Planeet aarde


zie onder Geologie

AardePLANEET  AARDE

http://www.worldwidebase.com/science/aarde.shtml

 Is één van de planeten van het Zonnestelsel, naar grootte de vijfde, naar afstand tot de zon de derde onder de hoofdplaneten. De Aarde heeft één satelliet, de Maan; het stelsel Aarde–Maan wordt ook wel als een dubbelplaneet opgevat. Tot de planeet Aarde behoren ook de atmosfeer en de magnetosfeer (zie aardmagnetisme).Hoewel Aarde, Maan en Zon strikt genomen eigennamen zijn van hemellichamen (zoals Mars, Deimos en Sirius), is het ongebruikelijk deze drie eigennamen met een hoofdletter te schrijven indien zij niet nadrukkelijk als eigennaam worden gebruikt.

Earth.jpg

Geschiedenis van de aarde
Het ontstaan van de aarde is onverbrekelijk verbonden met de geschiedenis van het zonnestelsel. De aarde neemt daarin een bijzondere plaats in. Zij is groot genoeg om een atmosfeer vast te houden. Zij beweegt zich op een dusdanige afstand van de zon dat aan de buitenzijde een temperatuur bestaat waarbij water in vloeibare vorm aanwezig is. Deze combinatie van factoren, die bij geen van de andere binnenplaneten wordt aangetroffen, is van wezenlijk belang voor de aardgeschiedenis. Zij berust op de voortdurende wisselwerking tussen de vaste aarde, de hydrosfeer, de atmosfeer en het leven. Radioactieve warmte (in de loop van de aardgeschiedenis geleidelijk afgenomen) en zonnestraling (geleidelijk toegenomen) vormen de energiebronnen voor de aarde.

De Aarde ontstond zowat 4,5 miljard geleden.
Het is geen echte bol, omdat de polen lichtjes afgeplat zijn.

Polaire straal: 6.356.8 kilometer
Equatoriale straal: 6.378.2 kilometer
Oppervlakte: 510.100.000 vierkante kilometer
Volume: 1.083.000 miljoen kubieke kilometer


Het diepste gat dat men tot nu toe in de aardkorst heeft geboord, bedroeg 15 km.
Dat is slechts een speldeprikje in het oppervlak van de reusachtige wereldbol, met een diameter ban 12.756 km, waarop wij leven.

Onze rechtstreekse waarneming is beperkt tot de gesteenten in de aardkorst, het water in de oceanen en de gassen in de atmosfeer die de Aarde omringt.
Wat de geologen over het binnenste van onze planeet weten, komt uit de tweede hand, zoals de patronen van aarbevingsgolven die door de aarde gaan.

We kunnen ook de samenstelling van meteorieten analyseren.
In de veronderstelling dat die op dezelfde manier ontstaan zijn als de Aarde en de rest van het zonnestelsel, kunnen we daaruit enkele conclusies trekken over de materialen die diep onder ons in het binnenste van de Aarde voorkomen.

De aarde vanop de maan   De aarde gezien, vanop de maan Een ruimtevaarder maakte deze foto.
op de maan….  je ziet een halve bol aan de hemel.
Het is de helft van de aarde, de zon schijnt erop.
De andere helft zie je niet daar is het donker.
Oorsprong van de aarde
Most Amazing High Definition Image of Earth - Blue Marble 2012 Southeastern United States True-Color Image of Southeastern United States from NASA's Newest Earth Observing Satellite Suomi NPP First Global Image from VIIRS NASA's NPP Satellite Acquires First VIIRS Image NASA's NPP Satellite Acquires First VIIRS Image
 NPP Delta II Launch NPP Delta II Launch NPP Delta II Rollback NPP Readies for Launch This Delta II will carry NASA's National Polar-orbiting Operational Environmental Satellite System Preparatory Project (NPP) satellite into space NPP's Solid Rocket Motor
 NPP's Solid Rocket Motor Techs Lift a solid rocet motor to the Delta II NPP's Rocketdyne Engine NPP's Delta II Arrives at Vandenberg Air Force Base NPP Post Thermal-Vac Testing Ball Completes Integration of CrIS Sensor
 vertical after EMI 5 Satellite in EMI chamber

aarde-plasma

Een foto van de plasmasfeer van de aarde door de chinese maanlander  Chang’e 3  is op 16 december 2013 gemaakt en toont de aarde in extreem ultraviolet licht. Hierdoor is de plasmasfeer  van onze planeet goed zichtbaar.

Universe Today.

http://www.scientias.nl/voor-het-eerst-veertig-jaar-zien-onze-planeet-vanaf-het-maanoppervlak/96670

Ontstaan van de aarde

Het zonnestelsel – de zon en haar planeten – ontstond uit een roterende massa van gas en stof

  1. Door de rotatie begon deze massa in te krimpen en verzamelde het materiaal zich in het centrum.
  2. Kernreacties in dit centrum resulteerden in de eerste zonnestralen..
  3. De planeten werden gevormd toen de rest van het stof zich verzamelde in draaikolken (4)
  4. Bij de vorming van elke planeet zonk het zwaarste materiaal naar het centrum en bleven de lichtere vaste stoffen, voeistoffen en gassen aan de buitenkant achter.
    Door de warmte die tijdens deze vormingsfase werd opgewekt, bleef het aardoppervlak lang een vulkanische brij.
    Na miljoenen jaren koelde het af en ontstond de atmosfeer.

Ontstaan van het zonnestelsel

Zonnestelsel.
De geologische tijdschaal

Geologische perioden
De geologische tijd wordt in drie grote eenheden (aeonen) verdeeld: Archaeïcum (tot 2500 miljoen jaar geleden), Proterozoïcum (van 2500 tot 590 miljoen jaar geleden) en Phanerozoïcum (vanaf 590 miljoen jaar geleden). Deze grenzen zijn arbitrair. De grens tussen Archaeïcum en Proterozoïcum berust op de ontwikkeling van de aardkorst, terwijl de grens tussen Proterozoïcum en Archaeïcum het ontstaan van het leven markeert. De oudste nu bekende gesteenten zijn 3960 miljoen jaar oud. Er blijft dus een interval van 600 miljoen jaar, waarover langs geologische weg nagenoeg niets bekend is.

Als we het over de ouderdom van de Aarde hebben en de opeenvolgende fasen in haar evolutie, dan rekenen we met enorm lange tijdsperioden die miljarden jaren omvatten.

In feite kunnen we de geschiedenis van de Aarde in twee grote fasen opsplitsen.
Het Fanerozoïcum beslaat de laatste 590 miljoen jaar en heeft een heleboel dingen nagelaten in de vorm van fossielen.
Het Precambrium omvat alles wat eraan voorafging, tot aan het ontstaan van de Aarde zowat 4.500 miljoen jaar geleden.
De recentste onderzoekingen suggereren dat er al leven op Aarde was sedert het ontstaan van de vaste gesteenten en de oceanen.

Planeten ter grootte van de aarde komen veel voor

28 oktober 2010 
 Ongeveer één op de vier zonachtige sterren heeft planeten ter grootte van de aarde. Dat schrijven onderzoekers van de universiteit van Californië in Berkeley vrijdag in Science.

De astronomen baseren deze conclusie op een vijf jaar durende waarnemingscampagne met de 10-meter Keck-telescoop van 166 zonachtige sterren op afstanden van minder dan tachtig lichtjaar.

Bij slechts 22 van deze sterren zijn één of meer planeten ontdekt (33 in totaal), maar de massaverdeling van deze exoplaneten laat wel iets bijzonders zien.

Superaardes

Uit statistische analyse van de steekproef blijkt dat maar één à twee procent van alle zonachtige sterren planeten ter grootte van Jupiter heeft, zes procent heeft één of meer planeten ter grootte van Neptunus en twaalf procent heeft ‘superaardes’ met massa’s van drie tot tien aardmassa’s.

Kleinere exoplaneten zijn momenteel nog niet waarneembaar, maar de trend is duidelijk: bij zonachtige sterren komen lichte planeten vaker voor dan zware.

Aardachtig

Extrapolatie van deze getallen leert dat iets minder dan een kwart van alle zonachtige sterren planeten ter grootte van de aarde zal hebben.

Daarbij gaat het overigens alleen om exoplaneten met omlooptijden van minder dan vijftig dagen. Het is niet ondenkbaar dat er op grotere afstand van deze sterren procentueel nog meer aardachtige planeten te vinden zijn.

.


Baanvlak 
Gedurende de gehele omloop om de zon blijft de aardas in dezelfde stand; derhalve blijft ook het baanvlak van de aarde steeds een hoek vormen met het equatorvlak. Denkt men zich dit laatste uitgebreid tot het hemelgewelf, dan vormt de snijlijn van het equatorvlak met het hemelgewelf de hemelequator. De snijlijn van het aardbaanvlak met het hemelgewelf is de ecliptica. Uit de helling van het equatorvlak met 23°26¢ ten opzichte van het aardbaanvlak volgt dat ook beider projectie op het hemelgewelf een zelfde hoek vertoont, de zgn. helling van de ecliptica. De helling van de ecliptica ondergaat ingevolge de precessie kleine veranderingen; zij kan in de loop van een langere periode variëren van 21°55¢ tot 24°36¢. Uit de helling van de ecliptica vloeien de afwisseling van de jaargetijden en de ongelijke lengte van dag en nacht voort. Bovendien bewerkt de constante scheve stand van de aardas gedurende de loop om de zon, dat afwisselend elk van de beide halfronden het ene halfjaar naar de zon is toegewend, het andere van de zon afgewend. Ecliptica en hemelequator snijden elkaar in twee diametraal tegenover elkaar liggende punten, de punten van dag- en nachtevening, ook aangeduid als resp. lentepunt en herfstpunt. Wanneer de zon (schijnbaar) in zo’n equinox staat, dan gaat zij precies in het oosten op en in het westen onder, de dagboog die zij dan beschrijft is gelijk aan de nachtboog, dag en nacht zijn dan derhalve even lang.

Ouderdom
De ouderdom van de aarde als zelfstandig lichaam kan alleen langs indirecte weg worden afgeleid uit de verhouding van de stabiele loodisotopen 206Pb en 207Pb, die ontstaan als eindproduct van radioactief verval van resp. 238U en 235U. Door het verschil in halveringstijden (resp. 4460 en 700 miljoen jaar) verandert de verhouding in de loop van de tijd. Uit de nu bestaande verhouding kan de verlopen tijd worden berekend, indien de uitgangsverhouding bekend is. Deze wordt gevonden uit de verhouding in bepaalde meteorieten (chondrieten), die geen radioactieve moederelementen bevatten en mogen worden beschouwd de oorspronkelijk verhouding weer te geven. Naast de isotopen 206Pb en 207Pb wordt ook de niet radiogene loodisotoop 204Pb gebruikt. Langs deze weg vindt men een ouderdom van 4540 miljoen jaar. Dit getal wordt ondersteund door ouderdomsbepalingen van radioactieve meteorieten en van gesteente van de Maan.

Zomer- en winterhalfjaar 
Aan de ellipsbaan zijn twee bijzondere punten te onderscheiden, het perihelium, dat is het dichtst bij de zon gelegen punt, en het aphelium, het verst van de zon gelegen punt. De aarde passeert het perihelium omstreeks 2 jan., het aphelium omstreeks 3 juli. Dit houdt in dat de aarde in januari ca. 5 miljoen km dichter bij de zon staat dan in juli, waardoor de verschillen tussen gemiddelde wintertemperatuur en gemiddelde zomertemperatuur op het noordelijk halfrond geringer zijn dan op het zuidelijk halfrond. Volgens de tweede wet van Johannes Kepler beweegt de aarde zich in het perihelium sneller dan in het aphelium. Ons zomerhalfjaar duurt dan ook 8 dagen langer dan het winterhalfjaar (op het zuidelijk halfrond is het juist andersom). Bovendien heeft deze variatie in baansnelheid tot gevolg dat de duur van de ware zonnedag in de loop van het jaar niet steeds dezelfde is.

Schijnbare zonsbeweging
In de oudheid meende men dat de zon deze cirkel inderdaad aflegde, maar Nicolaus Copernicus heeft in 1543 duidelijk gemaakt, dat ook die beweging een schijnbare is. De beweging der planeten, van maan en kometen kan men alleen maar op bevredigende wijze verklaren door aan te nemen dat de aarde een der planeten is en zich om de zon beweegt, terwijl die zon in dit geval als stilstaand referentiecentrum kan worden beschouwd. De schijnbare beweging van de zon ontstaat doordat men de zon telkens tegen de achtergrond van een ander gedeelte van de sterrenhemel waarneemt, op gelijke wijze als men vanuit een rijdende trein een boom in het landschap ziet ‘meebewegen’ ten opzichte van de horizon. James Bradley vond in 1728 een treffende bevestiging van de uitspraak van Copernicus, doordat hij de aberratie van het licht ontdekte. Pas in de vorige eeuw lukte het de sterrenkundigen voldoende precies waarnemingen te verrichten om het gevolg van de aardbeweging ook bij vaste sterren vast te stellen door de jaarlijkse parallax van een aantal vaste sterren te meten.

Ellipticiteit 
Volgens de eerste wet van Kepler (1609) vormt de baan van de aarde een ellips. De Zon staat in een van de brandpunten. De afmetingen van de aardbaan zijn echter niet volkomen vast, omdat haar ligging en vorm ten gevolge van de op de aarde werkende storingen van in de buurt gelegen andere hemellichamen veranderingen ondergaan. De lengte van de halve grote as (ook wel de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon genoemd) geldt als astronomische eenheid en wordt gewoonlijk op 149, 6 miljoen km gesteld. De ellipticiteit van de baan wordt uitgedrukt door middel van de numerieke excentriciteit (de halve afstand tussen de brandpunten gedeeld door de halve grote as). Deze neemt momenteel af met 0, 000!043 per eeuw en bedraagt thans 0,016!745. Op basis van deze waarde kunnen de baangegevens worden berekend. Ook de ligging van de aardbaan in de ruimte is veranderlijk.

1. Vorm en grootte
De aarde heeft ongeveer de vorm van een bol, een feit dat reeds in de oudheid bekend was (Pythagoras, 6de eeuw v.C., Aristoteles, 4de eeuw v.C.), doch dat later in vergetelheid raakte, zodat in de middeleeuwen aan de aarde de vorm van een min of meer platte schijf werd toegedacht. Zonder bijzondere hulpmiddelen is de bolvorm te constateren o.a. uit de begrenzing van het blikveld door de horizon en het verdwijnen van schepen achter de kim, uit de cirkelvormige schaduw op de maan bij maansverduistering (zie eclips) en uit het feit dat de hoogte van de poolster toeneemt naarmate men naar het noorden gaat. De kromming van de aarde komt gemiddeld ongeveer overeen met die van een bol met een straal van 6370 km. Denkt men zich een plat vlak rakend aan de ‘aardbol’, dan zal op 1 km afstand van het raakpunt de bol 7,8 cm van het vlak verwijderd zijn; de verwijdering neemt in eerste instantie kwadratisch toe met de afstand. Voor afstanden tot enkele tientallen kilometers kan men bij benadering stellen dat het middelpunt van een rechte verbindingslijn tussen twee punten op zeeniveau op ca. 2a2 cm onder zeeniveau ligt, indien de afstand tussen de beide punten a km bedraagt.
1.1 Geoïde
Bij beschouwingen over de vorm van de aarde ziet men af van het zichtbare reliëf van de landmassa’s, en men beschouwt als aardfiguur het oppervlak van de in rust gedachte zeeën en oceanen, dat men zich onder de continenten voortgezet denkt. Dit oppervlak, geoïde genaamd, is het niveauvlak of equipotentiaalvlak van de zwaartekracht op gemiddeld zeeniveau; het staat in elk van zijn punten loodrecht op de richting van het schietlood ter plaatse. De geoïde is veel gladder dan het onregelmatige zichtbare aardoppervlak, maar de vorm, die bepaald wordt door de massaverdeling in de aarde en door de aardrotatie, is toch betrekkelijk grillig. De aardrotatie is de oorzaak van een aanmerkelijke afwijking van de bolvorm, namelijk afplatting aan de polen en uitstulping bij de equator: de pooldiameter is 42,8 km korter dan de equatoriale diameter. De vorm kan goed worden benaderd door een omwentelingsellipsoïde met de korte as tot omwentelingsas. Onder bepaalde onderstellingen omtrent de verdeling van de aardmassa kan men afleiden dat de ellipsoïdevorm theoretisch overeenkomt met de evenwichtsvorm die deze massa aanneemt onder invloed van de zwaartekracht.
1.2 Ellipsoïde
Voor veel doeleinden is het voldoende als grondfiguur van de aarde een omwentelingsellipsoïde te nemen en de afwijkingen tussen deze ellipsoïde en de geoïde te verwaarlozen. Bij een nauwkeurige beschrijving van de vorm van de aarde gaat het echter juist om deze afwijkingen; men kiest daarbij een zorgvuldig gedefinieerde omwentelingsellipsoïde als referentie-oppervlak. De keuze van een referentie-ellipsoïde betreft zowel de halve lange as a en de afplatting f als de plaats van het middelpunt ten opzichte van het zwaartepunt van de aarde; de omwentelingsas is evenwijdig aan de gemiddelde poolas. Met een ellipsoïde met drie verschillende assen kan een iets betere aanpassing worden verkregen aan hetgeen omtrent de vorm van de geoïde bekend is, maar de geoïde wijkt ook hiervan nog zoveel af dat de wat betere aanpassing niet opweegt tegen het gemak dat een omwentelingsellipsoïde geeft bij berekeningen. Voor geodetische en cartografische doeleinden zijn daarom uitsluitend omwentelingsellipsoïden in gebruik. Veel toegepast is de in 1924 vastgestelde Internationale ellipsoïde. In 1967 werd door de Union Géodésique et Géophysique Internationale (UGGI) aanbevolen voor wetenschappelijke doeleinden een ellipsoïde te gebruiken. De geoïde wijkt nergens meer dan ongeveer 100 m af van een in het zwaartepunt van de aarde gecentreerde ellipsoïde; overigens gebruikt men ook wel enigszins verschillende waarden. Er zijn vele geoïdeberekeningen uitgevoerd, vooral sinds er met behulp van satellieten veel informatie is gekomen over het zwaartekrachtveld van de aarde. De resultaten stemmen in hoofdzaken overeen, maar er zijn onderlinge verschillen die worden veroorzaakt door het gebruik van verschillende referentie-ellipsoïden, verschillende berekeningswijzen en verschillend, steeds omvangrijker waarnemingsmateriaal.

2. Massa
De massa (de hoeveelheid materie) van de aarde werd het eerst bepaald door Maskelyne in 1744, door de aantrekkingskracht van de aarde met die van een berg te vergelijken. In nauwkeurigheid staat deze methode ver achter bij moderne laboratoriummetingen. Het bepalen van de massa van de aarde is een toepassing van de algemene aantrekkingswet van Isaac Newton. Deze zegt dat twee lichamen elkaar aantrekken met een kracht die evenredig is met hun massa’s en omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand van hun zwaartepunten (zie bij gravitatie). Sedert de 18de eeuw zijn verscheidene experimenten opgezet om op basis hiervan de massa van de aarde te berekenen. Reeds in 1798 bepaalde Lord Henry Cavendish een tamelijk nauwkeurige waarde voor de gravitatieconstante en berekende daaruit de massa van de aarde; in 1881 voerde Ph.J.G. van Jolly proeven met dit doel uit en vond een waarde die slechts 2% hoger ligt dan de 5, 98 × 1024 kg waarop de massa van de aarde tegenwoordig wordt gesteld. De massa van de aarde verhoudt zich tot de massa van de zon als 1:332!946.

3. Het inwendige 
De oudste uitspraak over de structuur van het inwendige van de aarde is, voor zover bekend, de mening van Plato. Volgens Plato bestaat de aarde uit een gloeiendvloeibare substantie, omgeven door een dunne gestolde korst; op verschillende zwakke plaatsen wordt de korst doorbroken en treedt de inwendige materie door de vulkanen als magma naar buiten. De seismologie heeft geleerd dat de aarde voor het grootste gedeelte vast is (ondanks het voorkomen van een zekere mate van beweeglijkheid). De trillingen die bij de aardbevingen worden uitgezonden, en die de gehele aardbol kunnen doorstralen, hebben het bewijs geleverd dat de aarde is opgebouwd uit een aantal concentrische schillen, en daarom kan worden vergeleken met een steenvrucht. Men kan spreken van de aardkorst als de dunne opperhuid die de aarde omgeeft, van de aardmantel die verreweg het grootste gedeelte uitmaakt, en van de aardkern als het centrale deel.

Het inwendige van onze planeet.


Als we de Aarde zouden doorsnijden, zouden we zien dat ze net als een ui bestaat uit cirkelvormige lagen.
Het gedrag van schokgolven tijdens aardbevingen bevestigt dat.

binnenkant aarde

Bij de kern aangekomen, is het nog steeds de vraag hoe de kern er uit ziet of werkt. ?

Qua levensverwachting kan het nog miljarden jaren duren voor de kern volledig is afgekoeld en tenslotte uitgedoofd .( zeker  wanneer je van wrijvingswarmte uitgaat )
Echter ;
“The vast majority of the heat in Earth’s interior—up to 90 percent—is fueled by the decaying of radioactive isotopes like Potassium 40, Uranium 238, 235, and Thorium 232 contained within the mantle.
These isotopes radiate heat as they shed excess energy and move toward stability. 
The amount of heat caused by this radiation is almost the same as the total heat measured emanating from the Earth.”

http://phys.org/news62952904.html

Hete Aardkern

26 april 2013  4

Twintig jaar geleden leek een meting aan te geven dat het binnen in de aarde wel 5000 graden Celsius warm was. Nu komen wetenschappers tot de ontdekking dat de temperatuur toch nog 1000 graden hoger ligt: 6000 graden dus.

De aarde bestaat uit een aantal lagen: de korst, de bovenste en onderste mantel, de buitenkern en de vaste ijzeren kern.

De temperaturen van de buitenkern rijzen al boven de 4000 graden. Hierdoor is het ijzer in deze kern zo vloeibaar als water. De echte aardkern, dus het centrum van de aarde waar de temperatuur nog hoger is, staat onder zo’n hoge druk dat deze kern bestaat uit vast ijzer. Een ontzettend vaste, harde en hete bal ijzer dus. Het temperatuurverschil tussen de kern en de mantel en het draaien van de aarde fungeren samen als een soort dynamo waardoor de aarde een magnetisch veld krijgt. Wetenschappers kwamen tot de dichtheid van de kern en de druk hierin door analyses van seismische golven. Maar de temperatuur – die ook van invloed is op de vloeibaarheid – moest toch echt op een andere manier worden achterhaald.

IJzer smelten
Echt meten binnenin de aarde gaat natuurlijk niet en daarom gingen wetenschappers aan de slag met de feiten die ze wel boven tafel hadden: de dichtheid en de druk. Ze onderwierpen ijzer aan een test om het smeltpunt vast te stellen bij verschillende niveaus van druk. Welbeschouwd bootsten ze de situatie in het hart van de aarde in het laboratorium na. Ze stelden het ijzer bloot aan enorme druk – zoals de ijzeren kern ook onder druk van de vloeibare kern staat – door het ijzer tussen twee diamanten samen te persen. Met behulp van een laser werd het ijzer vervolgens verhit.

Zo ontdekten de onderzoekers dat de temperatuur tussen de buitenkern en de vast ijzeren kern tussen de 5500 en 6500 graden Celsius ligt. Dat schrijven ze in het blad Science. Het temperatuurverschil tussen de kern en de mantel is hierdoor groter dan gedacht.

De nieuwe meting bevestigt wat geofysische modellen eerder verklaarden: voor het magnetische veld van de aarde is een temperatuurverschil van 1500 graden Celsius of meer nodig tussen de buitenkern en aardkern. Twintig jaar geleden kwam dit niet overeen met de temperatuurmeting van wetenschapper Reinhard Boehler.

Hij kwam toentertijd uit op een hitte van de aardkern van 5000 graden Celsius. Waarschijnlijk interpreteerde hij bij zijn experiment de herkristallisatie aan het oppervlak van het ijzermonster als smelten.

Bronmateriaal:
 The Earth’s Centre is 1000 Degrees Hotter than Previously Thought” – European Synchrotron Radiation Facility (ESFR).

Binnenkern
De vaste massa in het centrum van de aarde, met een straal van 1.600 km, is waarschijnlijk een zware klomp samengeperst ijzer met kleine hoeveelheden andere metalen, zoals nikkel.

Buitenkern
De buitenkern, 1.820 km dik, is de enige vloeibare laag in de Aarde.
Ze bestaat voornamelijk uit gesmolten ijzer.
De constante circulatie van dat ijzer is de oorzaak van het magnetische veld van de Aarde.
De mantel
De mantel beslaat het grootste deel van de Aarde, zowat 82 procent van haar volume.
Hoewel nabij de grens met de korst een zachtere laag voorkomt, bestaat hij uit vast materiaal, rijk aan siliciumdioxyde.

Aardkorst
Het lichtste materiaal vormt aan de buitenkant een korst van een paar tientallen kilometers dik.
Er zijn twee soorten korsten: een granietachtige korst die de continenten vormt en een zwaardere magnesiumrijke korst onder de oceanen
3.1 Aardkorst 
De aardkorst is een schil van betrekkelijk lichte gesteenten. De continentale korst is 30 tot 50 km dik en bestaat in het algemeen uit een laag van gesteenten die wat de seismische snelheid betreft veel lijken op graniet of granodioriet. Omdat in deze gesteenten veel silicium en aluminium voorkomen, wordt dit materiaal ook wel aangeduid met de naam sial. Onder de eerste laag bevindt zich soms een tweede, waarvan de seismische snelheid doet denken aan een zwaarder gesteente zoals basalt en gabbro. Vanwege de daarin aanwezige silicium- en magnesiummineralen wordt dit de sima-laag genoemd. Afwijkingen van deze standaardkorst vindt men onder gebergten, waar een gebergtewortel aanwezig kan zijn, zodat de totale aardkorst daar een dikte kan hebben van 60 km.
De oceanische korst is veel dunner; onder een sedimentlaag van ca. 1 km dikte bevindt zich ongeveer 5 km basalt. Een verdikte oceaanbodem wordt geconstateerd onder vulkanische eilanden, zoals Hawaii. De aardkorst is hier doorgebogen onder het gewicht van de uitgestroomde vulkanische massa die dit eiland en andere van dezelfde soort gevormd heeft, en de onderkant van de aardkorst ligt daar op abnormaal grote diepte.
De structuur van de aardkorst is zodanig dat deze als geheel in drijvend evenwicht verkeert ten opzichte van het daaronder liggende gesteente (isostasie).

Hoe ziet de aarde eruit?

2/3 van de aarde wordt bedekt door water, 1/3 deel is dus land.
Op de globe zie je drie  oceanen.
De grootste is de stille zee of grote oceaan.
De Atlantische en de Indische Oceaan komen op de tweede en derde plaats.

Er zijn zeven grote stukken land.
Het zijn: Europa, Afrika, Azië, Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Antartica.
Antartica ligt op de zuidpool, het is met ijs bedekt.

moeras
Boven: Een moeras
De zandbodem is verzadigd met water, hij is dus niet meer stevig.
.

Midden op de oceaan is de diepte vier- tot zesduizend meter, er zijn een paar geulen die dieper zijn.De diepte is daar wel meer dan 10.000 meter.
Bergen kunnen hoog zijn, de hoogste op aarde is 8880 meter.
Meerdere bergen vormen een gebergte.
Een gebergte tussen de 500 en 1500 meter hoog is een middelgebergte, dat vinden we in België.
In Nederland zijn geen bergen.
Bergland van meer dan 1500 meter hoog is een hooggebergte.
De Alpen vormen een hooggebergte.
De hoogste berg van Europa ligt in Frankrijk, het is de Mont Blanc, deze is 4810 meter hoog

mont blanc.

‘Oppervlak van aarde verschuift noordwaarts’

 30 september 2010
– Het oppervlak van de aarde verschuift heel langzaam in noordelijke richting. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van gegevens van satellieten
Het aardoppervlak beweegt ieder jaar ongeveer 0,88 millimeter in de richting van de Noordpool. Die verschuiving wordt veroorzaakt door de veranderingen in de watermassa op aarde.Dat melden wetenschappers van het NASA Jet Propulsion Laboratory en de TU Delft in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Geoscience.Vooral het smelten van gletsjers sinds het einde van de laatste IJstijd draagt bij aan de beweging van het aardoppervlak.

IJskappen

Doordat gletsjers aan massa verliezen, neemt het gewicht van de ijskappen af en komt het land onder het ijs iets omhoog. Als gevolg daarvan beweegt de buitenste schil van de aarde heel langzaam naar het noorden ten opzichte van het massacentrum van de aarde, zo blijkt uit verschillende rekenmodellen.

“De nieuwe schatting van de verschuiving is aanzienlijk groter dan de verschuivingen die eerdere modellen suggereerden”, verklaart hoofdonderzoeker Xiaoping Wu op Livescience.com

“De verplaatsing van het centrum van de aarde zal ons dagelijks leven niet beïnvloeden. Het is een beweging van minder dan een millimeter per jaar. Pas als het een centimeter zou zijn, zouden we een groot aantal veranderingen zien”, aldus Wu.

GPS

De wetenschappers verzamelden voor hun model verschillende gegevens over de zwaartekracht op aarde, het aardoppervlak en de massa van de oceanen. Daarbij maakten ze gebruik van satellieten en het GPS-systeem.

Een mogelijk gevolg van de verschuiving van het aardoppervlak is wel dat er veranderingen ontstaan in metingen waarmee we wetenschappers bewegingen van satellieten in kaart brengen.

“Satellieten die rond de aarde bewegen verzamelen informatie vanuit de ruimte, maar onze meetinstrumenten staan op aarde. De verschuiving van het aardoppervlak beïnvloed dus de metingen van de bewegingen van satellieten”, verklaart Wu.

.

3.1.1 Samenstelling 
In de samenstelling van de aardkorst blijken de chemische elementen zuurstof, silicium, aluminium en ijzer samen 87,4% van het gewicht en 94,0% van het volume in te nemen. De overige elementen zijn in het algemeen slechts in zeer geringe hoeveelheden aanwezig; slechts op plaatsen waar de omstandigheden gunstig waren voor de concentratie van bepaalde mineralen vormen zich opeenhopingen hiervan. Nauwkeurige berekeningen omtrent de geochemische samenstelling van de aardkorst bestaan slechts voor de bovenste lagen tot ca. 16 km diepte (naar de Amerikaanse geochemicus F.W. Clarke ook ‘clarkegetallen’ genoemd).

3.1.2 Structuur
De structuur van de aardkorst wordt tegenwoordig onderzocht door middel van zware explosies en door diepteboringen. Bij de explosies ontstaan trillingen die langs de verschillende discontinuïteitsvlakken in de aardkorst lopen en dan worden opgevangen in geofoons (seismografen geschikt voor het registreren van zulke trillingen). Voor het onderzoek van de oceaanbodem gebruikt men hydrofoons, die door middel van boeien op het water drijven. De meest gevorderde boringen naar aardolie e.d. bereiken een diepte van ca. 1, 5 km. In 1962 hadden de Amerikanen het plan om in de oceaanbodem een put te boren tot op de Moho. Om budgettaire redenen is dit plan nooit uitgevoerd. In 1970 werd op het Kola-schiereiland door de Russen begonnen met het boren van en put tot ca. 15 km diepte. Deze boring was in 1995 tot 12,6 km diepte gevorderd, waarbij een temperatuur van 230 °C werd gemeten. De temperatuur in de aardkorst neemt gemiddeld met 3 °C per 100 m diepte toe (geothermische gradiënt).
3.2 Aardmantel 
Het grensvlak tussen de aardkorst en de aardmantel wordt de discontinuïteit van Mohoroviciç of afgekort Moho genoemd. De seismische snelheden die onder de Moho worden gevonden, passen goed bij het dieptegesteente peridotiet, dat grotendeels uit olivijn (Mg-Fe-silicaat) bestaat, dit is een zwaar mineraal dat veel in basaltuitvloeiingen wordt aangetroffen. De ca. 100 km dikke buitenste schil van de aardmantel vormt samen met de daarop liggende aardkorst de harde lithosfeer of steenschaal. Hierin komt een grote verscheidenheid van gesteenten en mineralen voor, maar met toenemende diepte wordt de homogeniteit van de gesteenten steeds groter. Onder de lithosfeer bevindt zich de asthenosfeer, tussen ongeveer 100 en 200 km diepte onder de oceanen, en tussen ongeveer 100 en 500 km diepte onder de vastelanden. De asthenosfeer is een laag die door de hoge temperatuur minder hard is dan de lithosfeer, en waarin gemakkelijker plastische bewegingen kunnen plaatshebben. Men meent dat bij bewegingen van de aardkorst de lithosfeerschollen over de asthenosfeer kunnen glijden (zie voorts continentverschuiving, schollentektoniek).
3.3 Temperatuur en dichtheid 
De temperatuur in de mantel is zeer onzeker. Als de geothermische gradiënt tot grote diepte gelijk blijft zou de temperatuur in de aardmantel veel meer dan 1000 °C bedragen. Waarschijnlijk is de temperatuurgradiënt in de aardmantel veel kleiner dan in de aardkorst, zodat bij de grens tussen de mantel en de kern de temperatuur niet ver boven 2000 °C ligt. Dank zij de hoge druk smelt het gesteente van de aardmantel niet. Door de hoge temperatuur is de vastheid van de aardmantel een relatief begrip; zij geldt wel voor kort-periodieke krachten zoals deze optreden bij de voortplanting van aardbevingstrillingen, maar voor langdurige krachten is dit gedrag viskeus. Dit wil zeggen dat zeer langzaam stromende bewegingen van het mantelgesteente mogelijk en zelfs waarschijnlijk zijn. De relatieve dichtheid van het gesteente in de aardmantel loopt van 3, 3 bij de onderkant van de aardkorst tot 5,7 bij de grens tussen mantel en aardkern. De elasticiteitsmodulus van het mantelgesteente (zie elasticiteit [natuurkunde]) neemt naar binnen sterk toe onder invloed van de druk; bij de grens van mantel en kern is de waarde 8 × 105 N/mm2 (de waarde voor staal onder normale omstandigheden is 2 × 105 N/mm2; beneden een diepte van 1000 km is het gesteente van de aardmantel harder dan staal).

Aarde koelt nog steeds af van formatie

Laatste update:  18 juli 2011 11:51 info

– De hitte die vrijkwam bij de formatie van de aarde is nog steeds aanwezig in de aardkorst en het binnenste van onze planeet. Dat blijkt uit een onderzoek van Japanse wetenschappers.

Ongeveer de helft van de hitte die aanwezig is in de aardkern en aardkorst wordt veroorzaakt door natuurlijke radioactiviteit.

De rest van de warmte is nog een overblijfsel van het moment waarop de aarde ontstond uit een hete wolk van gas, stof en puin

Dat meldt nieuwssite Science Now naar aanleiding van een onderzoek aan de Universiteit van Tohoku.

Antineutronen

De Japanse wetenschappers maakten een schatting van de radioactieve hitte in de aarde door antineutronen te bestuderen in diepere aardlagen in de berg Mount Ikenoyama.

Antineutronen zijn elementaire deeltjes die onder meer vrijkomen bij het radoactief verval van de elementen uranium en thorium in het binnenste van de aarde. Dit verval is verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de hitte die uit de aardkern komt. 

Schatting

In totaal detecteerden de Japanse wetenschappers alleen bij Mount Ikenoyama al 111 antineutronen die direct konden worden geassocieerd met de natuurlijke radioactiviteit in het binnenste van de aarde.

Op basis hiervan schatten ze dat het verval van thorium en uranium goed is voor ongeveer 20 biljoen watt van de hitte die de aarde uitstoot.

Dit is echter slechts de helft van de totale hitte die vrijkomt. Volgens de wetenschappers kan de andere helft worden toegeschreven aan de afkoeling van de aarde die nog steeds aan de gang is sinds de vorming uit hete gassen, stof en puin.

Vulkanen

De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Geoscience.

De hitte van de aarde is aan de oppervlakte merkbaar bij vulkanische uitbarstingen. Ook zorgt de interne hitte voor continentale drift, het geologisch fenomeen dat de continenten over zeer grote hoeveelheden tijd gemeten langzaam verschuiven

Mini-meteorieten maakten de aarde en Mars kouder

Laatste update:  2 april 2011 10:41
– De planeten Aarde en Mars zijn vier miljard jaar geleden sterk afgekoeld doordat ze met een regen van meteorieten ter grootte van suikerkorrels werden bestookt. Dat schrijven Britse wetenschappers in het vakblad Geochimica et Cosmochimica Acta
De wetenschappers onderzochten de gevolgen van het zogeheten late, zware bombardement – de periode kort na het ontstaan van het zonnestelsel waarin de pas gevormde planeten nog het doelwit waren van ruimtestenen van de meest uiteenlopende afmetingen.Doorgaans gaat de aandacht daarbij uit naar de grootste exemplaren, die bijvoorbeeld op onze maan grote kraters sloegen. Maar ook de allerkleinste overblijfselen van het materiaal waaruit de planeten ontstonden hadden grote gevolgen. Bij hun tocht door de atmosferen van de aarde en Mars gaven de micrometeorieten onder meer zwaveldioxide af, wat catastrofale gevolgen had voor het toenmalige klimaat.

Aerosolen

Zwaveldioxide in de lucht vormt namelijk zogeheten aerosolen – vaste en vloeibare deeltjes die in de lucht blijven zweven en het zonlicht weerkaatsen. De onderzoekers hebben berekend dat de regen van micrometeorieten op aarde tot de productie van 20 miljoen ton zwaveldioxide per jaar leidde.

De Aarde en Mars zouden hierdoor zo sterk zijn afgekoeld, dat het ontstaan van leven lange tijd werd bemoeilijkt. Op Aarde moet miljoenen jaren een poolklimaat hebben geheerst, en Mars is feitelijk nooit meer van de regen van micrometeorieten hersteld.

.

.

3.4 Aardkern 
Zeer abrupt is op een diepte van ca. 2900 km de overgang van de aardmantel naar de aardkern; deze heeft een complexe structuur die het noodzakelijk maakt een verdeling in een buitenkern en een binnenkern in te voeren. De buitenkern is een schil van ca. 2000 km dikte; de centrale binnenkern heeft een straal van ca. 1300 km. De inhoud van de binnenkern is 1010 km3, van de buitenkern 1,5 × 1011 km3. Terwijl de buitenkern uit een vloeistof bestaat, is de binnenkern vast. De aard van de stoffen in de aardkern is zeer onzeker. De dichtheid van de kernvloeistof is zo groot dat men algemeen denkt aan vloeibaar ijzer of nikkelijzer, eventueel vermengd met een klein gehalte aan silicaten. De temperatuur moet ca. 4000 °C bedragen. In de buitenste laag van de aardkern moet de dichtheid ongeveer 10 kg/dm3 zijn, terwijl in het centrum de dichtheid wordt geschat op 14 kg/dm3. De massa van de aardkern is 1,7 × 1021 ton, dat is 28,4% van de totale massa van de aarde.

4. Verdeling van de aardoppervlakte 
Als hoofdverdeling van de aardoppervlakte geldt die in land en water, derhalve de horizontale verdeling. Deze verdeling is zeer ongelijk: water neemt van de 510, 1 miljoen km2 van de totale oppervlakte het grootste deel in, nl. 361,2 miljoen km2 of 70,8%, land slechts 148,9 miljoen km2 of 29,2%. De grote landmassa’s zijn voornamelijk op het noordelijk halfrond geconcentreerd, waar zij rondom de Noordelijke IJszee gegroepeerd zijn, met slechts betrekkelijk smalle wateroppervlakten ertussen. Daarentegen lopen de landmassa’s op het zuidelijk halfrond naar het zuiden spits toe, waar zij worden gescheiden door de zeer brede watervlakten van de Grote Oceaan, Atlantische Oceaan en Indische Oceaan. Projecteert men een tweetal halfronden, waarvan het eerste de grootst mogelijke landoppervlakte, het andere de grootst mogelijke wateroppervlakte omvat, dan blijkt het ‘landhalfrond’, waarvan de ‘pool’ in de buurt van de monding van de Loire ligt, toch nog altijd voor 53,2% uit water te bestaan tegen 46,8% land; op het ‘waterhalfrond’, waarvan de ‘pool’ ten zuidoosten van Nieuw-Zeeland ligt, bedraagt het wateroppervlak 88,6% van het halfrond, tegen 11,4% land. Oceanen en continenten liggen ongeveer tegenover elkaar: Antarctica tegenover de Noordelijke IJszee, Europa tegenover de Grote Oceaan, Noord-Amerika tegenover de Indische Oceaan, Azië tegenover de Atlantische Oceaan. Deze symmetrie hangt wellicht samen met een regelmatig patroon van bewegingen in de aardmantel.

4.1 Hoogteverdeling 
De verticale verdeling van de aardoppervlakte onderscheidt de hooggelegen en diepe delen van de aarde; uitgangsniveau vormt hierbij de gemiddelde zeespiegel. De gemiddelde hoogte van het continent boven de zeespiegel bedraagt 875 m, de gemiddelde diepte van de zeeën 3729 m. Een aardbol zonder hoogten en diepten zou gelijkmatig zijn bedekt met een ca. 2450 m diepe zee. Brengt men de verdeling van hoog en laag in een curve tot uitdrukking (de hypsografische curve), dan blijkt ca. 75% van het vasteland onder 1000 m hoogte te liggen, terwijl in de oceanen diepten tussen 3000 en 6000 m het meest voorkomen. Het hoogste punt op het vasteland bereikt 8848 m (Mount Everest in de Himalaja); de grootste tot nu toe gemeten zeediepten, meer dan 11 km, liggen in de Marianentrog en de Filippijnentrog.

5. Bewegingen
De voornaamste bewegingen van de planeet Aarde zijn: a. een draaiende beweging om haar eigen as, de rotatie of aswenteling; b. een baanbeweging rondom de Zon, de revolutie.
5.1 Rotatie
De aarde draait om een denkbeeldige as, die het aardoppervlak snijdt in de geografische noord- en zuidpool. Deze as noemt men de momentane rotatie-as, of kortweg de aardas; het verlengde hiervan is de hemelas. De aswenteling van de aarde geschiedt in west-oostelijke richting, van het noorden uit gezien derhalve tegen de wijzers van de klok in. Deze aardrotatie vormt de oorzaak van de afwisseling van dag en nacht; de aarde volbrengt namelijk, gemeten aan de terugkeer van de culminatie van een vaste ster, één omwenteling in 23 uur 56 minuten en 4,090 seconden (sterrendag) en, gemeten aan de terugkeer van de zonneculminatie, één in 24 uur (middelbare zonnedag). De rotatie-as vormt met het vlak van de aardbaan om de zon een hoek van 66°34¢; daarmee samenhangend vormt het vlak van de aardbaan een hoek van 23°26¢ met het vlak van de equator. Deze scheve stand van de rotatie-as vormt de voorwaarde voor de wisseling van de jaargetijden. Voor het bestaan van de aardrotatie zijn verschillende bewijzen gegeven. Daarvan is historisch gezien de slingerproef van Foucault een der belangrijkste. De asrotatie heeft meer gevolgen dan alleen de dagelijkse beweging der hemellichamen. Ook de afplatting van de aarde, de richting van een passaat, de bewegingsrichting van een zeestroming en de windrichting rond een depressie hangen er direct mee samen (zie coriolisversnelling).
5.1.1 Bewegingen aardas 
De positie van de aardas ten opzichte van het aardlichaam (dus ten opzichte van de figuuras) ondergaat kleine, onregelmatige schommelingen. Ook de plaats van de polen is dus veranderlijk. Deze verplaatsingen van de polen zijn echter zeer gering, zij bedragen zelden meer dan 10 m. Het gevolg is echter dat de geografische breedte (zie coördinaten [aardrijkskunde]) van een bepaald punt op aarde een klein beetje varieert. Deze breedtevariatie wordt nauwkeurig bestudeerd. Behalve de kleine schommelingen van de rotatie-as in de aarde (periode van Chandler) ondergaat deze as ook nog twee bewegingen in de ruimte (wijzigingen in de stand van de aardas ten opzichte van het vlak van de ecliptica) als gevolg van de wisselende aantrekking van zon en maan op de equatoriale verdikking (het surplus aan massa in de gebieden om de evenaar). Deze bewegingen zijn de precessie en de nutatie.
5.1.2 Rotatievariaties 
Ook de rotatiesnelheid is aan veranderingen onderhevig, onder te verdelen in drie typen, nl. de seculaire, de onregelmatige en de periodieke variatie. De seculaire variatie wordt veroorzaakt door de wrijving van de getijden, die ontstaan door de gravitatiewerking van de zon en de maan op de watermassa’s van de aarde. Hierdoor neemt de rotatiesnelheid van de aarde regelmatig af; per eeuw neemt de dag dan ook met 0, 0015 s toe. Aangezien de gemiddelde duur van één omloop van de aarde om de zon niet is veranderd, telde het jaar vroeger meer (kortere) dagen dan nu. Een fraaie bevestiging vond men in fossiele schelpen en koralen uit het Devoon: de groeilijntjes tonen aan dat het jaar toen meer dan 400 dagen telde. Onregelmatige en periodieke variaties kunnen ontstaan door vormveranderingen van de aardkorst, door bewegingen van de vloeibare aardkern, door de invloed van de wind op de aardkorst en door andere effecten. Sinds 1955 kan men met behulp van de atoomklok variaties in de rotatiesnelheid van de aarde zeer nauwkeurig bepalen.
5.2 Aardbaan 
De aarde beweegt zich in een elliptische baan om de zon op een gemiddelde afstand van 149!600!000 km. Zij volbrengt een omloop om de zon, gerekend ten opzichte van het lentepunt, in 365 dagen 5 uren 48 minuten en 45, 97 seconden, een tijdsverloop dat het tropische jaar wordt genoemd. Zoals de rotatie van de aarde een schijnbare dagelijkse beweging van de hemellichamen veroorzaakt, geeft de baanbeweging aanleiding tot een jaarlijkse schijnbare beweging. Daardoor zien wij gedurende het gehele jaar steeds andere sterren met de zon op- en ondergaan, totdat na verloop van een omloop van de aarde deze teruggekeerd is tot het punt, dat zij twaalf maanden tevoren verlaten heeft. Terwijl de zon ten gevolge van de asrotatie van de aarde dagelijks juist als de sterren van oost naar west schijnt te bewegen, constateren wij dat zij zich tevens ten opzichte van de vaste sterren een beetje oostwaarts verplaatst (59¢ per dag). In een tijdsverloop van ongeveer 3653 dag doorloopt zij een volledige cirkel aan de hemel. Deze cirkel wordt de zonneweg of de ecliptica genoemd. Deze gaat door de twaalf sterrenbeelden die samen de dierenriem vormen, en door het sterrenbeeld Slangendrager (Ophiuchus)

http://www.ouramazingplanet.com/

Grote hoogtes……diepe dalen.

dinsdag 22 juni 2010        Tomasso

Ziehier een zgn. infographic over wat er zich zoal bevindt tussen de grootste hoogtes en de diepste krochten op aarde.

 

mount everest

Het lijkt enorm, en toch zien we hier een laag van maar 20 kilometer dik. Daarbij kan een mens in een groot deel van deze laag zonder technische hulpmiddelen niet overleven.

En dan zijn er toch van die types die beweren dat het hele heelal, miljarden lichtjaren groot (waarbij deze laag van 20 km toch echt bij in het niet valt) gemaakt is voor de mens. 

Menselijke  aanwezigheid (vanuit space station )
de hoogst vliegende vogel ter wereld 
: Rüppell’s Vulture (Gyps rueppellii). Casualties litter the banks down river after Blue Wilderbeast (Connochaetes taurinus) crossing. The vultures were not able to work on the victims as their beaks and claws were not strong enough to tear through the skin . They had to wait for the crocodiles to tear the carcass open before initiating feasting.
  
Mount Everest
Bestand:Denali Mt McKinley.jpg
Bestand:Kibo summit of Mt Kilimanjaro 001.JPG
Bestand:Mt. Elbrus in Russia.jpg
Sea level  ( Noordzee )
DIEPZEE   LEVEN  …..
Giant isopod
soviet nuclear mike class sub
( deep sea ) Goblin shark
Giant squid 
 

The squid live off the west coast and feed on blue grenadier. (AAP: Tasmanian Parks and Wildlife Service, Chris Arthur)

sperm whale /POTVIS
Fangtooth
Troggen =

Leven ontdekt in diepste laag aardkorst

 19 november 2010
 –Amerikaanse wetenschappers hebben met boringen aangetoond dat er bacteriën leven in de diepste lagen van de aardkorst onder de Atlantische oceaan.

De bacteriën zijn gevonden op een diepte van ruim een kilometer onder het aardoppervlak. Opvallend genoeg gaat het niet om oerbacteriën, maar om organismen die vermoedelijk in hoger gelegen delen van de aardkorst zijn ontstaan.

Dat melden wetenschappers van de staatsuniversiteit van Oregon in het wetenschappelijk tijdschrift PloS One.

Het is voor het eerst dat er leven is ontdekt in de diepste delen van de aardkorst.
Bij eerdere boringen vond het onderzoeksteam van hoofdonderzoekers Stephen Giovannoni al micro-organismen in de hoger gelegen basaltlaag van de aardkorst.

“We hadden verwacht dat we in diepere lagen dezelfde soort organismen zouden vinden, maar deze zijn heel anders”, verklaart hij in het Britse tijdschrift New Scientist.

Oliebron

De bacteriën in de diepste lagen van de aardkorst voeden zich volgens Giovannoni met methaan en benzeen. Dit soort organismen zijn ook vaak te vinden in oliebronnen en vervuilde aarde. De wetenschappers vermoeden daarom dat de bacteriën vanuit hoger gelegen delen van de aardkorst zijn gemigreerd naar diepere lagen.

De onderzoekers kwamen tot hun bevindingen door boringen uit te voeren in het Atlantis-massief, een bergketen in de Atlantische oceaan.

Aardmantel

Ze boorden door het sediment en een basaltlaag en bereikten uiteindelijk een diepte van 1391 meter. Daar troffen ze verschillende groepen bacteriën aan die leefden bij een temperatuur van 102 graden Celsius.

De onderzoekers vermoeden naar aanleiding van hun analyse van de organismen dat dat er ook bacteriën bestaan, die nog dieper onder het aardoppervlak leven in de aardmantel.

Aardwetenschappers: wie zijn ze? wat doen ze? 
Professor Manuel Sintubin:
“Als aardwetenschappers kijken wij naar het verleden van de planeet Aarde om zo iets over het heden en de toekomst te kunnen zeggen. Die 4,5 miljard jaar zijn onze speeltuin. 55 miljoen jaar geleden bijvoorbeeld warmde de planeet Aarde net als nu op een korte termijn erg op. Het duurde wel een paar honderdduizend jaar voordat de piek waar die klimaatopwarming voor had gezorgd, was weggewerkt. Misschien zal de klimaatopwarming die we nu meemaken wel hetzelfde effect hebben. Ik vergelijk het altijd met een aardbeving. Die richt ook in heel korte tijd zoveel schade aan dat je een eeuwigheid nodig hebt om alles terug op te bouwen. Maar het blijft koffiedik kijken.
Wij zijn geen wetenschappers in een ivoren toren. Elke academische vraag die wij ons stellen, heeft altijd wel maatschappelijke relevantie. Wij houden ons bezig met grondstoffenexploratie, bestrijding van milieuvervuiling, het zoeken naar drinkwater, … : allemaal erg concrete, actuele problemen. De laatste decennia zijn we ook tot de conclusie gekomen dat alle processen die zich in oceanen, in de atmosfeer en onder onze voeten afspelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Neem de vulkanen, de oceanen, het ijs of de atmosfeer weg en alle leven valt stil. Gebeurt er iets in een sfeer, dan zullen alle andere sferen, het hele ‘systeem’ van de Aarde, daarop reageren. Het maakt onze planeet uniek én het maakt dat wij ons als aardwetenschappers niet meer in een vakje van ons onderzoeksgebied kunnen ophouden.”
Vulkanen, atmosfeer, ijs en oceanen: wat zijn ze? Wat doen ze?
Sintubin:
“Vulkanen zijn het meest zichtbare bewijs dat we op een heel actieve planeet leven. De hitte onder de aardkorst stuwde hen omhoog. Maar ze hebben ook een belangrijke rol gespeeld in het in stand houden van het leven op Aarde. Ze brachten namelijk CO2 en andere broeikasgassen in de atmosfeer en zorgden er zo voor dat het hier aangenaam leven is. Zonder het broeikaseffect zou het overal ter wereld dertig graden kouder zijn.
Lucht, ijs en water zijn dan weer de beeldhouwers van onze planeet. Zij breken omhooggestuwde massa terug af en geven haar vorm. De atmosfeer en de oceanen fungeren ook als de thermostaat van de Aarde. De atmosfeer is als een isolerend deken rond onze planeet en de oceanen verdelen de warmte over heel de wereld. Ijs kan er dan weer voor zorgen dat kleine veranderingen in temperatuur in erg grote uitmonden. Denk maar aan de ijstijden.”

Heeft onze Aarde nog geheimen? 

Sintubin:

“Massa’s. De grote lijnen van de verschillende processen die zich op onze planeet afspelen kennen we, maar over de ‘fine tuning’ weten we absoluut nog niet veel. We weten bijvoorbeeld niet hoe de cyclus van CO2 precies werkt. Alles wat letterlijk moeilijk bereikbaar is, is dat voor ons, aardwetenschappers, ook figuurlijk. Wat speelt er zich duizend kilometer diep in de Aarde precies af? We weten het niet. De oceanen! Die zijn terra incognita. We weten meer over het maanoppervlak dan over de diepten van de oceaan. Verder is de zogenaamde ‘sneeuwbalaarde’ een hot topic, want lang geen vaststaand wetenschappelijk feit. Er zijn veel aanwijzingen dat de Aarde zo’n zevenhonderd miljoen jaar geleden inderdaad helemaal met ijs was bedekt, maar zeker is dat niet.
En ook de vijf grote massa-extincties (  –>uitstervingendie de Aarde in de loop der jaren kende, de zogenaamde ‘Big Five’, zijn in mysteriën gehuld. Om het populairste voorbeeld aan te halen:
hoe komt het dat 65 miljoen jaar geleden de dinosaurussen uitstierven?
Was het een meteoor?
Of toch iets anders?
De komende eeuw zal de voorspellende taak van aardwetenschappers alleen maar belangrijker worden. En daardoor zullen we allemaal ook beter leren leven met de gevaren die onze planeet voor ons in petto heeft.”
Professor geologie  Manuel Sintubin (KU Leuven):  www.geo.kuleuven.be/planeetaarde2008

Vulkanen, atmosfeer, ijs en oceanen,  kneedden  onze planeet
 worden meestal beschouwd als destructieve krachten, maar in de loop van de geologische geschiedenis zijn ze essentieel geweest voor het voortbestaan van het leven op Aarde.

Via de uitlaatkleppen van vulkanen heeft de hitte onder de aardkorst onze planeet
geboetseerd: door bergketens op te stuwen, continenten uit elkaar te duwen, land te creëren en weer te vernietigen. Hitte en vulkanen zijn de energiebron van het leven op Aarde.

Dat leven zou nooit tot ontwikkeling zijn gekomen zonder die warmte: het zonlicht was daarvoor aanvankelijk lang niet krachtig genoeg. De wereld zou verzwolgen zijn geweest door het water en – zo’n 700 miljoen jaar geleden – ingekapseld in ijs, als de hitte en de vulkanen het land niet telkens weer naar de oppervlakte hadden geduwd.

ATMOSFEER
Het lichtste deel van de Aarde is de atmosfeer, een gasvormig omhulsel rond de buitenkant van onze planeet, een ander woord voor atmosfeer = dampkring.
Hoe licht gassen ook mogen zijn, toch hebben ze een gewicht.
De atmosfeer is dus het meest samengepakt en het dichtst nabij het aardoppervlak en dunner met de hoogte.
Shema atmosfeer

schema atmosfeer

Je kan hem niet zien, niet proeven, voelen of ruiken, maar hij is onmisbaar voor het leven op Aarde: de lucht. Zonder de lucht en de atmosfeer zou alle leven op onze planeet binnen de kortste keren verdwijnen.

Het is misschien niet de meest spectaculaire, maar zeker 챕챕n van de meest belangrijke natuurkrachten op Aarde. De atmosfeer is een beschermende deken rond onze planeet: ze weert gevaarlijke kosmische straling af en zorgt voor isolatie, vochtigheid en de zuurstof waar wij allemaal samen met alle leven op aarde zo afhankelijk van zijn.

De atmosfeer is eigenlijk een ‘fluïdum’, net als de oceanen. Je kan er trouwens op surfenDe lucht heeft de Aarde mee vorm gegeven, door de wind en de erosie.
De atmosfeer is ook de bron en het controlemechanisme van het weer op Aarde. Zonder de atmosfeer zou de Aarde droog zijn, de polen veel kouder en de tropen brandend heet. Maar de atmosfeer houdt het leven Aarde niet alleen in stand, maar heeft het mee doen ontstaan.

De    veranderingen   van  de  samenstellingen  van  de atmosfeer in de geologische geschiedenis van onze planeet   is ook  zeer belangrijk  voor  vragen omtrent  :

Hoe is  het leven op Aarde tot stand gekomen, wat is  de rol van de atmosfeer daarbij  en wat  heeft   ijzer daar in godsnaam mee te maken heeft.?

IJs

en sneeuw worden in onze huidige westerse maatschappij vooral geassocieerd met schoonheid en plezier. IJs mag dan al een vluchtige substantie lijken, het is ook een machtige natuurkracht die de geografie èn het klimaat op Aarde in de loop der tijden ingrijpend heeft beïnvloed.

ijs in al zijn vormen en varianten,is te vindenvan de Andes tot Groenland en van Noorwegen tot Antarctica.

In de Andes kan en makkelijk zien  hoe de jaarlijkse sneeuwval in ijs wordt omgezet. In Groenland ziet men  hoe  snel de ijslaag kan aangroeien: een legervliegtuig dat er in 1945 een noodlanding moest maken, zat in het begin van de jaren ’90 onder 80 meter ijs.

Het continent Antarctica is door het gewicht van het ijs een kilometer naar beneden gedrukt. En onder dat ijs ligt het grootste zoetwatermeer ter wereld. “Lake Vostok  “

Plaatsen als Manhattan en Yosemite hebben hun geografisch uitzicht te danken aan het ijs. In het noordwesten van de Verenigde Staten heeft ijs de grootste overstroming aller tijden veroorzaakt.

IJs kan ook grote gevolgen hebben voor het klimaat op Aarde. Relatief kleine temperatuurschommelingen worden door het ijs in grote mate versterkt. Dat heeft in de loop der tijden nu eens voor massale hoeveelheden ijs en een bar klimaat gezorgd, en dan weer voor een zo goed als ijsvrije planeet met tropische temperaturen. Momenteel zitten we in een fase waarin het ijs zich aan het terugtrekken is. Hoe snel dat gaat, dat blijkt uit onderzoek op Groenland en uit satellietbeelden. De gevolgen zijn verrassend en verontrustend.

 

Planeet  Aarde 

http://geo.kuleuven.be/planeetaarde2008/samenvattingen/index.htm

 

“4,5 miljard jaar ‘global change’”
Manuel Sintubin (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

In de huidige discussie rond de klimaatsopwarming laat de mens zich betrappen op een kort geheugen, dat nauwelijks enkele generaties teruggaat in de tijd. Hieruit vloeit een relatief statisch wereldbeeld voort, een wereld met een stabiel – pre-industriëel – klimaat, een stabiele zeespiegel, enz. Juist hierdoor gaat de mens voorbij aan twee cruciale aspecten die eigen zijn aan de Aardse dynamiek.

De Aarde – of beter Systeem Aarde – is vooreerst in een toestand van permanente verandering. Het is een ‘levende planeet’, een complex zelfregulerend, maar totaal onvoorspelbaar, systeem.

Het tweede aspect is ‘tijd’. Systeem Aarde heeft al een turbulente geschiedenis van 4,5 miljard jaar achter de rug. En ‘tijd’ ontpopt zich onder drie verschillende modi operandi van ‘global change’: tijd als stroom, als golf, of als puls.

Beschouwen we nu de huidige klimaatproblematiek, of zelfs de ganse menselijke geschiedenis, vanuit dit Aardse standpunt, dan verdwijnt het vertrouwde referentiekader van de mens in het niets. En hierin schuilt juist de boodschap van de geoloog. Door terug te kijken in het ‘diepe’ verleden, vindt de geoloog mogelijk de sleutel voor de toekomst.
Planet Earth in our hands

“Grondwater, een reservoir voor een dorstige planet?”
Okke Batelaan (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

Water staat aan de bron van al het leven. De mens bestaat uit en leeft van zoet water.

ZOETWATER   komt vooral voor als grondwater dat maar een heel klein deel omvat van al het (zoute) water op en in de Aarde. Hoewel grondwater in tegenstelling tot andere natuurlijke rijkdommen vrijwel overal op Aarde voorkomt, is de verspreiding van grondwater in tijd en ruimte ongelijk en sterk afhankelijk van de hydrometereologische en geologische processen. De waterkringloop geeft ons een beeld van de hoeveelheden en verblijftijden van water in de atmosfeer, bodem en ondergrond.

Grondwater biedt voor de watervoorziening unieke waardevolle karakteristieken. Het wordt echter ook bedreigd door overconsumptie en verontreinigingen. Deze kunnen leiden tot uitputting van watervoorraden, verdroging van het landschap en betekenen een gevaar voor mens en milieu.

Klimaatsveranderingen zijn een uitdaging voor het waterbeheer. Grondwater zal hierbij een essentiële rol spelen. Maatschappelijk is (grond-)water vaak geen ‘hot item’ tot de beperkingen van grondwaterreservoirs hun tol beginnen te eisen of het publieke karakter van water ter discussie komt. Grondwater zonder grenzen kan dan zelfs voor belangrijke politieke problemen tussen staten leiden.

De wetenschap van het grondwater probeert dit alles te bestuderen. Zij is echter jong en sterk beperkt door de grote complexiteit en interacties van water in Systeem Aarde.
Groundwater – towards sustainable use

“Leven op Aarde: een risicovolle onderneming?”
Noël Vandenberghe (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

De Aarde is een dynamische en actieve planeet. Veranderingen en catastrofale gebeurtenissen zijn daarom geen bijverschijnsel maar een wezenlijk deel van het leven op deze planeet. De mens moet zich hieraan aanpassen door de natuur te monitoren en door zich te organiseren. De natuurverschijnselen die mensenlevens bedreigen en schade aan de infrastructuur toebrengen zijn van diverse aard. Ze kunnen eerder een lokale impact hebben of ganse beschavingen bedreigen.

De activiteit van de mens zelf op Aarde zal ook ingrijpen in het natuurlijke systeem. Maar al te vaak wordt dit onoordeelkundig gedaan met onverwachte gevolgen en zelfs rampen als gevolg.
Aardwetenschappers leveren inzicht in de werking van de planeet en helpen op die manier beleidsverantwoordelijken om de risico’s te beperken zonder de illusie te wekken dat ze kunnen uitgesloten worden.
Hazards – minimising risk, maximising awareness

“Geologie en gezondheid: natuurlijke en antropogene invloeden op de mens”
Rudy Swennen (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

De relatie tussen geologie en gezondheid is bij “de mens in de straat” niet algemeen gekend, maar toch … Iedereen beseft wel dat het drinken van vervuild grondwater gezondheidsrisico’s met zich meebrengt.

Vervuiling kan veroorzaakt zijn door de mens, maar ook de geologische ondergrond kan hier een rol spelen. De arseen vervuiling van het grondwater in Zuid-Oost Azië is hier een voorbeeld van. Deze wordt veroorzaakt door overconsumptie van het grondwater waardoor de chemische evenwichten in de ondergrond zodanig verschuiven dat arseen gemobiliseerd wordt en in het water terecht komt. Maar als je de geochemische reactiesystemen kan “lezen” uit de geologische processen, dan ben je ook als geowetenschapper in staat voorstellen te formuleren om het “vervuilde” grondwater op goedkope en efficiënte wijze te zuiveren. Maar niet alleen situaties waar er een teveel aan een bepaald (spoor)element in bodem of grondwater aanwezig is kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Ook gebieden met een tekort kan een rol spelen.

Een gekend voorbeeld vormt bijvoorbeeld het tekort aan jodium of seleen. Zo worden bepaalde hartziekte symptomen (Keshan ziekte) in Zuid-China toegeschreven aan een tekort aan deze elementen in de voeding, wat op zijn beurt in relatie staat met de schrale bodemontwikkeling in deze gebieden. Het toevoegen van deze elementen aan de voeding heeft ervoor gezorgd dat deze ziekte efficiënter bestreden kan worden.

Fluor vormt een soortgelijk probleem. Een tekort enerzijds maar ook een te hoge concentratie anderzijds van fluor in drinkwater geeft aanleiding tot tandbederf. Ook in de bodem speelt de geologische ondergrond mee. Ontwikkelt een bepaalde bodem boven organisch rijke schiefers dan kan je vanuit geologisch standpunt al vermoeden dat de runderen in dat gebied bloedarmoede zullen vertonen, … wat finaal tot een aanpassing van de EU-landbouwsubsidie regeling kan leiden in dergelijke gebieden. Maar de geologie kan ook “in de lucht zitten”. Zo zijn er tal van gebieden gekend waar door natuurlijke stofopwaai de mensen leiden aan silicosis, met longaandoeningen als gevolg. Hier moet men zich tevens als geowetenschapper de vraag stellen wat het effect van “climate change” met zich zal meebrengen in verband met deze “stof” gerelateerde aandoeningen. Het gebruik van asbest in bouwmaterialen is een ander voorbeeld, zeker als men gebouwen afbreekt waar het asbesthoudende stof in de atmosfeer terecht komt. Dit zijn maar een beperkt aantal voorbeelden van de relatie tussen “geologie en gezondheid”, met als belangrijke conclusie dat geologische kennis nodig is om bepaalde humaan- en ecotoxicologische fenomenen te kunnen verklaren en te helpen remediëren.
Earth & Health – building a safer environment

“De Aarde, een geschiedenisboek van klimaatveranderingen” 
Robert Speijer (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

Dankzij het broeikaseffect van de atmosfeer is overvloedig leven op Aarde mogelijk en is als zodanig dus eerder heilzaam dan een bedreiging. De discussies over een versterkt broeikaseffect en opwarming van de Aarde betreffen vooral de directe gevolgen voor de hoogtechnologisch georganiseerde en dus zeer kwetsbare menselijke samenleving.

In deze discussies is de klimaatsituatie van voor de industriële revolutie vaak het uitgangspunt. Die situatie was echter slechts een momentopname en mag niet verhullen dat klimaat op kortere en langere tijdschalen altijd verandert.

Hoe kunnen geologen gesteenten en sedimenten als een geschiedenisboek kunnen lezen om inzicht te krijgen in het klimaat van het verre verleden. Er zal aangetoond worden dat het ‘ijskastklimaat’ van de laatste 2,5 miljoen jaar met zijn vele ijstijden en tussenijstijden een zeer uitzonderlijke situatie in de Aardse geschiedenis is. Nog langer geleden was er vrijwel altijd sprake van een wereldwijd warm ‘broeikasklimaat’. Dit ging onder andere gepaard met brede tropische en subtropische klimaatgordels, beperkte polaire ijskappen, en hoge zeespiegelstanden. Ook tierde het leven welig en is een warm klimaat dus zeker niet automatisch desastreus voor het leven op Aarde. Het Aardse geschiedenisboek toont echter ook dat snelle veranderingen in de biogeosfeer (het geheel van wisselwerkingen tussen aarde, oceaan en atmosfeer) wel degelijk tot biologische crises konden leiden. Kortom, de mensheid kan veel lering trekken uit alles wat in het archief van de Aarde is opgeslagen.
Climate – the ‘stone tape’ 

“Veranderingen in de menselijke omgeving: urbanisatie en steden”
Chris Kesteloot (Afdeling Sociale & Economische Geografie, K.U.Leuven)Megacities – going deeper, building safer
“Geologie en duurzame ontwikkeling: mijnbouw in Centraal-Afrika”
Philippe Muchez (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

De Centraal-Afrikaanse ‘Copperbelt’ is één van de grootste metallogenetische provincies van de wereld. De natuurlijke rijkdom wordt geschat op 150 miljoen ton koper en 8 miljoen ton kobalt. Recente exploratie toont echter aan dat nog grotere hoeveelheden van deze waardevolle metalen in de ondergrond aanwezig zijn. Een grondige geologische kennis van de vorming van deze ertsen is noodzakelijk voor de exploratie van verborgen ertsen in de diepere ondergrond. De voorbije jaren nam de interesse voor de ‘Copperbelt’ exponentieel toe en leidde wetenschappelijk onderzoek tot nieuwe inzichten in de complexiteit van de vorming van deze ertsafzettingen.

De laatste decennia was er een drastische achteruitgang in de mijnbouwactiviteit in de ‘Copperbelt’. In Zambia is de heropleving van de mijnbouw al een feit. Ook in de Democratische Republiek Congo is de interesse van buitenlandse mijnbouwmaatschappijen zeer groot. Een goed beheer en transparantie van de mijnsector zijn echter een noodzakelijke voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling ervan.
Resource issues – towards sustainable use

“De trage magmamolen van de diepe Aarde”
Jan Hertogen (Afdeling Geologie, K.U.Leuven)

De vorming van nieuwe oceaanbekkens, vulkanisme, gebergtevorming, aardbevingen, … zijn geologische processen die zich afspelen aan de oppervlakte of in de korst van de aarde maar aangedreven worden door een motor en warmtebron die diep in de Aarde is gelegen.

Deze motor is een trage magmamolen van opstijgende, gedeeltelijk gesmolten, lichtere silicaatmassa’s en neerdalende, koude en zwaardere gesteenten die later in de diepte opnieuw zullen opsmelten en opgenomen worden in een nieuwe cyclus.

Het ophelderen van het werkingsprincipe van deze diepgelegen, onzichtbare motor is het gezamenlijke werk van geofysici, experimentele petrologen en geochemici. De geofysici leveren gegevens over de dichtheidsvariaties in de diepe mantel en kunnen met behulp van de moderne, driedimensionale ‘seismo-tomografie’ materiaalstromen in de aardmantel opsporen.

De experimentele petrologen modelleren de veranderingen in de mineralogische structuur met de diepte en onderzoeken in een laboratoriumomgeving de processen van opsmelting en kristallisatie bij hoge druk en temperatuur. De geochemici reconstrueren aspecten van de magmamolen die weerspiegeld zijn in de chemische verscheidenheid van vulkanische gesteenten en trachten uit de isotopische samenstelling te achterhalen welke componenten uit de aardkorst en aardmantel een bijdrage leveren tot de ganse cyclus.
Deep Earth – from crust to core

“Leven van het land in Afrika: mythe en realiteit”
Roel Merckx (Afdeling Bodem & Waterbeheer, K.U.Leuven)

Sub-Sahara Afrika (SSA) is grotendeels ruraal: ruim drie kwart van de bevolking leeft op kleinschalige, weinig productieve bedrijfjes en 70% is werkloos. De bevolking groeit naar schatting aan met 3%, maar de voedselproductie slechts met 0,7%. Het verschil met andere ontwikkelende continenten is schrijnend: de graanproductie in SSA is gedaald van 150 kg naar 130 kg per inwoner terwijl die in Latijns-Amerika of Azië gestegen is van 200 kg naar 250 kg. De vraag stelt zich waarom de “groene revolutie”, die in Azië en Latijns-Amerika tot spectaculaire resultaten heeft geleid, in Afrika nauwelijks enige impact heeft gehad.

In Afrika waren de beginvoorwaarden om een groene revolutie te doen slagen, alvast in de jaren ’60 niet aanwezig . Aan de oorzaak van dit falen liggen alvast verklaringen zoals een veel lager startkapitaal – onder andere omwille van het oude en dus geologisch sterk verweerde continent -, een nauwelijks ontwikkelde infrastructuur, een gebrekkige onderzoek- en extensiecultuur, vaak erg wispelturige weerpatronen, politieke instabiliteit en zwakke regeringen. Meer specifiek kan men vaststellen dat het continent bedekt is met oude, uitgeputte bodems, arm aan verweerbare mineralen, met een laag organisch stofgehalte, zuur en aluminiumtoxisch en gekenmerkt door een slechte waterhuishouding. Bijgevolg hebben arbeid en land een lage productiviteit, zijn nutriëntenbalansen voor de meeste regio’s, landen of bedrijven negatief voor de belangrijkste plantenvoedingsstoffen, wordt kunstmest nauwelijks gebruikt en is de schade door onkruiden, insecten en plantenziekten erg hoog. Het is logisch dat dit leidt tot nog verdere bodemverschraling en daling van de biodiversiteit door een toenemende aanslag op de overblijvende natuurlijke ecosystemen.

Meer specifiek zal de hypothese moeten worden onderzicht die stelt dat het schaarse gebruik van meststoffen (gemiddeld < 10 kg NPK/ha in SSA, te vergelijken met +/- 200 kg NPK/ha in Europa) verklaard wordt door hun lage rendement. Een laag rendement van duur aangekochte kunstmeststof is eigen aan uitgeputte, tropische bodems. De teleurstellende resultaten van het gebruik van kunstmest worden dan echter vaak ten onrechte aangewend om dit soort meststoffen als nutteloos en zelfs schadelijk af te schrijven. Hoe dan ook, door het lage rendement blijft de vraag naar kunstmeststoffen laag en hun prijs hoog.
De lezing zal een aantal klassieke vragen rond het gebruik van kunstmest kritisch onderzoeken. Een verbetering van het rendement van kunstmest is mogelijk; recent onderzoek van onze afdeling en haar partners, laat zien dat bodems kunnen “genezen” mits een doorgedreven investering in organische stof en in het op grote schaal toepassen van natuurlijke fosfaten. Het lijkt er sterk op dat dit basisvoorwaarden zijn om met redelijk rendement kunstmest te kunnen toepassen. Wat als principe eenvoudig lijkt, is in de praktijk echter allesbehalve vanzelfsprekend. De grote hoeveelheden organische stoffen die nodig zijn voor deze oefening zijn meestal niet aanwezig. De uiteenzetting zal uitvoerig ingaan op deze beperkingen.

Ten slotte zullen concrete voorbeelden moeten worden gegeven waarin het productievermogen van tropische bodems wordt geregenereerd. We hopen zo duidelijk te maken dat een totale aanpak wordt vereist, met aandacht voor alle ecologische en sociaal-economische wetmatigheden, en ontdaan van mythes en emotionele argumenten.
Soil – Earth’s living skin

Paleontologie ;
“Aarde en leven, bron van diversiteit”

KORT OVERZICHT  VAN DE GESCHIEDENIS VAN DE AARDE  EN HET LEVEN 

Geologen hebben de geschiedenis  v/d aarde verdeeld in tijdperken en perioden.

Precambrium

Ontstaan aarde, 4,6 miljard jaar geleden.

Ontstaan leven, 3,8 miljard jaar geleden (de eerste eenvoudige vormen van leven, in ‘t water, waarschijnlijk heterotroof).
Uit anorganische stoffen zijn organische stoffen ontstaan, d.m.v. een mengsel van ammoniak, methaan, waterstof en water dat werd blootgesteld aan elektrische ontladingen.

° Oeratmosfeer ° bliksemontlading ° aminozuren en nucleïnezuren.
° Biogenese: het ontstaan van leven uit levenloze materie.

.2,3 miljard jaar geleden: ontstaan overeenkomstige organismen van bacteriën (produceerde zuurstof?), eencellige planten en dieren algen

1,5 miljard jaar geleden: eerste cellen met organellen

endosymbiosetheorie (bacteriën zouden in andere cellen zijn gaan leven).

Eind Precambrium:   veelcellige organismen als zeewieren, sponzen

Paleozoïcum
600 miljoen jaar, Cambrium Planten (in water)
430 miljoen jaar, Siluur Vissen, eerste landplanten
395 miljoen jaar, Devoon Eerste landdieren
350 miljoen jaar geleden: amfibieën, eerste planten met vaatbundels
345 miljoen jaar, Carboon Steenkool gevormd dus: veel
planten.   eerste reptielen, wouden, insecten.
280 miljoen jaar, Perm
250 miljoen jaar geleden: naaktzadige zaadplantenMesozoïcum   //  reptielen
225 miljoen jaar, Trias
200 miljoen jaar geleden: bedektzadige zaadplanten.
190 miljoen jaar, Jura  –> Bloeitijd reptielen / de eerste zoogdieren
en vogels.
135 miljoen jaar, KrijtNeozoïcum

65 miljoen jaar geleden: uitsterving sauriërs (oorzaak: inslag groot rotsblok

explosie  zwarte wolken, stof, roet  temperatuur-daling die de sauriërs niet overleefden.

Tertiair Opkomst zoogdieren
2 miljoen jaar,
Kwartair Mens
1 miljoen jaar geleden: eerste primitieve mensen
Pleistoceen
holoceen 30.000 jaar geleden: huidige mensenrassen. 

Earth & Life – the origins of diversity
Filip Volckaert (Afdeling Dierenecologie & systematiek, K.U.Leuven)
Iain Stewart (University of Plymouth, BBC)

Outreach – bringing earth sciences to everyone

De geschiedenis van het leven op aarde

De aarde bestaat ongeveer 4600 miljoen jaar. In het begin was er geen leven. Ongeveer 3800 miljoen jaar geleden ontstonden waarschijnlijk de eerste eenvoudige vormen van leven. In dit tijdvak was er nog geen zuurstof. De eerste bacteri챘n verschenen ongeveer 2300 miljoen jaar geleden. Hieruit ontwikkelden zich eencellige planten en dieren. Uit deze groep evolueerden de veelcellige organismen.
°
Ongeveer 400 miljoen jaar geleden verschenen de eerste landplanten. In korte tijd verspreidden planten zich over het land. In dezelfde periode ontstonden ook de eerste gewervelde dieren en vissen. Na de landplanten volgden de landdieren. Er was voldoende zuurstof in de atmosfeer. De landdieren zijn ontstaan in de volgende volgorde: geleedpotigen – amfibieën – reptielen – zoogdieren.
65 Miljoen jaar geleden stierven de reuzenreptielen (de sauriërs) uit en verschenen de kleinere reptielen.
Ongeveer 1 à 1,5 miljoen jaar geleden verschenen de eerste primitieve mensen.
°
Veranderingen van de aarde – veranderingen van dieren
De dinosauri챘rs vormden lange tijd de top van de voedselpiramides. Er waren ook grote plantenetende reptielen. Door een plotselinge verandering op aarde verdwenen de grote dinosauri챘rs. Er waren verschillende groepen dieren, die de sauri챘rs opvolgden: de buideldieren en de loopvogels in Zuid-Amerika en Australi챘.
Er deden zich op aarde verschillende veranderingen voor: De continenten dreven naar elkaar toe en er vormden zich landbruggen waarover landdieren zich konden verspreiden over nieuwe gebieden. Belangrijke opvolgers waren de zoogdieren. Hun gebit was heel belangrijk bij de ontwikkeling van deze groep.
Veranderingen in erfelijke eigenschappen
Door geslachtelijke voortplanting hebben nakomelingen andere erfelijke eigenschappen dan hun ouders. De erfelijke eigenschappen kun je niet zien. Hoe een organisme eruit ziet aan de buitenkant hangt af van de leefomstandigheden (het milieu) van een organisme.
°
Natuurlijke selectie
Natuurlijke selectie hangt samen met de overlevingskans van een organisme. Of een organisme goed of slecht is aangepast hangt voor een groot deel af van erfelijke eigenschappen. Organismen die zich goed hebben aangepast, hebben een grotere overlevingskans. Nakomelingen van organismen die goed zijn aangepast, hebben een grotere kans op succesvolle voortplanting. Soorten kunnen door selectie steeds veranderen. Voorbeelden van aanpassingen zijn: voedselspecialisatie, zoals de bamboe etende panda; een schutkleur, zoals een hermelijn (zomer – winter); en slim gedrag, zoals de vos.
°

Het ontstaan van nieuwe soorten
Wanneer soorten van elkaar geïsoleerd raken kunnen nieuwe soorten ontstaan. De isolatie zorgt voor een ontstaan van verschillen tussen de soorten. Op den duur kunnen de soorten zich niet meer onderling voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. Hetzelfde kan gebeuren wanneer een deel van de groep ge챦soleerd raakt van de rest.
Argumenten voor de evolutietheorie
  • Overeenkomsten in de manier waarop organismen zich voor de geboorte ontwikkelen.=  Overeenkomst in embryonale ontwikkeling.   //De embryonale ontwikkeling v. verschillende soorten dieren vertoont overeenkomst. Hierdoor wordt het aannemelijk dat deze dieren een gemeenschappelijke voorouder hebben.
  • Overeenkomsten in hoe organismen eruit zien.=  Overeenkomst in bouw(en bouiwplan –> geneste hierarchieen ) .= Organen met verschillende functies kunnen veel overeenkomst in bouw vertonen(analoog  homoploog ) . Bijv.: de vleugel v.e. vleermuis, de voorvin v.e. walvis, de voorpoot v.e. mol en de arm v.e. mens.- Waarschijnlijk zijn de organen uit dezelfde grondvorm ontstaan. De organismen hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder gehad. Door aanpassing aan het milieu zijn de verschillen ontstaan.
  • Overeenkomsten in de manieren waarop verschillende organismen zich voeden, zich voortplanten en leven.
  • Dieren hebben organen die geen functie meer  hebben   en niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen.; rudimentaire organen.
    – Voorbeelden v. rudimenten: het bekken v.e. walvis, de pootresten bij reuzenslangen, de staartwervels en de blindedarm bij de mens. Bij verwante soorten komen deze organen wel tot volledige ontwikkeling.
    – Door rudimentaire organen wordt het aannemelijk dat verschillende soorten organismen een gemeenschappelijke voorouder hebben.

Voedselpyramides <—

   <—-klik

Advertenties

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

3 Responses to Planeet aarde

  1. Pingback: broeikasgassen / Notes B « Tsjok's blog

  2. Pingback: GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL A | Tsjok's blog

  3. Pingback: GEOLOGIE IN TELEGRAMSTIJL INLEIDEND | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: