De biologie van de geschiedenis


zie onder GESCHIEDENIS

De geografie van de verschillen

Yali, een politicus uit Nieuw-Guinea vroeg de bioloog Jared Diamond eens:

“Waarom hebben de

Europeanen zo veel ‘bagage’ die ze naar ons land hebben gebracht en waarom hebben wij zo

weinig?”

Jared Diamond

Veel mensen zouden waarschijnlijk antwoorden dat de blanken intelligenter zijn en de Papoea’s in het Stenen Tijdperk zijn blijven steken doordat ze nu eenmaal minder slim zijn. Diamond stelt dat de Papoea’s (en andere Stenen-Tijdperk-bewoners) waarschijnlijk juist gemiddeld intelligenter zijn, omdat zij moeten zien te overleven in een veeleisende omgeving, zodat hun natuurlijke selectie vooral de slimsten in leven liet, terwijl bij onze voorouders (nadat er een stedelijke beschaving was ontstaan) vooral geselecteerd is op weerstand tegen besmettelijke ziekten.

Yali, destijds politicus in Nieuw-Guinea

Niet de verschillen tussen de menselijke populaties, maar de verschillen in de omgeving veroorzaken de menselijke ongelijkheid: de aanwezige soorten planten en dieren die al dan niet geschikt waren voor domesticatie, bepaalden voor een groot deel de mogelijkheden voor de ontwikkeling van beschavingen. Wanneer men een overvloed aan voedsel kon produceren konden zich grote en daardoor machtige volken ontwikkelen zelfs voordat er veel technologie aanwezig was. Nieuw-Guinea bezat weinig grote zoogdieren; bijvoorbeeld geen enkele soort die geschikt was voor gebruik als rij- of trekdier. Er was bovendien genoeg voedsel, dus geen noodzaak om een hoogontwikkelde landbouw te creëren.

Tot het eerste begin van de landbouw 13 000 jaar geleden waren de menselijke gemeenschappen eenvoudig en waarschijnlijk niet al te verschillend, omdat men aan de kost moest komen door jagen en/of verzamelen. Daarna ontstonden grote verschillen, afhankelijk van de omgeving. De mensen, die daarna vanuit de Filippijnen en andere Aziatische gebieden de Pacifische eilanden bevolkten, ontwikkelden zich dan ook heel verschillend. Waar ze hun tropische gewassen niet konden verbouwen werden ze weer vreedzame jagers/verzamelaars, maar op de eilanden waar de grond en het klimaat goed was ontwikkelden ze een intensieve vorm van landbouw (Tonga en Hawaï) met een strikte sociale en militaire structuur.

 
Cheetahs.

Eurazië ontwikkelde zich sneller doordat hier geschiktere soorten aanwezig waren voor de menselijke consumptie en domesticatie en ook doordat dit continent het grootst was en veel uitwisseling van gewassen en technieken toeliet.

Niet alle (hoef)dieren zijn geschikt voor domesticatie; alleen die soorten die een hiërarchische structuur in hun kudden kennen, waarbij de mens de leidersrol kan overnemen. Zebra’s in Afrika, vicuna’s in Zuid-Amerika en cheetah’s zijn daardoor ongeschikt (de kat dus eigenlijk ook!). Waarom de Amerikaanse bizon nooit getemd is, is een open vraag. Waarschijnlijk raakt dit dier te snel in paniek.

Ook het feit dat Eurazië vooral oost-west ligt en dus voor een groot deel in dezelfde klimaatzone, maakte verspreiding van soorten gemakkelijk. Amerika ligt noord-zuid; daar kunnen dezelfde soorten niet over het hele continent voorkomen.

Ecologisch imperialisme

Als we kijken naar de huidige verdeling van de verschillende mensen-’rassen’ (tussen aanhalingstekens, want het zijn geen echte rassen; het zijn geografische variaties binnen de soort, met vloeiende overgangen en zeer oppervlakkige verschillen) dan valt vooral de grote geografische spreiding van het Europese mensentype op. Australiërs, Eskimo’s, Polynesiërs en Amerikaanse Indianen leven nog steeds in de gebieden waar ze vanouds woonden en hetzelfde geldt in grote trekken voor Aziaten. Afrikanen vinden we ook in groten getale in Noord- en Zuid-Amerika (door toedoen van de Europeanen).

 
Vaartuigen waarmee de marinheiros de wereld veranderden.

Maar de ‘blanke’ Europeaan, oorspronkelijk alleen op een relatief klein deel van de wereld te vinden, leeft in alle werelddelen en maakt overal waar het klimaat gematigd is, 80 procent of meer uit van de bevolking (Amerika, Noord en Zuid, Australië en Nieuw-Zeeland). Uitzonderingen zijn alleen te vinden in Azië (China en Japan) en Afrika. Men zou kunnen spreken van “Neo-Europa” (A. Crosby). Deze situatie is van zeer recente datum: vijfhonderd jaar geleden leefden alle Europeanen nog in Europa en zelfs tweehonderd jaar geleden waren de aantallen blanken in de verschillende landen nog klein (in 1800 waren er 5 miljoen blanken in Noord-Amerika en slechts 10 000 in Australië).

We zijn gewend dit toe te schrijven aan de expansiedrift van onze cultuur. De rol van ecologische factoren zou echter wel eens veel groter kunnen zijn dan we graag toegeven. Van deze factoren zijn de ziektes als pokken, die grote epidemieën onder de Indianen aanrichtten bekend. Maar er is meer aan de hand.

Alle gebieden, die nu overwegend Europees zijn, hebben in grote trekken een klimaat dat vergelijkbaar is met het Europese – het succes van de immigranten berust dan ook voor een groot deel op landbouw en veeteelt met de soorten die hier al succesvol waren.

De eerste Europeanen die over zee een ander continent bezochten, de Noormannen, die via IJsland en Groenland in Amerika terechtkwamen, waren volgens de verhalen verrukt over het nieuw ontdekte ‘Vinland’, maar hielden het daar niet lang uit. Ondanks hun technische voorsprong op de inheemse bevolking redden ze het niet. Ze waren te vroeg, de grote epidemieën van Europa hadden Noorwegen nog nauwelijks bereikt en ze brachten dus ook geen onbekende ziekten over de oceaan. Per schip arriveerden er telkens misschien twintig personen en die hadden geen kans tegen de inheemse overmacht.

Toen het klimaat ook nog eens iets kouder (misschien slechts 0,5 graden!) werd, was het snel afgelopen met de Noorse reizen en de Noorse bewoning van Groenland; het telen van graan op Groenland lukte niet meer en de zee werd gevaarlijker door een toenemend aantal ijsbergen. De Eskimo’s namen hun plaats in; die hielden het in hun oorspronkelijk nog noordelijker domein ook niet meer uit. Ook de bezoeken aan ‘Vinland’ waren voorbij en eeuwenlang vergeten. Het was nog te vroeg voor Europese expansie.

Nadat de kruistochten waren afgelopen, was het volgens de gangbare geschiedenis een paar eeuwen gedaan met het grote reizen, totdat Columbus de oceaan overstak.

 
Guanches, de oudste bewoners van de Canarische eilanden.

File:Añaterve cropped.jpg

In feite had men in de tussentijd al geoefend op de diverse eilanden ten zuidwesten van Spanje en Portugal: de Canarische Eilanden, de Kaapverdische eilanden en Madeira werden in de dertiende en veertiende eeuw gekoloniseerd vanuit Spanje en Portugal. Al die eilanden waren begroeid met wouden, de Canarische werden bewoond door een volk, afkomstig uit het Mediterrane gebied, dat geen schepen kende, en eeuwenlang, misschien duizenden jaren, geïsoleerd was geweest. Wat op al die eilanden vervolgens gebeurde, kwam neer op het vernietigen van de inheemse flora, hetzij door afbranden, hetzij door er schapen en geiten los te laten. Er werd landbouw (suiker, tarwe, enzovoort) opgezet in plantages, met slaven die voorlopig dezelfde huidskleur hadden als de bazen: verarmde boeren uit Portugal en inheemsen van andere eilanden.

In allerlei opzichten was de verovering van deze eilanden een vingeroefening voor de Europese expansie na Columbus.

 
Twee Guanches, getekend aan het eind van de zestiende eeuw.
Uit: Leonardo Torriani, Die Kanarischen Inseln und Ihre Urbewhoher [1590].

De echte ontdekkingsreizen en veroveringen na Columbus hingen samen met enerzijds de veranderingen in de mentaliteit, waardoor het verlangen om de wereld te leren kennen en te veroveren, groeide en anderzijds de technische vooruitgang, waardoor men in staat was lange zeereizen te ondernemen en zich ook op zee te oriënteren. Met name de kennis van de heersende windrichtingen was essentieel. Ook de Chinezen kenden deze en staken bijvoorbeeld al eerder de Indische Oceaan over, maar China was niet geïnteresseerd in het veroveren van de wereld en liet dit over aan de moslims, die zich echter beperkten tot de Middellandse Zee en de Indische oceaan, en vooral aan de Europeanen, die in een korte periode alle oceanen leerden bevaren.

De Europeanen bezetten in de 16de eeuw vrijwel alle kusten, behalve die van China en Japan, maar het resultaat was in de tropen heel anders dan in de gematigde streken: in de tropen werd nooit een maatschappij naar Europees model gesticht. Er ontstonden wel koloniën waar de inheemse bevolking aan het werk werd gezet. De Europeanen stierven er meestal snel: de ziekten, waar de inheemse bevolking al duizenden jaren mee hadden leren leven, velden soms tot de helft van de kolonisten. Vrouwen gingen er al helemaal niet heen; inheemse vrouwen moesten dus voorzien in de seksuele behoeften van de mannen. Slaven werden aangevoerd om te werken; voor de Europeaan was het daarvoor te warm. Dit verklaart, waarom de bevolking in tropisch Amerika zo sterk gemengd is.

Het enige tropische gebied waar wel een Europese gemeenschap ontstond was Queensland in Australië, even heet en vochtig als andere gebieden, maar voor de komst van de Europeanen uiterst dun bevolkt en zonder landbouw en daardoor vrij van tropische ziekten.

De Europeanen emigreerden dus naar gebieden met een gematigd klimaat, waar ze veel succes hadden, mede dankzij de ziekten waartegen de oorspronkelijke bevolking geen weerstand had.

Lang voor het ontstaan van de mens (circa 200 miljoen jaar geleden) vormden Europa, Azië en Afrika een reusachtig continent: Pangea. Merkwaardig is dat de Europeanen geen enkel gebied binnen Pangea wisten over te nemen. In Azië bestonden beschavingen en bevolkingsdichtheden die vergelijkbaar waren met die van Europa en in de tropen waren het de ziekten die een effectieve defensie vormden. Ook in Zuid-Afrika kregen de Europeanen nooit getalsmatig de overhand – we zullen verderop zien waarom het daar niet mogelijk was en in Australië met een vergelijkbaar klimaat wel.

Onkruid

Het is verbazingwekkend hoe snel en soepel een gebied als Noord-Amerika van Oost naar West door Europeanen onder de ploeg gebracht werd. In enkele decennia werd het onafzienbare land gekoloniseerd. Europese gewassen als tarwe en rogge en Europees vee verbreidden zich in hoog tempo.

Eén van de factoren die een belangrijke rol gespeeld hebben, is het onkruid, dat meestal ongezien mee kwam met de immigranten.

Onkruid is geen wetenschappelijke term. We kunnen het omschrijven als: elke plant die ergens groeit waar wij hem niet willen; of in dit verband als: een soort die zich snel verspreidt en andere soorten verdringt op verstoorde bodems.

Het zijn ecologisch gezien pioniers die gespecialiseerd zijn voor maagdelijke grond die door vuur of aardverschuivingen en dergelijke vrijgekomen is.

Sommige soorten, die we nu als voedselgewas kennen, waren oorspronkelijk onkruid (rogge en haver), maar omgekeerd zijn nu ook veel vroegere voedselgewassen onkruiden geworden: melde en pastinaak bijvoorbeeld.

 
De paardebloem uit de Europese renaissance, nu voorkomend in alle delen van de wereld waar Europeanen zijn neergestreken.

Toen de Europeanen naar Amerika kwamen met hun paarden en vee brachten ze ook allerlei onkruiden mee, die zich snel verbreidden over het gebied en samen met de grazers de inheemse soorten verdrongen. Aan het eind van de 16de eeuw waren grote gebieden bedekt met soorten die door schrijvers beschreven werden als uit Spanje afkomstig (varens, distels, weegbree, netels enz.). Veel van die soorten verplaatsten zich sneller dan de blanken die ze daarom beschouwden als inheems. Andere volgden de immigranten (weegbree was voor de indianen een teken dat de blanken ergens al waren geweest: de voetstap van de blanke man). In een beschrijving van New England uit 1663 staat een lijst van meer dan twintig Britse soorten die daar groeiden in die tijd, ongetwijfeld meegekomen met zaad voor de tuintjes van de Europese vissers die zich daar hadden gevestigd. Een ander onkruid dat de warmere gebieden in de huidige USA snel overwoekerde was de perzik, die waarschijnlijk was ingevoerd in Florida en die dreigde grote gebieden te overwoekeren.

Volgens moderne onderzoekers is 60 procent van de gewone onkruiden in Canada Europees; in de VS is ruim 50 procent afkomstig van Eurazië en daarvan is weer het grootste deel Europees. Australië kent 800 importsoorten.

Niemand weet precies welke soorten hierdoor zijn uitgestorven. In 1840 schreef een Brits botanicus al over zijn zorg dat veel inheemse soorten in die gebieden uiteindelijk wel zouden uitsterven. Het lijkt erop dat dit toch niet zoveel gebeurd is. De inheemse soorten hebben zich teruggetrokken naar de onbewoonde gebieden, maar weten zich daar tot nu toe wel te handhaven.

Men verscheepte niet alleen allerlei zaden naar Amerika, er kwam ook heel veel materiaal naar Europa toe. Het viel te verwachten dat daarmee ook allerlei onkruiden hier terechtkwamen. Dat is niet het geval. Slechts enkele soorten zijn hier redelijk algemeen geworden (Canadese fijnstraal) of zelfs hinderlijk (waterpest, ook uit Canada, Amerikaanse vogelkers oftewel ‘bospest’).

 
Weegbree, getekend door John Gerard aan het eind van de zestiende eeuw. De plant kwam mee uit de ‘Oude wereld’ en werd door de indianen aangeduid als “de voet van de Engelsman’. (Plantain is het Engelse woord voor weegbree).
Uit: John Gerard, The Herball or General Historie of Plants, 1597.

Waarom emigreerden planten mee met de mensen vanuit Europa en niet andersom?

Onkruiden zijn planten die zich snel en gemakkelijk vermeerderen, zeer veel zaden produceren, die lang kunnen rusten, maar snel kiemen waar de grond verstoord is. Crosby noemt ze het Rode Kruis in de plantenwereld: overal waar ecologische verstoringen optreden, bedekken ze de wonden in de aarde en zorgen dat het ecosysteem zich kan herstellen.

Hoe kunnen onkruiden nu het succes van de immigranten hebben gegarandeerd?

De immigranten verstoorden de plekken waar ze zich vestigden door boskap, door afbranden en door het invoeren van vee. De onkruiden bedekten de kaalgeslagen grond en voorkwamen erosie door wind en water en vormden voedsel voor het grazende vee, waar de inheemse soorten begrazing vaak niet overleefden. Zonder deze onopvallende en hinderlijke planten hadden ze het daar nooit gered.

Dieren

Het overleven en succesvol koloniseren van de ‘Neo-Europa’s’ is ook te danken aan een aantal eigenschappen van de dieren die men meebracht. In geen van deze gebieden kenden de mensen zoveel soorten huisdieren als in Eurazië: de Aboriginals hadden alleen de dingo en in Amerika hield men slechts honden, lama’s, cavia’s en een paar soorten gevogelte.

Al voor Columbus had men de gewoonte om op eilanden een paar schapen, varkens en/of geiten uit te zetten om op een volgende zeereis vers vlees te kunnen oogsten. Immigranten namen ook altijd vee mee. Vaak werd dit vrijgelaten of achtergelaten als de vestiging mislukte of men een gebied weer verliet. Varkens, runderen en paarden bleken dan vaak zeer goed in staat voor zich zelf te zorgen en vormden voor latere nieuwkomers een uitstekende voedselbron.

Varkens aten zich in Carolina en Virginia dik en rond aan de verwilderde perziken en leerden zich ook te voeden met oesters. De boeren hoefden ze niet te voederen. Zowel in Brazilië als in Noord-Amerika en de koelere delen van Australië waren verwilderde zwijnen een makkelijk te krijgen en goedkoop voedsel. Alleen op de grote open droge graslanden ontbraken ze: varkens kunnen niet tegen felle zonneschijn. Boeren konden moeilijke tijden overleven dankzij de varkens die in veel van die gebieden massaal voorkwamen.

Runderen kunnen wel tegen zonlicht en zij leven van voedsel dat voor ons onverteerbaar is. Ook deze werden vaak losgelaten en bleken zich dan in hoog tempo te vermeerderen. Een Franse reiziger beschrijft aan het einde van de zestiende eeuw de vlakten van Noord-Mexico als overal bedekt met een oneindig aantal runderen. Ook de pampa was toen al voorzien van grote kudden runderen. William Hudson beschrijft in het midden van de vorige eeuw hoe de plantages en boomgaarden in Argentinië omgeven zijn door lange muren opgetrokken van runderschedels, 7, 8 of 9 rijen dik met de hoorns naar buiten.

 
Om paarden over de oceaan naar andere werelddelen te vervoeren ontwierp men speciale uitrusting. Ook hadden de paarden een speciale behandeling nodig. Toch gingen vele paarden op zee dood.
(Uit: Robert M. Denhardt, The horse of the Americas, 1975.

Paarden waren tussen 8 000 en 10 000 jaar geleden uitgestorven in Amerika, maar toen ze na Columbus weer werden ingevoerd, bleken ze zich hier snel uit te breiden: de mustangs uit de Wild-West-verhalen. Ze vraten de inheemse grassen weg en maakten daarmee plaats voor Europese grassen en kruiden, die vervolgens de weidegronden voor de immigrerende boeren werden. Voor arme boeren uit Europa een bijzondere ervaring: in Europa waren paarden kostbare dieren waar goed voor gezorgd werd, – een onbereikbare luxe – hier kon je ze in het wild vangen voor niets…

Europese dieren deden het net als veel plantensoorten dus opvallend goed in de verschillende Neo-Europa’s, niet altijd tot ieders vreugde. Bekend zijn de verhalen over de konijnen in Australië, om maar niet te spreken van de ratten die overal mee kwamen en grote schade aanrichtten.

Het succes van de Europese soorten daar wordt evenmin als bij de planten gecompenseerd door succes van dieren uit die gebieden die zich hier, in Europa, op grote schaal hebben gevestigd.

De Noord-Amerikaanse grijze eekhoorn heeft in Groot-Brittannië de inheemse rode eekhoorn bijna vervangen en komt nu ook hier en daar op het vasteland voor. De muskusrat, die in 1905 in Bohemen werd losgelaten, is het enige voorbeeld van een soort die zich hier succesvol heeft gevestigd (en veel schade aanricht).

Samenvattend zien we dat mensen, planten en dieren uit Europa zich vestigden en in korte tijd de dominante soorten werden in alle gebieden buiten Pangea, waar het klimaat vergelijkbaar is met het Europese, terwijl er zich nauwelijks soorten uit die gebieden in Europa vestigden.

Hier moet een verklaring voor zijn. Natuurlijk heeft men het gezocht in de superioriteit van het blanke ras en dan meteen ook maar van de bijbehorende planten en dieren, maar dat is niet vol te houden en bovendien geen echte verklaring.

 
Immigranten in Argentinië, aan het begin van de negentiende eeuw.

Uit: Emeric E. Vidal, Picturesque Illustrations of Buenos Ayres and Montevideo [1820]

De mens en zijn verwanten en voorouders horen uitsluitend thuis in de ‘Oude Wereld’, Pangea. Alle menselijke ziekten komen ook hier vandaan. Bovendien zijn de dieren van deze gebieden al honderdduizenden jaren gewend aan Hominiden en hebben zich kunnen aanpassen.

Toen de eerste mensen in Amerika en Australië aankwamen (dertig tot vijftigduizend jaar geleden) moeten dat gezonde individuen zijn geweest ( zieken en zwakken zullen de immigratie niet hebben overleefd). De ernstige besmettelijke ziekten moeten trouwens ook pas zijn ontstaan nadat de bevolkingsdichtheid vrij groot werd en er stedelijke nederzettingen ontstonden. Die bestonden nog niet in die tijd.

Die mensen kwamen terecht in gebieden met veel grote zoogdieren en weinig natuurlijke vijanden. Ze zullen zich daar snel vermeerderd hebben. Mensen zijn door hun intelligentie, zelfs met primitieve technieken, de gevaarlijkste roofdieren ter wereld.

In Amerika troffen ze dieren aan als reuzenluiaards, mammoeten, sabeltandtijgers, wilde paarden en kamelen; in Australië reuzen-buideldieren en -Monotremata (vogelbekdieren) en in Nieuw-Zeeland de Moa’s (vogels die tweemaal zo hoog en driemaal zo zwaar waren als mensen).

 
Een Argentijn aan het begin van de negentiende eeuw, een lasso slingerend om een nandoe (drietenige Zuid-Amerikaanse loopvogel, pampastruis) te vangen. Uit: Emeric E. Vidal, Picturesque Illustrations of Buenos Ayres and Montevideo, [1820]

Toen de Europeanen na 1492 in die gebieden aankwamen, troffen ze er nergens meer grote dieren aan, vergelijkbaar met leeuwen en tijgers, of met olifanten, neushoorns en nijlpaarden. Het grootste zoogdier in Zuid-Amerika was de tapir, zo groot als een kalf en de grootste vogel de condor.

Men heeft het uitsterven van al die grote dieren wel willen verklaren met klimaatsveranderingen, maar die hebben de laatste tienduizenden jaren niet plaats gevonden. In de Oude Wereld hadden dieren als olifanten en leeuwen in Afrika, tijgers, wilde paarden en kamelen in Azië in een paar honderdduizend jaar geleerd zich te handhaven in aanwezigheid van mensen, in de nieuwe gebieden kwamen de eerste mensen met al vrij ver gevorderde jachttechnieken. De dieren waren niet aan mensen gewend en kregen daar ook de kans niet toe. Men heeft zich wel afgevraagd of mensen met primitieve technieken zulke toch redelijk snelle en intelligente dieren kunnen uitroeien, maar als we zien hoe de walvisvaart met tot voor kort ook primitieve technieken de zeer intelligente walvis ook bijna heeft uitgeroeid (een enkele soort helemaal), dan lijkt het toch niet zo vreemd.

Het uitsterven van al deze soorten in geologisch en evolutionair heel recente tijd verklaart waardoor de mens en vooral zijn huisdieren zo succesvol konden zijn; ze troffen ecosystemen aan die kort geleden hun grote grazers waren kwijtgeraakt. Die rol werd door de runderen en paarden perfect ingevuld, in de pampa namen verwilderde honden de rol van predatoren over. In Noord-Amerika was de bizon nog wel aanwezig als grote grazer (wel uitgestorven was een veel grotere bizonsoort), de verwilderde runderen bleven daardoor beperkt tot de zuidelijker gebieden. (Dat hier wel een aantal grote zoogdieren nog in leven was zou volgens Björn Kurtén verklaard kunnen worden doordat Noord-Amerika en Azië nog vrij recent met elkaar verbonden waren en deze soorten nauw verwant zijn met Euraziatische (bizon/wisent, moose/eland, wapiti/hert), die mogelijk wel ervaring met mensen hebben gehad. Deze moesten grotendeels uitgeroeid worden om ruimte te scheppen voor de immigrante soorten.

De verovering van de aarde door de mens gebeurde dus als het ware in twee golven: de eerste bewoners van Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland vormden de voorhoede; zij zorgden ervoor dat de ecosystemen werden voorbereid op de tweede golf en dat de niches van de nuttige huisdieren werden vrijgemaakt. De tweede immigratiegolf vond het land klaar voor kolonisatie.

De gebieden werden ook voor een groot deel vrijgemaakt van mensen door de besmettelijke ziekten die vanuit Europa meekwamen. De eerste generaties immigranten waren dan ook opvallend gezond; reizigers in de 17de en 18de eeuw beschrijven hoe men rond Buenos Aires (de naam zegt het al!) wel 90 of 100 jaar werd, hoe niemand aan ziekten bezweek. In Europa waren de pokkenepidemieën nog lang niet voorbij en kwam pest ook nog voor.

File:Homme maori au visage tatoué.jpg

 
Een Maori, getekend door een kunstenaar die met kapitein Cook naar Australië is gezeild.

Uit: The Endeavour Journal of Joseph Banks, 1768 – 1771
uitg. J.C. Beaglehole, Sydney, Angus & Robertson, 1962.

Het geheim van het succes van de Europeanen met hun gevolg van dieren en planten is de ‘voorbereiding’ van het land door de Indianen, de Aboriginals en de Maori’s, en de co-evolutie van de huisdieren met een aantal plantensoorten.

Van alle 10 000 soorten grassen op aarde is slechts een veertigtal geschikt voor weiden omdat ze bestand zijn tegen intensieve begrazing, directe zonnestraling en betreding. Toen de mens de grazers temde, kwamen de juiste grassen vanzelf mee; toen men nieuwe gebieden bezette, namen deze grassen snel het land over van de inheemse soorten, die zich minder snel herstelden na begrazing.

De mensen vormden met hun dieren en planten en zelfs hun ziekten een hecht team, dat juist door die samenwerking in staat was nieuwe gebieden te veroveren. Er is niets superieurs aan Europese mensen, dieren of planten; er is alleen een lange geschiedenis van samenleven. Ecosystemen waarin de mens zijn rol speelt, hebben zich hier langzaam kunnen ontwikkelen en zijn min of meer als geheel overgeplant naar gebieden die kort tevoren waren vrijgemaakt. Dit verklaart ook waarom soorten van elders hier geen voet aan de grond krijgen.

Deze theorie verklaart ook waarom Zuid-Afrika, dat toch het juiste klimaat heeft, nooit een Neo-Europa werd: het ligt binnen Pangea, de mensen, die er al woonden, waren ook blootgesteld aan de nodige ziekten (hier zullen de Europeanen eerder ziekten van de inheemse bevolking hebben gekregen), de grote zoogdierenfauna was nog intact, dus er was geen ecologische plaats voor grote kudden runderen en paarden. Zuid-Afrika vormt hiermee als het ware de ‘controleproef’ bij dit gigantische experiment.

Loes Pihlajamaa-Glimmerveen

Informatie hoofdzakelijk ontleend aan

Jared Diamond, Guns, germs and steel, a short history of everybody for the last 13 000 years

(uitg. Vintage, 1998)

(Nederlandse vertaling: Zwaarden, paarden en ziektekiemen.)

Alfred W.Crosby, Ecological imperialisme, The Biological Expansion of Europe 900 – 1900 (uitg. Cambridge University Press).

William H. McNeill, Plagues and Peoples (Penquin books 1976, heruitgegeven 1994)

Advertisements

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: