GEOLOGIE TREFWOORD P


 zie onder Geologie

°

NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING


GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL

door F.C. Kraaijenhagen

Een gezamenlijke uitgave van de
NEDERLANDSE GEOLOGISCHE VERENIGING
en de
NGV afdeling LIMBURG
September 1992

1992 © Copyright Nederlandse Geologische Vereniging.

Voor Internet herzien en bewerkt in 2006 door George Brouwers Oisterwijk.

AAngevuld en uitgebreid met

http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000448.html#A

Geologische begrippen   

Klik op een begrip voor de definitie. Wil je meer weten over een bepaald begrip, bekijk dan het thema‘De ondergrond van Nederland’, of gebruik de zoekmachine.

De geologische tijdvakken zijn niet opgenomen in deze begrippenlijst. Zie voor de beschrijving van deze tijdvakken het thema ‘Ondergrondse tijdmachine’.

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z

&

Glossary of Terms for Geology

(From The Earth’s Dynamic Systems, Fourth Edition by W. Kenneth Hamblin. Macmillan Publishing Company, New York, NY. Copyright © 1985) 

[A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z ]          http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary_Geology.html

°

PAHOEHOE FLOW  A lava flow with a billowy or ropy surface. Contrast with aa flow  //  basaltic lava having a smooth or billowy surface.

Pahoehoe flows differ from ‘a’a flows in almost all ways imaginable.

The first and most obvious difference is that pahoehoe flows are smooth down to a scale of a few mm. Instead of consisting of only 1-2 large flow units, a pahoehoe flow consists of thousands on thousands of small flow units called toes. Each toe is usually <30 cm thick, 1-2 m long, and 30-50 cm wide.

Close-up photo of an active pahoehoe toe.

This toe is about 30 cm wide at its widest. Note how it has erupted out of a crack in a previous toe and is flowing over yet another previous toe (with the ropy texture). Note also that with the sun shining on it, one side of the active toe doesn’t look all that different from the surfaces of the older inactive toes; late afternoon and early morning (and night) are the best times for observing lava flows.

Pahoehoe flows are associated with low-effusion rate eruptions and are emplaced at low volumetric flow rates (2-5 cubic meters per second) and slow flow front velocities (1-10 m/hour) [See the A’a page for a velocity comparison chart]. Pahoehoe flows can be just as long as ‘a’a flows. The longest post-contact flow was also erupted from Mauna Loa in 1859 (forming the second half of the “paired flow”; Rowland & Walker 1990), and is 47 km long. This strongly contradicts the notion that flow length is directly determined by effusion rate.

The low velocity of pahoehoe flows means that the skin that forms by air-cooling is not disrupted during flow and can maintain its smooth, unbroken, well-insulating surface. Thus the temperature and viscosity of lava do not change very much even tens of kilometers from the vent. The advancing front of a pahoehoe flow consists of hundreds or thousands of active toes. Each stops flowing after a few minutes and becomes inflated (with lava) as the eruption continues. Eventually the cooled skin fractures, often at the seam between two toes, and a new toe forms.

Cross-section of a pahoehoe flow exposed in a sea cliff. S

ome of the individual flow units have been outlined in white but you can see many others. Two particularly large ones were probably flowing as small lava tubes; the one labeled ‘d’ drained out at the end of the eruption and the one labeled ‘f’ solidified full. The dashed pink lines mark the top and bottom of the pahoehoe flow; above and below are ‘a’a flows.

http://volcano.oregonstate.edu/book/export/html/131

 

PALEOCURRENT  :   ancient current, which existed in the geologic past, with a direction of flow that can be inferred from cross-beddingripple marks, and other sedimentary structure

http://en.wikipedia.org/wiki/Paleocurrent

                                                       Photo and Graphic combined to show paleocurrent direction    

http://www4.uwm.edu/course/geosci697/structures/Ripples.html                                                                                                           Afbeeldingen van PALEOCURRENT :

http://www4.uwm.edu/course/geosci697/structures/PrimaryCurrentLineationPage.html

Paleogeografie        is de wetenschap die de verdeling van land, zee en gebergten, maar ook het voorkomen van rivierendelta’s en kustlijnen in geologische perioden van de geschiedenis der aarde behandelt.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Paleogeografie                                                                                                                                                                        Afbeeldingen van paleogeografie

File:Pangaea to present.gif  Pangea   paleogeography 

PALEOGEOGRAPHY   study of geography in the geologic past, including the patterns of the earth’s surface, the distribution of land and ocean, and ancient mountains and other landforms

PALEOLITHICUM          is een archeologische periode, Oude Steentijd, die duurde tot ± 8.000 jaar voor Christus.

altamira

http://nl.wikipedia.org/wiki/Paleolithicum                                                                                                                                               Afbeeldingen van paleolithicum

PALEOMAGNETISM     The study of ancient magnetic fields, as preserved in the magnetic properties of rocks. It includes studies of changes in the position of the magnetic poles and reversals of the magnetic poles in the geologic past

PALEONTOLOGIE     Paleontologie is de wetenschap die zich bezighoudt met fossielen.

PALEONTOLOGY   the study of ancient life

PALEOWIND    An ancient wind, existing in the geologic past, the direction of which can be inferred from patterns of ancient ash falls, orientation of cross-bedding, and growth rates of colonial corals

A prevailing wind direction in an area, inferred from dune structure or the distribution of volcanic ash for one particular time in geologic history.

PALEOZOIC      The era of geologic time from the end of the Precambrian (600 million years ago) to the beginning of theMesozoic era (225 million years ago).

PALEOZOICUM 

Afbeeldingen van paleozoicum

http://nl.wikipedia.org/wiki/Paleozo%C3%AFcum

Gedetailleerde geologische tijdschaal van de Purdue universiteit, met veel dateringen. De basis Cambrium ligt op 542 miljoen jaar en de grens tussen Paleozoïcum en Mesozoïcum op 252,1 miljoen jaar. Deze tijdschaal geldt nu als representatief voor namen en dateringen.

Eon Era Periode Ouderdom Ma
Fanerozoïcum Mesozoïcum Trias jonger
Paleozoïcum Perm 252,2 – 298,9
Carboon 298,9 – 358,9
Devoon 358,9 – 419,2
Siluur 419,2 – 443,4
Ordovicium 443,4 – 485,4
Cambrium 485,4 – 541,0
Proterozoïcum Neoproterozoïcum Ediacarium ouder
Indeling van het Paleozoïcum volgens de ICS.[1]

PALYNOLOGIE      :   is de geowetenschap die zich bezighoudt met onderzoek gerelateerd aan  pollen, sporen en andere plantaardige microfossielen

Stuifmeelkorrels onder een elektronenmicroscoop.

Afbeeldingen van palynologie

PALYNOLOGY          http://en.wikipedia.org/wiki/Palynology

PEDIMENTATION  PROCES 

aggradation: pedimentation process

Three-phase block diagram of pedimentation of an upland in a desert. The process of scarp retreat and planation is accomplished by sheet wash on non-vegetated surfaces, but it cannot begin until a local base level of erosion-deposition is established. Streams dissecting the upland cannot cut below the level created where deposition of alluvium begins as runoff dissipates. The long-term locus of that deposition established the datum for lateral stream-bank and valley-wall recession at higher elevations.

Encyclopædia Britannica, Inc.

PEILBEHEER     is de beheersing van het niveau van oppervlaktewater in een polder.

PERIGLACIAAL       is een term die betrekking heeft op het klimaat en de kenmerkende processen en verschijnselen die aanwezig zijn in aan landijs grenzend gebied.

periglaciaal milieu          :      is een omgeving en de daarbij horende omstandigheden van een gebied dat direct aan het landijsgebied grenst, maar waarin door het ijs zelf afgezette sedimenten ontbreken.

PERM

PERMAFROST        is een permanent bevroren bodem, waarbij het bovenste laagje in de zomer kan ontdooien.

Pingo met kern van permafrost © TNO-NITG

PERMEABILITEIT   is de doorlatendheid van een gesteente met betrekking tot vloeistoffen en gassen. –> zie ook” porosity”

PETM

Zo’n 55,5 miljoen jaar geleden doorstond het Aardse klimaat een ongeziene crisis. 

Het atmosfeer-oceaansysteem kende een massale injectie van koolzuurgas. De schatting is dat 1.500 à 4.000 gigaton koolstof vrijkwam in ‘amper’ 15.000 tot 30.000 jaar, een ware carbon burp’.

Het gevolg was een volledige ontregeling van de koolstofcyclus en een snelle opwarming van het globale klimaat. Wat de ware oorzaak is van deze massale injectie, blijft tot op heden een wetenschappelijk mysterie. De mens zat er alvast toen voor niets tussen!

Wat wel zeker is, is dat deze massale injectie een cascade van positieve terugkoppelingsprocessen op gang heeft getrokken met een volledige ontregeling van het klimaatsysteem tot gevolg.

Verhoogde koolzuurgasconcentraties in de oceanen veroorzaakten een extreme verzuring van de oceanen. Dit leidde tot een massaal oplossen van de kalksedimenten op de diepzeebodem; hierdoor kwam extra koolzuurgas vrij in het atmosfeer-oceaansysteem, met een verdere verzuring tot gevolg.

Maar ook in terrestrische systemen versterken de positieve terugkoppelingsprocessen de toename in atmosferische broeikasgasconcentratie.

Deze cascade aan positieve terugkoppelingsprocessen lag aan de basis van een globale opwarming die nog meer dan 60.000 jaar bleef duren nadat de atmosferische koolzuurgasconcentratie was gestabiliseerd.

Er deed zich een globale opwarming voor van 5 tot 9°C. Dit leidde tot een extreme opwarming van de oceanen; in de tropen tot meer dan 30°C, in de Artische oceaan tot ongeveer 17°C.

De thermische gradient tussen evanaar en polen nam sterk af. Hierdoor werd de globale oceaancirculatie sterk verstoord. Het wegduiken van warm polair oceaanwater veroorzaakte bovendien een opwarming van de diepzee (met ongeveer 5°C). Dit gaf mogelijk aanleiding tot een destabilisatie van gashydraten onder de oceaanbodem, weerom met het massaal vrijkomen van koolzuurgas tot gevolg. De positieve terugkoppelingspiraal leek nog steeds niet doorbroken. Door de verstoring van de globale oceaancirculatie werd er ook minder zuurstof de diepzee ingepompt. Een masaal uitsterven van bentische foraminifera (eencelligen met een kalkskelet) was hiervan het gevolg. Op de continenten verschoven de neerslagpatronen. Neerslag nam toe in gematigde en polaire gebieden. Ook landplaten en zoogdieren vertoonden migraties naar hogere breedteliggingen.

Uiteindelijk zullen de Aardse systemen ‘waker schieten’ en via negatieve terugkoppelingsprocessen het herstel inzetten. Het belangrijkste negatieve terugkoppelingsproces is de continentale verwering. Hoe warmer, hoe gemakkelijker dit proces, hoe meer koolzuurgas uit de atmosfeer weggeplukt wordt. Massale kalksteenafzettingen op de zeevloer in het sedimentarchief zijn hiervan het bewijs. Dit herstelproces heeft zo’n 70.000 jaar in beslag genomen.

Dit is het verhaal van de hyperthermische gebeurtenis die het Aardse klimaat gekend heeft zo’n 55,5 miljoen jaar geleden in de vroeg-cenozoïsche broeikaswereld. We kennen deze gebeurtenis als het paleoceen-eoceen thermisch maximum, kortweg PETM. Deze klimaatsverstoring heeft in totaal zo’n 170.000 jaar geduurd.

Bovendien lijkt het er meer en meer op dat de vroeg-cenozoïsche broeikaswereld meerdere van dergelijke hyperthermische gebeurtenissen heeft gekend.

De parallellen met de huidige klimaatcrisis zijn overduidelijk.

Aan het huidige emissietempo van ongeveer 7,5 gigaton koolstof per jaar zal de mens een vergelijkbare hoeveelheid koolzuurgas in de atmosfeer gepompt hebben als bij de aanvang van het PETM in minder dan 500 jaar!

Het kwaad lijkt dan ook al geschied. Er lijkt geen weg terug.

We staan aan het begin van een hyperthermische gebeurtenis, maar nu een die het gevolg is van een drastische antropogene verstoring van het Aardse klimaatsysteem.

Het PETM leert ons dat het heel wat tijd zal vergen alvorens het Aardse klimaatsysteem zich zal herstellen van deze ‘plotse’ massale injectie van koolzuurgas in de atmosfeer. We spreken niet meer over jaren of decennia, maar over tienduizenden tot honderduizenden jaren.

Dat is wat we leren uit vergelijkbare gebeurtenissen uit het geologische verleden. Het wordt dan ook hoog tijd dat we ons neerleggen bij deze ‘unconvenient thruth’.

Dit artikel is geschreven naar aanleiding van het artikel “Globale temperatuur zal zeker met vier graden stijgen” (De Morgen, 29 november 2010).

Extra lectuur:

PETROLEUMSYSTEEM    Een petroleumsysteem (<– voorbeelden ) is een combinatie van voorkomens van gesteenten met een oorspronkelijk hoog gehalte aan koolwaterstoffen en reservoirgesteenten waarnaar deze koolwaterstoffen kunnen migreren.

PETROLEUM 

PETROLOGIE 

(Mt )PINATUBO

Mt Pinatubo had   de grootste eruptie in de afgelopen 100 jaar.
—> Het magma was niet zo’n probleem hier,                                                                                                                                                                                       —>het was met name de wolk met hete gassen die funest was voor de mensen.

De reden dat Mt Pinatubo zo bekend en belangrijk is, is dat het tot dusver de enige keer is, dat de wetenschap volledig bovenop de eruptie zaten, en alles van het vroegste begin af aan, hebben kunnen registreren.
Overigens, vulkaanerupties zijn erg belangrijk voor het vruchtbaar houden van het land.

_

pingo

Een pingo is een inheemse (Eskimo) naam voor vorstbult of -heuvel in arctische gebieden; een ronde bultvormige heuvel met een diameter van enkele tientallen tot honderden meters, waarvan het inwendige bestaat uit een lensvormige massa ijs.

Pingo © TNO-NITG

–> Een pingo is een heuvel die ontstaan is doordat een ondergrondse ijslens de bodem heeft opgedrukt. Zo’n heuvel kan wel zestig meter hoog worden en een diameter hebben van driehonderd meter. Als het ijs smelt ontstaat een pingoruïne, die de vorm van een krater heeft.

Pingo bij de Mackenziedelta in Noord-Canada. Deze pingo is zo’n vijftig meter hoog. Bron Berendesen, http://www.geo.uu.nl/fg/berendsen/photography/alaska

Tegenwoordig zijn nog pingo’s te vinden in koude gebieden als Alaska, Canada, Groenland en Siberië.

PINGORUINE (collapsed pingo) 

In de laatste IJstijd, het Weichselien, kwamen PINGO- heuvels ook in Nederland voor. Het Weichselien duurde van 115.000 tot 10.000 jaar voor heden. Pingo’s kwamen in Nederland voor vanaf 13.000 jaar geleden, dus in de laatste fase van de ijstijd, toen het extreem koud was in ons land. Pingoruïnes vinden we voornamelijk terug in het noorden en oosten van ons land.

Pingoruïnes bij Duurswoude. Foto Paul Paris

Pingoruïnes zijn de overblijfselen van een pingo als het ijs in de ondergrond smelt. Er ontstaat dan een ringvormige krater die wordt opgevuld met smeltwater. Dit meertje kan vervolgens in een warmere tijd weer opgevuld worden met organisch materiaal als gevolg van plantengroei. In de loop der tijd vormt zich uit dit organisch materiaal veen. Later is dat veen er door de mens uit gehaald om te gebruiken als brandstof. Hierdoor werd de vorm van de pingo’s weer zichtbaar als ronde meertjes in het landschap. In Nederland vinden we pingoruïnes voornamelijk in het noorden en het oosten van het land. Het Uddelermeer op de Veluwe is een goed voorbeeld van een pingoruïne.

Illustratie pingoruine Danielle Kooij

http://www.geologievannederland.nl/landschap/landschapsvormen/pingoruine

http://www.joostdevree.nl/shtmls/pingo.shtml

http://www.kennislink.nl/publicaties/restanten-van-overmaatse-ijsblokjes

°

PITON DE LA FOURNAISE    vulcan 

°

  • De Piton de la Fournaise is een vulkaan op het eiland Réunion. Deze actieve schildvulkaan is één van de actiefste vulkanen op aarde: sinds 1640 zijn er 153 geregistreerde uitbarstingen geweest. Wikipedia
     Hoogte: 2.632 m

(Webcam ) France : Réunion : PITON DE LA FOURNAISEFournaiseInfoIPGP

http://earthquake-report.com/2011/11/15/world-volcanoes-webcam-page/

°

PLAATTEKTONIEK

De korst van de aarde bestaat uit verschillende stukken die ten opzichte van elkaar bewegen: de ‘platen’.

De verschillende platen bewegen ten opzichte van elkaar en dat kan op drie manieren: uit elkaar, langs elkaar en tegen elkaar.

aardb in nl blokjes

°

Plastische deformatie

(Door Leon van den Berg)

Als je wil verklaren waarom iets zich op een bepaald manier gedraagt, bijvoorbeeld waarom het verandert van vorm, van eigenschap, dan dien je het mechanisme te achterhalen dat bij dat gedrag behoort. Dan kan je de invloed van de betrokken parameters beter begrijpen en je kunt er ook wat aan rekenen. Denk bijvoorbeeld aan wolken: de verplaatsing van wolken kan verklaard worden door wind, maar ook door condensatie aan de ene kant en verdamping aan de andere kant van de wolk. Soms zie je in de bergen dat een wolk blijft “kleven” aan een top terwijl je weet dat het daarboven hard waait. In dat geval compenseert het ene mechanisme precies het andere mechanisme.

Gesteente kan breken, het kan, als het heet genoeg wordt, vloeien (lava), het kan zich ook plastisch gedragen.

Dit plastisch gedrag, ook wel plastic behavior, creep (kruip) of ductile behaviour genoemd, is mogelijk als de temperatuur en druk hoog genoeg zijn én de deformatie langzaam genoeg gaat.

Plastisch gedrag kan verklaard worden de verschillende deformatie-mechanismen die daarbij een rol spelen.

Een eeuw geleden zagen geologen al met het blote oog aan stylolieten en aders dat drukoplossing daarbij een rol speelde, waarbij moleculen op de ene plaats oplossen en elders neerslaan.

Rond de jaren 30 van de vorige eeuw ontdekte men dat ook het verplaatsen van dislocaties (‘fouten’) in het kristalrooster een grote rol bij de plastische deformatie spelen.

In feite waren ze al eerder voorspeld, maar zolang de elektronenmicroscoop niet was uitgevonden kon het niet aangetoond worden.
Rond de 50er jaren ontdekte men de dislocation glide en wat later ook de dislocation climb, waarop de steady-state creep gebaseerd was.

Daarna kwamen een paar mechanismes gebaseerd op diffusie zoals de Coble creep uit 1963 waarbij diffusie van atomen langs korrelranden optreedt en de Nabarro-Herring creep uit 1967, waarbij diffusie van atomen door het kristal rooster plaats vindt.

Weer later herkenden de geologen ook nog andere mechanismes zoals dynamische rekristallisatie waarbij een kristal opbreekt in een heleboel kleine kristallen (mylonieten) en superplasticiteit, die op kan treden als de temperatuur ongeveer de helft van de smelttemperatuur wordt.

mortarqtz

recrystallisatie,

bron: http://maps.unomaha.edu/maher/GEOL3300/week9/microstructures.html

Enfin, wat we hier uit kunnen concluderen is dat als we één mechanisme gevonden hebben dat niet betekent dat het bestaan van andere mechanismes onwaarschijnlijker zijn geworden.

PLAYA              –>  ( Spanish: shore or beach) , also called pan, flat, or dry lake,  flat-bottom depression found in interior desert basins and adjacent to coasts within arid and semiarid regions, periodically covered by water that slowly filtrates into the ground water system or evaporates into the atmosphere, causing the deposition of salt, sand, and mud along the bottom and around the edges of the depression.

mallee

A salt pan depression in Mallee, Victoria, Australia.                                                                                                                                                                 The region is named for the “mallee,” a scrubby species of eucalyptus.Copyright Hans & Judy Beste/Ardea London

PLAYA MEER    Een playa meer is een ondiepe, brakke of zoute binnenzee in een droog klimaat.

°

PLIOCEEN  

 http://nl.wikipedia.org/wiki/Plioceen                                                                       

Afbeeldingen van plioceen

Systeem
Periode
Serie
Tijdvak
Etage
Tijdsnede
Ouderdom (Ma)
Kwartair Pleistoceen Gelasien jonger
Neogeen Plioceen Piacenzien 2,588–3,600
Zanclien 3,600–5,333
Mioceen Messinien 5,333–7,246
Tortonien 7,246–11,62
Serravallien 11,62–13,82
Langhien 13,82–15,97
Burdigalien 15,97–20,44
Aquitanien 20,44–23,03
Paleogeen Oligoceen Chattien ouder
Indeling van het Neogeen volgens de ICS.[1]

 De wereld van het Plioceen

http://www.geologievannederland.nl/tijd/reconstructies-tijdvakken/plioceen

Plucking
When ice comes in contact with a rock, the friction involved generates a certain amount of heat. The ice of the glacier melts but quickly re-freezes around the rock. As the glacier moves on it literally ‘plucks’ the rock out of the valley floor or sides and carries it along embedded in the ice of the glacier.

http://cgz.e2bn.net/e2bn/leas/c99/schools/cgz/accounts/staff/rchambers/GeoBytes/AS%20A2/A2/Glaciation.Web/Glaciation_photographs/Roche.mout.plucking.jpg

PODZOL    Een podzolbodem is een duidelijk uitkomende bodem op zandgronden met een duidelijke lichtgrijze uitspoelingslaag gelegen op een bruine inspoelingslaag.

Klik hier voor een overzicht van geologische begrippen.

POLLEN :    of stuifmeel is een doorgaans geel poeder dat bij zaadplanten in de helmknop van de meeldraden wordt gevormd en dat op bloemstampers moet worden overgebracht om tot bevruchting te komen.

Stuifmeelkorrels (pollen) van Laat-Tertiaire en Kwartaire bomen- en plantensoorten © TNO-NITG

bee_pollen_fossil.jpg

A piece of Domenican amber 15 to 20 million years old,  contains a perfectly-preserved bee  +   fossilized orchid pollen , within it

POPOCATEPETL    

  • De Volcán Popocatépetl is een actieve vulkaan en met 5426 meter hoogte de op een na hoogste berg van Mexico. De hoogste berg is de Piek van Orizaba. Popocatépetl is het Nahuatl woord voor “Rokende Berg”. Wikipedia
                                                                                                                                                                                                                                                  Hoogte: 5.426 m    Laatste uitbarsting: 2013     Eerste beklimming: 1519     Eerste beklimmerDiego de Ordás   Prominentie: 3.020 m

File:PopoAmeca2zoom.jpg

Popocatepetl from Amecameca (looking south-east

(webcams ) Mexico : POPOCATEPETL – Altzomoni – TianguismanalcoTlamacasTochimilco –  Satellite – 

http://earthquake-report.com/2011/11/15/world-volcanoes-webcam-page/

°

POROSITY & PERMEABILITY (HYDROLOGIC PROPERTIES )  : 

The properties of rocks that allow the storage and transmission of water are known as the hydrologic properties of rocks – Porosity and Permeability.

Material that contains voids or openings is said to be porous. This property is called Porosity. Rocks have openings of different types. The presence and type of openings depend largely upon the characteristics of rocks (this is the reason why Geology is so important in understanding groundwater).

Porosity is an indicator of how much groundwater the rock will store. 

Permeability is the interconnectivity of the pore spaces within a rock which controls the flow of groundwater through it. Any porous rock will only store groundwater but it is the permeability that actually makes the water available to us.

Porosity and Permeability may be termed as Primary (formed during formation of the rock) or Secondary (formed after the formation of the rock).

storage_rocks_media

6 schematics showing interstices or voids in rocks

The amount of water that can be stored in any rock depends upon the porosity of that rock. Porosity is expressed quantitatively as the percentage of the total volume of the rock that is occupied by the interstices. When all the interstices in a rock are filled with water the rock is said to be saturated. The amount of water that a saturated rock will yield to the pull of gravity is known as the specific yield. Although the amount of water a rock contains is determined by its porosity, the amount of water a rock will yield to wells is determined by its permeability. The permeability is its ability to transmit water under a hydraulic gradient; it is measured by the rate at which a rock will transmit water through a given cross section under a given loss of head per unit of distance. Some beds of clay or shale may have a high porosity, but because the pores or openings are small and poorly connected they transmit little or no water and may be regarded as virtually impermeable. Rocks differ greatly in their degree of permeability according to the number, size, and interconnection of their interstices.

POROSITEIT  :     is het volume aan open ruimten tussen gesteentedeeltjes.    

POROSITY  :

http://wisconsingeologicalsurvey.org/porosity_density/about_porosity_density.htm

Sandstone—porosity                                Crystalline rock—porosity

diagram showing relatively large pore spaces between mineral grains of sandstonediagram showing very small pore spaces between mineral grains of crystalline rock

What is porosity?

Porosity is the percentage of void space in a rock. It is defined as the ratio of the volume of the voids or pore space divided by the total volume. It is written as either a decimal fraction between 0 and 1 or as a percentage. For most rocks, porosity varies from less than 1% to 40%.
porosity equation where "n" equals pore space volume divided by total volume
The porosity of a rock depends on many factors, including the rock type and how the grains of a rock are arranged. For example, crystalline rock such as granite has a very low porosity (<1%) since the only pore spaces are the tiny, long, thin cracks between the individual mineral grains. Sandstones, typically, have much higher porosities (10–35%) because the individual sand or mineral grains don’t fit together closely, allowing larger pore spaces.Go to: Details on sample preparation and porosity measurement

http://en.wikipedia.org/wiki/Porosity 

Types of geologic porosities

Primary porosity
The main or original porosity system in a rock or unconfined alluvial deposit.
Secondary porosity
A subsequent or separate porosity system in a rock, often enhancing overall porosity of a rock. This can be a result of chemical leaching of minerals or the generation of a fracture system. This can replace the primary porosity or coexist with it (see dual porosity below).
Fracture porosity
This is porosity associated with a fracture system or faulting. This can create secondary porosity in rocks that otherwise would not be reservoirs for hydrocarbons due to their primary porosity being destroyed (for example due to depth of burial) or of a rock type not normally considered a reservoir (for example igneous intrusions or metasediments).
Vuggy porosity
This is secondary porosity generated by dissolution of large features (such as macrofossils) in carbonate rocks leaving large holes, vugs, or even caves.
Effective porosity (also called open porosity)
Refers to the fraction of the total volume in which fluid flow is effectively taking place and includes caternary and dead-end (as these pores cannot be flushed, but they can cause fluid movement by release of pressure like gas expansion[3]) pores and excludes closed pores (or non-connected cavities). This is very important for groundwater and petroleum flow, as well as for solute transport.
Ineffective porosity (also called closed porosity)
Refers to the fraction of the total volume in which fluids or gases are present but in which fluid flow can not effectively take place and includes the closed pores. Understanding the morphology of the porosity is thus very important for groundwater and petroleum flow.
Dual porosity
Refers to the conceptual idea that there are two overlapping reservoirs which interact. In fractured rock aquifers, the rock mass and fractures are often simulated as being two overlapping but distinct bodies. Delayed yield, and leaky aquifer flow solutions are both mathematically similar solutions to that obtained for dual porosity; in all three cases water comes from two mathematically different reservoirs (whether or not they are physically different).
Macro porosity
Refers to pores greater than 50 nm in diameter. Flow through macropores is described by bulk diffusion.
Meso porosity
Refers to pores greater than 2 nm and less than 50 nm in diameter. Flow through mesopores is described by Knudsen diffusion.
Micro porosity
Refers to pores smaller than 2 nm in diameter. Movement in micropores is by activated diffusion.

POROSITY  IN ROCK  

Afbeeldingen van porosity in rock

Consolidated rocks (e.g. sandstone, shale, granite or limestone) potentially have more complex “dual” porosities, as compared with alluvial sediment. This can be split into connected and unconnected porosity. Connected porosity is more easily measured through the volume of gas or liquid that can flow into the rock, whereas fluids cannot access unconnected pores.

Porosity is the ratio of pore volume to its total volume.

Porosity is controlled by: rock type, grain size, pore distribution, cementation, diagenetic history and composition. Rocks normally decrease in porosity with age and depth of burial. Tertiary age Gulf Coast sandstones are in general more porous than Cambrian age sandstones. There are exceptions to this rule, usually because of the depth of burial and thermal history.

POTKLEI 

Potklei is zware, donkergekleurde klei gevormd als opvulling van subglacialetunneldalen.

Stekkboring met zand en klei. Het donkere deel aan de onderkant van de boring is potklei © TNO-NITG

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Potklei

Warvenpotklei_gestuwd_-_Roden Potklei_gestuwd_-_Kreupelstraat_Groningen
Gestuwde potklei met warvengelaagdheid – Roden (Dr.). Potklei, door  ijsstuwing verbrokkeld – Kreupelstraat, Groningen.

http://www.kijkeensomlaag.nl/cms/index.php?option=com_content&view=article&id=293&Itemid=386

Aan het Oosteinde in Roden ligt de potklei nagenoeg aan de oppervlakte.

De doorlaatbaarheid voor regenwater is vrijwel nihil.

http://www.kijkeensomlaag.nl/cms/index.php?option=com_content&view=article&id=76:glinsterzand-en-zwarte-klei-&catid=37&Itemid=172

POSIDONIA  SCHALIE

is een laag kleisteen met een hoog gehalte aan organische stof welke gedurende de Jura is gesedimenteerd en die het moedergesteente van de aardolie is in Nederland.

Delen van een boorkern van de Posidonia Schalie Formatie © TNO-NITG

PRECAMBRIUM

http://nl.wikipedia.org/wiki/Precambrium

Afbeeldingen van precambrium

http://www.geologievannederland.nl/tijd/reconstructies-tijdvakken/precambrium

De wereld van het Precambrium

Eon Era Tijd geleden Ma
Fanerozoïcum Cenozoïcum 66 – 0
Mesozoïcum 252 – 66
Paleozoïcum 541 – 252
Precambrium Proterozoïcum Neoproterozoïcum 1000 – 541
Mesoproterozoïcum 1600 – 1000
Paleoproterozoïcum 2500 – 1600
Archeïcum Neoarcheïcum 2800 – 2500
Mesoarcheïcum 3200 – 2800
Paleoarcheïcum 3600 – 3200
Eoarcheïcum 4000 – 3600
Hadeïcum ~4600 – 4000
De geologische tijdschaal volgens de ICS.[1]

PREHISTORIE   

http://nl.wikipedia.org/wiki/Prehistorie

PRIMAIR—>Paleozoicum 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Geologische_tijdschaal

Geologen als John Phillips en Charles Lyell vestigden een indeling in vier grote eenheden: het oude Primair (tegenwoordig Paleozoïcum), het jongere Secundair (tegenwoordig Mesozoïcum), het nog jongere Tertiair (tegenwoordig verdeeld in Paleogeen en Neogeen) en het jongste Kwartair. De eerste twee eenheden worden tegenwoordig era’s genoemd, de laatste twee vormen samen de era Kenozoïcum. Deze drie era’s vormen samen het eon Fanerozoïcum. Dankzij radiometrische datering is gebleken dat het Fanerozoïcum nog geen tiende deel van de totale Aardse geschiedenis vormt. Gesteentelagen ouder dan het Fanerozoïcum zijn ontstaan in de eonen Archeïcum en Proterozoïcum. De tijd voor de vorming van de oudst bekende gesteenten op Aarde wordt wel het Hadeïcum genoemd.

 

PROCARYOOT –> Bacteria   –> Stromatolieten 

Afbeeldingen van prokaryotic fossil

PROGLACIAAL     Proglaciaal is de geografische aanduiding voor een gebied gelegen vóór het ijsfront.

PROTOZOA 

-> ( zie ook) Foraminifera  

Foraminiferan fossil

Coloured scanning electron micrograph (SEM) of the fossilised shell (test) of a foraminiferan. Foraminifera are single-celled marine protozoa that construct and inhabit a calcium carbonate shell composed of several chambers. This fossil was found in chalk laid down in the Cretaceous period, between 142 and 65 million years ago, at Rochester, Kent, UK.

Photograph:The remains of a protozoan that lived long ago are preserved in rock as a fossil.

The remains of a protozoan that lived long ago are preserved in rock as a fossil.

Protozoans
Protozoans (Photograph by Parvinder Sethi) The protozoan shown here is common in late Paleozoic rocks.

They belong to a group of organisms called protists, which are neither plants nor animals. Most protozoans are  microscopic. Amoebas and paramecia are  two well known types of protozoan.

  • Protozoa of protozoën zijn een restgroep van eencellige, eukaryotische micro-organismen, die niet behoren tot de planten, schimmels, dieren en Chromista. Protozoa worden in vier groepen verdeeld; volgens de manier waarop ze zich voortbewegen: Wikipedia
     Stam    //  Lagere taxa: Sarcodina

PROTOZOICUM 

  • Het geologisch tijdperk Proterozoïcum is een van de eonen waarin de geologische tijdschaal is ingedeeld. Het Proterozoïcum beslaat de tijdspanne van 2500 tot ongeveer 541 miljoen jaar geleden. Wikipedia

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

One Response to GEOLOGIE TREFWOORD P

  1. Pingback: INHOUD G | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: