ATACAMA walvis massagraf

°

  

 zie onder Geologie

°

°

Mysterie van fossiel massagraf opgehelderd

3D relief map of the Atacampa Plateau.

Generalized, modern vegetation zones in the region of Quebrada del Chaco.

Generalized, modern vegetation zones in the region of Quebrada del Chaco.

Location: The bones were found near Copiapo, around 440 miles north of Chile's capital, Santiago

Location: The bones were found near Copiapo, around 440 miles north of Chile’s capital, Santiago

AP

Findings: A video still shows Minister of National Assets Catalina Parot, using crutches, looking at one of the prehistoric whale fossils in the desert

wo 26/02/2014   Kathleen Heylen
°
Wetenschappers menen te weten waarom tientallen walvissen miljoenen jaren geleden aangespoeld zijn in Chili en er een fossiel massagraf gevormd hebben. Giftige algen  zijn waarschijnlijk   de grote schuldige?

De goed bewaarde, miljoenen jaren oude walvisgeraamtes liggen in de Atacama-woestijn …. Volgens de wetenschappers is het kerkhof ontstaan door vier  verschillende massastrandingen in de loop van   enkele duizenden jaren 

°

Het was een van de meest verbazingwekkende Paleontologische vondsten van de voorbije jaren: een massagraf van walvissen van meer dan 5 miljoen jaar oud in de Atacama-woestijn in Chili.

Al sinds 2010 was bekend dat in dat gebied resten van fossiele walvissen te vinden waren. Tijdens graafwerken voor de Pan-Amerikaanse snelweg vlakbij werden tal van fossiele walvisbeenderen ontdekt. De plek verwierf de bijnaam “Cerro Ballena” (‘walvisheuvel”).

atacama discovery

+8

Discovery: The researchers believe the fossilized remains could have accumulated over a long period of time, between two million and seven million years ago

Read more: http://www.dailymail.co.uk/news/article-2063973/Whales-desert-Prehistoric-bones-unearthed-Chiles-Atacama-desert.html#ixzz2uRgXg2Gm
Follow us: @MailOnline on Twitter | DailyMail on Facebook

AP

Een jaar later kregen Amerikaanse en Chileense wetenschappers de kans om een deel van de site uitgebreid te onderzoeken, toen er gewerkt werd aan de verbreding van de snelweg. Ze kregen slechts twee weken de tijd voor alle veldwerk, voor de site werd dichtgegooid en overgoten met beton, maar slaagden erin in die korte periode een indrukwekkende vondst te noteren.

°

De site bevatte de restanten van tien verschillende soorten gewervelde zeedieren in vier aparte lagen in de bodem. Daarbij een soort waterluiaard, twee soorten snoeken, twee soorten robben en minstens vier soorten walvissen. Pronkstukken van Cerro Balleno waren de nog relatief intacte individuele skeletten van meer dan 40 walvissen.

De wetenschappers maakten onder meer digitale 3D-modellen van de resten die ze aantroffen en namen beenderen weg voor verder onderzoek.

Investigators from the Smithsonian Institution laser-scan one of the desert whales in the Atacama Desert, to create and preserve a digital image of it.

°

  

Een gemeenschappelijke, plotse dood

°

Een van de vele vragen die de site opwierp, was hoe de zeedieren daar beland waren, en in zulke grote aantallen. De wetenschappers ging er al snel van uit dat er  gemeenschappelijke, plotse doodsoorzaken  moesten  zijn.

°

Bijna alle walvisskeletten waren zo goed als intact en lagen bijna allemaal op dezelfde manier gepositioneerd, bijvoorbeeld met hun snuit in dezelfde richting en ondersteboven.(met de buik omhoog dus )

walvisgraf

foto:Adam Metallo.

De moordenaar van de veertig walvissen is verrassend eenvoudig: alg.

Het Andesgebergte zou flink wat ijzer in de oceaan hebben doen belanden. Het zorgde ervoor dat de algen in grote overvloed gingen bloeien en samen een dodelijk gif produceerden. Dieren die in zee leefden, kregen dat gif door inademing(in het geval van de vissen ) of door  ervan te eten (zeezoogdieren ), binnen. Daarop begaven hun organen het en vonden de dieren al snel de dood. Dat meldt het Smithsonian.

Op de rug
De onderzoekers baseren hun conclusies onder meer op het feit dat de walvissen met hun buik naar boven ontdekt zijn.

“Net als de bultruggen en blauwe vinvissen van vandaag de dag hadden deze prehistorische walvissen een grote keelzak,” l

egt onderzoeker Nicholas Pyenson uit. Wanneer de dieren sterven en beginnen te ontbinden, vult die keelzak zich met gassen, waardoor de walvis – wanneer deze in het water sterft – met zijn buik naar boven gaat drijven.

Dat de walvissen in de Atacama-woestijn met de buik naar boven liggen, suggereert dus dat ze in zee zijn gestorven.

“Deze enorme hompen vlees strandden op een wad, maar er waren toen nog geen grote roofdieren op het land die de karkassen uit elkaar konden halen en de botten weg konden dragen.” Naar verloop van tijd verging het vlees van de walvissen en werden de botten bedekt met zand.

Het enorme walvisgraf in Chili.  Foto: Adam Metallo.

Het enorme walvisgraf in Chili. Foto: Adam Metallo.

Algen
Een andere aanwijzing dat algen de boosdoener waren, is het feit dat op de skeletten fossiele algenmatten zijn ontdekt.

Deze matten ontstaan wanneer algen overvloedig bloeien.

“Tegenwoordig promoot opgelost ijzer de bloei van schadelijke algen en de Andes is rijk aan ijzer. Dus stellen we dat de bergen ten oosten van dit gebied de bron van de drijvende kracht achter deze bloeiende algen zijn.”

De onderzoekers ontdekten ook dat de algen meerdere keren genadeloos toesloegen. In het gebied zijn grote hoeveelheden fossiele resten van verschillende dieren in verschillende aardlagen aangetroffen. Het suggereert dat de algen zeker vier verschillende keren op dezelfde plek, in een periode van 10.000 tot 16.000 jaar toesloegen.

°

Grote hoeveelheden van dergelijke algen eten kan een snelle dood veroorzaken. De opbouw van de toenmalige kustlijn in Cerro Ballena leidde ertoe dat de dode en stervende dieren slechts op een kleine oppervlakte in een riviermonding aanspoelden.

Vermoedelijk door stormgolven zijn de karkassen op hogergelegen zandgronden beland, waar ze in de loop van miljoenen jaren begraven raakten. Dat plaatste ze buiten bereik van aaseters die in zee leven. Omdat ze in woestijnachtig gebied aanspoelden, waren er ook slechts weinig landdieren die de lichamen konden aanvreten.

°

Wetenschappers hebben nog geen “smoking gun”

°De wetenschappers benadrukken dat het slechts gaat om een werkhypothese (1) . Ze kunnen niet met 100 procent zekerheid zeggen dat de giftige algen er de oorzaak van zijn dat de dierven stierven. Het team vond meerdere korrels en laagjes ijzeroxide in de bodem die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van algen.

Specifieke cellen van algen werden echter NIET  aangetroffen, dat zou pas een “smoking gun” zijn, luidt het.

°

Volgens de onderzoekers omvat de site van Cerro Ballena nog honderden fossiele restanten die nog moeten worden blootgelegd en onderzocht. Er lopen ook nog verschillende onderzoeksprojecten naar de resten die al zijn ontgonnen.

°

Het Smithsonian National Museum of Natural History in Washington DC heeft heel wat onderzoeksgegevens online geplaatst op de website cerroballena.si.edu.

AP
Preparation: A paleontologist encases a whale fossil to be taken to Chile’s Paleontological Museum of Caldera. Most of the fossils are baleen whales measuring 25ft long
AP
AP
‘Extraordinary’: Prehistoric bones belonging to 75 whales have been found in the Atacama desert near Copiapo, Chile. 
°
Bronmateriaal =
Zie ook –>
  • Walvissen
  • een ander walviskerkhof  in de Andes  bevind zich in  de Pisco formtie van Peru                                                                         http://origins.swau.edu/who/chadwick/Pisco.pdf                                          Afbeeldingen van pisco formation whales                                                                         http://en.wikipedia.org/wiki/Piscobalaena
°
OPMERKINGEN  —> 
°
(1)  maw –>  Er is nog niet voldoende   bewijs -materiaal in de fossielen om van een hoogstwaarschijnlijke  hypothese te kunnen spreken ... en al zeker niet van een “theorie ” ( = zoals gebruikelijk  wordt in de  media  een “theorie” gelijkgesteld  aan een   “verantwoorde ” gissing (=educated guess (*) // Een theorie  stoelt echter  op  heel wat meer =   nml  :  een theorie is   een bundeling  ( een synthese )van hypothesen  die voldoende onderbouwd zijn   en dat ook bij machte is deze hypothesen met een model  te verklaren   zodat er voorspellingen  kunnen worden gemaakt en de bekomen  verwachtingen toetsbaar zijn  ;waardoor  de theorie ook kan worden gefalsifeerd volgens de wetenschappelijk noodzakelijke  criteria , in het bijzonder  binnen  het methodisch naturalisme  ) 
°
–> (*) Dat is natuurllijk koren op de molen van IdC-ers  die altijd al beweren dat  “wetenschap ( in het bijzonder evolutie ) is slechts een theorie (= gissing net als alle andere )”
°
Nota  ;
°
—>  Uiteraard is het massagraf in de  chileense woestijn al meermaals  aangehaald  als “bewijs “van een  vloed ( catastrofisme , —> en  zelfs de ” Bijbelse zondvloed” volgens de creationisten , in het bijzonder de Yec’s ) 
°
Enkele  kinderachtige droge  komieken en clowns als  welkom vermaak  en afwisseling ? 
(en ook een deel van de atacama woestijn )
Debunked :
marine fossils in mountains  proof of flood ? 
°
Refuting these crea claims ;
°
Nederlandstalige   trollen van allerlei pluimage op hun plaats gezet ? —>

VERKLARENDE WOORDENLIJST PALEONTOLOGIE A

 zie onder Geologie /PALEONTOLOGIE 

zie ook    

°

EXTERNE  LINKS  & bronnen  

In het Nederlands–> Nederlands 

http://www.fossiel.net/information/article.php WOORDENLIJST 

°

In English Please–> English 

http://palaeos.com/paleontology/glossary.html

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

 

Paleontological glossary Choose the first letter of the the term you’re interested in:A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

 

_________________________________________________________________________________________________

Verklarende woordenlijst Paleontologie

DINOSAURICON A             

°

A

°

In het Nederlands

*Aanhechtingssporen (holdfast trace-fossil  ) 

Aanhechtingssporen van organismen zijn b.v. bekend van oesters, die zich vasthechten aan gesteenten en vancrinoïden in Silurische kalkstenen.
Verder van zeepokken en ook oesters, gehecht aan andere organismen.
Veel organismen hechten zich aan schelpen of skeletten van andere organismen, die dood of levend kunnen zijn.
Epibiont = levend op een ander levend wezen.
Epizoair = een organisme, levend op een dier.
Epifyt = een plant, levend op een plant.
Epilithe = een organisme, levend op een gesteente.

In English PleaseCrinoid Holdfast in Waldron Shale    

 

Unidentified crinoid holdfast embedded in Waldron Shale of Clark County, Indiana.  Fossil dates to Middle Silurian Period.

Crinoid holdfasts and bryozoans on a cobble from the Ordovician of northern Kentucky.
In English PleaseEdiacaran  holdfasts

In English PleaseAspidella is the holdfast of a sea pen-like organism, which had a large bulbous holdfast buried in the sediment, with a stalk and frond rising up into the water column. So the organism has some elements (the holdfast) below the bacterial mat, and some (the frond) above the mat.In this configuration, the frond will be subject to water currents. What is though to have happened is that strong currents carrying the sand that will eventually overlay the organisms has hit the frond and basically dragged the whole organism including the holdfast, in the direction of the palaeocurrent. As the holdfast is under the mats, this dragging has uprooted the holdfast and dragged it through the microbially bound mat layer. The parallel lines represent torn-up bits of mat which were attached to the top of the holdfast. Lumpy margins of the ‘mops’ are probably caused by small lumps of sediment trapped next to the holdfast.

Formation of “mops”. A: Normal conditions. B: Current drag. C: Current induced structures.
D: Sand deposition. E: Preservation. (Tarhan et al. 2010)

This explanation can explain a number of structures seen in Ediacaran rocks.

____________________________________________________________________________________________________
ABAXIAAL
abaxiaal  / bijv.naamw. [plantkunde]
…..aan de zijde die van de as is afgekeerd
…..Van de as afgekeerd ….van de hoofdas weggekeerd (cf. adaxiaal)
¨¨¨Aan de kant die van de hoofdas afgekeerd is. Alternatieven: abaxiale
*Spelling’abaxiaal‘ komt NIET voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en de spellingwoordenlijst van OpenTaal. Dit wil niet zeggen dat het fout gespeld is. …

In English PleaseAbaxial … A term used to describe the lower surface of an organ/organism; more specifically for plants it describes the side away from the axis of the plant (especially denoting the lower surface of a leaf).

__________________________________________________________________________________________________

ABYSSAAL  …..heeft betrekking op alles wat voorkomt in de diepzee, dieper dan 1000 meter. De  Diepzee betreffende / Meer dan 1000 meter diepgaand in zee  /  Uit de diepe aardkorst / Uit de diepste zee / Zeer diepgaand

ABYSSALE ZONE   —>  De Abyssale zone of abyssopelagische zone is dat deel van de oceaan dat tussen 4000 en 6000 meter diep is. De abyssale zone ligt hiermee dieper dan bathyale dieptes, maar minder diep dan diepzeetroggen. Het woord “abyssaal” is afgeleid van ἄβυσσος, Grieks voor “bodemloos”. = Op deze diepte dringt geen licht van het oppervlak door  … http://nl.wikipedia.org/wiki/Abyssale_zone

°In English PleaseAbyssal Zone ….The abyssal zone is a very deep part of the ocean (6000–8000 m water depth).

__________________________________________________________________________________________________

In English PleaseACANTHODIANS

A primitive group of Silurian to Permian jawed bony fishes, bearing bony spines in front of all but their caudal fins.

http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=2447359

In het Nederlands*Acanthodii

De Acanthodii zijn de oudst bekende vertebraten, die zowel kaken met tanden als vinnen bezaten. Er wordt verondersteld, dat deze kaken zijn ontstaan uit de eerste kieuwbogen van hun voorouders, die bestonden uit scharnierende stukjes kraakbeen. Wikipedia ….Voor de  vinnen ( behalve de staartvinnen )  staan gewoonlijk  beenderige stekelachtige structuren

Climatius http://s45.radikal.ru/i108/0810/79/9cf483d2260f.jpg 

°
In English Please
Abbreviated Dendrogram
Gnathostomata
|--Placodermi
`--o Eugnathostomata (=Acanthodii)
   |--Ptomacanthus
   |--+--Climatiiformes
   |  `--Chondrichthyes
   `--Teleostomi
      |--+--Ischnacanthiformes
      |  `--Acanthodiformes
      `--Osteichthyes
         |--Actinopterygii
         |  |--Cladistia
         |  `--Actinopteri
         |     |--Chondrostei
         |     `--Neopterygii
         `--Sarcopterygii

Acanthodii: Acanthodus. 

reconstructions of three acanthodians

Range: Ordovician to Early PermianPhylogeny: TeleostomiOsteichthyes + *: Climatiiformes + (Ischnacanthiformes + Acanthodiformes).http://palaeos.com/vertebrates/acanthodii/acanthodii.html

Climatius (top left; Lower Devonian), Diplacanthus (top right; Middle Devonian) and Acanthodes (center; Lower Permian) ©
acanthodii logo
  _________________________________________________________________________________________________
In het Nederlands
Acervularia. Siluur.  Gotland.  —> zie ook   anthozoa 
In English PleaseAcervularia ananas, a colonial rugose coral from the Silurian of Wenlock
__________________________________________________________________________________________________

In het NederlandsActinopterygii 

Afbeeldingen van actinopterygii

http://nl.wikipedia.org/wiki/Straalvinnigen

http://www.fossiel.net/id_system/fossil_id_search.php?cat=54

De Actinopterygii of straalvinnige vissen vormen een klasse binnen de beenvissen (Osteichthyes). Beenvissen bezitten, in tegenstelling tot kraakbeenvissen, een skelet dat volledig verbeend is. Binnen de beenvissen worden naast de straalvinnige vissen ook de kwastvinnige vissen (Sarcopterygii) ondergebracht.

Diplomystus, een zeer goed bewaarde straalvinnige vis uit het Eoceen van Wyoming, VS

     

Foto’s of locaties voor Actinopterygii bekijken

___________________________________________________________________________________________________
 
ACNIDARIA —>  RIBKWALLEN   —>    CTENOPHORA 
In het Nederlands
–> De ribkwallen vormen een stam van het dierenrijk. Tot deze stam rekent men zeedieren die gelijkenis hebben met neteldieren, maar geen netelcellen bezitten. De naam “ribkwal” slaat op de gekamde ribben op het lichaamWikipedia
In English Please

In English PleaseORDOVICIAN  CTENOPHORE 

Phylum Ctenophora  /Geological Time: Lower Ordovician/Size (25.4 mm = 1 inch): Fossil is 20 mm diameter on a 120 mm by 30 mm matrix / Fossil Site: Fezouata Formation, Zagora, Morocco



In English PleaseComb jellies derive their name from the groups of cilia that allow them to move through the water column. They are known as far back in time as the Cambrian of
Chengjiang, the Burgess Shale of Canada, and the Wheeler Shale of Utah. Due to the fact that they are wholly soft-bodied, they are rarely seen as fossils, even from those well-known largerstatte, making this example most unusual as it comes from the younger Ordovician deposits of Morocco. Note the smaller second example in the background
.

  

Bathocyroe fosteri a common but fragile deep-sea lobate, oriented mouth down  Light diffracting along the comb rows of a Mertensia ovum. The right lower portion of the body is regenerating from previous damage.

http://www.fossilmall.com/EDCOPE_Enterprises/invertebrates/invert92/Invfossil92.htm

In English PleaseANCESTORS ?  

“CREATIONISTS, please note,” says Simon Conway Morris of the University of Cambridge. Beautifully preserved fossils of soft-bodied animals found in China show that the origin of phyla, the broadest category in the classification of animal life, is less mysterious than was thought.

Gaps in the fossil record mean that animal groups sometimes seem to pop up without having obvious ancestors. One example is the comb jellies or ctenophores, soft-bodied animals that live throughout the world’s oceans.

Now, with the discovery of eight fossils, (reported  2006) palaeontologists think its ancestors came from the Ediacaran biota, the planet’s first large complex creatures.

The animal has been named Stromatoveris , for “mattress spring” – it lived attached to the seabed by a stalk. The fossils were found in deposits in Chengjiang in Yunnan province, and are about 515 million years old. This means the animal lived in the midst of the Cambrian explosion …

http://scienceblogs.com/pharyngula/2006/05/08/stromatoveris/

_________________________________________________________________________________________________
ACROSALENIA  (orde Salenoida), Jura. Heeft een afgeplatte schaal met grote knobbels. ZEE- EGEL

In English PleaseAcrosalenia L. Agassiz, 1840, p. 38

[= Plesiosalenia Valette, 1906, p. 275 (subjective); = Perisalenia Valette, 1906, p. 276 (subjective).

See also Acrosalenia (Milnia) Haime, 1849]

Diagnostic Features
  • Apical disc not raised above the corona; smooth; hemicyclic (the posterior two oculars reaching the periproct).
  • Periproct displaced towards posterior along anterior-posterior axis. One or more suranal plates incorporated into the disc.
  • Ambulacral plating trigeminate adorally and usually throughout; granulation developed between the two columns of primary tubercles.
  • Single primary tubercle to each interambulacral plate; all tubercles perforate and crenulate. In type species primary tubercles decrease in size adapically.
  • Primary spines relatively stout and fusiform, with cortex.
Distribution

Lower Jurassic (Hettangian-Sinemurian) to Lower Cretaceous (Valanginian); Europe, Former Soviet Republic, North Africa; Middle East.

Name gender feminine
Type

 Acrosalenia spinosa L. Agassiz, 1840, by original designation.

Species Included
Classification and/or Status

CalycinaSalenioida (stem group).

Presumed paraphyletic.

Remarks

This genus, as redefined here, is presumed to represent the earliest stem group members of the SalenioidaMilnia is separated here as a monophyletic subclade distinguished by having a very slender, strongly U-shaped posterior genital plate (genital plate 5). Metacrosalenia differs in having simple ambulacral plating from the ambitus adapically. Eodiadema has a similar tuberculation, and a hemicyclic apical disc, but the disc has a smoothly rounded periproctal opening and there is no evidence for there having been suranal plates.

A. chartroni has a hemicyclic apical disc and integrated suranal plates that give the inner edge of the apical disc an angular appearance.

A. lycetti Wright, 1851 differs from true Acrosalenia in having a monocyclic rather than hemicyclic apical disc. It deserves separation at generic level.

Agassiz, L. 1840. Description des Échinodermes fossiles de la Suisse. Partie 2, Cidarides.Mémoires de la Société helvétique des Sciences naturelles, 4, 107 pp., 11 pls

Vadet, A. 1985. Oursins fossiles du Boulonnais. Memoires de la Societe academique du Boulonnais 1, 60 pp.

Acrosalenia (Milnia) Haime, 1849, p. 217

[=Thylosalenia Pomel, 1883, type species Hemicidaris patella Agassiz, 1840, by original designation]

Diagnostic Features
  • Periproct displaced towards posterior along anterior-posterior axis.
  • Apical disc not raised above the corona; smooth.
  • One large suranal plate plus smaller ones.
  • Posterior genital plate strongly U-shaped; bounded by posterior ocular plates, genital plate 5 and suranal plates.
  • Ambulacral plating trigeminate throughout; granulation developed between the two columns of primary tubercles.
  • All tubercles perforate and crenulate.
Distribution

MiddleJurassic (Callovian) to Lower Cretaceous (Valanginian); Europe.

Name gender feminine
Type

 Milnia decorata Haime, 1849 [=Acrosalenia angularis Agassiz, in Agassiz & Desor,1847], by original designation.

Species Included
  • M. angularis (Agassiz, in Agassiz & Desor, 1847); Oxfordian-Kimmeridgian, Europe.
  • M. guittoni Vadet, Nicolleau & Pineau, 1996; Callovian, France.
  • M. patella (Agassiz, 1846); Valanginian, Europe.
Classification and/or Status

CalycinaSalenioida (stem group)

Presumed monophyletic.

Remarks

Differs from Acrosalenia in having a slightly stronger posterior elongation of the apical disc opening and a more slender and much more strongly U-shaped posterior genital plate. Haime established this genus on the specimen illustrated here. As Wright (1856) documented, this was very quickly treatred as a synonym of Acrosalenia.

Haime, J. 1849. Observations sur le Milnia decorata. Annales des Sciences naturelles, (3) 12, 217-240.

Wright, T. 1857-1878.  Monograph of the British fossil Echinodermata of the Oolitic Formations: Volume 1. The Echinoidea.  Palaeontographical Society Monographs, London. i-xviii + 1-371, pls 1-80. 1-154, pls 1-10 (1857); 155-302, pls 11-22 (1858); 303-390, pls 23-36 (1859); 391-468, pls 37-43 (1861); 469-481 (1878).

_

Afbeeldingen van acrosalenia  <–

________________________________________________________________________________________________

In English PleaseACROTRETIDA    Cambrium tot recent.    Brachiopoda    ( Nota :   Isocrania bekend uit het Krijt van Zuid-Limburg.)

http://en.wikipedia.org/wiki/Acrotretida

Afbeeldingen van acrotretida

.

Acrotretida: Oval or round shaped.

Below: Example of Order Acrotretida

For more information:

http://www.ucmp.berkeley.edu/brachiopoda/lingulata.html

http://palaeo.gly.bris.ac.uk/Palaeofiles/Fossilgroups/Inarticulate/index.html

http://www.palaeos.com/Invertebrates/Lophotrochozoa/Brachiopoda/Linguliformea/Lingulida.html

_________________________________________________________________________________________

°

In het NederlandsAREAAL  ; verspreidingsgebied  (  som van verschillende   leefgebieden en niches     van een (meestal opportunistische )  soort  )

°

In English Please°Aerial  Living above the surface of the ground or water (as in aerial roots).

*  Structuren ( van planten ) die leven  boven het wateroppervlak(waterplanten –>  bloemen )   of bovengronds (luchtwortels)

LUCHTWORTELS 

Waringinboom met veel luchtwortels.Volgens de gids een Tarzanboom.

Indonesische Waringinboom met veel luchtwortels.
Volgens de gids een Tarzanboom.

obligate epiphyte  orchideen met luchtwortels

______________________________________________________________________________________________

AEROBES  Organisms that require free oxygen (O2). See Aerobic.

In het NederlandsAEROOB (microbiologie )    –>   Rotting heeft plaats, als het milieu aëroobis = als er voldoende zuurstof aanwezig is. Als dit niet het geval is, dan kan er door anaërobe bacteriën (= geen zuurstof nodig hebbende bacteriën, )stinkend H2S=zwavelwaterstof worden gevormd.

 °Aerobic  …..Requiring free oxygen (O2).

http://en.wikipedia.org/wiki/Aerobic_organism

(Microbiology )

aerobes-anaerobes

_________________________________________________________________________________________

°

In het Nederlandsaff.

De uitdrukking aff. wordt gebruikt in de wetenschappelijke naamgeving om te duiden op het mogelijk taxonomisch verband tussen een nieuwe soort en een gekende soort. Het kan met andere woorden gelezen worden als ‘gelijkend op’.

Bijvoorbeeld een trilobiet beschreven door Morzadec als ‘Heliopyge aff. helios’ geeft aan dat het om een soort gaat die sterk gelijkt op H. helios, maar desalniettemin eventueel ook nog een andere soort zou kunnen zijn

________________________________________________________________________________________

In het Nederlands*Afzettingen /sediments

Fossielhoudende ( Afzettings)gesteenten zijn verreweg de belangrijkste Matrix-materialen voor een paleontoloog…

Sedimentaire fossielhoudende gesteenten kunnen de basis vormen van sommige morfogenetische gesteenten ( =bijvoorbeeld blauwe hardsteen ) deze kunnen ook ( meestal kleinere ) fossielen bevatten

    Oudste Sedimentair archief = oudste leven <–klik

°

In het Nederlands*Afzettings gesteenten /Sedimentary rock

http://skywalker.cochise.edu/wellerr/rocks/sdrocksL.htm

Weathering decomposes bedrock

Flowing water,wind,gravity,and glaciers then erode the rock,transport it downslope,and finally deposit
it on thesea coast or in lakes and river valleys.Finally,the loose sedi-ment is cemented to form hard sedimentary rock.
Sedimentary rocks make up only about 5 percent of the Earth’s crust.However,because they form on theEarth’s
surface,they are widely spread in a thin veneer over underlying igneous and metamorphic rocks.
As a result,sed-imentary rocks cover about 75 percent of continents.Many sedimentary rocks have high economic
value.Oiland gas form in certain sedimentary rocks.Coal,a major energy resource,is a sedimentary rock.Limestone
is an important building material,both as stone and as the primary ingredient in cement.Gypsum is the raw material
for plas-ter. Ores of copper,lead,zinc,iron,gold,and silver concen- trate in certain types of sedimentary rocks

____________________________________________________________________________________________________

°

Age of Mammals:

term found in popular books on evolutionary systematics for the Cenozoic era, beginning with the Paleocene Epoch when following the K-T (end Cretaceousmass extinctionmammals underwent a huge evolutionary radiation and thus replaced reptiles as the dominant life on Earth. Paleontologist Björn Kurtén wrote a popular intelligent layperson book with the same title. The Age of Mammals is also the name of a mural by Rudolph Zallinger for the Yale Peabody Museum (link), which follows his earlier and better known The Age of Reptiles. The Age of Mammals has in turn been replaced by the Anthropocene or Age of Man, (Holocene) when humans dominate every conceivable environment and most other life forms (apart from weedy species) are suffering a mass extinction (Yes I know humans are also mammals, so technically speaking this is still the age of mammals, but I tend to think of age of mammals as a period of flourishing biodiversity). (MAK)

Tijdperk der zoogdieren  —>  quartair  

°

Age of Reptiles: term found in popular books on evolutionary systematics for the Permian through to Cretaceous periods (but obviously originating with Victorian discoveries of “antediluvian monsters”), when reptiles(first mammal-like reptiles, then archosaurs and marine reptiles) were the dominant life on Earth. Paleontologist Edwin Colbert wrote a popular intelligent layperson book with the same title. The Age of Reptiles was followed by the Age of Mammals(MAK).

murals  ager of reptiles


The Age of Reptiles is also the title of a 110-foot (30 meter) mural painted by Rudolph Zallinger depicting the time from the Devonian to the Cretaceous and featuring dinosaurs and other prehistoric animals (His The Age of Mammals mural is similar and covers the Cenozoic). The fresco sits in the Yale Peabody Museum in New Haven, Connecticut, and was completed in 1947 after three years of work. The Age of Reptiles was at one time the largest painting in the world, and depicts a span of nearly 350 million years in Earth’s history. Painted in the Renaissance fresco secco technique, The Age of Reptiles was an important cultural influence during the 1950s-60s, images of which are often found in earlier books on paleontology, and was also the model for dinosaur toys. Despite its somewhat outdated view of dinosaurs (presenting them as slow, sluggish creatures), The Age of Reptiles is still notable for its historical and artistic merit and as the largest natural history painting in the world. It has been an inspiration to many visitors including both Robert Bakker and Peter Dodson, who credit it with influencing them to become paleontologists. Dodson was nearly moved to tears upon first seeing it as a college senior. (Wikipedia).

Editors note: In my own case, a photo of this mural in a book (I no longer remember which one) when I was still a young child (maybe 10 or so) exerted a huge influence on me, like a revelation, and for the first time gave me a visual appreciation of deep time in terms of succession and transformation of various forms of plant and animal life. To this day, this mural, along with a spindle diagram of vertebrate evolution in G.G. Well’sScience of Life, have been the two central influences that determined the way I think about deep time and the evolution of life on Earth. I think of Palaeos com as in many ways simply an extension, update (in keeping with more recent discoveries) and commentary on this magnificent work.

(MAK)

Link – Age of Reptiles at the Yale Peabody Museum

Tijdperk der reptielen  –> Mesozoicum

°

Age of the fishes 

Tijdperk der vissen  —>  devoon  

°

Aglaspids

A group of arthropods which are of uncertain affinities, but look superficially like horseshoe crabs.

Beckwithia typa
Weeks Formation
Millard County, Utah

Beckwithia

Aglaspids

Aglaspida

Aglaspid - Beckwithia

Aglaspid – Beckwithia   Late Cambrian, Utah, USA

Cambrian aglaspid arthropod. Despite a superficial resemblance, aglaspids are NOT trilobites. This 0.5″ creature is actually related to eurypterids and horseshoe crabs. They are primarily found in the Late Cambrian, but are very rare anywhere they are found.

the Aglaspids remain enigmatic arthropods. Once placed with chelicerates, most workers now consider them incertae sedis, as the early arthropod phylogeny remains a highly confounded arena. The enigmatic group of early arthropods are possibly closely related to trilobites, and possibly link the trilobites with the Chelicerata. Hoxie (2005) has proposed aglaspids as among the key candidates for Protichnites trackmakers. Aglaspid fossils are found in many Cambrian and Ordovician fossil sites throughout the world. These arthropds had eight to twelve pairs of appendages, and a wide range of sizes from an inch long to nearly a foot. It is almost certain that the aglaspids did not live on land, but perhaps came ashore to mate and lay eggs, as horseshoe crabs do today. Or they may have been escaping 
predators that by the late Cambrian consisted of some scary creatures such as anomolacaris. Or, perhaps microbial mats along the shoreline provided an abundant and easy food source. Regardless, it was a paramount event for life on earth when thethe first attempts at land colonization were made. Morphologically, aglaspids appear similar to the modern-day pill bug (or rolly polly), except, like some trilobites, often had a prominent cephalon and tail appendage or telson. Their legs, designed for strolling the seafloor, probably would not have enabled 
much speed during land locomotion.

http://en.wikipedia.org/wiki/Aglaspidida

http://www.fossilmuseum.net/fossils/aglaspida.htm

The Aglaspida (Aglaspids) are an unranked (incertae sedis) clade of early arthropods that due to their resemblance to horseshoe crabs were once believed to ancestral horseshoe crabs, and were included with the chelicerata. Most recently, aglaspids are held to be distinct group, possibly closely related trilobites, and possibly linking the trilobites with the Chelicerata. Although aglaspid fossils are distributed worldwide, they are relatively uncommon in the fossil record. They are, in fact, one of the largest non-trilobite arthropod groups in the fossil record.

Aglaspids had 8 to 12 pairs of appendages and a prominent telson. These morphological characteristics have caused considerable support for Aglaspids being the maker of Protichnites ichnofossils. Protichnites of the Upper Cambrian Mount Simon Sandstone in Wisconsin have been suggested as the first footprints on land in the fossil record, possibly marking the transition to terrestrial life that took tens of millions years more to complete.

Unknown Aglaspid Arthropod
Weeks Formation
Millard County, Utah

Hesselbo S.P. (1989) The Aglaspidid Arthropod Beckwithia from the Cambrian of Utah and Wisconsin, Journal of Paleontology, 63(5) 636-642
Hesselbo S.P. (1992) Aglaspidida (Arthropoda) from the Upper Cambrian of Wisconsin. Journal of Paleontology, 66:885-923.

http://www.indiana9fossils.com/Arthropods/Aglaspids.htm

Leptoglaspis schmidti: Ordovician : Fezouata Formation / Mecisri – Zabora Area, Morocco N. Africa

A new aglaspidid arthropod, Chlupacaris dubia gen. et sp. nov., is described from the Pusgillian (lower Ashgill, Upper Ordovician) Upper Tiouririne Formation near Erfoud, southeastern Morocco. Although disarticulated, careful documenting of the tergites allows a reconstruction of the exoskeleton to be made. Although somewhat trilobite-like in appearance, the lack of facial sutures, a well-defined axis with articulating half-rings and a pygidium clearly prove Chlupacaris gen. nov. is not a trilobite. An interesting feature is the presence of a hypostome in this non-trilobite arthropod. In contrast to other aglaspidids usually considered to be carnivorous, a filter-feeding mode of life is proposed for Chlupacaris gen. nov., based on the strongly vaulted cephalon, subvertical orientation of the hypostome and less strongly vaulted trunk. Chlupacaris gen. nov. is probably most closely related to the atypical aglaspidid Tremaglaspis unite from the Tremadoc (Lower Ordovician) of the U.K., but it can also be tentatively linked to the problematic Lower Cambrian arthropods Kodymirus vagans and Kockurus grandis from the Czech Republic. The relevance and validity of previous definitions and of possibly significant characters used for identifying aglaspidids are evaluated, and as a result, a new combination of characters diagnosing Aglaspidida is proposed. Contrary to previous reports, it is suggested that aglaspidids are probably more closely related to trilobites than they are to chelicerates. This notion may be supported by the shared possession of a mineralised cuticle, a possibly similar number of cephalic appendages, and the presence of a hypostome in some forms, although this last character may alternatively be homoplastic.

Chlupacaris dubia: Ordovicianl: Tiouririne Formation: Oued Draa  Valley, Morocco N. Africa

http://www.paleodirect.com/pgset3/crus026.htm

Leptaglaspis sp.

____________________________________________________________________________________________________
In het NederlandsKaaklozen  
Tot de klasse Agnatha behoren ca. 45 soorten, waarvan de meeste uitgestorven. Een voorbeeld is de recente Lamprei. De uitgestorven pantservissen kwamen voor in Siluur en Devoon.
De kaakloze vissen vormen een parafyletische groep binnen de Chordata. Ze worden vaak onderscheiden van de andere, ‘echte’ vissen, die dan behoren tot de Gnathostomata. Wikipedia

…….De agnatha of kaakloze vissen vormen een superklasse binnen het phylum Chordata. Recente vertegenwoordigers zijn onder meer de Prikken  (vb. de Beekprik Lampetra planeri). De vroegste fossiele vertegenwoordigers zijn gekend van het Cambrium, waarmee dit één van de eerste groepen binnen de Chordata is in het fossielenbestand.

Binnen de Benelux kunnen kaakloze vissen onder meer aangetroffen worden in het Devoon van zuid-België, waar het erg zeldzame verschijningen zijn. Zo is onder meer Pteraspis rostrata  beschreven uit het Devoon van de omgeving van Bergen (Mons).File:Pteraspis rostrata.jpg

Agnatha: name given to what was previously considered a class of jawless fish, including both Paleozoic ostracoderms and extant lampreys and hagfish. With the cladistic revolution, the term has been replaced by more phylogenetically accurate terms such as “basal vertebrate” (MAK)
°

Afbeeldingen van fossil agnatha

The Agnatha are the jawless fish, and the extant varieties are the last survivors of the world’s first vertebrate animals. Jawless fishes diverged from other fish during the Cambrian some 500 million years ago, and lack scales, paired fins, and jaws. They instead have a circular toothed outgrowth used to latch on to the side of another fish in order to feed on its blood. Agnatha were prominent among primitive fishes of the early Paleozoic. Haikouichthys and Myllokunmingia are notable agnathans from the Chengjiang biota of China.

Another putative agnathid from Chengjiang is Haikouella. The Agnatha larvae are filter feeders, a characteristic that betrays their evolutionary kinship with invertebrate chordates. Many Ordovician, Silurian, and Devonian agnathans were heavily armored with bony, spiked plates. The Ostracoderms were the first armored agnathans, ancesctors of the bony fishes and thus to tetrapods, including humans, beings) that are are known from the middle Ordovician. Agnathans never recovered from a decline during the Devonian.

Haikouella fossil from Chengjiang biota The Agnatha are the jawless fish, and the extant varieties are the last survivors of the world’s first vertebrate

 

__________________________________________________________________________________________________
ALGAE
In het Nederlands

Algen of wieren zijn een verzamelnaam van een diverse groep relatief eenvoudige organismen die plantaardig zijn en dus aan fotosynthese doen. Zowel eencellige algen in het water als meercellige zeewieren behoren tot deze groep. Deze groep heeft geen wortels, bladeren en bloemen die de later ontstane hogere planten wel hebben. Fossiele algen zijn al bekend vanaf hetPrecambrium tijdperk.

Onder andere de stam Chlorophyta (Groenwieren) behoort tot de algen.

—> Photosynthetic, almost exclusively aquatic, nonvascular plants that range in size from simple unicellular forms to giant kelps several feet long. They have extremely varied life cycles and first appeared in the Precambrian.

What are Green Algae?   Green algae belong to the group Chlorophyta, named for the green pigment (chlorophyll) these protists use to photosynthesize. This is the same green pigment used by plants. Both unicellular and multicellular forms can be found in marine and freshwater environments.

The fossil record of green algae may extend back into the Precambrian, with fossils of freshwater chlorophytes from Australia. Dasycladacean green algae first appear in the Cambrian, while other types of green algae make their first appearances in the fossil record throughout the Phanerozoic.

First known fossil occurrence: Precambrian.

Last known fossil occurrence: Quaternary. This group has living relatives.

Cool Green Algae links:

Search for images of Green Algae on Google

Receptaculites
Receptaculites
From the Ordovician in Nevada

© 2003 P.J. Noble, University of Nevada, Reno (noblepj@unr.edu)

stromatolite
stromatolite
From the Precambrian in British Columbia

© 0 Ron Stanwood (kambaba@lottocheatah.com)

___________________________________________________________________________________________________

____________________________________________________________________________________________________

In het Nederlands*AMMONIETEN         Leefden in het Paleozoïcum en vooral in het Mesozoïcum. Ze zijn kenmerkend voor de periode van Devoon t/m Krijt. Ze hadden een wereldwijde verspreiding en ze zijn van groot belang voor datering binnen het Mesozoicum. Ze lijken op platte Gastropoden.

Typisch is de sifo = een buis, die langs de buikzijde van de winding door alle kamers, waaruit een ammoniet is opgebouwd, heenloopt.

Fig.56. Anarcestes (Anarcetes) lateseptatus plebeius (BARRANDE), Devoon, Böhmen. (naar Zittel, 1915)
Ammonieten kunnen worden ingedeeld naar hun voorkomen in geologische perioden of zelfs in tijdvakken

Voorbeelden:

Goniatites. Devoon – Perm. Bij ons in het Onder-Carboon, in zwerfstenen of los als zwerfsteen.
Reticuloceras. In schalie uit het Boven-Carboon o.a. bij Epen.
Gastrioceras. Boven-Carboon.
Ceratites. Trias.
Dactylioceras. Midden- en Onder-Jura. o.a. bekend uit Holzmaden in Duitsland.
Phylloceras. Onder-Jura – Boven-Krijt.
Asteroceras Jura.
Hamites. Krijt.
Rhyncolites, een bovenkaakdeel, misschien behorend tot Nautilus. Boven-Maastrichtiën.

ammonieten en aanverwanten.docx (3.3 MB)

Een ammoniet is een fossiele schelp uit het Paleozoïcum en Mesozoïcum. De diergroep is aan het eind van het Krijt uitgestorven. Slechts het spiraalgewijs gewonden uitwendige skelet is fossiel bewaard gebleven. Deze fossielgroep is van groot belang voor datering van Mesozoïsche laagpakketten.

Ammonitida

Een ammoniet is een gekamerde schelp van een uitgestorven inktvisachtige. De orde van Ammonitida behoort tot de klasse Inktvisachtigen (Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca). De naam is afkomstig van de Egyptische god Ammon. Sommige ammonieten lijken immers op de opgekrulde ramshorens waarmee Ammon werd voorgesteld.

De schelp was meestal van aragoniet, wat slecht fossiliseert en soms alleen de steenkern overlaat. Waar de schaal wel bewaard is, kunnen in sommige gevallen lagen parelmoer voor een spectaculair kleurenpalet zorgen. Wel worden kleinere ammonieten vaak gevonden in gepyritiseerde vorm. Ammonieten waren zwemmende dieren die hetzij traag zwemmen door bewegingen met hun tentakels, maar snel konden wegschieten door met kracht water uit een kanaal te persen, zoals huidige inktvissen dit doen. Verticale bewegingen door de waterkolom werden gedaan door stikstofgas in oude kamers te pompen. De kamers zijn onderling door een buis (sipho) verbonden zodat het gas vanuit de lichaamsvloeistof van het dier getransporteerd kon worden. Bij ammonieten loopt deze sipho of siphonaal kanaal langs de ventrale zijde (buitenzijde). De laatste, meest recente kamer omvat vaak meer dan de helft van een volledige winding, huisvest het lijf van het dier en wordt woonkamer genoemd.

Voorbeeld van een ammoniet (Pleuroceras)

De grootte van de ammonieten varieert van minder dan een centimeter tot meer dan 2,5 meter doorsnee. Er kwamen vele soortenen variëteiten ammonieten voor. De meeste soorten waren spiraalvormig opgerold, maar er kwamen ook ontrolde vormen voor (‘Heteromorf’). Ammonieten met bewaring van de weke delen zijn tot nu toe nog niet gevonden, waardoor reconstructies in zekere mate speculatief blijven.

Bij deze ammoniet uit het Toarciaan van de Rhône-alpes, Franktrijk, zijn de complexe sutuurlijnen goed zichtbaar

De tussenschotten van de kamers zijn voor ammonieten op een typische manier grillig geplooid, waardoor bij deze fossielen vaak repetitieve boomvormige lijntjes te zien zijn. Dit noemen we “sutuurlijnen”, en ze vormen een belangrijk determinatiekenmerk. De complexiteit van de sutuurlijnen is ook een handige manier om enkele grote groepen van cephalopden van elkaar te onderscheiden (zie afbeelding). Ammonieten leefden vanaf het boven Siluur tot ze, net als de niet-avische dinosauriërs, uitstierven aan het einde van het Krijt.

Impressie van een heteromorfe ammoniet (© F Lerouge)

Ammonieten zijn in de loop van de geschiedenis snel geëvolueerd. Samen met het feit dat ze goed fossiliseren, maakt het een zeer geschikt gidsfossiel. De stratigrafie van het Mesozoicum is grotendeels gebaseerd op het voorkomen van bepaalde soortenammonieten. Vooral in de Jura en het Krijt tijdperk waren ammonieten erg talrijk.

Sutuurlijnen bij nautiloidengoniatietenceratieten en ammonieten

Binnen de Benelux zijn ammonieten gekend uit onder meer het Krijt in de omgeving van Maastricht, en het Jura van het uiterste zuiden van België en Luxemburg.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Ammonitida bekijken

AMMONITES   // A coiled, chambered fossil shell of a cephalopod mollusc of the extinct subclass Ammonoidea. Traditionally divided into three types, according to suture: goniatites (Devonian to Permian) have simple lobes, ceratites (Triassic) have a saw-toothed pattern, and ammonites proper (Jurassic and Cretaceous) are the most complex, have fractal sutures with rounded lobes and saddles. Ammonoids appear in the Devonian and become very important as fossils from the Carboniferous through to the Cretaceous. There abundance, wide distribution, and short stratigraphic range make them excellent index fossils. (USGS Paleontology glossary)

Graphic: selected ammonites, from Phil Eyden, Ammonites: A General Overview

 .

Ammonite Fossils

a selection of ammonites fossils 

Much of what we know or presume about ammonites comes from the study of their only known living relative, thenautilus.

Ammonites are excellent index fossils

____________________________________________________________________________________

*AMFIBIA  

In het Nederlands      Amphibia 2   

amfibieen evolutie en geologie    <–DoCX

Amphibia

De Amphibia of Amfibieën vormen een klasse binnen de gewervelden (Vertebrata). Recente vertegenwoordigers zijn onder meer de kikkers, padden en salamaders. Amfibieën behoren tot de eerste gewervelden die op het land voorkwamen, dit vanaf hetDevoon tijdperk. Ze evolueerden vanuit een groep kwastvinnige vissen.

Amfibieën hebben doorgaans een aquatische of semi-aquatische levenswijze en zijn gebonden aan water voor de reproductie.

Micromelerpeton, een amfibie uit het Perm van Duitsland.

Binnen de Benelux zijn fossielen van amfibieën gekend uit onder meer het Boven-Devoon van zuid-België, waar ze tot de absolute zeldzaamheden behoren.
________________________________________________________________________________________________

AMOEBA   A microscopic, one-celled animal consisting of a naked mass of protoplasm.

1. The oldest fossil Protozoa

Vase-shaped microfossils (VSMs) preserved by the billions in carbonate nodules from the ~742-770 Ma Chuar Group, Grand Canyon, Arizona. —>  exhibit morphological and behavioral characters strikingly similar to those found in modern testate amoebae, including both arcellid amoebae (part of the Amoebozoa clade together with slime molds) and euglyphid amoebae (part of the Rhizaria clade, together with foraminiferans and radiolarians).

Together with a fossil red, green, and xanthophyte algae preserved in other Proterozoic rocks, VSMs tell us that crown-group eukaryotes had appeared and were diversifying by early Neoproterozoic time, before the onset of worldwide glaciation, and possibly coincident with a rise in atmospheric oxygen.

The VSM species, Bonniea dacruchares, and a modern analog.

Here are some(eventually) side-by-side comparisons of VSMs (on the left) and modern testate amoebae (on the right). Images of modern testate amoebae are courtesy of Ralf Meisterfeld.

VSMs attached at their openings, similar in appearance to modern testate amoebae undergoing asexual reproduction.

<Palaeoarcella athanata,

The VSM species, Palaeoarcella athanata, and the modern analog, Arcella.

Melanocyrillium hexodiadema,

VMF  amoeba
1–9, 11, 13,Melanocyrillium hexodiadema
Melanocyrillium(a, d: M. horodyskii; b: M. fimbriatum; c & f: M. cf. hexodiadema; e: M. sp. A; g: M. sp B
(a, d: 0.041 mm; b-c, e-f: 0.041 mm; g: 0.035 mm)

I. Early Eukaryote Evolution

Fossil evidence suggests that eukaryotes had appeared by ~2700 million years ago, but that they only began diversifying in the Neoproterozoic Era, ~1000 to 542 million years ago (Ma).

Dramatic environmental changes form the backdrop to this diversification, including rising oxygen levels, extreme glaciations, supercontinent breakup and formation, reorganization of the carbon cycle, and, possibly, true polar wander. I am broadly interested in how the evolution of eukaryotes influenced and was influenced by these events.

Note : 

Also important is that VSMs represent the earliest body fossil evidence for predators. Some tests even have what appear to be ‘bite marks’—some other organism preying on them? I actually have no idea what these perfectly semi-circular holes are, but have ruled out the possibility that they are test characters or taphonomic artifacts.

If anyone has suggestions or have seem similar features elsewhere, please email me!

This work was funded by NSF.

Publications arising from this work:
Porter and Knoll (2000) Neoproterozoic testate amoebae: evidence from vase-shaped microfossils in the Chuar Group, Grand Canyon. Paleobiology 26(3): 360-385.

Porter et al. (2003). Vase-shaped microfossils from the Neoproterozoic Chuar Group, Grand Canyon: a classification guided by modern testate amoebae. Journal of Paleontology 77(3): 409-429.
Porter (2004). The fossil record of early eukaryotic diversification. Paleontological Society Papers 10: 35-50.
Porter (2006)
. The Proterozoic fossil record of heterotrophic protists. In Xiao, S., and Kaufman, A.J. (eds.), Neoproterozoic Geobiology. Geobiology Series.

2. The paleontology of the middle Neoproterozoic Chuar Group, Grand Canyon: Biotic turnover prior to Sturtian low-latitude glacation

For her master’s thesis, my former graduate student, Robin Nagy, studied the organic-walled microfossils (acritarchs) preserved in shale from Chuar Group. She uncovered an interesting pattern: diverse acritarch assemblages are present in the lower part of the Chuar Group, but disappear in the upper part, replaced by structures we interpret as Sphaerocongregus variabilis, thought to be the remains of bacterial blooms. Also at this level the first vase-shaped microfossils appear. This pattern does not appear to be controlled by changes in water depth or preservational conditions, and we interpret it to reflect biotic turnover ca. 750 Ma.Interestingly, this same pattern of turnover has been noted in global compilations of organic-walled microfossil diversity, and was thought to be associated with the beginning of low-latitude ‘snowball Earth’ glaciations.The fact that we see this drop in the >742 +/- 6 Ma Chuar Group, many millions of years before the Sturtian glaciation(s) (which occured sometime betweem 726 and 660 Ma [Hoffmand and Li, 2009, doi:10.1016/j.palaeo.2009.03.013]) suggests that the turnover had some other cause. In collaboration with Carol Dehler, and Yanan Shen, we propose that widespread eutrophication may have been the trigger. This work was funded by NSF.
Publications arising from this work:
Nagy et al. (2009). Biotic turnover driven by eutrophication before the Sturtian low-latitude glaciation. Nature Geoscience. doi:10.1038/ngeo525 Robin and I also studied microfossils from the co-eval Uinta Mountain Group, and found assembalges similar to those of the upper Chuar Group (vase-shaped microfossils, Sphaerocongregus variabilis (=Bavlinella faveolata), but no or few acritarchs).Publications arising from this work: Nagy and Porter (2005).Paleontology of the Neoproterozoic Uinta Mountain Group. In Dehler, C.M., Pederson, J.L., Sprinkel, D.A., and Kowallis, B.J. (eds.), Uinta Mountain Geology. Utah Geological Association Publication 33, p. 49-62.
Dehler, et al. 2005. Neoproterozoic Uinta Mountain Group of northeastern Utah: pre-Sturtian geographic, tectonic, and biologic evolution. In Pederson, J., and Dehler, C.M. (eds.), Interior Western United States. Geological Society of America Field Guide 6, p.1-26.
Dehler et al. (2007).The Neoproterozoic Uinta Mountain Group revisited: a synthesis of recent work on the Red Pine Shale and undivided clastic strata, northeastern Utah. Pp. 151-166 in Link, P.K., & Lewis, R. (eds.): Proterozoic Geology of Western North America and Siberia. SEPM Special Publication 86.

3. Rotting protists

Most of the early fossil record of eukaryotes consists of taxonomically problematic fossils – we know they are eukaryotes but that’s about it. It’s usually assumed these fossils are the cysts of green algae because of the assumed degradation-resistance of this group. Julie Bartley and I have decided to test this idea: are green algal cysts more resistant than structures of other protists? We plan to set up experiments to rot several different protists—red algal vegetative cells, green algal cysts and vegetative cells, protozoan cysts, fungal spores, and oomycete filaments—to compare the relative resistance of these structures.

< Hemisphaeriella ornata

Afbeeldingen van Hemisphaeriella ornata

_http://dash.harvard.edu/handle/1/3007648

________________________________________________________________________________________________

In het NederlandsAmphicoele wervel

Wervel die aan biconcaaf ofwel beide zijden concaaf (hol) is. Vissen bijvoorbeeld, hebben wervels van deze vorm.

Schematische doorsnede van een amphicoele wervel in vergelijking met andere werveltypen.

______________________________________________________________________________________

In het NederlandsAmniota

Taxonomische groep binnen de Chordata die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een vlies rond de eieren, waardoor ze geen water nodig hebben voor de voortplanting. De eerste amniota verschenen in het Carboon tijdperk en kwamen voort uit de Amfibiën.

°

Anaerobes

Organisms that can live in environments lacking free oxygen (O2). See Anaerobic.

Anaerobic

Occurring in the absence of free oxygen (O2).

Analogous

Structures with a similar function that do not have a common evolutionary history (i.e structures resulting from convergent evolution). The opposite is known as ‘homologous’.

____________________________________________________________________________________

In het NederlandsANAPSIDA 

File:Skull anapsida 1.png

Anapsid skull of Caretta caretta (Loggerhead sea turtle), a Testudine

De Anapsida zijn een uitgestorven groep reptielen die als kenmerk hebben dat de schedel geen openingen heeft achter de ogen. Het is een problematische groep, waarover veel discussie bestaat en de indeling en zelf validiteit onzeker is. Lang werd gedacht dat schildpadden, die anapside schedels hebben, van deze groep afstammen gezien ze anapside schedels hebben. Volgens de laatste onderzoeken zouden de schildpadden echter kunnen thuishoren bij de Diapsida. In deze indeling worden de schildpadden voorlopig nog bij de Anapsida geplaatst, maar dat is dus met een groot vraagteken.

De meeste Anapsida zijn uitgestorven aan het einde van het Perm tijdperk. Enkele van de oudste reptielen behoren tot deze groep zoals de genera Procolophon, Hypsognathus, Eudibamus en Arganacera.

     Globe.png

Foto’s en locaties voor Anapsida bekijken

Ancestral    :   preexisting condition or character state.

____________________________________________________________________________________________________

°

 ANGIOSPERMAE 

De Angiospermae of bedektzadigen is een groep landplanten binnen de Tracheophyta. Alle bloeiende planten behoren tot deze groep. Deze planten kunnen zich voortplanten door middel van vruchten die zaden bevatten.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Angiospermae bekijken

______________________________________________________________________________________

°

In het NederlandsANNELIDA  

De Annelida of ringwormen vormen een phylum binnen het koningkrijk Animalia. Recente anneliden zijn onder meer regenwormen en borstelwormen of Polychaeta. In deze laatste groep worden onder meer de serpuliden of kokerwormen ondergebracht, welke dank zij een verhard kalkskelet frequent als fossiel gevonden worden.

Fossielen van ‘zachte’ anneliden zijn gekend uit uiteenlopende Lägerstatten, waaruit blijkt dat deze groep reeds vertegenwoordigers had in het Cambrium.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Polychaeta bekijken

     Globe.png

Foto’s of locaties voor overige Annelida bekijken

Annelids

Annelids are a group of segmented worms that includes earthworms and leeches. Although annelid fossils are rare, the fossil record of the group extends back to the Cambrian period.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ringwormen

http://en.wikipedia.org/wiki/Annelid

Annelid Fossils

Because the annelids have soft bodies, fossilization is exceedingly rare. The best-preserved and oldest specimens come from Cambrian Lagerstätten such as the Burgess Shale of Canada, and the Middle Cambrian strata of the House Range in Utah. Putative Annelid ichnofossils are known from the Ediacara Hills of Australia and the White Sea Region of Russia. The Annelids are also well represented among the Pennsylvanian-age Mazon Creek fauna of Illinois.

Dickinsonia costata
Class Polychaeta (?)
Vendian (600 mya)
White Sea, Russia

Wiwaxia
Possible Annelid Ancestor
Marjum Formation, Utah

Rhaphidiophorus hystrix
Class Polycheate
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois

Coprinoscolex ellongimus
Actually Phylum Echiura
“Oldest Known Leech”
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois

Didontogaster cordylina
Class Polycheate
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois
Astreptoscolex anasillosus
Class Polycheate
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois

Pieckonia helenae
Class Polycheate
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois

Esconites zelus
Class Polycheate
Pennsylvanian
Mazon Creek, Illinois
Fossundecima konecniorum
Polychaete Worm with Preserved Jaws
Phylum: Annelida; Class Polychaeta
CarboniferousMazon Creek, Illinois
Annelida; incertae sedis
Class Polychaeta (?)
Middle Cretaceous
Lebanese Lagerstatt

zie ook   ->

http://www.nhm.ac.uk/nature-online/species-of-the-day/evolution/platynereis-dumerilii/

 _________________________________________________________________________________________

 In het NederlandsANTHOZOA   = Bloemdieren worden onderverdeeld in de onderklassen:
1.  Rugosa.
2.  Octocorallia.
3.  Scleractinia.

<  Rugosa zijn te beschouwen als de voorlopers van de huidige rifbouwende koralen, de Scleractinia.
Rugose koralen kwamen voor in het Paleozoïcum.

Ze omvatten zowel solitaire als kolonievormende soorten.
Bekende vindplaatsen ervan liggen in de Eifel in het Midden-Devoon in de omgeving van Gerolstein.
Op het eiland Gotland in de Oostzee zijn langs de kust heel veel solitaire Rugosa te vinden. Kolonievormende soorten zijn daar in talrijke stromatoporenriffen te vinden.
Voorbeelden van Rugosa zijn:
Acervularia. Siluur.  Gotland.
Entelophyllum. Siluur. Gotland.
Cyathophyllum. Midden-Devoon. Eifel en Ardennen.
Hexagonaria. Midden-Devoon. Eifel en Ardennen.
Lithostrotion. Onder-Carboon. Kolenkalk. België.

De Anthozoa, met onder meer de koralen en zee-anemonen, vormen een klasse binnen het Phylum Cnidaria. Fossiele vertegenwoordigers zijn gekend van voor het Cambrium tijdperk. Vooral de koralen worden als fossiel zeer vaak aangetroffen in voormalig (sub)tropische mariene sedimenten. Koralen zijn kolonies van poliepachtige diertjes die voornamelijk in tropische zeeën voorkomen. Door ongeslachtelijke deling ontstaan uit één koraalkelkje gehele kolonies, welke hele riffen kunnen opbouwen. Ook in koudere wateren komen ze voor, maar ze bouwen daar geen riffen op.

Calceola sandalina, een herkenbaar solitair koraal uit het Devoon van België

De meeste fossiele koralen behoren tot de ordes van de Rugose, Tabulate en Scleractine koralen.Tabulate koralen zijn altijd kolonievormend, maar rugosekoralen komen vaak solitair voor. Het skelet bestaat uit calciet (kalk). Vanaf het Ordovicium tot het uitsterven aan het einde van het Perm tijdperk leefden de rugose en tabulate koralen.

De Scleractine koralen ontwikkelden zich vanaf het Midden-Trias en tot op heden zijn zij de voornaamste rifvormers. Hun skelet bestaat uit aragoniet (snel oplosbare kalk) dus vinden we meestal alleen steenkernen en afdrukken. In de fossielen zijn meestal de kamertjes waar de koraalpoliepjes hebben geleefd goed te zien.

 

Voorbeeld van een rugose koraal

Binnen de Benelux worden koralen in tal van fossielhoudende mariene afzettingen aangetroffen. Het meest prominent zijn de riffen in het Devoon en Carboon van België, welke vaak commercieel worden uitgebaat voor de productie van natuursteen.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Anthozoa bekijken

http://palaeo.gly.bris.ac.uk/palaeofiles/fossilgroups/anthozoa/record.html

___________________________________________________________________________________________________

 In het NederlandsANURA 

Binnen de groep van de Amfibieën (Amphibia) zijn de Anura, oftewel kikkers (en padden) de groep met de meeste soorten. Naast de kikkers omvat de groep van amfibieën ook nog de salamanders en wormsalamanders. Kikkers zijn te herkennen aan het platte lijf en de uitpuilende ogen.

De metamorfose van kikkers vanaf het larve stadium (kikkervisje) tot aan kikker is uniek in de groep van de gewervelde dieren. De oudste kikker stamt uit het onder Trias tijdperk en is zo’n 250 miljoen jaar oud.

De eerste Amfibie voorouders van de kikkers ontstond al in het boven Devoon tijdperk.

___________________________________________________________________________________

*APERTURE

A relatively large opening on the last-formed chamber of a foraminiferal shell

___________________________________________________________________________________________________

 In het NederlandsAPOMORFIE 

Een apomorfie is een eigenschap die in een bepaalde taxonomische eenheid (bijvoorbeeld OrdeFamilie of Genus) afwijkt van zijn voorouders. Het gaat dus om een nieuw geëvolueerde eigenschap die bij de directe voorouder nog niet voorkwam.

________________________________________________________________________________________

°

Apoxogenesis    …..A type of determinate plant growth that results in a continual decrease in the diameter of the primary xylem in distal parts of the plant, for example, in the Lepidodendrales. The opposite is known as ‘epidogenesis’.

Incomplete development   stages  in   regenerations  ( for example in  distal   leaves )

Plumeria rubra (Apocynaceae: Plumerioideae)

Decent-sized tree clearly showing the characteristic architecture of the species (Leuwenberg’s Model) and also the apoxogenetic leaf development.

___________________________________________________________________________________________________

Arachnids

are a group of invertebrate arthropods belonging to the subphylum Chelicerata. All arachnids are characterized by the possession of jointed appendages and eight legs. They include spiders, scorpions, ticks, mites and harvestmen, among other species.

In het NederlandsARACHNIDA   De Arachnida vormen een klasse van Arthropoda waar de volgende groepen onder vallen:

  • Spinnen
  • Mijten
  • Teken
  • Schorpioenen en Pseudoschorpioenen

Fossiele resten zijn bekend uit lägerstatten en lagen met een meer dan behoorlijke bewaring. Arachnida zijn een oude groep onder de geleedpotigen, met vertegenwoordigers die teruggaan tot het Siluur tijdperk.

Uit de Benelux zijn resten gekend uit onder meer Carboonstorten in Nederland.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Arachnida bekijken

____________________________________________________________________________________________________

Arborescent

A term describing “tree-like” structures/in plants & some animals .

Dendronotus arborescens* wax model of whole animal displayed on scallop shell.   Hunterian Museum & Art Gallery collections, catalogue number GLAHM 135832 

Sketch of 3 types of individuals in a colony of Bowerbankia, an arborescent type of bryozoan.  Individuals in arborescent colonies live attached to a common stolon and have chitinous body walls.  A.  Individual zooid with its lophophore extended for feeding.  B.  Retracted individual.  C.  A degrading individual that is brooding an embryo.  Redrawn from Barnes, 1980.

Arborescent shell ornamented by areoli: Homotrema rubra (Lamarck), arborescent habit, SEM graphs, Recent, Gulf of Aqaba.
A: overview of arborescent shell, B: detail of a single branch, Note the sponge spicules (ssp) glued into the tubular peristomal extension of the aperture to serve as fishing rods that support filiform pseudopodia extending into turbulent water for the capture of food.
a: aperture; ar: areoli.

__________________________________________________________________________________________________

°

In het NederlandsARCHAEABACTERIA   …De Archaebacteria of Archaea vormen een groep of koninkrijk van eencelligen. De aanwezigheid van Archaea in het fossielenbestand is voornamelijk gekend uit moleculaire analyse van gesteenten, en dateert vanuit het Precambrium tijdperk.

__________________________________________________________________________________

ARCHOSAURS 

archosaur:

_____________________________________________________________________________________________________

Arthropods

Arthropods are a group of animals united by a suite of features including a segmented body with specialised regions (tagmosis), an open circulatory system featuring with a dorsal heart, and an exoskeleton composed of articulated plates which is moulted as the animal grows (ecdysis). The five major groups which make up the phylum Arthropoda are the extinct trilobites, the hexapods (insects and a few smaller groups), the crustaceans (e.g. crabs, lobsters, shrimp, and many more, including woodlice), the myriapods (millipedes, centipedes, and relatives), and the chelicerates (arachnids and horseshoe crabs).

Afbeeldingen van fossil arthropods

Fossil Record of Arthropoda

Soft-bodied relatives of the arthropods, as well as trace fossils that were made by some arthropod-like organisms, appear in the Vendian. However, arthropods underwent rapid evolution in the Cambrian Period; Cambrian localities like the world-famous Burgess Shale in British Columbia are rich in unusual athropods, many of which are not obviously related to the traditional classes of living arthropods. Trilobites were a dominant marine group in the early Paleozoic. The earliest arachnids turn up in the Silurian, and move onto land shortly before the insects appeared in the middle Devonian Period, about 385 million years ago; over the next hundred or so million years both groups radiated into several diverse lineages.

The above image is the head and mouthparts of a fossilized larva of the water bug Schistomerus, found silicified in Miocene deposits (about 15 million years old) near Barstow, California. The actual size of the head is about one millimeter. This photograph was taken with UCMP’s own Environmental Scanning Electron Microscope.

In het NederlandsARTHROPODEN oftewel geleedpotigen is een phylum binnen de Animalia, die zich kenmerkt doordat de dieren een uitwendig chitinepantser hebben. Het lichaam is vaag onderverdeeld in segmenten en de poten hebben gewrichten. De meeste beschrevensoorten op aarde behoren tot de geleedpotigen.

De arthropoden omvatten onder meer de:

Alleen de trilobieten zijn als groep uitgestorven, de overige groepen zijn ook nu nog alom vertegenwoordigd. De oudste groepen arthropoden stammen al uit het Cambrium tijdperk.

Protocallianassa faujasi, een arthropode uit het boven-krijt van Limburg.

_______________________________________________________________________________________________

Artifact

A structure or material not normally present, not naturally occurring, for example, produced by a preparation techniques.

___________________________________________________________________________________________________

Assemblage Zone

In biostratigraphy, a biozone that is characterised by a particular group of organisms rather than a single organism.

__________________________________________________________________________________________________

In het NederlandsASTEROZOA  

De Asterozoa vormen een subphylum binnen de Echinodermata. De groep omvat onder meer de zeesterren en slangsterren. Fossiele vertegenwoordigers zijn bekend vanaf het vroege Ordovicium tijdperk.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Asterozoa bekijken

°

In het NederlandsATLAS  De atlas is de bovenste wervel van de wervelkolom. De bovenkant van de wervel zit met een gewricht vast aan de schedel.

Zie ook de lijst met soorten botten van gewervelden.

°

Autecology

Study of the relationship between an organism and its environment.

___________________________________________________________________________________________________

Authigenic Cementation

A type of preservation that involves soft sediment cementation by iron and carbonate compounds (e.g. FCO3 – siderite); resulting replicas of surface features including moulds and casts (e.g. Mazon Creek).

In exceptional circumstances three-dimensional preservation can occur (e.g. Crock Hey Pit, Coseley).

___________________________________________________________________________________________________

Autotroph

A form of metabolism in which the organism synthesizes its own food from inorganic compounds; photosynthetic and chemosynthetic organisms are examples of autotropy.

Afbeeldingen van Autotroph 

Photosynthesis and chemosynthesis are both processes by which organisms produce food; photosynthesis is powered by sunlight while chemosynthesis runs on chemical energy :  both are forms of autotrophy

Close up of a tubeworm “bush”, which mines for sulfide in the carbonate substrate with their roots. The sulfide is metabolized by bacteria living in the tubeworms, and the energy produced sustains both organisms. It is a classic symbiotic relationship. Lophelia II 2010 Expedition, NOAA-OER/BOEMRE.

Close up of a tubeworm “bush,” which mines for sulfide in the carbonate substrate with their roots. The sulfide is metabolized by bacteria living in the tubeworms and the chemosynthetic energy produced sustains both organisms. It is a classic symbiotic relationship. Lophelia II 2010 Expedition, NOAA-OER/BOEMRE.

See also white and black smokers  

___________________________________________________________________________________________________

  precambrium 

____________________________________________________________________________________________________

°

AVES  

In het Nederlands ……Binnen de Vertebrata omvat de klasse Aves alle vogels. Het zijn bipedale, warmbloedige, geverderde en vliegende dieren. Er zijn ook vogelsoorten, zowel recent als uitgestorven, die alleen kunnen lopen. Verder zijn vogels warmbloedig en leggen ze eieren. Vogels stammen af van een theropode groep Dinosauria, en verschijnen voor het eerst in het fossielenbestand in de loop van het Jura. Assymetrie in sommige veren wijst erop dat het vliegvermogen toen al behoorlijk was ontwikkeld, en recent onderzoek wijst uit dat ook verschillende groepen binnen de Dinosaurussen reeds geverderd waren, al lijkt het vliegvermogen zich wel exclusief bij de vogels ontwikkeld te hebben. In tegenstelling tot de niet-vogelachtige dinosauriërs hebben de vogels demassa-extinctie op de K-Pg grens overleefd.

Eén van de meest iconische vogelfossielen: Archaeopteryx lithographica uit het Jura van Beieren, Duitsland (Foto H. Raab)

Shenzhouraptor, letterlijk een vroege vogel uit het Krijt van China (reconstructie door Matt Martyniuk)

Fossiele vogelbotten zijn meestal te herkennen omdat ze hol zijn.

Binnen de Benelux kunnen we vogelfossielen aantreffen in onder meer het Neogeen van Noord-België en Zuid-Nederland.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Aves bekijken

LIJST FOSSIELE AMFIBIEEN E

 GLOS A 

 

E

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

http://tolweb.org/Dissorophoidea/17607

 Ecolsonia cutlerensis

Elginerpeton,

The very earliest discovered amphibian is Elginerpeton, which was found in Scotland and dates back 368 million years.

eogyrinius

eogyrinus3

 

  • Eryops was a temnospondyl from the Early Permian of North America. It had a massive skeleton and heavy limbs. Eryops was about 2 m long and was the top carnivore, eating fish and small tetrapods.

  

Artistic reconstruction of Eryops, from http://www.myherp.com

Eucritta (Dmitri Bogdanov)

eucritta

Eucritta (Dmitri Bogdanov)

Early Carboniferous (350 million years ago)Small size; long tail / Isectivore ?

The name Eucritta (“creature”) doesn’t seem particularly informative, unless you combine this Carboniferousgenus with its only known species: Eucritta melanolimnetes, or “creature from the Black Lagoon.” Unlike the star of that 1950′s horror flick, Eucritta was extremely tiny, less than a foot long and only weighing a few ounces. The reason it earns its “creature” status is that Eucritta presents a puzzling mix of tetrapodamphibian and reptilian characteristics, which makes it a bit of a monster–at least in evolutionary terms, if not in terms of its size or temperament.

F

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Fedexia striegeli

 

G

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

H

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

I

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

  • Ichthyostega was a large carnivore, ranging in size from 0.5 – 1.2 m. The earliest known Ichthyostega comes from 363 million year old deposits in Greenland. It was largely aquatic but had massive broad ribs that could have been used for support of internal organs while on land.

Rekonstruktion von Ichtyostega

ICHTYOSTEGIA (orde )

The earliest well known amphibians come from the Late Devonian, some 360 million years ago, and areAcanthostega and Ichthyostega.

Figure 1. Reconstruction of Ichthyostega, showing skull, vertebral column, and limbs, and its hind limb based on a specimen collected in 1987. Note the seven digits on the hind limb (from Clack).
Reconstructions of (a) Acanthostega and (b)Ichthyostega, from Benton, 1997.

Artistic reconstruction of Ichthyostega, fromhttp://www.myherp.com

J

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

K

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

 

 

 

 

Ammonieten

GLOS A   

ammonieten en aanverwanten.docx (3.3 MB)

°Hedendaagse verwanten van de ammonieten

ammonite-related-octopus

octopus    octopus <— archief document 

Squid (pijlinktvissen )     /

Pijlinktvissen 2

Pijlinktvissen1

                                                       

Nautillus  

Nautilusweekdieren-8Nautillus

crown group  and ancestors

Palaeoecology.

 

 

 

 

°

Verwanten  & crown group

° KERNWOORDEN   

Prehistorische inktvissen beten van zich af

woensdag 15 juli 2009

Wat doe je als hongerige inktvis als je een ammoniet (fossiele inktvisachtige met kalkschaal) tegenkomt? Val je de opening waardoor de armen van de ammoniet komen aan? De op het oog gemakkelijkste weg is niet de meest succesvolle. Prehistorische inktvissen zonder kalkschaal vielen juist de achterkant van de ammoniet van achter aan, beten een gat in de schaal en vraten hun prooi op. Met groot succes. Tijdsperiode? Van 200-66 miljoen jaar geleden toen de ammonieten én de roofdieren veelvuldig aanwezig waren in de oceanen.

Ammonieten: één van de bekendste fossielen ter wereld. Deze prehistorische inktvisachtige moeten vele vijanden hebben gehad. Daar is echter weinig over bekend. Adiël Klompmaker, Natascha Waljaard (beiden Universiteit Utrecht) en René Fraaije (Oertijdmuseum De Groene Poort in Boxtel) hebben een nieuwe vijand gevonden: andere inktvissen. Deze rovers vielen de ammonieten van achter aan, beten door hun schaal heen en peuzelden de prooi op. Dat staat te lezen in het bekende wetenschappelijke vakblad Palaeogeography, Palaeoclimatology,

Ammonoid

Veel ammonieten leefden in de waterkolom. Sommige ammonieten vertoefden nabij de bodem van de oceaan op zoek naar onder andere algen.

Ammonieten

Deze fossiele inktvisachtigen leefden van ongeveer 400 tot 66 miljoen jaar geleden. Rondom de beroemde Krijt-Tertiair grens stierven ze uit. Waarschijnlijk als gevolg van de komeetinslag nabij Mexico en langdurig vulkanisme in India. Ammonieten zijn één van de meest gewilde collectoritems voor fossielenzoekers vanwege hun schoonheid. Ook zijn ze heel belangrijk in het bepalen van de ouderdom van gesteentelagen op aarde. Ammonieten fossiliseren namelijk goed, zijn wereldwijd te vinden en evolueerden snel. Het 8-10 armige beestje leefde in de oceanen en had een uitwendige kalkschaal.

Ammonoid_cross_section

Een doorsnede van een ammoniet. De (hier kleine) armen staken door de opening naar buiten. De kalkschaal diende niet alleen voor bescherming. De luchtkamertjes maakten de ammoniet een beetje lichter, waardoor de ammoniet niet als een baksteen naar de bodem zonk.

Bescherming mislukt

De kalkschaal dient deels ter bescherming. Maar die bescherming gaat niet altijd op. Veel predatoren grijpen zich vast aan de opening waar de armen uitkomen en bijten/knippen stukjes ervan af. Dergelijke aanvallen op levende Nautilus, een andere groep inktvisachtigen met een uitwendige schaal, zijn vaak niet succesvol. Aanvallen op de opening van de ammonietenschaal mislukten ook vaak, soms geholpen door een verdikking van de schaal op deze plaats. Het is zelfs zo dat sommige ammonieten zich zelfs konden terugtrekken in de ammonietenschaal, met al hun armen.

In de Jura (200-145 miljoen jaar geleden) en in het Krijt (145-66 miljoen) veranderde er iets in het oceaanecosysteem. Inktvissen zonder een uitwendige schaal namen enorm toe in aantal en soortenrijkdom in de vroege Jura. De vele nieuwe soorten waren alle op zoek naar voedsel. Ook is bekend dat inktvissen niet bepaald de domste jongens van de klas zijn. Deze inktvissen hadden het op de veel voorkomende ammonieten voorzien. Op een speciale manier. De inktvissen vielen namelijk niet op de conventionele manier aan, maar ze vielen de ammoniet van de achterkant aan. Een echte verrassingsaanval dus. Waarschijnlijk gebruikten ze hun armen voor houvast voordat ze hun dodelijk beet plaatsten. Met hun sterke en scherpe bek beten ze moeiteloos door de schaal heen. De weke massa was zo gemakkelijk toegankelijk.

Bewijs daarvoor zijn de vele beschadigingen in de laatste winding van de ammonietenschaal op een relatief vaste positie. De auteurs hebben dit type beet het ‘ventrale bijtspoor’ genoemd. Het deel van de schaal waar de beschadiging zit, heet namelijk de ventrale kant.

Bijtsporen

Bijtsporen

Androgynoceras links en Amaltheus margaritatus rechts missen een deel van hun schaal. Niet toevallig aan de achterzijde van de ammoniet. Deze ammonieten zijn afgebeeld in ongeveer hun vermoedelijke levenspositie in de waterkolom. (Herman Akkerman)

Hakken en verzamelen

Het balletje ging aan het rollen toen René Fraaije veel van deze beschadigingen vond in het Duitse Dotternhausen. Tijdens gezamenlijke veldwerken in 2006 en 2008 werden er nog meer gevonden door het onderzoeksteam. Verder onderzoek aan collecties in onder andere Naturalis (Leiden), Natuurhistorisch Museum Maastricht en aan de universiteit in het Duitse Münster leverde nog meer resultaten op. De herkomst van de collecties was onder andere Nederland, Duitsland, Frankrijk en Spanje.

In alle grote collecties uit de Jura en het Krijt doken vele bijtsporen op. Wel 10-20% van de collectie had zo’n beschadiging. Van 400-200 miljoen jaar geleden zijn er echter nauwelijks dergelijke bijtsporen in ammonieten bekend. En dat is helemaal niet vreemd aangezien de belangrijkste predator pas vanaf 200 miljoen jaar enorm in soortenrijkdom en aantallen toenam. Waarschijnlijk hebben ook roofvissen een klein deel van deze bijtsporen veroorzaakt.

Eten en gegeten worden blijft boeien. De paleontologie levert zo nu en dan een zo’n verhaal op. Een verhaal dat letterlijk op te rapen is in de groeves.

Squid

Een overblijfsel van een fossiele inktvis (links) en de ammoniet Harpoceras (rechts). Ze leefden zo’n 180 miljoen jaar geleden samen in de wateren rond het Duitse plaatsje Dotternhausen. In deze plaats zijn veel ammonieten met bijtsporen gevonden. Natascha Waljaard

Onderzoek en perspresentatie

Klompmaker en Waljaard deden hun onderzoek als afsluiting van hun master Biogeologie aan de Universiteit van Utrecht. Adiël Klompmaker onderzocht de beschadigingen aan de ammonieten door de geologische tijd heen en van verschillende vindplaatsen. Natascha Waljaard specialiseerde zich in de bijtsporen uit een belangrijke vindplaats in Duitsland (Dotternhausen). Voor het onderzoek kregen beide begeleiding van Prof. dr. Bert van der Zwaan (Universiteit Utrecht) en Dr. René Fraaije.

De presentatie van het onderzoek zal plaatsvinden op zaterdag 18 juli om 15:00 uur in Oertijdmuseum De Groene Poort te Boxtel (Bosscheweg 80, 5283, WB Boxtel, http://www.oertijdmuseum.nl). Vertegenwoordigers van de pers zijn van harte welkom.

Voor meer info kunt u zich wenden tot Adiël Klompmaker (adielklompmaker@gmail.com) of Oertijdmuseum De Groene Poort (info@oertijdmuseum.nl) of bellen naar 0411-616861.

Referentie:

Klompmaker, A.A., N.A. Waljaard & R.H.B. Fraaije. 2009. Ventral bite marks in Mesozoic ammonoids. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology. doi:10.1016/j.palaeo.2009.06.013

Fossil_squids

Voorbeelden van fossiele inktvissen zonder uitwendige schaal. Deze beestjes leefden zo’n 180 miljoen jaar geleden in de oceaan van zuidwest Duitsland. Toen op zoek naar ammonieten, nu in een museum. Natascha Waljaard

Zie ook:

Ammonieten behoren met hun opgerolde schelp tot de fraaiste fossielen. Het zijn de resten van een uitgestorven groep inktvissen.

De naam ammoniet is afgeleid van de Egyptische god Ammon, die werd voorgesteld als een ram. De vorm van de fossiele schelp lijkt dan ook op een ramshoorn. In de Middeleeuwen werden ammonieten slangenstenen genoemd. Volgens de legende had de heilige Hilda de slangen die haar plaagden in steen veranderd. Soms werd de overeenkomst met een opgerolde slang versterkt door het fossiel te verfraaien met een uitgehakte slangenkop. Het Engelse plaatsje Whitby in Yorkshire draagt drie van deze ammoniet/slangen in zijn wapen.

Tegenwoordig weten we dat ammonieten de schalen zijn van een uitgestorven groep inktvissen. Net als de recente Nautilus, een tropische inktvis die leeft in het westen van de Stille Oceaan, hadden deze inktvissen een uitwendige schelp. Ammonieten zijn echter meer verwant met de pijlinktvissen. Net als deze dieren hadden ze waarschijnlijk tien armen.

Gidsfossielen van het     Mesozoïcum

De oudste ammonieten vinden we in het   Devoon (410-360 miljoen jaar geleden). De oudste soorten hebben een min of meer rechte schelp. In de loop van de evolutie zou die schelp steeds verder oprollen. In de Duitse vindplaats Hunsrück is een aantal prachtig bewaard gebleven fossielen uit het Vroege Devoon gevonden. De inktvissen van deze vindplaats laten zien dat er in die tijd een grote variatie was. Sommige soorten hadden rechte schelpen, bij andere soorten is de schelp helemaal opgerold. Allerlei tussenvormen zijn ook aanwezig.

Bij typische ammonieten is de schelp spiraalvormig opgerold. Vooral in het Krijt ontstaan er veel ontrolde vormen. Er ontstaan dan allerlei merkwaardige schelpen, die weinig op typische ammonieten lijken.

Ammonieten hadden hun bloeitijd in het Mesozoïcum (250-65 miljoen jaar geleden). Ze waren zo talrijk en wijdverspreid, dat de indeling van het Mesozoïcum grotendeels op ammonieten is gebaseerd. Aan het eind van de periode stierf de groep uit.

Levenswijze

Waarschijnlijk konden ammonieten, net als de recente Nautilus, zwemmen. De Nautilus kan drijven doordat er lucht in de kamers van zijn schelp zit. Als er gevaar dreigt, kan hij door hard water weg te spuiten, zich uit de voeten maken. Sommige soorten ammonieten hielden zich dicht bij de bodem op. Daar waren ze op zoek naar allerlei diertjes en leefden mogelijk ook van aas.

In de 19de eeuw ontdekte een Duitse paleontoloog dat in vindplaatsen van ammonieten groepjes van twee soorten waren te onderscheiden. Als ze klein waren was er weinig verschil, maar de volwassen exemplaren verschilden in de vorm van de buitenste windingen. Tegenwoordig denkt men dat het hier helemaal niet om twee soorten gaat. De kleine (microconchen) en grote (macroconchen) schelpen behoren tot dezelfde soort, maar verschillen in geslacht. Waarschijnlijk zijn de microconchen de mannetjes en de macroconchen de vrouwtjes van de soort.

Het wetenschappelijk onderzoek aan grote fossiele ongewervelde dieren geniet de laatste jaren steeds minder belangstelling. Men richt zich meer en meer op het onderzoek aan microfossielen. Tijdens proefboringen voor bijvoorbeeld aardolie komen duizenden microfossielen naar boven. De kans dat men een ammoniet in een boring aantreft is echter zeer klein. Microfossielen lijken dus veel nuttiger. De indeling van het Mesozoïcum is echter oorspronkelijk vastgesteld met behulp ammonieten. Daarom is het juist belangrijk dat we voldoende kennis houden over deze groep. 

This is a fossiliferous concretion containing a large macroconch of Hoploscaphites brevis, Inoceramus nebrascensis and Baculites cuneatus . This fossil, collected as AMNH 63467, was found in the Baculites cuneatus Zone, Pierre Shale, Meade County, South Dakota. (Credit: S. Thurston/AMNH)

Invertebrate fossils collected from the methane seep. The scale bar applies to all except A, D, H, and K. (Credit: by AMNH\S. Thurston)
Landman, Neil H.; Kennedy, W. J. (William James); Cobban, William Aubrey; Larson, Neal L. Scaphites of the ‘nodosus group’ from the Upper Cretaceous (Campanian) of the Western Interior of North America. Bulletin of the American Museum of Natural History, 2010; 342 [link]
These marcasite-coated ammonites were discovered during the re-development of the railway station in Bielefeld, Germany. (Credit: Picture: Paul Marx / PIXELIO)
Kenneth De Baets, Christian Klug, Dieter Korn, Neil H. Landman. Early evolutionary trends in ammonoid embryonic development. Evolution, 2012; DOI: 10.1111/j.1558-5646.2011.01567.x

‘Het  genus   BACULITES  stierf  uit door haar

 strikte dieet’

 07 januari 2011   1
Baculites from peru 
Baculite species   peru 2011

Honderen miljoenen jaren regeerden de ammonieten de zeeën en oceanen en nog steeds duiken de fossiele resten overal op. Maar geen enkel fossiel kon wetenschappers vertellen wat enkele   soorten   van het genus   Baculites   aten .

http://en.wikipedia.org/wiki/Baculites

Tot nu:

onderzoekers hebben een scan van de kaken gemaakt en concluderen dat ( de onderzochte ) dieren  enkel plankton aten . En dat kan wel eens  hun  ondergang zijn geworden.

De onderzoekers reconstrueerden de kaken van drie Baculites  specimen  die ongeveer 76 miljoen jaar geleden leefden.

South-Dakota025

The three ammonites used for this study were collected in South Dakota on AMNH expeditions. 
Credit: Landman

De bovenste kaak van deze ammonieten was ongeveer net zo groot als de helft van de onderkaak en vrij plat.

These jaws were made for squashing  ….This is a 3-D reconstruction of the radula (tongue-like anatomical structure of mollusks for feeding) of a Baculites fossil. Teeth are depicted in yellow and the fragments of the fossil’s last meal, caught between the jaws, in blue (for a crustacean) and pink (for a snail), respectively. (Credit: I. Kruta/MNHN)

Strikt dieet
Uit de beelden van de wetenschappers lijkt  dat deze baculites  eigenlijk enkel in staat waren  om plankton te eten. Dat vermoeden wordt bevestigd door de voedselrestanten ( van   een   kleine zeeslak   en  drie minuscule  crustaceeen – , waarvan eentje in twee is “gebeten ”  ) die de onderzoekers in één van de  onderzoekobjekten vonden.

Ammonites Dined

Reconstructed radula of the straight shelled ammonite Baculites (70-80 Myr-old) with each color representing a different type of tooth; generated from Synchrotron Radiation microtomographic slices. 
Credit: Tafforeau/Kruta

Ammonite jaws lie just inside the body chamber. The research team’s new scans of  Baculites, a straight ammonite found worldwide, confirms older research that ammonites had multiple cusps on their radula, a kind of tongue covered by teeth that is typical of mollusks. The radula can now be seen in exquisite detail: the tallest cusp is 2 mm high, tooth shape varies from saber to comb-like, and teeth are very slender. The jaw is typical of the group of ammonites (the aptychophorans) to whichBaculites belongs. In addition, one specimen has a tiny snail and three tiny crustaceans in its mouth; one of the crustaceans is even cut in two pieces. Because these planktonic fossils are not found anywhere else on the specimen, the team thinks that the specimen died while eating its last meal rather than being scavenged by these organisms after death.

Uitgestorven
De studie suggereert niet alleen wat deze dieren op het menu hadden staan, maar verklaart mogelijk ook waarom deze soort zo plotseling verdween. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat plankton zo’n 65 miljoen jaar geleden in het nauw zat: hun aantal liep rap terug. (1b) Deze soort  zou daardoor zonder eten hebben gezeten en zijn verdwenen.

Enkele  ” wetenschapsjoernalisten “ ,( OPGELET   **  ) generaliseerden  dat graag  naar” alle” ammonieten  (A)  .

Echter lang niet alle onderzoekers zijn overtuigd door dergelijke “conclusion jumping ” ( zelfs niet wanneer ze worden gemaakt door de onderzoekers van de studie in kwestie )

Sommigen wijzen erop dat plankton nooit helemaal verdween ……….en dat deze ” ammoniet”  dus nog wel wat voedsel voorhanden had.

De onderzoekers hebben bovendien maar( drie specimen van  )  één soort van het genus  baculites  bestudeerd, dus het zou kunnen dat andere soorten ( en dat zijn er  zoveel meer   )  wel een gevarieerd menu hadden.  (1) 

Tekening van de  door de wetenschappers onderzochte ammoniet.
Afbeelding: A. Lethiers / UPMC
°
Bronmateriaal:
Ammonites’ strict diet doomed them to extinction” - Newscientist.com
Kruta, I.; Landman, N.; Rouget, I.; Cecca, F.; Tafforeau, P. (2011). “The Role of Ammonites in the Mesozoic Marine Food Web Revealed by Jaw Preservation”. Science 331 (6013): 70–72. Bibcode:2011Sci…331…70K. doi:10.1126/science.1198793.

Ammonites are prominent in macroevolutionary studies because of their abundance and diversity in the fossil record, but their paleobiology and position in the marine food web are not well understood due to the lack of preserved soft tissue. We present three-dimensional reconstructions of the buccal apparatus in the Mesozoic ammonite Baculites with the use of synchrotron x-ray microtomography. Buccal mass morphology, combined with the coexistence of food remains found in the buccal mass, SUGGESTS   that these ammonites fed on plankton.

This diet may have extended to all aptychophoran ammonites °   which share the same buccal mass morphology. Understanding the role of these ammonites in the Mesozoic food web provides insights into their radiation in the Early Jurassic, as well as their extinction at the end of the Cretaceous/early Paleogene. 

http://www.geo.fu-berlin.de/geol/fachrichtungen/pal/eigenproduktion/Band_10/21_Schweigert.pdf

°  Synchrotron analysis of an aptychophoran ammonite revealed remains of isopod and mollusc larvae in its buccal cavity, indicating at least this kind of ammonite fed on plankton.

Citaten 

“Our research suggests several things. First, the radiation of aptychophoran ammonites might be associated with the radiation of plankton during the Early Jurassic,” says Landman.

“In addition, plankton were severely hit at the Cretaceous-Tertiary boundary, and the loss of their food source probably contributed to the extinction of ammonites. This research also has implications for understanding carbon cycling during this time.”

(1)  Commentaren  

**OPGELET

…. Het oorspronkelijke( nederlands-talige )  artikel is een verschrikking (qua vertaling en interpretatie )  ….Niettemin blijft het wel een  artikeltje  dat    een  nuttige  signaalfunctiebezit  … Gelukkig is veel van het oorspronkelijke   studie- materiaal ( en achtergronden )  beschikbaar na wat zoekwerk   ….

(A)

 https://nl.wikipedia.org/wiki/Ammonoidea

Voorkant
<– Google books  Ammonoid Paleobiology
geredigeerd door Neil H. Landman,Kazushige Tanabe,Richard Arnold Davis
  • Remains of small crustaceans inside ammonites have been interpreted as stomach contents,
  • Some specimen contains the tiny jaws of another ammonite

Stomach contents ammonitesFossielenzoeker  :      ik geloof het generaliserende  ammonietenverhaal niet.     - Uit Solnhofen zijn mooie fossielen bekend van ammonieten met de resten  van vrijzwemmende zeelelies in hun maag.

-Maar ….. de “gevonden  “maaginhouden” zijn slechts interpretaties

  • (1b ) Ammonieten maakten, na het  uitkomen uit hun ei, zélf een planktonische fase door.Dat was hun achilleshiel en de oorzaak van hun uitsterven.” ….Men denkt dat de ammonieten door hun voortplantingsstrategie uitstierven. De jongen maakten deel uit van het plankton dat aan het zeeoppervlak dreef. Zure regen en verduistering van de zon door stofwolken zorgden waarschijnlijk voor slechte condities voor de eitjes en de jongen om zich te ontwikkelen….” (wikipedia)

Orthoceras[1].pdf (584.2 KB)

La historia en la piedra #1 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life light reflection history luz valencia stone fossil three nikon stones live sombra shades paleontology vida bodegn reflejo tres fotografia minimalismo sombras historia ammonites valence freelance piedras fotografo piedra onblack fosil vivir paleontologia orero d80 aplusphoto naturewatcher ammonoide palontologo nikon175528dxThe Golden Section (dougchinnery.com) Tags: sea shells white black macro poster spiral fossil mono fineart shell inside toned chambers ammonites fossils nautilus spiralling thegoldensectionLa historia en la piedra #2 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life light reflection history luz valencia stone three nikon stones live sombra shades vida bodegn reflejo tres fotografia minimalismo sombras historia ammonites valence freelance piedras fotografo piedra fosil vivir paleontologia orero d80 flickrestrellas ammonoide palontologo nikon175528dx
Ammonite IIa (dedalus11) Tags: pictures orange abstract macro art nature spiral photography fossil amber photo foto fotografie photographer photographie close natural image photos spirals space patterns kunst natur structures imagens images photographic structure fotos ammonite makroaufnahme organic fotografia macros makro spacy madagascar photoart bilder imagen ammonites fossils artnoveau macrophotography ammonit fantastique  makros naturalpatterns macrophotos macroshots makroaufnahmen makrofoto nahaufnahmen fossilien versteinerungen makrofotografie macroaufnahmen naturalezza makrobilder challengeyouwinner macroaufnahme dedalus11 macroart bioarchitecture makrobild makrofotos ammonoidea haphazartlikeapainting imatgen macrorealidad flossils imagten Ammonite Fossils (Evelyn Flint) Tags: uk canon somerset explore ammonites fossils kilve eos7d evelynflintMy history #1 (Perolo Orero - www.orerofotografia.com -) Tags: life 2 naturaleza history blanco nature water valencia animal stone wall pared gris agua nikon gray 8 paleontology laundry vida target tamron historia jurassic ammonites valence piedra fosil fosiles molusco puebo paleontologia jursico orero d80 cretacico cretacic paleontologo ammonoide jursicopaleontologo paleontologicsteampunk spiral (dedalus11) Tags: art nature spiral kunst ammonites fossils spirale steampunk ammonit ammoniten naturalezza cleoniceras besairieiAmmonite XI (dedalus11) Tags: pictures orange abstract macro art nature spiral photography fossil amber photo foto fotografie photographer photographie close natural image photos spirals space patterns kunst natur structures imagens images photographic structure fotos ammonite makroaufnahme organic fotografia macros makro spacy madagascar photoart bilder imagen ammonites fossils artnoveau macrophotography ammonit fantastique makros naturalpatterns macrophotos macroshots makroaufnahmen makrofoto nahaufnahmen fossilien ammoniten versteinerungen makrofotografie macroaufnahmen naturalezza makrobilder macroaufnahme dedalus11 macroart bioarchitecture makrobild makrofotos ammonoidea cleoniceras haphazartlikeapainting imatgen macrorealidad flossils imagten besairieiAmmonites.. (Sea Moon) Tags: fossil seashell ammonites nautilus mollusk cephalopod1031024 (El Bibliomata) Tags: old art illustration century vintage book arte antique illustrated libro illustrations drawings books engraving plates dibujos antiguo ammonites xix 19th engravings ilustraciones siglo grabados lminas ilustrado pixelegis bibliomata lellouniversalWhitby seabed (tina negus) Tags: cambridge fossil blackwhite yorkshire whitby ammonites seabed sedgwickmuseumofgeologyLone Ammonite (shadamai) Tags: shells black fossil gold amber simple prehistoric ammonites flickrchallengegroup flickrchallengewinner rocksminerals fiveprojectsfossils (somecat) Tags: fossils bw ammonites memoriesPromicroceras marstonensi (tina negus) Tags: cambridge fossil geology ammonites sedgwickmuseum marstonmarbleKs jura ammoniteszek a Dunntli-kzphegysgbl  // Late Jurassic ammonites from Hungary (Fzy Istvn) Tags: fossil ammonites fozy smaradvny fzy ammonitesz magyaroraszg

Archicebus achilles

°

°

Oudste vrijwel complete skelet van een primaat

ontdekt

 06 juni 2013  1

primaat

Wetenschappers hebben in China  de resultaten  van een tien jaar durende  analyse  gepubliceert (1)….  Het  gaat om het vrijwel complete skelet van een 55 miljoen jaar oude primaat .

Het zijn de oudste resten die ooit van een primaat zijn teruggevonden en ze kunnen ons wellicht een beter beeld geven van de evolutie van de primaten en de mens.

De wetenschappers doen hun ontdekkingen  in het blad Nature uit de doeken

“Hoewel wetenschappers eerder tanden, kaken en enkele schedels of een paar beenderen van primaten uit deze periode hebben teruggevonden, is geen enkel bewijsstuk zo compleet als dit nieuwe skelet uit China,” vertelt onderzoeker Dan Gebo.

Het skelet van deze primaat is zo’n zeven miljoen jaar ouder dan het skelet van een primaat dat wetenschappers eerder als ‘oudste skelet’ aanduidden.

Gebo benadrukt dat zo’n compleet skelet ons van beter bewijs voorziet als het gaat om de evolutie die primaten en uiteindelijk ook mensen hebben doorgemaakt. “We hoeven daar niet meer naar te raden.”

De naam

De onderzoekers hebben de primaat de naam Archicebus achilles gegeven.
Archi‘ is Grieks voor ‘het begin’ en
cebus‘ betekent zoveel als ‘aap met lange staart’.
Achilles‘ verwijst naar de bijzondere anatomie van de hielen van de primaat.

Piepklein primaatje
De fossiele resten van de primaat werden in eerste instantie ontdekt door een boer. Hij trof de resten ten zuiden van de Yangtze-rivier aan. In de tijd van de primaat telde dit gebied verschillende meren die omringd werden door tropische bossen.

“Onze analyse laat zien dat deze primaat heel klein was en minder woog dan een ounce (ongeveer 28 gram, red.),” vertelt onderzoeker Xijun Ni, één van de wetenschappers die nadat de boer de fossiele resten aan de wetenschap schonk, mocht onderzoeken. “De primaat had slanke ledematen en een lange staart.” Waarschijnlijk was het dier voornamelijk overdag actief en at het insecten.

Belangrijk
De onderzoekers kunnen niet vaak genoeg benadrukken hoe belangrijk de vondst is. Het vrijwel complete skelet heeft de potentie om ons een veel beter beeld te geven van de allereerste fase in de evolutie van  de haplorini . Dat wil echter niet zeggen dat we met deze vondst moeiteloos alle geheimen uit die tijd kunnen ontrafelen.

De primaat beschikt over een  unieke  combinatie van eigenschappen  (Mozaik )  die nog nooit in één  Haplorine primaat  zijn aangetroffen.

Archicebus verschilt radicaal van andere primaten, zowel levende als uitgestorven exemplaren, die ons bekend zijn,” stelt onderzoeker K. Christopher Beard.

“Het lijkt op een vreemde kruising met de voeten van een kleine aap, de armen, benen en tanden van een heel primitieve primaat en een primitieve schedel met verrassend kleine ogen. De vondst dwingt ons om de manier waarop de (vroegste)  primaten  zijn geëvolueerd, te herschrijven.”

Een reconstructie van het skelet van de primaat. Afbeelding: Xijun Ni / Chinese Academy of Sciences, Paul Tafforeau / European Synchrotron Radiation Facility.

Een reconstructie van het skelet van de primaat. Afbeelding: Xijun Ni / Chinese Academy of Sciences, Paul Tafforeau / European Synchrotron Radiation Facility.

Bijzondere voeten
Met name de voeten van de primaat zijn bijzonder.

“We zien robuuste, grote tenen waarmee het dier kon grijpen, lange tenen en eigenschappen die horen bij primitieve primaten die in bomen leefden, maar we hebben ook te maken met hielbeenderen die doen denken aan apen en aapachtige middenvoetsbeenderen die je normaal gesproken niet zou vinden bij een primitieve primaat uit het Eoceen,”

stelt Gebo.

“Deze nieuwe(mozaik)  combinatie van eigenschappen is door ons geïnterpreteerd als bewijs dat dit fossiel vrij primitief was en dat zijn unieke anatomische combinaties een verband leggen tussen de Tarsiidae (spookdieren) en apen.”

De vondst geeft ons meer duidelijkheid over de evolutie van primaten en mensen. Afbeelding: M.A. Klingler / Carnegie Museum of Natural History.

De vondst geeft ons meer duidelijkheid over de evolutie van primaten en mensen. Afbeelding: M.A. Klingler / Carnegie Museum of Natural History.

Archicebus achilles  2

Archicebus achilles I

 

De vondst werpt ook weer een nieuw licht op een prangende vraag van een heel andere aard: waar ontstonden de primaten? Lang werd gedacht dat de wieg van de primaten in Afrika stond.

“Maar het laatste decennium lijkt het erop dat Azië een aannemelijker continent van oorsprong is en dit nieuwe skelet onderschrijft die visie.”

De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Xijun Ni, Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology, Chinese Academy of Sciences.
CITATEN  

°Dr Chris Beard,

one of the team who has been studying the fossil at the Carnegie Museum of Natural History in Pittsburgh, Pennsylvania, said:

“This is an amazingly complete fossil primate for this time period – there is nothing else known from the fossil record that resembles this.

“For the very first time, this fossil shines a light on a part of the primate tree that is very close to the divergence of the lineage that will lead on one hand to living tarsiers and on the other to anthropoids – monkeys, apes and humans.

“The evidence that early primate evolution was restricted to Asia is becoming more compelling by the day.”

“This( fossil )was a tiny delicate primate, It was probably quite a frenetic animal, and even anxious. It would have moved around a lot looking for its next meal climbing and leaping around in the canopy.”

“Here is a fossil that is very, very close to the evolutionary divergence of tarsiers and anthropoids.

“The heel and foot in general was one of the most shocking parts of this fossil when we first saw it. The foot looks like one from a small monkey, a marmoset.

The heel bone is the reason we named it Achilles in the end and it looks like one from the earliest anthropoid we had evidence for.

“I think what it means is that the common ancestors of anthropoids and tarsiers had features that were more like anthropoids than tarsiers.”

“It differs radically from any other primate, living or fossil, known to science.

“It looks like an odd hybrid with the feet of a small monkey, the arms, legs and teeth of a very primitive primate, and a primitive skull bearing surprisingly small eyes.

“It will force us to rewrite how the anthropoid lineage evolved.

Check out all the latest News, Sport & Celeb gossip at Mirror.co.uk http://www.mirror.co.uk/news/world-news/archicebus-achilles-skeleton-discovered-tiny-1934333#ixzz2VQl2W1yP
Follow us: @DailyMirror on Twitter | DailyMirror on Facebook

Archicebus achilles. (MAT SEVERSON/AFP)

°Dr Xijun Ni,

from the Chinese Academy of Sciences, in Beijing, China, who was one of the leading members of the research team, said:

“We spent a long time with this fossil and examined a lot of other specimens so we could place it as accurately as we can.(2)                      It will tell us a lot of stories about the origins of primates and our remote ancestors.”

http://www.science20.com/news_articles/archicebus_achilles_oldest_known_primate_discovered-113751

Dr. Jin Meng of the American Museum of Natural History in New York.

“To test these different hypotheses (3) and determine the phylogenetic position of the new primate, we developed a massive data matrix including more than 1000 anatomical characters and scored for 157 mammals,

Dr. Marian Dagosto notes that,

“Even though Archicebus appears to be a very basal member of the tarsier lineage, it resembles early anthropoids in several features, including its small eyes and monkey-like feet. It suggests that the common ancestor of tarsiers and anthropoids was in some ways more similar than most scientists have thought.”

 Dr. Daniel Gebo

of Northern Illinois University said that, “The tiny size and very basal evolutionary position of Archicebus support the idea that the earliest primates, as well as the common ancestor of tarsiers and anthropoids, were miniscule. This overturns earlier ideas suggesting that the earliest members of the anthropoid lineage were quite large, the size of modern monkeys.”

(1) The fossil, which is also  named after the Greek hero  Achilles due to an odd heel bone it has, was discovered in a slab of slate in the Jingzhou area of eastern China, just south of the Yangtze river, by a local farmer around 10 years ago.

The  fossil  was  recovered from ancient lake strata, the skeleton of Archicebus was found by splitting apart the thin layers of rock containing the fossil. As a result, the skeleton of Archicebus is now preserved in two complementary pieces (of the matrix)  called a “part” and a “counterpart,” each of which contain elements of the actual skeleton as well as impressions of bones from the other side.

°The scientists then spent 10 years analysing the fossil using advanced imaging facilities at the European Synchrotron Radiation Facility in Grenoble, France.This allowed them to peer inside the rock to look at details of the skeleton that were hidden and produce a three dimensional image of the remains.

(2) de analyse duurde ongeveer 10 jaar 

 http://www.science20.com/news_articles/archicebus_achilles_oldest_known_primate_discovered-113751          Dr. John Flynn,dean of the Richard Gilder Graduate School and curator of the American Museum of Natural History.

“People may see this simply as another discovery of a well preserved fossil, but to reveal the remarkable secrets that have been hidden in the rock for millions of years, we undertook extensive work, applied state-of-the-art technology, and intensive international cooperation took place behind the scenes at several museums. It took us ten years,” 

 

(3) The evolutionary relationships among primates and their potential relatives, and among the major lineages within the Primate order have been debated intensively for many years
LINKS 

Aurornis xui

Een paleontoloog van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) heeft samen met Chinese, Italiaanse en Britse collega’s de meest primitieve vogel tot nu toe ontdekt.

29 mei 2013

The half-metre tall Aurornis xui, which lived in China 150 million years ago, is believed to be the earliest known member of the bird family tree.

Artist’s impression by Masato Hattori 

http://www.nature.com/news/new-contender-for-first-bird-1.13088

De paleontoloog, Pascal Godefroit, deed de ontdekking al een jaar geleden in de Tiaojishanformatie

De Aurornis xui (dageraadvogel) had vier vleugels maar volgens de wetenschappers kon hij waarschijnlijk niet vliegen maar kon goed lopen  .en leefde  tijdens het Jura

De Aurornis  xui  , wat staat voor ”dageraad van de vogel”, stoot daarmee (nogmaals ) de Archeopterix van de troon als oudste voorloper van de vogel, zo staat woensdag in tijdschrift Nature.

Het fossiel van de Aurornis, met deels bewaarde veren, werd door fossielenverzamelaars gevonden in de Noordoost-Chinese provincie Liaoning. Een internationaal team onder leiding van paleontoloog Pascal Godefroit (KBIN) onderzocht het fossiel en ontdekte dat het zowat 155 tot 165 miljoen jaar oud was.

”Het dier was ongeveer 50 centimeter groot en kon wellicht goed lopen. Zijn kleine tandjes doen vermoeden dat het om een insecteneter gaat.”

nature12168-f1_2

Figure 1: Aurornis xui YFGP-T5198. a, Photograph. b, Line drawing. Abbreviations: cav, caudal vertebrae, cev, cervical vertebrae; dv, dorsal vertebrae; fu, furcula; ga, gastralia; lf, left femur; lh, left humerus; lil, left ilium; lis, left ischium; lp, left pes; lpu, left pubis; lr, left radius; ls, left scapula; lt, left tibia; lu, left ulna; ma, mandible; rcor, right coracoid; rf, right femur; rh, right humerus; ril, right ilium; ris, right ischium; rm, right manus; rp, right pes; rpu, right pubis; rr, right radius, rs, right scapula; rt, right tibia; ru, right ulna; sac, sacrum; sk, skull.

http://www.readcube.com/articles/10.1038/nature12168?utm_campaign=readcube_access&utm_source=nature.com&utm_medium=purchase_option&utm_content=thumb_version&tab=summary

nature12168-f2_2 fig 2

Figure 2: Selected skeletal elements of Aurornis xui YFGP-T5198. a, Photograph of skull and mandible in right lateral view. b, Line drawing of skull and mandible in right lateral view. c, Photograph of pelvis in right lateral view. d, Line drawing of pelvis in right lateral view. e, Photograph of the scapular girdle. f, Photograph of proximal portion of the tail in right lateral view. Abbreviations: af, antorbital fenestra; ca, caudal; ddp, dorsodistal process; don, distal obturator notch; en, external naris; fu, furcula; hae, haemapophyses; hy, hyoid; ldt, left dentary; lf, left femur; lfr, left frontal; lis, left ischium; lj, left jugal; lna, left nasal; lp, left pubis; ls, left scapula; mf, maxillary fenestra; ns, neural spine; op, obturator process; par, parietal; pmf, promaxillary fenestra; pon, proximal obturator notch; ra, right angular; rcor, right coracoid; rdt, right dentary; rect, right ectopterygoid; rf, right femur; rfr, right frontal; ril, right ilium; ris, right ischium; rj, right jugal; rl, right lacrimal; rmx, right maxilla; rna, right nasal; rpm, right premaxilla; rpo, right postorbital; rq, right quadrate; rqj, right quadratojugal; rs, right scapula; rsa, right surangular; rsq, right squamosal; sc, scleral plates.

Uitzonderlijk

Via een uitzonderlijk omvangrijke analyse van de ontwikkelingsgeschiedenis, waarbij beschreven wordt hoe de ene groep organismen uit de andere ontstond , blijkt dat het dier aan de basis staat van de vogelstamboom.

”Het verschil vinden tussen een primitieve dinosauriër of vogel is bijzonder moeilijk”, aldus Godefroit.

De studie bevestigt ook dat de typische vogelvlucht maar één keer ontstond binnen de zogenaamde Paraves, een groep die gevederde dinosauriërs (2) en vogels omvat.”

Jonger

De Archeopteryx, waarvan sinds 1861 een twaalftal exemplaren zijn beschreven, wordt 10 miljoen jaar jonger geschat dan de Aurornis.

Door de ontdekking van de Aurornis blijft hij evenwel tot de tak van de vogels behoren: in 2011 nog plaatste men de archeopteryx  bij de gevederde dinosauriërs.

(wikipedia )

In 2011, Chinese paleontologist Xu Xing claimed Archaeopteryx was not a bird ancestor.[4] A phylogenetic analysis of Aurornis suggests that it belongs in the bird linage, in a more basal position than Archaeopteryx.[4] The analysis, based on “almost 1,500 [morphological] characteristics”, contradicts Xu’s conclusion which was based on fewer characteristics, and returns Archaeopteryx to the bird lineage.[5] Whether A. xui will be accepted as a true bird by other paleontologists is yet to be determined. Recent discoveries “[emphasize] how grey the dividing line is between birds and dinosaurs”, says Paul Barrett of the Natural History Museum in London. “There’s such a gradation in features between them that it’s very difficult to tell them apart … [Aurornis xui] is certainly an older member of the bird lineage than Archaeopteryx, and it’s fair to call it a very primitive bird. But what you call a bird comes down to what you call a bird, and a lot of definitions depend on Archaeopteryx.”[4] Bird evolution specialist Lawrence Witmer called the new analysis compelling.[6] However, American paleontologist Luis Chiappe disagrees, saying A. xui’s forelimb is too short to be a true bird. It “is very birdlike, but it is not yet a bird,” he concludes.[7]

http://phenomena.nationalgeographic.com/2013/05/29/the-changing-science-of-just-about-birds-and-not-quite-birds/

nature12168-f3_2 fig 3

Figure 3: Phylogenetic relationships of Aurornis xui among coelurosaurian theropods. Time-calibrated strict consensus tree of the 216 most-parsimonious trees resulting from our phylogenetic analysis (tree length = 4429; consistency index excluding uninformative characters = 0.27; retention index = 0.58; Supplementary Information). In this hypothesis Aurornis is an avialan more basal than Archaeopteryx, and Troodontidae is the sister-group of Avialae.

”De Archeopterix blijft een primitieve vogel, maar het dier dat we nu beschreven, is nog primitiever”, aldus Godefroit.

Door: ANP
Godefroit et al, Nature 2013, A Jurassic avialan dinosaur from China resolves the early phylogenetic history of birds 
°
NOTEN
(1)
  1. “Primitief” in de context van de palaeontology is niet het tegenovergestelde van “geavanceerd”.
  2.  In de taxonomie/cladistiek staat “primitief” ofwel “basaal” tegenover “gederiveerd”.
  3. ‘Primitief’ betekent niet dom, achterlijk of niet ontwikkeld, maar ‘eerst’. Het gaat om de ( tot nu  bekende ) eerste vogel.
    1. De status als tussenvorm van een fossiel hangt niet af van wat we weten over de afstamming, maar van de morfologie. Als een fossiel morfologisch intermediair is tussen een basale en gederiveerde vorm, dan is het een tussenvorm. 
(2)
  1. Alle vogels zijn nog steeds vliegende ( en gevederde ) dinosauriers. Alleen is de stamboom nu iets aangepast aan de nieuwe vondsten .
  2. The dinosaurs didn’t go extinct after all. They are alive and well today. Natural selection (with the help of a comet) just happened to pick dinosaurs that were smaller, covered in feathers, and in many cases, could fly

MEXICO GUATEMALA BELIZE

°foto’s midden amerika.docx (7.3 MB) 
°midden amerika teksten.docx (4.2 MB)

°Precolombiaanse offerpraktijken.docx (801.9 KB)  …de Maya mensenoffers Lees er hier alles over!

Een universeel  gegeven  

http://en.wikipedia.org/wiki/Human_sacrifice

http://www.scientias.nl/?s=mensenoffers&x=19&y=12

MEXICO

mapa azteca Un paseo por la historia de México, Teotihuacan

2000 jaar oude nederzetting met piramide ontdekt in Mexico

 15 juli 2013

Archeologen hebben in Mexico de resten van een zeer oude nederzetting teruggevonden. In de nederzetting – die zo’n 2000 jaar oud is – troffen de archeologen onder meer dertig graven en de resten van een piramide terug.

De nederzetting bevindt zich in het zuidoosten van Mexico, in de stad Jáltipan. De Mexicanen stuitten op de nederzetting tijdens bouwwerkzaamheden. Daarop werden er archeologen bijgehaald. Zij zijn opgravingen begonnen en hebben al verschillende ontdekkingen gedaan.

Graven
. In zeker twee ervan liggen kinderen begraven. De overledenen kregen flink wat offers mee. In de graven zijn botten van honden, coyotebeenderenresten van hertengeweien, vissen en vogels teruggevonden, . “Lange beenderen en grote tanden” kunnen dan weer van kamelen en dwergneushoorns afstammen, aldus INAH-projectleider Alfredo Delgado. De wetenschappelijke analyse, die minstens drie maanden zal duren, moet meer duidelijkheid brengen

. Mogelijk was het de bedoeling dat de dieren de doden tijdens hun reis naar de onderwereld zouden vergezellen.

Volgens het INAH kan het gaan om een gemeenschappelijke begraafplaats of marktplaats van verschillende oude Amerikaanse volksgroepen. De keramische figuren worden aan onder andere de Teotihuacan-, Maya-, Nahua- en Popoluca-culturen toegeschreven.

.

Fossiele resten

In de nederzetting werden ook veel fossiele resten aangetroffen. Sommige resten zijn van dieren die al meer dan 10.000 jaar zijn uitgestorven. Daarmee zijn deze fossiele resten dus aanzienlijk ouder dan de nederzetting zelf. Mogelijk verzamelden de inwoners van de nederzetting deze fossiele resten.

Piramide
Ook troffen de onderzoekers op een naburige  heuvel de resten van een piramide aan. Het stenen gebouw moet zo’n twaalf meter hoog zijn geweest zestig meter lang en vijfentwintig meter breed en was bekleed  met kalksteen . De vondst is heel bijzonder, zo benadrukken de archeologen. In dit deel van Mexico worden namelijk maar zelden stenen gebouwen van dit type teruggevonden is.

INAH denkt dat  in een nabijgelegen werkplaats voor bakstenen van mogelijke invloed van de Maya-cultuur getuigt.

Inwoners
Onduidelijk is nog wie er precies in de nederzetting woonden. Tijdens de opgravingen zijn namelijk sporen van diverse culturen teruggevonden. Sommige gebouwen doen bijvoorbeeld denken aan de Maya’s, terwijl het ontdekte aardewerk weer afkomstig lijkt uit de stad Teotihuacán. Mogelijk was de nederzetting een plek waar allerlei culturen samenkwamen, bijvoorbeeld een markt of overheidscentrum.

De archeologen vermoeden dat de nederzetting rond het begin van de jaartelling tot stand kwam. Tot het jaar 600 of 700 was de nederzetting bewoond

Bronmateriaal:
Entierros prehispánicos y pirámide en Veracruz” - INAH
De foto bovenaan dit artikel is afkomstig van INAH.

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap/belga_20130711_precolumbiaanse_graven

  • INAH

 

 

Mensenoffers  van de azteken  nabij Xaltocan meer  in

Mexico

An Ancient Surprise” - GSU.edu

 28 januari 2013

tlaloc

Onderzoekers hebben in Mexico de resten van tientallen mensen teruggevonden. Het gaat waarschijnlijk om mensenoffers die ergens tussen het jaar 660 en 890 werden gebracht.

Eigenlijk was antropoloog Christopher Morehart van plan om nabij het meer Xaltocan onderzoek te doen naar oude sporen van landbouw. Maar zijn onderzoek veranderde radicaal toen hij op menselijke resten stuitte. Inmiddels zijn de stoffelijke resten van 31 mensen blootgelegd.

Onthoofd
De doden liggen allemaal met hun hoofd op het oosten gericht, begraven. En alles wijst erop dat ze geofferd werden. “Er is overtuigend bewijs dat deze mensen geofferd en onthoofd werden,” vertelt Morehart. De mensen vonden ergens tussen 660 en 890 de dood. In deze periode kwam er een einde aan het machtige nabijgelegen Teotihuacan en kwamen de machtige Azteken op.

Tlaloc
In de graven werden beeldjes teruggevonden die doen denken aan de goden die lang geleden in dit gebied werden vereerd. Tlaloc bijvoorbeeld: de god van regen en water (zie de afbeelding hierboven). “Er was hier een soort ritueel gaande waarbij offers gebracht werden aan goden die geassocieerd werden met de aarde en regen en daarbij werden ook mensenoffers gebracht die weer samenhangen met geweld, conflicten en oorlogsvoering,” stelt Morehart.

Pollen
Ook lang nadat de mensenoffers hier ter ruste werden gelegd, bleef deze laatste rustplaats belangrijk. Er werden geen mensenoffers meer gebracht, maar men bleef er rituelen uitvoeren. Zo werd er wierook gebrand en zijn pollen teruggevonden van planten waarvan we weten dat ze een rituele betekenis hadden. Sterker nog: zelfs in moderne tijden was deze plaats nog van betekenis. Zo zijn er ook sporen van modernere rituelen teruggevonden.

Morehart zet zijn onderzoek in het gebied voort en hoopt nog meer te weten te komen over wat zich hier door de eeuwen heen heeft afgespeeld

.

Teotihuacan

 04 augustus 2010   4

Archeologen hebben onder de ruïnes van de Mexicaanse stad Teotihuacan een verborgen tunnel en meerdere kamers ontdekt. De kans is groot dat de tunnel naar de graven van de eerste leiders van Teotihuacan leidt. Daarmee zou een einde komen aan veel mysteries.

Van Teotihuacan is tegenwoordig weinig meer over, maar vroeger was het een zeer beroemde stad. De stad ontstond zo rond 200 voor Christus en groeide uit tot een cultureel centrum met meer dan 100.000 inwoners. Rond het jaar 750 raakte de stad in verval. Rond 1300 kwamen de Azteken in het gebied en zij gaven de stad de naam Teotihuacan. Dat betekent letterlijk: ‘de plaats waar men god wordt’. De meeste mensen kennen Teotihuacan tegenwoordig vooral van de piramide van de zon en de piramide van de maan.

Van boven naar onder: de piramide van de zon, de piramide van de maan en uitzicht over Teotihuacan.

Opgraving
Wetenschappers weten vrijwel niets van de sociale structuren van Teotihuacan. De stad wordt al zo’n 100 jaar bestudeerd, maar afbeeldingen en graven van de leiders zijn nog nooit ontdekt. Ook geschriften ontbreken. Daarom moet de archeologie  het vooral van opgravingen hebben.

Qetzacoatl
Archeologen vermoedden in 2003 al dat zich onder de stad een tunnel bevond. Tijdens een zware storm zakte de grond aan de voet van de tempel van Qetzacoatl weg. Afgelopen jaar begonnen de archeologen met graven en onlangs stuitten ze op twaalf meter diepte eindelijk op het dak van de tunnel.

Heilige
Met behulp van een camera namen de archeologen een kijkje in de tunnel. Deze bleek vier meter breed te zijn. De wetenschappers vermoeden dat de tunnel tussen 200 en 250 na Christus is afgesloten. Het zou een zeer heilige plaats voor de bewoners van Teotihuacan zijn geweest. “Ik denk dat de tunnel het centrale element was,” legt archeoloog Sergio Gomez uit. “Het belangrijkste element waar de rest van dit ceremoniële centrum omheen is gebouwd. Dit was de heiligste plaats.”

Kamer
Met behulp van scans hebben de archeologen de tunnel inmiddels al beter kunnen bestuderen. Ze ontdekten dat deze na 37 meter dood lijkt te lopen: er bevindt zich een steen of muur. Maar de scans tonen aan dat de tunnel achter die barrière gewoon doorloopt en eindigt in een grote kamer van tien bij tien meter. Deze kamer bevindt zich direct onder de tempel. Aan elke kant van de tunnel bevinden zich dan nog twee kleinere kamers.

Leider
Volgens Gomez wijst alles erop dat het gaat om een tombe van een belangrijke leider. In de tunnel vonden de archeologen namelijk 50.000 offers. Deze zijn er kort voordat de tunnel voorgoed werd afgesloten, in gegooid. “Elke archeoloog die in Teotihuacan heeft gewerkt, heeft geprobeerd om de graven van de leiders te vinden. Er is een grote kans dat dit de plaats is. In de centrale kamer kunnen we de resten vinden van degene die Teotihuacan regeerde.”

Volgens Gomez duurt het nog zeker twee maanden voordat de archeologen de tunnel kunnen betreden. Hopelijk zal dan blijken hoe Teotihuacan geregeerd werd en uit kon groeien tot een stad met verstrekkende culturele invloed.

Tunnel ontdekt onder Mexicaanse tempel

31 mei 2011   0

Wetenschappers hebben onder de tempel van Quetzalcoatl een tunnel ontdekt. De tunnel werd zo’n 1800 jaar geleden dichtgemaakt.

De onderzoekers ontdekten de tunnel met behulp van radarbeelden. De tunnel bevindt zich op een diepte van zo’n veertien meter en is 120 meter lang.

Onderwereld
In de tunnel troffen de onderzoekers allerlei symbolen aan. De symbolen wijzen erop dat de tunnel een representatie van de onderwereld is.

Grafkamer
Waar de tunnel naartoe leidt, is nog onduidelijk. Maar wetenschappers gaan ervan uit dat zich aan het eind van de tunnel een grafkamer bevindt. “Aan het eind bevinden zich meerdere kamers die mogelijk de restanten van heersers van de Meso-Amerikaanse beschaving bevatten,” legt archeoloog Sergio Gomez Chavez uit. “Als dat bevestigd wordt, is dit één van de belangrijkste archeologische ontdekkingen van de 21e eeuw.”

De tempel en de tunnel bevinden zich in Teotihuacan. De stad is van grote archeologische waarde: het was voordat de Spanjaarden Mexico binnenvielen de grootste stad van Meso-Amerika. Er staan tal van bekende gebouwen zoals bijvoorbeeld de zonnepiramide en de maanpiramide.

Bovenstaande foto is gemaakt door Daniel Lobo (via Flickr.com)

Bronmateriaal:
Tunnel found under temple in Mexico” - Physorg.com

.

Offers ontdekt onder Piramide van de Zon

http://en.wikipedia.org/wiki/Pyramid_of_the_Sun

15 december 2011 1

Het jade masker

De offers zijn waarschijnlijk meer dan 1900 jaar oud en werden nog voor de bouw van de piramide begon, gebracht.

Dat maken archeologen van het Mexicaanse Instituto Nacional de Antropología e Historia (INAH) bekend. Er werden potten, beeldjes van mensen en stukjes vulkanisch glas aangetroffen. Ook vonden onderzoekers pijlpunten en iets wat lijkt op messen. Tevens werden de restanten van dieren aangetroffen: onder meer een arend, katten en honden. De offers zijn nog voordat de piramide er was, gebracht. Hoogstwaarschijnlijk ter ere van een regengod.

Groen masker
In de fundering van de piramide werd nog een bijzondere vondst gedaan: een groen masker.

Volgens de onderzoekers is het voor het eerst dat in het oude stadje in een rituele context een masker wordt teruggevonden.

De piramide van de zon. Foto: Stefan Perneborg (cc via Flickr.com).

Teotihuacan
De piramide van de zon bevindt zich in de oude stad Teotihuacán. De piramide is zo’n 225 meter breed en lang en zo’n 65 meter hoog. De bouw ervan startte meer dan 1900 jaar geleden. Tussen de eerste en zevende eeuw na Christus werd er aan de stad Teotihuacán gewerkt. De gebouwen werden niet zomaar neergezet: er werd rekening gehouden met de stand van bijvoorbeeld de zon. Ooit moeten de religieuze gebouwen deel uit hebben gemaakt van een enorme stad: Teotihuacán besloeg op het hoogtepunt zo’n 36 vierkante kilometer. Zo’n tien procent van die ruimte werd besteed aan bouwwerken voor de goden. Gedurende de zevende eeuw werd de stad getroffen door brand. De bewoners vertrokken hierop.

De onderzoekers hebben altijd vermoed dat zich onder de piramide offers zouden bevinden.

Daarom werden diverse tunnels onder het bouwwerk gegraven in een poging de offers te vinden.

Bronmateriaal:
Hallan ofrenda originaria de pirámide del sol” - INAH.gob.mx
Pre-Hispanic City of Teotihuacan” – Unesco.org
De foto bovenaan dit artikel is afkomstig van de site INAH.gob.m).

http://phys.org/news/2011-12-teotihuacan-pyramid.html#nRlv

Robot ontdekt drie grafkamers onder Mexicaanse  tempel

van de  gevederde  slang

25 april 2013 
File:Teotihaucan-3027.jpg
Pyramid of the Feathered Serpent, from the top of the Adosada platform.
File:Teotihaucan-3015.jpg

Adosada platform in the midground, Pyramid of the Feathered Serpent behind the platform, person beside a small platform in the foreground gives scale

Archeologen hebben met behulp van een robot drie kamers ontdekt onder de Tempel van de Gevederde Slang in Teotihuacán, Mexico. En dat is verrassend: onderzoekers dachten maar één kamer onder de tempel aan te gaan treffen.

Om de kamertjes te ontdekken, werd het uiterste van Tlaloc II-TC gevraagd. Het robotje werd in een 2000 jaar oude tunnel geplaatst en moest vervolgens ondanks zijn flinke gewicht (ongeveer 35 kilo) en alle modder waarin zijn wielen konden blijven steken, zo ver mogelijk zien te komen. Terwijl de robot zich door de gang begaf, maakte deze foto’s en scans van zijn omgeving.

Over Teotihuacán

Wie de stad met daarin tal van machtige bouwwerken die tot op de dag van vandaag te bewonderen zijn, bouwden, is onduidelijk. De mensen die de stad stichtten, lieten voor zover bekend geen geschriften achter. We weten zelfs niet hoe ze hun stad noemden. De naam Teotihuacán kwam pas veel later in zwang en is bedacht door Azteken die zichtbaar onder de indruk waren van Teotihuacán wat letterlijk zoiets betekent als ‘de stad waar mensen goden worden’.

Zo ontdekten de archeologen dat onder de tempel niet één kamer, maar drie kamers te vinden zijn. De onderzoekers hopen dat de ontdekking ze meer kan vertellen over de oorspronkelijke bewoners van Teotihuacán. Iets minder dan 2000 jaar geleden moeten in dit gebied meer dan 120.000 mensen hebben geleefd. En daarmee was het naar de maatstaven van die tijd een echte wereldstad. Maar enkele honderden jaren later verlieten deze mensen de stad opeens. Onduidelijk is nog waarom. De archeologen verwachten dat de tempel ze veel meer kan vertellen over het (rituele) leven van de bewoners van Teotihuacán. Ze hopen in de kamers onder de tempel uiteindelijk de graven van belangrijke leiders van het gebied terug te vinden.

De tunnel onder de tempel werd in 2003 ontdekt toen heftige regenval een flink gat in de grond nabij de tempel blootlegde. Het gat bleek toegang te geven tot een netwerk van tunnels onder de tempel. Met behulp van de robot wordt dat netwerk nu bestudeerd. De robot is al een heel eind: alleen de laatste dertig meter van de 120 meter lange tunnel moet nog onderzocht worden. Maar voor de robot dat kan doen, moet eerst de aarde die ‘m nu de weg verspert, worden verwijderd. De archeologen doen dat ongetwijfeld graag. Ze hebben namelijk grote verwachtingen van het laatste stukje van de tunnel. Ze verwachten dat zich hier een trap bevindt die ze nog eens drie tot vier meter dieper onder de tempel brengt.

Bronmateriaal:
Son tres las cámaras subterráneas detectadas en Teotihuacan” - INAH.gob.mx
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door jschmeling (via Wikimedia Commons).

http://phys.org/news/2013-04-robot-chambers-ancient-mexico-temple.html

http://portalvacaciones.com/tag/piramide-del-sol/

MAYA’S

Maya_map

De Maya’s leefden en handelden in een streek die Meso-Amerika wordt genoemd. Geografisch strekt Meso-Amerika zich uit van het noorden van Mexico tot aan Nicaragua en Costa Rica. Het omvat Quintana Roo, Yucatán, Campeche, Chiapas, en Tabasco in Mexico, het gehele tegenwoordige Guatemala, Belize, en het uiterst westelijke deel van Honduras en El Salvador. Deze streek is ongeveer 900 km van noord naar zuid, en 500 km van oost naar west.

Wikimedia Commons

YUCATAN  

Een van de bekendste Mayasteden op Yucatán is Chichén Itzá, die op de Werelderfgoedlijst staat van Unesco.

19 juni 2013

Opnieuw Mayastad ontdekt in jungle van Mexico

 De nederzetting strekt zich uit over een gebied van 22 hectare.

De nederzetting op het schiereiland Yucatán, die een paar weken geleden is ontdekt, telt talrijke resten van tempels, paleizen, woningen en velden voor het heilige balspel van de Maya’s. De grootste tempel zou 23 meter hoog zijn, aldus het Nationale Instituut voor Antropologie en Geschiedenis (INAH).

Karakteristiek voor de stad zijn steenblokken met inscripties, zogeheten stèles. ”Heerser K’inich B’ahlam heeft de rode (of grote) steen in 751 opgesteld”, valt op een van de rijk versierde stèles te lezen. Het onderzoeksteam moest zich een weg van twee uur door het dichte regenwoud van de deelstaat Campeche banen om bij de ruïnes te komen.

Archeologen hebben een grote Mayastad gevonden in de oostelijke  jungle van Mexico(yucatan ). De Mayastad – met de naam ‘Chactún’ – ligt in een gebied waar ook veel andere Mayasteden zijn gevonden. Tot op heden bleef deze Mayastad onopgemerkt, omdat Chactún haast niet bereikbaar is.

Archeologen vermoeden dat de Mayastad zijn bloeiperiode kende in de periode van 600 tot 900 na Christus. De stad is vergelijkbaar in grootte met beroemde Mayasteden als El Palmar, Becan en Nadzcaan. “Het is één van de grootste Mayasteden van de centrale laaglanden”, onthult de Sloveense onderzoeksleider Ivan Šprajc.

Mayasteden

Met enige regelmaat worden er nieuwe Mayasteden gevonden, zoals in 2011. Hoewel Mexico vrij toeristisch is, zijn de jungles nog onbekend terrein.

Moeilijk bereikbaar
De onderzoekers onderzochten stereoscopische luchtfoto’s en zagen vervolgens architectonische overblijfselen in de jungle. Om vast te stellen dat het inderdaad een nieuwe Mayastad is, reisden de onderzoekers door de jungle met een terreinwagen. Regelmatig moesten zij stoppen om de weg vrij te maken, omdat vegetatie een deel van de weg had opgeslokt. Na een paar uur rijden bereikten zij de nieuwe Mayastad.

Piramides, altaren en stèles
Chactún is ongeveer 22 hectare groot. Het gebied bestaat uit drie monumentale complexen. Er zijn veel piramidale structuren zichtbaar. Verder troffen de archeologen terrassen, pleinen, gebeeldhouwde monumenten, speelvelden (waar de Maya’s een balspel speelden) en woonwijken aan. De hoogste piramide is 23 meter hoog. De onderzoekers prijzen vooral de mooie altaren en stèles. Stèles zijn steenblokken met inscripties. Drie van de negentien stèles in Chactún zijn uitstekend bewaard gebleven. “Eén van de stenen is opgesteld in 751 door de heerser K’inich B’ahlam”, vertelt Šprajc.

Hergebruikt
Veel van de altaren, stèles en andere monumenten zijn minder goed bewaard gebleven. Deze zijn honderden jaren later hergebruikt. Šprajc: “De mensen die de monumenten hergebruikten wisten niet wat ze betekenden.”

Bekijk beelden van de ruïnes:

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
  • 11"
  • 12
Bronmateriaal:
DESCUBREN SITIO MAYA EN CAMPECHE” – Conaculta

GUATEMALA

Begin Maya-beschaving ?

26 april 2013  

De beschaving van de Maya’s ontwikkelde zich ver voor onze jaartelling en beleefde zijn hoogtepunt in de zogenaamde “klassieke periode”:, die grofweg duurde van 250 tot 900 na Christus. De Maya’s ontwikkelden zich tot de meest geavanceerde cultuur van ‘precolumbiaans Amerika’ (de tijd vóórdat ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus daar in 1492 aankwam). Zo waren ze de enige indianencultuur die over een volledig ontwikkeldschrift beschikte. Verder verwijzen de vele tempels, piramiden en zelfs complete steden in de jungles van Mexico, Guatemala en Belize naar de grootsheid van het oude volk.

Maya-map

Het leefgebied van de Olmekencultuur en de latere Maya-beschaving

Maar over waar de Maya’s vandaan kwamen, door wie ze cultureel beïnvloed werden en hoe hun vroegste ontwikkeling verliep is maar weinig bekend.

Veel Maya-onderzoekers zijn van mening dat ze sterk beïnvloed zijn door de Olmeken, een volk die tussen ca. 1500 en 400 v. Chr. langs de kusten van de Golf van Mexico leefde. De Olmeken worden wel als de moeder-cultuur van de Maya’s gezien.

Bij de Olmeken werden de culturele innovaties gedaan. Het bouwen van de piramide-achtige tempels en grote vierkante pleinen. Die zien we nu als typisch voor de Maya’s, maar werden door vrijwel alle Midden-Amerikaanse indianenculturen gebouwd. Ook bepaalde ideeën over politieke centralisatie die de Maya’s later verder succesvol uitbouwden, zouden bij de Olmeken zijn ontstaan, denken deze onderzoekers.

Andere onderzoekers zijn van mening dat de Maya’s de Olmeken vooral als rivalen zagen en nauwelijks cultureel uitwisseling met hen hadden. Volgens hen ontwikkelde de Maya-cultuur zich vrij geïsoleerd van andere culturen.

800px-seibal-temple

Piramide-achtige Mayatempel in Ceibal, Guatemala

 wikimedia commons

Een nieuw onderzoek wijst er echter  op dat de Maya-beschaving op een heel andere manier is gestart dan archeologen dachten. Dat stellen archeologen nu ze in de Maya-stad Ceibal het oudste Maya-observatorium ooit hebben ontdekt.

Als het over het ontstaan van de Maya-beschaving gaat, zijn archeologen het beste in twee kampen te verdelen. Het ene kamp denkt dat de Maya-beschaving onafhankelijk van andere beschavingen in de jungle van het huidige Guatemala en het zuiden van Mexico ontstaan is. Het andere kamp denkt dat de Maya-beschaving sterk beïnvloed wordt door de veel oudere beschaving van de Olmeken en dan in het bijzonder door hun centrale stad: La Venta.

Allebei fout?
Het lijkt er nu op dat beide kampen er met hun ideeën naast zitten, zo schrijven archeologen in het blad Science. Ze baseren die conclusie op opgravingen in Ceibal: een Maya-stad in Guatemala. Tijdens de opgravingen stuitten ze op een observatorium dat aanzienlijk ouder bleek dan gedacht. Uit de opgravingen blijkt dat La Venta zo’n 200 jaar nadat Ceibal tot stand kwam, uitgroeide tot het belangrijke centrum dat het voor de Olmeken was.

 

Complex
Het onderzoek stelt niet dat de Maya-beschaving ouder is dan de beschaving van de Olmeken.

De Olmeken hadden namelijk nog een andere belangrijke stad die eerder dan La Venta ontstond. Maar het onderzoek suggereert wel dat La Venta GEEN   enorme invloed kan hebben gehad op de prille Maya-beschaving.

“We stellen dat het scenario van de prille Maya-cultuur veel complexer is dan we dachten,” vertelt onderzoeker Victor Castillo.

De archeologen zijn zich ervan bewust dat er wel overeenkomsten zijn tussen de beschaving van de Olmeken en die van de Maya’s. Zo lijkt de architectuur van beide beschavingen op elkaar en zijn er ook wel overeenkomsten tussen rituelen die de Maya’s en Olmeken erop nahielden. Maar het zou te kort door de bocht zijn om te stellen dat de Maya’s de Olmeken simpelweg na-aapten.

De onderzoekers denken dat zowel het Ceibal van de Maya’s als La Venta van de Olmeken het resultaat is van een geografisch verder reikende culturele verandering die zo’n 1000 voor Christus optrad.

“Er was sprake van een enorme sociale verandering die van de zuidelijke laaglanden van de Maya’s tot de kust van Chiapas en de zuidelijke Golfkust reikte en het gebied van Ceibal maakte deel uit van die bredere sociale verandering,” vertelt onderzoeker Inomata Triadan.

“De opkomst van een nieuwe vorm van samenleven – met een nieuwe architectuur en nieuwe rituelen – werd de belangrijke basis voor alle latere Meso-Amerikaanse beschavingen.”

Bronmateriaal:
Archaeologists Unearth New Information on Origins of Maya Civilization” - UAnews.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Sébastian Homberger (via Wikimedia Commons).

 T. Inomata; D. Triadan; V. Castillo, Early Ceremonial Constructions at Ceibal, Guatemala, and the Origins of Lowland Maya Civilization, Science, 26 april 2013    DOI:10.1126/science.1234493

Tombe van beroemde Maya-koningin K’abel ontdekt

Geschreven op 04 oktober 2012 om 08:35 uur door 

The Holy Snake Lord: Archaeologists say this tiny alabaster vessel shows a depiction of Queen Kalomt'e K'Abel, considered one of the great warrior queens of the Maya civilisationThe Holy Snake Lord: Archaeologists say this tiny alabaster vessel shows a depiction of Queen Kalomt’e K’Abel, considered one of the great warrior queens of the Maya civilisation

Remains of the great queen: This picture shows the bone of Queen K'Abel, who reigned for 20 years over the region and is onsidered the greatest ruler of the Maya's Late Classic periodRemains of the great queen: This picture shows the bones of Queen K’Abel, who reigned for 20 years over the region and is onsidered the greatest ruler of the Maya’s Late Classic period

Read more: http://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-2212761/Raiding-tomb-Holy-Snake-Lord-Researchers-uncover-7th-Century-resting-place-Mayas-great-warrior-queen.html#ixzz2RUSvGVe0

Archeologen hebben in Guatemala de tombe van Maya-koningin K’abel teruggevonden. De koningin leefde in de zevende eeuw en wordt gezien als één van de belangrijkste vorsten van de klassieke Maya-beschaving.

De onderzoekers vonden het graf bij de tempel in een oude Maya-stad: El Perú-Waka, op zo’n 75 kilometer afstand van Tikal. De stad moet ooit heel indrukwekkend zijn geweest: in het hart ervan bevonden zich op ongeveer één vierkante kilometer pleinen, paleizen, huizen en tempels. En daaromheen strekte de stad zich nog vele vierkante kilometer uit en waren nog meer huizen en tempels te vinden.

Het graf van koningin K’abel. Foto: Washington University in St Louis

Vaasje        De onderzoekers vonden het graf op een prominent plekje in de stad. Dat het het graf van K’abel was, ontdekten ze toen ze op een klein vaasje (zie hierboven), gemaakt van albast stuitten. Uit de opening van het vaasje komt het albasten hoofd en een albasten arm van een oudere vrouw. Daarnaast staan op het vaasje ook enkele hiëroglyfen die erop wijzen dat het vaasje aan koningin K’abel toebehoorde. Naast het vaasje werden ook vazen van keramiek in het graf teruggevonden. En buiten het graf stonden steles (stenen platen) met daarop teksten.

A drawing of the glyphs on the back of the vessel which researchers say is the name of Queen K'Abel

A drawing of the glyphs on the back of the vessel researchers say is the name of Queen K’Abel

Relics discovered in the tomb of Queen K'Abel: The Maya queen was buried alongside a hoard of jade jewels and other artifactsRelics discovered in the tomb of Queen K’Abel: The Maya queen was buried alongside a hoard of jade jewels and other artifacts

Ancient: A stucco polychrome bowl with a lid found at the Peru-Waka siteAncient: A stucco polychrome bowl with a lid found at the Peru-Waka site

El Peru-Waka is situated towards the top right of this map of western Peten and adjacent parts of of the Maya worldEl Peru-Waka is situated towards the top right of this map of western Peten and adjacent parts of of the Maya world

Read more: http://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-2212761/Raiding-tomb-Holy-Snake-Lord-Researchers-uncover-7th-Century-resting-place-Mayas-great-warrior-queen.html#ixzz2RUTH9OF3

Hoogste Strijder
Kan-Koning Yuhknoom Ch’een de Grote veroverde de regio Péten, waarin de stad El Perú ligt, ergens tussen 636 en 686. Hij werd daarbij geholpen door de Wak-koning K’inich Bahlam II. Vervolgens zorgde de Kan-koning ervoor dat de Wak-koning trouwde met een vrouw uit zijn familie (waarschijnlijk zijn dochter): prinses K’abel. K’abel regeerde samen met haar echtgenoot K’inich Bahlam. Samen hadden ze de macht zeker twintig jaar in handen, maar waarschijnlijk nog veel langer. K’abel werd ook wel aangeduid met de titel ‘Kaloomte’ wat zoveel betekent als ‘Hoogste Strijder’ daarmee was haar gezag welbeschouwd groter dan dat van haar echtgenoot.

Rond 800 na Christus kwam er een einde aan de macht van de familie van K’abel en K’inich Bahlam. Maar eerder bleek uit onderzoek al dat de tempel in het stadscentrum zelfs vele generaties daarna nog steeds door aanbidders werd bezocht. Ze brachten offers en zetten fragmenten van koninklijke steles voor de tempel. Onderzoekers konden dit maar niet verklaren, maar de vondst van het graf van K’abel maakt alles duidelijk. Eén van de machtigste vrouwen uit dit gebied werd hier begraven.

Koningin K’abel is een oude bekende voor de archeologen. Enkele decennia geleden werd van haar namelijk een prachtig portret (rechts) teruggevonden. En ook haar echtgenoot werd vereeuwigd (links).

Bronmateriaal:
The queen of El Perú-Waka, New discoveries in an ancient Maya temple” - Wustl.edu
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Washington University in St. Louis.

Graf van  K’utz Chmané  ontdekt

 26 oktober 2012  

Archeologen hebben in Guatemala de tombe van leider K’utz Chman teruggevonden. Hij zou de grondlegger van de Maya-cultuur zijn geweest, zo meldt onder meer de BBC.

De onderzoekers vonden het graf terug in Tak’alik Ab’aj. In deze oude stad zijn in het verleden al ontdekkingen gedaan die getuigen van de ondergang van de Olmeken (de eerste grote beschaving van dit gebied) en de daaropvolgende opkomst van de Maya’s.

Elementen
Met de vondst van de tombe denken de onderzoekers nu de sporen van een man gevonden te hebben die een zeer belangrijke rol speelde in de opkomst van de Maya’s. Volgens archeoloog Miguel Orrego zou K’utz Chman verschillende elementen geïntroduceerd hebben die de Maya-cultuur later zouden kenmerken. Denk bijvoorbeeld aan de bouwstijl van de Maya’s.

 

Sieraden
In de tombe – die ergens tussen 700 en 400 voor Christus gebouwd zou zijn, troffen onderzoekers onder meer sieraden aan. De botten van K’utz Chman zijn niet teruggevonden: de archeologen vermoeden dat deze al helemaal zijn vergaan. Dat de persoon die hier begraven lag een leidinggevende rol had, zou blijken uit de vondst van een ketting: hierop is een beeltenis te zien van een man met het hoofd van een gier. De vogel staat symbool voor macht en een hoge status, zo schrijft de BBC.

De Maya’s ontwikkelden zich gaandeweg tot een zeer machtige cultuur met hele uitgesproken kunst en architectuur. Ze hadden hun eigen goden en rituelen en een eigen schrift. Ze waren bijzonder goed onderlegd: zo hadden ze kaas gegeten van wiskunde en was ook hun kennis van de astronomie  indrukwekkend. De cultuur bereikte na het jaar 250 na Christus een hoogtepunt. Rond het jaar 800 begon de cultuur in verval te raken: de Maya’s verlieten hun steden en daarmee sijpelde ook langzaam maar zeker de cultuur van de Maya’s weg. Over de redenen achter dat verval wordt nog steeds volop gediscussieerd. Sommigen stellen dat (een door de Maya’s zelf veroorzaakte) klimaatverandering het volk fataal werd. Anderen denken dat meerdere factoren een rol speelden: droogte, een veranderend klimaat en sociale onrust, bijvoorbeeld.

Packed with jade jewels and other artefacts, it is the oldest royal Mayan burial ground ever found.

A jade figure found in the royal tomb of a Mayan king found on June 2012, at Takíalik Abíaj Archaeological National Park in Retalhuleu departament, 180 km south of Guatemala City.
jade beads found in the royal tomb of a Mayan king found on June 2012

Extraordinary artefacts: A jade figure (up ) and jade beans (bottom ) found in the royal tomb of the Mayan king

Unearthed: Pots in the grave of King K'utz Chman, a priest who is believed to have reigned around 700 B.C.Unearthed: Pots in the grave of King K’utz Chman, a priest who is believed to have reigned around 700 B.C.
Great treasures: Packed with artefacts, the grave is the most ancient royal Mayan burial ground found to dateGreat treasures: Packed with artefacts, the grave is the most ancient royal Mayan burial ground found to date
Amazing find: More pots found in the royal tomb of the Mayan king, located to the west of Guatemala City: More pots found in the royal tomb of the Mayan king, located to the west of Guatemala City
Verification: Scientists found the grave in June, but it has taken until now to confirm it belonged to K'utz ChmanVerification: Scientists found the grave in June, but it has taken until now to confirm it belonged to K’utz Chman
Past times: Ceramic dolls found in the royal tomb of the Mayan king discovered at the Tak'alik Ab'aj dig Past times: Ceramic dolls found in the royal tomb of the Mayan king discovered at the Tak’alik Ab’aj dig
jade beans
jade beans

Jade beans: Guatemala is studded with amazing ruins from the Mayans, who thrived between A.D. 250 and 800

Importance: The team found glistening jade jewels, including a necklace with a pendant carved in the shape of a vulture's head - a symbol that represented power and high economic statusImportance: The team found glistening jade jewels, including a necklace with a pendant carved in the shape of a vulture’s head – a symbol that represented power and high economic status
On location: The site of the discovery of the royal tomb at the Tak'alik Ab'aj dig in Retalhuleu in GuatemalaOn location: The site of the discovery of the royal tomb at the Tak’alik Ab’aj dig in Retalhuleu in Guatemala

Read more: http://www.dailymail.co.uk/news/article-2223355/Grave-ancient-king-laid-foundations-Mayan-civilisation-700-B-C-discovered-archaeologists.html#ixzz2RURddGfL

Bronmateriaal:

met video op de pagina  …
‘Oldest Mayan tomb’ found in Guatemala’s Retalhuleu” - BBC.co.uk

Tempel van de zonnegod van de Maya’s ontdekt

 20 juli 2012  5

A tracing of an image found at the El Zotz archaeological site in Guatemala depicts the Maya sun god. “The stuccos provide unprecedented insight into how the Maya conceived of the heavens,” said archaeologist Stephen Houston, “how they thought of the sun, and how the sun itself would have been grafted onto the identity of kings and the dynasties that would follow them.” Credit: Stephen Houston

Archeologen hebben in Guatemala een piramide en tempel ontdekt die ter ere van de zonnegod door de Maya’s werd opgericht. De vondst kan ons veel meer vertellen over het godsdienstig leven van de oude Maya’s.

De tempel is rijkelijk versierd. Op de tempel bevinden zich allerlei maskers. Die maskers laten zien door welke fasen de zon (die de Maya’s als een god beschouwden) dagelijks heen ging. De maskers zijn zo’n 1,5 meter hoog. Tussen de maskers lopen banden waarop zich juwelen bevonden. Die vertegenwoordigden Venus en andere planeten.

Tombe
Eerder werd in ditzelfde gebied een tombe met daarin menselijke resten en allerlei objecten teruggevonden. Het zou om een koninklijke tombe gaan. Waarschijnlijk hoort de tempel erbij. Deze zou na het overlijden van de edele nabij het graf zijn gebouwd om hem in verband te brengen met de eeuwige zon.

“De zon was een heel belangrijk element voor de leiders van de Maya’s,” vertelt onderzoeker Stephen Houston. “Het was een icoon dat ze opzettelijk in verband brachten met de koninklijke lijnen, de koninklijke identiteit en de koninklijke macht. Het (de zon, red.) is het meest dominante hemellichaam. Het is iets dat elke dag opkomt en in alle hoekjes en gaatjes doordringt, net zoals de koninklijke macht dat verondersteld wordt te doen. Dit gebouw viert dat nauwe verband tussen de koning en het machtigste en dominantste object dat aan de hemel aanwezig is.”

Tempel
De tempel bevindt zich net achter de tombe, boven op de zogenoemde Diablo Piramide.

“De Diablo Piramide is één van de meest ambitieus gedecoreerde gebouwen in het oude Amerika,” vertelt Houston. “Het pleisterwerk geeft ons een heel nieuw kijkje in hoe de Maya’s de hemel zagen, hoe ze over de zon dachten en hoe de zon zelf deel uitmaakte van de identiteit van koningen en de dynastieën die daarop volgden.”

Zichtbaar
De piramide met daarop de tempel moet zo’n 1600 jaar geleden een fantastisch gezicht geweest zijn. De piramide bevindt zich op een berg die zich hoog boven de oude Mayastad El Zotz uitstrekte. De tempel op de top van de piramide was waarschijnlijk helemaal rood geverfd. Wanneer de zon onderging en opkwam was de tempel het beste te zien. Zelfs op 25 kilometer afstand moet de tempel nog zichtbaar zijn geweest. En dat is mogelijk niet voor niets. De tempel werd gebouwd in een tijd dat de Maya’s het niet al te gemakkelijk hadden. Ze kwamen in contact met de mensen van Teotihuacan: een grote stad nabij het huidige Mexico-Stad. Deze mensen vielen het gebied van de Maya’s soms binnen.

De piramide en tempel zijn mogelijk opgericht als een symbool van macht, om te laten zien dat El Zotz de touwtjes nog stevig in handen had.

Levend wezen?
Eén vondst wijst er voorzichtig op dat de Maya’s de piramide en tempel ook echt als een levend wezen zagen. Op een gegeven moment werden de neuzen en monden van de maskers namelijk systematisch verminkt. Ook de banden op het voorhoofd waarop stond wat de maskers voor moesten stellen, werden beschadigd. Mogelijk was dat een manier om het gebouw te ‘deactiveren’.

De Maya’s deden dat waarschijnlijk toen ze een nieuw gebouw aan het bestaande wilden toevoegen.

Het is heel waarschijnlijk dat de tempel ons nog veel meer over de Maya’s gaat vertellen. Onderzoekers hebben op dit moment nog maar een klein deel van de tempel teruggevonden. Zeker zo’n 70 procent van het gebouw moet nog worden bestudeerd.

http://en.wikipedia.org/wiki/El_Zotz

http://news.nationalgeographic.com/news/2012/07/120720-maya-temple-el-zotz-masks-faces-science-houston/

One of the stucco masks found in the substructure of the pyramid. El Diablo, El Zotz, Petén.

One of the stucco masks found in the substructure of the pyramid. El Diablo, El Zotz, Petén.

http://www.revuemag.com/2010/09/mayan-royal-tomb-unearthed/02-f12-el-zotz-012/

Bronmateriaal:
El Zotz masks yield insights into Maya beliefs” - Brown.edu
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Stephen Houston.

http://www.mesoweb.com/reports/ZotzTomb.pdf

 ° de grootste dam die de Maya’s ooit hebben gebouwd

°

BELIZE 

gtb-maya-site-map-belize-big

http://www.guidetobelize.info/en/maya/belize-mayan-map-directory-guide.shtml

http://en.wikipedia.org/wiki/Maya_ruins_of_Belize

maya-crocodile-effigy-belize

An anthropomorphic effigy vessel found in the Maya Ruins of Belize.

It features a modeled human face emerging from a crocodile’s mouth – probably used as an offering vessel.

°

El SALVADOR  

Ceren 

http://www.scientias.nl/oude-weg-van-de-mayas-ontdekt/47907

http://www.scientias.nl/ceren-het-pompeii-van-de-mayas/50037

http://www.scientias.nl/maya-keuken-ontdekt-in-het-pompeii-van-centraal-amerika/83683

Bronmateriaal:
CU-Boulder team discovers ancient road at Maya village buried by volcanic ash 1,400 years ago” - Colorado.edu
Joya de Cerén Archaeological Site” - WHC.UNESCO.org
Boek: Before the volcano erupted: the ancient Cerén village in Central America. Door: Payson Sheets. 

UC Research on Maya Village Uncovers ‘Invisible’ Crops, Unexpected Agriculture” - UC>edu

ceren

De Maya’s: wat geloofden ze nu echt?

 19 september 2010 8

Aan goden geen gebrek bij de Maya’s. Voor vrijwel elk façet van hun bestaan hadden ze een god. En al die goden hadden hun eigen kenmerken, nukken en wensen. Geen wonder dat met name de priesters en elite daar hun handen vol aan hadden. Toch deden ze het met alle liefde, want de Maya’s wisten ook wel: voor wat, hoort wat.

In het begin was er op de hemel en de zee na helemaal niets. De goden van de hemel besloten daar verandering in te brengen en gingen in conclaaf met de goden van de oceaan. Ze kwamen overeen dat ze vereerd wilden worden, maar ze waren niet van plan om elkaar te gaan vereren en dus moest er een derde persoon bij komen. Om dat mogelijk te maken, creëerden de goden een plaats waar deze kon wonen. Ze hoefden het woord ‘aarde’ maar uit te spreken en direct was het er. De goden gingen toen dieren maken. Maar dat bleken niet zulke goede vereerders te zijn: ze krijsten maar wat. Daarop probeerde men de eerste mens te maken. Deze bestond uit modder en sprak alleen maar wartaal. Om dat op te lossen, maakten de goden een mens van hout. Dat leek perfect, maar de houten mens voelde niets en kon zijn scheppers dus ook niet oprecht vereren. De goden verwoestten de mensen die ze gemaakt hadden en deden een nieuwe poging. Ze maalden mais fijn, voegden er water aan toe en zo ontstond de mens. Deze kon de goden goed en oprecht vereren.

Schepping
Het scheppingsverhaal van de Maya’s is bijzonder. De Maya’s dateerden het zelf op de datum 13.0.0.0.0.4 Ahau 8 Cumha. Wie deze combinatie van twee Maya-kalenders omrekent, komt uit op 13 augustus 3114 voor Christus. Toen begon het allemaal. Met dank aan het narcisme van de goden.

Wereld
De Maya’s hadden een bijzonder beeld van de wereld. De aarde was in hun beleving plat en vierkant. Boven hun hoofden bevond zich het hemelrijk en onder hen het dodenrijk. Er zijn verslagen waarin te lezen valt dat het hemelrijk uit dertien lagen bestaat met elk een eigen god. De onderwereld zou negen ‘verdiepingen’ tellen.

In het midden van dit alles stond de wereldboom 

Op de hoeken van de aarde stonden vier bomen. Deze zorgden ervoor dat de hemel niet naar beneden viel. De god Pauahtun hielp waar nodig een handje door de hemel te ondersteunen. De aarde maakte volgens de Maya deel uit van een groter geheel. Hoe de planeet zich precies tot de rest verhield, wisten ze niet goed. Sommigen dachten dat de aarde op de oerzee dreef. Anderen vermoedden dat een enorme schildpad de aarde op zijn rug had genomen en zo door de oerzee zwierf.

Boven: de maangodin. Midden: de zonnegod. Onder: de maisgod (links) en Chac (rechts)

Goden
De Maya’s moesten op deze vierkante aarde dus hun goden vereren. Een hele klus; het pantheon was omvangrijk. Een greep uit de belangrijkste goden:

De god van de dag werd – hoe kan het ook anders – belichaamd door de zon. De Maya’s noemden deze god  Kinich Ahau wat letterlijk ‘heer met het gezicht van de zon’ betekent. Het volk bedacht dat deze god elke ochtend opnieuw geboren werd, gedurende de dag veranderde in een oude man en zo de cyclus van een mensenleven dagelijks meemaakte. In de nacht verbleef de zon in het dodenrijk. Daar vocht deze met een jaguar. Gelukkig won de zon elke keer weer, zodat deze toch kon opkomen.
De god van de nacht werd belichaamd door een vrouw: de maangodin. Zij werd meestal naakt afgebeeld.
En dan was er ook nog Chac.
Deze god ging over de regen, donder en bliksem. Daarmee was hij een god die men graag zag komen (vanwege de regen), maar even vaak graag zag gaan (vanwege het onweer).
Ook voor het voedsel hadden de Maya’s een god: Hun Hunaphu oftewel de maisgod. Dankzij hem was de mens ooit (uit mais!) ontstaan en nu maakte hij groei en ontwikkeling mogelijk.
Ook voor andere facetten hadden de Maya’s hun goden. Zo was er een god voor de handel, voor de kunst en voor de onderwereld.
Wanneer een koning van de Maya’s stierf, werd deze ook goddelijk. De koning ging dan deel uitmaken van de hemel. Ook de omgeving van de Maya’s werd als spiritueel gezien. Zo waren bergen heel belangrijk voor het volk, omdat de zielen van de voorouders daar zouden wonen.Ritueel
Het mag duidelijk zijn dat het dagelijks leven van de Maya’s doordrenkt was met godsdienst.Dat gold vooral voor de elite en priesters. Zij waren in het bijzonder op de goden aangewezen, omdat ze deze vrijwel dagelijks om advies en hulp moesten vragen.Om in contact te komen met de goden, werden diverse rituelen uitgevoerd. Vaak kwam daar een hoop pijn bij kijken, zo blijkt uit afbeeldingen en beeldjes die de Maya’s ons hebben achtergelaten. Er zijn beelden bekend waarbij de vrouw van de koning een touw met doornen door een gat in haar tong trekt. Terwijl ze – ongetwijfeld door pijn, dagenlang vasten en het gebruik van middelen die hallucinaties veroorzaken – in extase raakt, krijgt ze een visioen. Het contact is dan gelegd.Maar niet alleen vrouwen moesten de rituelen ondergaan. Er zijn ook beeldjes gevonden van mannen die met een mes of pijl hun eigen penis openrijten. De Maya’s zagen het als vanzelfsprekend. De goden deden immers ook zoveel voor hen.

De goden deden ook aan zelfkastijding wanneer dat nodig was om de mensen in hun behoeften te voorzien. Hier is te zien hoe een god danst terwijl hij onder meer in zijn hoofd snijdt.

Mensenoffer
Om alle goden te vriend te houden, moest er hard gewerkt worden. Gelukkig was er altijd wel een mogelijkheid om de goden te paaien: een mensenoffer deed bijvoorbeeld wonderen. In de meeste gevallen waren het krijgsgevangen of slaven die door de Maya’s werden geofferd.

Om te bepalen wie dat macabre lot ten deel viel, gebruikten de Maya’s soms een balspel. Hoe het spel precies gespeeld werd, is niet helemaal duidelijk. Vaststaat dat er twee teams waren en dat de bal in een ring geworpen moest worden.
Waarschijnlijk speelden de Maya’s zelf tegen hun sterk verzwakte krijgsgevangen, zodat ze zeker wisten dat ze wonnen.
De verliezer werd geofferd.
Geur
Mensen die geofferd moesten worden, werden goed verzorgd. Het was tenslotte een cadeautje voor de goden. Kort voor de ceremonie werden de slachtoffers blauw geverfd en kregen ze een hoofdtooi op.Zo werden ze naar de top van de piramide gebracht. Het offeren kon daar op verschillende manieren gebeuren. Soms werden de slachtoffers eerst onthoofd. Maar het kwam ook voor dat het offer nog levend op het altaar werd gelegd.De priester maakte een snee in de borst en rukte het nog kloppende hart eruit. Het lichaam werd daarna naar beneden gegooid. Naast mensen werd ook voedsel geofferd.De Maya’s dachten niet dat de goden dit echt opaten: de geur was genoeg.

De krijgsgevangen worden gepresenteerd aan de koning.

Overdreven
Hoewel wij bij de Maya’s tegenwoordig al snel aan deze gruwelijke daden denken, lijkt enige relativering op zijn plaats. Het is niet zo dat de Maya’s dagelijks mensen offerden. De offers vonden voornamelijk plaats wanneer de goden in actie moesten komen: bij droogte, ziekte of oorlog bijvoorbeeld. Of als een tempel werd geopend.

Dat de Maya’s toch vooral door hun mensenoffers beroemdheid verworven, lijkt te wijten te zijn aan de Spaanse kolonisten die het gedrag van de Maya’s flink overdreven en zo hun harde aanpak goed praatten.
De Spanjaarden vielen het land van de Maya’s rond 1520. Toch betekende dat niet direct het eind van de mensenoffers. Volgens de Mexicaanse regering zou de laatste mens nog  omstreeks 1860 zijn geofferd.Het hiernamaals
Wanneer een Maya stierf, daalde hij af in de onderwereld. Daar kwam hij oog in oog te staan met de heren die daar de dienst uitmaakten. Hun namen spreken voor zich: Een dood, Zeven dood, Demon van de Pus, Beenderscepter en Bloedverzamelaar. Wanneer de onderwereld verslagen was, zegevierde de dode.In het geval van de Maya-koningen betekende dat dat zij zelf goden werden en hun plaats in de hemel mochten innemen.De wisselwerking tussen de Maya’s en hun goden is interessant. In de beleving van de Maya’s waren ze volledig afhankelijk van hun goden, maar konden ze hun lot desalniettemin enigszins zelf sturen.Zolang zij hun goden vereerden en tevreden hielden, zou de wereld niet vergaan en was hun hachje gered.Het was een wisselwerking: voor wat, hoort wat.Tegelijkertijd hielpen de goden en hun mythen onverklaarbare zaken te verklaren en bewezen die onverklaarbare zaken maar weer eens dat de goden bestonden.Het is een godsdienstig systeem dat prima werkte voor de Maya’s.Sterker nog: er zijn nog altijd   oude Maya’s die dit geloof nog steeds handhaven. Hier en daar werd het wel wat aangepast en vermengd met het door de Spaanse bezetter meegebrachte katholicisme.

Rekenen met de Maya’s

 29 augustus 2010 7

De Maya’s vormden een bijzonder volk dat zijn tijd ver vooruit was. Een goede reden om de beschaving eens onder de loep te nemen. De komende weken trakteren we u elk weekend op een uitgebreid Maya-artikel. Deze week deel 1. Over één van de specialiteiten van het Zuid-Amerikaanse volk: keiharde wiskunde in een bijzonder cijferschrift.

De Maya’s vestigden zich in het jaar 1800 voor Christus in het zuidelijke deel van Amerika en zetten er in no-time een bijzondere beschaving neer. Toen de Spanjaarden in de zestiende eeuw arriveerden, ging het volk en haar cultuur grotendeels ten onder. Maar archeologische opgravingen pogen de kennis en kunde van de Maya’s al jarenlang nieuw leven in te blazen. En dat lukt: het volkje weet ons keer op keer weer te verbazen.

Dresdener Codex
Zo wisten wetenschappers de hand te leggen op de Dresdener Codex. Dit boek – geschreven in de elfde of twaalfde eeuw – bevat heel veel tabellen, teksten en ook cijfers. Het boek – eigenlijk een lange strook papier gemaakt van boomschors – is van onschatbare waarde, want er is maar weinig geschreven informatie van de Maya’s bewaard gebleven. De Spanjaarden en met name hun fanatieke bisschoppen wisten wel raad met de ‘godslasterlijke’ geschriften en verbrandden het grootste deel. Gelukkig konden wetenschappers uit de Dresdener Codex nog veel informatie halen. Vooral over het bijzondere cijferschrift van de Maya’s dat gebruikt werd voor de handel, kalender en astronomie.

Cijfertjes
De Maya’s ontwikkelden een eigen cijferschrift bestaande uit puntjes en streepjes. Ze gebruikten deze tekens voor van alles: van de handel tot de sterrenkunde. Dat betekende dat het omvangrijk moest zijn: van kleine tot enorme getallen. En dat lukte moeiteloos. De Maya’s creëerden een systeem waarin gemakkelijk tot in de miljoenen kon worden geteld. Bovendien was het relatief simpel.

Afbeelding: Bryan Derksen

Nul
De Maya’s hadden ook een symbool voor nul. En dat is tamelijk bijzonder. Het is onwaarschijnlijk dat het volk de eerste was die met dit symbool voor ‘niets’ kwam, maar vaststaat dat de Maya’s met het

gebruik ervan toch hun tijd vooruit waren.

Grote getallen
Getallen werden in kolommen genoteerd. Hierbij betroffen de onderste rij de eenheden. De rij daarboven de twintigtallen en de rij daarboven ging met vierhonderdtallen en de rij daarboven weer per 8000 enzovoort.

Tekens: Bryan Derksen

Berekeningen
Het uitvoeren van berekeningen werkte relatief simpel. Het was gewoon een kwestie van de streepjes en stipjes (die zoals u eerder zag in kolommen worden genoteerd) bij elkaar optellen.

Tekens: Bryan Derksen

Goden
De Maya’s hadden nog een tweede cijferschrift dat van een iets creatievere aard is. Hierbij werden de hoofden van goden gebruikt om cijfers aan te duiden. Zo zou het hoofd van de maïsgod symbool

hebben gestaan voor nummer acht. Deze aanpak komt vooral terug in monumenten en kunstwerken.

Al die tekentjes en getalletjes gingen veelal op in het grotere geheel. De Maya’s waren zich er terdege van bewust dat ze deel uitmaakten van een veel grotere kosmos en legden die voor zover hun kennis en kunde dat toeliet in geschriften vast. Zo hielden ze zich onder meer bezig met astronomie en voorspellingen. Ook ontwikkelden ze diverse kalenders waarin de cycli die ze zelf in het leven hadden bespeurd weer terugkwamen. Daarover kunt u de komende weekenden meer lezen. Met volgende week deel 2: De Maya-kalender. Hoe zit het nu echt?

Bronmateriaal:
Boek: De Maya’s. Leven, mythen en kunst. Van Timothy Laughton.
Maya numerals” – Wikipedia.org

Sterren kijken met de Maya’s

12 september 2010 4
File:Chichen Itza Observatory 2 1.jpg

De Maya’s hadden sterk het idee dat ze als mens en volk onderdeel uitmaakten van de veel grotere kosmos. Wat in die kosmos gebeurde, had dan ook automatisch grote consequenties voor het individu. Een goede reden om het universum goed in de gaten te houden. Want een gewaarschuwd man telde – ook in die tijd – voor twee.

De Maya’s waren gek op de heldere sterrenhemel en alle sterren en planeten die zich daar ophielden. Het heelal hielp ze wanneer ze hun kalenders in wilden vullen, hun steden vorm moesten geven en gaf volgens het fascinerende volkje zelfs een stukje van de toekomst prijs.

Observatorium
Men doet er goed aan om de sterrenkundigen onder de Maya’s niet te onderschatten. Ze bestudeerden de hemel met verve en hadden zelfs speciale observatoria tot hun beschikking. Eén daarvan staat in Chichén Itzá en ziet er nog prima uit. Het observatorium heeft diverse gangen en een aantal daarvan liggen precies op één lijn met de zuidelijkste en noordelijkste plek waar de planeet Venus (chak’ek) ‘s avonds ondergaat. De Maya’s wisten wat ze deden.

Venus. Foto: NASA

Venus
Venus was enorm belangrijk voor de sterrenkundigen en profeten. De laatstgenoemde groep baseerde een belangrijk deel van de profetieën op de planeet. Venus vertegenwoordigde het lot in de negatieve zin van het woord. Wanneer de planeet ‘s ochtends of ‘s avonds verscheen, was dat voor de Maya’s het teken dat er iets ergs ging gebeuren. Dat kon van alles betekenen: droogte of oorlog bijvoorbeeld. De Maya’s zagen de planeet heel nadrukkelijk als iets negatiefs. Velen van hen dachten zelfs dat de straling van de planeet hen zou beschadigen. Daarom gingen de luiken van veel huizen zodra de planeet verscheen, dicht.

Indrukwekkend
De Maya’s hadden geen telescopen of andere apparatuur en namen alles met het blote oog waar. Nog indrukwekkender is het feit dat ze ook de juiste verbanden wisten te leggen. Zo verschijnt Venus 260 dagen lang voor zonsopgang en een even lange periode na zonsondergang. Toch concludeerden de Maya’s terecht dat deze ochtend- en avondster in werkelijkheid dezelfde planeet was. Ook berekenden ze precies wanneer de planeet weer verschijnen zou en wanneer diens opkomst gepaard ging met de opkomst van andere hemellichamen. De omwenteling van de planeet duurde volgens de Maya’s 584 dagen. Moderne wetenschappers concludeerden dat het om 583,92 dagen gaat en daarmee zat het oude volk er slechts 0,08 dagen naast.

Het observatorium in Chichén Itzá. Foto: Jim Gateley

Onderwereld
Venus werd naadloos in de godsdienstige verhalen van de Maya’s opgenomen. Als de planeet onderging, dan bezocht deze het dodenrijk oftewel de onderwereld: Xibalba. Het is niet zo’n gek idee dat de Maya’s echt het idee hadden dat Venus na ondergang ‘verdween’. Het volk ging er namelijk vanuit dat de aarde plat was. Boven de aarde was de sterrenhemel. Daar bevonden zich ook de Mayavorsten die overleden waren. Wanneer deze met succes uit Xibalba wisten te ontsnappen, gingen ze namelijk voor eeuwig deel uitmaken van het universum. Onder de aarde bevond zich de gevreesde onderwereld.

Zon en maan
Ook de zon en de maan waren belangrijk voor de Maya’s. Volgens de mythe wisten de tweelingbroers Hunahpu en Xbalanque de bazen van de onderwereld met een trucje op het verkeerde been te zetten. Zo overwonnen ze het dodenrijk en om dat te vieren veranderen zij in de zon en maan. De Maya’s leken zich gedegen bewust van de invloed die deze twee hemellichamen op het dagelijks leven hadden. Het volk moest dan ook niet veel van zons- en maansverduisteringen hebben waarbij de tweeling door een donker monster leek te worden opgegeten.

Een deel van de Dresden Codex. Dit ‘boekwerk’ van de Maya’s heeft het meeste weg van een soort almanak. Niet alleen de data, maar ook de banen van diverse planeten en sterren staan erin beschreven.

Dierenriem
Natuurlijk keken de sterrenkundigen en profeten veel verder dan Venus. Ze ontwikkelden zelfs hun eigen dierenriem. Deze verschilt sterk met die van ons westerlingen. Alleen de schorpioen duikt in beide dierenriemen op. Behalve de schorpioen hadden ook de schildpad (de gordel van Orion), jaguar (ram), kikker (het westelijke deel van de leeuw), papegaai (steenbok), vogel (weegschaal), geelbekslang (boogschutter), aap (maagd), stekelvarken (het oostelijke deel van de leeuw), skelet (vissen), vleermuis (waterman), ratelslang (plejaden) en uil (tweelingen). De sterrenkundigen en profeten combineerden twee sterrenbeelden met elkaar. Een paar bestond uit twee sterrenbeelden waarvan er één aan de oostelijke hemel en één an de westelijke hemel stond. Er is verder weinig over de dierenriem bekend; veel geschriften van de Maya’s zijn door de Spanjaarden vernietigd.

Macht
De cycli van hemellichamen waren dus doorslaggevend voor de Maya’s. Door naar de hemel te kijken, dachten ze te kunnen voorspellen wat er zou komen en wat er moest gebeuren. Dreigde er onheil? Dan moesten de goden zo spoedig mogelijk in de watten gelegd worden. En stonden de sterren ‘goed’? Dan was het tijd voor oorlog. Maar niet alleen de profeten gebruikten de sterrenhemel om hun zin door te drijven. Koningen deden dat net zo. Zo is van koning Yax Pac bekend dat hij zijn levensloop overtuigend met die van de kosmos wist te verbinden. En daardoor nam zijn macht en invloed toe.

De Maya’s waren als”wetenschappers” in staat om hun kennis omtrent de sterrenhemel steeds verder uit te breiden.

Maar de verklaring voor al die natuurverschijnselen bleven ze in hun godsdienst zoeken.

Sterker nog:

de wetenschap was ondergeschikt aan de godsdienst(eigenlijk zoals alle geloven ; een  superstitie -). Het bestuderen van de hemel was geen keuze, maar (volgens die goedsdienst ) een noodzakelijkheid. Alleen zo kon achterhaald worden wat de goden met de aarde – in de ogen van de Maya’s een vierkante speelbal in de handen van meedogenloze goddelijke machten – voor ogen hadden.

Uiteraard was hun astronomie niet meer dan een  lokale vorm van astrologie ….en was hun  gegeven verklaring van hun waarneming   …..pseudowetenschap 

De kunst en architectuur van de Maya’s

 26 september  1

De Maya’s waren zich er terdege van bewust dat ze maar voorbijgangers in een hele lange cyclus waren en dus legden ze hun gedachten, overtuigingen, gebeurtenissen en grote kennis zo nauwkeurig mogelijk vast voor het nageslacht. Dat resulteert in machtige bouwwerken en verfijnde tekeningen. Allemaal met een eigen verhaal.

De Maya’s waren meesters in het verbeelden van verhalen. Ze deinsden nergens voor terug en gebruikten een breed scala aan materialen: van steen tot het kostbare jade en van gips tot hout. De thematiek was dwars door alle eeuwen heen eigenlijk altijd hetzelfde: voor goden, vorsten en de elite was een hoofdrol weggelegd. Maar ook de natuur – een spirituele kracht in de beleving van de Maya’s – werd niet vergeten.

Natuur
De vormen die we tot op de dag van vandaag in steden aantreffen, zijn stuk voor stuk gebaseerd op de natuur. De enorme pleinen zijn als meren. De pilaren vormen een woud en de piramides waar menig religieuze ceremonie werd gehouden waren de bergen oftewel de plek waar de zielen van de voorouders huisden. Bij de bouw van sommige steden werd nauwlettend rekening gehouden met de sterren. Astronomie en astrologie waren heel belangrijk voor de Maya’s en gebouwen werden veelvuldig versierd met astronomische voorstellingen. Soms werden gangen in gebouwen ook in dezelfde lijn als planeten aangelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor één van de observatoria. Een aantal gangen daarvan liggen op één lijn met de meest zuidelijke en meest noordelijke plek waar Venus ‘s avonds ondergaat.

Het paleis van Palenque. Hier valt de verfijnde bouwstijl op.

Proces
Denk niet dat de Maya’s er gedurende hun geschiedenis en dwars door hun rijk dezelfde bouwstijl op nahielden. Ze ontwikkelden zichzelf. Op sommige plekken zijn de piramides bijvoorbeeld vrij breed en laag, terwijl ze elders weer boven het woud uittorenen. Onderzoekers hebben geconcludeerd dat de bouwsels van de Maya’s regelmatig aangepast werden. Zo zou er aan de Noord-Acropolis in Tikal in totaal vijftienhonderd jaar gebouwd zijn. De komst van een nieuwe koning was meestal aanleiding voor zo’n verbouwing.

Propaganda

De elite en vorsten kwamen ruimschoots aan hun trekken in de kunst. Ze werden onder meer vereerd middels stenen zuilen. Elke keer als de vorst iets bijzonder meemaakte, werd dat met zo’n zuil vereeuwigd. Zo zijn er zuilen voor het huwelijk, gewonnen oorlogen en troonsbestijgingen. Zo’n zuil kon soms wel tien meter hoog zijn. Met behulp van beelden en hiëroglyfen werd uitgelegd waarom de vorst diens troon verdiende. Welbeschouwd is het dan ook gewoon eeuwenoude propaganda; de Maya’s deinsden er niet voor terug om kunst te gebruiken om verkeerde beslissingen van een koning goed te praten.

Betekenis
Wie de gebouwen of andere kunstwerken van de Maya’s gadeslaat, zal ongetwijfeld direct zien dat details heel belangrijk waren. Gebouwen zijn geheel versierd met reliëf, hiëroglyfen of afbeeldingen. Het mooie is dat elk detail een betekenis heeft. De Maya’s decoreerden namelijk niet om het decoreren. Alles voegde iets toe aan de betekenis van het gehele kunstwerk. Kunstenaars tekenden, beeldhouwden of bouwden ook vrijwel altijd natuurgetrouw. Abstractie kwam wel voor, maar was altijd nog te herkennen, omdat anders de betekenis niet te achterhalen was.

Wie waren de kunstenaars?
In de meeste beschavingen hulden kunstenaars zich in de anonimiteit. De Maya’s deden dat niet. Zij signeerden hun werk regelmatig. Vandaar dat we ook weten wie de kunstenaars waren. Uit onderzoek is gebleken dat de meeste kunstenaars deel uitmaakten van de koninklijke familie. Het waren bijvoorbeeld de jongere broers van de koning zelf. Van de architecten weten we dan weer heel weinig. Hun namen staan nergens opgetekend.

Kleurtje
Wanneer we tegenwoordig aan de kunst van de Maya’s denken, dan zien we bruine of grijze beeldjes en gebouwen voor ons. Ooit was dat wel anders. De Maya’s versierden hun gebouwen zowel binnen als buiten met felle kleuren. Ook beelden, borden en vazen kregen een kleurtje. De meest beroemde kleur is toch wel het maya-blauw dat zelfs duizenden jaren na dato nog goed bewaard is gebleven.

Wetenschap   en het recept van Maya-blauw

Stevig verfje

Geschreven op 02 augustus 2010 om 10:36 uur door 8

Wetenschappers hebben verf ontwikkeld die zeker duizend jaar mee kan. Het geheim? De Maya’s! Het volk gebruikte honderden jaren geleden al felblauw pigment en dat heeft de tand der tijds goed doorstaan. 

Dit pigment is eeuwenlang in de gevaarlijke omstandigheden van de jungle bewaard gebleven,” vertelt onderzoeker Eric Dooryhee. “Wij proberen dat na te doen en zo nieuwe materialen te maken.

Jarenlang bestudeerden Dooryhee en zijn collega’s de verf van de Maya’s. Uiteindelijk slaagden ze er met behulp van röntgenstraling in om de structuur van de verf te achterhalen.

Sterk
De meeste organische soorten verf gaan na enige tijd verloren, maar het helderblauwe pigment van de Maya’s is sterk. Niet alleen doorstond het eeuwenlang regen, hitte en licht, ook de zuren die onderzoekers er in laboratoria opgooiden, konden geen schade berokkenen.

Moleculen

Hoe kan dat?

De Maya’s maakten wierook van hars en verbrandden dat. De hitte daarvan gebruikten ze om een mengsel van indigoplanten en klei – palygorskiet – te verwarmen. Uit de röntgenbeelden blijkt dat de moleculen van de indigo tijdens het verhitten in de klei kropen en zo alle kleine gaatjes opvulden. Hierdoor kon de kleur niet verdwijnen. De klei beschermt vervolgens de indigo tegen bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden.

Zeoliet
Dooryhee wilde het kunstje van de Maya’s natuurlijk dolgraag herhalen. Maar dan wel op een manier dat wij daar tegenwoordig iets aan hebben. Hij combineerde indigo met de poreuze stof zeoliet. Zeoliet wordt tegenwoordig veel gebruik voor het maken van bijvoorbeeld cement. Door deze stoffen te combineren ontstond een nieuw soort, eeuwige verf. Volgens Dooryhee is deze verf zeer geschikt voor het restaureren van schilderijen. De verf zou ook heel goed kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van gekleurd cement.

Chaak
De Maya’s ontwikkelden de verf zo’n 1700 jaar geleden. In 1931 werd het pigment voor het eerst door archeologen ontdekt. De Maya’s gebruikten de kleuren niet alleen voor hun kunstwerken, maar zouden ook hun offers van een kleurtje voorzien hebben. Voorwerpen, maar ook mensenoffers werden blauw geverfd en/ of ritueel geslacht  en/of   alvorens deze in een diepe natuurlijk bron ( cenote )  of een  door tropische stormen onstaan  draineergat  ,  werden gegooid. In de bronnen woonde volgens de Maya’s de regengod Chaak en een  draineergat was een gevaarlijk verschijnsel dat  een zoenoffer verlangde  voor diezelfde god ….

De stoffen die de Maya’s in de verf stopten, werden door het volk als helend beschouwd. Het is dan ook logisch dat zij juist de offers voor de regengod van deze ‘helende’ verf voorzagen: de god van de regen was met zijn buien in staat om ook het land te helen.

…wetenschappers vorig jaar eindelijk bronnen van Maya-blauw hebben ontdekt?

Geschreven op 03 april 2012 om 16:46 uur door 1

Na tientallen jaren onderzoek denken wetenschappers te weten waar een belangrijk ingrediënt voor Maya-blauw vandaan komt.

Wetenschappers weten al langere tijd dat Maya-blauw bestaat uit indigo en palygorskiet, een kleisoort. Maar de bronnen van het mineraal waren tot nu toe onduidelijk. In een nieuw onderzoek in het Journal of Archaeological Science combineren onderzoekers de hedendaagse kennis van de inheemse bevolking en een analyse van oude monsters van Maya-blauw. Op basis daarvan trekken ze conclusies. Het palygorskiet in sommige monsters van de kleur zou uit mijnen in Yucatan, een schiereiland van Mexico, komen.

Maya-blauw
De fascinerende kleur werd aangebracht op potten, beeldhouwwerken en muurschilderingen in Meso-Amerika tijdens de Klassieke en Post-Klassieke perioden (250-1520 na Christus). Meso-Amerika is een gebied dat zich uitstrekt van Centraal-Mexico tot Nicaragua en hier zijn vele volkeren ontstaan zoals de Azteken en de Maya’s. De ongewone kleur speelde een grote rol in oude religieuze rituelen. Zo werden mensenoffers en de altaren waarop deze werden gebracht, versierd met de kleur. Maya-blauw is bijzonder goed bestand tegen hitte en vocht en staat voor de helende werking van water.

Palygorskiet
Het onderzoek naar de bronnen voor palygorskiet is al sinds 1960 bezig. Door een combinatie van etnografisch onderzoek en mineralogische analyses zijn wetenschappers er achter gekomen dat de kleisoort uit twee mijnen in Yucatan komt. Eén daarvan ligt in Sacalum en een andere vlakbij de stad Ticul. Het team verzamelde 200 monsters van het mineraal uit de Yucatan regio en vergeleek deze met het Maya-blauw pigment, gevonden op potten uit Chichén Itzá en Palenque. En wat bleek? Het pigment uit Chichén Itzá kwam overeen met de monsters van palygorskiet uit Sacalum. De pigmenten uit Palenque komen mogelijk ook uit Sacalum of een andere onbekende bron, maar dit kon niet worden vastgesteld.

De mijnen zouden de ideale bron geweest zijn voor de oude Maya’s. Beide plekken zijn namelijk erg toegankelijk, ideaal voor de Maya’s zonder moderne technologie. Maar om de mijnen definitief in verband te brengen met de oude Maya’s moet er eerst meer onderzoek plaatsvinden.

03 april 2013  1

maya-blauw

Het prachtige, heldere Maya-blauw pronkt tot op de dag van vandaag op muren en aardewerk. Maar hoe de Maya’s deze verf maakten? Dat is een raadsel. Wetenschappers denken het recept nu echter eindelijk op het spoor te zijn.

De ingrediënten van het Maya-blauw kennen we. De verf bestond uit een organisch onderdeel (indigo, van de plant Indigofera suffruticosa) en een anorganisch onderdeel (palygorskiet, een soort klei).

Maar hoe die twee bestanddelen precies bereid werden en uiteindelijk het Maya-blauw vormden? Dat weten wetenschappers niet goed. De huidige theorie stelt dat Maya-blauw op één unieke manier gemaakt werd en dat er dus ook maar één Maya-blauw is.

Verschillende tinten
Een nieuw onderzoek van twee universiteiten in Valencia trekt die theorie nu in twijfel. “We ontdekten een tweede pigment in de verf,” zo vertelt onderzoeker Antonio Doménech. Het gaat om het pigment dehydro-indigo.

“Dit moet zich gevormd hebben door oxidatie van de indigo wanneer dit aan warmte werd blootgesteld. Indigo is blauw. Dehydro-indigo is geel. De aanwezigheid van beide pigmenten in verschillende verhoudingen zou het Maya-blauw een groenere of minder groene tint geven. Het is mogelijk dat de Maya’s wisten hoe ze de gewenste tint moesten verkrijgen door te variëren met de temperatuur waarmee de verf gemaakt werd, bijvoorbeeld door de mix korter of langer te verhitten of door meer of minder hout op het vuur te gooien.”


Binding
Een andere vraag die wetenschappers er omtrent het Maya-blauw op nahouden, is hoe de indigo-moleculen zich aan de klei hechten. En ook die vraag denken de onderzoekers van de Spaanse universiteiten op te kunnen lossen. Wanneer zowel de klei als de kleurstof verhit worden tot een temperatuur tussen 120 en 180 graden Celsius, verdampt het water dat in de klei aanwezig is. De indigo bindt zich aan de klei (terwijl een deel van de indigo oxideert en dehydro-indigo vormt). En later vult de verf de lege kanalen in de klei (achtergebleven nadat het water is verdampt). De onderzoekers benadrukken dat het een hypothese is.

Eerder onderzoek
Het is niet voor het eerst dat wetenschappers voorzichtig conclusies trekken over de bereiding van het beroemde Maya-blauw: een helder verfje dat bovendien uitstekend in staat is gebleken om de tand des tijds te doorstaan. In 2008 stelden wetenschappers nog dat het hele mysterie omtrent Maya-blauw was opgelost. Ze hadden namelijk een kom gevonden met daarin de verf, gemixt met wierook.

Dus de simpele conclusie die ze toen trokken, was dat de verf bereid werd door wierook te verwarmen,” stelt Doménech, die zich in die simpele uitleg absoluut niet vinden kan.

Het Maya-blauw werd voor tal van doeleinden gebruikt. Zo is het aangetroffen op aardewerk, maar ook op muren, beeldhouwwerk en in geschriften van de Maya’s. Doménech sluit niet uit dat het Maya-blauw door de eeuwen veranderde en ook voor andere doeleinden werd gebruikt.

De kleurige kunstwerken van de Maya’s, met rechts het overbekende Maya-blauw.

Hoofden
De Maya’s beelden ook vaak mensen af. Wat opvalt aan die afbeeldingen is de manier waarop ze dat deden. De mensen hebben een extreem schuin voorhoofd. Dat is geen fantasie: de Maya’s vonden dat heel mooi en deden er alles aan om ook zo’n schuin voorhoofd te krijgen. Baby’s kregen bijvoorbeeld een houten plankje op hun voorhoofd gedrukt om dat te bewerkstelligen.

Afbeelding uit het boek De Maya’s. Leven, mythen en kunst

Humor
De Maya’s mochten dan altijd een boodschap hebben met hun kunst, humor was ook belangrijk. Dat vinden we dan ook regelmatig in hun kunst terug. Bijvoorbeeld in het beeldje hiernaast. Een oude man laat zijn handen onder de jurk van een jonge dame glijden. Het beeldje werd gevonden in een graf en verbeeldt mogelijk de verwachtingen die de Maya’s hadden van het leven na de dood.

Schrift
De kunst van de Maya’s beperkte zich niet tot tekeningen, beeldhouwwerken en architectuur. Om er zeker van te zijn dat de boodschap overkwam, grepen de Maya’s ook regelmatig naar het schrift. Hun schrift bestond uit fonetische hiëroglyfen en enkele logogrammen (tekeningen die een woord uitbeelden). Pas in 1952 slaagde een wetenschapper erin het schrift min of meer te vertalen. Dat onderzoek staat echter nog steeds in de kinderschoenen en veel teksten moeten nog vertaald worden. Vaststaat dat de schrijvers ervan hun werk tot kunst verhieven. De schrijvers waren belangrijk in de maatschappij van de Maya’s en maakten – net als de meeste kunstenaars – vaak deel uit van het koninklijk hof.

Codices
De schrijvers legden zoveel mogelijk zaken vast. Hun geschriften gaan over mysteries, astronomie en godsdienst, maar ook over praktische zaken. Hoe moest er gejaagd worden? Wanneer moesten de goden vereerd worden? En wanneer verscheen Venus weer aan de hemel? De schrijvers legden het allemaal vast. Helaas zijn er weinig geschriften bewaard gebleven. De Spaanse kolonisten waren ervan overtuigd dat de boeken van de Maya’s – ook wel codices genoemd – vol stonden met duivelse leugens en verbrandden de meesten. Al met al zijn er slechts vier codices overgebleven. Hierin worden de geschriften afgewisseld met afbeeldingen en daarmee vormen de werken een kunstwerk op zich.

Een deel van de Madrid-codex. Deze codex is vernoemd naar de stad waarin deze zich momenteel bevindt.

Wetenschappers koesteren de kunstwerken die de Maya’s hebben achtergelaten. Vocht, Spanjaarden en ouderdom hebben menig vaas, geschrift en gebouw de kop gekost en wat er nog is, wordt zorgvuldig bewaard. Want alleen de werken van de Maya’s zelf kunnen nog getuigen van een bloeiende beschaving die haar tijd op vrijwel alle fronten ver vooruit was.

De ineenstorting van het Maya-rijk: wat ging er mis?

 03 oktober 2010  6

De oude Maya’s hadden de macht, kennis en kunde om hun beschaving onsterfelijk te maken. Maar het schijnbaar onmogelijke gebeurde in de achtste en negende eeuw. Delen van de beschaving stortten in, Maya’s verlieten hun steden halsoverkop en de cultuur wankelde. Het is één van de grootste mysterieus uit de archeologie.

Zo omstreeks de achtste en negende eeuw verlieten de Maya’s hun steden in het zuidelijke laagland van hun rijk. Enkele boeren bleven achter, maar de cultuur die gedragen werd door priesters, de elite en kunstenaars verdween. Dat gebeurde niet van de één op de andere dag. De steden waren al langer in verval, zo concluderen archeologen. In die tijd werden minder monumenten opgericht en ook de bouw van gigantische architectonische pareltjes kwam stil te liggen.

Machteloos?
Vreemd genoeg greep niemand in. De Maya’s die zich toch altijd op overtuigende wijze met de toekomst bezighielden, zagen dit blijkbaar niet aankomen. Of waren ze machteloos? Uit onderzoek blijkt dat het noodlot stad voor stad bij de keel greep. De data op monumenten houden in de stad Bonampak omstreeks 792 abrupt op. In Piedras Negras stopt de telling in 795. En Palenque werd vier jaar later verlaten. Yaxchilán bleef na 808 stil. Eén van de laatste steden die nog bewoond werd was Tikal. En deze viel in 889. Tegelijkertijd deed het noorden van het rijk het prima. Sterker nog: de steden leefden hier op. Slechts een deel van het rijk raakte uit balans.

De resten van Bonampak

Antwoord
Archeologen zijn al decennia lang op zoek naar het antwoord op de prangende vraag waarom de Maya’s in het zuiden hun schepen achter zich verbrandden. Er zijn heel veel theorieën, maar niet één kan met zekerheid bevestigd worden.

Droogte
Eén van de theorieën die door de jaren heen het best overeind is gebleven is die van de droogte. Omstreeks de negende eeuw bevonden de Maya’s zich op hun piek. Op elke vierkante kilometer woonden meer dan 775 mensen. Zelfs het platteland was drukbevolkt. En dat kan een beschaving, hoe sterk en slim ook, opbreken. “Ze deden het zichzelf aan,” meent archeoloog Tom Sever. “De Maya’s worden vaak gezien als mensen die in harmonie met hun omgeving leefden,” voegt onderzoeker Robert Griffin toe. “Maar net als vele andere culturen voor en na hen, probeerden ze de moeilijke tijden te overleven door hun omgeving te verwoesten.” Niet alleen nam akkerland en bebouwing veel land in beslag, bomen waren ook hard nodig als bouwmateriaal. “Ze moesten twintig bomen verbranden om genoeg kalksteen te verwarmen om één vierkante meter van hun gigantische tempels, fonteinen en monumenten te bepleisteren,” vertelt Sever.

Kleurrijke tekeningen in de tempel van Bonampak

Neerwaartse spiraal
De onderzoekers berekenen de scenario’s door. Als de Maya’s alle bomen zouden kappen, betekende dat een temperatuurstijging van zo’n drie tot vijf graden Celsius en twintig tot dertig procent minder regen. Die hitte en droogte zou met name in de steden keihard zijn aangekomen. “De steden probeerden genoeg water voor zo’n achttien maanden in hun reservoirs te houden. (…) Zonder voldoende regen komen de reservoirs droog te staan.” En dat resulteert in een ontevreden volk. En dat leidt tot onrust, ontwrichting van het leiderschap en uiteindelijk wellicht zelfs de ondergang. Het was een neerwaartse spiraal waar de Maya’s in het zuiden niet aan konden ontsnappen.

Catastrofe
De theorie omtrent de droogte laat zien dat dit vraagstuk meerdere antwoorden heeft. Een stad of een beschaving valt niet door één oorzaak. Pas wanneer meerdere gebeurtenissen elkaar opvolgen, brengt dat een catastrofe teweeg. Veel archeologen wijten de val van de steden en een deel van het rijk van de Maya’s aan onrust (intern en extern), ziekte en zelfs oorlogen. Het lijkt erop dat ze allemaal een stukje van de waarheid in pacht hebben.

Hedendaagse Maya’s

Ontwrichting
Om te begrijpen hoe droogte (of iets anders) in het geval van de Maya’s tot zulke grote problemen kon leiden, is het goed om de sociale verhoudingen nog eens onder de loep te nemen. De koning maakte de dienst uit. Hij was een verlengstuk van de goden en verantwoordelijk voor het welzijn van het land en het volk. Als er in het land iets fout ging, dan wees de beschuldigende vinger al snel naar de koning. Maar wanneer die kritiek aanzwelt, komt het hele systeem onder druk te staan. Want de koning heeft zijn plaats te danken aan de goden. Twijfel aan de gevestigde orde kan een samenleving die zo gericht is op eenheid en zich nauw verbonden weet met het goddelijke gemakkelijk ontwrichten.

Onrust
Dat verklaart ook waarom de Maya’s eigenlijk nooit meer van deze klap herstelden. Vele Maya’s ontvluchtten het zuiden en probeerden het in andere delen van het rijk opnieuw. Maar ze evenaarden de pracht en glorie nooit meer. Er was teveel onrust, die nog eens vergroot werd door een invasie van de Tolteken. Die onrust hield bovendien eeuwen lang aan. En dat vergemakkelijkte de veldtocht van de Spanjaarden veel later aanzienlijk. Zij stuitten tijdens hun ontdekkingstocht door Latijns-Amerika in de zestiende eeuw op de Maya’s. Dat gaf de neerwaartse spiraal die al in de negende eeuw was ingezet een boost. De Maya’s waren niet bestand tegen de ziekten van de Spanjaarden en werden gedwongen hun cultuur en religie af te staan.

De kolonisten dwongen het trotse volk op de knieën. De geschriften waarin duizenden jaren aan kennis en kunde was vastgelegd, werden verbrand. Maar ook nadat de Spanjaarden het gebied hadden verlaten, ging de discriminatie door. De Maya’s werden achtergesteld en bij vlagen zelfs massaal omgebracht. Naar schatting wonen op dit moment nog zo’n acht miljoen Maya’s in Mexico en omgeving. Een deel van hen probeert het leven van diens voorouders te leven, maar het grootste deel vecht met de eigen identiteit. Enerzijds lokt de moderne samenleving en anderzijds voelt het volk zich sterk verbonden met het geweldige erfgoed van de voorouders. Het is het lot van een volk dat ooit zijn tijd ver vooruit was, maar op de knieën gedwongen werd en nooit meer overeind kwam.

 

ABIOGENESIS UPDATES

Trefwoorden                                  ,, ,                                                     ,,, , ,

°

LINKS archief 

°

life-03-00331ABIOGENESIS *

abiogenesis updates.docx (193.6 KB)
abiogenesis.docx (730.8 KB)

chiraliteit.docx (609.8 KB)
CHNOPS.docx (488.6 KB)  http://sandwalk.blogspot.be/2013/02/reviewing-arseniclife-paper.html  
B4.RANDVOORWAARDEN-BIOCHEMIE-VAN-LEVENDE-MATERIE-IN-HET-HEELAL[1]

foto’s.docx (331.3 KB)
geothermale of hydrothermale oorsprong van leven.docx (617.3 KB)   

°

” MOEDER   AARDE   ” 

“Ooit zijn heel eenvoudige stoffen gaan reageren tot ingewikkelde stoffen, en uiteindelijk hebben die zich ontwikkeld tot leven.
Dat hoeft niet noodzakelijk op aarde te zijn gebeurd.
Een meteoriet ( = de bevrtuchter ? )  biedt  zelfs  nieuw voer voor speculaties. “
°
De term ‘leven’ valt veel en kent vele omschrijvingen.

De( astrobiologische  )NASA-definitie= leven is een zichzelf onderhoudend chemisch systeem dat in staat is tot darwinistische evolutie.
Met darwinistische evolutie stelt NASA zich een systeem voor dat zich niet perfect reproduceert en waarbij imperfecties erfelijk doorgegeven kunnen worden en tot verbetering en aanpassing kunnen leiden.

—> Steeds wordt een kanjer van een fout gemaakt :


“levend is niet gelijk aan leven.”
- DNA ( en/ of andere levensnoodzakelijke stoffen )strooien in water zal niet tot bevruchting van een planeet leiden.
- De  levende ( en lazarus -cysten  van  ) micro-organismen( of deze die ieder  levend wezen met zich meedraagt,) hebben wel een betere kans een planeet in te zaaien  .

°

Uit fossielen kan worden afgeleid dat het leven op aarde ongeveer 3,8 miljard jaar geleden begonnen is.

Maar we moeten niet alleen ( en nogal grof speculerend ) direct “de potenties van onze jonge planeet” inzien….

We moeten tevens rekening houden met latere contingente veranderingen van de atmosfeer en de koude toen de Vroeg- en Laat-Proterozoïsche ijstijden de aarde in een sneeuwbal veranderden en al het(reeds onstane ) primitieve leven voorgoed dreigde uit te sterven.

Echter  ……Dat met een soortement vrijblijvend engelengeduld de evolutie via  Intelligent design( en designers )  zou zijn beinvloed of gestuurd(met een bepaald doel in geachten ) , en op zulkdanige manier dat geologen en biologen er nooit iets van zouden merken…. is helemaal onwaarschijnlijk

HODGKINS “WET ” 

1968 : Hodgkins wet van parallelle planetaire ontwikkeling:
…op planeten met gelijkwaardige condities ontwikkelt al het leven zich op dezelfde manier….”

Velen nemen, deze verzonnen wet soms wel heel letterlijk, al komt deze   “gissing ” niet uit de lucht vallen. (“an educated guess” dus ) 

Maar

Tijdens de evolutie werd het wiel regelmatig opnieuw uitgevonden.
Dit noemt men convergente evolutie.
Het oog van een octopus lijkt bijvoorbeeld veel op dat van gewervelde dieren, maar beide ogen hebben zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld.

Convergente evolutie kan tot grote uiterlijke overeenkomst leiden.
De Afrikaanse euphorbia en Amerikaanse cactus zijn voor een leek niet te onderscheiden en
de tenrek uit Madagaskar lijkt verbluffend veel op een egel,
maar is een verre achterneef van de olifant.

Het klinkt bovendien vergezocht om convergente evolutie op het hele universum toe te passen… en VOORAL houdt het helemeaal geen rekening met “contingency “(iets waar S Jay Gould al op wees in zijn disputen met de engelse paleontoloog Conway Morris )

°

PANSPERMIA  -HYPOYHESES  

Beroemde 19de-eeuwse wetenschappers als Lord Kelvin, de Duitse fysioloog en natuurkundige Hermann von Helmholtz en de Zweedse chemicus Svante Arrhenius toonden zich aanhangers van de panspermie-hypothese.

Een variatie daarop, de gerichte panspermie, werd in 1973 door de Engelse biochemici Francis Crick en Leslie Orgel gelanceerd. [4]

Crick was een van de ontdekkers van de alfa-helix structuur van DNA (1953) en kon zich niet voorstellen dat een dergelijk ingewikkeld molecuul een natuurlijke oorsprong had.

Volgens gerichte panspermie is het leven op onze planeet niet alleen van buitenaardse oorsprong, maar ook doelbewust op onze planeet gebracht door een hogere beschaving.

>Panspermie geeft een verklaring voor een gemeenschappelijke bron van leven in het heelal, maar tot nu toe zijn er geen bewijzen voor gevonden.

—> En zelfs als men sporen van eencelligen in meteorieten zou vinden, is het hoogst twijfelachtig of evolutie op ver gelegen werelden in humanoïde wezens zal resulteren.–> wat dus ook gerichte pansmernie nog  meer op losse schroeven zet …Immers  we denken (voor het gemak )dat eventuele  buitenaardsen ( en goden ) antropomorfgisch zijn en daarom handelen volgens menselijke  geplogenheden en normen …..

Bovendien
Aanhangers van panspermie maken een vreemde gedachtesprong. :

—>Als de aarde geen leven kan voortbrengen, waarom zouden er dan wel fertiele levenskiemen in meteorieten of de ruimte kunnen ontstaan?
Waarom zouden andere planeten wel levensvormen kunnen voortbrengen?

—-> Uiteindelijk is het een verplaatsen van het probleem van het onstaan van het aardse leven naar een ( tot nu toe ) onbekende buitenaardse omgeving … een poging die bekend staat als een regressio ad absurdum ……en in feite nog steeds een geloof omdat er nog niet genoeg bewijsmateriaal is ( tot nu toe )
ABIOGENESIS

Louis Pasteurs kleinschalige experimenten vormden natuurlijk geen natuurwet. ( een zogenaamd “absolute” : biogenetischez grondwet , die altijd zou opgaan )

Veel astronomen en biologen gaan er vanuit dat het heelal vol met leven zit.
Hun uitgangspunt is gebaseerd op drie veronderstellingen.

1—> Er zijn honderden miljarden sterrenstelsels en elk sterrenstelsel bestaat uit honderden miljarden sterren.
Van veel sterren is inmiddels aangetoond dat er planeten omheen cirkelen, dus het aantal planeten moet in de triljarden lopen.

2—> Op veel van die planeten zal water zijn en voor veel van deze wetenschappers staat leven gelijk aan de aanwezigheid van water plus (organische) polymeren, zoals nucleosiden en eiwitten.

3—>De derde aanname is minder wetenschappelijk. Velen kunnen niet accepteren dat onze planeet als enige object in het universum leven zou herbergen.

°

De speurtocht naar het ontstaan van leven heeft wel wat weg van een detectiveverhaal: overal zijn aanwijzingen en wetenschappers zoeken naar bewijzen om een reconstructie te maken. Het ontstaan van leven op aarde heeft waarschijnlijk in vier stadia plaatsgevonden. Het eerste stadium, de prebiotische fase, wordt ook wel eens de oersoep genoemd
De promovendus Stanley Miller stelde zich een jonge aarde voor met zeeën, en een atmosfeer van methaan, ammoniak en waterstof, waarin bliksem en donder de boventoon voerden. Miller besloot die omstandigheden na te bootsen. Hij stopte de chemische ingrediënten in een kolf, liet het ‘bliksemen’ met elektrische ontladingen en toverde zo organische bouwstenen in een olieachtig laagje uit zijn glazen bol.

Uit recenter onderzoek blijkt dat de aardse atmosfeer lang niet zo giftig was, maar het valt niet uit te sluiten dat er microklimaten waren, bijvoorbeeld in de buurt van vulkanen, die aan Millers oersoepexperimenten voldeden.

Daarnaast zijn er twee andere bronnen.

—>Meteorieten kunnen complexe biologische moleculen herbergen en

—>organische bouwstenen ontstaan diep in de oceanen op de scheidingslijn van koud zeewater en door lava verontreinigd, heet water.( Black smokers  bijvoorbeeld ) 

Het mooie van de theorieën is dat ze volledig complementair zijn, zodat de kans dat er complexe moleculen ontstonden zeer groot geacht wordt. [1,2,3,6,9]

°
Hoe complexe moleculen uiteindelijk zelfreproducerend pre-RNA vormden, is onduidelijk.
Het vormen van een polymeer kost energie en een reproducerend polymeer moet minstens 20 monomeren bevatten. Aangezien het gelukt is om polymerisatie en replicatie in laboratoria onder nagebootste condities plaats te laten vinden, moeten we er vanuit gaan dat deze gebeurtenis ergens in de miljoenen jaren die stadium twee tot zijn beschikking had, plaatsgevonden heeft.

De meeste biologen zijn het erover eens dat leven met RNA begon en dat dit RNA een voorloper had.

 Er wordt zelfs gedacht aan groepen chemicaliën die als katalysator voor elkaar fungeerden.

Wel wordt steeds meer duidelijk hoe divers de rol van RNA is.

RNA kan functioneren als receptor en katalysator, functies die een tiental jaren terug nog exclusief aan eiwitten werden toebedeeld.

Ook aan het vierde stadium, het proces dat er uiteindelijk toe leidde dat DNA de rol van RNA overnam, wordt volop onderzoek gedaan.

De voordelen van DNA spreken voor zich: DNA is veel stabieler dan RNA en de dubbelstrengsstructuur biedt mogelijkheden om beschadigingen perfect te herstellen.

Ten slotte wordt onderzoek gedaan naar de wijze waarop  celmembranen en genetisch materiaal gingen samenwerken en hoe celorganellen zijn ontstaan.

Voor alle stappen die uiteindelijk in leven resulteerden, geldt dat deelprocessen in laboratoria onder de juiste condities zijn na te spelen.

Samengevat 
Niemand weet ( tot nu toe )  of het heelal inderdaad wemelt van micro-organismen, laat staan  intelligente wezens of hogere beschavingen, —–> maar zeker is dat er is geen steekhoudende argumenten zijn om de oorsprong van het aardse leven( het enige waar we tot nu toe iets vanaf weten ) perse buiten onze planeet te zoeken. ….

- Een bekend argument is dat wij simpele aardbewoners niet in staat zijn om de hoogontwikkelde technologie van buitenaardse reizigers( of van een goddelijke “Alleskunner”  te begrijpen. )

Zulke wezens mogen in staat worden geacht ons organisme tot op de laatste molecuul te analyseren. Men mag ook aannemen dat ze in staat zijn om veranderingen aan te brengen met onze eigen genetische codetaal.

Uiteraard is het moeilijk zulke argumenten te weerleggen, want ruimtewezens( en goden )  kunnen dit te allen tijde in alle organismen gedaan hebben.( zelfs op quantum niveau  beweren sommige  theistische  evolutionisten ) 

De  “natuur-wetenschappelijke”  bewijzen die  creationisten ,   ufologen en andere    theistische  evolutionisten   voor hun  hypotheses aandragen, kunnen echter   meestal  wel onderzocht worden.

Twee argumenten die veel gebruikt worden zijn ‘we snappen de DNA-sequentie niet’ en ‘menselijk DNA lijkt zich niet ontwikkeld te hebben zoals de regels van Darwin voorspellen’.                                                                                                                      Men verwijst dan naar de resultaten van het Human Genome Project dat in oktober 1990 werd gestart met als doel het menselijk genoom te ontrafelen. [7]

Het project publiceerde in 2004 een drietal opmerkelijke resultaten.

—>Mensen hebben ongeveer 23.000 genen, net zoveel als muizen en ringwormen.  Ze hebben wel meer genen dan gistcellen, maar veel minder dan een watervlo.

—->  Het menselijk genoom bezit meer dubbele DNA-segmenten dan dat van andere zoogdieren.

—–>Slechts 7% van het DNA codeert voor eiwitten, de rest zou rommel zijn: junk DNA.

Met name deze laatste twee resultaten geven reden tot speculatie.

°   Het menselijk genoom bevat meerdere stukken DNA met nagenoeg identieke code.(verdubbelingen )  De code kan meerdere malen op een chromosoom voorkomen, maar ook op meerdere chromosomen. Zulke herhalende DNA-segmenten maken het genoom instabieler. Ze veroorzaken veel voorkomende erfelijke aandoeningen, zoals reumatische artritis, psoriasis en bepaalde gedragsstoornissen, maar ook veel ernstigere ziekten. Het individu is echter levensvatbaar en kan zich gewoon voortplanten.

°   Bij de meeste genetische afwijkingen zal het organisme aan functionaliteit moeten inleveren, maar het zijn tevens precies de condities die versnelde evolutie mogelijk maken.

—> Ook het genoom van andere primaten bevat veel herhalende segmenten. Dat nu juist apen veel meer van deze DNA-segmenten hebben dan bijvoorbeeld honden en katten, verklaart de relatief snelle evolutie van de aap en de mens.

Maar het zou natuurlijk ook op buitenaardse ( en bovenantuurlijke )  interventies in de mensaapevolutie kunnen wijzen.

Door ons DNA te vergelijken met dat van andere primaten kan men verschillende periodes in onze evolutie aanwijzen waarin dit soort genetische veranderingen hebben plaatsgevonden: 80, 40, 12, 7 en 3 miljoen jaar geleden. [7]

Overigens is een hoge frequentie van dubbele DNA-segmenten(of verdubbelingen ) absoluut niet uniek voor primaten; het komt voor in alle levende organismen, ook in andere zoogdieren en zelfs in sommige virussen. [5]—>  tot en met verdubbellingen van het gerhele genoom …..

°

BUITENAARDSE  INTELLIGENTE DESIGNERS   BOVENNATUURLIJK , en/of ALIENS   ?

°

SAM CHANG  JUNK     

In een lang artikel op de ufosite The Canadian door editor John Stokes stelt “professor Sam Chang “van het Human Genome Project dat  als  het junk-DNA gecodeerd zou zijn door ‘buitenaardse programmeurs’. [10]

” Goede programmeurs waren het kennelijk niet, want “volgens Chang “is junk-DNA het gevolg van trial-and-error. Als een functie niet beviel, werd deze ‘uitgecommentarieerd’ en aangevuld met nieuwe code. “

Er wordt vaak naar het stuk van Stokes verwezen, maar - “Professor Chang” bestaat niet echt —- einde  verhaal …… 

 _________(knip  )…..uit het oorspronkelijke artikel   weggelaten stuk  —> (onderaan dit overgenomen artikel   =  OPMERKIN  1   /  °°°  )…….knip) ________

°

KRUISBESTUIVINGEN  a la  Von Däniken ?  

Nieuwe knappe DNA-technieken maken ook korte metten met von Dänikens aannames over kruisbestuivende ruimtegoden.

Als ruimtewezens de Homo sapiens 40.000 jaar geleden tot het uitverkoren ras hadden gekozen, dan moeten er toch grote  en  essentiële genetische verschillen zijn met holbewoners als de Neanderthalermens en de Homo denisova.

Niets is minder waar.

—> Neanderthaler-DNA is vrijwel gelijk aan dat van moderne mensen.

Ongeveer 4% van typische Neanderthaler-genen blijkt wel bij westerlingen en Aziaten aanwezig te zijn, maar niet bij Afrikaanse mensen.

—-> Specifieke DNA-kenmerken van de Homo denisova komen uitsluitend voor bij Papoea’s en Australische Aboriginals.

Tja, wanneer en waar de buitenaardse genetici dan moeten hebben ingegrepen (met hun  gerichte genetische manipulaties ) , is een ondoorgrondelijke puzzel.

3.-

 

” GESCHAPEN ”  

Wereldwijd zijn er iedere dag vele ufo-waarnemingen en met regelmaat verschijnen meldingen van mensen die buitenaardse wezens hebben waargenomen of er zelfs door zijn ontvoerd.( net zoals  er overgeleverde  “getuigenissen” bestaan van  bevoorrechte  “historische ” mensen  van hun ontmoetingen  met  het bovenantuurlijke  ern de goden ) 

Aangezien er volgens officiële organisaties nooit een dode of levende alien is gevonden, moeten we op onbevestigde observaties vertrouwen om ons een beeld van de wezens te vormen.

Het is moeilijk om je een buitenaardse beschaving voor te stellen die bereid is gigantische investeringen te doen om de aarde te bezoeken, zonder officieel contact te willen leggen en zonder winstoogmerk.

Nog vreemder is het dat deze wezens, al hun superieure kennis ten spijt, vaak in betrekkelijk simpele ruimtevoertuigen reizen, regelmatig betrapt worden en dan ook nog eens sterk op ons lijken.

Zonder bewijsmateriaal voorhanden, maar open voor iedere claim, kunnen we alleen maar meedenken over het bestaan van buitenaardse bezoekers ( of goddelijke ope,nbaringen ) en daar waar mogelijk is de waarnemingen met logica en wetenschappelijke kennis ondersteunen.

Helaas!
Tenzij het leven op aarde het resultaat is van intelligent design, is de kans dat zoveel waar te nemen ruimtewezens op mensen moeten lijken, nihil.

—> Maar ook intelligent design biedt geen goede verklaring voor de toevalligheden ( en contingente voorvallen ) die het leven op aarde gemaakt hebben zoals wij het nu kennen.

°

SAMENGEVAT  

Als we terugkijken naar hoe het leven zich heeft ontwikkeld, dan had het proces volgens alle bekende chemische regels en biologische wetten ook heel anders kunnen verlopen.

Een ander oersoeprecept had wellicht een prima functionerend zelfreplicerend molecuul opgeleverd, met een andere structuur en samenstelling, maar met dezelfde genetische functies als DNA.

Als de Proterozoïsche ijstijden hadden aangehouden, had leven zich alleen nog diep in de oceanen kunnen afspelen.

—> Massa-uitstervingen (door klimaatveranderingen en veranderingen van de fysico-chemische smernstelling van leefomgevingen , ook door kosmische ongevallen )hebben de evolutie van de dans ontspringende overlevende organismen telkens weer op andere evolutionaire padern gestuurd

°
Het ligt dus alleen al daarom  toch voor  de hand dat noch de mens noch enig ander organisme noodzakelijk( of als doelgericht produkt ) is gecreëerd of in de evolutionaire geschiedenis is beïnvloed door het toedoen van een hoogontwikkelde buitenaardse beschaving of enige andere (veronderstelde ) intelligente Designer .

Misschien is het omgekeerde wel het geval. Misschien heeft de fantasie van een enkeling, versterkt door het geloof van vele aanhangers in het bovennatuurlijke, humanoïde ruimtewezens( en Goden of één god ) geschapen.

Bronnen

1. Bada, J.L. (2004). How life began on Earth a status report. Earth and Planetary Science Letters, 226, 1-15.
2. Basalla, G. (2006). Civilized life in the universe. Oxford: Oxford University Press.
3. Benner, S.A. et al. (2004). Is there a common chemical model for life in the universe? Current Opinion in Chemical Biology, 8, 672-689.
4. Crick, F.H.C. en L.E. Orgel (1973). Directed panspermia. Icarus, 19, 341-346.
5. Gentles, A.J. et al. (2007) Evolutionary dynamics of transposable elements in the short-tailed opossum Monodelphis domestica. Genome Research, 17, 992-1004.
6. Schwartz, A.W. (1995). The RNA world and its origins. Planetary and Space Science, 43, 161-165.
7. Stankiewicz, P. et al. (2004). Serial segmental duplications during primate evolution result in complex human genome architecture. Genome Research, 14, 2209-2220.
8. Story, R. (1980). The Space Gods revealed. London: Barnes and Noble books, second edition.
9. Yarus, M. (2011). Getting past the RNA world: the initial Darwinian ancestor. Cold Spring Harbor Perspectives in Biology, 3, 1-8.
10. http://www.agoracosmopolitan.com/home/Frontpage/2007/01/08/01288.htm

°

OPGELET

°Dit ( inleidend ) artikel is  een bewerking  van een  oorspronkelijke   artikel  uit Skepter  van skepsis  (1): Het is   bewerkt en voorzien van toevoegingen   //  

1.- vooral  de  beweringen over  junk DNA zijn nogal  ongenuanceerd en  onvolledig ( en heb ik weg gelaten )  

(°°° )

“Onderzochte pseudogenen regelen het aflezen van coderend DNA, genereren genetische diversiteit, en zorgen voor stabiliteit van het genoom en evolutionair behoud van de DNA-sequenties. ”

 —-> Maar  pseudogenen zijn restanten  van  verworven DNA uit andere  vreemde  organismen ( meestal invasieve virussen die ergens in de stamlijnen  van het pseudo- genen bezittende  organisme  een infektie verzoorzaakten maar die functioneel   konden worden ingezet ( en/of dienden als vectoren van natuurlijke Gen-manipulatie(s ) en /of  laterale  gen transferten  met een gunstig resultaat  )   ….(Het meeste) andere JUNK DNA bestaat uit verongelukte  (= niet meer werkzame )  rommel-sequenties  afkomstig van de voorouderlijke  genetische opmaak van het organisme zelf (= genetische fossielen ) die in het huidige  afstammelingen van het gegeven   organisme geen functie meer vervullen  ) 

//

2.- “Repeterende DNA sequenties”  worden op een grote  hoop gegooid met grotere  genetische   “verdubbelingen” —> zoals  chromosoom-  en zelfs genoom  verdubbelingen  

3.- Er wordt veel te weinig op gewezen  dat  zowel  goden , god  of ufo-aliens  allemaal eenzelfde pot nat zijn : en dat het veroordelen  van Intelligent Design als pseudo-wetenschap  …..voor al die  aangehaalde  “intelligente  Designer”s  de doodsklok luid  

(1)  Het oorspronkelijke (bron) artikel is van Dirk Koppenaal /redacteur van Skepter.    en hier onveranderd te vinden ( met uitzondering van een weggelaten illustratie ) —> http://www.skepsis.nl/alien-dna.html

___________________________________________________________________________________________________

°

METEORIETEN EN  LEVEN

Botsende komeet produceert essentiële bouwblokken van

leven

 16 september 2013

komeet

Wanneer een ijzige komeet op een planeet botst, kunnen aminozuren – essentiële bouwblokken van leven – ontstaan. Dat hebben wetenschappers ontdekt. Het verklaart mogelijk hoe het leven op aarde kort nadat onze planeet met kometen werd bekogeld, ontstond. Ook suggereert het dat die bouwblokken van leven overal kunnen ontstaan.

Wetenschappers van Imperial College London vuurden projectielen met grote snelheid af op een mix van ijs die dezelfde samenstelling had als een komeet. Daarop ontstonden diverse aminozuren. “Dit proces demonstreert een heel simpel mechanisme waarbij we van een mix van simpele moleculen – zoals water en koolstofdioxide-ijs – naar een complexer molecuul gaan, zoals een aminozuur,” vertelt onderzoeker Mark Price. Niet alleen een ijzige komeet die op het oppervlak van een planeet botst, kan die aminozuren produceren. Ook een meteoriet die op een met ijs bedekte planeet of maan stuit, kan dat effect hebben.

Leven
“Ons onderzoek laat zien dat de basale bouwblokken van leven overal in het zonnestelsel en daarbuiten kunnen ontstaan,” voegt onderzoeker Zita Martins toe. Maar, zo benadrukt ze, dat wil niet zegge dat die bouwblokken ook altijd uitgroeien tot leven. Daarvoor zijn omstandigheden nodig waaronder leven kan floreren.

 

Leven op aarde
Het onderzoek kan wel mede verklaren hoe het leven op aarde ontstond. Dat gebeurde na een periode waarin onze planeet door kometen en meteorieten gebombardeerd werd.

°

Bovendien kan het onderzoek ons helpen in de zoektocht naar leven op andere hemellichamen. Wanneer we buitenaards leven willen vinden, zouden we wellicht eens moeten kijken op hemellichamen die ijs bevatten. Denk aan Enceladus en Europa.

Als projectielen – bijvoorbeeld meteorieten – op deze manen neerstorten, kunnen ook aminozuren ontstaan. Het is dan wellicht ook zeker de moeite waard om op deze manen op zoek te gaan naar sporen van leven.

Bronmateriaal:
Scientists discover cosmic factory for making building blocks of life” - Imperial College London (via Eurekalert.org).
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Hans Bernhard (via Wikimedia Commons).

Meteorites May Have Fostered Life on Earth

Komeet kan complexe bouwblokken voor leven op aarde

hebben afgezet

Geschreven op 06 maart 2013  3

komeet

Wetenschappers bewijzen dat het goed mogelijk is dat kometen een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de totstandkoming van leven op aarde. Ze tonen aan dat het mogelijk is dat complexe moleculen diep in de ruimte zijn ontstaan en door kometen op aarde zijn gebracht.

Onderzoekers van de universiteit van Berkeley bootsten de omstandigheden diep in het heelal, waar kometen ontstaan, na. Ze deden dat in een kamer waar het zeer koud was (tien graden boven het absolute nulpunt). In de kamer bevond zich een ijsbal met daarin koolstofdioxide, ammoniak en verschillende koolwaterstoffen (zoals methaan en ethaan). De ijsbal werd blootgesteld aan een gesimuleerde kosmische straling. Vervolgens gebeurde er iets opvallends. De chemische stofjes in de ijsbal begonnen te reageren en complexe, organische stoffen te vormen, waaronder dipeptiden.

Een dipeptide bestaat uit twee aminozuren en is een bouwblok voor leven: alle organismen beschikken erover.

Buitenaards leven
Het feit dat deze stofjes diep in het heelal kunnen ontstaan, wijst erop dat het best mogelijk is dat kometen – of misschien meteorieten – deze vervolgens op aarde hebben gebracht. Dat schrijven de onderzoekers in het blad The Astrophysical Journal.

“Het is fascinerend om te bedenken dat de meest basale biochemische bouwblokken die leidden tot leven op aarde wellicht een buitenaardse oorsprong hadden,” stelt onderzoeker Richard Mathies.

 

Complexiteit in de ruimte
Het idee dat kometen leven op aarde ‘zaaiden’ is niet nieuw.

En voorzichtig bewijs voor de theorie werd eerder al ontdekt. Zo toonden onderzoekers aan dat basale organische moleculen – zoals aminozuren – in meteorieten voorkomen.

Maar het is onderzoekers nog niet gelukt om complexere moleculaire structuren die een voorwaarde voor het ontstaan van leven vormden, in kometen of meteorieten terug te vinden. Onderzoekers gingen er dan ook vanuit dat kometen basale bouwblokjes voor leven op aarde hebben afgezet, maar dat de echt complexe bouwblokken pas hier op aarde – in de oceanen – ontstonden.

Dit onderzoek wijst erop dat we het heelal onderschat hebben. Ook diep in het heelal kunnen complexe moleculen ontstaan, kometen kunnen die vervolgens op aarde gebracht hebben, waar ze de totstandkoming van leven een vliegende start gaven.

Bronmateriaal:
Evidence that comets could have seeded life on Earth” - Berkeley.edu
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door NASA / JPL-Caltech / UCLA.

°

Water op aarde is waarschijnlijk afkomstig van asteroïden

—->  Het kan natuurlijk ook zijn dat diezelfde bouwstenen zowel op kometen als op Aarde , als in de  ruimte  , of  op een andere planeet  ontstonden, wat hun  oorsprong  ( en die van het leven ?)  veelzijdig maakt, net als het water hier.

Waarschijnlijk  onstaan die  “stoffen” zowat overal  en op verschillende wijzen   en   waar gunstige omstandigheden  voor die  diverse  reacties  heersen 

Leven op aarde dankzij kometen?

Moleculaire bouwstenen in ruimte ontstaan
ARTIKEL | 7 MAART, 2013    EOS 

Kometen en meteorieten hebben wellicht een grotere rol gespeeld bij het ontstaan van het leven op aarde dan tot nu toe werd aangenomen.

In de vele meteorieten die op aarde zijn gevonden zijn allerlei organische moleculen aangetroffen.

Daarbij gaat het echter steeds om relatief kleine moleculen, zoals aminozuren. Bijgevolg zijn wetenschappers er eigenlijk altijd van uitgegaan dat de grotere bouwstenen van het leven pas later in de oceanen op aarde zijn gevormd.

Wetenschappers van de universiteiten van Californië (Berkeley) en Hawaï (Manoa) hebben nu echter experimenteel aangetoond dat ook de wat grotere moleculaire bouwstenen in de ruimte kunnen zijn ontstaan. In een vacuümkamer hebben zij bij een temperatuur van tien graden boven het absolute nulpunt een kosmische sneeuwbal nagebootst, bestaande uit kooldioxide, ammoniak en diverse koolwaterstoffen. Toen ze deze met energierijke elektronen bestookten, zoals die ook in de ruimte voorkomen, traden er reacties op waarbij onder meer dipeptiden werden gevormd – moleculen die uit twee aminozuren bestaan.

Deze ontdekking toont aan dat kometen en meteorieten deze voor het ontstaan van leven cruciale moleculen naar de aarde kunnen hebben gebracht. Dipeptiden staan aan de basis van nog langere moleculaire ketens zoals eiwitten. (ee)

VERWANTE ONDERWERPEN

Meteoor
meteoriet
Nieuws

Mars heeft  Koolstof en waterstof  verbindingen

aangemaakt

 25 mei 2012  1

Nieuw onderzoek bewijst dat  koolwaterstoffen  , aangetroffen in meteorieten van Mars echt op Mars  zijn  ontstaan. Maar het is geen restant van buitenaards leven.

In meteorieten afkomstig van Mars zijn in het verleden moleculen aangetroffen met daarin koolwaterstoften  . Dat zijn stofjes waar het hart van wetenschappers harder van gaat kloppen. Want dat zijn belangrijke bouwblokken voor leven op aarde. Als zij ook op Mars voorkomen, zou het zomaar kunnen dat ook daar leven mogelijk is.

Van Mars?
Grote vraag bleef echter altijd: zijn die moleculen wel van Mars afkomstig? Ze mogen dan in meteorieten van Mars zitten, maar dat bewijst nog niets. Zo zou het best kunnen dat de meteorieten tijdens of na de inslag ‘besmet’ zijn geraakt met moleculen die op aarde voorkomen. Andere wetenschappers waren er echter van overtuigd dat de moleculen van Mars afkomstig waren, maar ook binnen die groep waren de meningen verdeeld. Want hoe waren de koolstof bevattende macromoleculen daar dan ontstaan? Door chemische reacties? Of waren het soms restanten van Martiaans leven?

 

Geen restanten van leven
Nieuw onderzoek van het Carnegie Instituut komt met antwoorden. De macromoleculen zijn inderdaad op Mars ontstaan, maar het zijn GEEN   restanten van leven, zo concluderen de onderzoekers in het blad   Science.

Onderzoek
De wetenschappers bestudeerden elf meteorieten die afkomstig waren van Mars. In tien van deze meteorieten vonden ze koolstof. De macromoleculen bevonden zich in gekristalliseerde mineralen. Met behulp van verschillende onderzoekstechnieken stelden de onderzoekers eerst vast dat de moleculen op Mars zijn ontstaan. Vervolgens keken ze hoe de moleculen precies zijn ontstaan. Hun onderzoek wijst erop dat de moleculen het resultaat zijn van vulkanisme op Mars. Aangezien de oudste meteorieten 4,2 miljard jaar oud zijn, wijst het onderzoek er ook op dat Mars de moleculen al vrijwel vanaf het begin van diens totstandkoming aanmaakt.

“Deze resultaten wijzen erop dat de opslag van gereduceerd koolstof gedurende de geschiedenis van de planeet heeft plaatsgevonden en mogelijk vergelijkbaar is met de processen die op de oude aarde plaatsvonden,” stelt onderzoeker Andrew Steele in een persbericht.

“Begrijpen hoe deze niet-biologische, koolstof bevattende macromoleculen op Mars zijn ontstaan, is van cruciaal belang voor de ontwikkeling van toekomstige missies die bedoeld zijn om direct bewijs voor leven op deze nabije planeet te ontdekken.”

Bronmateriaal:
Organic carbon from Mars, but not biological” - Carnegiescience.edu
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door USGS.

°—->  Koolwaterstoffen zullen beslist ook elders in het immens grote heelal voorkomen.  :  Dit bewijst totaal niet dat er ooit leven is geweest op Mars   of dat ” het leven”  van elders  naar onze planeet  is  gebracht of vervoerd   op de een of andere manier  .

…recent bewijs  gevonden dat leven op Mars vroeger tot de mogelijkheden behoorde

Marsmeteoriet bevat biologische bouwstenen

11 JUNI 2013 DOOR  1 REACTIE
clay veins

Electron microscope image showing the 700-million-year-old Martian clay veins containing boron (100 µm = one tenth of a millimeter). 

meteorite section
Thin section of the Martian meteorite MIL 090030 analyzed by the UHNAI researchers.

http://en.wikipedia.org/wiki/Boron

Astrobiologen hebben in een Marsmeteoriet hoge concentraties aangetroffen van het element boor ( borium   B  atoomnummer 5 ). In geoxideerde vorm (boraat) zou boor  een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de vorming van RNA, een belangrijke bouwsteen voor het leven.

De meteoriet is gevonden op Antarctica, gedurende een veldexpeditie in 2009. De chemische samenstelling van de meteoriet verraad dat het afkomstig moet zijn van Mars.

Met de ionen-microsonde van het W.M. Keck Kosmochemisch Laboratorium zijn klei-aders in de meteoriet geanalyseerd. Hieruit blijkt dat het boor  gehalte tien keer hoger is dan in enige andere meteoriet. Volgens de onderzoekers is aardse besmetting uitgesloten.

Boraten( = oxidanten van boor )  hebben vermoedelijk een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van het leven. Boraten stabiliseren namelijk ribose, een cruciaal bestanddeel van RNA. Biologen denken dat RNA de voorganger is geweest van het complexere DNA. Dat betekent dat RNA vroeger als opslag voor celinformatie heeft gediend.

Biologische cellen hebben geavanceerde manieren bedacht om RNA te synthetiseren. De eerste RNA-moleculen moesten het echter zonder deze hulp doen. Experimenten hebben uitgewezen dat bij de nonbiologische productie van RNA de aanwezigheid van boraten cruciaal zijn voor de vorming van ribose, een basisbestanddeel voor RNA.

De ontdekking van boor    in de Marsmeteoriet indiceert dat een belangrijk element in de productie van levende cellen aanwezig moet zijn geweest op de  Rode Planeet. Daarnaast kan het ons meer vertellen over prebiotische factoren op de jonge aarde.

Vanwege de plaattektoniek zijn op onze planeet geen klei-afzettingen ouder dan 700 miljoen jaar aanwezig. (1)

Aangezien de jonge aarde en de jonge Mars veel op elkaar geleken moeten hebben, zou ook onze eigen planeet rijk aan boron   kunnen (en misschien wel moeten) zijn geweest.

Bron: University of Hawaii

http://www.ifa.hawaii.edu/info/press-releases/MartianClay/

—>

(1.- )

Continentale korst gedraagt zich anders dan oceanische korst.

Een continent zal niet snel subduceren (het is lichter en dikker dan de oceanische korst), zodat we vandaag de dag op de continenten gesteenten kunnen aantreffen die vele miljarden jaren oud zijn.

Oceanische korst die ouder is dan 180 miljoen jaar (Ma) komt daarentegen nauwelijks voor. Oceanische korst heeft dankzij het subductieproces een beperkte levensduur.   Platentektoniek is een goede verklaring voor de ouderdom van de oceanische korst.

Need I say more ?

PS

Natuurlijk  …… Als je goed zoekt vind je de klei vanzelf wel, waar rots is en water komt klei …. en zeker wanneer die klei   op een continent  is gevormd   (of komt te liggen —> bijvoorbeeld   bij  sea-clay  gebeurd dat nogal eens    ) kan het behoorlijk lang  bewaard blijven en bijgevolg ook  erg  oude afzettingen gaan vormen (—>  zie bijvoorbeeld de mariene klei afzettingen van de jurassic coast )

-Veel minder  frekwent   zijn  diepzee-kleien ( maar dat zijn eerder het gevolg van   modderstromen )

 

Is het leven op Aarde mogelijk  afkomstig van Mars?

 Govert Schilling − 29/08/13,
© afp. Animatie via NASA van het oppervlak van Mars

Het lijkt erop dat het leven op Aarde afkomstig is van Mars, zegt biochemicus Steven Benner van het Westheimer Institute for Science and Technology in Florida. Volgens Benner waren de omstandigheden op Mars een paar miljard jaar geleden veel gunstiger voor het ontstaan van leven dan op de pasgeboren aarde.

Niemand weet hoe het leven is ontstaan. Wel is duidelijk dat er veel hobbels overwonnen moesten worden. Zo vertonen de simpelste bouwstenen van het leven (koolwaterstoffen) de neiging om onbruikbare teerachtige verbindingen te vormen. En hoewel water onmisbaar is voor leven zoals wij dat kennen, vormt het ook een obstakel voor de vorming ervan: RNA-moleculen – de eerste genetische structuren – vallen snel uiteen in water.

Op Mars waren al deze hobbels veel kleiner dan op aarde, aldus Benner. Terwijl de pasgeboren aarde zo goed als zeker een waterwereld was – nog zonder continenten – waren er op Mars ook voldoende droge gebieden. Gesteenten op Mars hadden bovendien een sterkere oxiderende werking dan op aarde, waardoor er molybdaten konden voorkomen – verbindingen van molybdeen en zuurstof. Uit laboratoriumexperimenten blijkt dat molybdaat kan bijdragen aan de stabiliteit van organische verbindingen, en aan de vorming van suikers.

Meteorieten
Op de Goldschmidt-conferentie van de European Association of Geochemistry, die deze week wordt gehouden in Florence, stelt Benner dat geoxideerd molybdeen op de jonge aarde vrijwel niet voorkwam, en dat het dus waarschijnlijker is dat het leven op Mars ontstond. Martiaanse micro-organismen zouden vervolgens aan boord van meteorieten de reis naar de aarde hebben gemaakt. ‘Het begint er steeds meer op te lijken dat we in feite allemaal van Mars afkomstig zijn’, aldus Benner.

°

Astrobioloog Paul Davies van de Arizona State University, die al eerder suggereerde dat het leven op aarde misschien afstamt van Marsbacteriën, reageert desondanks voorzichtig.

‘Het heeft allemaal te maken met kansen en waarschijnlijkheden’, zegt hij. ‘Benners werk lijkt nu weer de voorkeur aan Mars te geven, maar echt overtuigend is het nog niet. Misschien ontstond het leven nog wel heel ergens anders dan op de aarde of op Mars.’

°

Pascale Ehrenfreund, lange tijd werkzaam aan de Leidse Sterrewacht en nu verbonden aan de George Washington University, spreekt van ‘een interessant idee’, maar merkt daarbij op dat astronomen vaak een andere kijk op het ontstaan van leven hebben dan scheikundigen. ‘Ik geloof dat protocellen uit andere bouwstenen ontstaan kunnen zijn dan waar de hedendaagse biochemie mee werkt’, zegt ze.

  • Eelco van Kampen Allemaal  onnodig ingewikkeld.(-> Scheermes van ockham ? ) 
    -   Het is niet onmogelijk, maar op aarde waren alle ingrediënten  ook   aanwezig.
    Er zal vast een  droge  plek geweest zijn  op de oude  aarde    Molybdenoxiden   en Boraten  in de juiste hoeveelheden aanwezig waren. ( is er ooit een overal natte (onderspoelde )aarde  geweest ? een waterwereld zonder een enkel  continent)
    -    Verder weten we nog te weinig over de weg die geleid heeft tot het ontstaan van RNA.
    Zo is ook de theorie dat alle water van kometen ( of planetoïden ) afkomstig is,  toch wel vergezocht.
    Die enorm grote aarde heeft waarschijnlijk bij zijn ontstaan al  genoeg water meegekregen om alle oceanen te vormen.

    °
    Dit onderzoek trekt véél te snel conclusies. Overigens vind ik het vreemd dat professor Benner het doet lijken alsof de abiogenese alles al heeft ontdekt en dat wij ondertussen al weten hoe het leven is ontstaan. Dit is niet het geval: wij kunnen slechts de ‘voorwaarden’ voor het ontstaan van leven enigszins schetsen. Het is verre van duidelijk of de huidige lijst compleet is.

    Er zijn zoveel ‘if’s’ aan het  verhaal van Brenner  . Maar het is wel een falsifieerbare theorie, dus het is een gangbaar idee.
    Ik vind alleen  dat er behoorlijk snel conclusies worden getrokken.

    ANDERE  OPTIES ?
    ° Dat het begin van leven uit de ruimte komt  is een  werkhypothese  waar wat voor te zeggen valt
    ° de gordel voorbij Mars  bestaat uit    brokstukken van een uiteengespatte planeet  waar de oorsprong van het leven wel eens zou kunnen liggen en  dat zowel de aarde als Mars heeft ingezaaid ? http://nl.wikipedia.org/wiki/Planetoïdengordel

    (antwoord  )—> Uit de 3e alinea van die wiki  pagina:

    “Tussen Mars en Jupiter zorgde het sterke gravitatieveld van Jupiter er echter voor dat de planetesimalen uiteindelijk geen nieuwe planeet konden vormen.”

    Er was dus nooit een planeet om uiteen te spatten.

LEVEN  OP  MARS   ONSTAAN  ? 

29 augustus 2013  

http://www.scientias.nl/nieuw-bewijs-suggereert-voorouders-mars-kwamen/91388

Professor Steven Benner  tijdens de jaarlijkse Goldsmith-conferentie  :  ( Zijn )onderzoek wijst er op dat een ingredient   dat mogelijk cruciaal was voor het ontstaan van leven enkel op Mars en niet op aarde voorhanden was.

Molybdeen
Het draait allemaal om het element molybdeen.

“Pas wanneer molybdeen oxideert kan het de totstandkoming van leven beïnvloeden,” legt Benner uit.

“Die vorm van molybdeen kan in de tijd dat het leven ontstond niet op aarde voorhanden zijn geweest, omdat het oppervlak van de aarde drie miljard jaar geleden aan weinig zuurstof  was  blootgesteld.”

Mars daarentegen beschikte wel over voldoende zuurstof in haar atmosfeer .

“Het is een extra bewijsstuk dat het waarschijnlijker maakt dat het leven middels een Martiaanse meteoriet op aarde arriveerde en dus niet op deze planeet startte.”

Het belang van molybdeen (en boor/ boraten  )
Al het leven op aarde bestaat uit organisch materiaal. Maar wanneer we organisch materiaal blootstellen aan energie (warmte en licht), gebeurt er niets. Het vormt geen levensvorm. In plaats daarvan wordt het bijvoorbeeld teer of olie.

“Er zijn bepaalde elementen die de neiging van organisch materiaal om te veranderen in teer  en asphalt ( bitumen )   , beïnvloeden.

Het gaat dan met name om boor en molybdeen.     Wij denken  echter  dat mineralen  van die beide stoffen (met name hun oxiden ) , fundamenteel waren voor het ontstaan van leven. Een analyse van een Martiaanse meteoriet heeft al aangetoond dat er boor  /boraten   aanwezig was op Mars en nu denken we dat de geöxideerde vorm van molybdeen er ook was.”

Hindernissen
Als het onderzoek van Benner klopt, verklaart het een hoop.

Zo vroegen onderzoekers zich bijvoorbeeld altijd af hoe het leven drie miljard jaar geleden op aarde kon ontstaan. De aarde was toen namelijk helemaal niet zo’n geschikte plaats voor leven. Onze planeet was helemaal bedekt met water, waardoor de concentratie borium – een element dat vandaag de dag vooral op hele droge plekken op aarde wordt teruggevonden – beperkt was. Bovendien is water niet zo best voor RNA: de eerste genetische moleculen.

Als het leven op Mars ontstond, hoefde het die hindernissen echter niet te nemen. Op Mars waren de omstandigheden toen namelijk een stuk gunstiger. : er waren (waarschijnlijk )  genoeg  droge plekken 

Minder geschikt
“Het bewijs dat  aards leven  eigenlijk allemaal afkomstig  is  van Mars stapelt zich op,” concludeert Benner. “Het leven startte op Mars en kwam op gesteente (meteorieten )  naar de aarde.

” En dat is maar goed ook. In de jaren die volgden, draaiden de rollen zich namelijk om. Mars werd steeds minder geschikt voor het (voortbestaan van) leven, terwijl de aarde zich ontwikkelde tot een leefbare planeet.”

Het onderzoek heeft mogelijk ook implicaties voor onze zoektocht naar leven op Mars. Die moeten we namelijk zeker voortzetten, vindt Benner.

“Recente onderzoeken tonen aan dat de omstandigheden waarin het leven kon ontstaan, wellicht nog steeds op Mars te vinden zijn.” Wie weet vinden  we ( als aards leven )  van dat    gemeenschappelijke  voorouderlijke  leven   ook het  nageslacht  dat  op Mars   was (is )  achterbleven ,  nog terug.

Bronmateriaal:
We may all be Martians — new research supports theory that life started on Mars” - European Association of Geochemistry (via Eurekalert.org)

—–>  Als dit waar is  :   lijkt me dat de kans dat we elders nog intelligent leven aantreffen daarmee ook aanzienlijk slinkt. —-> Het enige geval van intelligent leven dat we kennen had dan maar liefst twee relatief kleine planeten in de buurt van elkaar in de bewoonbare zone rond een ster nodig om te ontstaan.

—–>maar dit sugereert ook dat leven tussen planeten  zich  kan verplaatsen…..en dus niet beperkt hoeft te blijven in één planetenstelsel ….als het  leven  tenminste in staat is ook langere afstanden door de ruimte en de bijbehorende straling te overleven.

Nu nl.   

‘Bouwstenen voor aards leven ontstonden op Mars’

29 augustus 2013

800px-molybdenum_crystaline_fragment_and_1cm3_cube

Molybdeen: Kristalfragment, en blokje van 1 cm3. Alchemist-hp, via Wikimedia Commons

Molybdeen

De essentiële rol van geoxideerd molybdeen bij het bouwen van complexe moleculen wordt door andere onderzoeken onderstreept. Zo werd de trage beginfase van de evolutie die pas na twee miljard jaar complexe levensvormen als planten en dieren opleverde, in 2008 al toegeschreven aan een aanvankelijke gebrek aan zuurstof en molybdeen in de oceanen. Hierdoor kondenbacteriën wel floreren, maar konden eukaryoten – waaruit meercellige organismen uiteindelijk ontstonden – de volgende stap in de evolutie niet maken. Ook Michael Russell, die zich al decennialang toelegt op onderzoek naar het ontstaan van het leven, schreef vorig jaar nog over de onmisbaarheid van molybdeen bij het ontstaan van het leven. “Voor wie zijn klassiekers kent zegt het atoomnummer van dit element voldoende”, grapte hij in een interview metScientific American. Dat is namelijk, je raadt het al, 42.

Mineralen  met  molybdeen en  met het  element  boor ( —-> oxiden   zijn mineralen  : dus  zoals molybdeen-oxiden en   Boraten )  waren drie miljard jaar geleden waarschijnlijk niet in de juiste vorm en hoeveelheid beschikbaar op aarde om RNA te vormen, een belangrijke moleculaire component van leven.

De kans is groot dat deze mineralen op meteorieten naar de aarde zijn gereisd, waardoor de eerste levensvormen uiteindelijk toch hier  konden ontstaan.

Die theorie heeft de gerenommeerde moleculair bioloog Steven Benner gepresenteerd op de Goldschmidt Meeting, een bijeenkomst van wetenschappers in Florence.

Droog

Rond de tijd dat het leven onstond op aarde was er nog weinig zuurstof aanwezig, terwijl de lucht op Mars al wel rijk aan zuurstof was.(2) Daarnaast was het klimaat op de rode planeet droger dan op aarde.

Die omstandigheden maken het volgens Benner aannemelijk dat de bouwstenen voor RNA op Mars zijn ontstaan.

“Molybdeen kan het ontstaan van de eerste levensvormen alleen hebben beïnvloed in geoxideerde vorm”( dus als mineraal ) , verklaart hij op BBC News.

“Deze vorm van molybdeen kan niet beschikbaar zijn geweest op aarde toen het leven onstond, omdat er drie miljard jaar geleden op het oppervlak van de aarde nauwelijks zuurstof was te vinden. Op Mars was die zuurstof wel aanwezig.”

“Verder is het element boron   behoorlijk schaars in de aardkorst”, aldus Benner. “Mars was droger en zuurstofrijker, dus mogelijk ook geschikter dan de aarde voor het ontstaan van dit element

Bewijs

De bioloog gelooft dan ook dat al het leven op aarde in zekere zin van Mars afkomstig is. “De analyse van een meteoriet die afkomstig is van Mars heeft recentelijk uitgewezen dat het element boor( onder de vorm van een boraat ? )   aanwezig was op Mars en we geloven nu dat de geoxideerde vorm van boor  ook  op mars te vinden   was”,    verklaart Benner in de Britse krant The Guardian.

“….. het leven  waarschijnlijk  (ook)  ontstaan op Mars en op (een )meteoriet(en) zijn de basisingredienten ( of het leven zelf ?) naar de aarde gereisd   …..”(1), aldus Brenner

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

——>
1°  De  levenloze  aarde is   gedurende  vele miljoenen   jaren   gebombardeerd door meteorieten die waarschijnlijk de bouwstenen voor het leven met zich mee droegen.
2°Mars hangt relatief dichtbij dus die meteoren zijn ook op Mars gecrashed.
Het enige verschil is dat Mars (volgens deze hypothese  ) eerder in staat was om leven voort te brengen. 
3°  Maarja,
bewijs maar eerst eens   het bestaan van leven op mars voor dat dit gezegd wordt want we hebben daar  nog niet eens een gefossileerd organisme gevonden.

(1)  Hoe  kan  een meteoriet van Mars  komen  ? …. Vulkanisme ? Wegspattend puin van een   inslaande  meteoor  ?

°

Op Mars is de zwaartekracht 37% van die van de Aarde. Om Mars te verlaten is een (ontsnappings) snelheid van iets meer dan 5 km/s voldoende, terwijl dat voor de Aarde ruim 11 km/s is.

Het is dus veel makkelijker iets vanaf Mars de ruimte in te schieten dan vanaf de Aarde.

-Kijk je dan naar de uitgedoofde vulkaan Olympus Mons (22km hoog), dan kan ik me zo voorstellen dat een vroegere uitbarsting heel wat  geejecteerd materiaal definitef de ruimte in heeft geschoten.

- Ook een meteoor inslag  ( en de wegspattende stukken ejectiemateriaal   ) op mars kon dit veroorzaken ….

°Er zijn meerdere meteorieten op aarde gevonden die afkomstig zijn van Mars. We kennen nu 5 gevallen. 
Het idee is dan dat een inslag van een grote meteoriet op Mars puin van Mars zelf de ruimte heeft ingeschoten dat uiteindelijk weer op Aarde terecht kwam. Op zo’n meteoriet zou dan eenvoudig leven aanwezig kunnen zijn geweest.

(2)  -  En ik maar denken dat zuurstof O2 ontstaat door leven. -Dus eerst heb je leven dan pas krijg je zuurstof. -De eerste zuurstof die ontstaat wordt direct opgenomen door ijzer (roest) pas nadat voldoende roest is ontstaan kan het zuurstof gehalte in de atmosfeer toenemen. -Bij onderzoek naar leven buiten ons zonnestelsel is het zoeken naar zuurstof een indicatie dat er leven is……Jammer  datzoiets fundamenteels even over het hoofd wordt gezien  … Dus   dan kijk ik gelijk ook anders aan tegen de rest van de  beweringen van die  scheikundige  …

(antwoord ) 

1—Mars is een  grote klomp roest( de rode planeet ) , vroeger  was daar  wél  veel zuurstof in de lucht ; toen is  daar leven ontstaan, dat daarna (ook)  op aarde terecht is gekomen.

2- Een plant  heeft Co2 nodig om daar O2 van te maken, wat dacht je daar van?

Een evolutionair ver ontwikkelde  plant  ja  :   maar  ook alle  archaea ? en  alle  chemotrofen   ?

-Anaërobe Archaea worden gebruikt in actief slib rioolwaterzuiveringsinstallaties, zonder zuurstof en met water zetten Archaea opgeloste organische stoffen om in koolstofdioxide en methaan (biogas).—> ze produceren dus broeikastgassen

-Bestaan er ook  anaerobe archea ( of  ook   chemotrofen )  die  zuurstof produceren als afvalprodukt maar geen organische   grondstoffen  ( afkomstig van aerobe organismen )  dienen af te breken  of  geen CO2 gebruiken   ?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Stofwisseling

http://www.kennislink.nl/publicaties/oerbacterie-leeft-van-perchloraat

http://mm.c2w.nl/archaea-groeien-op-raketbrandstof.319838.lynkx

Cyanobacteriën  —>  waren verantwoordelijk voor de verrijking van de atmosfeer met zuurstof 2,2 miljard jaar geleden maar deze groep van organismen is mogelijk al 3,5 miljard jaar oud. Vrijwel al het leven in de oceaan is direct of indirect afhankelijk van fotosynthese. Na koolstof is stikstof het meest belangrijke bestanddeel van organismen, maar slechts enkele gespecialiseerde bacteriën – voornamelijk cyanobacteriën – zijn in staat om het alom aanwezige atmosferische stikstof (N2) te gebruiken. Vijftig procent van de mondiale fixatie van koolstof en stikstof gebeurt in de oceaan voornamelijk uitgevoerd door fototrofe micro-organismen. Sedimenten zijn van vitaal belang voor de mondiale koolstofcyclus omdat zij de belangrijkste plaatsen voor koolstofmineralisatie en –depositie zijn, vooral in de kustgebieden. Microben zijn de voornaamste spelers in mariene sedimenten en er zijn een keur aan fysiologie en biogeochemische processen in deze microbiële ecosystemen voorhanden.

http://www.nioz.nl/ymm

3.- Hoe is het leven op aarde onstaan in een zuurstofloze  atmosfeer ?

—> Er zal vast een  droge  plek geweest zijn  op de oude  aarde   waar  Molybdenoxiden   en Boraten  in de juiste hoeveelheden aanwezig waren. ( is er ooit een overal natte (onderspoelde )aarde  geweest ? een waterwereld zonder een enkel  continent)

-    Verder weten we nog te weinig over de weg die geleid heeft tot het ontstaan van RNA.

 http://www.kennislink.nl/publicaties/zijn-wij-oorspronkelijk-afkomstig-van-mars

°

Curiosity_approaching_mars__artist's_concept

Artistieke weergave van de marssonde Curiosity, die Mars nadert. NASA/JPL-Caltech

Hoenderhok

Brenner  formuleert een   interessant idee, vindt planeetwetenschapper & astrobioloog Inge Loes ten Kate van de Universiteit Utrecht, die zelf ook onderzoek doet naar het ontstaan van leven op Mars. “Maar dat kan je aan Benner ook wel overlaten.”

Benner is een goed en gerenommeerd onderzoeker, benadrukt ze, maar tevens iemand die graag op gezette tijden de knuppel in het hoenderhok gooit. “Hij heeft graag het eerste woord.” Dat de omstandigheden op het Mars van een paar miljard jaar geleden inderdaad gunstig waren om leven te laten ontstaan is onlangs gebleken, vertelt Ten Kate. Metingen van de marsrover ‘Curiosity’ – het onderzoekswagentje dat nu al een jaar rondrijdt op Mars – lieten eind maart al zien dat er destijds zowel organisch materiaal als zuurstof op Mars aanwezig was.

Ockhams scheermes

Toch denkt Ten Kate dat het ontstaan van het leven in eerste instantie op aarde zelf gezocht moet worden. “Volgens het principe van Ockhams scheermes”, zegt ze. Want waarom een ingewikkelde theorie bedenken als het ook eenvoudiger kan? Dat vindt ook John Heise, als sterrenkundige verbonden aan het ruimteonderzoeksintistuut SRON in Utrecht. “Als je de aarde van vier miljard jaar geleden als één grote bak met water inthermodynamisch evenwicht beschouwt, dan lukt het inderdaad niet om daar leven in te laten ontstaan”, beaamt hij. Verbindingen die in zo’n evenwichtssituatie ontstaan vallen snel weer uiteen. Dan moet je dus wel uitwijken naar een andere lokatie, zoals bijvoorbeeld Mars, om het ontstaan van het leven te verklaren.

Lost_city_(hydrothermal_field)00

Hydrothermale bron Lost City,een bijna 10 meter hoge ‘schoorsteen’ van carbonaat. NOAA

Ook op aarde waren er echter bijzondere plekken met uitzonderlijke omstandigheden, die niet in thermodynamisch evenwicht waren, en waarin veel mineralen in bovengemiddelde concentraties voorkwamen. “Dat dit kraamkamers waren op aarde ligt meer voor de hand dan het idee om de geboorte van het leven naar Mars te laten verhuizen.”

Hydrothermale bronnen

Michael Russell, onderzoeker bij de NASA, wil niet op de lezing van Benner reageren, maar heeft wel een idee waar die kraamkamers op aarde zich bevonden: Bij alkalische(basische) hydrothermale bronnen, op de bodem van de relatief zure oceaan. Hier kwamen hete vloeistoffen uit de diepe aarde door spleten in de zeebodem omhoog, en brachten waterstof, sulfiden, ammoniak en ook het essentiële molybdeen met zich mee. Het verschil in samenstelling tussen de vloeistoffen uit de bronnen en het omringende oceaanwater fungeerde als een batterij die het mogelijk maakte om orde aan te brengen in de chaos van ingrediënten waaruit het leven ontstond, denkt Russell.

De stoffen die neerslaan in een dergelijke omgeving vormen bovendien een soortmembranen, waardoor chemische reacties afgeschermd van de buitenwereld plaats konden vinden. Russell’s hypothese won aan kracht in het jaar 2000, toen de alkalische onderzeebron Lost City werd ontdekt in de Atlantische Oceaan. Het bleek een moderne versie te zijn van de bronnen die Russell zich altijd had voorgesteld, en het wemelde er van de micro-organismen. Bovendien waren in de afzettingen rond deze bron inderdaad een soort anorganische membranen ontstaan, waarin water nauwelijks chemisch actief was. “Dus droge plekken op aarde waren ook al niet nodig”, aldus Russell.

Dat je ’s ochtends in de spiegel een Marsmannetje of -vrouwtje in de ogen kijkt is dus al met al best mogelijk, maar het zou net zo goed een diepzeevulkaanbeestje kunnen zijn dat vanuit het verleden en de spiegel terugkijkt.

Bronnen

  • We may all be Martians – new research supports theory that life started on Mars (Persbericht European Association of Geochemistry)
  • Benner, S.A., Planets, minerals and life’s origin Presentation Goldschmidt meeting 2013
  • Martin, W., e.a. Hydrothermal vents and the origin of life, Nature Reviews 6 (2008) 805-814
  • Russell, M.J., e.a. The inevitable journey to being, Phil Trans R Soc B 368 (2013)doi:10.1098/rstb.2012.0254

Californische meteoriet

 10 september 2013

meteoriet

Fragmenten van de Sutter’s Mill-meteoriet. © ap.

Wetenschappers hebben in Sutter’s Mill   meteoriet die vorig jaar in Californië neerstortte bouwstenen van leven teruggevonden die nog niet eerder in een meteoriet zijn ontdekt. De vondst suggereert dat er veel meer organisch materiaal in meteorieten zit dan gedacht.

Onderzoekers van de Arizona State University bestudeerden de ruimtestenen die in april 2012 in Californië neerstortten. In eerste instantie konden ze maar weinig organische stoffen ontdekken.

Maar de onderzoekers gaven de moed niet op en losten fragmenten van de meteoriet op in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden in hydrothermale bronnen op aarde. En onder die omstandigheden gaven de stukjes ruimtesteen opeens veel meer organische moleculen af, zo schrijven de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Onder die moleculen bevonden zich ook organische moleculen die nog niet eerder in een meteoriet zijn aangetroffen.

Het is een belangrijke ontdekking.

°Veel wetenschappers vermoeden namelijk dat de bouwstenen voor leven door toedoen van meteorieten op aarde belandden.

 °Tegelijkertijd vermoeden onderzoekers dat het eerste leven op aarde ontstond onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden die we nu in hydrothermale bronnen op aarde aantreffen.

Wat het onderzoek laat zien is dat ruimtestenen onder die omstandigheden nog veel meer organische moleculen op aarde konden afzetten dan gedacht.

“De gegevens suggereren dat er meer organisch materiaal afkomstig uit meteorieten voorhanden was op planeten dan eerder werd aangenomen,” zo schrijven de onderzoekers.

Samengevat : 

Sandra Pizzarello, biochemicus aan de Arizona State University in Tempe, legt uit dat wetenschappers al langer denken dat meteorieten levensvormen naar aarde hebben gebracht. Ze kunnen namelijk rijk zijn aan organische materialen, en uit een ‘soep’ van die materialen zou dan het eerste leven op aarde ontstaan zijn.

Op het eerste zicht – toen getracht werd de materialen aan de oppervlakte te krijgen met behulp van oplosmiddelen – bleek de onderzochte meteoriet weinig oplosbare organische materialen te bevatten.

“Je kan zeggen dat het een teleurstelling was”, aldus Pizzarello.

Toen de wetenschappers de fragmenten blootstelden aan de hydrothermische omgevingen  , lieten de fragmenten echter materialen los die nog nooit eerder werden opgemerkt. Volgens Pizzarello kunnen de ontdekte moleculen mogelijk leven vormen onder de juiste omstandigheden. 

°

Bronmateriaal:
Processing of meteoritic organic materials as a possible analog of early molecular evolution in planetary environments” - PNAS.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door P. Jenniskens (SETI Institute) & Eric James (NASA Ames).

°

TNA.docx (79.4 KB)

universele biochemie  <—
zelforganisatie.docx (786.1 KB)

life-03-00331

°

ABIOGENESIS CREATIONISME 

abiogenesis slechts een evolutie-geloof

GATENKAAS

misvattingen over abiogenesis.docx (152.6 KB)

Teach the controversy

°

BIOCHEMIE

Juni  2013

http://m.phys.org/news/2013-06-cold-scientists-unveil-secret-reaction.html

life-03-00331

Sleutelreactie  ?  :

Prebiotische Synthesis van Organische  Materie

IMIDAZOLE   REACTIE 

http://www.sciencedaily.com/releases/2013/06/130624104213.htm

Mario Barbatti.

Prebiotische fotonenchemie

Each reactant molecule absorbs hundreds of UV photons before it finally gets converted into the imidazole intermediate.

(Credit: Image courtesy of Max-Planck-Institut für Kohlenforschung)

http://nl.wikipedia.org/wiki/Imidazool

Imidazool is een heterocyclische aromatische verbinding met als brutoformule C3H4N2. Imidazool wordt soms als alkaloïde omschreven.
 Structuurformule van Imidazool    structuurformule
Formule: C3H4N2
Molaire massa: 68,077 g/mol
Kookpunt: 256 °C
Dichtheid: 1,23 g/cm³

https://en.wikipedia.org/wiki/Imidazole

  1. Eliot Boulanger, Anakuthil Anoop, Dana Nachtigallova, Walter Thiel, Mario Barbatti. Photochemical Steps in the Prebiotic Synthesis of Purine Precursors from HCN. Angewandte Chemie International Edition, 2013; DOI: 10.1002/anie.201303246
  2. http://www.kofo.mpg.de/de/aktuelles/news/dem-ursprung-des-lebens-auf-der-spurforscher-aus-muelheim-lueftet-das-geheimnis-einer-reaktion-zur
  3. http://homepage.univie.ac.at/mario.barbatti/femtochem.html

QUOTES : 

1.-

°Why did they work on the computer? Isn’t it the case that chemical reactions are worked on in laboratories?

“Some intermediates are too elusive to analyze them in the laboratory – they disappear before we may see them”, Barbatti explains.

Computational Chemistry allows the scientists to comprehend the reactions in a theoretical way.

http://www.alphagalileo.org/ViewItem.aspx?ItemId=132318&CultureCode=en

LINKS  ;

2013

http://www.science20.com/news_articles/prebiotic_synthesis_organic_matter_reaction-115319

2010
Guanine, Adenine, and Hypoxanthine Production in UV-Irradiated Formamide Solutions: Relaxation of the Requirements for Prebiotic Purine Nucleobase Formation

http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/cbic.201000074/abstract

Keywords:

  • formamide;
  • nitrogen heterocycles;
  • photochemistry;
  • prebiotic syntheses;
  • purines

Relaxed requirements: We demonstrate the formation of adenine, hypoxanthine, and guanine from heated (130 °C), UV-irradiated formamide solutions in the absence of an inorganic catalyst. Evidence is also provided that “classical” HCN pathways for purine nucleobase production are also active in heated and UV-irradiated formamide reactions.

1984 

http://www.uni-leipzig.de/~biophy09/Biophysik-Vorlesung_2009-2010_DATA/QUELLEN/LIT/A/B/3/Basile_Lazcano_Oro_1984_prebiotic_syntheses_purines_pyramidines.pdf

http://en.wikipedia.org/wiki/Purine

Purines.svg

http://en.wikipedia.org/wiki/Pyrimidines

Three nucleobases found in nucleic acids, cytosine (C), thymine (T), and uracil (U), are pyrimidine derivatives:

Chemical structure of cytosine
Chemical structure of thymine
Chemical structure of uracil
Cytosine (C) Thymine (T) Uracil (U)

    by Marleen

Energie en vouwende proteinen


Meteorietinslag

Er is de afgelopen weken weer nieuws geweest rond abiogenese – het ontstaan van leven uit dode materie. Allereerst het onderzoek dat de inslag van een meteoriet bekeek. Men denkt dat het leven mogelijk is ontstaan uit deze inslagen. Onderzoekers hebben daarom een stuk meteoriet in een zuurbad uit een geiser in Ijsland gelegd. Ze tonen aan dat er door de aanwezigheid van fosfor-mineralen in het stuk steen, moleculen gevormd worden, die aan de basis staan van de chemie voor het leven. Het gaat dit keer niet om de bouwstenen van eiwitten en DNA / RNA maar om de stof pyrofosfiet (pyrophosphite in het Engels) die eenzelfde rol kan hebben gespeeld als die van het ATP (adenosinetrifosfaat) tot op vandaag. ATP is de universele molecule die als ‘betaalmiddel’ voor energie geldt. Vanwege zijn analoge rol als ‘betaalmiddel’ zou pyrofosfiet belangrijk geweest kunnen zijn gedurende de eerste chemisch stappen naar het leven en kan het molecuul ook wel als voorloper gezien worden van ATP.

Een tweede artikel stelt dat er mogelijk10 aminozuren ontstaan zijn, de eerste op Aarde, die spontaan peptiden (korte proteïnen) konden vormen. Ze tonen aan dat deze zich ook kunnen vouwen zodat er mogelijk metabolische activiteit bestond waarmee het eerste leven op gang kwam. Dit impliceert dat de zogenaamde ‘RNA-first’ hypothese wellicht niet helemaal opgaat. Omdat het centrale dogma ons leert dat proteïnen zich uitsluitend kunnen vormen met translatie van RNA, waarbij de code van het RNA bepaalt welk aminozuur aan de groeiende proteïne gehecht wordt, heeft er altijd het probleem bestaan van welke moleculen er nu eerder waren. Waren er nu eerst het DNA of de proteïnen. Men heeft uiteindelijk gezien dat RNA, de tussenstap tussen DNA en proteïnen, een molecuul is dat zowel genetische informatie opslaat als enzymatische activiteit kan bezitten in de vorm van het ribozym. Daarom is sinds enige tijd de ‘RNA-first’ hypothese gangbaar. Nu de onderzoekers vonden dat de eerste 10 aminozuren, die ontstonden via prebiotische weg, dus nog voordat er leven was, in staat zijn in extreem zoute omgevingen complex gevouwen proteïnen te vormen zou dit de ‘proteïne-first’-hypothese ondersteunen.


transferRNA of tRNA. Het anticodon aan de ene kant en het aminozuur aan de andere kant zijn duidelijk aangegeven.

De andere 10 aminozuren (er zijn er 20 in totaal) werden volgens de theorie langs biosynthetische weg gevormd. Voor de evolutie van de genetische code zijn er behalve mRNA en proteïnen ook transfer RNA of tRNA nodig. Dit zijn kleine stukjes RNA die de sleutel vormen tussen de genetische code en de bijbehorende aminozuren. Ze zijn gekenmerkt door het bezitten van een anti-codon en een aminozuur. Deze tRNA presenteren aan een kant hun anti-codon dat complementair is aan het codon waardoor het aminozuur aan de andere kant van het RNA-molecuul aan de groeiende proteïne wordt toegevoegd. Er wordt al enige tijd door verschillende wetenschappers geschreven over de co-evolutie van de eerste tRNA, de bijbehorende codes en aminozuren. Er is een periode geweest dat deze combinaties wellicht min of meer toevallig waren. Dit moet zich hebben afgespeeld gedurende de eerste chemische fasen ofwel tijdens de abiogenese. Deze werd gevolgd door een tweede fase waarin de aminozuren en tRNA’s aan de resterende codes gekoppeld werden wellicht reeds met behulp van de tRNA-synthetasen. Het is in dit verband interessant dat er ook twee groepen tRNA-synthetasen bestaan. Een uitgebreid verslag over de synthese en het ontstaan van de tRNA’s is in dit blogbericht te vinden.

Uit: Science 2.0, Science Daily

Om verder uit te diepen:

A thermodynamic basis for prebiotic amino acid synthesis and the nature of the first genetic code

Paul G. Higgs and Ralph E. Pudritz (2009) PDF

Coevolution theory of the genetic code at age thirty

J. Tze-Fei Wong (2005) PDF

h/t Rob van der Vlugt

Ontstond het leven op aarde in klei?

 06 november 2013 34

klei

Wetenschappers denken te weten waar het leven – of in ieder geval de complexe biochemische stofjes die nodig waren voor het ontstaan van leven – ontstond. In de klei.

Dat schrijven onderzoekers van Cornell University in het blad Scientific Reports. Ze baseren hun conclusies op experimenten.
Deze vraag stelde Dan Luo, hoogleraar biological and environmental engineering en een lid van het Kavli Instituut te Cornell voor Nanoscale Science,en team ,zich toen ze onderzoek deden naar een betere hydrogel (een superabsorberende sol-gel van natuurlijke of synthetische polymeren).

Voordien gebruikten de onderzoekers synthetische hydrogels als een “cel-vrij” medium voor eiwitproductie. Vul het sponsachtig materiaal met DNA, aminozuren, de juiste enzymen en een paar stukjes van de cellulaire machinerie en je kunt de eiwitten waarvoor het DNA codeert, maken, net zoals in een vat (cytoplasma(1) van cellen.

Om het proces nuttig te maken voor het produceren van grote hoeveelheden eiwitten, zoals in medicijnproductie, is veel hydrogel nodig, dus ging men op zoek naar een beter alternatief.

Postdoctoraal onderzoeker Dayong Yang merkte op dat klei een natuurlijke hydrogel vormde.
Waarom klei overwegen?
“Het is spotgoedkoop,” aldus Luo. Beter nog, onverwachts bleek dat het gebruik van klei de productie van eiwitten verhoogde.

Toen pas bedachten de onderzoekers dat wat ze hadden ontdekt de lang bestaande vraag, over hoe biomoleculen geëvolueerd zou kunnen zijn op onze primitieve aarde, kon beantwoorden.

Hydrogel

In gesimuleerd zeewater uit de tijd kort voor het leven ontstond, vormt klei een hydrogel. Welbeschouwd is het een enorme hoeveelheid microscopisch kleine ruimtes die vloeistoffen – net als een spons – opzuigt. Chemische stofjes in die microscopisch kleine ruimtes kunnen door de miljarden jaren heen complexe reacties hebben uitgevoerd die uiteindelijk leidden tot het ontstaan van eiwitten, DNA en uiteindelijk alle andere onderdelen van een levende cel. Terwijl de stofjes daar druk mee bezig waren, deed de hydrogel dienst als beschermend membraan.(2)

Protocellen
Verdere experimenten tonen aan dat klei de productie van eiwitten verhoogt. Bovendien zijn biomoleculen geneigd om zich aan klei te hechten en beschermt de hydrogel alles wat zich daarbinnen bevindt beter tegen enzymen die DNA en andere moleculen kunnen aantasten. Ook blijkt uit onderzoeken dat klei voor het eerst verscheen rond de tijd dat biomoleculen protocellen – incomplete celachtige structuren – begonnen te vormen.

Het ontstaan van biomoleculen is al jaren een raadsel.

Wetenschappers, zoals Carl Sagan van Cornell,stelden eerder al dat biomoleculen – waaronder aminozuren – in oeroceanen ontstonden.

Maar hoe kunnen die moleculen in zo’n grote oceaan vaak genoeg zijn samengekomen om complexe structuren te vormen? En hoe werden de stofjes die het toen nog zonder membraan moesten doen, beschermd
tegen hun omgeving?

°

Mogelijks via een combinatie van kleine ballonetjes van vetten of polymeren die dienden als een  eerste vorm van cytoplasma ?

(1) cytoplasma ;

Het cytoplasma is alles waar een cel uit bestaat behalve de kern, het celmembraan en de eventuele celwand.
Het geheel van cytoplasma en celkern wordt protoplasma genoemd.

Vanuit de kern wordt mRNA het cytoplasma ingestuurd om daar de rol als ‘recept’ voor eiwitten te gaan vervullen.
De gevormde eiwitten gaan op hun beurt de metabole processen in de cel beïnvloeden.

De buitenste laag van het cytoplasma is de celmembraan, dat ervoor zorgt dat niets vrij in of uit de cel stroomt.

Het cytoplasma bestaat uit het cytosol (de vloeibare basissubstantie) en de organellen en insluitsels die erin drijven.
Het cytosol bestaat uit water, eiwitten, RNA, aminozuren (de bouwstenen van eiwitten), suikers, ionen en vele andere stoffen.
Het cytoplasma bestaat voor 60 tot 95% uit water.
Plantaardige cellen bevatten vaak een of meer vacuoles die voornamelijk uit water bestaan, waardoor het watergehalte van de cel maar liefst 98% is.

Het cytoskelet is een netwerk van eiwitten dat zich ook in het cytoplasma bevindt en o.a. stevigheid en vorm geeft aan de cel.

Het cytoplasma bevat dus verschillende celorganellen die elk nog eens door een membraan (van gelijke opbouw als het celmembraan) zijn omgeven en dus aparte compartimenten binnen de cel vormen. Dit heeft als voordeel dat er verschillende metabole processen binnen de compartimenten kunnen zonder dat deze elkaar verstoren.
Verteringsenzymen worden bijvoorbeeld gevormd in het RER en vervolgens verpakt in lysosomen.
Zouden ze vrijkomen in het cytoplasma, dan zouden ze de cel zelf afbreken, met vaak de celdood tot gevolg.

Bronmateriaal:
Clay May Have Been Birthplace of Life On Earth, New Study Suggests” - Cornell University (via Sciencedaily.com).
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Siim (cc via Flickr.com).

(2)  Volgens het bronmateriaal  wordt Hydrogel als een pre-cytoplasma beschouwt . Het kan een enorme mate van bescherming bieden maar is nog steeds niet volledig afgesloten, net als een spons.
Wat het dus terdege mist is een beter membraan… de zin “deed de hydrogel dienst als beschermend membraan.“is misschien iets te snel gelezen  of te snel door de bocht ?

…een onderzoeker stelde dat het leven op aarde in kraters ontstond?

Hoe leven op aarde ontstond  ?

 04 november 2013 56

oersoep

Hoe ontstond het leven op aarde? De wetenschap weet het nog altijd niet.

Maar onderzoeker Sankar Chatterjee, verbonden aan Texas Tech University denkt er nu uit te zijn.

“Dit is waar we allemaal naar op zoek zijn geweest: de Heilige Graal binnen de wetenschap.”

“Toen de aarde zo’n 4,5 miljard jaar geleden ontstond, was het een steriele planeet waar niets kon leven,” vertelt Chatterjee.

“Het was een kokende heksenketel bestaande uit vulkanen die uitbarstten, meteorieten die op aarde regenden en hete, schadelijke gassen.” Maar een miljard jaar later zag onze planeet er heel anders uit.

“Een miljard jaar later was het een rustige, waterrijke planeet vol met microbieel leven: de voorouders van al het leven op aarde.”

Hoe ontstond het leven?
Heel interessant.

Maar het meest interessant is natuurlijk de periode die Chatterjee in zijn zeer globale samenvatting van de verre geschiedenis van onze planeet overslaat.

De periode tussen het moment waarop de aarde levenloos en het moment waarop de aarde levendig, was.In andere woorden: het moment waarop leven ontstond.

Waar kwamen de ingrediënten voor leven vandaan?En hoe ontstond dat leven vervolgens? En waar?

Chatterjee denkt het te weten. Voor zijn theorie combineerde hij theorieën omtrent chemische evolutie en bewijzen omtrent de geologie op de jonge aarde.(1)

Vier fasen (2) 
Volgens de onderzoekers is de totstandkoming van leven op aarde het beste onder te verdelen in vier fasen.

In de eerste fase is de aarde zich nog aan het vormen; planetoïden en kometen landen regelmatig op aarde. Ze brengen niet alleen ingrediënten voor leven mee, maar vormen tevens enorme kraters die dienst doen als enorme ‘smeltkroezen’ waarin de ingrediënten van leven samenkomen.

Zo af en toe boren de meteorieten zich door de aardkorst heen, waardoor hydrothermale bronnen ontstaan.

Kometen die op aarde neerstorten, smelten en voorzien onze aarde – dankzij diens perfecte afstand tot de zon – van water.

Dat water belandt in de kraters, waar de aardwarmte uit de hydrothermale bronnen het opwarmt en in beweging houdt.

In de kraters ontstaat zo een oersoep vol met ingrediënten van leven. Het is een kwestie van tijd voordat dat leven ontstaat, stelt Chatterjee.

Oersoep
Dat is fase twee.

De kraters vormen donkere, hete en geïsoleerde kweekvijvers voor leven. “Het was een bizarre en geïsoleerde wereld die een beetje lijkt op het beeld dat we hebben van de hel: met de stank van waterstofsulfide, methaan, stikstofoxide en stoom.”

In die omgeving gaan stoffen zich mengen en groeien stoffen langzaam maar zeker uit tot steeds complexere substanties: dat is de derde fase.

Vervolgens dient fase vier zich aan waarin replicerende cellen genetische informatie beginnen op te slaan, te verwerken en door te geven.

“Deze zelfvoorzienende eerste cellen waren in staat tot evolutie. De totstandkoming van deze eerste cellen op de jonge aarde was het resultaat van een lange geschiedenis met chemische, geologische en kosmische processen.”

Chatterjee presenteerde zijn theorie afgelopen week, tijdens een bijeenkomst van de Geological Society of America. “Dit is belangrijker dan het vinden van een dinosaurus. Dit is waar we allemaal naar op zoek waren: de heilige graal van de wetenschap.” Of Chatterjee’s theorie klopt, zal moeten blijken. Onder meer door experimenten uit te voeren waarbij de prebiotische wereld wordt nagebootst.

Bronmateriaal:
Paleontologist Presents Origin of Life Theory” - TTU.edu
De foto bovenaan dit artikel is afkomstig van Texas Tech University.

  • Er moet nog wel heel wat af geëxperimenteerd worden om de hypothese(s) van Chatterlee  te testen:
    “If future experiments with membrane-bound RNA viruses and prions result in
    the creation of a synthetic protocell, it may reflect the plausible pathways for the emergence of life on early Earth,” 

    • Chatterjee geeft trouwens  nu (nog)  geen antwoord op de vraag wat de oorzaak van leven is

      • de oorzaak is door chatterlee aangegeen en uitgelegd   uitgelegd                                                         ” —> “Most  likely, pores and crevices on the crater basins acted as scaffolds for
        concentrations of simple RNA and protein molecules”
        om de chemie achter de voorgestelde voorbeelden te zien moet je natuurlijk wat verder graven maar het is er.

      Hydrothermale vents en kraters  ? Veel te heet …..toch ?  

      • “Compared to the surrounding sea floor, however, hydrothermal vent zones have a density of organisms 10,000 to 100,000 times greater.

        Hydrothermal vent communities are able to sustain such vast amounts of life because vent organisms depend on chemosynthetic bacteria for food. The water from the hydrothermal vent is rich in dissolved minerals and supports a large population of chemoautotrophic bacteria. These bacteria use sulfur compounds, particularly hydrogen sulfide, a chemical highly toxic to most known organisms, to produce organic material through the process of chemosynthesis.”

        http://en.wikipedia.org/wiki/H…

        —> “bij vele onderwaterse geysers of vents wemelt het van leven”                                               Maar  dat wil niet zeggen dat het leven daar ook ontstaan is  ……

        • Als leven van primitieve cellen alsook complexere organismen daar kunnen gedijen is de kans al veel groter dat het daar “overigens NIET te heet is om leven te vormen”.

        °  …….zeggen dat het daar niet kan ontstaan steunt slechts  op de premisse dat de bouwstenen van leven EN hun recombinatie gebeurt onder totaal ander omstandigheden dan die gesteld in de verschillende theorieen nu in omloop…M.a.w;  …….jij weet het beter  …….

        Hier staan alle  huidige hypothesen —>     http://en.wikipedia.org/wiki/Abiogenesis

        • De kans waarop het leven  kan ontstaan word door onderzoek en testen verkleind tot bepaalde scenario’s. Dat het leven   ergens ontstaat of niet onstaat  is dus volgens jou evenzogoed mogelijk  omdat jij een principe (van Feyerabend  )wil gebruiken “alles kan” (= everything goes  oftewel alle gissingen ( gegronde (educated guess) evengoed als gelijk welk  verzinsel ter verklaring (= slaan als een blinde naar een ei )
          Deze denkwijze(methode )  is echter kompleet onbruikbaar als men onderzoek en waarneming gebruikt.
          —> Door studie komen scenario’s naar voren die veel waarschijnlijker zijn en je enige argument dat het niet zo gelopen is  =  “het kan anders gegaan  zijn.”
          Wat dus neerkomt op ” ik wil ook iets zeggen.”

          Er is kans dat het anders liep dan de nu op tafel gelegen theorieën maar die KANS  is NIET  even groot.

(1) …. Chatterjee combineert inderdaad theorieën die al bestaan maar zijn aanpak focust zich op het ontstaan van leven in kraterwanden.

Deze kraters, gevuld met de ‘oersoep’ van hierboven, hadden poreuze wanden alwaar rNA en proteinen zich konden verzamelen.

Hier wijkt zijn theorie al af van de mainstream die vermoedden dat proteinen pas enige tijd na rNA voor het eerst vormden. De omstandigheden die hij beschrijft zouden toelaten dat BEIDEN TEGELIJK   verschenen.

“Most likely, pores and crevices on the crater basins acted as scaffolds for concentrations of simple RNA and protein molecules, he said.Unlike a popular theory that believes RNA came first and proteins followed, Chatterjee believes RNA and proteins emerged simultaneously and were encapsulated and protected from the environment. “

Dan volgt de uitleg hoe kometen ook bepaalde lipiden meebrengen die als membraan konden dienen zodat er proteinen en rNA samen in een stabiele omgeving konden communiceren.
The question remains how loose RNA and protein material floating in this soup protected itself in a membrane. Chatterjee believes University of California professor David Deamer’s hypothesis that membranous material existed in the primordial soup. Deamer isolated fatty acid vesicles from the Murchison meteorite that fell in 1969 in Australia. The cosmic fatty bubbles extracted from the meteorite mimic cell membranes. This fatty lipid material floated on top of the water surface of crater basins but moved to the bottom by convection currents. At some point in this process during the course of millions of years, this fatty membrane could have encapsulated simple RNA and proteins together like a soap
bubble.”

 (2 ) 

De fases zijn;

cosmologisch,
geologisch,
chemisch                                                                                                                                                                                          biologisch.

-De cosmologische fase is dezelfde theorie die algemeen aanvaardt is, nl dat onze aarde een heus bombardement meemaakte waarin materiaal op aarde kwam en waarin grote kraters ontstonden.

-De Geologische fase is die waarin de kraters zich gevuld weten met water en waarin geothermale activiteit (dat toen veelvuldig voorkwam) in staat is convectiestromen te creeëren.

-De chemische fase waarin de warmte en stromingen zorgen voor segregatie en concentratie van chemicalieën tot ze complexere stoffen vormen. In deze fase zou de vorming van rNA, proteinen en membranen ontstaan in de wanden en bodems van de kraters.

-De biologische fase begint wanneer de juiste combinatie de bekende zelfreplicerende gentische code oplevert en de ‘darwiniaanse evolutie’ begint.

°
Wat precies zet de moleculen aan om bouwstenen van DNA en uiteindelijk RNA te vormen?
Wat is de natuurlijke drijfveer om tot een organisme te komen?

  • “verzint gewoon een god die alles schiep en je bent van het gezeik af.”

°–>Het lijkt me sterk dat eenvoudige cellen uit losse bouwsteen ‘vanzelf’ kunnen ontstaan

Entropie?—-> moleculen willen altijd zich zo ver mogelijk verspreiden. Hitte en vocht versnelt dit proces alleen maar.

Waarom dus  zouden deze moleculen in poreus gesteente dan ineens bij elkaar willen gaan zitten en vervolgens eiwitten vormen?
En nog gekker DNA/RNA vormen dat ook nog met complexe polymerasen moet worden gekopieerd?

—>“De temperatuur blijkt een grote invloed te hebben:
“Aan de randen van een katalysatordeeltje is iets meer chemische activiteit beschikbaar om een chemische reactie voor langzaam bewegende moleculen te laten verlopen”, legt prof.dr. Aart Kleyn uit.
“Op de vlakke terrassen vinden dan nauwelijks reacties plaats…… Bij hogere temperaturen krijgen ook de deeltjes die op een terras neerkomen genoeg snelheid om een chemische reactie aan te gaan.”

http://www.fom.nl/live/nieuws/artikel.pag?objectnumber=152891

Recept: oersoep op Darwins wijze

Zoektocht naar hoe eerste leven eruitzag

ArtikelEos  | 29 november, 2013 – 11:35 | Door Senne Starckx

Uit een warm, vloeibaar mengsel van water en allerhande organische stoffen ontstond vier miljard jaar geleden het leven. Stukje bij beetje lukt het wetenschappers het recept van de oersoep te reconstrueren.

Heel lang was abiogenese, een geleerde naam voor het ontstaan van het leven uit niet-levende materie, omgeven door een kip-of-het-ei-probleem. Want wat was er nu eerst: DNA, of eiwitten? DNA is verantwoordelijk voor de opslag van erfelijke informatie in de cel, en dus is DNA onontbeerlijk voor de voorplanting van elk levend organisme. Eiwitten daarentegen zorgen voor de instandhouding van datzelfde leven: ze bouwen de structuren van de cel en spelen een cruciale rol in de verdubbeling van de DNA-strengen en de uitlezing van de erfelijke informatie. Eiwitten kunnen niet zonder DNA gesynthetiseerd worden, dus leven alleen op basis van eiwitten is uitgesloten. Langs de andere kant kan DNA geen enzymatische functies uitoefenen, en dus is DNA zonder eiwitten ook niet levensvatbaar. Ten slotte is de theoretische mogelijkheid dat DNA en eiwitten ongeveer gelijktijdig – onafhankelijk van elkaar – zijn ontstaan en elkaar op een blauwe maandag, ongeveer vier miljard jaar geleden, hebben gevonden, te onwaarschijnlijk om waar te zijn.

RNA-wereld
In de tweede helft van de jaren tachtig van vorige eeuw werd een oplossing voor dit lastige dilemma bedacht: zou er geen tussenvorm hebben bestaan die zowel erfelijke informatie kon opslaan als eiwitfuncties uitoefenen? Die tussenvorm zou een primitieve vorm van RNA zijn geweest, de op DNA gelijkende macromolecule die de erfelijke informatie vanuit de celkern overbrengt naar de ribosomen, de eiwitfabriekjes van de cel.

De Amerikaanse scheikundige en bioloog Walter Gilbert bedacht voor dit ontstaansscenario van het leven in 1986 een mooie naam: de RNA-wereld. Het geloof in het scenario van de RNA-wereld werd begin jaren negentig sterker toen bleek dat ribozymen – stukjes van ribosomen die een katalytische functie hebben – geen eiwitten zijn, maar ketens RNA. Die multifunctionaliteit van RNA kon maar op één conclusie wijzen: in onze cellen zitten fossielen van de RNA-wereld verstopt, de laatste getuigen van een wereld toen niet DNA of eiwitten de dienst uitmaakten, maar individuele RNA-ketens.

Maar een nieuwe hypothese bedenken over het ontstaan van het leven, komt niet zonder nieuwe problemen. De bedenkers van de RNA-wereld haalden zich tal van lastige vragen op de hals. RNA is immers een heel fragiele molecule, dus konden ze maar beter met overtuigende verklaringen komen voor de manier waarop die ‘naakte’ RNA-ketens indertijd de exotische omstandigheden van de oersoep hadden kunnen doorstaan – denk aan temperatuursschommelingen, elektrische ontladingen door blikseminslagen, verschillen in zuurgraad…. Daarnaast moesten ze ook zien uit te leggen hoe de ketens uit zichzelf konden groeien, hoe ze zichzelf konden kopiëren en vervolgens in tweeën splitsen – zodat er twee stukjes ‘dochter-RNA’ konden ontstaan. Maar bovenal moeten ze de hamvraag beantwoorden: hoe kunnen ongebonden RNA-ketens – of ze nu vrij rondzweefden in de oersoep of meeliften met een stukje mineraal – darwinistische selectie hebben ondergaan? Met andere woorden: welke natuurkrachten bepaalden of het ene stukje RNA sterker was dan het andere? Als je een hypothese doet over de oorsprong van het leven, ontkom je namelijk niet aan evolutie. De oersoep zal op de wijze van Darwin worden opgediend, of helemaal niet.

Protocellen nabouwen
Al die vragen zijn nog lang niet afdoende beantwoord. En op sommige vragen is zelfs nog geen voorzichtig antwoord geformuleerd. Het is ook geen dankbare klus, de oorsprong van het leven bestuderen als je je realiseert dat de oudste fossielen op aarde 3,5 miljard jaar oud zijn – die zijn dus ettelijke miljoenen jaren jonger dan het eerste leven. Maar er zijn genoeg wetenschappers die niet bij de pakken blijven neerzitten. In laboratoria wereldwijd wordt druk geëxperimenteerd met RNA-ketens, drijvend in een eigentijdse versie van de oersoep met ingrediënten zoals water, ionen, zuurstofradicalen en alle denkbare organische verbindingen.

Deze experimenten die allemaal de oorsprong van het leven willen achterhalen, zijn het summum van wetenschappelijke spielerei. Hier geen doordachte theorieën of hypothesen die moeten te worden getoetst. Onderzoekers spelen wat met ingrediënten waarvan ze in de verste verte niet weten of ze in de originele oersoep aanwezig waren – en vervolgens zien ze wel wat er gebeurt. Dat allemaal in de hoop dat op een dag in hun petrischaal spontaan moleculen beginnen samen te klitten en genen worden vormen, waarna primitieve cellen of ‘protocellen’ ontstaan. Als die protocellen zich dan ook nog eens blijken te vermenigvuldigen en bovendien tekenen van evolutie vertonen, mag de onderzoeker een telefoontje uit Stockholm verwachten.

Nochtans garandeert de succesvolle creatie van zelfreplicerende cellen uit een mengsel van niet-levende ingrediënten niet dat ook het leven op aarde uit die welbepaalde ingrediënten is ontstaan. ‘Maar zo’n experiment zou ons wel een erg plausibele verklaring leveren van de manier waarop de chemie de overstap heeft gemaakt naar de biologie’, zegt de Amerikaanse moleculair bioloog Jack Szostak deze week in Science. ‘Het is goed mogelijk dat het in het lab niet helemaal op dezelfde manier gebeurt, maar we zouden wel een hele stap verder komen in de ontrafeling van het vraagstuk hoe het leven is ontstaan.’ Szostak is niet de eerste de beste. Hij kreeg in 2009 de Nobelprijs voor de Geneeskunde voor zijn onderzoek naar telomeren, de uiteinden van chromosomen die een cruciale rol spelen bij de celdeling. Dat onderzoek dateert echter van vóór de millenniumwisseling, want sedert tien jaar is Szostak volop bezig met de reconstructie van het oudste recept op aarde: dat van de oersoep waaruit vier miljard jaar geleden het leven is ontstaan.


Lekkende membranen
Mede dankzij het werk van Szostak heeft de RNA-wereld de voorbije jaren enkele geheimen moeten prijsgeven. Dat van de ‘lekkende membranen’ bijvoorbeeld, die de RNA-ketens zouden omgeven (en beschermd) hebben in de oersoep – helemáál naakt zwommen ze dus niet. Deze membranen zouden zo de structuur van de protocellen hebben afgebakend. Szostak: ‘Onze (moderne) cellen hebben haast ondoordringbare celmembranen. Alleen via vernuftige eiwitpompen en –sluizen kunnen moleculen in en uit de cel worden getransporteerd.’

Szostak en z’n collega’s stelden in 2008 voor de protocellen een heel ander membraan voor, een vliesje dat lekt als een gieter. Bestaande uit eenvoudige vetzuren zou dit membraan de doorgang mogelijk maken van aminozuren, anorganische ionen en individuele stukjes RNA. Binnenin de protocel konden zich dan RNA-ketens vormen die te groot waren om nog naar buiten te kunnen. Bovendien bleken de membranen ook nog eens te groeien als er extra vetzuren werden toegevoegd. De vetzuren bliezen de protocellen zozeer op totdat ze, onder invloed van hitte of mechanische stress, in tweeën splitsen – waarbij elke dochterprotocel een deel van het RNA kreeg.

Maar hoe konden de RNA-ketens binnenin de protocellen zichzelf dan kopiëren – immers, een van de kernvoorwaarde van het gen is dat er erfelijke informatie wordt doorgegeven, en dus moet dat erfelijke materiaal in de moedercel in tweevoud aanwezig zijn. Andere onderzoeksgroepen hebben enkele jaren geleden een belangrijk ingrediënt van de oersoep (nog één) geïdentificeerd dat ervoor zorgt dat individuele blokjes RNA zich in snel tempo aan een RNA-sjabloonketen binden: magnesiumionen. Helaas rees er onmiddellijk één groot probleem: magnesiumionen zijn nefast voor de protocellen, want ze knippen de membranen uit vetzuren helemaal kapot.

De celcyclus van een protocel op de jonge aarde. Eerst is er verdubbeling van het RNA. Nucleotiden van buiten de cel sluipen tussen de vetzuren van het blaasje door naar binnen. Daar verlengden ze de RNA-streng. Na de verdubbeling splitst de protocel zich in tweeën. K. Adamala

In de oersoep wemelde het van RNA-ketens die mogelijk omgeven waren door ‘lekkende membranen’, opgebouwd uit eenvoudige vetzuren. Individuele RNA-blokjes drijven de protocellen binnen en hechten zich vast aan een van de RNA-ketens. (Foto: K. Adamala)
© K. AdamalaZo kan het leven begonnen zijn: zelfkopiërende RNA-slierten, die opgesloten zijn in een omhulsel van vetzuren, ronddrijvend in een oersoep vol RNA-bouwstenen.

Citroenzuur
In de onderzoeksgroep van Szostak werd gezocht naar een oplossing, in de vorm van een nieuwe stof die de magnesiumionen ‘net genoeg’ in bedwang hield zodat ze niet de hele protocel uit elkaar zouden halen, maar die ze toch ook voldoende vrijheid verschafte om het RNA-kopieerproces te blijven stimuleren. Honderden nieuwe ingrediënten werden aan de oersoep toegevoegd, zonder resultaat. Tot Katarzyna Adamala, een doctoraatsstudente van Szostak, een nochtans heel bekende organische verbinding aan de oersoep toevoegde: citroenzuur. Het bleek de magnesiumionen perfect op hun plaats te houden. Moderne biologische cellen bevatten ook citroenzuur, maar daar heeft het een heel andere functie. Dat zou betekenen – als het eerste leven inderdaad ook citroenzuur bevatte om de magnesiumionen te temmen – dat het goedje in onze cellen een fossiel overblijfsel is van de eerste protocellen. Het leverde Adamala en Szostak een eervolle publicatie op deze week in Science, waarin ze het nieuwste ingrediënt van de stelselmatig rijker wordende oersoep uit de doeken doen.

De komende jaren hopen wetenschappers als Jack Szostak volwassen protocellen op te kweken in hun lab. Cellen die niet alleen kunnen delen en zich voortplanten, maar die ook onderhevig zijn aan evolutionaire veranderingen. Als dat lukt, komt stilaan het einde in zicht van de lange zoektocht naar de oorsprong van het leven. Of zoals de Britse moleculair bioloog John Sutherland in een commentaarstuk in Science opmerkt: ‘Het is alsof je een kruiswoordpuzzel invult. In het begin weet je niet goed waar te beginnen. Maar naarmate je steeds meer woorden hebt gevonden, komt de voltooiing van de puzzel almaar sneller in zicht.’

Dit artikel verscheen ook in Eos Weekblad. 

Leven maken met citroenzuur? Ontdekking werpt nieuw licht op het ontstaan van leven

  • Door: Elmar Veerman

Hoe kan leven ‘zomaar’ zijn ontstaan uit levenloze materie? De ontdekking dat citraat primitieve cellen en hun inhoud beschermt, brengt het meest waarschijnlijke scenario weer een stapje verder. Leven maken in het lab kan nog niet, maar dat lijkt een kwestie van tijd.

‘Laboratoria zullen binnen tien jaar een levende cel kunnen maken’, voorspelde bioloog Colin Pittendrigh in 1967. Niet lang daarvoor was ontdekt dat de ketenvormige moleculen DNA en RNA de recepten voor eiwitten bevatten, dat de bouwstenen van die ketens bleken spontaan kunnen ontstaan en dat dit plaatsvindt onder omstandigheden die ook op de vroege aarde kunnen hebben geheerst. De wetenschappers moesten alleen nog even uitvinden hoe die bouwstenen in die oersoep zich zonder Goddelijk ingrijpen tot levende cellen konden organiseren.

We zijn nu 46 jaar verder, en het is duidelijk dat Pittendrigh veel te optimistisch was. Het is allemaal veel ingewikkelder dan hij dacht. Maar er is wel degelijk grote vooruitgang geboekt. Een van de sterren op dit gebied is Nobelprijswinnaar Jack Szostak. Hij kreeg die prijs voor heel ander werk, maar is nu al ruim tien jaar geduldig bezig met die Heel Grote Vraag: hoe is het eerste leven ontstaan?

Ik heb Szostak een paar jaar geleden een voordracht zien geven, en dat was heel indrukwekkend. Hij liet onder meer zien hoe goed het al lukte celachtige structuren uit vetzuren in een waterige oplossing te laten ontstaan. Ze groeien vanzelf, delen zich als ze een bepaalde grootte bereiken en ze zijn doorlatend voor de bouwstenen van het leven. Ook vertelde hij over RNA-ketens die zichzelf kunnen vergroten, door nieuwe bouwstenen aan zich te binden. Zulk zelfgroeiend RNA, opgesloten in een omhulsel van vetzuren, dat komt al een aardig eind in de buurt van een primitieve cel.

Stapje verder

De afgelopen jaren kwam Szostak nog een stapje verder. Hij, en andere onderzoekers, vonden RNA-ketens die in staat zijn zichzelf te kopiëren door losse bouwstenen op te pakken. Ze vormen dan een dubbele keten, die zich kan splitsen, waarna het kopiëren weer opnieuw kan beginnen. In principe hetzelfde proces dat ook ons DNA ondergaat wanneer het verdubbeld wordt, alleen zijn in onze cellen allerlei complexe structuren nodig om dat goed te laten verlopen.

Maar, zo schrijven Szostak en zijn collega Katarzyna Adamala vandaag in Science,

‘de chemische omstandigheden die nodig zijn voor RNA-vermenigvuldiging en het in stand houden van de vetzuren leken tot nu toe fundamenteel verschillend.’

Voor het kopiëren van RNA is namelijk een hoge concentratie magnesiumionen nodig, terwijl het benodigde omhulsel van vetzuren bij die concentratie juist in klonters uiteenvalt.

De twee onderzoekers hebben nu een stof gevonden die dit kan voorkomen, en dus toch deze twee onderdelen van primitief leven samen kan brengen: citraat.

Deze negatief geladen versie van citroenzuur bindt zich aan het magnesium en voorkomt zo dat dit de vetzuren aantast. Intussen kan het magnesium nog wel zijn werk doen als partner bij de RNA-vermenigvuldiging. En citraat blijkt nog een interessant effect te hebben: het voorkomt dat magnesiumionen de eenmaal gevormde RNA-ketens aantasten, iets wat wel gebeurt als het magnesium los aanwezig is. Het helpt de primitieve cellen van Szostak en Adamala dus op twee manieren op weg.

Citraat speelt ook in de levende cellen van nu allerlei belangrijke rollen. Toch was het waarschijnlijk niet betrokken bij de vorming van de eerste levende cellen, omdat het, voor zover bekend, niet bij levenloze processen kan worden gevormd. De onderzoekers moeten dus nog op zoek naar een stof die hetzelfde doet en die vier miljard jaar geleden wel aanwezig kan zijn geweest op de jonge, nog levenloze aarde.

Is de oorsprong van het leven duidelijk als ze zo’n stof vinden?

Nee, nog lang niet. Ten eerste zijn er nog steeds allerlei praktische details die verhinderen dat in een lab nieuw leven ontstaat uit dode materie. De bouwstenen van RNA moeten bijvoorbeeld chemisch “geactiveerd” worden voordat ze zich aan een RNA-ketting laten rijgen, en dat gebeurt niet spontaan. Ten tweede is het fundamenteel onmogelijk om zeker te weten hoe het destijds ging, omdat daar geen sporen van bewaard zijn gebleven. Maar dat leven ooit spontaan is ontstaan uit een levensloze  oersoep, daaraan twijfelt Szostak niet.

Missend ingrediënt oersoep gevonden

Het precieze recept voor de oersoep waarmee het leven 4 miljard jaar geleden begon weten we niet. Maar een team van Amerikaanse en Italiaanse chemici heeft nu een missend ingrediënt ontdekt. De vondst brengt de creatie van een primitieve kunstmatige cel een stapje dichterbij.

door

Hoe zou de eerste cel eruit hebben gezien? Wetenschappers die de oorsprong van leven onderzoeken proberen kunstmatig zo’n primitieve cel te maken. Een klus met de nodige problemen die nog verre van opgelost zijn.

Nobelprijswinnaar Jack Szostak van Harvard en zijn collega van de Roma Tre Universiteit (Italië) vonden een molecuul waarmee ze nu een geloofwaardig model van de eerste cel kunnen neerzetten. Ze beschreven de werking van het molecuul, citroenzuur, deze week in de online editie van Science.

Nobelprijswinnaar

Jack Szostak kreeg in 2009 de Nobelprijs voor zijn onderzoek op het gebied van menselijke genetica. Sinds een jaar of tien houdt hij zich echter bezig met het door hem opgezette Origines of Life Initiative aan Harvard om te verkennen hoe het leven op aarde is begonnen. Zijn onderzoek richt zich o.a. op de spontane vorming van het celmembraan.

RNA-wereld

In de jaren zestig speculeerden biologen, waaronder dubbele helix-ontdekker Francis Crick, voor het eerst over de dubbele rol van RNA: als opslagmolecuul voor genetische informatie en als katalysator voor chemische reacties. Dat leidde tot de hypothese dat het eerste leven op aarde gebaseerd was op RNA.

Het wordt algemeen aangenomen dat RNA het eerste molecuul was dat zichzelf spontaan kon verdubbelen. Essentieel om het eerste leven op weg te helpen. RNA bevond zich hoogst waarschijnlijk in een blaasje van simpele vetzuren. Dit systeempje zou je kunnen zien als de eerste cel, oftewel een ‘protocel’.

Bij pogingen een protocel te maken stuitten wetenschappers op veel obstakels. Eén daarvan was dat voor de spontane verdubbeling van RNA magnesium-ionen nodig zijn. Normaal zijn enzymen betrokken bij de verdubbeling van DNA en RNA maar ten tijde van de eerste cel bestonden enzymen nog niet. Het probleem was dat magnesium ook aan de vetzuren van het blaasje plakt. Gevolg? De protocellen in het lab stortten in elkaar.

 

_____________________________________________________________________________________

2014

http://sandwalk.blogspot.be/2014/03/bye-bye-rna-world.html

 

___________________________________________________________________________

Missend molecuul

Hoe kon RNA dan de omstandigheden op de jonge aarde overleven als het blaasje kapot gaat? Er moet wat in de oersoep hebben gedreven dat de RNA-protocel in stand hield.

Tijdens hun zoektocht screenden de onderzoekers eerst een rits moleculen die in staat zijn vetzuurblaasjes te beschermen tegen afbraak door magnesium. Dat leverden een paar kandidaten. Maar één molecuul sprong eruit: citroenzuur. Citroenzuur ging namelijk nog een stap verder en liet ook de verdubbeling van RNA efficiënter verlopen.

Citroenzuur in de natuur

“Dit resultaat past heel goed binnen het proces van het stapsgewijs dichterbij brengen van een route hoe een levende cel is ontstaan”, zegt Jan van Hest, hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij werkt zelf ook aan kunstmatige cellen.

800px-citroenzuurcyclus_met_aconitzuur.svg

In alle organismen wordt energie vrijgemaakt uit koolhydraten, vetten en eiwitten in de citroenzuurcyclus. Wikimedia Commons

“Szostak maakt aannemelijk dat je met simpele bouwstenen een compartiment kunt maken en daarbinnen een cruciaal proces kan laten plaatsvinden. Stabiel en efficiënt, zonder dat het instort.”

Het is niet vreemd dat Szostak met citroenzuur aankomt: het is een veel voorkomend zuur in de natuur. “Het is een bekende binder van metaalionen”, legt van Hest uit. “En het is zeer interessant dat dit systeem de balans behoudt dankzij dit molecuul.”

Volgens Szostak was citroenzuur waarschijnlijk niet in de vereiste hoeveelheid aanwezig op de jonge aarde. Hij denkt dat simpele peptiden – kleine ketens van aminozuren – die zich hetzelfde gedragen als citroenzuur het klusje opknapten. Naar die peptiden gaat hij nu op zoek.

Bronnen:

  • Jack W. Szostak & K. Adamala, Nonenzymatic Template-Directed RNA Synthesis Inside Model Protocells, Science, online 28 november 2013. DOI:10.1126/science.1241888
  • Robert F. Service, The life force, Science, online 28 november 2013.

Nonenzymatic Template-Directed RNA Synthesis Inside Model Protocells

http://www.sciencemag.org/content/342/6162/1098.abstract

http://www.sciencemag.org/content/342/6162/1098.figures-only

http://chinese.eurekalert.org/en/pub_releases/2013-11/aaft-amt112513.php

°

G KORTHOF 

http://korthof.blogspot.be/

Synthese van primitief leven in het lab: RNA + vetzuur + magnesium + citraat

Jack Szostak ©Science

Het is voor het eerst gelukt om RNA-replicatie aan de gang te krijgen binnen in een primitieve cel in het laboratorium. Dit is een belangrijke stap om leven te creëren in het laboratorium en op die manier inzicht te krijgen in het probleem van het ontstaan van het leven op aarde. De resultaten werden afgelopen vrijdag 29 november in Science gepubliceerd.

De meeste Origin of Life onderzoekers werken met de hypothese dat het huidige leven –dat op DNA en eiwit is gebaseerd– voorafgegaan moet zijn door een RNA wereld (‘RNA World‘). Dat is een hypothetische fase in de oorsprong van het leven waar DNA en eiwitten nog geen rol speelden. RNA functioneert daarbij als het ‘erfelijkheidsmolecuul’ in plaats van DNA en tegelijk als enzym in plaats van eiwitten. Het probleem om voldoende lange stabiele RNA moleculen te laten ontstaan en het RNA zichzelf te laten vermenigvuldigen (RNA replicatie) zonder de hulp van enzymen was al eerder opgelost [1]. Magnesium ionen ( Mg2++ ) bleken daarbij cruciaal. Maar dat leverde ook een groot probleem op als je deze processen een in primitieve cel [2] wilde laten verlopen. Het magnesium brak de membraam af. Het leek er dus op dat je óf RNA replicatie kunt hebben buiten een cel, óf niet-replicerend RNA binnen een cel. Het één sloot het ander uit. Nu hebben ze dat dilemma opgelost met citraat [3]. Het citraat beschermde de membraan tegen afbraak door magnesium, maar het magnesium bleef in voldoende mate beschikbaar voor RNA-replicatie. Dus de formule voor een primitieve cel ziet er betrekkelijk simpel uit:

RNA + vetzuur + magnesium + citraat.

Andere onderzoekers zijn het er over eens dat het een belangrijke stap is in de richting van het creeëren van synthetisch leven in het lab.

Wat mij verbaasde als chemisch leek is dat de onderzoekers honderden chemische stoffen moesten testen voordat ze op citraat kwamen (een zeer tijdrovende en frustrerende klus). Ik dacht dat die kennis wel aanwezig was. Maar als dit soort kennis niet aanwezig is, dan is het geen wonder dat men het Origin of Life probleem niet kan oplossen. De stagnatie lijkt dus veroorzaakt te worden door fundamenteel ‘onoplosbare’ chemische problemen. Maar in feite zijn de chemische eigenschappen van moleculen en combinaties daarvan gewoon niet volledig bekend. Maar dan is er reden tot optimisme. Want die kennis is te verwerven door trial-and-error onderzoek en stug volhouden.

Er zijn enige kanttekeningen te maken bij deze resultaten. Szostak zelf merkt op dat citraat niet spontaan gevormd zou kunnen worden op de primitieve aarde [4]. Hij zoekt verder naar een alternatief.

We hebben nu een primitieve cel met RNA die zich onder bepaalde omstandigheden zou kunnen delen met behoud van de RNA polymeren die er in zitten. Dan heb je in principe de basis voor Darwiniaanse evolutie: als er verschil is in efficiëntie waarmee RNA zich repliceert en ‘cellen’ [5]  zich delen, dan zullen de efficiëntere cellen relatief in aantal toenemen ten opzichte van de minder efficiënte. Méér heb je niet nodig voor evolutie. Dan wordt het voor een (evolutie)bioloog ook interessant! Vragen als: wat ‘doet’ die cel nu eigenlijk voor nuttigs? of: is dit wel écht leven? zijn niet relevant. Als er variatie is in efficiëntie en als dat op de één of andere manier overgeërfd kan worden, staat de weg open voor Darwiniaanse evolutie.

Echter, de cruciale vraag lijkt mij deze: draagt RNA in de cel bij aan de efficiëntie van het hele gebeuren? Helpt RNA de celdeling? Pas dan heb je een winnend team van RNA-replicatie en celdeling. Misschien zullen cellen zonder RNA zich net zo goed of zelfs beter delen? Voor zover ik kan zien heb je losse componenten die elkaar niet helpen. De volgorde van het RNA molecuul (sequence) heeft geen enkele betekenis. Immers, de RNA volgorde codeert nergens voor. En dus zal ook de nauwkeurigheid van RNA replicatie geen enkel effect hebben, positief of negatief. In het leven zoals we dat nu kennen speelt de volgorde van het DNA een cruciale, onmisbare rol in het succes van de cel. Maar, er zit geen informatie in het RNA die de primitieve cel zou kunnen helpen om te overleven en zich te vermenigvuldigen.  Het RNA is niets meer en niets minder dan een molecuul met willekeurige volgorde die zichzelf repliceert. Zondermeer een prestatie, maar het helpt niet. Ik weet niet of de chemicus Szostak zich van dit probleem bewust is.

Bronnen

Noten

  1. Enzymen kunnen alleen met behulp van DNA en ingewikkelde machinerie geproduceerd worden. RNA kan zijn eigen vorming katalyseren; RNA-replicatie = een kopie van je zelf maken.
  2. Een primitieve cel met een membraam levert in eerste instantie evenveel problemen als oplossingen op: het moet een lekkende membraam zijn om bouwstoffen naar binnen te laten gaan. De oplossing is de moleculen bij elkaar te houden in een compartiment (‘compartmentalized’) door middel van een afscheiding, een membraan. Als je dat hebt opgelost moet je vervolgens het probleem oplossen hoe je zo’n primitieve cel kunt laten delen waarbij de inhoud gelijk verdeeld wordt over de dochtercellen.
  3. citrate: een stofje dat in buffer oplossingen wordt gebruikt en een rol speelt in metabolisme.
  4. En ik als chemisch leek zou daar aan toevoegen: er zitten 7 zuurstof atomen in citraat en er was niet veel zuurstof aanwezig op de primitieve aarde toen er nog geen zuurstof in grote hoeveelheden door fotosynthese geproduceerd werd.

http://korthof.blogspot.be/

12 december 2013

Het ontstaan van het leven en de zin van het leven

In mijn vorige blog rapporteerde ik over het spannende onderzoek van Nobelprijswinaar Jack Szostak. Hij was er voor het eerst in geslaagd een werkende primitieve cel ‘te maken’ met daarin RNA moleculen die zichzelf kunnen kopieren. Dat laatste, RNA moleculen die zichzelf kopieren binnen een cel, was nieuw. Op zich was het al eerder gelukt om RNA zichzelf te laten kopieren zonder hulp van enzymen in een reageerbuis, en was het gelukt om uit vetzuren een cel te laten maken, maar de combinatie van die twee (RNA dat zichzelf copieert binnen een cel) was nog niet gelukt. Nu dus wel.Ik beschreef ‘het voordeel’ dat RNA had om in een cel te zitten, maar merkte dat Szostak niet vermeldde wat ‘het voordeel’ van een primitieve cel was om zelfkopierend RNA mee te dragen (‘voordeel’ in overdrachtelijke zin). Een paar dagen later ontdekte ik een publicatie van Szostak uit 2012 waarin hij beschrijft dat RNA de aanmaak van componenten van de membraan kan katalyseren. Kijk! Dat is interessant! Szostak had ook over ‘het probleem’ nagedacht, maar had het niet in zijn Science publicatie beschreven.Dus, wat is het resultaat? We hebben nu ‘een systeem’ met 2 hoofdcomponenten: 1) een simpel membraan en 2) een zichzelf copierend RNA molecuul. Plus uiteraard een aantal ‘hulpstoffen’ (magnesium, citraat, …). Het mooie van dit systeem is dat de twee hoofdcomponenten elkaar positief beinvloeden. Een symbiose: beide partijen ‘profiteren’ van de samenwerking. Dus, als dit soort systemen ontstaan, dan is de kans kleiner dat ze het volgende moment weer uit elkaar vallen. Immers, ze bevorderen elkaars synthese. Ze houden elkaar in stand. Zo’n systeem is niet onverwoestbaar, maar is stabieler dan een systeem waarbij de componenten elkaar niet in standhouden en als los zand aan elkaar hangen. De gemiddelde levensduur van zo’n symbiotische combinatie zal groter zijn.

Nog anders gezegd: als er een onderdeel van een systeem is dat niet bijdraagt aan het voortbestaan van het geheel, dan kan het gemist worden. En als die component door toeval zou verdwijnen, zou het systeem gewoon blijven voortbestaan. Het is tenslotte een niet essentiele component. Zo blijven er hoofdzakelijk systemen over die alleen noodzakelijke componenten bevatten.

Dat is al een belangrijk inzicht, maar er komt nog iets bij. Beide hoofdcomponenten kunnen zichzelf kopieren. Het RNA kopieert zichzelf, het produceert een replica van zichzelf en de primitieve cel kan door insnoering zichzelf opsplitsen in 2 delen. De cel heeft gedeeld.

Szostak proto-cel die spontaan aan het delen is.
langgerekte vormen in de cel zijn RNA moleculen
(capture uit animatie) ©Exploring Life’s Origin
Wat is het ‘nut’ hiervan? (nut: metaforisch gesproken). Dit: mocht één van de twee cellen (met inhoud) beschadigd raken en uitéénvallen, dan heb je de ander nog. Hetzelfde geldt voor RNA: mocht één RNA molecuul uiteenvallen dat heb je de kopie nog. Daarmee kan het proces zich herhalen. Daarmee is het niet ‘einde verhaal’. Daarmee is het eerste leven niet onmiddellijk uitgestorven. Dit alles is conceptueel veel belangrijker dan technische details over Mg2+ en citraat.
Tibor Ganti:
The Principles of Life
Dit conceptueel inzicht had ik niet van mezelf. Ik had het gevonden bij Tibor Gánti: The Principles of Life, dat ik 10 jaar geleden gelezen heb en waarvan ik zeer onder de indruk was (en nog steeds ben). Gánti definieerde ‘leven’ als een 3 componenten systeem: 1) een chemische subsysteem dat voor energie zorgt (metabolisme), 2) een chemisch informatiedragend subsysteem (erfelijkheidsmolecuul) en 3) een chemische membraan subsysteem. Twee subsystemen zijn makkelijk te herkennen in het Szostak systeem: de membraan en RNA als informatiedrager. Gánti had al beschreven dat de subsystemen elkaar ‘in leven moesten houden’. Dat is prachtig herkenbaar in de overwegingen die Szostak had bij het ontwerpen van zijn protocel. Ik weet niet of Szostak Gánti gelezen heeft, maar het kan haast niet anders. Of hij was slim genoeg om het onafhankelijk te bedenken.Nu was ik indertijd tegen een probleempje aangelopen bij het Gánti model van het leven: de eerste informatiedrager en erfelijkheidsmolecuul kán niet DNA zijn geweest. Gánti wist dat, want hij had DNA niet gespecificeerd als informatiedrager. Dat kon hij ook moeilijk doen want zijn systeem was enzym-vrij, en voor de synthese van enzymen heb je DNA nodig. Het kan dan ook niet anders dan dat het vroegste informatiesysteem RNA geweest moet zijn. Een andere informatie drager kennen we niet. Inderdaad, Gánti bleek in latere edities van zijn boek een RNA-world in gedachten te hebben.Ik heb de verbeterde versie van dit vervolg blog over Szostak (exclusief het stukje over Gánti) aangeboden aan Pandas Thumb (zeer bekend en gezaghebbend blog ter bestrijding van creationisme in de USA). Het is geaccepteerd en zal vandaag of morgen verschijnen. Daar ben ik blij mee. Ik had me verbaasd over het feit dat de bloggers van Pandas Thumb het hele Szostak artikel over het hoofd hadden gezien. Dat wordt nu rechtgezet. Ben benieuwd naar de reacties.

Filosofisch naschrift:
Wat is de zin van het leven?

Een bioloog mag die vraag niet stellen. Maar een filosoof wel. Als we bij het begin beginnen: het begin van het leven is een simpele vetzuur-membraan met daarin relatief kort, zelf-replicerend RNA. Wat is de zin daarvan? zou een hypothetische toeschouwer in die tijd gevraagd kunnen hebben. Het zijn systemen die stabieler zijn dan andere en daardoor blijven bestaan. En nakomelingen achterlaten. Maar waarom zou ‘je’ dat willen? Die primitieve systemen willen helemaal niets. Het leven is begonnen met moleculen en cellen die helemaal niets konden willen. Het lijkt alsof ze willen voortbestaan en zich willen voortplanten. Wij zijn uiteindelijk het gevolg daarvan. Wij stellen de vraag naar de zin van het leven. Een onbeantwoordbare vraag, wat mij betreft. Ik vind de vraag naar waar we vandaan komen vele malen fascinerender. Voldoende fascinerend voor een heel mensenleven. Je moet er toch niet aan denken dat je een heel leven geleefd hebt zonder die vraag te stellen? Dat zou pas een zinloos leven zijn!

Vorige blogs:

New origin of life model fatally requires a nonrandom protein, 24 dec 2012

update 2 dec 21:30 : tekst iets verbeterd

Kennislinks 

Buitenaards leven : astrobiology

INHOUD COSMOS

°mars.docx (2.8 MB)
  • Mars
  • een artikel van science magazine over mars. Het kan zijn dat leven zich eerder heeft onwikkeld op mars dan op aarde! http://adf.ly/KjvTa

buitenaards

°

Aanwijzingen  gevonden dat leven op

Mars vroeger tot de mogelijkheden

behoorde  (*)

 12 maart 20132

Een analyse van gesteente, verzameld door de Curiosity Rover van NASA op Mars, heeft uitgewezen dat er op de planeet omstandigheden heersten die leven mogelijk hebben gemaakt.

curiosity

Marsrover Curiosity heeft aanwijzingen gevonden dat leven op Mars in het verleden tot de mogelijkheden behoorde. Dat heeft NASA  tijdens een persconferentie bekend gemaakt.

In een steen op Mars trof Curiosity belangrijke chemische elementen (CHNOPS en bepaalde verbindingen ervan   ) die nodig zijn voor leven, aan.

Enkele weken geleden boorde Curiosity een gaatje in een steen op Mars.(**)

De Marsrover verzamelde vervolgens materiaal uit de steen en analyseerde dat. Uit de analyse is nu gebleken dat zich in het poeder dat Curiosity uit de steen heeft gehaald zwavel,(S)  waterstof(H) , zuurstof(O), fosfor(P), koolstof(C) en stikstof(N) aanwezig is.

Dit zijn stuk voor stuk basis-elementen   (en  bepaalde verbindeingen ervan zijn  ingrediënten ) voor(aards)  leven.(1)

Ook ijzerverbindingen   ( toch ook een niet onbelangrijke ingredienten  )zijn  op mars aanwezig

“Een fundamentele vraag die we tijdens deze missie wilden beantwoorden, is of er ooit leven(2) mogelijk was op Mars,” vertelt onderzoeker Michael Meyer ofmet andere woorden  ooit  de noodzakelijke condities aanwezig waren …..  En ook    ‘Zou Mars ooit een levensvatbare  omgeving  (=waterrrijk)hebben gehad.’“Op basis van wat we nu weten, is het antwoord    op die vragen  ‘ja’.”

Vochtig
Curiosity onderzocht een steen in de Yellowknife Bay.

“Het verzamelde monster bestaat voor zeker 20 procent uit kleimineralen,”

vertelt onderzoeker David Blake.

Het wijst erop dat het gebied meerdere malen in de geschiedenis vochtig was en in tegenstelling tot andere gebieden op Mars niet extreem zout, niet zuur en niet oxiderend.

Energie
De onderzoekers zijn verbaasd dat ze in de steen een mix van geoxideerde, minder geoxideerde en zelfs niet-geoxideerde chemicaliën hebben gevonden.

“De diversiteit aan chemische ingrediënten die we in dit monster hebben aangetroffen is indrukwekkend.”


Van microben op aarde weten we dat ze dol zijn op zo’n diversiteit aan chemische stofjes: ze gebruiken ze als energiebron. Mogelijk hebben microben op Mars ooit hetzelfde gedaan.

Al met al krijgen we zo een heel ander beeld van het droge, rode Mars dat we vandaag de dag zien.

Ooit waren de omstandigheden op de planeet gunstig als het gaat om het ontstaan of in stand houden van leven.

De onderzoekers hopen in de komende weken nog meer onderzoek in Yellowknife Bay te doen.

Daarna zal Curiosity doorrijden naar Mount Sharp. Hier komen ook kleimineralen en sulfaatmineralen voor: wellicht kan een onderzoek daar ons meer informatie geven over hoe lang de omstandigheden die gunstig waren voor leven, aanhielden.

…Curiosity  onderzocht eerder al :

 http://www.scientias.nl/nieuw-bewijs-voor-water-op-mars-ontdekt/51627

Bronmateriaal:
NASA Rover Finds Conditions Once Suited for Ancient Life on Mars” - NASA.gov

(*)

Minstens zo belangrijk, wat gebeurde er waardoor dit nu niet meer (gemakkelijk of helemaal niet (?)meer  )  mogelijk is  geworden   ? 

  1. Dus :   Gegevens verzamelen, werkhypotheses opstellen, verdere gegevens verzamelen, hypotheses testen, verwerpen, reviseren, verfijnen, enzovoort. … zoals altijd 
  1. leven op mars is nu  niet meer mogelijk omdat de kern gestold is ( a)  , de weinige warmte  weg is,  er is geen noemenswaardig  magnetisch veld    en daarom dus ook   geen beschermend schild tegen straling ( de atmosfeer is bovendien ook al  bijzonder iel en grotendeels weggelekt )…  Het ooit zaanwezige water is grotendeels (samen met  het grootste deel  van de atmosfeer ontsnapt in de ruimte  ) verdampt …..De aantrekkingskracht ( en dus ook de ontsnappingssnelheid is kleiner van de aardse )  dus niet veel  kans meer op leven  ….
  2. “De zwaartekracht op mars is te klein om de noodzeakelijke   atmosfeer lang genoeg vast te houden waarin leven mogelijk is.” Deze uitspraak moet je nuanceren…aards menselijk leven is er niet mogelijk in die ijle  atmosfeer die wél overbijft …. 

    1. Op de lange termijn kan Mars in ieder geval geen atmosfeer vasthouden. Maar het is mogelijk dat Mars, door een combinatie van ontgassing (ooit was mars geologisch aktief met een vloeibare kern ? ) en het kometen-bombardement, gedurende lange tijd een atmosfeer heeft gehad die vele malen dichter was dan die nu is. De vraag is of die situatie lang genoeg heeft kunnen bestaan om het ontstaan van leven tot de mogelijkheden te laten behoren.( wat dus niet noodzakelijk zuurstof ademend (energieopwekking ) gebaseerd    leven moet zijn /op chnops gebaseerde   chemotrofen zijn ook mogelijk  )

(a)

Interne opbouw

Het modelleren van het binnenste van Mars leidt tot de veronderstelling van een kern met een straal van ongeveer 1480 km. Deze kern bestaat uit ijzer aangevuld met 14-17% zwavel en kleinere hoeveelheden andere elementen, waaronder nikkel. Tenminste een deel van de kern van Mars moet nog vloeibaar zijn. Dit blijkt uit metingen van het zwaartekrachtsveld van Mars, die wijzen op een vervorming van Mars onder invloed van de aantrekkingskracht van de zon. Omdat Mars een lichtere planeet is dan de Aarde is de planetaire differentiatie niet zo lang doorgegaan en bevat de kern van Mars aanzienlijk hogere concentraties lichtere elementen dan de aardkern.

Interne opbouw van Mars

Om deze kern heen ligt een vaste mantel die voornamelijk bestaat uit ijzer- en magnesiumsilicaten. Deze mantel was waarschijnlijk de bron voor veel van de vulkanische en tektonische oppervlakteverschijnselen, maar is tegenwoordig inactief. In de mantel komen op verschillende dieptes enkele faseovergangen in het belangrijkste mantelmineraal olivijn voor, dat daar van kristalstructuur verandert. In de Aarde is de belangrijkste van deze overgangen van de spinel- naar de perovskiet-structuur, die de boven- van de ondermantel scheidt. Omdat de druk in Mars door de kleinere massa minder snel toeneemt met de diepte dan in de Aarde, bevinden de fase-overgangen zich in Mars op een grotere diepte. Vanwege de onzekerheid over de precieze diepte waarop de Marsmantel in de Marskern overgaat is het vooralsnog niet duidelijk of de spinel-perovskiet-overgang ook in de mantel van Mars optreedt, of dat de Marsmantel daar gewoon niet dik genoeg voor is. Men denkt dat, net als de aardmantel, de mantel van Mars langzaam convecteert.

De buitenste laag, de korst, bestaat net als de mantel voornamelijk uit ijzer- en magnesiumsilicaten en is gemiddeld ongeveer 50 km dik, met een maximum dikte van ongeveer 125 km.[48] De aardkorst, die gemiddeld 40 km dik is, heeft verhoudingsgewijs naar de grootte van de twee planeten een drie maal zo kleine dikte. Er is een duidelijk verschil in korstdikte van enkele tientallen kilometers tussen het noordelijk en het zuidelijk halfrond. Hiermee gepaard gaat een hoogteverschil van het oppervlak van gemiddeld enkele kilometers. Dit verschijnsel wordt de dichotomie van Mars genoemd.

De langgerekte magnetische anomalieën in de Marskorst.

 Magnetisch veld

Convectie onder invloed van de afkoeling in de vloeibare buitenkern van de Aarde is de oorzaak van het aardmagnetisch veld. Hoewel Mars waarschijnlijk een gedeeltelijk vloeibare kern heeft, heeft Mars tegenwoordig geen actief magnetisch veld meer. Grote delen van de korst van Mars, met name op het zuidelijk halfrond, zijn echter gemagnetiseerd in langgerekte patronen, die doen denken aan de gestreepte afwisselende magnetisatie van de oceaankorst op Aarde bij de naden tussen aardschollen. Het is mogelijk dat deze magnetisatie op Mars net als op Aarde veroorzaakt werd door omkeringen van een magnetisch veld, dat op Mars later verdween. Het magnetisch veld op Mars zou zijn verdwenen door het grotendeels stollen van de metallische kern van Mars.[49] Volgens sommige onderzoekers zijn de langgerekte patronen bewijs dat er ooit platentektoniek op Mars plaatsvond.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Mars_(planeet)

(**)

De steen ligt in de krater Gale, niet ver van de plaats waar in september 2012 sporen van een oud beekje werden gevonden. Mogelijk is het vroeger een riviermonding of een meer geweest. De locatie is niet zo onherbergzaam als andere plekken op Mars, aldus de NASA.

gaatje

De steen voor hij werd aangeboord

Curiosity boorde het gaatje in een steen die NASA de naam ‘John Klein’ heeft gegeven

De situatie voor- en nadat Curiosity zijn boor aanzwengelde. Foto: NASA / JPL-Caltech / MSSS.

De situatie voor- en nadat Curiosity zijn boor aanzwengelde. Foto: NASA / JPL-Caltech / MSSS.

” The rock is made up of a fine-grained mudstone containing clay minerals, sulfate minerals and other chemicals.”

  1. versteende modder, (en  gips/anhydriet )vind je vaak op aarde in gebieden die ooit nat waren .
  2. Er is allang  bewijs van  water gevonden op mars…..Bevroren water ( sneeuw ? ) zelfs

(1) Bouwstenen. Prima.

Er zijn meer planeten waar je deze stoffen kunt vinden. Nu nog een fossiel

*Bewijs van leefbaarheid. Er word dan ook met geen woord gerept over aannames dat er leven was zelfs als blijkt dat alle vereisten daar zijn.

*Als alles indiceert dat er een leefbare periode was en men kan definiëren wanneer dat ook moet geweest zijn (doel van curiosity) dan pas kan men een onderzoek starten (nieuwe expeditite dus) om gericht op zoek te gaan naar sporen van leven.

*Als er fossiele resten toevallig het pad kruisen van curiosity zal hij dat kunnen ontdekken. Het zou erg  mooi zijn dat er op de hellingen van mount sharp iets bloot ligt  door erosie…. al zijn het  (slechts ) erg   kleine simpele gefossiliseerde organismen.

(2) leven gebaseerd op koolstof en wateroplossingen  (gelijkaardig aan ” aardachtig”  leven   ) …..zelfs wat wij     noemen  kunnen martiaans zijn ?  …

  1.  Het is niet zo gemakkelijk iets zo complex als leven te bouwen op basis van iets anders dan koolwaterstoffen, aangevuld met kleine hoeveelheden andere elementen. Theoretisch zou je koolstof misschien kunnen vervangen door silicium, maar dat komt in het heelal veel minder voor. Niet toevallig zitten de elementen in koolwaterstoffen tamelijk laag in het periodiek systeem, en elementen hoger in het periodiek systeem zijn veel zeldzamer in het heelal. Dus als ik zou gokken dan is het eerste buitenaardse leven dat we tegenkomen chemisch verwant aan ons  aards leven

 

 

 

 

 

Leven op Mars mogelijk’

Inge Loes ten Kate

12-3-2013

Gale CraterZeven maanden na de landen, net op een kwart van de missie, en Curiosity heeft het voor elkaar! Het allereerste boormonster buiten de aarde is gemeten én blijkt meteen de belangrijkste vraag van de missie te beantwoorden! Het lijkt er inderdaad op dat leven op Mars mogelijk was.

Boormonsters
Inmiddels alweer een week of wat geleden heeft Curiosity voor het eerst geboord en inmiddels zijn de eerste resultaten binnen. Het monster is gemeten met twee verschillende instrumenten: CheMin, de röntgendiffractometer die mineralen meet, en SAM, de analytische alleskunner met zijn drie instrumenten die door opwarming vrijgekomen gassen in het monster meet.

Wat wisten we al?
De Gale krater
is uitgezocht als werkgebied van Curiosity op basis van allerlei informatie die we vanuit een baan om Mars al vergaard hebben. De belangrijkste redenen om naar de Gale krater gaan, waren aanwijzingen dat er ooit vloeibaar water is geweest en de aanwezigheid van klei en zwavelhoudende mineralen (sulfaten) aan de voet van Mount Sharp.

We wisten dus al dat we waarschijnlijk sporen van water, sulfaten en kleien zouden vinden. Ook wisten we dat het oppervlak van Mars behoorlijk geoxideerd, verroest eigenlijk, is. Vandaar de rode kleur.

Wat willen we weten?
De grote vraag die Curiosity wil beantwoorden is of er ooit leven mogelijk was in de Gale krater. Om deze vraag te beantwoorden, moet je natuurlijk eerst definiëren waaraan een gebied moet voldoen om leefbaar te zijn. Op aarde hebben we inmiddels leven op de meest onlogische plekken gevonden, dus de definitie is behoorlijk breed.

Om een eerste indicatie te krijgen van de leefbaarheid van een andere planeet wordt daarom gekeken naar de omstandigheden waarin de meest voorkomende vormen van leven zich bevinden. Deze omstandigheden zijn onder andere de aanwezigheid van vloeibaar en bij voorkeur zoet water, een neutrale zuurtegraad (pH=7) en de aanwezigheid van een bron van energie en voedsel.

Boorgruis voor analyseLaatste nieuws!


De reden om te boren waar nu geboord is, in de steen ‘John Klein’, was eigenlijk voornamelijk om het hele boorproces te ijken. Uit de metingen is nu gebleken dat John Klein eigenlijk ontzettend interessant is.

John Klein bestaat uit versteende klei doorsneden met aders die gevormd zijn in water. Deze versteende klei blijkt voor zeker 20% te bestaan uit smectiet, een groep kleimineralen die gevormd worden doordat zoet water met bepaalde mineralen (in dit geval olivijn) reageert.

Het water dat hier ooit heeft gestaan was dus waarschijnlijk zoet, niet zout. Verder zijn er calciumsulfaten gevonden. Deze mineralen laten zien dat de grond hier een redelijk neutrale of hooguit iets basische zuurtegraad heeft.

Op de foto is al duidelijk het kleurverschil te zien tussen het geboorde poeder en de omgeving. De omgeving is rood en het poeder is grijzig. Dit betekent dat alleen het oppervlak van Mars geoxideerd is en dat vlak onder het oppervlak de originele mineralen zijn terug te vinden.

Verder zijn ook tijdens de analyses mineralen in verschillende stadia van oxidatie gevonden. Dit is goed nieuws voor de zoektocht naar organisch materiaal. Organisch materiaal kan namelijk worden afgebroken door oxidatie en het lijkt erop dat dit proces direct onder het oppervlak geen rol speelt.

Het is echter ook goed nieuws voor eventuele microbiologie. Deze verschillende oxidatiestadia zorgen voor een energieverschil tussen het oppervlak en er vlak onder. Hiervan kunnen microben gebruik maken om te kunnen leven.

Chemolithoautotrofen
http://standardsingenomics.org/index.php/sigen/article/view/sigs.2456004/713

Chemolithoautotrofen zijn micro-organismen die voeden met energie die ze uit chemische reacties van anorganisch elementen halen. Deze bacteriën hebben geen licht en geen organisch materiaal nodig als voedsel en zouden hier dus prima kunnen groeien. Uiteraard is er nog niets in deze richting ontdekt en ook kan Curiosity dit soort microben niet meten. Dus dit is enkel ter illustratie van wat er (geweest) zou kunnen zijn.

Wat nu?
Na zeven maanden al het doel bereikt, lijkt het wel. Wat gaan we nu de komende anderhalf jaar doen? Dit zijn pas de eerste resultaten van de eerste boring, dus we zullen voorlopig nog veel meer gelijksoortige metingen moeten doen om deze vindingen te bevestigen. En om meer bewijs te vinden in de vorm van andere mineralen.

En ondertussen gaat de zoektocht naar organisch materiaal ook verder, want dat zou een heel belangrijk puzzelstukje toevoegen.

Vóór die tijd moet het geheugen van Curiosity, dat eind vorige maand haperde, weer op volle sterkte werken, maar dat gaat de goede kant op. Als dat eenmaal werkt, is er weer een maand pauze, want in april staat Mars in conjunctie, dat wil zeggen aan de verkeerde kant van de zon. Hierdoor is de hele maand april geen communicatie mogelijk. Dus pas in mei verwachten we weer een boring te kunnen doen en nieuwe resultaten te krijgen

Mount Gale  ontstond door wind, niet door water

Door: Martine Steenvoort
7/05/13 Bron: Volkskrant.nl

Mount Sharp, gefotografeerd door Curiosity. © reuters.

NASA’s Marsrover Curiosity is momenteel op reis naar Mount Sharp. Lange tijd werd gedacht dat de 5,5 kilometer hoge berg ooit werd gevormd door lagen slib. Maar nu suggereren Amerikaanse wetenschappers in een nieuw onderzoek dat de berg helemaal niet door toedoen van water tot stand kwam, maar door wind.

De onderzoekers van de Princeton University en het California Institute of Technology suggereren dat de berg ontstond doordat stof en zand met de wind mee de krater in werden geblazen. Dat concludeerden ze aan de hand van beelden van ruimtesonde Mars Reconnaissance Orbiter (die het oppervlakte van de planeet in kaart brengt).

Wetenschappers veronderstelden eerder dat zich op de plek van Mount Sharp ooit een groot meer bevond. De berg zou zijn ontstaan doordat lagen slib, afkomstig van de bodem van het meer, zich langzaam opstapelden. Hierdoor was de berg een perfecte onderzoekslocatie voor Curiosity.

De Marsrover onderzoekt namelijk of er ooit leven mogelijk is geweest op de planeet en ( het universeel oplosmiddel )water  is een van de stoffen die leven mogelijk maken.

  • Doelen van Curiosity: (Citaat van: http://en.wikipedia.org/wiki/C…)    …….”The rover’s goals include: investigation of the Martian climate and geology; assessment of whether the selected field site inside Gale Crater has ever offered environmental conditions favorable for microbial life, including investigation of the role of water; and planetary habitability studies in preparation for future human exploration.[11][12]“……..

    Als dan nu ineens blijkt dat in de Gale krater geen/weinig water aanwezig geweest zou zijn, is de uitspraak uit het --bronartikel– :…..“The quest to determine whether Mars could have at one time supported life might be better directed elsewhere, he (Kevin Lewis) said.”…… beter te begrijpen.

Uit beelden van de    orbiter blijkt   dat de laagjes waar Mount Sharp uit is opgebouwd niet min of meer plat op elkaar liggen. En dat zou men wel verwachten als de sedimenten afkomstig zijn uit een meer. Met behulp van computermodellen tonen de onderzoekers vervolgens aan dat wind wel kan leiden tot de opeenstapeling van  de  laagjes waar Mount Sharp uit is opgebouwd.

Het is niet ondenkbaar dat zich in een soort gracht aan de voet van de berg ooit water bevond, zo benadrukken de onderzoekers. Maar Mount Sharp zelf heeft nooit onder water gestaan, zo schrijven ze in het blad Geology.

“Onze studie sluit het bestaan van meren in de Gale-krater niet uit, maar suggereert dat het grootste deel van het materiaal waaruit Mount Sharp bestaat door wind is afgezet,” vertelt onderzoeker Kevin Lewis. “Elke dag en nacht heb je te maken met deze sterke winden die op en neer bewegen langs de steile hellingen. En nu blijkt dat het heel natuurlijk is dat een berg zoals Mount Sharp zich in een krater zoals de Gale-krater vormt.”

Stijgende lucht
Doordat het oppervlak van de Rode Planeet overdag opwarmt, stijgt er via de randen van de krater lucht omhoog. In de koelere namiddag keert dit proces zich om en daalt deze lucht. Volgens de onderzoekers neemt deze lucht stof en zand mee, die in het midden van de 154 kilometer brede krater belanden.

Wind stroomt 's ochtends langs de hellingen van de krater krater (rode pijlen) en langs de flanken van Mount Sharp omhoog. 's Avonds draait dit scenario zich om. De blauwe pijlen laten variabele windpatronen op de bodem van de krater zien. Ook de landingsplaats van Curiosity staat op de afbeelding aangegeven (X). Afbeelding: NASA / JPL-Caltech / ESA / DLR / FU Berlin / MSSS.

Wind stroomt ‘s ochtends langs de hellingen van de krater krater (rode pijlen) en langs de flanken van Mount Sharp omhoog. ‘s Avonds draait dit scenario zich om. De blauwe pijlen laten variabele windpatronen op de bodem van de krater zien. Ook de landingsplaats van Curiosity staat op de afbeelding aangegeven (X). Afbeelding: NASA / JPL-Caltech / ESA / DLR / FU Berlin / MSSS.

Is Mount Sharp nu niet meer interessant voor NASA? Volgens onderzoeker Lewis wel

“Ook al ontstond Mount Sharp door wind in plaats van water, de berg bevat waarschijnlijk een grote hoeveelheid aan waardevolle geologische – zo niet biologische – gegevens van de geschiedenis van Mars.

Deze uit sedimenten opgebouwde heuvels kunnen ons nog steeds een beeld geven van de historie van het klimaat op Mars. Linksom of rechtsom bouwen we zo een enorm geschiedenisboek op met daarin alle gebeurtenissen die plaatsvonden terwijl dit  eolische sediment hier werd afgezet. Ik denk dat Mount Sharp ons nog steeds een ongelofelijk verhaal te vertellen heeft. Maar het gaat alleen niet over een meer.”

Curiosity landde in augustus op Mars. De Gale krater is de werkplek van de Marswagen. In oktober en november deed de rover onderzoek bij het gebied Rocknest, waar Curiosity zijn eerste grondmonster nam.

In februari boorde Curiosity een gat in een steen. Na analyse bleek dat er in een ver verleden microbieel leven op de planeet mogelijk is geweest. In de steen werden onder andere sporen van zwavel, stikstof, waterstof, fosfor en koolstof gevonden.

Lees ook

 © afp.

© epa.
New analysis suggests wind, not water, formed mound on Mars” - Princeton.edu

Ook Europa gaat zoeken naar leven op Mars

Na de Amerikanen gaan ook Europa en Rusland zoeken naar sporen van leven op Mars. Samen sturen ze in 2018 een onbemand karretje naar de rode planeet.

14 maart 2013

De verkenner zal gaten van 2 meter diep boren in het oppervlak, op zoek naar antwoorden op de vraag of er ooit leven op Mars is geweest en heel misschien nog steeds is.

De ruimtevaartorganisaties ESA (Europa) en Roskosmos (Rusland) hebben donderdag een contract voor de missie ExoMars ondertekend. In 2016 is er een proefvlucht. Europa en Rusland willen daarbij de technieken voor de reis naar en de landing op Mars testen.

Ook wordt er dan een satelliet in een baan rond Mars gebracht. Die gaat meten hoeveel gassen zoals methaan er in de dampkring van de planeet zijn. Methaan kan van vulkanen komen, maar ook van microben, minieme organismen die mogelijk onder het Marsoppervlak leven.

Rusland levert de raketten voor de beide vluchten naar Mars.

Europa ontwikkelt de satelliet en de lander die in 2016 naar Mars gaan en de verkenner die in 2018 gaat rondrijden.// 14 Europese landen doen  mee  aan de missie.

De ESA werkte tot nu toe samen met de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA, maar die stapte vorig jaar uit het project. De NASA heeft   nml al enkele robot-verkenners op Mars rondrijden.

Flinke Marskrater lijkt ooit gevuld te zijn geweest met water

 21 januari 2013 3

krater

Wetenschappers hebben op Mars een krater gevonden waarin zich waarschijnlijk ooit een meer bevond. De krater is aardig diep en lang geleden zou er grondwater in gestroomd zijn.

Onderzoekers trekken die conclusie nadat ze de krater met behulp van NASA’s Mars Reconnaissance Orbiter (MRO) bestudeerden. De krater heeft een diameter van ongeveer 92 kilometer en is 2,2 kilometer diep. Op de bodem van de krater vonden onderzoekers onder meer carbonaat- en kleimoleculen die alleen in de aanwezigheid van water kunnen zijn ontstaan.

Grondwater
De krater beschikt niet over kanalen die water in de krater konden brengen. Dat suggereert dat het meer gevuld was met grondwater, zo schrijven de onderzoekers in het blad Nature Geoscience. “Al met al voorzien de observaties in de McLauglin-krater ons van het beste bewijs dat carbonaten in een meer ontstonden en dus niet van buitenaf in de krater zijn beland,” stelt onderzoeker Joseph Michalski.

Verschillende lagen op de bodem van de krater laten gesteenten zien die mineralen bevatten die alleen in de aanwezigheid van water kunnen zijn ontstaan. Afbeelding: NASA / JPL-Caltech / University of Arizona.

Verschillende lagen op de bodem van de krater laten gesteenten zien die mineralen bevatten die alleen in de aanwezigheid van water kunnen zijn ontstaan. Afbeelding: NASA / JPL-Caltech / University of Arizona.

Vloeistof
Uit eerder onderzoek was al gebleken dat rotsen onder het Marsoppervlak, die door een meteorietinslag bloot waren komen te liggen, al vroeg in de geschiedenis van Mars van uiterlijk veranderd waren, waarschijnlijk door toedoen van hydrothermale vloeistoffen. “Deze vloeistoffen die gevangen zaten onder het oppervlak kunnen in diepe bassins, zoals de McLauglin-krater regelmatig door het oppervlak zijn gebroken,” merkt Michalski op.

Nu meer bewijs gevonden is dat zich onder het oppervlak van Mars ooit vloeistoffen bevonden, rijst natuurlijk de vraag hoe de omstandigheden daar onder het oppervlak waren. Kon hier leven ontstaan of in stand blijven?

“Dit nieuwe onderzoek en andere studies laten een steeds complexer Mars zien,” stelt onderzoeker Rick Zurek.

“En tonen aan dat sommige gebieden ons beter dan andere gebieden wellicht meer kunnen vertellen over leven (op Mars, red.).”

Bronmateriaal:
Martian Crater Once May Have Held Groundwater-Fed Lake” - NASA.gov
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door High Resolution Stereo Camera (HRSC) / Mars Express / Freie Universität Berlin.

Overtuigend bewijs gevonden dat Mars ooit rivieren bezat

 31 mei 2013  32

stenen

Marsrover Curiosity heeft overtuigend bewijs gevonden dat er ooit rivieren op Mars stroomden. Het wijst erop dat de rode planeet ooit niet zo koud en droog was als nu en vroeger misschien zelfs wel over de ideale omstandigheden voor leven beschikte.

Dat schrijven wetenschappers in het blad Science. Het is niet voor het eerst dat bewijs voor stromend water op Mars wordt gevonden. Eerder lieten satellietbeelden van de planeet al zien dat Mars over een netwerk van kanalen beschikte. Maar dat was geen hard bewijs voor de aanwezigheid van water: de kanalen konden ook wel eens ontstaan zijn door lava. Een analyse van enkele stenen op Mars toont nu echter op overtuigende wijze aan dat de rode planeet ooit rivieren en stroompjes bezat.

Stenen
De onderzoekers bestudeerden stenen die Marsrover Curiosity fotografeerde. De camera’s van Curiosity legden de stenen in kleur vast en beschikken over filters waarmee bepaalde golflengtes licht geïsoleerd kunnen worden, waardoor een foto ons ook meer kan vertellen over de mineralen die op het oppervlak van de planeet te vinden zijn.

Afbeelding: NASA.

Afbeelding: NASA.

Ronde steentjes
Eén van de stenen die Curiosity fotografeerde, ziet u hiernaast. De steen bestaat uit verschillende ronde stenen. Die vorm is interessant. De stenen zijn namelijk zo rond geworden door middel van erosie. Ze erodeerden terwijl ze door stromend water werden meegevoerd. De grootte en oriëntatie van de ronde stenen wijst erop dat ze door één of meer ondiepe, snelstromende rivier(en) zijn meegevoerd. “Deze stenen wijzen erop dat Mars in het verleden warmer was en nat genoeg was om water vele kilometers over het oppervlak van Mars te laten stromen,” stelt onderzoeker Linda Kah.

De rivier
Een verdere analyse van de ronde stenen wijst erop dat deze zeker enkele kilometers door water werden verplaatst. De rivier waarin dat gebeurde, zou minder dan een meter diep zijn geweest. Het water stroomde met een snelheid van zo’n 0,2 tot 0,75 meter per seconde.

De vondst is belangrijk, omdat deze mogelijk ook antwoord geeft op één van de prangende vragen die Mars omringt: was er ooit leven mogelijk op de rode planeet? “Een lange, stromende rivier kan een bewoonbaar gebied zijn,” stelt onderzoeker John Grotzinger. Marswagentje Curiosity heeft de opdracht gekregen om gebieden die bewoonbaar waren en geschikt waren voor de evolutie van leven op te sporen. Toch zal het wagentje zijn reisplan op basis van deze vondst niet aanpassen en dus niet langer bij deze bewijzen stil blijven staan. “Dit gebied is niet de beste plaats om op zoek te gaan naar bewaard gebleven organisch materiaal. Daarom gaan we gewoon (zoals gepland, red.) naar Mount Sharp.” Maar dat wil niet zeggen dat we deze gevonden bewijzen dan maar moeten vergeten. “We hebben ons eerste mogelijk bewoonbare gebied ontdekt.”

Bronmateriaal:
Mars Curiosity Rover Provides Strong Evidence for Flowing Water” - UTK.edu
NASA Rover Finds Old Streambed On Martian Surface” - NASA.gov
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door NASA / JPL-Caltech / MSSS.

zie ook een ouder artikel (2012) over hetzelfde onderwerp :

 http://www.scientias.nl/curiosity-vindt-bewijs-voor-stromende-rivier-op-mars/72924

 

 

kommentaren : 

2012

1) //Update from Curiosity: Gale Crater might be drier than expected        

http://phys.org/news/2012-09-curiosity-gale-crater-drier.htm

2) Er is  bijna  zoveel geweten over Mars als over onze eigenste planeet : Temps, windsnelheden, geo en vulkanologie, waar en zelfs hoeveel ijswater-grondwater-ijs, zandduinen ….

Although the Martian atmosphere is very thin, it is capable of high velocities, driven by temperature differences between sunny and dark areas, and winter and summer regions. Those winds produce many effects. Aside from the extensive erosional features shown just below and at Erosional Features on Mars, winds raise dust devils, dust storms which can cover the entire planet with an impenetrable veil, and create sand dunes and ripples, wind shadows and other features. Pictures of such features are shown below.
http://cseligman.com/text/plan…

Climate of Mars
http://en.wikipedia.org/wiki/C…

http://quest.nasa.gov/aero/pla…

 

Het wil niet zeggen omdat Mars een dunne (zelfs blauwe ) atmosfeer heeft dat dan ook nog eens zo lek als een zift is, er daarom geen wolken mogelijk zijn, laat staan geen wind.
Behalve tijdens en enige tijd na een flinke zandstorm die trouwens flinke wind snelheden kunnen behalen, kleurt de atmosfeer licht tot donker rood-bruin.
Er zijn verschillende temperaturen : Mars heeft ook polen en seizoenen, alles is aanwezig voor stevige winden.
De meeste Marse duinen zijn net als op Aarde ontstaan door wind, net zoals de meeste rotsen en rots formaties, kuilen en kraterranden aangetast zijn door de wind.
En eigenlijk mag ik niet zeggen de wind, want het is in feite een combinatie van zand-grond en wind.
Op Aarde komt daar ook nog eens het water bij, maar op Mars heeft het al voor een paar honderd miljoen tot een paar miljard jaar niet meer geregend.

De meeste sporen van eventueel water boven grond, zijn daarom in de loop der miljarden jaren nagenoeg weggeveegd, door wind-zand en jawel grondverschuivingen-erosie.
Grondverschuivingen kunnen zover ik weet veroorzaakt worden door uitdroging, zand, wind en water erosie.

Ik zeg ook niet dat er geen water-ijs in de krater aanwezig zou zijn, want dat is er weldeglijk al is het diep onder de grond.
Dan is uiteraard de logische conclusie dat daar ooit water is geweest, maar nog niet op de plek of de hoeveelheid waar ze in het huidige artikel mee langs komen, want dat kan ook nog steeds een andere reden hebben.

 

2013 …

(1) Oh ja, en dan is er nog …

Gamma-Ray Evidence Suggests Ancient Mars Had Massive Oceans

“Results from Mars Odyssey and other spacecraft suggest that past watery conditions likely leached, transported and concentrated such elements as potassium, thorium and iron, Dohm said.

“The regions below and above the two shoreline boundaries are like cookie cutouts that can be compared to the regions above the boundaries, as well as the total region.”

The younger, inner shoreline is evidence that an ocean about 10 times the size of the Mediterranean Sea, or about the size of North America, existed on the northern plains of Mars a few billion years ago.

The larger, more ancient shoreline that covered a third of Mars held an ocean about 20 times the size of the Mediterranean, the researchers estimate.

Sporen van oude oceaan ontdekt op Mars

07 februari 2012  3

Een ruimtesonde heeft op Mars overtuigende sporen gevonden die erop wijzen dat zich op de planeet ooit een oceaan bevond.

Eerder troffen de onderzoekers op Mars al resten aan die deden denken aan een kustlijn. Binnen die kustlijnen heeft de Mars Express – een ruimtesonde van ESA – nu sedimenten gevonden die erop wijzen dat zich hier ooit daadwerkelijk een oceaan bevond.

Versterken
Wetenschappers vermoeden al langer dat Mars ooit oceanen bezat, maar de bewijzen die daarvoor werden aangedragen zijn niet zo overtuigend. Deze nieuwe ontdekking van de Mars Express versterkt de bewijzen en doet toch vermoeden dat de wetenschappers het bij het juiste eind hebben.

Twee oceanen

Wetenschappers vermoeden dat Mars twee oceanen heeft gehad. De ene ontstond vier miljard jaar geleden toen het veel warmer was op Mars. De andere oceaan ontstond zo’n drie miljard jaar geleden door een inslag. De inslag zorgde ervoor dat ijs smolt en zo ontstonden riviertjes die allemaal leidden naar lager gelegen delen op Mars. Daar ontstond een oceaan.

Sediment
De sedimenten die de Mars Expressaantrof, bevinden zich op een diepte van zo’n zestig tot tachtig meter onder het oppervlak van Mars. Ze hebben een beperkte dichtheid. Dat wijst erop dat het materiaal door water geërodeerd en meegevoerd is. “We interpreteren deze als afzettingssedimenten met mogelijk ijs,” vertelt onderzoeker Jérémie Mouginot.

Kort
De oceaan was waarschijnlijk maar een kort leven beschoren. Binnen een miljoen jaar bevroor het water weer of verdampte het. De kans dat de oceaan het ontstaan van leven bevorderde, is dan ook klein. Daarvoor was deze er te kort, zo concluderen de onderzoekers. Hun werk staat in schril contrast met een eerdere studie waaruit bleek dat vloeibaar water nog veel korter op Mars stroomde. Wetenschappers concludeerden onlangs namelijk nog dat er vanaf het ontstaan van Mars slechts hooguit 5000 jaar op rij vloeibaar water op de planeet zou zijn voorgekomen.

Desalniettemin kunnen wetenschappers deze kwestie nu verder gaan onderzoeken. Want deze nieuwste constatering brengt weer nieuwe vraagstukken met zich mee. Bijvoorbeeld: waar is het water dat ooit zo rijkelijk op Mars voorkwam nu precies gebleven?

Bronmateriaal:
ESA’s Mars Express radar gives strong evidence for former Mars ocean” - ESA.int
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door ESA / C. Carreau.

Altruisme

GLOS A   

BREIN EN EVO  INHOUD     

°

De lieve natuur

Brein & Gedrag

Nice guys finish last?

Biologen en psychologen vinden steeds meer bewijs dat samenwerking en hulpvaardigheid een essentiële rol spelen in de evolutie.

*Baby’s van 14 maanden proberen al mensen te helpen. Makaken delen hun banaan en doen daar zelfs moeite voor. En ook onder bacteriën heb je onbaatzuchtige varianten. .

De natuur is wreed, zo zijn we gewoon te denken. De evolutie wordt gedreven door competitie, en daarom zijn mensen, dieren en planten voortdurend in een strijd op leven en dood verwikkeld.

Aardig zijn voor anderen is verspilde energie, en verkleint je eigen kansen op overleving en voortplanting.

°
Of toch juist  niet?

bioloog JordiVan Gestel bestudeert onbaatzuchtige bacteriën aan Harvard en Groningen, en Bijma probeert in Wageningen doorgefokte kannibaalse kippen weer lief te maken.

Uit hun onderzoek blijkt dat niet alleen competitie, maar ook samenwerking een essentiële rol speelt in de evolutie.

°
Hoe is altruïsme ooit ontstaan?

Onderzoekers die daar antwoord op proberen te geven.

Psycholoog Ulf Liszkowski denkt dat hulpvaardigheid is aangeboren, hij ziet bij baby’s van 14 maanden al dat ze naar dingen wijzen om anderen te helpen

Dat is veel vroeger dan men in eerder onderzoek kon aantonen

00:24 / 25:57

—>  Liszkowski cs tonen aan dat kinderen van anderhalf Theory of mind hebben. De onderzoeksopzet lijkt me niet waterdicht. Omdat er getest wordt met een speeltje, kan het eigen belang zijn van het kind om het verwisselde speeltje aan te wijzen en geen altruisme. Beter zou zijn als er gewerkt wordt met twee objecten, een speeltje voor het kind en een object dat alleen betekenis heeft voor een volwassene (bijvoorbeeld een smart phone). Als de peuter na verwisseling de volwassene helpt het `volwassen` object te vinden, dan houd het wel steek..

°

Kapucijnaap socialer dan kleuter

Kind deelt pas snoep vanaf zijn zevende

Als het voor een kapucijnaap niet uitmaakt voor hoeveel hij zelf krijgt..
Als het voor een kapucijnaap niet uitmaakt voor hoeveel hij zelf krijgt..
     kapucijnaap…geeft hij graag ook wat lekkers aan zijn buurman.

Apen halen bevrediging uit het delen met anderen. Kinderen ook, maar wel pas vanaf een jaar of zeven.

Mensen vinden het fijn als iedereen evenveel krijgt. Als er getrakteerd wordt, omdat iemand jarig is, wordt de taart in acht zo gelijk mogelijke stukken verdeeld. Ook de fles cola wordt zo precies mogelijk over de beschikbare glazen leeggeschonken. We willen namelijk niet dat iemand anders meer krijgt, maar het voelt ook niet goed om zelf het grootste stuk te pakken.
°
Dat dit soort gedrag bevorderlijk is voor de samenwerking in grote groepen spreekt voor zich, maar wanneer ontwikkelt het zich precies bij kleine kinderen? Dat vroegen Ernst Fehr van de universiteit van Zurich en zijn collega’s zich af.
Ze besloten 229 Zwitserse kinderen tussen de drie en acht jaar aan een onderzoek te onderwerpen. Hun resultaten verschijnen deze week in Nature.
De kinderen kregen de keuze tussen twee opties: een snoepje krijgen terwijl een ander kind er ook een krijgt, of een snoepje krijgen terwijl de ander er geen krijgt.
Kinderen van drie en vier jaar kon het duidelijk niks schelen of de ander ook wat kreeg. Ze kozen net zo vaak voor de sociale optie, waarbij de ander ook wat kreeg, als voor de asociale, waarbij de ander niks kreeg.
Ze maakten daarbij amper onderscheid tussen kinderen die uit hun eigen groep kwamen en onbekende kinderen. Kinderen van een jaar of zeven gedroegen zich een stuk socialer. Ze kozen massaal voor de optie waarbij de ander ook een snoepje kreeg, vooral als het een kind uit de eigen groep betrof.
°
En zelfs als ze de keuze hadden om alle snoep voor zichzelf te houden, kozen ze er toch voor om te delen met een kind dat ze kenden. Alleen als zo’n kind meer zoetigheid dreigde te ontvangen dan zijzelf, waren ze ineens niet meer sociaal, dan gaven ze het andere kind niks. Blijkbaar houden kinderen er vanaf deze leeftijd van om alles zo eerlijk mogelijk te delen met hun vrienden, concluderen Fehr en zijn collega’s. Met dit sociale gedrag zouden mensen zich onderscheiden van apen.
°
Geen enkel dier behalve de mens is altruïstisch, menen sommige onderzoekers.
°
De Nederlandse primatoloog Frans de Waal van Yerkes National Primate Research Centre in Atlanta gelooft daar niks van.
°
Hij besloot eenzelfde experiment uit te voeren met vrouwelijke kapucijnaapjes.
Zijn resultaten publiceert hij deze week in PNAS.
De aapjes kregen de keuze om een andere aap een stukje appel te geven, of om dat niet te doen. Deze keuze had geen invloed op de hoeveelheid fruit die ze zelf kregen.
Net als zevenjarige kinderen gaven de aapjes graag aan de ander als ze haar kenden.
Tegenover onbekende apen gedroegen ze zich stukken minder sociaal. En als een andere aap meer dreigde te ontvangen dan zij, gedroegen de aapjes zich jaloers; dan gaven ze de ander niks.
Volgens de Waal is dit soort altruisme bij dieren vooral gebaseerd op empathie en komt er weinig berekening bij kijken.
De Waal: “Het is geen calculatie, dat is veel te cognitief”.
De primatoloog denkt ook dat dat de reden is dat apen zich ineens niet meer sociaal gedragen als er een schot wordt geplaatst tussen henzelf en de andere aap.
“Ze weten nog steeds welke aap er achter het schot zit, maar blijkbaar moeten ze de andere aap kunnen zien eten om bevrediging te halen uit hun sociale gedrag”.
Bij mensen maakt zo’n schot geen verschil, die blijven zich dan wel sociaal gedragen. “Dat komt doordat ze een groter voorstellingsvermogen hebben dan een aap”, meent De Waal. “Mensen kunnen ook bevrediging halen uit geld geven aan goede doelen, zonder dat ze zien dat een kind in Afrika ook daadwerkelijk te eten krijgt van hun besteding.
Of aapjes hun eten delen omdat ze het gezelliger vinden om samen te eten, of omdat het zien eten van een andere aap bevredigend voor ze is, kan de Waal nog niet zeggen.
Of zouden apen, net als kinderen, het gewoon belangrijk vinden dat iedereen evenveel krijgt?
“Dat klopt wel met de proefjes”, zegt de Waal, “hoewel een aap zich er geen zorgen over maakt als hij zelf meer krijgt dan een ander”. Het dier pakt wel gewoon het grootste stuk taart.
  Een kleuter interesseert het niet of een ander ook wat krijgt
    eten // Pas vanaf een jaar of zeven willen kinderen dat hun vrienden net zoveel krijgen als zijzelf, als het voor hun eigen opbrengst niet   uitmaakt.
°

Driejarige weet al wat eerlijk delen is, maar doet het pas op zijn zevende

21 maart 2013  

driejarige

Driejarigen kennen de regels met betrekking tot delen al, maar blijven daarna nog jaren egoïstisch. Pas op hun zevende gaan ze de regels ook echt toepassen en eerlijk delen. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek.

Wetenschappers verzamelden kinderen die tussen de drie en acht jaar oud waren. De kinderen werden in twee groepen ingedeeld. Een deel van de kinderen nam zitting in een groep die de onderzoekers ‘Self-Share/Other-Norm group‘ noemen. De rest van de kinderen zat in de ‘Self-Norm/Other-Share group‘.

Self-Share/Other-Norm
Kinderen in de eerstgenoemde groep kregen vier stickers.De onderzoekers vertelden de kinderen dat de stickers aan de kinderen toebehoorden en dat ze zelf mochten weten of ze deze wilden houden of met een ander kind wilden delen. De stickers die ze aan een ander kind wilden geven, moesten ze in een envelop doen. Daarna gaven de onderzoekers een envelop aan de kinderen en vertelden ze dat daar de stickers inzaten die een ander kind met ze wilde delen. De onderzoekers vroegen de kinderen hoeveel stickers het andere kind in de envelop zou moeten hebben gestopt.

Resultaten
Kinderen die drie of vier jaar oud waren, deelden hun stickers vaak niet eerlijk. Ze gaven in vergelijking met vijf- en zesjarigen aanzienlijk minder vaak de helft van hun stickers weg. Maar wanneer onderzoekers de kinderen vroegen hoeveel stickers een ander kind aan ze moest geven, wisten alle kinderen – ongeacht hun leeftijd – dat precies aan te geven. Namelijk: de helft, oftewel twee stickers.

Self-Norm/Other-Share
Ook de kinderen in de Self-Norm/Other-Share group namen deel aan een experiment. Ze kregen vier stickers en moesten vervolgens voorspellen hoeveel van die stickers ze weg zouden geven als ze de gelegenheid kregen om hun stickers te delen. De kinderen die zeven of acht jaar oud waren, voorspelden dat ze hun stickers eerlijk zouden delen. Drie- en vierjarigen voorspelden dat ze meer stickers voor zichzelf zouden houden.

Vraag
Dit laatste experiment beantwoordt een vraag die het eerste experiment oproept. In het eerste experiment zien we namelijk dat jonge kinderen weten wat eerlijk delen is, maar dat ze dat vervolgens niet doen. De vraag is of ze oprecht de intentie hadden om stickers eerlijk te delen, maar dat op het moment dat het echt moest gebeuren, toch niet konden. Het tweede experiment laat zien dat dat niet het geval is. Jonge kinderen weten wat de norm is, maar hebben niet de intentie om zich aan die norm te houden.

Het onderzoek toont in ieder geval aan dat jonge kinderen (vanaf een jaar of drie) weten wat het is om eerlijk te delen. Het belang dat ze aan eerlijk delen hechten, is dan echter nog beperkt, maar neemt toe naarmate ze ouder worden.

°

WIST U DAT…

…driejarigen niet geven wat u vraagt, maar wat u nodig heeft?
°
Bronmateriaal:
I Should but I Won’t: Why Young Children Endorse Norms of Fair Sharing but Do Not Follow Them” - PLoSONE.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door xx (cc via Flickr.com).
°
Arianne Hinz Frans de Waal, Kristin Leimgruber, Amanda Greenberg, “Giving is self-rewarding for monkeys”, PNAS, 26 augustus 2008 Ernst Fehr, Helen Bernhard, Bettina Rockenbach, “Egalitarianism in young children”, Nature, 28 augustus 2008

°

Primatenonderzoeker Liesbeth Sterck zag bij makaken dat zij hun eten willen delen en zich daar zelfs voor inspannen. 

°

Chimpansee lijkt toch gevoel voor rechtvaardigheid te

hebben

 15 januari 2013  5

chimpansee

Een nieuw experiment onder chimpansees wijst erop dat de mensapen toch een gevoel voor rechtvaardigheid hebben. De resultaten zijn best verrassend. Wetenschappers gingen er lang vanuit dat een rechtvaardigheidsgevoel een echt menselijk trekje was.

Wetenschappers van de Emory University lieten chimpansees een spel spelen: Ultimatum Game. Dit spel wordt ook vaak gebruikt om het rechtvaardigheidsgevoel van mensen vast te stellen. In het spel moet één individu een beloning delen met een ander individu. Pas als het andere individu met de verdeling akkoord gaat, ontvangen beiden hun deel van de beloning. “Mensen delen over het algemeen heel royaal,” vertelt onderzoeker Darby Proctor. “Ze geven bijvoorbeeld vijftig procent van hun beloning aan hun partner.” Verrassend genoeg delen ook chimpansees royaal.

Chimpansees en kinderen
De onderzoekers vergeleken hoe chimpansees en kinderen (tussen de twee en zeven jaar) tijdens een aangepast Ultimatum Game presteerden. Tijdens het spel moest een individu tussen twee verschillend gekleurde fiches kiezen die – met behulp van een partner – ingewisseld konden worden voor een beloning (voedsel voor de chimpansees en een sticker voor de kinderen). Eén fiche zorgde ervoor dat beide individuen een even grote beloning kregen, terwijl een ander muntje degenen die het muntje uitkozen een beetje extra beloonde (en de partner dus minder kreeg). De fiches konden worden omgezet in een beloning doordat de partner deze inwisselde (en dus zo instemde met de keuzes die het eerste individu maakte). Zowel de chimpansees als de kinderen reageerden zoals volwassen mensen dat normaliter doen. Wanneer ze de hulp van de partner nodig hebben om hun beloning te innen, kiezen ze een muntje dat ervoor zorgt dat de beloning eerlijk verdeeld wordt. Als de partner het aanbod van het individu niet kon weigeren, kozen zowel kinderen als chimpansees voor de meest egoïstische optie: het muntje dat ze de grootste beloning op zou leveren.

Dezelfde voorkeuren
“Tot wij dit onderzoek deden, dachten economen (die dit spel veel gebruiken, red.) dat dit spel niet met dieren gespeeld kon worden of dat dieren tijdens het spelen voor de meest egoïstische optie zouden gaan,” vertelt onderzoeker Frans de Waal. “Wij concluderen dat chimpansees niet alleen heel dicht bij het rechtvaardigheidsgevoel van mensen in de buurt komen, maar dat de dieren ook exact dezelfde voorkeuren hebben als onze eigen soort.”

Samenwerking
En daarmee lijkt bewezen dat chimpansees een gevoel voor rechtvaardigheid hebben. Ergens is dat ook wel logisch, zo stellen de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences. Chimpansees werken in het wild nauw met elkaar samen en moeten ook wel gevoelig zijn voor de verdeling van beloningen willen ze voordeel kunnen halen uit die samenwerking met anderen.

Het onderzoek suggereert dat de aversie die mensen hebben tegen oneerlijk gedrag al heel oud is. Dit onderzoek wijst er namelijk op dat de voorouder die chimpansees en mensen delen al een afkeer had jegens onrechtvaardigheid.

Bronmateriaal:
Chimpanzees successfully play the Ultimatum Game” – Emory University (via Eurekalert.org).
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door William Warby (cc via Flickr.com).

http://www.scientias.nl/?s=-+chimpansee+samenwerking&x=19&y=10

°

Goed en kwaad

Kunnen dieren ‘goed en kwaad ‘van elkaar onderscheiden? Lees er hier alles over!
°

Evolutie en samenwerking

Gijsbert Werner MSc.
Promovendus Departement Dierecologie
Vrije Universiteit Amsterdam

Evolutie van samenwerking

Hoewel traditioneel bekender uit vakgebieden als de economie en de politicologie, houdt het onstaan van samenwerking ook in de biologie de gemoederen bezig. De natuur staat bol van de samenwerkingsverbanden, binnnen én tussen soorten. Stokstaartjes waarschuwen luid voor naderende roofdieren en vergroten daarmee de kans zelf slachtoffer te worden. Planten en schimmels wisselen voedingstoffen uit die de partner, op een zogeheten ‘biologische markt’. Bacteriën scheiden gezamenlijk speciale moleculen uit om ijzer te binden, broodnodig voor bacteriële groei.

Vanuit een evolutionair oogpunt zijn veel van dergelijke verschijnselen op het eerste gezicht een raadsel. Want waarom zou je eigenlijk meedoen, als je ook anderen voor de kosten kan laten opdraaien?

Voor een bacteriële gemeenschap zijn ijzerbindende moleculen een publiek goed: iederen profiteert ervan, terwijl individuën de productiekosten dragen. Waarom dan niet parasiteren op de samenleving?

Er is een groot aantal theoretische oplossingen voor dergelijke problemen. Zo zou samenwerking verklaard kunnen worden als het vooral gericht is op nauwe verwanten, of als groepen onder grote externe druk staan en conflicten binnen de groep onderdrukt worden.

Minimalisatie van de genetische diversiteit tussen samenwerkers, straffen voor defectors of juist beloningen voor samenwerkers, alleen samenwerken met andere samenwerkers op basis van wederkerigheid en directe hormonale manipulatie zijn slechts enkele van de vele mechanismen die zijn voorgesteld om het probleem van samenwerking op te lossen. In 2005 noemde het Amerikaanse tijdschrift Science de evolutie van samenwerkingsgedrag dan ook één van de grote openstaande wetenschappelijke vragen.

Recentelijk beginnen evolutiebiologien inzicht te krijgen in hoe belangrijk dergelijke mechanismen nu daadwerkelijk zijn in verschillende samenlevingen. Zo weten we sinds dit jaar dat de biologische markt tussen sommige schimmels en planten stabiel blijft doordat beide partners direct reageren op een verminderde samenwerking van de andere partij. Zowel de schimmels als de planten kunnen detecteren welke handelspartner eerlijk teruggeeft in ruil voor geleverde voedingstoffen, en welke louter parasiteert. Vervolgens wordt ervoor gezorgd alleen nog voedingstoffen te dirigeren naar die partners die goede partners zijn gebleken. Een experiment in bacteriële gemeenschappen liet zien dat het ondrukken van onderlinge competitie tussen bacteriën het voordeel van cheating kan wegnemen, en productie van een publiek goed bevordert.

In slijmzwammen die als individuële cellen én als een samenwerkingsverband van vele individuën kunnen leven, werd aangetoond dat verwantschap en het beperken van genetische diversiteit binnen een groep cruciaal is voor stabiele samenwerking.

De vraag die Science zeven jaar geleden stelde, begint dus langzaam steeds meer beantwoordt te raken, hoewel een algemeen inzicht in de stabiliteit van samenwerking nog ver weg is. Dat betekent niet dat we biologische samenwerking volledig begrijpen. Waar sommige theoretisch voorspelde mechanismen om samenwerking te behouden inderdaad worden gevonden, en andere discutabeler zijn, weten we nog nauwelijks welke factoren bepalen wat voor mechanismen een rol spelen. Waarom zijn sommige organismen wel in staat tot samenwerking op basis van wederkerigheid, terwijl andere vertrouwen op samenwerking met verwanten, en weer andere op straffen?

We hebben nog slechts een basaal begrip van de omgevingsfactoren, genetische invloeden en mogelijkerwijs historische factoren die dergelijke evolutionaire keuzes bepalen. In het verlengde daarvan ligt een meer toekomstgerichte vraag: in hoeverre zijn biologische samenwerkingsverbanden bestand tegen veranderingen in deze factoren? Juist samenwerkingsverbanden zijn vaak heel specifiek geöptimaliseerd voor omgevingsfactoren als beschikbaarheid van voedingsstoffen. Het is nog een open vraag of biologische samenwerking kwetsbaarder zal blijken voor klimaatverandering en global change, of juist bijdraagt aan de weerstand daartegen.

Recente vooruitgang in de evolutiebiologie van samenwerking laat in ieder geval zien dat ook relatief simpele organismen tot geavanceerde vormen van samenwerking, en bijhorende controlemechanismen, in staat zijn. Maar al te vaak wordt in de economie, sociologie of politicologie (impliciet) verondersteld dat cognitieve vermogens als planning, geheugen en reputatie onmisbaar zijn voor stabiele samenwerking. Het is begrijpelijk dat mensen, als denkende wezens, al snel geneigd zijn dergelijke mechanismen als cruciaal te zien, maar de biologie laat zien dat veel vormen van samenwerking in een samenleving ook prima zonder kunnen. Niet alleen politiek, planning en instituties, maar ook evolutie is prima in staat samenwerking te produceren.

Tegelijkertijd is een waarschuwing op zijn plaats. Biologische voorbeelden van samenwerking worden maar al te vaak aangehaald als bewijs dat het leven, en dus de mens, van nature altruïstisch is. Zo’n interpretatie is te kort door de bocht. Biologische markten en samenwerkingsverbanden zijn dan wel stabiel, dat wil niet zeggen dat ze eerlijk of wenselijk zijn: om zwakke individuën wordt niet snel omgekeken en de uitkomst is niet per se optimaal voor het collectief.

Is impliceert niet ought zei Hume al, en hoewel biologische markten en biologische samenwerking wellicht als inspiratie kunnen dienen, zitten juist mensen in de unieke situatie actief in te kunnen grijpen in de uitkomst van evolutie om omgewenste uitkomsten te voorkomen.

°

Chimpansees  kunnen net als mensen strategisch samenwerken

© ap.

19/03/13 – 14u35  Bron: Belga

Chimpansees zijn echte teamspelers. Ze kunnen net als mensen strategisch samenwerken om een bepaald doel te bereiken. Dat heeft een Duits-Brits team van onderzoekers ontdekt.

De wetenschappers gaven twee chimpansees de taak om druiven uit een kist te halen. Daarvoor kreeg een van de apen twee werktuigen. De andere aap kreeg niets. Om de taak tot een goed einde te brengen, moest de ene aap een werktuig delen met de andere.Tien van de twaalf chimpansees gaf zijn soortgenoot een werktuig en in 73 procent van de gevallen was dat zelfs het juiste gereedschap. Dat meldt de Britse Warwick Business School (WBS) in een mededeling.  De onderzoekers concluderen daarom dat mensapen net als mensen strategisch kunnen samenwerken om een bepaald doel te bereiken.Alicia Melis van de WBS en Michael Tomasello van het Max Planck Instituut voor evolutionaire antropologie in Leipzig stellen het onderzoek voor in ‘Biology Letters‘ van de Britse Royal Society .
°

Robots

Robots simuleren evolutie van altruïsme

De evolutie van altruïstisch gedrag bestuderen is lastig. Je hebt er honderden generaties voor nodig. Zwitserse wetenschappers vonden de oplossing voor dit probleem. Zij gebruikten simpele robotjes om de evolutie van altruïsme te simuleren.

Je eigen belang opofferen voor het belang van de groep. Het lijkt volledig in strijd met Darwins ‘survival of the fittest’, maar zulk altruïstisch gedrag komt in de natuur toch regelmatig voor. Een goed voorbeeld is de werkermier. Zo’n mier is zelf altijd steriel en kan dus geen genen doorgeven aan de volgende generatie. In plaats daarvan helpt de werkermier de koningin van het nest bij het doorgeven van haar genen. Maar waarom?

In 1964 formuleerde de Britse bioloog William Donald Hamilton een regel (‘Hamiltons rule’) die de evolutie van altruïstisch gedrag kan verklaren. Als een dier voedsel deelt met soortgenoten reduceert het zijn eigen overlevingskansen. Het delen van voedsel brengt dus kosten (c, van ‘costs’) met zich mee. Tegelijkertijd vergroot het dier door voedsel te delen wel de overlevingskansen van zijn soortgenoten (b, van ‘benefit’). Volgens de regel van Hamilton zal het dier zijn voedsel alleen delen als de genetische verwantschap (r, van ‘relatedness’) tussen hem en zijn soortgenoten groot genoeg is. In formule: r x b > c.

Robots

De robotjes die Keller en Floreano gebruikten om de evolutie van altruïsme te simuleren. Afbeelding: © EPFL/Alain Herzog

http://www.kennislink.nl/publicaties/robots-schijnen-licht-op-evolutie-van-altruisme

  • Door: Marc Seijlhouwer

File:The Alice microrobot.jpg

Markus Waibel

Dit is het robotje waarmee het onderzoek is gedaan. Slechts twee bij twee centimeter groot, maar enorm slim. Tenminste, nadat je zijn programma 500 generaties laat doorlopen.

De regel van Hamilton: voor familie offer je je eerder op dan voor vreemden.

Robots bewijzen het nu. Als die zich evolutionair ontwikkelen, worden ze op een gegeven moment vanzelf opofferingsgezind. Een mooie ontdekking, maar is het onderzoek wel goed gedaan?

Je helpt je familie eerder dan dat een vreemde mevrouw op straat. Dat is logisch, het is immers je familie. Je kent ze en je geeft om ze. In de jaren zestig zei William Hamilton dat dit idee zelfs evolutionair bestaat: je offert je op voor je familie, omdat jouw genen, die ook in je broers en zussen zitten, dan in ieder geval blijven bestaan. Maar onlangs is er nogal wat reuring ontstaan over dat idee. Heeft Hamilton nu gelijk of niet?

Wel, zeggen Zwitserse wetenschappers nu. Ze hebben het getest, met robots.

Robotevolutie
Waarom met robots? Het evolutionair altruïsme moet langzaam ontstaan binnen de soort.

Heel erg langzaam. Het is praktisch onmogelijk om zoveel generaties achter elkaar een gemeenschap van dieren te bekijken. Maar robots, die draaien op programma’s. En dankzij genetische algoritmes, computerprogramma’s die de evolutie nabootsen door willekeurig delen van het programma te veranderen, kan je de ontwikkeling van een soort in no-time nabootsen.

En dat is dus ook wat Markus Waibel, Dario Floreano en Laurent Keller deden. Ze simuleerden een situatie uit de natuur, door robots kleine blokjes te laten vinden die voedsel voor moesten stellen. ‘We begonnen met robots die zomaar wat deden. In de loop van de vijfhonderd generaties werden ze steeds slimmer. Aan het einde konden ze voedsel herkennen, oppakken en transporteren naar hun nest, zonder fouten te maken.’ vertelt Waibel. En ze deelden dus ook voedsel met hun familieleden.

Noorderlicht - Hamilton© Wikipedia,  
William Donald Hamilton, de evolutionair bioloog wiens regel over genetisch altruisme nu onderzocht is door de Zwitserse wetenschappers

Delen met je broertjes
Die familieleden van de robots werden gecreëerd door de ‘genen’ van de robotjes aan te passen. Robots hebben natuurlijk geen genen, maar door het programma waarop de robots liepen aan te passen, konden robots wel meer op elkaar lijken. ‘We maakten klonen, die precies hetzelfde programma hadden. Ook maakten we broertjes en zusjes van robotten, door het programma wel aan te passen, maar ook voor een groot deel overeen te laten komen. En er waren complete vreemden, die niets aan overeenkomst hadden met andere robots.’

Door zulke familiebanden in te bouwen werd het mogelijk om het altruïsme te onderzoeken. Robots kregen, nadat ze voedsel hadden verzameld, de optie om het voedsel te delen, of zelf te houden. En ja hoor, na vijfhonderd generaties, toen er genoeg tijd voorbij was om te evolueren, vertoonden de robotjes tekenen van altruïsme. ‘Het onderzoek toont aan dat altruïsme niet, zoals nog wel eens gedacht wordt, altijd in één specifiek gen aanwezig hoeft te zijn. Onze robots hadden een heel simpel genetisch profiel en ontwikkelden toch altruïsme,’ aldus Waibel.

Goed onderzoek?
Hoewel er nu dus, in een simulatie van de natuur, is ontdekt dat Hamilton’s regel klopt, zullen er vast nog wel discussies blijven bestaan. De familie-robotjes werden bij het onderzoek bijvoorbeeld allemaal in dezelfde groep gestopt, waarin geen niet-familie aanwezig was. Het is dus onbekend hoe de robots die altruïsme kennen, zouden reageren op vreemden.

Collega’s van andere universiteiten hebben ook nogal wat kritiek op het onderzoek. De manier waarop het onderzoek was ontworpen deugt niet, en de instelling van de wetenschappers zou bevooroordeeld zijn. En het gebruik van robots is niets meer dan een cool dingetje, dat niets toevoegt aan het onderzoek. Normaal gesproken wordt dergelijk onderzoek met genetische algoritmes gewoon met simulaties op een computer gedaan, en dat werkt net zo goed.

Dus een onomstotelijk bewijs voor Hamilton’s regel, dat is dit onderzoek helaas niet. Of altruïsme inderdaad in de genen zit, en speciaal voor familie geldt, daar zal dan ook nog lang over worden gekibbeld.

………………………….

Tot nut van het algemeen

DOOR DIRK DRAULANS / Knack – 19-03-2008

In veel gevallen heeft    gierigheid en  vrijgevigheid  veel minder te maken met het veiligstellen van de overlevingskansen, dan wel met het afbakenen van de rangorde.

Babbelaars vertonen,,een obsessieve aandacht voor status, en ze zijn zich er scherp van bewust dat altruïsme een favoriete manier is om die te tonen”, schrijft Richard Conniff in zijn boek Beestachtig rijk .

Hun altruïsme is eenrichtingsverkeer, want geven is een eer en krijgen een schande. In de negentiende-eeuwse klassemaatschappij bestonden dergelijke sociale mechanismen ook

Conniff vertelt het apocriefe verhaal van de bankier Jacob de Rotschild, die zich op vraag van de Franse schilder Delacroix in lompen had gehuld om als bedelaar te poseren. Een argeloze vriend van de schilder gaf de sukkelaar wat muntjes. Rothschild liet die aalmoes vervolgens door een bediende in livrei terugbetalen. Hij stak de schildersvriend het luttele bedrag van 10.000 franc toe.

Chimpansees.

Bonobo’s lijken op chimpansees, alleen hebben ze langer haar en zijn ze slanker gebouwd. ,,Zelfs chimpansees zouden moeten toegeven dat bonobo’s meer stijl hebben”, schrijft de primatoloog Frans de Waal in Bonobo: the forgotten ape . Hoewel ze genetisch voor 99,3 procent identiek zijn, gedragen ze zich op een tegengestelde wijze.

Chimpansees leven in groepen die gedomineerd worden door brutale mannetjes, die hun wijfjes treiteren, op een repetitieve wijze seks bedrijven en geregeld hun moordzucht botvieren op hun buren. Bonobo’s leven daarentegen in matriarchale groepen waar spanningen gesmoord worden in zachtaardige, inventieve seksorgieën.

De Waal ziet het zo: ,,De chimpansee lost seksuele problemen op met macht en de bonobo lost machtsvraagstukken op met seks.”(overigens komt agressie en zelfs moord ook bij bonobo’s voor )

Zullen we het er maar op houden dat mensen uit de twee ruiven eten?

Ook de chimpansee die probeert om de macht te behouden, reageert niet alleen door erop te kloppen. De beroemde studies van De Waal tonen tegelijk aan dat de onderlinge verhoudingen bij chimpansees en bij bonobo’s net zo complex en gelaagd zijn als bij mensen.

Onderzoekers constateren bijvoorbeeld ook ,,doorgeleide agressie”: het sociale fenomeen waarbij de hogere in rang zijn frustraties afreageert naar onderen en waarbij in het eindstation een toevallig passerende straathond een trap krijgt van de onderste op de sociale ladder.

Bij alle primaten blijkt sociale intelligentie heel belangrijk te zijn om zich te handhaven in de groep en te klimmen op de sociale ladder. Vooraanstaande chimpansees huldigen een soort noblesse oblige: ze schijnen in te zien dat het delen van voedsel en andere zaken een manier is om prestige en de steun van lager geplaatste individuen te verwerven.

Dominante exemplaren van primatengroepen kunnen hun verheven status het best in stand houden — en er tegelijk het meest van genieten — als ze zich de belangen van hun ondergeschikten aantrekken.

Dat verklaart waarom dictators in Afrika van het type opperstamhoofd zich decennialang ongestoord in weelde konden wentelen als ze hun onderdanen maar af en toe een presentje toewierpen en hier en daar een beetje aan liefdadigheid deden. Toen de Sovjet-Unie en het westen na de Koude Oorlog niet langer tegen elkaar opboden met leningen en ontwikkelingsprojecten, werd dat steeds moeilijker.

Maar het grote verschil blijft natuurlijk dat geen enkele andere mensaap voedsel opslaat voor de winter en zo een begin maakt met de opbouw van een vermogen. Alleen mensen kunnen rijk zijn en daar hun status en seksuele aantrekkingskracht aan ontlenen. Dieren kunnen wel voedsel en soms ook dingen delen, ze kunnen elkaar vlooien, knuffelen en zoenen: maar pakjes geven heeft binnen hun sociale rituelen geen plaats.

Toch is het goed even aan de vampiers te denken als u straks van iemand een cadeautje krijgt. Als die geven, nemen ze aan dat de ontvanger de onuitgesproken deal aanvaardt om ooit terug te betalen. Of denk aan de chimpansee, die alleen maar aardig is omdat hij streeft naar meer macht en paarkansen. Of aan de nietige babbelaartjes, die er uitsluitend op uit zijn hun hogere status te bevestigen. Vrijblijvend een cadeautje geven gewoon omdat we iemand graag zien, dat bestaat in evolutionaire termen niet

Als u geen bijbedoelingen hebt, dan uw ,,zelfzuchtige genen” zeker wel

°

Zou groepsselectie dan toch een drijvende kracht achter de evolutie zijn? Gerenommeerde biologen beginnen die oude ‘ketterij’ te verdedigen.

Het zelfzuchtige gen komt onder (een beetje) vuur ten voordele van de groep.

Altruïsme is een krachtig mechanisme in onze maatschappij. Je ziet het overal, zelfs losgekoppeld van persoonlijke motieven (zoals betaald worden om voor ouderen of zieken te zorgen).

Maar altruïsme bezorgt biologen hoofdbrekens, want het past niet in het plaatje van ‘ieder voor zich’ dat de basis van de evolutieleer vormt. Iedereen is erop uit om zijn eigen genen zoveel mogelijk naar de volgende generaties voort te planten. Als dat kan via een vorm van sociaal gedrag, dan moet dat maar, hoewel het basisconcept dat van het individuele gewin blijft.

De Britse bioloog Jack Haldane lanceerde in 1955 in een pub de stelling dat hij niet bereid was zijn leven te geven voor één broer, wel voor twee broers (of acht neven), omdat hij er pas dan statistisch zeker genoeg van was dat zijn altruïstische genen naar de volgende generaties zouden worden overgedragen.

Altruïsme werd zo gekoppeld aan verwantschap kin selection), omdat wij een deel van onze genen gemeen hebben met onze verwanten. Hoe dichter de verwantschap, hoe meer gemeenschappelijke genen.

Haldane leefde net lang genoeg om zijn provocerende gedachte als een sluitend verhaal te zien, toen de ook al Britse bioloog William Hamilton ze in 1964 in bruikbare formules goot. Hamilton gebruikte verwantschapsselectie om te verklaren waarom individuen in kolonies van sociale insecten zich opofferen om voor de eieren van de koningin te zorgen, in plaats van zelf eieren te leggen. Ze doen dat omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar. Het gaat dus nog altijd om de voortplanting van de eigen genen.

Dat sterk op het individuele gen toegespitste denken raakte in 1976 wereldwijd verspreid door een boek van Hamiltons collega, Richard Dawkins, die het concept van het zelfzuchtige gen ( the selfish genelanceerde, waarmee hij lichamen herleidde tot vehikels om genen de kans te geven zich te propageren.

Dawkins maakte van de mensenmaatschappij een bundeling van ego’s – zijn ideeën werden enkele jaren later politiek vertaald in de weinig sociale regimes van Margaret Thatcher en Ronald Reagan.

TE VEEL EGOISTENMaar altruïsme bleef een sluimerend probleem. Zeker omdat het vrij frequent is tussen niet-verwante individuen.

Iemand helpen om de kans te vergroten dat je zelf geholpen wordt als je later in nood zit, was de eerste poging om een wetenschappelijk aanvaardbare uitweg voor dat altruïsme tussen onverwante individuen te vinden.

Dat bracht echter geen oplossing voor het prangende probleem van het altruïsme op de lange afstand: mensen helpen die je nooit te zien zult krijgen, zodat de kans dat ze jou ooit uit de nood helpen nihil isJezelf bij je naasten adverteren als een goed iemand, wat gunstig is voor je status, en dus voor je kansen op voortplanting, was de volgende stap. Dat begint vergezocht te klinken.

Sinds vorig jaar is er een kentering in het denken. Een kentering die teruggrijpt naar de oorsprong van de evolutietheorie, naar Charles Darwin, die in 1871 in het boek waarin hij zijn ideeën voor het eerst consequent op de mensensoort toepaste, stelde:

‘Alhoewel een hoge standaard van moraliteit een individuele mens en zijn kinderen geen of slechts een klein voordeel oplevert ten opzichte van andere mensen van dezelfde stam, levert een verhoging van de standaard van moraliteit de ene stam ongetwijfeld een enorm voordeel op ten opzichte van de andere.’

Darwin lanceerde daarmee het idee van de groepsselectie, die niet draait om competitie tussen individuen, maar om competitie tussen groepen van individuen.

De logica ervan is:

de mensenmaatschappij is complex, en kan alleen functioneren als mensen samenwerken. Maar dat maakt het systeem kwetsbaar voor echte egoïsten, die geen energie verliezen aan het helpen van anderen maar uitsluitend met zichzelf bezig zijn. Een maatschappij met te veel egoïsten kan echter niet als maatschappij functioneren. Wat voor de paradox zorgt dat sociaal gedrag een groep succesvoller maakt dan een andere groep, hoewel een egoïst binnen zo’n sociale constructie het er beter af kan brengen dan een sociaal iemand. De kernboodschap hier is: te veel zelfzuchtigheid is nefast voor een sociaal systeem.

In de jaren 1960 was er, onder impuls van de Britse bioloog Vero Wynne-Edwards, een opstoot van aandacht voor groepsselectie, maar het concept werd al snel irrelevant beschouwd in vergelijking met de selectie binnen een groep. Dawkins gaf het, 100 jaar na Darwins stichtende zinnetjes, een nekslag. De groep was niet meer dan een instrument ten voordele van het individu.

Maar de jongste jaren duiken er waarnemingen op die groepsselectie lijken te steunen. Zoals de verrassende vaststelling, vorig jaar in het vakblad Public Library of Science Biology, dat ook chimpansees altruïstisch gedrag vertonen ten opzichte van onverwante soortgenoten en van andere soorten, in casu de mens. Wat zou impliceren dat altruïsme diepere wortels in ons systeem heeft dan een soort sociale zekerheid voor later. We zijn er in feite niets mee gebaat om zwerfkatten in huis te halen of ons in te zetten voor de arme boeren van Senegal, maar voor een aantal mensen is het sterker dan henzelf: het lijkt in hun genen te zitten.

CELLEN PLEGEN ZELFMOORDAltruïsme wordt op alle niveaus waargenomen, van cellen die zelfmoord plegen om plaats te ruimen voor jongere opvolgers zodat het weefsel waarvan ze deel uitmaken optimaal kan blijven functioneren, tot mensen die minder kinderen maken dan ze zouden kunnen om te vermijden dat het systeem waarin ze leven kreunt onder overbevolking.

Het feit dat wij nu zo weinig kinderen krijgen, is een moeilijk punt voor de op voortplanting van de eigen genen geënte denkers. Ze proberen de klip te omzeilen door zich te beroepen op de stelling dat het ‘optimaal’ doorgeven van genen naar de volgende generaties niet noodzakelijk betekent dat men zoveel mogelijk kinderen maakt, wel dat men net zoveel kinderen maakt als men goed op weg kan zetten.

De Proceedings of the National Academy of Sciences bracht enkele jaren geleden echter een wiskundig model dat een op het succes van de groep toegespitste aantalsregulatie via een beperking van de voortplanting plausibel maakte. Een eerste opkikker voor de groepsselectie.

Het topvakblad Nature publiceerde vorig jaar bevindingen met virussen die bacteriën aanvallen. Voorzichtige virussen doen het als groep beter dan agressievere soortgenoten die soms zo wild te keer gaan dat ze de bacteriepopulaties waarvan ze (allemaal) moeten leven uitputten.

Recente analyses van veldonderzoek met leeuwen hebben, volgens het topvakblad Science, ook argumenten pro groepsselectie aangeleverd: dominante leeuwinnen besteden veel tijd aan het verdedigen van het territorium tegen indringers, een risicovolle onderneming, zonder dat ze daar meer persoonlijk voordeel uithalen dan leeuwinnen die een rustiger rol op zich nemen. Maar voor het welzijn van hun groep is het cruciaal dat ze de risico’s nemen. Een inzicht dat eind vorig jaar in het blad New Scientist op mensenpopulaties werd toegepast, onder meer door de wereldberoemde Amerikaanse sociobioloog Edward Wilson. Hij is een mierenexpert die van het ontrafelen van de biologische drijfveren van sociaal gedrag (ook van mensen) zijn levenswerk heeft gemaakt.

Wilson is nooit een vurige verdediger van exclusief zelfzuchtige concepten geweest, maar nu trekt hij duidelijk de kaart van de groepsselectie, ook om menselijke interacties te begrijpen. De sleutel daarbij is dat ons maatschappelijke systeem een vorm van gelijkheid tussen individuen voorziet die uniek is in de wereld. Bij onze naaste verwanten, de mensapen, draait alles nog om een op kracht en status gebaseerde hiërarchie, waarbij de besten de meeste middelen krijgen, en dus ook de meeste kansen op voortplanting.

Maar bij de mens is dat anders. Zeker in de kleine prehistorische mensengemeenschappen moet er weinig hiërarchie in het spel zijn geweest. Om dat egalitaire systeem behoorlijk te doen functioneren, is een verregaande vorm van samenwerking geïntroduceerd. Die stap heeft het mogelijk gemaakt dat de mens de wereld is gaan domineren, net als andere hypersociale wezens zoals mieren en kakkerlakken. Er zijn dus wel veel mensen op de wereld, maar de meesten floreren in een groep, waarbij groepen met elkaar in competitie kunnen gaan.

Oorlog is daarbij een sterke drijvende kracht. Oorlog stimuleert concurrerende gemeenschappen tot inventiviteit om de vijand op een afstand te houden of te overwinnen. Een visie die perfect in het concept van groepsselectie past. Ze verklaart ook waarom zoveel mensen schijnbaar zinloos hun leven op het spel zetten tegen een vijand die ze zelfs niet hoeven te kennen. Het gaat om hun groep, hoe moeilijk het soms ook lijkt om daar een leven voor op te offeren.

WAR ON TERRORHet topvakblad Science toonde het eind vorig jaar nog aan: altruïsme floreert vooral in een context van conflicten tussen groepen. Een oorlog hoeft zelfs niet permanent te zijn, een opstootje af en toe kan volstaan om mensen te doen samenklitten en hun groep tot een succes te maken. Het is niet verwonderlijk dat leiders soms een conflict uitlokken om hun volk achter zich te krijgen, hoewel zo’n strategie veel van zijn waarde verliest als mensen de indruk krijgen dat het uitzichtloos is – zoals de Amerikaanse president George W. Bush stilaan beseft nu zijn war on terror langer aansleept dan voorspeld.

Wilson gaat uiteraard niet zo ver te zeggen dat de zelfzuchtige aspecten van natuurlijke selectie minder belangrijk zijn geworden. Zowel groeps- als individuele selectie speelt een rol. Maar hij drijft zijn nieuwe visies wel consequent door. In het vakblad BioScience poneerde hij enkele weken geleden dat de complexe mieren- en bijengemeenschappen puur op basis van altruïsme ontstaan kunnen zijn. Dat er dus eerst altruïsme was, en pas daarna complexe verwantschap. Het was hem onder meer opgevallen dat op koninginnen gebaseerde systemen ook opduiken bij bladluizen, die allemaal klonen van elkaar zijn of bij naakte molratten, die zich voortplanten als een doorsneezoogdier.

Maar Wilsons tegenstanders, met de zelf nogal zelfzuchtig ingestelde Dawkins op kop, fulmineren dat hij het zot in de kop gekregen heeft, en fundamentele fouten tegen de basisideeën van verwantschapsselectie maakt.

Wie in zijn omgeving echter oog heeft voor wat we maar het goede in de mens zullen noemen, zal zich spontaan kunnen vinden in Wilsons ideeën.

Met als extra argument dat hij zich gesteund weet door een van de grootste denkers die de wereld ooit heeft voortgebracht: de vader van de evolutieleer zelf, Charles Darwin.

ALTRUISME IN DE NATUUR
vrijdag 27 november 2009
door   pierra  /  Marleen

Veel organismen geven blijk van een ogenschijnlijk altruïstisch gedrag. Dit heeft Darwin altijd verbaasd; hij kon daar geen verklaring voor vinden vanuit de evolutie-optiek. Met onze huidige kennis van DNA en de overerving van genen, is dit gedrag beter te begrijpen en te verklaren vanuit het ‘egoïstische genoom’ (ofwel vanuit het ‘selfish gene’-idee van Richard Dawkins). Vanuit dit oogpunt kan elk organisme gezien worden als een omhulsel van zijn genen. Het organisme wordt door de genen aangezet tot het zoveel mogelijk doorgeven van diezelfde genen aan zijn nageslacht.

Het zelfzuchtige genoom dat aanzet tot altruïstisch gedrag kan verklaard worden met het concept van inclusieve fitness. Inclusieve fitness is de som van je eigen fitness en die van je verwanten. Hoe meer nakomelingen je krijgt hoe hoger je fitness, maar ook de nakomelingen van je broers of zussen verhogen je eigen fitness. Dit kan uitgedrukt worden met de verwantschapsgraad: ieder mens krijgt de helft van het genoom van een van zijn ouders en heeft daardoor een verwantschapsgraad van 0,5 met zijn ouders. Ook met zijn broers en zussen heeft hij een verwantschapsgraad van 0,5. De verwantschapsgraad met de kinderen van je broer of zus is 0,25. Inclusieve fitness betekent dat je fitness hoger ligt als je bijvoorbeeld drie neefjes of nichtjes hebt (0,75) dan als je zelf één kind hebt (0,5). Het is vanuit het perspectief van evolutie dan ook ‘voordeliger’ om je broer of zus te helpen drie kinderen op te laten groeien dan zelf één kind groot te brengen. (Voor een eeneiige tweeling maakt het niet uit wie van de twee er een kind krijgt, want een eeneiige tweeling heeft een verwantschapsgraad van 1.) Hierop baseert zich verwantenselectie: gedrag dat het helpen van verwanten bij het grootbrengen van nakomelingen versterkt, wordt geselecteerd. Dit gedrag is bij verschillende vogelsoorten ontwikkeld.

volvox

Van internet: specialisatie van cellenofwel cooperatie in Volvox

Een extreme vorm van verwantenselectie kun je vinden bij de Hymenoptera-soorten

bijenkoninginvan internet: bijenkoningin met dar

zoals bijen, mieren en wespen. De bijenkorf bestaat voornamelijk uit niet-reproducerende diploïde werksters en één koningin. De mannetjes komen voort uit onbevruchte eitjes; het zijn dus geheel haploïde organismen die een geslachtcel produceren met hun hele haploïde genoom erin: alle zaadcellen zijn hetzelfde. De verwantschapsgraad van de koningin met haar nakomelingen is net als bij de meeste dieren 0,5. De koningin heeft sperma opgeslagen gedurende haar paringsvlucht en kan wel of niet de eitjes bevruchten, het maakt haar niet uit: ze maakt evenveel bevruchte als onbevruchte eitjes. Toch zijn er veel meer vrouwtjes dan mannetjes in de korf. Dit komt doordat de vrouwtjes met het voeden van de larven beslissen welke eitjes zich ontwikkelen en welke niet. Alle bijen zijn zussen van elkaar, maar omdat ze allemaal hetzelfde genoom van de vader kregen hebben ze een verwantschapsgraad van 0,75. Hun verwantschap met hun broertjes is slechts 0,25. De verwantschap met eventuele nakomelingen zou slechts 0,5 zijn. Ze doen er dan ook alles aan om steeds meer zusjes te krijgen, waarvan er slechts enkele de moeders zullen worden van een nieuwe kolonie.

springzaad

van internet: Springzaad

Nu is er zelfs bij planten altruïsme geconstateerd. Een studie toont aan dat de plant Springzaad (uit de balsemienfamilie) in staat is zijn eigen nakomelingen te herkennen.De plant werd in het bijzijn van andere planten geteeld die wel of niet voortkwamen uit het eigen zaad. In het bijzijn van ‘verwanten’ werd wel groei van de stengel en takken waargenomen maar nauwelijks groei van het blad. Dit zou kunnen betekenen dat de plant geen schaduw wil maken en geen licht wil onttrekken aan zijnfamilieleden. Wanneer de plant met ‘vreemden’ groeit maakt hij juist veel blad aan, waardoor hijzelf beter kan groeien én zijn buren achterstelt door hun geen toegang tot licht te geven. Het is waarschijnlijk dat de herkenning van verwanten zich afspeelt via de wortels. Deze studie concludeert dat planten sociale organismen zijn.

Noot: Inmiddels is de petitie stop de bijensterfte aangeboden aan het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Uit ScienceDaily

Ook uit ScienceDaily

Toon gerelateerde artikelen

Verwantenselectie en groepsselectie

http://ascendenza.wordpress.com/2010/08/

30 augustus 2010 PIERRA  Marleen

Verwantenselectie, dat gebaseerd is op inclusieve fitness, was tot nu toe de verklaring voor het bestaan van eusocialiteit zoals we die zien bij wespen, bijen en mieren. De werksters hebben tot 75% van hun genoom gemeen en doen er alles aan om zoveel mogelijk zusjes te krijgen. Ze voeden en onderhouden de koningin en zorgen voor de eitjes en larven. Andere diersoorten hebben slechts 50% van hun genoom gemeen, maar kunnen door hun verwanten te helpen met grootbrengen hun eigen ‘fitness’ verhogen. Ik schreef hier eerder een bericht over. ( zie hierboven )

Een recente studie wijst uit dat het niet zozeer de theorie van verwantenselectie, als wel ‘gewone’ natuurlijke selectie is die eusociaal gedrag kan verklaren.

Het gebruikte wiskundige model toont aan dat daar waar inclusieve fitness werkt dit ook uitgelegd kan worden met standaard natuurlijke selectie. Een tweede model toonde aan dat een gen voor eusocialiteit makkelijk verspreidt zolang de groep niet al te klein is.

Deze nieuwe studie ontvangt veel kritiek en velen beweren dat hij onjuist is.

Het blijft hoe dan ook de vraag hoe eusocialiteit kan ontstaan.

Er zouden drie voorwaarden moeten zijn:

  • Binnen de soort moeten zich groepjes vormen waar ouders en nakomelingen bij elkaar blijven bijvoorbeeld in nesten of wanneer ze een leider volgen.
  • De groep moet samenwerking manifesteren bij het op zoek gaan naar en het bewaken van voedsel.
  • Door mutatie of recombinatie worden genen gevormd voor eusocialiteit.

Van internet: empathy

E. O. Wilson is een groot voorstander van groepsselectie. Hij staat wel geïsoleerd aangezien men er nog steeds van uitgaat dat natuurlijke selectie zich op het individu richt. Kijken we naar de mens dan zien we dat Darwin er in zijn The Descent of Man het volgende over schrijft: ‘Hoewel een hoge morele standaard slechts een klein, of helemaal geen, voordeel oplevert voor de individuele man en zijn kinderen ten opzichte van de andere mannen van dezelfde groep […] zal een hogere morele standaard zeker een groot voordeel geven aan één groep over de andere.’ Wilson concludeert samen met D.S. Wilson: ‘Egoïsme verslaat altruïsme binnen groepen. Altruïstische groepen verslaan egoïstische groepen.’

Groepsselectie zou zo’n zwakke kracht zijn dat hierdoor nooit werkelijk nieuwe eigenschappen zouden ontstaan.

Sociaal psycholoog Mark van Vugt beweert dat mensen vaak groepen vormen met niet-verwanten. Cultuurverschillen maken dan het ontstaan van verschillende groepen mogelijk, want volgens hem is het bestaan van verschillende groepen essentieel voor het zich manifesteren van selectie.

Over het ontstaan van groepen verwanten en van onder andere religieuze groepen gaat het volgende filmpje van Jeremy Rifkin. De boodschap is dat de spiegelneuronen ons het vermogen tot empathie geven en dat onze groepen uiteindelijk geheel globaliseren.

Uit: Naturenews, Physorg.com, Kennislink.nl

Update over het artikel van Wilson waarin hij verwantenselectie aanvalt:

Jerry Coyne (met dank aan ing. St Hawk)

Richard Dawkins

Carl Zimmer

Beestige vrijgevigheid ?

zaterdag 27 november 2004 De Standaard (-door eric bracke)

Dieren bezitten geen materiële dingen die ze elkaar kunnen geven. Alleen de mens maakt sieraden en vergaart rijkdom, waarvan hij desgewenst een deel kan wegschenken. Ooit maakte de homo sapiens zich in de grensstreek tussen Syrië en Turkije zorgen over zijn rijkdom. Er streek daar een groep mensen neer die het jagen en verzamelen opgaf en de landbouw uitvond. Omdat men sommige oogsten, zoals kikkererwten, kon bewaren, was de mens vanaf dan langer in de weer dan nodig was om voor die dag genoeg te hebben. Tegelijk ontstond de mogelijkheid om met de kikkererwten land, macht, seksuele partners en sieraden te kopen. De geschiedenis van cadeautjes geven, begon vanaf dan pas goed. Maar misschien zijn geschenken een vertaling van nog oudere sociale gedragingen die we vandaag in de natuur nog kunnen waarnemen.

Delen is eigen profijt Wat bij dieren het dichtst in de buurt komt van geschenken geven, is voedsel delen. We laten het geprogrammeerde gedrag van een moeder die haar jongen voedt, buiten beschouwing. Volwassen dieren die voedsel delen, een verschijnsel dat vaak voorkomt, lijkt voor ons onderzoek interessanter.

Leeuwen die met zijn negenen achter een zebra aangaan, verdelen de prooi later. Dat is redelijk, want ze haalden de buit met zijn allen binnen. Het levert hun een grotere portie vlees op dan als ze alleen op jacht zouden gaan. Dit delen onder participanten is niet echt geven. Het groepsgedrag levert iedere deelnemer voordeel op, en als dat niet zo was, dan verviel de reden om mee te doen.

Het is dus niet voor de gezelligheid, maar omdat het hun overlevingskansen vergroot dat leeuwen samen op pad gaan. In de survival of the fittest levert egoïstisch gedrag dus niet altijd het meeste profijt op.

vampire-bats

Desmodos rotundus

Dichter aanleunend bij schenken is de vrijgevigheid onder vampiers

http://darwin.zoology.gla.ac.uk/%7Erpage/ispecies/?q=Desmodos+Rotundus&submit=Go

Dat zijn vleermuizen die in tropische gebieden ‘s nachts op zoek gaan naar bloed.

Bas Haring, , haalt dit wat griezelige voorbeeld van altruïsme aan in zijn boekje Kaas & de evolutietheorie .

Als een bloeddorstige vampier enkele nachten na elkaar van een kale reis thuiskomt, loopt hij het gevaar van honger om te komen. Meestal doet hij dan een beroep op de gezellen waarmee hij overdag in de grotten ondersteboven hangt te slapen.

,,Meestal spuugt een vriendje een beetje bloed op en geeft dat aan de armoedzaaier te drinken: zo kan hij weer een dagje vooruit. De deal is echter wel dat het hongerige vampiertje de volgende keer zijn vriendjes helpt. Op die manier is iedereen tevreden — als er tenminste geen misbruikers zijn die altijd alleen maar bietsen, en er tenminste geen losers zijn die nooit bloed over hebben om te delen. Beide schijnen zeldzaam te zijn bij vampiers.”

Ook in dit geval concludeert Haring dat het altru챦stische gedrag alles van doen heeft met grotere overlevingskansen voor de betrokken individuen. Hij ziet de samenwerkingsverbanden als de derde revolutie in de evolutie.

De eerste revolutie, die samenvalt met het ontstaan van het leven, was het samenklitten van eenvoudige moleculen tot ,,stukjes minileven”.

De tweede revolutie was het samenklitten van simpele eencellige organismen tot complexere meercellige organismen.

De derde revolutie is het groepsleven van meercellige organismen, zoals bij vampiers en mensapen.

Een wat apart geval van altruïsme onder dieren, waarbij de begunstigden meestal geen verwanten zijn, vinden we bij de babbelaars.
( sylvia curruca )Deze kleine zangvogels, ook wel braamsluipers genoemd, hebben een strikte sociale hiërarchie.

Braamsluiper (Sylvia Curruca)

Chimpansees zorgen enkel voor zichzelf

HLN Be 18/01/2 006

Leedvermaak is chimpansees vreemd……  onbaatzuchtigheid ook?  

Onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn veel meer om hun eigen levensonderhoud bekommerd, zo blijkt uit een studie van vorsers van het Max-Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie die is verschenen in het vakblad Proceedings of the Royal Society B.

Bananen
Een team rond Keith Jensen stak drie onderzoekssituaties ineen die rond het essentiële, namelijk voedsel, draaiden. De elf apen konden via een snoer een banaan naar zich toe trekken, waarbij echter een tweede banaan verder wegritste.

Drie situaties
In een eerste situatie konden de mensapen enkel zichzelf of tegelijk nog een ander dier van voedsel voorzien, waarbij het de bedoeling was hun zelfzucht of wil tot delen te onderzoeken.

In een tweede konden de dieren beslissen of een ander dier ook een banaan bekwam dan wel met lege “handen” kwam te zitten, waarbij het onderzoek zich toespitste op onbaatzuchtigheid.

In de derde situatie konden de proefapen een banaan die reeds beschikbaar was voor een andere aap actief wegnemen, waarbij het draaide om boosaardigheid.

Resultaat
Het algemeen resultaat volgens Jensen was dat de :

gevolgen van het gedrag voor de andere dieren de apen volledig koud bleven. Ze beslisten ‘is het zo, dan is het zo’”.

Max planck institute  E A

Abb.: Solidarity or spite? – empathy with others, both in a positive and negative sense, appears to be a exclusive characteristic of humans

http://www.mpg.de/english/illustrationsDocumentation/documentation/pressReleases/2006/pressRelease20060117/

What’s in it for me? Self-regard precludes altruism and spite in chimpanzees
Keith Jensen A1, Brian Hare A1, Josep Call A1, Michael Tomasello A1 A1 Department of Developmental and Comparative Psychology The Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology Deutscher Platz 6, 04103 Leipzig, Germany

Abstract:

Sensitivity to fairness may influence whether individuals choose to engage in acts that are mutually beneficial, selfish, altruistic, or spiteful. In a series of three experiments, chimpanzees (Pan troglodytes) could pull a rope to access out-of-reach food while concomitantly pulling another piece of food further away. In the first study, they could make a choice that solely benefited themselves (selfishness), or both themselves and another chimpanzee (mutualism). In the next two experiments, they could choose between providing food solely for another chimpanzee (altruism), or for neither while preventing the other chimpanzee from receiving a benefit (spite). The main result across all studies was that chimpanzees made their choices based solely on personal gain, with no regard for the outcomes of a conspecific. These results raise questions about the origins of human cooperative behaviour.


Keywords:

behavioural biology, evolutionary psychology, game theory, inequity, Pan troglodytes


References:

  1. Bolton, G. & Ockenfels, A. 2000 ERC—a theory of equity, reciprocity and competition. Am. Econ. Rev.90, 166–193.
  2. Boyd, R., Gintis, H., Bowles, S. & Richerson, P.J. 2003 The evolution of altruistic punishment. Proc. Natl Acad. Sci. USA100, 3531–3535, (doi:10.1073/pnas.0630443100).
  3. Brosnan, S. & de Waal, F.B.M. 2003 Monkeys reject unequal pay. Nature425, 297–299, (doi:10.1038/nature01963).
  4. Brosnan, S.F., Schiff, H.C. & de Waal, F.B.M. 2005 Tolerance for inequity may increase with social closeness in chimpanzees. Proc. R. Soc. B272, 253–258, (doi:10.1098/rspb.2004.2947).
  5. Clutton-Brock, T. & Parker, G. 1995 Punishment in animal societies. Nature373, 209–217, (doi:10.1038/373209a0).
  6. Darwin, C. 1871 The descent of man and selection in relation to sex, London: John Murray
  7. Fehr, E. & Fischbacher, U. 2003 The nature of human altruism. Nature425, 785–791, (doi:10.1038/nature02043).
  8. Fehr, E. & G채chter, S. 2002 Altruistic punishment in humans. Nature415, 137–140, (doi:10.1038/415137a).
  9. Fehr, E. & Schmidt, K.M. 1999 A theory of fairness, competition, and cooperation. Q. J. Econ.114, 817–868, (doi:10.1162/003355399556151).
  10. Foster, K.R., Wenseleers, T. & Ratnieks, F.L.W. 2001 Spite: Hamilton’s unproven theory. Ann. Zool. Fenn.38, 229–238.
  11. Gadagkar, R. 1993 Can animals be spiteful?. Trends Ecol. Evol.8, 232–234, (doi:10.1016/0169-5347(93)90196-V).
  12. Gardner, A. & West, S.A. 2004 Cooperation and punishment, especially in humans. Am. Nat.164, 753–764, (doi:10.1086/425623).
  13. Gintis, H., Bowles, S., Boyd, R. & Fehr, E. 2003 Explaining altruistic behavior in humans. Evol. Hum. Behav.24, 153–172, (doi:10.1016/S1090-5138(02)00157-5).
  14. Hamilton, W.D. 1964 The genetical evolution of social behaviour. I & II. J. Theor. Biol.7, 1–52, (doi:10.1016/0022-5193(64)90038-4).
  15. Hamilton, W.D. 1970 Selfish and spiteful behaviour in an evolutionary model. Nature228, 1218–1220, (doi:10.1038/2281218a0).
  16. Hammerstein, P. 2003 Why is reciprocity so rare in social animals? A Protestant appeal. Genetic and cultural evolution of cooperation (ed. Hammerstein, P.), pp. 83–93, Cambridge, MA: MIT Press
  17. Hauser, M., Chen, M., Chen, F. & Chuang, E. 2003 Give unto others: genetically unrelated cotton-top tamarin monkeys preferentially give food to those who altruistically give food back. Proc. R. Soc. B270, 2363–2370, (doi:10.1098/rspb.2003.2509).
  18. Henrich, J. & Boyd, R. 2001 Why people punish defectors. J. Theor. Biol.208, 79–89, (doi:10.1006/jtbi.2000.2202).
  19. Howell, D.C. 2002 Statistical methods for psychology 5th edn. Pacific Grove, CA: Duxbury
  20. Johnstone, R.A. & Bshary, R. 2004 Evolution of spite through indirect reciprocity. Proc. R. Soc. B271, 1917–1922, (doi:10.1098/rspb.2003.2581).
  21. Loewenstein, G.F., Bazerman, M.H. & Thompson, L. 1989 Social utility and decision-making in interpersonal contexts. J. Pers. Soc. Psychol.57, 426–441, (doi:10.1037/0022-3514.57.3.426).
  22. Melis, A. P. Hare, B. & Tomasello, M. In press. Engineering cooperation in chimpanzees: social tolerance constraints on cooperation. Anim. Behav.
  23. Nesse, R.M. 2000 Strategic subjective commitment. J. Conscious. Stud.7, 326–330.
  24. Pillutla, M. & Murnighan, J. 1996 Unfairness, anger, and spite: emotional rejections of ultimatum offers. Organ. Behav. Hum. Decis. Process.68, 208–224, (doi:10.1006/obhd.1996.0100).
  25. Silk, J.B., Brosnan, S.F., Vonk, J., Henrich, J., Povinelli, D.J., Richardson, A.S., Lambeth, S.P., Mascaro, J. & Schapiro, S.J. 2005 Chimpanzees are indifferent to the welfare of unrelated group members. Nature437, 1357–1359, (doi:10.1038/nature04243).
  26. Stevens, J.R. 2004 The selfish nature of generosity: harassment and food sharing in primates. Proc. R. Soc. B271, 451–456, (doi:10.1098/rspb.2003.2625).
  27. Stevens, J.R. & Stephens, D.W. 2002 Food sharing: a model of manipulation by harassment. Behav. Ecol.13, 393–400, (doi:10.1093/beheco/13.3.393).
  28. Trivers, R. 1971 The evolution of reciprocal altruism. Q. Rev. Biol.46, 35–57, (doi:10.1086/406755).
  29. Trivers, R. 1985 Social evolution, Menlo, CA: Benjamin/Cummings
  30. Wilson, E.O. 1975 Sociobiology: the new synthesis, Cambridge, MA: Harvard University Press
  31. Wrangham, R. W. 1975 The behavioural ecology of chimpanzees in Gombe, National Park, Tanzania. Ph.D. dissertation, Cambridge University, Cambridge, UK.

Chimpansees: Een onvriendelijk volkje ?

27 oktober 2005

Chimpansees lijken op mensen, we delen dezelfde voorouders. Ze zijn handig en zijn gemakkelijk allerlei trucjes aan te leren. Maar ze zijn niet erg vriendelijk voor elkaar.

Chimpansees zijn egoïsten/ …..Mensen zijn gewend elkaar te helpen. Soms helpt de een de ander zelfs ten koste van zichzelf. Heel opmerkelijk eigenlijk.

En ons verre familielid dan?Die leek het niet uit te maken wat er met andere chimpansees gebeurt./ Althans volgens dit onderzoek ;

Touwen
Een groepje chimpansees werd een interessante test afgenomen. Ze kregen een keuze: trok een testaap aan het ene touw dan kreeg hij iets lekkers, trok de chimpansee aan het andere touw dan kreeg ook een andere chimpansee iets te eten.

Het maakt de chimpansees niet uit. Hoewel ze er geen hap minder om zouden krijgen, kozen ze niet vaker voor het tweede touw. Terwijl de dieren al meer dan vijftien jaar bij elkaar leefden!

Het resultaat van de test is opmerkelijk. In het wild delen chimpansees eten met elkaar.

°

Aapjes kijken

25 januari 2011

Vanuit een glazen uitkijkpost observeert gedragsbioloog Jorg Massen de zestien chimpansees van dierentuin Burgers Zoo in Arnhem.

Massen onderzoekt of de chimpansees altruïstisch gedrag vertonen. Dat wil zeggen of ze iets aan een ander kunnen geven zonder daar iets voor terug te willen.

Eerdere onderzoeken toonden aan dat chimpansees niet vrijgevig zijn maar Massen denkt dat er tijdens deze onderzoeken geen rekening is gehouden met de onderlinge relaties.

Massen verwacht dat chimpansees wel degelijk vrijgevig kunnen zijn tegenover bevriende soortgenoten.

Apen die elkaar vlooien en vaak naast elkaar zitten vinden elkaar aardig.

Het altruïstisch gedrag wil hij aantonen door te kijken naar tolerantie. Een chimpansee zal namelijk nooit voedsel weggeven.

Maar wanneer je één aap een zak met voedsel geeft zal hij van de ene aap wel tolereren dat ze voedsel steelt en van de andere niet. ‘Ik verwacht dat chimpansees die vrienden zijn eerder tolerant naar elkaar zijn dan wanneer ze geen vrienden zijn.’

Het altruïsme van apen vertelt iets over de evolutie van altruïsme bij mensen.

Doordat Massen de hele dag apen observeert, is hij het gedrag van mensen ook anders gaan bekijken.

‘Geven zonder daar iets voor terug te krijgen heeft een functie. Ik geloof niet in puur altruïsme. Bloeddonatie wordt wel eens de puurste vorm van altruïsme genoemd, je geeft iets af en krijgt er niets voor terug. Maar het is wel goed voor je reputatie, je laat zien dat je goedgeefs bent en daardoor het investeren waard. Mensen lopen ook altijd te koop met de goede doelen die ze steunen. Ik denk dan: “Die is weer in zichzelf aan het investeren.”

Of chimpansees toleranter zijn naar vrienden moet nog blijken,

Massen heeft nog wat  tijd om dit aan te tonen.

Knuffelhormoon moedigt chimpansee aan vrienden te maken

Geschreven op 23 januari 2013 om 16:46 uur door 0

grooming

Wetenschappers denken eindelijk te weten welk mechanisme ervoor zorgt dat chimpansees kunnen samenwerken met andere chimpansees waar ze geen familie van zijn en ook geen seks mee hebben. Het heeft alles te maken met het knuffelhormoon: het hormoon helpt ze om deze vriendschappen te onderhouden.

Dieren die samenwerken, leven vaak langer en ook hun nageslacht heeft betere overlevingskansen. Maar welk mechanisme zet dieren nu aan om te gaan samenwerken met een soortgenoot die geen familie en ook geen sekspartner is? Daar is nog vrijwel geen onderzoek naar gedaan. Wetenschappers van het Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology besloten daar verandering in te brengen.

Samenwerken
Ze bestudeerden daarvoor chimpansees. Ook deze dieren houden er samenwerkingsverbanden met andere chimpansees op na. Een heel bekend voorbeeld van zo’n samenwerking is elkaar verzorgen. Twee chimpansees gaan bij elkaar zitten en de één verzorgt de vacht van de ander (zie de foto hierboven). De onderzoekers verzamelden direct nadat de chimpansees elkaars vacht hadden verzorgd urine van de dieren en keken hoeveel oxytocine er in de urine zat. Chimpansees die kort daarvoor een chimpansee hadden verzorgd waar ze een samenwerkingsverband mee hadden, bleken meer oxytocine in hun urine te hebben zitten dan chimpansees die een chimpansee hadden verzorgd waar ze geen samenwerkingsverband mee hadden en chimpansees die helemaal geen andere chimpansees hadden verzorgd. Het maakte hierbij overigens niet uit of de chimpansees die elkaar verzorgden aan elkaar verwant waren of seksuele belangen hadden: ook als er geen sprake was van verwantschap of seksuele belangen, maar wel van een samenwerkingsverband, nam de hoeveelheid oxytocine toe.

 

Verbonden
Het onderzoek wijst erop dat oxytocine – dat ook wel bekend staat als het knuffelhormoon – een belangrijke rol speelt bij het onderhouden van de sociale relaties. Op zichzelf is dat niets nieuws. Zo weten we uit experimenten met mensen en andere sociale dieren al dat oxytocine ervoor zorgt dat we ons verbonden voelen met onze partner en familie. Maar nu wordt voor het eerst aangetoond dat oxytocine in het geval van chimpansees er ook voor kan zorgen dat chimpansees die niet elkaars partner, noch familie van elkaar zijn, zich met elkaar verbonden voelen.

Oxytocine is een hormoon dat invloed uitoefent op de sociale geheugensystemen en kan ons een goed gevoel geven. De onderzoekers vermoeden dan ook dat het de chimpansees helpt om sociale relaties die verder gaan dan verwantschap of seks, te onderhouden.

Bronmateriaal:
The benefits of social grooming” - MPG.de
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door © Liran Samuni.

http://www.scientias.nl/?s=chimpansee&x=24&y=12

http://www.nu.nl/zoeken/?q=Chimpansee

°

De economische aap

Chimpansees beslissen rationeler dan mensen

Chimpansee Frodo lijkt niet van plan zijn eten te delen met Corrie, die met haar zoontje toekijkt (Max Planck Gesellschaft)
Chimpansee Frodo lijkt niet van plan zijn eten te delen met Corrie, die met haar zoontje toekijkt (Max Planck Gesellschaft)
 

Laat je je afschepen met een fooi, terwijl je buurman veel meer in zijn zak steekt? Mensen willen daar niet aan, maar chimpansees wel. Daarmee gaan ze logischer te werk dan wij. En ze winden zich ook nog een stuk minder op over ‘onrechtvaardigheid’.

Economen zouden het graag anders zien, maar mensen zijn geen rationele beslissers die altijd puur hun eigenbelang najagen. Dat blijkt steeds weer uit het ultimatumspel, een proef waarbij twee mensen een geldbedrag moeten delen. De één stelt een verdeling voor, bijvoorbeeld ‘ik acht euro en jij twee’, de ander kan dat aanbod slechts afwijzen of aannemen. Bij een afwijzing lopen beide proefpersonen de buit mis. Mensen blijken als verdeler meestal 40 tot 50 procent van het totaalbedrag weg te geven. Voor minder dan 20 procent wil bijna niemand zijn akkoord geven. Eigenlijk raar, want een klein beetje is toch altijd nog beter dan helemaal niets. Maar het gevoel dat oneerlijk gedrag niet door de beugel kan, weegt zwaarder. Mensen zijn morele dieren. Hoe zit dat bij andere soorten? Dat is nogal lastig te onderzoeken, maar het is drie evolutionair antropologen aan het Duitse Max Planck Instituut nu toch gelukt.
Ze lieten chimpansees een simpeler versie van het ultimatumspel spelen, met rozijnen als inzet.
De resultaten van al dat geschuif met gedroogde druiven verschijnt vandaag in Science. In deze versie van het ultimatumspel kan de eerste deelnemer kiezen uit twee verdelingen, bijvoorbeeld ‘ieder vijf rozijnen’ en ‘ik acht rozijnen en jij twee’. De onderzoekers gebruikten daarvoor een ingenieuze opstelling.
Twee apen zaten in verschillende kooien. Aap één kon kiezen uit twee touwen, die ieder verbonden waren met een plank. Trok hij eraan, dan kwam die plank dichterbij. Maar pas als aap twee de gekozen plank met een stok nog dichterbij haalde, konden beide dieren de rozijnen grijpen die voor ze klaarlagen, ieder aan zijn eigen kant.
Was de keus tussen twee om acht en acht om twee, dan koos de eerste chimp er in driekwart van de gevallen voor om zelf acht rozijnen te incasseren. De tweede stemde daar bijna zonder uitzondering mee in. Ook als het alternatief niet twee om acht, maar vijf om vijf was, zag nummer twee zelden een reden om de deal te weigeren. Liever twee rozijnen dan niks, tenslotte. En dan was er nog een verdeling waarbij chimp één mocht kiezen tussen acht rozijnen of tien.
De ander zou in het laatste geval helemaal niets krijgen. Daarbij bleek dat de apen best lief voor elkaar zijn, want in iets meer dan de helft van de gevallen besloot de kiezende aap zijn maatje ook een paar rozijnen te gunnen, ten koste van hemzelf. En op hun beurt waren de nummers twee in iets meer dan vijftig procent van de proeven bereid om de plank naar de kooi toe te trekken als dat ze geen enkele rozijn opleverde. Dezelfde proef is met mensen gedaan, maar dan met geld in plaats van rozijnen – en zonder kooien. Daarbij is het gedrag van de tweede persoon sterk afhankelijk van het alternatief dat de eerste heeft. Niet kiezen voor een gelijkwaardige verdeling, terwijl dat wel had gekund, wordt niet gewaardeerd. Het roept ook woede op, geven proefpersonen te kennen.
De apen geven in dezelfde situatie geen blijk van opwinding. Hoewel de mens dus niet voldoet aan het ideaalbeeld dat economen van consumenten hebben, blijkt de ‘homo economicus’ die zij in het leven hebben geroepen, toch te bestaan. Het is de chimpansee.
° Elmar Veerman Keith Jensen, Joseph Call en Michael Tomasello: ‘Chimpanzees are rational maximizers in an ultimatum game’, Science, 5 oktober 2007

°

Zou gevangenschap chimpansees onvriendelijk maken

Apen minder slim dan gedacht

ANP op 05 januari ’10,
Chimpansees in Burgers Zoo in Arnhem (ANP)
- Apen zijn wel intelligent, maar lang niet zo “slim “als sommige mensen denken.

Hun sociale gedrag wordt flink overschat, terwijl een computermodel aantoont dat er nauwelijks een rationele gedachtegang ten grondslag ligt aan de handelwijze van apen.
Dat stelt theoretisch biologe Charlotte Hemelrijk van de Rijksuniversiteit Groningen.
Hemelrijk onderzocht het vlooigedrag van apen, wat door andere wetenschappers vaak wordt
opgevat als een bewijs dat apen net als mensen kunnen ‘denken’ in termen van winst, verlies en sociale patronen. Apen zouden daarvoor hun intelligentie gebruiken en heel berekenend zijn.
Volgens Hemelrijk vlooien apen echter vanzelf de dichtstbijzijnde soortgenoot, als ze bang zijn om in een gevecht te verliezen.
Het gaat nauwelijks om bewust gedrag en van bedachte ruilhandel
of verzoening hoeft al helemaal geen sprake te zijn, aldus de biologe.
‘Apen vlooien elkaar omdat ze nu eenmaal andere apen willen vlooien’, aldus Hemelrijk.
Het door haar onderzoeksgroep ontwikkelde computermodel is ook geschikt om inzicht te krijgen in het groepsgedrag van andere dieren, bijvoorbeeld het zwermen van spreeuwen, aldus de
Groningse universiteit.

Verrassende adoptiezorg bij chimps

http://www.nrc.nl/wetenschap/article2475920.ece/Verrassende_adoptiezorg_bij_chimps

5/02/2010

Chimpansees in het wild adopteren verweesde jongen, die geen familie van hen zijn. Dit betekent dat chimpansees in het wild in staat zijn tot ingrijpende hulp aan anderen, zonder dat daarbij duidelijk is wat hun eigen voordeel isDe afgelopen 27 jaar hebben biologen in het Taï-woud van Ivoorkust 18 duidelijke gevallen van adoptie van jonge verweesde chimpansees geconstateerd. Hun moeder, die bij chimps als enige voor de jongen zorgt, was dood. Andere groepsleden adopteerden de wezen. Meestal waren de stiefouders geen familie; de helft van de stiefouders waren mannetjes.

De adoptie geschiedde soms al als de wees tien dagen oud was, anderen werden op hun zesde geadopteerd. De adopties duurden maanden tot jaren. Normaal kijken chimpanseemannetjes amper om naar jonkies, maar in deze bijzondere gevallen was dat beslist anders, zo schrijven vier primatologen onder leiding van Christoph Boesch in het online wetenschapstijdschrift PLoS One.

De meeste adoptiekinderen voeren wel bij hun adoptie. Verlies van die moeder voor het vijfde jaar is anders vrijwel altijd fataal.

Boesch hanteerde als definitie van adoptie dat de adoptieouder op zijn minst op het kind moest wachten tijdens reizen, voedsel deelde en het kind beschermde bij conflicten. Sommige mannetjes gingen heel ver in hun zorg en droegen de kleine kinderen vrijwel permanent op hun rug, zoals de chimpman Porthos die zijn adoptiefdochter Gia eindeloos ronddroeg totdat hijzelf na anderhalf jaar stierf aan miltvuur. Hij hield haar zelfs bij zich tijdens gevaarlijke aanvallen op naburige chimpkolonies.

Een andere chimpman deelde iedere nacht zijn nest met zijn adoptiefkind, en hij deelde ook bijna al zijn gabonnoten. Die zijn een belangrijke voedingsbron.

De grote vraag is waarom deze doen die chimpmannen en -vrouwen dit? Het kost hen vaak jarenlang moeite. Altruïsme ten aanzien van verwanten is biologisch goed te verklaren: je helpt je eigen genen vooruit. Maar dat gaat in de meeste gevallen niet op in het Taï-woud. Vier adoptieouders waren broer of zus van de wees, één was vader en van zeven was zeker dat het géén (naaste) familie was. Van de rest was de band onbekend.

Ook (de hoop op) wederkerigheid is een goede verklaring voor altruïsme, maar ook dat is moeilijk te zien hier. Misschien creëren de mannen een toekomstige bondgenoot, maar ze adopteren ook meisjeswezen, dus erg aannemelijk lijkt die verklaring niet.

Boesch zoekt de verklaring in de omgeving waarin de chimpansee in het Taï-woud leven. Volgens Boesch is altruïsme niet aangeboren. Door het grote aantal luipaarden is de sterfte bij de chimps hoog. Dat heeft een cultuur veroorzaakt waarin de chimps gewonde soortgenoten verzorgen, en samen de groep verdedigen tegen aanvallen. Die zorg heeft zich veralgemeniseerd naar andere sociale contexten, aldus Boesch. Voor zover bekend vinden in andere chimpgroepen in Afrika minder adopties plaats. Anders gezegd: de Taï-chimpansee adopteert gemakkelijk omdat hij leeft in een cultuur van onderlinge hulp.

In gevangenschap is het in experimenten vaak niet eenvoudig om altruïstisch gedrag op te roepen bij chimpansees. Maar, zo merkt Boesch op, daar is iedereen goed gevoed en het welzijn van de ander eigenlijk nooit serieus in gevaar. In Taï is dat wel anders.

De publicatie over de adoptie staat op
Een chimpanseejong klemt zich vast aan zijn moeder. Foto Reuters

Ook chimpansees zijn onbaatzuchtig

24/06/07

Ook chimpansees helpen anderen zonder een beloning te verwachten
Ook chimpansees helpen anderen zonder een beloning te verwachten

Mensen lijken meer dan ze vermoeden op chimpansees

Onbaatzuchtig handelen tegenover anderen, werd lange tijd beschouwd als een van de eigenschappen die ons uniek maken.
Maar nieuw onderzoek , maakt duidelijk dat ook onze neven de chimpansees vaak blijk geven van zulk altruïsme.
Vitaal
Altruïsme wordt door antropologen beschouwd als een vitaal onderdeel voor het in stand houden van de complexe sociale groepen waarin mensen leven. Volgens de meeste wetenschappers ontstond die eigenschap pas nadat de moderne mens zich zo’n 6 miljoen jaar geleden afscheidde van de evolutionaire tak waartoe de chimpansee behoort – hoewel de Nederlandse etholoog Frans de Waal al meer dan tien jaar geleden vaststelde dat er ook op dat punt raakvlakken zijn tussen mens en mensaap.Behulpzaam
Nu hebben vorsers aan het Max Planck-instituut in Berlijn in Oeganda een groep van 36 chimpansees bestudeerd en kwamen ze tot de conclusie dat ook die dieren in staat zijn tot spontane, onbaatzuchtige daden om anderen te helpen en dat dit ook bij hen genetisch lijkt te zijn vastgelegd.
Zo hielpen de apen mensen die wanhopig maar tevergeefs probeerden een stok te pakken die binnen het territorium van de chimps maar buiten hun eigen bereik lag, door die naar de mens toe te duwen.
En dit zonder dat ze vooraf contact met die mensen hadden gehad, of een beloning konden verwachten voor die hulp.
Opvallend: de apen staken geen poot uit als de mens zelf niet heel hard zijn best deed de stok te pakken. .
Ook toen de stok niet simpelweg op de grond werd gelegd, maar de aap bijna twee meter moest klimmen om hem te kunnen pakken, bood hij hulp.
Bij een derde experiment bleek dat de chimpansees ook elkaar hielpen in lastige situaties, zonder daar zelf beter van te worden – of dat te verwachten.Overeenkomsten
“We dachten dat wij heel sterk verschilden van andere dieren, met inbegrip van primaten”, aldus onderzoeker Felix Warneken, “maar dat bleek niet zo te zijn. Duidelijk is nu dat ook de voorvader van de huidige mens beschikte over in elk geval een vorm van altruïsme“.

Verschillende andere dieren, zoals dolfijnen en wolven, zijn ook bereid anderen te helpen zonder dat ze daar direct voordeel van lijken te hebben. Maar dat doen ze alleen voor hun nakomelingen of voor soortgenoten, volgens wetenschappers omdat ze zo het voortbestaan van hun genen willen verzekeren.

http://www.timesonline.co.uk/tol/news/world/europe/article1977658.ece

De hulpvaardige aap / Altruïsme: typisch menselijk?

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/27330590/

Sluit dit venster

vlooien is een vorm van hulpverlening, maar niet onbaatzuchtig. Wie vlooit wordt immers gevlooid.

Sluit dit venster

Mensen zijn zo aardig, dat ze elkaar zelfs helpen met oversteken.

Is de mens het eerste en enige onbaatzuchtige wezen, of hadden zijn voorvaderen al een helpende hand? Als dat het geval was, dan zouden tevens verre neven zoals chimpansees iets van altruïsme in zich moeten hebben. Duitse onderzoekers beweren dat dat ook zo is.

Mensen zijn rare wezens. Helpen andere dieren elkaar alleen als het om familie gaat of als ze er zelf voordeel uit halen, de mens lijkt soortgenoten te pas en te onpas te hulp te schieten. De mens geeft aan goede doelen, zit in comit챕s en besturen en doneert bloed aan soortgenoten die hij nooit heeft gezien.

Door velen wordt beweerd dat de mens hierin alleen staat en de eerste echte altru챦stische diersoort op aarde is. Bovendien zou geen enkel dier zo intensief samenwerken als de mens, om zowel persoonlijke als gezamenlijke doelen te halen. Antropologen van het Duitse Max Planck Instituut dachten daar anders over en startten een onderzoek. Hun bevindingen publiceren ze deze week in Science. De centrale vraag: is onbaatzuchtige hulpvaardigheid en samenwerking echt typisch menselijk, of hadden onze aapachtige voorvaderen deze eigenschappen al?

Om die vraag te beantwoorden, bedachten de onderzoekers twee soorten testen. In de eerste toetsten ze in hoeverre anderhalf jaar oude mensenkinderen en jonge chimpansees bereid zijn anderen te helpen, zonder daar iets voor terug te krijgen. Zou het altru챦sme een erfenis zijn, dan moet verre neef de chimpansee daar ten minste ook een vleugje van hebben meegekregen, zo redeneerden de wetenschappers.

Zowel de mensenkinderen als de chimpansees werden geconfronteerd met een volwassen mens met een probleem. Dat probleem was bijvoorbeeld een gevallen stift, wasknijper of ander object waar de volwassene niet bij kon, een gesloten kastje waar hij met de armen vol tijdschriften tegenaan botste, of een schijnbaar ongrijpbare lepel in een doos (de domme volwassene graaide ernaar via een klein gat, zich ‘onbewust’ van de grote opening aan de zijkant van de doos).

Zowel de kinderen als de chimpansees bleken de kwaadste niet. De kleine mensen hielpen vrijwel meteen, de chimps staken de helpende hand pas toe als de volwassene daar nadrukkelijk – met reikbewegingen en smeekbedes – om had gevraagd. Overigens waren de chimpansees niet altijd een goede hulp. Die gevallen stift snapten ze nog wel, maar het probleem van de tijdschriften en de lepel zagen ze niet. De volwassen proefpersonen konden smeken wat ze wilden, de chimps staken geen poot uit.

Iets waar de apen wel weer goed in waren, was samenwerken. Dat bleek uit de tweede test die de antropologen hadden ontwikkeld. Van chimpansees was al bekend dat ze veel samenwerken om bijvoorbeeld prooien te vangen. Hoe dichter het bos en hoe meer ontsnappingsroutes voorradig, hoe meer ze geneigd zijn er met een groep op af te gaan. Of de apen zich ook echt bewust zijn van het nut van co철peratie, of dat die meer toevallig is, was echter niet bekend. In de proef van de Duitsers moest dat duidelijk worden.

De onderzoekers plaatsten een volwassen dier in een hok, met daarnaast een plateau met voedsel. Het voer leek onbereikbaar, maar kon worden binnengehaald met een touw dat aan het plateau was bevestigd. De uiteinden lagen voor het grijpen in de kooi. Aan beide uiteinden moest tegelijkertijd worden getrokken, om het voer daadwerkelijk te pakken te krijgen. De sluwe onderzoekers hadden ze in sommige gevallen echter zo ver uit elkaar gehangen, dat 챕챕n chimpansee ze niet allebei tegelijk kon pakken. De chimp stond dus voor de keus: zelf blijven pielen en het voedsel uiteindelijk verliezen, of een soortgenoot inschakelen en delen. De meeste dieren deden het laatste.

De chimpansees konden zelfs onderscheid maken tussen goede en slechte helpers. Ze mochten kiezen tussen twee soortgenoten in aangrenzende kooien. Na wat uitproberen kozen ze steeds voor de aap die het beste synchroon kon touwtrekken.

Hieruit concluderen de Duitse onderzoekers dat apen eigenlijk net zulke rare wezens zijn als wij. Ze lijken altru챦stisch en bewust co철peratief bovendien. Lijken. Want eerdere onderzoeken gaven een iets andere uitkomst. Had de volwassen proefpersoon een banaan in plaats van een stift laten vallen, dan had hij daarnaar kunnen fluiten. Want als een aap moet kiezen tussen zijn eigen maag en die van een ander, dan weet hij het wel. Andere wetenschappers dan de Duitse toonden dergelijk ego챦sme, in plaats van altru챦sme, herhaaldelijk aan. Bovendien waren de volwassenen in de eerste proef verzorgers. De chimps zien ze vrijwel dagelijks en zijn daardoor misschien eerder geneigd om te helpen. Tegen (mannelijke) soortgenoten zijn chimpansees over het algemeen minder aardig. Of apen echt altru챦stisch zijn, blijft dus maar de vraag. Voorlopig is het dus een typisch menselijke eigenschap. Hoewel niet iedereen even rijkelijk bedeeld is…

(Remy van den Brand)

Sluit dit venster

De onderzoekers ontdekten 110 genen die op een andere manier worden gebruikt door de chimpansee dan door de mens. Foto E. Herrmann.

Alicia P. Melis, Brian Hare en Michael Tomasello, ‘Chimpanzees recruit the best collaborators’. Science, 3 maart 2006.

Felix Warneken en Michael Tomasello, ‘Altruistic helping in human infants and young chimpanzees’. Science, 3 maart 2006.

video

“Zelfmoord” om de soort te beschermen,
is Altruisme (< klik ) van de bovenste plank….
In het algemeen(verondersteld) verklaarbaar vanuit gemeenschappelijk erfelijk materiaal. —> Kin selection
Voorbeelden zijn zich opofferende mieren, bijen, ouders, broers, zusters.

Evowiki -–> klik Altruism

Creationist claims –>Evolution doesn’t explain altruism.

Sociale microbe  :    Dictyostelium,

25 augustus 2006 door     Tomaso Agricola Universitair docen

Nature : Brief communication

over Dictyostelium, in het Nederlands ook wel (cellulaire) slijmzwam genoemd, met de titel Kin preference in a social microbe.

Dictyostelium is een eencellig organisme dat, het zal sommigen verbazen, sociaal gedrag vertoont.

Wat is het geval? Een groot deel van zijn leven brengt Dictyostelium door als een amoebeachtige eencellige (rechterkant van het plaatje, de levenscyclus loopt op het plaatje tegen de klok in). Zo mogelijk is er in die periode ook sprake van vermeerdering door deling.

In tijden van voedselschaarste begint het ‘beestje’ sociaal gedrag te vertonen. Ze zoeken elkaar op (bovenkant van het plaatje) en vormen uiteindelijk een soort paddestoelachtige constructie, waarbij alleen de individuen bovenin de knop zich voortplanten door sporevorming (onderaan). Die sporen kunnen overleven tot zich weer betere tijden aandienen. De rest sterft. Individuen van Dictyostelium in de steel tonen als het ware altru챦stisch gedrag omdat zij de individuen in de knop helpen om zich voort te planten zonder dat ze zelf voor nageslacht kunnen zorgen.

Nou is het zo dat altruïsme niet zomaar ontstaat.

De evolutietheorie voorspelt dat altruïsme alleen maar ontstaat wanneer er sprake is van een wederzijdse dienst die later wordt terugbetaald (maar daarvan is hier geen sprake) of wanneer er sprake is van het helpen van familieleden. Evolutionair gezien kan het bijvoorbeeld voordeliger zijn (afhankelijk van de kosten) om je vader en moeder te helpen om je broers en zussen (zij hebben voor ongeveer 50% dezelfde genen als jij) groot te brengen dan om zelf voor nageslacht te zorgen (die dragen ook 50% van jouw genen).

Bij Dictyostelium voorspelt de evolutietheorie dat zij (zo mogelijk) ervoor zal zorgen dat de paddestoelachtige constructie alleen met ‘broers’ en ‘zussen’ (er is voor zover ik weet geen sprake van geslachten) wordt gemaakt. En dat is nu uitgezocht, en bevestigd!

Natasha Mehdiabadi en medewerkers in het lab van Joan Strassman lieten verschillende ‘families’ Dictyostelium bij elkaar opgroeien. De verschillende families konden uit elkaar worden gehouden door een fluoriserende kleurstof. Hiermee konden ze laten zien dat families redelijk strikt van elkaar gescheiden tot sporevorming overgaan (ongeveer 10% zat niet in de eigen familie). Zij lieten ook zien dat wanneer het aantal individuen te klein wordt om een volwaardige sporevormer te bouwen Dictyostelium minder kieskeurig wordt en bereid is om met vreemden een sporevormer te bouwen.

En wie zei er ook weer dat je geen onderzoek kan doen aan de voorspellingen van de evolutietheorie?

Dat er een Dictyostelium bestaat die sociaal gedrag vertoont.is een gevoelige klap voor de creationisten


Zimmer :

http://scienceblogs.com/loom/2006/08/23/us_and_them_among_the_slime_mo.php

Dictyostelium Genome Resources

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/genome/guide/dicty/

De aparte levenscyclus van de slijmzwam, weergegeven in een schemaatje. Normaal gesproken leven slijmzwammen als zelfstandige eencelligen. Dan worden ze amoebe genoemd. Tot op de plek waar ze leven al het voedsel op is. Op zo’n moment kruipen alle eencelligen naar elkaar toe, en vormden ze een klomp cellen die uiteindelijk uitgroeit tot het opvallende vruchtlichaam. (afbeelding: Brown and Strassmann )

i-50cc082f0a18c8b8eef7981b5d1fe018-dictyostelium.jpg

Hier de verschillende vormen die samengeklonterde slijmzwammen aannemen als ze een vruchtlichaam gaan vormen, maar nu overzichtelijk bij elkaar op een foto.

Scoop up some dirt, and you’ll probably wind up with some slime mold. Many species go by the common name of slime mold, but the ones scientists know best belong to the genus Dictyostelium. They are amoebae, and for the most part they live the life of a rugged individualist. Each slime mold prowls through the soil, searching for bacteria which it engulfs and digests. After gorging itself sufficiently, it divides in two, and the new pair go their

(c) Copyright, Mark Grimson and Larry Blanton, Electron Microscopy Laboratory, Department of Biological Sciences, Texas Tech University

a, Scatter plot showing the proportion of fluorescently labelled spores in individual fruiting bodies formed at high amoeba density for isolates 13 and 18 (see text; bold, fluorescently labelled isolate). A greater variance in experimental (red circles) than in control treatments (blue circles) indicates clonal sorting (P<0.0002). b–e, Fluorescent micrographs taken with the same field of view at different times of development at high density. b, Initial aggregates contain two isolates (13, labelled green; 18, unlabelled); c, these isolates then separate individually as ‘slugs’ that emerge from the aggregates. d,e, In controls of pure isolate 18, where half of the cells are fluorescently labelled, labelled and unlabelled cells mix equally at aggregation (d), and at the slug stage (e). Arrows designate individual aggregates (b, d) and emerging slugs (c, e). Scale bar, 1 mm.


Piepkleine boeren

Slijmzwam houdt bacteriën als vee

Zo zien de vruchtlichamen van de slijmzwammen er uit. Zo’n bol op een steeltje is niet 1 wezen, maar een hele verzameling slijmzwammen. In de bol zitten sporen, oftewel slijmzwamzaad. In sommige bolletjes zitten ook bacteriën, die meereizen als toekomstige voedselbron. . (foto: Scott Solomon)

De mens is niet bepaald de enige diersoort die aan landbouw doet. Nu blijken zelfs eencelligen het trucje onder de knie te hebben.

Landbouw is een van de belangrijkste uitvindingen uit de menselijke geschiedenis. Zonder de mogelijkheid om zelf voedsel te kweken, hadden mensen nooit stabiele nederzettingen kunnen stichten, was het aantal mensen op deze aardbol waarschijnlijk beperkt gebleven en had de wereld er nu dus heel anders uit gezien. Degene die ooit heeft bedacht dat het handig is om zelf gewassen te verbouwen en dieren te houden, moet dus wel heel slim zijn geweest.

Of toch niet? Landbouw blijkt helemaal niet iets uniek menselijks te zijn. De laatste decennia hebben biologen talloze dieren ontdekt die ook voor boer spelen. Zo bestaan er kevers en slakken die schimmeltuintjes kweken, vissen die een eigen algenweide aanleggen en mieren die bladluizen houden als melkvee. Al die dieren deden dit al voor de mens überhaupt als soort ontstond. En in het blad Nature van deze week valt te lezen dat zelfs een van de meest simpele levensvormen die er bestaat aan landbouw doet: een piepklein eencellig wezentje genaamd een slijmzwam.

Slijmzwammen mogen dan eenvoudige wezens zijn, ze zijn ook een beetje apart. Het grootste deel van hun leven brengen ze door als eencellige. In dit stadium worden ze amoebe genoemd. Maar als hun voedsel opraakt, gaan slijmzwammen opeens samenwerken. Een hele groep amoeben komt dan samen om een zogenaamd vruchtlichaam te vormen, wat eruit ziet als een dikke bol op een heel dun steeltje. Sommige van de slijmzwammen in die bol veranderen zichzelf in sporen; zeg maar slijmzwammenzaad. En dan is het wachten tot de bol afbreekt, bijvoorbeeld doordat er een insect langsloopt, en de sporen op een nieuwe plek terechtkomen waar wel weer genoeg voedsel is.

Bolletjes vol bacteriën
Debra Brock en enkele collega’s van de Rice University in Houston, Texas merkten dat de vruchtlichamen van een slijmzwammensoort genaamd Dictyostelium discoideum soms niet alleen slijmzwamcellen bevatten, maar ook bacteriën. En toen de biologen deze slijmzwammen in hun lab verder gingen kweken, merkten zij dat in alle nieuw gevormde vruchtlichamen ook bacteriën zaten.

Dat kon natuurlijk toeval zijn. Maar omdat de wetenschappers het verschijnsel telkens weer waarnamen begonnen ze te vermoeden dat dit niet zo was. Als slijmzwammen in hun eencellige stadium zitten, vormen bacteriën hun belangrijkste voedsel. Zouden de wezentjes misschien, zodra het tijd wordt om te verhuizen naar een andere plek, expres wat bacteriën meenemen zodat deze op de nieuwe locatie kunnen uitgroeien tot een nieuwe voedselbron? Een beetje zoals mensen vee houden? En zoals geiten regelmatig verse graasplekken nodig hebben, hebben bacteriën ook regelmatig een nieuwe omgeving nodig om weer lekker door te kunnen groeien.

Favoriet voedsel
Na een reeks verdere testen concluderen Brock en haar mede-onderzoekers dat dit inderdaad het geval lijkt te zijn. Ze vonden redelijk wat variatie in de soort bacteriën die slijmzwamkolonies met zich meeslepen als het tijd wordt om te verhuizen; maar individuele kolonies namen wel de hele tijd dezelfde bacteriën met zich mee. Ook als de biologen de slijmzwammen expres kweekten in een schaaltje waar hele andere bacteriesoorten aanwezig waren. Volgens Brock lijkt het erop dat de groepjes slijmzwammen als het ware allemaal een favoriete soort voedsel hebben, in de vorm van een bepaalde bacteriesoort. En dat favoriete voedsel slepen ze dus graag met zich mee. Vergelijk het maar met Nederlanders die zelden op vakantie gaan in het buitenland zonder een pot pindakaas en een zak Hollandse drop.

Maar: niet alle groepen slijmzwammen sleepten hun ‘vee’ met zich mee. Slechts ongeveer een derde deed dit. De andere slijmzwamkolonies vormden, consequent, vruchtlichamen zonder bacteriën erin. In een begeleidend commentaarstuk, ook in Nature, schrijft de van oorsprong Nederlandse bioloog Jacobus Boomsma dat dit waarschijnlijk komt doordat het meeslepen van de bacteriën niet alleen voordelen kent. Altijd je favoriete voedsel bij je hebben is natuurlijk prettig. Maar de groepjes slijmzwammen die bacteriën meenemen moeten sneller en vaker verhuizen dan slijmzwammen die geen bacteriën meedragen. Er moeten tenslotte, zodra je weg wil, wel nog genoeg bacteriën over zijn om mee te nemen. Bovendien bleken de bolletjes met slijmzwamsporen waar ook bacteriën in zaten minder ver te reizen dan bacterieloze bolletjes. Waarschijnlijk door het verschil in gewicht. Met een auto vol pindakaas kom je, op 1 tank, nou eenmaal ook minder ver dan als je minimale bagage meeneemt.

Al met al lijkt het er dus op dat je geen hersenen nodig hebt om aan landbouw te doen. Toch is de vorm van landbouw die de eencelligen bedrijven wel nog net wat eenvoudiger dan bij hogere levensvormen. Slijmzwammen beschermen bijvoorbeeld hun vee niet, en helpen de bacteriën ook niet actief aan extra voedsel. Mensen doen dit wel. Maar ook hierin zijn wij niet uniek. Zo jagen vissen en mieren wel indringers weg. En zorgen zowel kevers als mieren actief voor extra bemesting van hun schimmeltuintjes. De landbouwtechniek van sommige miersoorten gaat zelfs zo ver, dat ze hun tuintjes gezond houden met behulp van antibiotica. Dat idee kennen wij mensen pas zo’n honderd jaar.

Nadine Böke

Debra Brock e.a., Primitive agriculture in a social amoeba, in: Nature, 19 januari 2011

Jacobus Boomsma, Evolutionary biology: Farming writ small, in: Nature, 19 januari 2011

° 

Voedsel transporteren

Het is lastig om de evolutie van altruïsme bij sociale dieren in de praktijk te onderzoeken. De meeste studies die tot nu toe zijn gedaan, beperken zich tot een aantal generaties. En dan lijkt de regel van Hamilton goed op te gaan.

Maar wat gebeurt er als je de evolutie van altruïstisch gedrag over honderden generaties onder de loep neemt? Is de regel van Hamilton dan nog steeds geldig?

Dat is de vraag die de Zwitserse bioloog Laurent Keller zichzelf ook stelde. En hij vond een manier om die vraag te beantwoorden. Samen met zijn collega Dario Floreano (hoogleraar robotica) ontwikkelde Keller simpele robotjes waarmee hij de evolutie van altruïsme over honderden generaties kon simuleren.

Keller plaatste acht van die robotjes en acht stukjes ‘voedsel’ in een arena met één witte wand en drie zwarte wanden. Opdracht voor de robots: transporteer een stukje voedsel naar de witte wand. Robots die daarin slaagden mochten kiezen of zij hun beloning (in de vorm van het doorgeven van hun ‘genoom’ aan de volgende generatie) zelf wilden houden of deze wilden delen met de andere zeven robots in de arena. De relatie tussen de robot die zijn opdracht volbracht en de andere robots in de arena wisselde steeds. Keller en Floreano konden kiezen uit klonen, broertjes, neefjes, of onverwante robots.

Robotjes bouwen

Hoe zitten de robotjes van Keller en Floreano in elkaar? Elke robot heeft drie infrarood sensoren die dienen voor het detecteren van ‘voedsel’. Daarnaast is er een vierde infrarood sensor die onderscheid kan maken tussen de voedselblokjes en andere robots. Met behulp van die vier sensoren kan de robot zijn beloning vinden. Twee sensoren bovenop de robot bepalen vervolgens waar de robot zijn beloning heen brengt. Die sensoren nemen de kleuren van de wanden van de arena waar.


Een interview met Dario Floreano. Floreano legt uit hoe robots kunnen evolueren, en wat hij en collega Laurent Keller in het experiment precies getest hebben.

Alle zes de sensoren staan in verbinding met ‘neuronen’; zes input neuronen, drie verborgen neuronen, en drie output neuronen. Twee van de drie output neuronen bepalen de snelheid van de wieltjes waarmee de robot rijdt. Het derde neuron bepaalt of de robot zijn beloning deelt met de andere robots of niet. In totaal zijn er 33 verbindingen tussen de sensoren en de neuronen. Die verbindingen representeren de 33 ‘genen’ van de robots.

Na een simulatie van vijfhonderd generaties maakten de Zwitsers de balans op. In de eerste generatie werden de 33 ‘genen’ van de robots willekeurig ingesteld en dus was het gedrag nog erg onvoorspelbaar. In de volgende generaties steeg de prestatie van de robots snel, en ook het altruïstische gedrag nam toe. Verwante robots deelden hun beloning als de opbrengst – b – voor de groep groter was dan de kosten – c – voor het individu. In formule: r > c / b. Niet verwante robots deelden hun beloning niet. En dat is precies wat de regel van Hamilton ook zegt.

Nederlandse wetenschappers reageren in de Volkskrant kritisch op de resultaten van de Zwitsers. De proefopzet is volgens hen geen echte test, maar zou sowieso bevestigende resultaten opleveren. De regel van Hamilton vraagt nu vooral om bewijs uit de natuurlijke systemen.

Bron

Zie ook:

Zien lijden, doet lijden. Dat weten we allang. Dat dit gevoel eigenlijk een uitdrukking van empathie is, werd onlangs ontdekt door Niezink (RuG).

En empathie zorgt er weer voor dat we anderen willen helpen: we worden er altruïstisch van. In tegenstelling tot de evolutionaire theorie over altruïsme werkt dit mechanisme niet alleen bij familie, maar vooral bij vrienden. Altruïsme is dan ook geen automatisme maar een keuze.

Als we onszelf vergelijken met anderen die slechter af zijn, voelen we ons daardoor vaak gespannen of angstig. Dat komt omdat we zo betrokken zijn bij de persoon in nood dat we ons ermee identificeren. Onze negatieve emoties zijn eigenlijk een uitdrukking van empathie, ontdekte de Groningse promovenda Lidewij Niezink. En empathie zorgt er weer voor dat we anderen willen helpen: we worden er altruïstisch van.

Opmerkelijk genoeg werkt dit mechanisme vooral op vrienden. We helpen onze beste vriend bijvoorbeeld bij zijn verhuizing omdat we ons inleven in zijn situatie. Familieleden helpen we niet zozeer vanuit empathische gevoelens, maar omdat we verwachten dat die in de toekomst ook voor ons klaar zullen staan: voor wat hoort wat.

Niet alleen ‘evolutionair slim’ familiealtruïsme

Wetenschappers dachten altijd dat altruïsme vooral tussen familieleden voorkwam. Dat zou gedurende de evolutie zo zijn ontstaan omdat we met onze bloedverwanten ook onze genen delen. En juist het doorgeven van genen is de belangrijkste drijfveer achter de evolutie. De simpelste manier om dat te doen is natuurlijk om zelf lang genoeg in leven te blijven om veel kinderen te krijgen.

DAWKINS 

In zijn boek ‘The selfish gene’ zet Richard Dawkins zijn theorie uiteen. Hij stelt dat onze evolutie gedreven wordt door de ‘wens’ van onze genen om zich zo wijd mogelijk te verspreiden. Het gaat in de evolutie dus ook niet om het voortbestaan van de soort of het individu, maar de genen.

Maar ook opkomen voor je familie – je ‘genverwanten’ – is evolutionair slim. Stel bijvoorbeeld dat je door jezelf op te offeren (de ultieme altruïstische daad) vier broers en zussen kan redden. Met elke broer en zus deel je 50% van je genen. Blijven zij leven, dan hebben 4 × 50%, dus 200% van je genen de kans om te blijven leven. Zou je alleen jezelf redden, dan is dat maar 100%. Voor het optimaal overleven van je genen is altruïsme dus een handige eigenschap, en door miljoenen jaren van evolutie is dat er bij mensen goed ingesleten.

INLEGKUNDE  ? 

Empathie is een automatisme maar altruïsme is een keuze

Evolutionair is het dus moeilijk te verklaren dat we uit medeleven voor onze vrienden door het vuur gaan, terwijl we juist berekenend zijn in het helpen van onze bloedverwanten. Niezink vindt het echter heel logisch.

Als je wilt verhuizen, komt je broer je altijd helpen. Op je familie kun je doorgaans rekenen. Familie kies je niet. Vrienden wel. We voelen ons meer één met vrienden, en daarom zijn empathische gevoelens belangrijker.”

Bovendien: wat onze beweegredenen zijn, we komen inderdaad onze familieleden wél te hulp. Ook dat vindt Niezink begrijpelijk.

Of je empathie voelt bij het zien van iemand’s leed, gaat automatisch. Maar of je vervolgens dat leed wilt verzachten – en dus altruïstisch wilt zijn – is een keuze, blijkt uit haar onderzoek. Ook al zorgen gevoelens van empathie ervoor dat we het willen, uiteindelijk kíes je ervoor om de helpende hand toe te steken, medeleven of niet.

Uit het onderzoek van Niezink blijkt dat altruïsme niet zozeer een evolutionair ingebakken automatisme is – zoals vechten of vluchten bij gevaar – maar een keuze die je kunt maken of je nou empathische gevoelens hebt ten opzichte van iemand of niet.

Normen en waarden

Empathie en altruïsme zijn overigens niet de enige normen en waarden die door de aanwezigheid van anderen in ons worden opgewekt. Alleen al het denken aan anderen stimuleert dat we ons goed gedragen, bleek uit het promotieonderzoek van de eveneens Groningse Janneke Joly.

Zo zul je niet snel een leeg blikje cola op de grond gooien, als je moet denken aan je moeder die altijd vindt dat je een vuilnisbak moet zoeken. Volgens Joly komt dat omdat de herinnering aan anderen ons normbesef vergroot: de gedachte alleen al zorgt dat we ons meer als groepsdier gaan gedragen door de sociale spelregels serieuzer te nemen.

Zie ook:

Plaats van altruïstische gevoelens in de  hersenen gevonden
22 januari 2007
Wetenschappers hebben het deel van de hersenen gevonden dat verantwoordelijk is voor onbaatzuchtig gedrag.
Door middel van hersenscans,(fMRI ) vragenformulieren en computerspelletjes wisten de onderzoekers van het Duke Medical Center in de Amerikaanse staat North-Carolina te achterhalen welke kronkel van de hersenen actief wordt als iemand vaak altru챦stisch gedrag vertoont.
De 45 proefpersonen werd onder meer gevraagd hoe vaak zij anderen vrijwillig en belangeloos hielpen of hoe vaak zij vrijwilligerswerk deden.
Volgens de onderzoekers kan er nu beter worden gekeken naar de manier waarop onbaatzuchtig gedrag, waarbij het belang van anderen voor het eigenbelang
wordt gezet, in de loop van de kindertijd wordt ontwikkeld.

Scott Huettel, Ph.D. (Image courtesy of Duke University Medical Center)
zie ook =
Activation Of Brain Region Predicts Altruism

“Although understanding the function of this brain region may not necessarily identify what drives people like Mother Theresa, it may give clues to the origins of important social behaviors like altruism,” said study investigator Scott A. Huettel, Ph.D., a neuroscientist at the Brain Imaging and Analysis Center.Results of the study appear Sunday, Jan. 21, in the advance online edition of Nature Neuroscience and will be published in the February 2007 print issue of the journal. The work was funded by the National Institutes of Health.

Elkaar willen helpen in tijden van nood zit in de mens De terugkeer van de barmhartige Samaritaan
Een nieuwe “theorie ” , over de aard van de mens. Niet zijn vermogen tot lijden, cultuur of doodsangst onderscheidt de mens van de andere dieren, wel zijn altruïsme.
De mens is het enige dier dat vreemde soortgenoten helpt zonder aanwijsbaar persoonlijk voordeel, zo vertelt een nieuwe wetenschappelijke tak: de experimentele economie.

Door Peter Dupont


De geschiedenis van onze planeet is een aaneenschakeling van rampen.

Zij, en niet veldslagen of politiek, sturen de loop der dingen. Een ijstijd betekent het einde van de mens, een storm het einde van een stam. Biologisch materiaal wordt cyclisch vernietigd door ander biologisch materiaal of door de brute kracht van moedertje natuur. Vooruitgang is dan ook een sisyfusiaanse illusie, de mens een doofstom dier. Met bijna 8 miljard individuen die samenklonteren op de bewoonbare plaatsen van de planeet, hoeft het dan ook geen verbazing te wekken dat er steeds zwaardere klappen vallen.

Vreemd genoeg , houdt die wetenschap de mens niet tegen om massaal hulp te bieden aan soortgenoten die tienduizenden kilometer ver door het noodlot worden getroffen.

Zoals zovele andere diersoorten helpt ook de mens zijn naaste familie en kennissen in de strijd om te overleven.

De homo sapiens lijkt echter de enige soort die in staat is om onbekenden te helpen.

Filosofen hebben millennialang hun hoofd gebroken over de menselijke capaciteit tot altru챦sme. Vorige eeuw werden de antwoorden van denkers als Aristoteles, Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau en Anthony Ashely Cooper weggespoeld door een nieuwe wetenschappelijke tak: de sociobiologie.

Sociobiologen ontdekten in de tweede helft van de twintigste eeuw een basis van zuiver ego챦sme en economisch langetermijnvoordeel onder de dunne laag menselijk altru챦sme.

De sociobiologie verleende daarmee geloofwaardigheid aan de theorie van de homo economicus, die in de negentiende eeuw door economen en sociale wetenschappers was gelanceerd.

De kernbetrachting van homo sapiens, zo stelden zij, is het maximaliseren van zijn eigen voordeel. Filantropie is een koudweg uitgekiende strategie op basis van public relations. ‘Ik krab jouw rug als jij de mijne krabt.’

Wat hulp aan anderen garandeert de hulpverlener van een zekere hulp in de toekomst. Volgens de ‘reputatietheorie’ strekt het ook tot iemands genetisch voordeel om een reputatie van welwillendheid en onpartijdigheid te ontwikkelen. Homo geneticus hand in hand met homo economicus.

De laatste jaren raken wetenschappers er steeds meer van overtuigd dat onbaatzuchtig gedrag niet te verklaren is met die theorie챘n.

Welk evolutionair voordeel hebben de tienduizenden vrijwilligers die hun leven in de weegschaal werpen bij een ramp? Evolutionaire biologie kan dat niet verklaren.

Familie, reputatie noch nageslacht profiteert immers van een dergelijk altru챦sme. Integendeel: het kost het individu enorm veel. Evolutionair gesproken zou de afwezigheid van barmhartige Samaritanen logisch zijn. Waarom loopt de planeet dan vol Samaritanen?

Het fenomeen altruïsme

Economen en sociale wetenschappers hebben de afgelopen jaren met laboratoriumexperimenten een verklaring proberen te vinden voor het fenomeen altruïsme.

Hun nieuwe wetenschappelijke tak heet experimentele economie. De conclusie van enkele jaren onderzoek: altruïsme komt bij alle volkeren voor, of het nu om leden van de globale economie of stammen in het Yanomami-reservaat gaat.

Wat is de verklaring voor dat altruïsme?

Evolutionaire theoretici hebben het ooit bestempeld als evolutionaire slordigheid. Een gedrag dat op een bepaald moment succesrijk was en in andere omstandigheden en tijden als evolutionaire last is overgebleven.

De voorvaderen van homo sapiens leefden in kleine geïsoleerde groepen waarvan de leden enorm afhankelijk waren van elkaar. Wie niet deelde, werd gestraft of verbannen uit bepaalde groepsactiviteiten. Contact met vreemden was zeldzaam, zodat er geen nood was om een onderscheid te maken tussen ‘wij’ en ‘zij’.

Echt altruïsme, zo beweren de theoretici, is dus een kwestie van gewoonte. Voor onze complexe maatschappij is het evolutionair gesproken overbodig. In het experiment van Fehr en Renninger werd daarom de samenstelling van de groepen steeds gewijzigd. Het resultaat was duidelijk: gewoonte bleek geen rol te spelen bij altru챦sme.

Aanpassen of verdwijnen

Wat dan wel? Sommige wetenschappers houden al jaren rekening met een mogelijke genetische grond voor onbaatzuchtigheid.

Een andere verklaring stelt dat sommige van de vroegste gemeenschappen een meerderheid aan altruïsten had, waardoor egoïstisch gedrag bestraft werd en naar de achtergrond werd geduwd.

Dat had ook gevolgen voor andere groepen, omdat altruïstische groepen meer succes hadden en op lange termijn dus meer kans op overleven.

Meer overtuigend is de theorie die de antropologen Robert Boyd en Peter Richerson in het boek Genetic and Cultural Evolution of Cooperation.

Genen en cultuur gaan samen. De eerste, rudimentaire “instincten “bevoordeelden genotypen die in staat waren om beter te leven in groepen die samenwerkten.

Individuen die het best in staat waren om straffen te vermijden en zich de relevante normen eigen te maken, hadden meer kans op overleven. Een ego챦st in een groep altru챦sten kon zich dus maar beter aanpassen.

Nieuw bijgekomen groepsleden kregen op die manier snel een keuze: aanpassen of verdwijnen. Een mix van culturele en genetische factoren hebben ervoor gezorgd dat dat altruïsme de generaties overleefde.

Moraal van dit verhaal: de mens wordt geboren met een neiging tot zelfopoffering.

Volgens Fehr en Renninger brengt dat de mens een beetje terug op het voetstuk waar Darwin hem vanaf hielp. Blijkbaar is onze soort de enige die in staat is tot echt altruïsme.

Ander onderzoek heeft ook dat al verwezen naar het rijk der fabelen.

Organismen – van peulvruchten tot de pijlinktvis – straffen symbioten die niet samenwerken.

Yuccaplanten straffen te gulzige motten, sommige dieren zorgen voor oudere en gehandicapte soortgenoten.

Straffen ter bevordering van altruïsme lijkt een wijdverspreid mechanisme op onze planeet.

Ook andere diersoorten blijken altruïstisch in de ware zin van het woord. Gevallen van walvissen en dolfijnen die andere soorten helpen, zijn legio.

Altruïsme dat de grens van de soorten overstijgt is des dieren. De barmhartige Samaritaan zwemt, schuifelt, vliegt en kruipt

Publicatiedatum : 2005-01-05

‘Serengeti symphony‘ van Hugo van Lawick

http://evolutie.blog.com/1186965/?page=1#cmts

Afrikaanse buffel in Serengeti National Park, Tanzania Stockfoto - 10453305

Een groep van plm 100 Afrikaanse buffels wist een paar leeuwen, die bezig waren een groepsgenoot te doden, weg te jagen door een gesloten front te vormen en stapvoets de plaats des onheils te naderen.

Dat werkte de leeuwen zo op de zenuwen dat ze het opgaven en wegliepen, hun slachtoffer levend achterlatend. De groep had een soortgenoot gered.

Tijs Goldschmidt gaf dit als een voorbeeld van opofferend gedrag (altruisme).

Het is het tegenovergestelde van egoïstisch gedrag.

Een buffel moet wel enige angst overwinnen om zijn vijand tegemoet te treden. Dit ene voorbeeld weerlegt het hele idee dat een individu (mens of dier) zich alleen altruistisch (‘moreel’) gedraagt omdat God hem dat geboden heeft.

Buffels zijn nog nooit naar de kerk geweest, hebben nooit de Bijbel gelezen en hebben nooit van de 10 Geboden gehoord.

Dit ene voorbeeld is voldoende om de beweringen van Cees Dekker over de noodzakelijkheid van een absolute, geopenbaarde moraal naar het rijk der fabelen te verwijzen. (1)

Francis Collins maakte dezelfde fout.

Dit wil niet zeggen dat dieren zich niet egoïstisch gedragen. Mensen gedragen zich ook egoïstisch. Het betekent niet meer en niet minder dan dat dieren géén religie nodig hebben om zich ‘moreel’ te gedragen.
Ten overvloede een eigen voorbeeld:

kijk eens naar hoe een koolmezenpaartje zich uitslooft met een continue aanvoer van met rupsen, insecten, etc voor een nest vol jongen en vraag je af: Waarom zouden die mezen zich zo uitsloven? Het leven zou toch veel gemakkelijker zijn als zij die rupsen zelf consumeerden en in een boomtop hun liedje zongen?

Ook mezen lezen de Bijbel niet.

Ethiek komt niet voor uit religie – religie is een codificatie achteraf van bestaande ethiek en sociale normen en waarden.

Massa’s theologen zijn nodig om Jan met de pet van het tegendeel te overtuigen. Dat is geen nieuw inzicht; zie Spinoza, de Verlichting, etc.


noot (1)

Over ethiek zegt Cees Dekker in ‘En God beschikte een worm’ in de tabel in de recentie van Korthof:

Ethiek is afgeleid van het goede en heilige karakter van God. Er is een absolute standaard van goed en kwaad.”

Echter ; Wat is absoluut kwaad en goed in het dierenrijk (bijvoorbeeld )

Waar komen die leeuwen vandaan? Die willen dat arme buffeltje opeten, wat vanuit leeuwenoptiek desalniettemin te begrijpen is – leeuwen moeten tenslotte ook eten, en zij kunnen er ook niets aan doen dat zij carnivoor zijn.

een ander voorbeeld ;


Zie ook
http://tasmedes.web-log.nl/tasmedes/2006/10/arthur_peacocke.html

:
Kannibalisme komt voor bij beesten.Ook kinderetende ouders, en jonge arenden of masked boobies die hun nestgenoot uit het nest werken.

Bij twee soorten galmuggen die van schimmel leven (kijk op Wikipedia: Cecidomyiidae) komen asexuele dochterlarven in de moeder uit het ei.

De dochterlarven die worden geproduceerd in een moederlarve eten de moeder van binnenuit op. Daarna worden ze onafhankelijke schimmeletende larven, en worden zelf van binnenuit opgegeten. Soms komt er een sexuele generatie van mugvorm.

Met andere woorden hoe moeten/kunnen ( gelovige )theologen de moeilijkheid van het “natural evil” wegkletsen.

THEISTISCHE  EVOLUTIONISTEN  …..

Paniekvoetbal ? ;
(claims)
1.- Aan de evolutietheorie, kunnen mensen geen moraal ontlenen.
2.- Evolutie zegt alleen iets over hoe de aarde geworden was.
3.- Evolutie is als proces acceptabel, maar als wereldbeschouwing ontoereikend.
Die opvattingen kristalliseerden uiteindelijk in ;
” God kan, ook heel goed via evolutie geschapen hebben. “
Tot de dag van vandaag vind je deze opvattingen , gebundeld onder de noemer “ theistisch evolutionisme “
Min of meer bekende christenen in Nederland die (anno 2010)uiteindelijk   het theistisch evolutionisme huldigen zijn: de natuurkundige en hoogleraar Cees Dekker,
de EO-presentator en theoloog Andries Knevel en de wetenschapsjournalist en bioloog René Fransen.
In Engeland is de bekende theoloog Alister McGrath een theistisch evolutionist (2007).

Een hoofdbezwaar tegen het theïstisch evolutionisme ( uit de gelovige orthodxe gemeeenschap ) is dat het bijbels gezien onwaarschijnlijker is dan de christelijk-wetenschappelijk leer (creationisme) dat God in zeer korte tijd
afzonderlijke soorten van levende wezens gemaakt heeft die vervolgens in hun soortontwikkeling divers werden (micro-evolutie).

Wie het theistisch evolutionisme omhelst, neemt aan dat de mens uit het dier ontsproten is na miljoenen jaren van strijd om te overleven.
God nam een aap en veranderde hem tot Adam.
Al die tijd had de dood geheerst in het dierenrijk en toen eindelijk de mens kwam, overzag God de schepping en zei … dat het ‘zeer goed’ (Gen. 1:31) was  ?

Naturalistische wetenschappers werpen tegen dat het theïstisch evolutionisme(net zoals rabiatere  en onhoudbaar geworden vormen van creationisme )  onwetenschappelijk is, omdat het nog altijd   een beroep doet op  een  intervenierende  God.
Theistisch evolutionisme is moeilijk te verkopen aan orthodoxe christenen en aan het wetenschappelijk establishment.

°

MET  MAMA VECHT JE NIET

“Besnijdenis” bij mieren ?

Sommige mierensoorten doen het zonder koningin( meestal ponerina soorten . )

Alle werksters kunnen zich in dat geval voortplanten. Maar een groot deel van de werksters wordt bij de ‘geboorte’ verminkt, doordat oudere zusters het orgaan afbijten dat ze nodig hebben om te paren. (zij die nog kunnen copuleren en eieren leggen noemt men alpha “gamergates” een kaste die te onderscheiden is van de gewone “besneden” werksters )

De naar een universiteit in Parijs uitgeweken Belg Christian Peeters schrijft met enkele collega’s in het blad Animal Behaviour

dat

“….jonge mieren alleen terugvechten als de mier die hen aanvalt zich nog niet voortgeplant heeft(= beta gamergate ) . In het andere geval zou het hun moeder kunnen zijn.(=alpha gamergate ) En met je moeder vecht je niet….”

In hoeverre ze de “aanvallers ” herkennen door bepaalde chemische prikkels ( geuren / feronomen /sociohormonen ) wordt nog onderzocht

zie ook //Policing behaviour towards virgin egg layers in a polygynous ponerine anthttp://www.biologie.ens.fr/ecologie/comportement/peeters/peeters/abgnampies.pdf

dit is een van de pdf papers te vinden op dit web adres http://www.biologie.ens.fr/ecologie/comportement/peeters/index.fr.html

Animal behaviour ;

http://beheco.oxfordjournals.org/archive/ )

°

Kernwoorden

, , , , ,

Altruïsme uit eigenbelang
Sander Voormolen
SAMENVATTING
Een honingbij die een vijand steekt, offert zichzelf op om haar nestgenoten te verdedigen. Is dit een uitzondering op de regel dat evolutie leidt tot beter aangepaste individuen? Het antwoord komt van opgesloten criminelen, Hamiltons regel en ‘tit-for-tat’.
Na een lange carrière als criminelen zijn jij en je maat nu eindelijk opgepakt. Gisteren zijn jullie door een stel politieagenten gearresteerd op verdenking van handel in verdovende middelen. Tot overmaat van ramp brengen jullie vingerafdrukken je in verband met een onopgeloste woninginbraak die jullie een jaar geleden pleegden. Met zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel en één jaar voor woninginbraak, is dat alles bij elkaar genoeg om voor zeven jaar achter de tralies te verdwijnen. Toch kom je er, als je het slim speelt, misschien goed vanaf. Het bewijs dat de politie in handen heeft is flinterdun. Met een goede advocaat zal het jullie zeker lukken een veroordeling wegens handel in verdovende middelen te ontlopen. Dat weet de politie ook. Daarom hebben ze je gevraagd tegen je maat te getuigen. In ruil voor een belastende verklaring zul je niet worden vervolgd voor de woninginbraak. Wat doe je? Ga je hem verlinken of niet? En, minstens zo belangrijk, gaat hij jou verlinken of niet? Je kunt er namelijk vergif op innemen dat de politie je maat hetzelfde voorstel heeft gedaan.
°
Het gevangenendilemma als model voor altruïstisch gedrag
°
Wat is de beste keuze? Als de beide gevangenen zwijgen, gaan ze maar voor één jaar de cel in voor de woninginbraak. Als ze beiden praten worden ze allebei veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel (zie Afbeelding 1). Zwijgen lijkt dus de beste en eerlijkste keuze vanuit het oogpunt van beide gevangenen samen. Maar kunnen ze elkaar wel vertrouwen?

Afb. 1 Het gevangenendillemma: Afhankelijk van mijn eigen gedrag en dat van mijn medegevangene heeft het gevangenendilemma vier mogelijke uitkomsten. De letters p en q staan voor de kans dat ik, respectievelijk mijn medegevangene, zwijgen. Deze variabelen bepalen de kans op elk van de vier uitkomsten.

Dit dilemma is niet alleen interessant voor opgepakte criminelen, maar ook voor biologen die ge챦nteresseerd zijn in altru챦stisch, of zelf-opofferend gedrag. Altru챦stisch gedrag komt voor in allerlei situaties. Een wilde hond gedraagt zich altru챦stisch als hij zich fanatieker dan zijn groepsgenoten inzet bij de jacht op een gnoe: hij loopt daardoor zelf misschien een groter risico gewond te raken door de horens van de gnoe, maar verhoogt wel de kans dat de jacht voor de groep succesvol zal zijn. Ook een honingbij die een vijand van de kolonie steekt, gedraagt zich altru챦stisch: zij offert door te steken haar eigen leven op, in het belang van de kolonie. En een vampiervleermuis gedraagt zich soms altru챦stisch door voedsel te delen met een hongerige soortgenoot die het eens een nacht niet is gelukt een maaltje bloed te bemachtigen. Dat kan de redding betekenen van de hongerige vleermuis, maar het vergt wel een offer van het eigen voedsel.

Uit de voorbeelden blijkt het al: altru챦sten zijn individuen die de fitness van anderen in hun omgeving verhogen ten koste van hun eigen fitness. Die eigenschap maakt ze in veel opzichten vergelijkbaar met de gevangenen in het voorbeeld: zoals een altru챦st de fitness van een ander kan verhogen ten koste van de eigen fitness, zo kan elk van de gevangenen de ander een langdurige gevangenisstraf besparen als hij tenminste bereid is daarvoor strafvermindering op te geven. Anders gezegd, als een gevangene ervoor kiest te zwijgen en de ander niet te verlinken, vertoont hij daarmee altru챦stisch gedrag, net als de wilde hond die zich inzet voor de jacht, de honingbij die steekt, en de vampiervleermuis die bloed deelt. Net als de gevangenen, zijn ook de wilde honden, de bijen en de vampiervleermuizen als groep veel beter af wanneer elk individu zich altru챦stisch gedraagt. Voor elk individu afzonderlijk is het tegelijkertijd aanlokkelijk om wel te profiteren van het altru챦stische gedrag van anderen, maar zelf niets op te offeren voor het groepsbelang.

De overeenkomst tussen biologische situaties waarin een individu zich wel of niet altru챦stisch kan gedragen, en de situatie van de twee gevangenen is zo groot dat het dilemma van de gevangenen is uitgegroeid tot een standaardmodel voor altru챦sme dat door vele biologen wordt bestudeerd. In de rest van dit artikel zullen we zien wat het gevangenendilemma ons kan leren over de algemene voors en tegens van altru챦stisch gedrag en over de evolutie van altru챦sme.

De beste keuze geeft de slechtste uitkomst
Wat zou er gebeuren, als de keuze om zich wel of niet altruïstisch te gedragen in het gevangenendilemma aan evolutie onderhevig zou zijn? Waarschijnlijk zou een gedrag ontstaan dat vergelijkbaar is met dat van een berekenende, egoïstische gevangene. Zo’n gevangene heeft alleen zijn eigen belang op het oog bij de beslissing of hij zijn maat zal verlinken of niet. Dat juist dit gedrag een voorspellende waarde heeft voor de uitkomst van evolutie, wordt verklaard doordat selectie ook werkt op verschillen in fitness tussen individuen, en niet op verschillen tussen groepen. Selectie is in die zin ook een ‘berekenend en egoïstisch’ proces.

In een populatie waar erfelijke variatie bestaat in de neiging tot altruïstisch gedrag –sommige individuen zijn veel eerder geneigd zich voor de groep op te offeren dan anderen– zal uiteindelijk, onder invloed van natuurlijke selectie, alleen dat gedrag overblijven dat het individu zelf de hoogste fitness oplevert. De neiging tot altruïstisch gedag kan onder invloed van mutatie en selectie zolang veranderen totdat geen enkele nieuwe variant, die door mutatie zou kunnen ontstaan, een hogere fitness heeft dan de variant die al aanwezig is in de populatie. Het gedrag dat dan ontstaan is hoeft niet het gedrag te zijn dat de gemiddelde fitness van de groep maximaliseert. Sterker nog, in veel omstandigheden zal de keuze voor het eigen belang uiteindelijk voor elk individu in de groep nadelig uitpakken.

Dit is zeker ook het geval in de situatie van de twee gevangenen. Als beide gevangenen alleen het eigen belang op het oog hebben, zullen ze ongetwijfeld beslissen mee te werken aan het voorstel van de politie. Immers, of de ander nu zwijgt of praat, elk van de gevangenen is zelf beter af als hij de ander verlinkt, want dat scheelt altijd 챕챕n jaar gevangenisstraf voor de woninginbraak (zie Afbeelding 2). Vanuit het oogpunt van elke gevangene afzonderlijk is praten dus een betere oplossing dan zwijgen. Maar als beide gevangenen op die manier redeneren, zullen ze beide praten, en zo beide veroordeeld worden tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel. Dit is voor elk van beide een stuk nadeliger dan het ene jaar gevangenisstraf dat ze hadden moeten uitzitten als ze beide hadden gezwegen.


Afb. 2: De oplossing van het gevangenendilemma:

Voor elke combinatie van p en q (zie afbeelding 1) ligt de verwachte uitkomst van het gevangenendilemma voor mij en mijn medegevangene vast. In deze figuur strekt het gele gebied zich uit over alle strategiecombinaties waar ik meer straf krijg dan mijn medegevangene. Voor strategiecombinaties in het blauwe gebied krijg ik minder straf. Wat blijkt? Als ik vaker praat dan mijn medegevangene krijg ik altijd minder straf dan hij. De meest rationele oplossing is dus altijd praten.

Als we deze uitkomst van het gevangenendilemma doortrekken naar de biologie, moeten we tot de conclusie komen dat altru챦sme niet zo snel zal kunnen ontstaan. Integendeel, het gevangenendilemma wekt juist de verwachting dat organismen zich juist niet altru챦stisch zouden moeten gedragen, zelfs niet als dat gunstiger zou zijn voor het algemeen belang.

We kunnen nu begrijpen waarom bijvoorbeeld bomen zo veel energie in hun stam investeren, terwijl ze met z’n allen ook minder hoog hadden kunnen groeien, en daarmee meer energie hadden kunnen besteden aan voortplanting. In de competitie om licht hebben bomen echter hun eigenbelang gevolgd, en daarmee hebben ze een kostbare wedloop in hoogtegroei ontketend.We kunnen nu ook begrijpen waarom we met ons allen onze huizen en inboedel moeten beveiligen en verzekeren tegen diefstal. We zouden met ons allen beter af zijn zonder sloten en verzekeringspremies, ware het niet dat we dan kwetsbaar zijn voor individuen die hun eigenbelang vooropstellen en een huis leegroven. Soortgelijke principes gaan op voor de exploitatie van prooidierpopulaties door roofdieren (denk ook aan overbevissing), voor de evolutie van zelfzuchtige genetische elementen, en eigenlijk voor al die situaties waarin het makkelijk is te bedenken hoe de wereld kan worden verbeterd zolang iedereen zijn gedrag maar zou veranderen.Wanneer wél altruïsme?
Het gevangenen-dilemma stelt ons in staat te begrijpen waarom individuen zich vaak niet altru챦stisch gedragen, en waarom eigenbelang vaak niet leidt tot een oplossing die optimaal is vanuit het oogpunt van alle individuen samen.
Toch laten de voorbeelden van de wilde hond, de honingbij en de vampiervleermuis zien dat altruïstisch gedrag wel degelijk is ontstaan in sommige soorten. Hoe is dit mogelijk? Onder welke omstandigheden kan altruïstisch gedrag wel evolueren?

Het antwoord op die vragen is niet alleen belangrijk voor ons begrip van al die soorten waar we wél altruïstisch gedrag waarnemen. Er is ook een fundamenteler belang. Altruïsme lijkt een drijvende kracht achter belangrijke evolutionaire overgangen, zoals de overgang tussen eencellige en meercellige organismen. Bij die overgang is een taakverdeling tussen cellen ontstaan, waarbij sommige cellen hun mogelijkheid tot reproductie hebben opgeven ten gunste van andere cellen – een waarlijk altruïstische daad!

Veel onderzoek naar altruïstisch gedrag richt zich op twee factoren die onmisbaar lijken bij de evolutie van altruïsme: verwantschap en sociale structuur.
Verwantschap is belangrijk, omdat het gedrag van verwanten lijkt op dat van jezelf: als je jezelf goed gedraagt, is de kans groot dat je goede gedrag aan je wordt terugbetaald door je familie.
Sociale structuur is belangrijk, omdat je niet straffeloos lelijk kunt doen tegen individuen die je later nog eens tegen komt: als je jezelf goed gedraagt, pluk je daar misschien in de toekomst de vruchten van.De zegeningen van een goed nest
Om de effecten van verwantschap op de evolutie van altruïsme te onderzoeken nemen we opnieuw het gevangenendilemma als uitgangspunt. We hebben gezien dat de oplossing van het gevangenendilemma eenvoudig is als beide gevangenen niet verwant zijn. De meest verstandige strategie is dan ‘altijd praten’, oftewel, ‘nooit zwijgen’. Waarom zou dit anders zijn als de gevangenen verwant zijn? Een mogelijk effect van verwantschap dat de uitkomst zou kunnen beïnvloeden, is dat verwanten op elkaar lijken. Die gelijkenis kan zijn ontstaan door gemeenschappelijke ervaringen (zoals een zelfde opvoeding), of doordat verwanten voor een deel hetzelfde erfelijk materiaal bezitten.Laten we ons eerst eens concentreren op een extreem geval. Stel je voor dat je in de gevangenis zit samen met je eeneiige tweelingbroer, en dat de keuze of je meewerkt met de politie volledig bepaald wordt door je genen. In dat geval weet je absoluut zeker dat, als jij zwijgt, je tweelingbroer ook zal zwijgen, en als jij praat, je tweelingbroer dat ook zal doen. Immers, jij en je tweelingbroer zijn genetisch identiek, en jullie keuze in het gevangenendilemma zal dus ook identiek zijn. Het gevangenendilemma heeft nu maar twee mogelijke uitkomsten. Als je zwijgt gaan jullie allebei één jaar de cel in; als je praat, krijgen jullie beide zes jaar gevangenisstraf. Het zal duidelijk zijn dat ‘zwijgen’ in dit geval de beste strategie is, en niet ‘praten’, zoals eerder.Hier zie je hoezeer verwantschap de voordelen van altru챦stisch gedrag kan vergroten. Als individuen vooral optrekken met hun verwanten, zijn altru챦sten opeens in het voordeel! Dat komt omdat altru챦stische individuen uit altru챦stische families komen. In die families is het goed toeven, want iedereen staat steeds met hulp klaar.Het bovenstaande voorbeeld is wat bijzonder, omdat eeneiige tweelingbroers voor honderd procent genetisch identiek zijn. Omdat het gedrag in het voorbeeld ook voor honderd procent door de genen wordt bepaald, is het absoluut zeker dat de keuzen van beide gevangenen overeen zullen komen. Als de gevangenen wel verwant zijn, maar geen eeneiige tweelingbroers, dan bestaat er slechts een kans dat ze beide identieke genen voor altru챦stisch gedrag bezitten (zie Afbeelding 3).

Afb. 3: Broeders in de misdaad:

Als ik in de gevangenis ben beland met een familielid, bestaat er een kans r (de verwantschapsgraad) dat hij en ik dezelfde genen hebben ge챘rfd van onze gemeenschappelijke voorouders. Als die genen de keuze bepalen in het gevangenendilemma, bestaat de kans dat het gedrag van mijn familielid zal overeenkomen met dat van mezelf. Om precies te zijn, mijn familielid zwijgt in een fractie p van de gevallen, net als ik, als we dezelfde genen hebben ge챘rfd (de kans daarop is r); hij zwijgt in een fractie q van de gevallen, als onze altru챦sme genen niet identiek zijn (de kans daarop is 1-r).

Dat is belangrijk, want een altru챦stisch individu kan dan niet langer met absolute zekerheid voorspellen of zijn familielid zich ook altru챦stisch zal gedragen of niet. Iemand, die samen met zijn vader in de cel is beland, heeft bijvoorbeeld maar 50% kans dat zijn vader zich zal gedragen zoals hij. Immers, het erfelijk materiaal dat de keuze in het gevangenendilemma bepaalt kan zijn ge챘rfd van de vader (in dat geval zullen vader en zoon zich identiek gedragen), maar ook van de moeder (in dat geval is het gedrag van de vader onvoorspelbaar, zoals bij een onverwante medegevangene).

Of het in zo’n onzekere situatie nog steeds loont jezelf op te offeren voor je familielid, hangt af van drie factoren: 1) de verwantschapsgraad r tussen jou en je familielid, oftewel de kans dat jullie hetzelfde erfelijk materiaal van jullie gemeenschappelijke voorouders hebben ge챘rfd, 2) de kosten s van het altru챦stisch gedrag, en 3) de voordelen S voor je familielid. Wie het precies uitrekent, zal vinden dat altru챦sme alleen kan evolueren als

s < r . S

In het getalvoorbeeld dat we tot nu toe gebruikten is s gelijk aan 챕챕n jaar (de straf voor de woninginbraak), en S is gelijk aan zes jaar (de straf voor de drugshandel). Met die waarden kan altru챦sme zichzelf pas terugbetalen zodra r > 1/6 . Met andere woorden, de gevangene moet zijn maat alleen beschermen als de verwantschapgraad tussen beiden groot genoeg is (zie Afbeelding 4).


Afb. 4: waar familie zoal goed voor is:

De analyse die is weergeven in Afb. 2, kunnen we ook toepassen op de situatie van Afb. 3. Er zijn nu twee mogelijke uitkomsten: als de verwantschapsgraad laag is, is beste strategie ‘altijd praten’, net zoals in de situatie van onverwante gevangenen (Afb. 1). Als de verwantschapsgraad hoog is, is de beste strategie ‘altijd zwijgen’. Voor de gevangenisstraffen van dit voorbeeld (zie Afb. 1 en 3) ligt de grens tussen deze twee situaties bij een kritieke verwantschapsgraad R=1/6. M.a.w., je zou je opa wel moeten verlinken, maar je oom, broer of vader niet (precies hetzelfde geld natuurlijk voor criminele oma’s tegenover tantes, zussen en moeders).

De bioloog W. D. Hamilton heeft laten zien dat dit principe vaker opgaat. Altruïsme kan slechts evolueren alsDE KOSTEN VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JOU
kleiner zijn dan
DE VERWANTSCHAPGRAAD
maal
HET VOORDEEL VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JE FAMILIELID

Deze formulering zegt in woorden precies hetzelfde als de bovenstaande wiskundige formule. Dit resultaat staat bekend als ‘Hamiltons regel’.

Hamiltons regel kan verklaren waarom mieren, bijen en wespen zo vaak bijzondere samenwerkingsverbanden hebben ontwikkeld (denk aan mierennesten en sociale bijenkolonies). Deze insecten hebben een bijzonder genetisch systeem (vrouwtjes ontstaan uit bevruchte eieren, mannetjes uit onbevruchte eieren), wat ervoor zorgt dat de verwantschapsgraad tussen zussen hoger is dan normaal. Vanwege hun grote verwantschap zullen vrouwtjesbijen, –wespen en –mieren eerder geneigd zijn zich in te zetten voor een gezamenlijk doel, en dat heeft zich vertaald naar de evolutie van complexe samenlevingsvormen.

Wraak is zoet
In het geval van de twee gevangenen is het misschien niet zo waarschijnlijk, maar toch –stel je eens voor dat beide gevangenen er vanuit kunnen gaan dat ze ergens in de toekomst opnieuw in dezelfde situatie zullen belanden. Zou dit vooruitzicht misschien hun keuze op dit moment kunnen beïnvloeden? Waarschijnlijk zouden ze minder snel bereid zijn mee te werken met de politie. Als één van beiden z’n maat nu verlinkt, weet hij namelijk wel zeker dat z’n maat hem de volgende keer dat ze worden opgepakt, niet zal beschermen. Hij kan dus nu beter één jaar de cel in, om te voorkomen dat hij de volgende keer tot vijf jaar cel wordt veroordeeld.

Dat deze redenering inderdaad leidt tot de meest rationele beslissing, is vast komen te staan na een origineel experiment uit de beginjaren van het computertijdperk. Robert Axelrod, een wetenschapper geïnteresseerd in politieke processen, was op het idee gekomen een toernooi te organiseren rond het gevangenendilemma. Hij vroeg gezaghebbende wiskundigen, economen en psychologen computerprogramma’s te bedenken die mee konden doen in het toernooi. Elk programma zou een serie gevangenendilemma’s moeten spelen tegen een ander programma. Het programma moest dus herhaaldelijk kiezen tussen zwijgen of praten, en mocht daarbij gebruik maken van de uitkomsten van de vorige dilemma’s in de serie. In het toernooi liet Axelrod elk ingediend programma spelen tegen alle andere, en hield de score bij. Het winnende programma bleek te zijn ingediend door Anatol Rapoport, een hoogleraar psychologie uit Toronto.

De strategie van Rapoports programma is beroemd geworden onder de naam ‘tit-for-tat’. Tit-for-tat is briljant in zijn eenvoud: begin met zwijgen, en doe de volgende keren wat je tegenstander de vorige keer deed. Een tegenstander die ‘tit-for-tat’ speelt, zal steeds met je samen werken tot op het moment dat jij hem besluit te verlinken. Pas als jij je weer altruïstisch gedraagt, zal de ander bereid zijn opnieuw met je samen te werken. ‘Tit-for-tat’ begint coöperatief, maar steeds is op de achtergrond de dreiging van wraak aanwezig. Zolang de nadelige gevolgen van die wraak in de toekomst groter zijn dan het gewin dat je nu kunt behalen, loont het om altruïstisch te zijn.

De vampiervleermuizen die we eerder tegenkwamen, gedragen zich op een manier die veel wegheeft van ‘tit-for-tat’. Elke vleermuis heeft een vaste slaapplaats, en dus ook vaste buren. Als een vleermuis eens een keer weigert voedsel te delen met een ander, is die ander ook minder geneigd bloed af te staan als de rollen eens zijn omgedraaid. Blijkbaar is een vampiervleermuis prima in staat bij te houden wie hem wel en wie hem niet in het verleden heeft geholpen.

Onzelfzuchtigheid of eigenbelang?
Bij elke evolutiebiologische verklaring van altruïsme zien we dat uiteindelijk zelfopofferend gedrag is terug te voeren op een weloverwogen afweging van de eigen belangen. Bij Hamiltons regel zien we dit terug in het belang van de verwantschapsgraad, als graadmeter voor de kans dat een altruïstische daad zal worden terugbetaald door je familielid. Bij ‘tit-for-tat’ is elk individu geneigd tot samenwerking om daarmee vergelding wegens zelfzuchtigheid te ontlopen. Maar, als het eigenbelang altijd op de achtergrond meespeelt, betekent dit dan niet dat altruïsme, in de zin van ware zelfopoffering, eigenlijk niet bestaat? Het antwoord op die vraag ligt buiten de evolutiebiologie. Wat hier is besproken laat alleen zien dat zelfs absolute egoïsten onder de juiste omstandigheden zullen besluiten tot zelfopoffering. Of het verhaal daarmee ophoudt, is stof voor persoonlijke overdenking.

Verder lezen:
vrijdag 9 maart 2012 door en

Mens zowel vrekkig als vrijgevig

Zijn wij van nature egoïsten of altruïsten? Het is een vraag die economen al decennialang bezig houdt. Het meest recente inzicht wijst op iets opmerkelijks: we hebben geen natuurlijke staat van vrijgevigheid óf zelfzuchtigheid. Ons gedrag hangt af van de verwachtingen van anderen en de regels van het spel.

Gevenrondjejuistefotowiki

Trakteren op een rondje: echte gulheid of slechts verkapt egoïsme? Wikimedia Commons

Je bent ongetwijfeld iemand die ruimhartig rondjes geeft. Maar doe je dit echt uit vrijgevigheid? Denk je er werkelijk niks voor terug te krijgen? Of wil je wellicht toch indruk maken op je partner (of erger nog: op de vriend(in) van je partner)? Of ga je ervan uit dat iedereen om de beurt betaalt?

Moeilijke vragen. Economen proberen al een tijdje met wisselend succes antwoord te geven op de vraag of de mens van nature vrijgevig of zelfzuchtig is.

Economen gaan voor hun onderzoek – in de meeste gevallen – niet naar het café om te tellen hoeveel rondjes iedereen geeft. Ze hebben een andere methode om te bekijken of mensen zelfzuchtig of vrijgevig zijn: onderhandelingssituaties bestuderen.

Onderhandelingen zijn erg geschikt om menselijk gedrag te bestuderen omdat je waar kunt nemen wat elke partij inbrengt en krijgt. De belangrijkste reden om aan een onderhandeling te beginnen is dat je erop vooruit kunt gaan; mensen zullen dus niet gauw akkoord gaan met een verdeling waar ze slechter van worden. In tegendeel, je blijft vaak net zolang onderhandelen totdat er een overeenkomst is gesloten waar beide partijen tevreden mee zijn. Als je er daarbij naar streeft dat de ander ook wat krijgt, ook als je sterker in je schoenen staat tijdens de onderhandeling, ben je vrijgevig. Een zelfzuchtige onderhandelaar, daarentegen, probeert het maximale uit een onderhandeling te slepen en is dus (financieel) meedogenloos.

Het ultimatumspel

Begin jaren tachtig deed de Duitse onderzoeker Werner Güth met zijn collega’s onderzoek naar onderhandelingen. Zij lieten hun studenten meedoen met een eenvoudig spel voor twee spelers. Het spel van Güth wordt ook wel het ultimatumspel genoemd (er wordt immers een ultimatum ter acceptatie voorgelegd). Het spel zou uitgroeien tot een van de grote klassieke experimenten uit de gedragseconomie.

Het gaat als volgt: speler A krijgt van de onderzoekers een bepaald bedrag. Hij bepaalt hoeveel hij wil houden, en hoeveel hij bereid is aan zijn medespeler te geven. Speler B wordt ook op de hoogte gesteld van de spelregels en hoort daarna het bod van speler A, die anoniem blijft. Speler B heeft twee keuzes: hij kan het bod (en daarmee de door A bepaalde verdeling) accepteren, of hij kan het bod weigeren. Als speler B weigert, vertrekken beide spelers met lege handen.

Het ultimatumspel uitgelegd in de Amerikaanse televisieserie Numb3rs.

Werner Güth en zijn collega’s ontdekten dat maar weinig ‘voorstellers’ kozen voor een zelfzuchtig ultimatum. Een 50/50-verdeling kwam het vaakst voor. Dit lijkt erop te duiden dat mensen van nature vrijgevig zijn. Maar toont dit ultimatumspel werkelijk aan dat de mens is geneigd tot vrijgevigheid (of, in wetenschappelijke termen, altruïsme)?

Alternatieve verklaring

Nee, want het spel blijkt niet geschikt om altruïsme te bestuderen. Waarom niet? Omdat er een alternatieve verklaring is voor het ruimhartige bod van speler A: hij houdt rekening met het feit dat zijn medespeler er wel eens geld voor over kan hebben om een oneerlijk voorstel af te wijzen.

Want wat gebeurde er met de zelfzuchtige voorstellen in Güth zijn onderzoek? Deze werden vaak afgewezen, waardoor er helemaal geen geld werd uitgekeerd. Stel je eens voor dat je als speler B het voorstel ‘€1 voor jou en €9 voor speler A’ krijgt voorgelegd. Je hebt dus de keuze tussen €1 en helemaal niks. Je zou misschien verwachten dat dit voorstel meestal wordt geaccepteerd. 1 Euro is immers nog altijd beter dan niks. Maar dit bleek dus niet het geval. Bij de beslissing van speler B blijkt mee te spelen hoe groot het verschil is tussen het bedrag dat hij krijgt en het bedrag waarmee speler A wegloopt. Is dit verschil te groot dan zal speler B liever met lege handen naar huis gaan dan een oneerlijk bod accepteren.

Het Metropolitan Museum of Art (MET) lijkt overtuigd van de stelling van John List: zolang je maar een duidelijke norm stelt, zullen mensen daarnaar handelen. Je kunt het MET namelijk gratis bezoeken. Alleen dan moet je wel tegen de norm ingaan. De caissières en de informatieborden maken namelijk allemaal erg duidelijk dat er van je verwacht wordt dat je 25 dollar per persoon betaalt. Er zijn dan ook weinig mensen die zonder iets te betalen naar binnen gaan. Zo betaalde een van de auteurs van dit artikel $40 voor twee personen. Dit bedrag was blijkbaar voldoende om mijn schuldgevoel af te kopen en toch $10 winst te maken.

Met-toegang

Rob van Hemert

Het bod van speler A is volgens deze zienswijze dus helemaal niet ruimhartig; het speelt slechts op een juiste manier in op het (verwachte) gedrag van de medespeler.

Dictatorspel

De Amerikaanse econoom Robert Forsythe en zijn collega’s testten begin jaren negentig de bovengenoemde alternatieve verklaring. Daarvoor moesten ze het spel iets aanpassen; ze veranderden het ultimatumspel in het dictatorspel.

Hierin bepaalt speler A nog steeds de verdeling maar heeft speler B deze nu maar gewoon te accepteren. Wat bleek? De voorstellen van speler A werden minder gul in vergelijking met het ultimatumspel. Dit is precies wat de alternatieve verklaring voorspelt.

Maar vanuit een economisch oogpunt bleek het gedrag in het dictatorspel nog altijd verrassend. Het toonde namelijk aan dat mensen nog steeds vrijgevig zijn; ze geven nog altijd een gedeelte van het geld weg. Dat terwijl er weinig ‘goede’ redenen zijn om niet alles zelf te houden: ze kennen speler B niet en ze spelen het spel maar één keer.

Geeft het dictatorspel nu definitief antwoord op de vraag of we vrijgevig of zelfzuchtig zijn? Heeft Robert Forsythe bewezen dat de mens altruïstisch is? Helaas niet: ruim tien jaar later, in 2007, kwam de Amerikaanse econoom John List met nieuwe ontdekkingen.

Het belang van normen

List paste het experiment op zijn beurt weer iets aan. Speler A en speler B krijgen allebei 5 dollar. Vervolgens krijgt speler A nog een keer dit bedrag; hij mag een deel van dit extraatje aan zijn medespeler geven, die dit maar te accepteren heeft. Dit spel lijkt dus erg op Forsythe’s dictatorspel. List introduceerde echter ook een tweede variant. Hierin krijgt speler A een andere optie voorgelegd: hij kan er ook voor kiezen om 5 dollar af te pakken van speler B.

Het aangepaste dictatorspel van John List (Engelstalig).

De bevindingen zijn opmerkelijk: een derde van alle ondervraagde ‘spelers A’ koos ervoor om geen geld te geven maar ook geen geld af te pakken. Een kleine meerderheid koos ervoor om (bijna) al het geld af te pakken. Slechts een klein aantal spelers was nog bereid om iets weg te geven.

Hoe verklaart John List dit resultaat? De opzet van het spel van Forsythe geeft volgens hem aan dat er van je verwacht wordt dat je iets geeft aan de ander. De onderzoeker stelt de norm en de deelnemers handelen ernaar. Als het spel – en daarmee de norm – wordt aangepast veranderen de uitkomsten aanzienlijk. De vrijgevigheid (en dus het bewijs voor de van nature altruïstische mens) is daarmee als sneeuw voor de zon verdwenen.

Givingcoins

Volgens John List geven we niet zozeer weg uit vrijgevigheid, maar uit angst als asociaal te worden beschouwd. Wikimedia Commons/Morgan

De context bepaalt

Hoogstwaarschijnlijk verschaft het onderzoek van John List ons niet het laatste inzicht in de vraag of wij zelfzuchtig zijn of niet. Het is wel duidelijk dat wij niet volkomen zelfzuchtig zijn; maar volkomen altruïstisch zijn wij zeker ook niet. Wij zijn ‘vrijgeviger’ (met strategische beweegredenen), zoals in het ultimatumspel, als de ander ons kan straffen in geval van een gierig bod. Daarentegen worden wij sterk zelfzuchtig, zoals in het aangepaste dictatorspel van John List, als wij niet alleen geld kunnen geven, maar dit ook van de ander kunnen afpakken.

Bronnen

  • Forsythe, R., Horowitz, J. L., Savin, N. E., & Sefton, M. (1994). Fairness in Simple Bargaining Experiments. Games and Economic Behavior, 6(3), 347-369.
  • Guth, W., Schmittberger, R., & Schwarze, B. (1982). An Experimental-Analysis of Ultimatum Bargaining. Journal of Economic Behavior & Organization, 3(4), 367-388.
  • List, J. A. (2007). On the interpretation of giving in dictator games. Journal of Political Economy, 115(3), 482-493.

Samen staan we sterk

Empathisch leiderschap 

17 03 2013

  • Door: Janne Polman

“See the world through other peoples eyes,” zei president Obama tijdens een van zijn veelbesproken speeches. Hoewel iedereen kan bedenken hoe je jezelf zou voelen in de schoenen van een ander, is het een fundamenteel andere vraag te bedenken hoe een ander zich nu echt voelt. Waarom is het eigenlijk zo belangrijk de wereld door iemand anders zijn ogen te zien? Psychologe Lidewij Niezink van de Hanzehogeschool Groningen legt uit waarom we deze skill moeten trainen.

Niezink is gepromoveerd op de onderwerpen altruïsme en empathie, en geeft als zelfstandig ondernemer trainingen in empathisch leiderschap.

Zij is van mening dat een individualistische, op zichzelf gerichte samenleving de economie geen goed doet en dat empathie de oplossing zou kunnen zijn voor een sterker bedrijfsleven. ‘Empathie houdt in dat je aandacht hebt voor, en je kunt inleven in andermans situatie.’ zegt Niezink. ‘Empathische gevoelens versterken altruïstisch gedrag. Dus als iemand empathie voelt, is hij meer geneigd een ander te helpen. Helaas is onze samenleving zo ingericht dat we vooral hebben geleerd om op onszelf te focussen en ligt onze empathische accuraatheid nog maar rond de 30 procent.

’

Het ander-perspectief
‘
Over het algemeen kunnen we goed beoordelen hoe wij onszelf zouden voelen in een bepaalde situatie, maar om echt te begrijpen hoe een ander zich voelt is een ander verhaal,’ aldus Niezink. ‘Dit is het verschil tussen het ‘zelfperspectief’; waar je een situatie alleen aan jezelf relateert, en het ‘ander-perspectief’; waar je een situatie aan een ander kunt relateren en begrijpen. Voor het ander-perspectief zijn empathische gevoelens nodig. Effecten van empathie zijn een verruiming van blikveld, uitstel van oordeel, tolerantie en begrip. Perspectiefverbreding stimuleert creativiteit doordat kennis gebundeld wordt, men van elkaar leert en zodoende op nieuwe ideeën komt. Ook altruïstisch gedrag neemt toe wat leidt tot een verbeterde samenwerking, een gevoel van saamhorigheid, klanttevredenheid, gemotiveerde medewerkers en het gemakkelijker kunnen permitteren van fouten.’

Economische verbondenheid

In plaats van elkaar als concurrenten te beschouwen zouden we elkaar dus moeten zien als teamgenoten. ‘Dit betekent niet dat je hetzelfde over een onderwerp moet denken,’ voegt Niezink toe. ‘Juist niet. Het gaat erom dat je begrijpt dat er op verschillende manieren wordt gedacht zonder daar zelf iets aan te hoeven veranderen of van te vinden. Begrijpen wat de klant wil is juist tijdens een economische crisis extra belangrijk. De ‘ik-eerst’ cultuur en overproductie werken namelijk niet meer, maar interactie, co-creatie en co-innovatie zijn termen waar we iets aan hebben. Ook de overheid zou baat hebben bij het actief luisteren naar wat de maatschappij te bieden heeft. Bijvoorbeeld door specialisten in het veld mogelijke oplossingen te laten aandragen voor problemen waar de samenleving naar zoekt, oftewel ‘crowdsourcing’. Gebruik maken van verschillende perspectieven biedt namelijk creativiteit en daarmee meer mogelijkheden.’

Empathie is een skill


Hoewel een stereotiep leidinggevende vaak wordt gezien als ‘bevelhebber’, blijkt dit beeld achterhaald te zijn. Empathie in leiderschap is juist een belangrijk vereiste.

‘In deze generatie waar zelfstandigheid en zingeving de boventoon voert, is een bevelhebbende baas juist demotiverend in plaats van bevredigend,’ vertelt Niezink.

Empathisch leiderschap is belangrijk omdat medewerkers met verschillende competenties en behoeftes moeten worden aangestuurd. Dus om medewerkers optimaal te kunnen inzetten is het belangrijk hun krachten, behoeften en motivaties te kennen. Dit klinkt misschien logisch, maar in termen van gedrag wordt hier in de praktijk vaak niet bij stilgestaan. Empathisch vermogen is dan ook geen automatisme, het is een vaardigheid die je moet trainen.’



Tijdens trainingen leert Niezink mensen empathischer te zijn. ‘Door de empathische vaardigheid te oefenen, leren mensen gebruik te maken van de veelheid aan perspectieven die wij elkaar te bieden hebben’ aldus Niezink.

‘Of je vervolgens ook bereid bent tot altruïstisch gedrag is een keuze, maar wel een met positieve gevolgen voor bijvoorbeeld gezondheid, stress en tevredenheid. Dit ten goede voor een bewustere maatschappij en sterkere economie.’

Bavianen handelen in baby’s
Marian Tjaden
Apen vlooien elkaar om dingen van elkaar gedaan te krijgen. Maar hoe weet degene die begint met vlooien, dat de ander hem later terugbetaalt?

Etholoog Ronald Noë houdt vandaag de David de Wied lezing.Het onderwerp is samenwerking tussen dieren. Altruïsme is een probleem voor evolutiebiologen. Waarom een ander een voordeel gunnen? Een oude verklaring is dat dieren om de beurt iets voor elkaar doen: wederkerig altruisme. Als je de ander helpt, dan is hij geneigd jou ‘terug’ te helpen, want alleen dan zul je hem bij een volgende gelegenheid opnieuw van dienst zijn. Het afbreken van – toekomstige – samenwerking is de straf die erop staat als je je niet aan de regels houdt. Deze verklaring is in de jaren zeventig bedacht door de evolutiebioloog Trivers, en veel gedragsbiologen zijn er nog steeds van overtuigd dat het zo werkt.

Toch hebben ze het mis, denkt de van oorsprong Nederlandse bioloog Ronald Noë, die nu als hoogleraar ethologie en primatologie is verbonden aan de Universiteit van Straatsburg. Noë: ‘Het is de vraag of het risico dat de ander de samenwerking afbreekt daadwerkelijk een groot probleem oplevert. Dat geldt natuurlijk wel voor twee apen die tot elkaar zijn veroordeeld. Maar dieren in het wild hebben vaak de keuze hebben uit meer dan een partner. En dan kun je ze tegen elkaar uitspelen.’

No챘 promoveerde bij de Utrechtse etholoog Jan van Hooff op coalitievorming bij wilde bavianen in Kenia. De minder sterke mannetjes spanden samen om vrouwtjes af te pakken van de dominante mannetjes. Dat lukte soms, maar wat bleek: de beloning werd niet gedeeld, het was geen fifty-fifty afspraak. De ene partner kreeg meer toegang tot de vrouwtjes dan de andere. Dat was een belangrijke observatie. Het klopt namelijk niet met het idee van wederkerig altruisme. Want waarom zou degene die minder krijgt dan blijven meedoen? Het antwoord is: het is beter dan niks, want als hij teveel zou eisen, zou de sterkste van de twee een andere partner nemen. Er is sprake van een biologisch marktmechanisme.

Baviaan met kind Bron: Caryl Bryer Fallert, http://www.bryerpatch.com

Babymarkt
Naar aanleiding van Noë’s theorie zijn er gerichte studies gedaan door andere onderzoekers om de hypothese te toetsen. Noë: ‘Een mooi voorbeeld is de ‘babymarkt’ bij bavianen. Het kenmerk van een markt is: het aanbod bepaalt de vraagprijs. Bavianenvrouwtjes zijn gefascineerd door baby’s, als er een baby is geboren bij een van de soortgenoten, willen ze die heel graag vasthouden. De moeder van de baby is in een machtspositie, ze kan een dienst verlangen. Die dienst is het vlooien van de moeder. Als het inderdaad een marktmodel is, betekent dat als er meer baby’s in de groep zijn, de prijs omlaag gaat. De prijs is tijd dat er gevlooid moet worden voordat je de baby krijgt. En dat blijkt precies te kloppen. Als er weinig baby’s in de groep zijn, moet er lang gevlooid worden, als er veel baby’s zijn, gaat de vlooitijd – de prijs – omlaag.’

Duffe buren
Een ander prachtig voorbeeld is onderzoek naar de lazuurgors (Passerina amoena), een klein amerikaans vogeltje. Volwassen mannetjes zijn mooi helderblauw. Jaarlingen, jonge mannetjes van een jaar oud, vari챘ren van bijna helemaal bruin tot bijna even blauw als volwassen mannetjes. Sommige jaarlingen stellen de ontwikkeling van bruin naar blauw blijkbaar uit.

Hoe komt dat? Volgens de onderzoekers omdat volwassen mannetjes een voorkeur hebben voor zo duf mogelijk uitziende buren. De vogeltjes leven in woestijnachtig gebied, met een grote variatie in de kwaliteit van het broedgebied. De volwassen mannetjes komen in het voorjaar als eerste aan en bezetten de beste gebieden. Vervolgens zijn ze extreem agressief tegen blauwe mannetjes, maar ze tolereren bruine mannetjes. Dufbruin wordt daarmee voordelig. Het lijkt op een pachtsysteem, waarbij de blauwe mannetjes een deel van het gebied verpachten aan bruine mannetjes. De pachter krijgt een goed territorium, iets waar hij anders geen kans op maakte. De landheer krijgt kans op een paar extra jongen, omdat hij met zijn mooie blauwe kleur de vrouw van de pachter kan verleiden.

Zwervers
Niet alleen binnen de soort maar ook tussen soorten wordt veel samengewerkt. Een klassiek voorbeeld is de poetsvis (Labroides dimidiatus), een kleine koraalvis die gespecialiseerd is in het verwijderen van parasieten van de huid en uit de mondholte en kieuwen van grotere vissen. ‘Dit werd eerst gezien als hét voorbeeld van wederkerig altruisme, maar nader onderzoek laat zien dat ook hier marktwerking een beter model is’, aldus Noë.

Een poetsvis is altijd op dezelfde plek te vinden, het ‘poetsstation’. Klanten komen langs om zich te laten reinigen. Klanten zijn er in twee groepen. Residenten en zwervers. De residenten hebben een klein territorium met maar een poetsstation. De zwervers zijn vissen uit open zee, of koraalvissen met een groot territorium, met meerdere poetsstations. De zwervers kunnen dus naar een ander gaan als de service ze niet bevalt. De poetsers lijken dit goed te beseffen, als ze de keuze hebben tussen een zwerver en een resident, laten ze de resident wachten.

De mogelijkheid om te kunnen kiezen uit verschillende handelspartners is dus essentieel. Dat partnerkeuze zo belangrijk is, was natuurlijk al lang bekend op het gebied van sexuele selectie. Daarbij is concurrentie tussen partners een feit. Maar voor altruïstisch gedrag, bijvoorbeeld het delen van voedsel of vlooien of wat dan ook, werd altijd alleen gekeken naar samenwerking tussen de twee betrokken organismen, daardoor werd de context vergeten. Noë: ‘Achteraf kun je zeggen: waarom is dat niet eerder bedacht, maar zo gaat het nu eenmaal, als ik die bavianen niet had gezien, en had ontdekt dat beloning niet symmetrisch was, was ik er ook niet opgekomen.’

Offers in de woestijn

Twee theorieën proberen te verklaren waarom Afrikaanse molratten supersociaal zijn. Noopten de barre omstandigheden daartoe, of waren ze altijd al eusociaal?

De hongingbij onder de zoogdieren, zo zou je de naakte molrat, Heterocephalus glaber, kunnen noemen. De molratten leven grote in kolonies van soms wel driehonderd individuen en ze hebben een koningin die de nakomelingen produceert. Een select groepje mannetjes mag met de koningin paren. De rest van de kolonie vormt de hofhouding, zorgt voor voedsel, onderhoudt het nest en verdedigt de kolonie tegen vijanden. Deze supersociale leefwijze heet eusociaal.

Eusocialiteit is een opmerkelijk fenomeen binnen de biologie. Hoe kan het dat natuurlijke selectie levensvormen voortbrengt die de mogelijkheid opgeven zich voort te planten en in plaats daarvan hun leven in dienst stellen om soortgenoten te helpen zich voort te planten? Darwin was de eerste die zich boog over deze vraag. Even dacht hij dat zijn hele evolutietheorie op losse schroeven kwam te staan totdat hij het volgende antwoord bedacht. Als steriele individuen hun familie helpen zich voort te planten en op die manier genoeg kopie챘n veroorzaken van deze eigenschap tot altru챦sme, dan zal deze eigenschap zich verspreiden.

Eusociale levensvormen zijn in de loop der tijd verscheidene keren opnieuw ontstaan. De bekendste dieren zijn de bijen, mieren en termieten. Maar ook enkele op zeesponzen levende garnalen, bepaalde kevers en bladluizen kennen eusociale soorten. De naakte molrat is ook niet de enige uit de familie van de Afrikaanse molratten, Bathyergidae, die er een eusociale leefwijze op nahoudt. Samen met de Damaraland molrat, Cryptomys damarensis, zijn het de enige eusociale zoogdieren ter wereld. De Bathyergidaefamilie bevat een scala aan sociale vormen, uiteenlopend van echt solitair zoals Bathyergus suillus tot eusociaal. Daarom leent deze diergroep zich uitstekend voor onderzoek naar de vraag waarom eusociale molratten ervoor kiezen om in het nest te blijven in plaats van erop uit te trekken en zelf een gezin te stichten.

Twee kampen
Op dit moment zijn er twee kampen die onderzoek doen aan de sociale structuur van de Afrikaanse molratten. Professor Hynek Burda van de universiteit van Essen staat aan het hoofd van het ene kamp, professor Nigel Bennett van de universiteit van Pretoria is zijn tegenpool. De twee hebben een verschillende visie op het ontstaan van eusocialiteit bij de Bathyergidae.

Hynek Burda denkt dat de voorouders van de Afrikaanse molratten allemaal sociaal waren en dat sommige sociaal zijn gebleven terwijl andere solitair zijn geworden. Nigel Bennett en consorten denken dat de molratten allemaal solitair waren maar dat ecologische omstandigheden ze dwong over te gaan op een sociale leefwijze.

Wie van de twee groepen gelijk heeft, is lastig te zeggen. In ieder geval publiceert het kamp van Nigel Bennett veel meer artikelen. Daardoor is de theorie van Hynek Burda een beetje ondergesneeuwd. Beide groepen zijn het er wel over eens dat eusocialiteit bij insecten een andere oorsprong heeft dan de sociale structuur van de Afrikaanse molratten.

Bij insecten en andere ongewervelden speelt de hoge mate van genetische verwantschap tussen nestgenoten een rol bij de instandhouding van het eusociale gedrag. Dit staat bekend als de inclusive fitness-theorie van Hamilton. Bij naakte molratten gaat deze theorie niet op. Recent veldonderzoek wijst uit dat de dieren inteelt vermijden en dat kolonies ook kunnen bestaan uit niet-familieleden.

Wortels en knollen
Het eusociale gedrag van de molratten heeft te maken met hun dieet. Molratten zijn herbivoren die zich voeden met wortels en knollen van geofyten. Dat zijn planten die voedingsstoffen opslaan in ondergrondse knollen. Dankzij hun opslagorganen gedijen geofyten uitstekend in droge gebieden. Hun verspreiding hangt af van de droogte. In natte gebieden staan de planten los maar dicht bij elkaar, in droge gebieden staan ze in plukken wijd uit elkaar.

Dat betekent dat in droge gebieden het voor molratten moeilijk is om voldoende voedsel te vinden. Het graven van tunnels naar de verspreide planten kost veel energie. Het graven gaat het makkelijkst als het pas heeft geregend, want dan is de grond zachter. Na een regenbui moeten er dan ook in korte tijd bergen werk verzet worden. Omdat vele handen licht werk maken, is de stap naar eusocialiteit snel gezet. Zonder samenwerking overleven individuele molratten lange periodes van droogte niet.

Bovendien foerageren molratten ook nog eens blind. Ze kunnen de geofyten niet gericht opsporen bijvoorbeeld door ze te ruiken. Het foerageren in groepen vergroot de kans om voedsel te vinden. Vanuit deze gegevens ontwikkelden Nigel Bennett en collega’s de Aridity-Food-Distribution-Hypothesis (AFDH). Deze hypothese koppelt de droogte van de habitat met de verspreiding van sociale molratten. Sociale soorten komen namelijk vooral voor in droge gebieden.

Wiskundige modellen gecombineerd met ecologische gegevens voorspellen dat de ruimtelijke verdeling van het voedsel en de sporadische regenval in de droge gebieden ervoor zorgen dat de foerageerkosten omhoog gaan. Het zelfstandig erop uit trekken is daardoor niet meer aantrekkelijk voor molratten. De AFDH voorspelt dan ook dat in droge gebieden de kolonies groter zijn dan in natte regio’s.

De gewone molrat, Cryptomys hottentotus hottentotus, is een geschikte kandidaat om de AFDH te toetsen. De soort komt zowel in droge als in natte gebieden voor en qua sociaal zijn zit hij tussen de solitaire en eusociale molratten in. Veldonderzoek met groepen gewone molratten die leven in een droog gebied of in een nat gebied ondersteunen de AFDH. In droge gebieden zijn de kolonies stabieler, want molratten kunnen er niet alleen op uittrekken.

Verder zijn de tunnels langer in droge habitats. In de droge gebieden moet dus meer gegraven worden voor de kost. Ook vond men dat de dieren in de droge gebieden een kleiner lichaamsgewicht hadden dan in de natte gebieden. Dit is waarschijnlijk een aanpassing om het energieverbruik van de kolonie te verminderen. De voorspelling dat kolonies in droge gebieden groter zijn klopte niet. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de populaties nog maar kort geleden van elkaar gescheiden zijn zodat de evolutie nog geen tijd heeft gehad om dit verschil in sociale structuur te verorzaken.

Tegenstander van de AFDH, Hynek Burda, denkt ook dat dankzij het foerageren in groepen Bathyergidae extreme leefgebieden zoals woestijnen hebben weten te koloniseren. Maar Burda ziet de AFDH niet als drijvende kracht voor het ontstaan van de sociale leefwijze.

De barre omstandigheden waarin de Afrikaanse molratten leven, spelen ongetwijfeld een cruciale rol het eusociale gedrag. Maar verder onderzoek naar de kosten en baten van sociaal samenleven, de afstamming van verschillende soorten molratten en de genetische verwantschap tussen kolonie-leden zal moeten uitwijzen wie gelijk heeft: Bennett of Burda.

Bionieuws wordt uitgegeven door het Nederlands Instituut voor de Biologie (NIBI)
TYCHO MALMBERG / 2002

Kennislink artikel uit Natuur & Techniek over altruïsme
Lesbrief van de UvA over sociaal gedrag bij dieren (oa insecten).
Offers in de Woestijn over naakte molratten (Kennislink artikel uit Bionieuws)

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:
Expertise Centrum Biologie
Bezoek de website van het NIBI

Een goede buur

Naastenliefde onder krabben

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/18532532/

Sluit dit venster

Wenkkrabben zijn te herkennen aan de enorme schaar waarmee de mannetjes behept zijn. De immense tentakel dient als wapen en lokmiddel. Als mannetjes de aandacht willen trekken van hun vrouwelijke soortengenoten, zwaaien ze ermee. Aan dat wuivende gebaar dankt de wenkkrab zijn naam.

Strategisch samenwerken blijkt niet uitsluitend voorbehouden aan hoogontwikkelde dieren.
Wenkkrabben helpen hun buren uit de brand als ze worden aangevallen. Af en toe coalities aangaan is voor de krabben voordeliger dan een nieuwe buur te leren kennen, denken Australische dierkundigen.

Wenkkrabben hebben het niet zo op nieuwkomers. Het liefst zien ze hun woonomgeving zo min mogelijk veranderen. En nieuwe buren… vooruit, alleen als het echt niet anders kan. Dat behoudende gedrag kan zelfs zo ver gaan dat wenkrabben hulp krijgen van buren wanneer een onbekende soortgenoot hun territorium aanvalt. Samen jagen de buren de indringer dan weer weg.

Deze opmerkelijke vorm van naastenliefde kwam aan het licht toen Australische dierkundigen wenkkrabben bestudeerden aan de kust van Darwin. Ze achtervolgden honderden krabben die op zoek waren naar een nieuw onderkomen. Regelmatig stuitten dakloze krabben op buurallianties, schrijven de onderzoekers, verbonden aan de Australian National University, deze week in het tijdschrift Nature.

Sluit dit venster

De Australische wenkkrab (Uca Mjoebergi) gaat strategische alianties aan met kleinere buren als die worden aangevallen door gevaarlijker mannetjes. (Foto: Nature)

Maar waarom zou een krab zijn leven op het spel zetten voor zijn buurman? Hij moet er ook nog eens zijn eigen onderkomen onbeheerd voor achterlaten omdat het gevecht altijd plaatsvindt op het terrein van de buurman. Het kan niet anders of de krab staat zijn buur bij uit eigenbelang, denken de Australi챘rs. Krabben schieten hun buren alleen te hulp wanneer ze er zelf voordeel aan over houden, bijvoorbeeld als de indringer groter, en dus gevaarlijk is dan de buurman. Slechts wanneer hun eigen territorium gevaar dreigt te lopen, willen de dieren een vechtersverbond aangaan, concluderen de onderzoekers. Van altru챦stische krabben is dus geen sprake.

Voor krabben is een degelijk territorium van levensbelang. Alle wenkkrabben, zowel mannetjes als vrouwtjes, hebben hun eigen holletje, omgeven door een klein stukje strand. Het hol dient als een schuilplaats tijdens vloed, en bij eb fungeert het als waterreservoir waarmee de dieren hun lichaam vochtig houden. Daarnaast is het een vluchtplaats, liefdesnest en broedplek. Alles speelt zich af in dat ene territorium, en daarom ontpoppen mannetjes zich als echte vechtersbazen zodra een soortgenoot het waagt de denkbeeldige grenzen van hun leefgebied over te steken.

Normaal gesproken staan wenkkrabben elkaar dan ook naar het leven. Dat maakt het des te opmerkelijker dat ze tussen de burenruzies door met een strategisch hulpplan voor hun buurman klaarstaan. Volgens de Australische onderzoekers is deze vorm van samenwerking nog nooit eerder bij dieren waargenomen. Ze besluiten hun publicatie met de suggestie dat je voor dit soort coalities niet noodzakelijk slim hoeft te zijn. “Dat dit juist bij krabben is gezien, en nog niet bij vogels en lagere zoogdieren, toont aan dat het ontstaan van territoriale coalities een kwestie is van de juiste omstandigheden,” schrijven de onderzoekers. “Meer nog dan van de mate van intelligentie”.

Aschwin Tenfelde

Patricia Backwell en Michael Jennions: Coalition among fiddler crabs. In: Nature, vol. 430, pg.417 (22 july 2004).

collegavanerik

De  indiase wenkkrab is een klein beestje van ongeveer 3 cm groot dat leeft in ondiep zout water, waar het mannetje de vrouwtjes probeert te imponeren met zijn grote schaar.Vroeger zat india aan madagascar vast en de wenkkrab is meegereist naar het noorden. ….Ook  hebben Koraalduikende toeristen van zanzibar de krab meegenomen naar phuket en het zuiden van de rode zee.
De mannelijke wenkkrab krijgt in de paringstijd een uitzonderlijk grote rechterschaar .
Hoe groter de schaar , hoe meer succes bij de wijfjes .
Uiteindelijk kantelen die krabben door het gewicht van hun eigen doorgroeiende schaar en worden het slachtoffer van roofvissen
* Dat kan echter ook een evolutionair voordeel zijn …
Wat telt is dat de mannetjes zich hebben voortgeplant( en dus hun genen doorgegeven aan de volgende generatie ) …en zoveel mogelijk wijfjes hebben kunnen verleiden / de concurenten uitschakelen of zelfs samenwerken met geburen (zie hierboven ) …
Voortplanting is het enige wat telt voor de evolutie.
Wie zich het meeste voortplant, die is het meest succesvol.
Trouwens mannetjes die zich zulk een “nadelige” en belastende verleidings( en imponeer) uitrustingen kunnen veroorloven MOETEN wel erg fit zijn … vrouwelijke partnerkeuze is bovendien bij veel soorten de motor van deze evolutionaire ontwikkelingen )
Dat ze DAARNA wanneer ze eigenlijk nutteloos zijn geworden voor de voortplanting worden opgevreten is een meevallertje … zo wordt de beschikbare voedselvoorraad en de concurentie met de andere krabben en de jongen alleen maar beter .… Het is een harteloos economisch principe waarbij de oudere “versleten”en onnuttig geworden individuen van een soort ,worden geelimineerd van zodra hun bijdrage aan de genenpool van de generatie is geleverd en ze eigenlijk een handicap worden voor de rest van de populatie waarin ze dan eerder een parasitaire overlast-zonder -toekomst worden

alharb

Wat die grotere schaar betreft, er ontstaat een evenwicht tussen factoren die de schaar doen vergroten en factoren die de schaar doen verkleinen….
Een grote schaar betekent dat de krab in staat is om veel voedsel te verzamelen: in arthropoden is de grootte en groei voor een relatief groot deel bepaald door de hoeveelheid voedsel die ze kunnen vergaren.
Dus, een krab die te stom is om aan eten te geraken, zal een kleinere schaar hebben. Ook bewijst de krab dat ze, ondanks de onhandige schaar, toch de geslachtsrijpe leeftijd heeft kunnen bereiken, en dus ‘fit’ genoeg is om zich voort te planten.
Anderzijds is een te grote schaar onhandig en wordt het moeilijk voor de krab om met zo’n beperking in leven te blijven. En ieder jaar opnieuw worden de pro’s en de contra’s van mekaar afgewogen wanneer die beesten zich voortplanten.

Wenkkrab (uca tangeri)/Belo sur Mer, Madagascar

Foto door Marc Van Aerde
Deze soorten krabben zijn overigens niet de enige “wenkers ” bij de arthopoda
Ook spinnenmannetjes doen dat
Ze moeten wel , want anders herkennen de vrrouwtjes ze niet en vreten ze, ze op
Webspinnenvrouwtjes zien erg slechts ( ondanks hun meestal acht ogen ) en zullen nogal gauw de voorzichtig naderende mannetjes als prooi aanzien … de wenkende mannetjes die daar het best in slagen , kunnen zich nog tijdig voortplanten ( uit de voeten maken na de daad is er bij velen niet bij )ze zullen dus hun genen in de volgende generatie krijgen ….

Mier laat over zich lopen

Middenamerikaanse trekmieren doen alles voor hun volk. Ze vlijen zich zelfs als loopplank in gaten in de weg, zodat de meute sneller over ze heen kan lopen.

Dat was al sinds de jaren zeventig bekend, maar nu pas blijkt uit experimenteel onderzoek dat dit opofferingsgezinde gedrag in het voordeel is van de kolonie als geheel. Door de lijfelijk ge챘ffende paden bleken kolonies in staat om sneller en meer voedsel te verzamelen.

Mierenonderzoekers Scott Powell en Nigel Franks, van de Universiteit van Bristol, bestudeerden de soort Eciton burchellii in het regenwoud van Panama.

Een kolonie Eciton burchelli bestaat soms wel uit 700.000 mieren. De kolonie leidt afwisselend een nomadisch en stationair bestaan. Tijdens de nomadische fase die zo’n twee weken duurt, trekt eenderde van de kolonie er dagelijks op uit om in een georganiseerde rooftocht voedsel te verzamelen. Er vormt zich een netwerk van mierenstraten dat uitmondt is een zwerm van soms wel tien meter in diameter. De mierenstraten voegen zich bijeen tot een ‘snelweg’ waar honderdduizenden mieren van het nest naar de prooi lopen en met voedsel weer terugkeren. Deze snelweg is tot twaalf mieren breed, maar fluctueert voortdurend in breedte.

Het viel de twee onderzoekers op dat sommige mieren hun lichaam leken in te zetten om oneffenheden in de ondergrond van de snelweg weg te werken. Dat verdiende nadere studie.

In het vakblad ‘Animal Behaviour’ doen ze daar verslag van.

Ze legden planken met ronde gaten op de mierensnelweg en keken wat er gebeurde.

De onderzoekers plaatsen een brug middenin zo’n mierensnelweg. Het brugdek was een breed of een smal latje, al dan niet met voorgeboorde gaten. Geconfronteerd met gaten vulden de mieren deze meteen op, kleine gaten door één mier, en grotere soms door twee of drie. : De mieren kozen een passend gat en bleven daar uren zitten, terwijl het volk over ze heen liep. De lichaamsgrootte is bij deze soort nogal variabel, maar op ieder gat past wel een mier, en als het niet alleen lukt, dan doen ze het samen.

Berekeningen van Powell en Franks toonden aan dat de totale reistijd van de rest van de kolonie daardoor zodanig afnam, dat de totale voedselopbrengst toenam Op een leeg gedeelte van de brug was die gemiddelde snelheid 8 centimeter per seconde, en op een gevulde gatenbrug slechts minimaal minder: 7,7 centimeter per seconde. Maar als de onderzoekers voorkwamen dat de gaten werden gevuld, liep de snelheid drastisch terug.

De Britten concluderen dat het offer van enkelingen de kolonie als geheel flink voordel brengt.

Sluit dit venster

Een mier die een gat in de weg vult, helpt daarmee zoveel collega’s vooruit, dat de totale voedselopbrengst van de kolonie hoger wordt. Foto Scott Powell, universiteit van Bristol.

http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/6692853.stm

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/22070179/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/24157665/

“Insectengemeenschappen eerder politiestaat dan democratie”

Jaak Poot
Schotelden uw leraren u ook mieren- en bijenkolonies voor als modellen voor sociaal gedrag? De werksters die nijver rondscharrelen en een bedje van rozenbladeren spreiden voor de koningin?

Niks van aan, zeggen recente biologische studies.

“Het altruïsme van sociale insecten is pure schijn. Sociale controle houdt hun sociale gedrag in stand. Insectengemeenschappen hebben meer weg van een politiestaat dan van een democratie”, stelde onderzoeker Tom Wenseleers vast.
Tom Wenseleers van het Laboratorium voor Entomologie (Afdeling Ecologie en Systematiek der Dieren) promoveerde in 2001 tot doctor in de biologie op een proefschrift over de Wolbachia-bacterie. Die is aanwezig in het reproductieve systeem van de helft van alle mierensoorten. Hij vond het bewijs dat de bacterie vooral mannelijke nakomelingen doodt. In de wijfjes houdt ze zich gedeisd zodat ze zich kan voortplanten naar volgende generaties: mannetjes zijn evolutionair een doodlopend straatje. De mens is slim genoeg om zijn voordeel te doen met dit inzicht: op dit ogenblik wordt de Wolbachia-bacterie gebruikt bij de bestrijding van schadelijke insecten via genetische modificatie van gastheren.

Klassenstrijd
Al tijdens zijn doctoraat ontdekte Wenseleers dat er in insectenkolonies een soort klassenstrijd woedt. Vroeger dachten onderzoekers dat het sociale gedrag van mieren, bijen en wespen berust op de nauwe familiebanden in de kolonies: werksters zorgen ervoor dat een beperkt aantal familieleden goed te eten krijgt zodat de genetische kenmerken van de familie op die manier voortleven. Maar tijdens zijn onderzoek begon Wenseleers te vermoeden dat sociale controle dit gedrag stuurt, eerder dan altru챦sme.

Na zijn doctoraat vertrok hij voor drie jaar naar de universiteit van Sheffield en deed hij veldonderzoek in Mexico en Brazili챘. Daarna werkte hij tien maanden aan het prestigieuze Wissenschaftskolleg in Berlijn. Tijdens een expeditie in Brazili챘 ontdekte hij dat de afwezigheid van sociale controle bij de inheemse angelloze bijen soms leidt tot totale anarchie. E챕n larve op vijf probeert koningin te worden. Bij de honingbij — met strikte sociale controle — laten de werksters slechts één op de tienduizend larven opgroeien tot koningin.

Tijdens het bestuderen van bos- en rode wespen merkte Wenseleers dat werksters de wetten van de kolonie op een andere manier overtreden: ze leggen zelf eieren. Zonder resultaat, want de koningin of een van haar speciale ‘politiewerksters’ peuzelt die eieren meteen op.

Buigen of barsten
Hoe effectiever de politiecontrole, hoe minder opstandig werksters zijn en hoe minder ‘onwettige’ eieren ze leggen.

Altruïsme blijkt dus gewoon gecamoufleerd egoïsme te zijn: zich conformeren om problemen te vermijden. Buigen of barsten.

“Insectengemeenschappen hebben meer weg van een politiestaat dan van een democratie,”

besluit Wenseleers. Internationaal erkent men dit inzicht als een grote doorbraak.
Wenseleers zet zijn onderzoek verder en wil focussen op mogelijke genetische factoren.

Bepalen die waarom de ene larve meer te eten krijgt dan de andere? Hij wil ook samenwerken met collega Siegfried De Witte van de Onderzoeksgroep Marketing bij Economie. Die werkt met speltheoretische modellen om zo meer inzicht te krijgen in het sociale gedrag van de mens: is die misschien toch altru챦stisch?

Conflict in insect societies
http://bio.kuleuven.be/ento/conflict.htm
Cooperation in insect societies
http://bio.kuleuven.be/ento/cooper.htm
De knuppel in de bijenkorf
DOOR DIRK DRAULANS / Knack – 28-02-2007
De bijen geven langzaam hun diepste geheimen prijs. Vlaamse wetenschappers gaan op zoek naar de genen die hun sociale samenwerking sturen. Genen die ook bij de mens een rol zouden kunnen spelen.Intense sociale samenwerking is fascinerend. Al was het maar omdat wij, mensen, genoodzaakt zijn tot grootschalige sociale organisatie. Wij leven met zo velen samen op zo’n kleine oppervlakte dat we wel moeten samenwerken.Maar wij zijn niet de enige intens samenlevende dierengemeenschap. Zelfs niet de meest uitgebouwde. Sociale insecten gaan een grote stap verder.Ze waren ongetwijfeld al lang sociaal v처처r wij iets vergelijkbaars ontwikkelden. En hun sociaal gedrag gaat dieper dan dat van ons. Bij bijen en mieren wordt de voortplanting geconcentreerd in 챕챕n vrouwtje: de koningin. De rest zijn werksters die zich inzetten voor het grote geheel. Mannetjes (darren geheten) komen er in het verhaal bijna niet aan te pas. Die mogen, als ze geluk hebben, 챕챕n bruidsvlucht meemaken en een koningin bevruchten. Vervolgens sterven ze. De koningin teert de rest van haar jaren op die ene paring.Onderzoek van de bijenmaatschappij ligt aan de basis van een systeem dat biologen verwantschapsselectie noemen. Werksterbijen werken samen, omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar: ze zijn zusters.Maar echt altru챦stisch kan dat gedrag niet genoemd worden. Bioloog Tom Wenseleers van het Laboratorium voor Entomologie aan de Katholieke Universiteit Leuven ontdekte dat er in de bijenwereld een speciale groep van (uiteraard vrouwelijke) politieagenten bestaat, die erop toeziet dat de werksters geen eieren leggen. Werksters worden als het ware verplicht om sociaal te zijn, want de eieren die ze leggen worden vernietigd.Sinds een paar maanden is ook de genenkaart van de honingbij ontrafeld en aan een eerste onderzoek onderworpen. Daaraan werkten Peter Verleyen en enkele collega’s van het Laboratorium voor Functioneel Genoom- en Proteoomonderzoek van dezelfde universiteit mee.Beide groepen publiceerden hun bevindingen in de wetenschappelijke topvakbladen Nature en Science. Ze sloegen ondertussen de handen in elkaar om, onder leiding van de professoren Johan Billen en Liliane Schoofs, en in samenwerking met een ploeg van de Universiteit Gent, een stevige kredietlijn aan te vragen om de twee disciplines te combineren.Ze willen op zoek gaan naar de genen die het sociaal gedrag van insecten sturen, en met name het politionele gedrag. Sociogenoomonderzoek heet dat in het jargon. Met bijen kan naar hartenlust ge- experimenteerd worden, kunnen genen worden uitgeschakeld of aangezwengeld om te kijken wat er gebeurt.Met mensen kan dat uiteraard niet, maar omdat men ervan uitgaat dat het hier fundamentele processen betreft, moet kennis van de bij ook inzicht opleveren in de manier waarop onze sociale samenwerking gestructureerd is.Er is ook een economische factor in het spel. Dat helpt als er onderzoekskredieten moeten worden aangevraagd.Peter Verleyen: ‘De honingbij is, na de fruitvlieg en de malariamug, het derde insect waarvan de genenkaart is getekend. Het sociale karakter van het dier was niet de enige factor die primeerde. Er waren economische componenten, zoals de productie van honing, maar vooral het feit dat bijen als bestuivers van gewassen een grote rol spelen in de landbouw. In de Verenigde Staten zou het verdwijnen van bijen per jaar voor de boeren een minderopbrengst van minstens 15 miljard dollar betekenen. Dat is een gigantisch bedrag. Omdat bijen het, als gevolg van pesticidengebruik en verlies van hun natuurlijk leefmilieu, overal slecht doen, maakt een groeiend aantal mensen zich zorgen.’Er zijn ongeveer twintigduizend soorten bijen. Hoeveel daarvan zijn er sociaal? TOM WENSELEERS: De minderheid, ongeveer tweeduizend soorten, waaronder tien soorten honingbijen, driehonderd soorten hommels en een duizendtal angelloze bijen. De rest zijn solitair levende beestjes.Waren die er eerst? PETER VERLEYEN: Er zijn fossielen van solitaire bijen van 100 miljoen jaar oud gevonden. De honingbij zou slechts 30 miljoen jaar geleden ontstaan zijn. We kunnen er dus van uitgaan dat het sociale gedrag een recente evolutie is.Hoe gebeurt zo’n overgang van ‘solitair’ naar ‘sociaal’? WENSELEERS: Dat moet begonnen zijn met een verschuiving in de ouderzorg. Met moeders die eerst stuifmeelpollen verzamelden en daar dan hun eitjes bij legden, zodat de larfjes na hun geboorte meteen wat te eten hadden. Het sociale gedrag van de werksters kwam daar als een soort misplaatste moederzorg bovenop. Dochters begonnen, als ze uit hun cocon kwamen, te helpen met het grootbrengen van het kroost van hun moeder.Is zoiets relevant om tot nieuwe inzichten in de mensenmaatschappij te komen?

WENSELEERS: Ik denk het wel. De onderliggende theorie챘n zijn dezelfde, bijvoorbeeld inzake sociale sancties. Er is recent aangetoond dat sociaal gedrag bij mensen een soort verdoken ego챦sme is, en dat mensen zich in gemeenschappen met strengere sociale sancties co철peratiever gedragen om te voorkomen dat ze gestraft worden. Net zoals in maatschappijen van sociale insecten minder vrouwtjes zelf eieren leggen als er strenger wordt gepatrouilleerd door politieagenten.

Reageren bijen en mensen op dezelfde manier op het risico van sancties?

WENSELEERS: Bijen gaan uiteraard niet denken: het heeft geen zin dat ik eieren leg, want ze worden toch opgegeten. Bij hen is dat een instinctieve respons. Bij de mens zijn zulke beslissingen veel doordachter. Maar het principe blijft hetzelfde.

Halen uw inzichten in het politionele optreden van bijen de oorspronkelijke pijlers van sociaal gedrag niet onderuit?

WENSELEERS: Tot op zekere hoogte wel. Vroeger dacht men dat een hoge genetische verwantschap cruciaal was voor het behoud van sociaal gedrag. Nu zien we dat sociaal gedrag ook gebaseerd kan zijn op heel andere principes, zoals sancties.

Zonder sancties zou de samenwerking nooit zo sterk geworden zijn?

WENSELEERS: Onze theoretische modellen tonen effectief aan dat de werksters zich veel anarchistischer zouden gedragen als onco철peratief gedrag bij de honingbij niet bestraft zou worden. Politiegedrag is dus inderdaad essentieel voor de manier waarop bijen functioneren.

Zijn de agenten een aparte klasse van werksters?

WENSELEERS: Dat weten we nog niet zeker. Bij wespen schijnt het om een specialisatie te gaan. Sommige werksters voelen zich op een bepaald moment blijkbaar geroepen om agent te spelen.

Hoe ontstaat een systeem waarin alleen een koningin zich voortplant?

WENSELEERS: Omdat alle werksters verwant zijn, zusters van elkaar zijn, zijn ze even goed af door anderen te helpen dan door hun eigen kroost groot te brengen. Zo krijgen ze veel meer van hun genen, die ze met hun zusters delen, in de volgende generaties. Maar het zou ook kunnen dat de moeder haar dochters op een of andere manier dwong h찼찼r kroost groot te brengen en zich in te zetten voor de kolonie.

Hoe zijn ze eigenlijk van de mannen af geraakt?

VERLEYEN: Dat is nog niet duidelijk. Het is wel zo dat darren niet geschikt zijn voor ouderzorg, en daarom ook niet voor een helperrol. De angel van de vrouwtjes is in feite het orgaan waarmee ze eitjes moeten leggen, dus alleen vrouwtjes kunnen steken, wat darren ook ongeschikt maakt voor het verdedigen van de kolonie.

Zoals bij ons wordt een bij als koningin geboren en moet de rest werken voor de kost?

WENSELEERS: Ja, die ongelijkheid zit ook in de bijenmaatschappij ingebakken. Werksters kunnen wel opklimmen, verzorgen eerst de raten, dan het broed, en later gaan ze naar buiten om voedsel te zoeken. Daar zit een evolutie in. Maar van werkster tot koningin zullen ze het nooit schoppen.

Mensen en bijen lijken op elkaar?

WENSELEERS: Wij hebben inderdaad ook een soort klassenstrijd, maar die is toch niet zo extreem als die van de bijen, want daar zit de voortplanting in enkele individuen geconcentreerd.

Dat is toch ook zo in onze haremsystemen?

WENSELEERS: Die zijn aan rijkdom gelinkt en toegespitst op een man als centrale figuur. Bij bijen is de vrouw het centrale geslacht. Je hebt wel de molrat die ook een soort koningin heeft, waaruit aan de lopende band jongen rollen, maar dat is in de zoogdierenwereld een uitzondering.

Waarom worden koninginnen oud en werksters niet?

VERLEYEN: Dat is een van de fundamentele vragen die we willen oplossen met het onderzoek van de bijengenen. Hoe kan hetzelfde genetisch materiaal een koningin geven die vijf jaar oud wordt en een half miljoen dochters kan krijgen, terwijl die dochters allemaal na een paar maanden sterven? De voeding is daarbij natuurlijk belangrijk, de koninginnenbrij die ervoor zorgt dat een bijenlarve koningin wordt. Alle bijenlarfjes krijgen de eerste dagen na hun geboorte wat koninginnenbrij, maar nadien krijgen ze nectar en stuifmeel. De koningin eet echter heel haar leven koninginnenbrij.

Zijn er al genen voor de productie van koninginnenbrij ge챦dentificeerd?

VERLEYEN: Ja, maar we weten niet precies wat ze doen. De werksters produceren de brij in een klier in hun kop. Maar we weten nog niet hoe dat georganiseerd is, en waarom ze de koningin met brij blijven voeden.

Heeft het feit dat werksters geen eieren leggen ook met genen te maken?

VERLEYEN: Als de vruchtbaarheid genetisch be챦nvloed wordt, hopen we dat het via kleine eiwitten zal zijn. We weten dat de rijping van de geslachtsorganen bij andere insecten door peptidehormonen geregeld wordt. We vermoeden ook dat signalen uit de omgeving op die hersenpeptiden inwerken. Bij ons worden bepaalde hormonen eveneens pas vanaf de puberteit actief.

Zijn de beschreven genetische mechanismen vergelijkbaar met de onze?

VERLEYEN: Waarschijnlijk wel. We zien al voorbeelden van eiwitten die ervoor zorgen dat genen al dan niet tot expressie komen, en van micro-RNA’s die ook bij ons belangrijk zijn in het bepalen van welke genen wanneer hun eiwitten gaan produceren. Er is een opvallende methylatie van DNA gezien, waarmee bij ons bepaald wordt of voor een bepaald kenmerk een gen van de vader of van de moeder in gang wordt gezet. H챕챕l vergelijkbare mechanismen dus.

Lijkt het genoom van de bij meer op dat van de mens dan dat van de mug of de vlieg?

VERLEYEN: Ja, maar dat heeft vooral te maken met het feit dat een bij langer leeft dan een mug of een vlieg. De takken die naar insecten en zoogdieren leiden, zijn ongeveer 600 miljoen jaar geleden van elkaar afgesplitst. Maar een koningin van een bij kan vijf jaar lang eieren leggen, terwijl fruitvliegen al na een maand grootouder zijn. Ze hebben dus meer generaties om te veranderen. Het genoom van de vlieg is voor 44,5 procent hetzelfde als dat van de mens, dat van de bij voor 47,5 procent.

Dus bijna de helft van onze genen delen we met insecten?

VERLEYEN: Dat is normaal. De basisprocessen zijn dezelfde, de zenuwcellen, de manier waarop het erfelijk materiaal wordt afgelezen. Veel fysiologische mechanismen zijn sterk geconserveerd, ook deze die voor de communicatie instaan. Daar spitst ons werk zich op toe. We hebben in de hersenen al meer dan honderd signaalmoleculen voor communicatie ge챦dentificeerd. Die worden door een dikke dertig genen geproduceerd.

WENSELEERS: We gaan nu kijken hoe die genetische sturing werkt, en welke moleculen en genen we met politiegedrag en de verminderde vruchtbaarheid van werksters in verband kunnen brengen. Daarvoor gaan we een bijenkolonie maken waarin we vanaf het begin elke bij individueel zullen merken. We gaan het geheel voortdurend filmen, zodat we altijd kunnen zien wat er gebeurt. En dan gaan we ingrijpen op de genen: aan- en uitschakelen en zien wat het effect is.

Dat lijkt een hels werkje.

VERLEYEN: Het is minder omslachtig dan het klinkt. Er is al een DNA-chip op de markt waarop alle genen van een bij liggen, zodat we onmiddellijk kunnen zien welke genen wanneer actief zijn, en in welke mate. Ook het opstellen van kaarten met de eiwitactiviteit in de hersenen is niet zo moeilijk.

Zijn de fameuze dansjes waarmee bijen elkaar de ligging van voedselbronnen uitleggen, ook genetisch bepaald?

WENSELEERS: Waarschijnlijk is dat inderdaad een instinctief, genetisch bepaald iets. Hoewel er bij bijen ook potentieel is voor culturele evolutie. Want er kan in principe aangeleerde informatie van moederkolonies naar dochterkolonies worden doorgegeven.

Bijen gebruiken herkenningspunten in het landschap voor hun navigatie?

VERLEYEN: Het is ongelooflijk wat ze kunnen. Als bijen, bijvoorbeeld, een goede voedselbron achter een heuvel ontdekt hebben, geven ze in de kolonie de hoek ten opzichte van de zon als de richting van de bron aan, zonder rekening te houden met de aanwezigheid van de heuvel, maar als ze de af te leggen afstand beschrijven, houden ze er wel rekening mee dat ze rond de heuvel moeten. Ze sturen zelfs bij in verhouding tot de tijd, want de stand van de zon zal veranderd zijn tegen dat ze hun boodschap brengen.

Bijen zijn dus slimme beesten?

VERLEYEN: Ik heb er in ieder geval een groot respect voor.

Dat is iets anders.

VERLEYEN: Ze hebben een miljoen neuronen in hun hersenen – wij hebben er vijfhonderdduizend keer meer. Maar ik zou er niet in slagen om al dansend de weg naar een boeket bloemen uit te leggen. Het gaat hier duidelijk om een zeer complex denkproces, waarbij ook korte eiwitten in de hersenen betrokken zouden kunnen zijn.

Is er een genetische sturing in de evolutie van werkster in de kolonie naar een bij die buiten gaat vliegen?

VERLEYEN: Dat is ook niet bekend. Het zal ingewikkelder zijn dan dat, want je hebt bijen die nooit de kolonie verlaten, andere die hun leven lang dezelfde bloemen bezoeken, en echte durvers die zich als verkenner gedragen.

WENSELEERS: Die gedragsverschillen zijn gelinkt aan verschillen in de mate waarin bepaalde genen hun eiwitten produceren, maar dat is nog vrij beschrijvend, omdat we niet weten wat die genen doen. Er is nog veel werk aan de winkel.

Het spreekt voor zich dat bijen met hun focus op bloemen een sterk ontwikkeld geurvermogen hebben.

VERLEYEN: Dat is duidelijk uit de eerste analyse van hun genenkaart. Niet alleen voor het zoeken naar voedsel trouwens, ook voor hun onderlinge communicatie gebruiken ze geuren. Bijen herkennen individuen van hun eigen kolonie aan de geur. Er zijn veel receptoren voor chemische prikkels in de hersenen gevonden, die sterk op elkaar lijken, wat wijst op een complex geheel.

WENSELEERS: Die geurcapaciteiten worden trouwens al commercieel uitgebuit. Bijen en wespen kunnen gemakkelijk geconditioneerd worden om landmijnen of drugs op te sporen, precies omdat ze zo’n goed ontwikkeld reukvermogen hebben. Wat natuurlijk handig was om geld te krijgen voor het bijengenoomonderzoek, dat toch 10 miljoen dollar heeft gekost. Je kon het mee verantwoorden als potentieel nuttig ter verdediging van het land. Vooral in de VS is dat tegenwoordig in.

Zijn er nog toepassingen op komst?

VERLEYEN: Als we eventueel een mechanisme ter bevordering van onvruchtbaarheid zouden vinden, zouden we kunnen nagaan of het bruikbaar is in de strijd tegen schadelijke insecten, zoals treksprinkhanen.

Verrassend was dat bijen, ondanks het feit dat ze met zo velen samenleven, weinig genen voor immuunreacties tegen aanvallers hebben.

WENSELEERS: Inderdaad. Blijkbaar hebben ze alternatieven voor de strijd tegen ziektes en parasieten. Een uitgekiend zorggedrag misschien. Er zijn in elke kolonie bijen die als een soort begrafenisondernemer niets anders doen dan dode bijen naar buiten slepen. De meeste sociale insecten zijn sterk in het proper houden van hun nest. Bij de parasolmieren zijn er werksters die uitsluitend op de afvalhoop leven, een soort untouchables, kastelozen, die alleen via tussenstations in contact staan met de rest van de kolonie. Zo wordt vermeden dat infecties uit het afval het nest treffen.

De bij zou zo’n zevenduizend jaar geleden gedomesticeerd zijn. Heeft dat haar gedrag be챦nvloed?

WENSELEERS: Waarschijnlijk niet, want we hebben de paring niet in de hand. We staken de bijen gewoon in korven, en dat was het. Er was alleen selectie door het doden van agressieve volken, maar dat veranderde niet veel. Sinds enkele decennia is er wel de mogelijkheid tot kunstmatige inseminatie.

Zal kennis van het genoom de mogelijkheden tot ingrijpen verhogen?

VERLEYEN: We zouden de weerstand tegen bepaalde ziektes kunnen verhogen. Maar we zullen op onze hoede moeten blijven. De killerbees die nu Amerika onveilig maken, ontstonden uit een experiment waarbij een Europese en een Afrikaanse bij in Brazili챘 gekruist werden. De diertjes deden het goed, maar waren wel agressief. En toen er een dikke vijftig jaar geleden een zwerm ontsnapte, was het hek van de dam.

WENSELEERS: Maar het gevaar daarvan moet niet overdreven worden. In Texas, waar nu een heus drama rond killerbees gecre챘erd wordt, sterven er elk jaar twee mensen aan een bijensteek, en dat zijn mensen die allergisch reageren op bijengif. Afrikaanse honingbijen zijn even agressief, maar uit Afrika hoor je nooit klachten. De mensen zijn het daar gewoon dat ze wat voorzichtig moeten zijn met bijen.

“Altruïsme” van  werksterbijen is kwestie van dwang

Altruïstisch gedrag in moderne insectensamenlevingen is een kwestie van sociale dwang. Werksters bij tal van mieren-, bijen- en wespensoorten zien af van directe voortplanting in reactie op de dreiging dat hun eitjes door hun nestgenoten worden vernietigd.

Dat stellen de biologen Tom Wenseleers en Francis Ratnieks in een bijdrage aan het Britse tijdschrift Nature van 2 november.

Afzien van directe voortplanting geldt als extreme vorm van zelfopofferend gedrag.

Volgens de standaardtheorie zijn altruïsme en steriliteit bij werksters geëvolueerd door grote genetische verwantschap binnen de groep, want dat maakt het evolutionair zinvol als werkster indirect bij te dragen aan voortplanting van anderen, meestal de koningin van de groep.

In theorie kan altruïsme echter ook worden afgedwongen. Het is dan ge챘volueerd in reactie op sociale druk waarbij directe voortplanting werd afgestraft door eitjes te doden. De auteurs hebben dit in een vergelijkende studie onderzocht voor negen wespensoorten en de honingbij, de enige soorten waarvoor kwantitatieve en genetische gegevens voorhanden zijn.

Het onderzoek wijst uit dat hoe meer werksterseitjes worden opgespoord en vernietigd, hoe minder werksters geneigd zijn zichzelf voort te planten. Hun altru챦stische steriliteit lijkt dus afgedwongen.

Een hogere mate van genetische verwantschap leidt bovendien niet tot meer altru챦sme, zoals de standaardtheorie stelt, integendeel. Een groter deel van de werksters plant zich voort naarmate de verwantschap in de groep groter is.

Verwantschap is een sleutelfactor voor de evolutie van zelfopofferend gedrag. Het is waarschijnlijk ooit nodig geweest voor het ontstaan van werkstergedrag. Maar, zeggen de auteurs, in moderne insectensamenlevingen zijn het vooral sociale sancties die het aantal zichzelf voortplantende werksters binnen de perken houden.

Dat is volgens de auteurs een aanwijzing voor iets dat in menselijke samenlevingen moeilijk te bewijzen is: dat betere wetshandhaving het voorkomen van antisociaal gedrag kan tegengaan ?

—–>zie ook

Sociaal gedrag dieren

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 254 andere volgers