zoogdieren I


Primaat Zoogdier

ZOOGDIEREN ( I )
INLEIDING

De meest bekende klasse van het dierenrijk is wel die van de zoogdieren.
Niet in de laatste plaats omdat  ook de mens daar zelf  toe behoort.
Veel zoogdieren leven direct in onze nabijheid.

Enkele van hen houden wij als werkdier (paard) of als hulpje en  beschermer (hond), andere vormen een bron van hoogwaardig voedsel(konijn , rund, schaap , varken… etc …).

Alle zoogdieren hebben een gesloten bloedsomloop met een groot vermogen en een hart met twee kamers en twee boezems.
Ze ademen via longen en beschikken over een vertakt zenuwstelsel.

Ledematen    Bij de ledematen kunnen sterke reducties optreden:

de achterpoten van walvisachtigen en zeekoeien zijn geheel verdwenen.
Anderzijds kunnen de achterpoten juist zeer sterk ontwikkeld zijn, waarbij de voorpoten dan vaak in grootte afgenomen zijn (kangoeroetype).
Het aantal tenen beloopt maximaal vijf; ( een oud patroon in  de stamlijnen van vertebrate landdieren die tot vandaag zijn blijven voortbestaan  )ook hier is soms sprake van opvallende reductie –
bij de evenhoevigen zijn nog maximaal vier tenen aanwezig,terwijl bij de onevenhoevigen het aantal via drie tot één (paardachtigen) teruggelopen is. 

Polydactylie van de  “digits ”  , “duimen en vingers “afkomstig uit andere structuren dan het  hand-voet-patroon ( panda’s thumb )  komen ook voor  … maar dat zijn genetische mutaties van hand ( en voet )  en/of alternatieve structuren van andere origine dan voormeld  hand- voet recept

Bloedsomloop   In het bloedvaatstelsel is de linkeraortaboog overgebleven (bij de vogels de rechterboog);

het ademhalingsstelsel omvat o.a. een  strottenhoofd (larynx), dat dienst doet als stemorgaan bij de ingang van de luchtpijp (trachea).


Borst- en buikholte 
zijn gescheiden door een spierplaat, het middenrif (diaphragma), dat o.a. bijdraagt aan de efficiëntie van de ademhaling.

Hoewel alle zoogdieren warmbloedig (homoio- of endotherm) zijn, kan de lichaamstemperatuur wel variëren, o.a. bij de winterslaap, terwijl bij de Monotremata soms nog een betrekkelijk primitieve temperatuurregeling voorkomt, die enigszins doet denken aan die van de Reptielen.

Voortplanting en ontwikkeling  De eieren van de Zoogdieren zijn naar verhouding zeer klein;De diameter varieert van 0, 05–0,25 mm (maximale lengte van het moederdier 33 m, gewicht meer dan 136!000 kg), bij de mens 0,15 mm.

Zoogdieren planten zich voort doordat het vrouwtje door het mannetje bevrucht wordt.
De vrouwtjes baren levende jongen die zich eerst in het lichaam van de moeder ontwikkelen.
Later worden ze met moedermelk gevoed die ze uit melkklieren of tepels zuigen
Een eerste uitzondering hierop vormen de eierleggende cloaca dieren (De Monotremata ) de tepels zijn “vervangen” door geultjes die schijnen te zijn ontwikkeld uit lichaamsharen
en
op de tweede plaats de geologisch jongere buideldieren.
Die laatste zijn wel levendbarend maar hun jongen worden geboren terwijl ze nog niet volledig ontwikkeld zijn.
De jongen voltooien dan hun ontwikkeling in de buidel van de moeder. waarin zich ook de tepels bevinden
 De draagtijd is  bij die buideldieren zeer kort, bijv. bij de Amerikaanse opossum ca. 13 dagen.
Na deze tweede groeiperiode in de buidel , spreekt men wel eens van een tweede geboorte.

Bij de placentale zoogdieren is vooral bij de grote soorten de draagtijd soms zeer lang (olifanten 22 maanden, grote walvissen 12–16 maanden); na een lange dracht wordt meestal slechts één jong geboren. Overigens varieert het aantal jongen per worp van 1–12, zelden meer (tot 24 toe).
Het aantal jongen is gecorreleerd met het aantal melkklieren; de zoogperiode varieert eveneens, maar kan vooral bij grote soorten lang zijn(olifanten tot ca. 3 jaar, mensapen en mens soms tot na de volledige vorming van het melkgebit;

Walvisachtigen daarentegen tot hooguit 20 maanden –het spenen gebeurt zeer geleidelijk (bij talloze herbivoren nemen de jongen al heel vroeg enig plantaardig voedsel tot zich).

Ecologie  Van alle groepen in het dierenrijk hebben de Zoogdieren zich het meest onafhankelijk gemaakt van invloeden van het milieu; dat heeft hun in staat gesteld de gehele wereld te veroveren, uiteraard samen met de vogels, die immers eveneens warmbloedig zijn.

Temperatuurbarrières worden gemakkelijk overwonnen, zozeer zelfs dat in de poolstreken zoogdieren dominant kunnen zijn.

Aanpassingen aan het waterleven culmineren in de walvisachtigen, die alle contact met de vaste wal verloren hebben.

Als echte vliegers zijn de vleermuizen met uitzondering van de poolstreken kosmopolieten geworden; zij konden de meest afgelegen oceanische eilanden bereiken, waar andere zoogdieren niet of hooguit via de mens konden komen.

De knaagdieren zijn zonder twijfel de meest succesvolle zoogdieren; iets meer dan I van alle ruim 4000 soorten bestaat uit knaagdieren.

Wat betreft individuen-tal hebben vermoedelijk enige knaagdieren (ratten, muizen) aantallen bereikt die die van de mens, zonder twijfel het talrijkste zoogdier ter wereld, evenaren.

Sinds het optreden van de mens behoren zijn medezoogdieren tot de meest vervolgde elementen in de natuur.

De zoogdieren bleken van eminent belang voor het overleven van de mens. Voor bepaalde huisdieren geldt dat de domesticatie in zo’n ver verleden ligt, dat de werkelijke voorouders niet meer met zekerheid vast te stellen zijn (o.a. lama, dromedaris); andere wijken zo weinig van het oorspronkelijke type af dat zij weer zeer snel kunnen verwilderen (paarden, ezels, geiten, varkens, katten, enz.).

De relatie van de mens met talrijke zoogdieren via de jacht heeft een geheel eigen karakter. Enerzijds werd de jacht beoefend om dieren te bemachtigen als voedsel en omwille van huiden, beenderen, enz., anderzijds werden de roofdieren bejaagd als potentiële bedreigers van de gemeenschap, als concurrerende predatoren en als rituele handeling.

Tegenwoordig treedt de mens ook op in de plaats van verdwenen predatoren. De enige normale predator (roofvijand) van volwassen grote zoogdieren als olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en tijgers is immers de mens; in de ecologie van de sterk geciviliseerde landen vervangt de mens de roofdieren die niet langer getolereerd worden (wolf, bruine beer e.a.).

Bedreigd of uitgestorven   Reeds lang geleden heeft de mens vermoedelijk al zoogdiersoorten uitgeroeid; pas tegen het einde van de 19de eeuw begon dit ernstige vormen aan te nemen.
Bekende zoogdieren die uitgeroeid werden, zijn o.a.


Stellers zeekoe (1768),
blauwbok (begin 19de eeuw),

tarpan (tweede helft 19de eeuw),

Falklandvos (1876),  http://scienceblogs.com/tetrapodzoology/2007/12/20/island-endemic-otters-canids/
i-bdb9ccd47d8b9c1c4517cdbcfef9966c-stuffed warrah 2 from messybeast.jpg

quagga (1883, laatste exemplaar in Artis)

en
Schomburgk’s hert (jaren dertig 20ste eeuw).

Door het inkrimpen van grote arealen werden soms ook ondersoorten uitgeroeid, zoals
Kaapse en Barbarijse leeuw (zie leeuw),
Balitijger (zie tijger) en het
hartenbeest van Noord-Afrika.

Door tijdig ingrijpen ter plaatse is een aantal soorten van een dreigende ondergang gered, als

koala,
parmawallabie
(bij toeval via een in Nieuw-Zeeland uitgezette populatie die men vergeten was, zie kangoeroes),
zeeotter,
de meeste destijds overgeëxploiteerde zeeroofdieren,
gaffelantilopen,
bizon
(in 1889 waren er nog slechts 541 van de miljoenen van destijds over),
saïga witstaartgnoe en (zuidelijke)
breedlipneushoorn (uitgangsmateriaal slechts ca. 20, zie neushoorns).

Andere konden nog slechts via ingrijpen door de dierentuinen in gevangenschap gered worden,
nl. Siberische tijger,
wisent (in 1922 waren er nog 56 over),
Arabische spiesbok,
Pater-Davidshert (in 1910 nog slechts 18),
przewalskipaard e.a.
en
vermoedelijk in de toekomst nog veel meer (orang-oetan, enz.).
Sterk bedreigde zoogdiersoorten zijn

__________________________________________________________________________________________________

REEDS UITGEROEID   

   http://extinctanimals.petermaas.nl/extinct/nl/index.html

Foto: Een iconische afbeelding van gedode Tasmaanse buidelwolf (Thylacinus cynocephalus) met de heer Weaver in een studioportret is veelvuldig gepubliceerd, maar de oorspronkeijke auteur is nooit vermeld. Mogelijk het gefotografeerd door Victor Albert Prout die kort in Tasmanië verbleef in de late jaren 60 van de 19e eeuw. Deze afbeelding is van Australische oorsprong en is nu in het publieke domein, omdat de auteursrechten (copyright) zijn vervallen

.

<video

________________________________________________________________________________________________

vingerdier,
berggorilla,
Sumatraanse en Javaanse neushoorns,
kouprey,
Mesopotamisch damhert,
dwergzwijn e.a.

Van bepaalde in het wild zeer bedreigde soorten als Indische antiloop en manenschaap zijn de populaties in dierentuinen (en elders) groter dan die in hun bakermat overgebleven zijn.

Giftig

De solenodon, die op de Dominicaanse Republiek en Haïti voorkomt, is behoorlijk giftig en kan eventuele lastposten met zijn gespecialiseerde tanden een venijnige beet toebrengen. Giftige zoogdieren zijn, in tegenstelling tot reptielen, eerder uizondering dan regel. De solenodon, het vogelbekdier en twee spitsmuissoorten zijn de enige giftige zoogdieren ter wereld.

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2010/06/17/solenodons-on-the-bbc/

Alle zoogdieren

Alle zoogdieren. Dat zijn om te beginnen de Eierleggende zoogdieren, de Buideldieren en de Placentale zoogdieren. Gewoonlijk bedoelen we de Placentale zoogdieren, de zoogdieren met een echte placenta, als we zoogdieren zeggen. De Eierleggende zoogdieren en de Buideldieren wonen ook zo ver weg.

De zoogdieren worden ingedeeld in Ordes, zoals de orde roofdieren (Carnivora). De traditionele morfologie onderscheidde 16-20 ordes, afhankelijk van wie de indeling maakte en wanneer. Moleculair zijn er 19 ordes te onderscheiden. Met x wachtenden voor u komt natuurlijk: wat is de overeenstemming tussen morfologische indeling en moleculaire indeling?

Eerst: er zijn 19 ordes placentale zoogdieren volgens de moleculaire indeling. Welke zijn dat? Hier volgt de lijst met beesten en namen. Biologie is vooral: wie, wat en waar, en dat wie is nogal een namenlijst. Alle plaatjes die ik uit artikelen licht staan vol namen: officiële in wat heet Latijn of Engelse – waarbij de Engelse namen vaak bastaard-latijn zijn. Maar ja, er valt moeilijk over indelen te praten als niet bekend is over wie het gaat. En de ordes van de zoogdieren zullen wel geen middelbare-schoolstof meer zijn …

Paleontologie
De eerste ZOOGDIEREN verschenen( in het fossielenbestand ) aan het eind van het TRIAS ruim 200 miljoen jaar geleden.
In uiterlijk en waarschijnlijk ook in levenswijze leken zij op de huidige spitsmuizen.

De eerste zoogdieren zijn vooral bekend van kleine kaken en kiesjes. Deze zijn gevonden in aardlagen uit het Boven Trias en zijn zo’n 220 miljoen jaar oud. Dat betekende dat de zoogdieren bijna tegelijkertijd met de dinosauriërs ontstonden.

De dinosauriërs zouden echter de daaropvolgende 160 miljoen jaar de dominante levensvorm op aarde zijn, terwijl de Mesozoïsche zoogdieren een obscuur bestaan leidden in de schaduw van de reuzenreptielen. Pas na het verdwijnen van de dinosauriërs, zo’n 65 miljoen jaar geleden, namen zoogdieren de rol van de belangrijkste gewervelde diergroep op het land over.( althans dat is een van de traditionele theorieen van voor het jaar 2000 —> zie verder de controverse over de placentale zoogdieren )

Als allereerste ( oudste ) fossiele voorouder van alle zoogdieren wordt tegenwoordig de fragmentaire kaak met tandjes van de Ambondro mahabo beschouwd

a  Malabo ME37c     field museum

 
Lower jaw fragment of monotreme mammal relative, magnified
Ambondro mahabo
Jurassic (206–144 million years ago)

Mahajanga Basin, Madagascar
Cast if UA10602This lower jaw belonged to an early relative of today’s monotremmemammals. Its lower molars have shelf-like ridges unique to this mammal group.
© The Field Museum.

Hoe onderscheiden we de eerste zoogdieren van hun voorouders, de zoogdierachtige reptielen?

Aan fossielen is niet af te lezen of ze hun jongen gezoogd hebben. We moeten dus naar andere kenmerken kijken.

Het oor en de tanden  Eén van de belangrijkste kenmerken van zoogdieren heeft te maken met de ontwikkeling van het oor. Daarin vinden we de gehoorbeentjes. Deze botjes zijn ontstaan uit botten die oorspronkelijk onderdeel waren van de onderkaak. Daardoor zit het kaakgewricht bij zoogdieren aan een ander bot vast dan bij reptielen. De vorm van de kaak is dus een bruikbaar kenmerk.

Een ander verschil tussen reptielen en zoogdieren is het gebit. Dat van zoogdieren is onderverdeeld in snijtanden, hoektanden, valse kiezen en ware kiezen.  Bij zoogdierachtige reptielen hebben alle gebitselementen nog dezelfde basisvorm. Bij de eerste zoogdieren zijn deze echter al duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Een ander gebitskenmerk heeft te maken met de tandwisseling. Zoogdieren wisselen maar één keer in hun leven, reptielen wisselen meermaals. Voor zover we kunnen nagaan hadden vrijwel alle zoogdieren in het MESOZOICUM al een éénmalige tandwisseling van snijtanden, hoektanden en valse kiezen.

Verschillende vormen

frontitious stamboom

Eén van de oudste zoogdiergroepen zijn de Haramiyidauit het Boven Trias van Europa.

  

File:Ptilodus skull BW.jpg

http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ptilodus_skull_BW.jpg    http://nl.wikipedia.org/wiki/Allotheria

Andere vormen

http://scienceblogs.com/pharyngula/2007/03/16/yanoconodon-a-transitional-fos/


a, Mammaliaform Morganucodon (medial view); a-1 and a-2 label schematic transverse sections at the levels of the malleus and the ectotympanic. In Morganucodon, the middle ear maintains both an anterior connection to the mandible via the Meckel’s cartilage, and a mediolateral contact to the mandible. b, Eutriconodont Yanoconodon (medial view, composite restoration of mandible and middle ear from NJU-P06001A and B). b-1 and b-2 label transverse sections at the levels of the malleus and the ectotympanic. The middle ear retains the anterior connection to the mandible via ossified Meckel’s cartilage (yellow), but is mediolaterally separated from the posterior part of the mandible because of the twist and curvature of Meckel’s cartilage (red arrows in b). c, the ectotympanic (blue), malleus (green) and incus (brown) of modernOrnithorhynchus: the shape and proportion of the ear bones are similar in Ornithorhynchus andYanoconodon. d, Eutriconodont Repenomamus: ossified Meckel’s cartilage connected anteriorly to the mandible (similar to Yanoconodon). e, Ossified Meckel’s cartilage of Repenomamus(ventral view, isolated). f, Ossified Meckel’s cartilage of Yanoconodon (ventral view, isolated, composite restoration of both the left and the right elements). g, Middle ear of Yanoconodon(composite restoration, ventral view): the ectotympanic and malleus are connected anteriorly to the mandible via ossified Meckel’s cartilage; but these are mediolaterally separated from the posterior part of mandible, facilitated by curvature of the Meckel’s cartilage (yellow). h, Middle ear bones of adult Ornithorhynchus (ventral view) and similarity to those of Yanoconodon. i, Embryonic Ornithorhynchus: the tympanic ring and the partially developed manubrium and goniale (‘prearticular’) of the malleus are anteriorly connected via Meckel’s cartilage to the mandible, but separated mediolaterally from the posterior region of mandible, facilitated by the curved cartilage (red arrow). Yanoconodon retains the embryonic pattern of Ornithorhynchusowing to the timing change of earlier ossification of Meckel’s cartilage, but otherwise its ectotympanic, malleus and incus are nearly the same as in adult Ornithorhynchus.

uit het Late Trias/Vroege JURA waren

Morganucodon,

Morganucodon. Dit proto-zoogdier was een ongespecialiseerde insecteneter, die vooral ‘s nacht geleefd heeft.

Vroeger dacht men dat alle zoogdieren uit het dino-tijdperk dit uiterlijk hadden. Nieuwe ontdekkingen hebben dit beeld op z’n kop gezet.

Morganucodon oehleri

http://scienceblogs.com/pharyngula/2007/03/16/yanoconodon-a-transitional-fos/

      

Megazostrodon en Kuehnotherium. Van deze diertjes zijn vrij veel skeletresten bekend. Van Megazostrodon is zelfs een vrijwel compleet skelet gevonden in Zuid-Afrika.

 

In al deze gevallen gaat het om kleine diertjes, met een lengte van zo’n tien centimeter.

De grote oogkassen van Morganucodon geven aan, dat dit diertje waarschijnlijk vooral ’s nachts actief was. Waarschijnlijk leken deze vormen in hun levenswijze sterk op de huidige spitsmuizen.

In de bouw van het skelet zijn vrij grote verschillen tussen de oudst bekende zoogdieren. Dit lijkt erop te duiden dat de verschillende groepen al enige tijd ieder hun eigen evolutie hebben doorlopen. Alhoewel de oudste vondsten van zoogdieren bekend zijn uit het Boven Trias, is het dan ook niet onwaarschijnlijk dat er al zoogdieren in het Midden Trias aanwezig waren.

Haar

Een typisch zoogdierkenmerk dat we nog niet hebben genoemd, is de aanwezigheid van haar. Ook haar wordt bijna nooit fossiel teruggevonden. Een aantal wetenschappers heeft echter haren van een multituberculaat teruggevonden in fossiele uitwerpselen uit het PALEOCEEN (60 miljoen jaar geleden) van China.

De Multituberculata waren een zeer succesvolle groep van Mesozoïsche zoogdieren, die zo’n 160 miljoen jaar geleden verscheen en pas ruim 50 miljoen jaar geleden uitstierf. Omdat zowel eierleggende zoogdieren, moderne zoogdieren als Multituberculata haar hadden, had waarschijnlijk de gemeenschappelijke voorouder van deze groepen ook al haar. Dat zou betekenen dat haar al vroeg in de evolutie van de zoogdieren is ontstaan en dat de vormen uit het Late Trias mogelijk al behaard waren.

De komst van de placentale zoogdieren

This fossil of Eomaia scansoria, preserved in shale, is about 125 million to 128 million years old. The fossil’s skull is crushed, but its teeth, tiny foot bones, cartilage and fur are visible. The dark area around the skeleton is carbonized fur. Scientists are excited about the size and detail of the fossil; prior to Eomaia, the earliest record of a placental mammal was represented by a few teeth about 115 million years old.Photo: Ji et al. Ms. for Nature

Oudste placentale zoogdier
(Volkskrant 27 april 2002 )

Amerikaanse en Chinese onderzoekers hebben in China een fossiel gevonden van een 125 miljoen jaar oud zoogdier.
http://www.carnegiemnh.org/news/02-mar-apr/042502eomaia.html
Het dier – ongeveer zo groot als een kleine rat – is zo goed bewaard dat nog duidelijk te zien is dat het een dikke vacht had.
Gezien de lange vingers en tenen, aldus de onderzoekers van het Carnegie Museum of Natural History, kon het zoogdier waarschijnlijk in bomen klimmen.

De vondst, die Eomaia scansoria werd gedoopt (wat zoveel betekent als klauterende dageraadmoeder), wordt door de vinders beschreven in het tijdschrift Nature van 25 april 2002.
De vondst is in elk geval de gaafste van deze ( tot dan toe ) oudst bekende vertegenwoordiger van de diergroep waartoe ook de mens behoort: zoogdieren met een placenta

http://nl.wikipedia.org/wiki/Eomaia
http://www.carnegiemnh.org/research/eomaia/
http://www.npr.org/programs/atc/features/2002/apr/mammals/

Mesozoic Australia
 CONTROVERSE OVER DE STAMBOOM DER PLACENTALE ZOOGDIEREN

EEN OVERZICHT VAN HET PROBLEEM

Het uitsterven van de dino’s was niet de (hoofdoorzaak) van de diversifikatie van de moderne placentale zoogdieren
I Het werk van Olaf R.P. Bininda-Emonds

Bronnen
http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/6503045.stm
http://sandwalk.blogspot.com/2007/03/evolution-of-mammals.html

Het uitsterven van de dinosaurussen 65 miljoen jaar geleden, had weinig effect op de verdere evolutie van de zoogdieren, volgens een
belangrijke studie in Nature uit 2007
http://www.nature.com/nature/journal/v446/n7135/pdf/nature05634.pdf

Eén theorie , verbond (tot dan toe )de verdere opkomst van de zoogdieren rechtstreeks met het verdwijnen van de dinosaurussen.
Deze theorie werd door de nieuwe studie ondermijnt en wel op grond van de meest complete zoogdierenstamboom die toen werd opgesteld en gepubliceert . (1)


Image: Dr Olaf Bininda-Emonds/Nature

Gebruik de ” zoom”functie op de rand van de cirkel (vergroting tot x 3200) om de details te zien van de afstammingslijnen van diverse zoogdieren….
De meeste geprogrammeerde computers kunnen dit document automatisch openen
Maar u hebt wel “Adobe Reader” nodig /Heb je die(nog) niet ? Download hier –>Adobe reader
http://get.adobe.com/nl/reader/


Op het stamboomdocument staan de huidige zoogdierfamilies aan de buitenrand van de schijf.
Hoe meer naar het midden, hoe langer geleden.

De de eerste afsplitsing in de zoogdierstamboom onstond -166 million (My) : de monotremen zoals het vogelbekdier en de echidna ( zwart ) takten afvan de rest van de zoogdieren .
Buideldieren zoals opposums, kangaroes en koala’s (oranje) scheiden zich af van de placentale zoogdieren ongeveer -148 My .
Binnen de placentale zoogdieren ( de andere kleuren ) , waren ALLE extante orden al aanwezig -75 MY.

( Een komplete lijst van de ingekalkuleerde soorten vindt je —> NCBI Taxonomy website [Eutheria].<klik)

De stippellijn geeft de komeetinslag aan waardoor 65 miljoen jaar geleden de dinosauriërs uitstierven.
De oorsprong van veel zoogdiersoorten zou daarvoor al hebben gelegen.
Deze middencirkel geeft aan dat veel orden al minstens -10 MY voor de KT lijn bestonden
Het is een van de hoofdconclusies van deze meta-analyse ; De belangrijkste diversificaties in orden greep bij de zoogdieren plaats voor het uitsterven der non-aviale dino’s
Dat zet de theorie dat de dino’s plaatsmaakten voor “zoogdieren ” op losse schroeven.



De volledige stamboom der zoogdieren
van Olaf R.P. Bininda-Emonds
Deze stamboom toont hoe de verschillende groepen, zoals primaten en knaagdieren, met elkaar verband staan dmv gemeenschappelijke afstamming en documenteerd ook het moment van hun uiteengaan (aftakking )
Een internationaal team stelde de zoogdier “superstamboom ” samen , op grond van bestaande fossiele gegevens en van vergelijkende genetische analyses.

Gedurende het Krijt beheersten de dinosauriers de Aarde, de zoogdieren waren toen relatief gering in aantal, en werden( volgens die oudere opvattingen ) verhinderd te diversifiëren en te evolueren in ecosystemen die gedomineerd werden door de oude heersende reptielen.

Explosieve ontwikkeling
Volgens de tot vrij recent gehuldigde meningen , veroorzaakte het uitsterven van de dinosauriërs het verwijderen van deze rem (2) op de zoogdierdiversificatie en kon deze diergroep gaan opbloeien in al zijn biodiverse mogelijkheden,wat meteen de modernere zoogdieren voorlopers op weg zette naar hun huidige machtspositie als nieuwe meesters /heersers van de Aardse biosfeer .

Volgens dit model , waarbij vrijgekomen niches onstonden en werden opgevuld , onstonden(3) en splitsten zich bijvoorbeeld de placentale zoogdieren in grote sub-groeperingen,die snel gediversifieerd raakten na de massa-extinctie der oude reptielen – waarvan altijd is gedacht dat deze primair was veroorzaakt door een vallende asteroïde of komeet 65 miljoen jaar geleden
(een scharnierpunt in de aardse geschiedenis dat duidelijk is geregistreerd in de gesteenten en bij geologen bekend als KT grens( 1).

Co-auteur van de paper Kate Jones, van de Zoological Society of London,
Het ‘ meteoor effect ‘ is van oudsher ingeschat als de oorzaak van de uiteindelijke dood der dinosauriers en tilde de opkomende zoogdieren over de drempel van het grote succes ”

Maar sommige zoogdierentakken profitereerden natuurlijk wél van de teloorgang van de dinosauriërs

Nadere details ;
Uit de ” superstamboom” blijkt echter dat de placentale zoogdieren, 93 miljoen jaar geleden , reeds opgesplitst waren in diverse orden en lang voor de benodigde “niche” ruimten beschikbaar waren op een moment dat de dinosaurussen nog regeerden op de planeet.
Na dit opsplitsen in orden – of bundels verschillende afzonderlijke stamlijnen – bleef de vertakkende zoogdieren- evolutie erg laag om tijdens het Eoceen, 55 miljoen jaar geleden , opnieuw op te starten .

Het begin van het Eoceen werd gekenmerkt door een snelle opwarming van de aarde en een ware explosie van de diversiteit van de zoogdier geslachten.(genera)

“De [superstamboom] is een nieuwe manier om alle zoogdiersoorten van deze planeet te rangschikken en te beginnen met gemeenschappelijke voorouders.
De (collaterale ) verwantschappen relaties kunnen worden afgeleid uit morfologische kenmerken en uit(geselecteerde ) genetische sequenties,”
verklaarde Dr Jones.
Indien we waren vertrokken van nul, dan hadden we de moleculaire en morfologische gegevens van de bekende +4000 verschillende soorten zoogdieren (4)moeten herinterpreteren en ontcijferen ….
….Wat we deden was de reeds gepubliceerde informatie uit honderden onderzoeken en de kennis van onderzoekers over de hele wereld, uitkammen
We gebruikten een nieuwe techniek genaamd “supertree construction ” die ons in staat stelt om alle informatie die er is , te hercoderen en te heranalyseren , zodat het allemaal deel kon gaan uitmaken van de dataset. “

‘Stroman theorie ‘
De samenstelling van gesteenten en mariene sedimenten onstaan en bewaard op de grens tussen het Palaeoceen en het Eoceen , toont aan dat de wereldwijde temperatuur steeg met ongeveer zes graden Celsius in minder dan 1000 jaar – een gebeurtenis die bekend staat als het ” thermisch maximum. “

Dr. Rob Asher, een deskundige in de zoogdieren fylogenie aan de Universiteit van Cambridge, zei:
“paleontologen weten al meer dan honderd jaar dat niet alle moderne placentale zoogdier- groepen verschijnen direct na de KT grens. De meeste placentale zoogdieren – en wat ik daarmee bedoel zijn (bijvoorbeeld) katten , vleermuizen , walvissen en mensen – verschijnen in het Eoceen.

Ook lang niet alle dinosaurussen verdwenen aan het eind van het Krijt….
Er was een periode van een paar miljoen jaar aan het einde van het krijt , die getuigen van verschillende extincties van niet-aviaire dinosauriërs(De vogels zijn de nog steeds levende succesvolle afstammelingen van de dino’s ).
Het oude” leerboek”- idee dat op de KT grens de dinosaurussen verdwenen en de (placentale )zoogdieren opbloeiden leek in paleontologische middens , vroeger al een beetje op een ‘stro-man theorie ‘ “

Maar het idee dat
zoogdier fossielen uit het Krijt ( van voor de kt lijn ) wel eens de ( reeds gediversifieerde ) voorouderlijke vormen vertegenwoordigden van de huidige zoogdieren was een controversiële kwestie…”
zei dr. Asher, nog

II
Maar natuurlijk stopte het andere onderzoek , de nieuwe theorie ontwikkeling en de ontdekking van nieuwe vondsten niet
in 2007

Zoals reeds vermeld profiteerden sommige zoogdieren-stamlijnen waarschijnlijk wél van de teloorgang van de dinosauriërs

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/35191332/
http://www.volkskrantblog.nl/bericht.php?id=191094
http://www.nrc.nl/wetenschap/article1809755.ece/Primitieve_mol_leefde_naast_dino

Paleontologen willen vooral weten wanneer de voorouder leefde, van wie de mens de placenta heeft geërfd.
John Wible van het Carnegie Museum of Natural History en zijn collega’s schetsen in Nature ,slechts een paar maanden na Olaf Bininda-Emonds , een nieuw beeld daarover.
Het eerste placentale zoogdier zou 65 miljoen jaar terug hebben geleefd.
In dat geval had hij weinig last van dinosaurussen.
Zo hadden placentadieren de vrijheid om snel te diversieren in nieuwe soorten .
(en uiteindelijk is het een heropleving van de traditionele” oude leerboeken-“hypothese , zoals hierboven reeds beschreven )
Deze conclusie is opmerkelijk, omdat in maart Olaf Bininda-Emonds van de Duitse Jena universiteit in hetzelfde blad iets heel anders schreef: Onze moederkoek-voorouders evolueerden geleidelijk en zouden al ruim honderd miljoen jaar oud zijn.
In dat geval leefden ze lang samen met de dinosaurussen

(OPMERKING dat is dus 35 miljoen jaar voor de uitsterving van de dinosauriers : de claim die in de populaire pers ( alweer veel te tendentieus , te vlug en volkomen ongenuanceerd )wordt gemaakt dat nu is bewezen dat de “placentale zoogdieren “kort na het verdwijnen der dinosauriers moeten zijn onstaan , is sensatiezoekerij van die pers , die het debat tussen creatie en evolutie allicht weer onnodig opstookt … Merk op dat de “berekeningen van Wible” ook niet steunen op een daadwerkelijk gevonden fossiel dat samenvalt met de ” uitkomst ” )

Wible “berekende” het tijdstip van onstaan van de placentale zoogdieren met uiterlijke(morfologische ) kenmerken (5) , Bininda-Emonds rekende met genen( onder meer: biologische klokken ? ) .

Gerekend moest er worden, want
er is nog geen fossiel opgegraven dat uitsluitsel geeft. : dwz
Een dateerbaar fossiel waaruit onderzoekers duidelijk kunnen opmaken of het de eerste placentasoort is

INCOMPLEET FOSSIEL-VERSLAG
Zowel het moleculaire als het fossiele bewijsmateriaal hebben hun tekortkomingen, zo schrijven Richard Cifelli van het Oklahoma Museum of Natural History en Cynthia Gordon van de universiteit van Oklahoma in een commentaar in Nature.


*
De moleculair biologen baseren zich op de veronderstelling dat DNA verandert in een meetbaar tempo, ( moleculaire klokken) wat betekent dat de mate van genetisch verschil in moderne dieren een maat is voor de ouderdom van hun gemeenschappelijke voorloper in de evolutie.
Echter de ijking van moleculaire klokken dient te geschieden aan de hand van fossiel materiaal van de afzonderlijk bestudeerde groepen
*
Het fossiele bewijsmateriaal is echter incompleet
en dat geldt natuurlijk überhaupt voor de vergelijkende morfologen en vergelijkende anatomen


zie verder ook nog
http://www.bertsgeschiedenissite.nl/geschiedenis%20aarde/eutheria.htm

DIE EEUWIGE BEVERS /12 januari 2008
Michiel van Nieuwstadt
http://www.nrc.nl/wetenschap/article1878942.ece/Die_eeuwige_bevers

De zoogdieren waren ooit grijze muisjes die pas na het uitsterven van de dinosauriërs tot bloei kwamen ?
Welnee! Zoogdieren waaierenden al veel eerder uit tot een grote diversiteit aan soorten.Deze welles-nietes kwestie is uitgegroeid tot een controverse onder paleontologen en evolutiebiologen. In een overzichtsartikel heeft Zhe-Xi Luo van het Carnegie Museum of Natural History nu een elegante oplossing voor het probleem gepresenteerd (Nature, 13 december). Het is allebei waar.

Ja,
zegt dus Zhe-Xi Luo: de zoogdieren waaierden na het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden, uit tot de indrukwekkende verscheidenheid die we nu kennen: van de eengrams hommelvleermuis tot honderdtonners als de blauwe vinvis. En ja,
zegt Zhe-Xi Luo,
de zoogdieren zijn ver voor het uitsterven van de dinosauriërs óók al eens in een soortenzwerm uitgewaaierd. Meerdere keren zelfs, maar deze ‘oer-zoogdieren’ stierven daarna weer bijna allemaal uit. De zoogdieren waren in het eerste tweederde deel van hun bestaan helemaal niet uitsluitend onooglijke nachtdiertjes die overdag in het struikgewas zaten te beven van angst voor de dinosauriërs.
“Evolutie in golven”, noemt Zhe-Xi Luo zijn visie .

Hij ruimt de controverse niet helemaal uit de weg.
Na het uitsterven van bijna alle oer-zoogdieren bloeiden de moderne zoogdieren vanaf 65 miljoen jaar geleden wel degelijk in zeer korte tijd op. En dat valt nog steeds niet te rijmen met de bevindingen van moleculair biologen.
Uit het erfelijk materiaal van bestaande moderne dieren maken zij op dat de voorouders van de huidige 4.500 zoogdiersoorten al honderd miljoen jaar geleden verdeeld waren over verschillende superorden.

Zhe-Xi Luo onderbouwt zijn combinatie-hypothese met een gedetailleerd overzicht van zoogdieren uit het Krijt (145,5 tot 65 miljoen jaar geleden) en het Jura (200 tot 145,5 miljoen jaar geleden).

In dat laatste tijdvak, een slordige honderd miljoen jaar voor het uitsterven van de dinosauriërs, bestonden er bijvoorbeeld al een soort ‘bevers’, zoogdieren die zich door het water voortbewogen met een platte staart vol schubben (Castorocauda). Er leefden ook dieren die lijken op de moderne watermol (Haldanodon), roofdierzoogdieren die jaagden op kleine gewervelde prooidieren (Sinoconodon), een zoogdier met de graafpoten en de typische glazuurloze tanden van een insecteneter (Fruitafossor) en een zwevende eekhoorn (Volaticotherium).
Moderne namen voor deze uitgestorven zoogdieren zijn niet helemaal op zijn plaats.
Het gaat in werkelijkheid om zeer verre verwanten van de dieren die we nu kunnen zien in dierentuinen of daarbuiten.
Ze hadden haren en zoogden hun jongen. En als zwever, graver of waterdier exploiteerden ze niches in ecosystemen die vandaag de dag door hun moderne collega’s worden ingenomen.

Ook in het Krijt, het geologische tijdvak dat aan het uitsterven van de dinosauriërs direct voorafging werden belangrijke ecologische niches door zoogdieren opgevuld. Zhe-Xi Luo noemt als voorbeeld onder andere Repenomamus, een roofdier dat is opgegraven met een kleine dinosauriër in zijn maag. Hij vergelijkt het dier met een wasbeer.

Hij erkent dat zoogdieren in het zogeheten Tijdperk van de Dinosauriërs (het Mesozoïcum, 251 tot 65 miljoen jaar geleden) waarschijnlijk minder voorkwamen dan dinosauriërs, maar legt de nadruk op hun diversiteit. Van de dinosauriërs zijn 547 verschillende geslachten bekend. Daar staan 310 geslachten van Mesozoïsche zoogdieren en zoogdierachtigen tegenover.

Verhelderend”, noemt paleontoloog Lars van den Hoek Ostende van het natuurhistorisch museum Naturalis de analyse van Zhe-Xi Luo.
Je houdt er de indruk aan over dat evolutie niet iets eenmaligs is, maar dat vergelijkbare typen dieren keer op keer kunnen ontstaan.”

In zijn boek ‘Het verhaal van onze voorouders’ (Nieuw Amsterdam, 2007) zet de Britse bioloog Richard Dawkins de verschillende scenario’s voor het uitwaaieren van de zoogdieren op een rij.

1.- Er is het bigbangmodel dat in zijn meest extreme vorm stelt dat één enkele zoogdiersoort het uitsterven van de dinosauriërs overleefde. Dit ‘muisje’ was de voorouder van alle levende zoogdiersoorten met een placenta.

2.- Er is het vertraagde-explosiemodel dat erkent dat de zoogdieren na het uitsterven van de dinosauriërs tot bloei kwamen, maar er ook vanuit gaat dat er ten tijde van het uitsterven van de dinosauriërs al allerlei afstammingslijnen waren van spitsmuisachtige soorten die misschien uiterlijk sterk op elkaar leken, maar elk een andere afstamming hadden.

3.- En dan is er( volgens de indeling van van Dawkins) nog het niet-explosieve model dat het uitsterven van de dinosauriërs helemaal niet ziet als een scherpe breuk in de evolutie van de zoogdieren. De zoogdieren waren al redelijk divers voor het uitsterven van de dinosauriërs en zijn de voorouders van de zoogdieren die wij vandaag de dag kennen.

4.- In het overzichtsartikel in Nature legt Zhe-Xi Luo naast deze mogelijkheden dus een vierde scenario waarin de zoogdieren en de zoogdierachtigen die eraan vooraf gingen keer op keer evolueerden en uitstierven.
In principe zou dat model kunnen aansluiten op Dawkins tweede scenario waarin slechts één muisachtig zoogdiertje het uitsterven van de dinosauriërs overleefde.( een bottle neck event dus )
In een toelichting bevestigt Zhe-Xi Luo dat hij inderdaad een aanhanger is van dit model:
De diversificatie aan het begin van het Tertiair [vanaf 65 miljoen jaar geleden] is een geheel nieuwe cyclus in de evolutie van de zoogdieren.”

Het probleem is dat dit scenario niet strookt met de bevindingen van moleculair biologen. Een groot team van paleontologen en biologen onder leiding van Olaf Bininda-Edmonds van de Technische Universiteit van München publiceerde de bovenvermelde evolutionaire stamboom op basis van vergelijkingen van het erfelijk materiaal van levende zoogdieren.
Uitgangspunt is dat het tempo waarin het dna verandert zo constant is dat het gebruikt kan worden als een moleculaire klok.
Het moment waarop twee soorten uit elkaar moeten zijn gegaan is te bepalen door het aantal mutaties in het erfelijk materiaal te tellen.
De moleculair biologen concluderen dat grote categorieën in het Rijk van de zoogdieren, de zogeheten superorden, zeer ver terug gaan in de tijd. Zo zouden al circa 100 miljoen jaar geleden de Afrotheria (van olifanten tot klipdassen) zijn afgesplitst van de Euarchontoglires (primaten en knaagdieren), Laurasiatheria (hoefdieren, walvissen, carnivoren, egels en vleermuizen) en Xenartha (gordeldieren, miereneters, luiaards). Deze datering is des te interessanter, omdat zij aardig lijkt samen te vallen valt met het uiteenvallen van continenten.

De Xenartha zijn allemaal afkomstig van Zuid-Amerika en de Afrotheria ontstonden in Afrika. Een afsplitsing tussen deze twee takken op zo’n honderd miljoen jaar geleden valt grofweg samen met het moment waarop Zuid-Amerika en Afrika zijn losgekomen uit het moedercontinent Gondwana. Voor Laurazië, het continent waar de Laurasiathera naar zijn vernoemd, vallen de continentale verschuivingen minder mooi op zijn plaats.

De cruciale zwakte van het model van Bininda-Edmonds is dat er geen fossielen bestaan van de oer-ouders van moderne zoogdieren.
“Het is absoluut waar”, erkent hij desgevraagd, “dat er geen fossiel bewijs is voor de grote ouderdom van de vertakkingen in de zoogdierstamboom die worden gevonden in moleculaire studies”.

Dat zou te verklaren zijn kunnen zijn als de ‘muisachtige’ verre voorlopers van de zoogdieren genetisch van elkaar gingen verschillen, zonder dat ze uiterlijk veranderden of zich specialiseerden in een nieuwe leefomgeving. Is dat niet een onwaarschijnlijk scenario?
“Ten dele wel”, erkent Bininda-Edmonds.
“Maar het moderne dierenrijk laat zien dat ogenschijnlijk niet gespecialiseerde diersoorten wel degelijk lange tijd kunnen blijven bestaan. Insectivoren zijn op grond van uiterlijke eigenschappen ook vaak moeilijk te onderscheiden. Voor knaagdieren geldt dat ook.”

Bininda-Edmonds gelooft dat genetische veranderingen niet automatisch hoeven te leiden tot grote veranderingen in het uiterlijk of de leefomgeving van soorten.
“De vinken op de Galapagos Eilanden die zo belangrijk zijn in de evolutietheorie van Darwin lijken ook sterk op elkaar – afgezien van de vorm van de bek. Maar deze betrekkelijk kleine verschillen betekenen toch dat deze soorten verschillende voedselbronnen kunnen gebruiken zoals insecten of zaden. Dergelijke verschillen zouden we in fossielen waarschijnlijk niet terugvinden.”

Toch plaatst Bininda-Edmonds zelf ook een kanttekening bij zijn eigen instrument: de moleculaire klok.
“Om die klok te kalibreren hebben we fossielen nodig. Uit de tijd na het uitsterven van de dinosauriërs zijn die ruim voorhanden, maar ze ontbreken nu juist in het Krijt. Dat betekent dat onze moleculaire data extrapolaties zijn waarbij we ervan uitgaan dat de moleculaire klok in grofweg het zelfde tempo doortikt. We kunnen niet uitsluiten dat de moleculaire klok na het Krijt plotseling explosief sneller is gaan tikken.”

De zoogdierstamboom die Zhe-Xi Luo heeft opgesteld is er een waarin veel takken vroegtijdig zijn afgeknot. Het zijn korte perioden, waarin soorten zich in hun eigen tijd met succes aanpasten aan hun tijd en omstandigheden. Daarna stierven ze uit. Voor Zhe-Xi Luo staat het buiten kijf dat de oer-bever, oer-watermol, oer-vliegende vleermuis en de oer-miereneter geen directe verwanten hebben nagelaten.

Bininda-Edmonds wijst erop dat niet alle paleontologen het daar over eens zijn. “Het fossiele bewijsmateriaal is uiterst fragmentarisch. Neem nu Ambondro mahabo. (zie hierboven )
Dat fossiel is ontdekt op Madagaskar en wordt beschouwd als de stamvader van alle zoogdieren,(6) maar die analyse is gebaseerd op drie tanden in een onderkaak!”

Maar in feite gaat de controverse toch voornamelijk over de stamvader van de PLACENTALE zoogdieren :(zie hierboven het artikel over de voorvader van de placentale zoogdieren Eomaia scansoria )

Voor paleontoloog en tandenspecialist Lars van den Hoek Ostende van Naturalis is de analyse van Zhe-Xi Luo wèl geheel overtuigend. Uit de kaken en tanden van de grote oer-zoogdieren uit het Krijt en Jura is volgens hem volstrekt duidelijk dat het hier gaat om zoogdieren die niet nauw verwant zijn aan moderne zoogdieren.

Moderne zoogdieren, van de mens tot het vogelbekdier, hebben zogeheten tribosphene kiezen.
“Het is het perfecte gebit”, zegt Van den Hoek Ostende.
Deze kiezen hebben elk drie knobbels die vanuit de boven- en onderkaak perfect op elkaar aansluiten. Het bijzondere aan deze kiezen is dat je er zowel mee kunt malen als snijden. Het is dé manier om bijvoorbeeld het chitinepantser van een kever kapot te krijgen.”

Bininda-Edmonds merkt op dat parallelle evolutie paleontologen in de war kan sturen. Dit houdt in dat uiterlijke gelijkenissen tussen zoogdieren kunnen ontstaan, zonder dat ze verwant zijn.( De visvorm van de dolfijn is een bekend voorbeeld. )
Zhe-Xi Luo geeft in zijn review twee pregnante voorbeelden van parallelle evolutie.

Een daarvan is de verandering van delen van de onderkaak (bij reptielen) in botjes van het middenoor (bij zoogdieren). De onderkaak van reptielen bestaat uit meerdere stukken, die van het zoogdier uit een stuk. Twee beenderen die bij het reptiel tot de kaak behoren hebben bij zoogdieren een heel nieuwe functie gekregen: ze brengen in het middenoor geluid over van de gehoorgang naar het binnenoor. Zoogdieren danken hun scherpe gehoor mede aan deze innovatie.

Deze verandering is een schoolvoorbeeld van evolutie, omdat zij in zoogdierachtige reptielen in allerlei tussenvormen herkenbaar is.

Maar Zhe-Xi Luo concludeert dat de verandering van stukjes kaak naar stukjes middenoor bij reptielachtige zoogdieren niet een keer, maar meermalen in gang gezet.
Dan heb je het wel over hét basale kenmerk van zoogdieren”, zegt Van den Hoek Ostende.
Dat zet je wel aan het denken.”

Ook de uitzonderlijke tribosphene kiezen zijn in de loop van de evolutie twee en misschien wel drie keer ontstaan. De meeste paleontologen gaan ervan uit dat verwanten van het tandeloze vogelbekdier deze kiezen die kunnen knippen en snijden onafhankelijk van de andere zoogdieren ontwikkelden. Als dit soort fundamentele kenmerken meermalen kunnen ontstaan, dan neemt daarmee ook de zekerheid over de classificatie van de oer-zoogdieren af. De dwarsverbanden kunnen stambomen aardig in de war sturen.

Zo kampen moleculair biologen en paleontologen elk met hun eigen onzekerheden. Feit blijft dat allebei de kampen komen tot redelijke en consistente hypotheses die totaal met elkaar in tegenspraak zijn. Is er enige kans dat ze het binnen afzienbare tijd eens zullen worden?
Uiteindelijk komt de bewijslast terecht bij de paleontologen”, denkt Bininda-Edmonds.
Niet omdat ze ongelijk hebben, maar omdat zij de beste kans hebben om hun hypothese te onderbouwen of te verwerpen aan de hand van nieuw bewijsmateriaal.”

De ontdekking van een giraffe of een tijger uit het Krijt zou het pleit in een klap beslechten in het voordeel van de moleculair biologen. Een onmiskenbare stamouder van één van de superorden natuurlijk ook.

Bininda-Edmonds heeft hoop. Antarctica is nog steeds een witte vlek als het gaat om fossielen uit het Krijt, meldt hij hoopvol. “Als we in het Krijt ook maar een vroege voorouder ontdekken van de moderne zoogdieren, dan wordt het explosiemodel van de paleontologen zelf een fossiel. Als we zo’n fossiel daarentegen niet ontdekken binnen een jaar of tien, dan ontstaat een andere situatie. Dan moeten we onze moleculaire analyses misschien herzien.”


Noten en APPENDIX

(1) Krijt-Tertiair scheiding
zie ook
http://news.bbc.co.uk/2/hi/uk_news/education/2997404.stm

(2)
De zoogdieren waren dan ook ( volgens die oudere opvattingen ) min of meer “geterroriseerde ” onderkruipsels die eigenlijk klein van formaat moesten blijven en in het verborgene moesten verder leven …een soort moeilijk uit te roeien “ongedierte “( = zoiets als de huidige ratten voor de heersende mens ) , dat niet te sterk de aandacht trok ( of aan de aandacht ontsnapte ) van de grote vleesetende dino’s

Het feit dat men (kleine)zoogdier fossielen ( eierdieven en nestrovers ? ) heeft gevonden die daadwerkelijk jonge (en misschien kleine dino’s )bejaagden/verorberden is een van de eerste vondsten die deze opvattingen enigermate deden betwijfelen

OVER   Mesozoïsche zoogdieren = ZOOGDIEREN ONDER DE DINO HEERSCHAPPIJ  ?

Phylogenetic relationships of major Mesozoic mammalian groups, including Volaticotherium antiquus.  

The cladogram (tree length = 1,520; consistency index (CI) = 0.408; retention index (RI) = 0.609) is the strict consensus of 72 equally most parsimonious trees (tree length =1,354; CI = 0.458; RI = 0.749) obtained from 1,000 replications of random heuristic searches using PAUP 4.0b10 (Mac version)43 with a parsimony principle assumed and all characters unordered. The data matrix consists of 58 taxa and 435 characters (see Supplementary Information); it was constructed using Mesquite (v. 1.06)44 (http://mesquiteproject.org) and converted into the final data matrix using MacClade 4.08 for Mac OS X45.

Figures & Tables index

Verscheidenheid
De laatste vijftien jaar is een gouden tijd voor de paleontologie geweest. Het is in deze jaren dat onweerlegbaar bewijs is gevonden voor een grote verscheidenheid aan gevederde dinosauriërs. Het is een minder bekend feit dat ook voor onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren de laatste vijftien jaar een revolutie zijn geweest. Het blijkt dat zoogdieren een veel grotere rol hebben gespeeld in de ecosystemen van die tijd, dan ooit voor mogelijk is gehouden.

Klein
Tot eind jaren ’90 was onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren bijzonder fragmentarisch. Dat komt doordat de zoogdieren uit die tijd vooral klein van stuk waren, waardoor ze lastig konden fossiliseren. Meestal zijn alleen de tanden teruggevonden, en die kunnen paleontologen niet veel vertellen over het uiterlijk en de levensstijl van de oorspronkelijke eigenaar ervan.

China
Toen kwam er een revolutie op gang. Er werden op verschillende plaatsen in de wereld, maar vooral in China, ongerepte steenlagen vol fossielen aangetroffen. De steenlagen in kwestie bleken bijzondere eigenschappen te hebben, waardoor fossilisering bijzonder effectief kon plaatsvinden. Hierdoor zijn vele markante details bewaard gebleven, details die in de meeste andere steenlagen niet bewaard zijn gebleven. Tot deze details behoren de fijne afdrukken van veren, die bij vele dinosauriërs zijn gevonden. Hetzelfde geldt voor zoogdieren: in plaats van alleen tanden, werd een enorme schat aan vrijwel complete skeletten teruggevonden, vaak met haar en al. Hierdoor is onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren enorm toegenomen.

Vooroordeel
Wat hebben de nieuwe fossielen ons verteld? Wel, er schuilt nog steeds een bepaalde waarheid in het “kleine insecteneters”-vooroordeel. Veel ecologische niches die nu door zoogdieren zijn opgevuld, werden toen door dinosauriërs bezet. Toch blijkt dat sommige zoogdieren in de tijd vrij groot konden worden, en een grote verscheidenheid aan levensstijlen gehad hebben.

Laten we een aantal van deze opmerkelijke zoogdieren aan u voorstellen.

Multituberculaten

15 maart 2012  1

De langst levende zoogdiergroep multituberculata concurreerde met de dinosaurus door middel van complexe tanden, zo blijkt.

De multituberculaten leefden van het Jura tot het Vroeg-Oligoceen en waren tijdens het Krijt één van de meest succesvolle zoogdierorde..

Een nieuw onderzoek van de University of Washington toont aan dat deze zoogdieren zo succesvol waren vanwege de knobbels op hun kiezen. Hierdoor waren zij in staat om zich grotendeels te voeden met angiospermen, een belangrijke groep landplanten die gekenmerkt worden door bloemen.

Zoogdier-tanden

Tanden
De wetenschappers onderzochten de tanden van 41 multituberculaten fossielen. Door middel van laser- en computertomografie waren zij in staat om 3D-plaatjes in hoge resolutie te creëren. Met geografische informatiesoftware analyseerde het team de vorm van de tanden. De meest complexe tanden lieten vele knobbels en topjes zien.

De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de complexiteit van een gebit veel kan vertellen over het voedseldieet. Bij de multituberculaten zaten de scherpe mesachtige tanden aan de voorkant van de mond, maar het team kwam erachter dat deze tanden in de loop der tijd steeds minder belangrijk werden. De kiezen werden juist steeds complexer en kregen tot wel 348 knobbels per tandenrij, ideaal voor het eten van plantenmateriaal.

Multituberculata
Ongeveer 170 miljoen jaar geleden waren de multituberculaten net zo groot als een muis. Toen de angiospermen zo’n 140 miljoen jaar geleden verschenen, groeide het lichaam van het dier tot de grootte van een bever. Het aantal angiospermen bleeft groeien wat volgens de onderzoekers tot gevolg had dat ook de populatie van insecten groeiden.

Na de uitsterving van de dinosauriërs, bleven de dieren floreren. Totdat zij 34 miljoen jaar geleden uitstierven als gevolg van de opkomst van andere zoogdieren zoals hoef- en knaagdieren.

De multituberculata waren in staat om de overgang van het Krijt naar het Tertiair te overleven onder meer  door middel van hun steeds complexere tanden dat zich bleef aanpassen  aan hun  verderr evoluerend  bloemplantenvoedsel .

Multi_Tooth_3

http://eoswetenschap.eu/artikel/sommige-zoogdieren-hadden-al-succes-dinotijd


Deze bijzonder soortenrijke groep zoogdieren was erg succesvol in het Mesozoïcum. Het waren geen insectenetende bodembewoners, maar plantenetende bomenklimmers.

Multituberculaten hebben een aantal bijzondere aanpassingen aan hun levensstijl. De meest opmerkelijke hiervan waren hun tanden, en dan met name hun voortanden. Die waren bijzonder groot en gespecialiseerd en werden door een tandloos “gat” gescheiden van de rest van het gebit.

Dit is een configuratie die we ook bij een moderne groep zoogdieren zien: de knaagdieren. Vandaar dat multituberculaten wel de “knaagdieren van het Mesozoïcum” worden genoemd.

Ze waren bijzonder succesvol: er zijn vele soorten bekend, en niet alleen uit het dinotijdperk. Multituberculaten hebben namelijk de Krijt-Paleogeen Extinctie overleeft, de massale uitsterving dat het einde van de dinosauriërs inluidde. Multituberculaten stierven pas zo’n 35 miljoen jaar geleden uit, vermoedelijk door concurrentie met de ‘echte’ knaagdieren.

Waar worden de multituberculaten geplaatst in de stamboom van de zoogdieren?

Wel, ze worden niet geacht verwant te zijn aan welke moderne groep zoogdieren dan ook. Ze vormen een oeroude en unieke afsplitsing van de vroege zoogdieren. Als er al ‘moderne verwanten’ bestaan, dan zijn dat de monotrematen (vogelbekdier en mierenegels) – de verwantschap is echter zeer ver. Toch vertonen multituberculaten en monotrematen één belangrijke overeenkomst: ze planten zich voort door eieren te leggen.

http://www.kennislink.nl/publicaties/van-david-naar-goliath-tussen-de-dinos

Taeniog

Gregory Wilson met een schedel van de multi Taeniolabis.

Zwaarder

Het bleek namelijk dat op het einde van de Krijt periodekiezen behoorlijk complexer werden. Tegelijktijd nam het aantal geslachten multituberculaten sterk toe, tot meer dan twintig.

Bovendien werden deze beestjes ook aantoonbaar zwaarder: van gemiddeld 9 tot 105 gram aan het einde van de Jura en begin van het Krijt, tot 67 tot 194 gram aan het einde van het Krijt. Er waren zelfs enkele uitschieters naar 5,25 kg daarbij, zoals met de soort Bubodens magnus.Qua gewicht van een muis naar een kat dus. Of van David naar Goliath in meer spreekwoordelijke termen.

Zoogdieren konden dus wel groeien in het dinotijdperk, maar met 5 kg waren ze natuurlijk nog steeds niet vergelijkbaar qua grootte met de grootste dino’s. Desondanks nam het aantal geslachten (en dus soorten) flink toe, terwijl ook de biodiversiteit van dino’s maximaal was. De hamvraag is nu hoe dat mogelijk was.

Fig_2

De tanden werden complexer (linksboven), het aantal geslachten multi’s nam toe (linksonder) en ook de grootte van de beestjes steeg op het einde van het Krijt rond 80 miljoen jaar geleden (rechtsboven). Tegelijkertijd nam het aantal bloemplanten ook toe (rechtsonder)… Nature

‘De studie bevestigt de groeiende consensus onder wetenschappers dat het evolutionaire verhaal van zoogdieren complexer en minder straight forward is dan we 20 jaar geleden dachten’, zegt paleontoloog Pieter Missiaen van de Universiteit Gent, die ook onderzoek doet naar de eerste zoogdiersoorten. ‘Sinds een tiental jaar kennen we ook een paar grotere zoogdieren uit de dinoperiode – de recordhouder(reponamus)  is zo groot als een vos – en ook gespecialiseerdere vormen, die bijvoorbeeld konden zweven zoals een vliegende” eekhoorn” .’ (rvb)

Fossiel van succesvolste groep zoogdieren geanalyseerd

Eos artikel | 16 augustus, 2013 –

Rugosodon eurasiaticus

Een 160 miljoen jaar oud fossiel helpt te begrijpen hoe de zogenoemde multituberculata, de meest succesvolle – maar intussen alweer uitgestorven – groep zoogdieren ooit, de wereld veroverden. Chinese en Amerikaanse wetenschappers stellen hun vondst voor in het vakblad Science.

Het diertje, zo’n 17 centimeter lang en 80 gram zwaar, werd Rugosodon eurasiaticus gedoopt. Het lijkt op een grote rat of eekhoorn en geldt als de oudste voorouder van de multituberculata, een groep zoogdieren genoemd naar het grote aantal knobbeltjes (tuberculata) op hun kiezen.

De dieren kenden hun grootste succes tijdens het krijt, de geologische periode van 145 tot 66 miljoen jaar geleden. Net als de knaagdieren vandaag, leefden ze in uiteenlopende milieus, zowel onder en op de grond als in bomen.

Bij R. eurasiaticus komen al aanpassingen voor die voor zijn later levende verwanten cruciaal zijn gebleken. Zo beschikt het diertje over erg flexibele enkelgewrichten, die vooral voordelig zijn voor boombewoners en dieren die veel springen. Daarnaast blijkt het gebit van R. eurasiaticus geschikt voor het vermalen van planten

. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat de multituberculata aanvankelijk vooral vlees aten, maar in de loop van hun evolutie op een hoofdzakelijk plantaardig dieet overschakelden.

De multituberculata zongen het meer dan 100 miljoen jaar uit, voor ze werden weggeconcurreerd door meer moderne knaagdieren. (ddc)

 

 

  1. Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.  <—klik voor vergroting
  2. Figure 4  ::Relationship of Arboroharamiya and geological distributions of major groups of Mesozoic mammals and their relatives.

°

Castorocauda

Dit is misschien wel het meest opmerkelijke zoogdier uit het Mesozoïcum. Castorocauda was een hoogst gespecialiseerd, semi-aquatische bewoner van de rivieren en meren uit zijn tijd. Het beest vertoont grote overeenkomsten met vogelbekdieren, otters en bevers – maar heeft deze eigenschappen geheel onafhankelijk ontwikkeld. Dit is een proces dat convergentie wordt genoemd.

De volledige naam van dit beest luidt Castorocauda lutrasimilis, en is afkomstig van het Latijnse castor (-bever), cauda (-staart), lutra (-otter) en similis (-lijkend op). De staart was breed en bedekt met schubben, ongeveer zoals die van een moderne bever. De fossielen laten ook het bewijs voor zwemvliezen zien. Hieruit blijkt dat Castorocauda een bijzonder goede zwemmer moet zijn geweest. De voorpoten van het beest vertonen daarnaast aanpassingen om te graven. In dit opzicht lijken de ledematen op die van het vogelbekdier, dat ook zwemt en graaft.

In tegenstelling tot bevers was Castorocauda een roofdier. De tanden laten duidelijke aanpassingen zien aan een dieet van vis. Dat betekent dat Castorocauda dus een piscivoor (viseter) is geweest. De tanden vertonen overeenkomsten met verschillende groepen moderne zoogdieren, maar vooral met zeehonden.

Castorocauda is aan geen enkele moderne groep zoogdieren verwant. Sterker nog: technisch gezien was het niet eens een honderd procent zoogdier. Castorocauda behoorde namelijk tot de Docodonta, een groep proto-zoogdieren die desondanks bijzonder zoogdierachtig zijn.

Qua uiterlijk zijn ze niet van zoogdieren te onderscheiden, maar van binnen waren ze nog deels reptiel. Vooral het skelet vertoonde kenmerken die bijzonder afwijkend zijn ten opzichte van dat van ‘echte’ zoogdieren.

Fruitafossor

Van dit opmerkelijke zoogdier zijn vrijwel complete skeletten teruggevonden. Het beest was zo groot als een grondeekhoorn en leefde in het Jura, zeg maar halverwege het Mesozoïcum. Het skelet en gebit van Fruitafossor hebben verschillende eigenschappen die bijzonder doen denken aan gordeldieren en aardvarkens. Hieruit kan worden afgeleid dat de Fruitafossor gespecialiseerd was in het eten van koloniale insecten, waarschijnlijk termieten (mieren bestonden toen nog niet). Dat is een bijzondere specialisatie, zeker voor een zoogdier uit het Mesozoïcum.

De Fruitafossor wordt soms wel ‘Popeye’ genoemd, vanwege zijn buitenproportioneel sterke voorpoten. Dit is een duidelijke aanwijzing voor een gravende levensstijl. Hieruit kunnen twee conclusies getrokken worden: ten eerste was Fruitafossor waarschijnlijk een holengraver. Ten tweede kwamen de voorpoten ook goed van pas bij zijn dieet: ze zijn namelijk uitstekend geschikt om termietennesten mee open te breken.

Fruitafossor was aan geen enkele groep moderne zoogdieren verwant. Net zoals veel Mesozoïsche zoogdieren legde hij waarschijnlijk eieren. Wel laat Fruitafossor bepaalde skeletkenmerken zien die doen verraden dat hij behoorde tot een groep zoogdieren waar uiteindelijk de Theria uit ontstaan zijn: de zoogdieren die levende jongen baren. Waar Fruitafossor precies thuishoort in deze stamboom is lastig te achterhalen.

Volaticotherium

Dit Mesozoïsche zoogdier laat heel bijzondere aanpassingen zien: het was namelijk een zweefvlieger. Tussen de ledematen waren membranen bevestigd, waardoor Volaticotherium van boom tot boom kon zweven. Soortgelijke aanpassingen zien we bij moderne vliegende eekhoorns.

De tanden van het beest waren bijzonder aangepast aan het eten van insecten, en zijn ledematen waren aangepast aan het leven in bomen.

De fossielen van Volaticotherium zijn bijzonder compleet. Zo hebben paleontologen kunnen vaststellen dat het zweefmembraan van Volaticotherium bedekt moet zijn geweest met een dikke vacht, en ondersteund werd door zowel de ledematen als de staart. De ontdekking van Volaticotherium levert het vroegste bewijs van een zwevend zoogdier en is zo’n 70 miljoen jaar ouder dan het één-na-oudste voorbeeld. Hiermee is het volgende bewijs geleverd dat zoogdieren in het Mesozoïcum een veel grotere variatie vertoond hebben dan voor mogelijk is gehouden.

Het zal niemand verbazen dat ook Volaticotherium niet verwant was aan moderne zoogdieren en dat zijn exacte positie niet bepaald kan worden. Mogelijk is er een (verre) verwantschap met de multituberculaten. De voorplanting van het beest geschiedde naar alle waarschijnlijkheid door middel van eieren.

Zoogdier zweefde eerder dan vogels

Zoogdieren blijken al vroeg het luchtruim te hebben gekozen. Al 125 miljoen jaar geleden blijkt een op een vliegende eekhoorn lijkend zoogdier dankzij een soort zweefhuid al te kunnen hebben gezweefd. Dit was mogelijk gelijktijdig met de eerste zwevende vogels, maar waarschijnlijk zelfs eerder. Het fossiele dier, dat niet alleen een nieuwe familie maar zelfs een nieuwe orde vertegenwoordigt, en dat Volaticotherium antiquus is gedoopt, is overigens niet verwant aan de vliegende eekhoorn, en heeft zelfs geen recente nazaten (de oudst tot nu toe bekende zwevende zoogdieren waren knaagdieren, die minstens 70 miljoen jaar na Volaticotherium leefden). Het dier kan niet echt hebben gevlogen en mag dus niet worden beschouwd als een vliegend zoogdier. De enige groep van zoogdieren die kunnen vliegen, de vleermuizen, zijn pas zo’n 51 miljoen jaar geleden – en via een heel andere weg – ontstaan (maar mogelijk hadden ze wel al zweefvluchten makende voorouders).
Paleontologen hebben de fossiele restanten van Volaticotherium ontdekt in Oost-Mongoli챘. Het fossiel vertoont de duidelijke afdrukken van een groot, met haren bedekt, stuk huid tussen de voor- en achterpoten. Dit stuk huid kan geen denkbaar andere functie hebben gehad dan dienst als vlieghuid. Het dier bezat – zoals uit de bewaard gebleven wervels kan worden afgeleid – ook een lange staart; die kan goed hebben gediend als een soort roer bij het zweven. Het woog waarschijnlijk 400-500 gram, en had een dieet van kleine insecten (zoals blijkt uit zijn scherpe tanden van verschillende vorm). Die jaagde hij waarschijnlijk na in boomtoppen, want de karakteristieken van de voorpoten, zijn vingers en zijn nagels geven aan dat het een klimmer was. Het maken van een glijvlucht stelde hem in staat om – zonder een gevaarlijke omweg over de grond – z’n kostje van boom tot boom bij elkaar te scharrelen. Uiteraard kan hij zijn glijdvermogen ook hebben aangewend om te ontkomen aan dieren die het op hem hadden gemunt. Dat was een uitstekende strategie, want hij had – voor zover bekend – geen tijdgenoten die ook konden zweven.


Referenties:
  • Meng, J., Hu, Y., Wang, Y., Wang, X. & Li, C., 2006. A Mesozoic gliding mammal from northeastern China. Nature 444, p. 889-893.

http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=764

http://www.nature.com/nature/journal/v444/n7121/fig_tab/nature05234_ft.html

Nieuw fossiel: zoogdieren vlogen al vroeg

764a

\N (Chuang Zhao en Lida Xing)

\N (Jin Meng)

december 2006
Amerikaanse onderzoekers hebben een fossiel ontdekt van een nieuw soort prehistorisch zoogdier.
Het 125 miljoen jaar oude Chinese fossiel is volgens hen afkomstig van een vleermuis- of eekhoornachtig beest, dat waarschijnlijk in staat was tot  zweefvliegen.
Ze hebben het fossiel de naam Volaticotherium antiquus gegeven, wat zoveel betekent als ‘zwevend beestje uit de oertijd’.
Uit analyse van het fossiel blijkt volgens de onderzoekers dat zoogdieren veel eerder dan gedacht in staat kunnen zijn geweest tot (zweef)vliegen.  Het is zelfs mogelijk dat ze eerder het luchtruim kozen dan de voorouders van de huidige vogels, de Archosauria.
In het fossiel is het skelet van het dier te zien, evenals een grote huidplooi die zich uitstrekt tussen de voor- en achterpoten.
De huidplooi fungeerde volgens de onderzoekers als een aerodynamisch vlak waardoor het dier horizontale vluchten kon maken, net als bijvoorbeeld  hedendaagse vliegende eekhoorns en buideldieren.
Het gesteente waarin het fossiel is gevonden is minstens 125 miljoen jaar oud en bevindt zich in het oosten van Mongolië.
Tot nu toe werd gedacht dat zoogdieren pas zo’n 70 miljoen jaar geleden voor het eerst konden zweefvliegen.
Het nieuw ontdekte diertje leefde in het Mesozoïsche tijdperk, dat strekt van 251 miljoen jaar geleden tot 65 miljoen jaar geleden.
Het team van paleontoloog Jin Meng van het American Museum of Natural History vergeleek de evolutie van andere zoogdieren uit het tijdperk met de kenmerken van V. antiquus .
Uit de resultaten, gepubliceerd in Nature, bleek vervolgens dat het om een geheel nieuwe soort ging.
Het is volgens de onderzoekers zelf de belangrijkste vondst sinds Richard Owen’s herziening van Mesozoïsche zoogdieren in 1871
Reconstructie van de kop van Volaticotherium door Lida Xing
764c

nature05234-f1.2

nature05234-f1.2.

http://www.nature.com/nature/journal/v444/n7121/fig_tab/nature05234_ft.html

a, b, The specimen of V. antiquus (a) and its X-radiographic image (b; holotype, IVPP V14739). c, Line drawing illustrating major skeletal elements in a and b. ca1, 5, 10, 13, 15, 18 are the 1st, 5th, 10th, 13th, 15th and 18th preserved caudal vertebrate, respectively; lf, left fibula; lfm, left femur; lh, left humerus; llj, left lower jaw; lr, left radius; lt, left tibia; lu, left ulna; mc, metacarpals; mt, metatarsals; rf, right fibula; rfm, right femur; rh, right humerus; rs, rostrum of the skull; rt, right tibia; sc, scapula; tp, terminal phalange; tv, thoracic vertebrae. a–c are the same scale. d, Reconstructed skull and lower jaws of V. antiquus.

Figures & Tables index

i-3f85f1900c42cd0c435d5296c54f26d0-volaticotherium_skull

One( surprise )  is that browner layer in the rock: that isn’t an artifact, it’s a bit of soft tissue that was preserved, called a patagium. A patagium is a thin membrane stretched between the limbs, and is used for…flying! This animal probably lived much like a modern flying squirrel (although it is definitely not a squirrel), gliding from tree to tree.

The second surprise is the age. This is a Mesozoic mammal, from Chinese beds that are roughly dated to somewhere around the mid Jurassic to early Cretaceous—it was a contemporary of the dinosaurs. I’m tickled to imagine a diplodocid stretching up its long neck to strip the foliage from a tree branch, and this little guy squeaking angrily and leaping off to fly to the next tree.


Mang J, Hu Y, Wang Y, Wang X, Li C (2006)
A Mesozoic gliding mammal from northeastern China. Nature 444:889-893.
This animal  probably lived much like a modern flying squirrel (although it is definitely not a squirrel), gliding from tree to tree. . Flying and gliding, despite virtual synonymy in the general public, are scientifically two very different things.
Flying is defined (at least in part) by the ability to generate one’s own powered lift — that is, one must be able to use muscles to gain and maintain altitude.
Typically this involves flapping aerofoil wings.
Gliders lack this ability — they can occasionally go up if they happen to catch the right air currents, but this isn’t “their own power.”
So birds, bats, pterosaurs, and numerous insects can fly;
 gliding lizards, gliding snakes, gliding frogs, gliding squirrels, and the misnamed “flying lemurs,” as well as Volaticotherium, cannot fly (alas).

Repenomamus

Het meest opvallende aan dit zoogdier is zijn grootte: hoewel de meeste zoogdieren uit zijn tijd klein van stuk waren, kon Repenomamus meer dan een meter lang worden. Het beest had een gedrongen lichaam en korte poten, waardoor het deed denken aan moderne dassen, of misschien nog meer aan Tasmaanse duivels.

Repenomamus had krachtige kaken en zijn tanden verraden een carnivore (vleesetende) levensstijl. Gezien zijn gedrongen lichaam en korte poten kan Repenomamus geen snelle renner zijn geweest. Waarschijnlijk besloop hij zachtjes zijn prooi. Opmerkelijk genoeg is van één Repenomamus de maaginhoud teruggevonden. Hierin werden de restanten van een hagedis teruggevonden, plus iets heel bijzonders: het skelet van een Psittacosaurus. Hiermee levert Repenomamus het beste bewijs dat sommige Mesozoïsche zoogdieren op dinosauriërs gejaagd hebben.

Repenomamus behoort tot een groep zoogdieren die Triconodonten zijn genoemd. Deze uitgestorven orde is nauw verwant aan de Theria (buideldieren en placentale zoogdieren). Het skelet van Triconodonten was vrijwel geheel modern, toch verraden de botten in het binnenoor dat het geen volledig modern zoogdier is geweest. Over de voortplanting van Repenomamus kan weinig gezegd worden: waarschijnlijk heeft het eieren gelegd, maar er is een kleine kans dat het levendbarend is geweest.

Een hapje dinosaurus/2005

“….Ten tijde van de dino’s waren de zoogdieren miezerige wezentjes, nauwelijks groter dan een muis of een rat. Ze scharrelden wat rond in de schaduw van de heersers over de aarde: de machtige dinosauriërs, en aten vooral planten en insekten….”

Waarschijnlijk niet dus
want
Bij opgravingen in een van de rijkste fossiele vindplaatsen van dinosauriërs, in de Yixian-afzetting in Chinese provincie Liaoning, werd een zoogdier opgegraven met de, eveneens fossiele, restanten van een(jonge ?) dinosaurus in zijn maag. Het zoogdier in kwestie is de Repenomamus robustus.


Repenomamus robustus, voede zich o.a. met een psittacosaurus.
( artist) beeld : Xu Xiaping

Mesozoische zoogdieren werfden geacht te leven in de schaduw van de dino’s .Dat beeld dient aangepast te worden
(Meng Jin, American Museum of Natural History )

Echt groot was de Reponamamus niet – hij had de afmetingen van een buidelrat(oppossum).
De dino die op zijn menu stond, was dan ook van bescheiden afmetingen.
De jonge Psittacosaurus ( P. ordosensis ? )die is aangetroffen op de plaats waar naar alle waarschijnlijkheid de maag van de Reponamamus zat, was iets groter dan tien centimeter.

http://en.wikipedia.org/wiki/File:Repenomamus_BW.jpg

File:Repenomamus BW.jpg


De vondst gooit het idee overhoop dat de zoogdieren zo’n 130 miljoen jaar geleden genoegen namen met
de bescheiden rol van planten- en insekteneters.
En ook een andere vondst, door de onderzoekers in hetzelfde artikel in het tijdschrift Nature beschreven,
werpt nieuw licht op de rol van de zoogdieren in het tijdperk van de dinosauriërs.
I
n dezelfde Chinese afzetting troffen de onderzoekers namelijk ook een fossiel skelet aan van een tot nog toe onbekend zoogdier, door de onderzoekers Reponamamus giganticus genaamd.
Het dier heeft de afmetingen van een hedendaagse hond.
En dat is fors groter dan de muiskleine zoogdierskeletten die tot nog toe in het vroege Krijt zijn opgegraven.

Links Repenomamus skelet met de resten van de dino ….Rechts : Skelet van of Repenomamus giganticus, het grootste
toen bekende zoogdier mammal.

Wellicht waren zoogdieren uit die tijd toch niet de schuwe diertjes waar onderzoekers ze altijd voor hebben gehouden.

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/20847046/
http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/4165973.stm
http://darwiniana.org/NewFossilMammals.html


(3)
volgens sommige speculatieve ( toen nog sinds 2005 algemeen bekend geworden ) opvattingen : onstonden de placentale zoogdieren grotendeels door cruciale invasies ( en” inbouw “in de genomen van “overlevende ” verschillende placentale zoogdiervoorouders ) van retrovirussen

(4)
Er waren in 2007 ongeveer 4.554 soorten zoogdieren-soorten bekend ( er worden er nog steeds ontdekt )
Daarvan zij er 4.510 opgenomen in de “superstamboom ”
(5)
Wible vond kort geleden een nieuw zoogdierfossiel dat een placenta had.

836c
Vergelijking van de schedels van Maelestes gobiensis (links) = De schedel die Wible en zijn collega’s gebruikten in hun berekeningen
en Parascalops breweri, een nu in Amerika voorkomende mol (rechts).

de papierclip is geplaatst bij de   kleinere soort
2,5 cm

836b


De schedel van Maelestes gobiensis (zijaanzicht) /
Een schets van de schedel.

Hij besloot ermee een grote berekening te maken, waarin hij andere fossielen en levende dieren meenam.
De methode van Wible gaat als volgt.
Hij deelde alle uiterlijke kenmerken, zoals hoektanden, in heel erg gedetailleerde categorieën in.
De uiterlijke verschillen tussen dieren van nu zijn groter dan tussen de fossielen.
Wible rekende terug naar het punt waar het verschil ophield.
En voilà, het eerste placentale zoogdier. Deze anonieme voorouder zou 65 miljoen jaar geleden hebben rondgestruind.
Dat rijmt aardig met de oudst gevonden verwant: het fossiel van een konijnachtig dier dat 63 miljoen jaar terug met moederkoek rondhuppelde
Maar of er geen oudere zijn ?

Nieuw fossiel wijst op ontstaan van zoogdieren met placenta omstreeks K/T-grens

836

De zoogdieren bestonden, zoals tal van fossiele vondsten uitwijzen, al in het Mesozoïcum. Binnen de groep van de zoogdieren behoren de meeste soorten (5080 van de huidige 5416 bekende soorten) tot de Placentalia (zoogdieren waarvan het vrouwtje de foetus voedt via een placenta); daarnaast bestaan er nog buideldieren (Marsupialia) en enkele eierleggende zoogdieren (Monotremata).

Over het ontstaan van de Placentalia bestaat onenigheid. Volgens paleobiochemici zou die groep al voor de K/T-grens zijn ontstaan, volgens DNA-onderzoek 129-78 miljoen jaar geleden.

Opvallend genoeg zijn er echter nooit Mesozoïsche zoogdieren gevonden waarvan duidelijk was dat het Placentalia waren (maar zulke vondsten zijn er wel uit het begin van het Tertiair), dus veel paleontologen denken dat de groep omstreeks 65 miljoen jaar geleden moet zijn ontstaan.

836a

De schedel van Maelestes gobiensis (onderaanzicht)

De vondst in Mongolië van een goed bewaard zoogdier lijkt het pleit in het voordeel van de paleontologen te beslechten. Het opvallende is dat deze conclusie niet eens direct voortkomt uit de vondst zelf, maar een gevolg is van onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van de vondst.

De onderzoekers wilden van het fossiel, dat werd gevonden in de 75-71 miljoen jaar oude Djadokhta-Formatie (en dat dus van 10 miljoen jaar voor de K/T-grens stamt), namelijk zijn juiste plaats geven binnen de zoogdieren.

Daarom deden ze een uitgebreid onderzoek naar de specifieke kenmerken van 69 taxa van de drie hoofdgroepen van uitgestorven en nog levende zoogdieren. Daarbij ging het om niet minder dan 409 anatomische karakteristieken. Bovendien onderzochten ze alle zoogdierrestanten van enige betekenis die bekend zijn uit het Krijt.

Het nieuw gevonden zoogdier zou behoren tot een tak die was afgesplitst van de omstreeks 125 miljoen jaar geleden ontstane Eutheria. Het zou nog niet tot de Placentalia hebben behoord, want die zouden pas kort na de K/T-grens zijn ontstaan.

Volgens deze zienswijze, die op veel overtuigende gegevens is gestoeld maar die ongetwijfeld veel kritiek zal krijgen omdat eerdere stambomen behoorlijk worden veranderd, is het oudst bekende zoogdier dat tot de Placentalia gerekend mag worden een konijnachtig dier uit Azië van ongeveer 63 miljoen jaar oud.

836e
De plaats van Maelestes binnen de zoogdieren; het gele gebied bestrijkt de Placentalia

Simplified eutherian part of the strict consensus of three most parsimonious trees (2,296 steps; see Supplementary Information). Broken line, K/T boundary at 65 million years. Filled circle taxa, Laurasian (northern continents); open circle taxa, Gondwanan (southern continents). Circles and circles with thicker black lines indicate temporal occurrence of studied specimens. The grey box delimits Placentalia, the oldest member of which is the early Palaeocene Mimotona. Placentalia originates at or near the K/T boundary in Laurasia. Deccanolestes from the latest Cretaceous of India is nested among Asian clades and is more parsimoniously interpreted as an independent southern migration. The animal silhouette spotlights Maelestes.
Dat alles naar aanleiding van de vondst van een incomplete schedel, wat wervels, een paar incomplete ribben en nog wat botten.

De schedel vertoont enige gelijkenis met die van een recente mol, Parascalops breweri, maar had meer ruimte voor zijn tanden. Het dier was klein (de schedel is ongeveer 2,5 cm lang), zoals overigens vrijwel alle vroege zoogdieren. De onderzoekers hebben het dier Maelestes gobiensis gedoopt.

Referenties:
  • Cifelli, R.L. & Gordon, C.L., 2007. Re-crowning mammals. Nature 447, p. 918-920.
  • Wible, J.R., Rougier, G.W., Novacek, M.J. & Asher, R.J., 2007. Cretaceous eutherians and Laurasian origin for placental mammals near the K/T boundary. Nature 44, p. 1003-1006.

Foto’s: Carnegie Museum of Natural History, Pittsburgh, PA (Verenigde Staten van Amerika).


FIGURE 1. Maelestes gobiensis gen. et sp. nov. (holotype, PSS-MAE 607) skull and mandible in comparison to other Djadokhta eutherians.

From the following article:

Cretaceous eutherians and Laurasian origin for placental mammals near the K/T boundary

J. R. Wible, G. W. Rougier, M. J. Novacek & R. J. Asher Nature 447, 1003-1006(21 June 2007) doi:10.1038/nature05854

Left panel: reconstructions of Maelestes, Asioryctes and Zalambdalestes, the last two of which are redrawn from ref. 15. Right panel: incomplete Maelestes skull in left lateral (top) and ventral (bottom) views, and left Maelestes mandible in lateral view (middle). The large opening in the palate between the palatines and maxillae is a palatal vacuity. Maelestes probably had some upper incisors, but only a small non-tooth-bearing fragment of the premaxilla is preserved. Scale bars, 5 mm.

Uppers are shown in labial (a) and occlusal (b) views; lowers are shown in occlusal (c) and labial (d) views.

(6 )
De allereerste voorouders van de zoogdieren zetten de eerste stap
De tweede stap was de :
De ontwikkeling van het placenta
Daarbij zouden vooral ERV’s een rol hebben gespeeld ?

Voorlopers van de mens( placentale zoogdieren dus ) konden een placenta vormen dankzij een virus dat pakweg 100 miljoen jaar geleden bij hen is binnengedrongen. Was dat niet gebeurd, dan zouden mensen nog altijd eieren leggen …
Zoogdieren breidden zich uit nadat ze placenta ontwikkelden;
Een jong embryo, enkele dagen oud en enkele honderden cellen groot, land op de bloedvatrijke binnenbekleding van de baarmoeder, klaar om zijn moeder zwanger te maken.
Daar is een placenta voor nodig.
Genen die oorspronkelijk van een virus afkomstig zijn maken de vorming van de placenta mogelijk.
Zoogdieren ontstonden 250 miljoen jaar geleden, toen bijvoorbeeld ook de dinosaurirs aan hun bloeitijd begonnen.
Lange tijd stelden de zoogdieren als groep niets voor.
Er zijn in elk geval maar weinig fossielen gevonden.
Pas vanaf pakweg 100 miljoen jaar geleden ontwikkelden de zoogdieren met placenta zich tot een uiteindelijk dominante groep.

MENSEN LEGGEN geen eieren.
De meeste zoogdieren ook niet

Alleen het vogelbekdier en twee soorten mierenegels broeden hun jongen uit een ei tot leven en geven daarna de borst.
Die moedermelk maakt ze tot zoogdieren. De kangoeroes en andere buideldieren houden er een tussenvorm op na, maar verder zijn er alleen (ruim 4.000 soorten) placentale zoogdieren die hun jongen levend baren en dan zogen. Toch, zo rond 240 miljoen jaar geleden, waren alle zoogdieren eierleggers. Het waren bontbeklede insectenetende wezentjes.
Ergens is er een overgang geweest.
En die overgang is veroorzaakt door virusinfecties
.
Voor een groeiend aantal onderzoekers is dat inmiddels een vaststaand feit. De eierleggers zijn 35 miljoen jaar geleden op drie na uitgestorven. De eerste levendbarenden ontstonden pakweg 100 miljoen jaar geleden, breidden zich uit en vormden nieuwe soorten. Om levende jongen te kunnen baren moet een moederzoogdier een levend jong in haar lichaam verdragen. En dat jong intern voeden. Daarvoor gebruiken zoogdieren een placenta als `intermediair’. Het is een wonderlijk orgaan dat zowel van moeder als van kind is. De placenta kon pas ontstaan na die virusinfecties van miljoenen jaren geleden. Eiwitten die oorspronkelijk van virussen stammen staan aan de basis van de placentavorming bij ieder jong embryo dat zich in de baarmoederwand innestelt. Een virus is een parasiet die de cel van zijn gastheer moet binnendringen om zelf tot leven te komen, en zich te kunnen vermenigvuldigen.
`Een jong embryo lijkt in een aantal opzichten op zo’n parasiet’, stelt prof.dr. Luis Villarreal in zijn artikel

`Can Viruses Make Us Human?’ (Proceedings of the American Philosophical Society, nov. 2003).

Villarreal is directeur van het Center for Virus Research van de University of California in Irvine.
`Het jonge embryo,’ schrijft hij, `moet het weefsel van de moeder binnendringen, moet de stofwisseling van zijn moeder zo manipuleren dat het zichzelf kan voeden en moet aan het afweersysteem van de moeder zien te ontsnappen.’

Die kunstjes (binnendringen, stofwisseling overnemen, afweer onderdrukken) moeten virussen ook beheersen om binnen een gastheer tot leven te komen. infectieziekten Virussen staan bekend als kwaadaardige ziekteverwekkers.
Het influenzavirus doodt jaarlijks wereldwijd tienduizenden mensen, en in sommige jaren miljoenen.
Sars ontnam ons de reislust, zette luchtvaartmaatschappijen op verlies en ontregelde de wereldeconomie.
Vogelpest en mond- en klauwzeer decimeren de (pluim)veestapels.
Hepatitis is een virusziekte waar je lever kapot van kan gaan.
Door het aids veroorzakende hiv teer je langzaam weg.

En virussen doen nog meer dan lastige en soms dodelijke infectieziekten veroorzaken:
een vijfde van alle kankers bij de mens ontstaat door een virusinfectie.
Leukemieën, leverkanker en baarmoederhalskanker zijn bekende voorbeelden.
http://scienceblogs.com/loom/2006/08/09/an_old_dog_lives_on_inside_new.php Toch is virusprofessor Villarreal ervan overtuigd dat wij zonder virussen nog steeds eieren zouden leggen.
Hij gaat nog verder. Villarreal speculeert dat de evolutie van zoogdieren en vooral die van de Afrikaanse apen, primaten en mens bespoedigd is door infecties van een bepaald type virussen, de retrovirussen Bij vogels en reptielen komt het veel minder voor. Retrovirussen zijn virussen die tijdens de infectie hun eigen genen tussen de genen van de gastheer plakken. Ze integreren hun DNA in het DNA van de geïnfecteerde cel. Op die manier kunnen virussen levenslang in een gastheer aanwezig zijn, want als een cel deelt, komen de virusgenen ook in de dochtercellen terecht.
Zolang de geïnfecteerde cel aan de aandacht van het afweersysteem van de gastheer ontsnapt zit het virus gebakken. Merkt het afweersysteem zo’n geïnfecteerde cel op, dan is de standaardprocedure om niet het virus uit de cel te verwijderen, maar om de hele cel te vernietigen. Een virus dat eenmaal binnen is, ontsnapt het best aan het afweersysteem door zich rustig te houden. Helemaal zeker is zo’n retrovirus van zijn voortbestaan als hij zich in geslachtscellen van de gastheer weet te vestigen. Dan komen zijn genen ook in sperma en eicellen terecht. En zijn alle lichaamscellen van de nakomeling `geïnfecteerd’. Geïnfecteerd staat hier al tussen aanhalingstekens, want de vraag is onmiddellijk: van wie zijn de virale genen dan?
Van het virus of van de gastheer? Het lijkt een theoretische kwestie, maar dat is het allerminst. Retrovirussen die zich voorgoed in het genoom van zoogdieren nestelen en van ouder op kind overerven zijn niet zeldzaam: de helft van al het menselijk DNA is van oorsprong van retrovirussen afkomstig. In de loop van miljoenen jaren zoogdierevolutie hebben virussen zich honderdduizenden keren in het (uiteindelijk) humane genoom genesteld. Die gesettelde retrovirussen zijn bekend als endogene retrovirusen (ERV), in tegenstelling tot de van buiten komende (exogene), infecterende retrovirussen. De menselijke (humane) ERV’s heten HERV’s. Een virus dat in dit verhaal een grote rol speelt heet bijvoorbeeld HERV-W; de laatste letter verwijst naar een aminozuur in een bepaald deel van het virale eiwit. De oudste retrovirussen waarvan de resten nu nog in het menselijk genoom zijn terug te vinden, hebben zich 60 miljoen jaar geleden in het genoom van de geslachtscellen van hun gastheer genesteld.
Voor hen was dat de overgang van exogeen naar endogeen retrovirus (ERVs). Het menselijk geslacht is pas twee miljoen jaar oud.
Het waren dus de evolutionaire voorlopers van de mens die geïnfecteerd raakten. Het laatst-bekende blijvend gevestigde retrovirus kwam kwam minder dan 200.000 jaar geleden bij de mens binnen. Waarschijnlijk zelfs veel recenter. Deze HERV-K113 zit dan ook nog niet in alle mensen. Bij krap een derde van de Afrikanen, Aziaten en Polynesieërs zit het nog vrij complete virusgenoom ingebed op chromosoom 19.
Bij tweederde van de Afrikanen ontbreekt het virus. De meeste ERV’s in het menselijke genoom zijn rudimenten.
Ze zijn herkenbaar door resten van genen, in de loop van miljoenen jaren onwerkzaam geworden door talloze mutaties.
Pseudogenen heten zulke, nog slechts vaag op genen lijkende basenvolgorden.
Waarschijnlijk zijn van de meeste ooit binnengekomen virusgenomen zelfs alle genen en genruïnes verdwenen.
Daarvan resteren alleen de stukken DNA waarin enkele van de vier basen (A, T, C en G) die de genetische code in het genoom bepalen zich in korte volgorden zeer vaak herhalen.
Onderzoekers die de basenvolgorde van complete genomen bepalen hebben veel last van die grote gebieden met (bij zoogdieren en vooral bij apen, primaten en de mens) grote stukken repetitief DNA.
De volgordebepalende automaten struikelen erover.
Nog geen tien procent van het menselijk DNA bestaat uit genen.
De vraag was altijd waar die andere 90% vandaan kwam, wat we ermee moesten en welke functie het heeft.
Sinds een paar jaar is bekend: ruim de helft komt van virussen.
En hoewel het meeste virale DNA inmiddels in verval is, heeft het waarschijnlijk een rol gespeeld bij de betrekkelijk snelle zoogdierevolutie. Hoe groot die rol was, daarover verschillen de deskundigen van mening. Geconserveerd Sommige virale genen zijn echter nog springlevend en allerminst tot ruïne vervallen.
Zij hebben in verwante zoogdiersoorten ongeveer dezelfde basenvolgorde. Het betekent dat ze een belangrijke functie vervullen voor al die diersoorten.
Zulke genen heten evolutionair geconserveerd.
Inmiddels is bekend dat acht procent van het menselijk DNA bestaat uit duidelijk herkenbare ERV’s, met de bijbehorende actieve genen. Eén van die genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine.
Syncytine wordt gemaakt in de zaadballen van de man.
Daar is het ontdekt.
Maar het ontstaat in veel grotere hoeveelheid in de placenta van een zwangere vrouw. Onderzoekers van het Genetics Institute in Cambridge, Massachusetts die syncytine vonden (Nature, 17 febr 2000) zagen de eerste sporen bij een analyse van alle genen die in de zaadbal actief zijn. Ze stelden de basenvolgorde van het gen vast en gingen in de computerdatabanken met gedeponeerde genvolgordes op zoek naar verwante genen.
Het gen voor syncytine bleek identiek met het al eerder gevonden gen voor het eiwit van de buitenwand (het envelopeiwit) van het retrovirus HERV-W. De ontdekking van HERV-W was een jaar eerder gepubliceerd. HERV-W is een endogeen virus dat niet alleen in het menselijk genoom voorkomt, zo is inmiddels bekend, maar ook in de genomen van de andere Afrikaanse apen. Daarom is er ook een naam voor de retrovirussen waarin de H van humaan is verdwenen: ERVWE1. In het menselijk genoom zitten 10 tot 15 kopieën van het syncytinegen, of van genen die daar qua basevolgorde erg veel op lijken.
Ze zijn gevonden op de chromosomen 4, 6, 7, 16, 21, 22 en X en verkeren in verschillende staat van verval, of zijn toch nog weer afkomstig van andere ERV’s.
De syncytine-ontdekkers hielden het er in hun Nature-publicatie in 2000 op dat het syncytine-gen van chromosoom 7 in de placenta actief is. Syncytine, een eiwit oorspronkelijk afkomstig van een virus, vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Het jonge embryo dat na een reis van enkele dagen door de eileider in de baarmoeder arriveert is dan omhuld door een laagje trofoblastcellen. Daarin wordt het syncytinegen actief, zodat er syncytine wordt gesynthetiseerd. Syncytine koppelt trofoblastcellen aan elkaar en laat de gekoppelde cellen fuseren tot monstercellen met meerdere celkernen. Deze gefuseerde reuzencellen vormen de syncytiotrofoblastlaag die zich vervolgens in de bloedvatrijke bekleding van de baarmoeder nestelt. In de placenta die zich kort daarna gaat ontwikkelen vormt de syncytiotrofoblastlaag steeds de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind. Speculaties dat het syncytine-eiwit ook nog een rol speelt bij de onderdrukking van de afweersysteem van de moeder, zodat de cellen van het kind niet worden aangevallen, zijn tot nu toe bevestigd noch ontkracht. Bij laboratoriumproefjes met celkweken van trofoblastcellen blokkeerden de ontdekkers het fusie-eiwit synctine, waarna er geen syncytiotrofoblastcellen meer ontstonden.
Franse onderzoekers hebben met verdere experimenten (ook nog in het lab) meer argumenten aangedragen voor de belangrijke rol van syncytine bij de placentavorming. placenta Dat leek doorslaggevend.
Maar de afgelopen vijf jaar bleven er bedenkingen. Eén op de 100 à 150 mensen mist beide kopieën van het syncytinegen, maar die mensen zijn toch vruchtbaar. Zij ontwikkelen bij zwangerschap een normale placenta en leggen geen eieren om zich voort te planten. En verder was tot voor kort het syncytinegen alleen bij Afrikaanse apen gevonden. Villarreal, de viroloog van het artikel met de titel `Can Viruses Make Us Human?’, had met zijn groep echter al wel een experiment gedaan waarbij de werking van alle envelopeiwitten van ERV’s bij muizen werden geblokkeerd: geen nageslacht. Er zijn nog raadsels genoeg rond de virale eiwitten in de placenta.
De fundamentele vraag is hoe de evolutie van eierleggend zoogdier naar levenbarende soort heeft plaatsgevonden.
Het aantal wetenschappelijke publicaties over syncytine en verwante eiwitten neemt echter hand over hand toe.
Inmiddels (Proceedings of the National Academy of Sciences, 18 jan) zijn er ook fuserende syncytine-eiwitten in de muizenplacenta gevonden. Het zijn er twee.
Naar analogie van de inmiddels ontdekte dubbelgangers syncytine-1 en -2 bij de mens zijn ze syncytine-A en -B gedoopt. De afgelopen paar jaar zijn bij de mens meer dan tien retrovirus-envelopeiwitten gevonden die tijdens de placentavorming en de zwangerschap in de baarmoeder ontstaan, schrijven gynaecologen en pathologen uit Cleveland, Ohio (Placenta, okt 2004) in een recent overzichtsartikel.
Zij behandelen er drie in wat meer detail, maar vooral omdat over dat trio op het ogenblik het meest bekend is. De precieze moleculaire processen tijdens de innesteling en placentavorming door het jonge embryo zijn nog zo goed als onbekend.
Het onderzoek is moeilijk door de restricties aan het gebruik voor onderzoek van menselijke embryo’s.
En doordat de placentavorming bij Afrikaanse apen (waaronder de mens) waarschijnlijk volgens steeds iets andere mechanismen verloopt dan bij muis, rat en grotere proefdieren als hond, geit en varken, zijn de resultaten van proefdieronderzoek moeilijk over te zetten naar de mens. In ieder geval staat syncytine inmiddels niet meer alleen bij evolutiebiologen in de belangstelling.
De wetenschappelijke artikelen verschijnen het laatste jaar ook in gynaecologische tijdschriften.
De onderzoekers denken dat als syncytine betrokken is bij de gezonde ontwikkeling van de placenta, dat er dan ook wel iets bij placentaziekten aan de hand kan zijn.
Men denkt aan een rol bij pre-eclampsie (zwangerschapshypertensie).
En neurologen krijgen belangstelling voor syncytine, omdat het eiwit tot expressie komt op de plaatsen waar bij multipele sclerose patiënten de zenuwbanen aangetast zijn.
Onderzoekers denken tegenwoordig ook dat de speciale onderdrukking van het afweersysteem in de baarmoeder tijdens de zwangerschap door syncytine en andere retrovirale eiwitten wordt gestuurd.
En zelfs dat wellicht een deel van de hormoonproductie die de zwangerschap in stand houdt onder controle van de virale eiwitten staat. Meer onderzoek`

‘Na decennia frustrerend onderzoek aan endogene retrovirale elementen in het menselijke genoom was er nog geen fysiologische rol voor die genen beschreven’, schreven de onderzoekers uit Cleveland vorig jaar in hun conclusies. `De onderzoeken aan de HERV’s en de trofoblastdifferentiatie hebben daar nu voor gezorgd.’
Er is nog veel onderzoek nodig, zijn de obligate slotwoorden. Dat er restanten van oude virussen in de genomen van dieren en planten liggen was al lang bekend. Dat iedere soort zijn eigen sluimerende en nog intacte virussen in het genoom heeft liggen, is een ontdekking van de laatste tien jaar. Het was de reden om xenotransplantaties (bijvoorbeeld van varkensharten bij de mens) voorlopig te verbieden. Want stel dat een varkensvirus opeens bij mensen een nieuwe ziekte zou kunnen veroorzaken, dan is één hartpatiënt tijdelijk gered, maar de mensheid in het ergste geval verloren. Het inzicht dat de virussen in het genoom wel eens een belangrijke symbiotische partner kunnen zijn, is pas de afgelopen vijf jaar echt doorgebroken. Hoewel er referenties naar sporadische oudere literatuur opduiken, is het idee van symbiose tussen een meercellig organisme en een daarin gevestigd virus nieuw. `Wat de ene partner goedkoop kan produceren, is duur of onmogelijk te maken voor de ander,’ schrijft Frank Ryan in zijn review `Human endogenous retroviruses in health and disease: a symbiotic perspective’ (Journal of the Royal Society of Medicine, dec 2004).

`De HERV’s in ons genoom kunnen niet meer zelfstandig leven. En de mens sterft uit als ze uit ons genoom verdwijnen.’
HERV-W, opgenomen in het menselijk genoom, is zijn meeste genen inmiddels verloren is en kan niet meer alleen voort.
HERV-W’s syncytine-gen dat voor de placentavorming zorgt is echter onmisbaar voor de mens, want die kan geen eieren meer leggen. Werking van een retrovirus
Retrovirussen bestaan uit een eiwitmantel waarbinnen een enkelstrengs RNA en meestal een enkel eiwit ligt.
Om de eiwitmantel ligt een membraan waarin nog enkele virale eiwitten (de envelopeiwitten) liggen. Die envelopeiwitten verzorgen de binding van het virus aan het oppervlak van de gastheercel. Die binding is het begin van de infectie.

De genen van het virus zijn onderdeel van het RNA-molecuul. Bij een infectie loost het virus de inhoud van zijn eiwitmantel in de gastheercel. Eenmaal binnen laat het virus-RNA zich kopiëren tot een dubbelstrengs-DNA-molecuul.

Alle gereedschap en grondstoffen voor die DNA-synthese zijn in de gastheercel aanwezig, behalve het cruciale enzym reverse transcriptase. Dat is het eiwit dat het virus bij zich droeg en in de gastheercel heeft geloosd.

De DNA-kopie van het virus-RNA gaat op transportnaar de celkern en wordt tijdens een enzymatisch knip- en plakproces opgenomen in het erfelijk materiaal (het genoom) van de gastheer.

Vanaf dat moment is de geïnfecteerde cel een fabriek voor nieuwe virusdeeltjes. Het virus-DNA is voorzien van startcodons die de gastheercel tot de aanmaak van RNA-moleculen aanzetten.

Dat is ook een gewoon celproces, want in een levende cel wordt massaal genetische informatie van DNA naar messenger-RNA gekopieerd. Het is een stap in de eiwitsynthese.

Het nieuwe virale RNA dat de cel maakt heeft twee functies in de aanmaak van nieuwe virusdeeltjes.

Enerzijds is het RNA-molecuul met virale genen dat in nieuwe virusdeeltje wordt verpakt. Anderzijds wordt het werkelijk als messenger-RNA gebruikt, want het bevat de genetische code voor een paar viruseiwitten.

Die eiwitten zijn het capside-eiwit en het envelopeiwit (bouwstenen voor de opbouw van nieuwe virusdeeltjes) en enzymen die knippen en plakken om het nieuwe virusdeeltje op te bouwen.

Melk, eieren en koeken

Tomaso Agricola

In het tijdschrift Plos Biology staat een artikel van David Brawand, Walter Wahli en Henrik Kaessmann met de titel Loss of egg yolk genes in mammals and the origin of lactation and placentation. Het artikel gaat over het verschil tussen reptielen, vogels en zoogdieren. Zoals de meesten weten leggen reptielen en vogels eieren. De meeste zoogdieren doen dat niet, die geven melk en hebben een placenta (moederkoek). Er zijn echter uitzonderingen op die regel. Het vogelbekdier en de mierenegel hebben geen placenta, leggen eieren en geven melk. Daarbij hebben ze haren en geen veren. Het zijn dus zoogdieren die niet helemaal af zijn (wat een gekke beestjes!) en daarmee een aanwijzing dat er toch echt sprake is geweest van evolutie van zoogdieren vanuit een amfibie/reptielachtig dier.

Het artikel stelt dat, als er inderdaad sprake is geweest van evolutie uit reptielen, er genetische restinformatie moet zijn achtergebleven in het genoom van zoogdieren voor het aanmaken van bepaalde eieronderdelen. 1 van die onderdelen is het eigeel en de onderzoekers gingen, gewapend met een aantal voorloper genen van eigeel, vitellogenine (of hoe dat in het NL ook maar mag heten; er zijn minstens 3 varianten in 1 en hetzelfde genoom), van onder andere de kip op zoek naar ditzelfde gen in het zoogdiergenoom (voor wie dit niet helemaal kan volgen: dit is dus een test van de evolutietheorie, wanneer dit gen niet in het zoogdier gevonden wordt moet je je afvragen waarom het er niet is, want de evolutietheorie voorspelt dat het er wel moet zijn, vind je het wel dan ondersteund dat de evolutietheorie).
En ja hoor, gevonden!

De onderzoekers keken bij de mens, de hond en het gordeldier en vonden inderdaad restanten van het vitellogenine gen (1).
De genen werkten, door verschillende mutaties allemaal niet meer, maar 1 van de varianten liet dezelfde mutatie zien, wat aangeeft dat deze variant van het gen ophield met functioneren voordat de drie soorten uit elkaar waren gegaan (100 miljoen jaar geleden). De andere mutaties zijn later ontstaan.

In het vogelbekdier vonden de onderzoekers nog 1 werkend gen. Het dier legt dan ook nog eieren, al valt de eigeel productie bij het dier wel wat tegen (hoe meer werkende genen hoe meer eigeel).
De auteurs gingen ook nog op zoek naar genen die nodig zijn voor de productie van melk om het geheel te ondersteunen. Het idee is dat de melk van zoogdieren oorspronkelijk een functie hadden bij het vochtig houden van de eieren. Door de ontwikkeling van caseine in die melk van de zoogdieren konden de jongen eerder uit het ei komen en voeding via de melk opnemen.
De eerste stap weg van het ei.
De tweede stap was de ontwikkeling van een placenta.
Deze stappen hebben als voordeel dat er niet meer in 1 keer grote hoeveelheden energie in een ei hoeft te worden gestopt, maar dat er beetje-bij-beetje kleinere hoeveelheden kunnen worden afgegeven wanneer het jong het nodig heeft.
Het zoogdiermodel heeft wat dat betreft een grotere flexibiliteit dan het amfibie/reptielmodel.
Maar dat onze voorouders ooit eieren hebben gelegd is nog steeds terug te vinden in onze genen.

(1) Vogels en zoogdieren hebben dezelfde 3 varianten.

Bij vogels werken ze alle 3. In zoogdieren zijn er mutaties opgetreden waardoor de 3 genen niet meer functioneren.
Bij zoogdieren is er 1 variant die dezelfde mutatie vertoont in alle zoogdieren tot nu toe onderzocht.( = in de studie zijn dat mens , hond en gordeldier )
De andere varianten hebben ook mutaties, maar die verschillen tussen de zoogdieren (of zoogdiergroepen, dat moet nog blijken)
Men gaat er van uit dat de common ancestor van vogels en zoogdieren de 3 varianten al in het genoom had
* Een van de ( drie van de “common ancestor” tussen voorouders van de vogels(dino’s) en zoogdieren (therapsiden ) overgeerfde) genen is bij alle zoogdieren …gemuteerd op dezelfde manier ( op dezelfde locus ? )
*De twee andere genen zijn ( na deze split I )ook gemuteerd maar dat is NIET steeds op dezelfde manier gebeurt ( op dezelfde locus ) bij alle zoogdieren ( in het onderzoek mens , hond en gordeldier ) :
*Ik kan me gemakkelijk voorstellen dat er zoogdieren zijn die slechts een of twee van de drie genen bezitten in ongemuteerde vorm ,wanneer men ze gaat vergelijken met de drie intacte genen van vogels ? (—> monotremen (zoals de platypus–> bezit nog 1 werkzaam gen /en een op dezelfde plaats gemuteerd homoloog gen dat gemeenschappelijk is aan dat van andere zoogdieren en nog een andere gemuteerde variant ))
Alle drie de genen samen zijn echter niet meer werkzaam noch intact( bij de extante zoogdieren ) er zijn namelijk 2 of 3 genen niet meer werkzaam ….
zoals ze alle drie dat nog wel zijn bij extante vogels
Best mogelijk dat in het begin slechts 1 van die genen was uitgeschakeld ( dat gen wat bij alle andere zoogdieren hetzelfde is —> wat dan bewijst dat de
zoogdieren een monofylitische groep zijn )
later is de oude zoogdieren-groep dan opgesplits in takken met 2 en 3 genen
mutatie abc
je hebt dus zoogdieren met ( vroeger ?) 1 met ( tegenwoordig = )2 of met 3 onwerkzame genen
Maar allen bezitten eenzelfde gen dat onwerkzaam is op dezelfde manier ( op dezelfde locus gemuteerd ? ) ; dat bewijst dan o.a. dat alle extante zoogdieren monofylitisch moeten zijn

walking with beasts  <— zie ook

Het begin van de zoogdieren

http://www.natuurwetenschappen.be/active/expeditions/archive2004/china/page2

Toen op het einde van het Krijt, zo’n 65 miljoen jaar geleden, een einde kwam aan de overheersing van de reptielen, met name de dinosauriërs, kwam een hele wereld vrij voor de zoogdieren.

Eigenlijk bestaan de zoogdieren al even lang als de dinosauri챘rs: beiden ontstonden ongeveer 220 miljoen jaar geleden. De kleine zoogdieren leefden echter tientallen miljoenen jaren in de schaduw van de grote dinosauri챘rs. Bij het verdwijnen van de dinosauri챘rs werd een overvloed aan nieuwe leefgebieden beschikbaar, die de kleine zoogdieren vrij konden innemen. In de verschillende omgevingen ontstonden na verloop van tijd aparte soorten, wat leidde tot een grote variatie aan zoogdiersoorten. Dit proces heet radiatie.

Link naar de geologische tijdsschaal als een beeld.
Link naar de geologische tijdsschaal als een tekst.
Belangrijke periodes in het Cenozo챦cum waren het Paleoceen (65 tot 55 miljoen jaar geleden) en het Eoceen (55 tot 34 miljoen jaar geleden). In het Paleoceen, de periode die op het Krijt volgt, was er een eerste radiatie van eerder vreemde, archa챦sche soorten, die snel uitstierven. Maar van de huidige egels en andere insectivoren vinden we hier al voorouders terug!

Aan het begin van het Eoceen verschijnen de eerste echt bekende zoogdiergroepen, zoals de onevenhoevigen (zoals primitieve paardjes),

Fossiel van een primitief paardje

Primitief paardje, 챕챕n van de eerste onevenhoevigen (Eoceen, 49 miljoen jaar oud)

de evenhoevigen (zoals primitieve runderen), de walvissen, de knaagdieren, de vleermuizen en de eerste primaten (zoals Teilhardina belgica).

Onder- (1) en bovenkaak (2) van Teilhardina Belgica , één van de eerste primaten, die leefde in het Vroeg-Eoceen; Het spookdiertje (3), de nauwst recente verwant van Teilhardina

Foto van de onder- en bovenkaak van Teilhardina, en van een spookdiertje  

De voorlopers van de moderne carnivoren (zoals Mesonyx) komen pas op het einde van het Eoceen tot bloei.

Foto van de femur van een roofdier van de familie Mesonychidae

Femur (bovenbeen) van een roofdier (mesonyx) van de familie Mesonychidae, gevonden in de Gobi-woestijn. Het is zeldzaam dat hele beenderen gevonden worden

Foto van Mesonyx

Mesonyx, een primitief roofdier van de familie Mesonychidae, leefde van het midden-Paleoceen tot het einde van het Eoceen (Scott, 1988)

De plotse opkomst en bloei van deze nieuwe groepen is opmerkelijk, en wordt vaak gebruikt als 챕챕n van de belangrijkste kenmerken van de overgang van het Paleoceen naar het Eoceen. Toch is er nog weinig bekend over deze gebeurtenissen: Waar en wanneer ontstonden deze dieren? En uit welke groep?

 De aap voor ons De eerste apen veroverden snel de wereld

Dirk Draulans
Knack – 13-09-2006

Figure 1 The skull of Teilhardina asiatica sp. nov. (IVPP V12357). a, Dorsal view of the skull. b, Reconstruction of the skull based on IVPP V12357, with grey shadow indicating the missing parts. Scale bar, 5 mm.

X Ni, Y Wang, Y Hu, and C Li, Nature 427, January 2004, p. 66.

This figure is of the oldest skull of a higher primate of modern aspect or euprimate. The genus Teilhardina has been found in early Eocene deposits of Europe, Asia, and North America. This particular skull IVPP V12357 comes from the earliest Eocene of the Hengyang Basin, China. This species appears to have existed close to the common origin of the higher primates and probably stands as a sister group to the earliest adapoid prosimians. Note that the metopic suture of the frontal appears to be unfused and that the orbits, although large, are not very convergent. Note also from the side view (b) that the orbit is also not very frontated. Frontation is when the superior margin of the orbit is rotated upward and forward so that it lies vertically above the lower margin as seen in humans and other modern anthropoids. Because the brain of Teilhardina is small compared to the facial part of the skull, the orbits are still oriented as in prosimians and there is no postorbital closure. The authors of this new species T. asiatica lies close to the base of the omomyid tarsier anthropoid clade. They consider Teilhardina to be a diurnal, visually oriented predator, thus opting for the visual predation hypothesis. They also contend that its lifestyle could not have supplanted that of the seemingly frugiverous carpolestids. Teilhardina, in terms of its tooth crown anatomy, is not very different from some of the smaller adapid primates, such as Periconodon and Anchomomys.

Er zijn van die mensen die apen niet interessant vinden. Tenzij ze verstand hebben, en dus mens zijn. Alsof verstand de ene aap interessanter maakt dan de andere.

Gelukkig zijn er ook mensen die 찼lle apen interessant vinden. En die tijd en energie pompen in het blootleggen van de wortels van het aap-zijn, van het prilste begin. Als we dan toch per se willen weten waar we vandaan komen, en als we niet tevreden zijn met de gemakkelijke uitleg van Gods sturende hand, moeten we fossielen onderzoeken. En vondsten koppelen aan dateringen en klimaatgegevens. Allemaal omslachtig en ingewikkeld.

Maar af en toe leveren deze inspanningen – gelukkig – boeiende inzichten op, die het wetenschappelijke speurwerk meer dan de moeite waard maken.

Paleontoloog Thierry Smith van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen maakt met twee collega’s in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences een schets van de manier waarop de eerste echte apen een deel van de wereld veroverden.

Het gaat om diertjes van het geslacht Teilhardina, die wat op boombeertjes leken, en die zo’n 55 miljoen jaar geleden ‘ineens’ op de wereld opdoken. Ongetwijfeld in de nasleep van het verdwijnen van de dinosauri챘rs, zo’n 10 miljoen jaar eerder. Opvallend is dat ze ‘tegelijk’ verschenen in Azi챘, Europa en Noord-Amerika. Alsof ze daar ineens ‘gezet’ werden.

Het eerste Belgische fossiel werd in Dormaal bij Tienen gevonden.

Nauwgezette datering van de beschikbare fossielen leerde dat ze allemaal leefden in een tijdspanne van ongeveer 100.000 jaar, die bekendstaat als het thermische maximum op de overgang van het paleoceen naar het eoceen. Het klimaat warmde toen vrij sterk op, waardoor het zeepeil daalde en er belangrijke landbruggen vrijkwamen.

Een vergelijking van de gegevens leerde dat de diertjes ontstonden waar nu China is, dat ze vervolgens westwaarts trokken en Europa inpalmden, om finaal via Groenland en enkele landbruggen Noord-Amerika te bereiken. En dat in ongeveer 25.000 jaar. Dat is h챕챕l vlotjes.

Omdat de apen waarschijnlijk uitsluitend in bomen leefden, gaan wetenschappers ervan uit dat in die tijd een groot deel van de noordelijke wereldhelft bebost was

Fossiel Zoogdier in Nieuw-Zeeland  //donderdag 14 december 2006

Fig. 1.

Fig. 1.

First pre-Pleistocene mammal from NZ. MNZ S.40958, edentulous mandibular fragment. (A) Left lateral view. (B) Right lateral view. (C) Anterior view. (D) Dorsal view. (E and F) Stereopair occlusal view. fs, fused symphysis; i, c, p1, and p2, alveoli for incisor, canine, and two premolars (the homology of premolars is uncertain); mf, mental foramen; MNZ S, prefix for catalog numbers of the Vertebrate Fossil Collection, Museum of New Zealand Te Papa Tongarewa, Wellington. (Scale bar, 2 mm.)

Fig. 2.

Fig. 2.

First pre-Pleistocene mammal from NZ. MNZ S.42214, proximal section of a right femur. (A) Dorsal view. (B) Ventral view. (C) Medial view. (D) Proximal view. agt, apex of greater trochanter; fc, fovea capita for acetabular ligament; h, head; itf, intertrochanteric fossa; n, notch between greater trochanter and head; olt, origin of lesser trochanter. (Scale bar, 2 mm.)

Voor het eerst zijn er fossielen gevonden van een inheems zoogdier.

De verrassende vondst betekent dat de boeken over de evolutie van het leven in Nieuw-Zeeland herschreven kunnen worden.

Vogelparadijs
In Nieuw-Zeeland komen geen inheemse zoogdieren voor; alle zoogdieren die er nu leven zijn door de mens ingevoerd.

Ook in het verre verleden kende deze uithoek in de wereld geen landzoogdieren, zo namen wetenschappers lange tijd aan.

Het werd beschouwd als een zeldzaam voorbeeld van een stuk land dat zich 82 miljoen jaar geleden van het supercontinent Gondwana afscheidde zonder dat er in de periode daarna zoogdieren ontstonden.

Het stond bekend als een vogelparadijs die zonder de invloed van zoogdieren konden evolueren.

Opzienbarend

Die visie kan nu op de helling door de opzienbarende vondst van botjes van een inheems zoogdier dat qua grootte tussen een muis en een rat in zat.

De viervoeter stierf tussen de 16 en 19 miljoen jaar geleden uit, zo bericht de Daily Telegraph op basis van een wetenschappelijke publicatie dat in het jongste nummer van het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences is verschenen.

De vondst suggereert ook dat Nieuw-Zeeland 25 tot 30 miljoen jaar geleden door de hoge zeespiegel van destijds niet geheel door water was omgeven, zoals sommige wetenschappers aannemen.

Geen enkele verwantschap

Het zoogdiertje, waarvan de resten in de Otago-regio op het Zuidereiland zijn gevonden, is volgens professor Mike Archer van de universiteit van New South Wales aan geen enkel bekend zoogdier verwant.

“Dit primitieve zoogdier is afkomstig van een zeer vroeg afgescheiden lijn van zoogdieren die op Nieuw-Zeeland ge챦soleerd kwam te staan. Ze hebben zich zonder inmenging van andere werelddelen ontwikkeld,” aldus Archer.

“Die vroege afscheiding maakt deze vondst extra bijzonder. Nieuw-Zeeland heeft in de evolutie mogelijk zijn eigen zoogdier-experiment gekend.”

Fig. 3.

Fig. 3.

Position of the SB mammal in the phylogeny of mammaliaforms based on the strict consensus of 192 equally parsimonious trees from a matrix of 75 taxa and 414 morphological characters (ref. 31; see also SI supporting information). Treelength, 1,826; consistency index, 0.404; retention index, 0.793. Nonmammalian outgroups are not shown. Morganucodontans, australosphenidans, eutriconodontans, multituberculates, spalacotheroids, eutherians, and metatherians all comprise multiple taxa that have been collapsed to single terminals (see SI supporting information). Trechnotheria (including therians and closely related groups) is indicated.

Mogelijk hoort het dier met een naar verhouding opvallend lang hoofd, zelfs thuis in een geheel nieuwe subklasse van de zoogdieren. Alle zoogdieren worden nu in hooguit drie subklasses verdeeld: Metatheria, waartoe de buideldieren behoren, Prototheria, waartoe de eierleggende zoogdieren behoren (het vogelbekdier en vier soorten mierenegels); en Therio, waartoe alle andere zoogdieren behoren. Veel wetenchappers beschouwen de Prototheria overigens niet als aparte subklasse.

Links:

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

3 Responses to zoogdieren I

  1. If some one wishes expert view concerning blogging after that i propose him/her to visit
    this website, Keep up the good job.

  2. Pingback: BIODIVERSITEIT INLEIDING | Tsjok's blog

  3. Pingback: PROTO MAMMALS | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: