Altruisme


GLOS A   

BREIN EN EVO  INHOUD     

°

De lieve natuur

Brein & Gedrag

Nice guys finish last?

Biologen en psychologen vinden steeds meer bewijs dat samenwerking en hulpvaardigheid een essentiële rol spelen in de evolutie.

*Baby’s van 14 maanden proberen al mensen te helpen. Makaken delen hun banaan en doen daar zelfs moeite voor. En ook onder bacteriën heb je onbaatzuchtige varianten. .

De natuur is wreed, zo zijn we gewoon te denken. De evolutie wordt gedreven door competitie, en daarom zijn mensen, dieren en planten voortdurend in een strijd op leven en dood verwikkeld.

Aardig zijn voor anderen is verspilde energie, en verkleint je eigen kansen op overleving en voortplanting.

°
Of toch juist  niet?

bioloog JordiVan Gestel bestudeert onbaatzuchtige bacteriën aan Harvard en Groningen, en Bijma probeert in Wageningen doorgefokte kannibaalse kippen weer lief te maken.

Uit hun onderzoek blijkt dat niet alleen competitie, maar ook samenwerking een essentiële rol speelt in de evolutie.

°
Hoe is altruïsme ooit ontstaan?

Onderzoekers die daar antwoord op proberen te geven.

Psycholoog Ulf Liszkowski denkt dat hulpvaardigheid is aangeboren, hij ziet bij baby’s van 14 maanden al dat ze naar dingen wijzen om anderen te helpen

Dat is veel vroeger dan men in eerder onderzoek kon aantonen

00:24 / 25:57

—>  Liszkowski cs tonen aan dat kinderen van anderhalf Theory of mind hebben. De onderzoeksopzet lijkt me niet waterdicht. Omdat er getest wordt met een speeltje, kan het eigen belang zijn van het kind om het verwisselde speeltje aan te wijzen en geen altruisme. Beter zou zijn als er gewerkt wordt met twee objecten, een speeltje voor het kind en een object dat alleen betekenis heeft voor een volwassene (bijvoorbeeld een smart phone). Als de peuter na verwisseling de volwassene helpt het `volwassen` object te vinden, dan houd het wel steek..

°

Kapucijnaap socialer dan kleuter

Kind deelt pas snoep vanaf zijn zevende

Als het voor een kapucijnaap niet uitmaakt voor hoeveel hij zelf krijgt..
Als het voor een kapucijnaap niet uitmaakt voor hoeveel hij zelf krijgt..
     kapucijnaap…geeft hij graag ook wat lekkers aan zijn buurman.

Apen halen bevrediging uit het delen met anderen. Kinderen ook, maar wel pas vanaf een jaar of zeven.

Mensen vinden het fijn als iedereen evenveel krijgt. Als er getrakteerd wordt, omdat iemand jarig is, wordt de taart in acht zo gelijk mogelijke stukken verdeeld. Ook de fles cola wordt zo precies mogelijk over de beschikbare glazen leeggeschonken. We willen namelijk niet dat iemand anders meer krijgt, maar het voelt ook niet goed om zelf het grootste stuk te pakken.
°
Dat dit soort gedrag bevorderlijk is voor de samenwerking in grote groepen spreekt voor zich, maar wanneer ontwikkelt het zich precies bij kleine kinderen? Dat vroegen Ernst Fehr van de universiteit van Zurich en zijn collega’s zich af.
Ze besloten 229 Zwitserse kinderen tussen de drie en acht jaar aan een onderzoek te onderwerpen. Hun resultaten verschijnen deze week in Nature.
De kinderen kregen de keuze tussen twee opties: een snoepje krijgen terwijl een ander kind er ook een krijgt, of een snoepje krijgen terwijl de ander er geen krijgt.
Kinderen van drie en vier jaar kon het duidelijk niks schelen of de ander ook wat kreeg. Ze kozen net zo vaak voor de sociale optie, waarbij de ander ook wat kreeg, als voor de asociale, waarbij de ander niks kreeg.
Ze maakten daarbij amper onderscheid tussen kinderen die uit hun eigen groep kwamen en onbekende kinderen. Kinderen van een jaar of zeven gedroegen zich een stuk socialer. Ze kozen massaal voor de optie waarbij de ander ook een snoepje kreeg, vooral als het een kind uit de eigen groep betrof.
°
En zelfs als ze de keuze hadden om alle snoep voor zichzelf te houden, kozen ze er toch voor om te delen met een kind dat ze kenden. Alleen als zo’n kind meer zoetigheid dreigde te ontvangen dan zijzelf, waren ze ineens niet meer sociaal, dan gaven ze het andere kind niks. Blijkbaar houden kinderen er vanaf deze leeftijd van om alles zo eerlijk mogelijk te delen met hun vrienden, concluderen Fehr en zijn collega’s. Met dit sociale gedrag zouden mensen zich onderscheiden van apen.
°
Geen enkel dier behalve de mens is altruïstisch, menen sommige onderzoekers.
°
De Nederlandse primatoloog Frans de Waal van Yerkes National Primate Research Centre in Atlanta gelooft daar niks van.
°
Hij besloot eenzelfde experiment uit te voeren met vrouwelijke kapucijnaapjes.
Zijn resultaten publiceert hij deze week in PNAS.
De aapjes kregen de keuze om een andere aap een stukje appel te geven, of om dat niet te doen. Deze keuze had geen invloed op de hoeveelheid fruit die ze zelf kregen.
Net als zevenjarige kinderen gaven de aapjes graag aan de ander als ze haar kenden.
Tegenover onbekende apen gedroegen ze zich stukken minder sociaal. En als een andere aap meer dreigde te ontvangen dan zij, gedroegen de aapjes zich jaloers; dan gaven ze de ander niks.
Volgens de Waal is dit soort altruisme bij dieren vooral gebaseerd op empathie en komt er weinig berekening bij kijken.
De Waal: “Het is geen calculatie, dat is veel te cognitief”.
De primatoloog denkt ook dat dat de reden is dat apen zich ineens niet meer sociaal gedragen als er een schot wordt geplaatst tussen henzelf en de andere aap.
“Ze weten nog steeds welke aap er achter het schot zit, maar blijkbaar moeten ze de andere aap kunnen zien eten om bevrediging te halen uit hun sociale gedrag”.
Bij mensen maakt zo’n schot geen verschil, die blijven zich dan wel sociaal gedragen. “Dat komt doordat ze een groter voorstellingsvermogen hebben dan een aap”, meent De Waal. “Mensen kunnen ook bevrediging halen uit geld geven aan goede doelen, zonder dat ze zien dat een kind in Afrika ook daadwerkelijk te eten krijgt van hun besteding.
Of aapjes hun eten delen omdat ze het gezelliger vinden om samen te eten, of omdat het zien eten van een andere aap bevredigend voor ze is, kan de Waal nog niet zeggen.
Of zouden apen, net als kinderen, het gewoon belangrijk vinden dat iedereen evenveel krijgt?
“Dat klopt wel met de proefjes”, zegt de Waal, “hoewel een aap zich er geen zorgen over maakt als hij zelf meer krijgt dan een ander”. Het dier pakt wel gewoon het grootste stuk taart.
  Een kleuter interesseert het niet of een ander ook wat krijgt
    eten // Pas vanaf een jaar of zeven willen kinderen dat hun vrienden net zoveel krijgen als zijzelf, als het voor hun eigen opbrengst niet   uitmaakt.
°

Driejarige weet al wat eerlijk delen is, maar doet het pas op zijn zevende

21 maart 2013  

driejarige

Driejarigen kennen de regels met betrekking tot delen al, maar blijven daarna nog jaren egoïstisch. Pas op hun zevende gaan ze de regels ook echt toepassen en eerlijk delen. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek.

Wetenschappers verzamelden kinderen die tussen de drie en acht jaar oud waren. De kinderen werden in twee groepen ingedeeld. Een deel van de kinderen nam zitting in een groep die de onderzoekers ‘Self-Share/Other-Norm group‘ noemen. De rest van de kinderen zat in de ‘Self-Norm/Other-Share group‘.

Self-Share/Other-Norm
Kinderen in de eerstgenoemde groep kregen vier stickers.De onderzoekers vertelden de kinderen dat de stickers aan de kinderen toebehoorden en dat ze zelf mochten weten of ze deze wilden houden of met een ander kind wilden delen. De stickers die ze aan een ander kind wilden geven, moesten ze in een envelop doen. Daarna gaven de onderzoekers een envelop aan de kinderen en vertelden ze dat daar de stickers inzaten die een ander kind met ze wilde delen. De onderzoekers vroegen de kinderen hoeveel stickers het andere kind in de envelop zou moeten hebben gestopt.

Resultaten
Kinderen die drie of vier jaar oud waren, deelden hun stickers vaak niet eerlijk. Ze gaven in vergelijking met vijf- en zesjarigen aanzienlijk minder vaak de helft van hun stickers weg. Maar wanneer onderzoekers de kinderen vroegen hoeveel stickers een ander kind aan ze moest geven, wisten alle kinderen – ongeacht hun leeftijd – dat precies aan te geven. Namelijk: de helft, oftewel twee stickers.

Self-Norm/Other-Share
Ook de kinderen in de Self-Norm/Other-Share group namen deel aan een experiment. Ze kregen vier stickers en moesten vervolgens voorspellen hoeveel van die stickers ze weg zouden geven als ze de gelegenheid kregen om hun stickers te delen. De kinderen die zeven of acht jaar oud waren, voorspelden dat ze hun stickers eerlijk zouden delen. Drie- en vierjarigen voorspelden dat ze meer stickers voor zichzelf zouden houden.

Vraag
Dit laatste experiment beantwoordt een vraag die het eerste experiment oproept. In het eerste experiment zien we namelijk dat jonge kinderen weten wat eerlijk delen is, maar dat ze dat vervolgens niet doen. De vraag is of ze oprecht de intentie hadden om stickers eerlijk te delen, maar dat op het moment dat het echt moest gebeuren, toch niet konden. Het tweede experiment laat zien dat dat niet het geval is. Jonge kinderen weten wat de norm is, maar hebben niet de intentie om zich aan die norm te houden.

Het onderzoek toont in ieder geval aan dat jonge kinderen (vanaf een jaar of drie) weten wat het is om eerlijk te delen. Het belang dat ze aan eerlijk delen hechten, is dan echter nog beperkt, maar neemt toe naarmate ze ouder worden.

°

WIST U DAT…

…driejarigen niet geven wat u vraagt, maar wat u nodig heeft?
°
Bronmateriaal:
I Should but I Won’t: Why Young Children Endorse Norms of Fair Sharing but Do Not Follow Them” – PLoSONE.org
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door xx (cc via Flickr.com).
°
Arianne Hinz Frans de Waal, Kristin Leimgruber, Amanda Greenberg, “Giving is self-rewarding for monkeys”, PNAS, 26 augustus 2008 Ernst Fehr, Helen Bernhard, Bettina Rockenbach, “Egalitarianism in young children”, Nature, 28 augustus 2008

°

Primatenonderzoeker Liesbeth Sterck zag bij makaken dat zij hun eten willen delen en zich daar zelfs voor inspannen. 

°

Chimpansee lijkt toch gevoel voor rechtvaardigheid te

hebben

 15 januari 2013  5

chimpansee

Een nieuw experiment onder chimpansees wijst erop dat de mensapen toch een gevoel voor rechtvaardigheid hebben. De resultaten zijn best verrassend. Wetenschappers gingen er lang vanuit dat een rechtvaardigheidsgevoel een echt menselijk trekje was.

Wetenschappers van de Emory University lieten chimpansees een spel spelen: Ultimatum Game. Dit spel wordt ook vaak gebruikt om het rechtvaardigheidsgevoel van mensen vast te stellen. In het spel moet één individu een beloning delen met een ander individu. Pas als het andere individu met de verdeling akkoord gaat, ontvangen beiden hun deel van de beloning. “Mensen delen over het algemeen heel royaal,” vertelt onderzoeker Darby Proctor. “Ze geven bijvoorbeeld vijftig procent van hun beloning aan hun partner.” Verrassend genoeg delen ook chimpansees royaal.

Chimpansees en kinderen
De onderzoekers vergeleken hoe chimpansees en kinderen (tussen de twee en zeven jaar) tijdens een aangepast Ultimatum Game presteerden. Tijdens het spel moest een individu tussen twee verschillend gekleurde fiches kiezen die – met behulp van een partner – ingewisseld konden worden voor een beloning (voedsel voor de chimpansees en een sticker voor de kinderen). Eén fiche zorgde ervoor dat beide individuen een even grote beloning kregen, terwijl een ander muntje degenen die het muntje uitkozen een beetje extra beloonde (en de partner dus minder kreeg). De fiches konden worden omgezet in een beloning doordat de partner deze inwisselde (en dus zo instemde met de keuzes die het eerste individu maakte). Zowel de chimpansees als de kinderen reageerden zoals volwassen mensen dat normaliter doen. Wanneer ze de hulp van de partner nodig hebben om hun beloning te innen, kiezen ze een muntje dat ervoor zorgt dat de beloning eerlijk verdeeld wordt. Als de partner het aanbod van het individu niet kon weigeren, kozen zowel kinderen als chimpansees voor de meest egoïstische optie: het muntje dat ze de grootste beloning op zou leveren.

Dezelfde voorkeuren
“Tot wij dit onderzoek deden, dachten economen (die dit spel veel gebruiken, red.) dat dit spel niet met dieren gespeeld kon worden of dat dieren tijdens het spelen voor de meest egoïstische optie zouden gaan,” vertelt onderzoeker Frans de Waal. “Wij concluderen dat chimpansees niet alleen heel dicht bij het rechtvaardigheidsgevoel van mensen in de buurt komen, maar dat de dieren ook exact dezelfde voorkeuren hebben als onze eigen soort.”

Samenwerking
En daarmee lijkt bewezen dat chimpansees een gevoel voor rechtvaardigheid hebben. Ergens is dat ook wel logisch, zo stellen de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences. Chimpansees werken in het wild nauw met elkaar samen en moeten ook wel gevoelig zijn voor de verdeling van beloningen willen ze voordeel kunnen halen uit die samenwerking met anderen.

Het onderzoek suggereert dat de aversie die mensen hebben tegen oneerlijk gedrag al heel oud is. Dit onderzoek wijst er namelijk op dat de voorouder die chimpansees en mensen delen al een afkeer had jegens onrechtvaardigheid.

Bronmateriaal:
Chimpanzees successfully play the Ultimatum Game” – Emory University (via Eurekalert.org).
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door William Warby (cc via Flickr.com).

http://www.scientias.nl/?s=-+chimpansee+samenwerking&x=19&y=10

°

Goed en kwaad

Kunnen dieren ‘goed en kwaad ‘van elkaar onderscheiden? Lees er hier alles over!
°

Evolutie en samenwerking

Gijsbert Werner MSc.
Promovendus Departement Dierecologie
Vrije Universiteit Amsterdam

Evolutie van samenwerking

Hoewel traditioneel bekender uit vakgebieden als de economie en de politicologie, houdt het onstaan van samenwerking ook in de biologie de gemoederen bezig. De natuur staat bol van de samenwerkingsverbanden, binnnen én tussen soorten. Stokstaartjes waarschuwen luid voor naderende roofdieren en vergroten daarmee de kans zelf slachtoffer te worden. Planten en schimmels wisselen voedingstoffen uit die de partner, op een zogeheten ‘biologische markt’. Bacteriën scheiden gezamenlijk speciale moleculen uit om ijzer te binden, broodnodig voor bacteriële groei.

Vanuit een evolutionair oogpunt zijn veel van dergelijke verschijnselen op het eerste gezicht een raadsel. Want waarom zou je eigenlijk meedoen, als je ook anderen voor de kosten kan laten opdraaien?

Voor een bacteriële gemeenschap zijn ijzerbindende moleculen een publiek goed: iederen profiteert ervan, terwijl individuën de productiekosten dragen. Waarom dan niet parasiteren op de samenleving?

Er is een groot aantal theoretische oplossingen voor dergelijke problemen. Zo zou samenwerking verklaard kunnen worden als het vooral gericht is op nauwe verwanten, of als groepen onder grote externe druk staan en conflicten binnen de groep onderdrukt worden.

Minimalisatie van de genetische diversiteit tussen samenwerkers, straffen voor defectors of juist beloningen voor samenwerkers, alleen samenwerken met andere samenwerkers op basis van wederkerigheid en directe hormonale manipulatie zijn slechts enkele van de vele mechanismen die zijn voorgesteld om het probleem van samenwerking op te lossen. In 2005 noemde het Amerikaanse tijdschrift Science de evolutie van samenwerkingsgedrag dan ook één van de grote openstaande wetenschappelijke vragen.

Recentelijk beginnen evolutiebiologien inzicht te krijgen in hoe belangrijk dergelijke mechanismen nu daadwerkelijk zijn in verschillende samenlevingen. Zo weten we sinds dit jaar dat de biologische markt tussen sommige schimmels en planten stabiel blijft doordat beide partners direct reageren op een verminderde samenwerking van de andere partij. Zowel de schimmels als de planten kunnen detecteren welke handelspartner eerlijk teruggeeft in ruil voor geleverde voedingstoffen, en welke louter parasiteert. Vervolgens wordt ervoor gezorgd alleen nog voedingstoffen te dirigeren naar die partners die goede partners zijn gebleken. Een experiment in bacteriële gemeenschappen liet zien dat het ondrukken van onderlinge competitie tussen bacteriën het voordeel van cheating kan wegnemen, en productie van een publiek goed bevordert.

In slijmzwammen die als individuële cellen én als een samenwerkingsverband van vele individuën kunnen leven, werd aangetoond dat verwantschap en het beperken van genetische diversiteit binnen een groep cruciaal is voor stabiele samenwerking.

De vraag die Science zeven jaar geleden stelde, begint dus langzaam steeds meer beantwoordt te raken, hoewel een algemeen inzicht in de stabiliteit van samenwerking nog ver weg is. Dat betekent niet dat we biologische samenwerking volledig begrijpen. Waar sommige theoretisch voorspelde mechanismen om samenwerking te behouden inderdaad worden gevonden, en andere discutabeler zijn, weten we nog nauwelijks welke factoren bepalen wat voor mechanismen een rol spelen. Waarom zijn sommige organismen wel in staat tot samenwerking op basis van wederkerigheid, terwijl andere vertrouwen op samenwerking met verwanten, en weer andere op straffen?

We hebben nog slechts een basaal begrip van de omgevingsfactoren, genetische invloeden en mogelijkerwijs historische factoren die dergelijke evolutionaire keuzes bepalen. In het verlengde daarvan ligt een meer toekomstgerichte vraag: in hoeverre zijn biologische samenwerkingsverbanden bestand tegen veranderingen in deze factoren? Juist samenwerkingsverbanden zijn vaak heel specifiek geöptimaliseerd voor omgevingsfactoren als beschikbaarheid van voedingsstoffen. Het is nog een open vraag of biologische samenwerking kwetsbaarder zal blijken voor klimaatverandering en global change, of juist bijdraagt aan de weerstand daartegen.

Recente vooruitgang in de evolutiebiologie van samenwerking laat in ieder geval zien dat ook relatief simpele organismen tot geavanceerde vormen van samenwerking, en bijhorende controlemechanismen, in staat zijn. Maar al te vaak wordt in de economie, sociologie of politicologie (impliciet) verondersteld dat cognitieve vermogens als planning, geheugen en reputatie onmisbaar zijn voor stabiele samenwerking. Het is begrijpelijk dat mensen, als denkende wezens, al snel geneigd zijn dergelijke mechanismen als cruciaal te zien, maar de biologie laat zien dat veel vormen van samenwerking in een samenleving ook prima zonder kunnen. Niet alleen politiek, planning en instituties, maar ook evolutie is prima in staat samenwerking te produceren.

Tegelijkertijd is een waarschuwing op zijn plaats. Biologische voorbeelden van samenwerking worden maar al te vaak aangehaald als bewijs dat het leven, en dus de mens, van nature altruïstisch is. Zo’n interpretatie is te kort door de bocht. Biologische markten en samenwerkingsverbanden zijn dan wel stabiel, dat wil niet zeggen dat ze eerlijk of wenselijk zijn: om zwakke individuën wordt niet snel omgekeken en de uitkomst is niet per se optimaal voor het collectief.

Is impliceert niet ought zei Hume al, en hoewel biologische markten en biologische samenwerking wellicht als inspiratie kunnen dienen, zitten juist mensen in de unieke situatie actief in te kunnen grijpen in de uitkomst van evolutie om omgewenste uitkomsten te voorkomen.

°

Chimpansees  kunnen net als mensen strategisch samenwerken

© ap.

19/03/13 – 14u35  Bron: Belga

Chimpansees zijn echte teamspelers. Ze kunnen net als mensen strategisch samenwerken om een bepaald doel te bereiken. Dat heeft een Duits-Brits team van onderzoekers ontdekt.

De wetenschappers gaven twee chimpansees de taak om druiven uit een kist te halen. Daarvoor kreeg een van de apen twee werktuigen. De andere aap kreeg niets. Om de taak tot een goed einde te brengen, moest de ene aap een werktuig delen met de andere.Tien van de twaalf chimpansees gaf zijn soortgenoot een werktuig en in 73 procent van de gevallen was dat zelfs het juiste gereedschap. Dat meldt de Britse Warwick Business School (WBS) in een mededeling.  De onderzoekers concluderen daarom dat mensapen net als mensen strategisch kunnen samenwerken om een bepaald doel te bereiken.Alicia Melis van de WBS en Michael Tomasello van het Max Planck Instituut voor evolutionaire antropologie in Leipzig stellen het onderzoek voor in ‘Biology Letters‘ van de Britse Royal Society .
°

Robots

Robots simuleren evolutie van altruïsme

De evolutie van altruïstisch gedrag bestuderen is lastig. Je hebt er honderden generaties voor nodig. Zwitserse wetenschappers vonden de oplossing voor dit probleem. Zij gebruikten simpele robotjes om de evolutie van altruïsme te simuleren.

Je eigen belang opofferen voor het belang van de groep. Het lijkt volledig in strijd met Darwins ‘survival of the fittest’, maar zulk altruïstisch gedrag komt in de natuur toch regelmatig voor. Een goed voorbeeld is de werkermier. Zo’n mier is zelf altijd steriel en kan dus geen genen doorgeven aan de volgende generatie. In plaats daarvan helpt de werkermier de koningin van het nest bij het doorgeven van haar genen. Maar waarom?

In 1964 formuleerde de Britse bioloog William Donald Hamilton een regel (‘Hamiltons rule’) die de evolutie van altruïstisch gedrag kan verklaren. Als een dier voedsel deelt met soortgenoten reduceert het zijn eigen overlevingskansen. Het delen van voedsel brengt dus kosten (c, van ‘costs’) met zich mee. Tegelijkertijd vergroot het dier door voedsel te delen wel de overlevingskansen van zijn soortgenoten (b, van ‘benefit’). Volgens de regel van Hamilton zal het dier zijn voedsel alleen delen als de genetische verwantschap (r, van ‘relatedness’) tussen hem en zijn soortgenoten groot genoeg is. In formule: r x b > c.

Robots

De robotjes die Keller en Floreano gebruikten om de evolutie van altruïsme te simuleren. Afbeelding: © EPFL/Alain Herzog

http://www.kennislink.nl/publicaties/robots-schijnen-licht-op-evolutie-van-altruisme

  • Door: Marc Seijlhouwer

File:The Alice microrobot.jpg

Markus Waibel

Dit is het robotje waarmee het onderzoek is gedaan. Slechts twee bij twee centimeter groot, maar enorm slim. Tenminste, nadat je zijn programma 500 generaties laat doorlopen.

De regel van Hamilton: voor familie offer je je eerder op dan voor vreemden.

Robots bewijzen het nu. Als die zich evolutionair ontwikkelen, worden ze op een gegeven moment vanzelf opofferingsgezind. Een mooie ontdekking, maar is het onderzoek wel goed gedaan?

Je helpt je familie eerder dan dat een vreemde mevrouw op straat. Dat is logisch, het is immers je familie. Je kent ze en je geeft om ze. In de jaren zestig zei William Hamilton dat dit idee zelfs evolutionair bestaat: je offert je op voor je familie, omdat jouw genen, die ook in je broers en zussen zitten, dan in ieder geval blijven bestaan. Maar onlangs is er nogal wat reuring ontstaan over dat idee. Heeft Hamilton nu gelijk of niet?

Wel, zeggen Zwitserse wetenschappers nu. Ze hebben het getest, met robots.

Robotevolutie
Waarom met robots? Het evolutionair altruïsme moet langzaam ontstaan binnen de soort.

Heel erg langzaam. Het is praktisch onmogelijk om zoveel generaties achter elkaar een gemeenschap van dieren te bekijken. Maar robots, die draaien op programma’s. En dankzij genetische algoritmes, computerprogramma’s die de evolutie nabootsen door willekeurig delen van het programma te veranderen, kan je de ontwikkeling van een soort in no-time nabootsen.

En dat is dus ook wat Markus Waibel, Dario Floreano en Laurent Keller deden. Ze simuleerden een situatie uit de natuur, door robots kleine blokjes te laten vinden die voedsel voor moesten stellen. ‘We begonnen met robots die zomaar wat deden. In de loop van de vijfhonderd generaties werden ze steeds slimmer. Aan het einde konden ze voedsel herkennen, oppakken en transporteren naar hun nest, zonder fouten te maken.’ vertelt Waibel. En ze deelden dus ook voedsel met hun familieleden.

Noorderlicht - Hamilton© Wikipedia,  
William Donald Hamilton, de evolutionair bioloog wiens regel over genetisch altruisme nu onderzocht is door de Zwitserse wetenschappers

Delen met je broertjes
Die familieleden van de robots werden gecreëerd door de ‘genen’ van de robotjes aan te passen. Robots hebben natuurlijk geen genen, maar door het programma waarop de robots liepen aan te passen, konden robots wel meer op elkaar lijken. ‘We maakten klonen, die precies hetzelfde programma hadden. Ook maakten we broertjes en zusjes van robotten, door het programma wel aan te passen, maar ook voor een groot deel overeen te laten komen. En er waren complete vreemden, die niets aan overeenkomst hadden met andere robots.’

Door zulke familiebanden in te bouwen werd het mogelijk om het altruïsme te onderzoeken. Robots kregen, nadat ze voedsel hadden verzameld, de optie om het voedsel te delen, of zelf te houden. En ja hoor, na vijfhonderd generaties, toen er genoeg tijd voorbij was om te evolueren, vertoonden de robotjes tekenen van altruïsme. ‘Het onderzoek toont aan dat altruïsme niet, zoals nog wel eens gedacht wordt, altijd in één specifiek gen aanwezig hoeft te zijn. Onze robots hadden een heel simpel genetisch profiel en ontwikkelden toch altruïsme,’ aldus Waibel.

Goed onderzoek?
Hoewel er nu dus, in een simulatie van de natuur, is ontdekt dat Hamilton’s regel klopt, zullen er vast nog wel discussies blijven bestaan. De familie-robotjes werden bij het onderzoek bijvoorbeeld allemaal in dezelfde groep gestopt, waarin geen niet-familie aanwezig was. Het is dus onbekend hoe de robots die altruïsme kennen, zouden reageren op vreemden.

Collega’s van andere universiteiten hebben ook nogal wat kritiek op het onderzoek. De manier waarop het onderzoek was ontworpen deugt niet, en de instelling van de wetenschappers zou bevooroordeeld zijn. En het gebruik van robots is niets meer dan een cool dingetje, dat niets toevoegt aan het onderzoek. Normaal gesproken wordt dergelijk onderzoek met genetische algoritmes gewoon met simulaties op een computer gedaan, en dat werkt net zo goed.

Dus een onomstotelijk bewijs voor Hamilton’s regel, dat is dit onderzoek helaas niet. Of altruïsme inderdaad in de genen zit, en speciaal voor familie geldt, daar zal dan ook nog lang over worden gekibbeld.

………………………….

Tot nut van het algemeen

DOOR DIRK DRAULANS / Knack – 19-03-2008

In veel gevallen heeft    gierigheid en  vrijgevigheid  veel minder te maken met het veiligstellen van de overlevingskansen, dan wel met het afbakenen van de rangorde.

Babbelaars vertonen,,een obsessieve aandacht voor status, en ze zijn zich er scherp van bewust dat altruïsme een favoriete manier is om die te tonen”, schrijft Richard Conniff in zijn boek Beestachtig rijk .

Hun altruïsme is eenrichtingsverkeer, want geven is een eer en krijgen een schande. In de negentiende-eeuwse klassemaatschappij bestonden dergelijke sociale mechanismen ook

Conniff vertelt het apocriefe verhaal van de bankier Jacob de Rotschild, die zich op vraag van de Franse schilder Delacroix in lompen had gehuld om als bedelaar te poseren. Een argeloze vriend van de schilder gaf de sukkelaar wat muntjes. Rothschild liet die aalmoes vervolgens door een bediende in livrei terugbetalen. Hij stak de schildersvriend het luttele bedrag van 10.000 franc toe.

Chimpansees.

Bonobo’s lijken op chimpansees, alleen hebben ze langer haar en zijn ze slanker gebouwd. ,,Zelfs chimpansees zouden moeten toegeven dat bonobo’s meer stijl hebben”, schrijft de primatoloog Frans de Waal in Bonobo: the forgotten ape . Hoewel ze genetisch voor 99,3 procent identiek zijn, gedragen ze zich op een tegengestelde wijze.

Chimpansees leven in groepen die gedomineerd worden door brutale mannetjes, die hun wijfjes treiteren, op een repetitieve wijze seks bedrijven en geregeld hun moordzucht botvieren op hun buren. Bonobo’s leven daarentegen in matriarchale groepen waar spanningen gesmoord worden in zachtaardige, inventieve seksorgieën.

De Waal ziet het zo: ,,De chimpansee lost seksuele problemen op met macht en de bonobo lost machtsvraagstukken op met seks.”(overigens komt agressie en zelfs moord ook bij bonobo’s voor )

Zullen we het er maar op houden dat mensen uit de twee ruiven eten?

Ook de chimpansee die probeert om de macht te behouden, reageert niet alleen door erop te kloppen. De beroemde studies van De Waal tonen tegelijk aan dat de onderlinge verhoudingen bij chimpansees en bij bonobo’s net zo complex en gelaagd zijn als bij mensen.

Onderzoekers constateren bijvoorbeeld ook ,,doorgeleide agressie”: het sociale fenomeen waarbij de hogere in rang zijn frustraties afreageert naar onderen en waarbij in het eindstation een toevallig passerende straathond een trap krijgt van de onderste op de sociale ladder.

Bij alle primaten blijkt sociale intelligentie heel belangrijk te zijn om zich te handhaven in de groep en te klimmen op de sociale ladder. Vooraanstaande chimpansees huldigen een soort noblesse oblige: ze schijnen in te zien dat het delen van voedsel en andere zaken een manier is om prestige en de steun van lager geplaatste individuen te verwerven.

Dominante exemplaren van primatengroepen kunnen hun verheven status het best in stand houden — en er tegelijk het meest van genieten — als ze zich de belangen van hun ondergeschikten aantrekken.

Dat verklaart waarom dictators in Afrika van het type opperstamhoofd zich decennialang ongestoord in weelde konden wentelen als ze hun onderdanen maar af en toe een presentje toewierpen en hier en daar een beetje aan liefdadigheid deden. Toen de Sovjet-Unie en het westen na de Koude Oorlog niet langer tegen elkaar opboden met leningen en ontwikkelingsprojecten, werd dat steeds moeilijker.

Maar het grote verschil blijft natuurlijk dat geen enkele andere mensaap voedsel opslaat voor de winter en zo een begin maakt met de opbouw van een vermogen. Alleen mensen kunnen rijk zijn en daar hun status en seksuele aantrekkingskracht aan ontlenen. Dieren kunnen wel voedsel en soms ook dingen delen, ze kunnen elkaar vlooien, knuffelen en zoenen: maar pakjes geven heeft binnen hun sociale rituelen geen plaats.

Toch is het goed even aan de vampiers te denken als u straks van iemand een cadeautje krijgt. Als die geven, nemen ze aan dat de ontvanger de onuitgesproken deal aanvaardt om ooit terug te betalen. Of denk aan de chimpansee, die alleen maar aardig is omdat hij streeft naar meer macht en paarkansen. Of aan de nietige babbelaartjes, die er uitsluitend op uit zijn hun hogere status te bevestigen. Vrijblijvend een cadeautje geven gewoon omdat we iemand graag zien, dat bestaat in evolutionaire termen niet

Als u geen bijbedoelingen hebt, dan uw ,,zelfzuchtige genen” zeker wel

°

Zou groepsselectie dan toch een drijvende kracht achter de evolutie zijn? Gerenommeerde biologen beginnen die oude ‘ketterij’ te verdedigen.

Het zelfzuchtige gen komt onder (een beetje) vuur ten voordele van de groep.

Altruïsme is een krachtig mechanisme in onze maatschappij. Je ziet het overal, zelfs losgekoppeld van persoonlijke motieven (zoals betaald worden om voor ouderen of zieken te zorgen).

Maar altruïsme bezorgt biologen hoofdbrekens, want het past niet in het plaatje van ‘ieder voor zich’ dat de basis van de evolutieleer vormt. Iedereen is erop uit om zijn eigen genen zoveel mogelijk naar de volgende generaties voort te planten. Als dat kan via een vorm van sociaal gedrag, dan moet dat maar, hoewel het basisconcept dat van het individuele gewin blijft.

De Britse bioloog Jack Haldane lanceerde in 1955 in een pub de stelling dat hij niet bereid was zijn leven te geven voor één broer, wel voor twee broers (of acht neven), omdat hij er pas dan statistisch zeker genoeg van was dat zijn altruïstische genen naar de volgende generaties zouden worden overgedragen.

Altruïsme werd zo gekoppeld aan verwantschap kin selection), omdat wij een deel van onze genen gemeen hebben met onze verwanten. Hoe dichter de verwantschap, hoe meer gemeenschappelijke genen.

Haldane leefde net lang genoeg om zijn provocerende gedachte als een sluitend verhaal te zien, toen de ook al Britse bioloog William Hamilton ze in 1964 in bruikbare formules goot. Hamilton gebruikte verwantschapsselectie om te verklaren waarom individuen in kolonies van sociale insecten zich opofferen om voor de eieren van de koningin te zorgen, in plaats van zelf eieren te leggen. Ze doen dat omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar. Het gaat dus nog altijd om de voortplanting van de eigen genen.

Dat sterk op het individuele gen toegespitste denken raakte in 1976 wereldwijd verspreid door een boek van Hamiltons collega, Richard Dawkins, die het concept van het zelfzuchtige gen ( the selfish genelanceerde, waarmee hij lichamen herleidde tot vehikels om genen de kans te geven zich te propageren.

Dawkins maakte van de mensenmaatschappij een bundeling van ego’s – zijn ideeën werden enkele jaren later politiek vertaald in de weinig sociale regimes van Margaret Thatcher en Ronald Reagan.

TE VEEL EGOISTENMaar altruïsme bleef een sluimerend probleem. Zeker omdat het vrij frequent is tussen niet-verwante individuen.

Iemand helpen om de kans te vergroten dat je zelf geholpen wordt als je later in nood zit, was de eerste poging om een wetenschappelijk aanvaardbare uitweg voor dat altruïsme tussen onverwante individuen te vinden.

Dat bracht echter geen oplossing voor het prangende probleem van het altruïsme op de lange afstand: mensen helpen die je nooit te zien zult krijgen, zodat de kans dat ze jou ooit uit de nood helpen nihil isJezelf bij je naasten adverteren als een goed iemand, wat gunstig is voor je status, en dus voor je kansen op voortplanting, was de volgende stap. Dat begint vergezocht te klinken.

Sinds vorig jaar is er een kentering in het denken. Een kentering die teruggrijpt naar de oorsprong van de evolutietheorie, naar Charles Darwin, die in 1871 in het boek waarin hij zijn ideeën voor het eerst consequent op de mensensoort toepaste, stelde:

‘Alhoewel een hoge standaard van moraliteit een individuele mens en zijn kinderen geen of slechts een klein voordeel oplevert ten opzichte van andere mensen van dezelfde stam, levert een verhoging van de standaard van moraliteit de ene stam ongetwijfeld een enorm voordeel op ten opzichte van de andere.’

Darwin lanceerde daarmee het idee van de groepsselectie, die niet draait om competitie tussen individuen, maar om competitie tussen groepen van individuen.

De logica ervan is:

de mensenmaatschappij is complex, en kan alleen functioneren als mensen samenwerken. Maar dat maakt het systeem kwetsbaar voor echte egoïsten, die geen energie verliezen aan het helpen van anderen maar uitsluitend met zichzelf bezig zijn. Een maatschappij met te veel egoïsten kan echter niet als maatschappij functioneren. Wat voor de paradox zorgt dat sociaal gedrag een groep succesvoller maakt dan een andere groep, hoewel een egoïst binnen zo’n sociale constructie het er beter af kan brengen dan een sociaal iemand. De kernboodschap hier is: te veel zelfzuchtigheid is nefast voor een sociaal systeem.

In de jaren 1960 was er, onder impuls van de Britse bioloog Vero Wynne-Edwards, een opstoot van aandacht voor groepsselectie, maar het concept werd al snel irrelevant beschouwd in vergelijking met de selectie binnen een groep. Dawkins gaf het, 100 jaar na Darwins stichtende zinnetjes, een nekslag. De groep was niet meer dan een instrument ten voordele van het individu.

Maar de jongste jaren duiken er waarnemingen op die groepsselectie lijken te steunen. Zoals de verrassende vaststelling, vorig jaar in het vakblad Public Library of Science Biology, dat ook chimpansees altruïstisch gedrag vertonen ten opzichte van onverwante soortgenoten en van andere soorten, in casu de mens. Wat zou impliceren dat altruïsme diepere wortels in ons systeem heeft dan een soort sociale zekerheid voor later. We zijn er in feite niets mee gebaat om zwerfkatten in huis te halen of ons in te zetten voor de arme boeren van Senegal, maar voor een aantal mensen is het sterker dan henzelf: het lijkt in hun genen te zitten.

CELLEN PLEGEN ZELFMOORDAltruïsme wordt op alle niveaus waargenomen, van cellen die zelfmoord plegen om plaats te ruimen voor jongere opvolgers zodat het weefsel waarvan ze deel uitmaken optimaal kan blijven functioneren, tot mensen die minder kinderen maken dan ze zouden kunnen om te vermijden dat het systeem waarin ze leven kreunt onder overbevolking.

Het feit dat wij nu zo weinig kinderen krijgen, is een moeilijk punt voor de op voortplanting van de eigen genen geënte denkers. Ze proberen de klip te omzeilen door zich te beroepen op de stelling dat het ‘optimaal’ doorgeven van genen naar de volgende generaties niet noodzakelijk betekent dat men zoveel mogelijk kinderen maakt, wel dat men net zoveel kinderen maakt als men goed op weg kan zetten.

De Proceedings of the National Academy of Sciences bracht enkele jaren geleden echter een wiskundig model dat een op het succes van de groep toegespitste aantalsregulatie via een beperking van de voortplanting plausibel maakte. Een eerste opkikker voor de groepsselectie.

Het topvakblad Nature publiceerde vorig jaar bevindingen met virussen die bacteriën aanvallen. Voorzichtige virussen doen het als groep beter dan agressievere soortgenoten die soms zo wild te keer gaan dat ze de bacteriepopulaties waarvan ze (allemaal) moeten leven uitputten.

Recente analyses van veldonderzoek met leeuwen hebben, volgens het topvakblad Science, ook argumenten pro groepsselectie aangeleverd: dominante leeuwinnen besteden veel tijd aan het verdedigen van het territorium tegen indringers, een risicovolle onderneming, zonder dat ze daar meer persoonlijk voordeel uithalen dan leeuwinnen die een rustiger rol op zich nemen. Maar voor het welzijn van hun groep is het cruciaal dat ze de risico’s nemen. Een inzicht dat eind vorig jaar in het blad New Scientist op mensenpopulaties werd toegepast, onder meer door de wereldberoemde Amerikaanse sociobioloog Edward Wilson. Hij is een mierenexpert die van het ontrafelen van de biologische drijfveren van sociaal gedrag (ook van mensen) zijn levenswerk heeft gemaakt.

Wilson is nooit een vurige verdediger van exclusief zelfzuchtige concepten geweest, maar nu trekt hij duidelijk de kaart van de groepsselectie, ook om menselijke interacties te begrijpen. De sleutel daarbij is dat ons maatschappelijke systeem een vorm van gelijkheid tussen individuen voorziet die uniek is in de wereld. Bij onze naaste verwanten, de mensapen, draait alles nog om een op kracht en status gebaseerde hiërarchie, waarbij de besten de meeste middelen krijgen, en dus ook de meeste kansen op voortplanting.

Maar bij de mens is dat anders. Zeker in de kleine prehistorische mensengemeenschappen moet er weinig hiërarchie in het spel zijn geweest. Om dat egalitaire systeem behoorlijk te doen functioneren, is een verregaande vorm van samenwerking geïntroduceerd. Die stap heeft het mogelijk gemaakt dat de mens de wereld is gaan domineren, net als andere hypersociale wezens zoals mieren en kakkerlakken. Er zijn dus wel veel mensen op de wereld, maar de meesten floreren in een groep, waarbij groepen met elkaar in competitie kunnen gaan.

Oorlog is daarbij een sterke drijvende kracht. Oorlog stimuleert concurrerende gemeenschappen tot inventiviteit om de vijand op een afstand te houden of te overwinnen. Een visie die perfect in het concept van groepsselectie past. Ze verklaart ook waarom zoveel mensen schijnbaar zinloos hun leven op het spel zetten tegen een vijand die ze zelfs niet hoeven te kennen. Het gaat om hun groep, hoe moeilijk het soms ook lijkt om daar een leven voor op te offeren.

WAR ON TERRORHet topvakblad Science toonde het eind vorig jaar nog aan: altruïsme floreert vooral in een context van conflicten tussen groepen. Een oorlog hoeft zelfs niet permanent te zijn, een opstootje af en toe kan volstaan om mensen te doen samenklitten en hun groep tot een succes te maken. Het is niet verwonderlijk dat leiders soms een conflict uitlokken om hun volk achter zich te krijgen, hoewel zo’n strategie veel van zijn waarde verliest als mensen de indruk krijgen dat het uitzichtloos is – zoals de Amerikaanse president George W. Bush stilaan beseft nu zijn war on terror langer aansleept dan voorspeld.

Wilson gaat uiteraard niet zo ver te zeggen dat de zelfzuchtige aspecten van natuurlijke selectie minder belangrijk zijn geworden. Zowel groeps- als individuele selectie speelt een rol. Maar hij drijft zijn nieuwe visies wel consequent door. In het vakblad BioScience poneerde hij enkele weken geleden dat de complexe mieren- en bijengemeenschappen puur op basis van altruïsme ontstaan kunnen zijn. Dat er dus eerst altruïsme was, en pas daarna complexe verwantschap. Het was hem onder meer opgevallen dat op koninginnen gebaseerde systemen ook opduiken bij bladluizen, die allemaal klonen van elkaar zijn of bij naakte molratten, die zich voortplanten als een doorsneezoogdier.

Maar Wilsons tegenstanders, met de zelf nogal zelfzuchtig ingestelde Dawkins op kop, fulmineren dat hij het zot in de kop gekregen heeft, en fundamentele fouten tegen de basisideeën van verwantschapsselectie maakt.

Wie in zijn omgeving echter oog heeft voor wat we maar het goede in de mens zullen noemen, zal zich spontaan kunnen vinden in Wilsons ideeën.

Met als extra argument dat hij zich gesteund weet door een van de grootste denkers die de wereld ooit heeft voortgebracht: de vader van de evolutieleer zelf, Charles Darwin.

ALTRUISME IN DE NATUUR
vrijdag 27 november 2009
door   pierra  /  Marleen

Veel organismen geven blijk van een ogenschijnlijk altruïstisch gedrag. Dit heeft Darwin altijd verbaasd; hij kon daar geen verklaring voor vinden vanuit de evolutie-optiek. Met onze huidige kennis van DNA en de overerving van genen, is dit gedrag beter te begrijpen en te verklaren vanuit het ‘egoïstische genoom’ (ofwel vanuit het ‘selfish gene’-idee van Richard Dawkins). Vanuit dit oogpunt kan elk organisme gezien worden als een omhulsel van zijn genen. Het organisme wordt door de genen aangezet tot het zoveel mogelijk doorgeven van diezelfde genen aan zijn nageslacht.

Het zelfzuchtige genoom dat aanzet tot altruïstisch gedrag kan verklaard worden met het concept van inclusieve fitness. Inclusieve fitness is de som van je eigen fitness en die van je verwanten. Hoe meer nakomelingen je krijgt hoe hoger je fitness, maar ook de nakomelingen van je broers of zussen verhogen je eigen fitness. Dit kan uitgedrukt worden met de verwantschapsgraad: ieder mens krijgt de helft van het genoom van een van zijn ouders en heeft daardoor een verwantschapsgraad van 0,5 met zijn ouders. Ook met zijn broers en zussen heeft hij een verwantschapsgraad van 0,5. De verwantschapsgraad met de kinderen van je broer of zus is 0,25. Inclusieve fitness betekent dat je fitness hoger ligt als je bijvoorbeeld drie neefjes of nichtjes hebt (0,75) dan als je zelf één kind hebt (0,5). Het is vanuit het perspectief van evolutie dan ook ‘voordeliger’ om je broer of zus te helpen drie kinderen op te laten groeien dan zelf één kind groot te brengen. (Voor een eeneiige tweeling maakt het niet uit wie van de twee er een kind krijgt, want een eeneiige tweeling heeft een verwantschapsgraad van 1.) Hierop baseert zich verwantenselectie: gedrag dat het helpen van verwanten bij het grootbrengen van nakomelingen versterkt, wordt geselecteerd. Dit gedrag is bij verschillende vogelsoorten ontwikkeld.

volvox

Van internet: specialisatie van cellenofwel cooperatie in Volvox

Een extreme vorm van verwantenselectie kun je vinden bij de Hymenoptera-soorten

bijenkoninginvan internet: bijenkoningin met dar

zoals bijen, mieren en wespen. De bijenkorf bestaat voornamelijk uit niet-reproducerende diploïde werksters en één koningin. De mannetjes komen voort uit onbevruchte eitjes; het zijn dus geheel haploïde organismen die een geslachtcel produceren met hun hele haploïde genoom erin: alle zaadcellen zijn hetzelfde. De verwantschapsgraad van de koningin met haar nakomelingen is net als bij de meeste dieren 0,5. De koningin heeft sperma opgeslagen gedurende haar paringsvlucht en kan wel of niet de eitjes bevruchten, het maakt haar niet uit: ze maakt evenveel bevruchte als onbevruchte eitjes. Toch zijn er veel meer vrouwtjes dan mannetjes in de korf. Dit komt doordat de vrouwtjes met het voeden van de larven beslissen welke eitjes zich ontwikkelen en welke niet. Alle bijen zijn zussen van elkaar, maar omdat ze allemaal hetzelfde genoom van de vader kregen hebben ze een verwantschapsgraad van 0,75. Hun verwantschap met hun broertjes is slechts 0,25. De verwantschap met eventuele nakomelingen zou slechts 0,5 zijn. Ze doen er dan ook alles aan om steeds meer zusjes te krijgen, waarvan er slechts enkele de moeders zullen worden van een nieuwe kolonie.

springzaad

van internet: Springzaad

Nu is er zelfs bij planten altruïsme geconstateerd. Een studie toont aan dat de plant Springzaad (uit de balsemienfamilie) in staat is zijn eigen nakomelingen te herkennen.De plant werd in het bijzijn van andere planten geteeld die wel of niet voortkwamen uit het eigen zaad. In het bijzijn van ‘verwanten’ werd wel groei van de stengel en takken waargenomen maar nauwelijks groei van het blad. Dit zou kunnen betekenen dat de plant geen schaduw wil maken en geen licht wil onttrekken aan zijnfamilieleden. Wanneer de plant met ‘vreemden’ groeit maakt hij juist veel blad aan, waardoor hijzelf beter kan groeien én zijn buren achterstelt door hun geen toegang tot licht te geven. Het is waarschijnlijk dat de herkenning van verwanten zich afspeelt via de wortels. Deze studie concludeert dat planten sociale organismen zijn.

Noot: Inmiddels is de petitie stop de bijensterfte aangeboden aan het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Uit ScienceDaily

Ook uit ScienceDaily

Toon gerelateerde artikelen

Verwantenselectie en groepsselectie

http://ascendenza.wordpress.com/2010/08/

30 augustus 2010 PIERRA  Marleen

Verwantenselectie, dat gebaseerd is op inclusieve fitness, was tot nu toe de verklaring voor het bestaan van eusocialiteit zoals we die zien bij wespen, bijen en mieren. De werksters hebben tot 75% van hun genoom gemeen en doen er alles aan om zoveel mogelijk zusjes te krijgen. Ze voeden en onderhouden de koningin en zorgen voor de eitjes en larven. Andere diersoorten hebben slechts 50% van hun genoom gemeen, maar kunnen door hun verwanten te helpen met grootbrengen hun eigen ‘fitness’ verhogen. Ik schreef hier eerder een bericht over. ( zie hierboven )

Een recente studie wijst uit dat het niet zozeer de theorie van verwantenselectie, als wel ‘gewone’ natuurlijke selectie is die eusociaal gedrag kan verklaren.

Het gebruikte wiskundige model toont aan dat daar waar inclusieve fitness werkt dit ook uitgelegd kan worden met standaard natuurlijke selectie. Een tweede model toonde aan dat een gen voor eusocialiteit makkelijk verspreidt zolang de groep niet al te klein is.

Deze nieuwe studie ontvangt veel kritiek en velen beweren dat hij onjuist is.

Het blijft hoe dan ook de vraag hoe eusocialiteit kan ontstaan.

Er zouden drie voorwaarden moeten zijn:

  • Binnen de soort moeten zich groepjes vormen waar ouders en nakomelingen bij elkaar blijven bijvoorbeeld in nesten of wanneer ze een leider volgen.
  • De groep moet samenwerking manifesteren bij het op zoek gaan naar en het bewaken van voedsel.
  • Door mutatie of recombinatie worden genen gevormd voor eusocialiteit.

Van internet: empathy

E. O. Wilson is een groot voorstander van groepsselectie. Hij staat wel geïsoleerd aangezien men er nog steeds van uitgaat dat natuurlijke selectie zich op het individu richt. Kijken we naar de mens dan zien we dat Darwin er in zijn The Descent of Man het volgende over schrijft: ‘Hoewel een hoge morele standaard slechts een klein, of helemaal geen, voordeel oplevert voor de individuele man en zijn kinderen ten opzichte van de andere mannen van dezelfde groep […] zal een hogere morele standaard zeker een groot voordeel geven aan één groep over de andere.’ Wilson concludeert samen met D.S. Wilson: ‘Egoïsme verslaat altruïsme binnen groepen. Altruïstische groepen verslaan egoïstische groepen.’

Groepsselectie zou zo’n zwakke kracht zijn dat hierdoor nooit werkelijk nieuwe eigenschappen zouden ontstaan.

Sociaal psycholoog Mark van Vugt beweert dat mensen vaak groepen vormen met niet-verwanten. Cultuurverschillen maken dan het ontstaan van verschillende groepen mogelijk, want volgens hem is het bestaan van verschillende groepen essentieel voor het zich manifesteren van selectie.

Over het ontstaan van groepen verwanten en van onder andere religieuze groepen gaat het volgende filmpje van Jeremy Rifkin. De boodschap is dat de spiegelneuronen ons het vermogen tot empathie geven en dat onze groepen uiteindelijk geheel globaliseren.

Uit: Naturenews, Physorg.com, Kennislink.nl

Update over het artikel van Wilson waarin hij verwantenselectie aanvalt:

Jerry Coyne (met dank aan ing. St Hawk)

Richard Dawkins

Carl Zimmer

Beestige vrijgevigheid ?

zaterdag 27 november 2004 De Standaard (-door eric bracke)

Dieren bezitten geen materiële dingen die ze elkaar kunnen geven. Alleen de mens maakt sieraden en vergaart rijkdom, waarvan hij desgewenst een deel kan wegschenken. Ooit maakte de homo sapiens zich in de grensstreek tussen Syrië en Turkije zorgen over zijn rijkdom. Er streek daar een groep mensen neer die het jagen en verzamelen opgaf en de landbouw uitvond. Omdat men sommige oogsten, zoals kikkererwten, kon bewaren, was de mens vanaf dan langer in de weer dan nodig was om voor die dag genoeg te hebben. Tegelijk ontstond de mogelijkheid om met de kikkererwten land, macht, seksuele partners en sieraden te kopen. De geschiedenis van cadeautjes geven, begon vanaf dan pas goed. Maar misschien zijn geschenken een vertaling van nog oudere sociale gedragingen die we vandaag in de natuur nog kunnen waarnemen.

Delen is eigen profijt Wat bij dieren het dichtst in de buurt komt van geschenken geven, is voedsel delen. We laten het geprogrammeerde gedrag van een moeder die haar jongen voedt, buiten beschouwing. Volwassen dieren die voedsel delen, een verschijnsel dat vaak voorkomt, lijkt voor ons onderzoek interessanter.

Leeuwen die met zijn negenen achter een zebra aangaan, verdelen de prooi later. Dat is redelijk, want ze haalden de buit met zijn allen binnen. Het levert hun een grotere portie vlees op dan als ze alleen op jacht zouden gaan. Dit delen onder participanten is niet echt geven. Het groepsgedrag levert iedere deelnemer voordeel op, en als dat niet zo was, dan verviel de reden om mee te doen.

Het is dus niet voor de gezelligheid, maar omdat het hun overlevingskansen vergroot dat leeuwen samen op pad gaan. In de survival of the fittest levert egoïstisch gedrag dus niet altijd het meeste profijt op.

vampire-bats

Desmodos rotundus

Dichter aanleunend bij schenken is de vrijgevigheid onder vampiers

http://darwin.zoology.gla.ac.uk/%7Erpage/ispecies/?q=Desmodos+Rotundus&submit=Go

Dat zijn vleermuizen die in tropische gebieden ’s nachts op zoek gaan naar bloed.

Bas Haring, , haalt dit wat griezelige voorbeeld van altruïsme aan in zijn boekje Kaas & de evolutietheorie .

Als een bloeddorstige vampier enkele nachten na elkaar van een kale reis thuiskomt, loopt hij het gevaar van honger om te komen. Meestal doet hij dan een beroep op de gezellen waarmee hij overdag in de grotten ondersteboven hangt te slapen.

,,Meestal spuugt een vriendje een beetje bloed op en geeft dat aan de armoedzaaier te drinken: zo kan hij weer een dagje vooruit. De deal is echter wel dat het hongerige vampiertje de volgende keer zijn vriendjes helpt. Op die manier is iedereen tevreden — als er tenminste geen misbruikers zijn die altijd alleen maar bietsen, en er tenminste geen losers zijn die nooit bloed over hebben om te delen. Beide schijnen zeldzaam te zijn bij vampiers.”

Ook in dit geval concludeert Haring dat het altru챦stische gedrag alles van doen heeft met grotere overlevingskansen voor de betrokken individuen. Hij ziet de samenwerkingsverbanden als de derde revolutie in de evolutie.

De eerste revolutie, die samenvalt met het ontstaan van het leven, was het samenklitten van eenvoudige moleculen tot ,,stukjes minileven”.

De tweede revolutie was het samenklitten van simpele eencellige organismen tot complexere meercellige organismen.

De derde revolutie is het groepsleven van meercellige organismen, zoals bij vampiers en mensapen.

Een wat apart geval van altruïsme onder dieren, waarbij de begunstigden meestal geen verwanten zijn, vinden we bij de babbelaars.
( sylvia curruca )Deze kleine zangvogels, ook wel braamsluipers genoemd, hebben een strikte sociale hiërarchie.

Braamsluiper (Sylvia Curruca)

Chimpansees zorgen enkel voor zichzelf

HLN Be 18/01/2 006

Leedvermaak is chimpansees vreemd……  onbaatzuchtigheid ook?  

Onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn veel meer om hun eigen levensonderhoud bekommerd, zo blijkt uit een studie van vorsers van het Max-Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie die is verschenen in het vakblad Proceedings of the Royal Society B.

Bananen
Een team rond Keith Jensen stak drie onderzoekssituaties ineen die rond het essentiële, namelijk voedsel, draaiden. De elf apen konden via een snoer een banaan naar zich toe trekken, waarbij echter een tweede banaan verder wegritste.

Drie situaties
In een eerste situatie konden de mensapen enkel zichzelf of tegelijk nog een ander dier van voedsel voorzien, waarbij het de bedoeling was hun zelfzucht of wil tot delen te onderzoeken.

In een tweede konden de dieren beslissen of een ander dier ook een banaan bekwam dan wel met lege “handen” kwam te zitten, waarbij het onderzoek zich toespitste op onbaatzuchtigheid.

In de derde situatie konden de proefapen een banaan die reeds beschikbaar was voor een andere aap actief wegnemen, waarbij het draaide om boosaardigheid.

Resultaat
Het algemeen resultaat volgens Jensen was dat de :

gevolgen van het gedrag voor de andere dieren de apen volledig koud bleven. Ze beslisten ‘is het zo, dan is het zo'”.

Max planck institute  E A

Abb.: Solidarity or spite? – empathy with others, both in a positive and negative sense, appears to be a exclusive characteristic of humans

http://www.mpg.de/english/illustrationsDocumentation/documentation/pressReleases/2006/pressRelease20060117/

What’s in it for me? Self-regard precludes altruism and spite in chimpanzees
Keith Jensen A1, Brian Hare A1, Josep Call A1, Michael Tomasello A1 A1 Department of Developmental and Comparative Psychology The Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology Deutscher Platz 6, 04103 Leipzig, Germany

Abstract:

Sensitivity to fairness may influence whether individuals choose to engage in acts that are mutually beneficial, selfish, altruistic, or spiteful. In a series of three experiments, chimpanzees (Pan troglodytes) could pull a rope to access out-of-reach food while concomitantly pulling another piece of food further away. In the first study, they could make a choice that solely benefited themselves (selfishness), or both themselves and another chimpanzee (mutualism). In the next two experiments, they could choose between providing food solely for another chimpanzee (altruism), or for neither while preventing the other chimpanzee from receiving a benefit (spite). The main result across all studies was that chimpanzees made their choices based solely on personal gain, with no regard for the outcomes of a conspecific. These results raise questions about the origins of human cooperative behaviour.


Keywords:

behavioural biology, evolutionary psychology, game theory, inequity, Pan troglodytes


References:

  1. Bolton, G. & Ockenfels, A. 2000 ERC—a theory of equity, reciprocity and competition. Am. Econ. Rev.90, 166–193.
  2. Boyd, R., Gintis, H., Bowles, S. & Richerson, P.J. 2003 The evolution of altruistic punishment. Proc. Natl Acad. Sci. USA100, 3531–3535, (doi:10.1073/pnas.0630443100).
  3. Brosnan, S. & de Waal, F.B.M. 2003 Monkeys reject unequal pay. Nature425, 297–299, (doi:10.1038/nature01963).
  4. Brosnan, S.F., Schiff, H.C. & de Waal, F.B.M. 2005 Tolerance for inequity may increase with social closeness in chimpanzees. Proc. R. Soc. B272, 253–258, (doi:10.1098/rspb.2004.2947).
  5. Clutton-Brock, T. & Parker, G. 1995 Punishment in animal societies. Nature373, 209–217, (doi:10.1038/373209a0).
  6. Darwin, C. 1871 The descent of man and selection in relation to sex, London: John Murray
  7. Fehr, E. & Fischbacher, U. 2003 The nature of human altruism. Nature425, 785–791, (doi:10.1038/nature02043).
  8. Fehr, E. & G채chter, S. 2002 Altruistic punishment in humans. Nature415, 137–140, (doi:10.1038/415137a).
  9. Fehr, E. & Schmidt, K.M. 1999 A theory of fairness, competition, and cooperation. Q. J. Econ.114, 817–868, (doi:10.1162/003355399556151).
  10. Foster, K.R., Wenseleers, T. & Ratnieks, F.L.W. 2001 Spite: Hamilton’s unproven theory. Ann. Zool. Fenn.38, 229–238.
  11. Gadagkar, R. 1993 Can animals be spiteful?. Trends Ecol. Evol.8, 232–234, (doi:10.1016/0169-5347(93)90196-V).
  12. Gardner, A. & West, S.A. 2004 Cooperation and punishment, especially in humans. Am. Nat.164, 753–764, (doi:10.1086/425623).
  13. Gintis, H., Bowles, S., Boyd, R. & Fehr, E. 2003 Explaining altruistic behavior in humans. Evol. Hum. Behav.24, 153–172, (doi:10.1016/S1090-5138(02)00157-5).
  14. Hamilton, W.D. 1964 The genetical evolution of social behaviour. I & II. J. Theor. Biol.7, 1–52, (doi:10.1016/0022-5193(64)90038-4).
  15. Hamilton, W.D. 1970 Selfish and spiteful behaviour in an evolutionary model. Nature228, 1218–1220, (doi:10.1038/2281218a0).
  16. Hammerstein, P. 2003 Why is reciprocity so rare in social animals? A Protestant appeal. Genetic and cultural evolution of cooperation (ed. Hammerstein, P.), pp. 83–93, Cambridge, MA: MIT Press
  17. Hauser, M., Chen, M., Chen, F. & Chuang, E. 2003 Give unto others: genetically unrelated cotton-top tamarin monkeys preferentially give food to those who altruistically give food back. Proc. R. Soc. B270, 2363–2370, (doi:10.1098/rspb.2003.2509).
  18. Henrich, J. & Boyd, R. 2001 Why people punish defectors. J. Theor. Biol.208, 79–89, (doi:10.1006/jtbi.2000.2202).
  19. Howell, D.C. 2002 Statistical methods for psychology 5th edn. Pacific Grove, CA: Duxbury
  20. Johnstone, R.A. & Bshary, R. 2004 Evolution of spite through indirect reciprocity. Proc. R. Soc. B271, 1917–1922, (doi:10.1098/rspb.2003.2581).
  21. Loewenstein, G.F., Bazerman, M.H. & Thompson, L. 1989 Social utility and decision-making in interpersonal contexts. J. Pers. Soc. Psychol.57, 426–441, (doi:10.1037/0022-3514.57.3.426).
  22. Melis, A. P. Hare, B. & Tomasello, M. In press. Engineering cooperation in chimpanzees: social tolerance constraints on cooperation. Anim. Behav.
  23. Nesse, R.M. 2000 Strategic subjective commitment. J. Conscious. Stud.7, 326–330.
  24. Pillutla, M. & Murnighan, J. 1996 Unfairness, anger, and spite: emotional rejections of ultimatum offers. Organ. Behav. Hum. Decis. Process.68, 208–224, (doi:10.1006/obhd.1996.0100).
  25. Silk, J.B., Brosnan, S.F., Vonk, J., Henrich, J., Povinelli, D.J., Richardson, A.S., Lambeth, S.P., Mascaro, J. & Schapiro, S.J. 2005 Chimpanzees are indifferent to the welfare of unrelated group members. Nature437, 1357–1359, (doi:10.1038/nature04243).
  26. Stevens, J.R. 2004 The selfish nature of generosity: harassment and food sharing in primates. Proc. R. Soc. B271, 451–456, (doi:10.1098/rspb.2003.2625).
  27. Stevens, J.R. & Stephens, D.W. 2002 Food sharing: a model of manipulation by harassment. Behav. Ecol.13, 393–400, (doi:10.1093/beheco/13.3.393).
  28. Trivers, R. 1971 The evolution of reciprocal altruism. Q. Rev. Biol.46, 35–57, (doi:10.1086/406755).
  29. Trivers, R. 1985 Social evolution, Menlo, CA: Benjamin/Cummings
  30. Wilson, E.O. 1975 Sociobiology: the new synthesis, Cambridge, MA: Harvard University Press
  31. Wrangham, R. W. 1975 The behavioural ecology of chimpanzees in Gombe, National Park, Tanzania. Ph.D. dissertation, Cambridge University, Cambridge, UK.

Chimpansees: Een onvriendelijk volkje ?

27 oktober 2005

Chimpansees lijken op mensen, we delen dezelfde voorouders. Ze zijn handig en zijn gemakkelijk allerlei trucjes aan te leren. Maar ze zijn niet erg vriendelijk voor elkaar.

Chimpansees zijn egoïsten/ …..Mensen zijn gewend elkaar te helpen. Soms helpt de een de ander zelfs ten koste van zichzelf. Heel opmerkelijk eigenlijk.

En ons verre familielid dan?Die leek het niet uit te maken wat er met andere chimpansees gebeurt./ Althans volgens dit onderzoek ;

Touwen
Een groepje chimpansees werd een interessante test afgenomen. Ze kregen een keuze: trok een testaap aan het ene touw dan kreeg hij iets lekkers, trok de chimpansee aan het andere touw dan kreeg ook een andere chimpansee iets te eten.

Het maakt de chimpansees niet uit. Hoewel ze er geen hap minder om zouden krijgen, kozen ze niet vaker voor het tweede touw. Terwijl de dieren al meer dan vijftien jaar bij elkaar leefden!

Het resultaat van de test is opmerkelijk. In het wild delen chimpansees eten met elkaar.

°

Aapjes kijken

25 januari 2011

Vanuit een glazen uitkijkpost observeert gedragsbioloog Jorg Massen de zestien chimpansees van dierentuin Burgers Zoo in Arnhem.

Massen onderzoekt of de chimpansees altruïstisch gedrag vertonen. Dat wil zeggen of ze iets aan een ander kunnen geven zonder daar iets voor terug te willen.

Eerdere onderzoeken toonden aan dat chimpansees niet vrijgevig zijn maar Massen denkt dat er tijdens deze onderzoeken geen rekening is gehouden met de onderlinge relaties.

Massen verwacht dat chimpansees wel degelijk vrijgevig kunnen zijn tegenover bevriende soortgenoten.

Apen die elkaar vlooien en vaak naast elkaar zitten vinden elkaar aardig.

Het altruïstisch gedrag wil hij aantonen door te kijken naar tolerantie. Een chimpansee zal namelijk nooit voedsel weggeven.

Maar wanneer je één aap een zak met voedsel geeft zal hij van de ene aap wel tolereren dat ze voedsel steelt en van de andere niet. ‘Ik verwacht dat chimpansees die vrienden zijn eerder tolerant naar elkaar zijn dan wanneer ze geen vrienden zijn.’

Het altruïsme van apen vertelt iets over de evolutie van altruïsme bij mensen.

Doordat Massen de hele dag apen observeert, is hij het gedrag van mensen ook anders gaan bekijken.

‘Geven zonder daar iets voor terug te krijgen heeft een functie. Ik geloof niet in puur altruïsme. Bloeddonatie wordt wel eens de puurste vorm van altruïsme genoemd, je geeft iets af en krijgt er niets voor terug. Maar het is wel goed voor je reputatie, je laat zien dat je goedgeefs bent en daardoor het investeren waard. Mensen lopen ook altijd te koop met de goede doelen die ze steunen. Ik denk dan: “Die is weer in zichzelf aan het investeren.”

Of chimpansees toleranter zijn naar vrienden moet nog blijken,

Massen heeft nog wat  tijd om dit aan te tonen.

Knuffelhormoon moedigt chimpansee aan vrienden te maken

Geschreven op 23 januari 2013 om 16:46 uur door 0

grooming

Wetenschappers denken eindelijk te weten welk mechanisme ervoor zorgt dat chimpansees kunnen samenwerken met andere chimpansees waar ze geen familie van zijn en ook geen seks mee hebben. Het heeft alles te maken met het knuffelhormoon: het hormoon helpt ze om deze vriendschappen te onderhouden.

Dieren die samenwerken, leven vaak langer en ook hun nageslacht heeft betere overlevingskansen. Maar welk mechanisme zet dieren nu aan om te gaan samenwerken met een soortgenoot die geen familie en ook geen sekspartner is? Daar is nog vrijwel geen onderzoek naar gedaan. Wetenschappers van het Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology besloten daar verandering in te brengen.

Samenwerken
Ze bestudeerden daarvoor chimpansees. Ook deze dieren houden er samenwerkingsverbanden met andere chimpansees op na. Een heel bekend voorbeeld van zo’n samenwerking is elkaar verzorgen. Twee chimpansees gaan bij elkaar zitten en de één verzorgt de vacht van de ander (zie de foto hierboven). De onderzoekers verzamelden direct nadat de chimpansees elkaars vacht hadden verzorgd urine van de dieren en keken hoeveel oxytocine er in de urine zat. Chimpansees die kort daarvoor een chimpansee hadden verzorgd waar ze een samenwerkingsverband mee hadden, bleken meer oxytocine in hun urine te hebben zitten dan chimpansees die een chimpansee hadden verzorgd waar ze geen samenwerkingsverband mee hadden en chimpansees die helemaal geen andere chimpansees hadden verzorgd. Het maakte hierbij overigens niet uit of de chimpansees die elkaar verzorgden aan elkaar verwant waren of seksuele belangen hadden: ook als er geen sprake was van verwantschap of seksuele belangen, maar wel van een samenwerkingsverband, nam de hoeveelheid oxytocine toe.

 

Verbonden
Het onderzoek wijst erop dat oxytocine – dat ook wel bekend staat als het knuffelhormoon – een belangrijke rol speelt bij het onderhouden van de sociale relaties. Op zichzelf is dat niets nieuws. Zo weten we uit experimenten met mensen en andere sociale dieren al dat oxytocine ervoor zorgt dat we ons verbonden voelen met onze partner en familie. Maar nu wordt voor het eerst aangetoond dat oxytocine in het geval van chimpansees er ook voor kan zorgen dat chimpansees die niet elkaars partner, noch familie van elkaar zijn, zich met elkaar verbonden voelen.

Oxytocine is een hormoon dat invloed uitoefent op de sociale geheugensystemen en kan ons een goed gevoel geven. De onderzoekers vermoeden dan ook dat het de chimpansees helpt om sociale relaties die verder gaan dan verwantschap of seks, te onderhouden.

Bronmateriaal:
The benefits of social grooming” – MPG.de
De foto bovenaan dit artikel is gemaakt door © Liran Samuni.

http://www.scientias.nl/?s=chimpansee&x=24&y=12

http://www.nu.nl/zoeken/?q=Chimpansee

°

De economische aap

Chimpansees beslissen rationeler dan mensen

Chimpansee Frodo lijkt niet van plan zijn eten te delen met Corrie, die met haar zoontje toekijkt (Max Planck Gesellschaft)
Chimpansee Frodo lijkt niet van plan zijn eten te delen met Corrie, die met haar zoontje toekijkt (Max Planck Gesellschaft)
 

Laat je je afschepen met een fooi, terwijl je buurman veel meer in zijn zak steekt? Mensen willen daar niet aan, maar chimpansees wel. Daarmee gaan ze logischer te werk dan wij. En ze winden zich ook nog een stuk minder op over ‘onrechtvaardigheid’.

Economen zouden het graag anders zien, maar mensen zijn geen rationele beslissers die altijd puur hun eigenbelang najagen. Dat blijkt steeds weer uit het ultimatumspel, een proef waarbij twee mensen een geldbedrag moeten delen. De één stelt een verdeling voor, bijvoorbeeld ‘ik acht euro en jij twee’, de ander kan dat aanbod slechts afwijzen of aannemen. Bij een afwijzing lopen beide proefpersonen de buit mis. Mensen blijken als verdeler meestal 40 tot 50 procent van het totaalbedrag weg te geven. Voor minder dan 20 procent wil bijna niemand zijn akkoord geven. Eigenlijk raar, want een klein beetje is toch altijd nog beter dan helemaal niets. Maar het gevoel dat oneerlijk gedrag niet door de beugel kan, weegt zwaarder. Mensen zijn morele dieren. Hoe zit dat bij andere soorten? Dat is nogal lastig te onderzoeken, maar het is drie evolutionair antropologen aan het Duitse Max Planck Instituut nu toch gelukt.
Ze lieten chimpansees een simpeler versie van het ultimatumspel spelen, met rozijnen als inzet.
De resultaten van al dat geschuif met gedroogde druiven verschijnt vandaag in Science. In deze versie van het ultimatumspel kan de eerste deelnemer kiezen uit twee verdelingen, bijvoorbeeld ‘ieder vijf rozijnen’ en ‘ik acht rozijnen en jij twee’. De onderzoekers gebruikten daarvoor een ingenieuze opstelling.
Twee apen zaten in verschillende kooien. Aap één kon kiezen uit twee touwen, die ieder verbonden waren met een plank. Trok hij eraan, dan kwam die plank dichterbij. Maar pas als aap twee de gekozen plank met een stok nog dichterbij haalde, konden beide dieren de rozijnen grijpen die voor ze klaarlagen, ieder aan zijn eigen kant.
Was de keus tussen twee om acht en acht om twee, dan koos de eerste chimp er in driekwart van de gevallen voor om zelf acht rozijnen te incasseren. De tweede stemde daar bijna zonder uitzondering mee in. Ook als het alternatief niet twee om acht, maar vijf om vijf was, zag nummer twee zelden een reden om de deal te weigeren. Liever twee rozijnen dan niks, tenslotte. En dan was er nog een verdeling waarbij chimp één mocht kiezen tussen acht rozijnen of tien.
De ander zou in het laatste geval helemaal niets krijgen. Daarbij bleek dat de apen best lief voor elkaar zijn, want in iets meer dan de helft van de gevallen besloot de kiezende aap zijn maatje ook een paar rozijnen te gunnen, ten koste van hemzelf. En op hun beurt waren de nummers twee in iets meer dan vijftig procent van de proeven bereid om de plank naar de kooi toe te trekken als dat ze geen enkele rozijn opleverde. Dezelfde proef is met mensen gedaan, maar dan met geld in plaats van rozijnen – en zonder kooien. Daarbij is het gedrag van de tweede persoon sterk afhankelijk van het alternatief dat de eerste heeft. Niet kiezen voor een gelijkwaardige verdeling, terwijl dat wel had gekund, wordt niet gewaardeerd. Het roept ook woede op, geven proefpersonen te kennen.
De apen geven in dezelfde situatie geen blijk van opwinding. Hoewel de mens dus niet voldoet aan het ideaalbeeld dat economen van consumenten hebben, blijkt de ‘homo economicus’ die zij in het leven hebben geroepen, toch te bestaan. Het is de chimpansee.
° Elmar Veerman Keith Jensen, Joseph Call en Michael Tomasello: ‘Chimpanzees are rational maximizers in an ultimatum game’, Science, 5 oktober 2007

°

Zou gevangenschap chimpansees onvriendelijk maken

Apen minder slim dan gedacht

ANP op 05 januari ’10,
Chimpansees in Burgers Zoo in Arnhem (ANP)
– Apen zijn wel intelligent, maar lang niet zo “slim “als sommige mensen denken.

Hun sociale gedrag wordt flink overschat, terwijl een computermodel aantoont dat er nauwelijks een rationele gedachtegang ten grondslag ligt aan de handelwijze van apen.
Dat stelt theoretisch biologe Charlotte Hemelrijk van de Rijksuniversiteit Groningen.
Hemelrijk onderzocht het vlooigedrag van apen, wat door andere wetenschappers vaak wordt
opgevat als een bewijs dat apen net als mensen kunnen ‘denken’ in termen van winst, verlies en sociale patronen. Apen zouden daarvoor hun intelligentie gebruiken en heel berekenend zijn.
Volgens Hemelrijk vlooien apen echter vanzelf de dichtstbijzijnde soortgenoot, als ze bang zijn om in een gevecht te verliezen.
Het gaat nauwelijks om bewust gedrag en van bedachte ruilhandel
of verzoening hoeft al helemaal geen sprake te zijn, aldus de biologe.
‘Apen vlooien elkaar omdat ze nu eenmaal andere apen willen vlooien’, aldus Hemelrijk.
Het door haar onderzoeksgroep ontwikkelde computermodel is ook geschikt om inzicht te krijgen in het groepsgedrag van andere dieren, bijvoorbeeld het zwermen van spreeuwen, aldus de
Groningse universiteit.

Verrassende adoptiezorg bij chimps

http://www.nrc.nl/wetenschap/article2475920.ece/Verrassende_adoptiezorg_bij_chimps

5/02/2010

Chimpansees in het wild adopteren verweesde jongen, die geen familie van hen zijn. Dit betekent dat chimpansees in het wild in staat zijn tot ingrijpende hulp aan anderen, zonder dat daarbij duidelijk is wat hun eigen voordeel isDe afgelopen 27 jaar hebben biologen in het Taï-woud van Ivoorkust 18 duidelijke gevallen van adoptie van jonge verweesde chimpansees geconstateerd. Hun moeder, die bij chimps als enige voor de jongen zorgt, was dood. Andere groepsleden adopteerden de wezen. Meestal waren de stiefouders geen familie; de helft van de stiefouders waren mannetjes.

De adoptie geschiedde soms al als de wees tien dagen oud was, anderen werden op hun zesde geadopteerd. De adopties duurden maanden tot jaren. Normaal kijken chimpanseemannetjes amper om naar jonkies, maar in deze bijzondere gevallen was dat beslist anders, zo schrijven vier primatologen onder leiding van Christoph Boesch in het online wetenschapstijdschrift PLoS One.

De meeste adoptiekinderen voeren wel bij hun adoptie. Verlies van die moeder voor het vijfde jaar is anders vrijwel altijd fataal.

Boesch hanteerde als definitie van adoptie dat de adoptieouder op zijn minst op het kind moest wachten tijdens reizen, voedsel deelde en het kind beschermde bij conflicten. Sommige mannetjes gingen heel ver in hun zorg en droegen de kleine kinderen vrijwel permanent op hun rug, zoals de chimpman Porthos die zijn adoptiefdochter Gia eindeloos ronddroeg totdat hijzelf na anderhalf jaar stierf aan miltvuur. Hij hield haar zelfs bij zich tijdens gevaarlijke aanvallen op naburige chimpkolonies.

Een andere chimpman deelde iedere nacht zijn nest met zijn adoptiefkind, en hij deelde ook bijna al zijn gabonnoten. Die zijn een belangrijke voedingsbron.

De grote vraag is waarom deze doen die chimpmannen en -vrouwen dit? Het kost hen vaak jarenlang moeite. Altruïsme ten aanzien van verwanten is biologisch goed te verklaren: je helpt je eigen genen vooruit. Maar dat gaat in de meeste gevallen niet op in het Taï-woud. Vier adoptieouders waren broer of zus van de wees, één was vader en van zeven was zeker dat het géén (naaste) familie was. Van de rest was de band onbekend.

Ook (de hoop op) wederkerigheid is een goede verklaring voor altruïsme, maar ook dat is moeilijk te zien hier. Misschien creëren de mannen een toekomstige bondgenoot, maar ze adopteren ook meisjeswezen, dus erg aannemelijk lijkt die verklaring niet.

Boesch zoekt de verklaring in de omgeving waarin de chimpansee in het Taï-woud leven. Volgens Boesch is altruïsme niet aangeboren. Door het grote aantal luipaarden is de sterfte bij de chimps hoog. Dat heeft een cultuur veroorzaakt waarin de chimps gewonde soortgenoten verzorgen, en samen de groep verdedigen tegen aanvallen. Die zorg heeft zich veralgemeniseerd naar andere sociale contexten, aldus Boesch. Voor zover bekend vinden in andere chimpgroepen in Afrika minder adopties plaats. Anders gezegd: de Taï-chimpansee adopteert gemakkelijk omdat hij leeft in een cultuur van onderlinge hulp.

In gevangenschap is het in experimenten vaak niet eenvoudig om altruïstisch gedrag op te roepen bij chimpansees. Maar, zo merkt Boesch op, daar is iedereen goed gevoed en het welzijn van de ander eigenlijk nooit serieus in gevaar. In Taï is dat wel anders.

De publicatie over de adoptie staat op
Een chimpanseejong klemt zich vast aan zijn moeder. Foto Reuters

Ook chimpansees zijn onbaatzuchtig

24/06/07

Ook chimpansees helpen anderen zonder een beloning te verwachten
Ook chimpansees helpen anderen zonder een beloning te verwachten

Mensen lijken meer dan ze vermoeden op chimpansees

Onbaatzuchtig handelen tegenover anderen, werd lange tijd beschouwd als een van de eigenschappen die ons uniek maken.
Maar nieuw onderzoek , maakt duidelijk dat ook onze neven de chimpansees vaak blijk geven van zulk altruïsme.
Vitaal
Altruïsme wordt door antropologen beschouwd als een vitaal onderdeel voor het in stand houden van de complexe sociale groepen waarin mensen leven. Volgens de meeste wetenschappers ontstond die eigenschap pas nadat de moderne mens zich zo’n 6 miljoen jaar geleden afscheidde van de evolutionaire tak waartoe de chimpansee behoort – hoewel de Nederlandse etholoog Frans de Waal al meer dan tien jaar geleden vaststelde dat er ook op dat punt raakvlakken zijn tussen mens en mensaap.Behulpzaam
Nu hebben vorsers aan het Max Planck-instituut in Berlijn in Oeganda een groep van 36 chimpansees bestudeerd en kwamen ze tot de conclusie dat ook die dieren in staat zijn tot spontane, onbaatzuchtige daden om anderen te helpen en dat dit ook bij hen genetisch lijkt te zijn vastgelegd.
Zo hielpen de apen mensen die wanhopig maar tevergeefs probeerden een stok te pakken die binnen het territorium van de chimps maar buiten hun eigen bereik lag, door die naar de mens toe te duwen.
En dit zonder dat ze vooraf contact met die mensen hadden gehad, of een beloning konden verwachten voor die hulp.
Opvallend: de apen staken geen poot uit als de mens zelf niet heel hard zijn best deed de stok te pakken. .
Ook toen de stok niet simpelweg op de grond werd gelegd, maar de aap bijna twee meter moest klimmen om hem te kunnen pakken, bood hij hulp.
Bij een derde experiment bleek dat de chimpansees ook elkaar hielpen in lastige situaties, zonder daar zelf beter van te worden – of dat te verwachten.Overeenkomsten
“We dachten dat wij heel sterk verschilden van andere dieren, met inbegrip van primaten”, aldus onderzoeker Felix Warneken, “maar dat bleek niet zo te zijn. Duidelijk is nu dat ook de voorvader van de huidige mens beschikte over in elk geval een vorm van altruïsme“.

Verschillende andere dieren, zoals dolfijnen en wolven, zijn ook bereid anderen te helpen zonder dat ze daar direct voordeel van lijken te hebben. Maar dat doen ze alleen voor hun nakomelingen of voor soortgenoten, volgens wetenschappers omdat ze zo het voortbestaan van hun genen willen verzekeren.

http://www.timesonline.co.uk/tol/news/world/europe/article1977658.ece

De hulpvaardige aap / Altruïsme: typisch menselijk?

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/27330590/

Sluit dit venster

vlooien is een vorm van hulpverlening, maar niet onbaatzuchtig. Wie vlooit wordt immers gevlooid.

Sluit dit venster

Mensen zijn zo aardig, dat ze elkaar zelfs helpen met oversteken.

Is de mens het eerste en enige onbaatzuchtige wezen, of hadden zijn voorvaderen al een helpende hand? Als dat het geval was, dan zouden tevens verre neven zoals chimpansees iets van altruïsme in zich moeten hebben. Duitse onderzoekers beweren dat dat ook zo is.

Mensen zijn rare wezens. Helpen andere dieren elkaar alleen als het om familie gaat of als ze er zelf voordeel uit halen, de mens lijkt soortgenoten te pas en te onpas te hulp te schieten. De mens geeft aan goede doelen, zit in comit챕s en besturen en doneert bloed aan soortgenoten die hij nooit heeft gezien.

Door velen wordt beweerd dat de mens hierin alleen staat en de eerste echte altru챦stische diersoort op aarde is. Bovendien zou geen enkel dier zo intensief samenwerken als de mens, om zowel persoonlijke als gezamenlijke doelen te halen. Antropologen van het Duitse Max Planck Instituut dachten daar anders over en startten een onderzoek. Hun bevindingen publiceren ze deze week in Science. De centrale vraag: is onbaatzuchtige hulpvaardigheid en samenwerking echt typisch menselijk, of hadden onze aapachtige voorvaderen deze eigenschappen al?

Om die vraag te beantwoorden, bedachten de onderzoekers twee soorten testen. In de eerste toetsten ze in hoeverre anderhalf jaar oude mensenkinderen en jonge chimpansees bereid zijn anderen te helpen, zonder daar iets voor terug te krijgen. Zou het altru챦sme een erfenis zijn, dan moet verre neef de chimpansee daar ten minste ook een vleugje van hebben meegekregen, zo redeneerden de wetenschappers.

Zowel de mensenkinderen als de chimpansees werden geconfronteerd met een volwassen mens met een probleem. Dat probleem was bijvoorbeeld een gevallen stift, wasknijper of ander object waar de volwassene niet bij kon, een gesloten kastje waar hij met de armen vol tijdschriften tegenaan botste, of een schijnbaar ongrijpbare lepel in een doos (de domme volwassene graaide ernaar via een klein gat, zich ‘onbewust’ van de grote opening aan de zijkant van de doos).

Zowel de kinderen als de chimpansees bleken de kwaadste niet. De kleine mensen hielpen vrijwel meteen, de chimps staken de helpende hand pas toe als de volwassene daar nadrukkelijk – met reikbewegingen en smeekbedes – om had gevraagd. Overigens waren de chimpansees niet altijd een goede hulp. Die gevallen stift snapten ze nog wel, maar het probleem van de tijdschriften en de lepel zagen ze niet. De volwassen proefpersonen konden smeken wat ze wilden, de chimps staken geen poot uit.

Iets waar de apen wel weer goed in waren, was samenwerken. Dat bleek uit de tweede test die de antropologen hadden ontwikkeld. Van chimpansees was al bekend dat ze veel samenwerken om bijvoorbeeld prooien te vangen. Hoe dichter het bos en hoe meer ontsnappingsroutes voorradig, hoe meer ze geneigd zijn er met een groep op af te gaan. Of de apen zich ook echt bewust zijn van het nut van co철peratie, of dat die meer toevallig is, was echter niet bekend. In de proef van de Duitsers moest dat duidelijk worden.

De onderzoekers plaatsten een volwassen dier in een hok, met daarnaast een plateau met voedsel. Het voer leek onbereikbaar, maar kon worden binnengehaald met een touw dat aan het plateau was bevestigd. De uiteinden lagen voor het grijpen in de kooi. Aan beide uiteinden moest tegelijkertijd worden getrokken, om het voer daadwerkelijk te pakken te krijgen. De sluwe onderzoekers hadden ze in sommige gevallen echter zo ver uit elkaar gehangen, dat 챕챕n chimpansee ze niet allebei tegelijk kon pakken. De chimp stond dus voor de keus: zelf blijven pielen en het voedsel uiteindelijk verliezen, of een soortgenoot inschakelen en delen. De meeste dieren deden het laatste.

De chimpansees konden zelfs onderscheid maken tussen goede en slechte helpers. Ze mochten kiezen tussen twee soortgenoten in aangrenzende kooien. Na wat uitproberen kozen ze steeds voor de aap die het beste synchroon kon touwtrekken.

Hieruit concluderen de Duitse onderzoekers dat apen eigenlijk net zulke rare wezens zijn als wij. Ze lijken altru챦stisch en bewust co철peratief bovendien. Lijken. Want eerdere onderzoeken gaven een iets andere uitkomst. Had de volwassen proefpersoon een banaan in plaats van een stift laten vallen, dan had hij daarnaar kunnen fluiten. Want als een aap moet kiezen tussen zijn eigen maag en die van een ander, dan weet hij het wel. Andere wetenschappers dan de Duitse toonden dergelijk ego챦sme, in plaats van altru챦sme, herhaaldelijk aan. Bovendien waren de volwassenen in de eerste proef verzorgers. De chimps zien ze vrijwel dagelijks en zijn daardoor misschien eerder geneigd om te helpen. Tegen (mannelijke) soortgenoten zijn chimpansees over het algemeen minder aardig. Of apen echt altru챦stisch zijn, blijft dus maar de vraag. Voorlopig is het dus een typisch menselijke eigenschap. Hoewel niet iedereen even rijkelijk bedeeld is…

(Remy van den Brand)

Sluit dit venster

De onderzoekers ontdekten 110 genen die op een andere manier worden gebruikt door de chimpansee dan door de mens. Foto E. Herrmann.

Alicia P. Melis, Brian Hare en Michael Tomasello, ‘Chimpanzees recruit the best collaborators’. Science, 3 maart 2006.

Felix Warneken en Michael Tomasello, ‘Altruistic helping in human infants and young chimpanzees’. Science, 3 maart 2006.

video

“Zelfmoord” om de soort te beschermen,
is Altruisme (< klik ) van de bovenste plank….
In het algemeen(verondersteld) verklaarbaar vanuit gemeenschappelijk erfelijk materiaal. —> Kin selection
Voorbeelden zijn zich opofferende mieren, bijen, ouders, broers, zusters.

Evowiki ––> klik Altruism

Creationist claims –>Evolution doesn’t explain altruism.

Sociale microbe  :    Dictyostelium,

25 augustus 2006 door     Tomaso Agricola Universitair docen

Nature : Brief communication

over Dictyostelium, in het Nederlands ook wel (cellulaire) slijmzwam genoemd, met de titel Kin preference in a social microbe.

Dictyostelium is een eencellig organisme dat, het zal sommigen verbazen, sociaal gedrag vertoont.

Wat is het geval? Een groot deel van zijn leven brengt Dictyostelium door als een amoebeachtige eencellige (rechterkant van het plaatje, de levenscyclus loopt op het plaatje tegen de klok in). Zo mogelijk is er in die periode ook sprake van vermeerdering door deling.

In tijden van voedselschaarste begint het ‘beestje’ sociaal gedrag te vertonen. Ze zoeken elkaar op (bovenkant van het plaatje) en vormen uiteindelijk een soort paddestoelachtige constructie, waarbij alleen de individuen bovenin de knop zich voortplanten door sporevorming (onderaan). Die sporen kunnen overleven tot zich weer betere tijden aandienen. De rest sterft. Individuen van Dictyostelium in de steel tonen als het ware altru챦stisch gedrag omdat zij de individuen in de knop helpen om zich voort te planten zonder dat ze zelf voor nageslacht kunnen zorgen.

Nou is het zo dat altruïsme niet zomaar ontstaat.

De evolutietheorie voorspelt dat altruïsme alleen maar ontstaat wanneer er sprake is van een wederzijdse dienst die later wordt terugbetaald (maar daarvan is hier geen sprake) of wanneer er sprake is van het helpen van familieleden. Evolutionair gezien kan het bijvoorbeeld voordeliger zijn (afhankelijk van de kosten) om je vader en moeder te helpen om je broers en zussen (zij hebben voor ongeveer 50% dezelfde genen als jij) groot te brengen dan om zelf voor nageslacht te zorgen (die dragen ook 50% van jouw genen).

Bij Dictyostelium voorspelt de evolutietheorie dat zij (zo mogelijk) ervoor zal zorgen dat de paddestoelachtige constructie alleen met ‘broers’ en ‘zussen’ (er is voor zover ik weet geen sprake van geslachten) wordt gemaakt. En dat is nu uitgezocht, en bevestigd!

Natasha Mehdiabadi en medewerkers in het lab van Joan Strassman lieten verschillende ‘families’ Dictyostelium bij elkaar opgroeien. De verschillende families konden uit elkaar worden gehouden door een fluoriserende kleurstof. Hiermee konden ze laten zien dat families redelijk strikt van elkaar gescheiden tot sporevorming overgaan (ongeveer 10% zat niet in de eigen familie). Zij lieten ook zien dat wanneer het aantal individuen te klein wordt om een volwaardige sporevormer te bouwen Dictyostelium minder kieskeurig wordt en bereid is om met vreemden een sporevormer te bouwen.

En wie zei er ook weer dat je geen onderzoek kan doen aan de voorspellingen van de evolutietheorie?

Dat er een Dictyostelium bestaat die sociaal gedrag vertoont.is een gevoelige klap voor de creationisten


Zimmer :

http://scienceblogs.com/loom/2006/08/23/us_and_them_among_the_slime_mo.php

Dictyostelium Genome Resources

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/genome/guide/dicty/

De aparte levenscyclus van de slijmzwam, weergegeven in een schemaatje. Normaal gesproken leven slijmzwammen als zelfstandige eencelligen. Dan worden ze amoebe genoemd. Tot op de plek waar ze leven al het voedsel op is. Op zo’n moment kruipen alle eencelligen naar elkaar toe, en vormden ze een klomp cellen die uiteindelijk uitgroeit tot het opvallende vruchtlichaam. (afbeelding: Brown and Strassmann )

i-50cc082f0a18c8b8eef7981b5d1fe018-dictyostelium.jpg

Hier de verschillende vormen die samengeklonterde slijmzwammen aannemen als ze een vruchtlichaam gaan vormen, maar nu overzichtelijk bij elkaar op een foto.

Scoop up some dirt, and you’ll probably wind up with some slime mold. Many species go by the common name of slime mold, but the ones scientists know best belong to the genus Dictyostelium. They are amoebae, and for the most part they live the life of a rugged individualist. Each slime mold prowls through the soil, searching for bacteria which it engulfs and digests. After gorging itself sufficiently, it divides in two, and the new pair go their

(c) Copyright, Mark Grimson and Larry Blanton, Electron Microscopy Laboratory, Department of Biological Sciences, Texas Tech University

a, Scatter plot showing the proportion of fluorescently labelled spores in individual fruiting bodies formed at high amoeba density for isolates 13 and 18 (see text; bold, fluorescently labelled isolate). A greater variance in experimental (red circles) than in control treatments (blue circles) indicates clonal sorting (P<0.0002). b–e, Fluorescent micrographs taken with the same field of view at different times of development at high density. b, Initial aggregates contain two isolates (13, labelled green; 18, unlabelled); c, these isolates then separate individually as ‘slugs’ that emerge from the aggregates. d,e, In controls of pure isolate 18, where half of the cells are fluorescently labelled, labelled and unlabelled cells mix equally at aggregation (d), and at the slug stage (e). Arrows designate individual aggregates (b, d) and emerging slugs (c, e). Scale bar, 1 mm.


Piepkleine boeren

Slijmzwam houdt bacteriën als vee

Zo zien de vruchtlichamen van de slijmzwammen er uit. Zo’n bol op een steeltje is niet 1 wezen, maar een hele verzameling slijmzwammen. In de bol zitten sporen, oftewel slijmzwamzaad. In sommige bolletjes zitten ook bacteriën, die meereizen als toekomstige voedselbron. . (foto: Scott Solomon)

De mens is niet bepaald de enige diersoort die aan landbouw doet. Nu blijken zelfs eencelligen het trucje onder de knie te hebben.

Landbouw is een van de belangrijkste uitvindingen uit de menselijke geschiedenis. Zonder de mogelijkheid om zelf voedsel te kweken, hadden mensen nooit stabiele nederzettingen kunnen stichten, was het aantal mensen op deze aardbol waarschijnlijk beperkt gebleven en had de wereld er nu dus heel anders uit gezien. Degene die ooit heeft bedacht dat het handig is om zelf gewassen te verbouwen en dieren te houden, moet dus wel heel slim zijn geweest.

Of toch niet? Landbouw blijkt helemaal niet iets uniek menselijks te zijn. De laatste decennia hebben biologen talloze dieren ontdekt die ook voor boer spelen. Zo bestaan er kevers en slakken die schimmeltuintjes kweken, vissen die een eigen algenweide aanleggen en mieren die bladluizen houden als melkvee. Al die dieren deden dit al voor de mens überhaupt als soort ontstond. En in het blad Nature van deze week valt te lezen dat zelfs een van de meest simpele levensvormen die er bestaat aan landbouw doet: een piepklein eencellig wezentje genaamd een slijmzwam.

Slijmzwammen mogen dan eenvoudige wezens zijn, ze zijn ook een beetje apart. Het grootste deel van hun leven brengen ze door als eencellige. In dit stadium worden ze amoebe genoemd. Maar als hun voedsel opraakt, gaan slijmzwammen opeens samenwerken. Een hele groep amoeben komt dan samen om een zogenaamd vruchtlichaam te vormen, wat eruit ziet als een dikke bol op een heel dun steeltje. Sommige van de slijmzwammen in die bol veranderen zichzelf in sporen; zeg maar slijmzwammenzaad. En dan is het wachten tot de bol afbreekt, bijvoorbeeld doordat er een insect langsloopt, en de sporen op een nieuwe plek terechtkomen waar wel weer genoeg voedsel is.

Bolletjes vol bacteriën
Debra Brock en enkele collega’s van de Rice University in Houston, Texas merkten dat de vruchtlichamen van een slijmzwammensoort genaamd Dictyostelium discoideum soms niet alleen slijmzwamcellen bevatten, maar ook bacteriën. En toen de biologen deze slijmzwammen in hun lab verder gingen kweken, merkten zij dat in alle nieuw gevormde vruchtlichamen ook bacteriën zaten.

Dat kon natuurlijk toeval zijn. Maar omdat de wetenschappers het verschijnsel telkens weer waarnamen begonnen ze te vermoeden dat dit niet zo was. Als slijmzwammen in hun eencellige stadium zitten, vormen bacteriën hun belangrijkste voedsel. Zouden de wezentjes misschien, zodra het tijd wordt om te verhuizen naar een andere plek, expres wat bacteriën meenemen zodat deze op de nieuwe locatie kunnen uitgroeien tot een nieuwe voedselbron? Een beetje zoals mensen vee houden? En zoals geiten regelmatig verse graasplekken nodig hebben, hebben bacteriën ook regelmatig een nieuwe omgeving nodig om weer lekker door te kunnen groeien.

Favoriet voedsel
Na een reeks verdere testen concluderen Brock en haar mede-onderzoekers dat dit inderdaad het geval lijkt te zijn. Ze vonden redelijk wat variatie in de soort bacteriën die slijmzwamkolonies met zich meeslepen als het tijd wordt om te verhuizen; maar individuele kolonies namen wel de hele tijd dezelfde bacteriën met zich mee. Ook als de biologen de slijmzwammen expres kweekten in een schaaltje waar hele andere bacteriesoorten aanwezig waren. Volgens Brock lijkt het erop dat de groepjes slijmzwammen als het ware allemaal een favoriete soort voedsel hebben, in de vorm van een bepaalde bacteriesoort. En dat favoriete voedsel slepen ze dus graag met zich mee. Vergelijk het maar met Nederlanders die zelden op vakantie gaan in het buitenland zonder een pot pindakaas en een zak Hollandse drop.

Maar: niet alle groepen slijmzwammen sleepten hun ‘vee’ met zich mee. Slechts ongeveer een derde deed dit. De andere slijmzwamkolonies vormden, consequent, vruchtlichamen zonder bacteriën erin. In een begeleidend commentaarstuk, ook in Nature, schrijft de van oorsprong Nederlandse bioloog Jacobus Boomsma dat dit waarschijnlijk komt doordat het meeslepen van de bacteriën niet alleen voordelen kent. Altijd je favoriete voedsel bij je hebben is natuurlijk prettig. Maar de groepjes slijmzwammen die bacteriën meenemen moeten sneller en vaker verhuizen dan slijmzwammen die geen bacteriën meedragen. Er moeten tenslotte, zodra je weg wil, wel nog genoeg bacteriën over zijn om mee te nemen. Bovendien bleken de bolletjes met slijmzwamsporen waar ook bacteriën in zaten minder ver te reizen dan bacterieloze bolletjes. Waarschijnlijk door het verschil in gewicht. Met een auto vol pindakaas kom je, op 1 tank, nou eenmaal ook minder ver dan als je minimale bagage meeneemt.

Al met al lijkt het er dus op dat je geen hersenen nodig hebt om aan landbouw te doen. Toch is de vorm van landbouw die de eencelligen bedrijven wel nog net wat eenvoudiger dan bij hogere levensvormen. Slijmzwammen beschermen bijvoorbeeld hun vee niet, en helpen de bacteriën ook niet actief aan extra voedsel. Mensen doen dit wel. Maar ook hierin zijn wij niet uniek. Zo jagen vissen en mieren wel indringers weg. En zorgen zowel kevers als mieren actief voor extra bemesting van hun schimmeltuintjes. De landbouwtechniek van sommige miersoorten gaat zelfs zo ver, dat ze hun tuintjes gezond houden met behulp van antibiotica. Dat idee kennen wij mensen pas zo’n honderd jaar.

Nadine Böke

Debra Brock e.a., Primitive agriculture in a social amoeba, in: Nature, 19 januari 2011

Jacobus Boomsma, Evolutionary biology: Farming writ small, in: Nature, 19 januari 2011

° 

Voedsel transporteren

Het is lastig om de evolutie van altruïsme bij sociale dieren in de praktijk te onderzoeken. De meeste studies die tot nu toe zijn gedaan, beperken zich tot een aantal generaties. En dan lijkt de regel van Hamilton goed op te gaan.

Maar wat gebeurt er als je de evolutie van altruïstisch gedrag over honderden generaties onder de loep neemt? Is de regel van Hamilton dan nog steeds geldig?

Dat is de vraag die de Zwitserse bioloog Laurent Keller zichzelf ook stelde. En hij vond een manier om die vraag te beantwoorden. Samen met zijn collega Dario Floreano (hoogleraar robotica) ontwikkelde Keller simpele robotjes waarmee hij de evolutie van altruïsme over honderden generaties kon simuleren.

Keller plaatste acht van die robotjes en acht stukjes ‘voedsel’ in een arena met één witte wand en drie zwarte wanden. Opdracht voor de robots: transporteer een stukje voedsel naar de witte wand. Robots die daarin slaagden mochten kiezen of zij hun beloning (in de vorm van het doorgeven van hun ‘genoom’ aan de volgende generatie) zelf wilden houden of deze wilden delen met de andere zeven robots in de arena. De relatie tussen de robot die zijn opdracht volbracht en de andere robots in de arena wisselde steeds. Keller en Floreano konden kiezen uit klonen, broertjes, neefjes, of onverwante robots.

Robotjes bouwen

Hoe zitten de robotjes van Keller en Floreano in elkaar? Elke robot heeft drie infrarood sensoren die dienen voor het detecteren van ‘voedsel’. Daarnaast is er een vierde infrarood sensor die onderscheid kan maken tussen de voedselblokjes en andere robots. Met behulp van die vier sensoren kan de robot zijn beloning vinden. Twee sensoren bovenop de robot bepalen vervolgens waar de robot zijn beloning heen brengt. Die sensoren nemen de kleuren van de wanden van de arena waar.


Een interview met Dario Floreano. Floreano legt uit hoe robots kunnen evolueren, en wat hij en collega Laurent Keller in het experiment precies getest hebben.

Alle zes de sensoren staan in verbinding met ‘neuronen’; zes input neuronen, drie verborgen neuronen, en drie output neuronen. Twee van de drie output neuronen bepalen de snelheid van de wieltjes waarmee de robot rijdt. Het derde neuron bepaalt of de robot zijn beloning deelt met de andere robots of niet. In totaal zijn er 33 verbindingen tussen de sensoren en de neuronen. Die verbindingen representeren de 33 ‘genen’ van de robots.

Na een simulatie van vijfhonderd generaties maakten de Zwitsers de balans op. In de eerste generatie werden de 33 ‘genen’ van de robots willekeurig ingesteld en dus was het gedrag nog erg onvoorspelbaar. In de volgende generaties steeg de prestatie van de robots snel, en ook het altruïstische gedrag nam toe. Verwante robots deelden hun beloning als de opbrengst – b – voor de groep groter was dan de kosten – c – voor het individu. In formule: r > c / b. Niet verwante robots deelden hun beloning niet. En dat is precies wat de regel van Hamilton ook zegt.

Nederlandse wetenschappers reageren in de Volkskrant kritisch op de resultaten van de Zwitsers. De proefopzet is volgens hen geen echte test, maar zou sowieso bevestigende resultaten opleveren. De regel van Hamilton vraagt nu vooral om bewijs uit de natuurlijke systemen.

Bron

Zie ook:

Zien lijden, doet lijden. Dat weten we allang. Dat dit gevoel eigenlijk een uitdrukking van empathie is, werd onlangs ontdekt door Niezink (RuG).

En empathie zorgt er weer voor dat we anderen willen helpen: we worden er altruïstisch van. In tegenstelling tot de evolutionaire theorie over altruïsme werkt dit mechanisme niet alleen bij familie, maar vooral bij vrienden. Altruïsme is dan ook geen automatisme maar een keuze.

Als we onszelf vergelijken met anderen die slechter af zijn, voelen we ons daardoor vaak gespannen of angstig. Dat komt omdat we zo betrokken zijn bij de persoon in nood dat we ons ermee identificeren. Onze negatieve emoties zijn eigenlijk een uitdrukking van empathie, ontdekte de Groningse promovenda Lidewij Niezink. En empathie zorgt er weer voor dat we anderen willen helpen: we worden er altruïstisch van.

Opmerkelijk genoeg werkt dit mechanisme vooral op vrienden. We helpen onze beste vriend bijvoorbeeld bij zijn verhuizing omdat we ons inleven in zijn situatie. Familieleden helpen we niet zozeer vanuit empathische gevoelens, maar omdat we verwachten dat die in de toekomst ook voor ons klaar zullen staan: voor wat hoort wat.

Niet alleen ‘evolutionair slim’ familiealtruïsme

Wetenschappers dachten altijd dat altruïsme vooral tussen familieleden voorkwam. Dat zou gedurende de evolutie zo zijn ontstaan omdat we met onze bloedverwanten ook onze genen delen. En juist het doorgeven van genen is de belangrijkste drijfveer achter de evolutie. De simpelste manier om dat te doen is natuurlijk om zelf lang genoeg in leven te blijven om veel kinderen te krijgen.

DAWKINS 

In zijn boek ‘The selfish gene’ zet Richard Dawkins zijn theorie uiteen. Hij stelt dat onze evolutie gedreven wordt door de ‘wens’ van onze genen om zich zo wijd mogelijk te verspreiden. Het gaat in de evolutie dus ook niet om het voortbestaan van de soort of het individu, maar de genen.

Maar ook opkomen voor je familie – je ‘genverwanten’ – is evolutionair slim. Stel bijvoorbeeld dat je door jezelf op te offeren (de ultieme altruïstische daad) vier broers en zussen kan redden. Met elke broer en zus deel je 50% van je genen. Blijven zij leven, dan hebben 4 × 50%, dus 200% van je genen de kans om te blijven leven. Zou je alleen jezelf redden, dan is dat maar 100%. Voor het optimaal overleven van je genen is altruïsme dus een handige eigenschap, en door miljoenen jaren van evolutie is dat er bij mensen goed ingesleten.

INLEGKUNDE  ? 

Empathie is een automatisme maar altruïsme is een keuze

Evolutionair is het dus moeilijk te verklaren dat we uit medeleven voor onze vrienden door het vuur gaan, terwijl we juist berekenend zijn in het helpen van onze bloedverwanten. Niezink vindt het echter heel logisch.

Als je wilt verhuizen, komt je broer je altijd helpen. Op je familie kun je doorgaans rekenen. Familie kies je niet. Vrienden wel. We voelen ons meer één met vrienden, en daarom zijn empathische gevoelens belangrijker.”

Bovendien: wat onze beweegredenen zijn, we komen inderdaad onze familieleden wél te hulp. Ook dat vindt Niezink begrijpelijk.

Of je empathie voelt bij het zien van iemand’s leed, gaat automatisch. Maar of je vervolgens dat leed wilt verzachten – en dus altruïstisch wilt zijn – is een keuze, blijkt uit haar onderzoek. Ook al zorgen gevoelens van empathie ervoor dat we het willen, uiteindelijk kíes je ervoor om de helpende hand toe te steken, medeleven of niet.

Uit het onderzoek van Niezink blijkt dat altruïsme niet zozeer een evolutionair ingebakken automatisme is – zoals vechten of vluchten bij gevaar – maar een keuze die je kunt maken of je nou empathische gevoelens hebt ten opzichte van iemand of niet.

Normen en waarden

Empathie en altruïsme zijn overigens niet de enige normen en waarden die door de aanwezigheid van anderen in ons worden opgewekt. Alleen al het denken aan anderen stimuleert dat we ons goed gedragen, bleek uit het promotieonderzoek van de eveneens Groningse Janneke Joly.

Zo zul je niet snel een leeg blikje cola op de grond gooien, als je moet denken aan je moeder die altijd vindt dat je een vuilnisbak moet zoeken. Volgens Joly komt dat omdat de herinnering aan anderen ons normbesef vergroot: de gedachte alleen al zorgt dat we ons meer als groepsdier gaan gedragen door de sociale spelregels serieuzer te nemen.

Zie ook:

Plaats van altruïstische gevoelens in de  hersenen gevonden
22 januari 2007
Wetenschappers hebben het deel van de hersenen gevonden dat verantwoordelijk is voor onbaatzuchtig gedrag.
Door middel van hersenscans,(fMRI ) vragenformulieren en computerspelletjes wisten de onderzoekers van het Duke Medical Center in de Amerikaanse staat North-Carolina te achterhalen welke kronkel van de hersenen actief wordt als iemand vaak altru챦stisch gedrag vertoont.
De 45 proefpersonen werd onder meer gevraagd hoe vaak zij anderen vrijwillig en belangeloos hielpen of hoe vaak zij vrijwilligerswerk deden.
Volgens de onderzoekers kan er nu beter worden gekeken naar de manier waarop onbaatzuchtig gedrag, waarbij het belang van anderen voor het eigenbelang
wordt gezet, in de loop van de kindertijd wordt ontwikkeld.

Scott Huettel, Ph.D. (Image courtesy of Duke University Medical Center)
zie ook =
Activation Of Brain Region Predicts Altruism

“Although understanding the function of this brain region may not necessarily identify what drives people like Mother Theresa, it may give clues to the origins of important social behaviors like altruism,” said study investigator Scott A. Huettel, Ph.D., a neuroscientist at the Brain Imaging and Analysis Center.Results of the study appear Sunday, Jan. 21, in the advance online edition of Nature Neuroscience and will be published in the February 2007 print issue of the journal. The work was funded by the National Institutes of Health.

Elkaar willen helpen in tijden van nood zit in de mens De terugkeer van de barmhartige Samaritaan
Een nieuwe “theorie ” , over de aard van de mens. Niet zijn vermogen tot lijden, cultuur of doodsangst onderscheidt de mens van de andere dieren, wel zijn altruïsme.
De mens is het enige dier dat vreemde soortgenoten helpt zonder aanwijsbaar persoonlijk voordeel, zo vertelt een nieuwe wetenschappelijke tak: de experimentele economie.

Door Peter Dupont


De geschiedenis van onze planeet is een aaneenschakeling van rampen.

Zij, en niet veldslagen of politiek, sturen de loop der dingen. Een ijstijd betekent het einde van de mens, een storm het einde van een stam. Biologisch materiaal wordt cyclisch vernietigd door ander biologisch materiaal of door de brute kracht van moedertje natuur. Vooruitgang is dan ook een sisyfusiaanse illusie, de mens een doofstom dier. Met bijna 8 miljard individuen die samenklonteren op de bewoonbare plaatsen van de planeet, hoeft het dan ook geen verbazing te wekken dat er steeds zwaardere klappen vallen.

Vreemd genoeg , houdt die wetenschap de mens niet tegen om massaal hulp te bieden aan soortgenoten die tienduizenden kilometer ver door het noodlot worden getroffen.

Zoals zovele andere diersoorten helpt ook de mens zijn naaste familie en kennissen in de strijd om te overleven.

De homo sapiens lijkt echter de enige soort die in staat is om onbekenden te helpen.

Filosofen hebben millennialang hun hoofd gebroken over de menselijke capaciteit tot altru챦sme. Vorige eeuw werden de antwoorden van denkers als Aristoteles, Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau en Anthony Ashely Cooper weggespoeld door een nieuwe wetenschappelijke tak: de sociobiologie.

Sociobiologen ontdekten in de tweede helft van de twintigste eeuw een basis van zuiver ego챦sme en economisch langetermijnvoordeel onder de dunne laag menselijk altru챦sme.

De sociobiologie verleende daarmee geloofwaardigheid aan de theorie van de homo economicus, die in de negentiende eeuw door economen en sociale wetenschappers was gelanceerd.

De kernbetrachting van homo sapiens, zo stelden zij, is het maximaliseren van zijn eigen voordeel. Filantropie is een koudweg uitgekiende strategie op basis van public relations. ‘Ik krab jouw rug als jij de mijne krabt.’

Wat hulp aan anderen garandeert de hulpverlener van een zekere hulp in de toekomst. Volgens de ‘reputatietheorie’ strekt het ook tot iemands genetisch voordeel om een reputatie van welwillendheid en onpartijdigheid te ontwikkelen. Homo geneticus hand in hand met homo economicus.

De laatste jaren raken wetenschappers er steeds meer van overtuigd dat onbaatzuchtig gedrag niet te verklaren is met die theorie챘n.

Welk evolutionair voordeel hebben de tienduizenden vrijwilligers die hun leven in de weegschaal werpen bij een ramp? Evolutionaire biologie kan dat niet verklaren.

Familie, reputatie noch nageslacht profiteert immers van een dergelijk altru챦sme. Integendeel: het kost het individu enorm veel. Evolutionair gesproken zou de afwezigheid van barmhartige Samaritanen logisch zijn. Waarom loopt de planeet dan vol Samaritanen?

Het fenomeen altruïsme

Economen en sociale wetenschappers hebben de afgelopen jaren met laboratoriumexperimenten een verklaring proberen te vinden voor het fenomeen altruïsme.

Hun nieuwe wetenschappelijke tak heet experimentele economie. De conclusie van enkele jaren onderzoek: altruïsme komt bij alle volkeren voor, of het nu om leden van de globale economie of stammen in het Yanomami-reservaat gaat.

Wat is de verklaring voor dat altruïsme?

Evolutionaire theoretici hebben het ooit bestempeld als evolutionaire slordigheid. Een gedrag dat op een bepaald moment succesrijk was en in andere omstandigheden en tijden als evolutionaire last is overgebleven.

De voorvaderen van homo sapiens leefden in kleine geïsoleerde groepen waarvan de leden enorm afhankelijk waren van elkaar. Wie niet deelde, werd gestraft of verbannen uit bepaalde groepsactiviteiten. Contact met vreemden was zeldzaam, zodat er geen nood was om een onderscheid te maken tussen ‘wij’ en ‘zij’.

Echt altruïsme, zo beweren de theoretici, is dus een kwestie van gewoonte. Voor onze complexe maatschappij is het evolutionair gesproken overbodig. In het experiment van Fehr en Renninger werd daarom de samenstelling van de groepen steeds gewijzigd. Het resultaat was duidelijk: gewoonte bleek geen rol te spelen bij altru챦sme.

Aanpassen of verdwijnen

Wat dan wel? Sommige wetenschappers houden al jaren rekening met een mogelijke genetische grond voor onbaatzuchtigheid.

Een andere verklaring stelt dat sommige van de vroegste gemeenschappen een meerderheid aan altruïsten had, waardoor egoïstisch gedrag bestraft werd en naar de achtergrond werd geduwd.

Dat had ook gevolgen voor andere groepen, omdat altruïstische groepen meer succes hadden en op lange termijn dus meer kans op overleven.

Meer overtuigend is de theorie die de antropologen Robert Boyd en Peter Richerson in het boek Genetic and Cultural Evolution of Cooperation.

Genen en cultuur gaan samen. De eerste, rudimentaire “instincten “bevoordeelden genotypen die in staat waren om beter te leven in groepen die samenwerkten.

Individuen die het best in staat waren om straffen te vermijden en zich de relevante normen eigen te maken, hadden meer kans op overleven. Een ego챦st in een groep altru챦sten kon zich dus maar beter aanpassen.

Nieuw bijgekomen groepsleden kregen op die manier snel een keuze: aanpassen of verdwijnen. Een mix van culturele en genetische factoren hebben ervoor gezorgd dat dat altruïsme de generaties overleefde.

Moraal van dit verhaal: de mens wordt geboren met een neiging tot zelfopoffering.

Volgens Fehr en Renninger brengt dat de mens een beetje terug op het voetstuk waar Darwin hem vanaf hielp. Blijkbaar is onze soort de enige die in staat is tot echt altruïsme.

Ander onderzoek heeft ook dat al verwezen naar het rijk der fabelen.

Organismen – van peulvruchten tot de pijlinktvis – straffen symbioten die niet samenwerken.

Yuccaplanten straffen te gulzige motten, sommige dieren zorgen voor oudere en gehandicapte soortgenoten.

Straffen ter bevordering van altruïsme lijkt een wijdverspreid mechanisme op onze planeet.

Ook andere diersoorten blijken altruïstisch in de ware zin van het woord. Gevallen van walvissen en dolfijnen die andere soorten helpen, zijn legio.

Altruïsme dat de grens van de soorten overstijgt is des dieren. De barmhartige Samaritaan zwemt, schuifelt, vliegt en kruipt

Publicatiedatum : 2005-01-05

‘Serengeti symphony‘ van Hugo van Lawick

http://evolutie.blog.com/1186965/?page=1#cmts

Afrikaanse buffel in Serengeti National Park, Tanzania Stockfoto - 10453305

Een groep van plm 100 Afrikaanse buffels wist een paar leeuwen, die bezig waren een groepsgenoot te doden, weg te jagen door een gesloten front te vormen en stapvoets de plaats des onheils te naderen.

Dat werkte de leeuwen zo op de zenuwen dat ze het opgaven en wegliepen, hun slachtoffer levend achterlatend. De groep had een soortgenoot gered.

Tijs Goldschmidt gaf dit als een voorbeeld van opofferend gedrag (altruisme).

Het is het tegenovergestelde van egoïstisch gedrag.

Een buffel moet wel enige angst overwinnen om zijn vijand tegemoet te treden. Dit ene voorbeeld weerlegt het hele idee dat een individu (mens of dier) zich alleen altruistisch (‘moreel’) gedraagt omdat God hem dat geboden heeft.

Buffels zijn nog nooit naar de kerk geweest, hebben nooit de Bijbel gelezen en hebben nooit van de 10 Geboden gehoord.

Dit ene voorbeeld is voldoende om de beweringen van Cees Dekker over de noodzakelijkheid van een absolute, geopenbaarde moraal naar het rijk der fabelen te verwijzen. (1)

Francis Collins maakte dezelfde fout.

Dit wil niet zeggen dat dieren zich niet egoïstisch gedragen. Mensen gedragen zich ook egoïstisch. Het betekent niet meer en niet minder dan dat dieren géén religie nodig hebben om zich ‘moreel’ te gedragen.
Ten overvloede een eigen voorbeeld:

kijk eens naar hoe een koolmezenpaartje zich uitslooft met een continue aanvoer van met rupsen, insecten, etc voor een nest vol jongen en vraag je af: Waarom zouden die mezen zich zo uitsloven? Het leven zou toch veel gemakkelijker zijn als zij die rupsen zelf consumeerden en in een boomtop hun liedje zongen?

Ook mezen lezen de Bijbel niet.

Ethiek komt niet voor uit religie – religie is een codificatie achteraf van bestaande ethiek en sociale normen en waarden.

Massa’s theologen zijn nodig om Jan met de pet van het tegendeel te overtuigen. Dat is geen nieuw inzicht; zie Spinoza, de Verlichting, etc.


noot (1)

Over ethiek zegt Cees Dekker in ‘En God beschikte een worm’ in de tabel in de recentie van Korthof:

Ethiek is afgeleid van het goede en heilige karakter van God. Er is een absolute standaard van goed en kwaad.”

Echter ; Wat is absoluut kwaad en goed in het dierenrijk (bijvoorbeeld )

Waar komen die leeuwen vandaan? Die willen dat arme buffeltje opeten, wat vanuit leeuwenoptiek desalniettemin te begrijpen is – leeuwen moeten tenslotte ook eten, en zij kunnen er ook niets aan doen dat zij carnivoor zijn.

een ander voorbeeld ;


Zie ook
http://tasmedes.web-log.nl/tasmedes/2006/10/arthur_peacocke.html

:
Kannibalisme komt voor bij beesten.Ook kinderetende ouders, en jonge arenden of masked boobies die hun nestgenoot uit het nest werken.

Bij twee soorten galmuggen die van schimmel leven (kijk op Wikipedia: Cecidomyiidae) komen asexuele dochterlarven in de moeder uit het ei.

De dochterlarven die worden geproduceerd in een moederlarve eten de moeder van binnenuit op. Daarna worden ze onafhankelijke schimmeletende larven, en worden zelf van binnenuit opgegeten. Soms komt er een sexuele generatie van mugvorm.

Met andere woorden hoe moeten/kunnen ( gelovige )theologen de moeilijkheid van het “natural evil” wegkletsen.

THEISTISCHE  EVOLUTIONISTEN  …..

Paniekvoetbal ? ;
(claims)
1.- Aan de evolutietheorie, kunnen mensen geen moraal ontlenen.
2.- Evolutie zegt alleen iets over hoe de aarde geworden was.
3.- Evolutie is als proces acceptabel, maar als wereldbeschouwing ontoereikend.
Die opvattingen kristalliseerden uiteindelijk in ;
” God kan, ook heel goed via evolutie geschapen hebben. “
Tot de dag van vandaag vind je deze opvattingen , gebundeld onder de noemer “ theistisch evolutionisme “
Min of meer bekende christenen in Nederland die (anno 2010)uiteindelijk   het theistisch evolutionisme huldigen zijn: de natuurkundige en hoogleraar Cees Dekker,
de EO-presentator en theoloog Andries Knevel en de wetenschapsjournalist en bioloog René Fransen.
In Engeland is de bekende theoloog Alister McGrath een theistisch evolutionist (2007).

Een hoofdbezwaar tegen het theïstisch evolutionisme ( uit de gelovige orthodxe gemeeenschap ) is dat het bijbels gezien onwaarschijnlijker is dan de christelijk-wetenschappelijk leer (creationisme) dat God in zeer korte tijd
afzonderlijke soorten van levende wezens gemaakt heeft die vervolgens in hun soortontwikkeling divers werden (micro-evolutie).

Wie het theistisch evolutionisme omhelst, neemt aan dat de mens uit het dier ontsproten is na miljoenen jaren van strijd om te overleven.
God nam een aap en veranderde hem tot Adam.
Al die tijd had de dood geheerst in het dierenrijk en toen eindelijk de mens kwam, overzag God de schepping en zei … dat het ‘zeer goed’ (Gen. 1:31) was  ?

Naturalistische wetenschappers werpen tegen dat het theïstisch evolutionisme(net zoals rabiatere  en onhoudbaar geworden vormen van creationisme )  onwetenschappelijk is, omdat het nog altijd   een beroep doet op  een  intervenierende  God.
Theistisch evolutionisme is moeilijk te verkopen aan orthodoxe christenen en aan het wetenschappelijk establishment.

°

MET  MAMA VECHT JE NIET

“Besnijdenis” bij mieren ?

Sommige mierensoorten doen het zonder koningin( meestal ponerina soorten . )

Alle werksters kunnen zich in dat geval voortplanten. Maar een groot deel van de werksters wordt bij de ‘geboorte’ verminkt, doordat oudere zusters het orgaan afbijten dat ze nodig hebben om te paren. (zij die nog kunnen copuleren en eieren leggen noemt men alpha “gamergates” een kaste die te onderscheiden is van de gewone “besneden” werksters )

De naar een universiteit in Parijs uitgeweken Belg Christian Peeters schrijft met enkele collega’s in het blad Animal Behaviour

dat

“….jonge mieren alleen terugvechten als de mier die hen aanvalt zich nog niet voortgeplant heeft(= beta gamergate ) . In het andere geval zou het hun moeder kunnen zijn.(=alpha gamergate ) En met je moeder vecht je niet….”

In hoeverre ze de “aanvallers ” herkennen door bepaalde chemische prikkels ( geuren / feronomen /sociohormonen ) wordt nog onderzocht

zie ook //Policing behaviour towards virgin egg layers in a polygynous ponerine anthttp://www.biologie.ens.fr/ecologie/comportement/peeters/peeters/abgnampies.pdf

dit is een van de pdf papers te vinden op dit web adres http://www.biologie.ens.fr/ecologie/comportement/peeters/index.fr.html

Animal behaviour ;

http://beheco.oxfordjournals.org/archive/ )

°

Kernwoorden

, , , , ,

Altruïsme uit eigenbelang
Sander Voormolen
SAMENVATTING
Een honingbij die een vijand steekt, offert zichzelf op om haar nestgenoten te verdedigen. Is dit een uitzondering op de regel dat evolutie leidt tot beter aangepaste individuen? Het antwoord komt van opgesloten criminelen, Hamiltons regel en ‘tit-for-tat’.
Na een lange carrière als criminelen zijn jij en je maat nu eindelijk opgepakt. Gisteren zijn jullie door een stel politieagenten gearresteerd op verdenking van handel in verdovende middelen. Tot overmaat van ramp brengen jullie vingerafdrukken je in verband met een onopgeloste woninginbraak die jullie een jaar geleden pleegden. Met zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel en één jaar voor woninginbraak, is dat alles bij elkaar genoeg om voor zeven jaar achter de tralies te verdwijnen. Toch kom je er, als je het slim speelt, misschien goed vanaf. Het bewijs dat de politie in handen heeft is flinterdun. Met een goede advocaat zal het jullie zeker lukken een veroordeling wegens handel in verdovende middelen te ontlopen. Dat weet de politie ook. Daarom hebben ze je gevraagd tegen je maat te getuigen. In ruil voor een belastende verklaring zul je niet worden vervolgd voor de woninginbraak. Wat doe je? Ga je hem verlinken of niet? En, minstens zo belangrijk, gaat hij jou verlinken of niet? Je kunt er namelijk vergif op innemen dat de politie je maat hetzelfde voorstel heeft gedaan.
°
Het gevangenendilemma als model voor altruïstisch gedrag
°
Wat is de beste keuze? Als de beide gevangenen zwijgen, gaan ze maar voor één jaar de cel in voor de woninginbraak. Als ze beiden praten worden ze allebei veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel (zie Afbeelding 1). Zwijgen lijkt dus de beste en eerlijkste keuze vanuit het oogpunt van beide gevangenen samen. Maar kunnen ze elkaar wel vertrouwen?

Afb. 1 Het gevangenendillemma: Afhankelijk van mijn eigen gedrag en dat van mijn medegevangene heeft het gevangenendilemma vier mogelijke uitkomsten. De letters p en q staan voor de kans dat ik, respectievelijk mijn medegevangene, zwijgen. Deze variabelen bepalen de kans op elk van de vier uitkomsten.

Dit dilemma is niet alleen interessant voor opgepakte criminelen, maar ook voor biologen die ge챦nteresseerd zijn in altru챦stisch, of zelf-opofferend gedrag. Altru챦stisch gedrag komt voor in allerlei situaties. Een wilde hond gedraagt zich altru챦stisch als hij zich fanatieker dan zijn groepsgenoten inzet bij de jacht op een gnoe: hij loopt daardoor zelf misschien een groter risico gewond te raken door de horens van de gnoe, maar verhoogt wel de kans dat de jacht voor de groep succesvol zal zijn. Ook een honingbij die een vijand van de kolonie steekt, gedraagt zich altru챦stisch: zij offert door te steken haar eigen leven op, in het belang van de kolonie. En een vampiervleermuis gedraagt zich soms altru챦stisch door voedsel te delen met een hongerige soortgenoot die het eens een nacht niet is gelukt een maaltje bloed te bemachtigen. Dat kan de redding betekenen van de hongerige vleermuis, maar het vergt wel een offer van het eigen voedsel.

Uit de voorbeelden blijkt het al: altru챦sten zijn individuen die de fitness van anderen in hun omgeving verhogen ten koste van hun eigen fitness. Die eigenschap maakt ze in veel opzichten vergelijkbaar met de gevangenen in het voorbeeld: zoals een altru챦st de fitness van een ander kan verhogen ten koste van de eigen fitness, zo kan elk van de gevangenen de ander een langdurige gevangenisstraf besparen als hij tenminste bereid is daarvoor strafvermindering op te geven. Anders gezegd, als een gevangene ervoor kiest te zwijgen en de ander niet te verlinken, vertoont hij daarmee altru챦stisch gedrag, net als de wilde hond die zich inzet voor de jacht, de honingbij die steekt, en de vampiervleermuis die bloed deelt. Net als de gevangenen, zijn ook de wilde honden, de bijen en de vampiervleermuizen als groep veel beter af wanneer elk individu zich altru챦stisch gedraagt. Voor elk individu afzonderlijk is het tegelijkertijd aanlokkelijk om wel te profiteren van het altru챦stische gedrag van anderen, maar zelf niets op te offeren voor het groepsbelang.

De overeenkomst tussen biologische situaties waarin een individu zich wel of niet altru챦stisch kan gedragen, en de situatie van de twee gevangenen is zo groot dat het dilemma van de gevangenen is uitgegroeid tot een standaardmodel voor altru챦sme dat door vele biologen wordt bestudeerd. In de rest van dit artikel zullen we zien wat het gevangenendilemma ons kan leren over de algemene voors en tegens van altru챦stisch gedrag en over de evolutie van altru챦sme.

De beste keuze geeft de slechtste uitkomst
Wat zou er gebeuren, als de keuze om zich wel of niet altruïstisch te gedragen in het gevangenendilemma aan evolutie onderhevig zou zijn? Waarschijnlijk zou een gedrag ontstaan dat vergelijkbaar is met dat van een berekenende, egoïstische gevangene. Zo’n gevangene heeft alleen zijn eigen belang op het oog bij de beslissing of hij zijn maat zal verlinken of niet. Dat juist dit gedrag een voorspellende waarde heeft voor de uitkomst van evolutie, wordt verklaard doordat selectie ook werkt op verschillen in fitness tussen individuen, en niet op verschillen tussen groepen. Selectie is in die zin ook een ‘berekenend en egoïstisch’ proces.

In een populatie waar erfelijke variatie bestaat in de neiging tot altruïstisch gedrag –sommige individuen zijn veel eerder geneigd zich voor de groep op te offeren dan anderen– zal uiteindelijk, onder invloed van natuurlijke selectie, alleen dat gedrag overblijven dat het individu zelf de hoogste fitness oplevert. De neiging tot altruïstisch gedag kan onder invloed van mutatie en selectie zolang veranderen totdat geen enkele nieuwe variant, die door mutatie zou kunnen ontstaan, een hogere fitness heeft dan de variant die al aanwezig is in de populatie. Het gedrag dat dan ontstaan is hoeft niet het gedrag te zijn dat de gemiddelde fitness van de groep maximaliseert. Sterker nog, in veel omstandigheden zal de keuze voor het eigen belang uiteindelijk voor elk individu in de groep nadelig uitpakken.

Dit is zeker ook het geval in de situatie van de twee gevangenen. Als beide gevangenen alleen het eigen belang op het oog hebben, zullen ze ongetwijfeld beslissen mee te werken aan het voorstel van de politie. Immers, of de ander nu zwijgt of praat, elk van de gevangenen is zelf beter af als hij de ander verlinkt, want dat scheelt altijd 챕챕n jaar gevangenisstraf voor de woninginbraak (zie Afbeelding 2). Vanuit het oogpunt van elke gevangene afzonderlijk is praten dus een betere oplossing dan zwijgen. Maar als beide gevangenen op die manier redeneren, zullen ze beide praten, en zo beide veroordeeld worden tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel. Dit is voor elk van beide een stuk nadeliger dan het ene jaar gevangenisstraf dat ze hadden moeten uitzitten als ze beide hadden gezwegen.


Afb. 2: De oplossing van het gevangenendilemma:

Voor elke combinatie van p en q (zie afbeelding 1) ligt de verwachte uitkomst van het gevangenendilemma voor mij en mijn medegevangene vast. In deze figuur strekt het gele gebied zich uit over alle strategiecombinaties waar ik meer straf krijg dan mijn medegevangene. Voor strategiecombinaties in het blauwe gebied krijg ik minder straf. Wat blijkt? Als ik vaker praat dan mijn medegevangene krijg ik altijd minder straf dan hij. De meest rationele oplossing is dus altijd praten.

Als we deze uitkomst van het gevangenendilemma doortrekken naar de biologie, moeten we tot de conclusie komen dat altru챦sme niet zo snel zal kunnen ontstaan. Integendeel, het gevangenendilemma wekt juist de verwachting dat organismen zich juist niet altru챦stisch zouden moeten gedragen, zelfs niet als dat gunstiger zou zijn voor het algemeen belang.

We kunnen nu begrijpen waarom bijvoorbeeld bomen zo veel energie in hun stam investeren, terwijl ze met z’n allen ook minder hoog hadden kunnen groeien, en daarmee meer energie hadden kunnen besteden aan voortplanting. In de competitie om licht hebben bomen echter hun eigenbelang gevolgd, en daarmee hebben ze een kostbare wedloop in hoogtegroei ontketend.We kunnen nu ook begrijpen waarom we met ons allen onze huizen en inboedel moeten beveiligen en verzekeren tegen diefstal. We zouden met ons allen beter af zijn zonder sloten en verzekeringspremies, ware het niet dat we dan kwetsbaar zijn voor individuen die hun eigenbelang vooropstellen en een huis leegroven. Soortgelijke principes gaan op voor de exploitatie van prooidierpopulaties door roofdieren (denk ook aan overbevissing), voor de evolutie van zelfzuchtige genetische elementen, en eigenlijk voor al die situaties waarin het makkelijk is te bedenken hoe de wereld kan worden verbeterd zolang iedereen zijn gedrag maar zou veranderen.Wanneer wél altruïsme?
Het gevangenen-dilemma stelt ons in staat te begrijpen waarom individuen zich vaak niet altru챦stisch gedragen, en waarom eigenbelang vaak niet leidt tot een oplossing die optimaal is vanuit het oogpunt van alle individuen samen.
Toch laten de voorbeelden van de wilde hond, de honingbij en de vampiervleermuis zien dat altruïstisch gedrag wel degelijk is ontstaan in sommige soorten. Hoe is dit mogelijk? Onder welke omstandigheden kan altruïstisch gedrag wel evolueren?

Het antwoord op die vragen is niet alleen belangrijk voor ons begrip van al die soorten waar we wél altruïstisch gedrag waarnemen. Er is ook een fundamenteler belang. Altruïsme lijkt een drijvende kracht achter belangrijke evolutionaire overgangen, zoals de overgang tussen eencellige en meercellige organismen. Bij die overgang is een taakverdeling tussen cellen ontstaan, waarbij sommige cellen hun mogelijkheid tot reproductie hebben opgeven ten gunste van andere cellen – een waarlijk altruïstische daad!

Veel onderzoek naar altruïstisch gedrag richt zich op twee factoren die onmisbaar lijken bij de evolutie van altruïsme: verwantschap en sociale structuur.
Verwantschap is belangrijk, omdat het gedrag van verwanten lijkt op dat van jezelf: als je jezelf goed gedraagt, is de kans groot dat je goede gedrag aan je wordt terugbetaald door je familie.
Sociale structuur is belangrijk, omdat je niet straffeloos lelijk kunt doen tegen individuen die je later nog eens tegen komt: als je jezelf goed gedraagt, pluk je daar misschien in de toekomst de vruchten van.De zegeningen van een goed nest
Om de effecten van verwantschap op de evolutie van altruïsme te onderzoeken nemen we opnieuw het gevangenendilemma als uitgangspunt. We hebben gezien dat de oplossing van het gevangenendilemma eenvoudig is als beide gevangenen niet verwant zijn. De meest verstandige strategie is dan ‘altijd praten’, oftewel, ‘nooit zwijgen’. Waarom zou dit anders zijn als de gevangenen verwant zijn? Een mogelijk effect van verwantschap dat de uitkomst zou kunnen beïnvloeden, is dat verwanten op elkaar lijken. Die gelijkenis kan zijn ontstaan door gemeenschappelijke ervaringen (zoals een zelfde opvoeding), of doordat verwanten voor een deel hetzelfde erfelijk materiaal bezitten.Laten we ons eerst eens concentreren op een extreem geval. Stel je voor dat je in de gevangenis zit samen met je eeneiige tweelingbroer, en dat de keuze of je meewerkt met de politie volledig bepaald wordt door je genen. In dat geval weet je absoluut zeker dat, als jij zwijgt, je tweelingbroer ook zal zwijgen, en als jij praat, je tweelingbroer dat ook zal doen. Immers, jij en je tweelingbroer zijn genetisch identiek, en jullie keuze in het gevangenendilemma zal dus ook identiek zijn. Het gevangenendilemma heeft nu maar twee mogelijke uitkomsten. Als je zwijgt gaan jullie allebei één jaar de cel in; als je praat, krijgen jullie beide zes jaar gevangenisstraf. Het zal duidelijk zijn dat ‘zwijgen’ in dit geval de beste strategie is, en niet ‘praten’, zoals eerder.Hier zie je hoezeer verwantschap de voordelen van altru챦stisch gedrag kan vergroten. Als individuen vooral optrekken met hun verwanten, zijn altru챦sten opeens in het voordeel! Dat komt omdat altru챦stische individuen uit altru챦stische families komen. In die families is het goed toeven, want iedereen staat steeds met hulp klaar.Het bovenstaande voorbeeld is wat bijzonder, omdat eeneiige tweelingbroers voor honderd procent genetisch identiek zijn. Omdat het gedrag in het voorbeeld ook voor honderd procent door de genen wordt bepaald, is het absoluut zeker dat de keuzen van beide gevangenen overeen zullen komen. Als de gevangenen wel verwant zijn, maar geen eeneiige tweelingbroers, dan bestaat er slechts een kans dat ze beide identieke genen voor altru챦stisch gedrag bezitten (zie Afbeelding 3).

Afb. 3: Broeders in de misdaad:

Als ik in de gevangenis ben beland met een familielid, bestaat er een kans r (de verwantschapsgraad) dat hij en ik dezelfde genen hebben ge챘rfd van onze gemeenschappelijke voorouders. Als die genen de keuze bepalen in het gevangenendilemma, bestaat de kans dat het gedrag van mijn familielid zal overeenkomen met dat van mezelf. Om precies te zijn, mijn familielid zwijgt in een fractie p van de gevallen, net als ik, als we dezelfde genen hebben ge챘rfd (de kans daarop is r); hij zwijgt in een fractie q van de gevallen, als onze altru챦sme genen niet identiek zijn (de kans daarop is 1-r).

Dat is belangrijk, want een altru챦stisch individu kan dan niet langer met absolute zekerheid voorspellen of zijn familielid zich ook altru챦stisch zal gedragen of niet. Iemand, die samen met zijn vader in de cel is beland, heeft bijvoorbeeld maar 50% kans dat zijn vader zich zal gedragen zoals hij. Immers, het erfelijk materiaal dat de keuze in het gevangenendilemma bepaalt kan zijn ge챘rfd van de vader (in dat geval zullen vader en zoon zich identiek gedragen), maar ook van de moeder (in dat geval is het gedrag van de vader onvoorspelbaar, zoals bij een onverwante medegevangene).

Of het in zo’n onzekere situatie nog steeds loont jezelf op te offeren voor je familielid, hangt af van drie factoren: 1) de verwantschapsgraad r tussen jou en je familielid, oftewel de kans dat jullie hetzelfde erfelijk materiaal van jullie gemeenschappelijke voorouders hebben ge챘rfd, 2) de kosten s van het altru챦stisch gedrag, en 3) de voordelen S voor je familielid. Wie het precies uitrekent, zal vinden dat altru챦sme alleen kan evolueren als

s < r . S

In het getalvoorbeeld dat we tot nu toe gebruikten is s gelijk aan 챕챕n jaar (de straf voor de woninginbraak), en S is gelijk aan zes jaar (de straf voor de drugshandel). Met die waarden kan altru챦sme zichzelf pas terugbetalen zodra r > 1/6 . Met andere woorden, de gevangene moet zijn maat alleen beschermen als de verwantschapgraad tussen beiden groot genoeg is (zie Afbeelding 4).


Afb. 4: waar familie zoal goed voor is:

De analyse die is weergeven in Afb. 2, kunnen we ook toepassen op de situatie van Afb. 3. Er zijn nu twee mogelijke uitkomsten: als de verwantschapsgraad laag is, is beste strategie ‘altijd praten’, net zoals in de situatie van onverwante gevangenen (Afb. 1). Als de verwantschapsgraad hoog is, is de beste strategie ‘altijd zwijgen’. Voor de gevangenisstraffen van dit voorbeeld (zie Afb. 1 en 3) ligt de grens tussen deze twee situaties bij een kritieke verwantschapsgraad R=1/6. M.a.w., je zou je opa wel moeten verlinken, maar je oom, broer of vader niet (precies hetzelfde geld natuurlijk voor criminele oma’s tegenover tantes, zussen en moeders).

De bioloog W. D. Hamilton heeft laten zien dat dit principe vaker opgaat. Altruïsme kan slechts evolueren alsDE KOSTEN VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JOU
kleiner zijn dan
DE VERWANTSCHAPGRAAD
maal
HET VOORDEEL VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JE FAMILIELID

Deze formulering zegt in woorden precies hetzelfde als de bovenstaande wiskundige formule. Dit resultaat staat bekend als ‘Hamiltons regel’.

Hamiltons regel kan verklaren waarom mieren, bijen en wespen zo vaak bijzondere samenwerkingsverbanden hebben ontwikkeld (denk aan mierennesten en sociale bijenkolonies). Deze insecten hebben een bijzonder genetisch systeem (vrouwtjes ontstaan uit bevruchte eieren, mannetjes uit onbevruchte eieren), wat ervoor zorgt dat de verwantschapsgraad tussen zussen hoger is dan normaal. Vanwege hun grote verwantschap zullen vrouwtjesbijen, –wespen en –mieren eerder geneigd zijn zich in te zetten voor een gezamenlijk doel, en dat heeft zich vertaald naar de evolutie van complexe samenlevingsvormen.

Wraak is zoet
In het geval van de twee gevangenen is het misschien niet zo waarschijnlijk, maar toch –stel je eens voor dat beide gevangenen er vanuit kunnen gaan dat ze ergens in de toekomst opnieuw in dezelfde situatie zullen belanden. Zou dit vooruitzicht misschien hun keuze op dit moment kunnen beïnvloeden? Waarschijnlijk zouden ze minder snel bereid zijn mee te werken met de politie. Als één van beiden z’n maat nu verlinkt, weet hij namelijk wel zeker dat z’n maat hem de volgende keer dat ze worden opgepakt, niet zal beschermen. Hij kan dus nu beter één jaar de cel in, om te voorkomen dat hij de volgende keer tot vijf jaar cel wordt veroordeeld.

Dat deze redenering inderdaad leidt tot de meest rationele beslissing, is vast komen te staan na een origineel experiment uit de beginjaren van het computertijdperk. Robert Axelrod, een wetenschapper geïnteresseerd in politieke processen, was op het idee gekomen een toernooi te organiseren rond het gevangenendilemma. Hij vroeg gezaghebbende wiskundigen, economen en psychologen computerprogramma’s te bedenken die mee konden doen in het toernooi. Elk programma zou een serie gevangenendilemma’s moeten spelen tegen een ander programma. Het programma moest dus herhaaldelijk kiezen tussen zwijgen of praten, en mocht daarbij gebruik maken van de uitkomsten van de vorige dilemma’s in de serie. In het toernooi liet Axelrod elk ingediend programma spelen tegen alle andere, en hield de score bij. Het winnende programma bleek te zijn ingediend door Anatol Rapoport, een hoogleraar psychologie uit Toronto.

De strategie van Rapoports programma is beroemd geworden onder de naam ‘tit-for-tat’. Tit-for-tat is briljant in zijn eenvoud: begin met zwijgen, en doe de volgende keren wat je tegenstander de vorige keer deed. Een tegenstander die ‘tit-for-tat’ speelt, zal steeds met je samen werken tot op het moment dat jij hem besluit te verlinken. Pas als jij je weer altruïstisch gedraagt, zal de ander bereid zijn opnieuw met je samen te werken. ‘Tit-for-tat’ begint coöperatief, maar steeds is op de achtergrond de dreiging van wraak aanwezig. Zolang de nadelige gevolgen van die wraak in de toekomst groter zijn dan het gewin dat je nu kunt behalen, loont het om altruïstisch te zijn.

De vampiervleermuizen die we eerder tegenkwamen, gedragen zich op een manier die veel wegheeft van ‘tit-for-tat’. Elke vleermuis heeft een vaste slaapplaats, en dus ook vaste buren. Als een vleermuis eens een keer weigert voedsel te delen met een ander, is die ander ook minder geneigd bloed af te staan als de rollen eens zijn omgedraaid. Blijkbaar is een vampiervleermuis prima in staat bij te houden wie hem wel en wie hem niet in het verleden heeft geholpen.

Onzelfzuchtigheid of eigenbelang?
Bij elke evolutiebiologische verklaring van altruïsme zien we dat uiteindelijk zelfopofferend gedrag is terug te voeren op een weloverwogen afweging van de eigen belangen. Bij Hamiltons regel zien we dit terug in het belang van de verwantschapsgraad, als graadmeter voor de kans dat een altruïstische daad zal worden terugbetaald door je familielid. Bij ‘tit-for-tat’ is elk individu geneigd tot samenwerking om daarmee vergelding wegens zelfzuchtigheid te ontlopen. Maar, als het eigenbelang altijd op de achtergrond meespeelt, betekent dit dan niet dat altruïsme, in de zin van ware zelfopoffering, eigenlijk niet bestaat? Het antwoord op die vraag ligt buiten de evolutiebiologie. Wat hier is besproken laat alleen zien dat zelfs absolute egoïsten onder de juiste omstandigheden zullen besluiten tot zelfopoffering. Of het verhaal daarmee ophoudt, is stof voor persoonlijke overdenking.

Verder lezen:
vrijdag 9 maart 2012 door en

Mens zowel vrekkig als vrijgevig

Zijn wij van nature egoïsten of altruïsten? Het is een vraag die economen al decennialang bezig houdt. Het meest recente inzicht wijst op iets opmerkelijks: we hebben geen natuurlijke staat van vrijgevigheid óf zelfzuchtigheid. Ons gedrag hangt af van de verwachtingen van anderen en de regels van het spel.

Gevenrondjejuistefotowiki

Trakteren op een rondje: echte gulheid of slechts verkapt egoïsme? Wikimedia Commons

Je bent ongetwijfeld iemand die ruimhartig rondjes geeft. Maar doe je dit echt uit vrijgevigheid? Denk je er werkelijk niks voor terug te krijgen? Of wil je wellicht toch indruk maken op je partner (of erger nog: op de vriend(in) van je partner)? Of ga je ervan uit dat iedereen om de beurt betaalt?

Moeilijke vragen. Economen proberen al een tijdje met wisselend succes antwoord te geven op de vraag of de mens van nature vrijgevig of zelfzuchtig is.

Economen gaan voor hun onderzoek – in de meeste gevallen – niet naar het café om te tellen hoeveel rondjes iedereen geeft. Ze hebben een andere methode om te bekijken of mensen zelfzuchtig of vrijgevig zijn: onderhandelingssituaties bestuderen.

Onderhandelingen zijn erg geschikt om menselijk gedrag te bestuderen omdat je waar kunt nemen wat elke partij inbrengt en krijgt. De belangrijkste reden om aan een onderhandeling te beginnen is dat je erop vooruit kunt gaan; mensen zullen dus niet gauw akkoord gaan met een verdeling waar ze slechter van worden. In tegendeel, je blijft vaak net zolang onderhandelen totdat er een overeenkomst is gesloten waar beide partijen tevreden mee zijn. Als je er daarbij naar streeft dat de ander ook wat krijgt, ook als je sterker in je schoenen staat tijdens de onderhandeling, ben je vrijgevig. Een zelfzuchtige onderhandelaar, daarentegen, probeert het maximale uit een onderhandeling te slepen en is dus (financieel) meedogenloos.

Het ultimatumspel

Begin jaren tachtig deed de Duitse onderzoeker Werner Güth met zijn collega’s onderzoek naar onderhandelingen. Zij lieten hun studenten meedoen met een eenvoudig spel voor twee spelers. Het spel van Güth wordt ook wel het ultimatumspel genoemd (er wordt immers een ultimatum ter acceptatie voorgelegd). Het spel zou uitgroeien tot een van de grote klassieke experimenten uit de gedragseconomie.

Het gaat als volgt: speler A krijgt van de onderzoekers een bepaald bedrag. Hij bepaalt hoeveel hij wil houden, en hoeveel hij bereid is aan zijn medespeler te geven. Speler B wordt ook op de hoogte gesteld van de spelregels en hoort daarna het bod van speler A, die anoniem blijft. Speler B heeft twee keuzes: hij kan het bod (en daarmee de door A bepaalde verdeling) accepteren, of hij kan het bod weigeren. Als speler B weigert, vertrekken beide spelers met lege handen.

Het ultimatumspel uitgelegd in de Amerikaanse televisieserie Numb3rs.

Werner Güth en zijn collega’s ontdekten dat maar weinig ‘voorstellers’ kozen voor een zelfzuchtig ultimatum. Een 50/50-verdeling kwam het vaakst voor. Dit lijkt erop te duiden dat mensen van nature vrijgevig zijn. Maar toont dit ultimatumspel werkelijk aan dat de mens is geneigd tot vrijgevigheid (of, in wetenschappelijke termen, altruïsme)?

Alternatieve verklaring

Nee, want het spel blijkt niet geschikt om altruïsme te bestuderen. Waarom niet? Omdat er een alternatieve verklaring is voor het ruimhartige bod van speler A: hij houdt rekening met het feit dat zijn medespeler er wel eens geld voor over kan hebben om een oneerlijk voorstel af te wijzen.

Want wat gebeurde er met de zelfzuchtige voorstellen in Güth zijn onderzoek? Deze werden vaak afgewezen, waardoor er helemaal geen geld werd uitgekeerd. Stel je eens voor dat je als speler B het voorstel ‘€1 voor jou en €9 voor speler A’ krijgt voorgelegd. Je hebt dus de keuze tussen €1 en helemaal niks. Je zou misschien verwachten dat dit voorstel meestal wordt geaccepteerd. 1 Euro is immers nog altijd beter dan niks. Maar dit bleek dus niet het geval. Bij de beslissing van speler B blijkt mee te spelen hoe groot het verschil is tussen het bedrag dat hij krijgt en het bedrag waarmee speler A wegloopt. Is dit verschil te groot dan zal speler B liever met lege handen naar huis gaan dan een oneerlijk bod accepteren.

Het Metropolitan Museum of Art (MET) lijkt overtuigd van de stelling van John List: zolang je maar een duidelijke norm stelt, zullen mensen daarnaar handelen. Je kunt het MET namelijk gratis bezoeken. Alleen dan moet je wel tegen de norm ingaan. De caissières en de informatieborden maken namelijk allemaal erg duidelijk dat er van je verwacht wordt dat je 25 dollar per persoon betaalt. Er zijn dan ook weinig mensen die zonder iets te betalen naar binnen gaan. Zo betaalde een van de auteurs van dit artikel $40 voor twee personen. Dit bedrag was blijkbaar voldoende om mijn schuldgevoel af te kopen en toch $10 winst te maken.

Met-toegang

Rob van Hemert

Het bod van speler A is volgens deze zienswijze dus helemaal niet ruimhartig; het speelt slechts op een juiste manier in op het (verwachte) gedrag van de medespeler.

Dictatorspel

De Amerikaanse econoom Robert Forsythe en zijn collega’s testten begin jaren negentig de bovengenoemde alternatieve verklaring. Daarvoor moesten ze het spel iets aanpassen; ze veranderden het ultimatumspel in het dictatorspel.

Hierin bepaalt speler A nog steeds de verdeling maar heeft speler B deze nu maar gewoon te accepteren. Wat bleek? De voorstellen van speler A werden minder gul in vergelijking met het ultimatumspel. Dit is precies wat de alternatieve verklaring voorspelt.

Maar vanuit een economisch oogpunt bleek het gedrag in het dictatorspel nog altijd verrassend. Het toonde namelijk aan dat mensen nog steeds vrijgevig zijn; ze geven nog altijd een gedeelte van het geld weg. Dat terwijl er weinig ‘goede’ redenen zijn om niet alles zelf te houden: ze kennen speler B niet en ze spelen het spel maar één keer.

Geeft het dictatorspel nu definitief antwoord op de vraag of we vrijgevig of zelfzuchtig zijn? Heeft Robert Forsythe bewezen dat de mens altruïstisch is? Helaas niet: ruim tien jaar later, in 2007, kwam de Amerikaanse econoom John List met nieuwe ontdekkingen.

Het belang van normen

List paste het experiment op zijn beurt weer iets aan. Speler A en speler B krijgen allebei 5 dollar. Vervolgens krijgt speler A nog een keer dit bedrag; hij mag een deel van dit extraatje aan zijn medespeler geven, die dit maar te accepteren heeft. Dit spel lijkt dus erg op Forsythe’s dictatorspel. List introduceerde echter ook een tweede variant. Hierin krijgt speler A een andere optie voorgelegd: hij kan er ook voor kiezen om 5 dollar af te pakken van speler B.

Het aangepaste dictatorspel van John List (Engelstalig).

De bevindingen zijn opmerkelijk: een derde van alle ondervraagde ‘spelers A’ koos ervoor om geen geld te geven maar ook geen geld af te pakken. Een kleine meerderheid koos ervoor om (bijna) al het geld af te pakken. Slechts een klein aantal spelers was nog bereid om iets weg te geven.

Hoe verklaart John List dit resultaat? De opzet van het spel van Forsythe geeft volgens hem aan dat er van je verwacht wordt dat je iets geeft aan de ander. De onderzoeker stelt de norm en de deelnemers handelen ernaar. Als het spel – en daarmee de norm – wordt aangepast veranderen de uitkomsten aanzienlijk. De vrijgevigheid (en dus het bewijs voor de van nature altruïstische mens) is daarmee als sneeuw voor de zon verdwenen.

Givingcoins

Volgens John List geven we niet zozeer weg uit vrijgevigheid, maar uit angst als asociaal te worden beschouwd. Wikimedia Commons/Morgan

De context bepaalt

Hoogstwaarschijnlijk verschaft het onderzoek van John List ons niet het laatste inzicht in de vraag of wij zelfzuchtig zijn of niet. Het is wel duidelijk dat wij niet volkomen zelfzuchtig zijn; maar volkomen altruïstisch zijn wij zeker ook niet. Wij zijn ‘vrijgeviger’ (met strategische beweegredenen), zoals in het ultimatumspel, als de ander ons kan straffen in geval van een gierig bod. Daarentegen worden wij sterk zelfzuchtig, zoals in het aangepaste dictatorspel van John List, als wij niet alleen geld kunnen geven, maar dit ook van de ander kunnen afpakken.

Bronnen

  • Forsythe, R., Horowitz, J. L., Savin, N. E., & Sefton, M. (1994). Fairness in Simple Bargaining Experiments. Games and Economic Behavior, 6(3), 347-369.
  • Guth, W., Schmittberger, R., & Schwarze, B. (1982). An Experimental-Analysis of Ultimatum Bargaining. Journal of Economic Behavior & Organization, 3(4), 367-388.
  • List, J. A. (2007). On the interpretation of giving in dictator games. Journal of Political Economy, 115(3), 482-493.

Samen staan we sterk

Empathisch leiderschap 

17 03 2013

  • Door: Janne Polman

“See the world through other peoples eyes,” zei president Obama tijdens een van zijn veelbesproken speeches. Hoewel iedereen kan bedenken hoe je jezelf zou voelen in de schoenen van een ander, is het een fundamenteel andere vraag te bedenken hoe een ander zich nu echt voelt. Waarom is het eigenlijk zo belangrijk de wereld door iemand anders zijn ogen te zien? Psychologe Lidewij Niezink van de Hanzehogeschool Groningen legt uit waarom we deze skill moeten trainen.

Niezink is gepromoveerd op de onderwerpen altruïsme en empathie, en geeft als zelfstandig ondernemer trainingen in empathisch leiderschap.

Zij is van mening dat een individualistische, op zichzelf gerichte samenleving de economie geen goed doet en dat empathie de oplossing zou kunnen zijn voor een sterker bedrijfsleven. ‘Empathie houdt in dat je aandacht hebt voor, en je kunt inleven in andermans situatie.’ zegt Niezink. ‘Empathische gevoelens versterken altruïstisch gedrag. Dus als iemand empathie voelt, is hij meer geneigd een ander te helpen. Helaas is onze samenleving zo ingericht dat we vooral hebben geleerd om op onszelf te focussen en ligt onze empathische accuraatheid nog maar rond de 30 procent.

’

Het ander-perspectief
‘
Over het algemeen kunnen we goed beoordelen hoe wij onszelf zouden voelen in een bepaalde situatie, maar om echt te begrijpen hoe een ander zich voelt is een ander verhaal,’ aldus Niezink. ‘Dit is het verschil tussen het ‘zelfperspectief’; waar je een situatie alleen aan jezelf relateert, en het ‘ander-perspectief’; waar je een situatie aan een ander kunt relateren en begrijpen. Voor het ander-perspectief zijn empathische gevoelens nodig. Effecten van empathie zijn een verruiming van blikveld, uitstel van oordeel, tolerantie en begrip. Perspectiefverbreding stimuleert creativiteit doordat kennis gebundeld wordt, men van elkaar leert en zodoende op nieuwe ideeën komt. Ook altruïstisch gedrag neemt toe wat leidt tot een verbeterde samenwerking, een gevoel van saamhorigheid, klanttevredenheid, gemotiveerde medewerkers en het gemakkelijker kunnen permitteren van fouten.’

Economische verbondenheid

In plaats van elkaar als concurrenten te beschouwen zouden we elkaar dus moeten zien als teamgenoten. ‘Dit betekent niet dat je hetzelfde over een onderwerp moet denken,’ voegt Niezink toe. ‘Juist niet. Het gaat erom dat je begrijpt dat er op verschillende manieren wordt gedacht zonder daar zelf iets aan te hoeven veranderen of van te vinden. Begrijpen wat de klant wil is juist tijdens een economische crisis extra belangrijk. De ‘ik-eerst’ cultuur en overproductie werken namelijk niet meer, maar interactie, co-creatie en co-innovatie zijn termen waar we iets aan hebben. Ook de overheid zou baat hebben bij het actief luisteren naar wat de maatschappij te bieden heeft. Bijvoorbeeld door specialisten in het veld mogelijke oplossingen te laten aandragen voor problemen waar de samenleving naar zoekt, oftewel ‘crowdsourcing’. Gebruik maken van verschillende perspectieven biedt namelijk creativiteit en daarmee meer mogelijkheden.’

Empathie is een skill


Hoewel een stereotiep leidinggevende vaak wordt gezien als ‘bevelhebber’, blijkt dit beeld achterhaald te zijn. Empathie in leiderschap is juist een belangrijk vereiste.

‘In deze generatie waar zelfstandigheid en zingeving de boventoon voert, is een bevelhebbende baas juist demotiverend in plaats van bevredigend,’ vertelt Niezink.

Empathisch leiderschap is belangrijk omdat medewerkers met verschillende competenties en behoeftes moeten worden aangestuurd. Dus om medewerkers optimaal te kunnen inzetten is het belangrijk hun krachten, behoeften en motivaties te kennen. Dit klinkt misschien logisch, maar in termen van gedrag wordt hier in de praktijk vaak niet bij stilgestaan. Empathisch vermogen is dan ook geen automatisme, het is een vaardigheid die je moet trainen.’



Tijdens trainingen leert Niezink mensen empathischer te zijn. ‘Door de empathische vaardigheid te oefenen, leren mensen gebruik te maken van de veelheid aan perspectieven die wij elkaar te bieden hebben’ aldus Niezink.

‘Of je vervolgens ook bereid bent tot altruïstisch gedrag is een keuze, maar wel een met positieve gevolgen voor bijvoorbeeld gezondheid, stress en tevredenheid. Dit ten goede voor een bewustere maatschappij en sterkere economie.’

Bavianen handelen in baby’s
Marian Tjaden
Apen vlooien elkaar om dingen van elkaar gedaan te krijgen. Maar hoe weet degene die begint met vlooien, dat de ander hem later terugbetaalt?

Etholoog Ronald Noë houdt vandaag de David de Wied lezing.Het onderwerp is samenwerking tussen dieren. Altruïsme is een probleem voor evolutiebiologen. Waarom een ander een voordeel gunnen? Een oude verklaring is dat dieren om de beurt iets voor elkaar doen: wederkerig altruisme. Als je de ander helpt, dan is hij geneigd jou ‘terug’ te helpen, want alleen dan zul je hem bij een volgende gelegenheid opnieuw van dienst zijn. Het afbreken van – toekomstige – samenwerking is de straf die erop staat als je je niet aan de regels houdt. Deze verklaring is in de jaren zeventig bedacht door de evolutiebioloog Trivers, en veel gedragsbiologen zijn er nog steeds van overtuigd dat het zo werkt.

Toch hebben ze het mis, denkt de van oorsprong Nederlandse bioloog Ronald Noë, die nu als hoogleraar ethologie en primatologie is verbonden aan de Universiteit van Straatsburg. Noë: ‘Het is de vraag of het risico dat de ander de samenwerking afbreekt daadwerkelijk een groot probleem oplevert. Dat geldt natuurlijk wel voor twee apen die tot elkaar zijn veroordeeld. Maar dieren in het wild hebben vaak de keuze hebben uit meer dan een partner. En dan kun je ze tegen elkaar uitspelen.’

No챘 promoveerde bij de Utrechtse etholoog Jan van Hooff op coalitievorming bij wilde bavianen in Kenia. De minder sterke mannetjes spanden samen om vrouwtjes af te pakken van de dominante mannetjes. Dat lukte soms, maar wat bleek: de beloning werd niet gedeeld, het was geen fifty-fifty afspraak. De ene partner kreeg meer toegang tot de vrouwtjes dan de andere. Dat was een belangrijke observatie. Het klopt namelijk niet met het idee van wederkerig altruisme. Want waarom zou degene die minder krijgt dan blijven meedoen? Het antwoord is: het is beter dan niks, want als hij teveel zou eisen, zou de sterkste van de twee een andere partner nemen. Er is sprake van een biologisch marktmechanisme.

Baviaan met kind Bron: Caryl Bryer Fallert, http://www.bryerpatch.com

Babymarkt
Naar aanleiding van Noë’s theorie zijn er gerichte studies gedaan door andere onderzoekers om de hypothese te toetsen. Noë: ‘Een mooi voorbeeld is de ‘babymarkt’ bij bavianen. Het kenmerk van een markt is: het aanbod bepaalt de vraagprijs. Bavianenvrouwtjes zijn gefascineerd door baby’s, als er een baby is geboren bij een van de soortgenoten, willen ze die heel graag vasthouden. De moeder van de baby is in een machtspositie, ze kan een dienst verlangen. Die dienst is het vlooien van de moeder. Als het inderdaad een marktmodel is, betekent dat als er meer baby’s in de groep zijn, de prijs omlaag gaat. De prijs is tijd dat er gevlooid moet worden voordat je de baby krijgt. En dat blijkt precies te kloppen. Als er weinig baby’s in de groep zijn, moet er lang gevlooid worden, als er veel baby’s zijn, gaat de vlooitijd – de prijs – omlaag.’

Duffe buren
Een ander prachtig voorbeeld is onderzoek naar de lazuurgors (Passerina amoena), een klein amerikaans vogeltje. Volwassen mannetjes zijn mooi helderblauw. Jaarlingen, jonge mannetjes van een jaar oud, vari챘ren van bijna helemaal bruin tot bijna even blauw als volwassen mannetjes. Sommige jaarlingen stellen de ontwikkeling van bruin naar blauw blijkbaar uit.

Hoe komt dat? Volgens de onderzoekers omdat volwassen mannetjes een voorkeur hebben voor zo duf mogelijk uitziende buren. De vogeltjes leven in woestijnachtig gebied, met een grote variatie in de kwaliteit van het broedgebied. De volwassen mannetjes komen in het voorjaar als eerste aan en bezetten de beste gebieden. Vervolgens zijn ze extreem agressief tegen blauwe mannetjes, maar ze tolereren bruine mannetjes. Dufbruin wordt daarmee voordelig. Het lijkt op een pachtsysteem, waarbij de blauwe mannetjes een deel van het gebied verpachten aan bruine mannetjes. De pachter krijgt een goed territorium, iets waar hij anders geen kans op maakte. De landheer krijgt kans op een paar extra jongen, omdat hij met zijn mooie blauwe kleur de vrouw van de pachter kan verleiden.

Zwervers
Niet alleen binnen de soort maar ook tussen soorten wordt veel samengewerkt. Een klassiek voorbeeld is de poetsvis (Labroides dimidiatus), een kleine koraalvis die gespecialiseerd is in het verwijderen van parasieten van de huid en uit de mondholte en kieuwen van grotere vissen. ‘Dit werd eerst gezien als hét voorbeeld van wederkerig altruisme, maar nader onderzoek laat zien dat ook hier marktwerking een beter model is’, aldus Noë.

Een poetsvis is altijd op dezelfde plek te vinden, het ‘poetsstation’. Klanten komen langs om zich te laten reinigen. Klanten zijn er in twee groepen. Residenten en zwervers. De residenten hebben een klein territorium met maar een poetsstation. De zwervers zijn vissen uit open zee, of koraalvissen met een groot territorium, met meerdere poetsstations. De zwervers kunnen dus naar een ander gaan als de service ze niet bevalt. De poetsers lijken dit goed te beseffen, als ze de keuze hebben tussen een zwerver en een resident, laten ze de resident wachten.

De mogelijkheid om te kunnen kiezen uit verschillende handelspartners is dus essentieel. Dat partnerkeuze zo belangrijk is, was natuurlijk al lang bekend op het gebied van sexuele selectie. Daarbij is concurrentie tussen partners een feit. Maar voor altruïstisch gedrag, bijvoorbeeld het delen van voedsel of vlooien of wat dan ook, werd altijd alleen gekeken naar samenwerking tussen de twee betrokken organismen, daardoor werd de context vergeten. Noë: ‘Achteraf kun je zeggen: waarom is dat niet eerder bedacht, maar zo gaat het nu eenmaal, als ik die bavianen niet had gezien, en had ontdekt dat beloning niet symmetrisch was, was ik er ook niet opgekomen.’

Offers in de woestijn

Twee theorieën proberen te verklaren waarom Afrikaanse molratten supersociaal zijn. Noopten de barre omstandigheden daartoe, of waren ze altijd al eusociaal?

De hongingbij onder de zoogdieren, zo zou je de naakte molrat, Heterocephalus glaber, kunnen noemen. De molratten leven grote in kolonies van soms wel driehonderd individuen en ze hebben een koningin die de nakomelingen produceert. Een select groepje mannetjes mag met de koningin paren. De rest van de kolonie vormt de hofhouding, zorgt voor voedsel, onderhoudt het nest en verdedigt de kolonie tegen vijanden. Deze supersociale leefwijze heet eusociaal.

Eusocialiteit is een opmerkelijk fenomeen binnen de biologie. Hoe kan het dat natuurlijke selectie levensvormen voortbrengt die de mogelijkheid opgeven zich voort te planten en in plaats daarvan hun leven in dienst stellen om soortgenoten te helpen zich voort te planten? Darwin was de eerste die zich boog over deze vraag. Even dacht hij dat zijn hele evolutietheorie op losse schroeven kwam te staan totdat hij het volgende antwoord bedacht. Als steriele individuen hun familie helpen zich voort te planten en op die manier genoeg kopie챘n veroorzaken van deze eigenschap tot altru챦sme, dan zal deze eigenschap zich verspreiden.

Eusociale levensvormen zijn in de loop der tijd verscheidene keren opnieuw ontstaan. De bekendste dieren zijn de bijen, mieren en termieten. Maar ook enkele op zeesponzen levende garnalen, bepaalde kevers en bladluizen kennen eusociale soorten. De naakte molrat is ook niet de enige uit de familie van de Afrikaanse molratten, Bathyergidae, die er een eusociale leefwijze op nahoudt. Samen met de Damaraland molrat, Cryptomys damarensis, zijn het de enige eusociale zoogdieren ter wereld. De Bathyergidaefamilie bevat een scala aan sociale vormen, uiteenlopend van echt solitair zoals Bathyergus suillus tot eusociaal. Daarom leent deze diergroep zich uitstekend voor onderzoek naar de vraag waarom eusociale molratten ervoor kiezen om in het nest te blijven in plaats van erop uit te trekken en zelf een gezin te stichten.

Twee kampen
Op dit moment zijn er twee kampen die onderzoek doen aan de sociale structuur van de Afrikaanse molratten. Professor Hynek Burda van de universiteit van Essen staat aan het hoofd van het ene kamp, professor Nigel Bennett van de universiteit van Pretoria is zijn tegenpool. De twee hebben een verschillende visie op het ontstaan van eusocialiteit bij de Bathyergidae.

Hynek Burda denkt dat de voorouders van de Afrikaanse molratten allemaal sociaal waren en dat sommige sociaal zijn gebleven terwijl andere solitair zijn geworden. Nigel Bennett en consorten denken dat de molratten allemaal solitair waren maar dat ecologische omstandigheden ze dwong over te gaan op een sociale leefwijze.

Wie van de twee groepen gelijk heeft, is lastig te zeggen. In ieder geval publiceert het kamp van Nigel Bennett veel meer artikelen. Daardoor is de theorie van Hynek Burda een beetje ondergesneeuwd. Beide groepen zijn het er wel over eens dat eusocialiteit bij insecten een andere oorsprong heeft dan de sociale structuur van de Afrikaanse molratten.

Bij insecten en andere ongewervelden speelt de hoge mate van genetische verwantschap tussen nestgenoten een rol bij de instandhouding van het eusociale gedrag. Dit staat bekend als de inclusive fitness-theorie van Hamilton. Bij naakte molratten gaat deze theorie niet op. Recent veldonderzoek wijst uit dat de dieren inteelt vermijden en dat kolonies ook kunnen bestaan uit niet-familieleden.

Wortels en knollen
Het eusociale gedrag van de molratten heeft te maken met hun dieet. Molratten zijn herbivoren die zich voeden met wortels en knollen van geofyten. Dat zijn planten die voedingsstoffen opslaan in ondergrondse knollen. Dankzij hun opslagorganen gedijen geofyten uitstekend in droge gebieden. Hun verspreiding hangt af van de droogte. In natte gebieden staan de planten los maar dicht bij elkaar, in droge gebieden staan ze in plukken wijd uit elkaar.

Dat betekent dat in droge gebieden het voor molratten moeilijk is om voldoende voedsel te vinden. Het graven van tunnels naar de verspreide planten kost veel energie. Het graven gaat het makkelijkst als het pas heeft geregend, want dan is de grond zachter. Na een regenbui moeten er dan ook in korte tijd bergen werk verzet worden. Omdat vele handen licht werk maken, is de stap naar eusocialiteit snel gezet. Zonder samenwerking overleven individuele molratten lange periodes van droogte niet.

Bovendien foerageren molratten ook nog eens blind. Ze kunnen de geofyten niet gericht opsporen bijvoorbeeld door ze te ruiken. Het foerageren in groepen vergroot de kans om voedsel te vinden. Vanuit deze gegevens ontwikkelden Nigel Bennett en collega’s de Aridity-Food-Distribution-Hypothesis (AFDH). Deze hypothese koppelt de droogte van de habitat met de verspreiding van sociale molratten. Sociale soorten komen namelijk vooral voor in droge gebieden.

Wiskundige modellen gecombineerd met ecologische gegevens voorspellen dat de ruimtelijke verdeling van het voedsel en de sporadische regenval in de droge gebieden ervoor zorgen dat de foerageerkosten omhoog gaan. Het zelfstandig erop uit trekken is daardoor niet meer aantrekkelijk voor molratten. De AFDH voorspelt dan ook dat in droge gebieden de kolonies groter zijn dan in natte regio’s.

De gewone molrat, Cryptomys hottentotus hottentotus, is een geschikte kandidaat om de AFDH te toetsen. De soort komt zowel in droge als in natte gebieden voor en qua sociaal zijn zit hij tussen de solitaire en eusociale molratten in. Veldonderzoek met groepen gewone molratten die leven in een droog gebied of in een nat gebied ondersteunen de AFDH. In droge gebieden zijn de kolonies stabieler, want molratten kunnen er niet alleen op uittrekken.

Verder zijn de tunnels langer in droge habitats. In de droge gebieden moet dus meer gegraven worden voor de kost. Ook vond men dat de dieren in de droge gebieden een kleiner lichaamsgewicht hadden dan in de natte gebieden. Dit is waarschijnlijk een aanpassing om het energieverbruik van de kolonie te verminderen. De voorspelling dat kolonies in droge gebieden groter zijn klopte niet. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de populaties nog maar kort geleden van elkaar gescheiden zijn zodat de evolutie nog geen tijd heeft gehad om dit verschil in sociale structuur te verorzaken.

Tegenstander van de AFDH, Hynek Burda, denkt ook dat dankzij het foerageren in groepen Bathyergidae extreme leefgebieden zoals woestijnen hebben weten te koloniseren. Maar Burda ziet de AFDH niet als drijvende kracht voor het ontstaan van de sociale leefwijze.

De barre omstandigheden waarin de Afrikaanse molratten leven, spelen ongetwijfeld een cruciale rol het eusociale gedrag. Maar verder onderzoek naar de kosten en baten van sociaal samenleven, de afstamming van verschillende soorten molratten en de genetische verwantschap tussen kolonie-leden zal moeten uitwijzen wie gelijk heeft: Bennett of Burda.

Bionieuws wordt uitgegeven door het Nederlands Instituut voor de Biologie (NIBI)
TYCHO MALMBERG / 2002

Kennislink artikel uit Natuur & Techniek over altruïsme
Lesbrief van de UvA over sociaal gedrag bij dieren (oa insecten).
Offers in de Woestijn over naakte molratten (Kennislink artikel uit Bionieuws)

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:
Expertise Centrum Biologie
Bezoek de website van het NIBI

Een goede buur

Naastenliefde onder krabben

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/18532532/

Sluit dit venster

Wenkkrabben zijn te herkennen aan de enorme schaar waarmee de mannetjes behept zijn. De immense tentakel dient als wapen en lokmiddel. Als mannetjes de aandacht willen trekken van hun vrouwelijke soortengenoten, zwaaien ze ermee. Aan dat wuivende gebaar dankt de wenkkrab zijn naam.

Strategisch samenwerken blijkt niet uitsluitend voorbehouden aan hoogontwikkelde dieren.
Wenkkrabben helpen hun buren uit de brand als ze worden aangevallen. Af en toe coalities aangaan is voor de krabben voordeliger dan een nieuwe buur te leren kennen, denken Australische dierkundigen.

Wenkkrabben hebben het niet zo op nieuwkomers. Het liefst zien ze hun woonomgeving zo min mogelijk veranderen. En nieuwe buren… vooruit, alleen als het echt niet anders kan. Dat behoudende gedrag kan zelfs zo ver gaan dat wenkrabben hulp krijgen van buren wanneer een onbekende soortgenoot hun territorium aanvalt. Samen jagen de buren de indringer dan weer weg.

Deze opmerkelijke vorm van naastenliefde kwam aan het licht toen Australische dierkundigen wenkkrabben bestudeerden aan de kust van Darwin. Ze achtervolgden honderden krabben die op zoek waren naar een nieuw onderkomen. Regelmatig stuitten dakloze krabben op buurallianties, schrijven de onderzoekers, verbonden aan de Australian National University, deze week in het tijdschrift Nature.

Sluit dit venster

De Australische wenkkrab (Uca Mjoebergi) gaat strategische alianties aan met kleinere buren als die worden aangevallen door gevaarlijker mannetjes. (Foto: Nature)

Maar waarom zou een krab zijn leven op het spel zetten voor zijn buurman? Hij moet er ook nog eens zijn eigen onderkomen onbeheerd voor achterlaten omdat het gevecht altijd plaatsvindt op het terrein van de buurman. Het kan niet anders of de krab staat zijn buur bij uit eigenbelang, denken de Australi챘rs. Krabben schieten hun buren alleen te hulp wanneer ze er zelf voordeel aan over houden, bijvoorbeeld als de indringer groter, en dus gevaarlijk is dan de buurman. Slechts wanneer hun eigen territorium gevaar dreigt te lopen, willen de dieren een vechtersverbond aangaan, concluderen de onderzoekers. Van altru챦stische krabben is dus geen sprake.

Voor krabben is een degelijk territorium van levensbelang. Alle wenkkrabben, zowel mannetjes als vrouwtjes, hebben hun eigen holletje, omgeven door een klein stukje strand. Het hol dient als een schuilplaats tijdens vloed, en bij eb fungeert het als waterreservoir waarmee de dieren hun lichaam vochtig houden. Daarnaast is het een vluchtplaats, liefdesnest en broedplek. Alles speelt zich af in dat ene territorium, en daarom ontpoppen mannetjes zich als echte vechtersbazen zodra een soortgenoot het waagt de denkbeeldige grenzen van hun leefgebied over te steken.

Normaal gesproken staan wenkkrabben elkaar dan ook naar het leven. Dat maakt het des te opmerkelijker dat ze tussen de burenruzies door met een strategisch hulpplan voor hun buurman klaarstaan. Volgens de Australische onderzoekers is deze vorm van samenwerking nog nooit eerder bij dieren waargenomen. Ze besluiten hun publicatie met de suggestie dat je voor dit soort coalities niet noodzakelijk slim hoeft te zijn. “Dat dit juist bij krabben is gezien, en nog niet bij vogels en lagere zoogdieren, toont aan dat het ontstaan van territoriale coalities een kwestie is van de juiste omstandigheden,” schrijven de onderzoekers. “Meer nog dan van de mate van intelligentie”.

Aschwin Tenfelde

Patricia Backwell en Michael Jennions: Coalition among fiddler crabs. In: Nature, vol. 430, pg.417 (22 july 2004).

collegavanerik

De  indiase wenkkrab is een klein beestje van ongeveer 3 cm groot dat leeft in ondiep zout water, waar het mannetje de vrouwtjes probeert te imponeren met zijn grote schaar.Vroeger zat india aan madagascar vast en de wenkkrab is meegereist naar het noorden. ….Ook  hebben Koraalduikende toeristen van zanzibar de krab meegenomen naar phuket en het zuiden van de rode zee.
De mannelijke wenkkrab krijgt in de paringstijd een uitzonderlijk grote rechterschaar .
Hoe groter de schaar , hoe meer succes bij de wijfjes .
Uiteindelijk kantelen die krabben door het gewicht van hun eigen doorgroeiende schaar en worden het slachtoffer van roofvissen
* Dat kan echter ook een evolutionair voordeel zijn …
Wat telt is dat de mannetjes zich hebben voortgeplant( en dus hun genen doorgegeven aan de volgende generatie ) …en zoveel mogelijk wijfjes hebben kunnen verleiden / de concurenten uitschakelen of zelfs samenwerken met geburen (zie hierboven ) …
Voortplanting is het enige wat telt voor de evolutie.
Wie zich het meeste voortplant, die is het meest succesvol.
Trouwens mannetjes die zich zulk een “nadelige” en belastende verleidings( en imponeer) uitrustingen kunnen veroorloven MOETEN wel erg fit zijn … vrouwelijke partnerkeuze is bovendien bij veel soorten de motor van deze evolutionaire ontwikkelingen )
Dat ze DAARNA wanneer ze eigenlijk nutteloos zijn geworden voor de voortplanting worden opgevreten is een meevallertje … zo wordt de beschikbare voedselvoorraad en de concurentie met de andere krabben en de jongen alleen maar beter .… Het is een harteloos economisch principe waarbij de oudere “versleten”en onnuttig geworden individuen van een soort ,worden geelimineerd van zodra hun bijdrage aan de genenpool van de generatie is geleverd en ze eigenlijk een handicap worden voor de rest van de populatie waarin ze dan eerder een parasitaire overlast-zonder -toekomst worden

alharb

Wat die grotere schaar betreft, er ontstaat een evenwicht tussen factoren die de schaar doen vergroten en factoren die de schaar doen verkleinen….
Een grote schaar betekent dat de krab in staat is om veel voedsel te verzamelen: in arthropoden is de grootte en groei voor een relatief groot deel bepaald door de hoeveelheid voedsel die ze kunnen vergaren.
Dus, een krab die te stom is om aan eten te geraken, zal een kleinere schaar hebben. Ook bewijst de krab dat ze, ondanks de onhandige schaar, toch de geslachtsrijpe leeftijd heeft kunnen bereiken, en dus ‘fit’ genoeg is om zich voort te planten.
Anderzijds is een te grote schaar onhandig en wordt het moeilijk voor de krab om met zo’n beperking in leven te blijven. En ieder jaar opnieuw worden de pro’s en de contra’s van mekaar afgewogen wanneer die beesten zich voortplanten.

Wenkkrab (uca tangeri)/Belo sur Mer, Madagascar

Foto door Marc Van Aerde
Deze soorten krabben zijn overigens niet de enige “wenkers ” bij de arthopoda
Ook spinnenmannetjes doen dat
Ze moeten wel , want anders herkennen de vrrouwtjes ze niet en vreten ze, ze op
Webspinnenvrouwtjes zien erg slechts ( ondanks hun meestal acht ogen ) en zullen nogal gauw de voorzichtig naderende mannetjes als prooi aanzien … de wenkende mannetjes die daar het best in slagen , kunnen zich nog tijdig voortplanten ( uit de voeten maken na de daad is er bij velen niet bij )ze zullen dus hun genen in de volgende generatie krijgen ….

Mier laat over zich lopen

Middenamerikaanse trekmieren doen alles voor hun volk. Ze vlijen zich zelfs als loopplank in gaten in de weg, zodat de meute sneller over ze heen kan lopen.

Dat was al sinds de jaren zeventig bekend, maar nu pas blijkt uit experimenteel onderzoek dat dit opofferingsgezinde gedrag in het voordeel is van de kolonie als geheel. Door de lijfelijk ge챘ffende paden bleken kolonies in staat om sneller en meer voedsel te verzamelen.

Mierenonderzoekers Scott Powell en Nigel Franks, van de Universiteit van Bristol, bestudeerden de soort Eciton burchellii in het regenwoud van Panama.

Een kolonie Eciton burchelli bestaat soms wel uit 700.000 mieren. De kolonie leidt afwisselend een nomadisch en stationair bestaan. Tijdens de nomadische fase die zo’n twee weken duurt, trekt eenderde van de kolonie er dagelijks op uit om in een georganiseerde rooftocht voedsel te verzamelen. Er vormt zich een netwerk van mierenstraten dat uitmondt is een zwerm van soms wel tien meter in diameter. De mierenstraten voegen zich bijeen tot een ‘snelweg’ waar honderdduizenden mieren van het nest naar de prooi lopen en met voedsel weer terugkeren. Deze snelweg is tot twaalf mieren breed, maar fluctueert voortdurend in breedte.

Het viel de twee onderzoekers op dat sommige mieren hun lichaam leken in te zetten om oneffenheden in de ondergrond van de snelweg weg te werken. Dat verdiende nadere studie.

In het vakblad ‘Animal Behaviour’ doen ze daar verslag van.

Ze legden planken met ronde gaten op de mierensnelweg en keken wat er gebeurde.

De onderzoekers plaatsen een brug middenin zo’n mierensnelweg. Het brugdek was een breed of een smal latje, al dan niet met voorgeboorde gaten. Geconfronteerd met gaten vulden de mieren deze meteen op, kleine gaten door één mier, en grotere soms door twee of drie. : De mieren kozen een passend gat en bleven daar uren zitten, terwijl het volk over ze heen liep. De lichaamsgrootte is bij deze soort nogal variabel, maar op ieder gat past wel een mier, en als het niet alleen lukt, dan doen ze het samen.

Berekeningen van Powell en Franks toonden aan dat de totale reistijd van de rest van de kolonie daardoor zodanig afnam, dat de totale voedselopbrengst toenam Op een leeg gedeelte van de brug was die gemiddelde snelheid 8 centimeter per seconde, en op een gevulde gatenbrug slechts minimaal minder: 7,7 centimeter per seconde. Maar als de onderzoekers voorkwamen dat de gaten werden gevuld, liep de snelheid drastisch terug.

De Britten concluderen dat het offer van enkelingen de kolonie als geheel flink voordel brengt.

Sluit dit venster

Een mier die een gat in de weg vult, helpt daarmee zoveel collega’s vooruit, dat de totale voedselopbrengst van de kolonie hoger wordt. Foto Scott Powell, universiteit van Bristol.

http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/6692853.stm

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/22070179/

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/24157665/

“Insectengemeenschappen eerder politiestaat dan democratie”

Jaak Poot
Schotelden uw leraren u ook mieren- en bijenkolonies voor als modellen voor sociaal gedrag? De werksters die nijver rondscharrelen en een bedje van rozenbladeren spreiden voor de koningin?

Niks van aan, zeggen recente biologische studies.

“Het altruïsme van sociale insecten is pure schijn. Sociale controle houdt hun sociale gedrag in stand. Insectengemeenschappen hebben meer weg van een politiestaat dan van een democratie”, stelde onderzoeker Tom Wenseleers vast.
Tom Wenseleers van het Laboratorium voor Entomologie (Afdeling Ecologie en Systematiek der Dieren) promoveerde in 2001 tot doctor in de biologie op een proefschrift over de Wolbachia-bacterie. Die is aanwezig in het reproductieve systeem van de helft van alle mierensoorten. Hij vond het bewijs dat de bacterie vooral mannelijke nakomelingen doodt. In de wijfjes houdt ze zich gedeisd zodat ze zich kan voortplanten naar volgende generaties: mannetjes zijn evolutionair een doodlopend straatje. De mens is slim genoeg om zijn voordeel te doen met dit inzicht: op dit ogenblik wordt de Wolbachia-bacterie gebruikt bij de bestrijding van schadelijke insecten via genetische modificatie van gastheren.

Klassenstrijd
Al tijdens zijn doctoraat ontdekte Wenseleers dat er in insectenkolonies een soort klassenstrijd woedt. Vroeger dachten onderzoekers dat het sociale gedrag van mieren, bijen en wespen berust op de nauwe familiebanden in de kolonies: werksters zorgen ervoor dat een beperkt aantal familieleden goed te eten krijgt zodat de genetische kenmerken van de familie op die manier voortleven. Maar tijdens zijn onderzoek begon Wenseleers te vermoeden dat sociale controle dit gedrag stuurt, eerder dan altru챦sme.

Na zijn doctoraat vertrok hij voor drie jaar naar de universiteit van Sheffield en deed hij veldonderzoek in Mexico en Brazili챘. Daarna werkte hij tien maanden aan het prestigieuze Wissenschaftskolleg in Berlijn. Tijdens een expeditie in Brazili챘 ontdekte hij dat de afwezigheid van sociale controle bij de inheemse angelloze bijen soms leidt tot totale anarchie. E챕n larve op vijf probeert koningin te worden. Bij de honingbij — met strikte sociale controle — laten de werksters slechts één op de tienduizend larven opgroeien tot koningin.

Tijdens het bestuderen van bos- en rode wespen merkte Wenseleers dat werksters de wetten van de kolonie op een andere manier overtreden: ze leggen zelf eieren. Zonder resultaat, want de koningin of een van haar speciale ‘politiewerksters’ peuzelt die eieren meteen op.

Buigen of barsten
Hoe effectiever de politiecontrole, hoe minder opstandig werksters zijn en hoe minder ‘onwettige’ eieren ze leggen.

Altruïsme blijkt dus gewoon gecamoufleerd egoïsme te zijn: zich conformeren om problemen te vermijden. Buigen of barsten.

“Insectengemeenschappen hebben meer weg van een politiestaat dan van een democratie,”

besluit Wenseleers. Internationaal erkent men dit inzicht als een grote doorbraak.
Wenseleers zet zijn onderzoek verder en wil focussen op mogelijke genetische factoren.

Bepalen die waarom de ene larve meer te eten krijgt dan de andere? Hij wil ook samenwerken met collega Siegfried De Witte van de Onderzoeksgroep Marketing bij Economie. Die werkt met speltheoretische modellen om zo meer inzicht te krijgen in het sociale gedrag van de mens: is die misschien toch altru챦stisch?

Conflict in insect societies
http://bio.kuleuven.be/ento/conflict.htm
Cooperation in insect societies
http://bio.kuleuven.be/ento/cooper.htm
De knuppel in de bijenkorf
DOOR DIRK DRAULANS / Knack – 28-02-2007
De bijen geven langzaam hun diepste geheimen prijs. Vlaamse wetenschappers gaan op zoek naar de genen die hun sociale samenwerking sturen. Genen die ook bij de mens een rol zouden kunnen spelen.Intense sociale samenwerking is fascinerend. Al was het maar omdat wij, mensen, genoodzaakt zijn tot grootschalige sociale organisatie. Wij leven met zo velen samen op zo’n kleine oppervlakte dat we wel moeten samenwerken.Maar wij zijn niet de enige intens samenlevende dierengemeenschap. Zelfs niet de meest uitgebouwde. Sociale insecten gaan een grote stap verder.Ze waren ongetwijfeld al lang sociaal v처처r wij iets vergelijkbaars ontwikkelden. En hun sociaal gedrag gaat dieper dan dat van ons. Bij bijen en mieren wordt de voortplanting geconcentreerd in 챕챕n vrouwtje: de koningin. De rest zijn werksters die zich inzetten voor het grote geheel. Mannetjes (darren geheten) komen er in het verhaal bijna niet aan te pas. Die mogen, als ze geluk hebben, 챕챕n bruidsvlucht meemaken en een koningin bevruchten. Vervolgens sterven ze. De koningin teert de rest van haar jaren op die ene paring.Onderzoek van de bijenmaatschappij ligt aan de basis van een systeem dat biologen verwantschapsselectie noemen. Werksterbijen werken samen, omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar: ze zijn zusters.Maar echt altru챦stisch kan dat gedrag niet genoemd worden. Bioloog Tom Wenseleers van het Laboratorium voor Entomologie aan de Katholieke Universiteit Leuven ontdekte dat er in de bijenwereld een speciale groep van (uiteraard vrouwelijke) politieagenten bestaat, die erop toeziet dat de werksters geen eieren leggen. Werksters worden als het ware verplicht om sociaal te zijn, want de eieren die ze leggen worden vernietigd.Sinds een paar maanden is ook de genenkaart van de honingbij ontrafeld en aan een eerste onderzoek onderworpen. Daaraan werkten Peter Verleyen en enkele collega’s van het Laboratorium voor Functioneel Genoom- en Proteoomonderzoek van dezelfde universiteit mee.Beide groepen publiceerden hun bevindingen in de wetenschappelijke topvakbladen Nature en Science. Ze sloegen ondertussen de handen in elkaar om, onder leiding van de professoren Johan Billen en Liliane Schoofs, en in samenwerking met een ploeg van de Universiteit Gent, een stevige kredietlijn aan te vragen om de twee disciplines te combineren.Ze willen op zoek gaan naar de genen die het sociaal gedrag van insecten sturen, en met name het politionele gedrag. Sociogenoomonderzoek heet dat in het jargon. Met bijen kan naar hartenlust ge- experimenteerd worden, kunnen genen worden uitgeschakeld of aangezwengeld om te kijken wat er gebeurt.Met mensen kan dat uiteraard niet, maar omdat men ervan uitgaat dat het hier fundamentele processen betreft, moet kennis van de bij ook inzicht opleveren in de manier waarop onze sociale samenwerking gestructureerd is.Er is ook een economische factor in het spel. Dat helpt als er onderzoekskredieten moeten worden aangevraagd.Peter Verleyen: ‘De honingbij is, na de fruitvlieg en de malariamug, het derde insect waarvan de genenkaart is getekend. Het sociale karakter van het dier was niet de enige factor die primeerde. Er waren economische componenten, zoals de productie van honing, maar vooral het feit dat bijen als bestuivers van gewassen een grote rol spelen in de landbouw. In de Verenigde Staten zou het verdwijnen van bijen per jaar voor de boeren een minderopbrengst van minstens 15 miljard dollar betekenen. Dat is een gigantisch bedrag. Omdat bijen het, als gevolg van pesticidengebruik en verlies van hun natuurlijk leefmilieu, overal slecht doen, maakt een groeiend aantal mensen zich zorgen.’Er zijn ongeveer twintigduizend soorten bijen. Hoeveel daarvan zijn er sociaal? TOM WENSELEERS: De minderheid, ongeveer tweeduizend soorten, waaronder tien soorten honingbijen, driehonderd soorten hommels en een duizendtal angelloze bijen. De rest zijn solitair levende beestjes.Waren die er eerst? PETER VERLEYEN: Er zijn fossielen van solitaire bijen van 100 miljoen jaar oud gevonden. De honingbij zou slechts 30 miljoen jaar geleden ontstaan zijn. We kunnen er dus van uitgaan dat het sociale gedrag een recente evolutie is.Hoe gebeurt zo’n overgang van ‘solitair’ naar ‘sociaal’? WENSELEERS: Dat moet begonnen zijn met een verschuiving in de ouderzorg. Met moeders die eerst stuifmeelpollen verzamelden en daar dan hun eitjes bij legden, zodat de larfjes na hun geboorte meteen wat te eten hadden. Het sociale gedrag van de werksters kwam daar als een soort misplaatste moederzorg bovenop. Dochters begonnen, als ze uit hun cocon kwamen, te helpen met het grootbrengen van het kroost van hun moeder.Is zoiets relevant om tot nieuwe inzichten in de mensenmaatschappij te komen?

WENSELEERS: Ik denk het wel. De onderliggende theorie챘n zijn dezelfde, bijvoorbeeld inzake sociale sancties. Er is recent aangetoond dat sociaal gedrag bij mensen een soort verdoken ego챦sme is, en dat mensen zich in gemeenschappen met strengere sociale sancties co철peratiever gedragen om te voorkomen dat ze gestraft worden. Net zoals in maatschappijen van sociale insecten minder vrouwtjes zelf eieren leggen als er strenger wordt gepatrouilleerd door politieagenten.

Reageren bijen en mensen op dezelfde manier op het risico van sancties?

WENSELEERS: Bijen gaan uiteraard niet denken: het heeft geen zin dat ik eieren leg, want ze worden toch opgegeten. Bij hen is dat een instinctieve respons. Bij de mens zijn zulke beslissingen veel doordachter. Maar het principe blijft hetzelfde.

Halen uw inzichten in het politionele optreden van bijen de oorspronkelijke pijlers van sociaal gedrag niet onderuit?

WENSELEERS: Tot op zekere hoogte wel. Vroeger dacht men dat een hoge genetische verwantschap cruciaal was voor het behoud van sociaal gedrag. Nu zien we dat sociaal gedrag ook gebaseerd kan zijn op heel andere principes, zoals sancties.

Zonder sancties zou de samenwerking nooit zo sterk geworden zijn?

WENSELEERS: Onze theoretische modellen tonen effectief aan dat de werksters zich veel anarchistischer zouden gedragen als onco철peratief gedrag bij de honingbij niet bestraft zou worden. Politiegedrag is dus inderdaad essentieel voor de manier waarop bijen functioneren.

Zijn de agenten een aparte klasse van werksters?

WENSELEERS: Dat weten we nog niet zeker. Bij wespen schijnt het om een specialisatie te gaan. Sommige werksters voelen zich op een bepaald moment blijkbaar geroepen om agent te spelen.

Hoe ontstaat een systeem waarin alleen een koningin zich voortplant?

WENSELEERS: Omdat alle werksters verwant zijn, zusters van elkaar zijn, zijn ze even goed af door anderen te helpen dan door hun eigen kroost groot te brengen. Zo krijgen ze veel meer van hun genen, die ze met hun zusters delen, in de volgende generaties. Maar het zou ook kunnen dat de moeder haar dochters op een of andere manier dwong h찼찼r kroost groot te brengen en zich in te zetten voor de kolonie.

Hoe zijn ze eigenlijk van de mannen af geraakt?

VERLEYEN: Dat is nog niet duidelijk. Het is wel zo dat darren niet geschikt zijn voor ouderzorg, en daarom ook niet voor een helperrol. De angel van de vrouwtjes is in feite het orgaan waarmee ze eitjes moeten leggen, dus alleen vrouwtjes kunnen steken, wat darren ook ongeschikt maakt voor het verdedigen van de kolonie.

Zoals bij ons wordt een bij als koningin geboren en moet de rest werken voor de kost?

WENSELEERS: Ja, die ongelijkheid zit ook in de bijenmaatschappij ingebakken. Werksters kunnen wel opklimmen, verzorgen eerst de raten, dan het broed, en later gaan ze naar buiten om voedsel te zoeken. Daar zit een evolutie in. Maar van werkster tot koningin zullen ze het nooit schoppen.

Mensen en bijen lijken op elkaar?

WENSELEERS: Wij hebben inderdaad ook een soort klassenstrijd, maar die is toch niet zo extreem als die van de bijen, want daar zit de voortplanting in enkele individuen geconcentreerd.

Dat is toch ook zo in onze haremsystemen?

WENSELEERS: Die zijn aan rijkdom gelinkt en toegespitst op een man als centrale figuur. Bij bijen is de vrouw het centrale geslacht. Je hebt wel de molrat die ook een soort koningin heeft, waaruit aan de lopende band jongen rollen, maar dat is in de zoogdierenwereld een uitzondering.

Waarom worden koninginnen oud en werksters niet?

VERLEYEN: Dat is een van de fundamentele vragen die we willen oplossen met het onderzoek van de bijengenen. Hoe kan hetzelfde genetisch materiaal een koningin geven die vijf jaar oud wordt en een half miljoen dochters kan krijgen, terwijl die dochters allemaal na een paar maanden sterven? De voeding is daarbij natuurlijk belangrijk, de koninginnenbrij die ervoor zorgt dat een bijenlarve koningin wordt. Alle bijenlarfjes krijgen de eerste dagen na hun geboorte wat koninginnenbrij, maar nadien krijgen ze nectar en stuifmeel. De koningin eet echter heel haar leven koninginnenbrij.

Zijn er al genen voor de productie van koninginnenbrij ge챦dentificeerd?

VERLEYEN: Ja, maar we weten niet precies wat ze doen. De werksters produceren de brij in een klier in hun kop. Maar we weten nog niet hoe dat georganiseerd is, en waarom ze de koningin met brij blijven voeden.

Heeft het feit dat werksters geen eieren leggen ook met genen te maken?

VERLEYEN: Als de vruchtbaarheid genetisch be챦nvloed wordt, hopen we dat het via kleine eiwitten zal zijn. We weten dat de rijping van de geslachtsorganen bij andere insecten door peptidehormonen geregeld wordt. We vermoeden ook dat signalen uit de omgeving op die hersenpeptiden inwerken. Bij ons worden bepaalde hormonen eveneens pas vanaf de puberteit actief.

Zijn de beschreven genetische mechanismen vergelijkbaar met de onze?

VERLEYEN: Waarschijnlijk wel. We zien al voorbeelden van eiwitten die ervoor zorgen dat genen al dan niet tot expressie komen, en van micro-RNA’s die ook bij ons belangrijk zijn in het bepalen van welke genen wanneer hun eiwitten gaan produceren. Er is een opvallende methylatie van DNA gezien, waarmee bij ons bepaald wordt of voor een bepaald kenmerk een gen van de vader of van de moeder in gang wordt gezet. H챕챕l vergelijkbare mechanismen dus.

Lijkt het genoom van de bij meer op dat van de mens dan dat van de mug of de vlieg?

VERLEYEN: Ja, maar dat heeft vooral te maken met het feit dat een bij langer leeft dan een mug of een vlieg. De takken die naar insecten en zoogdieren leiden, zijn ongeveer 600 miljoen jaar geleden van elkaar afgesplitst. Maar een koningin van een bij kan vijf jaar lang eieren leggen, terwijl fruitvliegen al na een maand grootouder zijn. Ze hebben dus meer generaties om te veranderen. Het genoom van de vlieg is voor 44,5 procent hetzelfde als dat van de mens, dat van de bij voor 47,5 procent.

Dus bijna de helft van onze genen delen we met insecten?

VERLEYEN: Dat is normaal. De basisprocessen zijn dezelfde, de zenuwcellen, de manier waarop het erfelijk materiaal wordt afgelezen. Veel fysiologische mechanismen zijn sterk geconserveerd, ook deze die voor de communicatie instaan. Daar spitst ons werk zich op toe. We hebben in de hersenen al meer dan honderd signaalmoleculen voor communicatie ge챦dentificeerd. Die worden door een dikke dertig genen geproduceerd.

WENSELEERS: We gaan nu kijken hoe die genetische sturing werkt, en welke moleculen en genen we met politiegedrag en de verminderde vruchtbaarheid van werksters in verband kunnen brengen. Daarvoor gaan we een bijenkolonie maken waarin we vanaf het begin elke bij individueel zullen merken. We gaan het geheel voortdurend filmen, zodat we altijd kunnen zien wat er gebeurt. En dan gaan we ingrijpen op de genen: aan- en uitschakelen en zien wat het effect is.

Dat lijkt een hels werkje.

VERLEYEN: Het is minder omslachtig dan het klinkt. Er is al een DNA-chip op de markt waarop alle genen van een bij liggen, zodat we onmiddellijk kunnen zien welke genen wanneer actief zijn, en in welke mate. Ook het opstellen van kaarten met de eiwitactiviteit in de hersenen is niet zo moeilijk.

Zijn de fameuze dansjes waarmee bijen elkaar de ligging van voedselbronnen uitleggen, ook genetisch bepaald?

WENSELEERS: Waarschijnlijk is dat inderdaad een instinctief, genetisch bepaald iets. Hoewel er bij bijen ook potentieel is voor culturele evolutie. Want er kan in principe aangeleerde informatie van moederkolonies naar dochterkolonies worden doorgegeven.

Bijen gebruiken herkenningspunten in het landschap voor hun navigatie?

VERLEYEN: Het is ongelooflijk wat ze kunnen. Als bijen, bijvoorbeeld, een goede voedselbron achter een heuvel ontdekt hebben, geven ze in de kolonie de hoek ten opzichte van de zon als de richting van de bron aan, zonder rekening te houden met de aanwezigheid van de heuvel, maar als ze de af te leggen afstand beschrijven, houden ze er wel rekening mee dat ze rond de heuvel moeten. Ze sturen zelfs bij in verhouding tot de tijd, want de stand van de zon zal veranderd zijn tegen dat ze hun boodschap brengen.

Bijen zijn dus slimme beesten?

VERLEYEN: Ik heb er in ieder geval een groot respect voor.

Dat is iets anders.

VERLEYEN: Ze hebben een miljoen neuronen in hun hersenen – wij hebben er vijfhonderdduizend keer meer. Maar ik zou er niet in slagen om al dansend de weg naar een boeket bloemen uit te leggen. Het gaat hier duidelijk om een zeer complex denkproces, waarbij ook korte eiwitten in de hersenen betrokken zouden kunnen zijn.

Is er een genetische sturing in de evolutie van werkster in de kolonie naar een bij die buiten gaat vliegen?

VERLEYEN: Dat is ook niet bekend. Het zal ingewikkelder zijn dan dat, want je hebt bijen die nooit de kolonie verlaten, andere die hun leven lang dezelfde bloemen bezoeken, en echte durvers die zich als verkenner gedragen.

WENSELEERS: Die gedragsverschillen zijn gelinkt aan verschillen in de mate waarin bepaalde genen hun eiwitten produceren, maar dat is nog vrij beschrijvend, omdat we niet weten wat die genen doen. Er is nog veel werk aan de winkel.

Het spreekt voor zich dat bijen met hun focus op bloemen een sterk ontwikkeld geurvermogen hebben.

VERLEYEN: Dat is duidelijk uit de eerste analyse van hun genenkaart. Niet alleen voor het zoeken naar voedsel trouwens, ook voor hun onderlinge communicatie gebruiken ze geuren. Bijen herkennen individuen van hun eigen kolonie aan de geur. Er zijn veel receptoren voor chemische prikkels in de hersenen gevonden, die sterk op elkaar lijken, wat wijst op een complex geheel.

WENSELEERS: Die geurcapaciteiten worden trouwens al commercieel uitgebuit. Bijen en wespen kunnen gemakkelijk geconditioneerd worden om landmijnen of drugs op te sporen, precies omdat ze zo’n goed ontwikkeld reukvermogen hebben. Wat natuurlijk handig was om geld te krijgen voor het bijengenoomonderzoek, dat toch 10 miljoen dollar heeft gekost. Je kon het mee verantwoorden als potentieel nuttig ter verdediging van het land. Vooral in de VS is dat tegenwoordig in.

Zijn er nog toepassingen op komst?

VERLEYEN: Als we eventueel een mechanisme ter bevordering van onvruchtbaarheid zouden vinden, zouden we kunnen nagaan of het bruikbaar is in de strijd tegen schadelijke insecten, zoals treksprinkhanen.

Verrassend was dat bijen, ondanks het feit dat ze met zo velen samenleven, weinig genen voor immuunreacties tegen aanvallers hebben.

WENSELEERS: Inderdaad. Blijkbaar hebben ze alternatieven voor de strijd tegen ziektes en parasieten. Een uitgekiend zorggedrag misschien. Er zijn in elke kolonie bijen die als een soort begrafenisondernemer niets anders doen dan dode bijen naar buiten slepen. De meeste sociale insecten zijn sterk in het proper houden van hun nest. Bij de parasolmieren zijn er werksters die uitsluitend op de afvalhoop leven, een soort untouchables, kastelozen, die alleen via tussenstations in contact staan met de rest van de kolonie. Zo wordt vermeden dat infecties uit het afval het nest treffen.

De bij zou zo’n zevenduizend jaar geleden gedomesticeerd zijn. Heeft dat haar gedrag be챦nvloed?

WENSELEERS: Waarschijnlijk niet, want we hebben de paring niet in de hand. We staken de bijen gewoon in korven, en dat was het. Er was alleen selectie door het doden van agressieve volken, maar dat veranderde niet veel. Sinds enkele decennia is er wel de mogelijkheid tot kunstmatige inseminatie.

Zal kennis van het genoom de mogelijkheden tot ingrijpen verhogen?

VERLEYEN: We zouden de weerstand tegen bepaalde ziektes kunnen verhogen. Maar we zullen op onze hoede moeten blijven. De killerbees die nu Amerika onveilig maken, ontstonden uit een experiment waarbij een Europese en een Afrikaanse bij in Brazili챘 gekruist werden. De diertjes deden het goed, maar waren wel agressief. En toen er een dikke vijftig jaar geleden een zwerm ontsnapte, was het hek van de dam.

WENSELEERS: Maar het gevaar daarvan moet niet overdreven worden. In Texas, waar nu een heus drama rond killerbees gecre챘erd wordt, sterven er elk jaar twee mensen aan een bijensteek, en dat zijn mensen die allergisch reageren op bijengif. Afrikaanse honingbijen zijn even agressief, maar uit Afrika hoor je nooit klachten. De mensen zijn het daar gewoon dat ze wat voorzichtig moeten zijn met bijen.

“Altruïsme” van  werksterbijen is kwestie van dwang

Altruïstisch gedrag in moderne insectensamenlevingen is een kwestie van sociale dwang. Werksters bij tal van mieren-, bijen- en wespensoorten zien af van directe voortplanting in reactie op de dreiging dat hun eitjes door hun nestgenoten worden vernietigd.

Dat stellen de biologen Tom Wenseleers en Francis Ratnieks in een bijdrage aan het Britse tijdschrift Nature van 2 november.

Afzien van directe voortplanting geldt als extreme vorm van zelfopofferend gedrag.

Volgens de standaardtheorie zijn altruïsme en steriliteit bij werksters geëvolueerd door grote genetische verwantschap binnen de groep, want dat maakt het evolutionair zinvol als werkster indirect bij te dragen aan voortplanting van anderen, meestal de koningin van de groep.

In theorie kan altruïsme echter ook worden afgedwongen. Het is dan ge챘volueerd in reactie op sociale druk waarbij directe voortplanting werd afgestraft door eitjes te doden. De auteurs hebben dit in een vergelijkende studie onderzocht voor negen wespensoorten en de honingbij, de enige soorten waarvoor kwantitatieve en genetische gegevens voorhanden zijn.

Het onderzoek wijst uit dat hoe meer werksterseitjes worden opgespoord en vernietigd, hoe minder werksters geneigd zijn zichzelf voort te planten. Hun altru챦stische steriliteit lijkt dus afgedwongen.

Een hogere mate van genetische verwantschap leidt bovendien niet tot meer altru챦sme, zoals de standaardtheorie stelt, integendeel. Een groter deel van de werksters plant zich voort naarmate de verwantschap in de groep groter is.

Verwantschap is een sleutelfactor voor de evolutie van zelfopofferend gedrag. Het is waarschijnlijk ooit nodig geweest voor het ontstaan van werkstergedrag. Maar, zeggen de auteurs, in moderne insectensamenlevingen zijn het vooral sociale sancties die het aantal zichzelf voortplantende werksters binnen de perken houden.

Dat is volgens de auteurs een aanwijzing voor iets dat in menselijke samenlevingen moeilijk te bewijzen is: dat betere wetshandhaving het voorkomen van antisociaal gedrag kan tegengaan ?

—–>zie ook

Sociaal gedrag dieren

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

6 Responses to Altruisme

  1. Pingback: INHOUD GLOS A « Tsjok's blog

  2. Pingback: BREIN EN EVO « Tsjok's blog

  3. Pingback: “GOD VAN DE GATEN”- argument | Tsjok's blog

  4. Pingback: NEURONEN | Tsjok's blog

  5. Pingback: EGOISME | Tsjok's blog

  6. Pingback: HAAR | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: