bilateriale gezichts- systemen   —  één ding,
    kwallen hebben geen hersenen .
    De larven van één soort ontwikkelen  photoreceptors die  zelfs  niet met één neuron  zijn verbonden .
    Photoreceptors lijken  in  de plaats daarvan  onderdelen te zijn van een enkele  cel met nog andere funkties .
    Vermoedelijk  sturen deze  lichtgevoelige gedeeltes van de cellen de  trilhaartjes waardoor de larve zwemmen.
    In komende jaren , zal het onderzoek naar de wortels van oogevolutie nog verder  opschuiven  .
    evolutionaire Foto-biologie  ?
    In een  paper
    http://jhered.oupjournals.org/cgi/content/abstract/esi027v1persbericht ) uit ” journal of heredity ”  ,
    wijst Walter Gehring erop dat  de eerste component  bij de evolutie van dierlijke ogen de fotoreceptor is
    — een molecule die licht kan vangen en het veranderen in een  (elektrochemisch?) signaal.
    Één model voor de oorsprong van dierlijke fotoreceptoren  is afkomstig van  algen-kolonies , waarvan velen  “oogvlekken ”
    hebben dat hen  naar het licht laat  toezwemmen zodat zij kunnen fotosynthetiseren.
    Misschien leefden de vroegste  dieren eveneens in kolonies en hadden gelijkaardige oogvlekken
    Deze eenvoudige photoreceptors ontwikkelden later  pigment en andere molecules , die hielpen meer licht te vangen, en
    uiteindelijk in staat waren om beelden te vormen.
    Maar Gehring stelt ook een bizar maar dwingend alternatief voor:
    onze voorvaderen stalen hun ogen.
    Vaak zijn  tijdens de geschiedenis van  het evoluerende leven  organismen geassimileerd  door grotere organismen :
    de twee zijn geïntegreerd in  één enkele nieuwe  endosymbiont  .
    Onze cellen, bijvoorbeeld, bevatten mitochondria
    dat wij vertrouwen om energie te produceren;
    oorspronkelijk, waren dit vrij-levende  zuurstof-verbruikende bacteriën.
    Een andere belangrijke fusie vond meer dan twee miljard jaar  geleden plaats :
    Bacteri챘n die fotosynthese konden uitvoeren  gingen  samensmelten  met  een amoebe-achtige gastheer .
    De bacteriën  van toen vormden een structuur die nu de chloroplast wordt genoemd , en  vandaag in bomen  aanwezig  evenals in  diverse soorten algen .
    Sommigen  van deze algen  werden verder geintegreerd door andere algen, die ook  van dezelfde  fotosynthese  afhankelijk werden die door de bacteriën wordt
    uitgevoerd.
    Gehring vergelijkt deze organismen met Russische poppetjes ( matroeska’s ) , met de originele bacteriën diep  genesteld binnen andere organismen.Het is waarschijnlijk dat alvorens de bacteriën opnieuw en opnieuw werden ingebouwd , zij reeds licht-detektie  molecules bezaten  die  hen hielpen
    zonlicht op te zoeken  — misschien zelfs  door als biologische klok te funktioneren .
    De algen die de bacteriën integreerden ( aanvankelijk alleen maar opaten ? )  kunnen de capaciteit  om licht op te zoeken voor het zelfde doel hebben
    behouden

    Gehring wijst erop dat één groep  van deze algen — dinoflagellates –( misschien )  met koralen, kwallen, en andere dieren  is versmolten  .
    Het is mogelijk dat de vroege dieren de genen voor licht-detectie  op deze   manier kunnen opgenomen hebben  in hun eigen  genomen.
    Als de  aannames en  hypothetische voorstellen van gehring   juist blijken  ,
    dan  zien wij de wereld eigenlijk  met  bacteriële ogen
    .   ……..

    Verdere links ;
    Darwin will rest easier thanks to flies with eyes on their wings
    http://www.wehi.edu.au/resources/vce_biol_science/articles/finkel3.html

    W.J. Gehring ;
    Master control genes in development and evolution
    From Transdetermination to the Homeodomain
    at Atomic Resolution
    An interview with Walter J. Gehring*
    http://www.ijdb.ehu.es/ijdb2002461/ft29.pdf
    http://www.iidb.org/cgi-bin/ultimatebb.cgi?ubb=get_topic&f=32&t=000183
    The Max Planck Society, Research News Release of September 22, 2000.
    The eyes of vertebrates and invertebrates are structurally so different that it has been believed they evolved independently.
    Now a report published in Science (22 September 2000) by researchers from the Max Planck Institute for Developmental Biology in Tuebingen, Germany,
    shows that a very similar mechanism, employing the same gene, is used to build zebra fish and fruit fly eyes,
    —– suggesting that all animal eyes are evolved from an ancestral eye.?—–
    Master control gen PAX 6
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERTEBRATEN- OOG en Müller cellen
    13-05-2007
    Klik op de afbeelding om de link te volgenLiving optical fibers in the vertebrate retina
    (uit het artikel van de PNAS )HET OOG EN OPTISCHE VEZELS
    ….. Eén enkel foton (lichtdeeltje) volstaat om een fotocel in het oog te activeren .
    Wat overigens niet wil zeggen dat sommige fotonen WEL DEGELIJK worden gereflecteerd en derhalve NIET worden opgevangen
    of dat in volle daglicht ook vele fotonen buiten de mûller cellen hun weg vinden ( ?)

    Een groot raadsel was nog steeds hoe het (opgevangen ) licht uiteindelijk de lichtgevoelige cellen ( gelegen op de retina van het camera-oog van vertebraten )
    kan bereiken zonder te worden verstrooid
    Het licht moet namelijk eerst door vele lagen cellen en weefsel dringen die bovenop deze fotocellen de onbelemmerde doorgang van het licht binnen
    deze camera verstoren .
    Dit zogenaamde ontwerp probleem moet worden opgelost om een scherp beeld op het netvlies te krijgen :
    dus het teniet doen van de verstrooiingen veroorzaakt door deze belemmeringen .
    Onderzoekers van de Universiteit van Leipzig hebben nu een gedeelte van het antwoord gevonden op deze vraag ( zeker wanneer het gaat over” zien “in nogal donkere omstandigheden –>waarbij uiteraard veel minder fotonen binnenkomen )
    PNAS on line van 2007, bericht dat het licht wordt opgevangen en doelgericht geleid door een bepaald type cell, bekend als Müller cellen ,
    waarvan men de functie tot dusverre niet goed kende.
    Een van de medewerkers aan het paper van Franze et al..
    Reichenbach:
    (mijn vertaling )
    “Müller cellen blijken te werken als een soort “optisch gevoelige plaat “, die het mogelijk maken een beeld te detecteren en te leiden dwars doorheen de verstorende lagen die bovenop de fotocellen liggen … Eenzelfde soort techniek wordt tegenwoordig ook veel gebruikt in de beeldanalyses door optische engeneering ” en beeldoverdracht door middel van optische plastiek en glasvezel kabels
    “De Müller cellen gedragen zich als een lens , en verzamelen al het licht( dat erop valt ) zonder enig verlies …
    Net zoals een optische (samengestelde) plaat( sensor ipv van een fotografische film ) dat doet
    Technische optische platen bestaan uit bundels optische vezels die lichtinval verzamelen en doorgeleiden doorheen elke afzonderlijke de vezel
    (ze creeren dus een soort van rasterbeeld waarvan het oplossingsvermogen( de scherpte van het beeld) afhangt van het aantal aanwezige vezels … )
    De onderzoekers hebben ontdekt dat het ontwerp van het vertebraten -oog een stapje verder gaat en gebruik maakt van trechtervormige cellen die de ontvangstvan nog meer fotonen aan het oppervlak van het vertebraten oog mogelijk maakt ,meer nog dan de gewone inval op een simpel “punt ” van het beginpunt van elke optische vezel op de plaat )
    …..
    Het betekent dat er genoeg plaats is binnen het oog om plaats te bieden aan alle neuronen en sypnapsen (bovenop de fotocellen (= staafjes en kegeltjes )
    en voor de (bundels) Muller cellen ….(die de lichtbeelden ongehinderd kunnen transporteren naar de fotocellen die ze omzetten in zenuw-pulstreinen) “OPGELET !
    (dit is een door mij aangepaste overname en (gedeeltelijke) citering van van de openings-post van creationist Dr Peter Borger
    het oorsrponkelijke bericht is hier te vinden
    http://www.volkskrantblog.nl/bericht/125523)

    De eerste reacties komen natuurlijk uit creationistische en ID -hoekW.I.E. 
    (zie hierboven voor Peter Borger )
    en van william Dembski
    http://www.uncommondescent.com/intelligent-design/another-icon-of-bad-design-bites-the-dust/

    De eerste antwoorden daarop van de “evolutionisten ‘”lieten ook niet lang op zich wachten
    1.- Tomasso schreef in Commentaar# 23 en in antwoord op het blog van Dr. Peter Borger
    ” ….Wanneer ik (..de) argumenntatie (van creationisten )goed begrijp heeft de ontwerper eerst een enorme bok geschoten door onze retina binnenstebuiten te vouwen.
    En toen hij/zij zag dat dat niet werkte besloot hij niet om het ontwerp maar te laten varen, maar bedacht daarna een briljante oplossing om de blunder te herstellen …” .
    2.- ikzelf
    “Tsja die Intelligente Ontwerper lijkt wel een soort (klik>)RUBE GOLDBERG -type
    http://www.utexas.edu/features/archive/2003/graphics/rube3.jpg
    Bovendien heeft deze ontwerper wél al goed werkende camera-ogen ontworpen bij inktvissen
    kwallen , landslakken en allerlei schelpdieren(doopvontschelp/ st Jacobsschelpen )…
    de vele ogen van een schelpdier
    Hij kan het dus wél …
    of
    misschien zijn het andere ontwerpers die deze beestjes hebben voorzien met hun eigen merken ogen ? Zijn deze concurenten-ontwerpers in het bezit van exclusieve patenten
    3.- Korthof (http://evolutie.blog.com/1731810/) vermelde reeds William Demski’s triomfalisme en overhaaste conclusies
    “…. Die “Intelligence” ( bedoeld is de intelligente ontwerper) doet sommige dingen en laat andere dingen achterwege.
    Hij zorgt goed voor bacterieën want die krijgen zweepstaartjes, maar de mens zit( WEL )opgescheept met schadelijke mutatie’s.
    Kitcher omschrijft het beter dan ik hier kan doen.
    Met deze gedachtengang en vraagstelling moet je naar uitlatingen kijken van Intelligent Design experts als William Dembski.
    Kijk bijvoorbeeld naar de recente blogpost ‘Another Icon of “Bad Design” Bites the Dust’ (2 May 2007 zie hierboven voor het url ) waarin Dembski beweert dat de omgekeerde retina in het menselijk oog in tegenstelling
    tot wat Darwinisten beweren juist perfect geschapen is.
    Maar als het menselijk oog met omgekeerd netvlies en mèt blinde vlek (‘blind spot’) perfect ontwerp is, is het oog van de Octopus met niet-omgekeerd netvlies en zònder blinde vlek slecht ontwerp?
    Het is één van tweëen.
    Opvallend is de altijd triomfantelijke toon van Dembski, in plaats van een serieuze theorie over de powers en limitations van de intelligentie…”
    Mis vooral dit ( engelstalig) blog niet
    http://neurophilosophy.wordpress.com/2007/05/09/muller-cells-natures-fibre-optics/*Hieronder de aankondiging van deze ontdekking door Dirk Draulans

    http://www.knack.be/nieuws/wetenschap/de-natuur-corrigeert-fouten/site72-section45-article5349.htmlDe ogen van mensen en andere gewervelde dieren lijken wel een constructiefout. Er is namelijk geen enkele voor de hand liggende reden waarom de lichtgevoelige cellen zich op de achterkant van het netvlies bevinden, en niet op de voorkant.
    Waarschijnlijk een gevolg van de manier waarop ogen ontstaan en geëvolueerd zijn.( bij vertebraten )

    Maar de evolutie dokterde ( door natuurlijke selectie uit het voortdurend aanbod aan genetische recepten ) een oplossing voor dit probleem uit:
    de cellen die de voorkant van het netvlies met de achterkant verbinden, gedragen zich als een optische kabel, waarvan de wanden zo ondoordringbaar zijn voor licht dat er onderweg bijna niets verloren gaat.
    De maximale lengte van de zo af te leggen afstand is een vijfde van een millimeter.Volgens het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences weerkaatst de wand van deze zogeheten Müller-cellen alle licht weer naar binnen. De weerkaatsende eigenschappen zijn een gevolg van de aanwezigheid van dichte bundels van polymere vezels in de celwand.Het inzicht werd bereikt door laserlicht te schijnen op Müllercellen die uit hamsters waren gehaald.

    Lichttransporterende cellen fungeren als een optische kabel. – © Reporters

    Ter verpozing  en ontspanning
    Crea babbel en   absurde humor 

    CREATO ROMMEL ONTKRACHT

    http://www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?f=28&t=9073

    (Misvatting of creationisten stroman ? )

    ” …Dawkins ea stellen dat het oog niet perfect is omdat de zenuwcellen voor het netvlies langs gaan ipv erachterlangs. Naast verstrooiing van licht resulteert dit ook in een blinde vlek…”

    ( Siger )

    Dat is alvast onjuist. Dawkins is net als elke bioloog verbaasd over de grote perfectie van het oog.

    Hij zegt wel, en overduidelijk terecht, dat het(oog) niet in één keer ontworpen is, maar dat het zijn “perfectie” (in sommige dieren als de arend) heeft bereikt dank zij talrijke apart ontstane correcties.


    Daarna stelt hij de vraag waarom een schepper het oog niet van de eerste keer goed ontworpen heeft

    Dus de enige vraag die moet gesteld worden is:

    Waarom heeft de schepper het oog niet van de eerste keer perfect gemaakt, maar met stapjes, verspreid over een lange tijd?

    (door MNb » ma apr 25,)

  • We moeten de bewijslast niet omdraaien.
  • l is de ID-theorie onwetenschappelijk, ze heeft de aangename eigenschap enkele voorspellingen te doen. Eén daarvan is: de schepper is perfect, dus de schepping is perfect, iig in biologisch opzicht.
    Popper’s falsificatieprincipe
    stelt dat één tegenvoorbeeld voldoende is om een theorie te ontkrachten. Daarentegen zijn alle denkbare bevestigingen niet voldoende als bewijs in de absolute betekenis van het woord.
    Zoals bekend worden sommige kinderen blind geboren. Hun oog is dus imperfect. Het mijne ook, want ik draag een bril op mijn neus. Deze waarnemingen zijn echter niet in strijd met de evolutietheorie.
    De moraal van mijn verhaal zit hem hierin. Ik heb er al vaker op gewezen, maar het blijft een geraffineerd staaltje pseudofilosofische valsspelerij.
    In een gezonde wetenschappelijke discussie kunnen en mogen we het onderwerp niet versmallen tot een enkel voorbeeld als het perfecte menselijke oog of een discussie Dawkins-willekeurige crea.
  • Een perfect menselijk oog bewijst niet dat de ID-theorie juist is en de evolutietheorie onjuist.De wezenlijke vraag is: welk biologisch verschijnsel wordt door ID beter verklaard dan door de evolutietheorie?Perfectie wordt helemaal niet uitgesloten door de evolutietheorie. Sterker nog, deze speelt helemaal geen rol.
  • Imperfectie echter wordt uitgesloten door ID. En voordat we daarover gaan debatteren moeten we het ook nog eens worden over de betekenis van perfectie.

  • Fijn als Borger kan beargumenteren dat de bedrading in het menselijk oog perfect is. Het boeit me niet, omdat deze argumentatie nul komma niets toevoegt aan de beantwoording van de wezenlijke vraag. Dat is alleen maar suggestie waar niemand in zou mogen trappen.
ID-Creationisten babbel
Kan het complexe menselijke oog stapsgewijs zijn geëvolueerd, of moet het zijn ontworpen door een Intelligernt schepper …

DINOSAURICON O

O


  Fossil  tibia and astragalusojoceratops-skull

O is for Ojoceratops – Phenomena: Laelaps

  1. RECONSTRUCTION OF OJOCERATOPS FROM THE HOLOTYPE AND REFERRED SPECIMENS. ART BY ROBERT SULLIVAN, IMAGE FROM WIKIPEDIA.

http://s-jasinski.blogspot.be/2011/07/ojoraptorsaurus-and-epichirostenotes-2.html

169._Sullivan_et_al.__Ojoraptorsaurus__COLOR[1]ojpraptorsaurus <–pdf

Rhabdodon

Olorotitan arharensis     Reuzenzwaan

Afbeelding Olorotitan arharensis

 

: Krijt: Ornitischia: Herbivoor: 9m

Eén van de allerlaatste Aziatische dinosauriërs die leefde vóór het uitsterven van de dino’s op het einde van het krijt. Olorotitan arharensis(wat “reuzenzwaan van Arhara” betekent) werd in 2001 bij de Amoer ontdekt, de grensrivier tussen Rusland en China. Je kan zien dat hij verwant was aanParasaurolophus aan de grote bijlvormige holle kam op zijn schedel, waarmee waarschijnlijk geweldige geluiden gemaakt werden.

Deze dino leefde 75-70 miljoen jaar geleden. Paleontologen vonden hem in Rusland

KBIN

File:Olorotitan arharensis.jpg

File:Olorotitan 28-12-2007 14-52-33.jpg

fig. 63)    

Omeisaurus tianfuensis skeletal reconstruction, from He et al. (1988:fig. 63)

http://www.palaeocritti.com/by-group/dinosauria/sauropoda/omeisaurus

  http://animals.howstuffworks.com/dinosaurs/omeisaurus.htm

Omnivoropteryx sinousaorum Czerkas & Ji, 2002
Oiseau (Oviraptorosaure indéterminé pour certains) du Barremien/Aptien (130-112 MA) de Chine; connu par un squelette quasi complet.

…..het is gesuggereerd dat Omnivoropteryx een jonger synoniem is van Sapeornis.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Sapeornis

Ornitholestes sketch.

  • Ornithomimosauria

De struisvogelachtige dino’s  werden  vrij recent nog voorgesteld  als  geschubd en weinig indrukwekkend. Nieuw onderzoek wijst erop dat daar weinig van klopt: deze  dino’s zouden prachtige veren en indrukwekkende vleugels hebben gehad.

Dat schrijven Canadese wetenschappers. Zij ontdekten de eerste Ornithomimosauria – zoals de groep waartoe de struisvogelachtige dino behoort voluit heet – met veren in Canada. De fossiele resten geven ons een heel ander beeld van de dino. Het beest blijkt niet geschubd, maar bedekt met veren.

Primeur
“Dit is echt een heel opwindende ontdekking, aangezien het de eerste met veren bekleedde dinosaurus is die op het westelijk halfrond is teruggevonden,” vertelt onderzoeker Darla Zelenitsky van de universiteit van Calgary. “Bovendien zijn dit – ondanks dat er al heel veel skeletten van ornithomimosauria bekend zijn – de eerste exemplaren die aantonen dat de ornithomimosauria bedekt waren met veren, net zoals verschillende andere theropode dinosaurussen.

Vleugels
In totaal vonden de onderzoekers in 75 miljoen jaar oude gesteenten de resten van een jonge en twee volwassen dino’s met veren terug. Ze stammen uit het geslacht Ornithomimus.

Natuurlijk doen de veren ons denken aan vogels. Toch verliep de ontwikkeling van de veren niet zo als we dat van vogels gewend zijn. “De dinosaurus was gedurende zijn leven bedekt met veren, maar enkel oudere individuen ontwikkelden grotere veren op de armen, waardoor vleugelachtige structuren ontstonden.” Bij vogels gaat dat heel anders. “Zij ontwikkelen de vleugels over het algemeen al heel jong, kort nadat ze uit hun ei komen.”

Functie
De dinosaurussen waren te zwaar om met de vleugels te vliegen, dus wat was dan de functie van deze lange veren?

“Het feit dat vleugelachtige voorpoten in rijpere individuen ontstonden, suggereert dat ze alleen later in het leven werden gebruikt,” vertelt onderzoeker François Therrien. De onderzoekers vermoeden dan ook dat de dino’s de vleugels gebruikten om een partner aan de haak te slaan en/of eieren uit te broeden.

De vondst van de met veren beklede Ornithomimus, die tot de groep ornithomimosauria behoort, wijst er volgens de onderzoekers op dat wellicht alle ornithomimosauria veren hadden. Als dat het geval is, is de kans groot dat we wereldwijd op voorheen onverwachte plekken resten van zulke met veren beklede dino’s terug gaan vinden. Want de vondst wijst uit dat de resten van deze dino’s op veel meer plekken dan gedacht behouden kunnen blijven.

“We dachten altijd dat met veren beklede dinosaurussen enkel in modderige sedimenten in stille wateren – denk aan de bodem van meren en kustmeren – konden fossiliseren. Maar de ontdekking van deze ornithomimosauria in zandsteen wijst erop dat met veren beklede dinosaurussen ook bewaard kunnen blijven in gesteenten die door oude, stromende rivieren zijn afgezet.”

En dat is goed nieuws: de meeste skeletten van dino’s zijn tot op heden in zandsteen aangetroffen. En dus is de kans dat we wereldwijd in zandsteen ook dino’s met veren aan gaan treffen groot.

Bronmateriaal:
Canadian researchers discover fossils of first feathered dinosaurs from North America” – Ucalgary.ca
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Julius Csotonyi.
Fig. 4. Ornithomimosaur plumage and its phylogenetic context. Artistic representations of (A) juvenile plumage and (B) adult plumage, both illustrated by Julius Csotonyi. (C) Phylogenetic distribution of major feather types and wings/pennibrachia in theropods. “Filamentous feathers” refer to all feathers that lack a rigid shaft [types 1, 2, and 3b of (11) and morphotypes 2 to 7 of (3)], whereas “shafted feathers” refer to all feathers that possess a rigid shaft [types 3a, 3a+b, 4, and 5 of (11) and morphotypes 8 and 9 of (3)]. Theropod phylogeny is from (35), and the reported occurrences of feathers are from (2, 36). The basalmost occurrence of winglike structures among Theropoda is in Ornithomimosauria. Forearm protuberances in a basal carcharodontosaur have been suggested to be associated with non-scale skin appendages (37) of unknown type. Green node, Theropoda. Yellow node, Maniraptora. Blue branches indicate clades that possess wings/pennibrachia. Gray wings denote clades in which at least one taxon used wings for aerial locomotion.

< Ornithomimosaures

Ornithomimidés

Les Ornithomimidés « imitateur d’oiseau » pourraient être qualifiés de « Dinosaures Autruches ».
En effet, leur bec ressemblait à celui des oiseaux. Ils avaient un corps élancé et de longues pattes. Ils se comportaient comme les grands ratites aux ailes rudimentaires d’aujourd’hui, courant à près de 80 km/h pour fuir le danger.

Principales caractéristiques des Ornithomimidés

Ces dinosaures n’avaient pas de dents. Ils étaient vifs et possédaient un gros cerveau par rapport à leur taille.

Ornithomimidé

Morphologie d’un Ornithomimosaure

À la différence des oiseaux actuels, ils portaient une longue queue ossifiée. De plus, ils avaient des bras aux doigts griffus et non des ailes.
La comparaison des squelettes avec ceux d’autres théropodes montre que les ornithomimidés étaient des coelurosaures proches des maniraptores, sous-groupe auquel appartiennent Velociraptor et les oiseaux.

Où et quand vivaient les Ornithomimosaures ?

Ces dinosaures ont vécu principalement au Crétacé supérieur. Des fragments d’os retrouvés dans des roches du Jurassique supérieur en Angleterre ont été attribués à des ornithomimidés mais des doutes subsistent.

Une empreinte de pas fossilisée attribuée à Hopiichnus shingi a été découverte en Arizona. Elle est datée de 196.500 à 183.000 Ma (Jurassique inférieur-Jurassique moyen).

La grande majorité des fossiles provient d’Amérique du Nord. Cependant, les Ornithomimosaures ont vécu également en Asie.

Exemples d’Ornithomimosaures

Les ornithomimidés les plus connus sont :

  • Struthiomimus
  • Dromiceiomimus
  • Ornithomimus
  • Anserimimus
  • Gallimimus
  • Pelecanimimus

Struthiomimus « semblable à l’autruche » est le mieux connu des ornithomimosaures. C’était un dinosaure léger, trapu et adapté à la course, probablement l’animal le plus rapide qui ait existé.

On pense qu’il vivait en troupeau. Son bec étroit et dépourvu de dents lui permettait d’avaler les petits lézards, insectes et végétaux. Il devait sûrement pouvoir attraper de petits morceaux de nourriture avec ses bras et ses mains fines.

Les fossiles de ce dinosaure ont été retrouvés au Canada. Il mesurait plus de 3 m de long.

En principe les ornithomimidés n’ont pas de dents. Mais, Pelecanimimus en possédait 220 qui ressemblaient à de minuscules piquants.

Pelecanimimus

Pelecanimimus. © dinosoria.com

L’absence de dents chez les genres proches démontre que ces dinosaures devaient être omnivores. Pelecanimimus, lui, pouvait sans problème déchiqueter la chair de petits animaux.

Gallimimus diffère des autres genres d’Amérique du Nord par la forme de son crâne et les dimensions de ses membres.

Gallimimus

Gallimimus. © dinosoria.com

Son museau et son bec sont allongés et ses mains sont plus courtes ; c’est le plus grand Ornithomimidé connu avec 6 m de long.

V. Battaglia (12.2003). M.à.J 10.2009

Dromiceiomimus . Gallimimus . Pelecanimimus

Liens

Ornithomimidae sur Paleobiology Database
Hopiichnus shingi sur Paleobiology Database

< Familles de Dinosaures

Drijflijk uit de zee bij Maastricht

Reconstructie van een Nederlandse dino, met  eendensnavel, duizend tanden en een kam op zijn kop. (Natuurhistorisch Museum Maastricht)
Door onze redacteur Michiel van Nieuwstadt

In ons grotendeels met klei bedekte  nederland, werden ze niet verwacht: resten van dino’s. Maar nu zijn er toch twee dozijn botjes. En een reconstructie van de bijbehorende hadrosaurus.

Het beest ter grootte van een Indische olifant behoort tot de hadrosaurussen: dieren met een bek in de vorm van een eendensnavel, meer dan duizend (reserve)tanden en een kam op de kop.

Het is verrassend dat in ons grotendeels met klei bedekte land in de afgelopen anderhalve eeuw toch nog 26 dinobotjes en -tanden bijeen zijn gesprokkeld, in zeeafzettingen nog wel. Rond Maastricht zijn stukjes bovenkaak gevonden, scheenbeen, staartwervel, k ootjes,dijbeen, wat tandjes en mogelijk een schaambeen.

Schulp denkt dat die restjes op één na toebehoren aan één of twee forse hadrosaurus-soorten. In de reconstructie is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de 26 dinobrokken uit de buurt van Maastricht. Concreet gaat het om een Nederlands scheenbeen, een dijbeen en een kuitbeen. Een middenvoetsbeentje was duidelijk te groot, maar een afgietsel ervan is een maatje verkleind en óók verwerkt. De rest van de dinobrokken was te groot óf te klein om te kunnen gebruiken.

Een hadrosaurus, gevonden langs de Chinees-Russische grensrivier de Amoer (een amurosaurus), is het hart van de reconstructie. Een Nederlands dijbeenstuk lijkt volgens Schulp ‘als twee druppels water’ op het amurosaurusdijbeen. De Nederlandse dino’s zijn hadrosaurussen, concludeert Schulp daarom: „Dat zit geramd.”

Twintig van de 26 Maastrichtse hadrosaurusstukjes hebben onmiskenbaar aan een hadrosaurus toebehoord.

Schulp: „De andere fossielen zijn zodanig vermangeld dat je ze eigenlijk niet met zekerheid kunt thuisbrengen, maar voor de rest is classificatie eigenlijk geen probleem. Je zou kunnen zeggen dat de hadrosaurus grotendeels uit herkenbare standaardonderdelen was opgebouwd.”

De schedel was het moeilijkst te reconstrueren.

Van amurosaurus zijn maar een paar schedelstukjes bekend. Voor de reconstructie van de Nederlandse hadrosaurusschedel is daarom gebruik gemaakt van de Noord-Amerikaanse hadrosaurus Corythosaurus.

„Over de schedel van de Nederlandse hadrosaurussen weten we heel weinig en juist die schedels waren heel gevarieerd”, zegt Schulp. „De breedte van de eendensnavel loopt tussen de verschillende soorten uiteen. Ook de omvang van de kenmerkende uitstulpingen bovenop de schedel varieert van kleine knobbeltjes tot uitzinnige uitsteeksels met krullen die over de rug naar achteren lopen.” In de reconstructie is gekozen voor een ‘bescheiden’ kam, ‘losjes’ gebaseerd op de kam van Corythosaurus.

Tenslotte kwam ook de recente ontdekking in North-Dakota van pas van een hadrosaurus-fossiel met huidafdrukken. Die huidafdrukken lieten zien hoeveel spiermassa eronder zat. „Vooral de spieren aan het begin van de staart hebben we na die vondst nog wat aangezet”, zegt Schulp.

Schulp voorzag de Nederlandse hadrosaurus van zachte streepjes en een rode kam. Hij erkent grif dat de reconstructie een ingewikkelde puzzel is waarin her en der een foutje kan zitten. „Als paleontoloog heb je te maken met harde feiten, gefundeerde aannames en onderbouwd giswerk”, zegt Schulp. „ We duidelijk  maken wat de zekerheden en onzekerheden zijn.”

Een wetenschappelijke naam heeft de Nederlandse hadrosaurus niet. In het Britse Natural History Museum zijn dij- en scheenbeenresten van een in Nederland gevonden hadrosaurus voorzien van het etiket Orthomerus dolloi, maar volgens Schulp is die naamgeving uit 1883 verouderd. „We zijn sinds die tijd verwend met een paar fatsoenlijke skeletten van hadrosaurussen”, zegt Schulp. „Dan moet je een paar luizige botjes uit Nederland geen naam willen geven.”

Twee dozijn botjes

Tegen het einde van het ‘tijdperk der dinosauriërs’ lag ter hoogte van Maastricht een ondiepe zee . De 26 dinobrokken uit de regio zijn volgens Schulp als drijflijk vanaf het land naar open zee gedobberd. „Een groot karkas zal nooit ver de zee op drijven”, zegt hij. „Het vasteland was niet veel verder weg dan Heerlen of Aken nu. We moeten de paleogeografische kaarten herzien, want daarop staan alleen eilandjes.” De tachtig meter dikke laag met afzettingen uit het laatste miljoen jaar voor de dinosauriërs uitstierven, loopt vanuit Nederlands Limburg door in België en verdwijnt daar in de diepte. Schulp schat dat driekwart van de Maastrichtse dinobrokken in Nederland gevonden is en de rest in België.

 

File:Orthomerus dolloi.jpg

Fossil of Orthomerus, an ornithopod dinosaur    KBIN  Musee d’Histoire Naturelle, Brussels

oryctodromeus cubicularis

http://viersterren.wordpress.com/2009/07/14/de-burcht-van-de-dinosaurier/

In de Amerikaanse staat Montana is de ondergrondse burcht van een dinosaurus gevonden, met het gezin er nog in.

Hiermee is voor het eerst aangetoond dat er onder deze hypsilidonte  oerreptielen holengravers waren. Ook is dit het eerste keiharde bewijs voor broedzorg bij dinosauriërs. Een team onder leiding van David Varricchio vond een vreemde wormachtige structuur van zandsteen in wat 95 miljoen jaar geleden de modder van een regelmatig overstromend riviergebied was. Het gedraaide stuk zandsteen liep dwars door drie rotslagen heen. Het moet een gegraven hol zijn geweest, schrijven de onderzoekers in vakblad PNAS.
Erin vonden ze de resten van drie skeletten, twee kleintjes en een grotere. De holbewoners waren planteneters van een nog onbekende soort, die Oryctodromeus cubicularis is gedoopt. Een ouder met twee jongen, dat kan bijna niet anders. Het volwassen exemplaar had stevige schouders en was iets meer dan twee meter lang, waarvan de helft staart. Dit leek eerst te groot voor de holte, maar, zegt Varricchio, het paste waarschijnlijk nét. Daarmee voorkwam de gravende dino dat grotere dieren zijn hol konden binnendringen.
Het begin van de tunnel, die een diameter had van ongeveer 25 centimeter. Vrij krap voor een twee meter lang beest, maar blijkbaar ging het.

Blijkens de publicatie in de Britse Proceedings of the Royal Society ontdekten de wetenschappers het nest in een oude rivierbedding in het zuidwesten van de Amerikaanse staat Montana. De 95 miljoen jaar oude botten blijken afkomstig van een volwassen dier en twee jonge exemplaren. Volgens de onderzoekers is dit het eerste bewijs dat sommige soorten dino’s ondergrondse nesten groeven. Voorheen werd aangenomen dat dinosauriërs niet in nesten of holen voor hun jongen zorgden.

De Amerikanen melden dat het hier gaat om een nieuw soort kleine dinosaurus, Oryctodromeus cubicularis genaamd. Ze denken dat ook andere kleinere soorten door holen te graven konden overleven in de extreme omstandigheden van woestijnen of hooggebergte.

De fossielen van het dinogezin zijn aangetroffen in een stuk zandsteen. Gezien de aanwezigheid van dit afzettingsgesteente moet het ondergrondse hol miljoenen jaren geleden zijn ondergestroomd.

In eerste instantie leek de twee meter lange Digging runner of the lair , zoals de dinosaurus door zijn ontdekkers is genoemd, te klein voor het nest. Maar, zo stellen de onderzoekers, er zijn nu ook allerlei zoogdieren die in kleine ondergrondse nesten kruipen. Dit doen ze zodat ze zichzelf beter tegen indringers kunnen beschermen.

 De dinosaurus in kwestie behoort tot de hypsilophonten, kleine ornithischische (plantenetende) dinosaurussen. Ze werden gevonden in de achterste kamer van een gangenstelsel onder de grond, en dit kan een adaptatie zijn voor het grootbrengen van jongen in een kouder klimaat zoals bij de poolstreken. Hoewel Hypsilophodontidae tegenwoordig niet meer als één groep wordt zien, en de leden ervan meer bij de Euornithopoda worden gerekend is een naast familielid bijvoorbeeld Leaellynasaura die binnen de poolcircel heeft geleefd.

Hoewel de verschillende dinosaurusgroepen een zeer lange levensduur hebben gehad, zo’n 165 miljoen jaar tegen bijvoorbeeld 5 a 6 miljoen jaar voor de mens, zijn ze voornamelijk landbewonende dieren gebleven. Dit in tegenstelling tot de zoogdieren bijvoorbeeld. Zelfs de mogelijkheid van de voorlopers van vogels, kleine dromaeosauride dinosaurussen, om in bomen te klimmen wordt door velen als controversieel gezien. En hoewel voor sommige dinosaurussen een gravende levenswijze werd verondersteld, zoals bij Mononykus en Heterodontosaurus, en er bewijs is voor het maken van nesten van Troodon en sauropode titanosauriërs waar graafwerk aan te pas is gekomen is er van holbewoning geen sprake.

Classificatie
Ornithischia
Ornithopoda
Euornithopoda
Oryctodromeus cubicularis

Etymologie
Orycto en dromeus komen uit het Grieks en betekent “gravende renner” en cubicularis slaat op het bewonen van een hol

holotype
Mor 1636a; samengegroeide premaxilla; achterste deel van de schedel; drie nekwervels, zes rugwervels, 23 staartwervels; drie ribben, samengegroeide schouderbeenderen, opperarmbeen, spaakbeen en ellepijp, scheenbeen en middenvoetsbeentje IV
Paratype
Mor 1636b; gevonden in associatie met de holotype en vertegenwoordigt twee juveniele dinosaurussen van 55 tot 65% lengte ten opzichte van het volwassen dier.
Plaats en Tijd
De gevonden fossielen stammen uit het bovenste deel van het Midden-Krijt, en zijn gevonden in de Blackleave formatie, Beaverhead CO., Montana, USA

http://www.bionieuws.nl/artikel.php?id=3194&print=1

Ouranosaurus nigeriensis
was een herbivore dinosauriër uit de groep van de Euornithopoda, tijdens het Vroege Krijt levend in het huidige West-Afrika.

Ouranosaurus werd in 1976 beschreven door Taquet op basis van een in 1966 in Niger gevonden vrij volledig skelet uit het Aptien, zo’n 110 miljoen jaar geleden.

Het meest opvallende kenmerk van Ouranosaurus waren de enorme doornuitsteeksels op de ruggewervels die wellicht een groot zeil op zijn rug ondersteunden. Eenzelfde kenmerk treffen we aan bij Spinosaurus, een carnivore tijdgenoot uit hetzelfde gebied. Het is wel verondersteld dat het extreem hete klimaat uit die periode tot overeenkomstige aanpassingen geleid heeft: een zeil vergrootte het uitstralingsoppervlak.

Ook twee eerdere synapsiden, Dimetrodon en Edaphrosaurus, hadden een zeil, hoewel ze niet aan de dinosauriërs verwant waren. Bij dezen had het zeil vermoedelijk mede de functie het dier op te warmen. Bij de dinosauriërs speelde dat vermoedelijk geen rol; door hun enorme massa waren die weinig gevoelig voor afkoeling — als ze al niet volledig warmbloedig waren.

Een ander bijzonder kenmerk van Ouranosaurus vormde de enorm lange schedel. Het hele beest werd zo’n zeven meter lang. Zijn voorpoten hadden geen grijpfunctie meer.

Ouranosaurus is basaal geplaatst in de Hadrosauroidea

 

OVIRAPTOR 

Oviraptor was a small Mongolian theropod dinosaur, first discovered by legendary paleontologist Roy Chapman Andrews and first described by Henry Fairfield Osborn, in 1924

.
Its name is Latin for ‘egg thief’, referring to the fact that the first fossil specimen was discovered atop a pile of what were thought to be Protoceratops eggs. The specific name philoceratops means “lover of ceratopsians”, also given as a result of this find.

However,
it is now believed that the eggs belonged to this genus itself and that the specimen was actually brooding its eggs, based on discoveries of a related animal called Citipati. Oviraptor forms the basis of a family called Oviraptoridae, named by Barsbold in 1976. Barsbold then used the name to coin a group called Oviraptorosauria.

Oviraptor may have eaten eggs. However, in 1977, Barsbold argued that the strength of its beak would indicate that it was strong enough to break the shells of mollusks such as clams, which are found in the same formation as Oviraptor. The idea of a crushing jaw was first proposed by H. F. Osborn, who believed that the toothless beak in the original skull, together with an extension of several bones below the jaw from the palate, would have made an “egg-piercing” tool, though this interpretation has been disputed. These bones form part of the main upper jaw bone or maxilla, which converge in the middle to form a pair of prongs. The rest of the bony palate, unlike all other dinosaurs, is extended below the jaw line and would have pushed into the space between the toothless lower jaws. A rhamphotheca, or the keratin forming the beaks of birds, covered the edges of upper and lower beaks and probably the palate, as proposed by Barsbold and Osborn.

Oviraptor lived in the late Cretaceous Period, during the Santonian stage, and may have lived in an earlier stage called the Campanian, between 80 to 70 million years ago; it comes almost exclusively from the Djadokhta Formation of Mongolia, as well as the northeast region of the Neimongol Autonomous Region of China, in an area called Bayan Mandahu. Relatives of Oviraptor include “Ingenia” and Chirostenotes.

Oviraptor was one of the most bird-like of the non-avian dinosaurs. Its rib cage, in particular, displayed several features that are typical of birds, including a set of processes on each rib that would have kept the rib cage rigid. A relative of Oviraptor called Nomingia was found with a pygostyle, which is a set of fused vertebrae that would
later help support the tail feathers of birds. Skin impressions from more primitive oviraptorosaurs, like Caudipteryx and Protarchaeopteryx, clearly show an extensive covering of feathers on the body, feathered wings and feathered tail fans. A feather tail fan is also indicated by the presence of a pygostyle in Nomingia, suggesting that this feature was widespread among oviraptorosaurs. Additionally, the nesting position of the brooding
Citipati specimens implies the use of feathered wings to cover the eggs. Given the close anatomical similarity between these species and Oviraptor, it is almost certain that Oviraptor had feathers as well. Oviraptor is traditionally depicted with a distinctive crest, similar to that of the cassowary. However, re-examination of several oviraptorids (Clark, Norell & Barsbold, 2001) show that this well-known dinosaur may actually be a species of Citipati, a relative of Oviraptor. It is likely that Oviraptor did have a crest, but its exact size and shape are unknown due to crushing in the skull specimens.

Oviraptor philoceratops

Eierdief
Afbeelding Oviraptor philoceratops

Krijt: Saurischia: Carnivoor: 1.8m

De eerste indruk is de belangrijkste, en voor Oviraptor heeft dit jaren ernstige gevolgen gehad. Toen hij in 1920 voor het eerst ontdekt werd, lagen zijn fossiele resten op een nest eieren. Wetenschappers dachten dat het de eieren van een protoceratops waren, en dat de kleine dino ze wilde stelen om op te eten. Ze noemden hem dan ook de “eierdief”. Vele jaren later ontdekten paleontologen dezelfde soort eieren met daarin een oviraptor-jong. Toen pas beseften ze dat ze deze arme dino vals beschuldigd hadden en dat hij de eieren niet wilde stelen… Het waren zijn eigen eitjes die hij probeerde te beschermen!

Deze dino leefde 83-72 miljoen jaar geleden. Paleontologen vonden hem in Mongolië en China.

Oviraptor philoceratops dinosaur

JULIUS T CSOTONYI

Oviraptor philoceratops dinosaur, This small dinosaur, an ornithopod, had a characteristic bony head crest. Its fossils date from the Cretaceous, and are found in Mongolia

 

FEATHERS  of OVIRAPOTOR  = Best evidence yet that dinosaurs used feathers for courtship

 

 

oviraptor  show 537269_454361871283843_1171334315_n

 

male oviraptor dinosaurs Ingenia yanshini shake their tail feathers to woo potential female mates (reconstruction of such dino-wooing shown here).

 

[Paleontology • 2013] Oviraptorosaur tail forms and functions (Theropoda: Oviraptorosauria) | Best evidence yet that dinosaurs used feathers for courtship

  1. Best evidence yet that dinosaurs used feathers for courtship http://phys.org/news/2013-01-evidence-dinosaurs-feathers-courtship.html via @physorg_com

    W. Scott Persons, IV, Philip J. Currie, and Mark A. Norell. 2013. Oviraptorosaur tail forms and functions. Acta Palaeontologica Polonica. doi: http://dx.doi.org/10.4202/app.2012.0093
    http://www.app.pan.pl/article/item/app20120093.html

    °

Groep OrnithopodaOrnithopods ORNITOPODA * http://en.wikipedia.org/wiki/Ornithopod
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ornithopoda
, http://www.geol.umd.edu/~tholtz/G104/10419orni.htm

http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_dinosaurs

http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_dinosaurs

Orrorin tungenensis

INHOUD —-> https://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/                                     

Zes miljoen jaar op twee benen          :  Steijn van Schie

Toen in 2000 de fossielen van ( een van ) de oudst bekende mensachtige werden gevonden in Kenia, was er veel onenigheid.

Wetenschappers konden het niet met elkaar eens worden over de vragen of Orrorin tugenensis werkelijk een ( rechtstreekse ?)voorouder van de mens was( of een vroege zijtak ) en of hij al op twee benen liep.

* Amerikaanse onderzoekers geven nu mogelijk het begin van een antwoord op deze twee vragen.

1.- Onze “voorouders ” liepen zes miljoen jaar geleden al op twee benen, leiden Brian Richmond en William Jungers af uit de bouw van zes miljoen jaar oude fossiele dijbenen. Richmond kreeg in 2003 toestemming om in een kluis in Nairobi de fossielen op te meten.

Sluit dit venster

Enkele van de dijbenen die de onderzoekers gebruikten. De tweede van links is van Orrorin tugenensis, zes miljoen jaar oud. In Science beweren zij namelijk dat ze het bewijs hebben gevonden dat we hier inderdaad te maken hebben met een rechtop lopende voorouder van de mens. Hun conclusie baseren zij op vergelijkingen van de fossiele dijbenen met dijbenen van andere fossielen, mensapen en de moderne mens. Iets wat niemand heeft mogen doen van de Keniaanse autoriteiten sinds de ontdekking van deze botten.

* Pickford en Senut zeggen nu in Science blij te zijn dat de nieuwe metingen hun hypothese bevestigen dat hun Orrorin rechtop heeft gelopen.

* Ondertussen is men terug gekomen van de bewering dat tweevoetigheid en rechtoplopen (bipedalisme) , een typische en exclusieve echt menselijke eigenschap zou zijn …

Wellicht wordt Lucy dus alsnog onttroond als menselijke oermoeder. ?

Dit beweerden de Franse ontdekkers van de botten al jaren geleden, maar konden hun beweringen niet met harde bewijzen onderbouwen. Deze vroege mensapen leefden, in tegenstelling tot Lucy, in bosachtig gebied en bouwden hun nest in de bomen. Uit de nu gedane metingen en statistische analyses leidt men af dat ze nog het meest verwant zijn met australopithecen, een groep homoniden die ongeveer 4 miljoen jaar geleden ontstonden. (= mogelijk zijn ze een zijtak van de australopithecinen ) Die verwantschap is veel waarschijnlijker, dan een rechtstreekse rechtstreekse lijn met Homo erectus, die wel als een direkte voorloper van de mens wordt gezien.( sommige creationisten zien de erectus zelfs als “een archaisch ras van de “homo sapiens” )

Destijds claimden de vinders Martin Pickford en Brigitte Senut van de fossielen, opgegraven in de Tugen heuvels van Kenia, dat de australopithecen hadden afgedaan als voorloper van de mens.Hun Orrorin tugensis zou dat wél zijn geweest . Paleantropologen waarschuwen al jaren voor overhaaste conclusies over de vroege stamboom van de mens,: en ze waarschuwen nu eveneens voor “conclusion jumping” op grond van de nieuwe bevindingen De situatie aan het begin van de “split “was ergcomplex’, aldus een van hen in het Sciences

Er zijn trouwens verschillende ” voorouder ” kandidaten gevonden , die ouder zijn dan de australopithecinae …maar van geen van allen is tot nu toe met genoeg fossiel bewijs aanwezig, om de titel op te eisen

zie ook

Ardipithecus kadabba
October 2002. :
de eerste berichten over orrorin tugensis
Martin Pickford, de vinder van Orrorin tugenensis
Martin Pickford

Martin Pickford heeft in Kenia de fossielen opgegraven van wat hij ziet als de oudste overblijfselen van een hominide(= een voorloper van de mens) die ooit gevonden is. Hoewel de fossielen zelf niet zijn gedateerd, heeft men kunnen vaststellen dat de rotsachtige grond waarin zij zich bevonden zo’n 6 miljoen jaar oud is. Ze werden gevonden in de
Tugen heuvels. Daarom kreeg hij ook de naam: Orrorin Tugenensis
(‘Orrorin’ = oorspronkelijke bewoner, ‘Tugenensis’ = van de Tugen heuvels).
Blijken we dan nog oudere verwanten te hebben dan we eerst dachten, ouder nog dan ˜Lucy”?
De gevonden overblijfselen zijn van zeker vijf verschillende individuen. Een van de fossielen is een goed bewaard gebleven dijbeen.
De vorm en mate van robuustheid tonen aan dat Orrorin over sterke benen beschikte die hem in staat stelden om op twee benen te lopen.
Een eigenschap die ( toendertijd )werd gezien als bewijs voor de directe verwantschap met de mens.
De grootte van deze oude verwant moest die zijn van een chimpansee.
Hij was een behendige boomklimmer.
De tanden laten zien dat de soort onder andere leefde van fruitsoorten met een harde schil.
Orrorin tugenensis dijbeen  

Uit metingen van het dijbeen-bot is gebleken dat de heup en het bovenbeen geschikt waren om rechtop te lopen, schrijven de onderzoekers.

Het dijbeen is afkomstig van een vroege mensachtige genaamd Orrorin tugenensis. Het dijbeen lijkt op dat van voorgangers van de mens die twee tot drie miljoen jaar geleden leefden, de Australopithecus en de Paranthropus.Apen
Het bot is berekend op de belasting van een herhaalde, regelmatige beweging, schrijft de leider van het onderzoek, Brian Richmond van de George Washington Universiteit.
Dijbenen van vroege en moderne apen kunnen omdat ze op veel verschillende manieren worden gebruikt in alle richtingen worden belast. (novum/mvl)
Armbeen van Orrorin tugenensis
Armbeen van Ororin tugenensis
De Orrorin fossielen  De Orrorin fossielen