Woordenlijst paleontologie F / Z


zie onder Geologie /PALEONTOLOGIE 

zie ook geologie  woordenlijsten  

°

 Paleontological glossary

Choose the first letter of the the term you’re interested in:
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

_________________________________________________________________________________________________

Verklarende woordenlijst Paleontologie

 

___________________________________________________________________________________

F

  • Familie  /   Families  : De Familie is een eenheid in de Taxonomie van soorten organismen. De Familie staat direct boven het Genus. Een familie kan vele genera bevatten.
  • Fauna  // Animals of a given region or period of geologic time
  • Faunizone/assemblage zone: Strata that contain a certain faunal assemblage.
  • Fenotype   /  Fenotypen  : Het fenotype is het totaal van eigenschappen van een individueel organisme. Een deel daarvan wordt bepaald door de genen (genotype) en een ander deel door de omgeving waarin het individu tot ontwikkeling is gekomen. Het fenotype is dus het resultaat van genetische aanleg en invloed van buitenaf.

Fern fossils

File:Fossiles-060118-Ans.be fougere.jpg

Fossiele varenbladen uit het Westfalien. Gevonden bij Ans in de Belgische Ardennen

  • Fibula   ;  De fibula is het kuitbeen dat in het onderbeen van gewervelden zit. Het loopt parallel aan het scheenbeen (tibia) en is het kleinste van de twee. De fibula loopt vanaf de knie tot aan de tarsalia (voetwortelbeentjes).Zie ook de lijst met soorten botten van gewervelden
  • Flint: A form of chert. Found in the Cretaceous Chalk as nodules and thin layers. It has a conchoidal fracture and often contains fossils.

(Vuursteen  ) —> Is ook voor  archeologen van belang

Flint Echinocorys echinoidRoy Shepherd with a large flint nodule
(Top)A large flint echinoid (Echinocorys) from Bouldnor.

(Bottom) Propping up a large flint nodule on the foreshore at Seaford Head.

Flint arrowheadsCollection of flint fossil echinoids
Top  : A selection of ancient arrowheads shaped from flint.                                                                                                                                        Bottom : An selection of small echinoids preserved as flint.

°

Flint fossils

Collection of flint fossil echinoidsFossil bivalve visible at the surface of a flint pebble

top: A large selection of flint fossil echinoids found at Littlehampton.

Bottom: A fossil bivalve visible on the surface of a flint nodule from Bouldnor.

http://www.discoveringfossils.co.uk/flint_formation_fossils.htm

°

  • Flora // Plants of a given region or period of geologic time

FORAMS 

  • .ForaminiferProtozoans that belong to the subclass Sarcodina, order Foraminifera, that have a test of one to many chambers composed of secreted calcite or agglutinated particles.

three forams  p-9047-niwa

foraminifersAndere naam: Gaatjesdragers /Wetenschappelijke naam: Foraminifera, Foraminiferida

      • Een levende foraminifeer
                                            Een levende foraminifeer

        Foraminiferen zijn dierachtige eencelligen met een kalkskelet, dat meestal is opgebouwd uit kamers. Door gaatjes in de tussenwanden van de kamers, komen uitstulpingen van celplasma (pseudopodiën) naar buiten. Hiermee kunnen ze zich verplaatsen en voeden. Ze leven uitsluitend in zee. Foraminiferen zijn meestal microscopisch klein, maar ze kunnen ook enkele centimeters groot worden. Fossiele (versteende) overblijfselen van foraminiferen worden regelmatig in gesteentelagen gevonden. Zo bestaan bijvoorbeeld de krijtrotsen van Dover maar ook de piramiden van Egypte uit kalksteen bestaande uit foraminiferenskeletjes (foraminiferenkalk).
        Foraminiferen zijn fossiel bekend sinds het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden). Ze zijn belangrijk voor het bepalen van de ouderdom van gesteenten. Door recent moleculair onderzoek aan ribosomaal DNA is men echter te weten gekomen, dat ze al veel eerder ontstaan zijn en oorspronkelijk een soort ‘naaktslakjes’ vormden die geen fossiele sporen hebben nagelaten.

  • Foraminifera of foraminiferen zijn eukaryotische eencelligen met een kalkskelet, dat meestal is opgebouwd uit kamers. De naam is afgeleid van het Latijnse foramen = opening en ferre = dragen. Wikipedia

http://en.wikipedia.org/wiki/Foraminifera

Foram   /  Foraminifeer   /  Foraminifera   / Foraminiferen  / Forams   =  Foraminiferen, oftewel gaatjesdragers zijn ééncellige organismen met een gekamerd kalkskelet. Van oudsher wordt het Phylum Foraminifera tot het rijk van de Prostisten gerekend. Tegenwoordig geldt deze indeling als verouderd. Het rijk van Protista is om taxonomische redenen opgeheven en de Foraminifera worden nu tot de Supergroup Rhizaria gerekend.  De populaire naam voor foraminiferen is forams. Foraminifera kunnen worden onderverdeeld in twee groepen:

  • Planktonische foraminiferen, één van de belangrijkste groepen plankton in de huidige oceanen
  • Benthische foraminiferen, die leven op de bodem van de zee

Een deel van de foraminifera heeft een endosymbiontische relatie met ééncellige organismen. Er bestaan zowel grote vormen (grootforaminiferen) die met het blote oog goed te zien zijn en op de (ondiepe) zeebodem leefden, als kleine vormen die als plankton in zee zweefden. De kamers zijn vaak spiraalsgewijs gerangschikt, onderling verbonden door poriën. Sommige grootforamiferen lijken wel een beetje op kleine ammonieten, maar deze gelijkenis is uiteraard slechts oppervlakkig.

Foraminiferen worden veel gebruikt in geologisch onderzoek om het oorspronkelijke milieu en klimaat te reconstrueren. De oudste fossiele foraminiferen komen al voor in gesteenten van Cambrische ouderdom en ze komen ook nu nog steeds voor. Vanwege hun snelle evolutie worden ze ook veel als gidsfossielen gebruikt.

     Globe.png

Foto’s of locaties voor Foraminifera bekijken   (Met dank aan Johan Vellekoop.)

°

Fossil   //Fossils are the recognizable remains, such as bones, shells, or leaves, or other evidence, such as tracks, burrows, or impressions, of past life on Earth.

°

FossilizationAll the processes that involve the burial of a plant or animal in sediment and the eventual preservation of all, part, or a trace of it.

Virtual Geology Museum

sponsored by  Cochise College  
 Hall of Fossils 

Attractions:
 fossils-special exhibits 
invertebrate fossil links
photos of fossils (below)

index of fossil photos

number of photos: 1305      last edited:  12/10/09  
Dinosaurs are listed under reptiles.   

ammonites  (50) frogs  (1) reptiles  (156)
archaeocyathid  (1) fusulinids  (3) scorpions  (2)
barnacles  (11) gastroliths  (1) sea bottom fossils  (11)
birds  (19) gastropods  (74) sea cucumbers  (3)
blastoids  (11) graptolites  (1) sea urchins  (29)
brachiopods  (84) insects  (28) shrimp (3)
bryozoa  (18) jellyfish  (5) sponges  (4)
carpoids  (10) limpet  (2) starfish  (17)
cephalopods-straight  (25) lobsters  (4) stromatolites  (16)
coprolites  (3) mammals  (123) trilobites  (126)
corals  (88) pelecypods  (53) unsorted fossils  (1)
crabs  (4) plants-ferns  (37) worms  (8)
crinoids  (83) plants-trees  (76)
eurypterids  (15) plants-leaves  (32)
fish  (64) amphibians  (7)


 Roger Weller, curator ( wellerr@cochise.edu )

Fossillagerstätte

Paleontologen gebruiken de Duitse term Fossillagerstätte om bijzondere fossielvindplaatsen aan te duiden, die van ‘gewone’ vindplaatsen verschillen door de aanwezigheid van een grote diversiteit aan organismen of omdat hun overblijfselen uitzonderlijk goed zijn bewaard.

Er kunnen twee typen worden onderscheiden:

  1. Bij een Konzentratlagerstätte is er sprake van één fossielrijke laag waarin een significant deel van een ecosysteem bewaard is gebleven. De grote diversiteit aan soorten stelt paleontologen in staat om zich een beeld te vormen van de vroegere leefgemeenschap. De Burgess Shale in Canada is hier een voorbeeld van. De kleischalie van de Burgess Shale  omvat een complete leefgemeenschap van meer dan 140 soorten uit het Precambrium (meer dan 500 miljoen jaar geleden).
  2. Paleontologen spreken van een Konzervatlagerstätte als er nog fossiele weefsels herkenbaar zijn of in ieder geval afdrukken daarvan. In het Eoceen, ongeveer 45 miljoen jaar geleden, bevond zich bij Messel in de buurt van het Duitse Darmstadt een meer, omringd door een subtropisch regenwoud. In het zuurstofarme water werden dikke kleilagen afgezet. Dieren die in of vlakbij het meer stierven, zonken naar de bodem, waar ze zeer snel bedekt raakten met slib. Niet alleen skeletten bleven bewaard, maar soms ook de maaginhoud en afdrukken van de huid. Dergelijke anatomische details stellen paleontologen in staat om zich een goed beeld te vormen van de bouw en het uiterlijk van het organisme.

In de praktijk is de onderverdeling in Konzentratlagerstätte en Konzervatlagerstätte echter niet zo strikt. Waar veel organismen bij elkaar gevonden worden zijn de omstandheden namelijk vaak ook geschikt voor de conservering van zachte weefsels, en omgekeerd. Zo vinden we bijvoorbeeld in de kleischalie van Messel niet alleen vleermuizen met goed bewaarde maaginhoud en vlieghuid, maar ook andere diersoorten die in het regenwoud hebben geleefd zoals oerpaardjes, tapirs en zelfs vogels, nog met de veren aan hun lijf.

Ideale omstandigheden voor fossilisatie zijn zeldzaam en dus komen Fossillagerstätten niet al te veel voor. Op eilanden is tot dusver zelfs nog geen enkele Fossillagerstätte aangetroffen, maar het vermoeden bestaat dat het moeras Mare aux Songes op Mauritius er wel een is. Zo is met boringen en graafacties aangetoond dat zich op een meter onder het maaiveld een ongestoorde bottenlaag bevindt met goed geconserveerde botten van een grote diversiteit aan vogels, reptielen en zoogdieren. Ook zachte delen van planten zoals bladeren, takjes en zaden zijn aangetroffen. Dodo-vindplaats Mare aux Songes zou dus zowel een Konzentratlagerstätte als een Konzervatlagerstätte kunnen zijn. Een ideale uitgangspositie om het verdwenen ecosysteem van Mauritius te kunnen reconstrueren maar bijvoorbeeld ook om te zien in hoeverre fossiele planten verschillen van soortgenoten die nog steeds op het eiland voorkomen.

_________________________________________________________________________________________

  • Fungi  :De Fungi vormen in de taxonomie een koningrijk waarbinnen organismen als zwammen en gisten zijn ondergebracht. Fossiele resten van Fungi worden angetroffen vanaf het Devoon, en zijn vrijwel steeds microscopisch van aard. Ook macroscopische fossiele Fungi zijn bekend, en ook het iconisch fossiel Prototaxites wordt gedacht mogelijk een Fungus te zijn. Fungi kwamen vrijwel zeker een stuk vroeger voor dan het Devoon, maar het oude fossielenbestand is erg fragmentarisch voor deze groep.     Globe.pngFoto’s of locaties voor Fungi bekijken

________________________________________________________________________________________

°

G

°

Garnalen     Afbeeldingen van fossil shrimps <–

05/14/2012

Aciculopoda mapesi

The fossil shrimp from Oklahoma and a recent shrimp. Credit: Rodney Feldmann/NOAA

The oldest shrimp fossil discovered to date drawn from the dark-colored, siliceous Woodford Shale in southern Oklahoma, was discovered by Ohio University paleontologist Dr. Royal Mapes, and sent to Schweitzer and Feldmann for identification. The fossil was dated to the Devonian Period, making the fossil the earliest known shrimp and one of the two oldest decapods, both from North America.

“This (recent )discovery means decapods date back as far as 360 million years –  much earlier than traditional views held,” Schweitzer said

* Aciculopoda adds to the record   by extending the known fossil range of shrimps and prawns from the early Triassic (-245 MY) to late Devonian (-360 MY), completely skipping the Carboniferous and Permian ’
“Now we know there are more than 150 million years of shrimp fossil records that are missing,” Schweitzer said. “We need to look more closely at arthropod evolution, which I believe will result in new and surprising results about evolutionary patterns in general. We have a lot more fossils to find.”.

Paper : 

“The Oldest Shrimp and Remarkable Preservation of Soft Tissue,”published in the November 2010 Journal of Crustacean Biology.

http://www.kent.edu/research/stories/world-decapod-experts.cfm                                 http://www.kent.edu/research/schweitzer_stark.cfm<p>Geology Professors Study Oldest Fossil Shrimp Preserved With Muscles</p>

http://decapoda.nhm.org/                                                                                                       http://decapoda.nhm.org/references/atoldecapoda.html

http://palaeo.gly.bris.ac.uk/Palaeofiles/Fossilgroups/Decapoda/Fossilrecord.html

___________________________________________________________________________________________________

°
Gastrioceras   Boven-Carboon

http://nl.wikipedia.org/wiki/Gastrioceras    Afbeeldingen van gastrioceras   

Gastrioceras, genus of extinct cephalopods (animals related to the modern squid, octopus, and nautilus), found in Pennsylvanian marine rocks over a wide area, including North America and Great Britain (the Pennsylvanian Subperiod began 318 million years ago and lasted about 19 million years).

The shell of Gastrioceras is round and coiled and consists of a series of chambers. The sutures between successive chambers are represented by a sinuous line of arches and troughs in a simple pattern known as a goniatite suture pattern.

Gastroceras fossils, Cephalopoda. London, Geological Museum

http://www.agefotostock.com/en/Stock-Images/Rights-Managed/DAE-10334440

°

*Gastrolith: A stone that was swallowed by a prehistoric animal such as a dinosaur or marine reptile to aid in the break-down of food in the stomach. These are generally smooth in appearance and may be found as erratics. http://en.wikipedia.org/wiki/Gastrolith

Castroliths

These stones are actually gastroliths. Dinosaurs oftens swallowed rocks to help their digestive process in grinding up food matter. These quartzitic rocks are usually found associated with bone deposits and sometimes help find other fossils. They are out of place here in sandstone country with the nearest source of this kind of rock being at least a hundred miles away. Something had to bring them here to weather out of 65 million year old sediment. They all have a characteristic semi-gloss surface texture from being tumbled in a dino’s gut. The grid behind show inch squares

_

Gastrolieten

http://nl.wikipedia.org/wiki/Gastroliet

_______________________________________________________________________________________________

°

Gastropoda

Amyclina labiosa
Aporrhais scaldensis
Gemmula antwerpiensis
Natica crassa
Neptunea angulata
Nucella incrassata
Scaphella lamberti
Turritella tricarinata

Afbeeldingen van Gastropods fossil <–   Afbeeldingen van Gastropoden

  • Slakken of buikpotigen (gastropoden )  zijn een klasse uit de stam van weekdieren. De naam buikpotigen en de wetenschappelijke naam zijn te danken aan de gespierde onderzijde van het langwerpige lichaam . Wikipedia

________________________________________________________________________________________________

°GIDSFOSSIEL

gidsfossiel  :

  •  INDEX  FOSSIL  http://en.wikipedia.org/wiki/Index_fossil

indexfoseg.jpg
The fossils at layers 6, 4, and 3 serve as index fossils to help us understand that these fossils were formed around the same period of time even though they are found in different sediment types and in different places.

http://ses4u-smith.wikispaces.com/Index+Fossils

File:Index fossils.gif

Fossil Scientific Name Time Period Million Years Ago
Calico scallop 02.jpg
Calico Scallop
Pecten gibbus
Argopecten gibbus
Quaternary Period 1.8 million years ago
Neptunea tabulata Quaternary Period 1.8 million years ago
Viviparus glacialis - Rosmalen - Late Tiglian.jpg Viviparus glacialis Tiglian (Early Pleistocene) 0.5 million years ago
Calyptraphorus velatus Tertiary Period
Venericardia planicosta Eocene
SmallScaphites.jpg
Scaphites
Scaphites hippocrepis Cretaceous Period 145 to 66 million years ago
InoceramusCretaceousSouthDakota.jpg
Inoceramus
Inoceramus labiatus Cretaceous Period
Perisphinctes Perisphinctes tiziani Jurassic Period
Nerinea trinodosa Jurassic Period
Tropites subbullatus Triassic Period
Monotis subcircularis Triassic Period
Leptodus100711.jpg
Leptodus
Leptodus americanus Permian Period
Parafusulina Parafusulina bosei Permian Period
Dictyoclostus americanus Pennsylvanian Period
Lophophyllidium proliferum Pennsylvanian Period
Cactocrinus multibrachiatus Mississippian Period
Prolecanites gurleyi Mississippian Period
Mucrospirifer mucronatus Silica Shale.JPG
Mucrospirifer
Mucrospirifer mucronatus Devonian Period 416 to 359 million years ago
Palmatolepis unicornis Devonian Period
Silurian Period
Tetragraptus fructicosus Ordovician Period
BLW Trilobite (Paradoxides sp.).jpg Paradoxides Cambrian Period 509 to 500 million years ago
Billingselia corrugata Cambrian Period
Archeocyathids.JPG Archeocyathids Lower Cambrian 529 to 509 million years ago

Common examples of  index fossils: Trilobites

  • Trilobieten vormen een groep van tijdens het Perm uitgestorven geleedpotigen. Deze dieren verschenen voor het eerst tijdens het Cambrium en bevolkten de zeeën gedurende vrijwel het hele Paleozoïcum

gidsfossiel

°

__________________________________________________________________________________________________

°

GIDSWOORD

http://www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?f=24&t=6714   (code  en jargon  )Woordje/term   die kan aangevern   dat men  waarschijnlijk  te doen heeft met iemand die  zijn mosterd haalt(haalde)  bij een bepaalde ideologie of leer —> verraad meestal de creationist 

___________________________________________________________________________________________________

Geode: A rock containing a crystal lined hollow.

Granular texture: Describing the texture of a rock containing roughly equally sized grains.

°

GRAPTOLIETEN 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Graptoliet

Meer afbeeldingen

  • Graptolieten zijn fossiele kolonie-vormende dieren die vooral bekend zijn uit het Paleozoïcum. Een oudere vorm van graptolieten, Chaunograptus, is bekend uit het midden-Cambrium. Mogelijk kwamen graptolieten al voor tijdens het Ediacarium. Wikipedia
    Graptolieten zijn alleen bekend uit fossiele overblijfselen. De structuur van hun weke delen en hun levensgeschiedenis zal dus altijd een stuk ‘onzeker’ blijven. De meeste fossielen zijn niet meer dan schelpafdrukken, maar gelukkig zijn  ook  complete exemplaren gevonden, geconserveerd in kalksteen en kiezelknobbels.
    Graptolieten leefden in kolonies; talrijke dieren leefden in komvormige structuren samen, vastgehecht aan een gemeenschappelijke draad. Hun schelpen waren opgebouwd uit twee lagen.
    Bij de vroegste soorten (de dendroïden) waren er twee soorten kommetjes en een dunne draad liep door de kolonie heen. Deze draad was mogelijk van identieke structuur als de ruggestreng, wat zou betekenen dat deze dieren verwant zouden zijn aan de chordaten (dieren met ruggestreng), waartoe (jawel) ook de mens behoort.
    Hun kolonies waren aanvankelijk groot, met vele zijtakken, maar later werden ze eenvoudiger. Een andere belangrijke groep, de graptoloïden, hadden geen door de kolonie heenlopende gemeenschappelijke draad.
    Men neemt aan dat zij zich ontwikkelden uit de dendroïde-vorm. Verder was er slechts één soort kom aanwezig, hoewel de vorm hiervan binnen de groep enorm kon verschillen. Zijtakken kwamen niet zoveel voor als bij de dendroïden; bij vele vormen kwamen in feite helemaal geen zijtakken voor.
    De graptolieten veranderen snel in vorm en uiterlijk toen ze zich ontwikkelden en daarom kunnen hun fossielen goede diensten bewijzen bij het bepalen van de ouderdom van rotsen. Zo bevat bijvoorbeeld bezinksel dat zich op een bepaald tijdstip vormde fossielen die wezenlijk verschillen van de fossielen in het bezinksel dat (geologisch ) korte tijd later werd gevormd.
    Daarenboven dreven de meeste graptolieten in open water. Hun overblijfselen zijn dus verspreid over een zeer groot gebied. Daardoor is het mogelijk om bepaalde rotsen die aan de oppervlakte gevonden worden, direct in verband te brengen (wat de ouderdom betreft) met andere rotsen op honderden kilometers afstand. Jammer genoeg stierf deze soort uit tegen het einden van de siluur -periode.

    Graptolieten uit West-Europa – Natuurtijdschriften

    Wij geven achter de (com- plete) lijst van families de namen van de genera die in dit hoofdstuk en in het artikel over Bornholm 

°

Gravel: Strictly speaking, rocks with sizes of between 2mm and 4mm.

___________________________________________________________________________________________________

_

H

°

Haaientanden : zwart glimmende

°

 Haustator solanderi 

penhorentjes  // Eoceen  //  scheldemondingen / zeeland  zeeuws vlaanderen

http://www.werkgroepgeologie.nl/pages/menu/zeeuwsefossielen.php

°

HOLOTYPE  :

http://en.wikipedia.org/wiki/Holotype

One specimen of a species that is used as a standard to which others thought to be of the same species can be compared. The specimen may be the holotype because it was the first of it species to be found/described(paleontology )  or because it shows the various features of the organism most clearly.

—>  Opmerking :

 In de paleontologie

1.-   is het holotype   =  GEEN model  noch een reconstructie  : het gaat over de fosielen(fragmenten )  die daadwerkelijk zijn  gevonden ,geborgen , uitgeprepareerd en bewaard in  een museum  …..en toebehorend aan één enkel(meestal het eerst  gevonden en best bewaarde  of markantste en meest complete  specimen  wanneer er  meerdere exemplaren uit dezelfde vondst aanwezig zijn  )  exemplaar  van de  beschreven  soort 

Het is de  allereerste  standaard  referentie  ( waar eventueel   achteraf andere fossielen kunnen worden  aan   gelieerd  omdat ze  dezelfde ( althans binnen de  veronderstelde  variabiliteit en hetzelfde tijdsbestek )   karakteristieken vertonen als het holotype

voorbeeld –>  (australopithecus sediba ) –>MH1 also called “Karabo”,[2] the holotype

In situ cranium of “Karabo”

n 2008 begon de Zuid-Afrikaanse paleoantropoloog Lee R. Berger de omgeving van de werelderfgoedlocatie “craddle of mankind ” Malappa , uit te kammen. De eerste vondst van Australopithecus sediba was een deel van een sleutelbeen, toevallig ontdekt door Bergers negen jaar oude zoontje. Verdere opgravingen leverden onder andere de schedel van het holotype op. Het bleek te gaan om een 1,27 m lange mannelijk, juveniel exemplaar, waarschijnlijk rond de 12 jaar oud. De leeftijd werd afgeleid uit het feit dat de achterkiezen al door waren en in occlusie stonden. De inhoud van de schedel bedraagt ongeveer 420 cm3. Uit vergelijking met andere mensachtigen werd geconcludeerd dat het schedelinhoud van het holotype ongeveer 95% van dat van een volwassen exemplaar moet zijn.[2]

2.- ook voor  ICHNOFOSSIELEN (= trace fossils ) bestaan er holotypes  ….  ___________________________________________________________________________________________________

Horizon: A rock unit that is recognisable due to a distinctive lithology or fossil assemblage.

___________________________________________________________________________________________________

°

I

°

ICHNOFOSSIL

http://nl.wikipedia.org/wiki/Sporenfossiel

Ichnofossielen zijn fossiele sporen van levensvormen. Pootafdrukken, graafgangen, kruipsporen worden hiertoe gerekend. Soms worden wel de sporen van een organisme teruggevonden, maar het is dan onbekend welk organisme ze heeft achtergelaten.

     <—(klik) Foto’s en locaties voor Ichnofossielen bekijken

–> Ook  fossiele spinnewebben  , nesten van vliesvleugelen etc zijn  ichnofossielen

 very interesting trace fossils.                                                                                                                                                                                                                 These were made by Pleistocene weevil larvae, and found in South Australia and northern Queensland.

Veel  ichnofossils ( vooral  zogenaamde “wesp en bijennesten” ) worden   dikwijls   verward met koraal  fossielen 

Fossil wasp nest?
Fossiele  bijennest ?
fosiil bee hive
Old spider webs in amber: Fossil hunter finds 140 million-year-old spider's web
Spider web  in amber
Scientists have confirmed that threads found within amber deposits from the Sussex coast are the world’s oldest known spider webs, dating back to 140 million years ago. Photo: NATIONAL PICTURES

°

Inclusion: One substance enclosed by another, e.g. an insect in amber.

Index fossil: ( gidsfossiel )   A fossil species that characterises a certain horizon by its abundance, but is not solely restricted to that horizon.

Induration: Another word for ‘diagenesis’ – the process whereby sediment is converted to rock.

Inferior: Meaning ‘lower’, e.g. ‘Inferior Oolite’ translates to ‘Lower Oolite’.

Inlier: An ‘island’ of older rocks completely surrounded by younger rocks.

In situ: Rocks or fossils that are within their original strata and not loose.

Interbedded: Between two beds, e.g. a layer of coal may be interbedded between two layers of sandstone.

Jointing: Breaks within rock layers, across which there has been no perceivable movement. In sedimentary rocks jointing is usually produced by tectonic activity.

Karst scenery: A limestone landscape typified by rock structures that have been modified by the slow dissolution of the rock. This chemical weathering accentuates the joints and fractures within the limestone and creates gullies, caves and underground rivers etc.

_________________________________________________________________________________________

KOOLSTOF 14 

fig. 3 Complexe meetapparatuur; de atomaire massaspectrometer (AMS) (foto Leibniz Labor, Kiel)
 
Complexe meetapparatuur; de atomaire massaspectrometer (AMS) (foto Leibniz Labor, Kiel)

Met de complexe apparatuur van het laboratorium is de verhouding C-12 : C-14 zeer nauwkeurig  te meten en daaruit de ouderdom  te berekenen

 

_______________________________________________________________________________________

KOOLSTOF14 DATERING 

http://nl.wikipedia.org/wiki/C14-datering

C14 datering is een methode van radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal en ecofacten wordt bepaald met behulp van de isotoop koolstof-14. Koolstof-14 (14C) is een isotoop van koolstof die in onze atmosfeer uit stikstofkernen gevormd wordt. Dit gebeurt door kernreacties ten gevolge van de kosmische straling waaraan de aarde voortdurend blootstaat.

De methode is bruikbaar voor materialen tot circa 60.000 jaar oud. De techniek werd in 1949 ontdekt door Willard Frank Libby en zijn collega’s van de Universiteit van Chicago.[1] In 1960 ontving Libby hiervoor de Nobelprijs voor de Scheikunde.

http://www.mynkamer.eu/artikelen/lambier/natuurkundig_onderzoek.htm

fig. 2 Schematische weergave van het ontstaan van koolstof-14 en de opname in de voedselketen (tekening Stefan Graatsma)

 

 

 

_______________________________________________________________________________________

KOOLSTOF 14 (C-14 ) ijklijn

–> ” Like all clocks, the “clock of carbon-dating” was calibrated “
—> De internationale ijklijn voor koolstof-14 dateringen is voor de eerste millennia gebaseerd op dendrochronologie.
Maar dat niet alleen, er zijn juist zoveel mogelijk onafhankelijke bronnen gebruikt om de ijklijn vast te stellen, waaronder druipsteen, varven en nog veel meer.

________________________________________________________________________________

KORAAL

Koralen

Koralen behoren tot de klasse van de Anthozoa (bloemdieren of bloempoliepen) die op haar beurt weer tot de stam van de Cnidaria (neteldieren) behoort. Ook zeeanemonen behoren tot deze klasse der Anthozoa.

Koralen hebben een buisvormig lichaam. In feite hebben we te maken met een dubbelwandige zak. Aan het open boveneind van die zak bevinden zich een of meer kransen met vaak fraai gekleurde vangarmen. Hieraan danken zij hun naam bloemdieren of bloempoliepen. Deze vangarmen zijn uitgerust met netelcellen, waarin zich een gif bevindt. Bij aanraking van de netelharen op de vangarmen worden de cellen geactiveerd en wordt het gif in de prooi geschoten. De prooi wordt daardoor verlamd en kan via de mondopening naar de maagholte getransporteerd worden, waar deze verteerd wordt. Onverteerbare delen worden weer uitgescheiden via de mond die daardoor ook als anus fungeert. Deze mond/anus kan met een kringspier geopend en gesloten worden. Het voedsel van koralen bestaat overigens uit plankton. Maar ook een formaatje groter, zoals kleine visjes, wordt opgegeten. De vangarmen zijn overigens niet alleen bedoeld om voedsel te bemachtigen; ze kunnen ook voor de verdediging van het koraal gebruikt worden. Als de verdediging onbegonnen werk is, kunnen de vangarmen zelfs ingetrokken worden. Aan dat intrekken heb je natuurlijk niet veel als de tegenstander je als prooi ziet en je vervolgens met tentakels en al wil opvreten. Veel koraalsoorten zijn daartegen echter aardig beschermd doordat ze een uitwendig kalkskelet hebben dat de weke delen beschermt. Met dat kalkskelet zitten de dieren vast op de bodem van de zee. De kalk die voor de bouw van de skeletten nodig is, komt in opgeloste vorm in het zeewater voor.

Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Noord-Spanje. Grootste doorsnede 6 cm.    Kolonievormend koraal uit het Onder-Carboon van Schotland. Grootste breedte 11 cm.

Kolonievormend koraal uit het Siluur van Gotland (Zweden).

We kennen zowel solitaire als kolonievormende koralen. Het kalkskelet van solitaire koralen noemen we coralliet. Bij een hele kolonie spreken we van corallum. Zulke kalkskeletten hebben goede mogelijkheden om als fossiel bewaard te blijven. De eerste koralen kwamen minstens al tijdens het Ordovicium voor. De eerste grote bloeiperioden bereikten ze tijdens het Devoon. Daarna volgde er nog een bloeiperiode in het Krijt. Daarbij gaat het echter niet om dezelfde soorten die we tegenwoordig kennen.

Koralen kunnen in de loop der tijd in sterke mate bijdragen aan de vorming van uitgebreide koraalriffen. Zulke rifbouwende koralen die in onze tijd voorkomen, leven in symbiose met groenalgen. Deze groenalgen zorgen door middel van fotosynthese voor voedingstoffen en bouwstoffen. Bovendien produceren ze hierbij zuurstof die aan de koralen wordt afgegeven. Door de symbiose is de diepte waarop deze koralen kunnen voorkomen beperkt. Voor de fotosynthese hebben de algen immers zonlicht nodig en dat dringt alleen in relatief ondiep water door. Tegenwoordige koraalriffen treffen we aan op waterdiepten van hoogstens 50 tot 60 meter. Verder moet de watertemperatuur minstens 22 graden zijn. Dergelijke condities vinden we in tropische en subtropische zeeën.

Solitair koraal uit het Boven-Krijt van Zuid-Limburg. Koraaldoorsnede 2,3 cm.  Kettingkoraal uit het Siluur van Gotland (Zweden; grootste doorsnede 11 cm).

Kolonievormend koraal uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; hoogte 13 cm).

Dat koralen uit het verre geologische verleden ook in warme wateren leefden, weten we door de uitgestrektheid van de koraalriffen uit die tijden. Alleen warme wateren konden die grote hoeveelheden opgeloste kalk leveren die nodig waren voor het ontstaan van de riffen. Verder is bekend dat koraalriffen tijdens bijvoorbeeld het Devoon in de lichtrijkere relatieve ondiepten van de zeeën voorkwamen. De aanwezigheid van groenalgen in die wateren is ook aangetoond. Mogelijk bestond toen al een symbiose tussen groenalgen en koralen.

Solitaire koralen uit het Midden-Devoon van de Eifel (Duitsland; lengte koralen ongeveer 5 cm).

Fossiele koraalriffen vinden we niet ver over de grens in de Belgische Ardennen en in de Eifel in Duitsland. Een goede gelegenheid om kennis te maken met de grote diversiteit van koralen (en andere zeebewoners) die op de koraalriffen in de Eifel leefden, bieden onder andere het Eifelmuseum in Blankenheim en het Haus der Fossilien in Nettersheim. In het eveneens in Nettersheim gelegen Naturzentrum kan men in meerdere aquaria een idee krijgen van de kleurrijke wereld van de tegenwoordige koraalriffen. Of de koralen van de Devonische koraalriffen uit de Eifel ook zo bont gekleurd waren, is helaas niet bekend. Tegenwoordig komen op aarde nog zo’n 6000 soorten koralen voor. Door de klimaatsopwarming en de verzuring van de zeeën raken deze echter steeds meer bedreigd.

© De Belemniet

Tabulaat koraal Peripedium planum (syn: Cyathophyllum planum planum) uit de voormalige groeve bij Berndorf in de Hillesheimer Mulde in de Eifel (D). Tijdvak: Laucherschichten, Eifelstufe, Midden Devoon. Hoogte en breedte: 27 cm.

 Collectie Michon

Links: Rugosekoraal Mesophyllum (cf. Hemicosmophyllum) sp. uit het Midden Devoon van de Gerolsteiner Mulde in de Eifel (D).  Hoogte 10 cm.

Rechts: Tabulaat koraal Hexagonaria hexagonum (GOLDFUSZ) eveneens uit de middendevonische kalken bij Gerolstein in de Eifel (D). Breedte 4,5 cm.

Tabulaat wordt dikwijls  verward  met  de zeer zeldzame  fossiele    bijen en/  of  wespennesten  

°

Laminations: Suites of thin strata.

______________________________________________________________________________________

Lias: The Lower Jurassic

Systeem Serie Etage Ouderdom (Ma)
Krijt Vroeg Berriasien jonger
Jura Boven
(Malm)
Tithonien 145,0–152,1
Kimmeridgien 152,1–157,3
Oxfordien 157,3–163,5
Midden
(Dogger)
Callovien 163,5–166,1
Bathonien 166,1–168,3
Bajocien 168,3–170,3
Aalenien 170,3–174,1
Onder
(Lias)
Toarcien 174,1–182,7
Pliensbachien 182,7–190,8
Sinemurien 190,8–199,3
Hettangien 199,3–201,3
Trias Boven Rhaetien ouder
Indeling van het Jura volgens de ICS.[1] Verouderde
Europese namen tussen haakjes.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Lias_(geologie)

http://en.wikipedia.org/wiki/Early_Jurassic

°

VROEG JURA(LIAS)  IN NW  EUROPA 

Leefomgeving

Het Vroeg-Jura van West-Europa (tussen 205 en 180 miljoen jaar geleden) is befaamd om zijn paleontologische rijkdom. Verscheidene vindplaatsen in Engeland (Lyme Regis, Whitby) en Duitsland (Holzmaden, Bad Boll) hebben honderden prachtig bewaarde skeletten van zeereptielen opgeleverd. Van deze dieren zijn ook in Zuid-België en Luxemburg talloze fossielen gevonden. Aan het begin van het Jura was dit gebied bedekt met een ondiepe epicontinentale zee, waarin een grote verscheidenheid van ongewervelden (ammonieten, belemnieten, tweekleppigen), en gewervelden (haaien en beenvissen) leefde. Grote zeereptielen beschikten dus over een ruime keus aan prooidieren.

Ichthyosauriërs

Ichthyosauriërs waren reptielen die goed waren aangepast aan het leven in open zee. Het torpedovormige lichaam was volmaakt hydrodynamisch. Het uiteinde van de staart boog naar beneden en vormde een krachtige vin. De korte, slanke ledematen waren omgevormd tot vinnen die voor stabiliteit zorgden. Ook de rug droeg een stabilisatie-vin. De meeste soorten waren tot circa 3 meter lang. Sommige konden echter 10 meter lang worden.

RBINS
Schedel van Stenopterygius longifrons, een ichthyosauriër uit het Vroeg-Jura van Bascharage (Luxemburg).

Plesiosauriërs

Plesiosauriërs waren gedrongen reptielen met een korte staart. De vier ledematen vormden lange, hydrodynamische peddels. Daarmee ‘vlogen’ de dieren als het ware door het water, zoals zeeschildpadden dat doen. Er kunnen twee groepen plesiosauriërs worden onderscheiden. Elasmosauriërs hadden een bijzonder lange nek, maar een heel kleine schedel. Pliosauriërs daarentegen, hadden een veel kortere nek en een zeer krachtige, tot 1 meter lange schedel, die voorzien was van bijzonder sterke tanden. Beide waren gevaarlijke roofdieren.

Fratelli Fabri
Skelet van een elasmosauride plesiosauriër uit het Vroeg-Jura van Dampicourt (Zuid-België).

Zeekrokodillen

Zeekrokodillen leefden langs de kust, maar waagden zich ook op open zee. De lange, dunne kaken droegen vele kleine, puntige tanden. Het lichaam werd beschermd door een tamelijk zwaar rug- en buikpantser, gevormd door dicht opeen staande huidplaten. Ze bewogen zich in het water voort door middel van golfbewegingen van de staart.

Fratelli Fabri
Losse beenderen van Steneosaurus sp., een zeekrokodil uit het Vroeg-Jura van Halanzy (Zuid-België).

Bibliografie

Godefroit, P., 1994, Les reptiles marins du Toarcien (Jurassique inférieur) Belgo-Luxembourgeois., Mémoires pour servir à l’explication des Cartes Géologiques de la Belgique, 39: 1-98

_________________________________________________________________________________________

°

Lignite:—>Young,,(-250MY(oldest lign ite  ) :   mesozoic en cenozoic    )brown coloured coal. Considered to be of a low quality when compared to older, black anthracite.

http://www.dinowight.org.uk/lignite.html                                                                                                                                                                    Ligniet fossielen  —>meestal gaat het om  plantenresten  en  gefossileerd  hout , alhoewel sommige van die  plantenresten ook fossielen van andere  andere oorsprong ( bijvoorbeeld van been ) kunnen bevatten

Fossil wood is black, often due to being caught in forest fires 120 million years ago, but also due to remineralisation with iron. Often you can see the grain of the wood in the fossil, and sometimes even impressions of the bark.

The wood is very similar to fossil bone in appearance, but there are differences. Firstly, lignite is usually lighter than bone, although this is not always the case. Secondly, weathered bone is usually lighter in colour than lignite, although again sometimes the colour is almost identical. You can try tapping the “bone” with a tuning fork, as this will produce a higher ringing sound if it is bone. However, there is little chance of you actually owning a tuning fork, although tweezers will do the same job. Thirdly, if you wet the “specimen” and then scratch it with your fingernail (unless, like me, you bite them, in which case, a plastic knife or spoon will do) then rub it on your finger, if there is a black smudge, then it’s wood. However, sometime if the lignite is too wet, there isn’t a visible smudge, so you can’t tell. Finally, you can look for the honeycomb structure that is present in bone, but not lignite.

Fossil wood comes in all shapes and sizes. You can find small twigs, larger branches and even larger logs. These logs can act as traps, allowing bones and any other small remains to accumulate, and produce a fossil “jam”. This is one of the reasons why such “Log-jams” are excellent places to find fossils.Simon Clabby 2006

—> Fossiel hout   :  Ligniet fossielen  zijn moeilijk te bewaren  : het  materiaal is meestal doorweekt   en  de aanwezige fossielen  drogen gemakkelijk  uit waarna ze bijna altijd   verkruimelen

http://www.thefossilforum.com/index.php?/topic/19304-preserving-lignite-fossils-with-polyethylene-glycol/

ligniet  fossiel ,

Ligniet fossielen uit het krijt : denneappels  

Afbeeldingen van lignite fossils <—

________________________________________________________________________________________

°

Kalksteen http://nl.wikipedia.org/wiki/Kalksteen ErLimestone: A rock composed of calcite or dolomite. Often fossiliferous, although dolomitic limestones are less so than calcitic. http://en.wikipedia.org/wiki/Limestone

zijn zeer veel soorten kalksteen.

Als de kalksteen kristallijn is en vrijwel geheel uit gerekristalliseerde carbonaat-kristallen bestaat kan er onderscheid gemaakt worden op de chemische en mineralogische samenstelling.

Een grotendeels uit dolomiet opgebouwd gesteente wordt een dolosteen genoemd (soms, verwarrend genoeg, ook wel “dolomiet”). Dolomiet ontstaat door dolomitisatie, een reactie waarbij een deel van de calcium in calciet wordt vervangen door magnesium.

Omdat dolomiet een kleiner molair volume heeft dan calciet hebben dolomieten vaak een hoge porositeit, die ontstaat wanneer een uit calciet bestaande kalksteen in dolosteen omzet.

Sommige kalksteen kan als klastisch gesteente worden ingedeeld: het is opgebouwd uit klasten met daartussen een matrix van fijne kalkmodder.

De klasten zijn meestal siliciclastica, fossielen of fragmenten van fossielen. Belangrijk is te bepalen of de klasten op elkaar rusten (zogenaamde clast supported kalksteen) of niet (zogenaamde matrix supported kalksteen).

De Dunham classificatie deelt deze kalkstenen in in grainstones, packstones, kalkmudstones en kalkwackestones.[2]

Boundstone is een type kalksteen met een textuur opgebouwd uit fossiele organismen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan zijn koralen, die skeletten vormen waarin fijn sediment wordt ingevangen. Koraalriffen kunnen tientallen meters dikke harde lagen kalksteen vormen.

°

Lithifaction: Another word for ‘diagenesis’ – the process whereby sediment is converted to rock.

Lithofacies: A rock type that is characteristic of a certain environment.

Lithology: Referring to the physical character of a rock or sediment.

Loess: Wind blown sand, deposited (in the case of the UK) under periglacial conditions.

M

Marine band: A stratum containing marine fossils that is interbedded between two non-marine strata.

Marker bed/horizon: An easily recognisable stratum that can be used to correlate rock sections that were deposited contemporaneously (at the same time), in different locations.

Marl: A calcareous mudstone.

°

MATRIX  :

http://en.wikipedia.org/wiki/Matrix_(geology)

http://www.britannica.com/EBchecked/topic/369508/matrix

in geology, the material in which something is embedded, either the natural rock that holds crystals, fossils, pebbles, mineral veins, and the like, or the fine-grained materials that surround larger grains in a rock—e.g., silt and clay particles in a sandstone or tiny crystals in a crystalline rock, sometimes called groundmass.

A sample of quartz crystal matte in a limestone matrix.

A sample of quartz crystal matter in a limestone matrix.
© Russell Shively/Shutterstock.com

Paleontologie   = het  rotsmateriaal  waarin het (zichtbare en half geprepareerde  )  fossiel  nog gevat zit

MATRIX   green_river_gar003-crop

Green River Formation slab: The head end of Lepisosteus has been partially prepared.The rest of the fossil is hidden beneath a layer of rock matrix.Courtesy Mark Ryan

°

MARBLE  CANYON  

Zoom
Marble Canyon, waar de  “nieuwe Burgess Shale” is gevonden.

Episch, noemen onderzoekers de “nieuwe Burgess Shale ” die ze hebben ontdekt in Kootenay National Park. De Burgess Shale, rijk aan fossielen, is een geologische formatie van zo’n 500 miljoen jaar oud, toen vrij plotseling veel nieuwe soorten ontstonden. De nieuw ontdekte marble canyon   formatie ligt zo’n 42 kilometer verderop en lijkt minstens zo fossielrijk te zijn.

http://en.wikipedia.org/wiki/Marble_Canyon_(Canadian_Rockies)

http://www.readcube.com/articles/10.1038/ncomms4210?

utm_campaign=readcube_access&utm_source=nature.com&utm_medium=purchase_option&utm_content=thumb_version&tab=summary

fig1

Figure 1: Sedimentary facies. Sedimentary facies of the Stephen Formation at the Marble Canyon locality. (a,b) Carbonate mudstone and wackestone facies; (c–f) Shale facies. (a) Outcrop of carbonate mudstone and wackestone facies showing 2.25 m slump fold in lower field of view, ~30 m above base of the Stephen Formation. (b) Outcrop of carbonate mudstone and wackestone facies showing 3–6 cm bedding separated by thin (<1–2.5 cm) claystone breaks that appear dark, ~100 m below the Stephen-Eldon contact. (c) Outcrop of shale (calcareous claystone) in the upper Stephen Formation, ~20 m below the Stephen-Eldon contact. In the study area, shales typically form resistant ledges, underlain by recessive thin bedded fine-grained carbonate lithologies. (d) Outcrop of shale in the upper Stephen Formation (~12 m below the Stephen-Eldon contact) showing two prominent dm-scale-deformed slump folds that are pervasive throughout the section and indicate deposition on a sloping surface. (e) Transmitted light micrograph of thin section of Marrella-bearing interval, showing mm-scale calcareous claystone laminae. Asterisk(*) indicates the position of the Marrella-bearing lamina, ~14.2 m below the Stephen-Eldon contact. (f) Polished slab of fossil-bearing calcareous claystone from within the quarry interval, 2.99–3.08 m below the Stephen-Eldon contact. The prominent 3 cm-thick light-coloured claystone bed at the top of the image bears a particularly diverse and abundant soft-bodied fossil assemblage. Prominent dark-coloured bands at bed tops are enriched in carbonate, as observed in Burgess Shale-type deposits worldwide31. Scale bars, 1 m (a,c); 20 cm (b); 10 cm (d); 1 cm (f) and 2 mm (e).

fig2

Figure 2: The Stephen Formation in the vicinity of Marble Canyon. (a) Idealized stratigraphic section of the Stephen Formation at Marble Canyon, based on detailed measurements at Marble Canyon and observations at Mount Whymper, showing the location of the Marble Canyon fossil assemblage and quarry. (b) Photograph of the main quarry interval, comprising calcareous claystones. Mic, micrite; Sh, shale; Wac, wackestone. Scale bars, 10 m (a); 50 cm (b).

fig3

Figure 3: Faunal assemblage elements from Marble Canyon. (a) ROM 62967, Alalcomenaeus sp. (b) ROM 62968.1, Branchiocaris sp. (c) ROM 62969, Marrella splendens. (d) ROM 62970, Naraoia cf. compacta. (e) ROM 62938, Metaspriggina cf. walcotti with preserved eyes and internal organs (composite image of both part and counterpart—stitched images at white lines). (f) ROM 62971, Oesia cf. disjuncta. (g) ROM 62972, Burgessochaeta cf. setigera. (h) ROM 62973, Molaria spinifera. (i) ROM 62974.1, Liangshanella cf. burgessensis with preserved appendages. (j) ROM 62974.2, Primicaris cf. larvaformis. (k) ROM 62968.2, Haplophrentis cf. carinatus with preserved internal organs (arrow). (l) ROM 62975 Misszhouia cf. longicaudata. (m) ROM 62976, new isoxyid arthropod (new arthropod B), arrows indicate haemolymph channels. (n,o) ROM 62977, new leanchoiliid (new arthropod L), (n) overall view and (o) close-up showing spinose rami. (p,q) ROM 62978, Mollisonia symmetrica with preserved eyes and appendages, (p) overall view and (q) close-up showing neuropils, cornea and retina. (r) ROM 63014, new bivalved arthropod (new arthropod A). (s) ROM 62974.3, Sidneyia inexpectans, showing possible extruded gut content (arrow). ap, appendages; co+re, cornea+retina; ey, eyes; gc, gut content; gi, gill bars; he, heart; liv, liver; my, myomeres; ne, neuropils. Scale bars, 1 mm (i,j,o,q); 5 mm (a–c,e,g,h,k,m,p) and 10 mm (d,f,l,n,r,s).

Marble canyon , Burgess shale  II

http://www.cbc.ca/news/canada/calgary/new-fossil-bed-found-by-scientists-hailed-as-motherlode-1.2531990?cmp=fbtl

fig4

Figure 4: Comparison of community attributes and density of specimens between Marble Canyon and other Burgess Shale-type deposits. (a) Rarefied generic diversity curves for arthropods. (b) Relative abundance of taxa and specimens. (c) Violin plots of density. Black bars indicate interquartile range of log density; white dots indicate median of log density; surrounding coloured areas indicate Kernel density plots; MC, Marble Canyon (magenta); MF, Mafang (black), WQ, Walcott Quarry (blue).

http://www.nature.com/ncomms/2014/140211/ncomms4210/full/ncomms4210.html

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2014/02/12/new-remarkable-burgess-shale-fossils-from-canada/

°

.Melanogrammus conjunctus

Vreemd uitziende beentjes

Te vinden  op de opgespoten terreinen in het Antwerpse Havengebied. . Het vaakst hebben ze een moeilijk omschrijfbare vorm. Het zijn bruinachtige tot zwartgekleurde beentjes die uit fosfaat bestaan en tussen 4 en 8 cm groot zijn.

Sleutelbeentjes

Het zijn de sleutelbeentjes of cleithra van een fossiele vis. Iets wat je in normale omstandigheden niet direct als fossiel verwacht aan te treffen. De fossiele vis van wie deze sleutelbeentjes afkomstig zijn is een kabeljauwachtige. Zijn wetenschappelijke naam is Melanogrammus conjunctus, een soort die pas in 1973 door Gaemers & Schwarzhans voor het eerst werd beschreven.

De schelvis of Melanogrammus aeglefinus (van wikipedia)

Schelvis

Een recente vertegenwoordiger van deze fossiele vis is de Schelvis of Melanogrammus aeglefinus (Linnaeus, 1758). In het Engels noemen ze hem “Haddock”, in het Frans “Calever” en in het Duits “Schellfisch”. De Schelvis leeft in hoofdzaak in de noordelijke delen van de Atlantische Oceaan, heeft een gekend dieptebereik van 10 tot 450 m, maar vertoeft het liefst in water van 80 tot 200 m diep en bij temperaturen tussen 4 tot 10 °C. Dicht bij de bodem gaat hij op zoek naar zijn geliefkoosd voedsel, zoals schaaldieren, weekdieren, zee-egels, wormen en kleine vissen. Met een maximale leeftijd van 20 jaar en een maximale lengte van 1 m is hij enorm belangrijk voor de visserij, zo belangrijk zelfs dat overbevissing al een feit is geworden, getuige zijn vermelding op de “IUCN Red List”.

Sleutelbeentjes van Melanogrammus conjunctus (foto Stijn Goolaerts)

Vaak gaat het om defecte exemplaren, taps toelopende zwarte “stenen” ter grootte van een vinger(tje).
Kenmerkend is het heel fijne streeppatroon op de breukvlakken: waaiervormig, glimmend.
Het materiaal komt uit de zanden van Kruisschans (Boven-Plioceen).

Hyperostose

Deze beentjes zijn niet zo maar te herkennen als sleutelbeentjes of cleithra! Ze vertonen abnormale verdikkingen. Dit noemt met hyperostose (of pachystose). Je kunt het een beetje vergelijken met het fenomeen “papegaaibekken” op menselijke ruggenwervels. Dit type van hyperostose wordt bij maar één enkel huidig genus van kabeljauwachtigen aangetroffen, met name de Schelvis.

Fossilisatie

Het is dus door het veel voorkomen van hyperostose op de sleutelbeenderen van de fossiele vis Melanogrammus conjunctus dat we deze beentjes fossiel kunnen aantreffen. Anders zouden ze nooit in zulke grote getale bewaren. Door hun abnormale dikte zijn ze bovendien ook nog eens goed bestand tegen de ruwe krachten bij het vergraven en/of opspuiten, iets wat erg vaak gebeurt in het Antwerpse Havengebied. Hierdoor kunnen we deze beentjes over grote oppervlakten aantreffen.

Ouderdom

Maar deze beentjes zal je niet zomaar in elke zandafzetting kunnen vinden. Bijna allemaal zijn ze oorspronkelijk afkomstig uit het Lid van Kruisschans, een onderdeel van de Formatie van Lillo.

Het Lid van Kruisschans bestaat uit mariene kleiige zanden, met erin veel voorkomende klei- en zandlenzen die tijdens het Laat Plioceen op de bodem van de toenmalige Noordzee afgezet werden. Ze dateren van 3.21 tot 2.76 miljoen jaar geleden (De Schepper et al., 2009).

 


Foto’s van het holotype van Melanogrammus conjunctus (overgenomen uit Gaemers & Schwarzhans, 1973)

 

Gehoorsteentjes

Eigenlijk maken we deels een veronderstelling door deze beentjes aan Melanogrammus conjunctus toe te wijzen, want eigenlijk werd de soortnaam Melanogrammus conjunctus gecreëerd voor een aantal grote gehoorsteentjes van vissen of otolieten. En tot op heden werd nog geen compleet gearticuleerd skelet van Melanogrammus conjunctus gevonden, waar zowel de otolieten als de verdikte cleithra aanwezig waren.

Maar de otolieten en de cleithra komen allebei erg veel voor in de Zanden van Kruisschans van de Lillo Formatie, zodanig dat het geen loze veronderstelling is.

Van deze gehoorsteentjes of otolieten bezitten vissen er langs beide zijden drie, die elk afzonderlijk van elkaar verschillen. Ze worden asteriscus of sterretje, sagitta of pijl en lapillus of steentje genoemd. Ze bevinden zich in een met vloeistof gevuld omhulsel. Ze bestaan, in tegenstelling met de cleithra, uit calciumcarbonaat of aragoniet, en zijn vaak niet groter dan één millimeter. De asteriscus en sagitta hebben een gehoorfunctie, de lapillus een plaatsbepalingfunctie. De sagitta is het grootst van de drie en wordt vaak gebruikt om fossielen soorten beenvissen te beschrijven.

Foto van een otoliet van Melanogrammus conjunctus uit het Plioceen van Mill (Nederland). Lengte 18.30 mm Copyright foto: Bram Langeveld

Foto van een otoliet van Melanogrammus conjunctus uit het Plioceen van Mill (Nederland). Lengte 18.30 mm Copyright foto: Bram Langeveld

Otolieten van Melanogrammus conjunctus, Formatie van Lillo, Boudewijnsluis, België. Foto: Stijn Goolaerts

Cleithra en otolieten!

Tot de veelvuldig gevonden fossielen van de kabeljauwachtige vis Melanogrammus conjunctus behoren dus zowel cleithra en otolieten!

OPGELET   !!!

: de verdikte beentjes zijn niet de otolieten of gehoorsteentjes, en zeker niet kieuwbogen, kaakdelen of dergelijke, maar door hyperostose veroorzaakte verdikte sleutelbeentjes. ( zoals verkeerdelijk op fossiel net herhaaldelijk wordt beweerd )

http://www.fossiel.net/id_system/fossil_id_search.php?zoek=Melanogrammus%20conjunctus

Referenties:

Gaemers, P.A.M., Schwarzhans, W., 1973. Fish-Otolithen aus dem Pliozän von Antwerpen und Ouwekerk und aus dem Plio-Pleistozän der Westerschelde, 51 pp.

De schepper, S., Head, M.J., Louwye, S., 2009. Pliocene dinoflagellate cyst stratigraphy, palaeoecology and sequence stratigraphy of the Tunnel-Canal Dock, Belgium. Geological Magazine 146(1): 92-112.

(Dirk Nolf van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en Bram Langeveld voor de foto’s van de otolieten.)

(Dit is een herwerkte versie van het artikel dat reeds in HONA verscheen: Goolaerts, S., 2005. Melanogrammus conjunctus of hoe hyperostose vele vreemd uitziende beentjes veroorzaakte. Hona 40 (3), p. 45-47.)

zie ook

°

Mineral: A naturally formed homogenous solid that has a definite chemical composition. Often crystalline.

Mould: An impression of the original item. The counterpart of a cast.

Nodule: A round or sub-round concretion of pebble size.

Oolite: An old name for the Upper Jurrasic of Britain and Europe.

Oolith: A spherical or sub-spherical rock particle. These contain a nucleus that has had a mineral (usually calcite) built-up around it.

Orogeny: A period during which mountains are formed, due to the collision of crustal plates. Orogenies can cause extensive folding of rock layers, an example of this being the folding produced in northern Pembrokeshire by the Caledonian Orogeny.

Outcrop: The area over which a certain rock unit is found, either exposed at the surface or covered by soil etc. The area showing a certain rock unit on a geological map.

Outlier: An ‘island’ of younger rocks, completely surrounded by older rocks.

Overburden: Loose material that rests upon solid rock. Also used in quarrying to refer to any un-usable rock layers that are found above a layer of economic importance.

Palaeoclimatology: The study of previous climates by drawing climatological inferences from sediments and the fossil types that they contain.

Palaeocurrent: A representation of a fossil current within a rock, inferred from sedimentological structures such as ripple marks and/or cross bedding etc.

Palaeoecology: The ecology of fossil assemblages, e.g. how fossil organisms interacted with each other, how sediment types lead do different fossil assemblages etc.

Palaeogeography: A reconstruction of a previous geography, e.g. where the sea was in relation to the land surface or where the continents were in relation to each other.

Palynology: The study of fossil pollens and spores.

Pebble: A rock with a size of between 4mm and 64mm.

Pelagic: Describing marine animals that swim freely or float within the water.

Permeability: Denoting the ease with which water can flow through a rock.

Petrifaction: The process whereby an organism’s structure is converted to rock.

Phanerozoic: That period of time during which obvious and abundant life has existed – from the Cambrian to the present day.

Placer deposits: Deposits of heavy and valuable minerals that have been concentrated by the action of water.

Planktonic: A more commonly used synonym for ‘pelagic’ – describing marine animals that swim freely or float within the water.

Polystrate fossiele bomen

een_oudste_bomen[1]

wat is het probleem?

aug.28, 2013,

door  Leon van den Berg. / structurele en ingenieurs-geologie (1977-84)  Universiteit van Utrecht, +drie jaar wetenschappelijk onderzoek aan de UU

HET VERONDERSTELDE PROBLEEM
Een kwestie die vaak door jonge aarde creationisten (YEC) wordt aangehaald is dat van polystrate fossiele bomen: rechtopstaande bomen die begraven zijn door meters dikke lagen.

Het zou miljoenen jaren duren om aardlagen te vormen en een boom kan nooit zo oud worden. En dus zou dat van die miljoenen jaren voor het ontstaan van lagen onzin zijn en hebben de geologen er niets van begrepen: lagen worden snel afgezet en de Zondvloed is een prima verklaring.

WAT ZE NIET BETEKENEN
Maar hoe komen die YEC er bij dat de moderne geologie zegt dat het vormen van aardlagen altijd miljoenen jaren in beslag neemt? Polystrate fossiele bomen zijn al in 1855 door John William Dawson beschreven en toegeschreven aan snelle sedimentatie. Modderstromen, sommige rivierafzettingen, duinen, vulkaanas en lava, dat kan allemaal héél snel gaan zoals elke geoloog weet.

Zo vindt men op de Loonse en Drunense heide prachtige voorbeelden van ‘levend begraven’ bomen. Zeggen dat het bijvoorbeeld honderden miljoenen jaren geduurd heeft om al die mooie lagen van de Grand Canyon te vormen (dat zegt de moderne geologie) is héél iets anders dan zeggen dat sedimentatie altijd met millimeters per jaar gaat (dat zegt de moderne geologie niet).

Hd-desktop-wallpaper-grand-canyon-great-view-places-grand-canyon

WAT ZE WÉL BETEKENEN


Een van de belangrijkste voorwaarden voor het ontstaan van dit fenomeen, ik zal het verder ‘fossiele rechtopstaande bomen’ noemen, is uiteraard snelle laagvorming, en meestal ook snelle, relatieve stijging van het water. Relatief, het kan zijn dat de zeespiegel snel steeg als gevolg een smeltende ijskap, het kan ook zijn dat de bodem snel daalde ten gevolge van, bijvoorbeeld, vulkanische activiteit, breuken, inklinking van veen, zoutdiapieren, enzovoorts.

Gedetailleerde studies, waarvan je hier er één kunt downloaden, laten zien hoe begraven bossen, die in de geologische geschiedenis herhaaldelijk voorkomen, leuke momentopnames geven van hoe de aarde vroeger op sommige plaatsen er uit zag: bijvoorbeeld vele meters hoge bossen langs meanderende rivieren die soms ineens van richting veranderden waardoor een heel bos overstroomde en bedolven raakte onder zand en modder.

Ze komen veelvuldig voor in een tijdperk (het Carboon) waarin de ijskap herhaaldelijk aangroeide en weer wat smolt. Fossiele rechtopstaande bomen vindt men ook geassocieerd aan koolafzettingen die voorkomen in karakteristieke cyclussen. In sommige gevallen vindt men zelfs verkoolde holle boomstronken met daarin beestjes, misschien op de vlucht voor een bosbrand!

CONCLUSIE
Fossiele rechtopstaande bomen vormen geen enkel probleem voor de moderne geologie. Het feit ze herhaaldelijk in de geologische geschiedenis voorkomen, evenals de cyclussen van koollagen, pleit bovendien tegen de Zondvloed als oorzaak.

 een filmpje dat laat zien hoe rechtopstaande bomen plotseling begraven kunnen worden, zie dit filmpje.

°

PORIFERA / Sponsen   

°

Porosity: The ratio between open spaces within a rock that can hold water, and solid material that cannot.

*

Preferred orientation: Describing rock particles that have a certain common orientation, usually due to currents.

°

Provinance: The area from which material making up sediments (and therefore, rocks) has come.

Pudding stone: A synonym for ‘conglomerate’.

R

Raised beach: A wave cut platform, sometimes covered by beach deposits, that is now above the current sea level. This is due to either a fall in sea level, or a rise in the land surface relative to sea level.

Reef: A mass made up of in situ, organic skeletal material (originating from organisms such as corals, bryzoa, brachiopods etc.), organic debris transported to the site, and also a small amount of chemical precipitate.

Remanié fossils: Hard parts of organisms that have accumulated over time, before eventual burial. Usually the concentration of organic material has occurred due to a lack of sedimentation. The fossils are often rolled and abraded.

Residual deposit: That part of a rock left behind after chemical weathering.

Rock mechanics: The study of the mechanical properties of rocks e.g. porosity, sheer strength and crushing strength etc.

°

ROGGE TANDEN : zwart glimmende

________________________________________________________________________________________

Rotten stone: The siliceous residue left behind after the weathering of certain types of limestones.

Roundness: A measure of the curvature of the edges and general shape of a rock or rock particle. These can be said to be angular, sub-angular, sub-rounded, rounded or well-rounded.

Sand: Rock particles with a size of between 1/16mm and 2mm.

Scree: An accumulation of loose rock pieces, often found on slopes below outcrops of in situ rock.

Sessile: Denoting a non-mobile organism.

Shelf facies: Those sediments and their floral and faunal contents that accumulate on the shallower, near land, ‘shelf’ areas of an ocean.

Silicification: Whereby silica in solution is introduced into a non siliceous rock e.g. the formation of flint nodules within chalk.

Silt: Rock particles with a size of between 1/256mm and 1/16mm.

Slickenslides: When rock surfaces slide over each other under pressure, e.g. during a rotational land slip. The rocks will be left with a characteristic polish as well as grooves and striations in the direction of movement.

Slump: Mass movement of unconsolidated material down a slope, producing a pile of debris at the bottom.

°

SPONSEN   PORIFERA   

°

Stratigraphic nomenclature: A set of words that divide up geological time, e.g. ‘era’, ‘period’ and ‘stage’. Please see the ‘Stratigraphic Nomenclature’ guide on the guides page for a more comprehensive explanation.

°

Stratigraphy: The study of layered (stratified) rocks, including the description of their physical characteristics and the correlation of strata between locations.

_________________________________________________________________________________________°

Stratum: Another name for a bed or a layer. Plural is ‘strata’.

___________________________________________________________________________

°

Streak: The colour a mineral produces when scratched across a non-glazed porcelain surface. Often the streak colour is different to the colour of the mineral.

______________________________________________________________________________

**

Striations/striae: Small grooves and scratches on rock surfaces, often caused by the movement of glaciers over in situ material.

_______________________________________________________________________________

°

 STROMATOLITES

Extant  “Stromatolites ” are one of the most important features of Shark Bay. They look like rocky lumps strewn around the beach but are actually built by cyanobacteria.

Within the structures are communities of diverse microbes with population densities of 3000 million individuals per square meter.

The organisms
combine with sediments and organic material to build stromatolites up to (1.5 m)  to 10 million times the  size of  one  bacteria . Because they grow very slowly, a  1 m  high stromatolite could be as much as 2000 years old.

 

 
Posted Image
This one was estimated at 50 tons.
http://www.lakeneosh…t/38/index.html

In   packs of  sedimentary layers we have huge  fossilised  stromatolites…. They  show every sign that they grew there in ancient  times ( No they were NOT displaced by the “flood ” ) and they need  very special ecological conditions  which cannot stand  the   huge amounts  of  ” rain” waters  of the flood    .

Spectacular Lower Proterozoic Stromatolites from Bolivia

Stromatolite

This is a section of a stromatolite from near Blockley in Gloucestershire, UK.  

Stomatolites are mounds of algal cells growing in colonies.  They tend to trap sand and sediment amongst the cellular goo of the colony and this forces the development of mounds in the intertidal regions of the coast.

Stromatolites are very ancient and have been recorded from the earliest sediments.  Most stromatolite fossils are quite dull, but this is an example of a fine patterned surface on this polished section.  This specimen is Middle Jurassic in age.

—> Fossiele Stromatolieten zijn getuigen van microbieel leven ( zoals de nog huidig levende stromatolieten aantonen )

stromatolites at Shark Bay close up of a stromatolite at Shark Bay
Moderne stromatolieten ( Shark Bay, Australia)
cross section of fossil stromatolites cross section of fossil stromatolites
Doorsnede van 1.8 biljoen jaar oude fossiele stromatolieten (Great Slave Lake, Canada)

°

TAFONOMIE

°

TERMIETEN  

   Morrison termite mound

Morrison formation   upright  termite nest, courtesy of Steven Hasiotis.

http://antediluviansalad.blogspot.be/2012/12/cold-war-theories-indonesian-peatlands.html

fossil termite nest (found along Namibia’s Skeleton Coast) shows a clear similarity to the spongy build. 

http://www.esf.edu/efb/turner/old%20site/termite/stigmergy%20%26%20complexity.html

°

Terrigenous sediments: Sediments formed on land, and also sediments that have come from the land surface but are deposited in the sea.

°

Test: The proper word to use when referring to various creatures’ (e.g. echinoids and forams) shells or skeletons.

°

** Till: Another name used for ‘drift’ or ‘boulder clay’.

°

Trace fossils: Fossils of impressions, track-ways etc. and not of actual animals.

**

Type locality: A location that has been chosen to be a standard to which other locations with the same rock units can be compared. Usually type localities best display the rock units in question.

**

Unconformity: Put most simply, an unconformity usually presents itself as a break in deposition. This is most easily seen when there has been some folding of the older rocks, before new sediments are deposited – leading to horizontal bedding sitting on top of folded bedding.

**

Undercutting: Where the base of a cliff or river bank etc. is eroded at a faster rate than the material above. At a certain point in time, a section of the structure will collapse due to a lack of support from below.

**

Uniformitarianism: The concept that the present is the key to the past. For instance if current bedded sediments can be observed at the present to have been deposited by rivers then it stands to reason that current bedding in rocks many millions of years old will also be due to sediment deposition in rivers.

**

Varve: A layer or suite of layers deposited over a period of a year. These may be encountered when investigating lake sediments for instance. Larger particles will be washed into lakes in the winter when there is more rain and smaller particles in the summer – producing a pronounced banding effect in the accumulated material.

**

Vein: An accumulation of minerals along a fault or a joint. The minerals are usually igneous in origin.

°

Venericor planicosta.

Zwinkokkel // algemeen aan de  zwin monding  : Een karakteristieke schelpensoort voor het Eoceen

**

Weathering: The process whereby rocks are broken down by such forces as wind, rain, temperature changes, bacteria, chemical attack and plants etc. Weathering affects rocks in situ.

**

Wind erosion:

Erosion caused by wind-born particles. Usually encountered in arid locations.

________________________________________________________________________________________________

Zaadvarens

  • Zaadvarens is een vormtaxon van op het eerste zicht veel op varens gelijkende, uitgestorven planten. De voortplanting geschiedde door middel van zaadknoppen. De zaadknop bestaat daarbij uit een door één of twee integumenten omgeven megasporangium. Wikipedia

Polypodiophyta = Psilopsida = Varens komen ook al voor in het Devoon.
Vb: Pecopteris en Neuropteris,zaadvarens. Overvloedig in het Carboon.

Pecopteris

Meer afbeeldingen

Rock Type: Gray shale/ Formation: Allegheny/ Interval: 5-Block seam/ Age: Middle Pennsylvanian Period, approx. 303 million years.

Neuropteris is a fossil seed fern charactrerized by leaflets that were usually blunt-tipped and usually attached to the base at a single point (as opposed to the entire leaflet). The leaflets are also often heart-shaped at their base.

The leaf itself terminates in a single leaflet.

Paripteris is the name given if it terminates in a pair of leaflets.

Large, totally different-looking Neropteris leaflets, oval-round in shape, are often found attached to the stem. When these distinctive leaflets are found detached, they are given the nameCyclopeteris.

Location: Wayne County, West Virginia; Rollem Fork Surface Mine #2, located about 8.5 miles west of Atenville, West Virginia. Take Route 68 west for 3 miles, turn left on Route 68 / 1 (Francis Creek Road) and drive approximately 6 miles. Just before Frances Creek empties into Kiah Creek a dirt road branches off to the right up a small hill. Site is 1 mile up this dirt road on the right.

http://www.catnapin.com/Fossil/Plants/ffPennsylvanian.htm

  • Pecopteris is een vormgeslacht van fossiele plantenbladeren, dat verschillende niet-verwante groepen planten beslaat. Wikipedia

Afbeeldingen van neuropteris

NeuropteNeuropteris sp.Neuropteris sp close up

SOES Geology Collection / Fossils / Plants / Carboniferous / Neuropteris sp.
Group: Pteridosperms        Horizon: Coal Measures     Location: Somerset
Photographs © Barry Marsh SOES

Sphenopteris een zaadvaren. Carboon.

Sphenopteris. Zaadvaren uit het Carboon.

http://en.wikipedia.org/wiki/Sphenopteris

Afbeeldingen van sphenopteris

During most of the Pennsylvanian (325 to 286 million years ago), long before the dinosaurs, a large portion of North America supported lush, swampy forests. Lycopods made up the largest component of these forests and achieved gigantic size, growing to heights of more than 130 feet with supporting trunks measuring up to 6 feet or more in diameter. These plants are also called “scale trees” because of the distintive diamond-shaped leaf scars that cover their outer bark midsection. Neuropteris, Sphenopteris, and Lyginopteris were three of the many of genus of pteridosperms or seed ferns. The seed ferns had undergone a large radiation, and many, many species existed, most of which have not been scientifically described in the fossil record. Now extinct, these diverse plants had foliage closely resembling that of modern ferns, but they reproduced by means of seeds rather than spores as modern ferns do today. Some grew to be 50 feet tall. The period from the Mississippian through the Pennsylvanian is often called the Age of Ferns.

The fern fossils here are from a new locality, recently determined by scientists to be part of the Fire Creek Formation, located in Southeastern West Virginia (the formation overlays the Pocahontas Formation that also contains a prominent coal seam. A another striking aspect of these fossil ferns is the coloration, and their contrast with the muddy shale, making for a beautiful display in earth tone colors. Another aspect is the detailed articulation of the venation of the delicate ferns.

This plant fossil is a huge specimen that is full of delicate Spenopteris fern fronds as well as small and large stem. The colors and contrast are quite striking.

Sphenopteris sp.   Lower Pennsylvanian (300 million years old) //   mm (25.4mm=1 inch): 9 by 5,5 inches; 1.7 inches think/Fire Creek Formation, Dawson County, Coal Country West Virginia (a new locality)

Click pix to enlarge

_________________________________________________________________________________________________
Zaagvissen 

  • De zaagvissen is de enige familie uit de orde Pristiformes. Binnen deze familie vallen twee geslachten met daarbinnen zeven soorten. Ze moeten niet verward worden met de zaaghaaien die wel op zaagvissen lijken maar tot de haaien behoren. Wikipedia
    GIANT SAWFISH ROSTRUM
    Pristis sp.
    Bangladesh
    The most eye-catching feature of the sawfish is its saw-like snout, called a rostrum. The rostrum is covered with motion- and electro-sensitive pores that allow the fish to detect movement and even the heartbeat of potential prey buried in the ocean floor. The rostrum acts like a metal detector as the sawfish scours the bottom of the ocean floor in search of hidden food. Once successful, the rostrum is then used as a digging tool to unearth buried crustaceans. At other times, when a tasty morsel swims by, the normally lethargic sawfish will spring into action and slash furiously with its saw. This generally stuns or injures the prey sufficiently for the sawfish to devour it without much resistance. Sawfishes have also been known to defend themselves with their rostrum against predators (like sharks) and intruding divers. The “teeth” protruding from the rostrum are not real teeth, but modified denticle scales. The Large Tooth Sawfish is the largest species of sawfish and can reach lengths of over 23 feet and weigh over 5000 pounds
    °
    FOSSIELE “zaagvissen ‘ 
    Snuit van een zaaghaai.
    (mergelgroeve in Maastricht) fossiele snuit van een zaagvis                                                                                                                 De vis, een zogeheten Ganopristis leptodon, leefde naar schatting 66 miljoen jaar geleden.

    Steenkern snuit. Foto Sjir Renkens

    Ganopristis leptodon, was tot dusver alleen bekend van zijn tanden en van de tandvormige stekels op zijn snuit. Hij behoort tot de Sclerorhynchidae, een uitgestorven familie vanmiddelgrote zaagvissen, die op hun beurt tot de roggen behoren. Deze dieren leken op de nog levende zaagvissen (Pristidae) en zaaghaaien (Pristiophoridae).

    De familieleden van deze zaagvis zijn alleen bekend uit het Krijt; ze kwamen voor van het Barremien tot en met het Maastrichtien, dus van circa 130 tot 65 miljoen jaar geleden. Fossielen – vooral tanden en stekels van de snuit – zijn gevonden in Europa, Afrika, het Midden-Oosten, Azië, Noord- en Zuid-Amerika. Delen van het rostrum (de verlengde zaagvormige snuit) worden zelden gevonden. Min of meer complete skeletten van andere zaagvissoorten zijn zeer zeldzaam en alleen uit Libanon en Jordanië bekend.

    Uit het Maastrichtien (72 miljoen tot 66 miljoen jaar geleden) van Limburg kennen we alleen de soort Ganopristis leptodon. Limburg is daarmee vermoedelijk het noordelijkste voorkomen van deze soort. Buiten Limburg zijn tanden en stekels van deze soort alleen bekend uit het Maastrichtien van Spanje, Marokko, Egypte en Israel.

    Dit is de eerste vondst van een Ganopristis- rostrum en mogelijk zelfs de eerste vondst van eenSclerorhynchidae-rostrum in Europa. In de wetenschappelijke literatuur wordt vaak geschreven dat de leden van deze familie maximaal 1 meter lang werden, maar aangezien dit Limburgse rostrum een lengte van ruim 75 cm heeft, is een maximale lengte van 2 tot 2,5 meter waarschijnlijker.

    Roggen zijn – net als haaien – kraakbeenvissen, en in de Limburgse kalksteenafzettingen fossiliseert kraakbeen niet of nauwelijks. Tot dusver zijn slechts een handvol haaienwervels en wat kraakbeenfragmentjes bekend.

    ONCHOPRISTIS NUMIDUS zaag haai /krijt 
    undefined

ZAAGHAAIEN  =

Pristiophorus cirratus

Requin Pristiophorus cirratus naturalisé ( 013 )

  • De zaaghaaien vormen een orde van de klasse kraakbeenvissen met een kenmerkende, lange en zaag-achtige snuit. Er is één familie binnen deze orde, de zaaghaaien. Wikipedia
___________________________________________________________________________________________________

Zone fossil: A fossil species that characterises a certain zone and is not found outside of it.

http://www.ukfossils.co.uk/resources/glossary.html

Definitions adapted from A Dictionary of Geology by D. G. A Whitten and J. R. V. Brooks. Published by Penguin Books Ltd, 1972

__________________________________________________________________________________________________

Palaeontology [online] is being supported financially by

The Palaeontological Association (PalAss).

PalAss Logo and link to Palaeontology </p><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /><br /> <p>OnlineThe Palaeontological Association was founded in 1957 and has become one of the world’s leading learned societies in this field. The Association is a registered charity that promotes the study of palaeontology and its allied sciences through publication of original research and field guides, sponsorship of meetings and field excursions, provision of web resources and information and a program of annual awards.

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

8 Responses to Woordenlijst paleontologie F / Z

  1. Pingback: GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL A | Tsjok's blog

  2. Johna614 zegt:

    I like this weblog very much so much good info. It’s a poor sort of memory that only works backward. by Lewis Carroll. egdbkfededdk

  3. Johnd317 zegt:

    Hi there! Would you mind if I share your blog with my myspace group? There’s a lot of people that I think would really appreciate your content. Please let me know. Many thanks gdkeaddagaee

    • tsjok45 zegt:

      to johnd317

      Thank you , for your appreciation

      (To all readers )
      Share anything of these contents you want and like to share …
      However
      ….. don’t ever forget to give a link to this source (= if you are “quoting” ….the Link to the article
      will provide the original “context ” of the quote )

      Greetings

  4. Smithk989 zegt:

    There is visibly a bundle to realize about this. I assume you made certain nice points in features also. abkfedcdeagdgbad

  5. Johnk252 zegt:

    you are in point of fact a just right webmaster. The site loading velocity is amazing. It sort of feels that you are doing any distinctive trick. Furthermore, The contents are masterpiece. you’ve performed a magnificent process in this subject! eeaaeefekgea

  6. Smithb228 zegt:

    You are my breathing in, I possess few blogs and very sporadically run out from to brand. edacekdfafbfkebc

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: