zaadplanten evolutie


 

 

Fossiele resten van oudste Landplanten ontdekt

12 oktober 2010  

The rocks in the Sierras Subandinas, northwestern Argentina, that yielded the fossils 

The fossils were found in rocks of the Sierras Subandinas, Argentina

°

Wetenschappers hebben in Argentinië de fossiele resten van zeer oude planten ontdekt.

Het gaat om de eerste planten die op het land groeiden. De vondst wijst erop dat die kolonisatie van het land tien miljoen eerder plaatsvond dan gedacht. Naar schatting was er zo’n 472 miljoen jaar geleden al een rijke diversiteit aan planten op het land.

Het gaat om levermossen: hele eenvoudige planten zonder wortels. De vondst bevestigt ook dat de mossen de voorouders van alle planten op het land zijn.

A modern liverwort (credit: Eric Guinther)

Modern liverworts are probably common ancestors of all land plants
°
(worden tegenwoordig   beschouwd als “onkruid ” )
°
Marchantia polymorpha
Levermos met parapluutjes, de sporendragers

Detail blad met de spatbekertjes

Doorbraak
Het moment waarop de planten op het land gingen groeien, wordt in de wetenschap als een doorbraak gezien. De planten veranderden de grond en het klimaat en maakten  o.a.   het ontstaan van complex dierlijk leven mogelijk.

Diversiteit
De wetenschappers deden hun ontdekking van de voor zover bekende oudste planten, in het noordwesten van Argentinië. Ze namen er een aantal sedimenten weg en stelden deze bloot aan sterke zuren. In het sediment bleken de sporen van vijf verschillende soorten levermossen te zitten. “Dat bewijst dat planten al diverser begonnen te worden en dat betekent dat ze het land eerder gekoloniseerd hebben dan gedacht,” vertelt onderzoeker Claudia Rubinstein.

Oud
De onderzoekers vermoeden dat de kolonisatie tussen 488 en 472 miljoen jaar of mogelijk zelfs 499 tot 488 miljoen jaar geleden plaatsvond.

De oudste sporen van planten op het land die hiervoor gevonden waren, stammen uit de periode tussen 463 en 461 miljoen jaar geleden.

Liverwort cryptospores, the oldest land plant fossils yet found

The cryptospores are the oldest land plant fossils yet found
°

De sporen die in Argentinië gevonden zijn, wijzen erop dat de planten op Gondwana voor het eerst voet aan wal zetten. Het levermos evolueerde zich tot mossen en planten.

Een deel daarvan komt vandaag de dag nog op de aarde voor. 

im3221,spores-triletes-formation-qasim-ordovicien-superieur-katien-du-sondage-qsaiba-etudie-ici-diametre-30-40-m

spores-triletes-formation-qasim // ordovicien-superieur  / katien-du-sondage-qsaiba  diametre-30-40-m

Tétrades et dyades de l'Ordovicien moyen (Darriwillien) d'Arabie Saoudite, diamètre de 20 à 40 µm.

tetrades-dyades//ordovicien-moyen  / darriwillien-arabie-saoudite  diametre-20-40-m

°

Bronmateriaal:
Fossils of earliest land plants discovered in Argentina” – News.bbc.co.uk

http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Levermossen                                                               http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Liverworts

File:Liverwort life cycle.jpg

_

SPORENPLANTEN  

Gedurende miljoenen jaren regeerden Sporenplanten (mossen, wolfsklauwen en varens) het land.

Bij de Sporenplanten kunnen we twee duidelijke generaties onderscheiden, die gametofyt en sporofyt genoemd worden.De sporofyt vormt sporen, waaruit een nieuwe plant (gametofyt) groeit. De gametofyt maakt mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen en na bevruchting ontstaat hieruit weer een sporofyt. Heel veel mensen zullen de gametofyt van een varen niet bewust gezien hebben, het is een klein “plantje” (prothallium) tussen de volwassen varenplanten (sporofyt). Op het prothallium ligt vaak een dun laagje water, waardoor mannelijke geslachtcellen naar de vrouwelijke geslachtscellen kunnen zwemmen.

EVOLUTIE ZAADPLANTEN

http://www.botaniewebsite.nl/evolutie_zaadplanten.html

Dit artikel verscheen in de Hortuskrant van juni 2004. Daarnaast verscheen in deze krant een artikel van mij over het ‘levend fossiel’ Welwitschia mirabilis. In de Hortuskrant van september 2002 schreef ik een ander artikel over de evolutie, namelijk over Carboonplanten door

In de Hortus ( Amsterdam ) werd een evolutieroute uitgezet. http://www.adonline.id.au/plantevol/tour/

in het kader van het thema evolutie wil ik met u de ontwikkeling van het Plantenrijk gaan bekijken. En voornamelijk de evolutie van de “hogere planten”, de zaadplanten, omdat deze groep tegenwoordig dominant aanwezig is. )

Fred Triep

Tegen het einde van de geologische periode Siluur,

Oudste hout ter wereld ontdekt

Geschreven op 12 augustus 2011 om 12:47 uur door  1

Wetenschappers hebben in Frankrijk in 407 miljoen jaar oude gesteenten fossiele resten van hout aangetroffen.

De fossielen bewijzen dat hout nog zo’n tien miljoen jaar ouder is dan gedacht. Tussen de fossiele resten bevinden zich ‘stammetjes’ van wel twaalf centimeter lang.

Planten
Wie bij deze fossiele resten denkt aan dikke bomen heeft het mis. Hout was honderden miljoenen jaren geleden nog hard bezig aan een opmars. In het begin werd het vooral gebruikt door planten.

Water
Planten ontwikkelden een houtachtige structuur om water op een efficiënte manier op te kunnen nemen. Zo’n 407 miljoen jaar geleden nam de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer af en hierdoor konden de planten ook minder efficiënt water vanuit de grond halen en opnemen. Tegelijkertijd nam de behoefte aan water toe.

Houtachtig
Om in die behoefte te kunnen voorzien, ontwikkelden de planten in hun stengels een structuur die sterk aan hout doet denken. Zo bevinden zich lange, dunne cellen in de fossiele resten (aangegeven met rode pijltjes). Kleine cellen strekken zich uit van het binnenste van de stengel naar de randen.

De houtstructuur hielp de planten enorm en het duurde dan ook niet lang voordat deze zich ontwikkelde tot iets wat lijkt op de bomen die we vandaag de dag kennen.

°

Rond 350 miljoen jaar geleden (eind Devoon/begin Carboon)ontstonden de eerste zaadplanten.

Bij de zaadplanten is de voortplanting minder kwetsbaar voor milieu-invloeden. De zaadplanten bezitten ook de eerder genoemde generaties, maar de gametofyt blijft op de sporofyt zitten en is omgeven door de sporofyt en daardoor niet meer zichtbaar. Bij de bloemplanten komt de gametofyt overeen met de zaadknop in het vruchtbeginsel van de stamper en de pollenkorrel in het helmhokje van de meeldraad. De voortplanting is niet meer afhankelijk van transport via water, waardoor droge gebieden “gekoloniseerd” konden worden.

De zaadplanten worden al sinds Linnaeus verdeeld in twee groepen, de Naaktzadige Planten (Gymnospermen) en Bedektzadige Planten (Angiospermen). Bij de eerste groep is het zaad niet volledig opgesloten. Bijvoorbeeld bij de Coniferen vinden we kegels waar de zaden contact hebben met de buitenlucht. Bij de Angiospermen zitten de zaden in een afgesloten vrucht. Biologen nemen aan dat deze groep zich uit de Gymnospermen ontwikkeld hebben.

De oudste Gymnospermen waren de Zaadvarens, die meer op varens leken dan op de huidige zaadplanten. Nu weet men dat het geen varens zijn maar zaadplanten, omdat er fossiele bladeren met daaraan zaden gevonden zijn.

Deze groep planten leefde miljoenen jaren op aarde, van 300 miljoen jaar geleden tot ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Uit de Zaadvarens ontwikkelde zich waarschijnlijk de Cycadeeën. Deze naaktzadige planten worden ook wel Cycaspalmen genoemd, maar niets met echte palmen te maken. De Cycadeeën vormen tegenwoordig een kleine groep van planten, die bijna uitsluitend in de (sub)tropen gevonden worden. De Cycadales hebben een dikke stam met op de top een krans van varenachtig stevige bladeren, die erg op palmbladeren lijken. Gedurende de geologische periode Jura (190 tot 136 miljoen jaar geleden) hadden ze hun bloeiperiode, daarna nam hun aantal af. Nu leven er nog maar weinig soorten van deze groep. De bekendste plant uit deze groep is de Cycas revoluta, die nu als een decoratieve kamerplant verkocht wordt in tuincentra. Fraaie voorbeelden vindt u in de palmenkas, o.a. de oostkaapse broodboom, Encephelartos altensteinii.

De Coniferen vormen tegenwoordig de belangrijkste groep Gymnospermen op aarde. Hoewel de “bloeiperiode” (eveneens de Jura) van de Coniferen voorbij is, zijn zij in bepaalde streken op aarde nog steeds sfeerbepalend: de hogere breedtegraden op aarde met de taiga (naaldwoudzone). Coniferen gebruiken voor hun voortplanting minder energie dan de Cycadeeën. De kegels met mannelijke geslachtscellen (pollen) en vrouwelijke geslachtscellen (zaadknoppen) bevinden zich op één boom, wat de bevruchting vergemakkelijkt. Daarnaast laat een conifeer pas na bevruchting de kleine zaadknop uitgroeien tot een groter zaad. Een Cycaspalm laat al zijn zaadknoppen volledig uitgroeien.

Naast de Cycadeeën en de Coniferen zijn er nog twee andere groepen Gymnospermen. In de periode Trias (225 tot 190 miljoen jaar geleden) kwamen er al bomen voor, die op de huidige ginkgo (Ginkgo biloba) lijken. Deze voorouders hadden een wereldwijde verspreiding, maar de huidige ginkgo komt nog maar in een klein gebiedje in West China voor. Voor het uitsterven van deze boom hoeft niet gevreesd te worden, omdat hij gekweekt wordt voor zijn decoratieve kwaliteiten. Evenals de cycaspalm wordt de ginkgo een “levend” fossiel genoemd.
De laatste groep Gymnospermen, die ik wil bekijken, is een kleine groep van planten die samen gerekend worden tot de Gnetales. Hiertoe behoren 3 geslachten (Ephedra, Gnetum, en Welwitschia), die meer op de huidige bloemplanten lijken dan op de ander naaktzadige planten.

De vrouwelijke en mannelijke voortplantingsorganen liggen evenals bij de bedektzadige planten (bloemplanten) in lagen om elkaar heen.

Daarnaast hebben de Gnetales gespecialiseerde transportcellen, die lijken op die van de bedektzadige planten. Botanici dachten daarom, dat ze verwant waren aan de voorouders van de bedektzadigen. Uit moleculair genetisch onderzoek is echter gebleken, dat de Gnetales meer overeenkomst vertonen met de coniferen.

Figuur 1 geeft de recente inzichten in de verwantschap tussen Gymnospermen en Angiospermen op basis van het moleculair genetisch onderzoek weer, dat in 1999 gepubliceerd is.

Figuur 1. // De stamboom van de Zaadplanten volgens inzichten n.a.v. moleculair genetisch onderzoek in 1999.
Uit: The evolution of Plants (K.J. Willis en J.C. McElwain)

Uit dit onderzoek is ook gebleken dat het struikje Amborella trichopoda (de enige vertegenwoordiger van de familie Amborellaceae) van eilanden uit de Stille Zuidzee zeer grote genetische overeenkomst heeft met de voorouder van onze bloemplanten.

Het onderzoek aan het DNA van planten heeft ook binnen de groep van de Angiospermen tot andere inzichten geleid.

Biologen namen aanvankelijk aan, dat Magnolia de meeste primitieve bedektzadige is, omdat de bloem uit een groot aantal delen bestaat. Nu gaat men er van uit, dat dit na de Amborella de planten uit de orde Nymphaeales (verwanten van de waterlelie) zijn.

—–>Zie UPDATE    onderaan pagina =” ….ze(= zaadplanten )  verschenen volgens de nieuwste fossiele  vondsten  in het vroege trias en waarschijnlijk zelfs vroeger in hun voorouderlijke  vormen …. en dt ter vervanging v an de oudere opvatting —> “De bloemplanten verschenen in het vroege Krijt (140 miljoen jaar geleden).-***(1)

____________________________________________________________________________________

Binnen relatief korte tijd ontstonden verschillende families van de bedektzadige planten.

Tegen het einde van het Krijt (60 miljoen jaar geleden) hadden zij de naaktzadige planten van hun dominante positie verdrongen. De eerste Angiospermen ontstonden waarschijnlijk in het supercontinent Gondwana.

Gondwana is het continent dat gedurende miljoenen jaren uit onder andere het huidige Zuid- Amerika, Afrika, Australie, Antarctica en India bestond.

Figuur 2 geeft weer hoe Gondwana er omstreeks 135 miljoen jaar geleden uitzag en omstreeks 95 miljoen jaar geleden.

      

.Klik op de thumbnails, als je de grote tekeningen (respectievelijk 66 en 62 Kb groot) wilt zien

Links: Gondwanaland 135 miljoen jaar geleden
Rechts:Gondwanaland 95 miljoen jaar geleden Deze tekeningen zijn bewerkingen van de figuren uit het boek Mary E. White over Gondwanaland

Gondwana en zaadplanten

De Angiospermen ontstonden op de grens, waar Zuid- Amerika en Afrika werden gescheiden. Van daar uit verspreidde deze groep zich naar hogere breedten op de aarde.

De snelle evolutie van de Angiospermen is onder andere het gevolg van de co-evolutie met insecten. De allereerste bloemplanten hadden waarschijnlijk witte bloemen (zoals de Magnolia), omdat ze bestoven werden door kevers.

De bestuiving door bijen en andere insecten, die kleuren kunnen zien zorgden voor een selectiedruk op veranderingen in de bouw en de kleur van de bloemen: van radiaal symmetrisch naar tweezijdig symmetrisch en van wit naar verschillende kleuren.

°

Uit de verspreiding van een aantal plantenfamilies over het zuidelijk halfrond is nog steeds te zien, dat vele groepen Angiospermen in Gondwana ontstonden.

In figuur 3 ziet u de verspreiding van de familie Proteaceae over de wereld. De meeste soorten leven nu in Zuid Afrika, maar er worden ook soorten in Zuid- Amerika en Australie (bijvoorbeeld de Australische zilvereik of Grevillea robusta) gevonden. Hetzelfde patroon vinden we ook bij de familie Winteraceae, Restionaceae en het grootste deel van de familie Myrtaceae.

figuur 3. De verspreiding van de Proteaceae over de wereld 
Deze tekening is afkomstig uit het boek van Mary E. White over Gondwanaland

De Angiospermen worden verdeeld in grote groepen. Voor veel lezers is waarschijnlijk de indeling in tweezaadlobbige planten (Dicotylen) en eenzaadlobbige planten (Monocotylen) bekend.

De moleculair genetische onderzoeken van 1999 hebben ook hier tot nieuwe inzichten geleid.. Bij de nieuwe indeling zijn de Monocotylen nog steeds aanwezig, maar de Dicotylen worden dan verdeeld in twee groepen, de grootste groep met de meeste Dicotylen (de meer ontwikkelde Eudicots) en een restgroep die primitiever is met onder andere de verwanten van de waterlelie, de laurier en de magnolia.

Het genetisch onderzoek geeft ook aanleiding te veronderstellen, dat de Monocotylen uit de Dicotylen zijn ontstaan. Dit wordt bevestigd door de fossiele vondsten: onder de fossielen van 127 tot 112 miljoen jaar geleden worden geen eenzaadlobbige planten aangetroffen.

De evolutie van de bloemplanten heeft ook grote gevolgen gehad voor uiterlijk van de wereld. Door bijvoorbeeld het ontstaan van de grassen (begin Eoceen, ongeveer 50 miljoen jaar geleden) konden de grote grazers zich ontwikkelen. Grassen kunnen zich beter herstellen van vraat dan andere planten. Zij waren ook in het voordeel ten opzichte van ander planten toen het klimaat in het Eoceen steeds droger werd. Uiteindelijk maakte het ontstaan van de grassen ook de ontwikkeling van de huidige mens mogelijk, veel gewassen (granen) komen uit de grassenfamilie (Poaceae).

Wilt u meer lezen over de evolutie van de planten? Een boeiende website over de evolutie van planten is de mooie en zeer verzorgde website van de 23 jarige Australische student Adam Dimech.

Elders in de krant vindt u nog een verhaal over het ‘levend fossiel’ Welwitschia mirabilis.

Literatuur

Barry Thomas
De evolutie van Planten en Bloemen
Lannoo, Tielt en Bussum, 1982
ISBN 90 209 1079 5

K.J. Willis en J.C. McElwain
The Evolution of Plants
Oxford University Press, 2002
website van het boek:
http://www.oup.co.uk/best.textbooks/biology/plantevol/

Mary E. White
The Greening of Gondwana – The 400 million story of
Australia ’s Plants
Kangaroo Press, 3e druk, 1998
ISBN 0 85417 895 6

Adam Dimech
Plant Evolution Tour
http://www.adonline.id.au/plantevol/tour/

FOSSIELE PLANTEN

http://www.xs4all.nl/~steurh/index.html#inhoud

De oudste landplantenDe oudste landplanten (vervolg)

Cooksonia, een zeer oude landplant Cooksonia, een zeer oude landplant (vervolg)

Pachytheca, een vreemd, plantaardig bolletje De raadselachtige plant Parka decipiens

(Zaad)varens van de Piesberg en Ibbenb체ren

De wolfsklauwboom Lepidodendron De wolfsklauwboom Sigillaria

Determinatietabel Sigillaria-soorten De paardenstaartboom Calamites

De naaktzadige boom Cordaites Het blad van de zaadvaren Neuropteris

De boomvaren Psaronius (Sterrenshow) De Perm-flora van Lod챔ve

Hout van coniferen De boomvaren Tempskya

Fossiele DIEREN

Diertjes in het steenkolenwoud Platen-atlas van de Rhynie Chert (Diashow)

Diertjes uit de Rhynie Chert Zeer oude miljoenpoten uit Schotland

Acht mooie fossielen van dieren

LinksPaleobotanische boeken Publicaties Lezingen Werkgroep Fossielen Wageningen

En de creationisten ?
Coniferen en creationisten
Figuur 2. 10
Hierboven staan twee kegeldragende planten die zowel fossiel als tegenwoordig bekend zijn.
Bloeiende planten en creationisten
Fossiele planten lijken heel erg veel op die welke we tegenwoordig hebben en zij
worden in grote aantallen gevonden in de gesteenten uit het Krijt.
Crea  Claims
—>Er zijn geen aanwijzingen hoe zij uit andere soorten planten ontstaan zouden kunnen zijn.
—>Zij verschijnen abrupt in de fossielen kolom in grote variatie zonder tussenvormen die schakels leggen naar andere planten.
 Darwin was zich bewust van deze feiten.
Hij noemt de oorsprong van bloeiende planten – een afschuwelijk mysterie-.
—> alweer de oude smoes van het ontbreken van fossiele ” missing links “er zijn echter wel degelijk moleculaire stambomen te konstrueren die  verwijzen naar  de evolutie van de planten en de zaadplanten  
verwantschapsbomen

 
Depicted are relationships among the three lineages of plants: glaucophytes (freshwater algae; blue), rhodophytes (red algae; red), and the green plants (chlorophytes, charophytes, and land plants; green). Estimated dates for some nodes are listed in millions of years before present. The primary endosymbiotic event is estimated to have occurred at least 1.6 billion years ago. A deep split within the green lineage created the chlorophyte clade and the charophyte plus land plant clade. Note that both the charophytes and the bryophytes are grades and are not monophyletic. Major events in the evolution of land plants are demarcated with arrows. Species for which complete nuclear genome sequences are available are listed in color (photographs at right; the three angiosperm species are pictured upper left). Species positioned in large phylogenetic gaps where genome sequences would be informative (black) include the following: the basal lineage of land plants, the liverworts, charophycean algal lineages (Chara, Coleochaete) that are sisters to land plants, and the gymnosperms, which are the sister group to flowering plants (angiosperms). Also included is a multicellular chlorophytic green alga. Secondary endosymbiotic events have occurred within both the red algae (e.g., diatoms, pictured) and green plants. Pie chart shows the relative species richness of the major clades. The vast majority of species within the Plantae are angiosperms (250,000 species), with other groups having substantially fewer described species (numbers approximated): glaucophytes 13; rhodophytes 5,920; chlorophytes 3,720, charophytes 3,400; bryophytes 17,000 (liverworts 7,000, mosses 10,000, hornworts 100); lycophytes 1,225; ferns 12,000; gymnosperms 800.
 
The Scientist 13[24]:12, Dec. 6, 1999
Discovering Relatives in the Flowering Plant Family Tree
By Barry A. Palevitz
http://www.the-scientist.com/yr1999/dec/palevitz_p12_991206.html
( Nota van de beheerder ; ik geef hier het oorspronkelijke engelse artikel omdat het niet makkelijk is te bereiken/openen zonder abonnement … )Botanists argued over whether ancestors of the 250,000 flowering plants, or angiosperms, were tender herbs or woody, like shrubs.
Now they may be writing the final chapters of Darwin’s whodunit, not with the traditional phrases of fossils and plant anatomy, but with the letters and words of gene sequences.
Botanists have been particularly eager to learn more about the lowest branches of the angiosperm evolutionary tree–the plants that, having diverged first, are closest to the group’s progenitors.
But
“as recently as the beginning of this year, people were viewing this as a difficult problem that might be intractable,”
says Douglas Soltis of the School of Biological Sciences at Washington State University in Pullman. Now,
“within the space of a few months, several labs using different approaches have shown the same thing.”
Adds Jeffrey Palmer of the department of biology, Indiana University in Bloomington, “It took so long to get this far and now, boom, we’re here.”
So why the sudden progress?
What made the difference?
Botanists traditionally relied on fossils together with plant anatomy and physiology to infer evolutionary history.
For example, they used to think magnolias were primitive based on flower structure.
But the value of structural information is limited by the number of characters you can define–perhaps a few score–so plant biologists turned to comparative gene sequences for more definitive data.
A gene contains thousands of characters in the form of nucleotides.
At first botanists used single genes, including the chloroplast-based rbcL and a nuclear gene encoding the 18S RNA of cytoplasmic ribosomes (18S rDNA), to construct evolutionary trees.
Researchers realized, however, that in constructing such trees, or phylogenies, more sequences translate into even greater resolution and confidence, so they pooled data from multiple genes.
With so much data,
“support for the first branches becomes extraordinarily high,” says Soltis,
who with wife Pamela Soltis advocated combining sequences two years ago.(1 )
There’s simply more statistical power in the results,”
adds Richard Olmstead of the department of botany, University of Washington in Seattle.
Olmstead stresses another important ingredient for success: a federally funded consortium called the Green Plant Phylogeny Research Coordination Group.
The group’s members reported their results at last summer’s International Botanical Congress in St. Louis.
“There’s been a lot of sharing of data, sources, and materials,”
notes Olmstead, adding,
“The grant helped stimulate things. It fostered collegiality and cooperation in a way that is too rare in science today.”
That doesn’t mean there’s no competition–the teams are racing to get their work into print.
Phytochrome Illuminates the Problem
First to the finish line, barely, were Sarah Mathews and postdoctoral mentor Michael Donoghue of Harvard University’s department of organismic and evolutionary biology.
The duo sequenced two genes for phytochrome, a protein plants use to change their growth and development in response to light.(2 )
Phytochrome is encoded by a family of genes, two of which, PHYA and PHYC, probably arose by gene duplication with the first angiosperms.

By comparing PHYA and PHYC sequences in various plants, Mathews and Donoghue constructed phylogenies for each gene, the most parsimonious or frugal of which turned out to be remarkablysimilar. Mathews and Donoghue then pooled data from both genes to produce a consensus tree.The results were striking–a single species, the New Caledonian shrub Amborella, turned out to
be sister to all other angiosperms.

In other words, Amborella’s ancestors diverged very early from all current flowering plants.
Next to diverge were the water lilies, then an Australian vine called Austrobaileya, followed by more familiar species such as magnolia, pepper, and grasses.
It’s not that Amborella was a surprise–botanists had their suspicions, especially from the Soltises’ earlier work1–
but there was no clear signal … the data were equivocal,” says Mathews. Now we know that
Amborella is the most primitive flowering plant with PHYA and PHYC.”
But Claude dePamphilis, associate professor in the department of biology, Pennsylvania State University, is circumspect:
“It depends on at what point the phytochrome gene duplication really occurred.”
His own data on mitochondrial genes turned up the same three lower branches, but don’t distinguish which came first. Still, dePamphilis is upbeat:
“It’s a very important result, and a novel and informative way to find the root of the tree.”
More Gene Sequences, More Support
Close on the Harvard team’s footsteps were the Soltises, who participated in two studies comparing nuclear, chloroplast, and mitochondrial genes in a large sample of plants.

With Mark Chase of the Royal Botanic Gardens at Kew, United Kingdom, they surveyed more than 550 angiosperms for two chloroplast genes (including rbcL) and 18S rDNA–nearly 5,000 nucleotides per species all told.(3 )

A second analysis led by Yin-long Qiu of the Institute of Systematic Botany, University of Zurich, used fewer species but concentrated on the lower branches of the tree, adding two mitochondrial genes to increase resolution.(4) In the resulting trees, Amborella once again branched first, followed by water lilies. Austrobaileya came next, in a group that also included Illicium and Schisandra, shrubs, and woody vines from East Asia and the southeastern United States.
In a study soon to appear in Current Biology, Palmer, together with Christopher Parkinson and Keith Adams, reached the same conclusion about the tree’s lower branches by combining sequences from three mitochondrial genes, rbcL, and
18S rDNA.(5 )
Still, Palmer defers to Olmstead for the definitive answer–
he has the most nucleotides and the most resolution.”
Olmstead’s laboratory examined nearly 15,000 nucleotides in 17 slowly evolving chloroplast genes, including rbcL, concentrating on 40ュ50 species in lower branches of the tree.
The results were the same–Amborella is the first branch.
Olmstead hopes to publish in the near future.
Obviously, the strategy of combining multiple sequences paid off in remarkable agreement–
Questions Remain
Not everything is settled, of course. One of the biggest problems is the monocots, a large group that includes grains such as rice and maize. In the Mathews/Donoghue scheme, monocots cluster with eudicots such as columbine, but in the Soltises’ tree they’re more related to the magnolias. “Monocot placement is one of the next big challenges,” opines Palmer. The solution is probably more sequences from more species.
Another big challenge is the seed plants, the next taxonomic level down the plant kingdom encompassing angiosperms and gymnosperms, including cycads and conifers like pine. Gymnosperm ancestry is contentious–that’s why the Soltises,
Palmer, and dePamphilis expanded their efforts to include more plants, and publications are already in the works. Qiu’s team provided the first published hint that surprises are in store–the Gnetales, which include a strange Namibian desert plant called Welwitschia and were once thought to be angiosperm allies, now seem to fall with conifers.
New Inferences
Phylogenetic trees are not an end in themselves–biologists use them to make further predictions. Looking at the growth habit of plants on the lower branches of their tree, Mathews and Donoghue think the first angiosperms may have been woody. That’s because Amborella and Austrobaileya are woody shrubs and vines. What’s more, wide water-conducting conduits called vessels dominate angiosperm wood. Since Amborella lacks vessels, dePamphilis thinks the new trees can illuminate “at what point the genetic basis for the formation of vessels appeared.”
The lower branches of the tree are not species rich (Amborella is alone in its own family), so flowering plants may not have diversified right away, according to Mathews and Donoghue. Palmer and coworkers aren’t so sure–Amborella and Austrobaileya may be survivors of once rich families that are mostly extinct. DePamphilis agrees:
“They’re likely to be only a small portion of what was around at the time.”
Angiosperms quickly dominated the plant kingdom because of their yin-yang relationship with animal pollinators, especially insects, which promotes cross pollination and genetic diversity–at least, that’s been the party line.(6 )
But Mathews and Donoghue wonder if their rapid diversification came after a switch to an herblike habit, which is probably what happened to the water lilies.
“We can now test if there’s a cause and effect relationship between herbiness and angiosperm diversity,” hopes Mathews. Palmer is still cautious: “There have been a lot of transitions [between woody and herbaceous forms], and multiple in both directions, so we have to be careful.”
Palmer’s group sees another use for more accurate trees–interpreting the fossil record. Many of the earliest identifiable angiosperm fossils seem to be magnoliids and date to 120ュ130 million years ago. Since the magnolias are higher up on the new phylogenetic trees, the first angiosperms closest to Amborella and water lilies must have appeared earlier. Paleontologists are sure to be out hunting, if not now then soon.
(Barry A. Palevitz (palevitz@botany.dogwood.uga.edu) is a contributing editor for The Scientist.)
References
1. D.E. Soltis et al., “Angiosperm phylogeny inferred from 18S ribosomal DNA sequences,” Annals of the Missouri Botanical Garden, 84:1ュ49, 1997.
2. S. Mathews and M.J. Donoghue, “The root of angiosperm phylogeny inferred from duplicate phytochrome genes,” Science, 286:947ュ50, Oct. 29, 1999.
3. P.S. Soltis et al., “Angiosperm phylogeny inferred from multiple genes as a tool for comparative biology,” Nature, 402:402ュ4, Nov. 25, 1999.
4. Y.-L. Qiu et al., “Evidence of the earliest angiosperms from mitochondrial, plastid and nuclear genomes,” Nature, 402:404ュ7, Nov. 25, 1999.
5. C.L. Parkinson et al., “Multigene analyses identify the three earliest lineages of extant flowering plants,” Current Biology, in press, 1999.
6. P.R. Crane et al., “The origin and early diversification of angiosperms,” Nature, 374:27 33, 1995.
See also :
Sarah Mathews and Michael Donoghue in the Oct. 29 1999 issue of Science.
Paper 1997
°
UPDATE 
*** (1)

Bloeiende planten   vroeger dan het krijt

 02 oktober 2013r 0

Flower-like pollen from the Triassic (picture: UZH)

Nieuw onderzoek wijst erop dat de eerste bloemen ongeveer honderd miljoen jaar eerder bloeiden dan gedacht. 

Onderzoekers van de universiteit van Zürich trekken die conclusie op basis van fossiele resten van stuifmeelkorrels. Deze stuifmeelkorrels bewijzen dat de directe voorouders van bloeiende planten 240 miljoen jaar geleden al op aarde voorkwamen.

Afstamming
De bloeiende planten stammen af van – inmiddels uitgestorven – planten die weer familie zijn van bijvoorbeeld coniferen en zaadvarens. De enige resten die we vandaag de dag nog van de eerste bloeiende planten hebben, zijn stuifmeelkorrels.

Omdat gefossiliseerde pollen van bloemen pas in aardlagen die 140 miljoen jaar oud zijn met grote regelmaat opdoken, namen onderzoekers altijd aan dat de bloeiende plant pas rond die tijd ontstond. Maar dit nieuwe onderzoek maakt melding van pollen die sterk lijken op de pollen van bloeiende planten en die 100 miljoen jaar ouder zijn. Dat suggereert dat de bloeiende planten ergens tussen 252 en 247 miljoen jaar geleden – en wellicht zelfs eerder – ontstonden.

Bedektzadigen zijn nu de dominerende plantengroep op het land. De groep wordt gekenmerkt doordat het zaad goed zit afgeschermd door een sappige of droge vrucht. Denk maar aan de pit in een kers bijvoorbeeld. Alle bedektzadigen hebben bloemen. Bij sommige is dat heel opvallend, bij bijvoorbeeld gras is dat al een pak subtieler.

Fossiele  Pollen opgegraven die microscopische kenmerken hebben die gelijkaardig zijn aan die van bedektzadigen.

De zeer goed bewaarde fossielen zijn zo’n 245 miljoen jaar oud. Algemeen werd aangenomen dat bloemen pas 100 miljoen jaar later waren ontstaan.

“Onze bevindingen tonen aan dat bloemplanten veel diepere wortels hebben dan tot nu toe werd gedacht”, zegt van de onderzoekers. De wetenschappers hebben zes verschillende soorten pollen teruggevonden. Dat zou erop kunnen wijzen dat er toch al een relatief grote diversiteit was bij die bedektzadigen.

Tot nu toe werd ook aangenomen dat bloemplanten relatief snel na het ontstaan van de groep de wereld hebben veroverd. Die snelle opmars heeft wetenschappers altijd verbaasd. Nu ontdekt is dat bloemplanten al 100 miljoen jaar langer bestaan, is het niet denkbeeldig dat die opmars een pak trager is gegaan.

Voor het Krijt

De onderzoekers ontdekten de fossiele resten – die uit het begin van het Trias stammen – in het noorden van Zwitserland. Eerder troffen de onderzoekers zo’n 3000 kilometer verderop – ten zuiden van Spitsbergen – al fossiele pollen aan die sterk leken op de pollen van bloeiende planten en die uit het midden van het Trias stamden. “We geloven dat zelfs zeer voorzichtige wetenschappers nu wel overtuigd zullen zijn dat bloeiende planten lang voor het Krijt al ontstonden.”

Belangrijk
De vondst is belangrijk, zo stellen de onderzoekers. Wetenschappers proberen al lange tijd de leeftijd van bloeiende planten te achterhalen. Vooralsnog zonder resultaat, voornamelijk doordat er maar geen extreem oude fossiele resten van bloeiende planten werden teruggevonden.

Daarom is de huidige vondst van bloem-achtige pollen uit het Trias zo belangrijk,” benadrukt onderzoeker Peter Hochuli.

Als de bloeiende planten inderdaad rond 250 miljoen jaar geleden ontstonden, betekent dat dat de bloem ouder is dan de bij. De bij ontstond namelijk pas ongeveer 100 miljoen jaar later. De onderzoekers vermoeden dan ook dat deze eerste bloeiende planten door andere insecten, (bijvoorbeeld) kevers, bestoven werden.

Bronmateriaal:
New fossils push the origin of flowering plants back by 100 million years to the early Triassic” – UZH.ch

06 januari 2014

Darwin’s abominable mystery: het ontstaan van bloemdragende planten opgehelderd?

In de Science van 20 Dec 2013 stond een artikel [1] over de oorsprong en evolutie van Angiospermae (flowering plants, ‘bloemdragende planten’, bedektzadigen). Wat mijn aandacht trok was een opmerking in de inleiding:

Darwin's abominable mystery

“Darwin famously characterized the rapid rise and early diversification of flowering plants (angiosperms) in the fossil record as an “abominable mystery”. [1]

Charles Darwin noemde het schijnbaar plotselinge ontstaan van de Angiospermae een ‘vreselijk mysterie’. Het was mij ontgaan dat Darwin dit als een groot probleem zag. Misschien niet zo verbazingwekkend, want het staat niet in het hoofdstuk ‘Difficulties on Theory’ van The Origin of Species [14]. En in evolutiehandboeken komt het ook niet vaak voor. Het waren slechts een paar losse opmerkingen in een brief van Darwin uit 1879 en in een brief uit 1881 [2]. Maar toch zijn deze losse opmerkingen beroemd geworden. Ik wil in dit blog stilstaan bij de betekenis van Darwin’s abominable mystery voor de evolutietheorie. 

Wat is het probleem?

Wat was het probleem? Waarom is het zo’n groot probleem? Waarom wordt er nu nog steeds verwezen naar Darwin’s verzuchting? Heeft de recente Science publicatie het probleem nu opgelost?

Er zijn 6 deelproblemen die opgelost moeten worden:

  • de plaats van oorsprong van de bloemdragende planten
  • het tijdstip van oorsprong
  • de evolutionaire voorouder (gezien de combinatie van unieke kenmerken, is het onwaarschijnlijk dat Angiospermae meer dan één keer ontstaan zijn. (bron)
  • de oorzaken van de enorme ecologsche en morfologische diversiteit (deAngiospermae omvatten zo’n 350.000 soorten die alle uithoeken van de wereld hebben veroverd)
  • de explosieve toename van het aantal soorten (een soort big bang)
  • de onderlinge fylogenetische relaties binnen de Angiospermae

Stamboom van Angiospermae

Amborella trichopoda,°
De Science publicatie benadert het probleem vanuit genomics (=complete DNA van een organisme). Het DNA van een primitieve Angiosperm Amborella is gesequenced. De publicatie wijst op de rol van een genoomduplicatie (polyploidie) vlak voor het ontstaan van de Angiospermen gevolgd door nog vele genoomduplicaties (zie figuur). In de stamboom van de planten hebben er in totaal 19 genoomverdubbelingen plaatsgevonden. Dat geeft mogelijkheden voor mutaties in het gedupliceerde deel zonder dat oorspronkelijke functies aangetast worden. En op basis van mutaties kunnen adaptaties ontstaan.
Een populair probleem met een geschiedenisMijn eerste indruk van de Science publicatie was dat Darwin’s probleem nu min of meer was opgelost. Maar, dat bleek niet te kloppen. Het is in feite een vervolg studie van eerdere onderzoeken uit 2011 en 2006 waar Amborella ook al figureerde. InScience vond ik nog 10 andere artikelen tussen 8 Feb 2013 en 1904 [3] en in Nature27 publicatie’s in de 110-jarige periode 2013–1903 die de Darwin quote bevatten. Verder in vele wetenschappelijke boeken die zich met de evolutie van Angiospermaebezighouden, op populair-wetenschappelijke websites zoals ScienceDaily [4] en anti-creationistische website zoals TalkOrigins [5], maar ook op creationistische sites [7] en boeken [10].
Google Scholar (Google’s wetenschappelijke zoekmachine) geeft een –voor wetenschappelijke publicaties– verbazingwekkend aantal van 371 hits op de zoekterm “Darwin’s abominable mystery”. Het is zeer bijzonder dat een opmerking in een brief van Darwin zo vaak voorkomt in de wetenschappelijke literatuur. Maar het feit dat dezelfde quote ook door een eindeloze rij creationisten wordt ‘gebruikt’ maakt de quote pas echt uniek. Het is verbijsterend dat een opmerking van Darwin in een briefuit 1879 over de mysterieuze oorsprong van de Angiospermae terug te vinden is op christelijke websites zoals ‘Christian Web’ en in christelijken boeken als: ‘Handbook of Biblical Evidences: The Facts on Jesus Creation The Bible’ ! Christenen geïnteresseerd in de oorsprong van Angiospermen?
Het aantal treffers in de standaard Google zoekmachine zou ongeveer 162.000 zijn! Zelfs in de New York Times. Een zeer populaire quote kun je wel zeggen. Een zeer leesbaar overzicht van wat Darwin nu precies bedoelde met die quote vind je hier: [11].Ook in een evolutiehandboekVolgens Strickberger’s Evolution derde (2000) en vierde editie (2008, p.331) is Darwin’s abominable mystery nog steeds niet opgelost. Voor zover ik kan nagaan komt Darwin’s abominable mystery in de vijfde editie (2013) helaas niet meer voor, terwijl de evolutie van de Angiopsermae wel wordt behandeld. Futuyma (1998)Evolutionary Biology maakt geen melding van Darwin’s abominable mystery. Andere handboeken vermelden  abominable mystery niet en hebben weinig overAngiospermae te melden. Evolutiehandboeken zijn er in principe om studenten vaststaande kennis te leren en niet om ze met onopgeloste problemen te confronteren? Maar, het zou toch knullig zijn als ze van het probleem op de hoogte gesteld werden door christelijke websites? Dan kun je het maar beter goed uitleggen in evolutie studieboeken. Een overigens uitstekend boek van Donald R. Prothero (2007) ‘Evolution. What the Fossils Say and Why it Matters‘ [17] zegt helemaal niets over planten, en Angiosperms komen niet in de index voor. Alsof ‘fossielen’ synoniem zijn met ‘fossiele dieren’. Alsof er geen fossiele planten zijn.Probleem opgelost of niet?

Titels van artikelen zoals “could help solve”, “provides insight into”, “Unraveling Darwin’s “abominable mystery”, “addresses Darwin’s ‘abominable mystery”, “towards resolving Darwin’s abominable mystery” [9] suggeren dat het probleem nog niet is opgelost. Soms een optimistische titel in een wetenschappelijke tijdschrift: “an ecological explanation for Darwin’s ‘abominable mystery'” van de Nederlanders Frank Berendse en Marten Scheffer [12]. De website ScienceDaily maakt hier van: “Darwin’s Mystery Of Appearance Of Flowering Plants Explained” [4]. Probleem opgelost! Een populair artikel kopt “Resolving Darwin’s abominable mystery” (hier), dat suggereert dat het probleem opgelost is. Nog een optimistische titel ‘Charles Darwin: A Hole in Theory of Evolution Explained’ in een niet-wetenschappelijke bron. Eén wetenschapper waagt zich in 1998 aan een optimistische voorspelling:

I predict that the great “abominable mystery,” with us for over 100 years, will not last another 10.” (W. Crepet, ‘The Abominable Mystery’, Science 27 Nov 1998)

Die voorspelling is nu 15 jaar geleden en is dus niet uitgekomen. Desondanks concludeert een artikel uit 2007: “After a dozen years of progress the origin of angiosperms is still a great mystery” [8]. Pessimistische geluiden zijn van tijd tot tijd te vinden in de wetenschappelijke literatuur, zoals een artikel in 1952 [15].  Een overzichtsartikel uit 2008 concludeert dat het verschijnen van Angiospermae in de fossil record niet zo abrupt is als Darwin dacht [11]. Twee publicatie’s die nog het meest in de buurt van een oplossing komen zijn: [18, 19].
Maar, wanneer is ‘het probleem’ eigenlijk opgelost? Wat zijn eigenlijk de criteria voor een definitieve oplossing? Welke gegevens moeten op tafel liggen? Het hangt natuurlijk af van welk deelprobleem je wilt oplossen (zie bovenstaande 6 deelproblemen). Die vragen worden niet vaak gesteld in de wetenschappelijke literatuur, is mijn indruk. De meeste wetenschappelijke artikelen houden het er op dat we vorderingen maken, maar dat het probleem nog niet is opgelost.

Wetenschapsfilosofische vragen

De evolutietheorie impliceert dat de Angiospermae voorouders gehad moet hebben. Wat als wetenschappers die niet kunnen vinden? Is de hele evolutietheorie dan weerlegd? Als de evolutietheorie niet alleen overgangsvormen voorspelt, maar ook dat daar van (binnen 150 jaar) voldoende fossielen gevonden moeten worden, dan vormt het gebrek aan fossielen op zijn minst een anomalie (een feit tegen de theoretosche verwachting in [16]), of zelfs dat de theorie is  weerlegd. Vooral, als andere groepen, zoals zoogdieren of vogels wel aan die verwachtingen voldoen.
Een ander wetenschapsfilosofisch aspect is: wanneer is de evolutietheorie eigenlijk ‘bewezen’? Zijn er gradatie’s in ‘bewezen zijn’? Heeft Darwin in 1859 de evolutietheorie bewezen of voldoende aannemelijk gemaakt? De wetenschapshistoricus Barry Gale betoogde dat Darwin in 1859 weinig bewijsmateriaal had voor zijn evolutietheorie, zie mijn review: [6].
Kunnen we de evolutietheorie accepteren zonder dat het ‘abominable mystery‘ opgelost is? Kan dat zonder Mendelse genetica en DNA? Zo ja, hoeveel bewijsmateriaal en wat voor soort bewijsmateriaal heb je eigenlijk nodig? Houdt het een keer op met bewijzen aandragen? Als dat zo is, is dan al het bewijsmateriaal wat daarna wordt aangedragen (zoals de oplossing van abominable mystery) extra? het invullen van het algemeen beeld? het inkleuren van witte vlekken op de kaart? Als de theorie waar is, kan hij dan nog ‘waarder’ worden door nog meer bewijsmateriaal? Maakt tegenwoordig een beetje méér support voor de evolutietheorie nog uit? Of zijn er duidelijke gaps die echt opgelost moeten worden? Ook al zou de theorie dat vereisen, met een variatie op de uitspraak van Dirk van Delft (directeur Museum Boerhaave): “Ontdekkingen kun je niet bestellen”: fossielen kun je niet bestellen.

Nog gecompliceerder wordt wanneer er vele aanwijzingen zijn voor de correctheid, maar tegelijk enige aanwijzingen voor de onjuistheid van de theorie.
Zijn dit eigenlijk wel zinnige vragen? Moeten we niet spreken over de evolutietheorie als hét onderzoeksprogramma in de biologische en aanverwante wetenschappen dat onderzoeksvragen formuleert en richting geeft aan alle toekomstig biologisch onderzoek? En als er gaten zitten in de evolutietheorie of het bewijsmateriaal, die niet opgelost kunnen worden met welk theoretisch of experimenteel wetenschappelijkalternatief dan ook, dan zijn we kennelijk aangelopen tegen de grenzen van wetenschappelijke kennis in het algemeen.CreationismeEen onopgelost probleem in de evolutietheorie dat al sinds Darwin bestaat, en erkend is door Darwin zelf, is natuurlijk koren op de molen van het Creationistendom. Een godsgeschenk! Gooi één van beide Darwin citaten in Google en je krijgt een parade van creationisten en andere anti-evolutionisten. Een extreem (recent) voorbeeld: Het Institute for Creation Research (ICR):

  • “However, what is known about flowers is consistent with the creation account in Genesis, which teaches that each flower kind was formed by God on day three of the creation week.”
  • “Thus, the burden of proof lies squarely with those who insist that polyploidy spurs evolutionary innovation. They should provide supportive experimental or observational data to back up their claim.”
  • “flowering plants exist because the Creator deliberately engineered them from the beginning.” [7]

Het onwetenschappelijk, archaïsch taalgebruik, en de vaagheid van hun eigen alternatieve verklaring contrasteert sterk met de gedetailleerdheid van alle wetenschappelijke verklaringen. De bedoeling van de Science studie is niet een simpele conclusie in de trant van ‘Darwin was right’, maar de verwantschap tussenAngiospermae onderling en met niet-Angiospermae gedetailleerd in kaart te brengen door middel van een stamboom op basis van DNA. Het creationisme kan niets anders zeggen dan: God heeft de Angiospermae geschapen. Dit levert helemaal geen nieuwe kennis op. Niets. Het is helemaal geen kennis.

In feite behelst het ICR artikel een hoge mate van bedrog door de brutale claim dat ze wetenschappelijke methodes gebruiken en echte wetenschap bedrijven.
Het tragische van het hele verhaal is dat het ICR van evolutiebiologen eist dat ze hun stellingen moeten ondersteunen met experimentele en observationele data (‘They should provide…’), terwijl zij zelf doodleuk uit Genesis citeren. Is Genesis experimenteel en observationeel bewijsmateriaal!? Als Genesis bepalend is voor de waarheid in de biologie, dan is het inconsequent om bewijsmateriaal van biologen te eisen en niet van jezelf. Ten diepste hebben we hier te maken met een category mistake [13]: beoordelingscriteria uit de categorie fictie en non-fictie door elkaar halen. Zelfs de schijnbaar redelijke vraag: Heeft het ICR ‘scheppingsfossielen’ als bewijs voor haar theorie? is een category mistake.
Een comfortabele positie voor het ICR: geen enkele vooruitgang in de wetenschappelijke kennis zal bij het ICR ook maar enig gewicht in de schaal leggen. Niets kan Genesis weerleggen. Genesis is onweerlegbaar. Als Genesis het volledige verhaal vertelt, dan kan het ICR nooit nieuwe biologische details over de schepping onthullen.
Conclusie: Óf je onderwerpt je aan de regels van de wetenschap, óf Genesis is het enige critierium voor waarheid in de biologie. Net doen alsof je wetenschap bedrijft, maar ondertussen Genesis als maatstaf voor de waarheid accepteren, is de grootst mogelijke inconsistentie. En is verwarring scheppend.ConclusieDarwin was zó bezorgd over de snelheid van de diversificatie (‘rate of diversification‘) en over het gebrek aan fossiele voorlopers van de Angiospermae, dat hij het eenabominable mystery noemde. Het ging te sterk tegen geleidelijke evolutie in (‘gradual evolution‘). Het is echter onredelijk te eisen dat alle details over de geschiedenis van het leven op aarde bekend en verklaard moeten zijn vóórdat de evolutietheorie als de juiste wetenschappelijke theorie over geschiedenis van het leven geaccepteerd wordt. De evolutietheorie omvat nl. als belangrijk onderdeel de gemeenschappelijke afstamming van al het leven (‘common descent‘). Het argument daarvoor is, zoals we nu weten, dat al het leven (dieren, planten, bacterieën) DNA als drager van de erfelijkheid hebben en dezelfde genetische code hebben die DNA ‘vertaalt’ in eiwitten. Welnu, is er is geen enkele aanwijzing dat Angiospermae daar een uitzondering op zijn. Sterker nog, niemand heeft dat ooit beweerd. Angiospermae zijn opgenomen in de ‘Tree of Life’, zie figuur van de stamboom hierboven. Men kan twisten over de oorzaken waardoor de Angiospermae relatief snel de dominante plantengroep op aarde zijn geworden en waarom er nog geen fossiele voorlopers gevonden zijn. Maar dit specifieke gebrek aan bewijsmateriaal kan de gemeenschappelijke afstamming van al het leven op aarde niet ondermijnen. Daarvoor zouden de Angiospermae óf een andere drager van de erfelijkheid dan DNA moeten hebben óf een andere genetische code dan de rest van het leven moeten hebben. En dat is niet het geval. Daarom maken biologen zich geen grote zorgen over de juistheid van de evolutietheorie. Bovendien is het nog steeds mogelijk dat het ontbrekende bewijsmateriaal gevonden wordt. Er is dus geen reden om de evolutietheorie te vervangen. Vervangen door wat? Toch kiezen sommigen voor buiten-wetenschappelijke oplossingen. Zoals het woord al zegt, valt deze keuze buiten de wetenschap. Die keuze kan het wetenschappelijk onderzoek dus niet beïnvloeden, maar heeft wel onevenredig grote impact op het grote publiek.Noten

  1. Amborella Genome Project (2013) The Amborella Genome and the Evolution of Flowering Plants Science 20 December 2013
  2. Het eerste citaat: Charles Darwin’s letter to Joseph Dalton Hooker, 23 July 1879 (dus 20 jaar na het verschijnen van de eerste druk van The Origin of Species):
    • “The rapid development as far as we can judge of all the higher plants within recent geological times is an abominable mystery.”

    Dit citaat is niet te vinden in mijn favoriete Darwin Online en The Darwin Correspondence Project kent de brief maar zet er bij “The full text of this letter is not yet available online”! Voor een analyse wat de achtergrond van Darwin’s beroemde 2 woorden was zie noot 11. Het tweede citaat is wel aanwezig op http://darwin-online.org.uk :

  3. Science: 8 Feb 2013,3 Apr 2009, 1 jul 2005, 3 mei 2002, 10 April 2011, 13 Aug 1999, 27 Nov 1998, 18 Jun 1976, 8 Mar 1963, 6 Sept 1929. 1904: Report of the Annual Meeting, Volume 73, British Association for the Advancement of Science, J. Murray.
  4. ScienceDaily:
  5. TalkOrigins Quote #73 (2003 – 2004): The quote seems accurate as far as it goes, but it is hardly damning to the theory of evolution that Darwin did not (indeed, could not, given the evidence known in his time) have a theory that described the evolution of plants. It was written in 1879 after all. … But as quotes go, I will not call this creationist quote dishonest. Google shows mainstream science sites using the quote as well … [I]n 1879 Darwin’s basic ideas were still controversial and being debated in the scientific community (as is right and proper for any new theory). This letter is simply part of that debate – one in which Darwin admits to not knowing one particular answer.
  6. Zie mijn review van Evolution Without Evidence. Charles Darwin and The Origin of Species op mijn website.
  7. Brian Thomas (2011) Duplicated Plant Genes Don’t Solve Darwin’s ‘Abominable Mystery’,Institute for Creation Research, April 18, 2011. Quote: “Without any supporting empirical evidence for “evolution through polyploidy,” Darwin’s old flower “mystery” still stands. For those who rely on the biblical record of Genesis, however, the mystery has long been solved—flowering plants exist because the Creator deliberately engineered them from the beginning.” ICR baseert dat artikel op: Elizabeth Pennisi. Ook de ID site met de bedreigelijke titel Evolution News and Views grijpt de gelegenheid aan: Another Notable Explosion: Has Darwin’s “Abominable Mystery,” the Origin of Flowering Plants, Been Solved? (gaat zo te zien niet zo ver te claimen dat Flowering Plants Intelligent Ontworpen zijn).
  8. Michael W. Frohlich, Mark W. Chase (2007) After a dozen years of progress the origin of angiosperms is still a great mysteryNature 450, 1184-1189 (20 December 2007). MAAR: “Here we discuss recent advances surrounding the origin of angiosperms. Putatively primitive characters are now much better understood because of a vastly improved understanding of angiosperm phylogenetics, and recent discoveries of fossil flowers have provided an increasingly detailed picture of early diversity in the angiosperms.”
  9. Vamosi JC, Vamosi SM. 2010 Key innovations within a geographical context in flowering plants: towards resolving Darwin’s abominable mystery.: “Recent work has found that diversification is often diversity-dependent, suggesting that species richness depends on geographical area available more than on traits or the time available to accumulate species.”
  10. Het bekende boek van Michael Denton (1986) Evolution: A Theory in Crisis, p. 163 vermeldt nog een tweede quote van Darwin:
    • “Nothing is more extraordinary in the history of the vegetable kingdom, as it seems to me, than the APPARENLTY very sudden or abrupt development of the higher plants.”

    Dit is een correct citaat dat inderdaad te vinden is in: The Life and Letters of Charles Darwin, John Murray, London, vol 3, p248. Gooi dit citaat in google en je krijgt een complete optocht van voornamenlijk creationisten!!!

  11. William E. Friedman (2008) The meaning of Darwin’s “abominable mystery” (gratis fulltext). Leesbaar achtergrond artikel. Aanbevolen.
  12. Link. “Here, we suggest an ecological explanation for their escape from their subordinate position relative to gymnosperms and ferns”. Een interessante theorie.
  13. Zie: Category mistake: een christelijke komkommer of een atheïstische pompoen. Als je bedenkt dat christenen uitdrukkingen gebruiken als “God’s ways are mysterious” en dan Darwin verwijten maken over het “abominable mystery”, dan is dat de grootst mogelijke oneerlijkheid.
  14. Wel staat er in de The Origin: “…the unknown progenitor of flowering plants…”. De term ‘Angioserms’ komt niet voor in de Origin. Kennelijk was Darwin zich toen nog niet zo bewust van het probleem, het abominalbe mystery was immers van 20 jaar later.
  15. Daniel I. Axelrod (1952) ‘A Theory of Angiosperm Evolution’, Evolution
    Vol. 6, No. 1 (Mar., 1952), pp. 29-60
  16. Anomalie (anomaly):  in dit geval is er geen positief feit dat de anomalie veroorzaakt, maar het onbreken van feiten die verwacht worden op basis van de gangbare theorie en die door verder onderzoek gevonden zouden kunnen worden. De gezochte feiten zijn zelf nietanomalous, uitzonderlijk, extreem, en kunnen gevonden worden door de standaard methodes van de wetenschap, en vallen binnen de groep van fossielen zoals die bijna dagelijks gevonden worden.
  17. Toegevoegd: 7 jan. Het boek van Prothero is overigens aanbevolen als uitstekend geillustreerd overzicht van fossiele dieren.
  18. Xin Wang et al (2007) Schmeissneria: A missing link to angiosperms? BMC Evolutionary Biology 2007, 7:14
  19. Douglas E. Soltis et al (2008) Origin and Early Evolution of Angiosperms, Ann. N.Y. Acad. Sci. 1133: 3–2

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: