REPTIEL en/of ZOOGDIER


  zie vooral de paragraaf   MISSING LINK
pelycosaurs <– doc

PermianTriassic Age <—doc

therapsids <–doc

 

 

°
 
Oudste vertegenwoordigers   van de voorouderlijke   plantenetende land(zoog)dieren ontdekt  :

17 april 2014 om 11:57 uur door

http://www.scientias.nl/oudste-voorouder-van-de-plantenetende-landdieren-ontdekt/99854

Onderzoekers hebben in Kansas de fossiele resten van één  van  de oudste voorouder van de plantenetende land(zoog)dieren ontdekt. Het gaat om een  dier dat aan de basis ligt van  de zoogdieren 

een gefossiliseerd skelet van een jonge synapside ( uit de groep der    Cadeidae ) met een lengte van ongeveer 20 centimeter.

Het dier, genaamd Eocasea martini, (1) een gefossiliseerd skelet van een jonge primitieve   stam-synapside  met een lengte van ongeveer 20 centimeter ,  leefde ongeveer 300 miljoen jaar geleden en behoorde tot een  lijn  van gewervelde dieren die later  zouden evolueren tot o.m.  de   moderne plantenetende zoogdieren.

Dat melden Canadese onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschriftPLOS One.

 

Insecten

Reptielen van de soort Eocasea martini aten op volwassen leeftijd weliswaar vlees in de vorm van kleine insecten, maar in hun jonge jaren verorberden de dieren alleen planten, zo blijkt uit het onderzoek op het fossiel.

Voor de verschijning van Eocasea Martini konden dieren geen vezels van planten verteren.

“Eocasea was het dier dat het proces in gang zette waaruit het aardse ecosysteem ontstond met veel planteneters en steeds minder vleesetende roofdieren”, verklaart hoofdonderzoeker Robert Reisz van de Universiteit van Toronto Mississauga op nieuwssite ScienceDaily.

 

Drempel

“Toen het vermogen om planten te eten bij Eocasea was ontstaan, leek het alsof er een hindernis wegviel. Er ontstonden meerdere herbivore dieren, onafhankelijk van elkaar.”

Met vervolgonderzoek hopen de wetenschappers uit te zoeken onder invloed van welke oorzaken het vermogen om planten te eten ontstond bij dieren.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

 

Cadeidae
De onderzoekers vergeleken de fossiele resten met de resten van verwante organismen en ontdekten dat E. martini behoort tot de Cadeidae, een uitgestorven groep reptielen.

De Cadeidae (1)  behoren weer tot de Synapsida, een groep gewervelde dieren. Deze groep – waartoe ook de oudste plantenetende landdieren en grotere roofdieren behoren – evolueerde uiteindelijk tot de moderne zoogdieren zoals we die vandaag de dag kennen.

Eocasea is het meest primitieve lid van deze groep

. “Eocasea is het eerste dier dat het proces dat resulteerde in een ecosysteem op het land met heel veel planteneters en steeds minder roofdieren, in gang zette,” stelt onderzoeker Robert Reisz.

 

reptiel

 Eocasea martini. Dit organisme leefde zo’n 300 miljoen jaar geleden. E. martini zit in de basisgroep  van  de stamlijnen  van   de  grote planteneter  

The smallest and largest caseid: this is a reconstruction of 300-million-year-old tiny carnivorous Eocasea in the footprint of 270-million-year-old largest known herbivore of its time, Cotylorhynchus.
Credit: Artwork by Danielle Dufault

Afbeeldingen van Cotylorhynchus.

Minstens zeven  keer convergentie evolutie 

°
Maar de vaardigheid om plantaardig materiaal te verteren, ontstond niet alleen in de groep waar Eocasea deel van uitmaakte, zo ontdekten de onderzoekers. De vaardigheid ontwikkelde zich zeker op vijf plekken in de stamboom van moderne zoogdieren.

Elke keer onafhankelijk van elkaar(=  convergent ) en twee keer onder reptielen. “Toen de vaardigheid om planten te verteren na Eocasea ontstond, was het hek van voor de dam,” stelt Reisz. “Verschillende groepen ontwikkelden dezelfde eigenschappen die nodig waren om planten te verteren.”

Verstandige stap
Dat de overstap van vlees op planten – die overvloedig op het land groeiden – een verstandige stap was, blijkt wel als we de stamboom van de Cadeidae volgen. Het oudste lid van deze groep – Eocasea – was heel klein en woog nog geen twee kilo. Het jongste lid van deze groep was zwaarder dan 500 kilo.

Hoewel het onderzoek verschillende vragen beanwoordt, roept het ook vragen op.

“Eén van de grote mysteries die in mij opkomen, is waarom gingen organismen niet eerder planten eten en waarom ontwikkelden ze die vaardigheid onafhankelijk van elkaar in verschillende groepen? Dat maakt deze gebeurtenis zo fascinerend. Het is de eerste keer dat zoiets gebeurt en het resulteert in een enorme verandering in het ecosysteem op het land.”

 Bronmateriaal:
Earliest ancestor of land herbivores discovered” – UToronto.ca
De afbeelding bovenaan dit artikel is gemaakt door Danielle Dufault.

Hier zijn echte ‘looks’

http://www.livescience.com/ima…

e-martini-skeleton-140416

(1) The lizardlike animal, dubbed Eocasea martini, was a caseid. Caseids were a primitive group of synapsids, an umbrella term that includes mammals and their close relatives.
Ancient nonmammalian synapsids, including caseids, looked reptilian — the famous fin-backed Dimetrodon was a synapsid — but were an entirely different branch of life from reptiles and birds.

°
°
De Pelycosauriërs verschenen tijdens het Carboon en zijn de vroegste zoogdierachtige reptielen.
ZE zijn  de vertegenwoordigers van de groep binnen de synapsiden  , waaruit   onder  meer  de  reptielen  zich verder ontwikkelden……
°
 edapho2
<—  you can see a fully mounted skeleton from the Permian of Texas. The long tail and sprawling posture are characteristic of the pelycosaurs. These images were taken at the Field Museum of Natural History in Chicago
°
Edaphosaurus : Pelycosaurs include a variety of forms and lifestyles. Not all of them were carnivores; some, like Edaphosaurus, were herbivores. In the image above (top) you can see that there are no nasty, pointy teeth filling this pelycosaur’s jaw. You may also see the additional knobs sticking out from the dorsal fin bones, which are unique to the Edaphosauridae.
edapho1
°
SYNAPSIDA
The Fossil Record: Evolution or “Scientific Creation”
Clifford A. Cuffey

Modern reptiles and mammals are very distinctive, easily diagnosable, and do not intergrade. Reptiles are covered by scales, mammals by hair; reptiles are cold-blooded, mammals warm-blooded; reptiles do not suckle their young, mammals have mammary glands; reptiles have sprawling posture, mammals have upright posture. Most of these features are soft part anatomy or physiology that very rarely fossilize (although dinosaur skin impressions are known from Cretaceous sediments, and imprints of mammal hair are known from Eocene bats from Germany; Franzen, 1990). In the fossil record, we must look to skeletal features.

There are many skeletal features which allow us to distinguish the reptiles from the mammals (Carroll, 1988; Table 1, rows A, M). The single most important defining characteristic is the nature of the articulation of the lower jaw to the skull (Simpson, 1959). In reptiles, multiple bones comprise the lower jaw. A small bone at the posterior end of the lower jaw, the articular, articulates with the quadrate bone of the skull (Simpson, 1959; Carroll, 1988). In mammals, one large bone, the dentary, comprises the lower jaw. It articulates with the squamosal bone of the skull (Simpson, 1959; Carroll, 1988).

From comparative anatomy studies, it is certain that most of the bones of the reptiles and mammals are homologous (Crompton & Parker, 1978; Carroll, 1988). Of greatest importance, the middle ear bones of mammals (stapes, incus, malleus, and tympanic) are homologous with several of the skull and jaw bones of reptiles (stapes, quadrate, articular, and angular, respectively; Romer, 1956, p. 33-38, 1970a; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Crompton & Parker, 1978; Hopso n, 1987, 1994; Carroll, 1988). One group of reptiles, the synapsids (Subclass Synapsida), share with the mammals an additional homologous structure: the lateral temporal fenestra, which is an opening in the skull behind the eye socket at the triple junction between the squamosal, jugal , and post orbital bones (Broom, 1932; Frazetta, 1968; Kemp, 1982; Carroll, 1988). A band of bone composed of the jugal and the squamosal is adjacent to the lateral temporal fenestra (Broom, 1932; Kemp, 1982; Carroll, 1988). This is the cheek arch so characteristic of mammal skulls (Broom, 1932; Kemp, 1982; Carroll, 1988). Therefore, synapsids are commonly named the “mammal-like reptiles.”

The presence of diagnosable morphologic differences between reptiles (including the oldest reptiles and the oldest synapsids) and mammals distinguishes them as distinct taxa. This allows us to test evolution by looking for transitional forms between the two. Because many of the bones are homologous, we should find evidence illustrating how these bones were modified over time to become the new bones. Furthermore, these morphologic changes should happen in parallel and in geochronologic succession.

Synapsid reptiles inhabited Pangea from the Middle Pennsylvanian through the Early Jurassic (Kemp, 1982, 1985; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1969, 1987, 1994; Hopson & Crompton, 1969; Hotton, et al., 1986; Crompton & Jenkins, 1973; Sidor & Hopson, 1998; Romer & Price, 1940; Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Tchudinov, 1983; Olson, 1944; Tatarinov, 1974; Vyushkov, 1955; Efremov, 1954). From the Early Permian through the Early Triassic, they were the largest and most abundant land animals (Sloan, 1983; Colbert, 1965). Though much less well known to the general public than dinosaurs, one of the “cereal box dinosaurs,” Dimetrodon (the sail-backed reptile), is a synapsid, not a dinosaur (Romer & Price, 1940; Carroll, 1988). The oldest mammals are Late Triassic (Kemp, 1982; Carroll, 1988). Below is a discussion of the geochronologic succession linking synapsids and mammals. The oldest reptiles (named protorothyrids; Carroll, 1964, 1988, p. 192-199) are from the lower Middle Pennsylvanian, and the oldest synapsids (Reisz, 1972) are from the upper Middle Pennsylvanian, both of Nova Scotia. Upper Pennsylvanian and Lower Permian forms are known primarily from the midcontinent and Permian Basin region of the United States (Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Kemp, 1982; Sloan, 1983). The basal Upper Permian forms are known from Russia (Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Ivakhnenko et al., 1997). Most of the Upper Permian and Lower Triassic succession is known from southern Africa, especially the Great Karoo of South Africa (Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Hopson & Kitching, 1972; Kemp, 1982; Sloan, 1983). The Middle Triassic forms are from South America (Romer, 1969a, 1969b, 1970b, 1973; Romer & Lewis, 1973; Bonaparte & Barbarena, 1975), and the Upper Triassic and Lower Jurassic mammals are known from Eurasia (Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Kemp, 1982). Subsequent Mesozoic mammals are known from all over the world (Simpson, 1928; Lillegraven et al., 1979).

When placed in proper geochronologic succession, the synapsids naturally form a succession of taxa (genera and families) that progressively become more mammal-like and less reptile-like (Kemp, 1982, 1985; Sloan, 1983; Sidor & Hopson, 1998; Hopson, 1987, 1994). Morphologic changes, summarized in Table 1 and Figure 1, affect the entire skeletal anatomy of these animals, but are most clearly displayed in their skulls.

The lateral temporal fenestra increased in size from a tiny opening smaller than the eye socket to a giant opening occupying nearly half the length of the skull. Ultimately, it merged with the eye socket, thus producing the full development of the cheek arch so characteristic of mammals (Broom, 1932; Frazetta, 1968; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Hopson, 1987, 1994; Carroll, 1988).

Successively, the relative proportion of the lower jaw comprised of the dentary bone (teeth-bearing bone) gradually increased until the entire lower jaw consisted of the dentary (Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1987, 1994). In Pennsylvanian and Lower and basal Upper Permian synapsids, the postero-dorsal edge of the lower jaw rose broadly but only slightly above the level of the tooth row (Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Ivakhnenko et al., 1997; Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Hopson, 1987, 1994). In succeeding forms, the posterior part of the dentary expanded dorsally and posteriorly as a blade-like process, and progressively became larger (Broom, 1932; Boonstra, 1963, 1969, 1971; Sigogneau, 1970; Brink, 1963; Kemp, 1979; Hopson, 1987, 1994), forming the coronoid process (Parrington, 1946; Fourie, 1974; Romer, 1969b, 1970b, 1973; Hopson, 1987, 1994) to which the mammalian-type jaw musculature is attached (Barghusen, 1968; Bramble, 1978; Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). Concomitantly, the post-dentary bones progressively reduced in size (Allin, 1975; Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1987, 1994).

Beginning with the Upper Pennsylvanian sphenacodonts, a notch developed in the angular bone that offsets a projection, the reflected lamina (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Romer & Price, 1940; Currie, 1977, 1979; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). The reflected lamina first became a large blade-like flange (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Ivakhnenko et al., 1997; Tchudinov, 1960, 1983; Efremov, 1954; Olson, 1962; Sigogneau & Tchudinov, 1972; Broom, 1932; Sigogneau, 1970; Boonstra, 1963, 1969, 1971), and then was progressively reduced to a delicate horseshoe-shaped bone (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Brink, 1963; Parrington, 1946; Fourie, 1974; Romer, 1969b, 1970b, 1973; Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Kemp, 1979, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988).

Simultaneously, the quadrate progressively decreased in size (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). The articular did not decrease in size much, being small initially, but developed a downward-pointing prong (Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). In the synapsids, the lower jaw was hinged to the skull by the articular and quadrate bones (Crompton, 1972; Crompton & Parker, 1978; Allin, 1975; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994). Thus they are classified as reptiles (Simpson, 1959; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). As the quadrate and articular became smaller, they were relieved of their solid suture to the dentary and skull (Crompton, 1972; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). A projection of the dentary extended posteriorly and made contact with the squamosal. Morganucodon possessed the mammalian dentary-squamosal jaw joint adjacent to the reptilian articular-quadrate jaw joint (Kermack, Mussett, & Rigney, 1973, 1981; Carroll, 1988). It is classified as the first mammal, but it is a perfect intermediate. Now that a new jaw joint was established, the quadrate and articular were subsequently relieved of that function (Crompton, 1972; Allin, 1975, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Crompton & Parker, 1978; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988). Ultimately, in Middle and Upper Jurassic mammals, the tiny quadrate, articular, and ring-like angular migrated as a unit to the middle ear where they joined the stapes and became the incus, malleus, and tympanic bones (Allin, 197 5, 1986; Allin & Hopson, 1992; Hopson, 1987, 1994; Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988).

Progressively, the teeth became differentiated. The large canines developed first, followed by the development of multicusped cheek teeth, reduced tooth replacement (Osborn & Crompton, 1973; Crompton & Parker, 1978), and finally full y differentiated incisors, canines, premolars, and molars with one tooth replacement during life (Kemp, 1982; Hopson, 1994).

Many other morphologic changes are documented in the fossil record. These demonstrate the morphologic and geochronologic succession from sprawling limb posture to upright limb posture of mammals (Jenkins, 1971; Romer & Lewis, 197 3; Kemp, 1982; Carroll, 1988; Hopson, 1994). As Jenkins (1971, p. 210) stated, “In details of morphology and function, the cynodont post-cranial skeleton should be regarded as neither ‘reptilian’ nor ‘mammalian’ but as transitional between the two classes .” Other changes have been adequately summarized elsewhere (Kemp, 1982; Sloan, 1983; Carroll, 1988; Hopson, 1994). Obviously, fundamental physiologic changes must have taken place as well, many of which are not directly preserved in the fossil record, though some can be inferred from the skeletal anatomy (Findlay, 1968; Kemp, 1982; Sloan, 1983, Carroll, 1988; Hopson, 1994).

This is well documented in the fossil record by a massive volume of incontrovertible data that cannot be explained away. Such large-scale, progressive, continuous, gradual, and geochronologically successive morphologic change (Sidor & Hopson, 1998) is descent with modification, and provides compelling evidence for evolution on a grand scale.

[DOC]

amniotes.docx – Bloggen.be

De ontwikkeling van kaak en gehoorbeentjes 

(klik voor vergrotingen op de afbeeldingen )

cuffey1

cuffey3

TAXONOMY LATERAL TEMPORAL FENESTRA LOWER JAW DENTARY TEETH LOWER JAW: POST- DENTARY BONES MIDDLE EAR & JAW ARTICULATION
M: Early Placental mammals
Asioryctes
Upper Cretaceous
Merged with eye socket; cheek arch bowed out laterally 100% of jaw length is the den- tary; condylar process in contact with squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement No post-dentary bones 3 middle ear bones (stapes, incus, malleus) + tympanic; squamosal-dentary jaw joint
L: “Pantothere” mammals
Amphitherium
Middle/Upper Jurassic
X 100% of jaw length is the den- tary; condylar process contacts squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement Post-dentary bones migrated to middle ear Probably 3 middle ear bones (stapes, incus, malleus) + tympanic; squamosal-dentary jaw joint
K:Morganucodontid mammals
Morganucodon Upper Triassic & Lower Jurassic
Merged with eye socket; cheeck arch bowed out laterally 100% of jaw length is the den- tary; condylar process expanded posteriorly to make contact with squamosal Fully differentiated teeth; incisors, canines, premolars; one tooth replacement 20% of jaw length; reflected lamina decreased to narrow ribbon-like horseshoe Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate tiny; both quadrate-articular and squamosal-dentary jaw joints
J:Chiniquodontid cynodonts
Probainognathus
Middle Triassic
Much larger than eye socket; 40- 45% of skull length; expanded posterioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 95% of jaw length is the dentary; large coronoid process expanded posteriorly; condylar process expanded posteriorly Large single canine; cheek teeth multicusped; tooth replacement reduced 20% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of main part of angular decreased; reflec – ted lamina decreased to narrow ribbon-like horseshoe Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate tiny; quadrate-articular joint
I:Galesaurid cynodonts
Thrinaxodon
Lower Triassic
Much larger than eye socket; 40% of skull length; expanded pos- terioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 85% of jaw length is the dentary; large coronoid process expanded to top of eye socket and pos- teriorly; jaw muscles attached to most of coronoid process Large single canine; cheek teeth multicusped; tooth replacement reduced 25% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of reflec- ted lamina decreased; width of main part of angular decreased Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
H: Procynosuchid cynodonts
Procynosuchus
upper Upper Permian
Much larger than eye socket; 40% of skull length; expanded pos- terioirly, medially, & laterally; midline of skull narrow sagittal crest; chek arch bowed out laterally 75-80% of jaw length is the den- tary; coronoid process expanded to near top of eye socket and posteriorly; jaw muscles attached to dorsal part of coronoid process Large single canine; cheek teeth multicusped 30% of jaw length; angular notch widened ventrally; width of reflected lamina decreased Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
G: Early Therocephalians
Pristerognathus
lower Upper Permian
Larger than eye socket; expanded posteriorly and medially; 30% of skull length 75-80% of jaw length is the den- tary; posterior end of dentary expanded posteriorly and dorsally into narrow blade-like coronoid process; rises to middle of eye socket Large single canine; other teeth simple cones. 35% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate small; quadrate-articular jaw joint
F: Early Gorgonopsians
Eoarctops
lower Upper Permian
Slightly larger than eye socket; expanded posteriorly and medially (minimal); 20-25% of skull length 65-75% of jaw length is the den- tary; posterior end of dentary slightly expanded posteriorly and dorsally as incipient coronoid process Large single canine; other teeth simple cones. 40% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
E:Eotitanosuchians
Sphenacodon
Lower Permian
Small; slightly smaller than eye socket; slightly expanded posteriorly and medially 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Large single canine; other teeth simple cones. 40% of jaw length; angular notch deepened into a cleft; reflected lamina large, broad, blade-like Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
D: Late sphenacodonts
Sphenacodon
Upper Pennsylvanian
Small; smaller than eye socket; confined to one side of skull 65% of jaw length is the dentary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above the tooth row Enlarged incipient canines; other teeth simple cones 60% of jaw length; venntral edge of angular notched (“angular notch”) offsetting a short pro- tusion (reflected lamina) Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate large and plate-like; quadrate- articular jaw joint
C: Early spenacodonts
Haptodus
Upper Pennsylvanian
Tiny; smaller than eye socket; confined to one side of skull 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares 70% of jaw length; ventral edge of angular with shallow indentation Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
B: Early ophiacodonts
Archaothyris
upper Middle Pennsylvanian
Tiny; smaller than eye socket; confined to one side of skull x Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares x Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint
A: Protorothyrids
Hylonomus
lower Middle Pennsylvanian
Absent 65-75% of jaw length is the den- tary; posterodorsal edge rises broadly but slightly above tooth row Undifferentiated; slightly enlarged incipient canines just behind nares 70% of jaw length; ventral edge of angular continuous Stapes extends from inner ear capsule to quadrate; quadrate- articular jaw joint

Table 1: Morphology of synapsid reptiles and mammals (Note that Hylonomus is a protothyrid, not a synapsid). Data from references cited in text.

De Zoogdieren zijn ontstaan uit de Reptielen, en wel uit de Therapsida of Zoogdierachtige reptielen.
non-cynodont_phylogeny

Permian/Triassic Age Reptiles and Amphibians

Therapsid phylogeny

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.000.html

     http://www.kheper.net/evolution/therapsida/index.html http://www.locolobo.org/Clades2.html

 geschiedenis aarde/sphenacodontidae.html

De zoogdieren van vandaag zijn slechts één tak van de  Synapsida:

een grote groep gewervelden ,   met 300 miljoen jaar geschiedenis.
Pre-zoogdier synapsidae  – met inbegrip van  de  beroemde „zeildinosaurier  “ Dimetrodon, — overheerste   de  gewervelde landfauna tijdens het  Perm en   het vroege Trias
en alvorens de heerschappij te veliezen  aan de zich diversifiërende archosauriers en dino’s  .

http://psychosaurus.com/frames/dino/dimetrodon.html http://lesdinos.free.fr/Au%20temps%20des%20dinosaures%20Dossier_Vie-terre.htm http://italian-american.blogspot.com/2007/03/whatever-happened-to-dimetrodon.html

Deze pre-zoogdier synapsidae  werden  af en toe  „zoogdierachtige  reptielen“ genoemd  .
Maar de term wordt  tegenwoordig afgeraden omdat  geen van hen eigenlijk  echte  reptielen noch zoogdieren  waren.
Ze vormen de eerste  suborde

De  tweede  orde  is die  der Therapsida (proto-mammalia ). 

 

De  derde grote (sub)ordeTheriodontia („dierentand“, verwijzend naar  zoogdier- tanden) vormt een groep die dichter bij de zoogdieren staat

http://www.ucmp.berkeley.edu/synapsids/gorgonopsia.html

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html
Theriodonten   omvatten zowel carnivoren als herbivores, en de diverse geslachten vullen de  niches  die  huidige  wolven, wezels, otters, knaagdieren, en spitsmuizen als leefomgeving bezetten .
Succesvol en erg gediversifieerd  tijdens het  late Perm en vroege Trias , werden zij  vervolgens  meer en meer overweldigd door de opkomst en de  beginnende bloei  van de archosauriers  uit   het late Trias.
http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html

Tijdens het laat  Trias   (laat  Noriaan en  Rhaeticum  ) evolueerde  minstens één lijn tot de  Eutheriodonten ( zoogdieren. )
Eén andere  familie, de  knaagdierachtige  Tritylodontiden  haalde nog net  het  late   Jura (Oxfordiaan)
Theriodonten ontwikkelden een bijt en kauw – mechanisme  dan succesvoller was dan  dat van de  Dinocephalia.
Het quadraat-been in de  onder kaak werd  kleiner .

A:
Wanneer de kaken wijd (tekening hierboven)openden  , haakten   het gewrichtsbeen (art ) en uiteinde van de  kleine quadrate (q) gemakkelijker  in( en uit ) elkaar
Wanneer de kaken worden gesloten zitten de lage snijtanden  volledig achter de hoge snijtanden , .
De ontwikkeling van veelzijdige kaakbewegingen en een nauwkeuriger type van tandocclusie speelden ook een kritieke rol in het pre-adapteren  van  elementen van  het  theriodonten gewrichts complex
die later de gehoorbeentjes   van het zoogdier -middenoor worden

B
Het Kleine quadraat  hing  vrij  los aan de schedel, waarschijnlijk voorzien  , in het levende dier , van een vezelig stootkussen en  van  samenhoudende   ligamentbanden   ;
Het hoge eind ervan ,  zit  in een  holte van het  squamosaal(sq) die het  q ook van achter steunde.
Zodat,  zo verondersteld  Hopson, het waarschijnlijk geschikt was  voor een kleine  gedeeltelijk -achterdekse beweging aan het  lagere  uiteinde.
Niettemin was de verbinding tussen quadrate en gewricht  een  strakke
Een stevig in elkaar grijpende gewrichts beweging werd  mogelijk door deze  kaakverbindingen, maar een gedeeltelijke -achterdekse beweging was slechts  beperkt tot een scharnier (die  transversaal glijdt)
de  quadraat-condyle .

Theriodonten  vallen in drie verschillende groepen uiteen , die als infraorders kunnen worden beschouwd of
(als Theriodonta zelf als een orde wordt beschouwd eerder dan zoals gewoonlijk het geval is, suborde) suborders:
Gorgonopsia;

 

http://www.kheper.net/evolution/therapsida/Gorgonopsia.htm       geschiedenis aarde/sphenacodontidae.html

http://www.ucmp.berkeley.edu/synapsids/gorgonopsia.html
Therocephalia,

 http://palaeos.com/Vertebrates/Units/400Therapsida/400.800.html

en
Cynodontia.

 (Perm) 

miller_fig11 (Trias )  


http://www.cartage.org.lb/en/themes/sciences/Paleontology/FossilsAndFossilisation/Taxonomy/Taxonomy.htm

  geschiedenis van de aarde  / cynodontia

Een vierde groep, Bauriamorpha, wordt  nu over het algemeen  ook gerangschikt bij   Therocephalia.

http://en.wikipedia.org/wiki/Bauria

De  opkomst en bloei der   Cynodonten

Cynodonten , of „de hondtanden“, waren de  meest succesvolle  en één van de meest diverse groepen therapsiden , die hun bloei beleefden  tijdens het  late   Perm en  het  Trias …Deze groep bezat   allerlei vormen
zoals  de  grote vleesetende cynognathiden , de even grote herbivore traversodonten , en  de kleine erg  zoogdierachtige   tritylodontiden  en ictidosauriers
Ictidosauriers  (= Trithelodontiden ) is bijna zeker dicht bij  de wortel van het  directe voorgeslacht  van de klasse Mammalia
(nota – er zijn  ook  zoogdieren  afgeleid   van een onbekende vroege Trias  cynodontenstam ; misschien  waren dat   vormen zoals de Thrinaxodon. (onder )

 http://digimorph.org/specimens/Thrinaxodon_liorhinus/

 

Maar dit is  bijna zeker onjuist gebleken ,en alleszins kunnen ze  de voorouders  niet zijn van    Cynognathus (onder ) en latere  vormen  van  zoogdieren  . Recente cladograms brengen de eerste zoogdieren in verband  met cynodonten uit het  laat  tr ias  ).

http://www.britannica.com/EBchecked/media/5132/Restored-skeleton-of-Cynognathus

http://palaeos.com/Vertebrates/Units/410Cynodontia/410.300.html

De  erg zoogdierachtige structuur van de  cynodonten  is al bijna honderd jaar bekend  , maar slechts in de  laatste  jaren  hebben wij  genoeg  bijgeleerd   over  de  cynodonten  en over de zeer vroege zoogdieren,
om met vertrouwen  te kunnen stellen  dat   alle zoogdieren inderdaad van één enkele groep cynodonten  afstammen (1) 
Zelfs  de vroegste cynodonten  –  de  Procynosuchidae van het laat- Perm, tonen  reeds vele zoogdier-caracteristieken , zoals
een verminderd aantal beenderen in de onderkaak,
een secundair knokig gehemelte en een complex patroon op de kronen van  hun kiezen.
Het is waarschijnlijk dat  Cynodonten was minstens gedeeltelijk  , indien al niet als niet volledig warmbloedig, waren
Ze bezaten waarschijnnlijk  ook al  haar, dat hen heeft geïsoleerd en hielp  om een hoge lichaamstemperatuur te handhaven.
In het vroege Trias, bestonden  de  cynodonten   uit  grote roofzuchtige carnivoren zoals Cynognathus en gematigde grote allesetende en herbivore types zoals Trirachodon en Diademodon

Het  midden Trias was een belangrijke  bloeiperiode ( en hoogtepunt)   voor de herbivore  cynodonten   waaronder de  familie Traversodontidae.
In  deze  familie  evolueerden    gespecialiseerde  en uitzonderlijke  oude   zoogdieren –
Tritylodontidae van het     laat Trias t/m Midden Jura,
de „knaagdieren“ van het  vroege Secundair
Tezelfdertijd waren de  nakomelingen van Cynognathus aanwezig  die zich   in middelgrote  kleine vleesetende en insektivore vormen hzdden ontwikkeld .
Het is interessant om zien   dat  de archosauriers  groter werden,  en de cynodonten  kleiner om  misschien uiteindelijk nachtdieren te worden  .
He hete dorre Trias bevoordeligde  zowel  het   ectothermische  reptielen  metabolisme van de  archosauriers  als het  zich perfectionerende   homoitherme zoogdiermechanisme van de  cynodonten  goed.
Uiteindelijk, werden de  geavanceerde  cynodonten en hun   zoogdiernakomelingen  klein  en  nachtelijk,
Afhankelijk van het gehoor  en de reukzin   en werd de dag aan de visueel georienteerde  archeosauriers (thecodonten en dinosauriers )   ,overgelaten
Cynodonte  en de vroege zoogdierhersenen waren groter dan sauropside (reptiel) hersenen,  niet omdat zij intelligenter waren, maar wegens de vergrote reuk en auditieve cortex .

Kleine cynodonten  en de Secundaire zoogdieren beheersten  de koele nacht, of leefden in bomen

Grote besliste thecodonten  en  dinosaurussen de  warme dag en de grond.
Dat alles begon honderd  vijftig miljoen jaar voor de inslag van de xichulub -meteoor

(1) De zoogdieren kunnen zowel  een monophyletische  als   een  of polyphyletische  oorsprong hebben.
hier wordt een monophylitische  oorsprong verdedigd 

http://bioweb.wku.edu/courses/Biol459/f2000/protected/mammevol.htm

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

One Response to REPTIEL en/of ZOOGDIER

  1. Pingback: PROTO MAMMALS | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: