VAN AMFIBIE NAAR REPTIEL ?


INLEIDING 

1.-  vis”amfibieen”   en  amfibie”vissen”   ? 

evolutie

*  Het hier afgebeelde summiere  en onvolledige  schema ( zo is bijvoorbeeld de  evolutionaire positie  van  de  groep der mol- of worm-salamanders niet  vermeld  =  wormsalamanders (Gymnophiona). )  geeft een zeer   globaal overzicht van  de evolutionaire stamboom en afstammingslijnen-vertakkingen     van de gewervelden te beginnen bij de vissen

°Ook de vermelding “tweebenige”(bipedale )  reptielen is nogal discutabel ( en zelfs overbodig /foutief )  er bestonden  namelijk ook(fossiele )  tweebenige  krododillen  en vierpotige  dino’s  (–> sauropoden ) 

!!!   OPGELET (DISCLAIMER )

Het schema( met  vooral  haar  duidelijke  nadruk op het parafylitische karakter van  de(onvolledig  voorgestelde) huidige   “amfibieen ” groep  )    is een  voorlopig   bruikbaar(educatief en wetenschap-historisch ) uitgangspunt ( vooral door en ) in al haar eenvoud,:  Echter  , men moet wel degelijk rekening houden met bovenstaande opmerkingen  

*Dat amfibieen en de  vroege  reptielen (late afstammelingen van de doorgeevolueerde  leden uit de groep  voorouders van amfibieen )waren onder de eerste gewervelden  die het land op gingen en daar semi – permanent  of permanent gingen leven, is de feitelijke  uitkomst van de tot nu toe verzamelde  fossielen en  dito relevante   kennis

—-> Amphibia  
  

Evolutie van de amfibieën( volgens    wikipedia ) http://nl.wikipedia.org/wiki/Amfibie%C3%ABn

*Amfibieën ontstonden vermoedelijk ongeveer 350 miljoen jaar geleden uit bepaalde vissen.

Algemeen worden de Rhipidistia gezien als de voorouders van de amfibien. Fossielen van de Rhipidistia zijn algemeen in het Midden-Devoon, de eerste fossielen van amfibieën verschijnen in het Laat-Devoon.

Er werden  helaas lange tijd   onvoldoende  overgangsfossielen gevonden uit de tussenliggende 30 miljoen jaar.Maar er zijn sindsdien gedurende  de  laatste jaren   wel degelijk fossiele aanwijzingingen opgedoken   die mogelijke  ontwikkelingen laten zien ; Daarbij speelde de ontdekking van  Tiktaalik een doorslaggevende rol

De oudste ontdekte amfibie-achtige , voorafgaand aan  deze ontdekking  van Tiktaalik en de groep der voorlopig  wel eens als zodanig  aangeduide “  fish-o-pods“(waaronder acantostega ) ,  is Elginerpeton gevonden in Schotland uit het laat Devoon en is ongeveer 368 miljoen jaar oud.

1-3-4, Ichthyostega; 2-5, Eusthenopteron

Ook Ichthyostega is afkomstig uit het laat Devoon ; Het fossiel  werd gevonden in Groenland   het  is 363 miljoen jaar oud.

Later in het Paleozoïcum kregen de amfibieën een grotere diversiteit. Zo kwamen er pootloze, zwemmende vormen (Aïstopoda) en bizarre gehoornde vormen (Nectridea).

Deze eerste amfibieën worden verondersteld zich te hebben ontwikkeld uit benige vissen uit de klasse Osteichthyes, (beenvissen )die een grote verspreiding kenden tijdens de opkomst van de amfibieën.

Er is echter nog geen consensus of de(meeste ) extante   amfibieën nu  zijn ontstaan uit bijvoorbeeld ; de longvissen, waarmee ze enige gelijkenis vertonen ;   de straalvinnigen of van een andere familie…..Maar de amfibieen zelf worden in hun geheel   beschouwd als een parafylitische  groep  ….

De groep der  Rhipidistia( binnen de sarcopterygii)  en  de  amfibieën hebben een aantal morfologische kenmerken gemeenschappelijk:

  • De bouw van de schedel is vergelijkbaar.
  • De amfibische ledematen kunnen worden afgeleid van de vinnen van deze vis.
  • Rhipidistia leefden in ondiep zoet water, en hadden vrijwel zeker longen.
  • De bouw van de tanden van Rhipidistia en de vroege amfibieën (Labyrinthodonta) is gelijk. Zo’n tand wordt een labyrinthodont genoemd.
  • Rhipidistia zijn de enige vissen die een opening naar de neusgaten in de mond hebben( choanae ), deze eigenschap wordt bij alle Tetrapoda teruggevonden.

Hoe we neuzen kregen

 Hoe we neuzen kregen: de neus ontwikkelde zich uit tunneltjes op de snuit van oervissen. Het achterste deel van die tunneltjes (p, posterior) verplaatste zich geleidelijk via de mond naar de keelholte, terwijl het voorste deel (a, anterior) veranderde in neusgaten. De ontwikkeling vond plaats via de uitgestorven vissen Kenichthys en Osteolepis, terwijl een iets andere ontwikkeling leidde tot de longvis. De letter ‘c’ in de plaatjes staat voor ‘choanae’, de benaming voor de uitgang van de neusholte. (Nature)

http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2004/november/God-schiep-neus-en-ogen-niet.html

Amfibieen  en  vroege reptielen  zijn  vooral  landdieren die nog een paar vis-kenmerken hebben behouden :Zo hebben zij geen zelf opgewekte lichaamswarmte(homoiothermie ), iets dat zij meenamen van de vissen.  

Het afhankelijk zijn van de buitentemperatuur is dan ook eigenlijk iets dat meer bij het waterleven hoort omdat daar nu eenmaal een veel constantere temperatuur heerst en verwarming eigenlijk alleen maar zonde zou zijn van de energie; een lichaam aangepast aan de constante watertemperatuur is veel efficiënter.

Van amfibie naar reptiel of van vis naar reptiel?

Het voort evolueren van reptielen naar uiteindelijk zoogdieren en vogels is misschien het gevolg van zeer vroeg uit elkaar gegane verschillende routes binnen de evolutie van de vertebraten  :  het is nml  altijd  goed denkbaar   dat stamlijnen die   basaal   ontstonden binnen  de( in dit geval )   erg verscheiden groep der  vissen   ook op meerdere manieren  verder zijn geevolueerd …..bijvoorbeeld ;   één hoofd- richting reptielen  (met als  zustergroep  de fossiele  reuzenamfibieen die  voornamelijk op het land leefden )  die onststond naast  één ( monofylitische )hoofdtak   of  verschillende  struiken  richting amfibieën  ?

Blijven  vooral   nog een  paar vragen  in verband met de moderne  amfibieen ;

  • Zijn de kikkers geëvolueerd uit de salamanders die  vissen( de  longvissen   ?  ) als stamvaders hebben?
  • Zijn de kikkers geëvolueerd uit de vissen (Rhipidistia )waarna de salamanders  daaruit ontstonden?>(wat met de zogenaamde worm-salamanders ?)
  • Zijn de kikkers en salamanders onafhankelijk van elkaar geëvolueerd uit de vissen(  beiden uit de  Rhipidistia   ?  die  trouwens  dicht verwant zijn met de dipnoi )

Abbreviated Dendrogram

Sarcopterygii: Rhipidistia

Teleostomi
|--Neopterygii
`--Sarcopterygii
   |--+--Onychodontiformes 
   |  `--Actinistia
   `--+--Styloichthys
      `--Rhipidistia
         |--Dipnomorpha
         |  |--Porolepiformes 
         |  |  `--Powichthys
         |  `--Dipnoi
         `--Tetrapodomorpha
            |--Rhizodontiformes
            `--Osteolepiformes 
               |--Tristichopteridae 
               `--Elpistostegalia
                  |--Panderichthys 
                  `--Tetrapoda

(bron :

http://palaeos.com/vertebrates/sarcopterygii/rhipidistia.html  )

Sommige biologen  -paleontologen    neigden  naar het laatste ook  om een aantal  morfologische  redenen.

°Enerzijds lijken de larven van salamanders in de verste verte niet op vissen maar zijn het kopieën van hun ouders, inclusief monddelen die werken als bij de volwassen dieren.

Daarnaast hebben de larven direct goed ontwikkelde poten.
De dieren lijken erg veel op vissen zoals de longvis, alleen zijn de larven obligaat   aan het water gebonden omdat zij uitwendige kieuwen hebben maar verder   zijn het  miniatuurtjes  van de ouders!

(moderne ) Kikkers en padden  daarentegen hebben juist weer larven (dikkopjes ) die erg veel op vissen lijken en in de verste verte niet op hun ouders:
Er zijn geen monddelen zoals de ouders hebben, er zijn geen poten, ze hebben inwendige kieuwen (zoals vissen).

° Daarnaast leek  er lange tijd  geen   fossiele  diersoort  voorhanden die kon fungeren als  een soort gemeenschappelijke voorouder ( of zelfs maar  een mozaik-vorm  ) van Salamander en  kikker.
Het  leek  er dus sterk op dat  zeker  de kikkers en de salamanders volledig los van elkaar evolueerden  .

De link van Longvis(sen) naar salamanders wordt meestal  nogal vlug  gelegd maar hoe zit dat dan met de  padden en  kikkers?(anura )

Waar komen die vandaan?

Een  aanwijzing  die mij bekend is, is de volgende:


roodoog makikikker

MAKI- KIKKERS !

Deze groep van dieren (Agalychnis) krijgen larven die precies lijken op vissen, en wel op de  : katvissen  .


Tadpole of Agalychnis callidryas
Red-Eyed Leaf Frog 
(Photo: Dr. Peter Weish)

Van  katvissen is bekend  dat sommigen op het land kunnen jagen en gebruik maken van  darmademhaling(2)

Bovendien zijn er  nog  andere  amfibieen( en zelfs kikkers )  bekend die geen longen bezitten maar toch op vochtig  land kunnen leven

Verder hebben natuurlijk de larven van kikkers veel meer met vissen dan met landdieren!

Naast deze feiten zijn er zowel bij de kikkers als bij de salamanders soorten die volledig aquatiel zijn.
De japanse reuzensalamander zelf zodanig dat het beendergestel niet sterk genoeg zou zijn om het dier op het land te dragen of voort te bewegen. Deze salamanders zijn reusachtig groot, deze grootte konden zij alleen in het water bereiken!

Kikkers zitten wat dat betreft wat steviger in elkaar. De Goliathkikker (en enorm dier uit de afrikaande regenwouden) leeft op het land.
Ook de reuzenpad (Bufo marinus) leeft bijna geheel op het land.
Andere (kleinere!) kikkers zijn weer wel 100% aquatiel, zoals de grote klauwkikkers (Xenopus laevis), deze kunnen maar heel kort zonder water.

Van amfibie naar reptiel 
Het leek altijd  al vast te staan dat amfibieën als eerste het land veroverden  en gezien de fossielen die zijn gevonden ís dat ook zeer waarschijnlijk
Even een klein overzicht:

  • Vissen ontstonden ca. 400 miljoen jaar geleden in de Ordovicium-periode, de eerste vissen met kaken ongeveer 330 miljoen jaar geleden
  • De eerste amfibieën ontstonden zo’n 300 miljoen jaar geleden, het gaat hier om die groepen  vissen die verder evolueerden tot de voorouders van de tetrapoden  ( daartoe behoorden  tiktaalik , ancantostega  etc … )   en uiteindelijk voorlopers ( als de  Ichthyostega die  alle kenmerken van vissen bezat maar  ook   échte poten ) die tenslotte uitkwamen  bij  primitieve   amfibieën

(zie voor   de overgang  naar de tetrapoden dit  uitgebreid  archief  artikel  ) 

acanthostega.docx (2.3 MB) <—

  • De oudste opgravingen van reptielen dateren uit de carboonperiode, zo’n 250.000.000 jaar geleden.
    Deze reptielen leken erg veel op amfibieën maar dit zijn volgens huidige inzichten geen echte bewijzen want ook nu bestaan er nog dieren die kenmerken hebben van meerdere diersoorten.

Vissen hebben (op enkele uitzonderingen na) een huid die volledig is bedekt met hoornplaten, schubben genoemd.
Schubben zijn ideaal voor bescherming maar lastig voor “huidademhaling”.
De  eerste evolutionaire stap ná de  vissen, de  amfibieën, hebben geen schubben terwijl die wél weer opduiken bij reptielen.

Al met al duidt het er dus op dat er zich op vele verschillende plaatsen op aarde heel verschillende evolutieprocessen hebben plaatsgevonden.

De gelijkenis van salamanders en hagedissen (ook vaak in de volksmond verward!) doet velen vermoeden dat uit de salamanders reptielen zijn onstaan maar dit soort  gelijkenis is geen voldoende   bewijs!( de “gelijkenis” tussen longvis en salamander( alhewel beter te beargulenteren )   is dat eigenlijk ook niet  )
In principe lijken alle gewervelde dieren op elkaar: 2 ogen, een kop, twee paar ledematen (de vleugels van vogels zijn geëvolutioneerde “armen”) en een, al dan niet rudimentaire, staart.
De globale opbouw is altijd hetzelfde en ook altijd zo geweest.
Het is dus erg moelijk vast te stellen wát er precies gebeurde tijdens de evolutie, het enige dat wel echt zeker is, is het feit dat er niet “één evolutie” is maar dat evolutie zich overal waar  er  leven is( en ten aller tijden) voordoet.
Daardoor ontstonden er zoveel varianten van verschillende dieren en andere organismen die samen de biodiversiteit verklaren  .

Amfibieën zijn door de miljoenen jaren heen, water afhankelijk gebleven.

Een paar uitzonderingen zijn relatief kleine evolutionaire aanpassingen.Zo zijn er kikkers waarbij de larven in het lichaam opgroeien en pas als volwassen dier ter wereld komen. Ook zijn er soorten die hun larven meedragen tot zij zijn volgroeid, maar één ding is zeker: de eieren en larven moeten in een waterige omgeving worden gehouden, binnen of buiten het lichaam!
Reptielen zijn echter allen land-afhankelijk en dus echte landdieren.Uiteraard zijn sommige ( meestal uitgestorven ) reptielen ( maar ook dieren als zeeschildpadden )  naar zee teruggekeerd  en/of alleen   alleen op het land komen om hun eieren te leggen, sprekende voorbeelden zijn de zeelslangen en de zeeschilpadden die zelfs op het land behoorlijk hulpeloos zijn.

Enkele  waterschildpadden  zijn  niet hulpeloos op het land maar kunnen toch niet zonder hun aquatisch millieu leven  .Zo is onder andere hun schaal niet bestand tegen te lange blootstelling aan droge lucht en uiteindelijk zullen de dieren verdrogen.

We vinden deze dieren vrijwel alleen in het water, aan de directe oevers en op drijvende of uit het water stekende objecten. Het feit dat dit type moerasschildpadden  wereldwijd  worden gevonden (zowel  in europa   als de  bekende  roodwang schildpadden in de VS) lijkt er wel op te duiden dat deze uit één evolutiestamlijn (monofylitisch ) komen en nog zijn ontstaan voor het opdelen van de continenten.
Overigens hebben niet alleen de reptielen de weg terug naar de zee gezocht, ook de zoogdieren hebben dat gedaan en wellicht nog beter want de walvissen kunnen alleen maar in zee overleven.

Echte conclusies zijn(nog)  niet te trekken!
Hoe goed de paleontologen en biologen ook hun best doen:
volkomen  sluitende  gedetailleerde  antwoorden ( uitsluitend  op grond van morfologie en vergelijkende anatomie ) zullen niet gauw   worden gevonden, gewoon al  omdat er zich op té veel plaatsen teveel verschillende processen voordeden en richtingen ingeslagen !

Toch houdt  de  beginnende discipline van het  vergelijkend genoomonderzoek veel toekomstige  antwoorden in petto ……

Vermoedelijk  hebben de  vroegste  visachtige   gewervelden verschillende keren het land veroverd ( denk aan longvissen , ichtyostega , en zelfs de  slijkspringer (1  )
De kans dat er op één locatie uiteindelijk één soort dier het landleven verkoos ( en nog op de koop toe als” fossiel in rechte lijn”  kan worden gevonden ) is vrijwel ondenkbaar…. De rechtlijnigheid in de evolutiegeschiedenis    is trouwens   allang een verlaten  werkhypothese

NOTEN  in de vorm van een APPENDIX 

(1)   Verschillende manieren van   gebruik van atmosferische lucht
Men is het er wel over eens: Amfibieën behoren tot   de eerste landbewoners op aarde!
Tóch is dat natuurlijk niet helemaal waar,

ten eerste leven zij niet geheel op het land,

ten tweede zijn er ook vissen die een gedeelte van hun leven op het droge doorbrengen.

De vissen die goed op de amfibieën ( = salamanders ) lijken   en  misschien enkele  van die eerste   landveroveraars leverde  , zijn  vermoedelijkde longvissen (Dipnoi).
Het uitzonderlijke van deze vissen is dat zij, al zijn ze uitermate primitief, longen hebben.
Maar  eigenlijk zijn het niet meer dan twee zakjes in hun lichaam waarin atmosferische lucht kan worden opgeslagen en gebruikt.

Een   eerste stap naar  een soort landleven is  misschien binnen de (af)stam(mings)lijnen der   longvissen   mogelijk  geworden .Het longvis-model  geeft  alleszins die route als  een realiseerbare richting
Deze vissen  leven in uitermate zuurstofarm  zoet-water dat ’s zomers zelfs helemaal droog komt te staan.
In die periode graven de dieren zich in in de modder met de kop omhoog en houden op die manier een zomerslaap en ademen dan écht door eenvoudige zakjes die op longen lijken.


De borst- en buikvinnen van de nu enige nog levende longvis (de Australische longvis, Neoceratodus forsteri) zijn verhard en staan onder het lichaam en lijken zo wat op primitieve poten.
Ook zijn de andere vinnen met elkaar vergroeid waardoor er geen sprake is van een seperate rugvin en staartvin.
Het dier lijkt daardoor dus wat op een salamander.

longvis


Vreemd genoeg lijken de larven van salamanders weer erg op hun ouders behoudens het feit dat zij uitwendige kieuwen hebben.
Kikkers daarentegen hebben weer larven die veel meer op vissen lijken dan de larven van salamanders!

*Een totaal  andere manier van het opslaan en het gebruik van  van atmosferische lucht bij vissen zien we  bij labyrintvissen (Anabantoidei). Deze hebben een orgaan in de kop (het labyrint) waarin atmosferische lucht wordt opgeslagen en gebruikt.
Tenslotte  kunnen sommige meervallen (zoals Corydoras) op nog   een andere manier  atmosferische lucht  gebruiken: darmademhaling.
Door atmosferische lucht te happen wordt deze in de darmen opgeslagen om zo de zuurstof te kunnen gebruiken ten tijden van laag water.

Door  hogere watertemperaturen en opwarming  kan in(vooral  afgesloten plassen   )  het zuurstofgehalte drastisch verminderen en zijn deze methoden essentieel voor de overleving van deze soort.

Lees hier meer over de ontwikkeling van tetrapoden  in het bijzonder de link met de longvissen –>

http://www.kennislink.nl/publicaties/lopende-longvis-geeft-geheim-evolutie-prijs

(2)  Aan land jagende palingkatvis geobserveerd

Een nieuw licht op de  evolutie van water- naar landdieren 
Er zijn tientallen soorten katvissen, die af en toe aan land gaan, dat is bekend.”Catfish walking in the streets”

De tropische palingkatvis is echter een buitenbeentje. Biologen van de Universiteit Antwerpen hebben nu, in samenwerking met Gentse onderzoekers, ontdekt dat de palingkatvis doelbewust aan land komt om op prooien te jagen. Van dat merkwaardige gedrag hebben de onderzoekers van de Universiteit Antwerpen Peter Aerts, Anthony Herrel en Sam Van Wassenbergh in hun laboratorium video-opnamen gemaakt. Hun bevindingen kunnen licht werpen op de evolutie van water- naar landdieren. Het onderzoek verscheen  op 13 april 2006 in het gezaghebbende tijdschrift Nature.

katvis jaagt op land 

Channallabes apus

 Channallabes apus was first described in 1873 by the eminent zoologist Albert Günther and was named as Gymnallabes apus. It was then moved into a family of its own, Channallabes(due to the cranial morphology), and was the only species in this genera (monotypic) for many years until DEVAERE et al. 2007 named another five species which added up to six in all in this family. They are all very like each other and some are difficult to name, when live, to an exact species.

http://en.wikipedia.org/wiki/Channallabes           http://en.wikipedia.org/wiki/Catfish

De orde van de katvissen is erg uitgebreid, maar de palingkatvis (Channallabes apus) is anders dan zijn soortgenoten. Hij leeft in de moerassige gebieden van tropisch Afrika, maar is de enige katvis die af en toe aan land gaat om voedsel te zoeken. Nu is er wel eens meer een katvis op het droge te zien, die zich snel van het ene watergebied naar het andere spoedt, maar alleen de palingkatvis gaat doelbewust aan land om op prooien te jagen. Dat hij daar ook buitengewoon handig in is, konden de onderzoekers vaststellen in de laboratoria van de Universiteit Antwerpen, waar al de analyses en video-opnames werden gemaakt. Dat de voornamelijk nachtactieve palingkatvissen in een laboratorium geobserveerd konden worden, is op zich al uitzonderlijk.

De stap van het water naar het land is een van de cruciale momenten in de evolutie van de gewervelde dieren, die bovendien zware fysieke eisen stelde aan de waterbewoners. Zo kunnen dieren in het water gemakkelijk prooien naar binnen zuigen via de mondholte, maar op het land werkt dat systeem niet. Vroege viervoeters moesten dus andere strategie챘n ontwikkelen.

De onderzoekers ontdekten dat de palingkatvis, die nochtans in het water typische zuigbewegingen maakt om voedsel naar binnen te lokken, ook op het land insecten kan eten. Op de foto is duidelijk te zien dat de vis het voorste gedeelte van zijn lichaam kan optillen en tegelijk zijn kop naar voren kan buigen. Dat is mogelijk dankzij een lange en flexibele wervelkolom. Zonder die beweging zou de vis zijn prooi gewoon voortduwen over de grond, maar ze niet kunnen opslokken.

Zodra hij contact maakt met de prooi, doet de vis zijn bek herhaaldelijk open en dicht tot het insect stevig tussen zijn kaken vastgeklemd zit. De typische zuigbeweging van in het water komt ook op het land van pas, hier om grotere prooien gemakkelijker naar binnen te werken.

Dit -voor een vis- merkwaardige gedrag kan licht werpen op de evolutie van water- naar landdier en op de ingrijpende lichamelijke aanpassingen die daarvoor nodig waren.

Meer informatie
Sam Van Wassenbergh
Departement Biologie – Universiteit Antwerpen – Tel. 03 820 22 60

http://scienceblogs.com/pharyngula/2006/04/12/catfish-eating-its-dinner/

OP NAAR   DE   REPTIELEN   

Onderstaand ( zeer beperkt )  cladogram vat  de(huidige consensus ) over de afstamminggeschiedenis der tetrapoden  nog allemaal eens bondig  samen ….   

Terminal taxa: 

A, Onychodontiformes – early to late Devonian
B, Actinistia – middle Devonian to Recent 
C, Dipnoi – late Silurian or early Devonian to Recent
D, Porolepiformes – early to late Devonian
E  Rhizodontiformes – late Devonian to Carboniferous
F. Osteolepiformes – middle Devonian to early Permian 
G. Panderichthys – ?middle to late Devonian
H. Tetrapoda – late Devonian to Recent 

Nested taxa and selected synapomorphies (unique characteristics): 

Sarcopterygii (monobasal paired fins, ventral fissure developed dorsally into an intracranial joint, more than four scelerotic plates); 2, maxilla reluced or lost, large basal lobe in fins; 3, Rhipidistia (folded dentine and enamel in teeth, no maxilla-preopercular contact, large quadratojugal. postorbital junction of supraorbital and infraorbital sensory-lines [lost in lungfishes], only three coronoids, nasal capsule with lateral recess, ?dermintermedisl process [lost in porolepiforms]); 4, Dipnomorpha(elongated pectoral fin, with numerous mesomeres, rostral tubules, branched posterior radials in posterior dorsal fins, enamel entering the flask-shaped cavities of cosmine, pineal reached but not surrounded by parietals, no parietal-supraorbital contact, infraorbital sensory-line canal follows premaxillary suture); 5, Tetrapoda (concave glenoid fossa, perforated hurneral process, large entepicondylar process, deltoid and supinator processes on humerus); 6, Choanata (single external nostril, choanae. dermintermedial and tectal processes in external nostril [unless at node 3]); 7. large frontals meeting along the midline, elongated humerus, jugal meeting quadratojugal, dorsally placed orbits, ventrally placed external nostril near oral margin, loss of dorsal and anal fins

OP  WEG NAAR DE REPTIELEN

amfibie of reptiel

Ehttp://tolweb.org/Temnospondyli/15009 http://tolweb.org/Seymouriamorpha  

Nota ; OPGELET !!! op bovenstaande  afbeeldings staat de   Eryops en  daaronder met een pijltje   het( tot nog toe )  vroegste bekende reptiel  Hylonomus  :dat is  echter GEEN  voorstelling van een    rechtsteekse afstamminglink : Labyrynthodonten zijn  temnospondylen  … Het pijltje betekent dat  de vroegste reptielen  afstammen(  volgens de consensus) van de temnospondylen 

TETRAPODA
|--TEMNOSPONDYLI
`--+--LEPOSPONDYLI
   `--REPTILIOMORPHA
      |--Anthracosauroidea
      |  `--+--Embolomeri
      |     `--Chroniosuchia
      `--+--Gephyrostegidae
          `--Batrachosauria
             |--Seymouriamorpha
              `--+--Solenodonsaurus
                 `--Cotylosauria
                    |--Diadectomorpha
                    `--AMNIOTA

zie ook  wat was er eerst . kip of ei  <— ( doc)

Over het algemeen is men het er over eens dat Hylonomus (‘bosmuis’) het oudste bekende reptiel is. Het diertje, dat slechts 10 centimeter lang was, stamt uit het Midden Carboon  zo’n 320 miljoen jaar geleden 

Aan de scherpe tanden van Hylonomus en verwante vormen valt af te lezen, dat de eerste reptielen insecteneters waren. Doordat ze niet afhankelijk waren van de nabijheid van water, konden ze op de hoger gelegen gronden op jacht gaan naar insecten en andere geleedpotigen.

Er waren ook amfibieën die er een soortgelijke levenswijze op nahielden. Sommige van deze amfibieën behoren tot een groep met de verwarrende naam Microsauria (= kleine hagedissen), eveneens behorende tot de     Subclasse:  †Lepospondyli

http://en.wikipedia.org/wiki/Microsauria

Daarnaast kennen we ook de Anthrocosauria (steenkoolhagedissen). Amphibia sensu lato  /Superorde  Reptiliomorpha  Orde   Anthracosauria   -Söderbergh, 1934  

 http://en.wikipedia.org/wiki/Anthracosauria

Gephryostregus is lid van die groep  

Gephryostregus leefde in het laat carboon . Het dier  is  jonger dan Hylonomus. Het heeft waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder met de vroegste reptielen  in het vroeg/midden   carboon  Tot deze laatste groep behoorde Gephryostregus, een amfibie dat een goed beeld geeft hoe de voorouders van de reptielen eruit gezien kunnen hebben. Het skelet van de anthrocosauria wijkt slechts op details af van dat van de reptielen uit zijn tijd.

Gephyrostegus bohemicus

Gephyrostegus bohemicus

Gephyrostegus watsoni specimen no.1

http://palaeos.com/vertebrates/reptiliomorpha/gephyrostegidae.html


T025575A

           

ERYOPS

Eryops was an amphibian living in the Permian era (approximately 250 million years ago). It was well adapted to both terrestrial and aquatic environments. Its sharp teeth indicate it was a carnivore, alligator-like in both appearance and habit. Strong and heavily built, it grew to lengths of 2 m (6 ft) and appears to have lived most of its life on land in areas such as what are now Oklahoma, New Mexico, and Texas.

Dorling Kindersley
http://encarta.msn.com/media_461518752/eryops.html

Eryops Megacephalus Skull  :giant primitive amphibian. Wichita Basin, Texas. Lower Permian, ( 270 million years)
http://www.valleyanatomical.com/catalog/index.php?cPath=23_68

Eryops20S2055 Eryops3t       eryops2

Eryops2t

Eryops1Eryops

Eryops was a common, primitive amphibian that lived in swamps, primarily during the earlier Permian. It was a fierce carnivor with stout body and spine, wide ribs, short, strong legs and tail, and a wide, elongated skull with many sharp teeth in strong jaws. The most common species E. megacephalus means “huge head, and, indeed, its two-foot long head with many sharp teeth in strong jaws was a formitable hunting weapon. At some five feet, Eryops was one of the largest land predators of its time. Eryops fossils, especially teeth and skull plates, are most prevalently found in Texas, New Mexico.

http://www.fossilmuseum.net/fossils/amphibians/Eryops/Eryops.htm

SEYMORIA

Seymouria

Complete Seymouria baylorensis/  Permian ( Permian red beds of Texas )

Note: thought to be the link between amphibians & reptiles.
The Original Fossil is housed at Baylor University in Texas.

amphib-seymoria-head

amphib-seymoria-mid

AMPHIB-SEYMORIA-SKULL-PHIL

SKULL  of  Seymouria baylorensis
Age: Permian
Location: ( Permian red beds of Texas )

31-07-2009 Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<—Bromacker

BioOne Online Journals – Lower Permian Terrestrial
http://de.wikipedia.org/wiki/Bromacker

Bromacker team (2009)

Bromacker team (2009)

bromacker groeve

bromacker groeve

De Bromacker( Tambacher Becken/Formatie im Thüringer Wald. )is een verlaten zandsteengroeve die ondertussen is uitgegroeid tot een zeer belangrijke vindplaats
In feite de belangrijkste oerreptielen-bron buiten de USA en ’s werelds belangrijkste fossielen-site voor het Perm tijdvak (-299/- 270 MY).

“…. de resten , in de bromacker groeve gevonden , verduidelijken onder meer waar en wanneer reptielen voor het eerst konden leven zonder de aanwezigheid van een aquatisch stadium (= vroege amnioten )…. De vondsten leveren ook minstens één sluitend bewijs dat Europa en Noord-amerika geologisch verenigd waren(= pangea) in het late Paleozoicum….

Bovendien zijn hier de resten van de eerste bipedale oerreptielen gevonden …en de fossielen van organismen die aan de voet liggen van de stam der reptielen waaronder zowel de voorouders van de pelycosauriers (en de zoogdieren ) als die van de andere reptielen -groepen “

REPTIEL ZOOGDIER

Wetenschappers voeren al meer dan 30 jaar opgravingen uit in de Bromacker-groeve
Daarbij werden 40 exemplaren van 13 verschillende soorten ontdekt.

Tambachia, eenTrematosaurier,
Seymouria, Seymouriamorpha, Seymouria sanjuanensis

de Diadectomorphe Orobates,
De bipedale Bolosauride Eudibamus, Eudibamus cursoris,
Thuringothyris, Thuringothyris mahlendorffae een Captorhinida,
de Pelycosaurier Dimetrodon

Drie nog niet beschreven soorten ;
een Dissorophoidea, een Caseide en een Varanopseide.
Volgens Martens blijven fossielen er beter bewaard dan op vergelijkbare sites in Noord-Amerika en Mexico.

File:Diadectes species.jpg
Diadectes phaseolinus,anthracosaurier van het vroeg -Perm (Wikimedia )

Diadectes phaseolinus by VSmithUK.

Diadectes phaseolinus,anthracosaurier  /  New york

(New York  )Skeleton of Diadectes sideropelicus in theAmerican Museum of Natural History

File:Diadectes phaseolinus.JPG

DUITSLAND:

trias jura
(De onderstaande afgebeelde fossielen werden allen gevonden in de ‘Bromacker’ (Duitsland)

Palaeontologen (v R-/n L)
Thomas Martens, curator geologie Gotha Museum derNatur ,
David Berman Carnegie Museum of Natural History in Pittsburgh (USA) en
Stuart Sumida, biology professor California State University San Bernardino (USA)
bewonderen (vrijdag 28 Juli 2006. )het oer -dinosaurier fossiel van Orobates pabsti in het Museum derNatur van Gotha, Duitsland

bromacker

orobates pabsti

Orobates pabsti Is een (uitgestorven) plantenetend reptiel .
Het dier is nauw verwant aan het (eveneens in de bromacker gevonden ) Diadectes  en vertegenwoordigd een van de meest primitieve(herkenbare ) planteneters onder de landdieren die tot nu toe werden gevonden

oro

Het slankere lijf en de gestroomlijnde poten onderscheiden dit dier van diadectes

Deze groep “amfibieen ” met reptiel kenmerken

http://en.wikipedia.org/wiki/Diadectidae
wordt beschouwd als nauw verwant aan de groep waaruit tenslotte de zoogdieren zijn onstaan

 

 

 

 

 

°


http://www.animalpicturesarchive.com/view.php?tid=2&did=27107

Gotha-Ursaurier-Tambach

Tambacher Ursaurier« (Diadectes absitus).
Gefunden bei der Grabung »Bromacker 1993«.
Länge des Schädels rund 15 cm.
Foto: Museum der Natur, Gotha

*In 2009 vond Thomas Martens een schedel uit de pelycosauriers familie .

Het gaat om een fossiel van een reptiel ter grootte van een kat
Dit fossiel werd eveneens gevonden in Bromacker (centraal-Duitsland/ Thüringen )
Thomas Martens, verklaarde dat enkel de 6 centimeter lange schedel van het dier gevonden werd.
Aangenomen wordt dat het gaat om een reptiel van 50 tot 70 centimeter.

“Het zou wel eens een getuige van een cruciale fase kunnen zijn in de ontwikkeling van reptielen naar zoogdieren”, verklaarde hij.

De opgravingen waren het gezamenlijke werk van Amerikaanse, Duitse en Slovaakse paleontologen.
Daarbij werd ook de vleugel van een kakkerlak en een reptiel ter grootte van een muis ontdekt.

http://en.wikipedia.org/wiki/Eudibamus

http://pterosaurheresies.wordpress.com/2011/09/15/what-is-eudibamus/

portrait

Eudibamus cursoris

Location: Carnegie Museum of Natural History, Pittsburgh, PA
Year: 2010
Merckdigitals catalogue number: 22-74608
Comments: Permian

http://www.epilog.de/Dokumente/Show/Ausstellung/Prehistoric/Gotha_Ursaurier.htm

I10-31-reptiles

http://universe-review.ca/R10-19-animals.htm

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

4 Responses to VAN AMFIBIE NAAR REPTIEL ?

  1. Pingback: FOSSIELE AMFIBIEEN INHOUD « Tsjok's blog

  2. Pingback: ANURA evolutie « Tsjok's blog

  3. Pingback: Over het ontstaan van kikkers, slangen, krokodillen « Tsjok's blog

  4. Pingback: LIJST A fossiele amfibieen | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: