LEVENDE FOSSIELEN


zie ook —http://www.xs4all.nl/~steurh/Evolutie/evolu29.html

Wat is een levend fossiel?

Levende fossielen zijn organismen die lijken op soorten die uitgestorven zijn. Ze komen vaak voor in sterk ge챦soleerde, bijna onveranderlijke milieus, waardoor ze in de loop van de tijd niet of nauwelijks veranderen. Een beroemd voorbeeld van een levend fossiel bij planten is de ginkgo (Ginkgo biloba ).

Deze boom behoort tot de familie van de Ginkgoales en is een naaste verwante van de naaldbomen. De soort van tegenwoordig lijkt sterk op de vorm die het meest recent is uitgestorven (tijdens het Plioceen, 2 tot 5 miljoen jaar geleden). De oudste fossielen van deze groep bomen dateren van 200 miljoen jaar geleden. De ginkgo is niet uit het wild bekend. In de 11e of 12e eeuw brachten boeddhistische monniken de boom vanuit China naar Japan, vanwaar hij in de 18e eeuw over de hele wereld verspreid werd.

De eerste boom buiten Azi챘 werd in 1740 in Utrecht geplant. Momenteel wordt de ginkgo wereldwijd aangeplant en in vele tuincentra zijn jonge boompjes te koop. Al deze bomen zijn uiteindelijk afkomstig uit de tempeltuin in China.

Fossiele bladeren van Ginkgo-achtige planten uit het Vroeg Mesozo챦cum zijn bijna niet van die van de recente boom te onderscheiden.


Ginkgo-achtige planten

In het Boven-Perm komen met zekerheid de eerste Ginkgo-fossielen voor. Het gaat daarbij om sterk verdeelde bladeren, waarvan men de cuticula heeft kunnen bestuderen. In Lod챔ve zijn bladeren gevonden die daarop lijken, maar waarvan men niet heeft kunnen vaststellen dat ze bij deze groep horen. Beschreven zijn genera met de naam Ginkgophyllum, Ginkgoitesen Sphenobaiera.

Trichopitys heteromorpha

Trichopitys heteromorpha (ende conifeer Walchia piniformis)

Lengte van de tak 11 cm

Deze alleen in Lod챔ve gevonden soort heeft ook Ginkgo-achtige, vertakte, lijnvormige blaadjes.

Ook de bloeiwijze is bekend: een vertakt steeltje met aan het einde van iedere vertakking een zaad(knop).

Het is niet onmogelijk dat ook deze plant tot de Ginkgo-groep behoort, maar zeker is dat niet.

Eocene Ginkgo biloba Fossil Leaf

Ginkgo bilob        Ginkgophyta      Geological Time: Middle Eocene

Size: Matrix 120mm X 145mm; Fossil Ginkgo 64mm X 64mm  //Fossil Site: Tranquille Shale, Cache Creek, British Columbia, Canada

This plaque displays an example of a tree from the lacustrine deposits of the McAbee Flora of the Eocene of British Columbia, Canada with fine preservational details. The region was dominated by a shallow lake. Plant matter which fell into the water was covered with a fine layer of silt which built up over the years as a result of deposition of diatoms which bloomed in the lake each spring and died in the summer. This is a fine example of the preservation for which this biota is known. The Ginkgophyta probably originated about the same time as the Cycads during the late Paleozoic, with fossils found in North America until the Miocene. The fan-shaped leaves of most members are quite distinctive. Gingko biloba is the only extant member. The flora was dominated by conifers farther away from the lake, and elm, birch, beech, and alder near to the lakeshore.

Also see: Living Fossils

http://www.fossilmuseum.net/plantfossils/Ginkgo-biloba/Ginko.htm


Het meest bekende voorbeeld van een levend fossiel bij dieren is de coelacanth (Latimeria). Deze vis behoort tot de groep van de kwastvinnigen (Crossopterygii), die ongeveer 300 miljoen jaar geleden ontstond. Men gaat er van uit dat de kwastvinnigen de voorouders zijn van de amfibieën. Op grond van de fossiele vondsten concludeerde men dat de kwastvinnigen ongeveer gelijktijdig uitstierven met de dinosauriërs. Tot grote verbazing en opwinding van vele wetenschappers, werd in 1938 voor de kust van Zuid-Afrika een grote vis gevangen, die leek op de uitgestorven kwastvinnigen. Het bleek een coelacanth te zijn. Hij werd Latimeria gedoopt. In 1952 en later werden enkele exemplaren gevangen voor de kust van Madagascar. Onlangs veroorzaakte de vangst van een coelacanth voor de kust van noordoost Sulawesi (Indonesië) weer voor grote opschudding. Deze vondst betekent dat de coelacanth een grotere verspreiding kent dan werd aangenomen. In de tentoonstelling Natuurtheater kunt u een exemplaar van de coelacanth bewonderen.

Wat is er bijzonder aan een levend fossiel?

Eigenlijk zijn levende fossielen zoals de ginkgo en de coelacanth niets bijzonders. Zij spreken tot de verbeelding omdat we dachten dat ze uitgestorven waren. Er zijn ook levende fossielen waar we minder lang bij stilstaan. Dit zijn dieren of planten die we altijd al gekend hebben, maar over zeer lange perioden in uiterlijk nauwelijks veranderd zijn.

De degenkrabben (Xiphosura) vormen hiervan een goed voorbeeld. De oudste fossielen van deze zeedieren dateren van 560 miljoen jaar geleden (Cambrium). Tot ongeveer 200 miljoen jaar geleden vormden de degenkrabben een soortenrijke groep. Daarna begon de diversiteit af te nemen. De soorten van tegenwoordig lijken nog steeds veel op die van ongeveer 70 miljoen jaar geleden. Tegenwoordig komen er nog vijf soorten voor, verdeeld over drie geslachten. Eén soort is beperkt tot de oostkust van Noord-Amerika, de andere soorten leven in Zuidoost-Azië.

De groep die in de loop van de evolutie verreweg de minste veranderingen in uiterlijk heeft doorgemaakt zijn de bacterieën. De oudste fossielen die duiden op deze vormen van leven zijn ongeveer 3,5 miljard jaar oud.

Ze heten Stromatolieten

Microorganismen van 220 miljoen jaar oud identiek aan recente vormen

http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=761

Barnsteen mag dan wel geliefd zijn als onderdeel van sieraden, maar voor geologen is het vooral een bron van informatie. In de kleverige hars waaruit barnsteen is ontstaan, zijn immers tal van organismen (zelfs reptielen) gevangen geraakt en zo goed bewaard gebleven dat ze een schat aan informatie geven over de vroegere flora en fauna. Uiteraard zijn de meeste in hars gevangen plantendelen (o.a. sporen en pollen) en dieren klein. Zo komen microorganismen in zo grote getale in barnsteen voor dat er vaak een goed beeld van de toenmalige microwereld uit kan worden verkregen. Vondsten van meer dan 135 miljoen jaar oud zijn echter schaars, zodat van de oudere ‘microwereld’ weinig bekend is.

761a

Druppelvormig stukje barnsteen (3 mm) met

microben uit het Italiaanse Trias (foto Guido Roghi)

Daarin is nu verandering gekomen na onderzoek van barnsteenstukjes die nog de vorm hebben van een harsdruppel, en die vaak niet veel groter zijn dan een paar millimeter. De onderzochte ‘barnsteendruppels’ zijn afkomstig uit de omgeving van Cortina d’Ampezzo in de Dolomieten, en zijn circa 220 miljoen jaar oud. Onderzoekers hebben in die barnsteen tal van microorganismen aangetroffen, en de vondst is uit evolutionair oogpunt gezien buitengewoon interessant.

761bAlg (30,4 micron lang) uit de barnsteen,

gelijk aan het recente geslacht Cosmarium

(foto Guido Roghi)

De aangetroffen microorganismen betreffen vooral bacterieën, schimmels, algen en protozoëen (amoeben). Dat is op zich niet verbazingwekkend. Wel verbazingwekkend is echter het feit dat veel van deze organismen een zo grote gelijkenis vertonen met huidige organismen, dat ze tot op het niveau van geslacht of zelfs soort kunnen worden gedetermineerd. Je zou daarom met recht kunnen zeggen dat de huidige soorten, die overeenkomen met de microorganismen die in het Trias leefden – en dus tijdgenoten waren van de vroege dinosauri챘rs – als levende fossielen kunnen worden beschouwd.

761cSchimmel uit de barnsteen, gelijk aan het

recente geslacht Ramularia. De grootste

sporen zijn 5x 4 micron (foto Guido Roghi)

761d

761e

Amoebe (in stadium van celdeling),

gelijk aan het recente geslacht Difflugia.

De moedercel (boven) is 25 micron lang

(foto Alexander R. Schmidt) 

Uit de grote overeenkomst tussen de fossiele en de recente vormen kan worden afgeleid dat de desbetreffende taxa geen evolutionaire ontwikkeling hebben doorgemaakt. Dat valt alleen te verklaren als het milieu waarin deze microben leefden ook 220 miljoen jaar (en wellicht nog langer) niet significant veranderd is. Het is daarom van belang dat de onderzoekers ook hebben uitgezocht waar de hars vandaan komt. Ze komen tot de conclusie dat de barnsteen afkomstig moet zijn van een oude familie van coniferen (de Cheirolerpidiaceae). Die naaldbomen groeiden langs de noordelijke oever van de toenmalige Tethyszee (waarvan de huidige Middellandse Zee als een laatste restant kan worden beschouwd), in een vochtige kuststreek. De harsdruppels moeten al op hun moederboom zijn verhard, en pas later op de grond zijn gevallen. Dat maken de onderzoekers op uit de goed bewaarde druppelvorm, en uit het ontbreken in de barnsteen van microorganismen die op de bodem leefden: het gaat in alle gevallen om organismen die op planten leefden. Vergelijking met hun recente verwanten wijst erop dat ze waarschijnlijk op en vochtige boombast of in kleine, met water gevulde depressies in bomen leefden. Dit micromilieu is kennelijk nu nog steeds zoals in het Trias.

 

 

Referenties:
  • Schmidt, A.R., Ragazzi, E., Coppellotti, O. & Roghi, G., 2006. A microworld in Triassic amber. Nature 444, p. 835.

Foto’s (© Nature, 14-12-20006) welwillend ter beschikking gesteld door Alexander Schmidt, Museum für Naturkunde, Humboldt-Universität, Berlijn (Duitsland).

Kwallen zijn meer dan 500 miljoen jaar oud

http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=875

Dieren zonder harde bestanddelen hebben weinig kans om te fossiliseren. Onder bijzondere omstandigheden kan dat echter wel, en er waren al fossiele kwallen bekend van zo’n 300 miljoen jaar oud. Nu zijn er echter diverse exemplaren van ruim 500 miljoen jaar (Midden-Cambrium) aangetroffen in Marjum-Formatie in de Amerikaanse staat Utah. Daarmee behoren ook kwallen nu tot de taxa waarvan bekend is dat ze al kort na de Vroeg-Cambrische explosie van nieuwe levensvormen zijn ontstaan. De goede preservatie van de in Utah gevonden fossielen is te danken aan het feit dat de dieren niet ingebed zijn geraakt in grof strandzand, maar in mudstones (‘versteende’ klei) die in lagen voorkomen die afwisselen met kalksteenlagen. Dit pakket, waaruit ook andere fossielen zonder harde bestanddelen bekend zijn (evenals trilobieten), werd afgezet op een licht hellende zeebodem beneden het niveau dat – zelfs bij storm – nog bereikt kon worden door golven. Daardoor vond er nauwelijks of geen erosie plaats. Op de modderige bodem lieten de kwallen een soort vlies achter dat hun uitwendige vorm weerspiegelt.

De gevonden fossielen bestaan voor het merendeel uit wat onduidelijke, min of meer ronde structuren, maar er zijn ook exemplaren bij die een duidelijke klokvorm hebben, tentakels, afdrukken van de spieren en (waarschijnlijk) de gonaden (de geslachtsorganen van deze dieren). Op basis daarvan is het mogelijk om de fossielen te determineren als Cnidaria (neteldieren); ze kunnen zelfs direct worden vergeleken met recente ordes en families.

Nog belangrijker is echter dat de vondsten ook meer inzicht verschaffen in de wijze waarop binnen korte tijd veel soorten ontstonden bij de Cambrische explosie (ca. 540 miljoen jaar geleden). De nieuw ontdekte fossielen laten namelijk, in tegenstelling tot het overgrote merendeel van fossielen van dieren zonder in- of uitwendig skelet, zoveel details zien dat daaruit kan worden opgemaakt dat de complexiteit in soorten van de moderne kwallen al in het Midden-Cambrium ontstond en dat die complexiteit ook heel snel moet zijn ontstaan, 처f dat de kwallen nog eerder tot ontwikkeling kwamen dan op basis van de nieuwe vondsten kan worden vastgesteld.

Zijaanzicht van een fossiele kwal behorend tot de Cubuzoa

 

Vergelijking met moderne kwallen wijst erop dat de fossiele exemplaren behoorden tot de klassen van de Hydrozoa (en daarbinnen tot de familie van de Narcomedusae), de Scyphozoa (en daarbinnen tot de ordes van de Semaeostomeae en de Coronatae) en (waarschijnlijk) de Cubuzoa.

Referenties:
  • Cartwright, P., Halgedahl, S.J., Hendricks, J.,R., Jarrard, R.D., Marques, A.C., Collins, A.G. & Lieberman, B.S., 2007. Exceptionally preserved jellyfishes from the Middle Cambrian. PloS One 2 e1121, 7 pp.
  • Attachment: cambrium jellyfish.pdf

Foto’s (met interpretatie) uit het aangehaalde artikel. Foto van de recente Cunina sp. ( K. Raskoff) welwillend ter beschikking gesteld door Bruce Lieberman, Department of Geology, University of Kansas, Lawrence, KS (Verenigde Staten van Amerika).

Recept voor kwallen oeroud De geraffineerde eigenschappen van hedendaagse kwallen dateren van minstens 500 miljoen jaar geleden. Zo concludeert een groep wetenschappers, onder leiding van Paulyn Cartwright, nadat zij in de Amerikaanse staat Utah stuitten op een aantal bijzondere kwallenfossielen. De fossielen zijn zo bijzonder, omdat ze verrassend goed bewaard zijn gebleven. Aangezien een kwal voor 95% uit water bestaat, liggen de kwallenfossielen niet bepaald voor het oprapen.
Maar Paulyn Cartwright en haar collega’s vonden in Utah een laag van zeer fijne grond, waarin de resterende 5% kwal te zien was als een soort geconcentreerd laagje kwallengel. Susan Halgedahl en Richard Jarrard, twee collega’s van Cartwright, zijn naar de zogenaamde Marjum-formatie in Utah afgereisd, om foto’s te maken van de kwallenfossielen. De kwallen die de onderzoekers vonden zijn tweehonderd miljoen jaar ouder dan de tot-dan-toe oudst bekende kwallen. Ze leefden in een tijd die geologen het Cambrium noemen.
Aan de hand van de foto’s hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de complexiteit van de Cambrische kwallen wel heel sterk overeenkomt met de samenstelling van kwallen van deze tijd.
Zo sterk zelfs, dat de onderzoekers stellig beweren dat de ingewikkeldheid van de moderne kwal al vijfhonderd miljoen jaar geleden ontwikkeld is.
Nu zal je denken: Een kwal is toch helemaal niet zo ingewikkeld? En dat is ook waar; een kwal is niet veel meer dan een zwemmende darm met een stuk huid eromheen. Tegenwoordig stelt een kwal ook niet zo veel meer voor. Maar vijfhonderd miljoen jaar geleden was de kwal één van de meest geavanceerde organismen ter wereld. Voor die tijd waren het voornamelijk verfijnde eencelligen, en een paar meercellige organismen, die de dienst uitmaakten. ( althans voor zover  de ( weinige ?)  fossielen dat  al hebben gesuggereerd  )* (1)
In tegenstelling tot vele andere diersoorten zoals insecten, vissen en bijvoorbeeld olifanten, is de oerkwal vrijwel niet veranderd in de miljoenen jaren die onderhand verstreken zijn.
 National Geographic News heeft een paar plaatjes
 van goed geconserveerde en gedetailleerde kwallenfossielen uit Utah.
en  enkele   hedendaagse  kwallen
 
Zijaanzicht van een fossiele kwalbehorend tot de Coronata
 Fossil jellyfish pictures
Top fossil photo by B. Lieberman.
 
Cunina photo by K. Raskoff; 
 Recente vertegenwoordiger(Cunina sp.)van de Narcomedusae
bottom fossil photo by B. Lieberman. Periphylla photo by Dhugal Lindsay, Copyright JAMSTEC
Onderaanzicht van een fossiele kwal die waarschijnlijk behoort tot de Semaeostomeae
 
 
The researchers liken the two fossils pictured here to living species from the genus Cunina (top) and Periphylla (bottom).
Cartwright’s team reports its findings today in the online journal PLoS One.
 
 (Figure 7 plos article) . Photograph of Middle Cambrian cnidarian jellyfish in lateral view possibly referable to the order Semaeostomeae, class Scyphozoa.

 
Volgens evolutionaire standaarden moeten deze fossielen 500 miljoen jaar oud zijn. Dat maakt deze kwallen bijna ‘twee keer zo oud’ als de ‘oudste’ fossielen die tot nu toe van kwallen gevonden zijn (de betrokken wetenschappers schatten ze 205 miljoen jaar ouder). Dat niet alleen, ze lijken ook nog eens tot drie verschillende groepen te behoren.
Volgens het artikel moeten kwallen 500 miljoen jaar reeds in verschillende groepen zijn uiteengevallen ( ofwel  stammern ze af   van precambrische voorlopers ) ze bestaan  dan  al veel langer als afzonderlijke groepen dan we dachten. 
 We kunnen in ieder geval weer enkele cambrische  soorten toevoegen aan de lijst van organismen waarvoor geen mogelijke voorouder( voorals nog)  uit het fossielenbestand kan worden aangewezen.
(*1)Er zijn natuurlijk wel  precambrische fossielen bekend  o.m. de vendiaanse  ediacara  fauna

jurre 

Het levende fossiel bij uitstek is uiteraard Latimeria de Coelacanth:

°

https://i2.wp.com/www.uni-heidelberg.de/presse/news/latimeria_vv.jpg

Een roofvis van ongeveer één meter, die behoord tot een oeroude familie spiervinnige vissen, de Actinistia. Latimeria is hiervan het enige nog levende geslacht. In tegenstelling tot wat maar al te gauw beweerd wordt is Latimeria niet bekend van een 380 miljoen jaar oud fossiel. Het meest op Latimeria lijkende fossiel is Macropoma uit het late Krijt.

Finding the Coelacanth | Nat Geo Wild – National Geographic Channel

De verschillen en overeenkomsten tussen Latimeria en Macropoma

Skeletons of a living coelacanth (Latimeria Chalumnae), 1,8m long,  a specimen from the Comoros (ABOVE) and a 100 million year old fossil coelacanth (Macropoma lewesiensis), 59cm long from Cretaceous period deposits in England (BELOW). Drawings from Peter Forey’s book, History of the Coelacanths. Details of the fossil’s supplementary tail fin are insufficiently known to allow restoration.

De laatste spiervinnige fossielen stammen uit het Krijt, en tot 1938 werd gedacht dat de familie Actinistia sindsdien verdwenen was.

 Dat het zo lang duurde tot wetenschappers deze vis hadden gevonden is nog niet zo héél vreemd, de hedendaagse Coelacanth leeft in diep water, en houdt zich lange tijd schuil in onderzeese grotten. Het duurde pas tot 1952 tot er een tweede exemplaar werd gevonden. Hierna daalden biologen in een duikboot af op tweehonderdtwintig meter en zagen toen pas voor het eerst levende Coelacanthen. Ze maakten met hun vier vlezige vinnen een soort loopbewegingen in het water en marcheerden zo door de duisternis.Volgens Ichtyologen waren deze Coelacanthen eigenlijk helemaal ‘verdwaald’. Als voorouders van de tetrapoden zouden ze eigenlijk eerder aan de oppervlakte moeten leven, in zoet water. Fossiele spiervinnigen zijn inderdaad gevonden in zoetwater afzettingen, maar deze Coelacanthen leven in de diepzee, ver van het droge.Mogenlijk hebben de spiervinnigen vanaf het Krijt hun tehuis aan de oppervlakte opgegeven voor een leefgebied in de grotten van de diepzee. Zulke grotten zijn slechte plaatsen voor fossielisatie, dus logisch dat paleontologen vanaf dat moment hun spoor kwijtraakte. Een andere factor is dat de Coelacanthen sindsdien erg zeldzaam zijn geworden. Tegenwoordig zijn er twee species bekend; L.chalumnae, gevonden nabij Zuid-Afrika, en L.menadoensis uit Indonesië

Coelacanth genome sequence

reveals the evolutionary history of vertebrate genes
James P. Noonan,1,4 Jane Grimwood,2 Joshua Danke,3 Jeremy Schmutz,2Mark Dickson,2 Chris T. Amemiya,3 and Richard M. Myers1,2,51Department of Genetics, Stanford University School of Medicine, Stanford, California 94305-5120, USA; 2Stanford Human

Genome Center, Stanford University School of Medicine, Palo Alto, California 94304, USA; 3Benaroya Research Institute at

Virginia Mason, Seattle, Washington 98101, USA

Dossier : Coelacanth Levend fossiel

In Nederland is maar weinig te vinden van de coelacanth. Teylers Museum in Haarlem heeft een paar miljoenen jaren oude fossielen van de vis tentoongesteld

http://noorderlicht.vpro.nl/dossiers/3981689/hoofdstuk/4005987/

Het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden heeft een volledig exemplaar in eigendom op alcohol staan.

Sluit dit venster

De kop van een opgezette Coelacanth  in Leiden

Written in stone: fossils, genes and evo|[ndash]|devo

Skeletten van de voorste ledematen van  levende( extante )  en  uitgestorven( extincte ) vertegenwoordigers van de drie overlevende clades van de lob-vinnige vissen  ; coelacanten( Latimeria )   tetrapodomorfen en de longvissen  De kleuren verwijzen naar de drie   morfologische /anatomische onderdelen van de voorste ledematen   waar de  evolutionaire veranderingen plaats grepen

De  ” uitvinding ” van de  hand met vingers verschijnt al bij de bekende  meest primitieve fossiele tetrapode : Acanthostega.

De extante  longvis (Neoceratodus) en  de  coelacanten  (Latimeria) bezitten  gereduceerde  en erg symetrische  voorste ledematen  . Dit verminderd in grote  mate  hun waarde als  modellen  voor de gebeurtenissen tijdens de evolutie van de ledematen

( Modified with permission from Ref. 40 © (2007) Blackwell Science.)

Figures and tables  <

Nature www.nature.com/.http://evodisku.multiply.com/v8/n12/full/nrg2225.html


Snelle en gevaarlijke coelacant ontdekt

Caroline Hoek op 3 mei 2012

Al zijn familieleden zijn langzaam en dus is de ontdekking van een snelle en mogelijk dodelijke coelacant toch even onverwacht .  //  Caroline Hoek op 3 mei 2012

De staart van de coelacant. Foto: Andrew Wendruff / Mark Wilson.

De vondst

Wetenschappers van de universiteit van Alberta hebben de fossiele resten van een mogelijk gevaarlijke coelacant teruggevonden. De fossiele resten zijn zeker 240 miljoen jaar oud en vormen een grote verrassing, zo is in het blad Journal of Vertebrate Paleontology te lezen. De vondst laat namelijk een coelacant zien met een gevorkte staart. “Dat wijst erop dat het een snel bewegend, agressief roofdier was,” vertelt onderzoeker Andrew Wendruff. En dat staat haaks op het beeld dat alle andere fossiele resten ons van de coelacanten hebben gegeven. Alle andere fossiele resten laten namelijk vissen zien die traag en zeker geen roofdieren zijn. “Deze vissen bewegen heel langzaam en liggen waarschijnlijk op hun prooi te wachten,” vertelt onderzoeker Mark Wilson.

Water

De onderzoekers ontdekten de nieuwe soort in de Rocky Mountains, een gebied dat er 240 miljoen jaar geleden nog heel anders uitzag. “Het gebied stond onder water en lag voor de westelijke kust van het supercontinent Pangea,” legt Wendruff uit. Ze hebben de vis die ze hier ontdekten een prachtige naam gegeven: Rebellatrix. Dat betekent zoiets als ‘rebellerende coelacant’.

Massa-extinctie

Hoe de bijzondere vissoort ontstaan is? Daar hebben de wetenschappers wel ideeën over. De vis ontstond waarschijnlijk na de massa-extinctie die zo’n 250 miljoen jaar geleden plaatsvond. Hierbij kwam 90 procent van al het leven in het water om. Roofdieren die Rebellatrix dwarszaten, verdwenen en de vis nam de rol van ‘snel roofdier’ op zich.

 “Rebellatrix was waarschijnlijk een spectaculaire mislukking.” Andere vissen met een gevorkte staart en snelheid deden het net wat beter dan de Rebellatrix en dus was deze gedoemd om te verdwijnen.

 Mogelijk waren het de voorouders van de ons nu zo bekende haaien die Rebellatrix naar het randje van de afgrond duwden. Hun fossiele resten zijn namelijk ook in de Rocky Mountains aangetroffen.

Uit de eerste Beenvissen (Osteichthyes) die in het Siluur ontstonden, ontwikkelden zich in het Devoon (395-350 miljoen jaar geleden) de  Kwastvinnigen( vroeger ook —>Crossopterygiae  genoemd   / zie  reactie  –> crossopterygians (Tsjok45)) en de in lichaamsbouw aan hen verwante Pantservissen en Longvissen. Zij maakten hun bloeitijd door van het Devoon tot aan het eind van het Perm. Hogere ontwikkelde soorten verschenen pas in het Krijt.

Bij het begin van hun evolutie waren de  kwastvinnigen  zoetwaterbewoners , later werden het zeebewoners (voorbeeld ; “ coelacanthus” )en zelfs  diepzeebewoners ( huidige  2 soorten  latimeria) 

Zie voor een voorlopig / modern  fylogenetisch overzicht   (updated 2005)   —>   After Long, 1995, and Cloutier & Ahlberg, 1996 (Tsjok45)  )

De coelacanthiden bestaan al van in het midden devoon (360.My)

De meeste coelacanthidea zijn zeebewoners  ….

125 species van “coelacanthen ” zijn als fossiel gevonden   tot en met hun  ( tot op heden bekend )  verdwijnen uit het fossielen –bestand   (- 66my .)

Lange  tijd  golden de kwastvinnigen en in het bijzonder  de coelacanthiden   dan ook  als  uitgestorven  ….

In  1938 werden de  eerste extante kwastvinnigen  (populair bekend geraakt onder de  verzamelbaknaam ) “coelacanthen ”   aan de zuidafrikaanse oostkust  door  Courtenay-Latimer ontdekt  ;Eerst  werd de Comoren-coelacanth (Latimeria chalumnae)  gevonden  dicht bij een  eilandengroep noordwestelijk van Madagascar …In 1998 volgde de tweede soort ( in 1999 beschreven  =   de Indonesische coelacanth (Latimeria menadoensis) bij het eiland   Sulawesi  )

De pers( en het grote publiek ) heeft sindsdien gesproken van  de “coelacanthen”  :een “pop-wetenschap naam “die werd en wordt gebruikt  voor  allerlei verschillende soorten en   geslachten  en  verwante  families   die  het genus ” latimeria   “overschreed …

De zogenaamde” Coelacanthidae”

1

Coelacanthus granulatus /ca 30cm , Perm, kupferschiefer, Südniedersachsen

Dit fosiel  is een vertegenwoordiger  van de eerste  soort ( = Coelacanthus granulosus)   kwastvinnige  die    in  1839“  coelacanthus” werd genoemd  en  beschreven door  Louis Agassiz

Oorspronkelijk  beschreef Louis Agassiz het toen pas- gevonden  fossiel van de  staart van deze soort en  afkomstig  uit het Engelse Perm

(Dit dier is echter geen  Latimeria :het is zelfs een andere  familie  ….

Maar  natuurlijk heeft ook hier de  ( allereerste) naamgeving  aan de  heersende verwarring toegevoegd …)

2

1.- een meer  volledig fosiel  van de  soort :Coelacanthus granulatus( = granulosus ) van de familie coelacanthidae

2.- Fossiele “Coelacanthus,” ( een ” bauplan ” volgens Moy-Thomas  )

Deze “Coelacanthus “  is een  uitgestorven  coelacanthidae  en deze familie  komt  veel voor  als fossiel ( samen met andere soorten   kwastvinnigen )  in de afzettingen van het  (Kupferschiefer) van NW-Duitsland uit hetPerm 

Het   type  “Coelacanthus”  is een ” hochstraler” en behoort  (net als de  recente GENUS  Latimeria)  tot de Coelacanthide-vormigen !

Maar het holotype van Agassiz  behoort tot  het   GENUS Coelacanthus van de familie  Coelacanthidae

De kwastvinnige “Coelacanthus” was  een roofvis met een  sterk gebit

De tanden  van de  fossiele “  Coelacanthus”  zijn  gebouwd en gerangschikt    zoals bij andere kwastvinnigen  en  tetrapoden

Zoals  uit de hier  geplaatste  beelden valt op te maken zien ze er( oppervlakkig beschouwd ) gelijksoortig uit

Maar

De huidige  Latimeria soorten  behoren zowel tot een ander GENUS  Latimeria  Smith, 1939( = in het Nederlands  officieel nog steeds uiterst verwarrend  Coelacanten  genoemd)als tot een andere FAMILIE L atimeriidae(Coelacantachtigen) 

Bovendien zijn  de huidige  latimeria   soorten  , leden van  het  reuzen-geslacht binnen hun familie L atimeriidae en zijn het beiden met zekerheid diepzeevissen

Deze  twee specifieke soorten  zijn ook  nooit  als  fossielen gevonden  ( –>wél gevonden  zijn  verwante fossiele soorten   en  soorten uit  “andere genera  van de coelacanten-achtigen )

Commoren-coelacanth

Huidige coelacanth ( Latimeria)     De ( fossiele )Coalacanthus ,de( huidige )Latimeria, en fossiele amfibieën, delen gemeenschappelijk een  functionele  en unieke  eigenschap( die ook fossiel  traceerbaar  is gebleven );ze kunnen zowel de boven- als de onderkaak bewegen,waardoor ze een zeer grote bek kunnen opzetten en grote prooien ineens verwerken

(Maputo museum )

Latimeria chalumnae        180cm & 95kg /1960


LATIMERIA  ( enkele  hypotheses )

Waar het om gaat ____ en dit in verband met de classificatie  van de   huidige coelacanthen ( genus = latimeria )en de vergelijking met fossiele verwanten  ____is  de

Familie  Latimeriidae met volgende geslachten :

  • Holophagus (extinct) volgens sommige  classificaties zit ook Undina  in dit geslachtH: 14 cmL: 38,5 cmBoven-Jura / Holophagus penicillatus      Solnhofen, Duitsland      

Libys  superbus  /Jura (157 my.)/  Solnhofen   6 1/2″

90×55 cm/Malm (160 tot 140 miljoen jaar geleden)/Solnhofen, Bayern, Duitsland/Lybis polypterus Münster, 1842

http://www.teylersmuseum.nl/index_flash.html

zie hier voor  de vergrote foto van het fossiel in gewoon licht  –>  http://www.bloggen.be/evofoto/archief.php?ID=13 (nr 1)

Libys superbus, 140 miljoen jaar oud

Dit is een prachtige fossiel .

Het dier is ruim 60 centimer lang . De gelijkenis met de recente coelacanth is treffend.

  • Macropoma (extinct)Macropomade fossielen uit dit  genus gelijken  morfologisch  het meest  op de twee  huidige (=extante)  latimeriaDe tot nu toe gevonden fossielen van macropoma zijn  allemaal  beduidend kleiner  dan de huidige latimeria 

    Fossiel van een  Macropoma speciosum Reuss, 1857              foto en auteur  :     Zdeněk Chalupa

    Czech Republic, Velhovice u Mělníka,         NM Praha       2008/01

    http://www.biolib.cz/en/taxonimage/id44105/?taxonid=450819Een overgangsvorm   tussen  (moderne) latemeria en de Macropoma  ?


    A NEW COELACANTH (ACTINISTIA, SARCOPTERYGII) FROM THE JURASSIC OF FRANCE, AND THE QUESTION OF THE CLOSEST RELATIVE FOSSIL TO LATIMERIA

    Submitted: 14 December 2004;   Accepted: 8 February 2005

    DOI: 10.1671/0272-4634(2005)025[0481:ANCASF]2.0.CO;2 DOI: 10.1671/0272-4634 (2005) 025 [0481: ANCASF] 2.0.CO; 2

    http://www.bioone.org/perlserv/?request=get-document&doi=10.1671%2F0272-4634(2005)025%5B0481%3AANCASF%5D2.0.CO%3B2

    GAËL CLEMENT

    (vertaald )

    (Een nieuwe COELACANTH (ACTINISTIA, SARCOPTERYGII) uit het franse  JURA,

    en de vraag naar de relatief- nauwst verwante fossielen  met de (huidige ) LATIMERIA

    (Abstract )

    • Een bijna compleet exemplaar van een nieuwe coelacant uit de  “Bourgondische Oxfordian” (Frankrijk)  wordt hier beschreven.Wenzia latimerae, gen. et sp. nov.( zoweleen nieuwe  soort  als een nieuw genus ) ,deelt unieke kenmerken met zowel de extante coelacanthen  Latimeria  als met het fossiele coelacanthen geslacht  Macropoma. ( mesozoicum)
    • Het fossiel  toont een unieke combinatie van primitieve eigenschappen(zoalsde aanwezigheid van een spiraculair bot en

      postparietale groeven ),

      en de daaruit  afgeleide  anatomische karakters en gevolgen

      (zoals een postparietaal schild met opstaande gebieden

      en een ( relatief) zeer kort parietonasaal schild,

      een uitgesproken snuit met grote tubercullii ;

      een diep uitgegraven postorbitaal met een lange en tubulaire ventrale expansie,

      een squamosaal met aanwezigheid van  een anterieure uitbreiding die de connectie met  het  jugale zintuiglijke kanaal ,mogelijk maakt  ).

    Uit een cladistische analyse blijkt dat de nieuwe soort behoort tot een fossiel zustertaxon van de Latimeria, maar deze nauwe gevonden  relatie is nog maar zwak ondersteund.

    Toch behoort  Wenzia latimerae ,zonder  twijfel, tot de Latimeriidae. .

    Het nieuwe specimen  biedt ook informatie over de structuur van de kalkplaten van de verbeende zwemblaas, alsook over de structuur van de spiervezels.

    Een deel van het dieet van deze mariene coelacanth is  ook  bekend dankzij de aanwezigheid van  kleine schaaldieren in de maag inhoud van hetfossiel .

    Kommentaar ;

    Wenzia latimerae, gen. et sp. nov.

    is zowat gelijk aan een moderne coelacant van het latimeria-type

    maar lijkt ook op een meer primitievere groep  en deelt ook unieke eigenschappen met de Macropoma

    Het fossielvertoont dus een  mozaik aan kenmerken  ( een kenmerk van een  “transitionnal ” (overgangsvorm)) die dicht bij de basis ligt van de

    (moderne latemeria en de Macropoma)

    Haqel, Lebanon  / 65 mm 

    https://i0.wp.com/www.paleosearch.com/images/3932a-lg.jpg

    Macropomoides orientalis  L = /4 1/2″ krijt (100 my.)/  Sublithographic Limestone /Hajoula, Libanon

  • Megacoelacanthus (extinct)
  • Latimeria (James Leonard Brierley Smith, 1939) Latimeria – the modern Coelacanth
    • L. chalumnae (Comorese coelacanth) (James Leonard Brierley Smith, 1939)  1,60/-2 m
    • L. menadoensis (Indonesian coelacanth) (Pouyaud, Wirjoatmodjo, Rachmatika, Tjakrawidjaja, et al., 1999) 1,30-1,85 m
  • Undina (extinct) volgens sommige  classificaties zit ook holophagus in dit geslacht

http://www.nhm.uio.no/besok-oss/utstillinger/faste/fossiler/galleri/montre/x659.jpg

Undina sp. (cast)

: Lebanon

Late Cretaceous


Diagram of a coelacanth with anatomical features labeled

(Aanklikbaar op de site zef )Anatomy of the Coelacant

hhttp://www.pbs.org/wgbh/nova/fish/anatomy.html

Ancient Creature homepage

De laatste bekende spiervinnige fossielen (van de Coelacanthiformes ) stammen ,tot op heden ,  uit het laat of boven-Krijt van  Zuid- Frankrijk ( > 2005 (Tsjok45)   , maar   tot 1938 werd gedacht dat de Actinistiasindsdien verdwenen waren

Dat het zo lang duurde tot wetenschappers deze vis” levend  ” hadden gevonden is nog niet zo héél vreemd, de hedendaagse Coelacanth leeft in diep water, en houdt zich lange tijd schuil in onderzeese grotten. Het duurde pas tot 1952 tot er een tweede exemplaar werd gevonden. Hierna daalden biologen in een duikboot af op tweehonderdtwintig meter en zagen toen pas voor het eerst levende Coelacanthen. Ze maakten met hun vier vlezige vinnen een soort loopbewegingen in het water en marcheerden zo door de duisternis.

Volgens Ichtyologen waren deze Coelacanthen eigenlijk helemaal ‘verdwaald’.

Als voorouders van de tetrapoden zouden ze eigenlijk eerder aan de oppervlakte moeten leven, in zoet water.

Fossiele spiervinnigen zijn inderdaad gevonden in zoetwater afzettingen, maar deze Coelacanthen leven in de diepzee, ver van het droge.

Echter , tegenwoordig worden de  coelacanthidae niet meer beschouwd  als devoorouderlijke groep van de tetrapoda-lijn …Dat is nu de groep der Rhipidistia  geworden 

Mogenlijk hebben de spiervinnigen vanaf het Krijt hun tehuis aan de oppervlakte opgegeven voor een leefgebied in de grotten van de diepzee. Zulke grotten zijn slechte plaatsen voor fossielisatie, dus logisch dat paleontologen vanaf dat moment hun spoor kwijtraakte. Een andere factor is dat de Coelacanthen sindsdien erg zeldzaam zijn geworden.

Tegenwoordig zijn er ( voorlopig slechts  ) twee species bekend; L.chalumnae, gevonden nabij Zuid-Afrika, en L.menadoensis uit Indonesië.

Wetenschappers hebben de dna-volgorde ** van de  coelacant in kaart gebracht.

 

Zweedse en Amerikaanse onderzoekers van verschillende universiteiten in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

Als fossiel is de coelacant al langer bekend dan als levend dier. Er zijn in de negentiende en twintigste eeuw verschillende miljoenen jaren oude resten gevonden van verwanten van die vis

Het genetisch onderzoek  wsuggereert  dat het dier nauwelijks is veranderd in de loop van de geschiedenis.

“Wat we kunnen zien is dat het geheel van erfelijke informatie in een cel ( het genoom ) wel wat is veranderd, maar de eiwit coderende genen die het uiterlijk van het dier bepalen zijn erg stabiel“(1) , verklaart onderzoekster Kerstin Lindblad-Toh op BBC News.

De evolutie van de (huidige ) onderzochte coelacant verliep  waarschijnlijk erg traag omdat het dier zich nauwelijks hoeft aan te passen aan zijn omgeving.

“Coelacanten leven op honderden meters diepte in de oceaan, een gebied waarin ze nauwelijks te maken hebben met concurrenten”, aldus Lindblad-Toh. “Waarschijnlijk hebben de dieren zich lang geleden al aangepast aan deze omgeving en is er nu geen verandering meer nodig.”

Uit het onderzoek blijkt  dat coelacanten veel genen delen met longvissen. Deze vissen verschenen ongeveer 400 miljoen jaar voor het eerst en bezitten longen, waardoor ze net als landdieren zuurstof uit de lucht kunnen opnemen. Ze kunnen dan ook goed overleven in modderige gebieden met relatief weinig water.

Longvissen zijn op hun beurt weer nauw verwant aan de eerste tetrapoden, viervoeters die uit vissen evolueerden en op het land begonnen te leven.

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

**

DNA-onderzoek ( eigenlijk een ver doorgedreven specialisatie van o.a. biochemie die leide tot een nieuw wetenschappelijk vakgebied : de moleculaire genetica ) komt steeds vaker tot beter inzicht .

Voortdurend komen o.a. vanuit dergelijk genetisch onderzoek de bevestigingen dat de evolutietheorie klopt.

(1° )

De onderzoekers stellen dat de stabiele omgeving ( de diepzee) waarin deze coelacanthen leven ervoor zorgt dat ze onder meer weinig concurrentie hebben, waardoor ze dus niet  snel  evolueren om bijvoorbeeld andere concurerende en/of eventuele predator soorten voor te blijven ….

De omstandigheden in de diepzeeen zijn wat gevrijwaard van zaken die aan de oppervlakte wel grotere invloeden kunnen  hebben

Maar ook haaien zijn redelijk hetzelfde gebleven ;   haaien zijn natuurlijk de toppredatoren in de zeeen  …ze hebben dus weinig concurenten wanneer ze als geoptimaliseerde  soorten  in hun millieu vertoeven ( dat trouwens stabieler is dan het ” land ” )

°

De studie  en de conclusie van de zogenaamde ” stasis “ is alleen maar een ondersteuning voor selectie als een drijvende kracht achter evolutie. . Gebrek aan sterke selectie ( door de omgeving ) op voordeel opleverende veranderingen betekent dat je miljoenen jaren hetzelfde kunt blijven.

Wat precies  de natuurlijke selectie dan doet = de (suboptimale) afwijkingen afstraffen , zodat het optimaal aangepaste organisme ( aan de niet-veranderde omgeving ) de norm blijft en dan blijft alles bij het oude. De dieren hebben zich ook niet afgescheiden van de overige generaties, omdat ze o.a. ook sexueel met elkaar in contact zijn gebleven.

-Wat wél kan is dat er andere dieren uiteindelijk hiervan aftakken ( de varianten die niet in de diepzee konden blijven leven verhuisden naar andere omgevingen die meer geschikt waren voor hun ontwerp .) of evolueerden snel omdat ze plotst in een aantal nieuwere omgeving/uitdagingen/nieuwe niches ( met andere evolutiedruk ) verzeild raakten

http://www.sciencedaily.com/releases/2008/04/080417112433.htm

Als de omstandigheden zich wijzigen kunnen afwijkende exemplaren van een populatie in het voordeel komen, waarbij de afwijkende genen de overhand krijgen in de opeenvolgende generaties en bij aanhoudende selectiedruk .

Dus dan krijg je  nieuwe ondersoorten. /rassen , van   aan de plaatselijke omstandigheden aangepaste populaties

Blijven de omstandigheden hetzelfde, dan zullen afwijkende exemplaren niet in het voordeel komen en dus ook niet dominant worden.

Immers ( van de optimaal aangepaste ) afwijkende exemplaren zijn dan in het nadeel.

Als een soort succesvol ( en optimaal) is aangepast aan haar normale leefomgeving en die omgeving verandert ook niet veel dan is er ook weinig druk tot verdere aanpassing en zal het varieeren zich dat meer op kleine schaal voordoen…

 

http://pandasthumb.org/archives/2013/04/coelacanths-are.html#more

 

 

First, let’s dismiss that myth of the unchanging Actinistian.

Here’s a phylogeny of the coelacanth-like fossils and their one surviving species.

coelacanth_fossils
Comparison of extant and selected extinct actinistians, commonly known as coelacanths. A phylogeny of Actinistia; schematic sketches of body outlines and approximate body length (given in metre) illustrate the morphological diversity of extinct coelacanths: some had a short, round body (Hadronector), some had a long, slender body (Rebellatrix), some were eel-like (Holopterygius) whereas others resembled trout (Rhabdoderma), or even piranha (Allenypterus). Note that the body shape of Latimeria chalumnae differs significantly from that of its closest relative, Macropoma lewesiensis.

Love it. I’ve been looking for a diagram like this for a long time; creationists often trot out this claim that coelacanths haven’t changed in hundreds of millions of years, and there you can see — divergence and variation and evolution, for hundreds of millions of years.

In addition, we can look in more detail at the skull and limbs of these animals. This drawing is comparing modern Latimeria with its closest fossil relative, and even here there are dramatic differences in structure.

actinistian_bones
Comparison of the skeleton of extant and selected extinct coelacanths. A-D: Latimeria and its sister group Macropoma show numerous skeletal differences. A, B: Overall view of the skeletal organisation of the extant coelacanth and of its closest relative. A: Latimeria chalumnae. B: Macropoma lewesiensis. Relative to the body length, in L. chalumnae the vertebrae are smaller, the truncal region of the vertebral column is longer and the post anal region is shorter than in M. lewesiensis. In the latter region, the hemal arches (ventral spines) extend more ventrally in M. lewesiensis than in L. chalumnae. In addition, the swim bladder is ossified in Macropoma but not in Latimeria, and the basal bone of the first dorsal fin is characteristic of each genus. C, D: Comparison of the skulls of L. chalumnae and M. lewesiensis. C: In L. chalumnae, the mouth opens upward, the articular bone (yellow) is long and narrow, the parietonasal shield (red) is short, the premaxillary bone (orange) is devoid of denticle ornamentation, the dorsal part of the cleithum (light brown) is spiny, and the scapulocoracoid (green) is located on the ventral side. D: In contrast, in M. Lewesiensis, the mouth opens forward, the angular bone (yellow) is triangular, the parieto-nasal shield (red) is long, the premaxillary (orange) protrudes and forms a hemispherical snout which is ornamented with prominent denticles, the dorsal part of the cleithrum (light brown) is thick, and the scapulocoracoid, (green) is located more medially. Modified from [3]. E: Pectoral fin skeleton of L. chalumnae (above) and Shoshonia arctopteryx (below). The three first preaxial radials are numbered from proximal to distal. In L. chalumnae the fin appears nearly symmetrical because radial bones (orange) are arranged nearly symmetrically about the fin axis. The proximal preaxial radials 1-2 are extremely short and bear no fin ray, and the preaxial radial 3 is short and fractionated. In contrast, in S. arctopteryx the fin is strongly asymmetrical chiefly because proximal preaxial radials are long and all bear fin rays.

The authors make it clear that this idea of morphological conservation of the Actinistians is simply bogus.

 

 

Shoshonia arctopteryx

http://www.newscientist.com/data/images/ns/cms/dn12462/dn12462-1_800.jpg

Matt Friedman, (een afgestudeerde student aan de Universiteit van Chicago in de VS, )ontdekte in 2005 een  uniek fossiel dat  een beter begrip mogelijkmaakt over  de evolutie van  de vinnen  van de huidige  coelacanthen

De ontdekking werpt vooral  licht op een vraag die al lang  veel  wetenschappers bezig hield   :

” ….hoe is het mogelijk dat   de symetrische vinnen  van  deze vis, ( waarvan gedacht werd ) zo nauw verwant (te zijn )aan landdieren, ontwikkeld zijn  tot de assymetrische handen en voeten van tetrapoden  ? 

De in 1938 ontdekte extante  coelacanth werd   in de media en de popwetenschap erg  vlug geprezen als een ” echt ” levend fossiel.

Voordien dacht men dat de  coelacanthen   meer dan 65 miljoen jaar geleden kompleet  waren  uitgestorven .

De twee paar  ventrale vinnen waren bijzonder belangwekkend want ze werden  verondersteld te zijn  geëvolueerd vanuit dezelfde structuren waaruit ook  de ledematen van landdieren zich ontwikkelden .

De opmerkelijke vinnen van latimeria  vormde een raadselachtige puzzle  :

in tegenstelling tot de handen en voeten van landdieren waren ze symmetrisch.

Recente fossiele vondsten hadden echter  voor 2005  al  aangetoond dat handen en voeten zijn  geëvolueerd uit   uitgestorven voorouderlijke vissen  met asymmetrische vinnen:

de voorouders der  tetrapoden  werden van toen af  geplaatst in de groep der  Rhipidistia

Maar de vraag hoe de  huidige coelacanth haar symmetrische vinnen  dan wel  verkreeg ,was gebleven

Verloren  de coelacanthus – vinnen  hun oorspronkelijke asymmetrie?

m.a.w.  waren zij om te beginnen ( in een basis oer-vorm) al asymmetrisch?

Hoewel veel verschillende  soorten  coelacanth fossiel zijn gevonden,  bewaarde  geen van hen  de cruciale skelet -details , waarschijnlijk omdat deze grotendeels gemaakt zijn van kraakbeen – en dat is bijna nooit bewaard gebleven …

Dat alles veranderde in 2005, een  belangrijk jaar voor het coelacanthen onderzoek 

Friedman was op fossielenjacht  in het  puin aan de voet van een klif in  Wyoming, toen hij over een interessant stuk rots, struikelde .

Wat hij aanvankelijk voor een plant fossiel hield  bleek het  enige ( tot nu toe bekende )fossiel van een voorouder van de coelacanthen- vin   .

“Het was echt een ongelooflijk bof “, zegt Friedman.

Het 10 – centimeter – fossiele viel van ten minste 70 meter hoog van  de klif  omlaag ,  zonder te verbrijzelen –  de vondst  bevat

de schouder en vin- botten  . ze zijn goed gefossiliseerd omdat ze minder kraakbeen  bevatten  dan de vinnen van de levende coelacanth.

De  botten  zijn verbonden  op een manier die kenmerkend is voor  coelacanthen  en lieten  Friedman en zijn collega’s toe in  het fossiel een  voorouder te  herkennen  :

Shoshonia arctopteryx , had asymmetrische vinnen.

Dit geeft aan dat de levende coelacanthen de  symmetrie later hebben ontwikkeld

Dat Shoshonia en de huidig nog levende  coelacanths  verschillen is  niet  verwonderlijk ( en  ondanks de  creationistische  onzin )  – coelacanthen  hebben immers een evolutionaire geschiedenis  van minstens  400 miljoen jaar achter de rug .

Maar het is ook  een lesje  voor degenen  die de ontwikking  van  bepaalde   onderdelen  van organismen  bestuderen .

“De asymmetrie in onze eigen gepaarde ledematen is in feite een primitief kenmerk”

zegt Michael Coates van de Universiteit van Chicago, VS.

Terwijl de coelacanth  deze  eigenschap niet  heeft   gehandhaafd   is dat wel het geval  bij   andere, meer primitieve levende vissen .

ondanks het feit dat de coelacanth een zeer  verre maar   nauwe verwant is  van landdieren,

“Kan men nu   beter onderzoek doen  bij  lepelsteuren , steuren , en  haaien”

http://www.eurekalert.org/pub_releases/2007-08/uocm-cfs073107.php


meer  over   Haaien en  ontwikkeling  ledematen  :

Scientists Discover Evolutionary Origin Of Fins, Limbs

http://www.sciencedaily.com/releases/2006/07/060726181154.htm

http://www.sciencedaily.com/releases/2007/08/070814212149.htm

 

Sharks (like this Great White off the coast of Guadalupe Island, Mexico) have the recipe for fingers in their genetic cookbook, researchers have found. (Credit: iStockphoto/Keith Flood)

KWASTVINNIGEN    8  Families  /7 uitgestorven 

Coelacanthiformes

Kwastvinnigen  =  Wetenschappelijke naam:   Actinistia, /  =  Coelacanthimorpha, Coelacanthiformes (orde of onderorde binnen de Spiervinnigen,Sarcopterygii)

http://www.ppne.co.uk/index.php?m=browse&id=2020 

http://en.wikipedia.org/wiki/Coelacanthus        

http://en.wikipedia.org/wiki/Coelacanth

Kwastvinnigen  bestaan al (minstens ) vanaf  het Devoon (410 MY):

De grote vormenrijkdom dateert  van het Trias  :  de laatste fossiele  restanten( van de familie latimeridae   )  zijn  afkomstig  uit het krijt.(-90 MY)….. Daarom worden de hedendaagse coelacanthen   ‘levende fossielen’ genoemd…. de  huidige “coelacanthen”  zijn echter  leden van  het genus Latimeria  en niet van het  laatst nog bekende fossiele  genus / uit het krijt   Macropoma ( beide genera behoren   wél tot dezelfde  familie Latimeridae)


Kwastvinnigen  zijn beenvissen en vormen samen met de longvissen tot de Sacopterygii. ( spiervinnigen ) Kwastvinnigen zijn vissen met borstvinnen en buikvinnen, die worden gesteund door een aantal scharnierende skeletelementen. De leden van de  groep  der spiervinnigen hebben als belangrijke  gemeenschappelijke kenmerk ;vier gepaarde , vlezige  en gespierde  vinnen.

Het zijn de enige extante recente gewervelde dieren met een scharnierpunt in de schedel. ( ook fossiel aantoonbaar ) Door dit scharnier kan de bovenkaak omhooggetrokken worden. Waarnemingen bij recente Latimeria , hebben  aangetoond  dat deze kwastvinnigen  volgens de bewegingsprincipes der gewervelde  landdieren (Tetrapoden) zwemmen  (= alternerend synchroon )

Ze leven van kleine vissen.

De hedendaagse  Coelacanthen kennen een inwendige bevruchting. De eieren komen uit in het lichaam van de moeder, waar de jongen zich nog enige tijd ontwikkelen voordat ze geboren worden … Dooierzakjes van uitgekomen eitjes   en (waarschijnlijk het teveel aan  eitjes  en larven ) worden verteerd door de moeder

De kwastvinnigen worden onderverdeeld in  Rhipidistia (.bijvoorbeeld: Osteolepis)die worden beschouwd als  de voorlopers –groep waaruit de tetrapoden zich ontwikkelden .;   en  Coelacanthidea (bijvoorbeeld de zogenaamde  “. Coelacanthus”Agassiz: het  eerste holotype Coelacanthus granulatus( = granulosus )

http://www.nhm.uio.no/besok-oss/utstillinger/faste/fossiler/galleri/montre/a31543.jpg

http://www.nhm.uio.no/besok-oss/utstillinger/faste/fossiler/galleri/montre/english/a31543.htm

  • Osteolepis  Devoon /red sandstone   Schotland  /  leefde in  zoetwater*  Zie meer onder macropoma op  =>   KWASTEN (2) (1)NADARWIN = LEVENDE FOSSIELEN (Tsjok45)

        op KWASTEN Onveranderlijk sinds miljoenen jaren?       Men bedoelt met levende fossielen organisen met een ietwat prehistorisch uiterlijk, of waarvan het fossielenbestand ons kan vertellen dat deze al rondliepen -of zwommen in de tijd van de dinosauriërs of een ander ver verleden.

    Vaak hoor je dan de populaire kreet; “onveranderlijk gebleven sinds vele miljoenen jaren”.

    Maar is dit ook zo?

    Het antwoord is dat je enkel met behulp van een hedendaags exemplaar, en de fossiele resten van een prehistorisch exemplaar niet kunt vaststellen dat er geen evolutie heeft plaatsgevonden.

    Niet alle evoluties spelen zich namelijk af aan de buitenkant van een organisme, er kunnen ook veranderingen optreden in het gedrag of instinct, het immuunsysteem of de (schud)kleur en interne organen (die fossiliseren immers niet.). Kortom, een fossiel dat sprekend lijkt op een modern exemplaar is geen bewijs van onveranderlijkheid, want deze stelling baseert zich slechts op het uiterlijk dat je van het fossiel kan afleiden.

    De stelling “onveranderlijk” komt hiermee al op losse schroeven te staan.

    Toch worden dergelijke dieren door bepaalde personen gebruikt als bindmiddel voor hun hypothese dat alle bekende huidige en prehistorische dieren rond de zelfde tijd zouden moeten hebben geleefd. Ze hopen hiermee aan te tonen dat dieren die als ‘prehistorisch’ worden omschreven soms nog gewoon vandaag de dag leven en dat er geen evolutie heeft plaatsgevonden.

  • ‘Prehistorische’ palingen ontdekt bij Palau

    17 augustus 2011

  •  – Wetenschappers hebben in een onderzeese grot bij Palau, in de westelijke Grote Oceaan, een nieuwe palingsoort ontdekt, die meer weg heeft van zijn prehistorische voorouders dan van zijn moderne soortgenoten. Zij berichten daar woensdag over in het Britse vaktijdschrift Proceedings of the Royal Society B.

    De onderzoekers onder leiding van de Japanner Masaki Miya, van het Natuurhistorisch Museum en Instituut in Chiba, ontdekten de vis in een grot op 35 meter diepte. Met behulp van netten en lampen wisten zij acht exemplaren te vangen. De bruine visjes waren 6 tot 9 centimeter lang.

    Nader onderzoek leerde dat de vissen weinig anatomische kenmerken gemeen hebben met de ruim 819 andere soorten paling.

    Ze lijken veel meer op primitieve alen die 200 miljoen jaar geleden rondzwommen en waarvan fossiele resten zijn gevonden.De onderzoekers  spreken van ‘levende fossielen’.

    De vondst is zo uitzonderlijk dat de soort een eigen familie heeft gekregen.

    De protoanguilla palau is voorlopig de enige soort in de familie protoanguillae. De naam is afgeleid van het Griekse woord protos (eerste) en het Latijnse woord voor aal, anguilla.

    De onderzoekers sluiten niet uit dat elders nog meer soorten leven die bij deze nieuwe familie kunnen worden gerekend.

    http://en.wikipedia.org/wiki/Protoanguilla_palau

    © Masaki Miya / Jiro SakaueDe nieuw ontdekte aal, Protoanguilla palau.

    Je zou het misschien niet zeggen, maar het diertje op de foto hierboven is uiterst primitief. Het is een soort aal, maar dan wel eentje die duidelijk afwijkt van alle 819 andere bekende soorten alen. Japanse biologen hebben het dier ontdekt in een grot bij een koraalrif, op 35 meter diepte, in de buurt van de eilandengroep Palau.

  • De nieuw ontdekte alen hebben onder meer een heel primitieve kaakonderdelen, een ander soort kieuwen dan de meeste bestaande alen, en afwijkende vinnen.

  • DEGENKRABBEN 
  • Limulus polyphemus, een diertje als een soort Wehrmachthelm met pootjes…

http://www.hoganphoto.com/Horse_shoe_crabs_a.jpg

°

-Degenkrabben zijn chelicerata, ze staan dichterbij de spinnen dan bij de trilobieten

De voorouders van degenkrabben ontstonden 360 miljoen jaar geleden, maar deze hadden alleen nog een vage degenkrabachtige vorm. Echte degenkrabben ontstonden pas in het late Jura.

Degenkrabben vervulde tijdens het Jura en Krijt de rol van krab, totdat ze na het Krijt werden vervangen door de moderne krabben. Hoewel ze het daarna nog 65 miljoen jaar hebben uitgehouden is de degenkrab vergeleken met vroeger nu zeer zeldzaam. Vandaag de dag zijn er 3 geslachten die voorkomen aan de westkust van Noord-Amerika, India en oost-Azië

  • Degenkrabben bestonden al bijna half miljard jaar geledenhttp://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=902Levende fossielen zijn dieren of planten die al geologisch lang nauwelijks veranderd op aarde voorkomen. Een van de vaak aangehaalde voorbeelden is de degenkrab (Limulus), een arthropode die vooral in de wateren voor de kust van de Verenigde Staten voorkomt. Op sommige stranden daar worden de – inderdaad prehistorisch uitziende – pantsers van dit dier veelvuldig aangetroffen.902aHet ongeveer 25 mm brede holotype vanLunataspis aurora. Het fossiel is onder watergefotografeerd om details beter zichtbaar te maken

    (foto G. Young, The Manitoba Museum)

    902bParatype van Lunataspis aurora

    (foto  G. Young, The Manitoba Museum).

  • Het blijkt dat de voorouders van de huidige degenkrab al ruim 100 miljoen jaar eerder de zeeën op aarde bevolkten dan tot nu toe bekend was (de oudst bekende vertegenwoordigers stamden uit de 320 miljoen jaar oude Bear Gulch Formatie in de Amerikaanse staat Montana). Onderzoekers hebben fossielen van een zeer goed op de huidige degenkrab gelijkende voorganger namelijk aangetroffen in gesteenten van zo’n 445 miljoen jaar oud (Laat-Ordovicium). Daaruit blijkt dat deze dieren al bijna een half miljard jaar vrijwel onveranderd op aarde voorkomen. Weliswaar zijn de Ordovicische exemplaren in diverse opzichten primitiever dan de huidige soorten van Limulus, maar de gelijkenis is niettemin treffend.902c  Limulus-wmEen exemplaar van Limulus polyphemus, een van de soorten van de huidige degenkrab (foto D. Rudkin, Royal Ontario Museum).Het fossiele, tot de xiphosuriden behorende, organisme waarvan enkele exemplaren (of afdrukken) zijn aangetroffen, werd gevonden in de Canadese provincie Manitoba. De onderzoekers hebben het fossiel de naamLunataspis aurora gegeven (maanvormig schild van de dageraad). De fossielen werden aangetroffen tijdens veldwerk dat erop was gericht om fossiele kustafzettingen te onderzoeken. Kennelijk vormden de kustnabije wateren in tropische zee챘n destijds een milieu dat goed vergelijkbaar was met de warme kustwateren van Amerika langs zowel de Atlantische als de Stille Oceaan nu. Dat is vanuit ecologisch oogpunt van groot belang volgens de onderzoekers, want een beter inzicht in hoe de toenmalige degenkrabben zich al zo vroeg in de aardgeschiedenis aanpasten aan een dergelijk milieu – en daar kennelijk ook zo lang in konden voortbestaan – kan veel aanwijzingen opleveren over de wijze waarop de ecosystemen van kustwateren zich in het verre verleden ontwikkeldenOnderzoekers zoeken fossielen bij William Lake

    (foto / E. Dobrzanski, The Manitoba Museum).

    Onderzoekers verzamelen fossielen bij Hudson Bay (foto / D. Rudkin, Royal Ontario Museum).

    Dat deze degenkrabachtige dieren zolang bleven voortbestaan, geeft aan dat ze tal van gebeurtenissen konden overleven die voor andere diergroepen fataal waren. Kennelijk waren zelfs de gebeurtenissen die zorgden voor de grote massauitstervingen (zoals op de grens Perm/Trias en de grens Krijt/Tertiair) niet ernstig genoeg om ook deze dieren te laten verdwijnen; het moeten dus dieren zijn met een groot vermogen tot overleven. De onderzoekers leiden daaruit af dat de huidige degenkrab waarschijnlijk ook veel minder in zijn voortbestaan wordt bedreigd dan andere ‘ongewone’ diersoorten in de veelal door menselijke activiteit op veel plaatsen ernstig vervuilde kustwateren. Dit was tot nu toe nog niet uit de talrijke onderzoeken naar Limulus naar voren gekomen. Het huidige onderzoek naar de recente degenkrab wordt overigens niet alleen uitgevoerd door milieuonderzoekers, maar ook door biochemici die aanwijzingen hebben dat uit Limulus stoffen kunnen worden gewonnen die geneeskrachtige werking hebben.

  • Referenties:
    • Rudkin, D.M., Young, G.A. & Nowlan, G.S., 2008. The oldest horseshoe crab: a new xiphosurid from Late Ordovician Konservat-Lagerst채tten deposits, Manitoba, Canada. Palaeontology 51, p. 1-9.

    Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Dave Rudkin, Department of Natural History, Royal Ontario Museum, Toronto, Ont (Canada).

    SPHENODON 

    In tegenstelling tot de Coelacanth en de Degenkrabben , waar de natuurlijke grenzen die hen er van weerhouden zich over de hele wereld te verspreiden moeilijk te zien zijn , is dat niet het geval bij de zeldzameSphenodon punctatus:

    TUTUARA’S

    by Greg Mayer   Tuataras , are transparently Triassic in aspect,

    Aspects of  tuatara biology– they live a long time, reproduce slowly, eat giant orthopterans, are nearly extinct, etc.

    What’s most interesting about them is that they are the sole living members of one of the four major groups of extant reptiles, the Sphenodontida (an order in the Linnaean hierarchy of ranks, the other reptile orders being turtles, crocodiles, and snakes+lizards); and they are found only in New Zealand, where they are restricted to a few offshore islands.  (They have recently been transplanted back to the mainland of New Zealand, whence they were extirpated centuries ago by introduced rats.)

    Though they look much like lizards (iguanas or agamids in particular), and were thought to be lizards when first discovered, they are in fact not lizards, as anatomical examination reveals. They have a primitive type of skull, termed fully diapsid, which means the cheek region of the skull has two complete openings surrounded by bone, and they have at most a rudimentary hemipenis (the distinctive double copulatory organ that characterizes snakes and lizards).

    Tuataras are a good example of an older group surviving on an isolated land mass, something typical of old islands like New Zealand, which separated from other parts of the former southern supercontinent of Gondwana around 80 million years ago. Tuataras had been spread about the globe during the Mesozoic (Age of Reptiles), but survived only on New Zealand.

    It is distressingly common to see tuataras described as “dinosaurs”, but they are no such thing.

    They lived during the time of the dinosaurs (and have changed relatively little since, earning them the sobriquet “living fossils”), but their closest relatives are the lizards and snakes, together with which they form the larger reptilian group known as lepidosaurs. Dinosaursclosest living relatives are birds, which, indeed, are perhaps best thought of as actual dinosaurs themselves.

    _________________________________________________________________________________________________

    Dit hagedisachtige dier komt alleen voor in Nieuw-Zeeland. Op zijn kop zit een klein maar bijzonder vlekje; het derde oog, een hoopje lichtgevoelige cellen, die mogenlijk gebruikt worden voor het opnemen van zonlicht.

    De ‘Tuatara’ is een nogal traag dier; traag met voorplanten, want de eieren blijven een jaar lang in het moederlichaam, en daarna duurt het weer een jaar voor ze uitkomen. Traag met doodgaan, want een Tuatara kan 100 jaar oud worden, en vooral traag met uitsterven, want dat gebeurde eigenlijk in het vroege Krijt.

    De Tuatara is de enige overlevende van de Orde Sphenodontia, waarvan de leden leken op hagedissen, maar zich hiervan evenwel onderscheide door de afwezigheid van een flexibele kaak. Tijdens het Jura kwamen Sphenodonten over de hele wereld voor, maar daarna ging het bergafwaarts. De verantwoordelijken hiervoor zijn ongetwijfeld de moderne hagedissen, die door betere aanpassingen de Sphenodonten wegconcureerden. De voorouders van de moderne Tuatara hebben het overleefd doordat Nieuw-Zeeland inmiddels was afgedreven van de rest van de wereld, zodat Sphenodonten doorgingen met het uitbaten van hun ecologische niche zonder hagedissen-interventie zal ik maar zeggen…Ook zoogdieren konden Nieuw-Zeeland niet bereiken, dus is sindsdien Tuatara het grootste roofdier op de eilanden geweest, totdat (Rond het Mioceen denk ik.) de eerste roofvogels arriveerden.
    Interessante link over de phylogenetische plaats van de coalacanth en longvissenhttp://users.pandora.be/kav.desiervis/articles/Coelacanth.htm….Als de Coelacanth verdwijnt zullen er veel vragen onbeantwoord blijven over de plaats die deze vis inneemt in de prehistorie.Dan zullen we waarschijnlijk nooit weten of de Kombessa, met zijn op ledematen lijkende vinnen, korter bij de amphibische levensvorm aansluit dan de longvis, die atmosferische lucht kan inademen, maar die ook zuurstof kan onttrekken aan het water.—>Het bloedhemaglobine van de Coelacanth is gelijkaardig aan dat van kikkervisjes, maar niet aan dat van volwassen kikkers.

    –> Testen op het mitrochondriale DNA tonen aan dat de longvis eerder behoort tot onze naaste verwanten. Van de longvis, die al 460 miljoen jaar ongewijzigd meedraait, leven er nu nog vijf soorten, verspreid over Australi챘, Zuid-Amerika en tropisch Afrika.—> De Coelacanth is niet het venster naar het verleden, zoals vele wetenschappers gehoopt hadden.In tegenstelling tot de longvis, heeft de Kombessa zich gedurende 400 miljoen jaar weten aan te passen aan de noden die zich stelden. —>Hij ontwikkelde eigenschappen van zowel de kraakbeenvissen als van de beenvissen en bleef in zijn ontwikkeling ergenssteken tussen de twee in.—>Evenals de haai ontwikkelde hij in zijn spijsverteringsstelsel de spiraalplooi, die de oppervlakte van de darm, waarmee de

    passerende voedselstoffen in aanraking komen, aanmerkelijk vergroot.

    —>Net als de haai heeft hij ook een kraakbeenskelet, met in de wervelkolom een begin van verbening.

    Maar hij heeft wel een benige kop, tanden en schubben.

    —-> Hij is de enige gewervelde met een intercraniale verbinding, wat ooit gemeenschappelijk was voor kikkers.

    Door deze verbinding kan hij zijn bovenste kaak omhoog brengen en tegelijkertijd zijn onderkaak laten zakken, wat het volume

    van zijn muil enorm vergroot.—-> Het meest opmerkelijke is dat de Coelacanth, reeds lang voordat de zoogdieren in de evolutie verschenen, levende jongen ter wereld bracht. Het wijfje maakt een reeks eieren aan, die zo groot zijn als sinaasappels en die in de uterus rijpen. De embryo’s verteren er niet alleen hun dooierzak, maar waarschijnlijk ook hun nog niet uitgekomen broers en zusters. Er zijn bepaalde aanwijzingen die er op duiden dat ze in de uterus voedsel en zuurstof van hun moeder toebedeeld krijgen…. Enkele andere levende fossielen ;

    http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i000643.html

    Nieuw ontdekte ‘garnaal’ is levend fossiel

    http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=768

    Januari 2007, jaargang 9 nr. 1 artikel 76823

    Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

    Faculteit Aardwetenschappen Universiteit van Silezië

    Sommige recent voorkomende diergroepen hebben al een lange geschiedenis achter zich. Krokodilachtigen, schildpadden en haaien kwamen al lang geleden voor, en sommige microorganismen van nu lijken in niets af te wijken van Precambrische voorgangers.

    Het is echter slechts zelden dat een nieuw ‘levend’ fossiel wordt aangetroffen. Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was de ontdekking van de coelacanth (Latimeria), waarvan fossiel alleen verwanten uit het verre geologische verleden bekend waren.

    Het levende fossiel, inmiddels omgedoopt in Laurentaeglyphea neocaledonica

    Onderzoekers hebben nu een nieuw levend fossiel gevonden. Dat gebeurde in het kader van een langtermijn project dat wordt uitgevoerd door het ‘Census of Marine Life’, een netwerk van onderzoekers uit 70 landen. Het netwerk richt zich op het vaststellen en documenteren van de biodiversiteit in de oceanen.

    De onderzoekers vonden op een zogeheten seamount – een onderzeese vulkaan waarvan de top is afgevlakt door erosie tijdens de lage zeestanden van de Pleistocene ijstijden – in de Koraalzee (bij Australi챘) op bijna 400 m diepte een op een kruising tussen een garnaal en een krab lijkend dier, dat door de onderzoekers direct de koosnaam ‘Jurassische garnaal’ kreeg.Dit type dier leek namelijk al zo’n 50 miljoen jaar (Jura) uitgestorven. In de aan de ontdekking gewijde publicatie werd het dier officieel Neoglyphea neocaledonica gedoopt.

    Van het Glyphoidea, waarin het geslacht Neoglyphea is ondergebracht, is slechts één andere vertegenwoordiger bekend; dat is Neoglyphea inopinata.

    De ‘Jurassische garnaal’ werd dus aanvankelijk ingedeeld in hetzelfde geslacht als een recente soort (die er overigens heel anders uitziet).

    In feite moet N. inopinata, waarvan het eerste exemplaar in 1908 door een onderzoeksschip van 186 m diepte werd opgevist, maar dat pas in 1975 werd beschreven, overigens ook als een levend fossiel worden beschouwd vanwege het hiaat van 50 miljoen jaar met bekende voorgangers.

    Inmiddels is overigens vastgesteld dat er toch zoveel verschillen tussen beide soorten bestaan dat het levende fossiel nu een nieuwe geslachtsnaam heeft gekregen. Het heet nu Laurentaeglyphea neocaledonica.

    Vindplaats van het levende fossiel

    De recente naaste verwant: Neoglyphea inopinata

    (foto J. Lai)

    L. neocaledonica heeft een wat roze kleur met iets rodere stippen en enkele ook iets rodere banden. Omdat hij leeft op een diepte waar nauwelijks daglicht meer doordringt, wijst dat volgens de onderzoekers niet op een leven in een hol. De ogen zijn goed ontwikkeld, en zijn waarschijnlijk in staat om enige kleur te onderscheiden. De onderzoekers denken daarom dat het om een roofdier gaat. Deze kenmerken, en de verschillende dieptes waarop L. neocaledonica en N. inopinata zijn gevonden, wijzen op sterk verschillende leefmilieus. In de directe omgeving waar L. neocaledonica werd gevonden, zijn diverse andere dieren aangetroffen, waaronder gastropoden en vissen.

    Referenties:
    • Richer de Forges, B., 2006. D챕couverte en mer du Corail d’une deuxième espèce de glyphéide (Crustacea, Decapoda, Glypheoidea). Zoosystema 28, p. 17-29.

    Foto van het levende fossiel welwillend ter beschikking gesteld door Bertrand Richer de Forges, Institut de Recherche pour le Développement, Nouméa (Nieuw-Caledonië).

    ‘Gladiator’ is  ‘levend fossiel’

    Oeroude  insectenorde

    Gladiator.

    Op een volledig geïsoleerde berg in Namibië leven insecten die sprekend lijken op 45 miljoen jaar oude exemplaren.

    Volgens Duitse onderzoekers behoren de ‘levende fossielen’ tot een onbekende insectenorde, die zij nu beschreven hebben.

    Insecten zijn niet aaibaar. Daarom verwacht Piotr Naskrecki niet dat de ontdekking van een nieuwe insectenorde voorpaginanieuws zal worden.

    “Terwijl de vondst te vergelijken is met de ontdekking van een levende verwant/afstammeling   van de  mastodont of sabeltandtijger. Het laat ons zien dat er nog ongerepte plaatsen op de wereld zijn, waar we een glimp kunnen opvangen van hoe het leven zich miljoenen jaren geleden manifesteerde.”

    Zo철loog Naskrecki maakte deel uit van een groep onderzoekers die in maart 2002  een speurtocht ondernam op de Brandberg in Namibië.

    De bijna 2600 meter hoge berg staat geheel geïsoleerd in een verder vlakke woestijn, waar niet veel levende wezens zijn te vinden.

    De expeditie was het gevolg van de herontdekking van enkele insecten in musea in Duitsland en Engeland in 2001   .

    Student Oliver Zompro van het Max-Planck-instituut voor Limnologie  beschreef er toen eentje die zat opgesloten in doorzichtig barnsteen van zo’n 45 miljoen jaar oud.

    Het 45 miljoen jaar oude exemplaar in barnsteen, dat Oliver Zompro beschreef (foto’s Science). Sluit dit venster


    After studying the amber fossils, entomologist Oliver Zompro checked museums worldwide for similar specimens.  Two insects collected in Tanzania and Namibia last century appeared related to the amber fossils, suggesting that the insect was not extinct. 

    In 2002, Zompro and others found a dozen live ‘gladiator’ insects by painstakingly searching through grass clumps in Namibia’s Brandberg Mountains.  It was subsequently realized that international scientific expeditions to the area in 1998 and 2000 had already found specimens, but had not identified them. 


    Sluit dit vensterEen ‘gladiator’ uit het museum, gevangen rond 1950 

    De diertjes leken weinig op bekende insectensoorten, zodat Zompro’s hoogleraar Joachim Adis foto’s van de insecten naar musea over de hele wereld stuurde met de vraag of er ergens een collectie was waar ze ook in voorkwamen.

    Het antwoord kwam uit Namibië: de insecten leken op exemplaren die het Nationaal Museum in Windhoek in 1990 en 2001 verworven had. Kort daarop ging de expeditie van start.

    Succes liet niet lang op zich wachten.

    Tussen de rotsen van de Brandberg vonden de onderzoekers verschillende exemplaren van de insecten, die de bijnaam ‘gladiator’ hebben gekregen, vanwege het dikke pantser dat ze dragen.

    Sluit dit vensterEen gladiator op de Brandberg, maart 2002 

    Ze lijken als twee druppels water op het oeroude exemplaar dat Zompro in het barnsteen ontdekte – vandaar dat de expeditieleden spreken van ‘levende fossielen’.

    Adis had dat nieuws graag al vorige maand bekend willen maken, maar moest nog even zijn mond houden. Met Zompro en anderen had hij immers al een beschrijving van de insecten gemaakt aan de hand van de exemplaren die in de musea worden bewaard. Het artikel had hij naar het tijdschrift Science gestuurd, maar als het nieuws al voor de publicatie  zou zijn uitgelekt, kwam publicatie in gevaar – Science wil artikelen alleen afdrukken als er nog nooit eerder over geschreven is.

    De diertjes, stellen de onderzoekers, behoren tot een nieuwe insectenorde, die zij Mantophasmatodea dopen. Het is voor de eerste keer sinds 1914 dat een nieuw insect niet kon worden ingedeeld bij een bestaande orde.

    De ‘gladiatoren’ zijn ongevleugelde vleeseters, zo groot als een paperclip, die waarschijnlijk op andere insecten jagen.

    Samen met het exemplaar in barnsteen werden  er in de musea  drie soorten ge챦dentificeerd;

    Op de brandberg wrden (waarschijnlijk ? ) twee soorten gevonden  Mantophasma zephyra    M. subsolana


    Since the Namibia discovery, living representatives of Mantophasmatodea have been found in South Africa’s Western Cape Province.  Picker, M.D., Colville, J.F., van Noort, S., Mantophasmatodea now in South Africa, Science 297(5586):1475, 2002.


    Tegenwoordig is er meer bekend over de groep  en wordt de orde ingedeeld in dertien soorten, behorend tot 10 genera en drie families,

    Over de verspreiding van de Mantophasmatodea is weinig te zeggen.

    Van het oude exemplaar in barnsteen is alleen bekend dat die uit een van de Baltische staten afkomstig is.

      

    Raptophasma kerneggeri

    Family: Mantophasmatidae

    The 6.5 mm specimen above was found in Eocene-age (40 to 50 million year old) fossil resin (amber) from the Baltic region of Russia. Note the powerful mandibles; death grippers, spines on front legs; long, straight, wingless body; unexaggerated thorax; jumping legs; and hooked feet

    Andere musea hebben vorig jaar niet gereageerd op Adis’ verzoek de collectie na te lopen.Het spreekt vanzelf dat men uitkijkt naar het komplete  sequensen  van het  genoom  van deze  levende fossielen ….

    Marc Koenen

    Klaus-D. Klass et. al.: Mantophasmatodea: A New Insect Order with Extent Members in the Afrotopics. In: Science, 18 april 2002 (10.1126/science.1069397)

  • Mantophasmatodea – A new Order of Insects. Oliver Zompro & Joachim Adis.
  • New Insect Order Found in Southern Africa. National Geographic Today.
  • Order: Mantophasmatodea(mantos). South African Museum Biodiversity Explorer.
  • Max-Planck Doctoral Student discovers “living fossils”. Max Planck Society Research News Release.
  • New Insect Order Discovered for First Time Since 1915. Conservation International Press Release
    Als je de gegevens over levende fossielen genuanceerd bekijkt zie je dat de ‘onveranderlijkheid’ veel minder extreem is dan dikwijls wordt beweerd. Om te beginnen zijn de verschillen tussen de laatste fossiele soort en de huidige soort altijd groot genoeg om ze tot verschillende geslachten te rekenen.
    Dit is iets wat velen uit het oog verliezen, ook op de Evolution-Creation site staat nog ongenuanceerd dat bv. Tuatara ‘uitgestorven’ zou zijn sinds het krijt, –> niet waar, er zijn nooit fossielen gevonden van Tuatara van welke leeftijd dan ook.
    Ook de Coelacanth Latimeria is niet bekend van fossielen van vele miljoenen jaren oud.
    Zoals reeds gezegd zijn er kleine maar duidelijke verschillen tussen Latimeria en de meest in de buurt komende fossiele verwant Macropoma, zoals dat deze laatste drie keer zo klein is als Latimeria. Daarnaast is het feit dat de meest op Latimeria gelijkende fossiele soort de laatste is in het fossiele bestand in overeenstemming met de evolutietheorie.
     Zou Macropoma nou in het Devoon zijn gevonden en een kwastvinnige die helemaal niet op Latimeria lijkt in het Krijt, (–> bv. Holotychius, die in werkelijkheid in Devoonlagen is gevonden.) kijk, dan zou je werkelijk een evolutionaire steunpaal wegschoppen.
    Hetzelfde is het geval met de degenkrabben, in het late Devoon ontstaan de voorouders van deze dieren, om hun huidige vorm te bereiken in het late Jura, behalve dan de verschillen die geslachtsgebonden (eh,… met geslacht bedoel ik hier natuurlijk = genus, niet = sexe…) zijn, want ook de huidige degenkrabgeslachten zijn niet van fossielen bekend.Kortom, volgens mij valt het wel mee met de ‘onveranderlijke’ relicten uit het verleden.Overigens is een relict uit het verleden niet iets van tegenwoordig, ook in het fossielenbestand zijn er dieren gevonden uit tijden lang na hun glorietijd, bv. het amfie-tiel Seymouria, of het terrestrische amfibie Diadectes, en in feite was de straalvinnige Macropoma in het Krijt al reeds een levend fossiel, de straalvinnigen stammen van 390 miljoen jaar terug, dus in het Krijt waren ze al reeds 325 miljoen jaar oud.Dus hoe komt het doordat de evolutie bij hen op een laag pitje staat…? Levende fossielen worden vandaag de dag gekenmerkt door zeldzaamheid, dit had Darwin al reeds door,… hij zei:


  • Met behulp van deze inzichten kunnen wij misschien enkele feiten begrijpen die opnieuw ter sprake zullen komen in ons hoofdstuk over geografische spreiding; bijv. dat de producties van het kleinere continent Australië vroeger zijn verdrongen, en klaarblijkelijk nog steeds verdrongen worden, door die van het grotere Europees-Aziatische gebied. Zo zijn vastelandproducties ook overal in hogere mate genaturaliseerd geraakt op eilanden. Op een klein eiland zal de wedloop om het leven minder hevig zijn geweest, en er zal minder modificatie en minder uitroeiing hebben plaatsgevonden. Daardoor, misschien, komt het dat de flora van Madeira volgens Oswald Heer lijkt op de uitgestorven tertiaire flora van Europa. Alle zoetwaterbekkens bij elkaar genomen beslaan een kleine oppervlakte, vergeleken met die van de zee of van het land; en dientengevolge zal de competitie tussen zoetwaterproducties minder hevig zijn geweest dan elders; nieuwe vormen zullen trager zijn gevormd, en oude vormen trager uitgeroeid. Het is ook in zoet water dat we zeven geslachten van glansschubbige vissen vinden, overlevenden van een orde die ooit overmachtig was; en het is in zoet water dat wij enkele van de meest abnormale vormen vinden die nu op aarde bekend zijn, zoals de ornithorhynchus en de lepidosiren die, net als fossielen, tot op zekere hoogte de verbinding maken tussen bepaalde ordes die thans ver van elkaar zijn verwijderd op de ladder der natuur. Deze abnormale vormen kunnen bijna levende fossielen worden genoemd; ze zijn tot op de dag van vandaag blijven bestaan omdat ze een beperkt gebied hebben bewoond en omdat ze derhalve aan minder hevige concurrentie blootgesteld waren.


  • Maar behalve dat denk ik ook dat de mutatiesnelheid daar iets mee te maken heeft,…
    Ga bijvoorbeeld eens na; je hebt een soort die over grote delen van de wereld verspreid is, en de totale populatie heeft een grote van 20 miljoen individuen. Daarnaast heb je een soort die in een zeer beperkt leefgebied voorkomt, en uit maar 2000 individuen bestaat.
    De kans dat er een gunstige mutatie optreed, waardoor de populatie beter aangepast raakt, is in de grote populatie 10.000 keer groter dan in de kleine.
    Dus al zou de kleine populatie willen evolueren, dan zouden ze het nog niet kunnen…Da’s hetzelfde als dat 100 goudzoekers tesamen meer kans hebben om succes te hebben dan 10, de kans dat er 챕챕n goud vind is dan met een factor 10 vergroot.Dit is duidelijk te zien in bv, de apen op Madagascar, hun lichaamsbouw komt overeen met die van alle apen ter wereld tijdens het Eoceen.
    Toen ze afgezonderd werden op hun eiland konden ze minder gunstige mutaties voortbrengen dan de apen op het vaste land, dus evolueerden ze aanmerkelijk langzamer.
    Zelfs op een groot continent als Australië is dit te merken. Buideldieren en Monotremen zijn heel wat basaler dan de placentaire dieren die in de rest van de wereld wonen. Doordat voor lange tijd minstens 3 continenten (Europa en Azië zijn 1) met elkaar verbonden zijn konden de dieren hierover mutaties exporteren en zijn daardoor sneller veranderd dan op het geïsoleerde Australië.
    Levende  fossielen  (= volgens de creationisten ) zijn niet hetzelfde  als levende fossielen (= volgens de wetenschap)
    Er zijn geen miljoenen jaren  oude  fossiele  exemplaren  bekend   (die identiek) zijn aan  nu nog levende  soorten  en die men  vrij  generaliserend  “levende fossielen “noemt  ..
    Living Fossils–There are None
    Copyright 2003 G.R. Morton
    This can be freely distributed so long as no changes are made and no charges are made.

    WAT IS EEN LEVEND FOSSIEL ( LF) NU EIGENLIJK  ?

    dat is geenszins voor iedereen even duidelijk , me dunkt  …..

    Hoe definiëren we best en sluitend  (paleontologisch /geologisch en volgens de evolutiebiologie )een ‘levend fossiel’?

    en

    wat zijn de (eventuele )leken-definities , taalkundige  valkuilen ,  oorspronkelijke  naamgevingen  en omgangstaal-betekenissen ,die hebben geleid  tot verwarring en  misvattingen .

    .-Betekent “levend fossiel ” gewoon dat =

    een extant type / soort (met of zonder extante verwanten) fossiel identieke( of vrijwel identieke) organismen  met gelijkaardige  vormgeving kent ?.

    Dat lijkt toch wel  een oppervlakkige , gemakkelijke en ietwat domme  want  vooral overbodige ,  definitie  ;

    immers meer dan 50% van de nog levende tetrapoden soorten ( om slechts maar die te noemen )   hebben ( voorspelbaar ) , vergelijkbare /(enigzins)  identieke fossiele vertegenwoordigers(1)

    Een generaliserende  definitie is erg leuk en zeker voldoende …. voor zolang  je er niet dieper over begint na te denken.

    * De  levend ontdekte Kasuarissen , Thylacines( Buidelwolven / Buidelwolf ) , balein walvissen en

    platypii ( Vogelbekdieren )werden jaren geleden  bestempeld  als “levende fossielen ” :

    samen met o.a.  Degenkrabben , de brughagedissen  ( Tuatara’s ) , de  Longvissen ….enz.

    De  redenering was toen dat deze organismen al ” bekend “waren  ,voor hun ontdekking , vanuit het Fossielen-archief  en

    dat die  bekende fossielen ( toen ) niet (veel )verschilden ___ op het eerste zicht ___ van de gevonden levende “soorten”(?) .

    Je kan dat eigenlijk evengoed beweren  voor zowat alle nu levende soorten .

    Er bestaan fossiele  Homo sapiens , Canis lupus, Corvus corvus en Giraffa camelopardalis…. enz …

    Betekent dit dat ze allemaal  levende fossielen zijn ?

    *Sphenodon punctatus is  bijvoorbeeld  een  zogenaamd ” levend  fossiel ” maar is toch als soort  kompleet  onbekend uit het  fossielen-archief .

    Het is bovendien een  extant  en  zeer gespecialiseerd reptiel dat slechts aan een zeer specifiek  millieu optimaal is aangepast ( onwaarschijnlijk dus dat deze soort  al lang “onveranderd ”  rondloopt ) (2)

    ….en erg verwarrend allemaal wanneer het gaat over  onze definitie-pogingen

    Misschien is  de term  LF  alleen maar geldig  ‘ wanneer een  soorten-groepvan hogere orde dan een soort of  een aantal ondersoorten)  als morfologisch “onveranderd ” is bekend gebleven gedurende een  BEPAALDE   LANGERE  GEOLOGISCHE  TERMIJN  vanaf hun eerste opduiken in het fossielen-archief  (m.a.w.  in het bezit  van  een  fossiele geschiedenis die minstens  terug  gaat tot  ( bijvoorbeeld ) voor het Pleistoceen —>[de Kassuarissen  stammen uit het Plioceen, thylacines  zijn Pleistoceen die  waren toen  tot 25% groter dan de recente (ondertussen ook uitgestorven )voorbeelden., balein walvissen verschenen  voor het eerst in het Oligoceen]). ….. En gedurende dat ganse tijdperk / tot  op heden ( in de overblijvende vertegenwoordiger  /extante soort) moet dat  morofologische bauplan ‘ongewijzigd’ blijven ….

    * Platypi zijn dan volgens die betekenissen/criteria  ,  uitgesloten:  omdat er fossiele specimen bestaan uit die groep  die heel anders zijn  dan de moderne Ornithorhynchus anatinus

    zoals :

    Teinolophos


    Science 23 November 2007:

    Vol. 318. no. 5854, p. 1237

    News Focus

    SOCIETY OF VERTEBRATE PALEONTOLOGY MEETING:

    Jaw Shows Platypus Goes Way Back

    ……Het fossiel archief  is erg spaarzaam wat betreft de Monotremata ( = Monotremen =  Cloacadieren)

    Het oudst bekende specimen isbekend van   één enkele tand ,ongeveer -62 Ma  en  gevonden in  Patagonië :de tand heeft de  typische gedrongen  vorm  eigen aan platypii ( = Vogelbekdieren  )voordat hun stamlijnen voorgoed hun tanden verliezen .

    Een nieuwe analyse van fossiele kaken gevonden in  Australië stelt dat de vondst afkomstig  is van  een platypus die  minsten  – 112 ma geleden leefde.

    “Dat  is zeer oud,voor een monotremen- soort ”  zegt Timothy Rowe van de Universiteit van Texas (UT), Austin,.

    Teinolophos trusleri werd ontdekt in 1997  dichtbij Inverloch, Australië, en werd beschreven door Thomas Rich van het Victoria Museum Victoria (Melbourne),Pat Vickers-Rich  van Monash University , en collega’s.

    Het specimen  bestaat uit een (onder)kaken en tanden.

    “Grand canal. ”

    Het grijze gedeelte op de CT scan ( boven ) van de kaak , markeert  de zenuwbanen 

    Op zoeken naar  meer anatomische aanwijzingen over  de evolutie van  deze zoogdieren, liet  het team van Rich  de fossiele kaken  onderzoeken door  Rowe, (een paleontoloog die toegang heeft tot  de diensten  van een team die beschikken  over  scan -toestellen   van de  UT Austin ). Het aftasten van  de  drie specimen leverde het beeld op  van   een groot inwendig zenuw-kanaal( groeven in het bot )  over  de volledige lengte van de kaak,; Net zoals het  zenuw-kanaal( = in een moderne platypus die de  zenuwvezels van de electrosensorische  zintuigelijke  uit de gevoelige  bek verbindt met de hersenen

    “Geen  enkel ander zoogdier bezit een dergelijk zenuwkanaal van dezelfde omvang ,” vertelde Rowe nog  . Zelfs  in het vroege Krijt lijken  platypii  reeds  electrosensorische zintuigen in de “bek”   te hebben  gebruikt .

    “Dit is de( tot nu toe )meest dwingende aanwijzing ( =evidentie )  voor de  stelling   dat Teinolophos behoort tot de familie der  vogelbekdieren  .”


    +Steropodon uit het krijt

    Steropodon galmani

    Steropodon galmani, a platypus-like monotreme from the Early Cretaceous of Australia.

    Steropodon.

    Illustration: A Musser © Australian Museum

    Opalised jaw of Steropodon galmani

    Description //Steropodon galmani Archer. One of Australia’s oldest mammal fossils, from the Early Cretaceous rocks at the opal fields of Lightning Ridge, New South Wales.

  • Nota  =De oudere vogelbekdierachtigenSteropodon, Kollikodon en Teinolophosbehoren mogelijk ook tot de Familie Ornithorhynchidae (Vogelbekdieren) , maar worden er regelmatig buiten geplaatst.

    +Obdurodon uit de Mioceen
    +de reus  Ornithorhynchus maximus  uit het Pleistoceen)
     
    Schedel van Obdurodon dicksoni,
    Schedel van   moderne Ornithorhynchus anatinus  
    Fig. 1.

     Ornithorhynchus anatinus, in lateral (A), dorsal (C), and posterior (E) views, compared with its extinct relative Obdurodon dicksoni (lacking mandible) in lateral (B), dorsal (D), and posterior (F) views. Volumetric reconstructions based on HRXCT, illustrated at same lengths (not to scale). Abbreviations: Den (dentary), Fm (foramen magnum); m1 (sclerified first lower molar); m2 (sclerified second lower molar); Mt (mandibular tubercle); P3 (upper third premolar); P4 (upper fourth premolar); V2 (foramina for maxillary nerve), and V3 (foramen for mandibular nerve).

     http://fr.wikipedia.org/wiki/Obdurodon_dicksoni

    ( wikipedia /France )

    Over  creationisten  en  de  platypus —>

    http://www.talkorigins.org/faqs/platypus.html

    Een   significant morfogenetisch/anatomisch  verschilpunt tussen moderne  en fossiele vormen in de stamlijnen van deze  dieren is het bezit van tanden  in de( meeste )fossiele vertegenwoordigers  ….

    Bovendien  kloppen (meestal ) de lichaams-afmetingen ( en de verhoudingen ) ook al niet  …

    Over het algemeen is een zoogdier een warmbloedig levendbarend dier dat zijn jongen voedt met moedermelk.

    Vanuit evolutionair perspectief mag je een vogelbekdier dus beschouwen als een zoogdier dat “nog niet helemaal af”  is.

    Dit wil echter niet zeggen dat het dier niet over geavanceerde aanpassingen kan beschikken die hem in staat stellen te overleven in

    “modderige beken ”  bijvoorbeeld :…..Moderne vogelbekdieren ( waaronder ook fossiele vormen?  ) zijn hoog -gespecialiseerde onderwater – jagers( op allerlei ongewervelden ?)  die een soort elektro-locatie opspoor-systeem bezitten  in hun snavel   dienstig  bij de voedselvergaring  in troebel water …

     

    *Ook  de moderne degenkrabben bezitten  geen  voldoende  onveranderlijk bauplan in het  fossiel archief  , maar  zijn wel al erg lang  varianten op hetzelfde  morfologisch conservatieve type  sinds hun debuut in ????…?

    Animatie over de “vorm”  van de degenkrabben –>  http://www.blackwellpublishing.com/ridley/a-z/Stasis_c.asp ( Quick time noodzakelijk )

    * Hetzelfde kan worden gezegd van de longvis –  heeft de soort Neoceratodus forsteri (Australische longvis)  een fossiel archief ?

    VISSEN EVOLUTIE

    Longvissen en de verovering van het land

    Natuurlijk hebben ze allemaal fossiele voorouders en familieleden, maar dat geldt voor alle gewervelden !

  • Ik vermoed dat een “LF” wordt beschouwd als een echt Levend Fossiel  van zodra zijn stamlijn  morfologisch  strikt  conservatief is  gebleven gedurende het grootste deel van zijn bekende  ( fossiel gedocumenteerde )evolutionaire geschiedenis in de geologische tijd (vanaf zijn opduiken in het fossielarchief  tot op  heden ) .Dat is echter een  erg nutteloze  onmogelijk te kontroleren ( en derhalve onbruikbare )  bepaling   – want   je kunt nooit  weten of  de daadwerkelijke stam-lijn  altijd al sinds haar onstaan  in het bezit was  van een een onveranderlijk echt succesvol bauplan gelijk aan het huidige  ( =dat  dus niet  evolutionair ontwikkeld werd en werd veranderd of  gevarieerd  )Lintwormen hebben  zelfs  ook  GEEN   fossiele getuigenissen  van hun  evolutionaire geschiedenis  en hun  perfekt ( al  altijd aanwezige ) ontworpen bauplan ; ze kunnen  dus ook wel eens  ” kompleet , plotst en volmaakt  geschapen ” zijn , in de  perfekte functionele vorm waaronder wij ze nu kennen ?

    Rekening houdend met het voorafgaande zou men  dus  een  ‘levend fossiel’ misschien  kunnen  definiëren als=

    ‘ een Genus – of een nog grotere  taxonomische groep  dan ” soort ” en/of   ondersoorten  – in het bezit van een  morfologisch “archetype”(3) ( =oermodel)   dat binnen  een stamlijn  van organismen  , meer  dan de normale  gemiddelde geologische tijd ‘behouden is gebleven . Maar zelfs dan, is het onmogelijk om zeggen wat “langer”  is dan “gemiddeld” ….Tyrannosaurs Rex , Kassuarisen  en   Thylacines  zijn in dat geval  dan  slechts  kortlevende  uitzonderingen ?

    of andersom ?

    Hmmmm, wat  is eigenlijk de “gemiddelde ” norm …?


    Bron =

    naar Darren Naish  /“Living fossils …Arghh ”    http://dml.cmnh.org/1995Jun/msg00414.html


    (1)

    VEEL VAN WAT MENSEN  ZIEN , IS  WAT ZE MENEN/ VERWACHTEN   TE ZIEN

    Bij nadere bechouwing is het duidelijk  iets anders  dan oorspronkelijk gedacht  of  “gezien” …

    Maar alles wat wordt of werd ( ook vermeend ) “gezien”  dient te worden verklaard  ….

    A)

    bij  veel  extante  ongewervelde ( niet-verwante )  soorten  is bijvoorbeeld  ook een  “gelijkvormige ” lichaamsbouw het resultaat  van  “Mimycry”

    bijvoorbeeld  imiteren zweefvliegen de lichaamsbouw  (vespa) wespen …Dat biedt de   vliegen  een serieus  voordeel( in onze streken )  …hun mogelijke  predatoren ( vogels ) zien het verschil niet zo gemakkelijk en zullen  waarschijnlijk  veel  minder het risico nemen een eventuele  stekende wesp-achtige ( vespa) op te pikken …

    Wesp

    Zweefvliegen en wespen worden  vaak met elkaar verward.

    Nochtans zijn ze, aan de hand van een aantal eenvoudige kenmerken, makkelijk van elkaar te onderscheiden.

    De naam zweefvliegen verwijst naar de manier waarop ze zich in de lucht verplaatsen.

    Ze vliegen met korte stukjes om dan plots te stoppen en ter plaatste te zweven.

    Een ander belangrijk kenmerk zijn de vleugels.

    Zweefvliegen hebben maar één paar vleugels terwijl bijen en wespen er twee paar hebben.

    Overigens  zijn  en blijven  voor veel  leken “ongedierte ” ,gewoon “ongedierte “

    Bijvoorbeeld :  mieren zijn altijd mieren

    = dat er meer  dan 8000 verschillende soorten zijn die onderling genetisch van elkaar geisoleerd blijven  (NIET onderling kruisen )is blijkbaar voor  velen  niet interessant genoeg om weten …en geenszins een onwetendheid die een sterke  mening zou kunnen beletten …. zeker wanneer die meningsvorming  nog eens vooroordelen   bevestigd  of gewoon gemakkelijk is  …

    Trouwens  de  verwerving   van de  aangehaalde  mieren -soorten -kennis   wordt ook  dikwijls  beschouwd  als nutteloze  ” beuzelarij ” ; een soort bezigheidstherapie voor kindse mensen of onvolwassenen :  Men weigert doodeenvoudig  kennis op te doen over  die vermelde  feiten  omdat   men het een  “tijdverspilling “noemt

    B)

    Ook  convergente evolutie  kan tot gelijkaardige  morfologieen leiden

    zie bijvoorbeeld de schedels van  buibelwolf / grey hound en  grijze wolf

    http://www.skullsite.co.uk/Thylacine/thylacine.htm

    Thylacine

    (Lateraal )

    Dental Formula : 4.1.3.4 / 3.1.3.4 (Only 3 upper molars can be seen in this specimen, but the lower 4th molar is only partially erupted,

    and the animal must therefore have been immature.)

     http://www.skullsite.co.uk/Grhnd/grhnd.htm

    grey-hound

    < http://www.skullsite.co.uk/Wolf/wolf.htm

    wolf

     <

    De  significante verschillen ( bij het determineren van gevonden schedels  bijvoorbeeld )  zijn voor de  terzake  specialisten- te ontdekken  : die zijn georganiseerd  in interdisciplinaire  teams :  in de systematiek, vergelijkende  anatomie , de morfometrie (4) , de determinering  , de paleontologie ( geassisteerd door de osteologen  , geologen , genetici ..fylogenetici   etc )

    of

    te vinden in bijkomende analyses van  eigenschappen  van de vergeleken  (fossielen en extante)  soorten ;

     in  bovenstaand voorbeeld : de formules voor het gebit  …

    Het is  nogal aanmatigend  te denken dat onopgeleide  niet-specialisten  onzorgvuldige inschattingen van  oppervlakkige en  morfologische gelijkenissen (of verschillen ) ” op  het eerste zicht ” , kunnen gebruiken om een conclusie te trekken aangaande “verwantschappên” en/of stamlijnen

    Dat geldt overigens niet alleen maar voor de  inschatting van stasis in een SOORT  op grond van  “levende fossielen” en enkele” morfologisch gelijkaardige “(door creationisten geselekteerde )fossielen ….

    (2)

    De  twee  extante brughagedissen-soorten

    Sphenodon punctatus (Gray, 1842)

    Sphenodon guntheri (Buller, 1877)

    Sphenodon diversum Colenso, 1885 (extinct) )zijn  wel de enige in leven zijnde  vertegenwoordigers van de reptielen-orde  der rynchocephalia(= tegenwoordig  bij voorkeur  de orde      Sphenodontia  genoemd)ze bieden dus een uniek venster op een  (bijna volledig ) uitgestorven groep …

    <http://www.digimorph.org/specimens/Sphenodon_punctatus/adult/

     http://www.agriturando.com/amicianimali/animali19.jpg

    http://animaldiversity.ummz.umich.edu/site/accounts/information/Sphenodon_punctatus.html

    http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Living_fossils

    Image:Tuatara cladogram.svg

    Cladogram of relationships of extant Sauria based on cladogram.gif by w:user:Samsara.

    Numbered items are:

    1. Tuatara
    2. Lizards
    3. Snakes
    4. Crocodiles
    5. Birds

    (3)

    *De term  archetype ( in de paleontologie ) verwijst naar  Richard  Owen   en T.Huxley

    *De creationisten  noemen archetypes   ” het basisbouwplan van een baramin of een biblical kind ”

    ze zien  de  gelijkenissen  ( =homologieen )  tussen   het ontwerp of de   grond-plannen ( in feite plastische  modellen  waaraan wordt gerefereert  door de morfometrie )  van verschillende soorten organismen   als resultaten  van

     én “micro-evolutie “( macro evolutie is gewoon geaccumuleerde ” micro” – evolutie ) én ” common design “ (= ecomorphen & convergente evolutie  )

    * De term sloeg oorspronkelijk ( in de evolutionaire biologie  ) op het  morfologisch anatomisch  gronddiagram  van elk van de  taxonomische   Phyla 

    *omdat “archetype”  ook  veel  “psychologische” en “magico-realistische”   betekenissen heeft gekregen ( Jung ) is de term  in hoge  mate in  onbruik geraakt…

    *

    a) De huidige morfologie /morfometrie  is een zeer uitgebreide bundel  wetenschappen  (en zeer nuttige  analytische instrumenten /hulpwetenschappen voor de vergelijkende anatomie / de systematiek, de cladistiek, de paleontologie   etc …   ) geworden die zich niet  meer alleen beperken  tot  het opstellen  van  de “grondplannen / grondmodellen   van de phyla ”  ;

    http://www.digimorph.org/

    b)  de morfogenetische  insteken ( in verband met de opeenvolgende verschijningsvormen  en oorzaken  van body-plans )   zijn  een  essentieel   data -verzamelend  onderdeel geworden van en voor  allerlei morfogenetische studies  die samen met de  genetica ( =  in het bijzonder  sinds  de ontdekking van de hox genen en de homeo-box) , de embryologie  en de experimentele  ontwikkelings-biologie   het zeer  belangrijke vakgebied van de evo-devo (= evolutionary  development biology )hielp onstaan ….

    (Artikel  van    Gerdien  De Jong )

    HET  DIER  ; EEN BOUWPAKKET

    ….In de aanvaarding van het idee van evolutie als afstamming onder verandering hebben de anatomie en ontwikkelingspatronen ( body- plans/ Morfogenesis  )van dieren een grote rol gespeeld

    Maar daarna gingen de evolutie- en ontwikkelingsbiologie elk hun eigen weg.

    Een nieuw raakvlak ontbrak zolang de genetica binnen de embryologie geen rol speelde.

    Embryologen zagen een moeilijkheid in de genetische bepaling van ontwikkeling: hoe zou lineair DNA kunnen coderen voor driedimensionale structuren? 

    In 1980-1984 werd de genetica van de embryonale ontwikkeling ontraadseld;

     in 1984 bleek dat de embryonale ontwikkeling van zeer verschillende dieren gebruikmaakte van dezelfde genen.

    Als gevolg van deze genetische revolutie in de ontwikkelingsbiologie ontstond het vakgebied Evolutionary Developmental Biology, ‘evo-devo’.

    ‘EVOLUTIE BETEKENT ALTIJD DAT DE ONTWIKKELING VAN DIEREN VAN EI TOT VOLWASSENE VERANDERT, EVOLUEERT.’

    (  lees verder op  —> Het dier – een bouwpakket (Tsjok45  )

    De ‘genetische gereedschapskist’

    Sinds Walter Gehring weten we dat bepaalde hox genen ( bijvoorbeeld het  “no-eyes gen”  )  onderling  verwisselbaar  zijn bij verschillende diergroepen  :

    ….dezelfde genen worden steeds weer gebruikt, zodat belangrijke evolutionaire veranderingen niet noodzakelijk belangrijke genetische veranderingen nodig hebben.

    Er is complexiteit in het tempo en de modus van evolutie.

    Er zitten veel verschillende patronen in micro-evolutionaire gebeurtenissen.

    Micro-evolutie en macro-evolutie zijn voortdurende processen…

    http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/03/4/l_034_04.html

    4)

    Twee belangrijke onderdelen van de morfometrie :

    Allometry ( T. Hyxley )

    bijvoorbeeld ; EQ ( encefalisatiesuotient = de verhouding tussen hersenmassa,en lichaamsmassa ….

    D’Arcy Wentworth Thompson transformations

    De( soorteigen) morfologische varianten op een “grondplan geprojecteerd op een raster/coordinaten ” ( wordt ook gebruikt in 3D computer tekeningen )

    http://fugu.biology.qmul.ac.uk/PFW/Articles/Kunkel/

    Zie ook

    Johan Gielis // Stephen Wolfram 

Attachment: cambrium jellyfish.pdf

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

2 Responses to LEVENDE FOSSIELEN

  1. Pingback: BRUGHAGEDIS | Tsjok's blog

  2. Pingback: Extante Reptielen foto’s , Links | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: