Vleermuizen


 DISCLAIMER
Zie vooral   ook  voor updatings en professionele correcties 
Gerdien De Jong =
evodisku2
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<–ALWEER EEN BELANGRIJK STUK UIT DE LEGPUZZEL  14-02-2008
Evolutie van vleermuizen
Vleermuizen( de Chiroptera, of Handvleugeligen). zijn, op knaagdieren na, de meest succesvolle zoogdiergroep
—>Waarschijnlijk ( dat is één van de hypothesen )  hebben de vleermuizen zich ontwikkeld uit kleine, boombewonende insectivore   diertjes,( spitsmuizen )  die van tak tot tak sprongen en  daarmee het vermogen tot vliegen hebben geleerd.
 
—>Er bestond  ook onenigheid over het feit of de afstamming van  zowel mega- en  micro-chiroptera  nu al dan niet monofylitisch  was

Overal op de wereld zijn wel wat fossiele resten gevonden, maar meestal niet erg compleet. Gelukkig zijn er in Duitsland, Pakistan en Wyoming wel goed bewaarde fossielen gevonden

 °
Bat
Phylogenetic and functional data suggest the inference that the hypothetical ancestor would have been nocturnal, insectivorous, arboreal, and a glider.
De zweefvlucht hypothese
Twee eiwitten geven de vleermuis vleugels

3 okt.2006

Vleermuizen danken hun vleugels aan slechts een paar genetische veranderingen. In het jonge embryo zorgt het samenspel van twee signaaleiwitten, Gremlin en Fgf8, ervoor dat het weefsel tussen de vingers van de hand behouden blijft.

Dat blijkt uit onderzoek van Amerikaanse ontwikkelingsbiologen, dat zij deze week online publiceren in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

In embryo’s van alle gewervelde dieren staat de ontwikkeling van vingers en tenen onder invloed van een groep eiwitten die de Bone Morphogenetic Proteins (Bmp’s ) worden genoemd. Op de plaats waar deze eiwitten actief zijn sterven de cellen; vingers en tenen komen zo los van elkaar.

Het eiwit Gremlin werkt de invloed van Bmp’s tegen. Bij eenden is Gremlin verantwoordelijk voor de vorming van zwemvliezen tussen de tenen van de achterpoten.

De biologen onderzochten embryo’s van de brilbladneusvleermuis Carollia perspicillata, een fruitetende vleermuis uit het Caribisch gebied, en ontdekten dat bij de vorming van de vleermuisvleugel behalve Gremlin ook het signaaleiwit Fgf8 een rol speelt.

Gremlin en Fgf8 zijn actief in de handen van het vleermuisembryo, maar niet in de achterpoten, die wel losse tenen hebben.

embryos-carollia-Miniopterus

cape
Common Short-tailed Fruit Bat
Carollia perspicillata
Size: body=6 cm; weight=20 g
Description: Medium sized greyish brown bat. Dorsal hairs have a distinctive tricolour pattern of a dark base and tip with a whitish middle band. Moderate-sized noseleaf. Chin has a large central wart surrounded by smaller bumps.
Activity: Will regularly fly over a kilometre from its roost and typically forages in the understory.
Habits: Feeds primarily on small fruits but also insects and nectar. This bat distributes the seeds of colonizing plants, including small-fruited species in the genus Piper, into open areas such as new clearings created by tree falls. Roosts in a variety of places including hollow trees, logs, buildings, culverts, and caves. Groups are usually small but some colonies may number over a thousand.
Habitat: Found in most tropical habitats, from rain forest to savannah, especially disturbed areas.
Status: One of the commonest bats in Iwokrama.
Distribution in Iwokramahttp://www.iwokrama.org/mammals/guides/bats3.htmlDe oudste vleermuizen waren insecteneters. (microchiroptera )
De vruchtenetende soorten ( macrochiroptera ) ontstonden pas 35 miljoen jaar geleden.Men heeft ontdekt dat er 30 miljoen jaar geleden al zeker 100 verschillende soorten van die fruiteters   voorkwamen.
(een exemplaar met één klauw is gevonden in Italie )
Toen kwamen  ook de vleerhonden ( megachiroptera soort ) al voor.
en ook onder die fruiteters kwamen er kleine exemplaren voor  ;
microchiropterus  pusillus
kleine fruitetende vleerhond
Micropteropus-pusillus
Image of: Micropteropus pusillus (Peters's dwarf epauletted fruit bat)

(Grimm’s Tierleben )

Modern bats are divided into two groups microchiopterans and megachiropterans.
Megachiropterans are larger and do not have much of a fossil record. The relationship between the two groups is subject to some debate. …”
Het evolutionaire onstaan van de vleermuizen is niet echt bekend  , maar er bestaat wél een goede hypothese die een  verklaring verschaft , zij het een  voorlopige  ….
We weten  nml  , dat toen zo’n 65 miljoen jaar geleden, het klimaat totaal veranderde.
De dinosauriërs verdwenen.
De kleine zoogdieren kregen meer kans.
Die kleine zoogdieren waren vooral insecteneters. Nu de grote (roof)dieren waren uitgestorven ontwikkelden die kleine dieren zich snel.
Er kwamen meer insecten die ’s nachts vlogen.
Zoals je weet vliegen de meeste vogels overdag.
Veel van hen eten insecten.
De vleermuis heeft zich aangepast; en de nieuwe niche ontdekt  ;  ’s nachts was er veel voedsel ( en minder concurentie ) dus het was gunstiger om ’s nachts te gaan jagen.
Wetenschappers denken dat dit de meest geloofwaardige verklaringen  kunnen  zijn voor het ontstaan van de vleermuis
De vleermuis werd succesvol en  het meest voorkomende  kleine zoogdier.
—-> Fossiele voorouders uit de groep voorafgaand aan /van “vleermuizen” zijn (nog -) niet gevonden of herkent .
“….The origin of bats, has not been resolved, because earlier fossils from the Paleocene (almost) 60 million years ago are only known from teeth, which do not tell us if they were flying mammals.
Vleermuizen verschenen ( voor de paleontologen en in het huidige fossiel bestand ) uit het niets: Inmiddels komen ze over de hele wereld voor, vooral in tropische streken maar niet op de polen.
De botten van een vleermuis zijn heel dun en breekbaar.
Daardoor blijft er van een dode vleermuis na verloop van tijd niet veel over.
Fossielen van vleermuizen zijn hierdoor  nogal  zeldzaam( ze zijn bovendien klein en  worden dus gemakkelijk over het hoofd gezien ) .
Maar dode vleermuizen drogen wel gemakkelijk uit ( mummificeren ) en kunnen door die langere houdbaarheid toch redelijk fossileren
Een mooie afbeelding van een opgedroogde vleermuis.Een triest geval, waarschijnlijk gevallen of ziek geworden vleermuis baby. Helemaal opgedroogd, met een sterke lamp kan je de botjes zien zitten

mummierothuisvleerm

Found  under  a roof. If you look closely you can see part of a baby clinging to its mum. 
—>Voor de ontwikkeling van de vleugels van de vleermuis zijn allerlei theorieën bedacht, maar niemand weet zeker of het in werkelijkheid ook zo is gegaan.
( zie —> The evolution of flight and echolocation in bats: another leap in the dark John R. Speakman (dateert uit 2001 )
zie ook de —-> references in dat artikel )
—-> We weten dus ook niet wanneer de eerste vleermuizen het luchtruim kozen.
Vleermuizen zijn dan wel de enige zoogdieren die onafgebroken kunnen vliegen, maar in de ontwikkeling (evolutie) is dat wel ten koste gegaan van een paar zaken.Want om effectief te kunnen vliegen (wendbaarheid) moesten de vleermuizen in hun achterpoten gewicht verliezen.
Daardoor zijn hun botten daar zo dun geworden dat ze er niet op kunnen lopen.
Als ze dus niet vliegen slepen ze zich zo voort over de grond dat er minimale druk op hun pootjes komt.
Als ze dan om te rusten gaan hangen, dan hangen ze aan hun klauwen ondersteboven.
Dat zorgt ervoor dat hun lichaamsgewicht niet aan hun achterpoten hangt, maar aan de aangespannen spieren en pezen in de rest van het lichaam.
De meeste geleerden gaan er ook vanuit dat de hoogontwikkelde vleermuis slechts 1 maal is geëvolueerd. ( monofylitish – )
Maar daar is het laatste woord nog niet over gesproken.
Waarschijnlijk zijn ze al in het tijdperk van de dinosaurussen ontstaan.
—-> Vleermuizen zijn summier  vertegenwoordigd in het fossielenbestand en over hun evolutie was lange tijd   nauwelijks iets  te zeggen …
Gelukkig zijn er af en toe toch nog overblijfselen te vinden van vleermuizen waardoor we  een goed  zicht krijgen op hun evolutie. Ook in Europa worden ze gevonden, hierna een paar voorbeelden.
Het is uniek materiaal waar wetenschappers heel veel informatie uit kunnen halen

Oudste fossiel

Vleermuizen zijn een succes. Hoeveel soorten vleermuizen er precies zijn is wat onduidelijk – ik vind als opgave vanaf ‘meer dan 1000’ tot ‘1240’ soorten, met 1140 soorten als meest opgeven getal. Dat is tussen een vijfde en een kwart van de omstreeks 4800 zoogdiersoorten. De geografische verspreiding is groot: alleen op Antarctica worden geen vleermuizen gevonden. In de tropen zijn de vleermuizen de meest voorkomende zoogdieren; in Midden-Amerika vertegenwoordigen vleermuizen de meeste zoogdierbiomassa.

Alleen de knaagdieren laten de vleermuizen achter zich in aantal soorten – er zijn 2000 of meer soorten knaagdier.

De vleermuizen zijn al een succes als ze zichtbaar worden in de fossielen. Hierbij een overzichtje van de tijden en perioden die van belang zijn voor de vroege vleermuizen.

eoceen paleoceen tijden

°

Indeling en tijden van het Paleoceen en Eoceen. Vroeg Eoceen is Ypressien, Midden Eocceen is Lutetien en Bartonien, Laat Eoceen is Priabonien.

°

Europese periodes.http://nl.wikipedia.org/wiki/Paleoceen
http://nl.wikipedia.org/wiki/eoceen

De orde Vleermuizen is oud: de huidige vleermuizen van de kroongroep Chiroptera gaan moleculair terug tot 64 miljoen jaar (zie vorige blogpost), bijna tot op de grens van het Krijt en het Tertiair op 65.5 miljoen jaar.

De eerste ontdekte   vleermuisfossielen zijn minder oud: uit het Eoceen, zo’n 10 miljoen jaar later dan het begin van het Tertiair. In het Vroeg Eoceen, 55.8-48.6 miljoen jaar geleden, zijn er 14 genera bekend.

Vleermuizen komen in het Vroeg Eoceen al op het noordelijke continent voor (nu Europa en Noord-Amerika) en op het Zuidelijke continent (Zuid-Amerika, Afrika, Australië en India). Er is een grote geografische verspreiding en een grote diversiteit aan soorten waarvan we redelijk veel fossielen hebben

De twee alleroudste vleermuisfossielen zijn uit het allervroegste Eoceen. De stukjes en beetjes die het fossiel uitmaken van Australonycteris uit Murgon, Queensland, Australie, zijn gedateerd op 54.6 miljoen jaar oud.

http://australianmuseum.net.au/Australonycteris-clarkae http://nl.wikipedia.org/wiki/Australonycteris

Archaeonycteris praecursor uit de Silveirinha in Portugal is een 55 miljoen jaar oud. Van Archaeonycteris praecursor is hieronder een plaatje  : het is één kiesje, een ware kies uit de rechter onderkaak, de voorste of de middelste (m1 of m2).


De oudste bekende vleermuis: Archaeonycteris praecursor uit het vroegste Eoceen, Silveirinha, Portugal. Gezien van boven (A), vanaf de wang (B) en vanaf de tongzijde (C). (Tabuce et al 2009). 

Hoe men, dwz Tabuce, Telles Antunes en Sigé, de beschrijvers, weten dat dit een vleermuis is?

Omdat paleontologen weten hoe kiesjes van huidige vleermuizen eruit zien, en ook de kiesjes hebben van fossiele vleermuizen waarvan de vleugels wel gevonden zijn. En paleontologen weten ook wat de alternatieven zijn, zoals vroege insecteneters. Dus, paleontologen kennen hun vak, en dit kiesje is van een vleermuis.

Ook al een redelijk vleermuisachtig kiesje. Want de vraag is natuurlijk: hoe herken je een vleermuis, vooral een vroege vleermuis, als je de vleugels niet hebt? Door te hopen dat de kiesjes er vleermuisachtig uitzien.

De twee oudste vleermuissoorten waarbij het hele beest bekend is, vleugels en al, zijn twee soorten die gevonden zijn in de Green River Formation in Wyoming. De Green River Formation, een belangrijke vindplaats van fossielen, is ontstaan door sedimentatie in een bergmeer in het Eoceen. 

Icaronycteris index is beschreven in 1966, en de twee exemplaren van Onychonycteris finneyi zijn beschreven in 2008. De soorten leefden beide omstreeks 52.5 miljoen jaar geleden, in het late Vroeg Eoceen. B

eide vleermuizen verschillen duidelijk van de huidige soorten, Onychonycteris finneyi het meest.

Zo’n 52 miljoen jaar oud. De naam:Onychonycteris finneyi.
Onycho(-s) is Grieks en betekent klauw, nycteris betekent vleermuis. Finneyi verwijst naar de naam van de vindster van het fossiel, Bonnie Finney.
onychonycteris

Sluit dit venster

 En dit is ‘m dan: Onychonycteris finneyi  ….. Van kop tot staart meet-ie ongeveer 15 centimeter. En dat is best groot voor zo’n vleermuis, volgens de schrijvers van het artikel in Nature [foto: Royal Ontario Museum, 2008].
Boven: exemplaar waarop de officiële beschrijving gebaseerd is, onder tweede exemplaar uit zelfde laag. 
Onychonycteris finneyi: beide bekende exemplaren. Lange staart, korte vleugels.
°De klauwen vormen één van de opvallende kenmerken van deze vleermuis.
°Bij de huidige vleermuizen hebben sommige megabats een klauwtje aan de duim en wijsvinger (hooguit twee grote klauwen, één voor elke arm ) ;
°weer andere soorten megabats en de microbats hebben alleen één klauwtje aan de duim.
°Deze  fossiele vleermuis  heeft er tien, aan elke vinger eentje waardoor het dier zich goed voortbewegen kon in takken en bomen.
Vliegen kon hij/zij zeker : dat is  te zien naar de voor vleermuizen karakteristieke lange armen en vingers.
 Maar insecten opsporen door middel van echolocatie kon het beestje waarschijnlijk ook.

 

Onychonycteris heeft voor- en achterpootverhoudingen die tussen die van de huidige vleermuizen en die van niet-vliegende zoogdieren in liggen. Het spaakbeen is niet zo lang ten opzichte van het opperarmbeen als bij de andere vleermuizen. De lengte van de armbotten, de lengte van spaakbeen en opperarmbeen samen, is maar anderhalf keer zo lang als de lengte van het dijbeen en scheenbeen samen. Bij alle andere vleermuizen is de arm zeker twee keer zo lang als de achterpoot; bij niet vliegende zoogdieren zijn voorpoot en achterpoot ongeveer even lang.Onychonycteris ligt wat betreft zijn pootlengtes tussen alle andere vleermuizen en de overige zoogdieren in.
Al met al  is  de  gevonden  Onychycteris finney,  morfologisch veel onvleermuiziger dan Icaronycteris index.
* Eerst begonnen vleermuizen met vliegen, en pas daarna ontwikkelde zich het vermogen tot echolocatie. Veel nachtdieren die niet aan echolocatie doen, hebben extra grote ogen, en daardoor ook extra grote oogkassen.
echolocatie systeem
De meeste vleermuizen hebben prima ogen, maar ook een geweldig fascinerend sonarsysteem.
Daarmee kunnen sommige vissende vleermuizen de haarfijne (letterlijk) vinnen van sommige vissen ontwaren, terwijl die vinnen slechts 2 mm boven het
wateroppervlak uitkomen.
HET onhoorbare of ultrasone geluid waarmee vleermuizen hun prooien zoeken, speelt een belangrijke rol in de evolutie van de soorten, zo hebben wetenschappers ontdekt.
Variaties in de toonhoogte van de vleermuizensonar kan groepen binnen eenzelfde soort uit elkaar doen evolueren, en laat die groepen toe binnen hun  eigen niche te jagen. —->
Tot voor 50 jaar was het een raadsel hoe de vleermuis zag!
In de 18de eeuw had men al wel vastgesteld dat het iets met de oren te maken had maar het fijne ervan wist men niet.
Kort voor de tweede wereldoorlog werd er een microfoon ontwikkeld die ultra hoge tonen kon waarnemen.
Dit was de start voor het ontmaskeren van het vleermuizenraadsel.
De vleermuis werkt met een soort sonar systeem : ze zendt korte kreetjes uit en vangt de echo ervan op.
Door dit echopatroon te ontleden kan ze haar naaste omgeving waarnemen.
De vleermuis kan maar enkele meters ver ‘horen’ dit komt door de aard van het geluid dat ze uitzendt.
Om een redelijk scherp beeld te krijgen moet de toon van het uitgezonden geluid zo hoog mogelijk zijn: hoe hoger de toon hoe duidelijker het beeld omdat de golflengte korter wordt. Het nadeel is echter dat hoge tonen sneller verzwakken danlage tonen. Dit maakt dat de vleermuis een enorm lawaai moet maken om toch nog een redelijk ‘zicht’ te hebben. Als wij het zouden kunnen horen zou het overeenkomen met een opstijgende straaljager, gelukkig zijn deze geluiden verborgen voor ons, want anders zouden we niet meer kunnen slapen van de herrie die de vleermuizen maken.
De mens hoort tot een toonhoogte van 10 tot 20 kHz, de vleermuizen gebruiken tussen de 10 en de 160 kHz.
Om een insect van 6 mm te ‘zien’ is 50 kHz nodig.
De vleermuis moet dus, heel de tijd dat ze wil ‘zien’, roepen en dan naar de echo luisteren.
Maar om te roepen heb je adem nodig, en het kost je ook energie.
Daarom roept de vleermuis 10 pulsen per seconde in gewone omstandigheden.
Dit kan ze opdrijven tot 200 pulsen per seconde waneer ze snel moet kunnen reageren,
Bijvoorbeeld bij de achtervolging van een prooi.
Dit tempo van pulsen is te vergelijken met het beeld van een televisie toestel, normaal komen er 50 beelden per seconde.
Maar sommige mensen krijgen hoofdpijn omdat ze die 50 beelden per seconde als flikkering opmerken, daarom kan men tegenwoordig tv toestellen kopen die  100 beelden per seconde opbouwen en aangenamer zijn om naar te kijken.
Als de vleermuis een prooi in zicht heeft zou je denken dat ze die met de mond beetpakt en opeet.
Mis, de prooi wordt gevangen in een soort zak aan het onderlichaam, de werkelijke reden hiervoor kent men niet, maar waarschijnlijk ziet de vleermuis vlak voor haar neus niet zo goed meer omdat de stand van de oren ten opzichte van de geluidsbron (de neus of de mond) dit niet toelaat en er beperkingen zijn  aan haar manier van horen, ook kan de vleermuis niet tegelijk eten en roepen (= zien). Als de prooi dan in de zak zit moet ze wel zo vlug mogelijk  verorberd worden. Dit kan niet wachten tot de vleermuis geland is en op een rustig plekje zit want het insect zou zich al kunnen bevrijd hebben uit de zak.
Vlak nadat de prooi gevangen is, wordt ze in een record tempo verorberd.
De vleermuis steekt haar kop in de buidel en eet het insect op, de schildjes van kevers en de vleugels van motten en nachtvlinders worden verwijderd voor de diertjes worden opgegeten. Al die tijd kan de vleermuis niet zien, het gaat dan ook razend snel.
De zienswijze van de vleermuis, die echolocatie wordt genoemd, is eigenlijk analoog met de radar en de sonar die we tegenwoordig op schepen, luchthavens en legerinstallaties tegenkomen.
De geschiedenis van de radar begint in 1928, maar pas tegen de tweede wereldoorlog krijgen zowel radar als sonar een
redelijk bruikbare vorm. In de 15 jaar die nodig waren om de radar te ontwikkelen, hebben de onderzoekers verschillende serieuze problemen moeten overwinnen. Zo moet men voor het berekenen van de afstand, tussen de radar en het op te sporen object, de juiste snelheid van de golven kennen.
Bij de radar is dit de lichtsnelheid, bij de sonar en de vleermuis is het de geluidssnelheid (331m/sec).
De vleermuis moet om goed te ‘zien’ twee dingen weten,
(1) de afstand tot en
(2) de richting van het object.
De richting kennen is niet zo speciaal (alhoewel); die wordt afgeleid uit het verschil tussen de signalen (wat betreft geluidssterkte en tijd) die worden opgevangen door beide oren.
Doch de afstand meten is niet zo evident.
De vleermuis slaakt een kreet en dan wacht ze op de echo.
Dit wachten duurt niet erg lang want als het voorwerp 1 meter van haar is verwijderd, is het geluid 2 m onderweg: 1m heen en 1m terug.
Dit duurt 1/155ste van een seconde, of 0,006 sec.
Nu is er een probleem. Als er een straaljager over uw hoofd scheert, dan duurt het even vooraleer u terug normaal hoort.
Als dit bij de vleermuis ook zo zou zijn, dan zou ze nooit de echo van haar klikjes kunnen opvangen.
We kunnen ons ook afvragen hoe het komt dat de vleermuis niet doof wordt van haar eigen geroep.
Moesten wij dag in dag uit in het lawaai van straaljagers staan dan zouden wij binnen enkele weken potdoof zijn.
Maar de vleermuis is van drie handigheden voorzien:
vooreerst zijn er speciale oorspiertjes die de gevoeligheid van het oor afzwakken op het moment van het uitzenden van het signaal.
Ten tweede wordt het reactievermogen van de oorzenuw in de hersenen afgezwakt.
Ten derde hebben de vleermuizen een speciaal ooruitsteeksel, de tragus, dat de gevoeligheid van het oor voor teruggekaatste signalen verhoogt en dat beschermend werkt tegen de uitgezonden signalen.
Merk op dat de eerste twee beschermmiddelen zeer snel moeten reageren!
Als de vleermuis op 10cm voor haar oren nog wil ‘zien’ dan moeten de beschermingen binnen de 0,0006 sec (6 tienduizendste van een seconde) tenietgedaan worden, en alles moet er op voorzien zijn om scherp te kunnen ontvangen.
Het is hier op zijn plaats om even stil te staan bij de resultaten van 27 jaar onderzoek naar het sonar systeem van de vleermuis (2.)
Bij de ongeveer 800 soorten van de Microchiroptera (3 ) zijn de eet- en leefgewoonten zeer verschillend.
Ook de sonarsystemen zijn zeer verschillend, en dit zelfs over de verschillende soorten verspreid .Men kan de sonarpulsen in drie types indelen:
constante frequentie (CF),
gemoduleerde frequentie (FM) en
een combinatie van deze beide (CF-FM).
De constante frequentie duidt op een geluid met 챕챕n toonhoogte, de gemoduleerde frequentie klinkt van hoog naar laag en de combinatie CF-FM is een geluid
waar deze twee geluiden achter mekaar geroepen worden (zoiets als: “iiiiaa”). Hierbij komt nog dat deze tonen niet geheel zuiver zijn:
het geluid bevat ook nog een aantal hogere harmonische tonen.( de harmonieken of boventonen die de ” klankkleur” bepalen )
Enkele voorbeelden:
Soort vleermuis Geluid
Myotis lucifuqus FM 0,5 tot 3 ms 1 octaaf zakkend
Pteronotus parnellii CF-FM: CF 5 tot 30 ms + FM 2 tot 4 ms
Noctilio leporinus CF + CF-MF om te vliegen, FM om te jagen
Elk van de gebruikte principes heeft zijn voor- en nadelen;
de jaag en eetgewoonten zijn daarom in overeenstemming met de ingebouwde biosonar:
hoe groter het frequentiespectrum des te duidelijker is het verkregen beeld (vergelijkbaar met meer kleur voor een visueel systeem).
Hogere frequentie geeft meer detail maar draagt minder ver (dit lijkt op een gedetailleerd beeld dat in mist vervaagt).
Het aantal geluidspulsen is afhankelijk van de juistheid die benodigd is in een bepaalde situatie: bij normale vlucht weinig pulsen (en echo’s), bij de moeilijke manoeuvres, vlak voor het grijpen van de prooi, zeer veel pulsen (met hoge frequentie) om nauwkeurig de bewegingen van de prooi te kunnen volgen. Door de hogere harmonieken zijn zelfs details zoals de bewegingen van de vleugels van de slachtoffers, zichtbaar voor de vleermuis.
Bepaalde soorten kunnen de frequentie van die boventonen ( net zoals geoefende zangers ( en imitatoren ) het “timbre” van hun stem kunnen veranderen ) beïnvloeden naargelang de situatie.
De verschillen in de uiterlijke kenmerken van de biosonar van de vleermuis reflecteren zich weliswaar in de gegevens die het neurologisch systeem van het  dier te verwerken krijgt.
Dit werd door verschillende neurologen bestudeerd en de eerste werken op dit gebied werden in 1964 gepubliceerd. Ondertussen hebben meerdere wetenschappers verschillende soorten vleermuizen onderzocht maar de best onderzochte vleermuis is de Pteronotus parnellii,
De PP meet de relatieve snelheid van zijn prooi t.o.v. zichzelf aan de hand van het Doppler Effect.
Indien de frequentie van de echo hoger is dan de frequentie van de ‘gil’ van de vleermuis, dan komt de vleermuis dichter bij haar prooi.
Maar door kleine verschillen in de toonverschuiving kunnen de pp en de hoefijzervleermuis eveneens bewegingen van de vleugels onderscheiden van de beweging
van planten of stationaire voorwerpen. Dit doen ze aan de hand van een techniek die nu Doppler-shift-compensatie genoemd wordt.
Dit fenomeen werd ontdekt door Hans-Ulrich Schnitzler van de universiteit van Tubingen (D).
De PP roept in rust een gil met een frequentie van 30,5 kHz waaraan harmonieken worden toegevoegd van 61 en 92 kHz.
De oren van deze vleermuis zijn extreem gevoelig voor juist deze tonen en bijna ongevoelig voor de nabijliggende tonen.
Er is bijvoorbeeld een ‘venster’ met een breedte van 61,0 tot 61,5 kHz.
Dit noemen we frequentie tuning (afstemming).
De drie uitgezonden toonhoogtes hebben hun eigen ontvangorganen in het oor en hun eigen zenuwen.
Er kunnen verschillen van 0,01% in de toonhoogte worden gedetecteerd.
Een vliegend insect geeft al snel een echo van een grootteorde sterker.
Dit systeem heeft, in samenwerking met de Doppler-shift-compensatie, drie voordelen:
Bij het compensatiesysteem wordt een frequentie van 59 kHz uitgezonden, het oor is daar praktisch ongevoelig voor.
De neuronen in het oor zijn zo fijn afgestemd dat ze hun deel van het geluid, de tonen van de juiste frequentie, uit een luide achtergrondgeruis kunnen
halen.
De tonen waarop de neuronen zijn afgestemd zijn de meest waarschijnlijke om insecten te kunnen opsporen.
De pp is hierdoor in de mogelijkheid om met gemak insecten op te sporen en te jagen, zelfs in dichte begroeiing. FM vleermuizen, zoals de little brown bat,
die in open lucht jagen, hebben geen Doppler-shift-compensatie of frequentie tuning.
Het is duidelijk dat het uitzenden of roepen van geluiden en het opvangen van de echo nog maar het begin zijn van een veel ingewikkelder systeem van
analyse van de verkregen gegevens.
Het blijkt dat de verwerking van de gegevens in verschillende fases en locaties binnen de hersenen verwerkt worden.
Bij de PP is de opsplitsing is als volgt:
Frequenties en amplitudes.
Verschillen tussen de pulsen en hun echo’s.
Het tijdsverschil tussen pulsen en hun echo’s.
De verwerking van de Doppler-shift-compensatie.
Het aandeel van de hersenen dat de gegevens van het laatste punt verwerkt, beslaat 30% van de omvang van de totale hersenen, toch gaat het hier slechts
over de verwerking van signalen tussen de 60,6 en 62,3 kHz.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat de frequentie die hier verwerkt wordt, exact is afgestemd op de rustfrequentie van de vleermuis, deze is verschillend
van soort tot soort. Het gaat hier dus om een sterk ge챦ndividualiseerd systeem.
Hersenmechanica:
Het blijkt dat in de hersenen, het deel dat zich bezig houdt met de verwerking van de gegevens die kritisch zijn voor het gedrag van zijn eigenaar, steeds
een groot deel van het volume in beslag nemen.
Opmerkelijk hierbij is het feit dat deze delen van de hersenen bij de mens en dier op een gelijkaardige wijze werken.
Vanuit de evolutiestamboom gezien moet er ook in deze bijzonder gespecialiseerde organen een gelijklopende ontwikkeling geweest zijn. (4 )
Tenslotte willen we nog even bespreken hoe de vleermuis haar eigen echo onderscheidt van het geroep van tientallen soortgenoten uit zijn leefgemeenschap.
De eerste harmonische uit het geluidsspectrum van de kreet van de vleermuis is de zwakste component.
Deze bevat slechts 1% van de energie van de kreet.
Hierdoor is dit deel zo goed als onhoorbaar voor de vleermuizen rondom.
Om het rekenmechanisme in gang te zetten moet dit geluid gehoord worden, het zorgt voor de perfecte afstemming.
De vleermuis zelf hoort deze toon wel door de geluidsgolven die door het weefsel van de vleermuis het oor bereiken.
Door de kleine verschillen in toonhoogte waarmee elke individuele vleermuis ‘ziet’, zijn ze door dit mechanisme afgeschermd van mekaars geluiden.
Het is meer dan duidelijk dat het gehoor van de vleermuis een technisch hoogstandje is, waarschijnlijk momenteel nog niet ge챘venaard door menselijke
techniek. Toch is de vleermuis niet alleen voorzien van dit soort high tech. Ook kikkers bijvoorbeeld hebben neuronen die twee, voor de paring belangrijke
geluiden combineren en verwerken in de hersenen.
We kunnen er van op aan dat de vleermuis niet het enige dier is met speciale eigenschappen.
————————-(Voetnoten bij dit artikel )
1 EOS, “Vleermuizen, het zijn toch zo’n griezels niet.” Jan 1999
2 Biosonar and neural computation in bats, by Nobugo Suga, Scientific American june 1990.
3 Microchiroptera (insectivoor ) is de naam voor één van de twee grote families waarin de vleermuizen zijn ingdeeld. De andere grote familie is megachiroptera (fructivoor )
Het zijn de kleinere soorten die in deze microchiroptera zijn ingedeeld.
4 “Brain mechanisms of vision” David H. Hubel en Torsten N. Wiesel; Scientific American september 1979
Creationistisch gezever met ID sausje ; Broodje aap
( Veel van het bovenstaande artikeltje   is bijna letterlijk overgenomen uit de Nederlandse vertaling van het boek van R Dawkins —> “the blind watchmaker “
Deze creationisten ( http://www.creabel.org/– ) schamen zich niet daar een paar toevoegingen bij te schrijven , die hun eigen mythologieen promoten
Ze vermelden Dawkins bewust NIET ... ze willen vemijden dat hun lezers deze bioloog gaan lezen ; immers diens gehele boek de ” blind watchmaker ” is trouwens een ontkrachten van “intelligent” design : Hij stelt in de plaats een “blinde ” domme en totaal onbewuste en doelloze verzameling van processen in de fysische werkelijkheid , die fungeert als ” ontwerper ” …. 
…. in hun conclusie komen deze creato’s met het volgende potsierlijke grapje )
 
1.- Wel moeten we beseffen dat zulke ingewikkelde systemen niet tot stand komen door toeval, zoals de evolutie ons leert.
2.- De radar is ook niet door toeval ontstaan maar door hard werken van zeer veel geleerde mensen, gedurende 15 jaar; dan had men er nog eens 20 jaar voor nodig om er een commercieel bruikbaar product van te maken. Zij konden hun ervaring doorgeven aan mekaar en de problemen beredeneren om zo tot oplossingen te komen. 
Volgens de evolutieleer is de bruikbare versie van dit zintuig ontstaan door toeval: af en toe zou er iets veranderen. 
Door natuurlijke selectie, de wet van de sterkste, blijft enkel het beste over.
3 Maar de vraag blijft: hoe zouden verschillende generaties van dieren of planten hun “kennis” aan mekaar doorgeven (hier bv. de geluidssnelheid) zonder met mekaar te spreken? 
Hier denken de evolutionisten aan het DNA, de informatiedrager waarin alle gegevens zitten opgeslagen.
Als dit mogelijk was dan zouden onze kinderen niet meer hoeven te leren schrijven want dat zou op dezelfde manier kunnen overgedragen worden.
1.-2- Evolutie is geen toeval —> mutaties zijn stochastisch , maar de selektie bepaald wel degelijk welke mogelijkheden worden benut als oplossingen binnen 
een probleemruimte en welke evolutionaire reisweg ( route / “pathway” ) verder word ingeslagen ….
 
3.-.- Er word helemaal geen “kennis ” overgedragen … Alleen maar informatie die in de vorm van genen word doorgegeven aan de volgende generatie ___> door succesvolle voortplanting … Als die volgende generatie dat niet meer bezit dan kan ze zich gewoon minder succesrijk voortplanten ; 
dat is alles
– Leren schrijven is het aanleren van een “kunstje ” ; vele mensen kunnen ook tegenwoordig nog niet schrijven …. 
Veel goede schrijvers planten zich niet voort …
– Overigens moeten kinderen ook hun eigen cultureel pakket waaronder hun godsdienst, aanleren , net zoals “schrijven ‘ ; en ondanks het feit dat
gelovigen beweren dat
” … alle mensen diep in hun ” hart ” weten dat hun god er is of dat m.a.w. het particuliere godsbesef is aangeboren …
( wat wegens de recente ontdekking van de “god spot” in het brein , overigens plausibel is geworden ; maar dat is een ander ( neurologisch ) verhaal )
 
 
referenties en links ;
de evolutie van het vliegen
Fossil record vleermuizen
SAM NOBLE OKLAHOMA MUSEUM of NATURAL HISTORY
FOSSIL BATS OF THE AMERICAS
http://www.snomnh.ou.edu/COLLECTIONS&RESEARCH/vertebrate_paleontology/fossil
_______________________________________________________________________________________________________

Nieuwe oudste vleermuis  //Vlucht kwam voor echolocatie

Remy van den Brand   http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/39251719/

Links

Eerste vleermuis vloog doof(de standaard )

Wat deden vleermuizen het eerst: prooien vangen met behulp van sonar of vliegen? Sonar, was lange tijd het idee. Wat had een vleermuis er immers aan te kunnen vliegen als hij geen insecten kon vangen op zijn nachtelijke vlucht? Daarvoor heb je sonar (‘echolocatie’) nodig: dan kun je zien met je oren.

Maar de vondst van een skelet van een primitieve oervleermuis laat anders vermoeden. Het dier had vleugels, maar in zijn oor is geen sonarorgaan te zien. Nancy Simmons van het New Yorkse Museum of Natural History suggereert dat vleermuizen eerst het  vliegen ontwikkelden  en pas daarna in het donker begonnen  te  zien, met sonar.

De vindplaats van het fossiel, de Green Riverformatie in de Amerikaanse staat Wyoming, heeft al eerder interessante fossielen opgeleverd, zoals dat van de Icaronycteris index, dat al veertig jaar wordt beschouwd als het oudst bekende vleermuisfossiel. Aan Icaronycteris’ schedel te oordelen, kon hij zijn prooien (insecten) in de lucht localiseren dankzij echolocatie.

___________________________________________________________________

IcaronycterisIcaronycteris

spitmuis —> vleermuis ?
(een samenvatting van een diskussie )
(creationist )
“…..Men veronderstelt dat de vleermuizen zijn voortgekomen uit de groep van de insectivoren (insecteneters, zoals mollen, egels en spitsmuizen). 
Het is duidelijk dat er een gigantische omwenteling in bouw nodig is om van een vleugelloos dier als een mol of een egel een vleermuis te maken. 
De ‘handen’ van de insectivoor zouden daartoe sterk moeten zijn uitgegroeid, want de vlieghuid van de vleermuis is tussen vier enorm uitgerekte vingers uitgespannen. Men heeft inderdaad wel fossielen van vleermuizen gevonden, en zelfs wel uit de lagere aardlagen van het Tertiair.
Maar zelfs de alleroudste vleermuisfossielen zijn overduidelijk honderd procent vleermuis…..” 
( jurre ) 
Het is inderdaad zo dat de vleermuizen die worden gevonden in de eocene lagen al voor het grootste deel vleermuizen zijn.
Maar je suggereerd hier dat ze exact gelijk zijn, en dat klopt niet,
De fossiele vleermuizen vertonen wel degelijk primitieve kenmerken.
Wanneer ik de “Illustrated Encyclopedy of Dinosaurs and Prehistoric animals“( De encyclopedie zegt ook dat een  oude  vleermuis is, en ook al  dat het verschil met hedendaagse vleermuizen meer is dan “zo goed als niks”.)
er even bij pak lees ik op pagina 211:
Icaronycteris was vrijwel identiek aan een moderne vleermuis, maar bezat nog enkele primitieve kenmerken.
De vleugels waren relatief kort en breed en het dier had het gebit van een typische insectivoor.
Het lichaam was lang niet zo stijf als van een moderne vleermuis en de lange staart was niet door een vlieghuid verbonden met de achterpoten.
Zowel de duim als de eerste vinger hadden een klauw.
Bij moderne vleermuizen (met uitzondering van enkele vleerhonden )  heeft alleen de duim een klauw.”
Een eindje terug stond eveneens dat de primitieve vleermuizen niet beschikten over echo-locatie.
Deze techniek vereist kenmerkende aanpasssingen van bv. de neus en hersenen.
Eocene vleermuizen beschikken niet over deze kenmerken.
Ik heb nog wat rondgekeken op andere sites en in (recentere ) boeken, bij nader inzien vertonen het  specimen van in ieder geval Icaronycteris wél (primitieve) aanpassingen voor echo-locatie.

Het is overigens zo dat de hedendaagse soorten niet allemaal over deze techniek beschikken, met name ( veel van ) de fruiteters niet.
Het is  onderussen  zo  goed  als  zeker  ( of minstens  mogelijk) dat vleermuizen eerst hun vliegvermogen ontwikkelden en later hun zendapparatuur…
( tsjok ) 
http://www.mun.ca/biology/scarr/Icaronycteris.htm
zoals u op die l referentie kan lezen gaat het over een “echte “vleermuis in één van lijnen van één van de twee subordes = namelijk in de stamboom van de insectivore microchiroptera dus niet over een “ transitionnal” tussen de voorvaderlijke stock der boombewonende eutheria en de ganse monophylithische (?) orde der chiroptera
De tweede suborde
de macrochiroptera bestaat overwegend uit fruitetende grote vleermuizen
( de vliegende hond bijvoorbeeld ) , die voornamelijk betrouwen op hun grote gespecialiseerde ogen en niet overwegend of alleen maar op de echo-beelden zoals dat het geval is bij de kleine vleermuizen geluids -“radar”
Alhoewel deze echo-lokatie systemen ook bij sommigen onder de fruiteters aanwezig is , zijn ze echter zeker niet op dezelfde principes gebouwd noch zijn deze systemen in staat tot dezelfde prestaties als die van de microchiroptera ¦. Wat er op duid dat die echo lokatie systemen wel degelijk ook zijn geevolueerd ( of misschien zelfs apart  convergent  ontwikkeld ? … )
–> dat zulke systemen zijn geevolueerd is dan meteen een ontkrachting van de IC -concept van Behe die ooit verklaarde dat 
“een enkel bewijs van evolutie van een IC systeem volstaat om zijn hypothese onderuit te halen )
( jurre )
Dus zoals je ziet, toch een heel rijtje van verschillen tussen Eocene vleermuizen en hedendaagse.
Vergeet niet dat de orde Chiroptera, oftewel de familie vleermuis uit ongeveer 780 hedendaagse soorten bestaat
(Ondertussen zijn er vandaag 1.075 vleermuis soorten bekend ), en geen van hen heeft de kenmerken van bv. Icaronycteris
( Creationist ) 
” …..Vele paleantologen  zeggen juist op basis van dit icaromycteris fossiel dat er zo goed als geen verschil is met de hedendaagse vleermuis.: Kun je zien dat de bouw anders is dan bij de hedendaagse vleermuis ? “
( jurre )
Ook de encyclopedie, die door wetenschappers is samengesteld, zegt dat de verschillen klein waren.
Ik citeer:
Icaronycteris was vrijwel identiek aan een moderne vleermuis, en blablabla”
Het enige is dat creationisten   ,  jij en ( het creationistisch gezelschap )  “Het Ontstaan van de Wereld” , dit  alles  reduceren (je zou kunnen zeggen “afronden”.) tot  ” in het geheel niets. (verschillend)  “
Natuurlijk leken de vroege vleermuizen al sprekend op die van nu, dat komt omdat de vleermuis zo’n uniek dier is, en de kunst om te vliegen precies de  juiste aanpassingen vraagt .
Dat we een dier uit het verleden een vleermuis zouden noemen zou voornamelijk liggen aan het feit of hij kon vliegen of niet.
En als hij dat wél kon zou het ongeveer  dezelfde kenmerken (vleugels, lichte botten, enz.) moeten  hebben als de hedendaagse vleermuizen.
Hier heb ik een  aanwijzing     dat vroege vleermuizen minstens één eigenschap hadden die geen enkele hedendaagse vleermuis heeft =  Een lange staart ( waarschijnlijk  was die niet over zijn ganse lengte van  aangehechte   vlieghuid  (?) voorzien      …… en de   aanwezigheid van  meer dan twee   klauwen per armskelet  ( zoals de latere vondsten van nog oudere  vleermuis  fossielen  bezitten ) //  
-waaronder  minstens  een (goed ontwikkelde  )  wijsvingerklauw
-De  duimklauw. is een hele normale klauw die alle  vleermuizen hebben.
-Dit  “Icaronycteris” fossiel bezit echter  ook  een  redelijke  wijsvingerklauw .
Ik zeg nog maar eens dat geen van de meer dan duizend hedendaagse soorten dit  alles  in die mate  bezit…. en al zeker niet in combintie met een lange staart   
Een prehistorisch vliegend zoogdier.
Icaronycteris was een primitieve vleermuis. Uiterlijk zag hij er al grotendeels als een hedendaagse vleermuis uit, maar een paar primitieve kenmerken zoals een goed ontwikkelde   klauw aan elke wijsvinger, (Hedendaagse microptera  vleermuizen hebben meestal  alleen klauwen aan hun duimen.:  er is   soms een vestigaal (restant)klauwtje  aan de wijsvinger bij enkele ( fruitetende)  vleerhonden aanwezig    ) een rug die niet zo stijf was en een vlieghuid die niet aan de  lange   staart was bevestigd, geven aan dat dit dier nog weinig ontwikkeld was. Deze vleermuis at insecten, omdat hij (waarschijnlijk )nog geen echo-locatie had denkt men dat hij overdag leefde en geen nachtdier was.



©J.kielen

Hieronder ;
een skelet van een niet -gedetermineerde vleermuis met duim en (zeer kleine = vestigale ? ) wijsvingerklauw ( II vinger )
Let ook op de relatief korte staart in vergelijking met de primitievere “vleermuizen ” .
( Univ of Bristol )
http://palaeo.gly.bris.ac.uk/Palaeofiles/Fossilgroups/Placent/%20%20FL.html
A lthough bats have all the basic anatomical structures associated with mammals in general, the fact that they fly has resulted in many of these structures becoming highly modified. Also, when you consider that there are about 1,000 species of bats, it is not surprising to find that there is considerable room for variation withing the group.

 The most obvious changes are of course in the greatly elongated bones of the fore limbs, particualrly the metacarpals and phalanges. Looking a lttle closer we will find that some bats have developed an extra bone on the hind limbs near the ankle. This small bone, which helps support the uropatagium, which is that flap of skin that extends between the back legs and the tail is called the calcar, or calcaneum. Bats also have an extra bone at the elbow, this very small bone which is the upper arm equivalent of the patella is called the ulna sesamoid.

A third major change, which is not visible in the diagram is that the legs of bats are rotated through 180º, which means that their knees flex in the opposite direction to those of a human or a cat.

bat-skel

 

In general bats have: 7 cervical (neck) vertebrae; 11 thoracic (chest) vertebrae; 4 lumbar (abdominal)vertebrae and between 0 and 10 caudal (tail) vertebrae. In some species the last cervical and first thoracic vertebrae are fused. The bones of the pelvic girdle (ilium, ischium and pubis) are more strongly fused than in other mammals. The megachiroptera have no caudal vertebrae, and hence no tail.

The skull is highly variable in its shape, this variation is dependant on the the animals diet, with nectar feeding bats having long thin skulls while many insectivorous species have relatively short blunt skulls.

The bones of the forelimbs are all elongate to some extent, with the degree of elongation becoming greater the farther the bones are from the body. The bones of the thumb, the only digit capable of free movement, (metatarsal 1 and phalange 1 )are not, or not greatly enlarged. The ulna is greatly reduced and often fused to the radius, which in turn is strong to allow it to support the wings. The wrist is highly flexible, allowing the wing to be folded down like an umbrella. In most bats onlt the thumb retains a claw, but in some flying foxes the 2nd digit has a small claw.

The hindlimbs are rotated through 180º, thus when a bat walks on the ground its knees stick up into the air. The lower section of the hindlimb is composed almost entirely of the tibia, the fibula is vestigial, like the ulna in the forelimb only more so, and fused tto the tibia. The whole limb can rotate through a wide angle allowing a hanging bat to swivel its body through a complete circle. The toes of the hindlimbs all have strong, laterally compressed, claws and an automatic locking system involving a tendon that passes through a sheath of cartilaginous rings attached to the phalange that constrain its movement. This tendon is so attached that it is the bat’s own weight that keeps it taught. This allows the bat to sleep without falling from its roost. Birds also have a locking mechanism on their claws to stop thm from falling off their perch, but their system is quite different.

The bones and muscles of the wing are so arranged that the wing is extended/opened and closed through the operation of only a single muscle for each action. The shape of the bones is such that lifting, or relaxing the humerus stretches a muscle attached to the radius pulling it out or in, and moving the radius has a similar effect on the carpals and metacarpals (see diagram), thus the whole arm can be opened and closed very quickly and efficiently with a minimum of muscula effort.

Toch sonar ? 
Links ;
— een algemeen orienterend artikel van karl ZIMMER rond de problematiek over afstamming en evolutie van de chiroptera ….
http://www.findarticles.com/cf_dls/m1511/11_19/57564244/p1/article.jhtml?term=
– verdere informatie over pogingen tot echo-lokatie evolutie hypotheses vind je hier
Integrated fossil and molecular data reconstruct bat echolocation
 

Het  gevonden fossiel uit het vroege eoceen, Onychonycteris finneyi, gaat Icaronycteris vooraf en is misschien een tussenvorm (?) tussen vleermuizen en hun niet-vliegende, niet-sonar gebruikende voorouders.

Aan z’n ledematen te zien, was het dier een flinke klimmer, die wellicht al ondersteboven aan takken hing, zoals hedendaagse vleermuizen doen, meldt Simmons in Nature.

(hvde)

De  vijftig miljoen jaar oude vleermuis prijkt deze week op de cover van het toonaangevende tijdschrift Nature. Het dier is de nieuwe oudste vleermuis ooit en bovendien de oplossing van een veelbesproken vleermuizenmysterie.

Vlogen ze voordat ze in staat waren tot echolocatie – zeg het vermogen om te zien met behulp van geluid, vergelijkbaar met sonar? Of ontwikkelden ze eerst het vermogen tot echolocatie voordat ze begonnen met vliegen? Dat is de vraag die vleermuisonderzoekers al jaren bezighoudt. En hoewel er hartstikke veel van zijn – maar liefst één op de vijf zoogdieren is vleermuis – zijn fossielen die mogelijk een antwoord kunnen geven zeldzaam.

De oudste beschreven vleermuis was ‘Icaronycteris index’. Afkomstig uit Wyoming, Verenigde Staten en dik vijftig miljoen jaar oud. Een duidelijk antwoord bevatte het fossiel echter niet.

Vliegen had het bij leven zeker gedaan, onder meer te oordelen naar de voor vleermuizen karakteristieke lange armen en vingers. Maar insecten opsporen door middel van echolocatie kon het beest waarschijnlijk ook. Want hoewel het slakkenhuis, dat in het oor zit, niet zo enorm was als bij de nu nog levende vleermuizen, was dat toch duidelijk vergroot. Tja, daar hadden de wetenschappers dus weinig aan.

Gelukkig is er nu weer een oud beest onder de loep genomen. Een team van onderzoekers uit de Verenigde Staten, Canada en Duitsland beschrijven ’t deze week in Nature. Beter gezegd: beschrijven ‘ze’ in Nature, want het gaat om twee vrijwel gelijke fossielen.

Ook deze komen uit Wyoming en dateren uit het prehistorische tijdperk Eoceen. En ook dit zijn onmiskenbaar vleermuizen, maar net weer even anders dan alle andere. Primitiever,

De naam: Onychonycteris finneyi. Onycho(-s) is Grieks en betekent klauw, nycteris betekent vleermuis. Finneyi verwijst naar de naam van de vindster van het fossiel, Bonnie Finney.

De klauwen vormen één van de opvallende kenmerken van deze ‘nieuwe oudste vleermuis’. Moderne exemplaren hebben maar twee grote klauwen, één voor elke arm. Onychonycteris heeft er tien, aan elke vinger eentje. Waarschijnlijk was het dier dan ook goed in het zich voortbewegen via en hangen aan takken, schrijven de onderzoekers in Nature. En omdat de vleermuis verder relatief lange benen had, was-ie wellicht ook niet slecht in gewoon wandelen – op vier poten dan.

Maar dat alles was natuurlijk niet de belangrijkste. De hamvragen waren: kon het dier vliegen? En was het in staat tot echolocatie?

Het antwoord op de eerste vraag is een volmondig ja.

Een blik op het fossiel is voldoende om dat te kunnen zeggen. Maar het antwoord op de tweede vraag is nee. De binnenkant van de oren is helemaal niet uitzonderlijk. Niks geen vergrootslakkenhuis.

Het vleermuizenmysterie lijkt daarmee opgelost. Het vliegen kwam voor het vermogen tot echolocatie, bewijst deze Amerikaanse oervleermuis. De enige prangende vraag die nu overblijft, stelt de Britse bioloog John Speakman in een beschouwend stuk in hetzelfde tijdschrift, is of het beest vooral ’s nachts of overdag actief was.

Veel nachtdieren die niet aan echolocatie doen, hebben extra grote ogen. En als gevolg daarvan extra grote oogkassen. Maar helaas zijn de koppen van beide beschreven fossielen beschadigd en de oogkassen totaal geplet.

Ach, het was ook te mooi om waar te zijn.

Hoe dan ook dragen deze fossielen aanzienlijk bij aan een beter begrip van de evolutie van vleermuizen, aldus John Speakman.

Nancy B. Simmons e.a.: ‘Primitive early Eocene bat from Wyoming and the evolution of flight and echolocation’, Nature, 14 februari 2008

http://deepblue.lib.umich.edu/bitstream/2027.42/62816/1/nature06549.pdf

John Speakman: ‘A first for bats’, Nature, 14 februari 2008

http://scienceblogs.com/loom/2008/02/13/a_hairy_archaeopteryx.php

http://www.rom.on.ca/news/releases/public.php?mediakey=jpskoal89l&media=print

Primitive Early Eocene bat from Wyoming and the evolution of flight and echolocation

Nancy B. Simmons, Kevin L. Seymour, Jörg Habersetzer & Gregg F. Gunnell

Nature 451, 818-821(14 February 2008)

doi:10.1038/nature06549

BACK TO ARTICLE

Relationships of fossil taxa to extant families (here grouped into superfamilies) were constrained by using a backbone scaffold tree derived from molecular studies. Numbers above branches are bootstrap values; numbers below branches are Bremer values. Derived features present in Icaronycteris, Archaeonycteris, and other extinct and extant bats (clade defined by node circled on tree) but absent in Onychonycteris include the following: enlarged orbicular apophysis on the malleus; stylohyal element with an expanded, paddle-like cranial tip; enlarged cochlea; ribs with posterior laminae; claws absent on forelimb digits III–V.

Previous figure | Figures & Tables index

http://www.nature.com/nature/journal/v451/n7180/fig_tab/nature06549_F4.html#figure-title


De stamboom van de vleermuizen is nog zeer controversieel

http://www.uq.edu.au/nuq/jack/consensus.htm
(een goede samenvatting in november 1999)

Vier phylogenetische hoofdhypotheses op basis van moleculaire stambomen

A. Flying Primates: hypothese
Vleerhonden(macrochiroptera ) en colugos delen een zelfde voorouder en vormen een zuster -taxon van de primaten
Microchiroptera zijn echter een meer basale aftakking op de stamboom .

B.( is een variant van A) chiroptera Diphyly: hypothese
Vleerhonden en vleermuizen delen geen gemeenschappelijke vliegende voorouder (zoals in A),
Megachiroptera zijn samen met de colugo een zuster taxon van de primaten

C. Microchiroptera Polyphyly: hypothese
Vleermuizen zijn geen monophylitische groep
De vleermuis-soorten takken minstens tweemaal af van de struik die ook tot de vleerhonden leid …

D. Monophyly of bats: hypothese
Mega- en micro- chiroptera delen een enkele ( vliegende ) gemeenschappelijke voorouder
Ze zijn als groep (= chiroptera )het nauwst verwant met de colugo

(zie over de colugo –> het blog over VLIEGENDE KATTEN   11-2007 < klik )

Slide 41




(2006)

Dit is een “ge-update ” moleculaire stamboom van de belangrijkste groepen der mammalia ….
althans volgens de schrijvers van onderstaand artikel
( here is a link to the bat paper. <klik / Proceedings of the National Academy of Sciences, DOI: 10.1073/pnas.0603797103)

Eens werden de vleermuizen beschouwd als nauwe verwanten van de primaten
Maar zebehoren ( volgens dit artikel ) tot de super-order Pegasoferae, ( paarden ,katten en honden , koeien , walvissen en egels … )
Binnen deze groep zijn de vleermuizen verondersteld verre neven te zijn van(vooral ) de paardachtigen en de roofdieren
DNA analyses suggereren dat alleen katten en honden dichter verwant zijn aan paarden dan de vleermuizen  

Pegasoferae

_________________________________________________________________________________________________
Het slakkenhuis, dat in het binnenoor zit, was wel niet zo enorm groot als bij de nu levende vleermuizen, maar het was toch duidelijk vergroot
Onderzoekers beweren dat aan de details in de kop (het gehoor) men op kan maken dat dit soort toen al echolocatie als orientatie gebruikte.
 Bij het  ander fossiele exermplaar  in bezit v an de schedel   heeft men dmv rontgen opnames kleine. spiraalvormige organen achter in de kop zichtbaar gemaakt wat op gehoororganen lijkt. Dat zou wijzen op een primitief echolocatie systeem.Ook vond men in de maag (zichtbaar gemaakt mbv een electronenmicroscoop) restanten van een vleugel van een mot wat dit ondersteunt.
Kop, gehoor   De rontgenfoto laat achterin de kop details zien van het gehoor
De kleine spiraalvormige organen zijn delen van het gehoor. Hiermee denkt men het bewijs te hebben gevonden dat de vleermuis toen ook al ultrageluid gebruikte.
 
vleermuis finney
PHaryngeal echolocation, used by most living bats to form images of their surroundings and to detect and capture flying prey12, is considered to be a key innovation for the evolutionary success of bats23, and palaeontologists have long sought osteological correlates of echolocation that can be used to infer the behaviour of fossil bats4567. Veselka et al.8 argued that the most reliable trait indicating echolocation capabilities in bats is an articulation between the stylohyal bone (part of the hyoid apparatus that supports the throat and larynx) and the tympanic bone, which forms the floor of the middle ear. They examined the oldest and most primitive known bat, Onychonycteris finneyi(early Eocene, USA4), and argued that it showed evidence of this stylohyal–tympanic articulation, from which they concluded that O. finneyi may have been capable of echolocation.
We disagree with their interpretation of key fossil data and instead argue that O. finneyi was probably not an echolocating bat.
text extant
Icaronycterix-index
Icaronycteris index.
Ook afkomstig uit Wyoming, Verenigde Staten en ook dik 50 miljoen jaar oud.
Fossiele hersenen
Een afbeelding van fossiele vleermuis hersenen, nu de buitenkant.
Icaronycteris index uit Wyoming is niet de enige soort in het genus Icaronycteris. Er is ook Icaronycteris menui uit Zuid-Frankrijk enIcaronycteris sigei uit India, van omstreeks 50 miljoen jaar oud
.
File:Icaronycteris index.jpg

In het Vroeg Eoceen van India worden naast de al genoemdeIcaronycteris sigei, Protonycteris gunnelli, Archaeonycteris storchi, Hassianycteris kumari, Cambaya complexus, Microchiropteryx folieae, en Jaegeria cambayensis gevonden. Jammer genoeg zijn deze vleermuizen alleen als onderkaakjes met kiesjes bekend. Toch is deze Indiase fauna de meest diverse vleermuisfauna uit die tijd, dat is, omstreeks 50 miljoen jaar geleden.

Zes soorten vleermuis uit het Vroeg Eoceen van India (Smith et al 2007, fig 2; middle-late Ypressian). De geslachten Palaeochiropteryx, Hassianycteris, Archaeonycteris  worden al in het Vroeg-Eoceen gevonden, maar zijn voornamelijk bekend van het vroege Midden Eoceen, namelijk uit de  Duitse   Messel  groeve  ( zie boven )
Gedetailleerde fossielen van een fossiele vleermuizen , zijn gevonden gevonden in Duitsland. (Messel)De ouderdom wordt geschat op 50 miljoen jaar,Zelfs de maaginhoud heeft men nog kunnen onderzoeken en daardoor weet men dat dit een insecteneter was. Ook zijn er resten van organen gevonden waaruit men concludeert dat deze oervleermuizen al gebruik maakten van sonar. Het dunne skelet blijft zelden bewaard, maar hier zijn de details echter heel goed te onderscheiden.

Fossiele vleermuizen uit Messel

 Messel Groeve

Er zijn in Messel fossiele vleermuizen gevonden, die naar schatting 50 miljoen jaar oud zijn.
Er zijn daar resten gevonden van minstens zeven verschillende soorten!
Palaeochiropteryx  in vienna museum
Palaeochiropteryx species  ( Vienna museum )
MNHN  Paris

MNHN Paris

Chiroptera paleochiropterygidae, an ancient bat. Note the somewhat longer rear legs (the top ones in this photo) compared to the modern bat (above). The femur of this bat is about 2/3 the length of the humerous, compared to about 1/2 the length in the modern bat. Bat fossils are rather rare, because they have such tiny bones and normally do not expire in good fossil-forming ground, such as silt. (Musee national histoires naturelles  Paris )

Palaeochiropteryx tupaiodon,

Palaeochiropteryx

This fossil microbat, Palaeochiropteryx tupaiodon, from the Messel deposits in Germany is over 45 million years
old, but looks very similar to present-day bats.

Paleomilieu

Messel bij Darmstadt (Duitsland) is een van de belangrijkste vindplaatsen van fossiele vleermuizen. Ongeveer 45 miljoen jaar geleden bevond zich daar een meer, omringd door een subtropisch regenwoud. In het zuurstofarme water werden dikke kleilagen afgezet. Dieren die in of vlakbij het meer stierven, zonken naar de bodem, waar ze zeer snel bedekt raakten met slib. Niet alleen skeletten bleven bewaard, maar soms ook de maaginhoud en afdrukken van de huid.


Reconstructie van het meer van Messel.

De vleermuizenverzameling

De Messel-verzameling van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen bevat meer dan 30 fossielen van vleermuizen. Ze maken deel uit van de onderorde van de Microchiroptera.

KBIN

KBIN

Palaeochiropteryx tupaiodon

De kleine Palaeochiropteryx tupaiodon had een lichaamsgewicht van ongeveer 7 gram en een vleugelspanwijdte van ongeveer 25 cm. Op basis van zijn vleugelmorfologie blijkt dat deze soort traag en behendig vloog en ook een goede zwever was. Hij jaagde vlak boven het wateroppervlak en de oevers. Hij voedde zich vooral met schietmotten, waarvan de resten dikwijls in de maaginhoud teruggevonden worden. Waarschijnlijk stierven deze vleermuizen tijdens de jacht door giftige gassen die uit het meer opstegen.

21701775-fossil
Palaeochiropteryx tupaiodon: skelet met huidafdruk.

 

 

Palaeochiropteryx-tupaiodon

Palaeochiropteryx spiegeli

Palaeochiropteryx spiegeli woog ongeveer 12 gram – de vorm van zijn vleugels lijkt op die van Palaeochiropteryx tupaiodon. Palaeochiropteryx spiegeli jaagde in open lucht, maar kon in

tegenstelling totPalaeochiropteryx tupaiodon niet zweefvliegen.

b015-2
Palaeochiropteryx spiegeli: skelet met huidafdruk.

b015-1

Hassianycteris messelensis

Hassianycteris messelensis woog ongeveer 35 gram. Zijn vleugels hadden een spanwijdte van ongeveer 40 cm. Ze waren lang en smal en de staart was gedeeltelijk vrij. Deze vleermuis kon snel en hoog vliegen. Boven de boomkruinen, in het vrije luchtruim, jaagde hij op kevers, sprinkhanen, vliesvleugeligen, vlinders en motten.

Echolocatie

Het binnenoor van deze vleermuizen vertoont kenmerken die erop wijzen dat ze slechts over een primitieve echolocatie (biologische sonar) beschikten.

Ongeveer 35 miljoen jaar geleden zijn de families, waartoe de vleermuissoorten van Messel behoren, uitgestorven.

Bibliografie

Behnke, C.; Eikamp, H. & Zollweg, M., 1986, Die Grube Messel., Goldschneck-Verlag, 168p.

Schaal, S. & Ziegler, W. (Eds.), 1988, Messel: ein Schaufenster in die Geschichte der Erde und des Lebens., Senckenberg-Buch 64, Kramer Verlag, 315p.

Wolf, H.W., 1988, Schätze in Schiefer. Faszinierende Fossilien aus der Grube Messel., Westermann Verlag, 114 p.

Het opvallende is, dat er niet eens zoveel verschillen zijn met de insectenetende soorten van nu—> Al die tijd is hun lichaamsbouw ( —> body plan )
vrijwel onveranderd gebleven
.
Creationistisen gebruiken dit altijd als een ” bewijs “dat er geen evolutie heeft plaatsgevonden , maar er zijn wel degelijk verschillen tussen
prehistorische en huidige vleermuizen :
alleen zijn die niet erg opvallend voor de leek …
1.- de oudste fossielen hebben veel anatomische schedelkenmerken die wijzen op een simpel echolokatie-systeem
2.- de messel soorten zijn uitgestorven ( de determinatie en invoering van “paleontologische” soorten is wel specialistenwerk
3/-( in de toekomst wordt ook hier veel verwacht van) vergelijkend genetisch onderzoek : dat is trouwens al volop opgestart ……
Van de fossiele vleermuizen uit Messel is de maaginhoud soms nog zo goed bewaard gebleven dat deze onderzocht kon worden.
Zo weten we dat het insecteneters waren.
Bovendien hebben onderzoekers bij de vleermuizen uit Messel resten teruggevonden van de organen die deze
oervleermuizen gebruikten voor hun sonar, het middel waarmee de insectenetende soorten zich oriënteren en prooien vangen.
Ook zijn soms de zachte delen, zoals vacht en oren, bewaard gebleven.
Alles duidt erop dat de vleermuis dus al heel vroeg over de hele wereld voorkwam.
Messelbats
VLIEGENDE PRIMATEN
De insectivore( met echolocatie uitgeruste ) vleermuizen( microchiroptera = bovenaan links op de tekening ), en de fruitetende vleerhonden ( macrochiroptera = rechtsonder ) )zijn volgens deze werkhypothese geen leden van een monofylitisch chiroptera groep ….
—> de tak die leide naar de primaten en de macrochiroptera ( die samen een gemeenschappelijke voorouder hebben ) is wel rechtstreeks verwant ( heeft een gemeenschappelijke voorouder –> een radiatie van een stam uit de hoofdstam der insectivoren )met de tak die naar de microciropthera leide ….
Momenteel worden er 18 families binnen de vleermuizen onderscheiden. Over hun onderlinge relatie was tot nu toe betrekkelijk weinig bekend; dat gold ook voor hun evolutionaire ontwikkeling, hoewel er restanten van fossiele vleermuizen bekend zijn die behoren tot 6 families die inmiddels uitgestorven zijn. Fossiele vleermuizen zijn echter schaars; dat is mede het gevolg aan de slechte fossilisatiemogelijkheden die dit soort dieren heeft.Een van de huidige families van vleermuizen (de Pteropodidae: fruitetende vleermuizen uit de oude wereld) mist een sonarsysteem. Aangenomen werd tot voor kort dat de vleermuizen op een gegeven ogenblik sonar ontwikkelden, en dat er sindsdien twee groepen waren: de vleermuizen met (Microchiroptera) en de vleermuizen zonder (Megachiroptera) sonar systeem.
DNA-onderzoek heeft echter twijfel gezaaid aan die opvatting over de evolutie van de vleermuizen, omdat sommige vleermuizen met een sonarsysteem (de rhinolophoidae) nauwer verwant bleken aan de Pteropodidae dan aan de overige Microchiroptera. Dat kan op twee evolutionaire ontwikkelingen wijzen: of het sonarsysteem ontwikkelde zich eenmaal (maar dan zijn de onderlinge verwantschappen van de diverse families anders dan tot nu toe werd aangenomen), of het sonarsysteem moet zich op twee momenten in de evolutie hebben ontwikkeld, waarvan later weer één ontwikkeling verloren ging. In beide gevallen zou dat veel opvattingen over de evolutie van de vleermuizen op z’n kop zetten.Nieuw onderzoek, waarbij genen van alle bestaande vleermuisfamilies werden onderzocht, maakt waarschijnlijk dat sonar zich slechts eenmaal ontwikkelde, en dat de onderlinge verwantschappen van de nu levende families anders zijn dan eerder aangenomen. Uit dit onderzoek kunnen ook enkele andere opmerkelijke conclusies worden getrokken: in het Vroeg-Eoceen (52-50 miljoen jaar geleden) is er plotseling een enorme variatie binnen de vleermuizen opgetreden, op een moment dat het sonarsysteem al was ontwikkeld, evenals het vermogen tot vliegen. De onderzoekers speculeren dat deze plotselinge explosie van vleermuistypen in het Eoceen samenhangt met een plotselinge toename van het aantal verschillende typen prooidieren, en dat de verschillen in sonarsystemen en vliegwijzen samenhangen met het opvullen van ecologische niches die toen ontstonden. Dit alles vond plaats op een tijdstip dat de gemiddelde jaarlijkse temperatuur sterk steeg, dat er een plotselinge toename was van het aantal plantensoorten, en waarop de diversiteit van Tertiaire insecten een hoogtepunt bereikte. De vleermuizen wisten van deze ontwikkelingen kennelijk optimaal te profiteren.Eocene vleermuizen zijn bekend van alle continenten, behalve Antarctica. Uit het onderzoek blijkt dat Laurazië (waarschijnlijk Noord-Amerika) de bakermat van de vleermuizen moet zijn, al kwam er zuidelijker een vierde tak voor. Berekeningen van de onderzoekers geven aan dat zo’ n 61% van de fossiele vleermuissoorten nog onbekend is.

Vleermuizen krijgen stamboom

Fossielen en DNA-onderzoek als sleutel

Sluit dit venster

Rhinopoma hardwickii, een van de soorten Microchiroptera die nauwer verwant is aan de Megachiroptera dan aan de overige Microchiroptera. [Foto: P. Bates, Harrsion Institute in Kent, UK]

Van vleermuizen zijn relatief weinig fossielen gevonden. Vandaar dat er nog niet veel bekend is over de onderlinge verwantschap van deze dieren. Toch is het wetenschappers gelukt een stamboom te maken mede dankzij DNA-onderzoek.

Het luchtruim boven onze wereld is ’s avonds aardig gevuld met vleermuizen die op zoek zijn naar voedsel. Maar liefst 챕챕n op de vijf van zoogdieren is namelijk een vleermuis. Al deze luchtacrobaten – het zijn de enige vliegende zoogdieren – zijn weer onderverdeeld in ruim duizend verschillende soorten die op hun beurt toebehoren aan zeventien uiteenlopende families.

Wie aan vleermuizen denkt, denkt meteen aan hun bijzondere eigenschap dat ze als het ware met hun oren kunnen kijken. Ze maken geluidjes die ze na weerkaatsing opvangen zodat ze zich in de ruimte kunnen ori챘nteren. Op deze wijze weten ze ook haarfijn hun prooi te lokaliseren.

Echter niet alle vleermuizen – hun wetenschappelijke naam is Chiroptera – hebben zo’n vernuftig sonarsysteem. Dit geldt alleen voor de Microchiroptera, die overigens wel verreweg in de meerderheid zijn. Maar de Megachiroptera kijken niet met hun oren maar, met hun goed ontwikkelde en grote ogen.

De Microchiroptera zijn meestal kleine soorten, hoewel er ook exemplaren tussen zitten met een vleugelspanwijdte van bijna 챕챕n meter. De meeste van deze vleermuizen eten insecten. Bij sommige staan ook kikkers, vissen, muizen, vogels en/of bloed op het menu. De overwegend grote Megachiroptera, tot een spanwijdte van 1.70 meter, leven van fruit, stuifmeel en nectar.

Dat alle vleermuizen dezelfde voorouders hebben, is al langer bekend. Over hoe dit zoogdier zich in de prehistorie heeft ontwikkeld en verspreid, bleef altijd gissen. Er zijn namelijk weinig fossielen van vleermuizen gevonden. De Ierse biologe Emma Teeling heeft samen met enkele collega’s geprobeerd toch een stamboom op te stellen. Haar bevindingen publiceerde zij vrijdag 28 januari in het wetenschappelijk tijdschrift Science.

Voor deze stamboom vergeleek ze van alle levende vleermuisfamilies een zeventiental genen om hun verwantschap en divergentietijd te kunnen bepalen. Vervolgens dook ze in de literatuur op zoek naar de fossiele gegevens van de verschillende families van vleermuizen. De verkregen informatie bracht ze met elkaar in verband. Het bleek onder andere dat 61 procent van de fossiele familieleden zoek is.

Ole Madsen, moleculair bioloog van het Instituut voor Moleculaire Levenswetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen, hielp Teeling bij het in kaart brengen van de 13.700 basen op de betreffende genen en bij het analyseren van de stamboom. Hij vertelt dat een gangbare hypothese onjuist blijkt. “Velen dachten dat de Megachiroptera en de Microchiroptera ooit afzonderlijk hun eigen weg zijn ingeslagen. Maar dat klopt niet. De Megachiroptera zijn verwant aan bepaalde Microchiroptera-families die nu nog in leven zijn, terwijl deze laatsten genetisch juist m챠nder gelijkenis vertonen met de overige nog levende Microchiropterafamilies

Het idee van Teeling en collega’s is dat vleermuizen hun oorsprong hebben op het noordelijke deel van onze aardbol, hoogstwaarschijnlijk in Noord-Amerika. Tijdens het vroege Eoceen, zo’n 50 tot 52 miljoen jaar geleden, nam de diversiteit van de Microchiroptera ineens een hoge vlucht. In die periode steeg de temperatuur op aarde ongeveer zeven graden, waardoor planten en insecten goed konden gedijen. In dit walhalla zouden de vele vleermuisfamilies die we nu kennen, zich vooral hebben ontwikkeld.

Rond dezelfde tijd ontstonden de Megachiroptera uit bepaalde soorten Microchiroptera. Deze aftakking verloor de echolokatie, die waarschijnlijk niet meer nodig was omdat deze vleermuizen uitsluitend vegetari챘r werden.

John Ekkelboom


Referenties:
  • 2005. . Science 307, 527-528.

: An Eocene Big Bang for Bats

Nancy B. Simmons

Although bats constitute more than 20% of living mammal species, little is known about their evolutionary history. In a Perspective, Simmons discusses a new bat phylogenetic tree (Teeling et al.) that sheds light on the evolution of the only mammals capable of both flight and echolocation.


: An Eocene Big Bang for BatsNancy B. SimmonsAlthough bats constitute more than 20% of living mammal species, little is known about their evolutionary history. In a Perspective, Simmons discusses a new bat phylogenetic tree (Teeling et al.) that sheds light on the evolution of the only mammals capable of both flight and echolocation.


The author is in the Division of Vertebrate Zoology, American Museum of Natural History, New York, NY 10024, USA. E-mail: simmons@amnh.org type=text/javascript>


  • Teeling, E.C., Springer, M.S., Madsen, Ole, Bates, P., O’Brien, S.J. & Murphy, W.J., 2005. A molecular phylogeny for bats illuminates biogeography and the fossil record. Science 307, p. 580-584.
Molecular Biology Fills Gaps in Knowledge of Bat Evolution
A Molecular Phylogeny for Bats Illuminates Biogeography and the Fossil Record

Bats make up more than 20% of extant mammals, yet their evolutionaryhistory is largely unknown because of a limited fossil recordand conflicting or incomplete phylogenies. Here, we presenta highly resolved molecular phylogeny for all extant bat families.Our results support the hypothesis that megabats are nestedamong four major microbat lineages, which originated in theearly Eocene [52 to 50 million years ago (Mya)], coincidentwith a significant global rise in temperature, increase in plantdiversity and abundance, and the zenith of Tertiary insect diversity.Our data suggest that bats originated in Laurasia, possiblyin North America, and that three of the major microbat lineagesare Laurasian in origin, whereas the fourth is Gondwanan. Combiningprinciples of ghost lineage analysis with molecular divergencedates, we estimate that the bat fossil record underestimates(unrepresented basal branch length, UBBL) first occurrencesby, on average, 73% and that the sum of missing fossil historyis 61%.

1 Laboratory of Genomic Diversity, Basic Research Program, SAIC-Frederick, Inc., National Cancer Institute, Frederick, MD 21702, USA.
2 Department of Zoology, University College Dublin, Belfield, Dublin 4, Ireland.
3 Department of Biology, University of California, Riverside, CA 92521, USA.
4 Department of Biochemistry, Radboud University of Nijmegen, Post Office Box 9101, 6500 HB Nijmegen, Netherlands.
5 Harrison Institute, Centre for Systematics and Biodiversity Research, Bowerwood House, 15 St. Botolphs Road, Sevenoaks, Kent TN13 3AQ, UK.
6 The Laboratory of Genomic Diversity, National Cancer Institute, Frederick, MD 21702, USA.
7 Department of Veterinary Integrative Biosciences, College of Veterinary Medicine and Biomedical Sciences, Texas A&M University, College Station, TX 77843, USA.

* To whom correspondence should be addressed. E-mail:

emma.teeling@ucd.ie ;

obrien@mail.ncifcrf.gov ;

mark.springer@ucr.edu

Ontwikkeling van vleermuizen explodeerde in Eoceen


KLEINE VRUCHTEN ETENDE VLEERMUIS UIT AFRIKA (EPOMOPHORUS MINIMUS), BEHOREND TOT DE PTEROPODIDAE, DE FAMILIE ZONDER SONARSYSTEEM

lvleermuisEpomorhus minimus nauw verwant aan klein aantal groepen microchiroptera, zoals deze langstaartvleermuis 

Rhinopoma hardwickii (onder)

5516157376_160b6c3b13_  r hardwickii

http://eol.org/pages/7634/overview

http://animaldiversity.ummz.umich.edu/collections/contributors/phil_myers/ADW_mammals/specimens/Chiroptera/Rhinopomatidae/Rhinopoma_hardwickii/ventral5347/


MEGADERMA LYRA EEN VLEERMUIS MET SONARSYSTEEM, BEHOREND TOT DE FAMILIE MEGADERMATIDAE

Foto’s van Paul Bates, Centre for Systematics and Biodiversity Research, Sevenoaks (Engeland); welwillend ter beschikking gesteld door welwillend ter beschikking gesteld door Emma Teeling, Department of Zoology, University College Dublin, Dublin (Ierland).

LINKS

http://www.vleermuis.net/    http://www.vleermuis.net/nieuws/050130.html

°

UPDATE  

http://www.sciencedaily.com/releases/2014/12/141204140735.htm

‘Non-echolocating’ fruit bats actually do echolocate, with wing clicks

December 4, 2014
Cell Press

Summary:
In a discovery that overturns conventional wisdom about bats, researchers have found that Old World fruit bats — long classified as ‘non-echolocating’ — actually do use a rudimentary form of echolocation. Perhaps most surprisingly, the clicks they emit to produce the echoes that guide them through the darkness aren’t vocalizations at all. They are instead produced by the bats’ wings, although scientists don’t yet know exactly how the bats do it.

vleerhond

vleerhond

 

 

CHIROPTERA

Nancy B. Simmons, and Tenley Conway

 

vleermuis1 vleermuis2     1994 Nancy Simmons

Molossus rufus                                         Phylostomus hastatus

indeling

 

Tree from Simmons and Geisler (1998).

Containing group: Eutheria

http://www.vleermuis.net/links.html

Chromosome comparison between two species of Phyllostomus (Chiroptera – Phyllostomidae) from Eastern Amazonia, with some phylogenetic insights

http://www.scielo.br/scielo.php?script=sci_arttext&pid=S1415-47572000000300016

G- AND C-BANDING CHROMOSOMAL STUDIES OF BATS OF THEFAMILY EMBALLONURIDAE

CRAIG S. HOOD AND ROBERT J. BAKER

http://www.loyno.edu/~chood/hoodbaker86.pdf

 

 

 

Creationist whoppers

 

Creation/Evolution Newsletter, November/December 1988, pp. 11, 14:
THE DEBATE CIRCUIT Saladin-Gish Debate
July 10, 1988 at Auburn University, Auburn, Alabama

http://www.talkorigins.org/faqs/icr-whoppers.html

http://www.ucmp.berkeley.edu/mammal/eutheria/chiroptera.html

 

 

 

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

4 Responses to Vleermuizen

  1. Selma zegt:

    Informatief! Heb het meteen doorgemaild naar m’n kleindochter die ‘iets met dieren’ wil worden.

  2. Pingback: NEURONEN | Tsjok's blog

  3. Pingback: AFSCHRIKKEN | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: