was a basal ornithomimosaur from the Early Cretaceous Period of what is now Mongolia. Unlike later, more derived ornithomimosaurs, Harpymimus still possessed teeth, although they appear to have been restricted to the lower jaw (dentary). The holotype specimen (IGM 100/29, Mongolian Academy of Sciences, Ulan Bator, Mongolia)consists of an almost complete skeleton, lacking portions of the pectoral girdle, pelvic girles, and hindlimbs. It was recovered at Dundgovi Aimag (Eastern Gobi Province), from an exposure of the Shinekhudug Formation (Shinekhudukskaya Svita; Hauterivian to Barremian). The etymology of Harpymimus involves a reference to the fearsome Harpy of Greek mythology (Greek harpyiai = “Harpies” + Greek mimos = “mimic”). Only a single species is known for this genus, H. oklandnikovi. Other dinosaurs collected from the Shinekhudug Formation at Dundgov include the ceratopsian Psittacosaurus mongoliensis and the ornithopod Altirhinus kurzanovi.Diagnosis and Morphology
Kobayashi & Barsbold (2005, p. 100) diagnose Harpymimus as follows: “Eleven dentary teeth, which are anterior in position; transition between anterior and posterior caudal vertebrae at eighteenth caudal; traiangular-shaped depression of dorsal surface of supragelnoid buttress of scapula; low ridge dorsal to depression along posterior edge of scapular blade; small but deep collateral ligament fossa on lateral condyle of metacarpal III.” The holotype skull of Harpymimus is virtually complete, but badly crushed laterally, obscuring some anatomical detail. There is evidence of a rhampotheca (beak) covering the upper jaw which, in concert with the dentary teeth, was likely employed for grasping and holding onto prey. It’s general appearance was much like that of later ornithomimosaurs (long-necked, long arms with sharp grasping claws, and long legs). The dentition of Harpymimus differs from that of another basal ornithomimosaur, Pelecanimimus polyodon, in that teeth are restricted to the dentary and number between ten and eleven. Pelecanimimus possessed seventy-five dentary teeth, as well as an additional 145 teeth in the maxillae and premaxillae. The small teeth of Harpymimus were probably used only for grabbing and holding prey, unlike those of many other non-avian theropods, which were adapted to cutting or piercing (Kobayashi & Barsbold (2005, p. 119). Of all the known ornithomimosaurs, only Harymimus and Pelecanimimus retain teeth, a trait which is plesiomorphic (“primitive”) for the clade Orithomimosauria. The anteroposterior length of the skull is approximaley 262 mm, more than twice its approximate height and less than half the length of the neck (approximately 600 mm).Phylogeny
Kobayashi & Barsbold (2005, pp. 118-123) have conducted a detailed cladistic analysis of this taxon and have determined that Harpymimus is basal to the clade of Garudimimus brevipes plus Ornithomimidae, yet is more derived than Pelecanimimus polyodon. The conclusions of this analysis support the model that ornithomimosaurs originated in either eastern Asia or in Europe prior to the Barremian (130-125 million years ago), the migrated to North America during or at some time before the Late Cretaceous.Copyright © 2008 Answers Corporation


Plantenetende dino wisselden tanden ong. om de  twee maanden

 18 juli 2013   0


Wetenschappers hebben ontdekt dat plantenetende dinosaurussen hun tanden opvallend vaak wisselden. Gemiddeld ging een tand maar één tot twee maanden mee.

Gelukkig hadden de dino’s genoeg reserve-tanden ‘liggen’: onder elke tand zaten tot wel vijf reserve-exemplaren op hun kans te wachten.

Dat schrijven onderzoekers in het blad PLoS ONE. Ze baseren hun conclusies op een onderzoek naar twee gigantische plantenetende dino’s: Diplodocus en Camarasaurus.

Om te achterhalen hoelang de tanden van deze dinosaurussen meegingen, richtten de onderzoekers zich op dentine. Dit is een laagje in een tand, dat zich tussen de kroon en het glazuur bevindt. Dit laagje groeit gedurende het leven van een dier. Door te kijken hoe omvangrijk het laagje is, kan worden vastgesteld hoelang een tand meeging.


Uit het onderzoek blijkt dat Diplodocus elke tand gemiddeld elke 35 dagen wisselde. Onder elke tand zaten zo’n vijf reserve-exemplaren. Camarasaurus wisselde zijn tanden gemiddeld elke 62 dagen en had drie reserve-tanden op voorraad. “Een bijna 30 meter lange plantenetende dinosaurus had elke één tot twee maanden op elke plek een nieuwe tand,” concludeert onderzoeker Michael D’Emic.

Kwaliteit of kwantiteit
De tanden van de plantenetende dino’s gingen klaarblijkelijk dus maar even mee.

“Bij de plantenetende dinosaurussen was kwantiteit belangrijk dan kwaliteit als het om het maken van tanden ging.”

En dat staat haaks op de manier waarop grote zoogdieren die vandaag de dag nog in leven zijn, tanden produceren. Voor hen is kwaliteit juist belangrijker.

Dat de tanden van de plantenetende dinosaurus zo relatief kort meegingen, is goed te verklaren.

Diplodocus en Camarasaurus waren echte giganten die dagelijks enorme hoeveelheden planten naar binnen werkten. Waarschijnlijk sleten hun tanden daardoor snel af, waardoor het nodig was om deze regelmatig te vervangen.

Plant-eating dinosaurs replaced teeth often, carried spares” – PLoS ONE
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door xx (cc via Flickr.com).



 27 oktober 2011 2

Nieuw onderzoek wijst erop dat plantenetende dinosaurussen elk jaar enorme afstanden aflegden om aan eten te komen.

De onderzoekers bestudeerden de isotopen in 32 gefossiliseerde tanden van Camarasaurussen. De verhouding waarmee deze isotopen in tanden voorkomen, wordt bepaald door het water dat de dinosaurussen drinken. Zo is dus aan de tanden te zien waar de dino’s precies uithingen.

Onderzoeker Henry Fricke ontdekte dat de verhouding van de zuurstofisotopen in vijf maanden tijd geleidelijk aan veranderde. Dat wijst erop dat de dinosaurussen regelmatig (dat was waarschijnlijk seizoensgebonden) op reis gingen naar andere gebieden.


De plantenetende dinsoaurussen konden wel vijftien meter lang worden en hadden enorm veel voedsel nodig (zo’n 450 kilo per dag) om dat lijf te onderhouden. Wanneer hun gebied een periode van droogte doormaakte, reisden ze waarschijnlijk naar gebieden waar nog wel groen te vinden was. Soms legden ze daarvoor wel 300 kilometer af, zo is in het blad Nature te lezen.

Onderzoekers vermoeden al langer dat dinosaurussen migreerden, maar dit is het eerste overtuigende bewijs daarvan. Waarschijnlijk reisden de dino’s in grote groepen, zodat ze wat minder kwetsbaar waren. Vleesetende dino’s volgden de Camarasaurussen waarschijnlijk op hun tocht en stilden hun honger mogelijk door de plantenetende reisgenoten te verorberen.


Dinosaur teeth hold first clues to migration” – Newscientist.com
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door Márcio Luiz (via Wikimedia Commons).




Homalocephale   calathocercos -Maryanska et Osmolska 1974-
Archosauria: Ornithischia: Pachycephalosauria: Homalocephaliidae
Locality: Omnogov, Gobi Desert, southern Mongolia
Late Cretaceous (Late Campanian-Early Maastrichtian), 74 million years ago
Meaning of the name; “even-head”Homalocephale calathocercos is a pachycephalosaurid, literally ‘thickheads’.
The top of their skulls were 3 to 4 inches thick- solid bone usefully protecting a walnut-sized brain.
This thickening of the skull would allow these animals to act like the modern sheep and goats where the males compete for females by
Other indications that these dinosaurs head-butted can be seen in the stiff spinal column.
This made it robust enough for the forces applied when contact occurred.
The angle of articulation of the skull and the neck vertebrae (which puts the head in just the right position) makes butting
safe and not a back-breaking exercise.
These dinosaurs had tiny teeth ideal for shredding plant material.
Pachycephalosaurids may have had a lifestyle very like that of modern deer and goats and even may have congregated in small herds.

June 20, 2011  Filed under: Thyreophora

Hylaeosaurus is the most obscure of the three animals used by Sir Richard Owen to first the new group Dinosauria, in 1842. The first Hylaeosaurus remains to be found were dug up by Gideon Mantell in 1832.Gideon Mantell originally estimated that Hylaeosaurus was about 7.6 m long, or about half the size of the other two original dinosaurs,Iguanodon and Megalosaurus. Modern estimates range up to 6 metres in length.Factbox //Name: Hylaeosaurus, meaning ‘woodland reptile’ Size: 4m long  Food: plants Lived: about 130 million years ago in the Early Cretaceous Period in southern EnglandThe fossils are entombed in a slab of limestone that can still be seen in London’s British Museum. Perhaps out of respect for the first generation of palaeontologists, no one has taken the trouble to actually prepare the fossil specimen, which seems to have been left by a dinosaur closely related to Polacanthus.Only the front part of the dinosaur was found. Palaeontologists had to guess how the legs and body armour looked, but they are pretty certain that it looked like a long lizard with a cloak of sharply spiked armour running from its neck right down to the tip of its tail.Hylaeosaurus was a slow-moving herbivore that nibbled ferns and other green plants for its food. If it was attacked, Hylaeosauruswas protected by its heavy armour and intimidating spikes.It was a fairly typical nodosaur, with three long spines on its shoulder, two at the hips, and three rows of armour running down its back. It may also have had a row of plates down its tail. It had a long head, more like the head of a Nodosaurus than an Ankylosaurus and a beak, which it probably used to crop low-lying vegetation.

(meaning “very high lizard”, referring to the tall neural spines on its vertebrae) was a genus of duckbill dinosaur similar in appearance to Corythosaurus. Like Corythosaurus, it had a tall, hollow rounded crest, although not as large and straight. It is known from the remains of two species from the Late Cretaceous of Alberta, Canada, and Montana, USA, and is the latest hollow-crested duckbill known from good remains in North America. It was an obscure genus until the description of nests, eggs, and hatchlings belonging to H. stebingeri in the 1990s.Description
Hypacrosaurus is most easily distinguished from other hollow-crested duckbills (lambeosaurines) by its tall neural spines and the form of its crest. The neural spines, which project from the top of the vertebrae, are 5 to 7 times the height of the body of their respective vertebrae in the back, which would have given it a tall back in profile. The skull’s hollow crest is like that of Corythosaurus, but is more pointed along its top, not as tall, wider side to side, and has a small bony point at the rear. Unlike other lambeosaurines, the passages for the airways do not form an S-curve in the crest (at least not in H. altispinus). The animal is estimated to have been around 9.1 meters long (30 feet). As with most duckbills, its skeleton is otherwise not particularly remarkable, although some pelvic details are distinctive. Like other duckbills, it was a bipedal/quadrupedal herbivore. The two known species, H. altispinus and H. stebingeri, are not differentiated in the typical method, of unique characteristics, as H. stebingeri was described as transitional between the earlier Lambeosaurus and later Hypacrosaurus. Photographs of an adult H. stebingeri skull show an animal that looks very similar to H. altispinus.Classification
Hypacrosaurus was a lambeosaurinae hadrosaurid,and has been recognized as such since the description of its skull. Within the Lambeosaurinae, it is closest to Lambeosaurus and Corythosaurus, with Jack Horner and Phil Currie (1994) suggesting that H. stebingeri is transitional between Lambeosaurus and H. altispinus, and Michael K. Brett-Surman (1989) suggesting that Hypacrosaurus and Corythosaurus are the same genus. These genera, particularly Corythosaurus and Hypacrosaurus, are regarded as the “helmeted” or “hooded” branch of the lambeosaurines, and the clade they form is sometimes informally designated Lambeosaurini.Discovery and history
The type remains of Hypacrosaurus remains were collected in 1910 by Barnum Brown for the American Museum of Natural History.The remains, a partial postcranial skeleton consisting of several vertebrae and a partial pelvis (AMNH 5204), came from along the Red Deer River near Tolman Ferry, Alberta, Canada, from rocks of what is now known as the Horseshoe Canyon Formation (early Maastrichtian, Upper Cretaceous). Brown described these remains, in combination with other postcranial bones, in 1913 as a new genus that he considered to be like Saurolophus. No skull was known at this time, but two skulls were soon discovered and described.During this period, the remains of small hollow-crested duckbills were described as their own genera and species. The first of these that figure into the history of Hypacrosaurus was Cheneosaurus tolmanensis, based on a skull and assorted limb bones, vertebrae, and pelvic bones from the Horseshoe Canyon Formation. Shortly thereafter, William Diller Matthew identified an American Museum of Natural History skeleton (AMNH 5340) as Procheneosaurus, from the Two Medicine Formation of Montana. These and other taxa were accepted as valid genera until the 1970s, when Peter Dodson showed that it was more likely that the “cheneosaurs” were the juveniles of established lambeosaurines. Although he was mostly concerned with the earlier, Dinosaur Park Formation genera Corythosaurus and Lambeosaurus, he suggested that Cheneosaurus would turn out to be composed of juvenile individuals of the contemporaneous Hypacrosaurus altispinus. This idea has become accepted, although not formally tested. Matthew’s ProchFalse Doctrineaurus, meanwhile, was not quite like the other Procheneosaurus specimens studied by Dodson, and for good reason: it was much more like a species that would not be named until 1994, H. stebingeri.“H. stebingeri”
The new species Hypacrosaurus stebingeri was named for a variety of remains, including hatchlings with associated eggs and nests, found near the top of the late Campanian (Upper Cretaceous) Two Medicine Formation in Glacier Creek, Montana, and across the border in Alberta. These represent “the largest collection of baby skeletal material of any single species of hadrosaur known”.Species
H. altispinus, the type species, is known from 5 to 10 articulated skulls with some associated skeletal remains, from juvenile to adult individuals. H. stebingeri is known from an unknown but substantial number of individuals, with an age range of embryos to adults. The hypothesis that H. altispinus and H. stebingeri form a natural group excluding other known hadrosaur species may be incorrect, as noted in Suzuki et al.’s 2004 redescription of Nipponosaurus; their phylogenetic analysis found that Nipposaurus was more closely related to H. altispinus than H. stebingeri was to H. altispinus.Paleobiology
As a hadrosaurid, Hypacrosaurus would have been a bipedal/quadrupedal herbivore, eating a variety of plants. Its skull permitted a grinding motion analogous to chewing, and its teeth were continually replacing and packed into dental batteries that contained hundreds of teeth, only a relative handful of which were in use at any time. Plant material would have been cropped by its broad beak, and held in the jaws by a cheek-like organ. Its feeding range would have extended from the ground to ~4 m (13 ft) above.
Copyright © 2007 Answers Corporation.


Support Wikipedia



Gallimimus June 15, 2011

Filed under: Theropoda

With a short, light body and long back legs, Gallimimus was a fast-running dinosaur. It took very long strides and could outrun most predators. It looked like a large ostrich with its long neck and toothless beak. Its stiff tail helped it to balance when running.

The ornithomimid featured in the film Jurassic Park was Gallimimus. It was a fairly good representation, except that it is now thought that these animals were covered in feathers, which would make sense if they were to be as active as they were portrayed in the film. There are skeletons of juveniles that have allowed scientists to study the growth pattern of ornithomimids in general.

Factbox//Name: Gallimimus, meaning ‘chicken mimic’ Size: 6m long and 3m high Food: plants, eggs, insects and lizards  Lived: about 70 million years ago in the Cretaceous Period in Mongolia

Gallimimusis the largest known type of ornithomimid, but it has shorter arms in proportion to the other species. The hands, too, are quite small and the fingers are not very flexible. The head is quite long and graceful and, as in nearly all ornithomimids, the jaws have no teeth. The beak of the lower jaw is shovel-shaped, and the big eyes are situated on the sides of the head, so it did not have binocular vision.Like the other ostrich mimics and modern birds, Gallimimus had hollow bones. This device allowed for a reduction of weight in the body, without reducing the strength, and enabled the animal to move quickly. The main difference between the two known Gallimimus species is the shape of the fingers. G. mongoliensishad shorter hands and would not have grasped as well.Gallimimus had short arms with three claws on its hands. The claws were sharp, but Gallimimuscould not grasp things very well and did not eat meat because it could not tear it up.Gallimimus’claws came in very useful, however, because it used them to scrape away at the soil to dig up eggs for food. It ate mostly plants, but it also fed on small insects, which it grabbed in its beak, and even chased lizards.


Ornithischia Thyreophora Ankylosauria Ankylosauridae?
Subfamily: Polacanthinae?
Genus: Gargoyleosaurus
Species: G. parkpinorum

Fossil range: Late Jurassic

Posted Image

Gargoyleosaurus (meaning “gargoyle lizard”) is one of the earliest ankylosaurs known from reasonably complete fossil remains. Its skull measures 29 centimetres (11 in) in length, and its total body length is an estimated 3 to 4 metres (9.8 to 13 ft). It may have weighed as much as 1 tonne (2,200 lb). The holotype was discovered at the Bone Cabin Quarry West locality, in Albany County, Wyoming in exposures of the Upper Jurassic (Kimmeridgian to Tithonian stages) Morrison Formation.

The type species, G. parkpinorum (originally G. parkpini) was described by Ken Carpenter et al. in 1998. A mounted skeletal reconstruction of Gargoyleosaurus parkpinorum can be seen at the Denver Museum of Nature and Science. Gargoyleosaurus was present in stratigraphic zone 2 of the Morrison Formation.

Posted Image

The holotype specimen of Gargoyleosaurus parkpinorum was collected by Western Paleontology Labs in 1996 and is currently held in the collections of the Denver Museum of Nature and Science, Denver, Colorado. Besides the holotype, two other partial skeletons are known (although not yet described) The holotype consists of most of the skull and a partial postcranial skeleton. The specimen was originally described as Gargoyleosaurus parkpini by Carpenter, Miles and Cloward in 1998, then renamed G. parkpinorum by Carpenter et al. in 2001, in accordance with ICZN art. 31.1.2A.

Posted Image

Much of the skull and skeleton has been recovered, and the taxon displays cranial sculpturing, including pronounced deltoid quadratojugal and squamosal bosses. The taxon is further characterized by a narrow rostrum (in dorsal view), the presence of seven conical teeth in each premaxilla, an incomplete osseous nasal septum, a linerarly arranged nasal cavity, the absence of an osseus secondary palate, and, as regards osteoderms, two sets of co-ossified cervical plates and a number of elongate conical spines.

Vickaryous et al. (2004) place Gargoyleosaurus parkpinorum within the Family Ankylosauridae of the Ankylosauria and are in agreement with most previous phylogenetic hypotheses, which place the genus as the sister group to all other ankylosaurids (i.e., members of the Ankylosauridae). These studies however, only utilized the skull, whereas many of the distinctive features of the family Polacanthidae are in the postcranial skeleton.


This great photo of the holotype of Gargoyleosaurus parkpini, DMNH 27726, was taken by Jim Puckett in the Dinosaur Hall of “Prehistoric Journey” at the Denver Museum of Nature and Science.

dmnhanka.jpg (13974 bytes)  Reconstructed skeleton of the Jurassic ankylosaur (Gargoyleosaurus parkpini) in the Denver Museum of Science and Nature. Note scutes dermal covering the head and upper body.)

  • GarudimimusGarudimimus is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptoriformes, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië. De enige benoemde soort is Garudimimus brevipes


Garudimimus brevipes Barsbold, 1981
Garudimimidé du Cenomanien/Santonien (99.6-83.5 MA) de Mongolie (Ömnögov’); identifié par un squelette partiel (crâne, os des bras, vertèbres, pubis …).

Garudimimus, meaning “Garuda mimic”, is a genus of ornithomimosaur dinosaur from the Upper Cretaceous Period. It was found in sedimentary deposits in Bayshin Tsav, Mongolia.

Garudimimus was about 13 feet in length and was possibly an omnivore. It is believed that this dinosaur was not built for speed, unlike most ornithomimosaurs. It had short legs and heavy feet. The muscles of the legs were not as developed as in more derived ornithomimosaurs. Each foot had four toes, also unlike the typical three-toed relatives. The skull was rounded and the eyes would have been large. It was previously thought that this dinosaur had a horn at the top of the skull, however, recent studies show that the horn was a misplaced skull bone.

  • Gasparinisaura   Gasparinisaura is een geslacht van plantenetende dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Zuid-Amerika. De enige benoemde soort is Gasparinisaura cincosaltensis.
  Gasparinisaura 2.jpg
  • Gastonia Gastonia  Gastonia is een uitgestorven geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
This drawing shows the possible appearance of Gastonia, a dinosaur from the early Cretaceous Period (around 125 million years ago). Gastonia featured a sacral shield and large spikes on its shoulders. It was named by James Kirkland in 1998 after remains were found in Utah, USA.
A few skulls and skeletons from nearly complete to partial.
ANATOMICAL CHARACTERISTICS Head very small, heavily armored, no teeth on front of upper jaw. Arm and leg very short. Belly extremely broad. Large sidewaysprojecting shoulder spines, no lateral spines at hip, modest spines on side of tail.
AGE Early Cretaceous, Barremian.
HABITAT Short wet season, otherwise semiarid with floodplain prairies, open woodlands, and riverine forests




  • Gigantosaurus carolinii, bigger than the Mapusaurus , it was even larger than the Tyranosaurus Rex, with a skull 1.8m long.
  • Gigantoraptor

Gigantoraptor Erlianensis

Gigantoraptor Erlianensis

Journalists examine the replica of a fossilized skull, a small scale model and actual fossilized leg bones from the Gigantoraptor erlianensis, whose fossilized bones were uncovered recently in northern China at an unveiling held in Beijing, China, Wednesday, June 13, 2007. The remains of a giant, birdlike dinosaur at least 35 times the weight of similar species have been found in China, a surprising discovery that indicates a more complicated evolutionary process for birds than originally thought, scientists said Wednesday.(AP Photo/Ng Han Guan)
  • Gigantspinosaurus  Gigantspinosaurus is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Stegosauria, dat tijdens het Opper-Jura leefde in het gebied van het huidige China




the Tendaguru giant.
Berlin: MFN Dinosaur Hall,
Giraffatitan brancai was a sauropod, one of a group of four-legged, plant-eating dinosaurs with long necks and tails, and tiny brains.Originally considered to be a species of Brachiosaurus, Giraffatitan appears to deserve its own genus, as no derived characters have been found to link it to Brachiosaurus proper. The skull has an unusually tall rounded crest containing the nostrils, which is why it was selected for this poster. This species is unusual in possessing “withers” over the shoulders.
It and the other Brachiosaurids are members of the Brachiosauridae family of dinosaurs.They differ from other sauropods, as all had a long giraffe-like build, with long forelimbs and a raised neck, which it probably used to graze in the tops of trees. It has been suggested that all were basal titanosauriforms thrown together without respect for true characteristics, such as long necks and long arms.
For many decades, Brachiosaurus was the largest known dinosaur. It has since been exceeded in sheer mass by a number of giant titanosaurids like the Argentinosaurus and it was finally surpassed in height by another brachiosaurid, the Sauroposeidon. It was, however, still the largest dinosaur known from a relatively complete skeleton and the largest on display anywhere in the world.
The first Brachiosaurus was discovered in 1900 by Elmer S. Riggs, in the Grand River Canyon of western Colorado, in the United States. He named the new species and genera in 1903 after its long front limbs. Brachiosaurus means “arm lizard”, from the Greek brachion (“arm”) and sauros (“lizard”). This first discovered species has named Brachiosaurus altithorax and it was made famous by the movie “Jurassic Park”. It is very tall (40 feet!) and very heavy – more than 12 elephants! Unlike most of the other long-necked dinosaurs,
Starting in 1909, German paleontologist Werner Janensch found many new specimens in Tanzania, Africa, including some nearly complete skeletons. These were the Brachiosaurus brancai, which is shown on the poster. Its fossilized remains are on display at the Humboldt Museum in Berlin, Germany. The remains are primarily from one gigantic animal, except for a few tail bones (caudal vertebrae) which belong to another animal of the same size and species While the Diplodocus carnegiei mounted at the Carnegie Museum of Natural History in Pittsburgh, United States actually exceeds it in length, the Berlin animal is taller, and far more massive. Almost a century after its discovery, it still remains the largest mounted dinosaur in the world. It has also been one of the luckiest, because it escape destruction when most of Berlin was reduced to rubble by allied bombardment during World War II.There are three known species of Brachiosaurus;
B. alataiensis (de Lapparent & Zbyszewski, 1957): Is known from back bones (vertebrae), and parts of the hip and limbs, which were recovered in Estremadura, Portugal. It lived about 150 million years ago, during the Kimmeridgian age of the late Jurassic period.
B. altithorax (Riggs, 1903). The type species is known from two partial skeletons recovered in Colorado and Utah in the United States. It lived from 145 to 150 million years ago, during the Kimmeridgian to Tithonian ages.
?B. nougaredi (de Lapparent, 1960): While it may not be a distinct species (nomen dubium?) it is known from set of fused bones over the hip (sacrum), and parts of a forelimb, which were recovered in Wargla, Algeria in Africa. It lived 100 to 110 million years ago, during the Albian to Cenomanian ages of the middle Cretaceous period.There at least two other valid members of the family. :
Giraffatitan brancai (Janensch, 1914 (formerly B. brancai): The new type species, it is known from five partial skeletons, including at least three skulls, and some limb bones, which were recovered in Mtwara, Tanzania, in Africa. It lived from 145 to 150 million years ago, during the Kimmeridgian to Tithonian ages of the late Jurassic period.
Cedarosaurus weiskopfae (Tidwell, Carpenter, and Brooks, 1999). A new brachiosaurid from the Yellow Cat member of the Cedar Mountain Formation in Utah. This sauropod is known from a partial skeleton including vertebrae, partial girdles, and most of the limbs. Remains referred to Pleurocoelus may belong here. It was a smallish sauropod.http://www.dinosaur-world.com/weird_dinosaurs/giraffatitan%20_brancai.htm
Members of an antarctic 1990–91 expedition collected partial remains of a Jurassic creature called Glacialisaurus, meaning “frozen lizard.”The entire dinosaur must have been 20–25 feet (6–8 m) long and weighed an estimated 4–6 tons.
This is (tentatively) identified as a plant-eating, longnecked dinosaur, or sauropodomorph.
Again, this was a big eater.
Illustration by Mike Belknap

Skeleton of Giraffatitan.


Gondwanatitan is a Primitive Titanosaur from late Cretaceous Brazil.  It was similar to Aeolosaurus.

esqueleto de gondwanatitan



  • Gongbusaurus Gongbusaurus is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige China


“Gongbusaurus” wucaiwanensis

Gongbusaurus (meaning “Yu Gong’s (of the Zigong Dinosaur Museum) lizard”) is a genus of ornithischian (an ornithopod?) dinosaur that lived between about 160 and 155 million years ago, in the Late Jurassic period. A small herbivore, it is very poorly known. Two species have been assigned to it, but as the original name is based on teeth, there is no concrete evidence to connect the two species. Its fossils have been found in China.

 Afbeeldingen van Gongxianosaurus

Skeletal reconstruction of Gongxianosaurus shibeiensis. From He et al., 1998.


Gorgosaurus libratus
Gorgosaurus, meaning “fierce lizard” (from the Greek: gorgos/ meaning ‘terrible’ or ‘fierce’ and saurus/ meaning ‘lizard’) is a genus of carnivorous dinosaur that reached 7 to 8 metres (27 to 30 feet) in length, with an estimated weight of 2.5 tonnes (2.75 short tons). It was first described by paleontologist Lawrence Morris Lambe, in 1914 and has been found in western Canada and the United States. It lived about 70 million years ago in the late Cretaceous Period.
Over 20 Gorgosaurus skeletons have been recovered, making it the most well-represented tyrannosaurid in the fossil record. Generally similar to Tyrannosaurus and most other large tyrannosaurids (such as Daspletosaurus and Albertosaurus), Gorgosaurus can be described as having a massive head, large curved teeth, tiny two-fingered front limbs, and powerful legs. Compared to the other tyrannosaurids, Gorgosaurus is most similar to its very close relative Albertosaurus. Although it has been suggested that Gorgosaurus was a scavenger, its co-existence with the similarly sized but more robust tyrannosaurid, Daspletosaurus, casts doubt on this theory. Another hypothesis proposes that Gorgosaurus, which was rather lean for a tyrannosaurid, actively hunted fleet-footed animals such as duckbills and ornithomimids (‘ostrich-mimic’ dinosaurs). According to this proposition, the more troublesome ceratopsians and ankylosaurians (horned and heavily armoured dinosaurs) would have been left to Daspletosaurus.For years, the species Gorgosaurus libratus (the only species of Gorgosaurus currently recognized) was assigned to the Albertosaurus genus. However, recent work done by paleontologists suggest that enough differences exist between G. libratus and the other Albertosaurus species, to justify the original genus name of Gorgosaurus.Order: Saurischia
Suborder: Theropoda
Family: Tyrannosauridae
Subfamily: Albertosaurinae
Genus: Gorgosaurus
Species: G. libratus

Image © The Natural History Museum, London 2007

Goyocephale was a genus of dinosaur which lived during the Late Cretaceous period. It lived in what is now Mongolia. Goyocephale was a pachycephalosaur, which were ornithischians with thick, bony skulls.Goyocephale probably weighed 10-40 kg. The type species, Goyocephale lattimorei, was formally described by Perle, Maryanska, and Osmolska in 1982. It is based on a fairly complete skeleton.

Order: Ornithischia
Suborder: Marginocephalia
Infraorder: Pachycephalosauria
Family: Pachycephalosauridae
Genus: Goyocephale
Perle, Maryanska, and Osmolska (1982)
Goyocephale lattimorei


Gryponyx africanus

Gryponyx taylori

Gryponyx transvaalensis

A new species of the hadrosaurine hadrosaurid Gryposaurus was discovered in the late Campanian Kaiparowits Formation of southern Utah.

Gryposaurus monumentensis

Lees meer … Palaeoblog
Lees het oorspronkelijke wetenschappelijke artikel


Gryposaurus monumentensis

Gryposaurus notabilis
Gryposaurus was a common duck-billed dinosaur known from a over 10 skulls, some bones, and one of the very few skin casts ever found. The skin cast reveals the skin on its neck, sides and belly were covered with smooth scales less than a quarter of an inch in size. It had a long, narrow skull, highly-arched nostrils, and a big bump on its snout. It was a large plant-eater that would have traveled in herds while trying to avoid being eaten by some of the earliest tyrannosaur family members. Discovered in Alberta, Canada by L. Lambe in 1914, the type species is G. notabilis.
Gryposaurus is much better known under the name Kritosaurus notabilis. For a long time Kritosaurus and Gryposaurus were considered to be the same genus, but in the last twenty years it has become clear that the type material of Kritosaurus is not particularly diagnostic, based on a fragmentary skull.

Gryposaurus, meanwhile, is based on much better remains. Interestingly, it now appears that Kritosaurus may actually be a “saurolophinid”, instead of a “gryposaurinid”, illustrating the problems of establishing hadrosaurid taxa on material that is either missing or has an inadequately preserved skull.

hadrosaurid, hadrosaur, duck-billed dinosaur=  was a plant-eater that was about 30 feet (9 m) long.

  • Guaibasaurus    Guaibasaurus is een geslacht van saurischische dinosauriërs dat tijdens het late Trias leefde in het gebied van het huidige Brazilië. De typesoort is Guaibasaurus candelariensis.


Skeleton of Guaibasaurus candalariensis

Meer afbeeldingen <—

Guaibasaurus (“Rio Guaiba lizard”) was an  early dinosaur from the Late Triassic, about 220 million years ago. It was found in 1998 by José Bonaparte and Jorge Ferigolo near Candalaria, Río Grande do Sul Province, Brazil. The remains consist of two incomplete skeletons. Guaibasaurus is an even more primitive saurischian than either the Argentinean Herrerasaurus or the Brazilian Staurikosaurus, and may belong to the group that was ancestral to both sauropods and theropods.






Support Wikipedia


Paleontologists from the Utah Geological Survey and the Utah Museum of Natural History announced the discovery of a bizarre new species, Falcarius utahensis, in the May 5, 2005,. issue of Nature Magazine. James Kirkland, Utah state paleontologist at the Utah Geological Survey and principal scientist for the new study. He said, “This little beast is a missing link between small-bodied predatory dinosaurs and the highly specialized and bizarre plant-eating therizinosaurs.” The new species was excavated from ancient gravely mudstones at the base of the Cedar Mountain rock formation, at a site named the Crystal Geyser Quarry after a nearby manmade geyser that spews cold water and carbon dioxide gas. It was discovered in a mass graveyard containing hundreds, if not thousands, of individuals, including everything from hatchlings to adults. It was discovered by a commercial fossil collector who later was convicted of fossil theft. “We never would have found it, at least for 100 years or so, if he hadn’t taken us to the site,” Kirkland says. “Once he figured out he had a new dinosaur, he realized scientists should be working the site.

, November 18, 2011

Falcarius: bizarre sickle-cutter

by Scott Hartman
(enlarge : click on drawings and photo’s )

The truly strange looking animal above is Falcarius utahensis.

It’s an early, omnivorous member of the theropod clade known as therizinosaurs.
Not only does it look weird, it’s also a bit different from other skeletals you may have seen on the web.There are still several points worthy of discussion.First off, the animal was discovered in a bone bed of disarticulated individuals.
The good news is that most of the individual elements are known, but the down side is the bones aren’t all from the same sized animals.
That means that cross-scaling is needed to restore the skeleton, but even that presents a challenge; the usual method of cross-scaling involves double-checking the results against the proportions of close relatives.
Alas, in this case the fossil record for the base of the therizinosaur family tree isn’t well known, and what is known makes it clear that Falcarius has very different proportions than it’s closest known relative: Beipiaosaurus.
Copyright Greg Paul
When the original description of Falcarius was published in 2005, it came with the skeletal drawing above
Obviously I don’t agree with those proportions now, but at the time it had been done when fewer bones had been excavated, prepared, and described in detail, so Greg Paul had to try and scale them based on a smaller amount of material to compare with.In fact, given the difficulty of restoring the proportions I intentionally avoided doing a Falcarius skeletal reconstruction for several years
I might have avoided it all together, but towards the end of my tenure at the WDC we mounted a cast of Falcarius that Gaston Design produced.
Working on that skeleton I was able to not only measure and photograph all of the elements, but spend time looking at how the individual elements were matched up.
Some parts of the cast’s vertebral column are from different sized individuals(an unavoidable consequence of trying to piece together a skeleton from several different individuals). In other cases, vertebrae I had assumed to be from different sized animals were in fact crushed.

In addition to the hands-on data, Lindsay Zanno had been hard at work publishing more detailed information on Falcarius (this is actually notable, as not all researchers are as timely with getting more detailed descriptions of a new animal into print). As the information piled up I felt that a skeletal was possible to be done. I ended up being asked to produce a skeletal of Falcarius for a display in the new Utah Museum of Natural History building (side note: the new UMNH building just opened, and houses one of the most impressive natural history displays in North America, ). Since I was working with the UMNH, I got valuable input from several of the researchers who worked on the specimens. They were able to provide additional information – I won’t go into the nitty-gritty of it (although you may if you would like), but I wanted to point out that the end result was quite a surprise to me.

And little is more satisfying than when you are really surprised at the end of a skeletal reconstruction.

Resulting skeletal in hand, you can compare it to the most recent studies of the therizinosaur family tree, as well as the excellent research being done by Lindsay Zanno and Peter Makovicky on the origin of plant-eating in theropod dinosaurs, and Falcarius starts to tell an interesting tail about the order in which therizinosaur traits appeared. Falcarius appears to already be specialized for browsing for high forage. Given the lack of an enlarged gut for fermentation it probably preferred to seek out higher-quality plant matter, like fruiting bodies or seeds. The partially upright stance appears concurrently with a widening of the passage through the pelvis (not visible in side view) allowing move guts into that area, causing the center of gravity to sit further back despite the elongation of the neck. The large hand claws (from which the authors derived the name “sickle-cutter”) may have allowed Falcarius to pick up small prey, but they also may have served as defense for a fairly slow animal with small teeth. The first toe is low and long enough to start interacting with the ground, perhaps to provide balance and stability when browsing high. All of these features would be carried to extremes in advanced therizinosaurs, but they seem to already be playing the same (albeit incipient) functional roles in Falcarius. So with Falcariuswe have an animal that at first glance appears inexplicably strange, but when viewed through the lens of where it was coming from (long-bodied small-headed meat eaters) and where it ends up (the upright, pot-bellied therizinosaurs) the combination of traits start to make a lot of sense.

Isn’t science grand?

References:Kirkland, J. I., Zanno, L. E., Sampson, S. D., Clark, J. M. & DeBlieux, D. D., 2005. A primitive therizinosauroid dinosaur from the Early Cretaceous of Utah. Nature, v435, pp 84-87.

Zanno, L. E. 2006. The pectoral girdle and forelimb of the primitive therizinosauroid Falcarius utahensis(Theropoda, Maniraptora): Analyzing evolutionary trends withing Therizinosauroidea. Journal of Vertebrate Paleontology, v26 n3, pp 636-650.Zanno, L. E. 2010. Osteology of Falcarius utahensis (Dinosauria: Theropoda): characterizing the anatomy of basal therizinosaurs. Zoological Journal of the Linnean Society. v158, pp 196-230.Zanno, L. E. & Makovicky, P. J., 2011. Herbivorous ecomorphology and specialization patterns in theropod dinosaur evolution. Proceedings of the National Academy of Sciences. v108 m1, pp 232-237.

Scientists have suggested a number of possible explanations for such mass deaths. Scott Sampson, chief curator at the Utah Museum of Natural History and an associate professor of geology and geophysics at the University of Utah. Sampson says that they include drought, volcanism, fire and botulism poisoning from water tainted by carcasses. Kirkland leans toward a theory developed by Celina and Marina Suarez, twins who are geology graduate students at Temple University in Philadelphia. Their research on carbonate-rich sediments in which the dinosaurs were buried suggests the area was near or in a spring, and that there were at least two mass die-offs . That raises the possibility the dinosaurs were drawn repeatedly to the site by water or an attractive food source – perhaps plants growing around the spring – and then the spring occasionally would poison the animals with toxic gas or water, Kirkland says.With almost 1,700 bones excavated during the past three years, scientists have about 90 percent of Falcarius’ bones, making it the most complete therizinosaurus specimen found to date. Falcarius “is the most primitive known therizinosaur, demonstrating unequivocally that this large-bodied group of bizarre herbivorous group of dinosaurs came from Velociraptor-like ancestors,” says study co-author Lindsay Zanno, a graduate student in geology and geophysics at the University of Utah and the Utah Museum of Natural History. Sampson maintains that Falcarius did not descend directly from Velociraptor, but both had a common, yet-undiscovered ancestor, says study co-author and paleontologist Kirkland says Falcarius likely was covered with shaggy, hair-like “proto-feathers,” which may or may not have had a shaft like those found in bird feathers. No feathers were found with the Falcarius fossils. Feathers rarely are preserved, but “a number of its close relatives found in China had feathers [preserved by unusual lake sediments], so the presumption is this animal too was feathered,” Sampson says. The previously unknown species provides clues about how vicious meat-eaters related to Velociraptor ultimately evolved into plant-munching vegetarians. The adult dinosaur walked on two legs and was about 13 feet long (4 meters) and stood 4.5 feet tall (1.4 meters). It had sharp, curved, 4-inch-long (10 centimeter) claws. Scientists do not yet know if the creature ate meat, plants or both. Kirkland said, “Falcarius shows the beginning of features we associate with plant-eating dinosaurs, including a reduction in size of meat-cutting teeth to leaf-shredding teeth, the expansion of the gut to a size needed to ferment plants, and the early stages of changing the legs so they could carry a bulky body instead of running fast after prey.” Falcarius, which dates to the Early Cretaceous Period about 125 million years ago, belongs to a group of dinosaurs known as therizinosaurs. Falcarius and Beipiaosaurus are about the same age and appear to represent an intermediate stage between deadly carnivores and later, plant-eating therizinosaurs. Falcarius is anatomically more primitive than the Chinese therizinosaurs.Falcarius had leaf-shaped teeth designed for shredding plants rather than the triangular, blade-like serrated teeth of its meat-eating relatives.Its pelvis was broader, indicating a larger gut to digest plant material, which is more difficult to process than meat. Its lower legs were stubby, presumably because it no longer needed to run after prey. Compared with carnivorous relatives, Falcarius’ neck was more elongated and its forelimbs were more flexible, perhaps for reaching plants to eat. Sampson says: “Falcarius represents evolution caught in the act, a primitive form that shares much in common with its carnivorous kin, while processing a variety of features demonstrating that it had embarked on the path toward more advanced plant-eating forms.” Falcarius means sickle-maker, so named because later plant-eating therizinosaurs had 3-foot-long, sickle-like claws. The species name, utahensis, comes from the fact the new species was discovered in east-central Utah, south of the town of Green River. Falcarius is the fourth new dinosaur species Kirkland has discovered in the Cedar Mountain Formation’s Yellow Cat member (a unit of the formation) in 11 years. Others are meat-eaters Utahraptor and Nedcolbertia, and an armored dinosaur named Gastonia. “Therizinosaurs have been found for 50 years in China and Mongolia, but were not recognized as a distinct group until about 25 years ago,” Sampson says. The only therizinosaur known previously from North America was Nothronychus, which Kirkland discovered in the late 1990s in New Mexico. It was 90 million years old, so scientists initially believed the older therizinosaurs in China had migrated over a land bridge from Asia through Alaska to the American Southwest. But due to the constantly shifting plates of Earth’s surface, Alaska didn’t exist 125 million years ago – the age of both Falcarius and the oldest known Chinese therizinosaur, Beipiaosaurus. So scientists now wonder if therizinosaurs originated in Asia and migrated through Europe to North America before the Atlantic Ocean basin opened up, or if they originated in North America and migrated through Europe to Asia. “Falcarius may have been home-grown,” Kirkland says.” This discovery puts the most primitive therizinosaurs in North America,” Zanno says. “This tells us that North America potentially could be the place of origin for this group of dinosaurs.” http://www.dinosaur-world.com/feathered_dinosaurs/falcarius_utahensis.htm http://palaeoblog.blogspot.com/2010/01/osteology-of-falcarius-utahensis.html http://skeletaldrawing.blogspot.com/2011/11/falcarius-bizarre-sickle-cutter.html http://www.nature.com/news/2005/050502/full/news050502-3.html http://www.nature.com/nature/journal/v435/n7038/full/nature03468.html

Vicious vegetarian.
Felcarius utahensis provides clues to how some dinosaurs gave up meat.






. .





fruitadens haagorum.jpg

Fruitadens haagarorum, distal hindlimb. LACM 120478, articulated left tibia, fibula and astragalocalcaneum in anterior (A), medial (B), posterior (C), lateral (D), proximal (E) and distal (F) views. LACM 115747 (holotype), proximal left tibia in lateral (G) and medial (H) views. LACM 115727, distal left tibia with attached astragalocalcaneum in anterior (I), medial (J), posterior (K), lateral (L) and distal (M) views. LACM 115747 (holotype), distal right tibia in distal (N) and anterior (O) views. LACM 120602, left astragalocalcaneum in anterior (P) and proximal (Q) views. Abbreviations: amsh, anteromedial sheet of tibia; asp, ascending process; cal, calcaneum; cnc, cnemial crest; fibc, fibular condyle; for, foramen; innc, inner condyle; int, notch between inner condyle and fibular condyle.


Life restoration of Fukuiraptor.


Futalognkosaurus dukei (Calvo et. al. 2007) Taxonomy: Saurischia; Sauropodomorpha; Sauropoda; Macronaria; Titanosauria; Lognkosauria “Great Chief Lizard of Duke Energy Company” Time: Late Cretaceous (Turonian-Coniacian epochs, ~ 90-87 million years ago) Length: ~30m Probable Mass: ~ 65-70 tons Hailing from Late Cretaceous Argentina, Futalognkosaurus dukei was one of the most massive dinosaurs ever known, with the deepest neck on record and a colossal pelvis exceeding 2m at its widest point. It’s also the most complete giant titanosaur known, though due to the current lack of reliable measurements it’s hard to tell just how “giant” the entire animal was. My skeletal reconstruction is done based on extensive cross-scaling using the best known unpublished photos and verifying the most reliable of the published measurements with the sizes of the people said photos. Futalognkosaurus was a member of the family Lognkosauria, a transitional group of titanosaurs with a plethora of strange and extreme skeletal features, including extremely wide dorsal vertebrae and rib cages. They ranged from the small (Malawisaurus) to the colossal (Puertasaurus). Futalognkosaurus, a Late Cretaceous lognkosaur, was one of the larger members of the family, and so far the one with the tallest neck bones – indeed it may have proportionally the deepest neck of any sauropod with the exception of Isisaurus. Currently this recon shows Futalognkosaurus at (30m), rivaling Argentinosaurus in length, and likely exceeding both Paralititan and Argyrosaurus. Nevertheless the width of the vertebrae, though impressive, indicates it is still significantly smaller than both Puertasaurusand the new adult Alamosaurus remains, and it may also be outclassed by Ruyangosaurus giganteus and Huanghetitan ruyangensis. http://svpow.com/2009/10/20/futalognkosaurus-was-one-big-ass-sauropod/ The remains of the Futalognkosaurus Dukei 





Families & Species
















































Mei long 130




Patagonykus 95
Shuvuuia 80
Alvarezsaurus 80
Parvicursor 80
Mononykus 70
Aves (birds)




Recent discoveries

http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_dinosaurs Support Wikipedia



  • Echinodon Echinodon was een geslacht van plantenetende dinosauriërs behorend tot de Ornithischia, die tijdens het Late Jura leefde in het gebied van het huidige Engeland. De typesoort is Echinodon becklesii.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              syn : Saurechinodon Herbivore, Quadrupedal Ornithischia  Suborder: Thyreophora? Family: Scelidosauridae?                       H 0.3 meters    L 0.6 meters    Late Jurassic                                                                                                                               Discovered in England and described by Sir Richard Owen in 1861, Echinodon was once considered to be a fabrosaurid, a family name that has now been abandoned. It may have been related to Scutellosaurus, a plant-eater with small bony armor plates on its back. Evidence suggests that armor found in England in 1879 and thought to belong to a lizard, may belong to Echinodon, thus moving it into the mostly quadrupedal Thyreophora suborder of ornithischians.

http://scienceblogs.com/tetrapodzoology/2007/05/24/galve-european-spinosaurines-c/               http://qilong.wordpress.com/2012/10/08/pegomastax-and-the-echinodonts/

i-5590c96777032c9c6d3f98b3979a3202-Yinlong.jpg  Echinodon becklesii mandible

NHMUK 48215b, a paralectotype dentary referred to Echinodon becklesii (Owen, 1861). AfterSereno, 2012.

It was a theropod closely related to Torvosaurus, and may, in fact, be a junior synonym of that genus. Its fossils, including a partial skeleton, were found at Como Bluff, Wyoming.


edmarka rex

http://tolweb.org/NodosauridaeEdmontonia (meaning “From the Edmonton Formation”) was an armoured dinosaur, a part of the nodosaur family from the Late Cretaceous Period. It is named after the Edmonton Formation (now the Horseshoe Canyon Formation), the unit of rock it was found in. was bulky and tank-like at roughly 6.6 m (22 ft) long and 2m (6 ft) high.[citation needed] It had small, ridged bony plates on its back and head and many sharp spikes along its back and tail. The four largest spikes jutted out from the shoulders on each side, two of which were split into subspines in some specimens. Its skull had a pear-like shape when viewed from above.(information from Wikipedia.org

De lange schedels van een Edmontosaurus en een paard; beide hebben een lange schedel en grote maalkiezen

Late Cretaceous, Ornithischia : Ornithopoda : Hadrosauridae : Hadrosaurinae : Edmontosaurus: Edmontosaurus regalis

Hanenkam ontdekt

 13 december 2013  1
edmondosaurus regalis

Wetenschappers hebben in Canada een bijzondere ontdekking gedaan. Ze troffen er de gemummificeerde resten van een eendensnaveldinosaurus met een hanenkam aan. Het bewijst voor het eerst dat deze dino’s een kleurige kam op de kop hadden die in veel opzichten overeenkomsten vertoont met de moderne hanenkam.

Het is niet ongewoon dat dinosaurussen worden teruggevonden met een bijzondere structuur op de kop. Denk maar eens aan de Triceratops met hoorns op de kop en dat enorme schild dat zijn kwetsbare nek beschermde. Maar dat zijn stuk voor stuk botstructuren. Een dinosaurus met een vlezige structuur op de kop is nog nooit ontdekt.

Tot nu dan. In Canada troffen de onderzoekers de resten van een gemummificeerde eendensnaveldinosaurus aan. Het gaat om een Edmontosaurus regalis: een soort waar al diverse fossiele resten van zijn teruggevonden.                                                    En toch is deze vondst bijzonder. “We hebben reeds heel veel schedels van de Edmontosaurus gevonden, maar geen enkele vertoont aanwijzingen dat ze een grote, vlezige kam op de kop hadden,” vertelt onderzoeker Phil Bell. En dat is ook goed te verklaren. Omdat er geen bot in de kam zit, fossiliseert deze niet. Dat onderzoekers de hanenkam nu gedetecteerd hebben, is dan ook puur te danken aan het feit dat de Edmontosaurus die de onderzoekers ontdekten, gemummificeerd was.

De vondst trekt het uiterlijk van diverse dino’s waarmee we juist zo vertrouwd zijn geraakt, in twijfel en is   volgens Bell,  erg belangrijk. Normaal gesproken fossiliseert een vleesachtige structuur zoals een hanenkam namelijk niet.

“Het is alsof we voor het eerst hebben ontdekt dat olifanten slurven hebben. We hebben veel schedels van Edmontosaurussen gevonden, maar nooit eerder waren er aanwijzingen dat ze een vlezige kam op hun hoofd hadden.”

Bell vermoedt dat ook andere dinosauriërs hanenkammen hadden. “Er is geen reden om aan te nemen dat andere vreemde vlezige structuren niet aanwezig waren op heel veel andere dinosaurussen, waaronder(bijvoorbeld )  de T. rex of de Triceratops,” stelt Bell.

Het is nog onduidelijk waar de hanenkam van de dinosaurussen voor diende. Vergelijkbare structuren komen ook voor bij moderne dieren zoals kameleons en hanen en hagedissen en dienen meestal om indruk te maken op mogelijke seksuele partners en ze zodoende te versieren  . Mogelijk gold dat ook voor de dinosaurus. 

Tijdschrift Current Biology.
Nieuwssite Phys.org.
Surprise: Duck-Billed Dinosaurs Had Fleshy ‘Cocks Comb’” – Cell Press (via Sciencedaily.com).
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Julius Csotonyi © Bell, Fanti, Currie, Arbour, Current Biology.
Edmontosaurus is a genus of crestless (?)  duck-billed dinosaur.
The fossils of this animal have been found in rocks of western North America that date from the late Campanian stage to the end of the Maastrichtian stage of the Cretaceous Period, between 73 and 65.5 million years ago. It was one of the last non-avian dinosaurs, and live alongsideTriceratops and Tyrannosaurusshortly before the Cretaceous–Tertiary extinction event.Edmontosaurus was one of the largest hadrosaurids, measuring up to 13 meters (43 ft) long and weighing around 4.0 metric tons (4.4 short tons). It is known from several well-preserved specimens that include not only bones, but in some cases extensive skin impressions and possible gut contents. It is classified as a hadrosaurine hadrosaurid (those hadrosaurids which lacked a fossilised  hollow crest), and was closely related to Anatotitan,(if not a synonym.)
Edmontosaurus has a lengthy and complicated taxonomic history dating to the late 19th century. Various species classified with genera such as Claosaurus, Thespesius, Trachodon, and the well-known but now defunct genus Anatosaurus are now regarded as belonging to Edmontosaurus. The first fossils named Edmontosaurus were discovered in southern Alberta, Canada, in what used to be called the lower Edmonton Formation. The type species, E. regalis, was named by Lawrence Lambe in 1917, although several other species that are now classified in Edmontosaurus were named earlier. The best known of these is E. annectens, originally named by Othniel Charles Marsh in 1892 as Claosaurus annectens and known for many years as Anatosaurus annectens. A third smaller species, E. saskatchewanensis, is also known. The name Edmontosaurus means “Edmonton lizard”; the genus was named after the Edmonton Formation, now known as the Horseshoe Canyon Formation.Edmontosaurus was widely distributed across western North America. The distribution of Edmontosaurus fossils suggests that it preferred coasts and coastal plains. It was a herbivore that could move on both two legs and four. Because it is known from several bone beds, Edmontosaurus is thought to have lived in groups, and may have been migratory as well. The wealth of fossils has allowed researchers to study its paleobiology in detail, including its brain, how it may have fed, and its injuries and pathologies, such as evidence for a tyrannosaur attack on one edmontosaur specimen.Posted Image
with or without crest ? 
Edmontosaurus has been described in detail from several specimens. Like other hadrosaurids, it was a bulky animal with a long, laterally flattened tail and a head with an expanded, duck-like beak. The skull had no hollow or solid crest, unlike many other hadrosaurids. The fore legs were not as heavily built as the hind legs, but were long enough to be used in standing or movement. Edmontosaurus was among the largest hadrosaurids: depending on the species, a fully grown adult could have been 9 meters (30 ft) long, and some of the larger specimens reached the range of 12 meters (39 ft) to 13 meters (43 ft) long. Its weight was on the order of 4.0 metric tons (4.4 short tons). At the present, E. regalis is the largest species, although its status may be challenged if the large hadrosaurid Anatotitan copei is shown to be the same as Edmontosaurus annectens, as put forward by Jack Horner and colleagues in 2004 (this remains to be tested by other authors). The type specimen of E. regalis, NMC 2288, is estimated as 9 to 12 meters (30 to 39 ft) long. E. annectens was somewhat shorter. Two well-known mounted skeletons, USNM 2414 and YPM 2182, measure 8.00 meters (26.25 ft) long and 8.92 meters (29.3 ft) long, respectively. However, there is at least one report of a much larger potential E. annectens specimen, almost 12 meters (39 ft) long. E. saskatchewanensis was smaller yet, with its full length estimated as 7 to 7.3 meters (23 to 24.0 ft).
The skull of a fully grown Edmontosaurus was around a meter (or yard) long, with E. regalis falling on the longer end of the spectrum and E. annectens falling on the shorter end. The skull was roughly triangular in profile, with no bony cranial crest. Viewed from above, the front and rear of the skull were expanded, with the broad front forming a duck-bill or spoon-bill shape. The beak was toothless, and both the upper and lower beaks were extended by keratinous material. Substantial remains of the keratinous upper beak are known from the “mummy” kept at the Senckenberg Museum. In this specimen, the preserved nonbony part of the beak extended for at least 8 centimeters (3.1 in) beyond the bone, projecting down vertically. The nasal openings of Edmontosaurus were elongate and housed in deep depressions surrounded by distinct bony rims above, behind, and below. In at least one case (the Senckenberg specimen), rarely preserved sclerotic rings were preserved in the eye sockets. Another rarely seen bone, the stapes (the reptilian ear bone), has also been seen in a specimen of Edmontosaurus.
The Senckenberg mummy
Skull of the Senckenberg Edmontosaurus mummyin left lateral view.
Teeth were present only in the maxillae (upper cheeks) and dentaries (main bone of the lower jaw). The teeth were continually replaced, taking about half a year to form. They grew in columns, with an observed maximum of six in each, and the number of columns varied based on the animal’s size. Known column counts for the various species are: 51 to 53 columns per maxilla and 48 to 49 per dentary (teeth of the upper jaw being slightly narrower than those in the lower jaw) for E. regalis; 43 columns per maxilla and 36 per dentary for E. annectens; and 52 and 44 for E. saskatchewanensis.
Postcranial skeleton
The number of vertebrae differs between specimens. E. regalis had thirteen neck vertebrae, eighteen back vertebrae, nine hip vertebrae, and an unknown number of tail vertebrae. A specimen once identified as belonging to Anatosaurus edmontoni (now considered to be the same as E. annectens) is reported as having an additional back vertebra and 85 tail vertebrae, with an undisclosed amount of restoration. Other hadrosaurids are only reported as having 50 to 70 tail vertebrae, so this appears to have been an overestimate. The anterior back was curved toward the ground, with the neck flexed upward and the rest of the back and tail held horizontally. Most of the back and tail were lined by ossified tendons arranged in a latticework along the neural spines of the vertebrae. This condition has been described as making the back and at least part of the tail “ramrod” straight.
The ossified tendons are interpreted as having strengthened the vertebral column against gravitational stress, incurred through being a large animal with a horizontal vertebral column otherwise supported mostly by the hind legs and hips.The shoulder blades were long flat blade-like bones, held roughly parallel to the vertebral column. The hips were composed of three elements each: an elongate ilium above the articulation with the leg, an ischium below and behind with a long thin rod, and a pubis in front that flared into a plate-like structure.
The structure of the hip hindered the animal from standing with its back erect, because in such a position the thigh bone would have pushed against the joint of the ilium and pubis, instead of pushing only against the solid ilium. The nine fused hip vertebrae provided support for the hip.
The fore legs were shorter and less heavily built than the hind legs. The upper arm had a large deltopectoral crest for muscle attachment, while the ulna and radius were slim. The upper arm and forearm were similar in length. The wrist was simple, with only two small bones. Each hand had four fingers, with no thumb (first finger). The index second, third, and fourth fingers were approximately the same length and were united in life within a fleshy covering. Although the second and third finger had hoof-like unguals, these bones were also within the skin and not apparent from the outside. The little finger diverged from the other three and was much shorter. The thigh bone was robust and straight, with a prominent flange about halfway down the posterior side. This ridge was for the attachment of powerful muscles attached to the hips and tail that pulled the thighs (and thus the hind legs) backward and helped maintain the use of the tail as a balancing organ. Each foot had three toes, with no big toe or little toe. The toes had hoof-like tips.
AMNH 5060: a well preserved specimen of Edmontosaurus annectens
Multiple specimens of Edmontosaurus have been found with preserved skin impressions. Several have been well-publicized, such as the “Trachodon mummy” of the early 20th century, and the specimen nicknamed “Dakota”, the latter apparently including remnant organic compounds from the skin. Because of these finds, the scalation of Edmontosaurus is known for most areas of the body.
File:Edmontosaurusskin.jpgSkin impression from the abdomen of Edmontosaurus annectens
Skin impression of the specimen nicknamed “Dakota”, which was found in 1999
A large patch of fossilized dinosaur skin. The stripe of larger scales probably ran along the back of the embryo.
Luis Chiappe | Lorraine Meeker   AMNH 
“Trachodon” : the other mummy
AMNH 5060 Edmontosaurus annectens.

AMNH 5060, the “Trachodon mummy” (so-called because it appears to be a fossil of a natural mummy), is now recognized as a specimen of E. annectens.
It was found to have skin impressions over the snout, much of the neck and torso, and parts of the arms and legs. The tail and part of the legs eroded before collection, so these areas are unknown for the specimen.
Additionally, some areas with skin impressions, such as sections associated with the neck ridge (see below) and hands, were accidentally removed during preparation of the specimen.
The specimen is thought to have desiccated in a dry stream bed, probably on or near a point bar. The circumstances of the location and preservation of the body suggest that the animal died during a prolonged drought, perhaps from starvation. The desiccated carcass was eventually buried in a sudden flood, surrounded by sediment that had enough fine particles to make a cast of the epidermal structures.The epidermis was thin, and the scalation composed of small nonoverlapping scales, as seen in the Gila monster.
Two general types of scales were present over most of the body: small pointed or convex tubercles, 1 to 3 millimeters (0.039 to 0.12 in) in diameter with no definite arrangement (ground tubercles); and larger, flat polygonal tubercles (pavement tubercles) typically less than 5 millimeters (0.20 in) in diameter, but up to 10 millimeters (0.39 in) over the forearm. The pavement tubercles were grouped into clusters separated by ground tubercles, with transitional scales between the two types. Over most of the body, the pavement tubercles were arranged in circular or oval clusters, while near the shoulder on the upper arm, they formed strips roughly parallel to each other and the shoulder blade. Generally, clusters were larger on the upper surfaces of the body and smaller on the underside. Clusters up to 50 centimeters (20 in) in length were present above the hips.The only impressions from the head came from the large opening for the nostrils. Instead of tubercle impressions, there were impressions of folded soft tissue, with a deeper area at the anterior end of the opening that may have been the approximate location of the nostril itself. The neck and back had a soft ridge or frill running down the midline, with a row of oval tubercle clusters arranged above the spines of the vertebrae. The total height of the ridge on AMNH 5060 is not known, nor the disposition of its upper border, as the upper extremity was prepared away. The ridge was at least 8 centimeters (3.1 in) tall, and was folded and creased to permit movement. Osborn proposed that it was tall enough for another row of clusters.The forearms had the largest tubercles, arranged in single large clusters that covered the leading surfaces. The hands were covered in small pavement tubercles in a soft-tissue structure than enclosed the three central fingers; not even the tips were exposed. Osborn interpreted this as a paddle for swimming. Robert T. Bakker later reinterpreted it as a soft-tissue pad for walking, analogous to that of a camel. Like the forearm, the shin had large tubercles. The scalation of the rest of the leg is not presently known, although impressions on a specimen of the crested hadrosaurid Lambeosaurus suggest that the thighs were under the skin of the body, like modern birds.The tail of AMNH 5060 was not present, but other specimens have filled in some details for that area.
Skin impressions from a partial tail belonging to either Edmontosaurus or its close relative Anatotitan, recovered from the Hell Creek Formation of Montana, show a segmented ridge above the vertebrae.
The ridge was about 8.0 centimeters (3.1 in) tall, with the segments being about 5.0 centimeters (2.0 in) long and 4.5 centimeters (1.8 in) high, spaced 1.0 centimeter (0.39 in) apart, with one segment to a vertebra. Another tail, this time pertaining to a juvenile E. annectens, had fossilized impressions including tubercles as well as previously unseen skin textures.
These impressions included elliptical overlapping scales, grooved scales, and a “9 cm by 10 cm trapezoidal horn-like structure”.
Failed attack 
edmondosaurus  (healed) skin
Edmontosaurus was a hadrosaurid (a duck-billed dinosaur), a member of a family of dinosaurs which to date are known only from the Late Cretaceous. It is classified within the Hadrosaurinae, a clade of hadrosaurids which lacked hollow crests. Other members of the group include Brachylophosaurus, Gryposaurus, Lophorhothon, Maiasaura, Naashoibitosaurus, Prosaurolophus, and Saurolophus. It was either closely related to or the same as Anatotitan, another large hadrosaurid from various latest Cretaceous formations of western North America. The giant Chinese hadrosaurine Shantungosaurus is also anatomically similar to Edmontosaurus; M. K. Brett-Surman found the two to differ only in details related to the greater size of Shantungosaurus, based on what had been described of the latter genus.While the status of Edmontosaurus as a hadrosaurine has not been challenged, its exact placement within the clade is uncertain. Early phylogenies, such as that presented in R. S. Lull and Nelda Wright’s influential 1942 monograph, had Edmontosaurus and various species of Anatosaurus (most of which would be later reevaluated as additional species or specimens of Edmontosaurus) as one lineage among several lineages of “flat-headed” hadrosaurs. One of the first analyses using cladistic methods found it to be linked with Anatotitan and Shantungosaurus in an informal “edmontosaur” clade, which was paired with the spike-crested “saurolophs” and more distantly related to the “brachylophosaurs” and arch-snouted “gryposaurs”. A 2007 study by Terry Gates and Scott Sampson found broadly similar results, in that Edmontosaurus remained close to Saurolophus and Prosaurolophus and distant from Gryposaurus, Brachylophosaurus, and Maiasaura.
However, the most recent review of Hadrosauridae, by Jack Horner and colleagues (2004), came to a noticeably different result: Edmontosaurus was nested between Gryposaurus and the “brachylophosaurs”, and distant from Saurolophus. The discrepancies are complicated by the relative lack of work on hadrosaurine evolutionary relationships.
Discovery and history
Edmontosaurus has had a long and complicated history in paleontology, having spent decades with various species classified in other genera. Its taxonomic history intertwines at various points with the genera Agathaumas, Anatosaurus, Anatotitan, Claosaurus, Hadrosaurus, Thespesius, and Trachodon, and references predating the 1980s typically use Anatosaurus, Claosaurus, Thespesius, or Trachodon for edmontosaur fossils (excluding those assigned to E. regalis), depending on author and date. Although Edmontosaurus was only named in 1917, its oldest well-supported species (E. annectens) was named in 1892 as a species of Claosaurus, and scrappier fossils that may belong to it were described as long ago as 1871.The first described remains that may belong to Edmontosaurus were named Trachodon atavus in 1871 by Edward Drinker Cope. This species was assessed without comment as a synonym of Edmontosaurus regalis in two reviews, although atavus predates regalis by several decades. In 1874 Cope named but did not describe Agathaumas milo for a sacral vertebra and shin fragments from the late Maastrichtian-age Upper Cretaceous Laramie Formation of Colorado. Later that same year, he described these bones under the name Hadrosaurus occidentalis. The bones are now lost. As with Trachodon atavus, Agathaumas milo has been assigned without comment to Edmontosaurus regalis in two reviews, although predating regalis by several decades. Neither species has attracted much attention; both are absent from Lull and Wright’s 1942 monograph, for example. A third obscure early species, Trachodon selwyni, described by Lawrence Lambe in 1902 for a lower jaw from what is now known as the Dinosaur Park Formation of Alberta, was erroneously described by Glut (1997) as having been assigned to Edmontosaurus regalis by Lull and Wright. It was not, instead being designated “of very doubtful validity.”
More recent reviews of hadrosaurids have concurred.The first well-supported species of Edmontosaurus was named in 1892 as Claosaurus annectens by Othniel Charles Marsh. This species is based on USNM 2414, a skull and skeleton, with a second skull and skeleton, YPM 2182, designated the paratype. Both were collected in 1891 by John Bell Hatcher from the late Maastrichtian-age Upper Cretaceous Lance Formation of Niobrara County (then part of Converse County), Wyoming. This species has some historical footnotes attached: it is among the first dinosaurs to receive a skeletal restoration, and is the first hadrosaurid so restored; and YPM 2182 and UNSM 2414 are, respectively, the first and second essentially complete mounted dinosaur skeletons in the United States. YPM 2182 was put on display in 1901, and USNM 2414 in 1904.Because of the incomplete understanding of hadrosaurids at the time, following Marsh’s death in 1897 Claosaurus annectens was variously classified as a species of  Claosaurus, Thespesius o r Trachodon. Opinions varied greatly; textbooks and encyclopedias drew a distinction between the “Iguanodon-like” Claosaurus annectens and the “duck-billed” Hadrosaurus (based on remains now known under Anatotitan copei), while Hatcher explicitly identified C. annectens as synonymous with the hadrosaurid represented by those same duck-billed skulls.
Hatcher’s revision, published in 1902, was sweeping: he considered almost all hadrosaurid genera then known as synonyms of Trachodon. This included Cionodon, Diclonius, Hadrosaurus, Ornithotarsus, Pteropelyx, and Thespesius, as well as Claorhynchus and Polyonax, fragmentary genera now thought to be horned dinosaurs. Hatcher’s work led to a brief consensus, until after 1910 new material from Canada and Montana showed a greater diversity of hadrosaurids than previously suspected.
Charles W. Gilmore in 1915 reassessed hadrosaurids and recommended that Thespesius be reintroduced for hadrosaurids from the Lance Formation and rock units of equivalent age, and that Trachodon, based on inadequate material, should be restricted to a hadrosaurid from the older Judith River Formation and its equivalents. In regards to Claosaurus annectens, he recommended that it be considered the same as Thespesius occidentalis. His reinstatement of Thespesius for Lance-age hadrosaurids would have other consequences for the taxonomy of Edmontosaurus in the following decades.
During this time frame (1902–1915), two additional important specimens of C. annectens were recovered. The first, the “Trachodon mummy” (AMNH 5060), was discovered in 1908 by Charles Hazelius Sternberg and his sons in Lance Formation rocks near Lusk, Wyoming. Sternberg was working for the British Museum of Natural History, but Henry Fairfield Osborn of the American Museum of Natural History was able to purchase the specimen for $2,000. The Sternbergs recovered a second similar specimen from the same area in 1910, not as well preserved but also found with skin impressions. They sold this specimen (SM 4036) to the Senckenberg Museum in Germany.
Posted Image
Canadian discoveries
Edmontosaurus itself was coined in 1917 by Lawrence Lambe for two partial skeletons found in the Edmonton Formation along the Red Deer River of southern Alberta, Canada. The Edmonton Formation lends the genus its name. These specimens came from the lower Edmonton Formation, now known as the Horseshoe Canyon Formation, which is slightly older than the rocks in which Claosaurus annectens was found. The type species, E. regalis (“regal,” or, more loosely, “king-sized”), is based on NMC 2288, consisting of a skull, articulated vertebrae up to the sixth tail vertebra, ribs, partial hips, an upper arm bone, and most of a hind limb. It was discovered in 1912 by Levi Sternberg.
The second specimen, paratype NMC 2289, consists of a skull and skeleton lacking the beak, most of the tail, and part of the feet. It was discovered in 1916 by George F. Sternberg. Lambe found that his new dinosaur compared best to Diclonius mirabilis (specimens now assigned to Anatotitan copei), and drew attention to the size and robustness of Edmontosaurus.
Initially, Lambe only described the skulls of the two skeletons, but returned to the genus in 1920 to describe the skeleton of NMC 2289. The postcrania of the type specimen remains undescribed, still in its plaster jackets.Two more species that would come to be included with Edmontosaurus were named from Canadian remains in the 1920s, but both would initially be assigned to Thespesius. Gilmore named the first, Thespesius edmontoni, in 1924.
T. edmontoni also came from the Edmonton Formation. It was based on NMC 8399, another nearly complete skeleton lacking most of the tail. NMC 8399 was discovered on the Red Deer River in 1912 by a Sternberg party. Its forelimbs, ossified tendons, and skin impressions were briefly described in 1913 and 1914 by Lambe, who at first thought it was an example of a species he’d named Trachodon marginatus, but then changed his mind. The specimen became the first dinosaur skeleton to be mounted for exhibition in a Canadian museum. Gilmore found that his new species compared closely to what he called Thespesius annectens, but left the two apart because of details of the arms and hands.
He also noted that his species had more vertebrae than Marsh’s in the back and neck, but proposed that Marsh was mistaken in assuming that the annectens specimens were complete in those regions.
In 1926, Charles Mortram Sternberg named Thespesius saskatchewanensis for NMC 8509, a skull and partial skeleton from the Wood Mountain plateau of southern Saskatchewan. He had collected this specimen in 1921, from rocks that were assigned to the Lance Formation, now the Frenchman Formation. NMC 8509 included an almost complete skull, numerous vertebrae, partial shoulder and hip girdles, and partial hind limbs, representing the first substantial dinosaur specimen recovered from Saskatchewan. Sternberg opted to assign it to Thespesius because that was the only hadrosaurid genus known from the Lance Formation at the time.
At the time, T. saskatchewanensis was unusual because of its small size, estimated at 7 to 7.3 meters (23 to 24.0 ft) in length.Anatosaurus to the presentIn 1942, Lull and Wright attempted to resolve the complicated taxonomy of crestless hadrosaurids by naming a new genus, Anatosaurus, to take in several species that did not fit well under their previous genera. Anatosaurus, meaning “duck lizard”, because of its wide, duck-like beak (Latin anas = duck + Greek sauros = lizard), had as its type species Marsh’s old Claosaurus annectens. Also assigned to this genus were Thespesius edmontoni, T. saskatchewanensis, a large lower jaw that Marsh had named Trachodon longiceps in 1890, and a new species, Anatosaurus copei, for two skeletons on display at the American Museum of Natural History that had long been known as Diclonius mirabilis (or variations thereof). Thus, the various species became Anatosaurus annectens, A. copei, A. edmontoni, A. longiceps, and A. saskatchewanensis. Anatosaurus would come to be called the “classic duck-billed dinosaur.”This state of affairs persisted for several decades, until Michael K. Brett-Surman reexamined the pertinent material for his graduate studies in the 1970s and 1980s. He concluded that the type species of Anatosaurus, A. annectens, was actually a species of Edmontosaurus and that A. copei was different enough to warrant its own genus. Although theses and dissertations are not regarded as official publications by the International Commission on Zoological Nomenclature, which regulates the naming of organisms, his conclusions were known to other paleontologists, and were adopted by several popular works of the time. Brett-Surman and Ralph Chapman designated a new genus for A. copei (Anatotitan) in 1990. Of the remaining species, A. saskatchewanensis and A. edmontoni were assigned to Edmontosaurus as well, and A. longiceps went to Anatotitan, as either a second species or as a synonym of A. copei. Because the type species of Anatosaurus (A. annectens) was sunk into Edmontosaurus, the name Anatosaurus is abandoned as a junior synonym of Edmontosaurus.
The conception of Edmontosaurus that emerged included three valid species: the type E. regalis, E. annectens (including Anatosaurus edmontoni, emended to edmontonensis), and E. saskatchewanensis.
The debate about the proper taxonomy of the A. copei specimens continues to the present: returning to Hatcher’s argument of 1902, Jack Horner, David B. Weishampel, and Catherine Forster regarded Anatotitan copei as representing specimens of Edmontosaurus annectens with crushed skulls.
In 2007 another “mummy” was announced; nicknamed “Dakota”, it was discovered in 1999 by Tyler Lyson, and came from the Hell Creek Formation of North Dakota.
Species and distribution
Edmontosaurus is currently regarded as having three valid species: type species E. regalis, E. annectens, and E. saskatchewanensis.
UPDATE (211 )  Two valid species  ( in North America )  
articulated Edmontosaurus skulls.
Nearly all known   complete  Articulated Edmontosaurus skulls of North Amerika . E. regalis, E. annectens,//
Type skulls and current biostratigraphic distributions of North American edmontosaurs
Edmontosaurus phylogeny
E. regalis is known from the Horseshoe Canyon Foron, St. Mary River Formation, and Scollard Formation of Alberta, the Hell Creek Formation of Montana, North Dakota, and South Dakota, the Lance Formation of South Dakota and Wyoming, and the Laramie Formation of Colorado, dating from the Maastrichtian Stage of the Late Cretaceous. At least a dozen individuals are known, including seven skulls with associated postcrania, and five to seven other skulls. Trachodon atavus and Agathaumas milo are potential synonyms.
E. annectens was listed in the latest review as being present in the Scollard Formation of Alberta, the Hell Creek Formation of Montana and South Dakota, the Lance Formation of South Dakota and Wyoming, and the Laramie Formation of Colorado. It is limited to late Maastrichtian rocks, and is known from at least five skulls with postcrania. One author, Kraig Derstler, has described E. annectens as “perhaps the most perfectly-known dinosaur to date [1994].” Thespesius edmontoni or edmontonensis, Anatosaurus copei, and Trachodon longiceps were all regarded as synonyms of E. annectens in a 2004 review. T. edmontoni has usually been assigned to E. annectens since 1990, although the A. copei and T. longiceps synonymizations have not yet been tested by other authors. If they prove to belong to E. annectens, its total would increase by the five individuals assigned to A. copei and the lower jaw that is the holotype of T. longiceps (the number given for E. annectens in Horner et al. [2004] is incorrect, as it is unchanged from an earlier publication that did not consider A. copei and T. longiceps synonyms of E. annectens). The list of formations may be in error, depending on the formation that T. edmontoni comes from (it is not stated which part of the old Edmonton Formation it came from). T. edmontoni may be misassigned; James Hopson in 1975 proposed that it was a young E. regalis, and Nicolas Campione also found that its skull was indistinguishable from the contemporary E. regalis in a preliminary 2009 study. E. annectens differed from E. regalis by having a longer, lower, less robust skull. Although Brett-Surman regarded E. regalis and E. annectens as potentially representing males and females of the same species, all E. regalis specimens come from older formations than E. annectens specimens
.E. saskatchewanensis is known from four or five individuals, mostly represented by skulls. It has only been found in the late Maastrichtian-age Frenchman Formation of Saskatchewan. It differs from the other two species in its smaller size. There has been little published on this species since its description, in comparison to the other two species. Preliminary work by Nicolas Campione have shown that it is probably a synonym of E. annectens, though more study is required.Additionally, there are many Edmontosaurus fossils that have not been identified to species. Remains that have not been assigned to a particular species (identified as E. sp.) may extend the range of the genus as far as the Prince Creek Formation of Alaska and the Javelina Formation of Texas.PaleoecologyEdmontosaurus was a wide-ranging genus in both time and space. The rock units from which it is known can be divided into two groups by age: the older Horseshoe Canyon and St. Mary River formations, and the younger Frenchman, Hell Creek, Lance, Laramie, and Scollard formations. The time span covered by the Horseshoe Canyon Formation and equivalents is also known as Edmontonian, and the time span covered by the younger units is also known as Lancian.
The Edmontonian and Lancian time intervals had distinct dinosaur faunas.
Edmontonian paleoecology
The Edmontonian land vertebrate age is defined by the first appearance of Edmontosaurus regalis in the fossil record. Although sometimes reported as of exclusively early Maastrichtian age, the Horseshoe Canyon Formation was of somewhat longer duration. Deposition began approximately 73 million years ago, in the late Campanian, and ended between 68.0 and 67.6 million years ago. Edmontosaurus regalis is known from the lowest of five units within the Horseshoe Canyon Formation, but is absent from at least the second to the top. As many as three quarters of the dinosaur specimens from badlands near Drumheller, Alberta may pertain to Edmontosaurus. The Horseshoe Canyon Formation is interpreted as having a significant marine influence, due to an encroaching Western Interior Seaway, the shallow sea that covered the midsection of North America through much of the Cretaceous. E. regalis shared the setting with fellow hadrosaurids Hypacrosaurus and Saurolophus, hypsilophodont Parksosaurus, horned dinosaurs Montanoceratops, Anchiceratops, Arrhinoceratops, and Pachyrhinosaurus, pachycephalosaurid Stegoceras, ankylosaurid Euoplocephalus, nodosaurid Edmontonia, ostrich-mimics Ornithomimus and Struthiomimus, a variety of poorly known small theropods including troodontids and dromaeosaurids, and the tyrannosaurids Albertosaurus and Daspletosaurus. Edmontosaurus is found in coastal, near-marine settings, while Hypacrosaurus and Saurolophus are found in more continental lowlands. Edmontosaurus and Saurolophus are not usually found together. The typical edmontosaur habitat of this formation has been described as the back regions of bald cypress swamps and peat bogs on delta coasts. Pachyrhinosaurus also preferred this habitat to the floodplains dominated by Hypacrosaurus, Saurolophus, Anchiceratops and Arrhinoceratops. The Edmontonian-age coastal Pachyrhinosaurus-Edmontosaurus association is recognized as far north as Alaska.Lancian paleoecologyThe Lancian time interval was the last interval before the Cretaceous–Tertiary extinction event that eliminated non-avian dinosaurs. Edmontosaurus was one of the more common dinosaurs of the interval. Robert Bakker reports that it made up one-seventh of the large dinosaur sample, with most of the rest (five-sixths) made up of the horned dinosaur Triceratops. The coastal plain Triceratops–Edmontosaurus association, dominated by Triceratops, extended from Colorado to Saskatchewan. Typical dinosaur faunas of the Lancian formations where Edmontosaurus has been found also included the hypsilophodont Thescelosaurus, the rare hadrosaurid Anatotitan, the rare ceratopsids Nedoceratops (=”Diceratops”) and Torosaurus, pachycephalosaurids Pachycephalosaurus and Stygimoloch, the ankylosaurid Ankylosaurus, and the theropods Ornithomimus, Troodon, and Tyrannosaurus.The Hell Creek Formation, as typified by exposures in the Fort Peck area of Montana, has been interpreted as a flat forested floodplain, with a relatively dry subtropical climate that supported a variety of plants ranging from angiosperm trees, to conifers such as bald cypress, to ferns and ginkgos. The coastline was hundreds of kilometers or miles to the east. Stream-dwelling turtles and tree-dwelling multituberculate mammals were diverse, and monitor lizards as large as the modern Komodo dragon hunted on the ground. Triceratops was the most abundant large dinosaur, and Thescelosaurus the most abundant small herbivorous dinosaur. Edmontosaur remains have been collected here from stream channel sands, and include fossils from individuals as young as a meter- or yard-long infant. The edmontosaur fossils probably represent accumulations from groups on the move.The Lance Formation, as typified by exposures approximately 100 kilometers (62 mi) north of Fort Laramie in eastern Wyoming, has been interpreted as a bayou setting similar to the Louisiana coastal plain. It was closer to a large delta than the Hell Creek Formation depositional setting to the north and received much more sediment. Tropical araucarian conifers and palm trees dotted the hardwood forests, differentiating the flora from the northern coastal plain. The climate was humid and subtropical, with conifers, palmettos, and ferns in the swamps, and conifers, ash, live oak, and shrubs in the forests. Freshwater fish, salamanders, turtles, diverse lizards, snakes, shorebirds, and small mammals lived alongside the dinosaurs. Small dinosaurs are not known in as great of abundance here as in the Hell Creek rocks, but Thescelosaurus once again seems to have been relatively common. Triceratops is known from many skulls, which tend to be somewhat smaller than those of more northern individuals. The Lance Formation is the setting of two edmontosaur “mummies”.Brain and nervous system
A 1905 chart showing the relatively small brains of a Triceratops (top) and EdmontosaurusThe brain of Edmontosaurus has been described in several papers and abstracts through the use of endocasts of the cavity where the brain had been. E. annectens and E. regalis, as well as specimens not identified to species, have been studied in this way. The brain was not particularly large for an animal the size of Edmontosaurus. The space holding it was only about a quarter of the length of the skull, and various endocasts have been measured as displacing 374 milliliters (13 US fl oz)[76] to 450 milliliters (15 US fl oz), which does not take into account that the brain may have occupied as little as 50% of the space of the endocast, the rest of the space being taken up by the dura mater surrounding the brain. For example, the brain of the specimen with the 374 millilitre endocast is estimated to have had a volume of 268 milliliters (9 US fl oz). The brain was an elongate structure, and as with other non-mammals, there would have been no neocortex. Like Stegosaurus, the neural canal was expanded in the hips, but not to the same degree: the endosacral space of Stegosaurus had 20 times the volume of its endocranial cast, whereas the endosacral space of Edmontosaurus was only 2.59 times larger in volume.
Feeding adaptations
As a hadrosaurid, Edmontosaurus was a large terrestrial herbivore. Its teeth were continually replaced and packed into dental batteries that contained hundreds of teeth, only a relative handful of which were in use at any time. It used its broad beak to cut loose food, perhaps by cropping, or by closing the jaws in a clamshell-like manner over twigs and branches and then stripping off the more nutritious leaves and shoots. Because the tooth rows are deeply indented from the outside of the jaws, and because of other anatomical details, it is inferred that Edmontosaurus and most other ornithischians had cheek-like structures, muscular or non-muscular. The function of the cheeks was to retain food in the mouth. The animal’s feeding range would have been from ground level to around 4 meters (13 ft) above.Before the 1960s and 1970s, the prevailing interpretation of hadrosaurids like Edmontosaurus was that they were aquatic and fed on aquatic plants. An example of this is William Morris’s 1970 interpretation of an edmontosaur skull with nonbony beak remnants. He proposed that the animal had a diet much like that of some modern ducks, filtering plants and aquatic invertebrates like mollusks and crustaceans from the water and discharging water via V-shaped furrows along the inner face of the upper beak. This interpretation of the beak has been rejected, as the furrows and ridges are more like those of herbivorous turtle beaks than the flexible structures seen in filter-feeding birds.The prevailing model of how hadrosaurids fed was put forward in 1984 by David B. Weishampel. He proposed that the structure of the skull permitted motion between bones that led to backward and forward motion of the lower jaw, and outward bowing of the tooth-bearing bones of the upper jaw when the mouth was closed. The teeth of the upper jaw would grind against the teeth of the lower jaw like rasps, processing plant material trapped between them. Such a motion would parallel the effects of mastication in mammals, although accomplishing the effects in a completely different way. An important piece of evidence for Weishampel’s model is the orientation of scratches on the teeth, showing the direction of jaw action. Other movements could produce similar scratches, though, such as movement of the bones of the two halves of the lower jaw. Not all models have been scrutinized under present techniques.Weishampel developed his model with the aid of a computer simulation. Natalia Rybczynski and colleagues have updated this work with a much more sophisticated three-dimensional animation model, scanning a skull of E. regalis with lasers. They were able to replicate the proposed motion with their model, although they found that additional secondary movements between other bones were required, with maximum separations of 1.3 to 1.4 centimeters (0.51 to 0.55 in) between some bones during the chewing cycle. Rybczynski and colleagues were not convinced that the Weishampel model is viable, but noted that they have several improvements to implement to their animation. Planned improvements include incorporating soft tissue and tooth wear marks and scratches, which should better constrain movements. They note that there are several other hypotheses to test as well. Further work by Casey Holliday and Lawrence Witmer found that ornithopods like Edmontosaurus lacked the types of skull joints seen in those modern animals that are known to have kinetic skulls (skulls that permit motion between their constituent bones), such as squamates and birds. They proposed that joints that had been interpreted as permitting movement in dinosaur skulls were actually cartilaginous growth zones
.The immobile skull model was challenged in 2009 by Vincent Williams and colleagues. Returning to tooth microwear, they found four classes of scratches on Edmontosaurus teeth. The most common class was interpreted as resulting from an oblique motion, not a simple up-down or front-back motion, which is more consistent with the Weishampel model. This motion is thought to have been the primary motion for grinding food. Two scratch classes were interpreted as resulting from forward or backward movement of the jaws. The other class was variable and probably resulted from opening the jaws. The combination of movements is more complex than had been previously predicted. Because scratches dominate the microwear texture, Williams et al. suggested Edmontosaurus was a grazer instead of a browser, which would be predicted to have fewer scratches due to eating less abrasive materials.
Candidates for ingested abrasives include silica-rich plants like horsetails and soil that was accidentally ingested due to feeding at ground level.Reports of gastroliths, or stomach stones, in the hadrosaurid Claosaurus are actually based on a probable double misidentification. First, the specimen is actually of Edmontosaurus annectens. Barnum Brown, who discovered the specimen in 1900, referred to it as Claosaurus because E. annectens was thought to be a species of Claosaurus at the time. Additionally, it is more likely that the supposed gastroliths represent gravel washed in during burial.
Gut contents
Both of the “mummy” specimens collected by the Sternbergs were reported to have had possible gut contents. Charles H. Sternberg reported the presence of carbonized gut contents in the American Museum of Natural History specimen, but this material has not been described. The plant remains in the Senckenberg Museum specimen have been described, but have proven difficult to interpret. The plants found in the carcass included needles of the conifer Cunninghamites elegans, twigs from conifer and broadleaf trees, and numerous small seeds or fruits. Upon their description in 1922, they were the subject of a debate in the German-language journal Paläontologische Zeitschrift. Kräusel, who described the material, interpreted it as the gut contents of the animal, while Abel could not rule out that the plants had been washed into the carcass after death.At the time, hadrosaurids were thought to have been aquatic animals, and Kräusel made a point of stating that the specimen did not rule out hadrosaurids eating water plants. The discovery of possible gut contents made little impact in English-speaking circles, except for another brief mention of the aquatic-terrestrial dichotomy, until it was brought up by John Ostrom in the course of an article reassessing the old interpretation of hadrosaurids as water-bound. Instead of trying to adapt the discovery to the aquatic model, he used it as a line of evidence that hadrosaurids were terrestrial herbivores. While his interpretation of hadrosaurids as terrestrial animals has been generally accepted, the Senckenberg plant fossils remain equivocal. Kenneth Carpenter has suggested that they may actually represent the gut contents of a starving animal, instead of a typical diet. Other authors have noted that because the plant fossils were removed from their original context in the specimen and were heavily prepared, it is no longer possible to follow up on the original work, leaving open the possibility that the plants were washed-in debris.
Posted ImageInteractions with theropods
Edmondosaurus predator T rex attack on EDMONTOSAURUS dino2 °
The time span and geographic range of Edmontosaurus overlapped with Tyrannosaurus, and an adult specimen of E. annectens on display in the Denver Museum of Nature and Science shows evidence of a theropod bite in the tail. Counting back from the hip, the thirteenth to seventeenth vertebrae have damaged spines consistent with an attack from the right rear of the animal. One spine has a portion sheared away, and the others are kinked; three have apparent tooth puncture marks. The top of the tail was at least 2.9 meters (9.5 ft) high, and the only theropod species known from the same rock formation that was tall enough to make such an attack is T. rex. The bones are partially healed, but the edmontosaur died before the traces of damage were completely obliterated. The damage also shows signs of bone infection. Kenneth Carpenter, who studied the specimen, noted that there also seems to be a healed fracture in the left hip which predated the attack because it was more fully healed. He suggested that the edmontosaur was a target because it may have been limping from this earlier injury. Because it survived the attack, Carpenter suggested that it may have outmaneuvered or outran its attacker, or that the damage to its tail was incurred by the hadrosaurid using it as a weapon against the tyrannosaur.
Posted Image


C) 1997 M.ShiraishiEdmontosaurus ) meaning ‘Edmonton lizard’ (after where it was found, in Edmonton, Alberta, Canada and Greek sauros meaning lizard) was a hadrosaurid dinosaur genus from the Maastrichtian, the last stage of the Cretaceous Period, 71-65 million years ago. A fully-grown adult could have been up to 9 metres (30 feet) long and some of the larger species reached 13 metres (43 feet). Its weight was in the region of 3.5 tonnes, making it one of the largest hadrosaurids.Edmontosaurus was erected by Lawrence Morris Lambe in 1917 from a find in the Edmonton Rock Formation, Alberta, using E. regalis as type species. Marsh named Claosaurus annectens in 1892, but this has now been reclassified as E. annectens. Likewise, Charles Mortram Sternberg named Thespesius in 1926, but this is also a species of Edmontosaurus, namely E. saskatchewanensis.The well-known hadrosaurid genus Anatosaurus has been synonymized with Edmontosaurus. Anatosaurus, meaning “duck lizard”, because of its wide, duck-like bill (Latin anato = duck + Greek sauros = lizard). The type species of Anatosaurus, A. annectens, was re-named Edmontosaurus annectens, forcing the name Anatosaurus to be abandoned as a junior synonym. Similarly, Anatosaurus saskatchewanensis was sunk into Edmontosaurus as E. saskatchewanensis. Two other species of Anatosaurus, A. longiceps (originally Trachodon) and A. copei (the famous mount at the American Museum of Natural History), were found to differ from Edmontosaurus were placed in a separate genus, Anatotitan.Edmontosaurus could pass the toughest food back and forth across the teeth with its muscular cheek pouches. To fit so many teeth into its mouth, they were packed into tight “banks” of up to sixty rows, and new teeth constantly grew to replace lost teeth — analogous to a modern shark. The bones of the upper jaw would flex outwards as lower jaw came up, so the mandible could grind against it. Typical food would have included conifer needles, seeds and twigs, and these have been found in the body cavities of fossilized edmontosaurs. It was evidently a tree-browser.The 1908 discovery in Wyoming was especially remarkable in that paleontologists actually recovered fossilized imprints of Edmontosaurus’ skin. The impression must have been left by the skin drying very quickly and fixing its shape into the mud. It is from these impressions that we know the skin was scaly and leathery, and the thigh muscle was under the skin of the body. This would have given the impression that the leg left its body at the knee, and the whole thigh was under the skin. This only contributes to its resemblance to a duck. It also had a number of tubercles (bumps) along its neck and down its back and tail.Edmontosaurus was bipedal but could certainly have walked on four legs. The forelimbs are shorter than the hinds but not sufficiently that four-legged motivation was unfeasible. The front feet also had hooves on two fingers, and weight-bearing pads like those of Camarasaurus. The rear feet had three funtional toes and all were hoofed. The bone structure in the lower limbs suggests that both the legs and feet were attached to very powerful muscles. The spine curved downwards at the shoulders, so Edmontosaurus would have had a low posture and would have browsed close to the ground. Despite the power of the limbs, Edmontosaurus would only have been slow-moving and had few defensive features. To survive, it must have had keen eyesight, hearing and smell to get early warning of predators. © 2007 Answers Corporation


Edmontosaurus was a Herbivore from the Late Cretaceous Period.



Edmontosaurus meaning ‘Edmonton lizard’ (after where it was found, in Edmonton, Alberta, Canada and Greek sauros meaning lizard) was a hadrosaurid dinosaur genus from the Maastrichtian, the last stage of the Cretaceous Period, 71-65 million years ago. A fully-grown adult could have been up to 9 metres (30 feet) long and some of the larger species reached 13 metres (43 feet). Its weight was in the region of 3.5 tonnes, making it one of the largest hadrosaurids.

Edmontosaurus was een hadrosauriër of eendesnaveldinosauriër behorend tot de groep van de Edmontosaurini. Het was een herbivoor zonder klauwen. Wel kon hij wellicht door een op te zwellen neuszak zijn soortgenoten waarschuwen voor gevaar. Hij was familie vanAnatotitan en leefde tijdens het late Krijt in het huidige Noord-Amerika.

De eerste soort, E. regalis werd in 1917 beschreven door Lawrence Morris Lambe. De geslachtsnaam verwijst naar de stad Edmonton in Canada; de soortaanduiding betekent: “koninklijk” en verwijst naar de enorme omvang van het dier dat een lengte kon bereiken van zo’n dertien meter. Er wordt een tweede soort onderscheiden: E. annectens, in 1892 door Othniel Charles Marsh beschreven als Claosaurus annectus. De derde soort is E. saskatchewanensis. Beide laatste zijn een tijdje ondergebracht bij Anatosaurus.

Een skelet van Edmontosaurus is te zien in Naturalis

Sommige dinosaurussen zijn zo groot dat ze niet op één verdieping van een gebouw zouden passen, zoals deze Camarasaurus in het museum Naturalis in Leiden

Rechts staat het skelet van edmontosaurus opgesteld


  • Efraasia                                                                                                                                                                                                                                  Efraasia is een uitgestorven monotypisch geslacht van plantenetende basale sauropodomorfe dinosauriërs. De enige soort, Efraasia minor, leefde ongeveer 210 miljoen jaar geleden, tijdens het Opper-Trias, in het gebied van het huidige Duitsland.




Skull reconstruction of Efraasia minor (based on SMNS 12216, 12684, 12667). From Yates, 2003. Scale bar is 5 cm.



  • Einiosaurus—> Einiosaurus is een uitgestorven geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Ceratopia, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika

 Einiosaurus had a large downward-curving nasal horn.



MfN Berlin Elaphrosaurus mount








theropods <—documentatiemap & beeldmateriaal  


E.Tyrannus   lengi   Eotyrannus (“dawn tyrant”) was a tyrannosauroid theropod dinosaur hailing from the Early Cretaceous Wessex Formation beds, included in Wealden Group, located in the southwest coast of the Isle of Wight, United Kingdom. The remains, consisting of assorted skull, axial skeleton and apendicular skeleton elements, from a juvenile or subadult, found in a plant debris clay bed, was described by Hutt et al. in early 2001. The etymology of the generic name refers to the animal’s character as an “early tyrant”, while the specific epithet is a mention to the discoverer of the fossil. Eotyrannus is a 6 meter-long theropod whose tyrannosauroid character is given by serrated premaxillary teeth with a D cross section, proportionally elongate tibiae and metatarsals. Primitive characters for Tyrannosauroidea are the elongate neck vertebrae and the long well developed arms forelimbs along with the undecorated dorsal surface of the skull, unlike the more advanced tyrannosaurids. However this animal, proportionally, has one of the longest hands in Theropoda known to date.This theropod would be a probable predator of such herbivorous dinosaur species as Hypsilophodon and Iguanodon. E. lengi’s find corroborates the notion that early tyrannosaurs were gracile with long forelimbs and three-fingered grasping hands though the big size of the animal either means that early evolution for this clade was carried out at a big size or Eotyrannus developed big size independently. The find of this animal in Europe puts interesting questions to the purported Asian origin for these animals along with North American Stokesosaurus and European Aviatyrannis arguing for a more complex biogeography for tyrannosaurs.Order: Saurischia
Suborder: Theropoda
Superfamily: Tyrannosauroidea
Genus: Eotyrannus

(Greek for “lizard in the tree”); Woodlands of Asia
Late Jurassic (150 million years ago)
About 6 inches long and one pound Probably omnivorous
Tiny size; long arms with clawed handsArchaeopteryx gets all the press, but there’s a convincing case to be made that Epidendrosaurus was the first reptile to be closer to a bird than to a dinosaur. This pint-sized theropod was less than half the size of its more famous cousin, and it’s a sure bet that it was covered with feathers. Most notably, Epidendrosaurus appears to have been adapted to an arboreal (tree-dwelling) lifestyle–its small size would have made it a simple matter to hop from branch to branch, and its long, curved claws were likely used to pry insects from tree bark.
So was Epidendrosaurus really a bird rather than a dinosaur?
As with all of the feathered “dino-birds,” as these reptiles are called, it’s impossible to say.
It’s better to think of the categories of “bird” and “dinosaur” as lying along a continuum, with some genera closer to either extreme and some smack in the middle.
  • Erectopus      —>Erectopus is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Tetanurae, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Frankrijk. De enige benoemde soort is Erectopus superbus.

erectopus superbus

Fossil skull of the Cretaceous therizinosaur Erlikosaurus andrewsi (Credit: Image by Emily Rayfield, University of Bristol)
  • (Ichnofossil )Eubrontes (?) Glenrosensies ,

track with partly mud-collapsed digits
Track name: Eubrontes glenrosensis sp. 
Somervell County, Texas
Glen Rose Limestone
Lower Cretaceous (110 million years)


Eubrontes (?) glenrosensis SHULER, published by Adams et al. in Palaeontologia Electronica in 2010.

(The “toes” in the figure above)  =

_The figure above is both an indirect vindication of Weems’ work, and a warning: many dinosauriformian and dinosaurian lineages are so convergent that they make highly similar tracks across vast distances in space and time!


Weems in 2003, in a very detailed study of the pedal morphology and posture of Plateosaurus, noted the excellent correlation between Plateosaurus and the Connecticut Eubrontes tracks

  1.   March 6, 2009

    ” a trackmaker assignment is a hypothesis.

    Eubrontes isn’t a dinosaur body-fossil genus. It’s an ichnotaxon–in this case a footprint genus. There are no Eubrontes skeletons out there. The name is restricted to the footprint morphotype alone. Ignoring the issues with slapping Latin bionomials on sedimentary structures, this is a common practice and Eubrontes fossils represent a fairly characteristic type of footprint shape found across North America in Lower Jurassic rocks.

    The question of what animal made Eubrontes is a different issue, but identifying a footprint as a Eubrontes track is a matter of studying the footprint itself and comparing it to other footprints. There need not be dinosaur skeletal feet preserved nearby that fit the tracks. Again, the issue of who made the fooprint is a different issue from figuring out whether or not the track morphology is consistent with the morphotype that is known as Eubrontes. ”


Weems, R.E. 2003. Plateosaurus foot structure suggests a single trackmaker for Eubrontes and Gigandipus footprints, p. 293–313.


E. Hitchcock 1845, p. 23.

Type species: Eubrontes giganteus E. Hitchcock 1845, p. 23.

Lithographs and photographs of Eubrontes giganteus and referred specimens (from Olsen et al., 1998):(Scale, 5 cm, in the lithographs added by authors)

A, lithograph of AC 15/3, Hitchcock (1836, Fig. 21)B, lithograph of AC 15/3, Buckland (1836, Pl. 26b, Fig. 1)

C, lithograph of AC 15/3, Hitchcock (1848, Pl. 1, Fig. 1)

D, lithograph of AC 15/3, Hitchcock (1858, Pl. 57, fig 1)

E, type of Eubrontes giganteus AC 15/3

F, specimen referable to Eubrontes giganteus, in situ, at the locality for AC 15/3, the Dinosaur Footprint Reservation, Holyoke, Massachusetts

G, AC 45/8, the specimen substituted for the type of Eubrontes giganteus by Hitchcock (1865) and followed by most later workers.

H, AC 45/1, specimen figured by Lull (1904, 1915, 1953) as a referred specimen of Eubrontes giganteus. Scale is 5 cm.




http://en.wikipedia.org/wiki/File:Euoplocephalus-tutus-1.jpg      //Euoplocephalus-Skeleton in im Senckenberg Museum, Frankfurt//

Life restoration of Euoplocephalus.

  • Euoplocephalus       Euoplocephalus  Thyreophora/Ankylosauridae

Built like an armored tank, Euoplocephalus ambled through the late Cretaceous landscape, well equipped to withstand attack from any other dinosaur. Low slung and broad, the back of Euoplocephalus bore rows of bony shields with some taller spikes over the shoulders and at the base of the tail. There were also spikes on the dinosaur’s cheeks and behind each eye, protecting the head.

The most lethal weapon in Euoplocephalus’s armory was the double-headed club at the end of the long, stiffened tail. The base of the tail was quite flexible, but the last third was welded into a stiff rod by long struts growing out of each vertebra. The tail club could be swung most effectively from side to side, swiping at the feet of an attacking predator. If it connected with full force, it could shatter the ankle bones of the attacker, a wound that could later prove fatal.

Euoplocephalus had a compact, rounded head. Like other ankylosaurids, but unlike nodosaurids, it had a complex and convoluted nasal passage in the skull, but the function that this served is not clear. Perhaps the extra length given by the twists and loops allowed air to be warmed while the animal was breathing in, or perhaps this passage collected moisture from air being exhaled. The passage may also have been lined with sensors that gave Euoplocephalus an enhanced sense of smell for detecting food, predators, or potential mates.

The mouth had a broad beak at the front and a wide palate lined with small teeth. This arrangement suggests that Euoplocephalus was not particularly selective about what it ate and would consume almost any plant material that it could reach.

Around 40 specimens of Euoplocephalus have been found. All were isolated finds, which suggests thst these animals were loners rather than pack or herd animals. Packs and herds provided plant-eaters with a defense against predators but, perhaps because it was so heavily armored, Euoplocephalus had no need to rely on group behavior for protection.

Skeleton of Euoplocephalus
Euoplocephalus is medium- to large-sized ankylosaurid dinosar and is common from the Upper Cretaceous sediments of North America. It has slit-like nostrils, divided by a vertical septum. As in other ankylosaurids, this dinosaur has small teeth, and tooth shape indicates a herbivorous diet.
Euoplocephalus  stratigraphy     Jan 30, ’13  by Tim    /Consulting THE DINOSAURIA, I note that   Euoplocephalus  is known from the Upper Two Medicine formation as well as the Dinosaur Park. No doubt, that is why Euoplocephalus is thought to have outlasted Scolosaurus and Dyoplosaurus. The three genera may seem coeval in Dinosaur Park strata, but the Upper Two Medicine is younger than the Dinosaur Park. Available stratigraphic data suggests Scolosaurus and Dyoplosaurus disappeared about 75 MYA, but Euoplocephalus lasted until 72-71 MYA, or roughly the end of the Campanian. Euoplocephalus may have been eliminated by the Bearpaw transgression, inasmuch as ankylosaurids preferred interior as opposed to near-marine habitat. Of course, North American ankylosaurids weren’t eliminated entirely c 71 MYA, since the early Maastrichtian taxon and Ankylosaurus lived in the same region later. They or their ancestors may have inhabited areas less affected by the transgression.


Support Wikipedia



Camarasaurus skull.


Camarasaurus Camarasaurus

paper Dinosaur / Lindahall

40. The Carnegie Juvenile Camarasaurus, 1925


The reason the Osborn/Mook memoir on Camarasaurus was described as “almost definitive” (see item 39) is that one year after its publication, a fully articulated and nearly complete skeleton of a juvenile Camarasaurus was recovered from the Carnegie quarry, which shortly after this find became the Dinosaur National Monument. This massive slab (actually four slabs, joined together after shipment from the quarry) was and is the most perfect sauropod skeleton ever discovered. In 1925 Gilmore described the specimen in this fully illustrated memoir. The photograph reproduced at upper left shows the specimen as it was when found.

The Museum decided to display the skeleton as a panel mount, and another photograph shows the fossil as displayed (see illustration at lower right). Comparing the two reveals that the skeleton was allowed to retain its original position, except that the tail was straightened out, a few displaced bones were re-articulated, and the missing left ilium was provided from another specimen. The flat bone found next to the tail is a sternal plate, which was placed beneath the neck in the final display.


The articulation of the bones allowed Gilmore to conclude that Camarasaurus did not have its highest elevation at the shoulders, as Osborn, Mook, and Christman had reconstructed it, but rather stood highest at the hips, like Apatosaurus and Diplodocus.

The monograph contains a large folding plate with a corrected restoration of the skeleton. The photographs were taken by Arthur S. Coggeshall, and the line drawings and the full skeletal restoration were the work of Sydney Prentice.

Source Gilmore, Charles W.      “A nearly complete articulated skeleton of Camarasaurus, a saurischian dinosaur from the Dinosaur National Monument, Utah,” in: Memoirs of the Carnegie Museum, vol. 10 (1925), pp. 347-384. This work was on display in the original exhibition as item 40.

Camarasaurus is een sauropode dinosauriër behorend tot de groep van de Camarasauromorpha. Dit dier werd 18 tot 20 meter lang. Hij leefde in het Late Jura net als vele andere sauropoden.

Bij het geslacht werden door Edward Drinker Cope en Othniel Charles Marsh verschillende soorten onderscheiden waarvan tegenwoordig in ieder geval nog de oorspronkelijke twee erkend worden: respectievelijk C.supremus en C.grandis, beiden uit 1877.

Het dier had geen kiezen om planten of vlees mee te vermalen. Hij leefde voornamelijk van planten en heel misschien af en toe een insect. Zijn nek stond redelijk rechtop. Zo kon hij bij blaadjes die hoger groeiden

De tanden van sauropoden waren aangepast om plantendelen van de takken te trekken en niet om mee te kauwen. Dit was ook zo bij Camarasaurus.

 May 13, 2011  Filed under: Ornithopoda —   The original species of Camptosaurus is based on ten partial skeletons, ranging from juveniles to adults. The species is well-known from the mounted skeletons of a juvenile and an adult collected by Fred Brown and William H. Reed in the 1880s in Wyoming, USA, and put on display in the Smithsonian Institution in Washington DC. The English species is a nomen dubium and may not even be an ornithopod.

ROM camptosaurus
//some people think they were obligate bipeds, thus the warning label on the photo  page on wikimedia . And as mentioned: more research needed.
WARNING   ;   the bipedal gait of the animal is  almost certainly  wrong  
Factbox °
//NameCamptosaurus, meaning ‘flexible lizard’  Size: 7m long and up to 6m tall  Food: plants Lived: 155-140 million years ago, in the Late Jurassic and Early Cretaceous Periods in western Europe and North America
Camptosaurus is very similar to its cousin Iguanodon, a genus which was a characteristic feature of the landscape of the later early Cretaceous period in Europe. However, its head is longer and lower, and it has four toes on the back foot rather than three. Its heavy body can be carried on four legs (or on two, ? )  both its front five-fingered feet and its hind feet carrying weight-bearing hooves. Its long mouth contains hundreds of grinding teeth and it has a beak at the front. Its food would be kept in cheek pouches while chewed.
The curved thigh bone of this dinosaur enabled it to run quite fast on its powerful hind legs. As it ran, Camptosaurus balanced its bulky body with its heavy tail. This peaceful dinosaur had no weapons, such as horns or sharp claws, and the only way it could escape larger carnivorous dinosaurs was to run away. The strong, agile rear legs were made for running. It needed to be able to escape from an Allosaurus that could easily overpower even the largest Camptosaurus. Its front legs were small but strong and were used for slow movement during feeding and grubbing around in the brush. It fed with its short front legs on the ground, and the tall hips and rounded curve of the tail gave Camptosaurus a curved or bent profile. This is how it got its name.
It is possible that the original species of Camptosaurus is the only true one. The others may be species of Iguanodon.
camptosaurus NHM
camptosaurus 001
  • camptosaurus elbow and hands hands and elbow   MHN


Photo Album carcharodontosauridae

Carnotaurus sastrei , is one of the strangest dinosaurs to have come from South America. It was discovered in Patagonia, the southern tip of Argentina.
The most unusual feature of this meat-eating dinosaur was that it had two short, knobby eyebrow-horns and a small, deep shaped skull, making it look somewhat like a bull. These characteristics are reflected in its name. The horns were probably used more to impress females than for fighting.
Carnotaurus was fierce looking fellow. Its eyes faced forward, which is unusual in a dinosaur, and may indicate binocular vision and depth perception. It could look you in the eye, then flash a mouthful of flesh-tearing teeth, which enough to scare the pajamas off anything.
. Although the upper part of the skull seems powerful, the lower part appears slender and weak. The snout is incredibly blunt and deep, giving Carnotaurus the appearance of a dinosaur bulldog. Perhaps the strangest feature of this theropod is its tiny, underdeveloped arms, probably the tiniest of any of the larger meat-eaters. Its arms were so short that the hands appeared to sprout almost directly from the elbows. The forearms were not much longer than the fingers and they did not bend. It had primitive four-fingered hands and one of the fingers was a backward-facing spike. The palms faced outwards.
Carnotaurus sastrei was discovered in province of the Chubut by doctor A’ngel Tailor, who noticed a concretion of bone fragments. It was excavated in 1984 by José F. Bonaparte, who led a paleontological expedition of the Argentine Museum of Natural Sciences. it seemed that it was impossible to extract that material because it was on a tremendously hard rock, but eventually a single nearly complete skeleton has been described including impressions of skin along almost the entire right side.
Carnotaurus provided the best theropod skin impressions ever found. The skin was leather-like and lined with rows of bumps, that become larger toward the spine. These small cone-shaped nodules, each about two inches (5 cm) across, were regularly spaced over its body. Bonaparte says that when dying, this animal had been thrown on the mud, that when becoming hardened perfectly copied the texture of the leather. Although closely related to the feathered dinosaurs, the highly-detailed skin impressions showed no sign of feathers.

by Scot Hartman


(click on the  drawing   )
This is Carnotaurus sastrei, a theropod that seems to be little more than a mouth with a set of legs to carry it around. Carnotaurus belongs to an aberrant group of theropods called abelisaurs, which dominated much of the southern hemisphere during the Cretaceous. While all abelisaurs appear odd to our tetanuran-biased eyes, it seems like Carnotaurus is striving for weirdness as a means to its own end; as if it were making some sort of meta-commentary on abelisaur diversity.
The hyoid bones –
 the bones that support several muscles, including in dinosaurs the tongue musculature. Being long, slender bones that don’t directly articulate to other bones, hyoids are often not found (and other times are probably not collected or m-identified). Even when they are found, their lack of a direct connection to other bones makes restoring them problematic. In Carnotaurus this wasn’t a problem, as they were found in direct association with the underside of the mandible, apparently in their life position. The fact that extensive skin impressions were found with Carnotaurus reinforces the likelihood that the soft tissue holding the hyoid in place had not been disturbed.
In the skeletal above you can see part of the hyoid sticking out from under the bottom-rear part of the jaw. Part of the hyoid is obscured, but there’s not much I can do about that. Having the hyoid is actually pretty useful – the trachea and esophagus have to pass through it (or above it), so having a properly positioned hyoid constrains the throat tissue.
Carnotaurus is also striking due to its advanced arm reduction – in side view the arms almost disappear, as they don’t even extend past the stomach. What on Earth could such arms be used for? Hold on to that thought, as I’m not ready to go public with my thoughts on that just yet. But it sure reinforces the “legs carrying a head” image.
The back and neck also have osteological structures that raise up to, or above the level of the neural spine. So most of the animal should be restored as having a remarkably flat top. Given how narrow the head is, this must have produced a really strange life appearance.
A final note on the skeletal itself: while Carnotaurus is a wonderfully complete specimen, the lower legs and much of the tail is missing, so those elements were restored after its close cousinAucasaurus.
Carnotaurus January 25, 2012  Filed under: Theropoda —

This large predatory dinosaur had a thick, powerful neck, a bull-shaped head and very short forearms for its size.

Carnotaurus was previously considered to be a member of the group of dinosaurs known as the carnosaurs. However, the group has since been defined to encompass only the allosaurs and their closest kin. It is now classified as an abelisaurid. Carnotaurus had a shorter and deeper skull than Tyrannosaurus and had hornlets over its eyes.

An almost complete skeleton of Carnotaurus was extracted with difficulty from the hard mineral nodule in which it was preserved in Argentina. The deep skull suggests that it may have had an acute sense of smell, but the strength of the jaws and neck implied by the muscle attachments seem at odds with the weakness of the lower jaw and teeth.

Factbox  //Name: Carnotaurus, meaning ‘meat-eating bull’  Size: 7.5m long and 3.5m high Food: meat, mainly other dinosaurs Lived: 100-90 million years ago in the Middle to Late Cretaceous in South America

The head is very short and squashed-looking, with a shallow, hooked lower jaw. Two horns stick out sideways from above the eyes, probably being used for sparring with rivals. The arms are extremely short with no apparent forearms, even shorter than the tiny arms ofTyrannosaurus. They form mere stumps with four miniscule fingers. The skin texture, the best-known of any theropod, has a groundmass of small, pebbly scales but with large, conical scutes forming rows along the sides.

The skull of Carnotaurus has an enormous hole in front of the eye sockets – this is known as the antorbital fossa. All theropods possess this, but only in the abelisaurids is it so large

Its long, muscular hind legs may have made Carnotaurus much more agile than some other theropods. It would have been able to rush up on its prey and take it by surprise, probably using its sharp claws to slash and grip, while its powerful jaws took out chunks of flesh.

Although Carnotaurus had a very strong skull, it also needed to be light enough to move easily. There were spaces in the sides of the skull to help make it lighter. By jerking its head back, Carnotaurus could tear its prey apart. The teeth in the upper jaw could slice through the flesh, which was held by the lower jaw. Carnotaurus had teeth about 4cm long which curved backwards to help it keep hold of its victim.

Carnotaurus was found in a vast area of grassland and semi-desert called Patagonia in Argentina in 1985. It was an exciting find because the remains gave scientists a very good idea of what this dinosaur’s skin looked like. Along the surface of the body, from head to tail, there were rows of cone-shaped bumps. Rows of big, raised sclaes stood out from the smaller bumps on Carnotaurus’ head, making a pattern around the eyes and on the upper part of its snout.

Carnotaurus was as heavy as a car, almost as tall as an elephant and ran on two legs. Its long backbone was like a big girder supporting the weight beneath. Long rib bones from shoulder to hip gave Carnotaurus extra protection and support.

When Carnotaurus was moving at top speed it would have been unstable without its tail. Carnotaurus used its long, muscular tail to help it keep its balance. This enabled it to push its head forward to seize hold of its struggling prey.

At the top of its short deep head, Carnotaurus had a pair of small, flat horns. These jutted forward over its eyes rather like little wings. Unlike the ceratopsians, such as TriceratopsCarnotaurus’ horns were too small to have been used for defence. Experts think that they may have been coated in extra layers of horn, which would have made them longer. Like stag deer, it is also possible that the male Carnotaurus had larger horns than the females.

Centrosaurus nasicornis

Gehoornde hagedis
Afbeelding Centrosaurus nasicornis

: Krijt: Ornitischia: Herbivoor: 6m

Deze planteneter hoort bij de Ceratopsia (‘gehoornde dinosauriërs’), net als zijn verwanten Chasmosaurus en Triceratops. En dat kan je goed zien: deze dino heeft een kort nekschild, twee kleine hoorns boven de ogen en één grote hoorn op de snuit. Hij heeft ook een scherpe papegaaienbek, waarmee hij planten kon afknippen. Hij liep dus rond met een schaar op zijn snoet.

Deze dino leefde 75 miljoen jaar geleden. Paleontologen vonden hem in Noord-Amerika.



this rather lovely centrosaurus skeleton. nearly complete from head to toe…  it had toe bones. this skeleton apart from some vertebrae was complete

Another lovely centrosaurus… (or if you’re into brown’s interpretation =  the type specimen of monoclonius nasicornis.).. skeleton. Again nearly complete head to tail.



  Figure 10.Ceratopsia.
(a) Skulls of Psittacosaurus and (bProtoceratops.

A protoceratops flock.

Protoceratops skull growth series.
From left: Small Juvenile, Large Juvenile, Small Adult, Large Adult.

A Psittacosaurus flock

List of ceratopsian genera by classification and location follows a review by Thomas R. Holtz, Jr. in 2010.


Ceratosaurus     Ceratosaurus         


Plusieurs squelettes de Ceratosaurus adultes ont été retrouvés à ce jour. C’est le plus grand et d’une certaine manière le plus primitif des cératosaures. Il a de nombreux points communs avec Allosaurus. Cependant, il montre plusieurs différences subtiles. En particulier, sa main possède quatre doigts développés, à la différence d’Allosaurus qui n’en a que trois. En comparaison, Cératosaurus semble avoir été plus agile.

Ceratosaurus “Lézard cornu ” possédait trois orteils munis de griffes.

Selon les espèces, la taille est estimée entre 5,7 et 6 m.

Ceratosaurus vivait en Amérique du Nord, en Europe et en Afrique. Les fossiles ont été retrouvés dans le Colorado et le Wyoming. D’autres fossiles ont été découverts au Portugal et en Tanzanie.

Les fossiles sont tous datés du Jurassique supérieur.

Il portait une petite corne sur le museau, juste derrière les narines. Cette corne était trop fine pour servir d’arme. On ne connaît pas exactement la fonction de cette corne. Peut-être servait-elle à la parade amoureuse ?

Ses mâchoires imposantes avaient des dents incurvées et acérées

La rangée de plaques osseuses, qui forme une crête dentelée le long de son dos, aurait pu servir à réguler sa température.

Il portait également une petite crête devant chaque oeil.

Les empreintes, trouvées dans les roches de la Formation Morrison, dans l’ouest des Etats-Unis, montrent que ces dinosaures se déplaçaient en groupe. Ils pouvaient peut-être s’associer pour chasser ou pourquoi pas avoir une organisation “sociale”.

Classification: Saurischia Theropoda Ceratosauria        Plusieurs espèces ont été décrites:

Ceratosaurus nasicornis
Ceratosaurus ingens
Ceratosaurus magnicornis
Ceratosaurus roechlingi
Ceratosaurus willisobrienorum

The Largest Ceratosaurus

Eastern Utah’s Cleveland-Lloyd dinosaur quarry is a treasure trove of predatory dinosaurs. In addition to elements from more than 46 individual Allosaurus, this fossil-rich pocket has yielded remains of rarer predators that lived in the region 150 million years ago, including the little-known Marshosaurus and the tyrannosaur Stokesosaurus.
The charismatic, well-ornamented predator Ceratosaurus has been uncovered from these deposits, too, but the particular individual found in the Jurassic quarry might belong to a species that was only recently recognized.
Since the late 19th century, the Ceratosaurus genus has been best represented by one species: Ceratosaurus nasicornis.
Paleontologist O.C. Marsh included a beautiful reconstruction of this dinosaur in a kangaroo-like pose in his essential 1896 tome The Dinosaurs of North America. In 2000, however, paleontologists James Madsen and Samuel Welles named two additional species in their detailed monograph on the osteology of Ceratosaurus.
One, represented by an articulated skeleton found in Colorado’s Fruita Paleontological Area, was named Ceratosaurus magnicornis,
and the unusual Cleveland-Lloyd specimen was dubbed Ceratosaurus dentisulcatus.

The Cleveland-Lloyd species was not found all together in a single, articulated skeleton. Work over many years turned up the scattered remains of what Madsen and Welles considered to be a singleCeratosaurus individual.
When the isolated parts were viewed together, the paleontologists were struck by the size of the dinosaur. This Ceratosaurus was significantly larger than any found before. (I have seen these fossils myself in the Natural History Museum of Utah collections, and compared to the skeleton on display at the Smithsonian National Museum of Natural History, the Cleveland-Lloyd Ceratosaurus is huge.) What Masen and Welles called Ceratosaurus dentisulcatus also differed in various anatomical aspects such as larger, more recurved teeth and a nasal opening set lower down at the front of the skull. Sadly, the portions of the skull which preserved the dinosaur’s ornaments were not found, so we don’t know how this species might have differed from others in this respect.
It’s difficult to say how large this individual actually was. The Cleveland-Lloyd Ceratosaurus was much larger than the roughly 17.5-foot specimen that formed the basis of previous anatomical descriptions, and informal estimates have placed the larger species at about 28 feet. Yet, given the new interest in dinosaur growth, I have to wonder if Ceratosaurus dentisulcatus really represents a bigger, badder species than Ceratosaurus nasicornisCeratosaurus is a relatively rare dinosaur, so much so that we still don’t have a good idea of how individuals varied from one to another, nor do we have a solid understanding of Ceratosaurus growth. Maybe the Cleveland-Lloyd Ceratosaurus is just an older, and therefore larger, individual of Ceratosaurus nasicornis in the same way that the dinosaur often called Saurophaganax might be an older or particularly large variant of Allosaurus. Even though the dinosaurs of the Morrison Formation have been known for a long time and seem familiar, there is much we still don’t know about their biology.
References:   Madsen JH, Welles SP. Ceratosaurus (Dinosauria, Therapoda), a Revised Osteology. Miscellaneous Publication. Utah Geological Survey.                                                          Brian Switek

Especes dinosaures

V.B (05.2003) M.à.J 30.01.2006

Picc © Joe Tucciarone and Jeff Poling

Ceratosaurus / meaning ‘horned lizard’, in reference to the horn on its nose (Greek keras/keratos meaning ‘horn’ and sauros meaning ‘lizard’), was a large predatory dinosaur from the Late Jurassic Period, found in the Morrison Formation of North America, in Tanzania and possibly in Portugal. It was characterized by large jaws with enormous, bladelike teeth, a large, blade-like horn on the snout and a pair hornlets over the eyes. The forelimbs were powerfully built but very short. The bones of the sacrum were fused (synsacrum) and the pelvic bones were fused together and to this structure (Sereno 1997) (i.e. similar to modern birds). Evidence suggests that there may also have been a row of small spurs or even a low sail, along the spine.

Discovery and species

Ceratosaurus is known from the Cleveland Lloyd Dinosaur Quarry in central Utah and the Dry Mesa Quarry in Colorado. The type species, described by O. C. Marsh in 1884 and redescribed by Gilmore in 1920, is Ceratosaurus nasicornis. Two further species have recently been described in 2000, C. magnicornis, and dentisulcatus. However, additional species, including C. ingens, C. stechowi and a species that has been referred to as C. meriani, from Portugal, have been described from less complete material. While C. nasicornis remains the type species and is cited at around 6 meters (20 feet) in length, additional finds indicate that this species may be misleadingly small, and that Ceratosaurus was likely larger. Very scant remains of a Ceratosaurus-like theropod have been found in Tanzania and would have belonged to an animal at least 15 meters (50 feet) in length, much larger than Allosaurus.


Ceratosaurus lived alongside dinosaurs such as Allosaurus, Torvosaurus, Apatosaurus, Diplodocus, and Stegosaurus. It may have competed with Allosaurus for prey, though it was smaller at around 6 to 8 meters (20-27 feet) in length, weighing 500 kg up to 1 tonne. Ceratosaurus had a longer, more flexible body, with a tail shaped like a crocodilian. This suggests that it was a better swimmer than the stiffer Allosaurus. A recent study by Bakker confirmed that Ceratosaurs generally hunted aquatic prey, such as fish and crocodiles, although it had potential for feeding on large dinosaurs. The study also suggests that sometimes adults and juveniles ate together. This evidence is, of course, very debatable and Ceratosaurus tooth marks are very common on large, terrestrial dinosaur prey fossils.


Relatives of Ceratosaurus include Elaphrosaurus and the abelisaur Carnotaurus. The classification of Ceratosaurus and its immediate relatives has been under intense debate recently. In the past, Ceratosaurus, the Cretaceous Albelisaurs and the primitive Coelophysoidae were all grouped together and called Ceratosauria, defined as theropods closer to Ceratosaurus than to the lineage of aves. Recent evidence, however, has shown large distinctions between the later, larger and more advanced Ceratosaurs and earlier forms like Coelophysis, leading to the naming of the later theropods as Neoceratosauria and closer to, or perhaps even ancesteral to, Tetanuran carnosaurus like Allosaurus. Many Theropods no longer considered close to Ceratosaurus were once classified as relatives, including Eustreptospondylus and Yangchuanosaurus. While it is likely that they are not Neoceratosaurs these ‘more advanced’ theropods do display a sort of middle ground of primitive characteristics compared to Allosaurs (Eustreptospondylus lacks the Allosaur expanded boot-shaped pubic bone, instead having a rod shaped pubis like Ceratosaurus. Many Sinraptors and Allosaurs have a tendency to grow elaborate and multiple horn rows, very visible in Yangchuanosaurus and prominent in Ceratosaurus). Some of the most modern publishings have even begun listing Ceratosaurus as a basal Tetanurae and closer to Allosaurus than Coelophysis. While considered distant from the lineage of aves among the theropods, Ceratosaurus and its kin were still very bird-like and even had a more ‘advanced-looking tarsus than Allosaurus. As with all dinosaurs, the more fossils found of these animals, the better their evolution and relationships can be understood.

Info Copyright © 2006 Answers Corporation

Ceratosaurus nasicornis was een een theropode dinosauriër uit het Jura.

Ceratosaurus werd in 1884 beschreven door Othniel Charles Marsh. Hij is gevonden in lagen van zo’n 150 miljoen jaar geleden in de Verenigde Staten en Afrika, gebieden die zich toen nog op één continent bevonden.

Ceratosaurus was ongeveer zes m lang en 2.50 m hoog, en had enkele kenmerkende eigenschappen. De meeste theropoden zoals Allosaurus hebben hoorns. De twee boven de ogen waren klein en leken meer op kammetjes, zo ook bij Ceratosaurus: bij hem echter was de hoorn op de neus (althans de middenlijn van de schedel, achter de neusgaten) sterk vergroot, en kon, hoewel vrij plat, met recht een ‘hoorn’ genoemd worden. Er was ook een kleiner hoorntje meer achter op de schedel. Sommige schedels hebben grotere hoorns dan andere. Dit kan twee dingen betekenen: er waren verschillende soorten, of er waren verschillen tussen de seksen. De functie van de hoorns is onduidelijk, misschien werden ze door de mannetjes gebruikt bij gevechten. De hoorn op de neus zou ook een geducht wapen kunnen vormen, waarmee het dier prooien aanviel en zich verdedigde tegen de grotere roofdieren, zoals Allosaurus – maar dat kan alleen maar zo geweest zijn als het onbekende hoornweefsel een scherpe kartelrand vormde, want de bewaard gebleven botkern is vrij stomp.

Op de rug van Ceratosaurus liepen de erg lange doornuitsteeksels als een kam over de ruggengraat. Deze kam, en de hoorn(s), gaven het dier een draakachtig uiterlijk.

Ceratosaurus had vier vingers, terwijl de meeste andere theropoden uit de late Jura er drie hadden. In het vroege Jura en het late Trias kwamen wel meer viervingerige theropoden voor (ook vijfvingerige). Deze primitieve eigenschap toont in samenhang met vele andere kenmerken aan dat Ceratosaurus een theropode was uit één van de twee hoofdvertakkingen van de Theropoda, die zelfs naar deze soort genoemd is: de Ceratosauria; de andere vertakking heet de Tetanurae. De vierde vinger was wel kleiner, en had geen klauw.

In 2000 zijn twee andere soorten beschreven: C. magnicornis en C. dentisulcatus. Het is nog zeer omstreden of het hier inderdaad om aparte soorten gaat. De laatste vorm is ongeveer 60% langer. Daar dinosauriërs typisch nooit ophielden met groeien kan het ook om een groot individu van C. nasicornis gaan. De andere vorm had, zoals de naam reeds aangeeft, een grotere hoorn – maar dat is vermoedelijk een zeer variabel kenmerk. Voor een komische noot zorgde in 1995 Pickering door niet-diagnostische resten C. willisobrienorum te noemen, enkel om een tekenstudio te eren. Volgens de regels staat het een ieder vrij om via een publicatie nieuwe soorten te benoemen. De heer Pickering misbruikt deze vrijheid regelmatig.

Een ander vreemd kenmerk van Ceratosaurus , dat hij met vele theropoden deelde, was dat de onvergroeide onderkaken (iedere gewervelde heeft er twee) van de toch al relatief grote (1 m) schedel in het midden (dus aan beide zijkanten van de schedel) gewrichten hadden en ook ten opzichte van elkaar vrij mobiel waren. Dit kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden: allereerst als een vermogen om, net als veel slangen, zijn bek aan de voorkant ‘uit te rekken’. Zo kon het dier vrij grote prooien (bijvoorbeeld de snelle Dryosaurus) in hun geheel doorslikken, als de beide onderkaken van voren uit elkaar klapten. Misschien was dit vanwege de concurrentie van andere roofdieren. Als Ceratosaurus net zoals veel andere dieren gewoon happen uit zijn prooi zou nemen, zou hij niet de tijd hebben om zijn prooi op te eten voordat er aaseters kwamen. Als hij de prooi in zijn geheel kon doorslikken, had hij het volledige maal al op voordat de aaseters de geur konden ruiken. De meer traditionele interpretatie is dat de onderkaaksmiddengewrichten niet naar binnen klapten zodat de punten van voren uit elkaar gingen, maar naar buiten zodat de hele bek korter en breder werd. Dit verhoogt de zaagwerking van de tanden. Voor deze gebruikelijke opvatting pleit het feit dat bij fossielen de onderkaken toch vaak als één geheel bewaard zijn gebleven – wat duidt op vrij strakke kapselverbindingen – en het simpele gegeven dat de normale kaakgewrichten al toestonden de bek enorm open te sperren, terwijl de ingang door de verbreding ook vergroot werd. Ertegen pleit dat mogelijkheid tot de noodzakelijke horizontale beweging van de normale kaakgewrichten nooit aangetoond is.

1. Chilantaisaurus? sibiricus
There are a lot of fragmentary taxa known from a tooth or a vertebra that are poorly described (usually in a useless archaic way) and illustrated in a photo from a single view. What makes sibiricus stand out is that Riabinin (1914) didn’t even identify which element the holotype was, let alone try to describe its features. He just said it was hollow and belonged to the limb of a fairly large theropod, probably a megalosaurid (named as Allosaurus? sibiricus). Even worse, he didn’t illustrate it, only providing six measurements (proximal width 48 mm, proximal depth 39 mm, distal width 68 mm, distal depth 62 mm, cavity width 22 mm, cavity depth 17 mm). Huene (1932) identified it as a distal metatarsal IV without rationale, but said only that it did not permit exact characterization and probably belonged to an allosaurid (renamed Antrodemus? sibiricus). Molnar et al. (1990) then said it was “almost identical with that of C. tashuikouensis in form and proportions of the distal condyle”, so questionably referred it to that genus. You now possess the entirity of published information on sibiricus.

Artist’s restoration of Ceratosaurus.


 June 19, 2011

Filed under: Theropoda —
Coelurus would eat anything it came across – even the rotting carcasses of animals killed by other dinosaurs.
It was a nippy little dinosaur, with a small head about the same size as a man’s hand. Its teeth were razor-sharp and curved. Once they had sunk into another animal, it was almost impossible for the prey to wrench itself free. Coelurus also used its powerful teeth and jaws to rip flesh from the rotting carcasses of prey killed by other carnivores.
For a long time Coelurus was thought to have been another specimen of Ornitholestes. However, studies by John Ostrom in 1976 and Jacques Gauthier in 1986 show that the hands are like those of the maniraptorans. In contrast, the neck is nothing like that of a maniraptoran and it is unclear whether this animal fits into the dinosaur family tree.

Name: Coelurus, meaning ‘hollow tail’
Size: 2m long
Food: meat, usually dead dinosaurs it found
Lived: about 140 million years ago during the Late Jurassic Period in North America
This animal is another of the small, hunting dinosaurs. It has a strangely down-curved jaw with sharp, curved teeth. The hands are long but not particularly strong, with a wrist joint similar to that of a bird, and very flexible fingers. The ‘hollow tail’ part of the name refers to the deep excavations in the vertebrae of the back and tail, something like those found as a weight-saving measure in sauropods.
Coelurus had very light bones and a stiff tail with hollow bones in it. Its front limbs were short and slim. Its hands were small and weak, with three curved claws. Coelurus had similar, slightly blunter claws on the toes of both back limbs. It used its hands to snatch at its prey and to keep it in its grasp, while ripping it to death with the claws on its feet.
Specimens of Coelurus found in four locations in the same quarry may have come from the one individual. That individual may not even have been fully grown, and so the size estimate here may be on the small side.


Signification : A queue creuse

Taille : 2 mètres de long

Poids : 15 à 30 kilogrammes

Groupe : Théropodes

Famille : Coeluridés

Epoque : Jurassique supérieur (156-137 ma)

Régime alimentaire : Carnivore

Répartition : Etats-Unis (Wyoming)

Coelurus possédait une petite tête (20 cm). Ses os creux rappellent ceux des oiseaux. Il devait sûrement se nourrir de petits lézards et de petits mammifères ou encore d’insectes. Ses proies étaient limitées, étant donné sa petite taille, même si les insectes et les petits lézards proliféraient avec le climat radieux des forêts et des marécages de l’Amérique du Nord du Jurassique supérieur. Même si tenté par les charognes de dinosaures comme Camptosaurus qui gisaient près des rivièresfaute d’eau; ils ne pouvaient que rester regarder. Car leurs dents étaient trop petites pour transpercer la peau des gros dinosaures. Ainsi, Coelurus était un petit prédateur insectivore et qui se nourrissait aussi de petits mammifères et de petits lézards. Ses mains, pourvues de trois doigts griffus, étaient longues et puissantes, permettant d’arracher la chair de ses petites proies. 

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<– De Bultenaar uit spanje

De Concavenator corcovatus.( “gebochelde vleeseter van Cuenca”)… Het vier meter lange   roofdiier  leefde -132 MY geleden

Francisco Ortega  van de universiteit van  Madrid      http://dfmf.uned.es/biologia/personal/fortega/
, vond   de dino-beenderen in de Los Hoyas vlaktes van centraal Spanje.
Destijds was dat een moerasgebied dat nu vergelijkbaar is met de Everglades.  De  koosnaam van het  fossiel werd  “Quasimodo  van  Las Hoyas ”

De vondst is het  tot nu toe meest volledige fossiel  van  met    haaientanden   uitgeruste drietenige theropoden, genoemd : de  carcharodontosauria theropoden,…..” waren een erg bijzondere groep dinosauriërs, omdat vogels tot dezelfde groep behoren”,
verklaart onderzoeker Jose Franz op BBC News.

“De wereld zou niet hetzelfde zijn zonder vogels. Vogels zijn eigenlijk een soort gevleugelde theropoden.”

Het opgegraven dier heeft twee verlengde ruggenwervels, waardoor een soort bochel is ontstaan.
De onderzoekers denken dat  deze theropode  een bescheiden driehoekige kam op zijn rug had, , maar zo’n kam is bij verwante dinosaurussen nooit gevonden. Spinosaurus gebruikten rugkammen misschien om te pronken of om af te koelen, maar hun kammen bedekten een veel groter deel van de ruggegraat.

“Eén van de meest in het oog springende karakteristieken van de Concavenator is de bijzondere verlenging van de laatste twee ruggenwervels”,
verklaart hoofdonderzoeker Ortega.
“Dit is nog niet eerder vertoond bij dinosauriës die tot nu toe zijn opgegraven. De functie van de bochel is onbekend.”

Opvallend aan het beest is niet alleen de merkwaardige bultkam op zijn rug, maar ook het feit dat hij aan zijn voorpoten aanhangsels moet hebben gehad diemogelijk voorlopers waren van veren te vergelijken  met die waarmee kan worden gevlogen.
Maar , hoe ze er precies uitzagen en wat hun functie was, is eveneens ( nog )    onbekend.

Op de reconstructie     (fig2)  heeft de theropode  aan de voorpoten een minimale franje gekregen, maar het zouden ook vertakte veerachtige structuren geweest kunnen zijn, aldus de onderzoekers.

De  bulten /littekens  op de voorarmen van de dino zouden  wel  eens  een aanwijzing kunn en zijn  dat het landdier mogelijk  gevederd    was ..al willen/kunnen  de onderzoekers daar nog geen  verdere speculaties  aan verbinden .

De bobbels zijn mogelijk het oudste bewijs voor de groei van primitieve veren bij dieren, zo melden de onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

“Deze eigenschap is eerder waargenomen bij kleine dinosauriërs die nauwer verwant zijn aan vogels, zoals de Velociraptor”, verklaart hoofdonderzoeker Francesco Ortega op Discovery News.
“Deze dinosaurus is vier keer groter dan de Velociraptor en( =de haaientanden /carcharodontosauria)
werden  tot nu toe beschouwd als te primitief ( in dit opzicht )om veren te hebben.”

“Toch beschikt dit dier ook over deze kleine bobbels waaruit waarschijnlijk primitieve veren groeiden”, aldus Ortega.

.The dinosaur’s unusual skeleton included a hump over the ilium – where the hind legs join the spine – and around five bumps on the forearm…..these bumps( knobs )  have been seen in dinosaurs before – including Velociraptor, it is interesting and new to find this characteristic in a dinosaur that is so far removed from either birds or previous known feathered dinosaurs.The bumps are very similar to those in present-day birds,(= quill knobs ) with just two differences.
There are fewer bumps in the Concavenator and they are not in such a regular arrangement. 
The team interpret these differences in evolutionary terms.
They suggest that over evolutionary time the bumps could have evolved into the feather attachments that are found in modern birds

*The hump found on the dinosaur’s spine is more of a mystery, however. Humps are common in dinosaurs, and can be used for heat regulation – when they might look like a kind of sail – for display, or for food storage.

Scientists and fossil (Ortega/Sanz) The scientists from Madrid uncovered the bones in Cuenca, central Spain

The team cannot work out what this hump might be for, though.

It is probably not for heat regulation, since normally a hump of this type would need an extensive blood supply, and there would be evidence within the surrounding bone – the team did not find this.

Also, most previous dinosaur humps have been found around the shoulders or the centre of the back – this hump is further towards the tail…

The hump
 could  also represent  another
“…..anchors to the ligaments that hold the flight feathers.
Maybe Concavenator wasn’t  ( flight- )feathered,  but its hump could represent an evolutionary step in that direction….”

Concavenator corcovatus : 
A bizarre, humped Carcharodontosauria (Theropoda) from the Lower Cretaceous of Spain

Fernando Escaso  & José L. Sanz    Nature Volume: 467 ,Pages:203–206   Date published:(09 September 2010)

Francisco Ortega,fortega@ccia.uned.es

Figure 1: Holotype of Concavenatorcorcovatus.

Holotype of Concavenator corcovatus.

Specimen MCCM-LH 6666 from the Lower Cretaceous series (Barremian stage) of Las Hoyas (Cuenca, Spain). a, Photograph under visible light. b, Schematic interpretation of the exposed right side of the skeleton. a, astragalus; aofe, antorbital fenestra; co, coracoid; d11–12sp, neural spines of the eleventh and twelfth dorsal vertebrae; fe, femur; fi, fibula; hu, humerus; il, ilium; is, ischium; j, jugal; l, lacrimal; mt III, third metatarsal; mx, maxilla; na, nasal; po, postorbital; pu, pubis; ra, radius; sc, scapula; ti, tibia; u, ungual phalanx; ul, ulna.

Figure 2: Time-calibrated reduced consensus of the phylogeny of Neotetanurae theropods.

Time-calibrated reduced consensus of the phylogeny of Neotetanurae theropods.

a, Hypothetical flesh reconstruction of Concavenator corcovatusb, The phylogeny resulting from a parsimony analysis of the data matrix6 in which Concavenator is incorporated (seeSupplementary Information). If poorly represented carcharodontosaurian taxa are considered, Concavenator is located either as the sister group to the remaining Carcharodontosauria or as a basal carcharodontosaurian, but on removing the less informative taxa, Concavenator stands unequivocally as the most basal Carcharodontosauridae. Concavenator possesses two unambiguous synapomorphies of Carcharodontosauria: a deeply concave iliac articular surface on the ischia and a proximomedially inclined femoral head. Our analysis agrees with recent hypotheses6 in considering that Carcharodontosauria is basally split into Carcharodontosauridae and Neovenatoridae6. Two cranial synapomorphies would place Concavenator within Carcharodontosauridae: the lacrimal-postorbital contact and a large curving flange in the jugal process on the postorbital. Maa, Maastrichtian; Cam, Campanian; San, Santonian; Con, Coniacian; Tur, Turonian; Cen, Cenomanian; Alb, Albian; Apt, Aptian; Bar, Barremian; Hau, Hauterivian; Val, Valanginian; Ber, Berriasian; Tit, Tithonian; Kim, Kimmeridgian; Oxf, Oxfordian; Cal, Callovian; Bat, Bathonian; Baj, Bajocian; Aal, Aalenian

Figure 3: Details of the holotype of Concavenatorcorcovatus.

Details of the holotype of Concavenator corcovatus.

Specimen MCCM-LH 6666 from the Lower Cretaceous series (Barremian stage) of Las Hoyas (Cuenca, Spain). a, Lateral view of the skull. b, Middle part of the axial skeleton showing the distribution of the height of the neural spines of vertebrae around the pelvic region. c, Detail of distal phalanx of the right foot showing impressions of plantar pads and corneous sheaths of the ungual bones. d, Impressions of hexagonal scales associated with the fifth metatarsal. e, Distal portion of the tail vertebrae showing a body outline. f, Distal portion of the tail vertebrae showing a body outline and the disposition of some rectangular scales. il, ilium; ip, intraorbital process; ob, orbital brow; mt V, fifth metatarsal; sp10–12, neural spines of the tenth–twelfth dorsal vertebrae.

Figure 4: Forearm of Concavenatorcorcovatus.

Forearm of Concavenator corcovatus.

Specimen MCCM-LH 6666 from the Lower Cretaceous series (Barremian stage) of Las Hoyas in Cuenca, Spain. a, Forearm (radius and ulna) of Concavenator corcovatusb, Detail of the posterolateral crest showing a series of feather quill knobs (arrows mark the available five elements of the series). c, Dorsal view of the ulna of an extant turkey vulture (Cathartes sp.). Scale bars, 1cm.

Five bumps were found on the fossil arm bones (top) whereas modern birds such as the turkey vulture (bottom) have eight to 10.



 New dinosaur extinction theory, a new dinosaur and more

(10 m)
3.5 tons (3,200 kilos)
Late Cretaceous – 75 MYA
Alberta, Canada; Montana, USA

Corythosaurus is a member of the planting-eating, duck-billed dinosaur family that is sometimes referred to as hadrosaurs. It had a toothless, wide beak and hundreds of teeth in the back part of its mouth that it used for grinding tough plants to mush. Like other duckbills, it was a herd animal that traveled in large groups. Fossils of this dinosaur are sometimes found together with other plant-eating dinosaurs, which leads scientists to believe that different types of plant-eaters grouped together to feed, drink and maybe even migrate (moving from one area to another).
Corythosaurus is most famous for its helmet or half dinner plate-like crest. It is known from remains belonging to at least twenty individuals. The crest is similar to the helmets worn by ancient Corinthian warriors; this resulted in its name. The crest grew until adulthood and was likely used as a mating ritual ornament. There appears to be gender differentiation regarding the size of the crest, with males having a larger crest. At least 10 skulls have been identified from this species, giving scientists a good look at individual and gender differentiation. Fossilized skin remains have also been found, further contributing to the knowledge of Corythosaurus.

Groepen :

Ceratopsidae Ceratopsians

Support Wikipedia



BEELDMATERIAAL   >>>    dinosauriconD.docx (8 MB)
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DINOSAURICON D
1: Saurischia (hagedis-heupigen)
De Saurischia bestaan uit de Therapoda en
de Sauropodomorpha,
die weer worden verdeeld in de Prosauropoda en de Sauropoda.
Basale dino’s 
°Theropoda (diervoetigen)
early teropods
De Theropoda zijn exclusief tweevoetig en de enige groep echte carnivoren, hoewel er uitzonderingen zijn. Ze ontstonden in het laat Trias met een grote soortenrijkdom in het vroeg Jura.
Theropods crowd
Aan het eind van het Krijt zijn ze uitgestorven. Het zijn relatief kleine dieren met een lateraal (zijdelings) afgeplat lichaam, een afgeplatte schedel en afgeplatte tanden. De achterpoten zijn groot en de voorpoten klein, soms extreem klein. Ze hebben grote ogen en relatief grote hersenen, een korte nek en een lange staart. De gewrichten van de poten zijn beweeglijk. Ze zijn zenuw-zintuig georiënteerd, het achterlichaam is relatief groot. Sommige grote Theropoda hebben uitgroeisels op de neus.


Eoraptor, 1 meter lang en 10 kilo zwaar, een van de eerste Dinosauriërs, liep op de achterpoten

Carnotaurus sastrei
Carnotaurus; 7 meter lang en 1 ton zwaar, zeer kleine armen en twee driehoekige hoorns boven de ogen, een echte vleeseter


Tyrannosaurus rex; een late soort, circa 12 meter lang en 6 meter hoog, woog 7 ton, grote kop, zijn korte armen konden niet bij zijn bek komen, was waarschijnlijk een aaseter


Prosauropoda (pre-reptielvoetigen)
Ook de primitieve vrij kleine Prosauropoda zijn ontstaan aan het eind van het Trias, aan het begin van het Jura ontstonden veel soorten en daarna zijn ze uitgestorven. Het is niet duidelijk of ze carnivoor of herbivoor waren.
Ze waren twee- of viervoetig.
Taxonomy Phylogeny
o Saurischia
   |--Saturnalia tupiniquim
      `--+--Efraasia minor
         |--o Prosauropoda
         |  `--+--+--Plateosauridae 
         |     |  `--+--Massospondylidae 
         |     |     `--Yunnanosaurus 
         |     `--Riojasaurus
               `--o Sauropoda (sensu stricto)





Plateosaurus; 10 meter lang, gewicht 1 ton, krachtige achterpoten en korte voorpoten, lange nek en staart

Een 30 meter lang skelet van Apatosaurus
Apatosaurus (Brontosaurus);  3 meter hoog, gewicht 40 ton, kon 100 jaar oud worden, kleine kop met puntige tanden
Sauropoda (reptielvoetigen)
De Sauropoda zijn enorm grote dieren met lange nekken. Zelfs kleine vertegenwoordigers waren 6 meter lang. Meer dan 30 meter was heel gewoon en veel soorten wogen tot 100 ton. Ze waren herbivoor en viervoetig. Ze zijn in het laat Trias ontstaan, veel soorten waren er in het laat Jura en aan het eind van het Krijt zijn ze uitgestorven. De poten zijn als pilaren en de gewrichten van de poten waren niet buigzaam. De schedel en tanden zijn minder afgeplat. Sommige soorten hebben uitgroeisels op de neus of het voorhoofd of schilden op de romp. De lange nek zorgt voor afstand tussen het zenuw-zintuiggebied van het hoofd en het stofwisseling-ledematengebied van de romp, zodat ze niet ondergedompeld zijn in de dofheid van de stofwisselingsprocessen.
Wanneer Theropoda en Sauropoda groter worden en zich meer specialiseren, komt de nadruk van het lichaam meer vooraan te liggen. Bij de Theropoda neemt de kopgrootte toe en worden de nek en de voorpoten korter, bij de Sauropoda wordt de staartlengte kleiner en komt de kop hoger te zitten door verlenging van de nek en door langere voorpoten. Nadruk vooraan heeft zo twee verschijningsvormen: een grote kop, korte nek en korte voorpoten enerzijds en anderzijds een kleine kop, lange nek en lange voorpoten.
Indeling van de Saurischia met de lichaamsvormen, per groep links vroege vormen, rechts late.
Bij de Theropoda ligt de nadruk op het achterlichaam, latere vormen hebben een grote kop, bij
de Sauropoda ligt de nadruk vanaf het begin meer vooraan, en wordt de staart korter en neemt het voorlichaam (romp, nek, voorpoten) nog in grootte toe.Dinosauriërs
2: Ornithischia (vogel-heupigen) 
De Ornithischia bestaan uit de Thyreophora en de Cerapoda, die weer worden verdeeld in de Ornithopoda en de Marginocephalia. 
Thyreophora (schilddragers)
De Thyreophora zijn Dinosauriërs met ritmisch geordende schilden, platen en stekels. Vroege soorten waren relatief klein met schilden, een lange staart en korte poten. De latere, grote soorten hadden opvallende platen en wapens en gepaarde stekels of knotsen aan het eind van hun staart. Naast de vroege soorten worden er twee groepen onderscheiden: de Stegosauriërs en de Ankylosauriërs.De Stegosauriërs hadden een zijdelings afgeplat lichaam, lange achterpoten en een lange schedel. Bij de Ankylosauriërs waren het lichaam en de kop horizontaal en breed, soms met zijwaartse hoorns op de kop. Ze hadden kortere achterpoten. Alle soorten hadden tanden, geen kiezen. De Stegosauriërs hadden hun bloeitijd in het Jura en namen in het Krijt af. De Ankylosauriërs hadden hun bloeitijd in het Krijt.Ornithopoda (vogel-voetigen)
Bij de Ornithopoda is er een ontwikkeling van kleine, tweevoetige dieren uit het vroeg Jura naar de grote, bekende viervoetige dieren als Iguanodon en Hadrosaurus uit het Krijt. De achterpoten zijn langer dan de voorpoten en er zijn soms uitgroeisels op het voorhoofd.Marginocephalia (rand-koppigen)
De herbivore Marginocephalia ontstonden pas in het midden van het Krijt. Vroege vertegenwoordigers waren klein en tweevoetig en hadden een lange staart. De latere, gehoornde dieren als Triceratops waren viervoetig met een korte staart en een grote kop met een “kraag” en hoefdierachtige gepaarde hoorns. De latere soorten hadden geen stenen meer in hun maag om het voedsel fijn te maken, maar aanpassingen aan het spijsverteringskanaal.Vroege soorten van de Ornithopoda en de Marginocephalia hadden tanden, late soorten maalkiezen waarmee ze hard materiaal fijn konden maken.
Indeling van de Ornithischia.
Bij de Thyreophora zijn er in de tijd drie groepen: de vroegste dieren, de Stegosauriërs en de Ankylosauriërs.
               Stegosaurus reconstructionAnkylosaurus reconstruction
Bij de Ornithopoda en de Marginocephalia staan
de vroege, tweevoetige soorten links en de latere, meer gespecialiseerde soorten rechts.

Brachiosaurus; 15 meter hoog en 90 ton zwaar,
leek op een giraf met zijn lange nek en lange voorpoten, had beitelvormige tanden in een kleine kop



Scutellosaurus; een primitieve soort, 1,20 meter lang, woog 10 kilo, tweevoetig, huid bedekt met schubben, bijzonder lange staart

Hesperosaurus (Stegosauriërs); 6 meter lang, langere achter- dan voorpoten; een rij schilden op de ruggegraad en 4 stekels op de staart

Saicharia (Ankylosauriërs); 6 meter lang, de rug is bedekt met platen met stekels, de staart eindigt in een knots


Tenontosaurus; tot 7 meter lang en 2 ton zwaar,
een lange staart en lange achterpoten, at planten

Iguanodon; was zeker 10 meter lang en woog 3 ton, lange achterpoten, liep op alle vier, ronde rug

Hadrosaurus; 12 meter lang, 7 ton, lange, platte schedel, herbivoor, wordt ook “eendenkop” Dinosaurus genoemd


Schedel van Triceratops; twee lange naar voren gebogen hoorns en een kleine op de neus,
een brede kraag

Anchiceratops (Cerapoda); 6 meter lang en 2,5 meter hoog, 2 ton, twee grote hoorns en een
kleine en een flinke kraag

Centrosaurus; 6 meter lang, had een hoorn op zijn neus, die naar voren of naar achteren gebogen kon zijn, een grote, hoge, stralende kraag

Grallator en Megalosauripus, beide Theropoda

Otozoum, een Prosauropoda en Brontopodus, een Sauropoda

*Groupes et familles de dinosaures

*L’extinction des dinosaures

*Découverte et Actualité sur les caractéristiques et l’environnement des   dinosaures



 < klik

Where & when did dinosaurs live?

Paleontologists now have evidence that dinosaurs lived on all of the continents. At the beginning of the age of dinosaurs (during the Triassic Period, about 230 million years ago) the continents we now know were arranged together as a single supercontinent called Pangea.

During the 165 million years of dinosaur existence this supercontinent slowly broke apart. Its pieces then spread across the globe into a nearly modern arrangement by a process called plate tectonics.

Volcanoes, earthquakes, mountain building, and sea-floor spreading are all part of plate tectonics, and this process is still changing our modern Earth.

Drawing showing relativepositions of the continents during the age of dinosaurs
Relative positions of continents during the age of dinosaurs

Dinosaur communities were separated by both time and geography.

The “age of dinosaurs” (the Mesozoic Era) included three consecutive geologic time periods (the Triassic, Jurassic, and Cretaceous Periods).

Different dinosaur species lived during each of these three periods.

For example, the Jurassic dinosaur Stegosaurus already had been extinct for approximately 80 million years before the appearance of the Cretaceous dinosaur Tyrannosaurus.

In fact, the time separating Stegosaurus and Tyrannosaurus is greater than the time separating Tyrannosaurus and you.

At the beginning of dinosaur history (the Triassic Period), there was one supercontinent on Earth (Pangea).

Many dinosaur types were widespread across it.

However, as Pangea broke apart, dinosaurs became scattered across the globe on separate continents, and new types of dinosaurs evolved separately in each geographic area.





http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Dinosauria (Nederlands )http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Dinosaurs (English )


Scientific review suggests that only about half of the known ( = seperately named ) dinosaur species are based on fairly complete specimens that can be shown to be unique and separate species.

These species are placed in ( 2005 data ) about 300 valid dinosaur genera (StegosaurusDiplodocus, etc.), although about 540 have been named. Recent estimates suggest that about 700 to 900 more dinosaur genera may remain to be discovered.

Most dinosaur genera presently contain only one species (for example, Deinonychus) but some have more (for example, Iguanodon).

Even if all of the ( to this date) published species are valid, their number is still less than one-tenth the number of currently known living bird species, less than one-fifth the number of currently (2005 ) known mammal species, and less than one-third the number of currently known spider species.

(1) Estimating the diversity of dinosaurs Steve C. Wang*,† and Peter Dodson‡ http://www.pnas.org/content/103/37/13601.abstracthttp://www.world-science.net/othernews/060905_dinosaur.htm

Most dinosaurs still unaccounted for, study finds Sept. 5, 2006 Courtesy University of Pennsylvania

The gold­en age of dinosaur discovery is yet to come, two researchers say in a study that suggests most types of dinosaurs are still undiscovered. The scientists used a statistical method to estimate the total number of dinosaur genera —taxonomic groups each containing one or more species—based on finds to date. It’s unknown whether the calculation of discoverable genera mirrors the actual diversity of dinosaurs that lived, since it’s estimated that nearly half of dinosaur genera left no fossil evidence.

Their result: 71%  of dinosaur genera have yet to be unearthed, not counting dinosaurs that may be undiscoverable because they did­n’t fossilize. The researchers also offered evidence that dinosaur populations were stable shortly before their extinction ( begining )65 million years ago.

Dodson proposes that 1,850 gen­er­a will eventually be discovered, in total. 527 genera have so far been found, although that number is rising at the rate of 10 to 20 per year. “The 1990s saw an 85% in­crease in the number of new fossil discoveries,” Dod­son said. Dinosaur discovery was largely in the hands of British, Canadian and American researchers. But in recent decades the discovery of new fossil beds, especially in China , Mongolia and South America(Brasil,argentinia/Patagonia ), has opened the field to many researchers from those countries.

(Nederlands) http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/29979779/;jsessionid=2E69E258F711AF36181BFFB801D54855

 ( anti creato)






Yong’an Township fossielen
november 2002 (Zigong Dinosaur Museum rapport )  : vondsten  in een  mijn nabij  Zigong stad   –> bijna volledige sauropode fossielen van jonge –Zhang Daan Long. individuen   . Ze vertegenwoordigen  een nieuw type  van   een  Sichuan Basin sauropode uit het Laat jura



Dacentrurus Armatus
Brian Franczak

subfamily Dacentrurinae

These were late persisting primitive types, that seem to have characteristics indicating a type ancestral to other stegosaurids (even if they themselves are too late in time to be an actual ancestor). The vertebrae are more primitive and the forelimbs longer in comparison to the hind-limbs. Although Dacentrurus armatus is the only certain species, an early femur has been compared top that species.

Dacentrurus armatus  - scale bar equals 50 cmDacentrurus armatus Lucas, 1902b

synonym: Omosaurus armatus Owen, 1875 Horizon: Lower Kimmeridge Clay of England, Argiles d’Octeville of France, unnamed unit of Portugal

This is the first stegosaur described by science, although the original name, Omosaurus, had to be changed to Dacentrurus, (as it was already applied to another animal). It is the most primitive known stegosaurid, with primitive vertebrae and long forelimbs, and some researchers have suggested it deserves to be put in a separate family. It is also among the largest of the stegosaurs. There are also a number of specilised features in the vertebrae and hip that prevent from being an actual ancestor. As with many early-named European dinosaurs, the species seems to be something of a garbage taxon for fragmentary remains of a generally similiar type, as it is unlikely that one species would persist for a period of some 10 or 12 million years or so. Some remains suggest individuals of 10 meters in length, larger than the biggest Stegosaurus.

Specimen of “Dachongosaurus yunnanensis” (after Zhao, 1985).Specimen of “Dachongosaurus yunnanensis” (after Zhao, 1985).





daemonosaurus-skull  and cercical vertebrae

CM 76821, skull and anterior cervical vertebrae with cervical ribs of Daemonosaurus chauliodus (Sues et al., 2011). Top row, left and ride sides of the slab bearing the skull; middle row, interpretive drawing of the slab; and bottom, interpretic reconstruction of skull.

Daemonosaurus   Skull (left )  and  Face

April 13, 2011


Daemonosaurus-faceIllustration: Jeffrey Martz

This rendering of Daemonosaurus chauliodus shows its size relative to an American quarter. The species name chauliodus is derived from the Greek word for “buck-toothed” and refers to the species’ big slanted front teeth.




Related Content

Nieuwe vleesetende dinosaurus ontdekt op Madagaskar

19 april 2013  
Outline of Dahalokely tokana with a human for scale, showing known bones in white and missing areas patterned after related animals.” Copyright Andrew Farke and Joseph Sertich



New Dinosaur from Madagascar Named by Alf Museum Scientist” – Alfmuseum.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door xx (cc via Flickr.com).

Amerikaanse en Duitse  wetenschappers hebben op Madagaskar een nieuwe dinosaurussoort ontdekt. De dino was een echte vleeseter en zou tussen de 2,7 en 4,2 meter lang zijn geweest.

De onderzoekers hebben de dinosaurus de naam Dahalokely tokana gegeven. Het dier leefde zo’n negentig miljoen jaar geleden. In die tijd zag Madagasker er heel anders uit. Het eiland zat vast aan India en bevond zich in het midden van de Indische Oceaan. Zo’n 88 miljoen jaar geleden braken India en Madagaskar uiteen. Het is dus niet ondenkbaar dat het nageslacht van de teruggevonden dinosaurus later zowel op India als op Madagaskar terug te vinden was.

De onderzoekers hebben maar enkele botjes van D. tokana teruggevonden. Het gaat om enkele wervels en ribben.Sommige botten van de nieuw ontdekte soort, met name in de wervelkolom, vertonen een vorm die nog nooit eerder is waargenomen bij andere dinosaurusfossielen.  Juist met deze botjes kunnen verschillende soorten dinosaurussen zich van elkaar onderscheiden. Vandaar dat onderzoekers genoeg materiaal hadden om vast te stellen dat D. tokana een nieuwe soort is. De dinosaurus behoort tot de Abelisauridae. Abelisauridae zijn een groep vleesetende dinosaurussen die vooral in zuidelijke gebieden wordt teruggevonden.

Alf Museum Paleontologist Dr. Andy Farke at the Discovery Site for Dahalokely

Alf Museum Paleontologist Dr. Andy Farke at the Discovery Site for Dahalokely



“De fossielen van Dahalokely zijn opwindend incompleet”, verklaart hoofdonderzoeker Andrew Farke op nieuwssite ScienceDaily.

We willen nog zo veel meer weten. Was deze dinosaurus bijvoorbeeld verwant aan latere Abelisaurussen die op Madagaskar leefden, of stierf hij uit zonder afstammelingen?”

Ook de bijzondere vorm van de wervelkolom zet de wetenschappers voor een raadsel. De eigenschappen van de botten vormen een bijzondere mix tussen karakteristieken van andere dinosaurussoorten, zoals de Carnotaurus en de Majungasaurus.

“Dit versterkt het belang van het verkennen van nieuwe gebieden waar mogelijk nog meer onbekende dinosaurussoorten op ons wachten”, aldus onderzoeker Joe Sertich.

(Door: NU.nl/Dennis Rijnvis  )

“We hebben altijd al vermoed dat Abelisauridae zo’n negentig miljoen jaar geleden op Madagaskar leefden, omdat we ze ook in jongere gesteenten op het eiland hebben teruggevonden,” vertelt onderzoeker Andrew Farke.

Die hypothese is nu bevestigd. Maar de onderzoekers zijn er nog niet.

“De fossiele resten zijn zeer incompleet en we willen nog veel meer weten over Dahalokely te weten komen.”

De ontdekking van D. tokana is heel belangrijk, zo stellen de onderzoekers in het blad PLoS ONE. In het verleden zijn op Madagaskar wel meer fossiele resten van dinosaurussen teruggevonden. Maar geen van deze resten stamt uit de periode tussen 165 en 70 miljoen jaar geleden. Er zit dus een flink gat in onze kennis over de dinosaurussen op Madagaskar. Met de vondst van de 90 miljoen jaar oude D. tokana is dat gat een twintig miljoen jaar kleiner geworden.


New Dinosaur from Madagascar Named by Alf Museum Scientist” – Alfmuseum.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door xx (cc via Flickr.com).
Dahokely  collage 
dahalokely  collage





Full-size image (68 K)

Fig. 2. Non-hadrosaurid ankylopollexian skulls in left (some reversed) lateral views, bones as preserved, each drawn to same total length. A, Camptosaurus dispar composite. B, Theiophytalia kerri holotype. C, Fukuisaurus tetoriensis composite. D–L, iguanodonts. D, Dakotadon lakotaensis gen. nov. holotype. E–L, iguanodontoids. E, Jinzhousaurus yangi holotype. F, Iguanodon bernissartensis lectotype. G, Mantellisaurus atherfieldensis holotype. H, Dollodon bampingi gen. nov. sp. nov. holotype. I, Altirhinus kurzanovi holotype. J, Ouranosaurus nigeriensis holotype. K, Probactrosaurus gobiensis holotype etc. L, Equijubus normani holotype.


Paul, G. S. 2008. A revised taxonomy of the iguanodont dinosaur genera and species. Cretaceous Research 29/2, pp. 192-216.



Dorsal rib of “Damalosaurus laticostalis/magnus” in matrix, from Zhao (1985

Diet: herbivore
Time: Jurassic (188-169 MYA)
Location: Asia (China/Tibet)

Damalasaurus was a large, primitive sauropod dinosaur. It had a small head, a bulky body, a long tail, and four short legs. Fossils were found in China. Damalasaurus lived during the middle Jurassic period, about 188-169 million years ago. Damalasaurus was named by Chinese paleontologist Zhao Xijin in 1983. The type species is D. magnus. Damalasaurus is a nomen nudium, a genus that has not yet been formally described.
“Damalasaurus” (meaning “Damala lizard”) is the informal name (nomen nudum) given to a genus of herbivorous dinosaur from the Early Jurassic. It was a sauropod, though its exact classification within the clade is unknown. Fossils of “Damalasaurus”, including a rib, have been found in the Middle Daye Group of Tibet. Species attributed to this genus include “Damalasaurus laticostalis” and “D. magnus”.



Daspletosaurus signifie “Effroyable reptile charnu”.

Ce théropode d’environ 9 m de long vivait au Crétacé supérieur. Une seule espèce a été pour le moment décrite, Daspletosaurus torosus, en 1970. Plusieurs fossiles fragmentaires et des crânes, dont certains complets, proviennent du Canada et des Etats-Unis.

Comme les autres tyrannosaures, Daspletosaurus possède des côtes supplémentaires ventrales, des gastralia, situées entre les vraies côtes et le pelvis. Elles servaient à maintenir les intestins et sans doute aussi à les protéger quand l’animal se reposait sur le sol.

Daspletosaurus possède les terribles mâchoires des Tyrannosauridés. Il pouvait d’un seul coup de dents terrasser un adversaire et réduire en bouillie os et chair avec ses poignards meurtriers.

Les membres antérieurs sont plus grands que chez les autres Tyrannosauridés.


Daspletosaurus. © dinosoria.com

Presque tous les fossiles de Daspletosaurus proviennent d’animaux adultes; c’est l’inverse pour les fossiles d’Albertosaurus dont la moitié appartiennent à des individus immatures.

Peut-être, il y a t-il eu coexistence de ces deux Tyrannosauridés sur des niches écologiques différentes.
Certains paléontologues ont avancé l’hypothèse que Daspletosaurus s’attaquait de préférence aux cératopsiens de grandes tailles alors que Albertosaurus, plus léger, préférait les petits hadrosaures.

Une autre hypothèse serait que Daspletosaurus n’existe pas et n’est qu’un synonyme d’Albertosaurus.

Classification: Saurischiens Theropodes Tyrannosaures Tyrannosauridés

V.Battaglia (05.2003)

 Les Tyrannosauridés

Daspletosaurus was a cousin of Tyrannosaurus rex. It was smaller than a full-grown T-rex but probably quicker and fiercer. It had tiny horns behind its eyes and its arms were a bit longer than those of T. rex. It may have been an ancestor of T. rex.

Theropoda – * Tetanura – advanced theropods with three fingers* Infraorder Coelurosauria – lightly-built fast-running predators with hollow bones and large brains
* Superfamily Maniraptoriformes – advanced coelurosaurs with a fused wrist bone* Family Tyrannosauroidea* Genus Daspletosaurus

 * D. torosus (D. A. Russell, 1970)(9 meters)2-3 tons
Time: 75 million years ago (Late Cretaceous)Alberta (Canada), Montana (carnivore)

FOSSILS: A nearly complete skeleton has been found, plus one skull and a few assorted bones.

Deinocheirus ( Greek: ‘terrible hand’) was a theropod dinosaur which lived in what is now southern Mongolia, during the Late Cretaceous Period. The only known fossil remains are a single pair of massive, eight-foot-long (2.4 m) forelimbs, with 10-inch long claws and the remains of some ribs and vertebrae. Deinocheirus was named by Halszka Osmólska and Ewa Roniewicz in 1970. The type species and only named species is D. mirificus (Latin: ‘unusual’, ‘peculiar’). Replicas of the fossilized ‘arms’ are currently on display at the Paleontological Museum of the University of Oslo, Norway, the American Museum of Natural History, New York and the Natural History Museum, London.

Deinocheiridae. The family Deinocheiridae was initially placed in the infraorder Carnosauria, owing to the “gigantic size and thick-walled limb bones” but Osmólska and Roniewicz also speculated that it possibly “constitutes a link between Carnosauria and Coelurosauria”. Within Carnosauria, the family Deinocheiridae was tentatively assigned to the superfamily Megalosauroidea, basically because it was obviously not a tyrannosauroid (tyrannosaurids having greatly reduced forelimbs).

Deinocheirus is now considered by most paleontologists to be an ornithomimosaur, as the structure of its arms is similar to other dinosaurs of this group. This would make Deinocheirus by far the largest ornithomimosaur, at approximately 23-40 ft (7-12 m) long and weighing roughly 9000 kg. Makovicky et al pointed out that if Deinocheirus is an ornithomimosaur, it is a fairly primitive one, since it lacks some of the features typically seen in ornithomimosaurs. Kobayashi and Barsbold added Deinocheirus to several recent cladistic analyses of theropods and were unable to resolve its exact relationships but noted some support for it as a possible ornithomimosaur.


Early work generally envisioned Deinocheirus as a carnivore that used its long forelimbs “in tearing dead or weakly agile prey asunder” (Osmólska & Roniewicz 1970: 15). Lambert embellished this view, describing the clawed hands of Deinocheirus as “horrifying weapons for attacking dinosaurs of almost any size … capable of ripping open a sauropod’s soft underbelly”.
Paul disagreed, writing that the claws are too blunt for killing but would have been good defensive weapons.
Rozhdestvensky compared the forelimbs of Deinocheirus to sloths, leading him to hypothesize that Deinocheirus was a specialized climbing dinosaur, that fed on fruits and leaves and perhaps also eggs and any small animals found in trees.
Rozhdestvensky imagined Deinocheirus with the trunk and hind limbs no longer than the fore limbs but there is no hard evidence for this and the climbing hypothesis has not received much support from other scientists.

© 2007 Answers Corporation

Deinocheirus mirificus appears to have been a giant ornithomimosaur of Montolia. The holotype (2Pal MgD-1/6) is a set of limb elements. These remains were found in the Nemegt Formation at Altan Ula III, site 2, in Mongolia. They are of early Maastrichtian age (c 70 million years ago).
    Phil R. Bell, Philip J. Currie, and Yuong-Nam Lee wrote an article titled Tyrannosaur feeding traces on Deinocheirus (Theropoda: ? Ornithomimosauria) remains from the Nemegt Formation (Late Cretaceous), Mongolia. It was published in 2012. This quote from the abstract says:
Bite marks attributed to Tarbosaurus bataar are identified on fragments of gastralia from the giant putative ornithomimosaur Deinocheirus minificus. Hundreds of bone fragments collected from the holotype quarry of D. mirificus by members of the Korea-Mongolia International Dinosaur Project at Altan Uul III (Mongolia) were visually inspected for biomodification. Parallel striae and gouges were identified on two gastralia, which are interpreted as bite marks. Serration marks, interpreted from parallel striae, are broadly U-shaped and measure 0.5 mm in diameter. A comparison of these marks with the denticles of Nemegt theropods reveals the tyrannosaur, Tarbosaurus as the most likely culprit. The identification of tyrannosaur bite marks on the bones of D. mirificus sheds light on both the diet of Tarbosaurus and the taphonomy of the only known specimen of Deinocheirus. This link has the abstract and fossil photos.

Deinonychus June 20, 2011

Filed under: Theropoda —

Deinonychus was far from being one of the largest dinosaurs, but it was one of the most skillful hunters – one of the thugs of the dinosaur world. It always walked on its back legs and was armed with sharp claws and teeth that could rip into prey with alarming ease.

Known from more than nine skeletons, this is the animal over which the debate about whether dinosaurs were warm- or cold-blooded began. One remarkable deposit has several Deinonychus skeletons scattered around the remains of an ornithopod, Tenontosaurus, indicating that it was a pack hunter. It was the prototype for the ‘raptors’ in Jurassic Park, although modern representations have them covered in feathers.


Name: Deinonychus, meaning ’terrible claw’

Size: 3-4m long and 1m high

Food: meat, especially the flesh of herbivorous dinosaurs

Lived: around 115 million years ago in the Cretaceous Period in North America

Until 1964, experts thought there were two separate types of theropod – big and heavy like Tyrannosaurus or small and slim likeVelociraptor. Then in southern Montana, USA, fossils of a theropod were found that made the experts think again.

The fossils they found were of an animal that had features of both types of theropod. Like all bipeds, it always walked on its back legs. It was small and fleet-footed with very special weapons – two huge, wickedly curved and pointed claws. Deinonychus carried these awesome weapons on the second toe of each foot. They were as long as carving knives and just as sharp. The other toes had much smaller claws.

When Deinonychus was running, either chasing its prey or escaping from a larger predator, it used the strong muscles in its feet to pull its special, massive, hooked claws up, away from the ground. This protected them from damage. Its other claws were smaller and blunter and were used for gripping the ground and balance.

Deinonychus was built for speed. It had a slim body supported by strong, slender legs. Its very strong ankle joints could absorb enormous amounts of pressure when it ran flat out. Deinonychus’ skull had holes in the bone and scientists think that its head was quite light. A solid bone skull would have been very heavy. They believe it could run at 40km/h when it had to – faster than a human Olympic sprinter.

Deinonychus hunted in packs, just like the wild dogs that hunt prey on the African plains do today. It probably prowled around herds of Tenontosaurus and other giant herbivores. It kept a watchful eye out for young or infirm members of the herd that strayed close to where it was waiting. Then Deinonychus attacked. It used one claw to cling on to the victim, and ripped into its soft underside with the other. Next, Deinonychus’ teeth went into action. They were sharp and curved backwards, making it impossible for the victim to wrench itself free.

The tail of Deinonychus was held stiff and straight by means of bony rods. Each vertebra had bony tendons growing from it that clasped several of the vertebrae behind, solidifying the whole structure into an inflexible pole with only limited movement at the base for balance. When the tail was held outstretched, it helped Deinonychus to balance itself as it sprinted across the land. It may also have used its tail as a sort of rudder, to help it zigzag through the rocky landscape at top speed.

When experts studied Deinonychus’ skull, they found it had large eye sockets. This made them think that the animal had eagle-sharp eyesight – perfect for spotting a likely victim some distance away.

Deinonychus’ kick was so strong that it could break its own toe. We know this because a fossil bone has been found that had been fractured and then healed. Scientists have suggested that the dinosaur may have crippled itself as it kicked out at its prey.

Its brainpower was enough to keep the animal balanced while it slashed away with the killer claw on the second toe. The long, heavily clawed hands are angled so that the palms face inwards, enabling it to clutch firmly at its prey.


Deinonychus (Emily Willoughby)


(Greek for “terrible claw”);

Forests of North America  : Middle Cretaceous (100 million years ago): About 12 feet long( 3meters )  and 150 pounds(60 a 80 kgr )  * :   Light, sleek build; giant claws on hind feet

* it’was  more likely the model  for the “velociraptor” in “jurassic Park ” )



Deinonychus had a curved, flexible neck and a big head with sharp, serrated teeth in very powerful jaws.

Each of its three fingers on each hand had large, sharp, curved claws. It had four-toed feet; the second toe had a 5-inch (13-cm) sickle-like claw, and the other toes had smaller claws.

Its long tail had bony rods running along the spine, giving it rigidity; the tail was used for balance and fast turning ability.

Deinonychus had a relatively large brain and large, keen eyes. This dromaeosaurid theropod had a relatively large brain for a dinosaur.

Deinonychus was first found by Grant E. Meyer and John H. Ostrom in southern Montana (in the western United States) in 1964. Deinonychus antirrhopus was named by Ostrum in 1969.

More than eight Deinonychus fossils have been found in Montana, Utah, and Wyoming, USA. 

Deinonychus Ostrom, 1969

Aptian-Albian 121 - 98.9 mjg



De naam Deinonychus betekent ‘verschrikkelijke klauw’, en dan worden niet eens zijn klauwen aan zijn handen bedoeld maar vooral zijn verschrikkelijke teenklauwen die hij normaal omhoog hield met lopen en die bij een aanval op een b.v. een planteneter met kracht in het vlees van zijn prooidier werden geslagen.

Hoewel deinonychus niet zo groot was (3 meter en ongeveer 60 kg) kon hij veel grotere prooidieren aan omdat hij in troepen jaagde (werd verondersteld )zoals bijvoorbeeld ook leeuwen en wolfen doen.

Deinonychus leefde in het Krijt zo’n 113 mjg en de paleontologen denken dat vogels zijn voortgekomen uit nog vroeger levend lid van deze familie, de dromaeosauridae.

De dromaeosauriden bestonden uit de volgende genera;

Deinonychus /Velociraptor/ Dromaeosaurus /Utahraptor/ Megaraptor ?

Fossielen van Deinonychus zijn gevonden in de Verenigde Staten in Montana en Wyoming.

Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat Deinonychus veren of veerachtige structuren heeft gehad



File:A feathered replica of Deinonychus.jpg

Based on the known feathers sported by similarly sized raptors and dino-birds, it has become fashionable to depict Deinonychus as covered with its own feathers. Of course, it’s up to the artist to choose the particular colors, of which we have absolutely no evidence!

As with other raptors, the actual appearance of Deinonychus is a matter of debate: today, it’s often depicted as sporting primitive feathers, though its skin may well have been more reptilian in appearance (as it was formerly portrayed ).

Although it was far from the biggest dinosaur of the Cretaceous period, Deinonychus was especially fearsome because of its speed, its presumed ability to hunt in packs (tangled Deinonychus bones have been found in close proximity to the remains of Tenontosaurus, a tasty ornithopod), and the enormous, sickle-shaped claws on its hind feet that it used to rip apart larger dinosaurs. We can thank the famous paleontologist John H. Ostrom, who discovered the first specimen, for much of what we currently know about Deinonychus–as well as for the idea that raptors like Deinonychus eventually evolved into modern birds.


Classificatie Vindplaats grootte 1 blok= 50X50cm
‘Verschrikkelijke klauw’

Dicraeosaurus May 12, 2011

Filed under: Sauropoda — muzillu @ 4:47 pm
The only late Jurassic diplodocid found in Africa was Dicraeosaurus. It was a member of the Tendaguru fauna and, along with the other animals, showed that the same families of dinosaurs existed in North America and Africa at that time. However, Dicraeosaurus was so different from the North American forms that it has been given its own family, the Dicraeosauridae.

NameDicraeosaurus, meaning ‘two-forked lizard’
Size: Up to 6m tall and 20m long
Food: Plants
Lived: about 195 – 141 million years ago, in the Jurassic Period, in East Africa
For a diplodocid, Dicraeosaurus has a strangely short neck with only 12 vertebrae, far fewer than any of the other late Jurassic diplodocids except for Brachytrachelopan. The vertebrae have extremely long spines that are deeply cleft in the neck and form a kind of low sail over the back. These features would have made it look bigger in profile and would have helped to deter predators, or would have helped to regulate its body temperature. The tail has the typical diplodocid whiplash that would have been used as a weapon (although this is in dispute). It may also have been sufficiently fast to flee from its predators when threatened.
Dicraeosaurus lived in the Late Jurassic, alongside the likes of Giraffatitan and Kentrosaurus. However, it didn’t compete with them for vegetation. As there was a distinct difference in size between these dinosaurs, they would probably have browsed at different levels, allowing them to coexist without significant competition.
A huge discovery of dinosaur bones was made in 1907 in Tanzania, East Africa. It seems that many dinosaurs died near the mouth of a river and their bodies were washed on to mud banks. Some of the bones that were dug up belonged to dinosaurs that had not been discovered before. Among them was Dicraeosaurus, although it was not called this until 1935.
A full skeleton of Dicraeosaurus is mounted in the Humboldt Museum in Berlin, Germany, beside that of its Tendaguru neighbour Giraffatitan.


Dilong paradoxus Tyrannosauridae ; Early cretaceous : asia : 1.09 /0.41 metres

Possibly the most amazing and ferocious little predator from Asia, Dilong paradoxus is the oldest known ancestor of the mighty Tyrannosaurus rex. Though not growing much bigger than a large dog, this dinosaur showed some traits startlingly close to T.rex. The tiny, two-fingered arms are eerily reminiscent of those seen on T. rex, and the stout, recurved teeth are definitely tyrannosaurid. The skull, itself, resembles a scaled down Albertosaurus, and is graceful yet fearsome. Dilong material is exceedingly rare and very few replicas of any Dilong bones are available anywhere. This is cast of a complete subadult individual

A close-up of Dilophosaurus at the Museum of Northern Arizona, one of the few actual Jurassic dinosaurs in Jurassic Park.


Ceratosauria :  Early jurassic   , USA , China    5.2   1.2   2.3  metres


 Dilophosaurus (two-ridge lizard) is the earliest big theropod that is well-known from adequate remains. Partial skeletons of about half a dozen young and adult specimens have been found in Arizona, and the late 1980s brought news of a discovery in China. Dilophosaurus was a long lithe hunter, lighter than its relative Ceratosaurus. The build and enormously long tail are reminiscent of Dilophosaurus smaller cousin Coelophysis. According to the current taxonomy of the carnivorous theropod dinosaurs (of which Dilophosaurus is undoubtedly a member), Dilophosaurus is considered to be a ceratosaur, the earliest and most primitive of the theropod groups. The manus has 4 digits (the fourth digit is vestigial, or reduced), and the pes has 3 digits. Actually, we know from other specimens of Dilophosaurus that it had a fourth and fifth digit on each pes, but these are extremely reduced, and were not preserved in the holotype specimen. Most of the formations in the area where Dilophosaurus was found and from that general time are of fairly arid habitat. Much of the sedimentary rocks from there and then is aeolian sand (that is sand dunes)

mage Copyright © Jurassic Park Institute

Diplodocus is a genus of diplodocid sauropod dinosaur whose fossilised skeleton was first discovered in 1877 by S. W. Williston. The generic name, coined by Othniel Charles Marsh in 1878, is a Neo-Latin term derived from Greek (diploos) “double” and (dokos) “beam”, in reference to its double-beamed chevron bones located in the underside of the tail. These bones were initially believed to be unique to Diplodocus; however, they have since then been discovered in other members of the diplodocid family and in non-diplodocid sauropods such as Mamenchisaurus.It lived in what is now western North America at the end of the Jurassic Period. Diplodocus is one of the more common dinosaur fossils found in the Upper Morrison Formation, a sequence of shallow marine and alluvial sediments deposited about 150 to 147 million years ago, in what is now termed the Kimmeridgian and Tithonian stages. The Morrison Formation records an environment and time dominated by gigantic sauropod dinosaurs such as Camarasaurus, Barosaurus, Apatosaurus and Brachiosaurus.

Diplodocus is among the most easily identifiable dinosaurs, with its classic dinosaur shape, long neck and tail and four sturdy legs. For many years, it was the longest dinosaur known. Its great size may have been a deterrent to the predators Allosaurus and Ceratosaurus: their remains have been found in the same strata, which suggests they coexisted with Diplodocus.

One of the best-known sauropods, Diplodocus was a very large long-necked quadrupedal animal, with a long, whip-like tail. Its forelimbs were slightly shorter than its hind limbs, resulting in a largely horizontal posture.

The long-necked, long-tailed animal with four sturdy legs has been mechanically compared with a suspension bridge. In fact, Diplodocus is the longest dinosaur known from a complete skeleton. While dinosaurs such as Supersaurus were probably longer, fossil remains of these animals are only fragmentary.

The skull of Diplodocus was very small, compared with the size of the animal, which could reach up to 27 metres (90 feet), of which 6 metres (20 ft) was neck. Diplodocus had small, ‘peg’-like teeth that pointed forward and were only present in the anterior sections of the jaws. Its braincase was small. The neck was composed of at least fifteen vertebrae and is now believed to have been generally held parallel to the ground and unable to have been elevated much past horizontal. Modern mass estimates have tended to be in the 10 to 16 tonne (11–17.6 ton) range: 10 tonnes (11 tons); 11.5 tonnes (12.7 tons); 12.7 tonnes (14 tons); and 16 tonnes (17.6 tons).

Diplodocus had an extremely long tail, composed of about 80 caudal vertebrae, which is almost double the number some of the earlier sauropods had in their tails (such as Shunosaurus with 43), and far more than contemporaneous macronarians had (such as Camarasaurus with 53). There has been speculation as to whether it may have had a defensive or noisemaking function. The tail may have served as a counterbalance for the neck. The middle part of the tail had ‘double beams’ (oddly-shaped bones on the underside, which gave Diplodocus its name). They may have provided support for the vertebrae, or perhaps prevented the blood vessels from being crushed if the animal’s heavy tail pressed against the ground. These ‘double beams’ are also seen in some related dinosaurs.

Discovery and species

Several species of Diplodocus were described between 1878 and 1924. The first skeleton was found at Como Bluff, Wyoming by Benjamin Mudge and Samuel Wendell Williston in 1878, and was named Diplodocus longus (‘long double-beam’), by paleontologist Othniel Charles Marsh in 1878. Diplodocus remains have since been found in the Morrison Formation of the western U.S. States of Colorado, Utah, Montana and Wyoming. Fossils of this animal are common, except for the skull, which is often missing from otherwise complete skeletons. Although not the type species, D. carnegiei is the most completely known and most famous due to the large number of casts of its skeleton in museums around the world.

The two Morrison Formation sauropod genera Diplodocus and Barosaurus had very similar limb bones. In the past, many isolated limb bones were automatically attributed to Diplodocus but may, in fact, have belonged to Barosaurus.

Copyright © 2007 Answers Corporation.

 January 27, 2012

Filed under: Sauropoda —
The familiar long, low sauropod is known as Diplodocus. It is well-known from the many casts of the graceful skeleton of D. carnegii, the second species to be found. The casts, which appear in museums throughout the world, were excavated, reproduced and donated with finance provided by the Scottish-American steel magnate Andrew Carnegie in the early years of the 20th century.

Name: Diplodocus, meaning ‘double beam’
Size: 27m (up to 40m in the case of D. hallorum) long and 3.6m high
Food: plants and leaves from trees
Lived: 150-138 million years ago in the Late Jurassic Period in North America

When humans walk, the movement of the ankles make the body move up and down. For sauropods like Diplodocus, any movement of their heavy bodies used up a lot of energy. Fossilised footprints show that sauropods had broad, round feet like an elephant’s, with short stubby toes.
A sort of wedge may have raised Diplodocus’ toes from the ground, just like the heel of a shoe. This meant that muscles did not have to work so hard to support the dinosaur’s body as it walked.
From its tiny head to the tip of its enormous tail, Diplodocus had a long line of bones called vertebrae. Its neck had 15, its back 10, and its tail about 70.
The neck and tail are finely balanced and as a result, Diplodocus could probably have raised itself on to its hind legs to reach high into the trees. The wear on the teeth shows that it could browse high in the treetops or among the undergrowth. Finds in the 1990s have led American palaeontologist Steven Czerkas to suggest that there may have been a row of horny spines down the neck, back and tail.
Diplodocus was built rather like a suspension bridge, with its front and back legs acting like twin towers. On an actual bridge, cables support the road that runs between the towers. Diplodocus’ long backbone was supported by muscles. So that the neck and tail could move easily, a tendon probably ran along the length of its backbone.
Diplodocus could fight off predators with its powerful whiplash tail, or rear up on its back legs using its tail as support. This freed the dinosaur’s massive front legs for defence. A large, curved claw on the inner toe could also be used as a sharp weapon.
Diplodocus’ neck was not as long as that of its Chinese cousin, Mamenchisaurus. Compared to the latter’s neck, which was 11m long,Diplodocus’neck was ‘only’ 7.5m long and its enormous weight was balanced by a long tail, which stopped the giant from tipping over. The bones that were hidden beneath Diplodocus’ skin and muscle were designed for strength and support, rather than speed.
In 2004, a presentation at the annual conference of the Geological Society of America made a case for Seismosaurus being a junior synonym of Diplodocus. This was followed by a much more detailed publication in 2006, which not only renamed Seismosaurus as Diplodocus hallorum, but also speculated that it could prove to be the same as D. longus.

Diplodocus  Carnegii 

Jura   Saurischia   Herbivoor  Lengte: 27m
Een nek van 7m, een staart van 14m, en in totaal kon Diplodocus wel 28m lang worden! Zijn enorme nek kon hij niet recht omhoog in de lucht steken. Wanneer hij rondliep hieldDiplodocus zijn nek en staart op 1 horizontale lijn. Hij at dus niet van de hoge blaadjes zoals andere langnekken maar van de lage varenplanten. In het Museum kan je zelf testen hoe dat precies in zijn werk ging! De lange diplodocus woog ongeveer 16 ton (dat zijn drie olifanten!); hij moet dagelijks een pak varens verorberd hebben… Zo’n enorme sloeber had niet veel te vrezen van vleeseters. Vooral jonge, zieke of uitgeputte Diplo’s konden het slachtoffer van bijvoorbeeld Allosaurus worden.Deze dino leefde 155-145 miljoen jaar geleden. Paleontologen vonden hem in Noord-Amerika 

Ga naar de homepageKBIN






BBC  (with video )

Overblijfselen van de Diplodocus longus, die Misty wordt genoemd, zijn in de Amerikaanse staat Wyoming opgegraven en vervolgens naar Rotterdam vervoerd, waar het skelet voor het eerst in elkaar is gezet.

In Engeland is het skelet vervolgens geveild.

Het skelet van zeventien meter lang en zes meter hoog is zeldzaam omdat het bijna helemaal intact is gebleven. Naast Misty zijn er slechts vijf andere volledige skeletten van de Diplodocus longus gevonden.

Misty werd in 2009 gevonden door de elf en veertien jaar oude zoons van de Duitse paleontoloog Raimund Albersdörfer, die hun vader meehielpen met een opgraving. Toen Albersdörfer zijn zoons vervolgens een eindje verder weg stuurde om alleen te kunnen werken, vonden ze een reusachtig bot van de dino.







Rekonstrukcja przyżyciowa czaszki Dollodon bampingi
Rekonstructie   Dollodon bampingi
credit : Cretaceous Research


Paul, G. S. 2008. A revised taxonomy of the iguanodont dinosaur genera and species. Cretaceous Research 29/2, pp. 192-216.

Dracorex is a dinosaur genus of the family Pachycephalosauridae, from the Late Cretaceous of North America. The type (and only) species is Dracorex hogwartsia, meaning “dragon king of Hogwarts”. It is known only from one nearly complete skull discovered in the Hell Creek Formation in South Dakota by three amateur paleontologists from Sioux City, Iowa. The skull was subsequently donated to the Children’s Museum of Indianapolis for study in 2004, and was formally described by Bob Bakker and Robert Sullivan in 2006.

Dracorex, an herbivore, had a skull with spiky horns, bumps, and a long muzzle. Unlike some other pachycephalosaurs, Dracorex did not have a domed forehead but was instead flat-headed. The subadult animal was approximately 10 feet (3 m) long.
In all other respects, Dracorex is identical to the pachycephalosaur Stygimoloch. It has therefore been proposed that Dracorex is, in fact, a subadult or juvenile form of Stygimoloch. [citation needed]

The name Dracorex hogwartsia was inspired by young visitors to the Children’s Museum of Indianapolis as a tribute to both dragons (Dracorex means “dragon king”), which the animal resembled, as well as the Harry Potter series of books by J.K. Rowling (hogwartsia for the Hogwarts School of Witchcraft and Wizardry, a fictional school from the popular series).

Order: Ornithischia
Suborder: Marginocephalia
Family: Pachycephalosauridae
Genus: Dracorex
Binomial name Dracorex hogwartsia

Pachycephalosaurus, Stygimoloch, and Dracorex.

These were bipedal ornithischian dinosaurs that had hard bony domes on their heads, often complemented with an array of spikes

Dracorex was small with a relatively flat head with small spikes,
Stygimoloch was mid-sized with a small bony dome and huge horns,
and Pachycephalosaurus was large with a large bony dome and relatively small horns.

Together these dinosaurs appear to represent a growth series from juvenile to adult, all grouped together as Pachycephalosaurus, and the evidence can be found in the makeup of the bones.








 dreadnoughtus phylogeny-lacovara-et-al-2014-fig-3





Grootste dinosaurus opgegraven in Argentinië


Wetenschappers hebben in Argentinië het grootste, bijna complete skelet van een titanosaurus opgegraven. De nieuwe dino heeft de naam Dreadnoughtus schrani. Deze reus was 26 meter lang en had een gewicht van 59 ton. Ter vergelijking: dat is twee keer zo lang als de Tyrannosaurus Rex.

Het 77 miljoen jaar oude Dreadnoughtus-skelet werd in 2005 gevonden in Argentinië. Het duurde vele jaren om het volledige skelet te analyseren. De onderzoekers vonden geen handjevol botten, maar zeker de helft van het complete skelet. Daarnaast zijn de gefossiliseerde botten in een goede conditie, waardoor te zien is waar de spieren verbonden waren. Dit geeft inzicht in de manier waarop deze plantenetende dinosauriër voortbewoog.


Onderzoeker Kenneth Lacovara tussen de botten van ‘zijn’ dinosaurus.




brachariosaurus  -300x208

De Brachiosaurus is één van de bekendste saurapode. Deze dino echter veel minder dan de Dreadnoughtus schrani.

Andere dino’s
De andere reuzendino’s zijn veel minder zwaar dan de Dreadnoughtus schrani. Neem de Elaltitan lilloi, die ‘slechts’ 43 ton weegt. Het is na de Dreadnoughtus de zwaarste sauropode. De Brachiosaurus en de Diplodocus wegen nog minder: respectievelijk 34 en 15 ton. Mogelijk leefden er Dreadnoughtus-dino’s die nog zwaarder waren dan de Argentijnse reuzendino. Toen de dino stierf, was de Dreadnoughtus schrani nog flink aan het groeien.Veel vragen
Op dit moment worden er diverse experimenten uitgevoerd om belangrijke vragen te beantwoorden. Hoeveel calorieën per dag hadden deze dino’s nodig? Konden ze knielen? Wat voor genitaliën hadden ze en hoe hadden deze dino’s seks? En hoe reguleerden zij hun eigen lichaamstemperatuur? Wetenschappers denken soms antwoorden op deze vragen te weten, maar er ontbreekt nog hard bewijs.

Daarnaast wordt er een Dreadnoughtus-robot geprint met een 3D-printer. Deze robot zal hopelijk net zo lopen als de echte dinosaurus, die lange tijd geleden leefde. Dit geeft een beter beeld hoe het grootste landdier ooit zich voortbewoog.

Kenneth Lacovara, PhD, stands in his lab among the bones of the exceptionally complete dinosaur skeleton he discovered in Patagonia.
Kenneth Lacovara, PhD


  • Drinker
  • Dromaeosauroides
  • Dromaeosaurus * http://www.universe-review.ca/I10-72-Dromaeosaur.jpg
    Dromaeosaurus  was a wolf-sized theropod dinosaur from the Late Cretaceous (Upper Campanian) Period of what is now Alberta, Canada. The name means ‘running lizard’ and is derived from the Greek (dromeus ) meaning ‘runner’ and sauros ( meaning ‘lizard’). It is known from a partial skull and other bones (foot fragments, ribs), collected in what is now Dinosaur Provincial Park, Alberta. Dozens of isolated teeth have also been found.CharacteristicsDromaeosaurus differs from most other Dromaeosauridae in having a short, massive skull, a deep mandible, and large, robust teeth. In these respects Dromaeosaurus resembled the tyrannosaurs. A few bones are known from the hindlimb and they indicate that Dromaeosaurus was a powerfully built animal. Exactly how it lived and what it ate are still open to speculation. The teeth show moderate wear and chipping and seem to have been used for crushing and tearing, more than slicing through flesh; it is possible that Dromaeosaurus was more of a scavenger than other small theropods. It was probably better suited to tackling large prey than the more lightly built Saurornitholestes.
    The relationships of Dromaeosaurus are unclear. Although its rugged build gives it a primitive appearance, it was actually a very specialized animal. It is usually given its own subfamily, the Dromaeosaurinae; this group is thought to include Utahraptor, Achillobator, Adasaurus and perhaps Deinonychus. However, the relationships of dromaeosaurs are still in a state of flux. “Dromaeosaurus Morphotype A” is the designation given to a series of unusual, ridged dromaeosaur teeth from Alberta. These teeth probably do not belong to Dromaeosaurus, although it is unclear from what animal they do come. The type species is D. albertensis. The other species, lacking in material, may well be synonymous with it.Suborder: Theropoda
    Infraorder: Coelurosauria
    Family: Dromaeosauridae
    Subfamily: Dromaeosaurinae
    Genus: Dromaeosaurus
  • Dromiceiomimus Dromiceiomimus
  • Dromicosaurus – junior synonym of Massospondylus
  • Drusilasaura
  • Dryosaurus Dryosaurus


is een dinosauriër behorend tot de Euornithopoda, die tijdens het Late Jura (Kimmeridgien-Tithonien, zo’n 150 miljoen jaar geleden) leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika en Afrika.

In 1878 werd door Othniel Charles Marsh op basis van holotype YPM 1876, een schedel in 1876 gevonden in de Morrisonformatie, een soort van het geslacht Laosaurus, L. altus beschreven. In 1894 kwam Marsh tot de conclusie dat de soort een eigen geslacht waard was: Dryosaurus altus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse dryos, “eik” en verwijst naar de vorm van de tanden; de soortaanduiding betekent “hoog”.

In de vroege twintigste eeuw vond een Duitse expeditie in Duits Oost-Afrika zeven skeletten die in 1919 door Virchow werden beschreven als Dysalotosaurus lettowvorbecki maar later werden toegekend aan Dryosaurus.

Dryosaurus was ruim drie meter lang, 1,7 meter hoog en woog 77 tot 90 kilo. Hij had grote ogen, lange dunne poten met drie tenen, korte voorpoten met vijf lange vingers, een lange nek en een staart voor de balans. Hij leefde in het laat Jura, 156 to 145 miljoen jaar geleden. Het dier had een papegaaiachtige bek. Hier konden taaie plantenstengels mee worden afgebeten. Achterin zijn bek had Dryosaurus een kauwbatterij van twintig tot dertig kleinere aaneengesloten tanden die steeds vervangen werden. Hiermee vermaalde hij alle planten die hij at tot een zachte verteerbare pulp.

Dryosaurus werd voeger ingedeeld bij de Hypsilophodontidae, maar tegenwoordig beschouwd als een lid van de Iguanodontia in de Dryosauridae. D.altus en D. lettowvorbecki worden tegenwoordig gezien als valide soorten. Hij werd bejaagd door vleeseters als Allosaurus en Ceratosaurus.

Zijn bescherming lag denkelijk in de kudde, zijn grote ogen en sprintvermogen. Als ze aan het eten waren, hielden dan minstens twee of drie dieren de wacht. Als ze bijvoorbeeld een troep ceratosaurussen zagen, sloeg een van de dieren alarm. Daarna renden ze met een snelheid van een zestig kilometer per uur weg. Hun gezichtsvermogen was uitstekend. Ze deelden het landschap met verschillende sauropoden, pterosauriërs, carnosauriërs en andere dieren.





Das Ske­lett des Di­no­sau­ri­ers Dy­sa­lo­to­sau­rus let­to­wvor­be­cki im Mu­se­um für Na­tur­kun­de Ber­lin.
Co­py­right: Mu­se­um für Na­tur­kun­de Ber­lin




Die Kno­chen des Hirn­schä­dels von Dy­sa­lo­to­sau­rus (links) und die mit­tels Com­pu­ter-To­mo­gra­phie re­kon­stru­ier­ten 3D-Bil­der mit dem Ver­lauf des In­nen­ohrs (in blau and vio­lett).
Co­py­right: Mu­se­um für Na­tur­kun­de Ber­lin



New study reveals patterns of dinosaur brain development

May 20, 2013   Source:   University of Bristol
A new study sheds light on how the brain and inner ear developed in dinosaurs. Using high-resolution CT scanning and 3D computer imaging, it was possible to reconstruct and visualise the brain and inner ear of Dysalotosaurus lettowvorbecki — a small, plant-eating dinosaur, which lived 150 million years ago, in what is now Tanzania.



Reconstruction of the brain in the young and fully grown Dysalotosaurus lettowvorbecki.

Credit: Stephan Lautenschlager, University of Bristol



dysalotosaurus 130520114017-large





Changes in brain and inner ear morphology visualised during the growth of Dysalotosaurus lettowvorbecki


The small, bipedal ornithopod dinosaur Dysalotosaurus lettowvorbecki is known from numerous fossils collected from the famous Tendaguru bone beds in Tanzania. The large number of well-preserved specimen has allowed the study of ontogenetic changes in the skeleton ofDysalotosaurus lettowvorbecki. In this study we were interested, if and how these changes would also be reflected in the brain anatomy. Studying different growth stages of Dysalotosaurus(a young individual of approximately three years of age and a fully grown specimen of more than 12 years of age) provided us with a unique opportunity to study their brain, and how it developed during the growth of the animal.

By looking at the brain and inner ear anatomy, our study found that the brain of Dysalotosaurusunderwent considerable changes during growth – most likely as a response to environmental and metabolic requirements. However, important parts responsible for the sense of hearing and cognitive processes were already well developed in the young individual.

More information on this study can be found here:
Lautenschlager, S. & Huebner, T. (2013): Ontogenetic trajectories in the ornithischian endocranium. Journal of Evolutionary Biology, 26, 2044-2050. DOI: 10.1111/jeb.12181

Support Wikipedia





Dinosauricon inhoud WP https://tsjok45.wordpress.com/2012/09/05/dinosauricon-inhoud/

(Het volgende is grotendeels afkomstig van http://www.dinosaurus.net/Overzicht/deinonychosauria.htm )


dromeosaur claws

De Dromaeosauridae wordt verdeeld in twee groepen, de Velociraptorinae (Deinonychus, Saurornitholestes and Velociraptor) en Dromaeosaurinae (Dromaeosaurus en misschien Adasaurus).
Dit is een van de bekendste familie’s (na de tyrannosauriden)
Toch bestaat deze familie maar uit zo’n 6 genera waarvan met 100% zekerheid te zeggen is dat ze in deze familie horen.

UPDATE: Tegenwoordig zijn er veel meer (vooral kleine) dromaeosauriden gevonden en is de lijst  uitgebreid en aangepast met o.a. onderstaande  soorten  .


Achillobator giganticus Achillobator





Buitreraptor gonzalezorum

Reconstructed skeleton of Buitreraptor gonzalezorum.
Long hindlimbs indicate it was a fast runner.
Elongated arms and massive shoulder girdle suggest powerful prey-grasping abilities.
© 2005 Field Museum, Photo by John Weinstein

The skeleton of Buitreraptor gonzalezorum in the field.
A string of vertebrae and the right shoulder (lower left) and femur are showing.
The matchstick shows scale.
Photo by Peter Makovicky, Courtesy of the Field Museum

Dromaeosauroides bornholmensis http://en.wikipedia.org/wiki/Dromaeosauroides

Graciliraptor lujiatunensis http://www.dinosaurus.net/genera/GGG/graciliraptor.htm

Microraptor zhaoianus http://en.wikipedia.org/wiki/Microraptor

Microraptor gui <-

Neuquenraptor argentinus

Nuthetes destructor

Pyroraptor olympus

Sinornithosaurus millenii

Unenlagia comahuensis

Utahraptor ostrommaysorum


Adasaurus mongoliensis

Dromaeosaurus albertensis


Deinonychus antirrhopus

Saurornitholestes langstoni

Tsaagan mangas / Linheraptor esquisitus
Deze laatste twee verduidelijken de verwantschappen binnen de velociraptorinea van de dromeosauridae

. Photographs of the holotype of Linheraptor exquisitus (IVPP V 16923).
The specimen was collected in twoseparate plaster-jackets: the main jacket (A) contains the majority of the skeleton; the second jacket (B) contains thepartial tail. Abbreviations: II-3, pedal ungual, digit II; ax, axis; ch, chevrons; cv, cervical vertebra; g, gastralia; hy, hyoid;lt, left tibia; mc, metacarpal; mt, metatarsal; ns, neural spine; pd, pedal digit; prz, elongated prezygapophyses; ra, radius;rf, right femur; rfib, right fibula; rh, right humerus; rp, right pubis; rs, right scapula; rt, right tibia; sk, skull; st, sternum. Scale bar equals 20 cm.
Een Britse en een Amerikaanse student-paleontologie ____ Jonah Choiniere en Michael Pittman van de University College in London ___vonden ( in 2008 ) de in zeer goede staat verkerende resten van circa 75 miljoen jaar oud in de Gobi-woestijn.
De linheraptor werd gevonden in een oude rode zandsteenpartij van de” Wulansuhai Formation”
Het is de 5e dinosaurus die in deze rotsen werd ontdekt. ( een andere belangrijke vondst uit diezelfde rotsen , beroemd om hun komplete exemplaren , is de basale Mahakala –> Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pluimgewicht ),
Ook de velociraptor werd hier ontdekt.

Onderzoekers stellen dat het dier ongeveer 25 kilo woog en 2,50 meter lang was. Deze dromaeosauride zou een snel roofdier zijn geweest ; de belangrijkste prooidieren waren (mogelijk )kleine verwanten van de triceratopsen ( ?)
De gelijkenis met de Tsagaan Mangas schedel (eveneens uit de Gobi woestijn ) is echter frappant ….

De resultaten van het eerste onderzoek, onder leiding van Xu Xing zijn gepubliceert op 19 Maart 2010 in ” Zootaxa

Xu etal., A new dromaeosaurid (Dinosauria: Theropoda) from the Upper Cretaceous Wulansuhai Formation of Inner Mongolia, China’, Zootaxa, March 2010, 2403: 1–9
z02403p009f.pdf lineraptor.pdf (156.9 KB) <–klik

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mongolie 20-03-2010        De Linheraptor esquisitus valt onder de familie Dromaeosaurida.
Dit zijn kleine tot middelgrote gevederde carnivoren.

De velociraptor schedel =


Zowel de fossiele schedels van Tsangaan Mangas als die van de Linheraptor bezit een “ maxilaire fenestra ” dat minstens evengroot is als de neusholte : bij develociraptor is deze maxilaire holte kleiner dan de neusholte

Dat is ook een van de redenen waarom tsagaan en linheraptor als nauw verwant worden beschouwd

( de “maximilaire fenestra” is de tweede opening ( na de neusholte ) wanneer je vanaf de snuit naar het achterhoofd gaat , het is het driehoekige gat dat voor de antioribatel fenestra ligt http://tsjok45.multiply.com/photos/album/2659#photo=100)

Tsagaan mangas

Het skelet van het tsagaan mangas ( 2006) holotype is niet compleet maar er is wel een complete schedel gevonden! Het is trouwens pas de tweede soort van dit type dinosaurus, na Velociraptor, dat uit deze regio komt. Van Velociraptor zijn wel meerdere skeletten gevonden natuurlijk en er zijn tanden gevonden die op dromaeosauriërs wijzen maar dit is de tweede benoemde dromaeosauride soort: Tsaagan mangas.
De aardlagen stammen uit het Boven-Krijt en worden de Djadokhta formatie genoemd van Ukhaa Tolgod, Mongolië.

Fossielen van theropode dinosaurussen zijn op zich al zeldzaam maar van de meestal kleine dromaeosauride dinosaurussen zijn de vondsten nog zeldzamer. Er zijn twaalf geldige genera bekend waarvan enkele zeer fragmentarisch.
De meeste vondsten stamden tot voor kort uit Azië en Noord-Amerika, maar daar is Zuid-Amerika onlangs nog bijgekomen.
(Hoewel er uit Europa ook vondsten bekend zijn wordt daar in de oorspronkelijk beschrijvingen niet over gerept)

Uit China (Azië) zijn natuurlijk de gevederde dinosaurussen bekend waarvan enkele tot de dromaeosauriden gerekend worden.
Analyses wijzen er op dat dit tweede genus uit Ukhaa Tolgod een meer basale positie inneemt in de classificatie dan Velociraptor mongolienses.

z02403p009f.pdf lineraptor.pdf (156.9 KB)

Dromaeosauridae have a few things that make them different from other dinosaurs. First, they have bony rods in their tails that keep them stiff for most of the length of their tail. They also had very large hand claws that would have been perfect for ripping and holding onto prey animals. Even more deadly than that, they had a very large toe claw on their second toe that would have been able to cut deep gashes into their prey. This probably made them a very effective hunter.

The proof that they were good hunters is shown from the fact that they survived from the Early Cretaceous right to the end of the Late Cretaceous. They changed sizes, but the basic body plan stayed the same. The largest found so far is Utahraptor at about 6 meters. Most of the Dromaeosaurs found at the end of the Cretaceous were much smaller at about 2 meters (Velociraptor). Dromaeosaurs have been found in Asia, North America, and possibly Australia. This group includes Velociraptor, Dromaeosaurus, Saurornitholestes, Utahraptor, and Deinonychus. There are also at least two more kinds from Mongolia and two more from America

For Adasaurus we must depend on a few schematic drawings (pelvis, metatarsus, pedal digit II), since Barsbold (1988) neither described it besides noting a couple features, nor does he allow photos to be circulated. There was a photo of the holotype online which has since disappeared, but shows Barsbold’s pelvis illustration is inaccurate, and to make it worse Kubota (pers. comm. to Senter, 2010) indicates the supposed small sickle claw doesn’t belong. I’m just hoping Kubota plans to redescribe the taxon like Kobayashi did for Barsbold’s basal ornithomimosaurs. Until then, we depend on codings from Norell et al. (2001), Senter (2007) and Longrich and Currie (2009), and a few scattered notes. Hopefully Turner et al.’s upcoming dromaeosaurid monograph has some juicy photos.http://en.wikipedia.org/wiki/Adasaurus
Predatory ecology of Deinonychus Ostrom 1969 & avian theropod flapping flight origin
J. Aerts
Het ( tot nu toe ) enige “echte “deinonychus fossil
Deinonychus antirrhopus: The little evil-looking buggers with the massive sickle claws on the feet. The description of Deinonychus has been directly credited with inspiring the renaissance in views on dinosaur metabolism. Older reconstructions of sluggish, low energy dinosaurs just made no sense when applied to this obvious speedster
Squelette de Deinonychus.
On peut remarquer les grandes griffes, le crâne haut et robuste ainsi que
la queue raidie par des tendons osseux.
Skull and spine of Deinonychus skeleton, the photo was taken at the Philadelphia Academy of Natural Sciences.
Deinonychus was related to the Velociraptor and lived during the early Cretaceous Period (around 110 million years ago).
The first Deinonychus fossils were found in 1931 in southern Montana but it wasn’t until 1969 that studies were published
and it was officially named. Other Deinonychus fossils have since been found in Oklahoma and other parts of North America.
Deinonychus reached around 3.4 metres (11 feet) in length and 73 kg (170 lb) in weight.
Deinonychus had around 60 teeth and studies suggest that it had about the same bite force as an alligator.
Studies of the Deinonychus helped lead to the widely accepted theory that birds descended from dinosaurs.
Two Deinonychus approach a Tenontosaurus herd, by Michael Skrepnick
At top, two Deinonychus approach a herd of tenontosaurs.
…… they attack and bring down their prey. © Michael Skrepnick.
Deinonychus attack a tenontosaur, by Michael Skrepnick
Comparison of Deinonychus foot with that of a modern pigeon, by Michael Skrepnick
The foot of Deinonychus compared with that of a modern pigeon (not to scale). ©Michael Skrepnick.
Terrible claw …The “killing claw” of dromaeosaurs is an incredible structure useful for just that: killing. It was normally held off of the ground during locomotion, but when the muscles of the toe were contracted, the claw swept down quickly. The claw base-to-tip angle maximized the transmission of forces from the leg to the tip of the claw, providing for a powerful slash that may have been able to disembowel prey swiftly. The stiffened tail would have been good to stabilize the body while the grasping arms and jaws held onto the prey for balance. Although there is no conclusive evidence for this, it has been suggested that dromaeosaurs could have performed leaps onto large prey and used all four limbs to rip wounds in them. Truly an example of evolution producing a killing machine. Dromaeosaurs were probably not the fastest of dinosaurs since dromaeosaurs have fairly large femora (thigh bones); ornithomimids probably were fastest (see our dinosaur speeds exhibit for more information), but persuasive evidence in any case is lacking. It has been argued that dromaeosaurs were similar to lions in predatory behavior, preferring ambushes, quick chases using their high maneuverability, and pack tactics. This is speculation of course; we can’t really know what dromaeosaurs were like, but we can have loads of fun speculating. New finds of dromaeosaur specimens in the last few years will hopefully tell us more about these strange and exciting dinosaurs.


Velociraptor by Michael Skrepnick
Because of their close relationship to birds, dromaeosaurs likeVelociraptor may have had feathers.

Volgens paleontologen gebruikten velociraptors hun beruchte klauw om te klimmen en om hun prooi vast te grijpen. In  films was de klauw een populair onderwerp en werd gesteld dat de dinosaurussen hun prooi ermee levend opensneden en zo vermoordden.

Wetenschappers van de universiteit van Manchester hadden al vastgesteld dat de klauwen niet scherp genoeg waren om de huid van een prooi open te snijden. Nu stellen ze dat de roofdieren hun klauwen waarschijnlijk gebruikten om in bomen te klimmen. Mogelijk sprongen de velociraptors vanuit de bomen op hun prooi om zich vervolgens met hun klauwen aan hun maaltijd vast te klampen.

Een andere kleinere dinosaurus, de microsaurus, gebruikte dezelfde methode en beschikte over veren waarmee hij vlot vanuit een boom naar zijn prooi kon zweven. Bovendien lijken de poten van de velociraptor beter geschikt om te klimmen dan om te lopen. (gb)






utahraptor leg




Les Dromaeosauridés

Rapides et féroces, les dromaeosauridés étaient de véritables terreurs pour les autres dinosaures.
Deinonychus « griffe terrible », Velociraptor « voleur rapide » ou Saurornitholestes étaient de petits prédateurs agressifs, attaquant en meute.

Caractéristiques des dromaeosaures    …..  Avec leurs corps légers, leurs membres athlétiques et leurs griffes acérées en forme de faucille, ils étaient parfaitement adaptés à la vitesse.

Griffes dromaeosaure

Griffes d’un dromaeosaure. © dinosoria.com

Les mâchoires des dromaeosauridés étaient pourvues de dents recourbées et coupantes. Les mains et les pieds avaient trois doigts munis de grosses griffes crochues.

L’énorme griffe du deuxième orteil était deux fois plus longue que les autres.

Griffes de Velociraptor

Griffes de Velociraptor. © dinosoria.com

Les dromaeosauridés mesuraient entre 2 m et 6 m de long environ. Tous les fossiles datent du Crétacé mais il est probable qu’ils étaient déjà présents au Jurassique.

A ce jour, Utahraptor est le plus grand des Dromaeosauridés avec 6 m de long.

On pense que les Dromaeosauridés bondissaient en horde sur leur proie, les quatre pattes tendues en avant, la longue queue osseuse servant de balancier.
Ils pouvaient ainsi maintenir la victime avec les mains et la lacérer avec les griffes des pattes postérieures.

Combat entre un Velociraptor et Protoceratops

Velociraptor et Protoceratops. Combat fossilisé. © dinosoria.com

Des découvertes récentes suggèrent que les dromaeosaures étaient recouverts de plumes. En effet, depuis 1996, des sortes de plumes fossilisées, ont été découvertes sur deux petits théropodes de la famille des dromaeosaures : Sinornithosaurus « lézard oiseau » et Microraptor « petit voleur ».

Velociraptor possédait lui aussi des plumes selon les dernières découvertes.

Quelques Dromaeosaurides

Deinonychus et ses proches parents marchaient seulement sur les 3ème et 4ème orteils. Grâce à des muscles spéciaux, la patte et les orteils pouvaient se rabattre en un éclair.


Sur cette illustration, on peut voir que Deinonychus comme tous les Dromaeosauridés avait un doigt rétractable à l’extrémité de chacun de ses pieds. Sa griffe géante pivotait vers le bas quand il attaquait

Malgré sa taille assez modeste, 3 à 4 m de long, Deinonychus était une véritable terreur du Crétacé inférieur.
Dans la mesure où des fossiles de Deinonychus ont été souvent trouvés dans les mêmes endroits que ceux de l’ornithopode Tenontosaurus, on pense que le prédateur attaquait en meute ce grand herbivore.

Les premiers fossiles de Velociraptor ont été découverts dans les années 1920 dans le désert de Gobi. Depuis, des squelettes ont été retrouvés en Mongolie et en Chine. De petite taille, pas plus d’1,80 m, le velociraptor pouvait chasser de grosses proies grâce à son organisation sociale de groupes.


Le nouveau look du Velociraptor. © BBC

Il fait un peu penser au loup actuel. Il possédait une vive intelligence, démontrée par un cerveau volumineux par rapport à sa taille. Par rapport à Deinonychus, le crâne de Velociraptor est moins haut et moins solide.

Crane Velociraptor

Crâne Velociraptor. © dinosoria.com

Sa meilleure arme était ses griffes redoutables. Lorsqu’il marchait, les griffes étaient repoussées en arrière pour ne pas qu’elles s’émoussent inutilement. Il faisait fonctionner sa deuxième griffe, la plus longue, comme un couteau, en poignardant sa proie.
Cette déchirure provoquait très probablement la mort de la proie par hémorragie. Velociraptor a vécu au Crétacé supérieur.

On compte parmi les dromaeosauridés, d’autres espèces moins connues comme Dromaeosaurus qui a donné son nom à cette famille.


Dromaeosaurus. © dinosoria.com

Les fossiles retrouvés en Amérique du Nord sont assez fragmentaires.
Sa taille est estimée à environ 1,80 m de long. Il vivait au Crétacé supérieur.

Saurornitholestes est encore plus mal connu. Les seuls fossiles retrouvés sont des fragments de crâne, quelques dents et des os du bras. Ces fossiles ont été découverts au Canada. Il vivait également au Crétacé supérieur.

(Dernière Découverte sur les Dromaosauridés (Octobre 2005)  La découverte d’un nouveau dinosaure de cette famille, Buitreraptor gonzalezorum, en Argentine, remet totalement en question leur arbre généalogique. Lire l’article  )

V.Battaglia (03.2004) M.à.J 14.10.2005




De Dromaeosauriden zijn bekend van het Krijt van Europa, Noord-Amerika en Azië. Het waren net a

ls de Coelurosauriërs snelle lichtgebouwde rovers maar hun schedels waren forser daarbij bezaten de Dromaeosauriden een grote sikkelvormige klauw op de tweede teen van beide voeten. 

De Dromaeosauridae behoren met de Troodontidae tot de klade Deinonychosauria


Reconstitution du squelette de Dromaeosaurus


Dromaeosaurus .albertensis

Het fossiel van Dromaeosaurus werd in 1914 gevonden in Canada. In 1922 werd de typesoort benoemd met de naam Dromaeosaurus albertensis, wat zoiets betekent als “rennende sauriër uit Alberta“.



Model van een  Dromaeosaurus  schedel


Een schedel van een Dromaeosaurus. © J. Arts



In april 2001 werd in noord-oost China door Chinese en Amerikaanse paleontologen de resten van een kleine en snelle vleesetende dinosaurus die zich op twee poten voortbewoog. Het fossiel is ca. 130 miljoen jaar oud en bezat goed ontwikkelde veren met een centrale schacht en barbula, de in elkaar hakende “haartjes”die het veeroppervlak vormen. Dit fossiel is zo goed         feather2bewaard gebleven dat de onderzoekers voor het eerst met de microscoop konden vaststellen dat de veren direct aan het lichaam vast zaten. Zij gaven het dier de de naam Dromaeosaurus

Andere aanwijzingen, afgeleid uit de bouw van het skelet tonen aan dat de Dromaeosaurus als voorouder kan worden gezien van de vogels: Veel Dromaeosauriërs hebben, net als vogels een boemerangvorming vorkbeen, een kenmerkend bot dat ontstaan is uit de fusie van de twee sleutelbeenderen. Ook ontwikkelden de Theropoden zich in de loop van de evolutie steeds langere armen en handen, die zij waarschijnlijk gebruikten om prooien mee te grijpen. Later vormden deze grote handen een prima uitgangspunt voor de ontwikkeling van vleugels. Zowel vogels als Dromaeosauriërs hebben typische holle beenderen, wat het skelet licht genoeg maakte om van de grond los te komen. Langzaam komt de evolutie van gevederde dinosauriërs naar echt vliegende primitieve vogels in beeld. Zo sterk zelfs dat de grens tussen vogels en dinosauriërs moeilijk te trekken is. Microraptor had net als moderne vogels klauwen die zich leenden om op een tak te zitten. Het dier had veren als een vogel, afmetingen van een vogel en een skelet als een vogel. Alleen de botjes in de staart zijn nog typisch voor een Dromaeosaurus. Proeven hebben aannemelijk gemaakt dat vogels nog een latente genetische aanleg bezitten om tanden te vormen die 60 miljoen jaar geleden tijdens de evolutie verloren is gegaan. Moleculaire proeven tonen aan dat schubben, zoals die de huid op vogelpoten bedekken ontwikkelingsbiologisch verwant zijn met veren. Dinosauriërs zouden dus uit hun schubben een isolerende verenlaag hebben kunnen ontwikkelen, aanvankelijk bestaande uit simpele, donsachtige protoveren, maar later in de evolutie uitgroeiend tot volwaardig vertakte veren met slagpennen die voldoende stevigheid boden om er een vleugelslag meet te maken. Vooral kleine dino’s koelen relatief snel af en hebben dus baat bij een huidbedekking. Het ontstaan van veren wordt daarmee zinnig. Dat houdt dus tevens in dat veren niet zijn ontstaan om te kunnen vliegen. Vliegen was pas een volgende stap. De gevederde dino’s waren overigens niet de eerste gewervelde dieren die het luchtruim kozen. De kale vliegende Pterosauria, die net als vleermuizen een huidflap gebruiken als vleugels, waren hen al voorgegaan. De Pterosauria zijn uitgestorven, maar de vogels zijn er op de een of andere manier in geslaagd te overleven

De vondst maakt duidelijk dat de ontwikkeling van de veren moet hebben plaatsgevonden, voordat er vogels ontstonden. De Dromaeosaurus kon niet vliegen omdat zijn voorpoten te kort waren om als vleugels te kunnen dienen. De onderzoekers veronderstellen daarom dan ook dat de veren niet – zoals vaak werd gedacht – zijn geëvolueerd om te kunnen vliegen maar dienden oorspronkelijk als isolatie om de dieren warm te houden.

De Dromaeosauridae vormen een familie binnen de Theropoda die in 1922 benoemd werd door Matthew en Brown om de soort Dromaeosaurus albertensis een plaats te geven. Later werd aangenomen dat Dromaeosaurus nauw verwant was aan vormen uit de Maniraptora en er werd een klade (dus géén “familie”) Dromaeosauridae gedefinieerd als de groep omvattende de laatste gemeenschappelijke voorouder van Dromaeosaurus en Velociraptor mongoliensis en al zijn nakomelingen. De familie is mogelijk zeer nauw verwant aan vogels en een zustergroep van de Troodontidae. Ze behoren tot de clade Maniraptora. Tot voor kort werd ook de Deinonychus ondergebracht bij de “Dromaeosauridae”, maar tegenwoordig deelt men dit dier in bij de klade Deinonychosauria

Aanvankelijk werden de Dromaeosauriërs (net als alle andere dinosauriërs) gezien als logge, koudbloedige, typisch reptielachtige wezens. Nader onderzoek van de Dromaeosauriërs laat echter een heel ander beeld zien. Lichaamsbouw en interne kenmerken suggereren dat ze ranke, actieve, dieren waren. Of dit betekent dat zij daarbij ook warmbloedig waren is nog niet duidelijk. De mogelijke nauwe verwantschap met vogels werd al snel erkend, maar relevante fossielen voor dit beeld ontbraken nog.

Dat weerhield Robert Bakker er niet van om dromaeosauriërs als eerste af te beelden met geavanceerd verenkleed. Aanvankelijk viel hoongelach hem ten deel, maar in de jaren ’90 werden fossielen in China ontdekt waarvan werd aangenomen dat ze veren hadden.


Fossielen als SinosauropteryxBeipiaosaurus en Sinornithosaurus hebben echter haarachtige structuren waarvan wetenschappers menen dat het voorlopers van veren waren, maar die evengoed collageenvezels kunnen zijn geweest. Deze fossielen waren verder erg vogelachtige en samen met de ontdekking dinosaurusachtige vogels en andere veronderstelde voorlopers van veren bij de meest uiteenlopende families (tot aan de Tyrannosauriërs aan toe) maakt het voor de meeste wetenschappers aannemelijk dat Dromaeosauriërs (en alle Maniraptora) extreem vogelachtig waren en dat de scheiding tussen dinosaurus en vogel een min of meer kunstmatige is geworden.

Sommige auteurs gaan nog veel verder. Zij zien de haarachtige bedekking in fossielen van primitieve dromaeosauriërs het bewijs van voorlopers van volledig ontwikkelde vleugels (die overigens lijken aan te geven dat ze actief konden vliegen. De ontdekking van een fossiel van Archaeopteryx (algemeen geaccepteerd als de eerste vogel) waarin de karakteristieke ‘raptorklauw’ van de dromaeosauriërs zichtbaar is, heeft nog meer duidelijkheid gebracht). Het is voor hen zeer aannemelijk dat de dromaeosauriërs nauw verwant zijn aan de allereerste vogels, tot op het punt dat Archaeopteryx als lid van de dromaeosauriërs kan worden beschouwd. Als de eerste dromaeosauriërs actieve vliegers zijn geweest, die minstens zo geavanceerd zijn als Archaeopteryx, dan is de controversiële doch logische conclusie direct zichtbaar: dromaeosauriërs zijn vogels in de meest strikte definitie van het woord. Ze zijn hun vermogen om te vliegen kwijtgeraakt op een soortgelijke manier als struisvogels. Dit beeld is echter nog steeds controversieel en nog niet algemeen geaccepteerd.

De Dromaeosauriden zijn vooral bekend uit het Krijt, hoewel ze al eerder moeten hebben bestaan. Deze vrij slimme jagers hadden een speciaal wapen, namelijk aan elke achterpoot een teen die volledig naar boven was gedraaid. Daaraan zat een gigantische klauw waarmee ze bij hun prooi de romp binnendrongen wanneer ze hun prooi besprongen. Wellicht leefden ze in groepen. Zo konden ze grotere dieren aan. Deze theorie werd bedacht door John Ostrom, toen hij de staarten van verschillende Deinonychus vond bij een skelet van Tenontosaurus. Hij dacht dat ze bij een aanval op deze planteneter waren omgekomen. Tegenwoordig nemen we aan dat allen maaltijdresten waren van een grote Theropode die de benige staarten niet kon verteren

Van primitieveDromaeosauriërs zijn er drie, te weten CryptovolansMicroraptor en Sinornithosaurus, die haarachtige structuren bezaten die als voorlopers worden gezien van een volledig ontwikkeld verenkleed. Bij latere soorten is hier nog altijd geen bewijs voor gevonden, maar men gaat ervan uit dat ook zij een uitgebreid verenkleed hadden. In welke mate precies is nog niet te zeggen. De meeste Dromaeosauriden zijn klein, soms zo klein als een kip en meestal kleiner dan een mens. Enkele typen, zoals Utahraptor en Achillobator, waren echter zeer groot en konden tot 6 meter lang worden

Balaur bondoc

(reconstructie  Mick Ellison, Zoltan Csiki, Matyas Vremir, Stephan Brusatte, Mark Norell, American Museum of Natural History).



dino uit Roemenië

 Caroline Hoek op 31 augustus 2010

Experts vonden in Transsylvanië de fossiele botten van een vreemde, vleesetende dinosaurus en paleontologen concluderen nu dat deze dinosaurus zich wel tot een heel bijzonder, roofzuchtig exemplaar ontwikkeld heeft.

De dinosaurus leefde zo’n 72 tot 65 miljoen jaar geleden in het huidige Roemenië en heeft de naam Balour bondoc gekregen. In die tijd was Europa grotendeels ondergelopen met water en vormde Roemenië een eiland. En dat verklaart volgens de onderzoekers waarom deze dino zich tot zo’n vreemd dier ontwikkelde.

Op eilanden neigt  de  evolutie  van  dieren naar eerder “biezondere ” dingen,” vertelt onderzoeker Zoltán Csiki. “Simpelweg omdat ze zich dat kunnen veroorloven. Selectieve krachten en beperkingen zijn op een eiland veel relaxter dan in de competitieve continentale omgevingen.”

Soorten die op een eiland voorkomen, vertonen vaak opvallende verschillen met verwante soorten op het vasteland. Dat is te verklaren doordat de evolutie van een soort grotendeels bepaald wordt door haar leefomgeving. Op een eiland kan bijvoorbeeld een beperkter voedselaanbod of de afwezigheid van roofdieren of concurrenten (die op het vasteland wel voorkomen) ervoor zorgen dat kleinere, grotere of morfologisch afwijkende exemplaren van een soort succesvoller zijn. En dat laatste moet bij Balaur het geval geweest zijn.

Csiki bestudeerde de botten van de dinosaurus en concludeert dat het dier op twintig punten sterk verschilde van diens nabije familieleden. Zo heeft de dino twee grote klauwen op zijn voeten. Deze klauwen lijken op zeisen en zouden bedoeld zijn om prooi te slachten.

De dinosaurus had ook korte, stevige poten en voeten waarin de botten als het ware fuseerden. Waarschijnlijk was dat om het postuur te verstevigen. De spieraanhechting van het dier wijst erop dat het enorm sterk was.


Balaur is een nieuw soort roofzuchtige dinosaurus die heel anders is dan wat we tot op heden gezien hebben,” vertelt onderzoeker Stephen Brusatte. “Zijn anatomie laat zien dat het dier waarschijnlijk op een heel andere manier joeg dan zijn familie.” De dinosaurus was een soort vogelachtige vleeseter en nauw verwant aan onder meer de Velociraptor.

“In vergelijking met de Velociraptor was de Balaur veel meer een kickbokser dan een sprinter. En de Balaur is waarschijnlijk in staat geweest om dieren die groter waren dan hemzelf te doden.”

De dinosaurus was zo’n 1,8 tot 2,1 meter lang en zou gejaagd hebben op diverse soorten dinosaurussen die op hun beurt de grootte van een koe hadden.

Het is onduidelijk hoe de Balaur – maar ook de andere dinosaurussoorten – op het eiland terecht zijn gekomen. Csiki vermoedt dat landbruggen hieraan hebben bijgedragen. Via een soort natuurlijk ontstane zandwalletjes zouden de dieren naar het eiland zijn gewandeld.

Uit eerder onderzoek was al gebleken dat Roemenië in de tijd van de dinosaurussen een bijzonder levendig gebied was met onder meer vissen, kikkers, salamanderachtige amfibieën, schildpadden, krokodillen, vogels, slangen en diverse zoogdieren.

Wetenschappers vermoeden dat ook grotere vleeseters hier de dienst uitmaakten, maar daar zijn nooit restanten van gevonden.


Een dinosauriër met dubbele klauwen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Van de vleesetende dinosauriërs uit het Laat Krijt in Europa is slechts weinig bekend. Er was zelfs niet één redelijk compleet skelet gevonden. Een groot deel van Europa was destijds, vanwege de hoge zeespiegelstand, opgesplitst in een grotere en kleinere eilanden, en in zulke gebieden kunnen zich bijzondere vormen ontwikkelen (zie o.a. Geonieuws 699 en 905). Zo was uit andere fossiele vondsten bekend dat de meeste dieren op deze Europese eilanden kleiner en primitiever waren dan hun verwanten die nog op het vasteland woonden. Deskundigen wisten daarom niet goed hoe de vleesetende dino’s uit het Europese Laat Krijt er hebben uitgezien, en ze wachtten dan ook vol spanning op de eerste grote vondst. Die is nu gedaan in Roemenië, dat destijds een eiland vormde. En het gaat inderdaad om een bijzondere dino.
Van het skelet zijn veel delen gevonden die een goede reconstructie mogelijk maken. Het dier, dat Balaur bondoc is gedoopt, was massief en had verrassend steltvormige poten waarvan de botten deels vergroeid waren. Maar dat is niet alles. De gevonden skeletresten vertonen maar liefst 20 eigenschappen die duidelijk verschillen van die van zijn verwanten, waaronder de bekende Velociraptor. De onderzoekers noemen Balaur bondoc dan ook ‘raar’. Een van zijn meest opvallende eigenschappen zijn de uiteinden van zijn achterpoten. Die bevatten een opnieuw geëvolueerde, functionele grote teen met een grote klauw die ver uitgestrekt kan worden. Daarmee kon hij een prooi gemakkelijk neerslaan. Dit is niet bekend van andere dino’s. Omdat hij ook een grote klauw aan zijn tweede teen had (wat gebruikelijk is voor de dromaeosariërs, de groep dino’s waartoe hij behoort), heeft hij een uiterst ongewone dubbelgeklauwde voet.

In tegenstelling tot zijn achterpoten zijn zijn voorpoten sterk in grootte gereduceerd, en ook hier zijn botten vergroeid. Met deze voorpoten kan hij moeilijk succesvol geweest zijn bij het jagen. Omdat zijn heupbeenderen enorm grote plaatsen voor spieraanhechtingen vertonen, wat betekent dat het dier zeer sterk was (en waarschijnlijk niet zo snel), moet worden geconcludeerd dat hij jaagde met zijn achterpoten, wat ook uitzonderlijk is. Meer een bokser dan een sprinter, was hij waarschijnlijk – net als veel huidige roofdieren – in staat om te jagen op dieren die groter waren dan hijzelf. Hij moet voor de fauna op het eiland Roemenië schrikaanjagend zijn geweest, temeer omdat er nooit een tand is gevonden die wijst op een andere grote jager. Echt groot was Balaur overigens niet: hij had waarschijnlijk het formaat van een fors uit de kluiten gewassen kalkoen.

Balaur bondoc compared in size to a human

Balaur is dus een volstrekt nieuw type dinosauriër, dat de hooggespannen verwachtingen van dit ‘eilanddier’ volledig waarmaakt. Overigens moeten er op de een of andere manier wel (tijdelijke?) verbindingen tussen de ‘Europese archipel’ en andere gebieden (Noord-Amerika, Azië en het vasteland van Europa) zijn geweest, gezien het feit dat dromaeosauriërs zowel op het Roemeense eiland als in de andere gebieden voorkwamen.




Dromaeosauridae – Wikipedia

Mahakala    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.< klik / Pluimgewich

Unenlagiinae   Shanag   Buitreraptor  Rahonavis  Unenlagia

Microraptorinae  Microraptor  Graciliraptor  Sinornithosaurus

Velociraptorinae  Tsaagan  Saurornitholestes Deinonychus   Velociraptor Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<klik   EEN PLUIM WAARD velociraptor mongoliensis  » Reageer (2)

Dromaeosaurinae      Adasaurus    Dromaeosaurus   Achillobator  Utahraptor

“Sid Vicious”  julieraptor/  


Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pluimgewicht     Alweer een nieuw fossiel  binnen  de dino-vogel connectie


Were dinosaurs warm-blooded?
Scientists have conflicting opinions on this subject. Some paleontologists think that all dinosaurs were “warm-blooded” in the same sense that modern birds and mammals are: that is, they had rapid metabolic rates. Other scientists think it unlikely that any dinosaur could have had a rapid metabolic rate. Some scientists think that very big dinosaurs could have had warm bodies because of their large body size, just as some sea turtles do today. It may be that some dinosaurs were warm-blooded. The problem is that it is hard to find evidence that unquestionably shows what dinosaur metabolisms were like.

Klik op de afbeelding om de link te volgen

Mahakala omnogovae. [Illustratie © Frank Ippolito 2007]
The newfound dinosaur Mahakala omnogovae bears feathers and winglike limbs in this artist’s reconstruction.
( Wat daadwerkelijk is gevonden
: Het fossiel bestaat uit holotype IGM 100/1033, een fragmentarisch skelet met delen van de schedel, ruggegraat en ledematen )
Het zou gaan om een bijna volwassen exemplaar

Onder de voorouderlijke groep van de vogels (in de familie van de theropoda ) kwamen kleinere specimens voor , zoals deze fossiele dinosaurus van 70 centimeters , die in het zuiden van de Gobiwoestijn (Mongolië )werd ontdekt, aantoont
“miniaturisatie gaat vooraf aan het verschijnen van nieuwe manieren van voortbeweging of van andere innovaties (bij bepaalde
dinosauriers en hun afstammingslijnen ) die uiteindelijk het vliegvermogen evolueerden ”


Zie verder ook mijn vorige blog over dino-vogels ;
KIP ZONDER KOP ? (<klik)

zie ook

Mahakala omnogovae,____ die naar één van beschermgoden uit het Tibetaanse boeddhisme werd gedoopt____, leefde minstens 80 miljoen jaren geleden , in het krijt , ( zoals werd verklaard door Alan Turner (American Natuurhistorisch museum of Natural History, NY) en zijn collega’s in het tijdschrift science van vrijdag 7 spetember 2007
De kleine omvang van deze Theropode toont aan dat de `’ miniaturisatie” bij de dinosaures zich reeds lange tijd voor de evolutie van het vliegen
heeft voorgedaan, in tegenstelling tot de opvatting dat de verkleining van de lichaamsafmetingen vaak als één van de laatste etappes voor het
verschijnen van de daadwerkelijke vlucht wordt beschouwd.

Door opnieuw de evolutie van de lichaamsafmetingen (gedurende de ontwikkeling in het het krijt) in de drie takken ( zie hieronder wiki artikel ) van de Theropoda ___
die worden beschouwd als de meest nabije verwanten van de primitieve vogels____te bekijken ;
, merkten Turner en zijn team op dat : voor twee geslachten de omvang met de factor twee of drie werden vergroot terwijl zij in het andere geslacht afnam .

Twee concurrerende ontwikkelings trends zijn dus te onderscheiden

A Basal Dromaeosaurid and Size Evolution Preceding Avian Flight (<klik)


The new dinosaur species, Mahakala omnogovae, is at the base of the dromaeosaurids, one of the two dinosaur lineages most closely related to birds. The other lineage includes troodontids. Credit: copyright Alan Turner


Van Wikipedia Mahakala (dinosauriër)

Mahakala omnogovae is een theropode dinosauriër behorend tot de groep van de Dromaeosauridae die tijdens het Late Krijt (Campanien) leefde in het gebied van het huidigeMongolië.

De soort is in 2007 beschreven door Turner. De geslachtsnaam verwijst naar Mahakala, een Dharmapala uit het Tibetaans boeddhisme; de soortnaam naar de provincie Ömnögovi in de zuidelijke Gobi.

Het fossiel bestaat uit holotype IGM 100/1033, een fragmentarisch skelet met delen van de schedel, ruggegraat en ledematen.

Mahakala was een erg kleine roofsauriër, ongeveer zeventig centimeter lang. Een kladistische analyse wijst uit dat het de meest basale bekende dromaeosauride was, een aanwijzing dat alle Paraves, de groep die de Deinonychosauria (Dromaeosauridae en Troodontidae) en Aves (vogels) omvat, afstammen van een kleine, wellicht vliegende, voorouder, zoals voorspeld door Gregory S. Paul. De vondst is dus niet in overeenstemming met een tot nu toe meer gangbare alternatieve hypothese dat de voorouders van de vogels eerst nog een grotere fase hebben doorgemaakt en afzonderlijk weer naar een kleiner formaat evolueerden.


Turner, A.H., D. Pol, J.A. Clarke, G.M. Erickson en M.A. Norell, 2007, “A Basal Dromaeosaurid and Size Evolution Preceding Avian Flight”, Science 317:1378-1381
A Basal Dromaeosaurid and Size Evolution Preceding Avian Flight (<klik)

Verenkleed tegen koude, niet om te vliegen – 27-04-2001

Een dino met warme vleugeltjes
( een  oud  artikeltje uit de Morgen over de ontdekking van de dromaeosaurus )
Katrijn Serneels
Dromaeosaurus  ergens  tussen vogels en dino’s  ?


Boeren die in China een spade in de grond staken ontdekten hem.
De dromaeosaurus waarop ze stootten was niet alleen een hoopje botten, maar er zat ook vel over zijn been.
En veren, tot de grote verbazing van paleontoloog Mark Norell.

‘Deze vondst verandert voorgoed mijn visie over hoe deze prehistorische dieren leefden’, zegt dr. Norell.
Want de eerste veren bij dino’s waren niet gemaakt om te vliegen, maar voor koude winternachten.

Hij lijkt wat op een eend met een lange staart en een waterhoofd.
Maar de dromaeosaurus die 130 miljoen jaar geleden de dood vond in Chinese grond, was geen makke eend, maar een roofdier. Net naast zijn linkervoet spartelt vandaag nog steeds een versteende vis.

De dromaeosaurus was een kleine, maar snelle dino.
Hij jaagde op twee benen zoals de Tyrannosaurus Rex, maar de vorm van zijn botten, al zijn ze niet geschikt om mee te vliegen, doen heel sterk denken aan hoe vogelbotten er vandaag uitzien.

“Op deze dromaeosaurus zat ik te wachten,”
zegt professor Ji Quang van de Chinese Academie van Geologische Wetenschappen, die samen met Mark Norell in Nature de geheimen van de dromaeosaurus onthulde.

Want eerder waren er al wel dino’s ontdekt met een hoopje veren in de buurt, maar nooit zaten ze vast aan zijn vel.
Dus dachten paleontologen eerder aan een ongelukkig vogeltje dat ten prooi gevallen was aan de roofzuchtige dino, dan aan een dino met veren.

Maar nu staat het onomstootbaar vast dat dino’s die niet konden vliegen, ook een verendek hadden.”

De dino had zijn veren ook niet nodig om te vliegen, maar om de overgang van koudbloedig naar warmbloedig wezen te maken.

“Moderne vogels zijn warmbloedig en hun veren spelen een belangrijke rol om hen warm te helpen houden,” zegt dr. Mark Norell.
“Het lijkt me aannemelijk dat dino’s die niet konden vliegen, een primitieve vorm van veren ontwikkelden op dezelfde moment dat ze warmbloedig werden.
Dus kunnen we ervan uitgaan dat kleinere dino’s zoals deze dromaeosaurus en zelfs grotere en recentere soorten zoals de Tyrannosaurus Rex een lichaam met verendek nodig hadden om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.”

De dromaeosaurus is de eerste dino waar je kunt zien hoe de veren in zijn vel waren ingeplant,
maar het is niet de eerste dromaeosaurus die gevonden is.

Al bij eerdere vondsten in Madagascar, Mongolië, Patagonië en Spanje ontdekten wetenschappers gelijkenissen met vogels.
In de vleugel van de moderne vogel zitten vandaag nog steeds drie botjes van  reptielenpootjes verborgen.
Ook de scherpe vorm van de snavel, en de drie tenen in hun vogelpootje, die trots naar voren wijzen, zijn een onmiskenbare erfenis van dino’s.

Van alle dinosaurussen ( die gevonden waren tot 2001)staat de dromaeosaurus het dichtst bij de vogels.En dankzij de vondsten van de laatste jaren zijn er meer dan honderd anatomische gelijkenissen ontdekt tussen de theropoden,
de klasse dino’s waartoe de dromaeosaurus behoort, en de vogels.

dr. Norell.
“Nu weten we dat de theropoden er in een verder stadium van evolutie niet uitzagen als gigantische hagedissen, maar eerder als rare vogels.”

Het idee dat dino’s en vogels familie zijn, is nog maar twee eeuwen jong.
Thomas Henry Huxley ontdekte rond 1850 iets vreemds toen hij vogels aan het observeren was.

Al heeft een dinosaurus geen snavel, de vorm en inplanting van zijn scherpe tanden deden Huxley verdacht veel aan vogelbekjes denken.
En toen hij ook de vorm en structuur van hun botten begon te vergelijken, groeide bij hem het vermoeden dat de dino misschien de grootvader van de vogel was.


Maniraptora  / Maniraptora ( engels)

phylogenies & classification   ;

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<(klik)     http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=1980139

Family Dromaeosauridae
The following classification of the various genera of dromaeosaurids follows the table provided in Holtz, 2011 unless otherwise noted.[2]


(De Morgen )

Een belangrijke gebeurtenis was  in die  jaren  ook  de ontmaskering van een  frauduleus fossiel ….  Archaeoraptor liaoningensis:
Archaoraptor fraude  ” National Geographic’s Major Embarrassment.”
Lichaam is van uitgestorven vogel, staart van kleine dino
Een uitgestorven visetende vogel is door paleontologen geïdentificeerd als het onbekende lichaam van het fossiel dat ooit bekendstond als een transitie( missing link volgens de crea’s )   tussen dinosaurussen en vogels.
Wetenschappers hebben onomstotelijk bewezen dat het fossiel van de Archaeoraptor, met de staart van een dinosaurus en de gevederde vleugels van een vogel, wel degelijk een samenvoegsel was van twee of meer verschillende fossielen, aan elkaar gekleefd met stevige lijm.
Wetenschappers leggen bedrog met fossiel bloot

The Independent/ London / Steve Connor/ De Morgen
the “ Piltdown-chicken “

Het fossiel kwam in 1999 aan de oppervlakte toen het magazine National Geographic een artikel publiceerde over de ontdekking en haar wetenschappelijke waarde. Meerdere paleontologen zouden bereid zijn om te sterven voor zo’n vondst, klonk het.
Al vlug echter verwerd de Archaeoraptor van “enige, echte ontbrekende schakel in de complexe keten die dinosaurussen met vogels verbindt” tot ‘Piltdown-kalkoen’, een verwijzing naar de bekendste vervalsing in de paleontologie.
Een team onder leiding van doctor Zhonghe Zhou van het Chinese Instituut van Paleontologie en Paleontropologie van Gewervelden in Peking heeft nu definitief een einde gemaakt aan de controverse.
De uitgestorven vogelsoort die gebruikt was om de chimaera te creëren, is geïdentificeerd.
In een studie, verschenen in het blad Nature, zegt doctor Zhou dat het lichaam van de Archaeoraptor eigenlijk dat van de Yanornis, een uitgestorven visetende vogel, is, gecombineerd met de staart van een kleine vleesetende dinosaurus van de groep van de dromaeosaurussen.
“Het lichaam van de Archaeoraptor, die volgens ons onderzoek nu zeker uit twee verschillende delen van twee verschillende soorten bestaat, is typisch voor de visetende vogel”,
 aldus de wetenschappers in Nature.
De Archaeoraptor was ‘ontdekt’ in de noord-oostelijke provincie Liaoning door een van de vele boeren die daar geregeld fossielen van dinosaurussen opgraven. Volgens Zhou was de verleiding om het fossiel een langere staart te geven wellicht te groot.
“Waarschijnlijk is dit specimen samengesteld door een Chinese boer die op die manier hoopte om het fossiel completer te doen lijken, om het zo voor een hogere prijs te kunnen verkopen.”
Het fossiel werd uit China gesmokkeld en belandde uiteindelijk in Amerika, waar een privé-verzamelaar het kocht voor 80.000 dollar. Het bleek het perfecte voorbeeld te zijn van een wezen dat half dinosaurus, half vogel was en groeide uit tot het ikoon van de evolutionaire overgang tussen de twee.

Maar kort nadat de artikels gepubliceerd waren, werd op dezelfde site in China de andere helft van de steen waarin het bewuste fossiel zat, gevonden. “Dat deel, waarin de staart en andere beenderen bewaard waren gebleven, bewees overduidelijk wat sommigen al vermoedden: de Archaeoraptor was inderdaad een samengesteld fossiel”, zegt Zhou.De staart van het fossiel werd geïdentificeerd als die van een Microraptor, een van de kleinste vleesetende dinosaurussen, die mogelijk in bomen leefde. De andere helft is nu dus geïdentificeerd als de Yanornis martini, die in diezelfde periode leefde, zo’n 115 miljoen jaar geleden. ”
Met de publicatie van deze studie is de identiteit van de beruchte Archaeoraptor eindelijk duidelijk. We kunnen nu met andere woorden zeker stellen dat hij was samengesteld uit de staart van de kleinste niet-vliegende dinosaurus, de Microraptor, en de middelgrote vogel Yanornis”, zegt Zhou
…… Deze ontmaskering, zegt doctor Zhonghe Zhou van het Chinese Instituut van Paleontologie en Paleontropologie van Gewervelden in Peking , brengt eerdere vondsten die duidelijk wijzen op een link tussen dinosaurussen en moderne vogels niet in diskrediet.
“Helemaal niet. Eerder dit jaar bijvoorbeeld hebben we een zeer primitieve vogel, de Jeholornis, beschreven.
Hij had een dromaeosaurus-achtige staart en heel wat eigenschappen die erop wezen dat hij kon vliegen”,
 zegt Zhou.
“Ondanks de onthulling van de Archaeoraptor zijn er nog voldoende geloofwaardige bewijzen die de dino-vogellink ondersteunen.”
Toch is het bedrog al uitgebuit door religieuze fundamentalisten die erop uit zijn elk bewijs van het “darwinisme “te ondermijnen.
“De belangrijkste les die we uit dit verhaal kunnen onthouden, is dat het illegale en niet-wetenschappelijk verzamelen en smokkelen van fossielen
de paleontologie geen goed doet.
We kunnen nooit te voorzichtig zijn in wetenschappelijk onderzoek.”



In 1996 werd in China een zogenaamde “gevederde dinosaurus” gevonden.
Hij kreeg de naam Sinosauropteryx prima.(China’s Feathered Dinosaur  1999
Peabody Museau of Natural History, Yale University)

John Ostrom (van Yale )is de auteur van de theorie( 30 jaar geleden geformuleerd )  dat vogels afstammen van dinosaurussen
Er zijn ondertussen  veel  rapporten over vondsten van “gevederde dinosaurussen”.
De vele fossiele vondsten uit  China  die sindsdien zijn  gedaan hebben ervoor gezorgd dat de meeste paleontologen Ostrom  gelijk geven.
Nog maar enkele tegenstanders hangen een andere theorie aan, die stelt dat vogels al lang voor het ontstaan van de dinosaurussen evolueerden,
en voortkomen uit primitieve reptielen.
Dat vogels en dinosaurussen op elkaar lijken, noemden die tegenstanders  bijkomstig:
de overeenkomsten ontstonden doordat vogels en theropoden beide op hun achterpoten liepen ( niet door  rechtstreekse verwantschap ) .
Ostrom en zijn collega’s onderzochten het gevederde fossiel – ‘Sinosauropteryx prima’ gedoopt, ‘eerste Chinese drakenveer’ – maar twijfelde zeer aan het idee dat de afdrukken rondom het lichaam wel door veren waren achtergelaten.
De Amerikanen hielden het op huidplaatjes van bindweefsel( collageen ) .

Ostrom  (en drie andere paleontologen) besloten in 1997 dat de “veren” van  de fossiele Sinosauropteryx prima
(http://www.dinosaurus.net/nieuws/sinosaur.htm) in werkelijkheid geen ” echte ” veren waren maar iets anders ….(1)
Kort daarop bevestigden Chinese onderzoekers dat idee …..

Niettemin wordt deze ontdekking nog steeds beschreven als “veren” (2) (zeggen creationisten )

Noten  bij deze controverse

noot (1)

Het gaat allemaal   om proto-veren  /Deze zeer eenvoudige veren bestonden uit een eenvoudige twee-vertakte vorm,
gelijkaardig aan de secundair primitieve veren van  de  moderne kiwi.

(citaat )

De Sinosauropteryx, waarvan in 1997 en 1998 in het noordoost-Chinese provincie Liaoning twee bijna complete skeletten zijn teruggevonden, was net als de Archaeopteryx een overgangsvorm tussen reptiel en vogel.
Deze soort leefde ± 140 miljoen geleden in China.
Het meest spectaculaire aan de vondst van Sinosauropteryx is de zwarte halo die rond het bovenlichaam loopt, van de kop tot aan het eind van de staart en aan de onderzijde van de staart maar ook plukjes over de rest van het lichaam.
Bij vergroting lijkt deze halo te bestaan uit kleine zwarte haarachtige structuren, waarschijnlijk hol, van ongeveer 40 mm lengte. Omdat de haarachtige structuren door elkaar heen lopen zijn zij bij leven waarschijnlijk zacht en plooiend geweest.
Zeker nog geen echte veren maar misschien een soort van proto-veren, ook al omdat veren waarschijnlijk als zulke haarachtige structuren moeten zijn ontstaan.

Het dier had ongeveer de grootte van een kalkoen en was van kop tot staart ± 70 cm lang, had een zeer lange staart, en langs de nek, rug en staart een donkere band van met een vezelige structuur.
Volgens de onderzoekers was dit de afdruk van een donzige huidbedekking: korte dikke haren, die net als nagels waren opgebouwd uit keratine. “Protoveren” noemden ze die.; een eerste ontwikkeling van reptielschubben naar vogelveren. Ze waren tussen de 4 en 40 cm. lang en hadden zich ontwikkeld uit haarvormige structuren op de reptielenhuid. Deze protoveren hadden waarschijnlijk een isolerende functie en moesten de lichaamstemperatuur op peil houden. 

De Sinosauropteryx was volgens de onderzoekers nauw verwant met de Compsognathus, waarvan in Duitsland en Frankrijk fossielen zijn opgegraven van ± 147 miljoen jaar oud.
Maar deze eerste Chinese vondst was niet duidelijk genoeg: al tijdens de persconferentie merkte een journalist op:
Ik zie die veren niet”.
Daarna volgde ook uit wetenschappelijke hoek soms smalende kritiek.
De collageenvezels in de staart van een zeeslang kunnen ook een pluizige structuur achterlaten die verdacht veel lijkt op de huidbedekking van Sinosauropteryx.
In een fossiel is het vaak moeilijk om de exacte begrenzing van het lichaam te bepalen, dus misschien zaten de “veren” niet op, maar onder de huid. De echte voorouder van Archaeopteryx is dus nog steeds niet gevonden en kunnen de theropoden ook nog steeds niet definitief worden gekoppeld aan de vogels.

Laatst bijgewerkt: 27-10-06  

Er  doken  echter  IN 2007  nieuwe belangrijke ontwikkelingen / nieuwe studies  ,  op  in  verband  met deze controverse  bij het bestuderen van een nieuw  ontdekt  fossiel van deze soort




( abstract )

A new Chinese specimen indicates that  ‘protofeathers’ in the Early Cretaceous theropod dinosaur

Sinosauropteryx are degraded collagen fibres

Theagarten Lingham-Soliar

1,*, Alan Feducciaand Xiaolin Wang3


Biological and Conservation Sciences, University of KwaZulu-Natal, Private Bag X54001, Durban 4000, Republic of South Africa2Department of Biology, University of North Carolina, Chapel Hill, NC 27599-3280, USA3Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology, Chinese Academy of Sciences,PO Box 643, Beijing 100044, China

Alleged primitive feathers or protofeathers in the theropod dinosaur

Sinosauropteryx have potentially profound implications concerning feathermorphogenesis, evolution of flight, dinosaur physiology and perhaps even the origin of birds, yet their existence has never been adequately documented. We report on a new specimen of Sinosauropteryx which shows that the integumental structures proposed as protofeathers are the remains of structural fibres that provide toughness. The preservation in the proximal tail area reveals an architecture of closely associated bands offibres parallel to the tail’s long axis,which originate fromthe skin. In adjacentmore exposed areas, the fibres are short, fragmented and disorganized. Fibres preserved dorsal to the neck and back and in the distal part of the tail are the remains of a stiffening system of a frill, peripheral to the body and extending fromthe head to the tip of the tail.These findings are confirmed in the holotype Sinosauropteryx and NIGP 127587. The fibres show a striking similarity to the structure and levels of organization of dermal collagen. The proposal that these fibres are protofeathers is dismissed.


theropod; Sinosauropteryx; collagen; protofeather

Merk op dat Alan Feduccia, een fervent opponent van de “birds are  dinosaurs” hypothese, coauteur is. Al in 1999 in z’n boek “The Origin
and Evolution of birds”

 hij tot dezelfde conclusie, nl. dat het hier om collageenvezels  in de huid zou gaan.
Het laatste woord zal hierover nog wel niet gesproken zijn.


Creationisten babbel in verband met deze controverse   :

( Sommige creationisten  zeggen ongeveer  ) :
” …. 
Het lijkt mij, dat hiermee de evolutie toch definitief is weerlegd,
en dat aangetoond is hoe wetenschappers samenzweren om een loopje met de waarheid te nemen….”

*Dat zou de creationistische strategie  kunnen worden ( van sommige simplistische  doorsnee creationisten  zoals op het net is te lezen ) om de resultaten van deze studies  zo  te interpreteren.
In werkelijkheid gaat het om  een poging  tot  de weerlegging van een deelhypothese door mensen die allang  de afstamming van de vogels uit de  groep der   
Compsognathidae   (< klik) betwisten .
( niet om de weerlegging van de theorie die de vogels van de compognathidae laat afstammen en nog veel minder om een falsificatie van de evolutietheorie ) .

Gezien de basale fylogenetische positie van Sinosauropteryx (Coelurosauria, Compsognathidae) kun je hooguit
concluderen dat bewijs voor een vederachtige lichaamsbedekking op dat niveau nog ontbreekt. Bij latere dino’s (bv. Microraptor) vinden we  onmiskenbare veren

*Ik zou trouwens  ook  niet weten waarom dit een probleem zou opleveren voor de evolutietheorie.
Er is namelijk meer dan zat ander bewijs.

* De evolutietheorie is in zijn algemeenheid nog  steeds wat hij ongeveer honderdvijftig jaar geleden was toen Darwin
hem opschreef, gebaseerd op variatie en “survival of the fittest” De  stellingen die niet juist blijken te zijn( zoals hier alweer ) , gaan over details,
Als wetenschappers een discussie hebben over de precieze diameter of de precieze massa van  de aarde, concludeer je daar toch ook niet uit dat de laatste
stelling bij de “rondheidstheorie” niet de juiste is?

noot (2)
dat zouden de creationisten graag willen maar dat is niet zo / de beschrijving is aangepast( zoals hierboven al is te zien  en in de links van wikipedia  hieronder )  ; de “echte” vogel- veren  claim  bysinosauropteryx prima   komt  alleen nog maar voor in veroudere artikels http://nl.wikipedia.org/wiki/Sinosauropteryx

Er is geopperd dat  protoveren misschien zijn ontwikkeld om HET LICHAAM WARM TE HOUDEN  …

Bovendien zijn  Vogels(net als zoogdieren ) diersoorten  die in staat zijn hun lichaamswarmte te behouden

Was  sinoseuropteryx  koudbloedig  ?

Dit artikel behandelt de vraag of dinosauriërs warmbloedig (endotherm) of koudbloedig (ectotherm)waren. Dat heeft gevolgen voor de activiteit die dieren kunnen ontwikkelen, met name als de buitentemperatuur laag is. Geciteerd wordt uit het werk van de onderzoeker
Ruben uit Oregon, die meent te hebben aangetoond dat ze ectotherm waren, hoewel ze door het leven in een vrij warm klimaat en door hun enorme afmetingen toch vaak een redelijk hoge temperatuur bezeten zullen hebben. De schrijver zet vraagtekens bij de opvattingen van


……Het Oregonteam onderzocht (ook )de longstructuur van Sinosauropteryx, de gefossiliseerde zachte weefsels hielpen het team bij hun conclusie dat Sinosauropteryx een relatief simpele krokodilachtige longstructuur bezat waardoor het dier niet in staat zou kunnen zijn geweest te voldoen aan de
benodigde hoeveelheid gasuitwisseling welke nodig is voor een leven als een endotherm.

Volgens Ruben is het niet noodzakelijk dat zij de zelfde zuurstofconsumptie of -activiteit bezaten als moderne hagedissen.
“Zij kunnen er iets tussenin hebben gehad.
Maar dit bewijs schijnt de mogelijkheid van een endothermisch bestaan van dinosauriërs uit te sluiten “…..

Deinonychus  mirificus

 Deinocheirus from the Late Cretaceous of Mongolia. That’s still a mysterious animal. No one really knows what it is. That’s all that’s ever been found, those two very large arms.They’re terrifying.
It’s probably a type of dinosaur called a therizinosaur which is a very weird group of dinosaurs that’s not very well-known, which are actually close relatives of a lot of meat-eating dinosaurs but that became secondarily vegetarian, so they’re very odd, but the arms are all that’s ever been discovered of that particular species of dinosaur.Of course there are many, many dinosaurs that are known from just a few fragments, because that’s what you have with fossils, particularly with huge fossils, if you think about it. The larger an animal is the less likely it is that you’ll get it all preserved
Deinocheirus mirificus appears to have been a giant ornithomimosaur of Montolia. The holotype (2Pal MgD-1/6) is a set of limb elements. These remains were found in the Nemegt Formation at Altan Ula III, site 2, in Mongolia. They are of early Maastrichtian age (c 70 million years ago).

Phil R. Bell, Philip J. Currie, and Yuong-Nam Lee wrote an article titled Tyrannosaur feeding traces on Deinocheirus (Theropoda: ? Ornithomimosauria) remains from the Nemegt Formation (Late Cretaceous), Mongolia. It was published in 2012.
This quote from the abstract says:
Bite marks attributed to Tarbosaurus bataar are identified on fragments of gastralia from the giant putative ornithomimosaur Deinocheirus minificus. Hundreds of bone fragments collected from the holotype quarry of D. mirificus by members of the Korea-Mongolia International Dinosaur Project at Altan Uul III (Mongolia) were visually inspected for biomodification. Parallel striae and gouges were identified on two gastralia, which are interpreted as bite marks. Serration marks, interpreted from parallel striae, are broadly U-shaped and measure 0.5 mm in diameter. A comparison of these marks with the denticles of Nemegt theropods reveals the tyrannosaur, Tarbosaurus as the most likely culprit. The identification of tyrannosaur bite marks on the bones of D. mirificus sheds light on both the diet of Tarbosaurus and the taphonomy of the only known specimen of Deinocheirus. This link has the abstract and fossil photos.


A basal dromaeosaurid and size evolution ….wiz


Bones of dinosaur, aardonyx celestae Bones of Aardonyx celestae, a newly discovered fossil skeleton, in Johannesburg. Photograph: Alexander Joe/AFP/Getty Images http://www.theguardian.com/science/2009/nov/11/dinosaur-aardonyx-celestae-south-africa
Aardonyx celestae
Aardonyx est un nouveau genre de dinosaure décrit en 2009. Aardonyx celestae, l’espèce type et unique espèce du genre, est un sauropodomorphe qui vivait au Jurassique inférieur.
Aardonyx celestae a été mis au jour en Afrique du Sud. Les fossiles sont assez bien conservés. L’analyse du crâne, des mâchoires, de la colonne vertébrale ainsi que des membres antérieurs montrent que ce dinosaure représente une transition fondamentale au sein du groupe des sauropodomorphes.
Ce groupe s’est divisé en deux branches au Trias supérieur :
Les prosauropodes
Les sauropodes.
Mais, Aardonyx celestae se situe au cœur de la transition et n’est ni un prosauropode, ni un sauropode.
Ce dinosaure était bipède mais son squelette montre les prémices de la démarche quadrupède qui est la caractéristique propre à tous les sauropodes.
Ses mâchoires sont étroites et les dents sont celles d’un végétarien.
Sa taille est estimée à 7 m de long.
Cette découverte est donc importante car ce sauropodomorphe pourrait bien représenter un maillon essentiel dans l’évolution de ce groupe.
Classification : Saurischia Sauropodomorpha
V. Battaglia (19.11.2009)
Yates, A. M., Bonnan, M. F., Neveling, J., Chinsamy, A. and Blackbeard, M.G. (2009) A new transitional sauropodomorph dinosaur from the Early Jurassic of South Africa and the evolution of sauropod feeding and quadrupedalism. Proc. R. Soc. B doi:10.1098/rspb.2009.1440
Abdallahsaurusnomen nudum, probably Brachiosaurusor Giraffatitan







Meer afbeeldingen  <—

  1. Abelisaurus is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de Abelisauridae, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Argentinië. Hij was een tweebenige vleeseter, die zeven tot negen meter lang kon worden. Wikipedia
Abelisaurus    Abelisaurus 
  • Abelisaurus
  •   abdelosaurid  affa
  • DinosauriconAbelisaurus – (“Abel’s lizard”) is a genus of abelisaurid theropod dinosaur from the Late Cretaceous Period of what is now South America. It was a bipedal carnivore that probably reached 25 to 30 feet (7 to 9 meters) in length, although it is known from only one partial skull. The generic name recognizes Roberto Abel as the discoverer of the specimen and former director of the provincial Museum of Cipolletti in Argentina, where the specimen is housed. It also incorporates the Greek σαυρος/sauros, meaning ‘lizard’. There is one named species, A. comahuensis, which honors the Comahue region of Argentina, where the fossil was found. Both genus and species were named and described by Argentine paleontologists Jose Bonaparte and Fernando Novas in 1985, who placed it in the newly-created family Abelisauridae. Many other abelisaurids have since been discovered, including extremely complete specimens of Aucasaurus, Carnotaurus and Majungatholus. Some scientists place Abelisaurus as a basal abelisaurid, outside the subfamily Carnotaurinae. Others are less certain of its position. Abelisaurids share some skull features with the unrelated carcharodontosaurids and, since Abelisaurus is known only from a skull, future discoveries may show that this genus was in fact a carcharodontosaurid. However, this is thought unlikely. The one known fossil skull of Abelisaurus is incomplete, especially on the right side. It is also missing most of the palate (roof of the mouth). Despite the missing pieces, it is over 33 inches (85 centimeters) long. Although there are no bony crests or horns, like those found in some other abelisaurids, such as Carnotaurus, rough ridges on the snout and above the eyes might have supported some kind of crest made out of keratin, which wouldn’t have become fossilized. There are also very large fenestrae (window-like openings) in the skull, which are found in many dinosaurs and reduce skull weight.Disputed Age Abelisaurus is one of the many dinosaurs that have been discovered in Patagonia. It was originally described as coming from the Allen Formation but subsequent research proved the remains were actually found in the older Anacleto Formation (part of the Neuquén Group) of Rio Negro Province, Argentina. The Anacleto is a geologic formation in South America, dating from the early Campanian stage of the Late Cretaceous Period, between 83 and 80 million years ago.


  • Suborder: Theropoda Infraorder: Ceratosauria Family: Abelisauridae Genus: Abelisaurus Species: A. comahuensis



(links ): Abelisaurus comahuensis (rechts): modelskull voor het genus  )

  • Abelisaurus skull   //   Theropoda : Late Cretaceous Locality: Rio Colorado Formation, Argentina Completeness: 90% Length: 1 meters…..This is the cast replica of the skull of the theropod dinosaur Abelisaurus comahuensis. The skull of Abelisaurus has a huge opening at the side, just above the jaws, much larger than in other dinosaurs. The dinosaur is named after the Argentinian museum director who found the remains.


Abelisauroidea  : syn (Abelisauria <– Abelisauroidea)

____________________________________________________________________________________      *Abdelosaurus  : misspelling  —>  abelisaurus                            ___________________________________________________________________________________


Abrictosaurus: http://palaeos.com/vertebrates/ornithischia/ornithopoda.html http://www.dinosaurus.net/genera/AAA/abrictosaurus.htm http://ageofdinosaurs.com/dinosaurs/abrictosaurus.htm http://www.palaeocritti.com/by-group/dinosauria/early-ornithischians/abrictosaurus


Early Jurassic (200 million years ago) About 4 feet long and 100 pounds Small size; combination of beak and teethAs with many dinosaurs, Abrictosaurus is known from limited remains, the incomplete fossils of two individuals. This dinosaur’s distinctive teeth mark it as a close relative of Heterodontosaurus, and like many reptiles of the early Jurassic period, it was fairly small, adults reaching sizes of only 100 pounds or so. Based on the presence of primitive tusks in one specimen of Abrictosaurus, it’s believed this species may have been sexually dimorphic,with males differing from female.   _______________________________________________________________________________________





Meer afbeeldingen

  1. Abrosaurus is een geslacht van sauropode dinosauriërs, behorend tot de Macronaria, dat tijdens het Jura in het gebied van het huidige China leefde. Wikipedia




Abydosaurus Abydosaurus


Meer afbeeldingen  <—-

  1. Abydosaurus is een geslacht van sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Macronaria, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Utah. Wikipedia

_______________________________________________________________________________________ °




Meer afbeeldingen  <—

  1. Acanthopholis is een geslacht van plantenetende gepantserde ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Thyreophora, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland.Wikipedia
     Ankylosauridae  –>zie hieronder 




Meer afbeeldingen  <—-

Achelousaurus horneri holotype MOR 485 Discoverer: Sid Hofsteader, 1987 Collector: C. Ancell, and the 1987 Field Crew Land: PVT. Glacier County Museum of the Rockies

Achelousaurus horneri holotype MOR 485 Discoverer: Sid Hofsteader, 1987 Collector: C. Ancell, and the 1987 Field Crew Land: PVT. Glacier County Museum of the RockiesMeer afbeeldingen <—

  1. Achelousaurus is een uitgestorven geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Ceratopia, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. ameika







achillesaurus  phylogenetic positionphylogenetic position of achillesaurus

Meer afbeeldingen<—

  1. Achillesaurus is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Alvarezsauridae die tijdens het Late Krijt leefde in het gebied van het huidige Argentinië.




Posted Image http://carnivoraforum.com/topic/9867019/1/ Achillobator_giganticus_skeleton http://qilong.8m.com/Achillobator.html     _______________________________________________________________________________________________

  • Acracanthus – original invalid name of Acrocanthosaurus                    _____________________________________________________________________________________
  • Acristavus  Acristavus is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
  • _____________________________________________________________________________________________

Later on , and with a bit of work, I quickly produced the skeletal above, which addressed some of the basics.

It wasn’t a horrible attempt – it accurately captures almost all of the proportions, and many of the changes since have been either due to newer research getting published, or on changing interpretations in soft tissue reconstruction.

One thing mistake in this earlier version is that the neural spines were too tall – I had based their height on the mount of the Fran specimen, but it turned out that neural spines were not complete in that specimen (at least not the ones in the back, sacrum, or the front part of the tail). A review of other specimens ruled out such a grandiose neural spine height, and that also has implications for paleoartists wondering how to illustrate the back. Two important papers were published on Acrocanthosaurus after that early skeletal. One was on the forearm, which showed that the arm couldn’t actually reach as far forward as I’d illustrated it (and also clarified details of the size and shape of all the elements). Another paper was published in the last year that updated our understanding of the skull of Acrocanthosaurus. When I was asked if I could supply the skeletal to an upcoming book, it was clear that I had to revamp the skeletal before sending it along…  

Which brings us back to my current skeletal.

In addition to the new skull and arm data, the newfangled Acrocanthosaur naturally sports my new skeletal pose.
So how crazy different is it? In some ways it’s pretty similar – the overall dimensions really didn’t change, and that’s a good thing. A bunch of more subtle soft-tissue changes took place, but a couple of obvious ones involve the tail and the neck.The tail in the newer one has a heavier base, reflecting the research by Persons and Currie on tyrannosaur tails that I wrote about last year.
The tail also is a bit less bouncy.
The current skeletal is moving at a more sedate pace, and its tail is no longer bouncing along like a dropped garden hose.
The neural spines on the tailhave also been updated, with the spines on the front of the tail (near the hips) shorter to reflect other specimens, and the ones in the middle a bit taller, again based on other specimens.Looking at the neck, the silhouette is no longer shrink-wrapped as tightly to the skeleton., suffice it to say that the newer Acro would have an easier time wolfing down large pieces of meat it tore off a carcass.A final set of changes were made in the pectoral girdle (the shoulder region). I added a furcula which, while not found in Acrocanthosaurus, now appear to be a primitive feature found in all theropods.
Additionally, I used to illustrate a large cartilaginous presternum that split the coracoidsapart (you can see it poking out the bottom and front of the chest area on the older skeletal).Reflecting the articulated chest regions of other non-maniraptoran theropods,
I changed it to a smaller presternum, that would have ended sooner and allowed the coracoids to almost contact one another along the midline. This slightly changes the outline in side view, but in front or top view has the effect of narrowing the front of the torso across the shoulders. Now if only someone would produce multiple-angle skeletals of Acrocanthosaurus to show this off…
Meer afbeeldingen  <— Acrocanthosaurus is een monotypisch geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Carnosauria, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Oklahoma.Wikipedia
acrocanthosaurus_01.jpg (1104×366)

oudste Pachycephalosaurus ontdekt

dino Wetenschappers hebben in Canada een nieuwe soort dinosaurus ontdekt. Het gaat om een relatief klein exemplaar: de dino was ongeveer zo groot als een flinke hond. De vondst laat maar weer eens zien hoe groot de diversiteit onder kleine dinosaurussen was. De dinosaurus heeft de naam Acrotholus audeti gekregen. De dinosaurus behoort tot de groep Pachycephalosaurus . Deze dinosaurussen staan bekend om hun dikke schedeldak: bovenop de schedel bevindt zich een soort ‘bobbel’ die helemaal uit bot bestaat. Waarschijnlijk gebruikten de dinosaurussen deze bobbel tijdens gevechten waarbij ze hun koppen tegen elkaar aan drukten. Evolutie A. audeti leefde ongeveer 85 miljoen jaar geleden. Het is daarmee de oudste Pachycephalosaurus die ooit in Noord-Amerika en mogelijk zelfs wereldwijd is aangetroffen. “Acrotholus voorziet ons van een schat aan informatie als het gaat over de evolutie van Pachycephalosaurussen,” vertelt onderzoeker David Evans. “Hoewel het één van de eerste bekende leden van deze groep is, is zijn verdikte schedel verrassend goed ontwikkeld.” De nieuwe soort woog zo'n 40 kilo en was een planteneter. De dinosaurus bewoog zich op twee poten voort.Afbeelding: © Julius Csotonyi. De nieuwe soort woog zo’n 40 kilo en was een planteneter. De dinosaurus bewoog zich op twee poten voort. Afbeelding: © Julius Csotonyi. Kleintjes en groten Het komt regelmatig voor dat wetenschappers nieuwe soorten dinosaurussen ontdekken. Meestal gaat het echter om grote exemplaren (dino’s die meer dan 100 kilo wogen). Grote vraag is of dit een goed beeld geeft van de populatie dinosaurussen: waren er echt meer grote dan kleine dino’s? Of zijn de resten van de giganten gewoon beter bewaard gebleven dan die van de kleintjes? Vondsten zoals A. audeti kunnen ons daar wellicht een antwoord op geven. Schedels van Pachycepahlosaurussen worden regelmatig teruggevonden, omdat ze zo dik zijn en dus niet zo gemakkelijk vergaan. Door deze schedels te bestuderen, kunnen onderzoekers meer te weten komen over de diversiteit onder kleine, plantenetende dinosaurussen. “We voorspellen dat vele nieuwe dinosaurussoorten zoals Acrotholus nog ontdekt moeten worden,” vertelt onderzoeker Michael Ryan, verbonden aan het Cleveland Museum of Natural History. “Dit volwassen exemplaar met de dikke schedel suggereert dat er een onontdekte, verborgen diversiteit aan kleine dinosaurussen is.” De dinosaurus in vergelijking met een mens. Ook ziet u een stuk van de verdikte schedel. Afbeelding: Caleb Brown.


De dinosaurus in vergelijking met een mens. Ook ziet u een stuk van de verdikte schedel. Afbeelding: Caleb Brown.


In the foreground of this photo is the pachycephalosaur skull cap the research team discovered in 2008; behind it is the similar specimen that had been in the Royal Ontario Museum's collection for decades. Cleveland Museum of Natural History; Royal Ontario Museum

In the foreground of this photo is the pachycephalosaur skull cap the research team discovered in 2008; behind it is the similar specimen that had been in the Royal Ontario Museum’s collection for decades.
Cleveland Museum of Natural History; Royal Ontario Museum

The 2008 holotype specimen(  Skull holotype specimen of Acrotholus audeti, found by Caleb Brown in 2008.)in the foreground with the ROM’s older discovery to the right
.Photo credit: Brian Boyle, ROM

De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door © Julius Csotonyi.
Time-calibrated phylogenetic tree of Pachycephalosauria. Parsimony analysis resulted in 13 most parsimonious trees, with a Tree Length of 68 steps, a Consistency Index of 0.72 and a rescaled Consistency Index of 0.58. The most stratigraphically consistent tree (also the tree with the best Gap Excess Ratio, see Supplementary Methods) was used for time calibration. Time-calibrated results indicate substantial missing diversity in the pachycephalosaur fossil record, which would be considerably greater without taxa known only from their taphonomically robust domes. Taxa indicated with grey are known only from cranial material, and those in black are known from postcranial remains. Bar graph (bottom) tracks species richness of pachycephalosaurs, taxa with postcrania (black), taxa known from isolated cranial material only (grey) and inferred based on ghost lineages from the phylogeny (white).



__ADAMANTISAURUS MEZZALIRAI escala_________________________________________________________________________________________________











Aerosteon riocoloradensis  : Weer bevestiging voor het idee dat vogels afstammen van dino’s.
– Paleontologen hebben in de Argentijnse provincie Mendoza de botten van een dinosaurus opgegraven die waarschijnlijk een vogel-achtig ademhalings-systeem bezat Het dier was zo’n 10 meter groot en had veren. Maar in plaats van longen die krimpen en uitzetten had de dino uitsparingen voor twee luchtzakjes. Die pompten zeer waarschijnlijk de lucht in de niet -uitzetbare longen, net als bij vogels.Vogels hebben maar kleine longen, maar voor het vliegen hebben ze heel veel zuurstof nodig, en een zwaargebouwd systeem zoals het onze zou niet handig voor ze werken. Lichtgewicht (maar sterke ) bouw en een goede geconcentreerde en direct aanspreekbare energieleverancier ( =insekten , vlees, olierijke zaden ,suikerrijk nectar …goede zuurstoftoevoer ) primeert immers bij het ontwikkelen van de betere vliegvermogen ( dat geld ook voor vliegtuigen ) Het is trouwens ook een van de redenen waarom een “pegasus ” niet kan bestaan = een zware vliegmachine die wordt gestookt met stro , hooi en gras gebruikt een veel te lage energiebron ….*Bij ons zetten alleen onze longen uit (gebruiken we ons middenrif voor). Daardoor wordt er vanzelf lucht naar binnen gezogen. En als we uitademen, dan krimpen ze weer terug.*Vogels, echter, hebben rigide longen, maar ze hebben verschillende luchtzakken verspreid over hun lichaam (in de nek, in de buik, en in de borstkas) die wél uit kunnen zetten- d’r past meer lucht in die zakken dan in de longen zelf, maar terwijl ze inademen worden er ook luchtzakken gebruikt om weer zuurstofarme lucht kwijt te raken. Je zou bijna kunnen zeggen dat vogels tegelijkertijd in- en uit kunnen ademen.
 fig http://www. sci.sdsu.edu/multimedia/birdlungs/av..
.fig 1
1.- luchtzakken en longen bij vogels : laterale doorsnede (From Animal Physiology, M. Stewart, 1991)  < voor vergroting 
Figuur 2. dorsale doorsnede (From Animal Physiology, M. Stewart, 1991) < klik  voor vergroting <—Vogels hebben een soort ‘turbolongen’, die zelf nauwelijks van vorm veranderen. (2B) Dat doen wel de blindzakken, die werkelijk overal in de vogel zitten, tot in de holle botten toe (zie figuur 1). De vogellong maakt tweemaal gebruik van de lucht. De eerste maal bij het inademen, de tweede maal bij het uitademen. Tussendoor stroomt de lucht in de blindzakken, die als blaasbalgen door de spieren en het skelet van de vogel beurtelings onder druk worden gezet. De longen zelf hebben geen longblaasjes zoals bij ons, maar bestaan uit lange buisjes, parabronchiën (zie figuur 2), waar de haardunne bloedvaatjes omheen gespiraliseerd zijn. De lucht stormt letterlijk door de buisjes en staat snel z’n zuurstof af aan de zelfs daarop aangepaste rode bloedlichaampjes. Als men de twee verschillende typen bloed microscopisch bestudeert, dan vallen enig dingen op. Als vogels dezelfde platte dropvormige en kernloze bloedlichaampjes zouden hebben als wij, dan zouden ze hun haarvaten mijns inziens verstoppen. Onze bloedlichaampjes hebben deze vorm omdat ze het meest geschikt zijn voor ons systeem van ademhaling met de miljoenen longblaasjes. De vogels hebben daarentegen evengrote maar ellipsoïde, zeer gestroomlijnde bloedlichaampjes. Deze vorm wordt in stand gehouden door de compacte kern in het bloedlichaampje. Dit type bloedlichaampje moet dezelfde zuurstofopnamecapaciteit (verhouding van oppervlakte-haemoglobinevolume ) hebben als ons type bloedcel, maar is geschikt om zeer snel te kunnen stromen door de haarvaatjes rond de parabronchiën. Vogels hebben een enorm efficiënte manier van ademhaling, geheel geschikt voor hun actieve vliegende levenswijze. …..—VIDEO van de perskonferentie in Mendoza
http://www.spitsnieuws.nl/archives/video/2008/09/dino_gevonden_die_ademde_als_v.html Aerosteon riocoloradensis ( luchtbot van de Rio Colorado” )

  • Basale (allosauroide?) tetanura theropode
  • 9 a 10 meter
  • Cañadon Amarillo, Rio colorado Patagonia /Argentina
  • Laat krijt -84MYAerosteon riocoloradensis ademhalingssysteem (2)
  • Summary of pneumatic features of the theropod Aerosteon riocoloradensis. (A)-Silhouette reconstruction in left lateral view showing preserved bones of the holotype and referred specimens (MCNA-PV-3137-3139); body length approximately 9-10 m. (B)-Left quadrate in posterior view. (C)-Dorsal 14 in left lateral view with enlarged cross-sections of the neural spine and transverse process. (D)-Furcula in anterior view with sagittal cross-section. (E)-Cross-section of medial gastral element from the anterior end of the cuirass showing pneumatocoel. (F)-Left ilium in lateral view with enlarged cross-section of pubic peduncle. Scale bars equal 5 cm in B, 10 cm (3 cm for cross-sections) in C, 10 cm (same for cross-section) in D, 2 cm in E, and 20 cm (6 cm for cross-section) in F. Abbreviations: aqj, articular surface for the quadratojugal; asq, articular surface for the squamosal; bfo, brevis fossa; ca, canal; dipc, diapophyseal canal; ep, epicleideum; hpo, hyposphene; ilb, iliac blade; isped, ischial peduncle; ns, neural spine; pa, parapophysis; pc, pleurocoel; pnec, pneumatocoel; pned, pneumatic depression; pnep, pneumatopore; poap, postacetabular process; poz, postzygapophysis; pped, pubic peduncle; prap, preacetabular process; prz, prezygapophysis; ptfl, pterygoid flange; qc, quadrate condyles; qf, quadrate foramen; qh, quadrate head; se, septum; tp, transverse process.
  • Veel van de gefossiliseerde beenderen van Aerosteon zijn sterk uitgehold( = gepneumatiseerd ) — m.a.w. voorzien van inwendige holle ruimtes :luchtholtes .In veel van dergelijke holtes ( bij de vogels ) zijn tegenwoordig luchtzakken aanwezig die meehelpen een gelijkmatige luchtstroom(met eenrichtingverkeer ?) te onderhouden in de niet uitrekbare longen van vogels (en dino’s)Zo zijn bijvoorbeeld o.a. de wervels van Aerosteon zijn zeer sterk doortrokken van luchtholten. Dit bracht Sereno ertoe in de beschrijving in detail zijn ideeën te uiten over pneumatisering bij de theropoden in het algemeen. Hij meent dat het een sterke aanwijzing is voor de aanwezigheid van luchtzakken, zoals bij vogels, maar dat bij meer basale theropoden die luchtzakken niet ook in de borstholte aanwezig waren maar slechts evenwijdig aan de ruggegraat (“Fase I”). Pas bij de Tetanurae zou dat veranderen. Dat bij Areosteon ook het vorkbeen, het darmbeen en de buikribben gepneumatiseerd zijn, ziet hij als het beste bewijs tot nog toe voor die overgang (“Fase II”). Bij de Maniraptoriformeszou de ademhaling dan ondersteund worden doordat het borstbeen als pomp gaat fungeren (“Fase III”), terwijl de Maniraptora een volledig vogelachtig systeem zouden ontwikkelen (“Fase IV”). Het systeem met luchtzakken leidde tot een superieure zuurstofvoorziening en maakte zo dat het dier bij de jacht minder snel buiten adem raakte.Moderne vogels hebben een dergelijk type ademhaling geërfd van hun theropode -voorouders waarbij dit systeem is geevolueerd die een verbeterde ademhaling mogelijk maakten , of om het gewicht lichter te maken( en groter risico op botbreuk? ) om zodoende de balans beter te kunnen houden bij een snelle sprint op twee poten , of een ingebouwd afkoelsysteem dat oververhitiing moet voorkomen De extreme graad van pneumatisatie die in relatief primitieve theropoden zoals deze Aerosteonis aangetoond , helpt de wetenschappers om puzzel rond de specifieke eigenschappen en evolutie van het eerste vogels-ademhalingssysteem te ontrafelen.
  • reconstructie van de longen ( rood ) en de luchtzakken ( andere kleuren ) Aerosteon was 10 meter lang en bezat stijve vogelachtige achterpoten . —Illustration by Todd MarshallDe vondst “Laat weinig twijfel over het bestaan van echte vogelachtige luchtzakken in het ademhalingsysteem van leden van de theropoden (1) zei P Sereno, paleontoloog van de University of Chicago. Zijn onderzoekers vonden holten in het darmbeen , maagribben en het vorkbeen ( Furcula ): dat zijn goede diagnostische aanwijzingen voor de aanwezigheid van luchtzakken in het levende dier De pijlen wijzen kleine openingen in het dijbeenbot aan. Op deze plek hechten kleine luchtzakjes zich aan het bot. http://www.kennislink.nl/web/show?id=212713 <– In het dijbeen van deze theropode dino werden kleine openingen met een sponsachtige structuur gevonden. Geen beschadiging (zoals je op het eerste gezicht misschien zou denken/ en wat reeds is geopperd door minsten een ID-creationist ) maar een plek waarbij kleine luchtzakjeszich aan het bot hechten en/of het bot binnendringen. Hoe de paleontologen dit zo zeker weten? Moderne vogels, die voor hun ademhaling gebruik maken van verschillende luchtzakjes, hebben vergelijkbare structuren in hun botten.
    Image:Furcula evolution3.png http://en.wikipedia.org/ wiki/Image:Furcula_evolution3.png Evolutie van de furcula ( vorkbeen )


     Figure 11. <— Furcula of the theropod Aerosteon riocoloradensis.Furcula (MCNA-PV-3137; cast) in anterior (A) and posterior (B) views. Scale bar equals 10 cm. Abbreviationsep, epicleideum; pnec, pneumatocoel. Evidence for Avian Intrathoracic Air Sacs in a New Predatory Dinosaur from Argentina

    http://news.nationalgeographic.com/news/2008/09/photogalleries/meat-eating-dinosaur-photos/photo2.html http://www.sciencedaily.com/releases/2008/09/080929212931.htm PHOTOS: Meat Eating Dino had Birdlike Breathing System

    De Aerosteon dinosaurusschedel werd nauwgezet door Sereno’ s team geprepaard uit een in 1996 ontgraven rotsblok met het volledige fossiel erin ; Daarbij is gebruik gemaakt van een binoculaire microscoop en kleine trillende(tandarts ) boren ; de onderzoekers maakten zorgvuldig de beenderen uit de rots los Toen de onderzoekers begonnen met de heup en het darmbeen vrij te maken , merkten ze een barst op . Toen ze voorzichtig binnenin gingen kijken , ontdekten ze de eerste pneumatiserende holte in de beenderen van deze theropode


    Sereno, P. C., Martinez, R. N., Wilson, J. A., Varricchio, D. J., Alcober, O. A., Larsson, H. C. E., 2008. Evidence for Avian Intrathoracic Air Sacs in a New Predatory Dinosaur from Argentina PLoS ONE 3(9): e3303. doi10.1371/journal.pone.0003303. internet *Press Release *Blog Around the Clock: Aerosteon riocoloradensis– the new dinosaur with hollow bones. *Greg Laden’s Blog: Aerosteon riocoloradensis: A Very Cool Dinosaur from Argentina

    (1-) De “Nieuwe ” argentijnse vondst bevestigd dit brits onderzoek dat werd bekend gemaakt in November 2007 -De vogel-achtige longen die voorspeld waren bij dino’s zijn in voormeld onderzoek voor het eerst gevonden aan ribben van fossielen. ( De vermoedelijk ) Snelle en wendbare roof- dinosauriers zoals de velociraptors bezaten een energieverslindende levensstijl waarschijnlijk te danken aan hun manier van ademen. Dat blijkt uit een Brits onderzoek waarover de BBC bericht. http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/7081166.stm Deze dino’s hadden één van de efficiëntste ademhalingssystemen van alle dieren, gelijkaardig aan dat van moderne zwemvogels als pinguïns. http://monado2.blogspot.com/2006/04/dinosaur-lungs.html Credit: Zina Deretsky, National Science Foundation Blaasbalg Hun ribben en borstbeen werkten als een soort blaasbalg. Het systeem pompte hun enorme lijf heel snel vol zuurstof, waardoor ze bliksemsnel prooien konden achtervolgen, zeggen onderzoekers van de universiteit van Manchester. Het systeem deed de onderzoekers denken aan dat van vogels, de nakomelingen van de dino’s. “Het is een mechanisme dat ‘vliegend ademen’ toelaat bij dieren die niet kunnen vliegen, en bestond dus al lang voor vliegende dieren zich ontwikkelden”, zei professor Jonathan Codd, de leider van het onderzoek. (sam)

    Velociraptor dino ‘had feathers’ 20 Sep 07 | Science/Nature
    Dino reputation ‘is exaggerated’  11 Oct 05 | Science/Nature
    Bird-like dinosaur forces rethink  13 Oct 05 | Asia-Pacific
    basics, avian respiration.research, “Study Documents Bird-like Breathing Systems in Long-extinct Dinosaurs”.

    (2) Tegenslag voor de creationisten W.I.E.Creationisten beweerden ; http://members.chello.nl/~a.hekstra2/Zijn%20dinosauri%EBrs%20ontstaan%20uit%20vogels.htm ” …..De longen van vogels zijn interessant. Zij zwellen en krimpen niet zoals bij de longen van andere dieren. Lucht wordt ingenomen en vloeit weg in één richting, en het bloed stroomt in de andere richting. Dit verhoogt de zuurstof opname vanuit de lucht naar het bloed. Het is zeer goed bruikbaar voor vogels die zeer hoog vliegen.( want ook minder zuurstof aanwezig op grotere hoogte ) Vleermuizen doen het heel goed zonder dit mechanisme Dit is natuurlijk volledig naast de kwestie Ook vogels die zeer laag vliegen bezitten hetzelfde systeem ….De vogels hebben geen keus , het zit gewoon in hun afstammingslijn Vleermuizen bezitten een ander ademhalingssysteem( dat van de zoogdieren ) dat eveneens erg efficient is Bovendien zijn hoogvliegende vogels eindpunten van een lange evolutionaire ontwikkeling binnen de vogels Hoogvliegerij is zeker geen aangetoonde basale of “primitieve ” eigenschap (en per vooraf opgestelde definitie ) van vogelachtigen De goede zuurstoftoevoer naar het bloed is zeer belangrijk niet alleen voor het vliegen op grote hoogte , maar voor alle snelvliegende en snellopende dieren Het snelste zoogdier in de sprint de vliegensvlugge jachtluipaard doet het met met zoogdierlongen net zo goed als de roofvogels in termen van fitness  Wat is dan het probleem? Evolutie zegt dat de bruikbare, overleving-verbeterende eigenschappen worden geselecteerd. * Adaptationisme is echter niet de enige verklarings mogelijkheid voor het overerfbaar behoud en de fixering van een eigenschap ( niet alle “bewaarde ” eigenschappen zijn nuttig ) -Neutrale eigenschappen ( zie ook SJ Gould, Lewontin RC : “The Spandrels of San Marco and the Panglossian Paradigm: A Critique of the Adaptationist Programme” http://ethomas.web.wesleyan.edu/wescourses/2004s/ees227/01/spandrels.html ) kunnen evenzeer worden doorgegeven in het genetische erfgoed -Natuurlijke selectie is niet het enige evolutiemechanisme Voor een glijdend reptiel dat in bomen leeft zou zo’n long geen noodzakelijk voordeel bieden. Dat zou zelfs nog meer het geval zijn voor een dinosaurus die op het land leeft. Snellopende en bewegelijke rovers ( raptors / theropoden ) zouden daar echter heel veel baat bij kunnen hebben Bij reptielen stroomt de lucht in en uit de longen in tegengestelde richtingen, maar bij een vogel stroomt de lucht, zoals gezegd, in één richting. reptielen zijn een zeer grote verzamel groep … Naast hagedissen , slangen , schildpadden , krokodillen zijn er de uitgestorven groepen Daaronder zijn klassieke Dinosauriers een grote groep binnen de ” reptielen “ die minstens even gevarieerd lijkt als de zoogdieren en de oude voorlopers van de krokodilachtigen De jongste classificaties op basis van de cladistiek , rekenen de vogels trouwens tot de hedendaagse “overlevende” dinosauriers *Trouwens ook zoogdieren zijn van de basale oude reptielengroepen afkomstig



  • Evolutie van reptielen tot vogels zou een tussenvorm vereisen. Een overgangsdier die overgangslongen heeft zou deze longen onbruikbaar vinden. ( je weet wel dat is de bekende drog-redenering : —> “wat is het nut van een halve vleugel ” of ” een half oog ” ? klik–> Slecht en half oog )Dit kan geen overleving-verbeterende toestand zijn.Natuurlijk wel …zie nut van halve vleugel hierboven Fossiele resten van dit “overgangsdier “, een blijkbaar succesvolle landbewoner met vogelachtige luchtzakken en holle beenderen , is dus nu gevonden …het is wel degelijk een ” overleving-verbeterende ” toestand geweest bij deze ( snelle en wendbare? ) theropode landrovers ( zie hierboven de uitspraken van P Sereno ….. )(2B) Het hier gedeeltelijk geciteerde stukje ( overigens een goede beschrijving van de vogelademhaling )is afkomstig van creationisten …Zoals gewoonlijk is rest van het creationistisch stukje een partijdige mengeling van uitstekende wetenschappelijke data , maar ook regelrechte erbij geplakte rethorische truuks en apologetische bagger …. http://home.planet.nl/~hoek0153/pag19.htmlDeze ” andere” ( = modernere ) zogenaamde “ID”- creationisten vinden het vogelsysteem (en bijhorende samenstelling van het bloed )een prachtig voorbeeld van Design!( en misschien wel “onherleidbaar” ontwerp )Alleen is het niet noodzakelijk en automatisch een design door een ID-ontwerper….het kan evengoed het kan evengoed het produkt van ” blind watchmaker” geknutsel dat werkt door middel van afstamming , genetische overdracht en veranderingen (=mutaties dus ) en Natuurlijke selectie, zijn …..Het kan ook een “prachtig ” voorbeeld zijn van de processen van de evolutie …dat evenzeer de ver- en bewondering opwekt in een van zijn produktenTenslotte vraagt de auteur Is een reptielen ademhalingssysteem ook nog eens door toeval en selectie om te bouwen tot dat van de vogels? terwijl de vraag NU ( en zeker na de ontdekking van deze tussenstap ) moet zijn ; is een theropoda ademhalingsysteem door de werking van Natuurlijke selektie en mutaties ( of andere vormen van genetische info-toename–> HGT , ERVS , genduplicaties etc …. ) ooit om te knutselen tot dat van vogels ?

    W.I.E.Als uitsmijter een belachelijk stukje onvervalste bijbelarij van boven de Moerdijk (maar wel in een beter Nederlands dan het mijne ) Dino’s in de overgang <—klik is een stukje YEC-creationisme van een ‘ollander- bietekwiet -vertaler ( speciaal aan te bevelen voor vlamingen die enig leedvermaak niet schuwen ) …. Het is een dubbelzinnig stukje over de recente argentijnse vondst vermengd met desinformatie, en met enige morosofe zever ondermeer over dat onmogelijke zondvloedverhaal Het zoetwater aquarium van Noach...<–. Vooral het toegvoegd kommentaar van die ‘ollander -vertaler is een stukje infame zever van het allerhoogste niveau : wie dit nog echt gelooft is werkelijk een randdebiel, die niet meer kan worden gered uit de onwerkelijke fantasie en wenswereld van deze sekten … . Ik moet trouwens altijd aan “Poe’s Law” denken als ik dergelijke stukjes lees

    Theropode dinosaurussen hadden al een basale vorm van vogelachtig longsysteem met eenzijdige doorstroming van de longen



    Een nieuw onderzoek heeft uitgewezen dat dinosaurussen een ademhalingssysteem hebben gehad dat lijkt op het systeem dat moderne vogels hebben. Dit is natuurlijk de zoveelste aanwijzing dat vogels geëvolueerd zijn uit theropode dinosaurussen.

    Ademhaling bij zoogdieren

    Vogels hebben een geheel ander ademhalingssysteem dan andere gewervelde dieren, reptielen en zoogdieren inbegrepen. Het is een veel effici챘ntere manier om zuurstof via de longen op te nemen in het bloed dan bij zoogdieren waaronder mensen. Het ademhalingssysteem bij zoogdieren zal ik maar kort verklaren want dat is vrij duidelijk, je doet het zelf de hele dag. Bij zoogdieren wordt lucht in de longen gepompt (via inademen) en die worden groter zoals een ballon en daar wordt de zuurstof door middel van de vele alveoli opgeslagen in het bloed en zodoende door het lichaam getransporteerd. De overgebleven lucht in de longen is nu zuurstofarm en wordt via het uitademen naar buiten getransporteerd. De longen krimpen weer maar zijn niet helemaal leeg. Er blijft altijd wat lucht in de longen aanwezig zodat de long niet inklapt. Zou alle lucht uit de longen geperst worden (zoals bij een klaplong) is het heel moeilijk om er weer lucht in te krijgen. Dat lukt je zelf niet eens en de doktor moet er aan te pas komen om de long op te blazen. Denk maar aan een ballon, om de eerste lucht in de ballon te krijgen is veel moeilijker dan om er later lucht bij te blazen. Maar de achtergebleven lucht is zuurstofarm en bevat dus weinig zuurstof en vermengd zich met de nieuwe zuurstofrijke lucht die daardoor eigenlijk minder zuurstof bevat dan zou kunnen. Nu hebben we daar weinig last van want zoogdieren zijn de dominante soort op aarde na het uitsterven van dinosaurussen geworden maar vogels hebben heel veel zuurstof nodig om de energieconsumptie van het vliegen op te vangen.

    Ademhaling bij vogels

    Het ademhalingssysteem van vogels werkt anders, allereerst zetten de relatief kleine longen van vogels niet uit maar hebben een vaste omvang. Dit wordt gecompenseerd door luchtzakken die in het lichaam verspreid voorkomen en die wel kunnen uitzetten (sommige) en waarvan de meeste moderne vogels er negen hebben. Die luchtzakken lopen vaak zelfs door tot in de beenderen en wervels. Ook hebben vogels een eenzijdige doorstroming van de longen. Dit betekent dat er vrijwel een constante doorstroming is van de longen met zuurstofrijke lucht. De luchtzakken slaan alleen lucht tijdelijk op en helpen niet mee met de gasuitwisseling. De voorste luchtzakken bestaan uit;

    • een interclaviculaire luchtzak
    • twee nekluchtzakken
    • twee voorste borstkasluchtzakken
    De achterste luchtzakken bestaan uit;
    • twee achterste borstkasluchtzakken
    • twee buikluchtzakken
    De negen luchtzakken kunnen eigenlijk worden vereenvoudigd tot twee types, de voorste en de achterste luchtzakken. Daarmee kunnen we het volgende schematische ademhalingssysteem van vogels maken.
  • De 4 fases van het ademen bij vogels
  • We kunnen de ademhaling van vogels in 4 fases verdelen,

    Ademhalingsfase 1, de eerste keer inademen De lucht stroomt door de luchtpijp en bronchi챘n hoofdzakelijk naar de achterste luchtzakken,en een deel naar de longen. Ademhalingsfase 2, de eerste keer uitademen De lucht stoomt uit de achterste luchtzakken naar de longen. Dit is nog steeds zuurstofrijke lucht en verdrijft de al aanwezige lucht.. Ademhalingsfase 3, de tweede keer inademen De oude lucht stroomt uit de longen naar de voorste luchtzakken. Dit is zuurstofarme lucht. Ademhalingsfase 4, de tweede keer uitademen De zuurstofarme lucht wordt uit de voorste luchtzakken naar buiten getransporteerd.

  • Inademen

    Een volledige ademhalingscyclus van een vogel zier er dan als volgt uit: Inademen Het borstbeen beweegt naar voren en beneden terwijl de ribben zich verwijden. Hierdoor worden de luchtzakken groter en zakt de luchtdruk waardoor lucht naar de zakken toe stroomt.

    • Lucht stroomt van de luchtpijp naar de achterste luchtzakken
    • Gelijktijdig stroomt lucht van de longen naar de voorste luchtzakken


    Uitademen Het borstbeen beweegt terug en opwaarts en de ribben trekken weer terug waardoor het volume van de luchtzakken wordt verkleind. Hierdoor wordt de lucht in deze zakken naar buiten gedreven.
    • Lucht uit de achterste luchtzakken stroomt in de longen
    • Gelijktijdig stroomt de lucht uit de voorste luchtzakken naar buiten en verlaat het lichaam
    Om een ‘pakketje’ lucht door het ademhalingssysteem van een vogel te transporteren zijn dus twee ademhalingscycli nodig! (Zie boven fase 1 tot 4) maar heeft als voordeel dat er een constante stroom van zuurstofrijke lucht door de longen stroomt. Er zit dus altijd zuurstofrijke lucht in de longen die zich niet vermengt met zuurstofarme lucht zoals bij zoogdieren.
    Zie ook:
    basics, avian respiration. research,
  • Ademhaling bij dinosaurussen
    Wat heeft dit nu met dinosaurussen te maken? Zoals al eerder vermeld lopen de luchtzakken van vogels door tot in de beenderen en wervels. Die zijn dus hol en staan in verbinding met die luchtzakken. Van theropode dinosaurussen is al lang bekend dat ze ook holle beenderen bezitten, dus werd de mogelijkheid van een vogelachtig ademhalingssysteem al snel onderkent. Maar enkele recente studies brachten de geleerden toch weer aan het twijfelen, ook al omdat er nooit goed onderzoek was gedaan naar deze holle beenderen en zeker geen vergelijkend onderzoek met moderne vogels was uitgevoerd. Recente studies stelden dat dinosaurussen een krokodilachtig longsysteem zouden hebben met een hepatic-piston (lever-zuiger) manier van ademhalen. Hierbij wordt de lever door spieren op en neer bewogen waardoor lucht in de longen stroomt.
    Deze claims kwamen nadat in Itali챘 een zeer goed geconserveerd skelet van een dinosaurus (Scipionyx) was gevonden. De auteurs van dit onderzoek kwamen echter tot die conclusie na bestudering van foto’s en hadden het specimen niet echt gezien!

    Na bestudering van 234 moderne vogels en een zeer goed bewaard gebleven skelet van Majungatholus atopus komen de onderzoekers tot de conclusie dat de holle beenderen van vogels die worden gepenetreerd door de luchtzakken overeenkomen met de holle beenderen van theropode dinosaurussen. De 234 vogels werden hiervoor met een contrastvloeistof ingespoten (alle vogels waren verkeersslachtoffers en al dood) om de verspreiding van de luchtzakken en pneumatische beenderen te bestuderen. Zodoende konden alle pneumatische beenderen in verband worden gebracht met regiospecifieke luchtzakken. Het volgende invariabele patroon kon hierin worden ontdekt.

    1. Een uitstulping van de nek-luchtzak infiltreert de nekwervels en ribben, en de eerste rugwervel
    2. Uitstulpingen van de buik-luchtzakken lopen door in de staartwervels, synsacral (heiligbeenwervels die vergroeid zijn met de achterste rugwervels) en laatste rugwervel
    3. Bij de meeste vogels lopen vertakkingen van de long zelf door in naastgelegen wervels en ribben
    Andere luchtzakken staan niet in verbinding met pneumatische beenderen of dringen meer of minder het borstbeen, schoudergordel en voorste ledematen binnen. In geen enkel geval liepen de uitstulpingen van de nek-luchtzak verder door dan de middelste rugwervels. Dit is belangrijk omdat aangenomen werd dat alle holle beenderen worden gevormd door de nek-luchtzak bij vogels, maar ook bij dinosaurussen. Hierbij wordt de belangrijkheid van de buikluchtzakken en de longen in het doordringen tot in de holle beenderen onderschat. Een evaluatie van de pneumatische beenderen van non avian theropode dinosaurussen laat een consistent plaatsafhankelijk patroon zien dat overeenkomt met die van moderne vogels. Het skelet van Majungatholus, een basale neotheropode, laat de aanwezigheid zien van holle beenderen in de nekwervels, rugwervels en de omgeving van de heup. De holtes in de nekwervels komen overeen met de uitstulpingen van de nek-luchtzak bij moderne vogels. Het is opmerkelijk dat de nekwervels relatief de grootste openingen hebben van alle non avian dinosaurussen. Alleen de eerste vier wervels van de wervelkolom hebben pneumatische centra, terwijl de neurale bogen over de gehele lengte pneumatisch zijn. Deze vorm van pneumaciteit komt veel voor in theropode dinosaurussen, waarschijnlijk een aanwijzing voor een vast verankerde long die hoog en voor in de ribbenkast in de richting van de nek heeft gelegen. Holle beenderen van de meer naar achteren gelegen wervels en de heiligbeenwervels uiten zich vooral bij de wervelbogen en komen overeen met de uitlopers van de buikluchtzakken. Een afnemende grootte en aantal van de foramina in de wervels nummer 12 en 13 van de borstkas, samen met de toename van de pneunmaciteit van de heiligbeenwervels wijzen op twee verschillende oorsprongen van holtes in deze beenderen, een bron voor de borstkas en een bron voor de heup. Het algemene patroon van holle beenderen bij Majungatholus komt in de gehele Theropoda voor, duidelijk in alle vormen van de Neotheropoda. Pneumaciteit van de bekken komt ten minste voor in enkele leden van abelisauro챦de, spinosauro챦de, allosauro챦de, ornithomimosauro챦de tyrannosauro챦de en maniraptoro챦de groepen dinosaurussen, een aanwijzing van een consistente en wijdverbreide doordringing van caudaal gesitueerde luchtzakken bij ‘non avian’ theropode dinosaurussen. De pneumaciteit van het postcraniale skelet dat voorkomt in ‘non avian theropod dinosaurs’, dus theropode dinosaurussen die niet onder vogels vallen, houdt de mogelijkheid van een vorm van luchtzaksysteem open dat verder all챕챕n bij vogels voorkomt. De specialisaties die we zien in het voorste deel van het skelet en weefsel van vogels behouden vrijwel een constant volume van de holte van het longsysteem bezet. Beweging van het borstbeen, ribben en heupen zorgen voor drukverschillen die een luchtstroom in stand houden. Hoge snelheid r철ntgenfoto’s van het skelet en ingewanden tijdens deze luchtstromen laten een grotere uitzetting zien van de ventrocaudal romp (onderste, achterste deel). Hierdoor worden de grootste volumeveranderingen van het ventilatiesysteem na de longen geproduceerd, waardoor het noodzakelijke drukverschil dat nodig is voor een doorstroomventilatie ontstaat.

    Aanpassingen van het skelet die overeenkomen met het inademingssysteem van vogels komen al voor in basale neotheropoden, waaronder een relatieve stijve borstwervelkolom met het hiermee samenhangende hyposphene-hypantra gewricht en een robuust voorste deel van de borstkas. (hyposphene-hypantra: uitstulping van wervel past precies in inkeping van volgende wervel). In het voorste deel van de borstkas zorgt de verticale stand van de diapophysis en parapophysis, de wervelgewrichten die articuleren met de twee koppen van elke rib, voor een bijna niet in te deuken frame voor de holte van het ademhalingssyteem. De orientatie van de vertebrocostale gewrichten (wervel en ribben) verandert gelijdelijk naar een horizontale positie tussen wervel 4 en 9, zodat de meer naar achteren gelegen ribben meer bewegingsruimte naar de zijkanten hebben. Dit en de beweging van de gastralia (buikribben) zorgen voor een onlangs voorgestelde ademhalingspomp die grotere volumeveranderingen in het achterste deel van de romp kan bewerkstelligen. En dit is nu net een van de primaire voorwaarden bij de eenrichtingsdoorstroming van het longsysteem van vogels. Pneumatische beenderen komt men ook tegen in de zeer grote sauropoden en de vliegende pterosauri챘rs, dus het kan zijn dat deze eigenschap eigenlijk een karakteristiek is van de Ornithodira. Maar voor conclusies omtrent het longsysteem van deze groep dieren is het veel te vroeg omdat er geen levende nazaten bekend zijn waarmee vergelijkingen kunnen worden getrokken zoals bij de theropode dinosauri챘rs en vogels. Ook kan het zijn dat deze holle beenderen en/of misschien luchtzakken ook voor andere redenen kunnen zijn ontstaan zoals het lichter maken van de beenderen. Sauropoden en pterosauri챘rs zouden hiervan dus beiden profiteren.

    <!– –>

    Conclusie van de auteurs

    De auteurs van Basic avian pulmonary design and flow-trough ventilation in non-avian theropod dinosaurs denken dat voor elk model voor de evolutie van eenzijdige doorstroming van de longen er met de longen in verbinding staande gebieden moeten zijn die achter de plaats liggen waar de gasuitwisseling plaats vindt (meestal de longen), en als dinosaurussen dan wel of niet warmbloedig zijn geweest, ze leken in ieder geval eerder op moderne vogels dan op reptielen. Deze studie laat zien dat basale neotheropoden de anatomische aanpassingen hadden om een op moderne vogels lijkend longsysteem te hebben, de mogelijkheid benadrukkend dat deze karakteristiek vroeg in de evolutie is ontstaan, en consistent met de verhoogde metabolische waarden bij theropode dinosaurussen.

  • Waarom zijn dit type longen mogelijk ontstaan

    Al in 2003 kwam paleontoloog Peter Ward met een mogelijke verklaring voor het ontstaan van eenzijdige doorstromingslongen bij dinosaurussen. Er zijn bewijzen dat het zuurstofgehalte in de lucht van 275 tot 175 miljoen jaar geleden v챕챕l lager was dan tegenwoordig, zo laag zelfs dat het ademen op zeeniveau leek op ademen op zeer grote hoogte. Peter Ward denkt dat deze lage zuurstofwaarden, samen met een verhoogde temperatuur door het broeikaseffect twee grote massa extincties heeft veroorzaakt. Hij denkt ook dat deze zware condities de ontwikkeling van een ongewoon ademhalingsapparaat hebben versneld. In plaats van een diafragma om lucht in en uit de longen te pompen hebben dinosaurussen van de orde Saurischia longen die in verbinding staan met luchtzakken die als een soort blaasbalg hebben gefunctioneerd. Dit systeem dat nog steeds wordt gebruikt door nu levende vogels maakten van dinosaurussen zelfs beter toegeruste dieren dan zoogdieren in een tijd dat het zuurstofgehalte van lucht maar de helft was van de tegenwoordige 21%. Tot nu toe werd altijd gesteld dat dit ademhalingssysteem was ontstaan omdat vogels dan tijdens het vliegen konden ademen maar zoals Peter Ward zegt; “ik heb nog nooit van een vliegende Brontosaurus gehoord!”, “Als je bedenkt dat vogels op hoogtes vliegen waar veel minder zuurstof is en combineert met het feit dat het zuurstofgehalte op zeeniveau maar 10 – 11% was ten tijde dat dinosaurussen evolueerden valt alles op zijn plaats. Het is hetzelfde als dat je op 14000 voet (4275 meter) ademt. Als je ooit zo hoog bent geweest weet je dat het dan niet makkelijk ademen is”.

    Bronnen: Basic avian pulmonary design and flow-trough ventilation in non-avian theropod dinosaurs, Patrick M. O’Connor & P.A.M. Claessens, Nature vol 436/14 july 2005 BIO 554/754 Ornithology www.dinosauria.com How Animals Work: Avian Respiratory Dynamics Animation  VM8054 Veterinary Histology Ultra-low oxygen could have triggered mass extinctions, spurred bird breathing system




—> Archosauria  http://en.wikipedia.org/wiki/Archosaur Archosaur ankle types: Adapted with permission from Palaeos Tibia           Fibula           Astragalus           Calcaneum

Primitive mesotarsal ankle.

Reversed crurotarsal ankle crurotarsans  <— Doc .

Crocodilian form of crurotarsal ankle .


“Advanced” mesotarsal ankle.

°  Crocodile and Bird-type ankles One cladistic hypothesis has it that archosaurs (including thecodontia) can be classified according to whether they had crocodile-type or bird-type ankles.  The Crocodile-type ankle ones are called Crocodylotarsi.  This group includes the unfortunately named Pseudosuchia (“false crocodiles”) and the Crocodylia.  The bird-ankled types are called Ornithosuchia or Dinosauromorpha, and include the former “pseudosuchian”Ornithosuchidae, the Dinosaurs, and the birds.  The Pterosaurs may also be included here.  The Proterosuchia are too primitive to belong to either the crocodile or bird ankled group.  Here are two cladograms(reproduced in Lars Juul’s article “The phylogeny of basal archosaurs”, Palaeont. Afr., 1994,) presenting this hypothesis. ° http://en.wikipedia.org/wiki/Aetosaurhttp://www.ucmp.berkeley.edu/diapsids/pseudosuchia/aetosauria.html http://palaeos.com/vertebrates/archosauria/aetosauria2.html http://scienceblogs.com/tetrapodzoology/2008/01/31/aetosaurs-and-whistle-blowing/ Redondasuchus reseri,, a Late Triassic aetosaur (Reptilia: Archosauria) from New Mexico (U.S.A.) http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0016699596800283 The Robo-aetosaur Paratypothorax andressorum http://chinleana.fieldofscience.com/2009/04/robo-aetosaur-paratypothorax.html Desmatosuchus haplocerosLate Triassic aetosaur Desmatosuchus (Archosauria: Pseudosuchia) http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1631068305000382 Parker, W.G. 2007. Reassessment of the aetosaur ‘Desmatosuchus’ chamaensis with a reanalysis of the phylogeny of the Aetosauria (Archosauria: Pseudosuchua). Journal of Systematic Palaeontology 5: 41-68. doi:10.1017/S1477201906001994 Parker, W.G. 2008. Description of new material of the aetosaur Desmatosuchus spurensis (Archosauria: Suchia) from the Chinle Formation of Arizona and a revision of the genus Desmatosuchus. PaleoBios 28:1–40. Desmatosuchus spurensis (see Parker, 2008)!



Desmatosuchus haplocerus du Trias supérieur du Texas





afrovenator        Afrovenator « chasseur africain » atteignait 9 mètres de long. Ce prédateur vivait au Crétacé inférieur, il y a approximativement 130 millions d’années. Bipède, comme tous les théropodes, ce prédateur était bien équipé pour chasser les sauropodes. Son crâne d’environ un mètre de long était équipé d’une mâchoire puissante. Ses dents en lame de couteau mesuraient 5 cm de long. Il possédait également trois longs doigts à chaque main munis de griffes crochues. Comme pour tous les théropodes classés parmi les Tetanurae (à queue rigide), Afrovenator possédait une queue peu mobile. Afrovenator ressemble beaucoup à Allosaurus, un théropode qui a vécu au Jurassique supérieur. Comme Allosaurus, le crâne d’Afrovenator est allégé par de nombreuses cavités. Il présente une crête au-dessus des yeux. Cependant, ces crêtes et ornementations osseuses sont peu développées. On a retrouvé des traces fossiles de morsures d’Afrovenator sur les restes d’un jeune Jobaria tiguidensis. Ce sauropode qui, adulte, pouvait atteindre 20 m de long était très commun en Afrique au Crétacé inférieur. Il a été lui aussi découvert par l’équipe de Paul Sereno sur le site de Gadoufaoua et dans la région In’Gall au Niger. Les très nombreux squelettes retrouvés laissent penser que ce sauropode devait vivre au sein de troupeaux assez importants. L’humérus d’Afrovenator est plus long que celui d’Allosaurus. Cela peut laisser penser que ce prédateur était assez rapide. Afrovenator est le premier théropode presque complet que l’on découvre en Afrique dans les couches du Crétacé inférieur. Cette découverte prouve que les tétanoures primitifs étaient toujours présents à cette période en Afrique.



Tsjok DeClercq op Dinosauricon A : Afrovenatorinae – Pinterest









. De restanten van het dier werden gevonden in het huidige Hongarije. Toen de dinosaurussen nog leefden, was dit gebied een eilandje.de gehoornde  Ajkaceratops at voornamelijk planten. Behalve in Hongarije was de dinosaurus ook in het oosten van Azië en het westen van Noord-Amerika te vinden. Hoe de Ajkaceratops vanaf het vaste land op een eiland als Hongarije terecht is gekomen, is onbekend. Wetenschappers zijn er echter van overtuigd dat de dinosaurus van eiland naar eiland is gereisd. Wellicht door van rots naar rots te springen, via één of andere landbrug of simpelweg door te zwemmen  .


alamosaurus °Alashansaurusnomen nudum; Shaochilon ° Alaskacephale ° ,Albalophosaurus °Albertaceratops albertaceratops °Albertonykus



° albertosaurus Albertosaurus Albertosaurus Albertosaurus Albertosaurus Albertosaurus



 Albertosaurus ( meaning “Alberta lizard”) …. is a genus of tyrannosaurid theropod dinosaur that lived in western North America during the Late Cretaceous Period, more than 70 million years ago.


The type species, A. sarcophagus, was restricted in range to the modern-day Canadian province of Alberta, after which the genus is named.


Scientists disagree on the number of species represented in the genus, recognizing either one or two species.


As a tyrannosaurid, Albertosaurus was a bipedal predator with a massive head, jaws lined with dozens of large teeth and tiny, two-fingered ‘hands’….. It may have been at the top of the food chain in its local ecosystem. Although relatively large for a theropod, Albertosaurus was much smaller than its more famous relative Tyrannosaurus, probably weighing only as much as a modern black rhinoceros.


Fossils of more than twenty individuals have been recovered, providing scientists with a more detailed knowledge of Albertosaurus anatomy than is available for other tyrannosaurids.


The discovery of ten individuals at one site provides evidence of pack behavior and allows studies of developmental biology which are impossible with lesser-known animals.Albertosaurus was smaller than the truly gigantic tyrannosaurids like Tarbosaurus and Tyrannosaurus. Adults measured approximately 9 m (30 ft) long. Several independent mass estimates, obtained by different methods, suggest that a full-grown Albertosaurus weighed between 1.282 tonnes (1.4 short tons) and 1.685 tonnes (1.85 short tons). The massive skull of Albertosaurus, perched on a short, S-shaped neck, was approximately 1 m (3.3 ft) long in the largest adults.


Wide openings in the skull (fenestrae) reduced the potential weight of the head, and provided areas for muscle attachment and sensory organs. Its long jaws contained more than 60 banana-shaped teeth; larger tyrannosaurids possessed fewer teeth.


Unlike most other theropods, tyrannosaurids were heterodont; the teeth took different forms depending on their position in the mouth. The premaxillary teeth at the tip of the upper jaw were much smaller than the rest, more closely packed, and D-shaped in cross section. All tyrannosaurids, including Albertosaurus, shared a similar body appearance. Typically for a theropod, Albertosaurus was bipedal and balanced the heavy head and torso with a long tail. However, tyrannosaurid forelimbs were extremely small for their body size and retained only two digits.


The hindlimbs were long and ended in a four-toed foot. The first of these digits, called the hallux, was very short and only the other three contacted the ground, with the middle digit longer than the rest.


Classification ….. Albertosaurus is a member of the theropod family Tyrannosauridae. Within this family, Albertosaurus sarcophagus is usually classified with Gorgosaurus libratus (sometimes called Albertosaurus libratus; see below) in the subfamily Albertosaurinae. Albertosaurines were more slender than the robust tyrannosaurines, the other major subfamily of tyrannosaurids. Appalachiosaurus has been called an albertosaurine in at least one study, although this is disputed.Albertosaurus sarcophagus The type species of Albertosaurus is A. sarcophagus, also named by Osborn in 1905. The name means “flesh-eater” and has the same etymology as the funeral container with which it shares its name: a combination of the Ancient Greek words (sarx, meaning “flesh”) and (phagein, meaning “to eat”).

More than twenty specimens of all ages are known to science.


Taxonomy …..Albertosaurus was named in 1905 by Henry Fairfield Osborn of the American Museum of Natural History in a very brief note at the end of his description of Tyrannosaurus rex. The name honors Alberta, the Canadian province in which the first remains were found. The generic name also incorporates the Greek term (sauros, meaning “lizard”), the most common suffix in dinosaur names.


Gorgosaurus libratus In 1913, paleontologist Charles Hazelius Sternberg recovered another tyrannosaurid skeleton from slightly older sediments in Alberta. This dinosaur was named Gorgosaurus libratus in 1914 by Lawrence Lambe. Finding few differences to separate the two genera, Dale Russell declared Gorgosaurus a junior synonym of Albertosaurus in 1970, creating the new combination Albertosaurus libratus. This extended the temporal range of the genus backwards by several million years and its geographic range southwards by hundreds of kilometers.


More recent examination of Albertosaurus and Gorgosaurus has cast doubt on Russell’s proposed synonymy. In 2003, Phil Currie and colleagues examined skulls of the two species and came to the conclusion that the two distinct genera should be retained, although they acknowledged that the two genera are sister taxa and that the distinction is therefore rather arbitrary.

…….In addition, several undescribed albertosaurine specimens have been recovered from other parts of North America, including Alaska and New Mexico, so Currie has recommended leaving the two genera separate until more of this diversity is clarified.

…….Most authors have since followed Currie’s recommendation, but some have not.


Invalid species …….Other species of Albertosaurus have been named but later invalidated. William Parks described a partial skeleton from Alberta as Albertosaurus arctunguis in 1928, but this is universally considered a junior synonym of A. sarcophagus.Albertosaurus megagracilis (later renamed Dinotyrannus) was based on a small tyrannosaurid skeleton from the Hell Creek Formation of Montana in the United States. However, it is now thought to be a juvenile Tyrannosaurus. History of discovery The type specimen is a partial skull, collected in 1884 from an outcrop alongside the Red Deer River in Alberta. This specimen, along with an additional smaller skull and some skeletal material, was recovered by an expedition of the Geological Survey of Canada, led by the famous Canadian geologist Joseph B. Tyrrell. The specimen is now stored in the Canadian Museum of Nature. The two skulls were assigned to the existing species Laelaps incrassatus by Edward Drinker Cope in 1892. However, as early as 1877 the name Laelaps had been found to be preoccupied by a genus of mite, and it was changed to Dryptosaurus by Cope’s rival, Othniel Charles Marsh. (Cope refused to recognize the new name.) Lawrence Lambe moved Laelaps incrassatus to the genus Dryptosaurus in 1904. Finally, because D. incrassatus was only based on generic tyrannosaurid teeth that could not be said to belong to any particular species, and because the Alberta skull material differed markedly from that of Dryptosaurus, Osborn named it Albertosaurus sarcophagus in 1905. In 1910, American paleontologist Barnum Brown uncovered the remains of a large group of Albertosaurus at another quarry alongside the Red Deer River. Because of the large number of bones and the limited time available, Brown’s party did not collect every specimen, but made sure to collect bones from all of the individuals present. Among many other bones deposited in the American Museum of Natural History collections in New York City, seven sets of right metatarsals were collected, along with two isolated toe bones that did not match any of the metatarsals in size. This indicates the presence of at least nine individuals in the quarry. The Royal Tyrrell Museum of Palaeontology rediscovered the site in 1997 and resumed fieldwork there. This further excavation turned up a tenth, very young individual in 2002. The specimen originally named A. arctunguis was also excavated near the Red Deer River and is housed in the Royal Ontario Museum in Toronto, Canada. Six more skulls and skeletons have since been discovered in Alberta and are housed in other Canadian museums. All identifiable fossils of Albertosaurus sarcophagus are known from the Horseshoe Canyon Formation in Alberta. This formation dates to the early Maastrichtian stage of the Late Cretaceous period, 70 to 73 million years ago. Many other dinosaurs have been found there, including smaller theropods like Ornithomimus, Chirostenotes and several dromaeosaurids, and a wide variety of herbivores like ankylosaurians, ceratopsians, pachycephalosaurs and hadrosaurids. Fossils of Albertosaurus have also been reported from the American states of Montana, New Mexico, and Wyoming, but these probably do not represent A. sarcophagus and may not even belong to the Albertosaurus genus.


Suborder: Theropoda Family: Tyrannosauridae Subfamily: Albertosaurinae Genus: Albertosaurus Species: A. sarcophagus






Alectrosaurus, M.Shiraishi 2
Name Means: “unmarried lizard” 5 meters 1,000 to 2,000 pounds Late Cretaceous – around 96 million years ago Gobi Desert, Mongolia /  Alectrosaurus seems to have been quite rare. It was much smaller than Tyrannosaurus rex; it was slender and does not preserve well. Like other members of the tyrannosaur family, it was bipedal.
There have been a few findings of Alectrosaurus, and little has been published about them. printed about them. One important find is that it had a furcula (wishbone). For many years it was believed that only birds had this bone. It is now known to be common for a theropod. Since then other theropods have been found to have had them. History Alectrosaurus was discovered in 1923 during one of the American Museum of Natural History expeditions to China led by Roy Chapman Andrews. There was confusion when it was found originally, due to the fact that it was found with a segnosaur.
The two animals were thought to be one. Chapman found a partial femur, tibia, fibula and pubic foot, It was described in 1933 by palaeontologist Charles W.Gilmore.. Since then a partial skull, shoulder girdle, ribs, fircula, should blade and two vertebrate have been discovered. There are no complete specimens, but there is enough skeleton material to reconstruct how it looked. It was re-described in 1989.
Suborder: Theropoda Superfamily: Tyrannosauroidea Genus: Alectrosaurus Species: A. olseni Binomial name Alectrosaurus olseni
  1. Alectrosaurus is een geslacht van tyrannosauroïde theropode dinosauriërs uit Binnen-Mongolië dat 83-74 miljoen jaar geleden tijdens het late Krijt leefde. Wikipedia

Aletopelta combs, San Diego Natural History Museum © 2011-13 Ant Allan





° allosaurusAllosaurus


Replica of an Allosaurus skeleton.


Allosaurus June 16, 2011

Filed under: Theropoda
Allosaurus was as tall as a giraffe, but unlike this gentle herbivore, it was a lethal killer that may have hunted its prey in packs. The most well-known of the late Jurassic theropods, Allosaurus was unearthed by Othniel Charles Marsh during the ‘bone wars’, and since then many specimens have been found. The Cleveland-Lloyd quarry alone has yielded more than 44 individuals. Species attributed toAllosaurus have been found as far away as Tanzania and Portugal. Sauropod bones have been found bearing marks gouged by Allosaurusteeth. It was a theropod and it could grow up to 12m long. Although it was not as large as the largest carnivorous dinosaur Tyrannosaurus, it was just as vicious. Allosaurus was armed with enormous jaws, full of sharp, jagged teeth. It also had curved claws and a powerful tail to lash out at any animal brave enough to attack it.
Factbox Name: Allosaurus, meaning ‘different lizard’ Size: about 12m long Food: meat, especially other dinosaurs Lived: about 150 million years ago in the Late Jurassic in North America, and possibly Portugal and Tanzania Allosaurus is a familiar animal, with its massive hind legs, its strong S-shaped neck, its huge head with jaws that could bulge sideways to bolt down great chunks of meat; sharp, serrated, steak-knife teeth with 5cm-long crowns, and its short, heavy arms with three-fingered hands bearing ripping claws that were up to 15cm long. This enormous carnivore would have hunted the biggest herbivores of the time, including the massive sauropods, the remains of which were found in the Cleveland-Lloyd quarry. If a tall man could have stood on another’s shoulders when Allosaurus was alive, he would have been at just the right height to peer into its mouth. He would have seen rows of about 70 saw-edged teeth. All its teeth curved backwards, perfect for biting the flesh of its prey and preventing it from escaping. If any of its teeth fell out or were wrenched out in a fight, each was replaced by a new one that quickly grew to fill in the gap. Scientists think that Allosaurus moved at about 8km/h. A jogger could have just about kept up with it as it strode along on its back legs like an enormous bird. Experts can also tell from fossil footprints that each step Allosaurus took was as long as a car. The four toes on both feet ended in sharp, bird-like claws. Three of them pointed forwards and one backwards. Each claw was strong and sharp enough to tear open the soft underside of any other dinosaur. Allosaurus also had a claw on each of the three fingers of both hands. It used them to attack and hold onto prey. Allosaurus probably held up its long, powerful tail when walking or running, to balance the weight of its body. Its tail had about 50 bones in it and was useful for lashing out at a rival during the mating season – when male fought male for the attentions of a female. Small, carnivorous dinosaurs which attacked Allosaurus’ young were probably seen off one mighty sweep of the tail. Allosaurus was so large that it must have needed a considerable amount of meat to fill its ever-hungry stomach. It preyed on the herbivorous dinosaurs that lived in the same area. Allosaurus’ toothmarks have been found on the tail bones of Apatosaurus, a North American herbivore. Some of the really huge herbivores, such as Diplodocus, were far too large for Allosaurus to attack on its own, so Allosaurus may have grouped together and hunted in packs. Several members of the Allosaurus pack charged in to attack, biting and clawing at defenceless Diplodocus until it slumped to the ground to be ripped apart by the rest of the pack. Allosaurus would have had no hesitation in attacking the young of these large dinosaurs. Catching fresh meat was a hit and miss business, so Allosaurus probably also fed on the leftovers of animals killed by other carnivores. This is called scavenging. Allosaurus fossils have been found at sites in Colorado, Montana, New Mexico, Oklahoma, South Dakota, Utah and Wyoming, USA.

De Allosaurus, was qua eetgedrag te vergelijken met roofvogels. Dat blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek.

A modern-day kestrel (a small falcon) is perched atop the skull of the Jurassic predatory dinosaur Allosaurus. A key finding of the new study is that Allosaurus had a feeding style similar to falcons. In both cases, tearing flesh from carcasses involved grasping meat with the jaws and tugging back and up with the neck and body. (Credit: WitmerLab, Ohio University) 22 mei 2013

In tegenstelling tot de Tyrannosaurus-rex scheurde de Allosaurus zijn prooien niet aan stukken door zijn kop wild heen en weer te bewegen. Het dier rukte het vlees van karkassen met rechte bewegingen van zijn kop, ongeveer op dezelfde manier zoals valken in hun prooi pikken. Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Ohio in een studie die is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Paleontologia Electronica.


Bij hun onderzoek creëerden de wetenschappers een computersimulatie van een Allosaurus op basis van een 2,5 meter lange schedel en een skelet van de nek van het dier. Ook maakten ze gebruik van kennis over de spieren die de dinosauriër waarschijnlijk bezat. In dezelfde computersimulatie werd ook het lichaam van een Stegosaurus nagebootst, een dinosauriër die vaak ten prooi viel aan Allosaurussen. Door de mogelijke bewegingen van de nek en kop van de Allosaurus in de computersimulatie te bestuderen, kregen de onderzoekers een beeld van de manier waarop het dier het vlees van het lichaam van een Stegosaurus at.

Brute kracht

“De Allosaurus was zo uitgerust dat hij zijn kop in zijn prooi sloeg, zich vastbeet, en zijn kop vervolgens weer recht omhoog trok met behulp van zijn nek en lichaam”, verklaart hoofdonderzoeker Eric Snively op nieuwssite ScienceDaily. “Op die manier trok het dier het vlees van zijn prooi.” De Allosaurus leefde ongeveer 150 miljoen jaar geleden in het huidige Noord-Amerika. Het onderzoek suggereert dat het dier veel meer controle had over zijn kop en nek dan de Tyrannosaurus-rex. Dat maakte de Allosaurus waarschijnlijk flexibeler en wendbaarder tijdens de jacht. Qua brute kracht moest de Allosaurus het echter afleggen tegen zijn beroemde familielid. De wetenschappers hopen met hun computersimulaties in de toekomst het eetgedrag van meer dinosauriërs in kaart te brengen.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

  • alvarezsaurusAlvarezsaurus 


    :Sauropoda Early Cretaceous Locality: La Amarga, Argentina Completeness: 80% Length: 9 meters(Photo right )This is the cast replica of the skeleton of one of the most bizarre sauropods, the Amargasaurus cazaui. Amargasaurus appears to have a “frill” running along most of its neck and back. Whether or not such a frill is common among sauropods is currently being debated
    http://maniraptora.com/dinosaurs_world/macn/amarga/code.htmlAmargasaurus (“Amarga lizard”) was a sauropod dinosaur who lived during the Early Cretaceous, about 135 million years ago. Gondwanan sauropods seemed to have survived longer than their Laurasian counterparts. Amargasaurus is thought to be related to Dicraeosaurus, another Gondwanan dinosaur. (Dicraeosaurus is part of the famous Tendaguru fauna of Tanzania which also includes Brachiosaurus brancai and the stegosaur Kentrosaurus aethiopicus.)The original skeleton was found by José Bonaparte and Guillermo Rougier in 1984 in Neuquén Province, Patagonia, Argentina. Almost all of it was found and it shows that Amargasaurus was about 30 feet (9 meters) long. The most amazing features of Amargasaurus are its long neural spines. Some of them are 21 inches (50.5 cm) long! Because of this, paleontologists think that Amargasaurus may have had a “sail” on its neck. Why? To scare off predators and rivals, to control body temperature, or to attract lady-amargasaurs? Only the back part of the skull of this skeleton was found — its reconstruction was based on the skull of Dicraeosaurus.*Amargasaurus ( “La Amarga lizard”)  is a genus of dicraeosaurid sauropod dinosaur from the Early Cretaceous Period of what is now South America. It was small for a sauropod, reaching 10 meters (33 feet) length. It would have been a quadrupedal herbivore with a long, low skull on the end of a long neck, much like its relative Dicraeosaurus. However, this dinosaur sported two parallel rows of tall spines down its neck and back, taller than in any other known sauropod, which may have supported skin sails.Discovery and species The name Amargasaurus was coined in 1991 by Argentine paleontologists Leonardo Salgado and Jose Bonaparte, because its fossil remains were found alongside the La Amarga Arroyo in the Neuquén province of Argentina. La Amarga is also the name of a nearby town, as well as the geologic formation the remains were recovered from. The word amarga itself is Spanish for “bitter,” while sauros is Greek for “lizard.” The one named species (A. cazaui) is named in honor of the man who discovered the site, Dr. Luis Cazau, a geologist with the YPF oil company, which at the time was state-owned.This site is located in the lower (older) sections of the La Amarga Formation, which dates to the Barremian through early Aptian stages of the Early Cretaceous Period, or around 130 to 120 million years ago.Paleobiology Amargasaurus is known from a relatively complete skeleton from a single individual. This skeleton includes the back of the skull, and all vertebrae of the neck, back, and hips, as well as a bit of the tail. The right side of the shoulder girdle is also known, as are the left forelimb and hindlimb, and the left ilium, a bone of the pelvis.Vertebral spines The most obvious feature of Amargasaurus’ skeleton is the series of tall spines on the neck and back vertebrae. The spines are tallest on the neck, where they are paired in two parallel rows. These rows continue along the back, decreasing in height as they approach the hips. The lower back and sacral (hip) vertebrae feature only single spines, which are long but much shorter than those of the neck, comparable to other sauropods. These spines may have supported a pair of tall skin sails. Similar sails are seen in the unrelated dinosaurs Spinosaurus and Ouranosaurus, as well as the pelycosaur Dimetrodon. There are a variety of hypotheses for the function of these sails, including defense, communication (for mating purposes or for simple species recognition), or temperature regulation. However, their true function remains unknown.Similar spines are found on the presacral vertebrae of Dicraeosaurus from Africa, although not nearly as tall.© 2007 Answers Corporation


  • ampelosaurusAmpelosaurus      ampelosaurusAfbeelding rechts l is gemaakt door ДиБгд (via Wikimedia Commons).Bronmateriaal:The brain of the ampelosaur from Cuenca (Spain) revealed” – Spanish National Research Council (CSIC) (via Eurekalert.org)

  • http://www.scientias.nl/vijftien-meter-lange-dinosaurus-had-brein-ter-grootte-van-een-appel/79345                                                   24 januari 2013  door .Wetenschappers zijn erin geslaagd om het brein van één van de grootste dinosaurussen van Europa te reconstrueren. En het is verrassend klein: deze vijftien meter lange dino had een brein dat niet veel groter was dan een appel.Die conclusie trekken Spaanse wetenschappers nadat ze een 3D-reconstructie van het brein van een Ampelosaurus hebben gemaakt. Dat het brein van deze enorme dinosaurus zo klein was, is verrassend. Zeker als we naar de evolutie van de Ampelosaurus gaan kijken.Over de Ampelosaurus De Ampelosaurus behoort tot de Titanosauria: plantetende giganten die in de tweede helft van het Krijt op tal van plekken wereldwijd voorkwamen. De Titanosauria behoren op hun beurt weer tot de Sauropoda: een groep grote dinosaurussen die zich tijdens het Mesozoïcum (253 tot 66 miljoen jaar geleden) over de aarde verspreidden. De eerste dinosaurussen uit de groep Sauropoda ontstonden zo’n 160 miljoen jaar eerder dan de Ampelosaurus. Het exemplaar dat de Spaanse wetenschappers hebben bestudeerd en gereconstrueerd is ongeveer 70 miljoen jaar oud.Klein brein Als u de geschiedenis van de Ampelosaurus zo bekijkt, wordt wel duidelijk dat de dino het resultaat is van een lange evolutie. Maar ondanks dat vertoont het brein van de Ampelosaurus weinig ontwikkeling. “Deze dinosaurus mag dan vijftien meter lang zijn geweest: zijn brein was niet groter dan acht centimeter,” vertelt onderzoeker Fabien Knoll. “Een toename in de grootte van het brein had niet de voorkeur tijdens de evolutie van de Sauropoda.”Binnenoor Een andere ontdekking die de onderzoekers deden was dat het binnenoor van de dinosaurus bijzonder klein was. “Dit suggereert mogelijk dat de Ampelosaurus er niet op gebouwd was om zijn ogen of zijn hoofd en nek snel te bewegen.”De onderzoekers maakten voor hun studie gebruik van een Ampelosaurus die in 2007 in Spanje werd teruggevonden. Het is nog niet helemaal duidelijk om welke soort het gaat. Eerder werd namelijk in Frankrijk een dino uit het geslacht Ampelosaurus gevonden, maar er zijn de nodige verschillen tussen die Ampelosaurus en het exemplaar dat in Spanje is ontdekt. Waarschijnlijk horen de exemplaren allebei tot het geslacht Ampelosaurus, maar maken ze deel uit van twee afzonderlijke soorten. Of dat echt het geval is, kunnen de onderzoekers pas vaststellen als meer fossiele resten worden teruggevonden.    
  •  Photographs of the braincase of the titanosaurian sauropod Ampelosaurus sp. (MCCM-HUE-8741) from the Cretaceous of Fuentes, Spain. In dorsal (A), ventral (B), rostral (C), caudal (D), and left lateral (E) views. Abbreviations: BO, basioccipital; BS, basisphenoid; EO-OP, exoccipital-opisthotic/otoccipital; F, frontal; LS, laterosphenoid; OS, orbitosphenoid; P, parietal; PR, prootic; SO, supraoccipital. Scale bar equals 5 cm. (Credit: Knoll et al. Neurocranial Osteology and Neuroanatomy of a Late Cretaceous Titanosaurian Sauropod from Spain (Ampelosaurus sp.). PLoS ONE, 2013; DOI: 10.1371/journal.pone.0054991)  http://www.sciencedaily.com/releases/2013/01/130123195349.htm
  • Fabien Knoll, Ryan C. Ridgely, Francisco Ortega, Jose Luis Sanz, Lawrence M. Witmer. Neurocranial Osteology and Neuroanatomy of a Late Cretaceous Titanosaurian Sauropod from Spain (Ampelosaurus sp.). PLoS ONE, 2013; 8 (1): e54991 DOI: 10.1371/journal.pone.0054991
  •  Article on Ampelosaurus   Feb 11, ’13 by Neal Ryan C. Ridgely, Francisco Ortega, Jose Luis Sanz, and Lawrence M. Witmer wrote an article titled Neurocranial Osteology and Neuroanatomy of a Late Cretaceous Titanosaurian Sauropod from Spain (Ampelosaurus sp.). It was published in 2013 in PLoS ONE 8(1). This quote from the abstract says:

    Titanosaurians were a flourishing group of sauropod dinosaurs during Cretaceous times. Fossils of titanosaurians have been found on all continents and their remains are abundant in a number of Late Cretaceous sites. Nevertheless, the cranial anatomy of titanosaurians is still poorly known. The Spanish Cretaceous locality of “Lo Hueco” yield a relatively well preserved, titanosaurian braincase, which allows a number of phylogenetically restricted characters with Ampelosaurus atacis from France such as a flat occipital region. However, it appears to differ from A. atacis in some traits such as the greatest degree of dorsoventral compression and the presence of proatlas facets. The specimen is therefore, provisionally identified as Ampelosaurus sp. It was CT scanned and 3D renderings of the cranial endocast and inner-ear system were generated. Our investigation highlights that, although titanosaurs were derived sauropods with a successful evolutionary history, they present a remarkably modest level of paleoneurological organization. Compared with the condition in the basal titanosauriform Giraffatitan braincase, the labyrinth of Ampelosaurus sp. shows a reduced morphology. The latter feature is possibly related to a restricted range of head-turning movements.
    The complete text is on this link.