BABYTAAL en babybrein


Primaten konden al snel praten //Knack – 09-08-2006/karl van den broeck

Resusaapjes spreken niet, maar ze hebben wel een taalcentrum in hun hersenen.

Wanneer apen naar het geluid van soortgenoten luisteren, gebruiken ze dezelfde gebieden in hun hersenen als wanneer mensen naar elkaars woorden luisteren.

Een internationaal team van wetenschappers schrijft deze week in Nature Neuroscience dat het dan ook niet denkbeeldig is dat de vroege voorouders van de mens taalcentra in de hersenen hadden, lang voor ze leerden spreken.

‘Door deze intrigerende ontdekking kunnen we beter begrijpen hoe taal in de loop van de evolutie ontstaan is’,

zegt Dr. James Battey, directeur van het National Institute on Deafness and Other Communication Disorders, dat meewerkte aan de studie.

‘Fossiele overblijfselen kunnen ons niet helpen, dus moeten we naar het heden kijken – door het scannen van de hersenen van nog levende niet-menselijke primaten. Zo kunnen we een glimp opvangen van hoe taal, of tenminste de neurale circuits die taal mogelijk maken, ontstaan zijn.’

Allen Braun van NIDCD trainde resusaapjes om stil in een PET-scanner te blijven zitten. De onderzoekers lieten de diertjes zowel geluiden van andere resusaapjes als computergeluiden horen en registreerden de hersenactiviteit. De apengeluiden activeerden de taalcentra in de hersenen, onder meer het brocacentrum. De computergeluiden veroorzaakten alleen activiteit in het gehoorcentrum.

‘We kunnen concluderen dat de laatste gemeenschappelijke afstammeling van de resusapen en de mens, die zo’n 25 tot 30 miljoen jaar geleden leefde, over de belangrijkste neurale mechanismen beschikte om tot de ontwikkeling van taal over te gaan’,

schrijven de wetenschappers.

‘Hoewel apen niet spreken, toch kennen ze een aantal vocalisaties die – zoals menselijke spraak – een mening coderen in willekeurige geluidspatronen.

Zo hebben de meeste apensoorten kreten die waarschuwen bij gevaar dat van boven komt – zoals een arend – of bij gevaar dat van de grond – zoals van een luipaard – komt.

Rhesusaap gebruikt ook  babytaaltje voor kind (maar dan dat

van  anderen)

28 augustus2007

http://vorige.nrc.nl/thema_archief_oud/nieuwswetenschap/article1832639.ece

HET GIRNEES

Vrouwelijke rhesusapen trekken de aandacht van kinderen van andere rhesusapen met speciaal geluid: girnees,(= girneys )  een soort nasaal huiltje.

Een moeder-rhesusaap met haar jong.

Een moeder-rhesusaap met haar jong.
(Foto APP)

Gek genoeg gebruiken rhesusaapjes ze niet voor hun eigen kinderen, maar ze worden vrij consistent gericht naar andere apenkinderen, niet naar volwassenen. Ze gaan bijna altijd samen met kwispelen, iets dat dit soort aapjes alleen maar naar kinderen doen. Het enige duidelijke effect van het geluid dat de onderzoekers konden observeren was dat in een aantal gevallen de apenkinderen hun aandacht inderdaad verlegden naar de girney-producerende aap en dat soms de aap contact met het kind had, positief of negatief.

Dit blijkt uit een onderzoek van een vrij levende rhesusapenkolonie op het kleine eiland Cayo Santiago nabij Puerto Rico over een aantal jaren, waarbij ieder van de 19 vrouwtjes uit de bestudeerde groep gemiddeld zo’n 17 uur in totaal geobserveerd is. De analyses door primatologen van het onderzoeksstation op Cayo Santiago en de University of Chicago worden gepubliceerd in het septembernummer van het vakblad Ethology.

De girneys gaan vaak samen met grommen, maar die grommen worden veel vaker en algemener gebruikt, als emotionele uiting of ook zonder duidelijke reden. De grommen klinken ook buiten het geboorteseizoen en hebben vaak geen duidelijk adres. Girneys klinken alleen in het geboorteseizoen en zijn altijd gericht op kinderen. Vaak is moeilijk te zien of ze gericht zijn op kinderen of op de moeder, bij rhesusapen klitten die nogal vaak bij elkaar. Maar als het kind even los is van zijn moeder is de girney in 90% van de gevallen duidelijk gericht naar het kind.

Er was al langer wetenschappelijke discussie over de aard van deze geluiden, tot nu werd gedacht dat het een soort vriendelijke bedoeling communiceerde, vooral gericht op de moeder van de andere aapjes. Het huidige onderzoek weerlegt die theorie. Het effect is lang niet altijd positief, soms wordt het kind zelfs ‘ruw behandeld’, en het geluid is ook niet gericht op de moeder. Het geluid drukt ook geen commentaar op het kind uit, zoals ook wel eens is voorgesteld.

Uit hun systematische observaties concluderen de onderzoekers dat het geluid vooral bedoeld is om de aandacht van een kind te vangen. Mogelijk is het ook een uiting van opwinding bij het zien van een kind.

De onderzoekers trekken een parallel met de menselijke eigenschap (van mannen en vrouwen) om in een typisch baby-taaltje met veel melodische wendingen (‘motherese’) tegen jonge kinderen te praten.

(*Opmerkelijk is ook dat verliefde mensen soms in  (nonsensicaal ?…..maar emotioneel betekenisvolle triggers  ?    )babytaaltje met elkaar praten  )

MENSELIJKE SPRAAK ONTWIKKELDE ZICH UIT BABYTAAL ? 

(° sommigen menen dat bepaalde  emotioneel geladen  vocaliserende   muziek-boodschappen   een  voorloper zijn   van taal  ; zingen is in alle geval een  beginnende  vorm van  luidkeels  roepen van ( sexueel geladen ? ) boodschappen   ) 

(Nog voor ze praat, kan ze spreken(DOOR SARA DE SLOOVER))

Het duurt tot baby’s drie jaar zijn voor ze kunnen praten. Bij sommige duurt het tot vijf jaar voor ze alle klanken kunnen uitspreken

*Baby herkent na half jaar spraak

De hersengebieden voor spraakherkenning en -productie reageren niet vanaf de geboorte op elkaar. Dat gebeurt pas als babys ongeveer zes maanden oud zijn, het moment dat ze ook beginnen met babbelen.

Dat zagen neurowetenschappers van de universiteit van Washington toen ze de hersenactiviteit van babys op drie leeftijden maten. Uit het gedrag van babys was wel eerder afgeleid dat de hersenen van een jong kind zich zo ontwikkelen, maar dit is de eerste keer dat het met hersenscans bevestigd is. De Amerikanen (en Finnen, want er werden Finse kinderen getest) publiceren in het tijdschrift NeuroReport van deze week.

Ze testten pasgeborenen, en babys van 6 en 12 maanden oud door ze verschillende geluiden te laten horen. E챕n geluid leek helemaal niet op spraak (een rij piepjes), een tweede een beetje (een herhaald muziekakkoord) en de derde waren gesproken lettergrepen: ta-ta-ta-ta. In alle geluiden brachten de onderzoekers soms een kleine variatie aan, om te zien of de babys iets opviel

Hoewel het hersengebied voor geluidsanalyse al bij de jongste kinderen reageerde, reageerde het gebied voor spraak vanaf zes maanden. Bij kinderen van een jaar was die koppeling nog sterker. Al maken de kinderen zelf geen geluid als ze spraakachtige klanken horen, ze activeren wel de gebieden die de bijbehorende mondbewegingen controleren. Mogelijk zijn er zogenaamde spiegelneuronen bij betrokken.

De resultaten wijzen er op, schrijven de onderzoekers, dat kinderen ervaringen nodig hebben om horen en spreken te verbinden. Rond vijf, zes maanden herkennen babys dat er een geluid komt als iemand zijn mond beweegt. Het is ook vanaf die leeftijd dat ze lettergrepen nadoen als ze ze horen, en dat ze hun moedertaal onderscheiden van andere spraak.

De neurowetenschappers uit Washington gebruikten voor hun onderzoek magneto-encefalografie, een techniek die het vuren van groepen hersencellen meet aan de hand van het minieme magnetisch veld dat door de elektrische activiteit wordt opgewekt


* HET MOEDEREES 

Hoewel geen twee mensen hetzelfde zijn, lijkt het of ze allemaal op hetzelfde zangerige toontje met zuigelingen keuvelen.Dat universele brabbeltaaltje, het ‘moederees’ ontstond volgens fysisch antropologe Dean Falk nog voor de menselijke spraak.Maar nog voor baby’s brabbelen, kun je al met ze praten: in Amerika is gebarentaal voor baby’s de nieuwe rage.

Over de hele wereld hanteren volwassenen instinctief een soort gebrabbel wanneer ze tegen zuigelingen praten.Langgerekte klinkers, zoetgevooisde stemmetjes en een vragende intonatie, het lijkt vaste prik bij een babywieg.

Volgens Dean Falk van Florida State University helpt het ‘moederees’ niet alleen jonge kinderen praten maar heeft het gekwebbel ook de verdere evolutie van de taal bevorderd.

” ….Onze voorouders ontwikkelden dit babytaaltje”, zegt Falk aan het tijdschrift Scientific American, “om met twee andere mijlpalen in de menselijke evolutie te kunnen omgaan: een groter brein en rechtop lopen.”

In tegenstelling tot andere primaten worden menselijke borelingen inderdaad compleet hulpeloos geboren. Terwijl een pasgeboren chimpansee zichzelf al vast kan klampen aan de buik of rug van zijn viervoetige mama moeten de zwakke mensenbaby’s met hun grote hoofden door hun tweebenige verzorgers overal naartoe gedragen worden Bij de vroegste mensen waren het de vrouwtjes die voor het leeuwendeel van de opvoeding instonden.

“Maar”, zegt Falk, “als ze hun kind steeds vast moesten houden werden die moeders gehinderd bij het plukken van noten, vruchten en kruiden. Met als gevolg dat ze minder te eten hadden.” De antropologe denkt daarom dat moeders hun kinderen tijdens de verzamelactiviteiten op de grond lieten zakken. “De oermama’s susten de zuigelingen met hun stemgeluid en staken ondertussen de handen uit de mouwen. Die ‘troost van op een afstand’ vormde de basis voor het ‘moederees’”, betoogt Falk. “Moeders die genetisch gezegend waren met een sterke capaciteit om hun kinderen in bedwang te houden, baarden meer kinderen die het haalden.Toen de mama’s steeds meer op hun stem vertrouwden, kwamen betekenisvolle woorden uit de klankenbrij tevoorschijn, die opgepikt werden door de anderen. Uiteindelijk raakten sommige begrippen wijdverspreid in de menselijke gemeenschappen, wat taal deed ontluiken.”

Paleoantropoloog Karen Rosenberg twijfelt aan de stelling dat onze vroegste voorouders hun kinderen op de grond zouden droppen.Want draagdoeken en draagbanden zijn in alle culturen alledaagse kost; behalve in de westerse, en ook daar winnen de mitella’s aan populariteit.

De voordelen? Je baby zit altijd dicht op je huid, wordt makkelijk vervoerd en heeft het nooit te koud. Waarschijnlijk waren dat ook de redenen waarom onze vroegste voorouders de doeken fabriceerden.

Met een kind in een draagdoek is er geen noodzaak om een systeem te ontwikkelen waarbij baby’s van op afstand gecontroleerd worden”, besluit Rosenberg.

Ook taalkundigen hebben hun bedenkingen.

Falks uitleg werpt licht op de oorsprong van spraak”, schrijft Derek Bickerton van de universiteit van Honolulu, “maar onthult niets over de oorsprong van taal. Hoe kreeg moeders melodieuze gekwebbel een symbolische betekenis? Spraak is maar één vorm van taal, net zoals morsecode en rooksignalen”, zegt Bickerton.

Gebarentaal is nog zo’n taalvariant. Onlangs ontdekte wetenschapster Laura-Ann Petitto dat horende baby’s met dove ouders ritmische hand- en armgebaren maken, een teken dat zij gebarentaal bewust in zich opnemen. Daaruit leidt ze af dat ‘handgebrabbel’ net dezelfde functie als verbaal gebrabbel heeft.

“De ukjes apen hun ouders na om taal, zij het dan in een andere vorm, aan te leren”, aldus Petitto.

De auteurs van het in Amerika razend populaire boek Baby Signs (Babygebaren) gaan nog een stapje verder. Volgens hen dingt gebarentaal naar de titel ‘allereerste taalvorm’

. “Baby’s zijn fysiek niet in staat de noodzakelijke klanken van een woord aan elkaar te rijgen maar ze doen wel vreselijk hun best”, zeggen schrijfsters Linda Acredolo en Susan Goodwyn.

“Babytaal zoals ‘wawa’ voor water is een eerste poging. Het kost tijd, vaak tot ze drie zijn, voor ze hun stembanden zo onder controle hebben dat die precies doen wat ze willen”, stellen de twee Californische psychologes in hun boek.

“Kleuters zijn vaak al vijf jaar voor ze alle klanken kunnen uitspreken”, beaamt logopediste Reinhilde De Backere.

“Het strottenhoofd van een baby’tje moet eerst indalen, en de motoriek van de lippen, de wangen en de tong moet op elkaar afgestemd worden”, zegt ze. “Vanaf zes maanden beginnen kinderen te brabbelen, maar het eerste betekenisvolle woord komt er pas rond de vijftiende maand aan.”

Na onderzoek bij honderden kleintjes lanceerden Acredolo en Goodwyn daarom in 1996 het radicale idee om horende baby’s gebaren te leren gebruiken voordat ze kunnen praten. De ideale startleeftijd ligt tussen negen en twaalf maanden.

Ons onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik van vingertaal leidt tot minder tranen en minder drift buien, omdat we onze kinderen beter begrijpen”, schrijven de dames.

De gebruikte gebaren zijn logisch en eenvoudig:

hijgen met de tong uit de mond voor ‘hond’, vingertop tegen omhooggedrukte neus voor ‘varken’, met de armen fladderen voor ‘vogel’, luidruchtig snuiven voor ‘bloem’ en onder de oksels krabben voor …’aap’.

Maar ook aan praktischer gestes zoals ‘drinken’ (duim tegen mond en drinkgebaar), ‘waar’ (handpalmen omhoog en opgetrokken schouders), ‘willen’ (gekromde vingers naar je toehalen) en ‘warm’ (lucht tussen de lippen doorblazen) is gedacht.

Volgens de dames scoren kinderen die de gestiek aangeleerd kregen bovendien significant hoger op latere IQ-tests.

(Babygebaren: praat al met je baby voor hij iets kan zeggen, door Linda Acredolo en Susan Goodwyn, )

_____INTERMEZZO ___________kinderbrein , FOXP2 en TAAL ————————————————————–

Het kinderbrein is anders dan dat van volwassenen  //Nienke Beintema

de klassieke hersendeling geldt alleen voor volwassenen

De hersenen van kinderen zijn niet strak verdeeld in afzonderlijke modules. Therapie bij ontwikkelingsstoornissen moet daarom anders, meent psycholoog Annette Karmiloff-Smith.

Genen én omgeving spelen een rol bij de menselijke ontwikkeling, dat staat inmiddels buiten kijf. Onder specialisten woedt echter de nature-nurture-discussie nog altijd voort, maar dan op een gedetailleerder niveau.

Dat heeft belangrijke gevolgen voor onderzoek naar ontwikkelingsstoornissen. De klassieke neuropsychologie gaat uit van een model waarbij de uiteindelijke rol van de verschillende hersengebieden al bij de geboorte vaststaat, vertelt prof. dr. Annette Karmiloff-Smith, hoofd van het instituut voor kindergezondheid van het University College London. Die verschillende hersengebieden zouden zich dan ook onafhankelijk van elkaar ontwikkelen.

Dat model is gebaseerd op waarnemingen bij mensen die hersenletsel hebben opgelopen, bijvoorbeeld door een ongeluk of een tumor. Vaak is bij zulke pati챘nten slechts 챕챕n functie aangetast, zoals spraak, terwijl de overige functies volledig intact zijn. Daaruit concludeerden wetenschappers dat de menselijke hersenen opereren in onafhankelijke modules. Naast spraak zijn er bijvoorbeeld modules voor ruimtelijk inzicht, motoriek, rekenvaardigheid en gezichtsherkenning.

Het kan wel zijn dat de hersenen op l찼tere leeftijd zo werken, zegt Karmiloff-Smith, maar bij jonge kinderen is dat in elk geval niet zo. Alle gebieden in het kinderbrein staan intensief met elkaar in verbinding. Pas na verloop van tijd krijgt ieder hersengebied zijn eigen functie. Sommige verbindingen verdwijnen en andere worden juist sterker.

Karmiloff-Smith pleit er dan ook voor dat kinderen met een ontwikkelingsstoornis een andere behandeling krijgen dan volwassenen met hersenletsel. Die krijgen vaak intensieve training in de ene vaardigheid waarvan het hersengebied beschadigd is. Maar kinderen, zo redeneert Karmiloff-Smith, zouden een veel bredere cognitieve stimulering moeten krijgen, die bovendien meteen begint zodra een stoornis is vastgesteld. Dat klinkt logisch, maar de conventionele therapie begint vaak pas als een kind leert lezen en schrijven en gaat ervan uit dat het zich ontwikkelende brein in modules werkt.

Met moderne technieken kunnen we de ontwikkeling van de hersenen tegenwoordig nauwkeurig volgen, vertelt Karmiloff-Smith. We meten de elektropotentialen van verschillende hersengebieden terwijl iemand een bepaalde taak uitvoert. Zo weten we dat volwassenen voor het herkennen van gezichten vooral hun rechter hersenhelft gebruiken. Als je een baby fotos van verschillende gezichten laat zien, zie je echter dat beide hersenhelften even actief zijn. Na zes maanden begint de activiteit zich te concentreren in de rechter hersenhelft, en na twaalf maanden speelt de linker hersenhelft vrijwel geen enkele rol meer. Je ziet dus dat specialisatie en lokalisatie heel geleidelijk optreden

De grote vraag bij onderzoek naar ontwikkelingsstoornissen is in hoeverre die beide processen vanzelf verlopen. Liggen ze van tevoren al genetisch vast, of is de ontwikkeling een reactie op de omgeving? Karmiloff-Smith: Het is absoluut een combinatie van beide. De genen bepalen de uitgangssituatie en scheppen de mogelijkheid tot ontwikkeling, maar de omgeving zorgt voor de fijne nuances van de specialisatie

Daarom is het van groot belang dat een kind tijdens bepaalde gevoelige perioden aan de juiste prikkels wordt blootgesteld. Anders verdwijnen de benodigde verbindingen in de hersenen en verliest het kind het vermogen om een bepaalde vaardigheid of eigenschap te ontwikkelen.

Het vreemde is dat die prikkels niet altijd direct iets met de uiteindelijke functie te maken hoeven te hebben. Een opvallend voorbeeld is het belang van de interactie tussen moeder en kind, zegt Karmiloff-Smith. Die interactie, ook het non-verbale gedeelte ervan, is van cruciaal belang voor de taalontwikkeling van het kind. De kwaliteit van de moeder-kind-interactie bepaalt hoe snel een kind onderscheid leert maken tussen verschillende klanken. Keer op keer zien we dat functies die op het eerste gezicht totaal ongerelateerd zijn, bij jonge kinderen toch nauw met elkaar samenhangen. Die scheiding treedt pas op latere leeftijd op

Het gevolg is dat een relatief kleine aangeboren afwijking verstrekkende gevolgen kan hebben. Meestal is er niet slechts 챕챕n functie aangetast, maar meerdere. Karmiloff-Smith noemt als voorbeeld het Williams-syndroom (WS). Kinderen met deze afwijking hebben een gemiddeld IQ van rond de vijftig. Ze hebben een zeer beperkt ruimtelijk inzicht en rekenvermogen, maar hun taalvermogen is opmerkelijk goed. De klassieke ontwikkelingspsychologie behandelt deze pati챘nten net zoals volwassenen met een hersenbeschadiging: therapie richt zich op de meest opvallende afwijking.

Maar hier is iets heel anders aan de hand, meent Karmiloff-Smith. De afwijking ontstaat doordat een klein stukje DNA ontbreekt, met daarop een viertal genen die van belang zijn voor de groei en doorbloeding van de hersenen, voor de chemische reacties in de hersenen en voor signaaloverdracht. Als gevolg daarvan zijn de hersenen van WS-patiËnten structureel en functioneel anders dan normale hersenen.

Ook al lijkt het taalvermogen van WS-pati챘nten normaal, de kans is groot dat ze dat op een andere manier hebben ontwikkeld dan normale kinderen. Als je heel goed kijkt, zie je bovendien subtiele afwijkingen in alle cognitieve functies, inclusief het taalvermogen. Het heeft daarom geen zin WS-pati챘nten alleen te trainen in rekenen en ruimtelijk inzicht. Hun hersenen zijn fundamenteel anders dan volwassen hersenen waarvan 챕챕n gedeelte is beschadigd

Het brengen van zon ingewikkelde boodschap is niet gemakkelijk. Vaak loopt Karmiloff-Smith tegen het probleem op dat collega-wetenschappers en therapeuten, maar ook journalisten, het verhaal liever simpel houden. Het is veel aantrekkelijker een onderzoek te presenteren dat concludeert: gen X codeert voor functie Y, dan te zeggen: het ligt veel ingewikkelder en we weten er eigenlijk nog veel te weinig van, schampert de psycholoog. Maar dat is vaak wel de waarheid. Gen X codeert nooit voor functie Y, en al helemaal niet bij hogere cognitieve functies zoals taal

Ze noemt het voorbeeld van de ophef die een jaar of vijf geleden ontstond toen wetenschappers enthousiast meldden dat ze een taalgen hadden ontdekt. Het gen, FOXP2, bleek defect bij mensen met ernstige aangeboren taal- en spraakstoornissen, terwijl het bij gezonde mensen intact was.

Het gen heeft inderdaad met taal te maken, vertelt Karmiloff-Smith, maar op een veel indirectere manier dan men dacht. Mensen met een FOXP2-afwijking hebben niet alleen moeite met taal en spraak, maar ook met bijvoorbeeld fijne motoriek, het co철rdineren van bewegingen en het waarnemen en produceren van ritmes. Mijn conclusie is dat FOXP2 een onderliggende genetische factor is die al deze processen, en ook taal en spraak, mogelijk maakt. Het gen werkt op een veel lager niveau: het be챦nvloedt de co철rdinatie en timing van snelle bewegingen, waaronder de mond- en tongbewegingen die nodig zijn om te kunnen spreken.

Steeds opnieuw is de boodschap dat cognitieve functies uiteindelijk weliswaar gescheiden zijn, maar gedurende de ontwikkeling intensief met elkaar verbonden zijn en elkaar kunnen aansturen. Wil je onderzoeken hoe de normale en de afwijkende ontwikkeling precies verlopen, dan zul je dus meerdere momenten in de ontwikkeling onder de loep moeten nemen en zo vroeg mogelijk moeten beginnen

Het liefste zou ik ook onderzoek doen aan ongeboren kinderen, zegt Karmiloff-Smith, maar daar heb ik helaas nog geen toestemming voor. Ik zou bijvoorbeeld willen onderzoeken wanneer normale en afwijkende kinderen, bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down, onderscheid leren maken tussen verschillende klanken en tussen verschillende ritmes. Dat kun je in de baarmoeder al meten. Vervolgens kun je dan kijken of Down-kinderen baat hebben bij verschillende soorten van geluidsstimulering tijdens de zwangerschap.

Voorlopig beperkt het onderzoek zich tot babys en kleuters. Een van de vragen die Karmiloff-Smith wil beantwoorden, is hoe goed babys van verschillende leeftijden in staat zijn klanken van elkaar te onderscheiden. Zo wil ze in kaart brengen welke hersengebieden op welk moment in de ontwikkeling betrokken zijn bij klankverwerking, en welke patronen er bij normale en afwijkende ontwikkeling optreden.

Je kunt het aan een baby zien wanneer hij een klank hoort die hij niet verwacht, vertelt ze. Als je tegen een baby zegt: ba – ba – ba – pa, dan zal hij bij de klank pa even zijn hoofd draaien. Het blijkt dat babys van zes maanden vrijwel alle mogelijke klanken van elkaar kunnen onderscheiden. Vier maanden later kunnen ze dat alleen nog bij klanken die in hun moedertaal voorkomen. Hun brein heeft zich gespecialiseerd in de moedertaal. Hetzelfde geldt voor het herkennen van gezichten. Jonge babys kunnen individuele gezichten moeiteloos van elkaar onderscheiden, ook van andere rassen en zelfs van chimpansees, terwijl babys van tien maanden dat alleen nog bij hun eigen ras kunnen.

Dergelijk onderzoek levert echter meer vragen op dan antwoorden: We zouden bijvoorbeeld graag willen weten wanneer die omslag precies plaatsvindt, hoe geleidelijk die is, of die bij gezichts- en klankherkenning precies op hetzelfde moment ligt, welke omgevingsfactoren van belang zijn en wat de individuele variatie bij gezonde kinderen is. Het probleem is dat je dan veel meer kinderen zou moeten onderzoeken. Ook zou je niet alleen verschillende leeftijdsgroepen moeten onderzoeken, maar ook individuele kinderen gedurende langere tijd moeten volgen. Dat is praktisch gezien erg lastig.

Uiteindelijk wil Karmiloff-Smith haar inzichten omzetten in praktische richtlijnen voor therapeuten en ouders. Natuurlijk hoeft niet iedereen precies te weten hoe het zit, zegt ze, maar een klein beetje inzicht in de complexiteit van ontwikkeling kan een groot verschil maken, en niet alleen bij kinderen met stoornissen. Als je kind vanuit zijn kinderstoel alsmaar zijn speelgoed op de grond gooit, dan is hij niet per se jouw grenzen aan het testen. Nee, hij is aan het uitvinden hoe zwaartekracht werkt, wat diepte is en hoe hij voorwerpen kan verplaatsen. Je kind is een wetenschapper. Als je je daarvan bewust bent, wordt opvoeden leuker en gemakkelijker.

De gebieden in het kinderbrein zijn intensief verbonden
De omgeving regelt nuances van de hersen-specialisatie
De Britse Annette Karmiloff-Smith (1938) is een van de grootste namen in de hedendaagse ontwikkelingspsychologie. Ze begon haar carri챔re in Zwitserland bij Jean Piaget (1896-1980), de grondlegger van de ontwikkelingspsychologie. Sindsdien heeft ze baanbrekend onderzoek verricht naar normale en afwijkende ontwikkeling bij kinderen. Voor haar werk ontving ze talloze internationale prijzen, waaronder in 2002 de Latsis Prize for Cognitive Sciences van de European Science Foundation. Op donderdag 29 juni aanvaardde ze de Frijda-leerstoel van het Cognitive Science Center van de Universiteit van Amsterdam.

———————————————————————————————————————————————————-

ONVERMOEDE  POTENTIES   

Jonge babys rekenen echt, blijkt uit hersengolven

10-08-2006   Michiel van Nieuwstadt

Dat het jonge babys opvalt als een knuffel wordt weggepakt is bekend. Maar is dat rekenen? Jawel, zo blijkt uit analyse van hun hersengolven.

Bij het zien van een foute optelsom reageren babys van 6 tot 9 maanden met een patroon van hersengolven dat lijkt op dat van volwassenen die rekenen.

Dat hebben de Isra챘lische psychologe Andrea Berger en haar collegas van de universiteit van Ben-Gurion aangetoond in een experiment waarin ze tegelijkertijd de aandacht 챔n de hersengolven registreerden van 24 babys van gemiddeld ruim zeven maanden oud die toekeken hoe knuffels voor hun neus werden weggenomen.

Het experiment wordt beschreven in een artikel dat afgelopen maandag is geplaatst op de website van het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.(08-2006 )

Vanaf de schoot van vader of moeder liet Berger babys vier seconden lang kijken naar twee identieke kopie챘n van Winnie de Poohs vriend Teigetje. De knuffels werden vervolgens door een blauw schermpje aan hun oog onttrokken. Daarna zagen de kinderen hoe een van de twee knuffels boven het scherm werd uitgetild en verdween. Ten slotte haalden de onderzoekers het scherm weer weg zodat de kinderen het correcte resultaat (één Teigetje over) of het foute (twee Teigetjes) konden aanschouwen.

Berger stelde vast dat de babys naar een correct aantal Teigetjes gemiddeld 6,94 seconden bleven kijken voordat ze de aandacht ergens anders op richtten. Werd in de optelsom een fout gemaakt dan keken ze ruim een seconde langer (8,04 seconde).

Gedurende het experiment maakten de onderzoekers een elektro-encefalogram (EEG): ze plaatsten het babybolletje vol met 128 sensoren die de spanningsverschillen tussen verschillende hersendelen registreren. Zo kon worden vastgesteld dat de 15 kinderen die langer bleven kijken naar een foute optelsom een patroon van hersengolven vertoonden dat ook bij volwassenen steeds terugkomt als ze fouten maken of te zien krijgen.

Het experiment bevestigt dat zeer jonge kinderen gevoel hebben voor rekenfouten. Bovendien heeft Berger met de hersenscans een manier gevonden om tal van eerdere experimenten te verifi챘ren waaruit verregaande conclusies over de mentale capaciteiten van jonge kinderen zijn getrokken.

Het aantal seconden dat kinderen naar poppen, knuffels of andere objecten bleven kijken is onder andere gebruikt om aan te tonen dat babys van tien maanden razendsnel woorden leren en dat peuters van vijftien maanden kunnen vaststellen dat iemand anders zich vergist. Dat laatste betekent dat deze zeer jonge kinderen zich al in anderen kunnen verplaatsen; ze hebben een theory of mind.

Er was in de afgelopen jaren nogal wat kritiek gekomen op deze vergaande interpretaties van de kijkduur.

Sommige wetenschappers betoogden dat de langere aandacht voor een foute rekensom niet betekende dat jonge kinderen een rudimentair rekenvermogen hadden. Zo zou de aandacht in sommige gevallen verklaarbaar zijn doordat er simpelweg iets was veranderd in het blikveld van de kinderen. Dat laatste is nu minder aannemelijk gemaakt omdat bij de babys niet alleen de aandacht is gemeten, maar ook hersenactiviteit die past bij het ontdekken van fouten.

—————————————————————————————————————————————————————

Baby’s begrijpen wat volwassenen denken

Ze lijken hulpeloze bundeltjes die alleen wenen, eten en slapen, maar baby’s kunnen meer dan we denken. Zo begrijpen ze wat volwassenen denken en voelen, en kunnen ze volwassenen zelfs helpen met een probleem. Lang voor ze kunnen praten, kunnen baby’s al op een complexe manier communiceren. Dat meldt de Britse krant Daily Mail op basis van Duits onderzoek.

Gevallen voorwerp
De onderzoekers plaatsten enkele voorwerpen op een tafel, waar de baby op de schoot van hun vader of moeder zat. Telkens werd een voorwerp zodanig gezet dat het uiteindelijk van de tafel zou vallen. In bepaalde gevallen keek de onderzoeker naar het vallende voorwerp, in andere niet. Na de val, keek de onderzoeker verward en vroeg hij de baby waar het voorwerp naartoe was.

De baby’s hielpen de onderzoeker die het voorwerp had zien vallen niet. Bij de onderzoeker die het voorwerp niet had zien vallen, probeerden ze de locatie aan te wijzen. Dat wijst erop dat baby’s begrijpen wanneer iemand weet waar iets ligt en dus geen hulp nodig hebben.

Zonder woorden
“Dit werpt een heel ander licht op de babycommunicatie. Het feit dat ze weten dat iemand eigenlijk weet waar iets ligt, en vervolgens kiezen of ze iemand helpen of niet, duidt op een heel complexe vorm van communicatie. Ze begrijpen wat volwassenen willen en dat zonder woorden.”

Of hoe de film ‘Look who’s talking’, waarin de redelijk complexe gedachten van een baby verwoord worden, toch niet zo ver van de waarheid zat… (edp)

 17/09/08
Taal in een babybrein wordt op volwassen manier verwerkt

Niki Korteweg

http://archief.nrc.nl/?modus=l&text=neurologie&hit=2&set=1

Al voordat kinderen praten is hun brein klaar voor het leren van taal. Een babybrein van drie maanden oud slaat al korte zinnen op, en het herkent die zinnen wanneer ze herhaald worden. En de grijze massa in het babyhoofdje bevat een reeks taalverwerkende hersengebieden met dezelfde structuur als in een volwassen brein. Zelfs het gebied van Broca, bij volwassen actief bij taalproductie en innerlijke spraak, is er op een volwassen manier actief (Proceedings of the National Academy of Sciences, Early Edition 5 september).

Mensenbabys beginnen in de eerste levensmaanden met het zich eigen maken van hun moedertaal. Ze leren dingen als de klanken en de intonatie van de taal kennen. De Franse onderzoekster Ghislaine Dehaene-Lambertz en haar medewerkers willen graag weten hoe en waar dat in de hersenen gebeurt. Ze legden tien Franse babys van 11 tot 17 weken oud in een functional magnetic resonance imaging (fMRI) scanner en lieten korte, welluidende Franse zinnetjes horen
Bij de meeste volwassenen vindt taalverwerking in een vaste rangorde plaats in een aantal hersengebieden in de linker hersenhelft. De gebieden liggen rondom de Sylvius-groeve, een grote groeve aan de zijkant van de hersenen. In het babybrein was ook een netwerk van gebieden rondom die groeve actief bij het horen van gesproken zinnen, en ook in een vaste rangorde. Of naast spraak ook andere geluiden het netwerk van hersengebieden kunnen activeren, hebben de onderzoekers niet onderzocht.
Het gebied van Broca, dat ook bij de Sylvius-groeve ligt, reageerde als een van de laatste gebieden. Bij volwassenen is dat gebied belangrijk voor het produceren van spraak, voor het in gedachten praten, en voor het verbale geheugen op de korte termijn. Het is opzienbarend dat ook bij babys die nog niet kunnen praten dit gebied al actief is. De eerste baba of dada brabbelt een baby doorgaans pas rond de zevende maand. De onderzoekers denken dat het gebied van Broca al bij hele jonge babys belangrijk is voor het verbale geheugen. Ze zagen dat de hersenactiviteit in dat gebied hoger was wanneer dezelfde zin na veertien seconden nog eens herhaald werd

fMRI-onderzoek met zulke jonge babys is nogal een uitdaging. Ze moeten zo min mogelijk bewegen, slapen, schrikken of huilen. Om het oorverdovende lawaai van de scanner te dempen, hadden de onderzoekers het binnenste van de scanner met geluiddempend schuimrubber bekleed. De babys zelf kregen een geluidswerende helm met koptelefoons erin op hun hoofdjes, en daarover heen nog een schuimrubber muts. Ze werden op een speciale stretcher met banden vastgemaakt zodat ze zo min mogelijk konden bewegen.

Tijdens het scannen bleef een onderzoeker via een spiegel in het zicht van de baby

Advertisements

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: