pandemieën en zoonose


Esculaap4.svgNeem het voorbehoud bij medische informatie in acht.

Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

http://www.kennislink.nl/publicaties/infectieziekten-houden-zich-niet-aan-grenzen

prof. dr. Marion Koopmans   /   Bio-wetenschappen en maatschappij

dinsdag, 1 maart 2011 13 mei 2011

Kernwoorden      

Infectieziekten zijn van alle tijden. Al in de Oudheid roeiden epidemieën van pest en pokken hele volksstammen uit. Spaanse en Mexicaanse griep, legionella, aids, sars en Q-koorts zijn voorbeelden uit de laatste eeuw.

Voortdurend liggen nieuwe infectieziekten op de loer. Waakzaamheid is daarom geboden. Want er is geen douane die een infectieziekte bij de grens kan tegenhouden.

“Een grens is de scheidingslijn tussen twee landen of andere (bestuurlijke) eenheden”, zegt de moderne volkswijsheid die is vastgelegd in Wikipedia. Die grenzen lijken goed te worden bewaakt. Niet alleen tegen de illegale oversteek van mensen en goederen, ook tegen de invoer van microben. Wie naar de Verenigde Staten of Australië reist, moet er voor zorgen dat de haastig meegegriste appel bij aankomst is verorberd, want de invoer ervan is tegen de regels.

Die regels moeten de import van ziekten voorkomen. Ze gelden ook voor de reiziger zelf: wie een ernstige besmettelijke ziekte onder de leden heeft moet dat aankruisen op een formulier. En ze gelden ook voor dieren. Paarden die aan een internationale wedstrijd deelnemen of een hond die mee mag naar de camping in Zuid-Frankrijk moeten een gezondheidspaspoort hebben en zijn ontwormd om te voorkomen dat ze met hun behoeften ook een stapel wormeieren deponeren in het land van bestemming.

containerhaven                                                                                                                                                                                                       Rotterdam is een van de grootste containerhavens ter wereld. Afbeelding: © ECT, Rotterdam

Zulke strenge voorzorgen werken alleen bij een goede naleving en die schiet vaak te kort. Zo meldde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 24 april 2009 dat in het zuiden van de Verenigde Staten een aantal personen een bijzonder griepvirus had opgelopen. Dit virus leek afkomstig uit varkens en werd in verband gebracht met een uitbraak in Mexico.

Het verhaal deed de alarmbellen rinkelen omdat het om influenza, zelfs een voor de mens nieuw influenzavirus, ging. Influenza kan zich zeer snel verspreiden en men vreesde voor een wereldwijde epidemie van een mogelijk ernstige ziekte. De klaarliggende draaiboeken werden uit de kast gehaald en gezondheidsautoriteiten over de hele wereld probeerden de verspreiding van het virus in te dammen.

Al na een paar maanden werd duidelijk dat dit was mislukt: op 30 april, dus nog geen week na het WHO-alarm, kwamen er al meldingen van geïnfecteerde patiënten uit Canada, Europa (inclusief Nederland), de VS en Nieuw-Zeeland. Een maand later waren er al meer dan 15.000 gevallen in 53 landen en waren 99 personen overleden aan de gevolgen van de infectie, die de Mexicaanse griep werd gedoopt. Een griep die de wereld maandenlang in zijn greep heeft gehouden. Hoewel influenza een van de meest bestudeerde infectieziekten is, kon al die kennis de verspreiding van het virus niet voorkomen.

De pokken deden de indianen definitief de das om

Dr. Jannes van Everdingen

Vloot_van_cort_s

De vloot van Cortés bestrijdt in Mexico de Azteken aan het begin van de 16de eeuw. Afbeelding: © B en U, Diemen

Toen de Spanjaarden onder aanvoering van Hernándo Cortés in 1519 Mexico binnenvielen, werden zij onverwachts geconfronteerd met een hoogstaand volk: de Azteken. Hun hoofdstad, Tenochtitlan, leek op Venetië met piramide-achtige tempels, grote gebouwen en fraaie tuinen. Hoe kon een handjevol van 1.500 Spanjaarden een volk van 15 miljoen inwoners overwinnen?

De Azteken durfden aanvankelijk niet te vechten omdat ze geloofden dat Cortés hun hoofdgod was, die van overzee was teruggekeerd. Toen ze uiteindelijk wel zover waren, hadden de Spanjaarden zich al verzekerd van de hulp van de volkeren die eerder door de Azteken waren onderworpen. Maar de genadeklap kwam van onverwachte zijde.

Zoals Columbus syfilis had meegenomen vanuit Europa, hadden de mannen van Cortés pokken, mazelen en kinkhoest bij zich. Doordat de Indianen zich dagelijks wasten in besmette poelen en rivieren konden die ziekten zich snel verspreiden. De bevolking, inclusief het leger van de Azteken, werd zo met honderdduizenden gedecimeerd.

Na de val van Tenochtitlan in 1521 verplaatste het pokkenvirus zich zuidwaarts, naar het Incarijk. De Incakeizer Huayna Capac raakte besmet en overleed, waardoor een burgeroorlog tussen zijn zonen uitbrak. Zo verzwakten ook de Inca’s en kon Pizarro de stunt van Cortés herhalen door in 1533 het Incarijk te veroveren met een piepklein leger.

Twee eeuwen later deden de Engelsen er bij de Indianen in Amerika nog een schepje bovenop door ze opzettelijk dekens te verstrekken waarin pokkenpatiënten hadden geslapen. Het bleek een succesvolle vroege vorm van biologische oorlogsvoering.

Transmissieroutes

De Mexicaanse griep is een van de meest recente voorbeelden dat infectieziekten zich niet aan grenzen houden. En de lijst van eerdere voorbeelden is lang: van builenpest en pokken tot Spaanse griep en sars. Dat wil echter niet zeggen dat alle infecties even moeilijk te stoppen zijn. Influenza is berucht om zijn snelle verspreiding, voor je het weet heb je de griep van iemand opgepikt. De zogeheten ‘transmissieroute’ speelt een belangrijke rol.

Infecties worden ingedeeld naar de manier waarop je ze het gemakkelijkste kunt oplopen: via inhaleren (respiratoire infectie), door inslikken (fecaal-orale infectieroute), door rechtstreeks contact met de huid (contactinfectie), via seks (soa), via spuiten of ander bloedcontact (bloedoverdraagbare infectie), via dieren (zoönose) of via bloedzuigende muggen, luizen en teken (vectoroverdraagbare ziekten). Veel van de ziekten die zich gemakkelijk verspreiden, worden overgedragen via inhalatie. Influenza, tuberculose en sars zijn daarvan voorbeelden.

sars1 en 2

Verpleegsters op het vliegveld van Bangkok zitten klaar om arriverende reizigers te testen op sars, in 2003. De foto rechts laat drie soorten mondkapjes zien die gebruikt werden in Hongkong tijdens de sarsepidemie in 2003. Alleen de man in de achtergrond draagt het juiste type mondmasker als bescherming tegen virussen. Afbeelding: © Hollandse Hoogte, Amsterdam

De transmissieroute zegt ook iets over de manier waarop een infectie de landsgrenzen kan passeren. Voor respiratoire infecties is intensief grensoverschrijdend personenverkeer een doorslaggevende factor. Een mooi voorbeeld daarvan levert de terugblik op de sarsepidemie van 2003. In februari dook sars op in Hongkong, toen een Chinese arts die betrokken was bij de behandeling van patiënten met een onbekende longontsteking, incheckte in een hotel. Hoewel de problemen in China al sinds november 2002 speelden, kwam de internationale verspreiding pas echt op gang toen de metropool Hongkong werd getroffen. Via het vliegverkeer kwam de infectie uiteindelijk terecht in 29 landen.

In tegenstelling tot de Mexicaanse influenza werd deze infectie uiteindelijk wel gestopt. Dat heeft te maken met het moment en de periode dat geïnfecteerde personen besmettelijk zijn en het moment dat ze gezondheidsklachten krijgen. Bij sars is men pas besmettelijk nadat koorts en andere klachten optreden, bovendien ontwikkelden de meeste mensen die met sars waren geïnfecteerd symptomen die vaak zo ernstig waren dat ze ziek thuis bleven of in het ziekenhuis werden opgenomen. Deze vrijwillige quarantaine is een effectieve manier om verdere verspreiding onder de bevolking tegen te gaan. Zij verklaart ook waarom ruim 20 procent van de 8.096 gemelde sarspatiënten in de gezondheidzorg werkte.

Kinderverlamming

Ook bij andere infectieroutes dan via de ademhaling mag weinig worden verwacht van de aanwezigheid van landsgrenzen, wanneer de infectie van de ene persoon op de andere kan worden overgedragen.

Polio

Begin jaren ‘50 kregen in Nederland jaarlijks ongeveer 20.000 mensen polio. Door vaccinatie verminderde dit tot 3.000 in 1960. ’credits’>Afbeelding: © Stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij

Het poliovirus, de veroorzaker van de besmettelijke kinderverlamming, is daarvan een berucht voorbeeld. De wereldgezondheidsorganisatie WHO probeert het poliovirus uit te roeien door intensieve vaccinatiecampagnes en het actief opsporen van mogelijke ziektegevallen, net als met de pokken is gebeurd.

Grote delen van de wereld zijn nu vrij van polio, maar de laatste loodjes wegen zwaar. Er zijn enkele hardnekkige haarden in India, Pakistan, Nigeria en Afghanistan waar nog vrij veel polio voorkomt en van waaruit verspreiding plaatsvindt. Tussen april en oktober 2010 werden uitbraken van polio plotseling ook gemeld in zes Afrikaanse landen en in Nepal, Rusland, Tajikistan, Kazachstan, en Turkmenistan. In totaal waren dat ruim 2.300 patiënten, meer dan in de van oudsher bekende besmettingshaarden.

Hoewel de exacte herkomst van de infectie vaak onduidelijk is, speelt ook hier het reizigersverkeer een belangrijke rol. Polio wordt vooral via de fecaal-orale route – van kont-op-mond – verspreid doordat het virus voorkomt in ontlasting van geïnfecteerde personen. Maar vanwege de eigenschappen van het virus en de ziekte, is een snelle controle moeilijk. De meeste mensen die een infectie met het poliovirus oplopen blijven gezond en kunnen ongemerkt het virus verspreiden.

Bovendien duurt het vrij lang voordat iemand de karakteristieke symptomen waarbij een arts aan polio gaat denken, krijgt. Voordat het zover is, heeft de patiënt vaak al meer dan een week het virus lopen verspreiden. Gelukkig is de bestrijding van polio effectief, tenminste als eenmaal is ontdekt dat er een polio-uitbraak is. Bij een uitbraak van polio wordt naast toepassing van hygiënische maatregelen extra gevaccineerd om kinderen te beschermen die niet immuun voor het virus zijn.

Uit de vreemdste hoeken

Bij fecaal-oraal overdraagbare infecties brengen niet alleen personen de ziekte over de grens, het virus of de bacterie weet ook zelfstandig de grens te passeren. Besmette ontlasting komt terecht in het riool of, in landen waar een deel van de bevolking geen toegang heeft tot sanitaire voorzieningen, rechtstreeks in het milieu en in het oppervlaktewater.

Sommige ziekteverwekkers overleven uitstekend buiten de gastheer en kunnen via irrigatie terecht komen op voedsel. Cruciaal is ook de hygiëne van de mensen die voedsel bewerken, zoals plukkers en verpakkers. De globalisering van de voedselmarkt heeft grote invloed op de verspreiding via voedsel. Steeds vaker hebben producten een lange reis achter de rug voor zij op ons bord belanden. En dat kan tot uitbraken van infectieziekten leiden, zoals een recent voorbeeld illustreert.

In 2009 en 2010 werd in drie landen een vorm van geelzucht vastgesteld die wordt veroorzaakt door het hepatitis A-virus, een fecaal-oraal overdraagbaar virus. Het ging om een aantal geïsoleerde gevallen in Australië, Frankrijk en Nederland, van wie bleek dat zij vrijwel allemaal liefhebber waren van zongedroogde tomaten, al dan niet verwerkt in tapenades en salades. Doordat men het erfelijk materiaal van het virus heeft kunnen typeren, lijkt het erop dat tomaten uit Turkije de meest waarschijnlijke bron van de infectie waren.

Globalisering is ook van belang bij andere producten, zoals heparine, een medicijn tegen stollingsproblemen. Heparine wordt gewonnen uit runder- en schapenlongen of varkensdarmen en 80 procent van de heparine komt uit China. De bewaking van de kwaliteit, bijvoorbeeld de gezondheid van de dieren en het productieproces, moet ook daar plaatsvinden. Gelukkig zijn er zelden problemen, maar het systeem is kwetsbaar, vooral omdat heparine vaak wordt ingespoten bij mensen met gezondheidsproblemen.

In 2009 werd in het bloed van varkens in de Filippijnen bij toeval een virus ontdekt uit de familie filovirussen. De gevonden variant van het ebolavirus infecteert wel mensen, maar veroorzaakt daar geen ziekteverschijnselen. Dat doet het wel bij primaten. En nadat het virus in het laboratorium een paar keer is overgegaan van aap op aap, is het opeens dodelijk voor mensen geworden. Dit is opnieuw een voorbeeld dat illustreert dat infectieziekten uit de meest onverwachte hoeken kunnen opduiken en weinig hinder ondervinden van wat wij als grenzen zien.

Ook heeft de ongrijpbare handel in autobanden geleid tot de verspreiding van muggen die tropische virusinfecties kunnen veroorzaken. Op deze wijze hebben enkele honderden patiënten in Italië een tropische ziekte, chikungunyakoorts, op kunnen pikken van een reiziger.

Homo mobilis

Maar de belangrijkste transporteur van infectieziekten blijft toch de mens zelf. Internationale vakantiereizen, avontuurlijke bush-expedities, exotische consumptiepatronen, sekstoerisme en illegale handel in dieren zijn beruchte manieren om een infectieziekte op te pikken en deze ongemerkt te exporteren. Zulke grootschalige activiteiten van de mens vallen niet te controleren en daarmee zijn dit soort besmettingen niet meer weg te denken uit het moderne leven.

Daarom is alertheid van medici bij onverklaarde klachten die op een infectieziekte kunnen duiden essentieel om een mogelijke uitbraak vroegtijdig te signaleren. Ook zou meer kennis van de microben waarmee hij omgeven is en de mogelijkheden om infecties te voorkomen, de moderne mens of ‘Homo mobilis’ niet misstaan.

Prionen

PRION /Prionziekten Prionen zijn infectueuze eiwitten die de schapenziekte scrapie, de gekke-koeienziekte BSE en de hersenziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJ) veroorzaken. Tot 1996 waren de prionziekten slechts in beperkte kring bekend, Er sterven een aantal oude mensen jaarlijks aan de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJ).Van de nog veelzeldzamere prionziekten van Gerstmann-Sträussler-Scheinker (GSS) of fatal familial insomnia (FFI) weten overigens nog altijd alleen neurologen iets af.

Prof. Stanley Prusiner, hoogleraar in de virologie, de neurologie èn de biochemie, ontdekte in 1982 prionen, de infectieuze eiwitten die de gekke-koeienziekte en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob veroorzaken.

Prusiner:
“Maar het prionverhaal begint al in de jaren veertig toen bij een vaccinbereiding duidelijk werd dat het ziekmakende deeltje ontsmetting met formaline doorstond. Dat was een eerste aanwijzing dat het geen virus of bacterie was, want die sneuvelen doorgaans bij zo”n behandeling.”

Halverwege de jaren zestig was bekend dat de prionziekten soms toevallig voorkwamen, soms in familieverband, maar dat ze ook besmettelijk konden zijn.
Uit proefdieronderzoek bleek dat hersenpreparaat van overleden CJ-patiënten, ingespoten in de hersenen van muizen, bij die proefdieren een degeneratieve hersenziekte veroorzaakte.
Het infectievermogen bleef in stand na bestraling van het hersenmateriaal met UV-licht en
radioactiviteit. Dat zijn bronnen die eiwitten intact laten, maar waardoor nucleïnezuren in DNA en RNA kapot gaan. Virussen en bacteriën die zich alleen met behulp van intact DNA of RNA kunnen vermenigvuldigen verliezen door die straling hun infectievermogen.

Sommige onderzoekers opperden de mogelijkheid van een niet-virale besmetting, maar de meesten zochten het in een langzaam werkend en uitzonderlijk resistent virus.

Prusiner werd in 1974 assistent professor in de neurologie aan de universiteit van Californië in San Francisco en begon direct zijn speurtocht naar de onbekende ziekteverwekker:

“De enige manier om dat te doen was om fracties van hersenen van zieke dieren te testen op overblijvende infectiviteit in nieuwe proefdieren.

Na jaren werk hadden we eindelijk een vrij zuiver infectieus preparaat in handen.
Dat bleek het prion-eiwit te zijn, of beter gezegd de eiwitromp die overblijft na een behandeling met eiwitsplitsende enzymen.”

Prusiner (55), publiceerde zijn ontdekking van de prionen in 1982 in het blad Science.

Hij was in 1972 met het onderzoek begonnen nadat een van zijn patiënten was gestorven aan Creutzfeldt-Jakob.

Prusiners ontdekking als een mogelijke basis voor verder begrip van de oorzaken van andere hersenziekten, zoals die van Alzheimer en van Parkinson werd beloond met de
Nobelprijs fysiologie en geneeskunde 1997
In 1976 werd de Nobelprijs nog uitgereikt aan D.C. Gajdusek (samen met B.S. Blumberg) voor zijn theorie dat de met Creutzfeldt-Jakob verwante hersenziekte kuru zou worden veroorzaakt door een virus.

BSE werd in 1986 ontdekt.
De prionen werden wereldberoemd toen in maart 1996 de Britse regering meldde dat tien jonge Britten aan een nieuwe variëteit van Creutzfeldt-Jakob waren overleden, vermoedelijk als gevolg van de consumptie van vlees van runderen met BSE.
Sindsdien woede de BSE-crisis in de Europese Unie.

Inmiddels (1990-tiger jaren ) zijn er vijftien patiënten, één in Frankrijk en veertien in Groot-Brittannië, het land waar van 1985 af 160.000 koeien met BSE zijn geteld.
Inmiddels is overtuigend aangetoond dat de jonge Britten met de nieuwe variëteit CJ ziek zijn geworden van prionen uit koeien.
De vraag is nog wel of de prionen in het vlees zaten of dat ziekte is overgebracht met in voedsel verwerkt zenuwweefsel.
Prionen mogen pas sinds maart op de Europese politieke agenda en in de hersenen van veel Europeanen gegrift staan, in de wetenschap dolen de vreemde besmettelijke deeltjes al vijftig jaar rond.
De prionziekte bij mensen doet er vier tot veertig jaar over voor de dementie toeslaat.

Prusiner over BSE.

Lange tijd was zijn ontdekking omstreden omdat het om een volkomen nieuw ziekmakend fenomeen gaat: géén schimmel, virus of bacterie. Prionen zijn nu bekend als eiwitten die twee of meer vormen kunnen aannemen. Er zijn vormen met een “gezonde” functie in het lichaam, maar er bestaan ook één of meer ziekmakende vormen.
De ziekmakende vorm kan toevallig of door een genetische afwijking ontstaan.
Prionen zijn eiwitten die ieder zoogdier maakt in vele weefsels, maar vooral in de hersenen. Ze liggen op de celmembranen.
De ziekte verspreidt zich wanneer een gezond prion in contact komt met een ziekmakende versie en daardoor ook de ‘foute’ vorm aanneemt.
In principe zouden alle tienduizenden eiwitten die in een levend wezen voorkomen, als prion kunnen werken.
Er is echter pas één eiwit ontdekt dat van vorm verandert en ziekte veroorzaakt: het prion.

In wetenschappelijke kring gaat al jaren het gerucht dat Prusiner de term prion heeft afgeleid van zijn eigen naam. Maar hij ontkende dat een jaar geleden.

“In het voorjaar van 1981 belde ik Science om te vragen of ik onze gegevens voor hen mocht opschrijven. Dat was goed. Over de juistheid van onze metingen was geen twijfel meer mogelijk.Of de interpretatie juist was, en of de conclusie van een infectieus eiwit terecht was, daar hebben we nog wel eens aan getwijfeld. Wij doolden in zekere zin ook maar in de mist rond. Maar toen we na acht jaar werk gingen publiceren wilde ik het deeltje – een nieuw fundamenteel deeltje in de biologie – een framework geven. Het moest een naam hebben. Ik probeerde een krachtig woord te vinden, met korte lettergrepen, waar mensen makkelijk op konden komen, makkelijk te schrijven en in alle talen uit te spreken.
Het moest terugverwijzen naar proteineaous infectious particle. Je stoeit wat met die woorden en je verwisselt wat letters tot het goed valt. Het werd prion.”
De veronderstelde vormverandering van het prioneiwit is lange tijd voor veel geleerden het
struikelblok geweest om de theorie te accepteren. Maar ieder eiwit heeft voldoende mogelijkheden voor vormveranderingen.De structuur van ieder eiwit wordt bepaald door de driedimensionale opvouwing van een lange keten aaneengeschakelde aminozuren.
Elk van de tienduizenden eiwitten die in een menselijk lichaam een functie hebben als bouwsteen, boodschappermolecuul of katalysator van biochemische reacties (enzym) bestaat uit een specifieke volgorde van tientallen tot honderden aaneengeregen aminozuren.
Voor de bouwstenen wordt geput uit een voorraad van twintig verschillende aminozuren.
De volgorde van de aminozuren in de eiwitketen wordt bepaald door de erfelijke informatie in het DNA van onze chromosomen. Nadat de aminozuurketen is aaneengeregen, vouwt hij op tot een biologisch actieve vorm. Daarin zijn een kurkentrekker (-helix) en een platte structuur (-sheet) belangrijke vormelementen.

In PrP, zo is het idee, ontstaat bij de overgang naar PrP -sheet in plaats van twee -helices. Na 1981 heeft een stroom aan experimentele resultaten de priontheorie verder bevestigd en de virustheorie ontkracht. In 1982 is het gen voor PrP gevonden, de aminozuurvolgorde is vastgesteld en de genafwijkingen in families met familiale prionziekten zijn bekend.
Met genetisch gemanipuleerde transgene muizen zijn in de jaren negentig beslissende
infectie-experimenten uitgevoerd. De muis zonder PrP-gen wordt bijvoorbeeld niet ziek als hij hersenmateriaal van een soortgenoot met prionziekte krijgt ingespoten.
Dat bewijst dat er niet een zelfstandig replicerend agens, zoals een virus of bacterie, de hersenen van een geïnfecteerd dier binnendringt. Iedere patiënt maakt zijn eigen dodelijke prioneiwit.

Toch verlangen tegenstanders een wat zij noemen definitief bewijs: maak een prioneiwit in een reageerbuis, verander de conformatie van goedaardig in kwaadaardig en toon aan dat je daarmee proefdieren kunt infecteren.

Prusiner zelf heeft weinig geduld meer met collega-onderzoekers die zijn priontheorie nog steeds niet accepteren.
Prusiner :
“Dat experiment vind ik nonsens. De gegevens zijn al lang overtuigend. In dieren hebben we al aangetoond wat ze ons nu nog in de reageerbuis willen zien doen. Natuurlijk willen we nog wel eens het mechanisme helemaal ontrafelen. Natuurlijk willen we het prioneiwit een keer fabriceren uit niet-biologische componenten. Maar belangrijker vind ik het momenteel om te zoeken naar het verband tussen de mogelijke vormen van het prioneiwit en de soorten ziekte die ze veroorzaken.”

“De tegenstanders zijn nu zo volhardend dat ze alleen nog maar kunnen uitsterven.”
Eerder gebruikte hij voor hen de term ruminants, herkauwers. Vermoedelijk wenst hij ze de prionen.

De priontheorie ligt inmiddels rotsvast verankerd binnen de biomedische wetenschappen.
Maar het is een fundament, niemand weet hoe groot het huis wordt dat er nu op wordt gebouwd. Zullen prionen altijd vreemde uitzonderingen blijven? Misschien is het beperkt tot één eiwit, het prioneiwit, dat zich fataal gedraagt?

Prusiner:
“Ik weet het natuurlijk niet, maar kijk naar de ontrafeling van sikkelcelanemie. Dat stond aan het begin van alle kennis over erfelijke ziekten. Mijn gok is dat we een nieuwe ziekteoorzaak hebben, de protein conformation diseases. Met dat principe kunnen we degeneratieve ziekten onderzoeken die langzaam ontstaan en op hogere leeftijd tot uiting komen, speciaal de ziekten die voortschrijden zonder het afweersysteem ook maar een moment aan het werk te zetten. Goede kandidaten zijn Alzheimer, Parkinson, ALS, ouderdomssuikerziekte en inclusion body miositis.”

Inclusion body miositis is de bij ouderen meest voorkomende maar toch zeldzame spierziekte die vanouds onder de auto-immuunziekten wordt gerangschikt.
Bij de chronische vorm is echter geen activiteit van het afweersysteem meetbaar en het
immuunsysteemonderdrukkende medicijn prednison remt het ziekteproces niet.Wel ontstaan er blaasjes in de spiercellen.

Behalve de vraag of en welke prionziekten er eigenlijk zijn, is ook de “filosofische status” van het prion nog ongewis. Verkeren prionen, net als virussen en bacteriën in een dynamisch evenwicht met hun gastheer? Staan ze onder evolutiedruk? Zijn het eigenlijk enge indringers?

Prusiner:
“Er is geen overeenkomst met virussen en bacteriën. Prionziekte is net zo goed een genetische als een infectieziekte. Er is geen deeltje dat zich vermenigvuldigt met zijn eigen DNA. Het lijkt dus niet op een virus dat overleeft door minder of meer virulent te worden in combinatie met zijn verspreidingssnelheid en lethaliteit.
Prionen zijn geen indringers, maar lichaamseigen eiwitten. Ze staan niet onder selectiedruk.”
Dus er is geen ruimte voor science fiction verhalen over prionen die de wereld overnemen?

“O, ja, die is er wel. Prionen figureren al in science fiction. Heeft u Michael Crichton”s boek The Lost World gelezen? Dat moet u lezen. Het is de opvolger van Jurassic Park en er wordt nu een film van gemaakt. In dat boek sterven de dinosaurussen door prionen.”

Ten slotte de koeien.
Iedere Europeaan wil nu wel eens van de Amerikaanse prion-godfather weten hoe gevaarlijk Europa voor de vleeseter is. Prusiner weet het niet:

“Er zijn 160.000 koeien met BSE geteld. Er zijn 14 jonge Britten ziek geworden.
De nieuwe ziektegevallen doen zich lineair in de tijd voor, ongeveer iedere twee maanden een nieuwe patiënt. Niemand weet hoeveel mensen er nog ziek worden. Als we nu iets concluderen, dan is het dat er tot nu toe waarschijnlijk meer slachtoffers zijn gevallen door het ineenstorten van de rundvleesprijzen dan door de nieuwe variëteit CJ. Hoeveel mensen in de sector hebben een hartaanval gehad? Hoeveel boeren hebben uit wanhoop zelfmoord gepleegd? We moeten niet vergeten dat de koe in het centrum van de wereldeconomie staat, naast de auto.”

Prusiner acht het op grond van kennis over de prion-genen bij schaap, koe en mens goed mogelijk dat de prionziekte binnen twintig jaar is overgegaan van schaap naar koe naar mens, en al eeuwenlang niet direct van schaap naar mens.

Het prion-gen van schaap wijkt op dertig posities af van het prion-gen van de mens en maar op zeven posities van dat van de koe.

Het gevaar van die gekke koeien moeten we niet overdrijven, vindt Prusiner voorlopig.
Maar ze moeten wel de voedselketen uit. Koeien zijn duizend keer gevoeliger voor prionziekte dan de muizen die worden gebruikt als diagnostische test om te bewijzen dat een koe echt BSE had. Het is daardoor niet te meten hoeveel een- en tweejarige slachtdieren besmet de voedselketen in zijn gegaan.

Dinsdagmiddag kwam op een wetenschappelijk symposium in Utrecht even aan de orde of er medicijnen of andere op wetenschap gebaseerde maatregelen mogelijk zijn tegen BSE in de veestapel.
Heeft het zin koeien en schapen te fokken waarin het PrP-gen is uitgeschakeld?
Die dieren maken dan geen PrP meer en kunnen dus ook geen prionziekte krijgen.
De mogelijkheid wordt overwogen omdat een lichting prion-knockout-muizen die het PrP-gen missen nu 700 dagen oud is. De muizen zonder PrP zijn niet ziek.
De hersenen van de dode dieren zien er normaal uit.

Prusiner:
“Maar misschien hebben die muizen zonder PrP wel voortdurend hoofdpijn.Dat kunnen we niet zien aan een proefdier in een kooitje.”
De kennis over de rol van PrP is zo gering dat Prusiner er niets voor voelt nu PrP-loze koeien te gaan maken.

De directeur van het Nederlands Kankercentrum prof.dr. Piet Borst ondersteund de priontheorie van Prusiner volledig, maar plaatste Prusiners bijdrage in perspectief door ook facetten van het werk vanPrusiners collega”s c.q. concurrenten (Weissmann in Zürich, Collinge in Londen) te belichten. Borst is er echter van overtuigd dat Prusiner de “paradigmashift” naar het infectieuze eiwit heeft bewerkstelligd. Zoals altijd realiseerde de wetenschap zich pas achteraf dat er van paradigma was gewisseld.

Borst haalde daarna een recent rapport van de EC-commissie voor BSE-research, onder voorzitterschap van Weissmann, aan. Daarin staat puntsgewijs genoemd wat onderzoekers nog willen weten om zekere uitspraken over de BSE-epidemie en de gezondheidseffecten van rundvlees te doen.

Dat rapport stelt de volgende vragen:
– Is BSE via voedsel van koe op mens overgegaan?
– Is er infectiegevaar voor meer runderproducten dan alleen hersenen en ruggenmerg?
– Is BSE uit runderen de afgelopen jaren teruggeïnfecteerd naar schapen?
– Kunnen varkens worden besmet?
– Hoe kan het BSE-prion worden vernietigd?
– Is het mogelijk vee met BSE-weerstand te fokken

Om de besmettingsrisico”s te achterhalen moet volgens het rapport de diagnostiek sterk verbeteren om vast te stellen of niet-zieke slachtdieren al besmet zijn, wat de infectiviteit is van alle onderdelen van de besmette koe vlak voor en nadat de ziekte zichtbaar wordt, of er verontreiniging van het vlees met hersenmateriaal plaatsvindt, wat de benodigde dosis is om primaten te besmetten, wat het effect is van veelvuldige inname van besmette doses (iedere dag vlees).

De vragen zijn gesteld met in het achterhoofd dat de ziekte wel eens blijvend in de veestapel aanwezig zou kunnen zijn.
Borst voegde er moeiteloos een vraag aan toe:
kan het BSE-prion ook, net als het scrapie-prion bij schapen, in de grasmat overleven?

Het is een groot raadsel hoe ziekmakende BSE-prionen uit rundvlees van de menselijke darm naar de hersenen reizen. Ook is onbekend hoe ze daar in contact komen met de gezonde prionen die de zenuwcellen zelf produceren en hoe ze de gezonde prionen omzetten in ziekmakende prionen. Een tipje van die sluier is onlangs opgelicht.

De lichaamseigen gezonde prionen worden zoals alle eiwitten nabij de celkern gesynthetiseerd. Uiteindelijk verschijnen de prionen gebonden in het celmembraan aan de buitenkant van de cel. Daar vlak bij, in het vocht tussen de cellen, zwerven ook de ziekmakende prionen rond.

De prionen op de buitenkant van de cel zijn aangetoond door de groep van celbioloog
dr. Peter Peters van de Universiteit Utrecht. Zij labelden prionen met goudkorreltjes die in een elektronenmicroscopische opname duidelijk zichtbaar zijn.

Prusiner en zijn groep hebben nu aangetoond dat het contact tussen beide typen prionen plaatsheeft in caveolae (kleine grotjes) die aan de celwand naar binnen kunnen stulpen.
De gezonde prionen worden selectief in die caveolae opgenomen.
Als er ziekmakende prionen mee een caveola insluipen, heersen daar kennelijk de goede omstandigheden om de fatale vormverandering tot stand te brengen.

Dit is aangetoond door de lichaamsprionen te voorzien van een andere eiwitstaart waardoor ze niet in caveaolae terecht komen, maar in een ander blaasje dat materiaal in de cel opneemt: de clathrine put.Als de prionen via die route in de cel worden opgenomen ontstaan er geen nieuwe ziekmakende prionen.

Wat zijn prionen?

Definitie —>Prion: proteinaceous infectious particle / Klein, eiwitrijk, infectieus deeltje
Twee vormen: – onschadelijk (PrPc) – schadelijk (PrP*)

Verschillende hypotheses
“Protein only”-hypothese: het prion bestaat vooral uit eiwit, er zijn geen nucleïnezuren
Onconventionele virus-hypothese: PrP maakt deel uit van een virus, wat zelf geen genen heeft die coderen voor dit eiwit
Functies in gezonde systemen
Functie nog niet helemaal opgehelderd
Positie: op de buitenkant van het membraan
Waarschijnlijk signaal- of transportfunctie
Functie gerelateerd aan mogelijkheid tot conformatieverandering
Conformatie van PrPc in runderen

Modellen voor conformatieverandering

“Refolding” model: door interactie met PrP* treedt verandering van conformatie op
“Seeding” model: PrP* wordt gestabiliseerd door kristalvormige aggregaten

Prionziekten

Symptomen
Verlies motorische controle
Dementie
Verlamming
Meestal dood na infectie met andere ziekte
Conclusie: schade binnen het centrale zenuwstelsel

Oorzaken
Infectie
– Opname prionen via voedsel
– Prionen kunnen ongemerkt vermeerderen in reservoirs zoals het immuunsysteem
– Waarschijnlijk transport naar centrale zenuwstelsel via perifeer zenuwstelsel

Erfelijkheid
Alzheimer als voorbeeld van prionziektes

Inleiding Alzheimer
Meest voorkomende vorm van dementie
Hersenen krimpen met 5% per jaar
Vroege vorm (< 65 jaar, erfelijk) en late vorm (> 65 jaar)
Symptomen van Alzheimer
Verlies van hersenfuncties door afsterven van hersencellen
Oorzaken van Alzheimer

Twee mogelijke afwijkingen:

Amyloïde plaques tussen de zenuwcellen van de hersenen
Plaques zijn extracellulaire afzettingen van ß-amyloïden
ß-amyloïden zijn fragmenten van het amyloïd precursor protein (APP)
Fragmenten met verkeerde lengte vormen plaques

Plaques veroorzaken ontstekingsreacties
Ontstekingsfactoren kunnen de vorming van ß-amyloïden stimuleren
Produkten van geactiveerde ontstekingscellen zijn neurotoxisch

Neurofibrillaire kluwens
Vezelachtige kluwens van onoplosbare t-eiwitten in cellichamen en dendrieten van hersencellen
Neurofibrillaire kluwens in de cellichamen van de zenuwcellen
Transport in axonen verhinderd: zenuwcel verliest functie

Onderzoek naar therapieen:

Gentherapie
– Herstel van axonen door cellen in te brengen die zenuwgroeifactor (NGF) aanmaken
Vaccinatie
– Preventief en verwijderen plaques

Algemeen
Weinig onderzoek naar andere prionziektes, want weinig patienten
Over 10 tot 20 jaar mogelijke uitbraak van Creutzfeld-Jacob disease
toename onderzoek

Huidige tests vereisen hersenmonsters
– Ontwikkeling bloedtest: pre-mortem diagnose
– Aantonen prionen in amandelen

Bestaande medicijnen werken tegen prionziekten: quinacrine en chloropro-mazine inhiberen de conversie van een normaal prion naar de infectieuze vorm

De gekke koeienziekte:
een overdraagbare spongiforme encefalopathie

Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE) zijn progressieve, letale neurologische aandoeningendie zowel bij het dier als bij de mens voorkomen.
Zij worden gekenmerkt door een lange incubatietijd en de typische vacuolisatie in de neuronen en de neuropil.
De OSE bij dieren zijn Scrapie bij schapen en geiten,
de Boviene Spongiforme Encefalopathie of BSE bij het rund,
de overdraagbare nertsen encefalopathie,
de Chronic Wasting Disease bij Amerikaanse hertachtigen en
spongiforme encefalopathieën bij zoohoefdieren en katten die in samenhang met BSE zijn opgetreden.
Bij de mens is de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) het meest bekend.
Al deze ziekten worden veroorzaakt door een niet-conventioneel, overdraagbaar eiwitagens, een prion, dat zeer resistent is tegen inactivering door hitte of desinfectieprocessen.
Overdraagbare spongiforme encefalopathieën hebben de volgende kenmerken gemeen:

· een lange incubatieperiode die, afhankelijk van de wijze van infectie en de betrokken
diersoort, enkele maanden tot tientallen jaren kan bedragen;
· een progressief fataal verlopende ziekte die gepaard gaat met gedragsveranderingen en
bewegingsstoornissen;
· een histopathologisch beeld met degeneratieve veranderingen in het hersenweefsel, waarbij een typische vacuolisatie (holtevorming) in de neuronen en de neuropil (kitstof tussen de neuronen) wordt aangetroffen;
· na proteïnase K-behandeling en centrifugatie kunnen in hersenextracten abnormale fibrillaire structuren, de zogenaamde “Scrapie associated fibrils” (SAF’s), worden aangetoond bij elektronenmicroscopisch onderzoek.Deze structuren variëren in lengte van 50 tot 400 nanometer, met een diameter van 11 tot 14 nanometer en bestaan uit twee tot vier opgedraaide filamenten.

De verschillende aandoeningen onderscheiden zich op pathologisch vlak alleen door het
verdelingspatroon van de letsels in het centrale zenuwstelsel.
Het infectieuze agens: een prion Alle wetenschappelijke studies wijzen erop dat de verwekker van OSE geen klassiek gekend microbieel
agens (bacterie, virus) is, maar een prion (proteinaceous infectious particle).
Het bestaat naar alle waarschijnlijkheid alleen maar uit een eiwit voorzien van een suikerstaart (een glycoproteïne) dat zeer resistent is: het prion protein (PrP).

De vraag die zich hierbij onmiddellijk stelt, is hoe een eiwit zich zonder tussenkomst van
erfelijk materiaal (DNA of RNA) kan vermenigvuldigen en zo aanleiding kan geven tot een catastrofaal ziektebeeld.

In normale hersencellen treft men aan het oppervlak van de cellen echter ook een prioneiwit aan dat weliswaar niet ziekteverwekkend is: het cellulaire prion protein (PrPc).
De functie van deze normale prionen is tot op heden niet gekend.
Er zijn aanwijzingen dat ze een rol spelen bij de overdracht van signalen tussen de hersencellen (synaptische functie) en het slaap/waakritme evenals bepaalde leerprocessen beïnvloeden.
Het PrPc wordt gecodeerd door het PrPc-gen.

Onderzoek heeft aangetoond dat de volgorde van de bouwstenen (aminozuursequentie) van het ziekteverwekkende prion in de hersencellen, het PrPsc, dezelfde is als deze van het normale prion, maar dat de driedimensionale conformatie verschillend is; d.w.z. dat het eiwit op een andere manier opgeplooid is.
Als gevolg van deze verschillende conformatie kan het PrPsc niet meer worden afgebroken door de eiwitafbrekende enzymen (proteasen), aanwezig in het hersenweefsel en het spijsverteringsstelsel, en wordt het bovendien resistenter tegen hitte, straling en verscheidene desinfectiemiddelen.

Volgens de prionhypothese, waarvoor Stanley Prusiner in 1997 de Nobelprijs kreeg, kan een ziekteverwekkend prion zich gedragen als een infectieus agens en verantwoordelijk zijn voor de omvorming in de hersenen van het normale prion PrPc naar de conformatie van het ziekteverwekkende prion PrPsc; met andere woorden, er vindt in de hersenen een vermenigvuldiging plaats van het ziekteverwekkende prion PrPsc als gevolg van een reactie tussen het normale protein PrPc en het infectieuze agens.
Op welke manier dit gebeurt, is nog onduidelijk.
Bovendien zijn er vermoedens dat een bijkomende factor (proteïne X?) nodig is om de transformatie van het normale PrPc naar het pathogene PrPsc mogelijk te maken.
Deze hypothese impliceert echter dat, wanneer het normale prion niet aanwezig is, het infectieuze agens niet actief kan zijn en geen aanleiding kan geven tot de vorming van het ziekteverwekkende PrPsc. Dit werd experimenteel bij proefdieren aangetoond door selectief de expressie van het normale prion te blokkeren. Deze dieren blijken niet meer vatbaar voor de ziekte.
In zeer zeldzame gevallen zouden echter ook spontane mutaties van het PrPc naar het PrPsc in de zenuwcellen voorkomen die mogelijk aan de oorsprong liggen van de sporadische gevallen van infectieuze spongiforme encefalopathieën.

Prionziekten kunnen dus op verschillende manieren ontstaan:
ofwel transformeert een ziekteverwekkend prion een normaal prion in de hersenen tot de pathogene vorm, ofwel is de pathogene vorm van het prion in de hersenen het gevolg van een genmutatie.

Het PrPsc vermenigvuldigt zich in de hersenen tot zeer hoge titers (hoeveelheden), om zich vervolgensin het cytoplasma van de neuronen als aggregaten te accumuleren in de vorm van SAF’s.Hoe de ophoping van PrPsc in het hersenweefsel resulteert in celverval is niet bekend.

De efficiëntie van de transformatie van het PrPc naar het PrPsc in de hersenen onder invloed van het infectieuze agens is hoger naarmate de aminozuursequentie van het PrPc en het infectieuze agens meer gelijkenissen vertoont.
De gevoeligheid van een diersoort voor infectie wordt m.a.w. bepaald door de primaire sequentie van de prionen en dus door de sequentie in het coderende gen.
Van de 256 aminozuren van het PrPc of het PrPsc, verschillen er 4 tussen rund en schaap, 26 tussen mens en schaap en 25 tussen mens en rund.

Onlangs werd in vitro aangetoond dat het BSE-PrPsc en het Scrapie-PrPsc met ongeveer dezelfde efficiëntie het menselijke PrPc kunnen transformeren naar het menselijk PrPsc.
Diagnose

BSE is een neurologische aandoening met een lange incubatietijd (gemiddeld 5 jaar), voornamelijk vastgesteld bij melkkoeien. Ze gaat gepaard met gedragsveranderingen zoals agressiviteit en nervositeit, bewegingsstoornissen gekenmerkt door spasticiteit en hypermetrie, en sensibiliteitsveranderingen, voornamelijk een hyperesthesie ter hoogte van de kop.Omdat deze symptomen evenwel niet BSE-specifiek zijn en zich ook voordoen bij andere neurologische aandoeningen, is het stellen van de exacte diagnose op basis van de symptomatologie in vivo onmogelijk. Tot op heden bestaan evenmin goede labotechnieken om BSE bij het levende dier vast te stellen. De aanwezigheid en vermenigvuldiging van PrPsc in het organisme veroorzaakt immers geen immunologische verdedigingsreactie en kan dus niet via immunologische weg bij het levende dier worden opgespoord. De definitieve diagnose kan enkel gebeuren na een laboratoriumonderzoek op
geslachte dieren, waarbij drie verschillende testen op het hersenmateriaal worden uitgevoerd:

1. een neuropathologisch onderzoek:
het opsporen van de typische spongiforme veranderingen en neuronale vacuolisatie in bepaalde kernen van de hersenstam;
2. immunocytochemische testen:
het aantonen van het prionproteïne door middel van kleuring;
3. elektronenmicroscopisch onderzoek:
het isoleren en het aantonen van de zogenaamde SAF’s.

Verschillende marktklare testen kunnen door middel van antistoffen tegen delen van het PrP binnen enkele uren – dus zonder langdurige histologische onderzoeken – BSE in hersenhomogenaten van geslachte dieren aantonen. Deze testen moeten echter nog worden gevalideerd.
De hoop bestaat dat met dergelijke testen ook sub-klinische gevallen kunnen worden opgespoord (dieren die wel drager maar zelf nog niet ziek zijn) en zeker gevallen die zich in het eindstadium van de incubatie bevinden, om zo te vermijden dat zij in de voedselketen zouden terechtkomen.
De ziekte van Creutzfeldt-Jakob:
algemene inzichten

Overdraagbare spongiforme encefalopathieën komen zowel voor bij de mens als bij het dier. Bij de mens is de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) het meest bekend.
De gemeenschappelijke kenmerken van alle prionziekten zijn dat ze altijd dodelijk en overdraagbaar zijn – zowel intra- als interspecie – en dat ze gepaard gaan met spongiforme veranderingen in de hersenen, met uitzondering van de zeldzame familiale fatale insomnie, waarbij de spongiose minimaal is.

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob werd in de jaren twintig van deze eeuw voor het eerst beschreven.
Daarnaast zijn bij de mens ook de ziekte van Gerstman-Sträussler-Sheinker, de familiale fatale insomnie, en Koeroe beschreven.
Koeroe is een aandoening die beperkt is tot de inheemse bevolking in Nieuw-Guinea en verband houdtmet het rituele kannibalisme bij het overlijden van familieleden.

De klassieke ziekte van Creutzfeldt-Jakob

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob heeft een incidentie van ongeveer één per miljoen inwoners per jaar.
Meestal komt deze ziekte sporadisch voor, d.w.z. zonder aanwijsbare oorzaak.
In ongeveer 10 tot 15% van de gevallen is deze aandoening familiaal met een autosomaal dominantoverervingspatroon.
Er zijn echter ook iatrogene gevallen beschreven, d.w.z. ziektebeelden die optreden als gevolg van besmetting met geïnfecteerd materiaal.
Hierbij zijn vier oorzaken bekend.
Het gebruik van elektroden die in contact geweest zijn met hersenweefsel en onvoldoende ontsmet werden, heeft geleid tot het optreden van deze ziekte bij een aantal patiënten.
Het gebruik van onvoldoende ontsmette dura mater (buitenste stevig hersenvlies) greffen evenals van hoornvliestransplanten, afkomstig van patiënten met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, heeft in een beperkt aantal gevallen eveneens geleid tot het overbrengen van de aandoening naar gezonde patiënten.
De meeste gevallen van iatrogene infecties zijn echter te wijten aan de toediening van hypofysaire hormonen (meestal groeihormoon) die geïsoleerd werden uit menselijk hypofyseweefsel.

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob komt meestal voor bij oudere patiënten (gemiddelde 64 jaar) en leidt tot een zeer snel evoluerende dementie.
CJD gaat daarnaast vaak maar niet altijd gepaard met typische EEG-afwijkingen.
Andere frequent voorkomende klinische symptomen zijn spierschokken en gezichts- of gangstoornissen.
De ziekte evolueert zeer snel en de patiënt overlijdt gemiddeld na 6 à 10 maanden.
De definitieve diagnose van CJD kan enkel worden gesteld bij middel van microscopisch onderzoek van de hersenen, of door biochemisch onderzoek van hersenweefsel (Western blot). De typische microscopische afwijkingen zijn de spongiforme veranderingen, namelijk diffuse of focale groepjes van kleine ronde of ovale holtes in de hersenschors die het weefsel een sponsachtig uitzicht geven en kunnen samensmelten. Dit proces gaat gepaard met verlies van zenuwcellen (neuronen) en een overwoekering door steuncellen (astrocyten). Voor een definitieve diagnose kan men ten slotte gebruik maken van antistoffen tegen het agens om dit in het weefsel aan te tonen.

Toenemende interesse

In het vierde jaarlijkse rapport van de “CJD Surveillance Unit” in Edinburgh van 1995 wordt de jaarlijkse incidentie van CJD in het VK geschat op 0,7 tot 1,04 per 1.000.000 inwoners,
met een lichte variatie van jaar tot jaar maar met een lichte stijging de laatste jaren.
Deze stijging zou te wijten zijn aan betere diagnosemogelijkheden en een hogere opmerkzaamheid. Deze toename werd ook opgemerkt in andere EU-lidstaten die geen of slechts zeer sporadische gevallen van BSE kenden.

Er zijn verschillende redenen voor de toenemende interesse in deze zeldzame ziekte CJD.
Vanuit wetenschappelijk oogpunt betreft het een ziekte die kan voorkomen als een overdraagbare aandoening maar ook als een overerfbare aandoening.
Dit is zeer ongewoon.
Verder is men nog steeds op zoek naar de ware aard van het infectieuze agens.
Sociaal-economisch heeft het voorkomen van de gekke koeienziekte, vooral in Groot-Brittannië maar later ook op het vasteland, onmiddellijk de vraag doen rijzen of er een mogelijke overdraag-baarheid is van de prionziekte bij de koe (BSE) naar de mens.
Deze vraag naar een mogelijke relatie tussen beide ziekten werd nog aangewakkerd door het vaststellen van een variant type van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob bij de mens, die in 1996 bijna uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk voorkwam.

Oorzaak

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob is zoals BSE en alle andere OSE-aandoeningen een prionziekte.
Bij alle iatrogene vormen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob wordt het weefsel besmet door het infectieuze prion dat geïnoculeerd werd en aanleiding geeft tot de omvorming van het normale prion naar de abnormale conformatie van het ziekteverwekkende prion.
Bij de meest frequent voorkomende zogenaamde sporadische vorm van CJD (er is geen aanwijsbare oorzaak)zou de aandoening te wijten zijn aan een mutatie in de hersencellen, precies in het gen dat codeertvoor het normale prion. Als gevolg van deze mutatie neemt het prion dat geëxprimeerd wordt spontaan de conformatie aan van het dodelijke ziekteverwekkende prion.
Een andere mogelijkheid is dat er een spontane conformatie-verandering optreedt die leidt tot een omvorming van het normale naar het ziekteverwekkende prion.
Bij de overerfbare prionziekten doet zich een mutatie voor in de geslachtscellen, zodat
deze mutatie en de hiermee gepaard gaande afwijkende conformatie van het prion van generatie op generatie doorgegeven worden.

De nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob

In het Verenigd Koninkrijk werden tot op heden 24 gevallen van een nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (vCJD) beschreven. Het voorkomen van deze variant is in meerdere opzichten te onderscheiden van de klassieke ziekte van Creutzfeldt-Jakob (cCJD).

vCJD betreft meestal vrij jonge patiënten, altijd jonger dan 41 jaar, terwijl de klassieke ziekte van Creutzfeldt-Jakob bij oudere patiënten voorkomt.
Bij vCJD staan psychiatrische stoornissen en stoornissen van de kleine hersenen op de voorgrond; de dementie die bij cCJD steeds op de voorgrond staat, volgt later.
De typische EEG-afwijkingen zijn niet aanwezig bij de variant en de ziekte sleept meestal relatief lang aan (tot enkele jaren) in vergelijking met de klassieke ziekte van Creutzfeldt-Jakob die meestal na reeds zes à tien maanden tot de dood leidt.

Ook op microscopisch vlak zijn er duidelijke verschillen tussen beide types van CJD.
De nieuwe variant vertoont een nieuw neuropathologisch profiel met voornamelijk letsels ter hoogte van de basale ganglia en zogenaamde floriede plaques. cCJD daarentegen veroorzaakt vooral letsels in de hersenschors en nagenoeg geen floriede plaques.

Bij Western blot-analyse van het PrPsc (een glycoproteïne) worden 4 types onderscheiden volgens de glycolisering (de samenstelling van de suikerstaart) van het PrPsc:
· type 1 (sporadische CJD)
· type 2 (erfelijke CJD)
· type 3 (iatrogene CJD)
· type 4 (vCJD).
Decontaminatie van materiaal

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob is een overdraagbare aandoening maar geen besmettelijke aandoening in de klassieke betekenis van het woord.
Gezondheidswerkers en personen die in contact komen met patiënten met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob lopen geen verhoogd risico op het ontwikkelen van de aandoening.
Personeel dat werkt in laboratoria waar wordt gewerkt met prionagentia vertonen evenmin een significant verhoogd risico op CJD. Vermits het prionagens echter zeer resistent is, moet besmet materiaal of weefsel wel op een vrij agressieve manier worden gedecontamineerd.
Dit kan door autoclaveren (één uur aan 134°C) of door chemische decontaminatie: één uur in 2N NaOH of twee uren in 1N NaOH (niet voor aluminium).
Als alternatief geldt 5% NaHCl gedurende twee uren (niet voor staal).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Boviene_spongiforme_encefalopathie

Boviene spongiforme encefalopathie, (ook wel BSE of gekkekoeienziekte, van ‘mad cow disease’) is een ziekte van runderen die door prionen wordt veroorzaakt. De ziekte ontleent zijn naam (die sponsachtige hersenziekte bij runderen betekent) aan het uiterlijk van het hersenweefsel onder de microscoop: de dode, verdwenen zenuwcellen laten ‘leegten’ achter.

Als weefsels van aan BSE lijdende dieren die prionen bevatten (met name het centraal zenuwstelsel en het lymfkliersysteem) op normale wijze worden gekookt gaan de prionen niet (voldoende) kapot. Eten nu andere wezens van een koe die deze ziekte had, dan bestaat de kans dat ze – wellicht door een wondje in de mond, wellicht toch door opname uit het maagdarmkanaal – intacte prionen in hun bloedbaan krijgen en zelf ook ziek worden. Bij koeien gaat dit vrij makkelijk zoals de geschiedenis heeft geleerd.

Nederlandse vrouw besmet met gekke-koeienziekte

11 mei 2005

Kernwoorden

Voor het eerst is in Nederland de Variant Creutzfeldt-Jakob ziekte (vCJD) vastgesteld bij een zesentwintigjarige patiënt. Deze ziekte is de menselijke vorm van de gekke-koeienziekte, BSE (bovine spongiforme encefalopathie). Een interview met dr. Cornelia van Duijn, als onderzoeker naar o.a. de ziekte van Creutzfeldt-Jakob verbonden aan de afdeling Epidemiologie en Biostatistiek van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

De diagnose is gesteld door een neuroloog van het Mesos Medisch Centrum in Utrecht, waar de vrouw met psychische klachten was opgenomen. Onderzoeken door specialisten van het expertisecentrum Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam en van het Europese centrum in Edinburgh bevestigden dat het inderdaad om vCJD gaat. De ziekte wordt gekenmerkt door sponsachtige degeneratie van de hersenen. Wereldwijd zijn 170 mensen aan de ziekte overleden, waarvan veruit het grootste deel in het Verenigd Koninkrijk.

Dr. Cornelia van Duijn, verbonden aan de afdeling Epidemiologie en Biostatistiek van de Erasmus Universiteit Rotterdam, doet in het Erasmus Medisch Centrum onderzoek naar de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en naar gerelateerde aandoeningen, zoals de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson en het Syndroom van Down. In een telefonisch interview vertelt ze over de besmetting, het verloop van de ziekte en hoeveel kans we lopen om besmet te raken.

Hoe is bij de patiënt de ziekte variant Creutzfeldt-Jacob (vCJD) herkend, wat voor symptomen vertoonde de vrouw?
De Variant Creutzfeldt-Jacob vertoont een heel specifiek ziektebeeld. Het begint vaak met psychiatrische klachten als sterke stemmingswisselingen, agressie, waanideeën en paranoia. Daarna vertoont de patiënt meer neurologische symptomen als evenwichts- en coördinatieproblemen. Uiteindelijk krijgen veel mensen last van geheugenverlies, worden ze dement, kunnen ze moeilijker of helemaal niet meer praten en snappen ze uiteindelijk niets meer van wat er om hen heen gebeurt of tegen hen gezegd wordt.

Er is een MRI scan van de hersenen gemaakt, hoe is de ziekte te herkennen op de scan?
Op de scan is de ziekte te identificeren aan specifieke witte vlekken die oplichten, dit geeft aan dat het hersenweefsel op die plekken weg is.

Wat is het verschil tussen de ziekte van Creutzveldt-Jacob en de variantvorm waar de vrouw aan leidt?
Er zijn verschillende oorzaken voor de ziekte van Creutzfeldt-Jacob. De variantvorm (vCJD) wordt veroorzaakt door BSE. Andere vormen van C-J hebben bijvoorbeeld een genetische oorzaak, maar hebben niks met BSE te maken. Alle vormen vertonen vrijwel dezelfde symptomen. De Ziekte van Creutzfeldt-Jacob heeft echter een dodelijke afloop na vijf maanden, terwijl patiënten met vCJD na diagnose nog een jaar kunnen leven, maximaal zestien tot zeventien maanden.

Is er iets van een behandeling of medicijn mogelijk?

Nee, er zijn geen medicijnen of behandeling beschikbaar. Er is geen kans op genezing.

De vrouw heeft geen bloed of weefsel ontvangen en ze is geen bloed- of weefseldonor geweest. Heeft ze de ziekte dus opgelopen door het eten van besmet vlees?
Ja, dat nemen we aan omdat we alle andere mogelijke oorzaken hebben geëlimineerd. Ze heeft inderdaad geen bloed of weefsel ontvangen. Ze heeft ook geen medicijnen gebruikt die de ziekte kunnen overbrengen. Sommige medicijnen, zoals groeihormonen, bevatten namelijk biologische producten van de koe. Tegenwoordig is de kans dat je door medicijnen besmet trouwens heel klein.

Er is overigens een grote barrière om de besmetting van dier naar dier door te geven, en van dier naar mens is deze nog veel groot. De kans dat je besmet raakt door het eten van besmet vlees is dus klein. Het is veel makkelijker om de besmetting van mens op mens door te geven, door bloedtransfusies en weefsel- of orgaandonaties. De vrouw die nu vCJD heeft, is gelukkig geen bloed- of weefseldonor geweest. Er kan niet bij donatie met een test bepaald worden of iemand de ziekte heeft. Wel wordt er gekeken of in de familie Creutzfeldt-Jacob voorkomt, voor iemand donor mag worden.

Is er iets bekend over hoelang geleden de vrouw besmet is geraakt?

Nee, dit kunnen we niet met zekerheid vaststellen. We nemen aan dat de besmetting ongeveer tien tot twintig jaar geleden plaatsvond, omdat het vlees dat na de BSE-epidemie in de schappen kwam te liggen zeer streng gecontroleerd werd.

Is er al iets bekend over de incubatietijd van de ziekte?

Nee, we weten alleen dat het tot wel twintig jaar kan duren voor de eerste symptomen ontstaan.

Is er iets bekend over het eetpatroon van de vrouw, en kan er getraceerd worden welk vlees mogelijk de boosdoener is?
Nee, we kunnen alleen zeggen dat het het meest waarschijnlijke is dat ze de ziekte heeft opgelopen door besmet vlees te eten, aangezien we de andere mogelijke oorzaken hebben uitgesloten. Verder kunnen we niet te weten komen door wat voor soort vlees ze besmet is geraakt.

Is er minder kans dat vlees van kwaliteitsslagers of biologische slagers besmet is?
Hier valt niks over te zeggen. Het gaat vooral om de bereiding van het vlees, het beenmerg en al het zenuwweefsel moet verwijderd worden. Als dit niet correct gebeurt en het verwijderde vlees het vlees dat voor consumptie is bedoeld aanraakt, is er kans op besmetting. Het is ook niet waar dat je door het eten van hamburgers of ander junk- of snackbarvoedsel een grotere kans loopt besmet te raken.

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport meldde dat er tegenwoordig vrijwel geen gevaar is om de ziekte oplopen. Wat is er veranderd sinds de vrouw de ziekte opgelopen heeft?
Tegenwoordig wordt het vlees heel anders bereidt en wordt er veel beter op gelet dat al het beenmerg en zenuwweefsel wordt verwijderd, zonder dat het het overige vlees aanraakt. Ook neemt de BSE-epidemie af, waardoor de kans dat er in het vlees besmettelijke stoffen zitten, veel kleiner is.

Hoe groot acht u de kans dat anderen de ziekte onlangs opgelopen hebben of nog gaan oplopen?
Deze kans is vrij klein. We verwachten echter nog wel meer mensen die al jaren eerder de ziekte hebben opgelopen en pas nu of later symptomen gaan vertonen.

Zie ook:

Dollekoeienziekte kan zich ook via de lucht verspreiden

13/01/11
De dollekoeienziekte en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob zijn besmettelijker dan gedacht. De verwekkers, de prionen, zijn ook via de lucht overdraagbaar. Daarvoor waarschuwt een team van wetenschappers uit Zürich en Tübingen.

Prionen zijn de verwekkers van zeer ernstige infectieziekten van de hersenen met dodelijke afloop bij mensen, runderen, schapen en vele andere dieren. Tot nu toe gingen deskundigen ervan uit dat die eiwitten bij dieren of mensen door een immuundefect van de darmen in het centrale zenuwstelsel en in de hersenen terechtkwamen.

Nu hebben onderzoekers echter muizen in speciale inhaleringskamers met prionenhoudende lucht gezet. Het inademen leidde tot “verschrikkelijk efficiënte infectie”, aldus Adriano Aguzzu van de Universiteit van Zürich. Een blootstelling van één minuut was genoeg om alle proefdieren met de ziekte te infecteren.

Strengere maatregelen
Blijkbaar kunnen de prionen via de neus rechtstreeks in de zenuwbanen komen en aldus in de hersenen, meent Lothar Stitz van de Universiteit van Tübingen. In laboratoria, slachthuizen en bij voedselproceduren moet men derhalve nadenken over strengere voorzorgsmaatregelen, bevelen de deskundigen aan in het vakblad PLoS Pathogens.

Twijfel
Toch gaan er binnen het team stemmen van twijfel op, of de resultaten van het onderzoekslab ook te transponeren zijn naar koestallen. Er zijn geen aanwijzingen dat zieke dieren de gevaarlijke prionen bijvoorbeeld via speeksel verspreiden. Het is nauwelijks denkbaar dat prionen via een natuurlijke weg in de lucht raken.

Ook omtrent de mogelijke gevolgen voor slachthuizen lopen de meningen uiteen. Bovendien beduiden de resultaten niet dat patiënten met Creutzfeld-Jakob ook prionen uitademen. (belga/adb)

Documentatie uit het ARCHIEF :

Runderdolheid Op 20 maart 1996 maakte de Britse staatssecretaris voor Volksgezondheid, Stephen Dorrell, in het Britse parlement bekend dat onderzoekers een nieuwe vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob hadden ontdekt.

De ‘meest waarschijnlijke verklaring’ voor de epidemie was het eten van vlees van runderen die waren overleden aan de gevreesde gekkekoeienziekte, BSE.

Maatregelen en aanbevelingen om de consument en de vleesindustrie te beschermen waren al in overweging — als deze zouden worden opgevolgd, was de kans op verdere besmettingen buitengewoon klein, aldus Dorrell.
De Europese Commissie dacht daar anders over, en kondigde direct een volledig invoerverbod op Brits rundvlees en rundvleesproducten af.

De Britse en Europese markt voor rundvlees stortte vrijwel in, in veel landen werd overwogen desnoods de complete veestapel te vernietigen om het vertrouwen van de consument te herstellen, en de beschuldigingen vlogen over en weer.

De manier waarop de Britse overheid zowel de politieke als de wetenschappelijke kanten van de kwestie behandelde, werd in alle media als ‘dom’ en ‘onzorgvuldig’, soms als ‘schandelijk’ en ‘dubieus’ gekenschetst, terwijl de Britten de Europese reactie ‘haastig, slecht voorbereid, onevenredig en onwetenschappelijk’ noemden.

De gekkekoeienziekte bij runderen en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob bij mensen worden, zo neemt men aan, beide veroorzaakt door een enkel eiwit, een ‘prion’.

Dit eiwit kan door verschillende oorzaken defect raken, en dan andere, nog gezonde prionen ontregelen. Zo ontstaat een kettingreactie waardoor steeds meer prionen defect raken, de hersenen steeds meer worden aangetast en ten slotte ‘verweken’.

Bij mensen en dieren die aan een dergelijke prionziekte zijn overleden, vertonen de hersenschors en de kleine hersenen talloze microscopisch kleine gaatjes waardoor ze een sponsachtig uiterlijk krijgen. Men spreekt dan ook van spongiforme encefalopathieën — sponsvormige-hersenziekten.
*

De langst bekende en meest bestudeerde prionziekte is die welke schapen en geiten kan treffen, scrapie.

De ziekte uit zich in het begin in zenuwtrekkingen, vreemd gedrag, dorst en intense jeuk waardoor het dier hele plukken wol wegschraapt — vandaar de naam.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Scrapie

De aandoening heerst in Groot-Brittannië al zeker driehonderd jaar en stond er ook bekend als scrapy, scratchie en rubbers.

De dieren sterven uiteindelijk aan verlamming. Per jaar overlijden er in Groot-Brittannië ongeveer vijftig schapen aan scrapie, op een stapel van 35 miljoen.
Andere prionziekten bij dieren zijn besmettelijke nertsen-ziekte, chronische tering bij herten en elanden, feliene spongiforme encefalopathie bij katten — en boviene spongiforme encefalopathie bij runderen: mad cow disease, gekkekoeienziekte of runderdolheid.

 
In april 1985 werd de eerste ‘gekke koe’ in Engeland gezien, anderhalf jaar later was duidelijk dat het hier om een nieuwe spongiforme encefalopathie ging.

Alarmerender was dat het aantal nieuwe gevallen snel steeg: in 1986 werden 17 gevallen geconstateerd, in 1987 al 486.

De bron van de epidemie werd in december 1987 ten slotte getraceerd tot de gewoonte van Engelse veeboeren hun melkkoeien voedingssupplementen te geven die waren vervaardigd van vlees en botten van schapen.

In het begin van de jaren tachtig was besloten een stap in de verwerking, waaraan een oplosmiddel en een stoombehandeling om het oplosmiddel te verwijderen te pas kwamen, voortaan over te slaan. Kennelijk werden hierdoor de prionen niet meer vernietigd waardoor ze in het krachtvoer aanwezig bleven.
Na het verbod op het gebruik van dergelijk krachtvoer in 1989 nam de epidemie snel in ernst af.

De incubatietijd, dus de tijd die verloopt tussen besmetting en openbaring van de eerste verschijnselen, is bij koeien drie tot vijf jaar, en na drie jaar verminderde het aantal koeien met runderdolheid drastisch.

Het toppunt van de epidemie lag in 1992 met 36.681 gevallen, maar van 1993 tot 1994 daalde het aantal geconstateerde nieuwe gevallen met 30 procent, van 1994 tot 1995 met 42 procent en van januari tot mei 1996 weer met 30,2 procent. In totaal zijn, van het begin van de epidemie in 1986 tot oktober 1996, in Groot-Brittannië 162.796 zekere gevallen van runderdolheid geconstateerd.

Ziektegevallen zijn ook geconstateerd in Ierland, Portugal en Zwitserland, maar in zulke lage aantallen dat er, volgens Britse deskundigen, welhaast sprake moet zijn van onderrapportage. Niet alleen werden tussen 1985 en 1990 in totaal 57.900 Britse runderen naar het continent geëxporteerd, ook honderdduizenden tonnen Brits vlees en veevoer zijn onze kant opgekomen: in Nederland werd in 1995 dertigduizend ton ingevoerd.
De onderrapportage zou in Nederland zijn oorzaak kunnen vinden in de gewoonte van veeboeren om zenuwachtige koeien direct naar de slacht te brengen zodra ze overlast veroorzaken.

Dergelijke koeien worden niet onderzocht door een veearts, en het is zeer de vraag of een veearts de zenuwachtigheid als een symptoom van runderdolheid zou hebben herkend.

Ook in andere landen zou dit een rol kunnen spelen — zelfs in Engeland.

Oudere boeren en veeartsen hebben er daar al op gewezen dat het vroeger ook wel eens voorkwam dat een koe de ‘staggers’ kreeg maar dat dit werd afgedaan als geïsoleerd geval, waarna de koe naar de slacht ging.

Als de hersenen van zo’n koe weer terechtkomen in het krachtvoer, zou het proces zich langzaam kunnen gaan versterken tot het epidemische proporties aanneemt.
Elke diersoort heeft zijn eigen prionen, en ook zijn eigen defecte prionen.

De prionen van het schaap richten geen schade aan bij mensen: scrapie heerst al honderden jaren in Engeland, en schapenvlees wordt algemeen gegeten, maar dat heeft nog nooit tot een geval van spongiforme encefalopathie geleid.

Er bestaat kennelijk een barrière tussen de verschillende diersoorten, die het prion niet of moeilijk kan nemen.

Er zijn zeventig gevallen bekend van Engelse katten die ziek werden na het eten van besmet diervoedsel, maar geen enkele hond is ooit getroffen.

Muizen kunnen gemakkelijk met allerlei prionen worden besmet.

De koe kan kennelijk wel met het schapenprion worden geïnfecteerd, onduidelijk is nog of schapen met runderdolheid kunnen worden besmet.

Maar de grote vraag bleef natuurlijk, of mensen door het koeienprion (of door het in de koeienhersenen veranderde schapenprion) kunnen worden geïnfecteerd.

Menselijke prionziekten zijn minder goed bestudeerd dan de dierlijke.

De befaamdste is koeroe, een hersenziekte die voorkwam onder de papoea-stammen in de oostelijke hooglanden van Nieuw-Guinea.

Overleden stamgenoten werden letterlijk in mootjes gehakt en door familieleden opgegeten. De hersenen vielen meestal ten deel aan de vrouwen — meestal de zusters van de overledene — en vooral vrouwen stierven dan ook aan de ‘lachziekte, zoals de aandoening onder de Fore en de andere stammen heette.

http://staff.science.uva.nl/~dcslob/lesbrieven/Corine/TEKST.HTML

De ziekte werd gekenmerkt door coördinatiestoornissen en dementie.

Nadat eind jaren zestig het ritueel was ontraden, verdween de ziekte — de ware aard van de ziekteverwekker was toen nog niet bekend; men sprak wel van een ‘slow virus’.

°
De ziekte van Creutzfeldt-Jakob komt over de hele wereld voor.

Creutzfeldt-Jakob disease

De ziekte is genoemd naar de Duitse neurologen Hans-Gerhard Creutzfeldt (1885-1964) en Alfons Maria Jakob (1884-1931) die de verschijnselen van de ziekte in de jaren twintig van deze eeuw als eersten beschreven.

De ziekte van Creutzfeldt-Jakob is buitengewoon zeldzaam, naar schatting een op de miljoen mensen of minder wordt erdoor getroffen.

Van het overgrote deel is de directe oorzaak onbekend.

http://news.sciencemag.org/sciencenow/2003/10/15-03.html

Creutzfeldt-Jakob disease is an organic brain syndrome caused by a protein-like particle called a prion. Loss of brain function resembles Alzheimer’s disease, but is very rapid in progression. Complete dementia usually occurs by the sixth month, death follows quickly. There is no known cure.

In ongeveer vijftien procent van de gevallen lijkt erfelijkheid een rol te spelen, en een zeer gering percentage wordt of werd veroorzaakt door verkeerde medische procedures.

Daarbij zijn bijvoorbeeld besmette chirurgische instrumenten of besmet hersenweefsel gebruikt, en ook is bekend dat mensen die groeihormoon of gonadotropine kregen waarin hypofyse van mensen met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob was verwerkt, later ziek werden.


Andere prionziekten bij mensen zijn de ziekte van

Gerstmann-Sträussler-Schenker, die begint met bewegingsproblemen, en fatale familiaire slapeloosheid, waarbij de dementie volgt op steeds ernstiger slaapstoornissen. Deze eveneens dodelijke ziekten hebben duidelijk een erfelijke component.

Al deze ziekten stelden de geleerden aanvankelijk voor grote raadsels — vooral omdat de ziekteverwekker niet kon worden gevonden.

Zeker was wel dat de ziekte kon worden overgebracht door hersenen van overleden dieren in te spuiten bij gezonde dieren, maar wat er precies in de besmette hersenen de ziekte overbracht, bleef onduidelijk.

Begin jaren zeventig werd voor het eerst door de Britse onderzoekster Tikvah Alper geopperd dat de ziekteverwekker wellicht zo moeilijk te vinden was, omdat hij geen erfelijk materiaal bevatte: zelfs nadat hersenen van aan besmette dieren met ultraviolet licht waren bestraald, bleven ze besmettelijk.

Dit idee werd met de scepsis ontvangen: besmettelijke ziekten, zo was toen de algemene opvatting, konden alleen worden veroorzaakt door virussen, bacteriën en andere parasieten.

Stanley Prusiner, werkzaam aan de universiteit van Californië in San Francisco, zette echter een laboratorium op om de hypothese nader te toetsen, en aanvaardde na zes jaar onderzoek in 1980 de consequentie van zijn bevindingen:

koeroe, de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en scrapie werden alle veroorzaakt door een enkel molecule, zonder erfelijk materiaal. De ziekteverwekker noemde hij een ‘proteïne-achtig infectieus deeltje’, kortweg een ‘prion’.

Niet veel later werd duidelijk dat bijvoorbeeld het scrapie-prion uit niet meer dan

een enkel eiwit bestond, het ‘prion-eiwit’.
Die ontdekking was een grote stap vooruit, maar vervolgens bleek dit prion-eiwit in de hersenen van alle dieren voor te komen.

Ook het gen dat verantwoordelijk is voor de produktie van het eiwit, kon worden opgespoord.

Kennelijk maken alle dieren normaal prion-eiwitten, zonder er ziek van te worden, maar dan is onduidelijk waarom een prion-eiwit in andere gevallen tot dodelijke hersenziekten leidt.

Als prionen gewoon in de hersenen voorkomen, hoe kunnen ze dan ziek maken?
De cruciale stap zette Prusiner toen hij besefte dat er in feite twee soorten prion-eiwit moesten bestaan: ziekteverwekkende en gewone — de scrapie-vorm was een misvormde variant van de gewone vorm.
De erfelijke vorm van spongiforme encefalopathieën ontstaat dan doordat het gen dat codeert voor het prion-eiwit defect is geraakt, en niet het gewone eiwit aanmaakt, maar het misvormde eiwit.

Omdat de productie van prionen gewoonlijk zeer laag is, kan het heel lang duren voordat iemand met deze erfelijke afwijking ziek wordt.

Er is overigens ook een vorm van de ziekte die al in de kindertijd toeslaat, het syndroom van Alpers.
Moeilijker was te verklaren hoe het prion besmettelijk kon zijn:

hoe konden een paar exemplaren van het eiwit zich vermenigvuldigen in de hersenen en daar zo’n ravage aanrichten?

Opnieuw was het Prusiner die met de beste hypothese kwam — later bleek dat de wiskundige J. S. Griffiths de theorie al in 1967 had opgeworpen.

Het defecte eiwit is eigenlijk de ontrolde vorm van het goede eiwit — twee onderdelen van het eiwit die normaal gesproken als een schroef zijn gewonden, zijn platte stroken geworden.

Als een gezond prion-eiwit in contact komt met zo’n misvormd prion-eiwit, ontrolt het ook, en neemt het de scrapie-vorm aan.

Hoe dat precies kan, weet men nog niet, maar het is duidelijk dat hierdoor een kettingreactie ontstaat — er komen steeds meer nieuwe, defecte prion-eiwitten in de hersenen.

De defecte prionen laten zich niet meer opruimen en vormen draden of plaques.
Het mechanisme zou tevens kunnen verklaren hoe de ziekte van Creutzfeldt-Jakob spontaan kan optreden — iets wat een op de miljoen mensen overkomt: dan verandert ergens een gezond prion-eiwit spontaan in een misvormd prion-eiwit en dat leidt tot de fatale kettingreactie.
Een interessant bewijs voor Prusiners stelling is dat muizen bij wie het prion-gen is uitgeschakeld — muizen dus die geen gezonde prion-eiwitten in de hersenen hebben — geen scrapie kunnen krijgen.

Bij hen ingespoten misvormde prion-eiwitten kunnen zich niet ‘vermenigvuldigen’.
Het lijkt er bovendien op dat er verschillende soorten misvormde prionen kunnen bestaan, die verschillende ziektebeelden kunnen oproepen — sommige leiden tot hyperactiviteit bij dieren, andere juist tot slaperigheid.

Sommige leiden tot een snelle dood, bij andere verloopt het ziekteproces veel langzamer.

Er zijn inmiddels ongeveer twintig vormen van scrapie bekend, elk met een eigen karakteristieke incubatietijd.

Wellicht is de ene vorm net iets anders verkeerd gevouwen dan de andere en zijn de effecten dan ook net iets anders.
Dit geeft direct ook de zwakke stee in het betoog aan.

Hoewel de prion-hypothese algemeen als beste verklaring voor de verschijnselen wordt beschouwd, is het nog steeds bijna ondenkbaar dat een enkel, betrekkelijk simpel eiwit zich op twintig verschillende manieren verkeerd zou kunnen ontrollen.

Het zou kunnen dat er twintig varianten bestaan van het gezonde gen dat zorgt voor de aanmaak van het prion-eiwit waardoor er ook twintig defecte varianten kunnen ontstaan, maar als twintig muizen met allemaal identieke prion-genen elk een ander verkeerd gevouwen prion krijgen ingespoten, ontstaan er toch weer twintig verschillende vormen van hersenverweking.

In de loop van 1996 werd ook meer duidelijk over de normale functie van prionen — van gezonde prionen.

Ze zitten in de wanden van hersencellen en van het steunweefsel in de hersenen, en lijken een taak te hebben bij de overdracht van signalen en bij de regulatie van het dag-en-nachtritme.

Het laatste woord is hierover nog niet gesproken, maar in ieder geval is wel aangetoond dat prionen uitsluitend voorkomen in de hersenen en in verwant weefsel als ruggemerg en netvlies. In spiervlees en melk en bloed zijn nog nooit prionen gevonden.
Nog minder duidelijk is, wat misvormde prion-eiwitten precies doen in de hersencellen — het is zelfs nog niet opgehelderd of de schade nu ontstaat door een overmaat aan foute, of een tekort aan goede prion-eiwitten.

Wellicht ontstaan de gaten in de hersenen doordat prionen zich ophopen in bepaalde celblaasjes, lysosomen, die vervolgens openbarsten. In de lysosomen zitten allerlei gevaarlijke stoffen die bedoeld zijn om eiwitten te vernietigen, en die stoffen beschadigen nu de hersencellen.

Als deze hersencellen afsterven, resteren slechts gaatjes.
Ander onderzoek uit 1996 maakte aannemelijk dat het steunweefsel een belangrijke rol speelt. Dit weefsel produceert in aanwezigheid van een bepaald, verdacht stukje van het prion-eiwit extra zuurstofradicalen, en die zijn berucht om hun vermogen cellen te beschadigen.

Extra bewijsmateriaal à charge lijkt te komen van onderzoek waaruit blijkt dat ook het eiwit amyloïde, dat betrokken is bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer, steuncellen in de hersenen aanzet tot het vormen van celdodende stoffen.

Deze bevinding geeft weer steun aan het idee van Prusiner dat meer hersenaandoeningen worden veroorzaakt door prionen.

Ook de ziekte van Alzheimer blijft meestal beperkt tot ‘losse’ gevallen, maar komt toch ook in de ene familie vaker voor dan in andere.

Hetzelfde geldt voor de ziekte van Parkinson en amyotrofe laterale sclerose — allemaal aandoeningen die slecht verklaard en nog minder behandeld kunnen worden.

Toen de ware aard van de epidemie tot de Britten doordrong, begonnen zij zich, begin 1990, uiteraard ook zorgen te maken over de overdracht van koeien op mensen.

Die kans werd aanvankelijk volgens de deskundigen verwaarloosbaar klein geacht: er was nog nooit een geval geconstateerd waarbij iemand door het eten van met scrapie besmet schapenvlees ziek was geworden, en hetzelfde gold voor besmet koeienvlees.

Om het publiek gerust te stellen, liet de Britse minister van Landbouw John Gummer in mei 1990 demonstratief zijn dochter Cordelia een hamburger van Brits rundvlees eten. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen, werd in diezelfde maand een speciale eenheid opgezet om de gevolgen van de koeienepidemie voor mensen in het oog te houden en nieuwe gevallen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob te registreren.
Het was het rapport van deze Adviescommissie voor Spongiforme Encefalopathie die op 20 maart 1996 tot zulke heftige reacties leidde.

Het rapport — dat pas drie weken na de redevoering van Dorrell werd gepubliceerd — concludeerde dat er in Engeland sprake leek te zijn van een nieuwe vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Terwijl de ziekte zich vroeger vooral openbaarde bij mensen van 65 jaar en ouder, waren de tien meest recente slachtoffers op gemiddeld 29-jarige leeftijd overleden. De nieuwe variant leidde tot meer gedragsproblemen en psychiatrische problemen dan de bekende vormen van de ziekte. Geen van de patiënten vertoonde het typische bij de gewone vorm van de ziekte behorende elektro-encefalogram.


Opmerkelijk was verder dat de hersenafwijkingen die na het overlijden werden vastgesteld sterk op elkaar leken en duidelijk verschilden van die bij de klassieke vorm van de ziekte.

De meest opvallende afwijking echter was de alomtegenwoordigheid van plaques. Deze bestaan uit afzettingen van het prion-eiwit.

De plaques leken sterk op de vormen zoals die bij koeroe en scrapie wel worden gezien maar bij geen van de andere 175 onderzochte gevallen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.
Geen van de onderzochte patiënten was volgens de commissie blootgesteld aan bijzondere risico’s. Niemand had een hersenoperatie of een bloedtransfusie ondergaan, vier patiënten waren zelfs nooit geopereerd. Niemand had ooit op een veehouderij gewerkt. Wel hadden alle patiënten rundvlees gegeten in de laatste tien jaar, zij het geen hersenen.

Een van de slachtoffers was sinds 1991 vegetariër.
Na afweging van alle mogelijke bezwaren en alternatieve verklaringen, bleef volgens de commissie blootstelling aan vlees van besmette koeien de meest waarschijnlijke route waarlangs de slachtoffers de ziekte hadden opgelopen, en zij besloot het rapport met de waarschuwing dat er in dat geval de komende jaren nog een groot aantal nieuwe ziektegevallen zal opduiken: ook al was de besmettingsroute volgens de commissie onderbroken door het verbod herkauwers aan herkauwers te voeren, de kans was niet denkbeeldig dat honderden of honderdduizenden mensen die voor 1989 in aanraking waren gekomen met runderdolheid, de komende jaren nog de ziekte van Creutzfeldt-Jakob zouden ontwikkelen.

Ondanks alle statistische aanwijzingen is er nog geen sluitend bewijs van de overdracht van prionen van koeien op mensen.

Het is uiteraard onmogelijk om mensen met runder-prionen te infecteren en te kijken wat er gebeurt. Tegen voorstellen om apen als proefdieren te gebruiken, zijn talloze ethische argumenten ingebracht en praktische bezwaren.

Als het bewijs ooit geleverd wordt, zal het vrijwel zeker indirect zijn.
Eerste aanzetten daartoe kwam overigens al in 1996.

In juni meldden Franse onderzoekers dat drie makaken die in 1991 waren ingespoten met hersenmateriaal van dolle koeien, dezelfde hersenverwekingen hadden gekregen als mensen bij de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.

In oktober konden Britse onderzoekers aantonen dat de sporen die de prionen van runderen en van de nieuwe vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob in de hersenen achterlaten, meer verwantschap vertonen met elkaar dan met de ‘oude vorm’ van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.

Hiermee werd voor het eerst een experimenteel verband met runderdolheid gelegd. Bovendien zou de methode ook diagnostische perspectieven kunnen bieden, waardoor het mogelijk wordt bij runderen en mensen een prionziekte aan te tonen voordat het slachtoffer was overleden.

Het bewijs is nog niet definitief, zo werd al snel opgemerkt, onder meer omdat het niet geheel uitgesloten kan worden dat er een nieuw soort prion rondwaart, dat uit een geheel andere bron zowel mensen als koeien heeft besmet.
Een verwarrende bevinding was daarbij, dat in schapen prionen kunnen voorkomen die niet van de koeienprionen kunnen worden onderscheiden. Kennelijk kunnen schapen aan runderdolheid leiden, en dat zou weer kunnen betekenen dat ook schapen de overbrengers van de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob zouden kunnen zijn.

In ieder geval werd in november naar aanleiding van deze bevinding in heel Europa ook de consumptie van orgaanvlees van schapen en geiten verboden.

Hoe de ziekte ook wordt overgebracht, en hoe groot of klein het besmettingsrisico ook is, voor de komende tijd wordt het van het grootste belang diagnostische test te ontwikkelen om vast te stellen of een koe, een schaap of een mens een spongiforme encefalopathie heeft — en natuurlijk om op zoek te gaan naar medicijnen die de prionen kunnen beletten hun verwoestende werk in de hersenen aan te richten.
Ook hier bracht 1996 enige eerste ontwikkelingen.

Amerikaanse onderzoekers hoopten op het spoor te zijn van een test die bij levende koeien zou kunnen vaststellen of die lijden aan runderdolheid, hetgeen de slacht voor duizenden dieren zou kunnen voorkomen.

De enige landen waarin runderen voorzichtigheidshalve zijn geslacht, zijn Frankrijk, België en Nederland.

In Nederland werden 60.000 Britse kalveren vernietigd, overigens zeer tegen de zin van de deskundigen in. De motivatie hiervoor was dan ook grotendeels politiek, zo zei staatssecretaris Van Aartsen van Landbouw: Nederland kon zich voor de export zelfs geen vermoeden van runderdolheid veroorloven.

In Groot-Brittannië werd in 1996 geen enkele koe of kalf preventief geslacht — aanvankelijk was voorgesteld 147.000 koeien te vernietigen.
Inmiddels ziet het ernaar uit dat de Britten hiermee niet helemaal ongelijk hebben gehad.

Uit berekeningen gepubliceerd in de zomer van 1996 blijkt dat de runderdolheid naar alle waarschijnlijkheid vanzelf weer verdwijnt en de epidemie ook zonder draconische maatregelen wegebt.

Als tegen het eind van 1996 inderdaad alle krachtvoer van de veehouderijen was verbannen en nergens meer is gebruikt, zal de ziekte tegen 2001 geheel zijn uitgedoofd — zelfs als overdracht van moeder op kind mogelijk is, zoals inmiddels lijkt vast te staan, levert dat onvoldoende nieuwe gevallen op om de epidemie onder koeien in stand te houden.

In 1997 moet blijken of het ook voor mensen met een sisser zal aflopen.

VIRUSSEN

SARS

http://nl.wikipedia.org/wiki/SARS

SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome, vertaald: ernstige acute ademhalingsziekte) is een soms levensbedreigende vorm van atypische longontsteking (pneumonie), waarover tot nu toe nog weinig bekend is. De eerste gevallen verschenen in de Chinese provincie Guangdong, eind 2002. De ziekte is besmettelijk, en verspreidde zich naar Hongkong, en van daaruit naar Vietnam, Canada en andere landen. In China zijn gevallen gemeld vanuit vele delen van het land.

De ziekte wordt veroorzaakt door het SARS-virus. Het is een type coronavirus dat vóór de uitbraak van SARS nog niet eerder bij mensen was aangetroffen.

De ziekte lijkt in ongeveer 5-15% van de gevallen een dodelijke afloop te hebben. (Bij griep is het (directe en indirecte) jaarlijkse sterftecijfer in Nederland 1000-2000, bij ca. 80.000 gevallen per jaar (1,25-2,50%)[1].) Vooral ouderen zijn kwetsbaar maar voor jonge mensen is de infectie zeker niet ongevaarlijk.

Besmetting vindt niet alleen plaats via de adem, maar vermoedelijk ook via urine, ontlasting en huidcontact. Mensen kunnen ook SARS krijgen door besmet water of voedsel te consumeren. Het virus kan namelijk niet alleen via de longen, maar ook via de nieren, de dunne darm en zweetklieren het lichaam binnen dringen. De meeste gevallen zijn onder de familieleden van patiënten en het medisch personeel dat hen heeft verzorgd. De ziekte is echter wel duidelijk minder besmettelijk dan de gewone griep.

(archiefmateriaal )

Een in 2003 opduikend “ nieuw “ lid uit de familie van de corona-virussen, die zorgen voor heel wat verkoudheden, (aanvankelijk werd ook de familie van de paramyxovirussen, waartoe ook de mazelen behoren verdacht ) : tot die twee verdachten had de zoektocht naar de oorzaak van de vreemde longziekte, die zich vanuit China naar de rest van de wereld verspreidde, al geleid.

Verdere onderzoeksresultaten wezen steeds meer in de richting van de corona-virussen.

“Gegevens van veel laboratoria wijzen erop dat een corona-virus de hoofdoorzaak is van de ziekte”, aldus Klaus Stöhr, viroloog bij de Wereldgezondheidsorganisatie.Het virus is anders dan alle bekende leden van deze virusfamilie die bij mensen of dieren voorkomen. Het wordt consistent teruggevonden bij Sars-patiënten in verschillende landen. We hebben het geïsoleerd. Het duurt niet lang meer of we weten het met zekerheid.”

In het geval van sars is nu met zekerheid bekend dat het virus uit de corona-familie komt

Vermoedelijk is het virus aan zijn opmars begonnen de Chinese provincie Guangdong, waar de virusepidemie voor het eerst opdook. De ziekte verspreide zich vooral in Hongkong en daarna in Singapore en over de rest van de wereld voordat het werd geisoleerd in . vier ‘besmette’ gebieden. Daaronder vallen Toronto in Canada, Singapore, Peking, de Guangdong-provincie in China, Shanxi, Hongkong en Taiwan en Hanoi in Vietnam.

De verdere identificatie van het virus moest ook een juiste diagnostische test opleveren. Toch blijven er nog veel vragen over, zegt professor Marc Van Ranst, viroloog aan de KU Leuven.

“We kennen het virus nog maar onlangs .( noot : het genoom van het sars virus werd ondertussen ontrafeld )

De patiënten die je ziet met verdachte symptomen, vormen wellicht maar het topje van de ijsberg. We weten niet hoeveel besmette mensen rondlopen die geen symptomen vertonen. Er moet nog heel veel verder worden uitgezocht “

De massale verspreiding van het virus onder inwoners van eenzelfde appartementsblok in Amoy Gardens in Hongkong deed het vermoeden rijzen dat het virus zich niet enkel verspreidt via nauw contact.

“Afgaande op epidemiologische gegevens lijkt de ziekte zich inderdaad niet enkel via nauw contact te verspreiden, zoals in het begin werd gedacht .

Het is mogelijk dat ze zich ook via de lucht verspreidt of via voorwerpen. Zo kan een virale verkoudheid ook doorgegeven worden via een deurklink.

Dat kan betekenen dat de epidemie langer zal duren.

Of het ook betekent dat de ziekte zich wijder en sneller zal verspreiden, valt niet uit te sluiten, maar daar zijn nog geen bewijzen voor. “

Na een vebeterde medewerking van china bleek de epidemie zich noch altijd uit te breiden in de Guandong provincie –à er kwamen zelfs “ aanwijzingen dat het virus zich er willekeuriger onder de bevolking begint te verspreiden…”

Dat het virus zich mogelijk ook via de lucht verspreidt…. (In het Amoy gardens en in verschillende hotels was het misschien zelfs verspreid door de air-conditioning …), werd later door de WGO betwijfeld “Misschien raken mensen besmet als ze een voorwerp aanraken waarop een sars-patiënt heeft gehoest, misschien is het een leiding- of watersysteem dat het virus van de zieke mensen naar gezonde mensen overbrengt. ”

Hoewel de informatie over de ziekte aanvankelijk heel openlijk werd uitgewisseld tussen de betrokken onderzoeksteam, vreest Van Ranst dat dat zal afnemen.

“Tot nu heeft iedereen perfect samengewerkt, maar financiële aspecten zullen ook beginnen meespelen. Dat geldt zeker voor de diagnostische testen. Ontdekkingen zullen worden gepatenteerd. Dat is in het verleden al vaker gebeurd, ook bij andere belangrijke aandoening zoals hepatitis C.”

“In de Chinese provincie Guangdong (waar sars zou zijn ontstaan,) ligt een groot deel van de antwoorden besloten. Maar het was erg moeilijk omdat de Chinese overheid weinig losliet. “De Chinese overheid toonde zich uiteindelijk toch bereid echt mee te werken met de wereldgezondheidsorganisatie (WGO) om de uitbraak van de dodelijke longziekte sars uit te spitten.

Het al bestaande antivirale middel ribavirine, dat ingezet wordt tegen andere virussen, zou helpen bij 90 procent van de patiënten.

“Je moet dat enigszins relativeren. Negentig procent van de patiënten aan wie ribavirine wordt gegeven, wordt beter. Maar het is niet zeker dat dat aan ribavirine ligt. Een deel van de patiënten heeft waarschijnlijk gewoon griep. Als zij herstellen, is dat niet door ribavirine. In het heetst van de strijd is het moeilijk gecontroleerde studies te doen. Maar als ik zelf een behandeling zou vragen, is het wel ribavirine. Het is het enige middel dat gericht is tegen de oorzaak van de ziekte.”

februari 2004

Een half jaar na het opduiken van het sars-virus is een mogelijk tegenmiddel gevonden. Professor Wayne Marasco van Harvard Medical School ontdekte een antilichaam dat sars kan voorkomen of afremmen.

Dat staat vandaag in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Het nieuwe geheime wapen tegen sars heet antilichaam 80R.

Een antilichaam is een speciaal eiwit in ons bloed.

Het menselijk lichaam bevat een biljoen verschillende antilichamen, die ons beschermen tegen ziektes.

Niet iedereen heeft dezelfde antilichamen, ze verschillen van persoon tot persoon.

In onze databank van 27 biljoen menselijke antilichamen hebben we één antilichaam gevonden, 80R, dat voorkomt dat het sars-virus menselijke cellen aanvalt”, zegt professor Wayne Marasco

“Het sars-virus bindt zich aan menselijke cellen met behulp van het S1-eiwit. Het antilichaam R80 is het sars-virus te snel af: het bindt zich met het S1-eiwit voordat het menselijke cellen kan aanvallen. “

“Iemand inspuiten met deze antilichamen kan sars voorkomen, of als er al een aantal cellen besmet is met het virus, de ziekte afremmen. De antilichamen kunnen dus vooral gebruikt worden bij preventie van sars of in een vroeg stadium van de behandeling.

Antilichamen zijn 21 dagen actief in het lichaam, we kunnen dus op korte termijn aan preventie doen. Het is geen echt vaccin, dat je jarenlang kan beschermen.

Maar het kan wel voorkomen dat medisch personeel of familieleden van mensen met sars besmet raken. Dat is ook belangrijk.”

Het 80R-antilichaam kan de ziekte in een laat stadium niet genezen.

Professor Marasco: “Niemand weet hoe we sars moeten genezen als de ziekte eenmaal vergevorderd is. We weten te weinig over hoe de ziekte evolueert in het tweede of derde stadium.

Over de eerste stadium weten we al wel heel wat. Daarom concentreren onderzoekers zich op preventie van sars en de behandeling ervan in het eerste stadium.

Tijdens het eerste stadium bindt het virus zich met menselijke cellen en vermenigvuldigt het zich in het lichaam.

Het eerste stadium duurt ongeveer een week. In het tweede stadium begint het aantal virussen in het lichaam te dalen, we weten niet hoe of waarom. Maar in dat stadium is het immuunsysteem blijkbaar zo beschadigd dat je longontsteking of andere ziekten krijgt, met mogelijk dodelijke afloop tot gevolg.”

Het is nog niet bewezen dat het R80-antilichaam echt bij mensen werkt. Professor Marasco: “De tests bij dieren zijn wel veelbelovend.

Bij hoeveel procent van de dieren de antilichamen echt werken, kan ik niet zeggen omdat ik niet te vlug informatie wil vrijgeven waar ik niet helemaal zeker van ben. We hebben met kleine aantallen dieren gewerkt bij onze eerste tests, de tests bij grotere, statistisch verantwoorde aantallen moeten we nog doen. Maar ik verzeker u dat onze eerste indicatieve resultaten goed zijn. We zijn geen valse hoop aan het wekken.” Dat de ontdekking van R80 belangrijk is, daar twijfelt professor Ab Osterhaus, viroloog en sars-expert aan het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, niet aan.

De resultaten van deze studie zijn hoopgevend en veelbelovend.

Het is te vroeg om te kunnen zeggen of het echt werkt bij mensen. Dat is ook moeilijk te bewijzen.

Je kunt mensen toch niet gaan besmetten met sars om te testen of je middel werkt. We zullen pas echt weten of het bij mensen werkt als er nieuwe sarsbesmettingen zijn.”

Ab Osterhaus is erg optimistisch over het vinden van een middel tegen sars.

Binnen enkele maanden hebben we een middel tegen sars dat echt werkt. De zoektocht naar een tegenmiddel gaat snel, en dat is te danken aan de goede internationale samenwerking tussen onderzoekers. Wij hebben regelmatig contact met het lab van professor Marasco. We zijn ook hier in Nederland bezig met het testen van een antistof tegen sars. Ook onze resultaten zijn veelbelovend, volgende maand verschijnt onze studie in Nature Medicine. Pas dan kan ik er meer over zeggen.”

‘Niemand weet hoe we de ziekte moeten genezen, maar we kunnen ze wel voorkomen’

http://www.gva.be/dossiers/-s/sars/dossier.asp
Korte historiek
De epidemie
Vanaf november 2002 lijden in de Chinese provincie Guandong (Kanton) zo’n honderden mensen aan ademhalingsproblemen en longontstekingen, waarvan de oorzaak niet geïdentificeerd kan worden.Op 26 februari wordt in Hanoi (Viëtnam) een man opgenomen in het ziekenhuis met een vergelijkbare combinatie van keelpijn, hoest, kortademigheid en koort, spierpijn en een ernstig tekort aan bloedplaatjes.Sinds ongeveer begin maart 2003 treden overeenkomstige ziektebeelden op bij het ziekenhuispersoneel in Hong Kong en Viëtnam.
Scholen in Hong Kong worden gesloten; .
De bewoners van een appartementsblok worden in quarantaine geplaatst.Singapore gelast de afzondering van 700 personen die met SARS-patiënten in aanraking zijn geweest.
Ook in Taiwan valt eind april de eerste dode.Minister van volksgezondheid Yeoh Eng-kiong van Hong Kong spreekt van een “werkelijk zeer alarmerende ziekte. Het is een gezondheidsprobleem zoals Hongkong nog nooit heeft meegemaakt.”Eind april wordt de burgemeester van Peking tot ontslag gedwongen.
De scholen worden er ook gesloten.
Een premie wordt in China uitgeloofd voor wie besmettingen kan aanwijzen. 4.000 inwoners van de stad worden in quarantaine geplaatst.
Op een week tijd wordt in de stad een ziekenhuis gebouwd om het toenemend aantal slachtoffers van de ziekte op te vangen.
In de Chinese hoofdstad zijn tegen begin mei al 82 mensen overleden aan SARS.
1.553 anderen zijn besmet.Sinds midden maart worden ziektegevallen gerapporteerd uit Taiwan, Canada, VS, Duitsland, Frankrijk en Engeland: deze patiënten zijn vrijwel allemaal in het Verre Oosten geweest en hebben daar contact gehad met een SARS-patiënt. Het gaat dan ook enkel om geïsoleerde gevallen: er is hier geen sprake van een lokale epidemie.
Longspecialisten verwachten dat in Europa steeds meer gevallen vastgesteld zullen worden, maar een echte epidemie in onze contreien is onwaarschijnlijk.
.
Tot begin juni worden 8.300 gevallen gerapporteerd in 31 landen, van wie ruim 750 met een dodelijke afloop. Allicht zijn niet alle patiënten SARS-gevallen, maar door de verhoogde waakzaamheid wordt liever te vroeg dan te laat de SARS-diagnose gesteld.
Midden mei wordt ook een (genezen) SARS-patiënt gemeld in Groot-Brittannië.
Tegen eind mei zijn er in Europa 9 gevallen gesignaleerd in Italië, 9 in Duitsland, 4 in Groot-Brittannië, 3 in Zweden, en telkens 1 in Zwitserland, Roemenië, Spanje, Ierland en Finland. Buiten Azië is vooral Canada het felst getroffen (met 151 zieken).De WHO meent eind april dat de epidemie over haar hoogtepunt heen is, tenzij in China waar de ziekte te lang geminimaliseerd werd: in China verspreidt de ziekte zich nog steeds, terwijl ze elders bedwongen lijkt.
In China werden tot eind mei 5.325 mensen besmet.
Overigens is de ziekte niet altijd dodelijk: van de 8.300 gevallen worden er bijna 5.000 genezen.De WHO verklaart Hong Kong op 23 juni SARS-vrij, maar vijf dagen sterft er weer iemand aan, zodat het totaal van de doden in Hong Kong op 297 komt. Al komen er geen nieuwe gevallen meer bij.Als begin zomer 2003 de ziekte over z’n hoogtepunt heen is, komen de eerste aanklachten: zes Chinese families van overleden slachtoffers dienen een klacht in tegen de ziekenhuisautoriteiten voor hun slechte optreden tegen de epidemie.
En een groep van 30 verplegers die SARS hebben opgelopen maar genezen zijn, hebben advocaten geraadpleegd om te bekijken hoe ze hun werkgevers kunnen aanklagen wegens nalatigheid.
In totaal hebben 386 pesoneelsleden van ziekenhuizen de ziekte opgelopen tijdens de dertien weken durende epidemie.Ook in de Canadese staat Ontario overlijdt eind juni voor het eerst een verpleegkundige aan SARS: dat brengt het aantal doden, vnl. in Toronto, op 39. Midden augustus zijn het er 43.En hoewel de epidemie als ‘voorbij’ wordt verklaard (eind juli officieel), valt in Tourcoing op 8 juli de eerste SARS-dode in Europa: een 65-jarige cardioloog, die al sinds eind maart opgenomen was, heeft het virus opgedaan bij werk in Hanoi.
Zes andere Franse SARS-patiënten worden genezen. Begin september 2003 wordt ook een nieuw geval van SARS gemeld vanuit Singapore. In december 2003 wordt nog SARS vastgesteld bij een tv-producer uit Kanton.In totaal zijn wereldwijd 8.000 mensen ten prooi gevallen van de ziekte; ruim 800 van hen zijn overleden.

Maatregelen:
Op 15 maart slaat de Wereld Gezondheidsorganisatie WHO groot alarm.
Vooral rechtstreeks contact met SARS-patiënten wordt ontraden.

De WHO waarschuwt voor de verspreiding van de ziekte via vliegreizen.
Op luchthavens in heel Azië wordt dan na de explosie van ziektegevallen midden maart 2003 scherp gelet op passagiers met griepachtige symptomen.
Het toerisme naar het Verre Oosten begint er al onder te lijden. Vooral vluchten naar Hong Kong ondervinden minder belangstelling.

De WHO mobiliseert alle gespecialiseerde labo’s terwereld om de oorzaak van de ziekte te ontdekken –

*Duitse artsen ontdekken dat een griepachtig virus de oorzaak kan zijn –
*dokters van de WHO onderzoeken in de Chinese provincie Guangdong ter plaatse de oer-gevallen van de ziekte en de verspreiding van de ziekte .
*Artsen in Hongkong menen dat SARS wordt veroorzaakt door een paramyxovirus, maar de Amerikaanse epidemiologische dienst CDCP (Centers for Disease Control and Prevention) denkt eerder aan een onbekende, virulente variant van een ordinair kou/griepachtig virus: het SARS-virus zou een vierde en nieuwe variant zijn van dit specifieke coronavirus.


*Andere onderzoekers menen dat het een coronavirus is dat de soortbarriere (mens-(onbekend)dier –> civetkatten ? ) heeft overschreden en zich aangepast heeft aan de mens door mutaties

Begin januari 2004 kondigt China aan dat het een massale opruiming gaat houden onder civetkatten: de ziekte vertoont immers gelijkenissen met het coronavirus bij civetkatten, die al enige tijd beschouwd worden als de voornaamste overdragers van SARS. Minstens 10.000 katten moeten eraan geloven.
Civetkatten komen in China in het wild voor, maar worden er ook gekweekt omdat ze als een delicatesse beschouwd worden

De Morgen,

2003-05-02

Het klinkt cru maar de dodelijke longziekte sars, die vooral in China en Hongkong lelijk huishoudt, lijkt een zegen voor bedreigde exotische dieren.

Al jaren wordt door dierenbeschermers gevraagd aan de Chinese autoriteiten om paal en perk te stellen aan de consumptie van bedreigde diersoorten.

Tot sars opdook, bleef iedereen voor deze bede doof maar de voorbije dagen zijn razzia’s gehouden in tienduizenden winkels, markten en restaurants om de illegale handel in te dijken. De Chinezen zijn er vast van overtuigd dat de dieren een broeihaard zijn voor virussen en de oorsprong van sars in de illegale handel ligt.

Medici wijzen erop dat de allereerste sars-gevallen terug te brengen zijn tot stropers die voor hotels en restaurants exotische vogels vingen, ze slachtten en kookten.

Bewezen is die theorie niet maar zoals alle virologen zullen getuigen, zijn plekken waar mens en dier in slechte hygiënische omstandigheden dicht bij elkaar leven, de broedplaats voor zowat alle dodelijke virussen uit de geschiedenis van de mens.

Wetenschapper Dennis Lo, een van de experts van de universiteit die de genetische code van het virus ontrafelde, zegt dat er gelijkenissen zijn met een virus dat voorkomt bij ratten en runderen.

“Het is best mogelijk dat het virus van een nog onbekend dier afkomstig is dat door stropers werd gevangen.”

Geneeskunde en Evolutie in Actie

Eind 2002, kregen honderden mensen in China te maken met een ersnstige vorm van longontsteking die door een onbekende besmettelijke oorzaak werd verwekt .
Het gesynchroniseerde “severe acute respiration syndrome ,” of SARS :de ziekte spreidde sich spoedig uit naar aan Vietnam, Hong Kong, en Canada en leidde tot honderden sterfgevallen.
In Maart 2003, prepareerde een onderzoeksteam van de Universiteit van Californië, San Francisco, uit monsters van de weefsels van een Sars patient ,( en gebruikmakend van de nieuwe DNA microarray / DNA-microarray technologie ) de eerste geisoleerde SARS-virus stam

De onderzoekers vergeleken het genetische materiaal van het onbekende virus met dat van bekende virussen.

Binnen 24 uren, wezen ze de familie aan waartoe het virus behoorde ( de Coronavirussen )en ontrafelden ze de( vermoedelijke ) evolutionaire verwantschappen verhoudingen met andere virussen( stambomen ) — een resultaat dat door andere onderzoekers werd bevestigd gebruik makend van andere verschillende technieken.

zie over het phylogenetische onderzoek rond sars ;( 2005)
http://www.biorecipes.com/VirusClassification/code.html
http://www.sciencemag.org/cgi/content/abstract/1092002v1

Onmiddellijk, begon ook het ontwikkelen van testen voor bloedonderzoek van mensen met de ziekte en ter identificatie van het pathogeen (zodat besmette mensen op tijd konden worden in quarantaine gehouden ) behandelingen voor de ziekte, en de ontwikkeling van vaccins om besmetting met het virus af te blokken .

In Hong Kong droegen veel mensen mondmaskers tegen een sars besmetting

 

Wie besmet was , moest onmiddellijk geïsoleerd worden in quarantaine.
Verplegend personeel moet zich hierbij respiratoir beveiligen: minstens mondmaskers voordoen en handschoenen dragen.
(dat geld ook voor veel mensen die in besmettingshaarden wonen )
Omdat de oorzaak van de ziekte nog onbekend is, is een geneesmiddel in 2003 nog niet voorhanden


evo en microben (Tsjok45)

Het begrip over de evolutionaire evolutieve oorsprong ( en onderlinge verwantschappen door afstamming ) van menselijke ziekteverwekkers zal in de toekomst steeds belangrijker worden: immers nieuwe bedreigingen voor de volksgezondheid tekenen zich nu al af .
Veel mensen kregen reeds af te rekenen met ernstige medische problemen veroorzaakt door ANTIBIOTICA -resistentie( verworven door de verdere evolutie van ) bacterieen
zie ook —>
http://en.wikipedia.org/wiki/Antibiotic_resistance


Immmers ;
Wanneer een indivuele bacterie een genetische verandering ( mutatie ) verwerft ( dat kan op verschillende manieren gebeuren :ook door leentje buur spelenbij andere micro-organismen ) die de uiteindelijk bacterieele capaciteit verhoogt om de weerstand tegen de gevolgen van een antibioticum te verbeteren en te overleven , zal die bacterie afstammelingen hebben( door asexuele deling ) die( voor het grootste deel) eveneens ( beter)resistent zullen zijn tegen het antibioticum , terwijl de bacterieen van dezelfde soort die niet over die mutatie beschikken worden gedood en verdwijnen uit de genenpoel van de populatie en dus niets meer bijdragen aan de volgende generaties bacterieen …( = het meest radikale zeef en selectie-criterium :de man met de zeis )
De bacteriën die tuberculose veroorzaken, meningitis, stafylokokken-besmettingen (sepsis) –>MRSA (Tsjok45) , seksuele aandoeningen , en andere ziektenoverbrengen , hebben al evolutionair weerstand ontwikkeld tegen een stijgend aantal antibiotica en over de hele wereld reeds ernstige pronblemen geschapen .

De kennis van hoe de evolutie tot verhoogde weerstand leidt zal in het controleren van de verspreiding van besmettelijke ziekten kritiek zijn.

GRIEP

H1N1-epidemie

http://nl.wikipedia.org/wiki/H1N1

H1N1 is een subtype van het griepvirus influenza A. H1N1 heeft verschillende subtypes, inclusief het type dat de Spaanse griep veroorzaakte rond 1918 en wereldwijd miljoenen slachtoffers maakte. Dit type is inmiddels in het wild uitgestorven. Ook de Mexicaanse griep uit 2009 lijkt veroorzaakt te zijn door een combinatie van verschillende H1N1-stammen.

Van oorsprong is het virus een vogelgriepvirus. Daarnaast is er een aantal varianten die een mildere griep bij mensen veroorzaken. Virussen van dit type zijn ook verantwoordelijk voor uitbreken van de varkensgriep.

De aanduiding H1N1 hangt samen met de structuur van het eiwitmantel van het virus, waarbij de ‘H’ het type hemagglutinine-eiwitten op de mantel aangeeft en de ‘N’ het type neuraminidase-eiwitten.

In de jaren 70 van de twintigste eeuw werd het virus weer gesignaleerd. De gevolgen waren echter minder erg dan in 1918, omdat veel personen nog immuun waren voor het virus, waardoor de grote verspreiding werd voorkomen. Tegenwoordig vormt het H1N1 virus, naast het H2N2 virus, één van de basisvirussen die de ‘jaarlijkse griep’ vormen. Vormen van het H1N1 virus in de jaarlijkse griep zijn echter wel zeldzamer dan andere vormen van het virus.

http://www.influenza.be/nl/H1N1_nl.asp

Wat is de A/H1N1 griep?

Recombinant ; Het gaat om een nieuw menselijk virus dat samengesteld is uit een combinatie van genen van verschillende afkomst :

het komt gedeeltelijk van varkensvirussen,( varkensgriep ) van een vogelvirus(vogelgriep ) en van een menselijk virus (griep ) .

Dit virus werd eind maart 2009 vastgesteld in Mexico. ( vandaar = mexicaanse griep ) De eerste analyses tonen een verband met virussen die bij varkens in Noord-Amerika en Europa/Azië voorkomen.

* 30 december 2009……Volgens de Gentse infectioloog Renaat Peleman is het goed mogelijk dat er helemaal geen tweede golf van de Mexicaanse griep komt. in 2010 en zelfs 2011 …..

“Kijk maar naar Australië, waar het nu zomer is. Daar is het bij één golf gebleven”, aldus Peleman. Verder is er een goede kans dat we weinig of geen last gaan hebben van de normale jaarlijkse seizoengriep, die meestal piekt vanaf eind januari.

“Ook dit valt niet te voorspellen”, zegt Van Ranst. “Maar het is bij vroegere pandemieën voorgekomen dat de gewone griep toen verdween – waarom precies, weten we niet – en rond deze tijd zien we in andere jaren meestal al een eerste lichte stijging van het aantal gewone griepgevallen, nu nog niks.”

De Mexicaanse griep blijkt uiteindelijk een betrekkelijk onschuldige infectie, al blijft voorzichtigheid wel geboden.

BACTERIEEN

De Zwarte DOOD YERSINA PESTIS

De Zwarte builenpest

De Zwarte Dood is een van de grootste plagen uit de geschiedenis. Maar dat is de pestbacterie niet te verwijten.

De moeder aller plagen

Genoom van de pest laat veel vragen onbeantwoord

Joep Engels

Geschiedenis & Archeologie

Lijf & Gezondheid

De notabelen die in 1348 de stad Londen bestuurden, hadden een vooruitziende blik. In die dagen bereikten onheilstijdingen de stad dat een verwoestende plaag zich een weg door Europa baande. Vroeg of laat zou de ziekte, die de Zwarte Dood werd genoemd, aankloppen bij de poorten van Londen. In een poging de rampspoed zo veel mogelijk af te wenden besloten de bestuurders om alvast buiten de stadsmuren een nieuwe begraafplaats in te richten.
Tegen de herfst was het zover, en in twee jaar tijd verloor Londen, een stad van meer dan honderdduizend inwoners, een derde van zijn bevolking. 2400 slachtoffers werden op het speciale kerkhof begraven. Vandaag de dag bevat dat East Smithfield Cemetery een schat aan informatie voor microbiologen en epidemiologen.
Zijderoute
Want hoeveel er ook over de Zwarte Dood is geschreven, veel vragen zijn nog niet geheel beantwoord. Hoe kon de ziekte zo dodelijk zijn? De pestbacil waart nog steeds rond, maar maakt lang niet zo veel slachtoffers. Hoe kon de ziekte, die via de Zijderoute vanuit China naar Europa trok, zich zo snel verspreiden? Dat lijkt onmogelijk als de besmetting verloopt via beten van vliegen, die op hun beurt met ratten meeliften. Konden mensen elkaar besmetten? En was de pestbacil, Yersinia pestis, waarvan de nazaten nu rondwaren, de werkelijke dader?
Die laatste vraag hebben de botten van het East Smithfield Cemetery al overtuigend beantwoord. Zo meldden enkele archeologen eind augustus in PNAS dat ze in de tanden van de slachtoffers stukjes DNA van Yersinia pestis hadden gevonden, stukjes die niet aanwezig waren in de stoffelijke resten die in een ander middeleeuws Londens kerkhof waren opgegraven. Dit St. Nicholas Shambles was kort voor de komst van de plaag gesloten. De epidemie die de stad had geteisterd, had er dus niet al jaren gesluimerd maar was pas in 1348 gearriveerd.
Uit de verdere DNA-analyse concludeerden de archeologen dat deze variant van de pestbacterie wellicht was uitgestorven. Het DNA-deel waarvan iedereen dacht dat het zo verwoestend was, bleek in de zesenhalve eeuw na de Grote Plaag niet te zijn veranderd. Er moet dus iets verdwenen zijn, suggereerden de onderzoekers, dat de ziekte zo dodelijk maakte.
Pest van Justinianus
Op die laatste conclusie komt de groep nu terug, in een online publicatie van het vakblad Nature. Hadden ze voor hun artikel in PNAS slechts stukjes DNA en twee plasmiden (DNA-strengen buiten het chromosoom) bekeken, nu hebben ze het genoom van de pestbacterie compleet. En ja, deze plaag uit de veertiende eeuw is veroorzaakt door de pestbacterie. Sterker nog, als ze alle bekende varianten van de bacterie naast elkaar leggen, blijkt dat de moeder aller pestbacteriën ergens tussen 1282 en 1343 het levenslicht zag. Oftewel, de Grote Plaag was het moment waarop de pest kennis maakte met de mensheid, en alle latere pestepidemieën zijn nazaten van deze ene grote. En: de Pest van Justinianus, een pandemie uit de zesde eeuw, is veroorzaakt door een verre neef van de pestbacterie, of het was zelfs een compleet andere ziekte.
Maar het gekke is: de middeleeuwse pest is niet anders dan de moderne varianten. Als er al verschillen zijn, hebben die weinig of niets te maken met de virulentie van de bacterie. Voor zover wij het nu kunnen overzien, schrijven de archeologen, was de pest in de veertiende eeuw zo verwoestend omdat de omstandigheden anders waren (klimaat, voedseltekorten), de bacterie anders werd overgebracht (van mens tot mens in plaats van via vliegenbeten) of dat de middeleeuwers nog geen bescherming hadden tegen de ziekte.
Het laatste woord zal nog wel niet gezegd zijn. De reconstructie van de pestbacterie is een ingewikkelde puzzel. Het DNA heeft vierenhalf miljoen bouwstenen, maar op het kerkhof lagen slechts brokstukjes van vijftig of zestig baseparen groot. Nou ja, op het kerkhof. De botten en schedels zijn al in de jaren tachtig opgegraven, maar de techniek om deze stukjes op een zinnige manier aan elkaar te plakken bestaat pas een paar jaar. Bovendien is het een hele kunst om het DNA van de bacterie te scheiden van menselijk DNA in de botten, en van het DNA van de wormen of microben die zich in de loop der eeuwen te goed hebben gedaan aan de menselijke resten.
Ebola-virus
Duidelijk is wel dat de pestbacterie ooit is geëvolueerd uit Yersinia pseudotuberculosis, een relatief onschuldige bacterie die zich over het algemeen in de aardbodem ophoudt. Ooit heeft deze bacterie twee plasmiden (kleine stukken DNA) verworven (en wellicht nog het een of ander) waardoor het een zeer dodelijke en besmettelijke ziekteverwekker werd.
Maar hoe, dat is de hamvraag. De mens wordt voortdurend bedreigd door (nieuwe) pathogenen. Sommige zijn we gemakkelijk de baas. Andere, zoals het Ebola-virus, zijn zo dodelijk en besmettelijk tegelijk, dat ze binnen de kortste keren alle gastheren in hun omgeving hebben uitgeroeid, en daarmee ook hun eigen verspreiding hebben stilgezet.
Maar soms staat er een virus of bacterie op die precies goed is – vanuit het perspectief van de ziekteverwekker dan. Yersinia pestis was er zo een: in vier jaar tijd roeide hij een derde van de mensheid uit. De wetenschap zou graag weten hoe hij hem dat flikte.
Kirsten I. Bos ea. A draft genome of Yersinia pestis from victims of the Black Death, Nature online op 12 oktober 2011

De middeleeuwse variant van de pest bestaat niet meer

Door: Arnout Jaspers

DNA van de beruchte bacterie Yersinia pestis is teruggevonden in honderd skeletten uit een middeleeuws massagraf bij Londen. Duitse en Amerikaanse onderzoekers reconstrueerden daarmee grote delen van het pest-genoom.

Pieter Bruegels Triomf van de Dood (c. 1562), verbeelding van de sociale beroering en angst in de nasleep van de Zwarte Dood.

De Zwarte Dood was waarschijnlijk de ergste pandemie uit de geschiedenis van de mensheid. De hoogst besmettelijke ziekte raasde in 1347 vanuit China door Europa en doodde daar in de volgende twee jaar ruwweg de helft van de bevolking, en wereldwijd minstens 100 miljoen mensen.

Over de veroorzaker van de Zwarte Dood is veel gespeculeerd. De pest-bacterie was van het begin af aan de belangrijkste verdachte, maar Recent DNA-onderzoek heeft nu wel alle twijfel weggenomen dat de bacterie Yersinia pestis de dader was.

In PNAS van deze week doet een team van Duitse en Amerikaanse onderzoekers onder leiding van Verana j. Schuenemann er nog een schepje bovenop: uit ruim honderd skeletten in een bekend 14e eeuws massagraf bij Londen konden ze zoveel fragmenten DNA isoleren, dat ze daaruit een groot deel van het bacteriegenoom konden reconstrueren en het complete mitochondriaal DNA van tien slachtoffers.

Compleet in kaart
Het was nog niet eerder gelukt om van een ziekteverwekker uit het verleden het DNA zo compleet in kaart te brengen. De bacterie heeft een deel van zijn DNA in een chromosoom zitten (waarvan de mens 23 paar heeft) maar bevat daarnaast nog drie plasmiden, ringvormige strengen DNA.

De pest bestaat nog steeds en kleine uitbraken maken jaarlijks zo’n 2000 slachtoffers, maar grote epidemieën zijn al lang niet meer voorgekomen. De buitengewone besmettelijkheid tijdens pandemieën in vroeger eeuwen moet haast wel te wijten zijn geweest aan genetische verschillen met de huidige Y. pestis bacterie. Tot nu toe dacht men dat deze verschillen op één plasmide, pPCP1, zouden liggen.

Schuenemann en haar team konden echter de middeleeuwse pPCP1 plasmide compleet reconstrueren, en vonden geen verschillen met al bekende varianten. Ze vonden wel unieke fragmenten chromosomaal DNA in de middeleeuwse Y. pestis die nu in geen enkele variant meer voorkomen.

Het is mogelijk dat de Zwarte Dood zijn eigen graf gegraven heeft door té besmettelijk te zijn en te snel zijn slachtoffers te doden; daardoor blijft er lokaal al gauw niemand meer over om de ziekte op anderen over te dragen. Om dezelfde reden veroorzaakt het angstaanjagende Ebola-virus – tot nu toe- slechts uitbraken van beperkte omvang. Ebola komt echter telkens terug omdat het sluimerend overleeft in een nog niet geïdentificeerde diersoort

Targeted enrichment of ancient pathogens yielding the pPCP1 plasmid of Yersinia pestis from victims of the Black Death, Proceedings of the National Academy of Sciences, 29 augustus 2011

Zwarte dood was geen pest

Slachtoffers vielen te snel

De dodelijke epidemiën die in het Europa van de Middeleeuwen miljoenen slachtoffers eisten, waren geen uitbraken van de pest. Amerikaanse onderzoekers die kerkregisters uit Engeland over de jaren 1349 en 1350 bestudeerden, stellen dat de priesters daar te snel stierven om hun dood aan de pest toe te kunnen schrijven. De ‘zwarte dood’ werd volgens hen van mens tot mens overgedragen, zonder tussenkomst van ratten, die noodzakelijk zijn voor de verspreiding van de pest

“’s Ochtends aten slachtoffers nog gezond met hun vrienden, maar ’s avonds zaten ze met hun voorouders aan tafel in de hemel,” noteerde naar verluidt de Italiaanse schrijver Giovanni Boccaccio rond 1350.

De situatie was hopeloos.

Al drie jaar trok de zwarte dood door Europa en deed zijn desastreuze werk in alle rangen en standen. Zo’n 25 miljoen mensen stierven, naar schatting veertig procent van alle Europeanen. Hoge koorts, het opbraken van bloed en zwarte bulten over het hele lijf waren maar enkele symptomen die de analen vermelden – rode uitslag op de borst en een bloedende huid worden eveneens vaak genoemd.

“Allemaal klachten die je ziet bij hedendaagse pestpatiënten, maar de middeleeuwse symptomen komen ook voor bij een scala aan andere ziekten. Om uit te kunnen maken wat de oorzaak was van de epidemie van de veertiende eeuw, moet je andere zaken in ogenschouw nemen,” zei antropoloog James Wood van de Staatsuniversiteit van Pennsylvania deze week op een congres in Buffalo.

“En als je dat doet, kun je maar tot één slotsom komen: de zwarte dood was iets anders dan de pest.”

Een belangrijk deel van zijn conclusie baseert hij op de personeelsbestanden van een aantal Engelse kerken uit 1349 en 1350, die ogenschijnlijk volledig bewaard zijn gebleven.

Als priester kon je daar toentertijd maar beter niet werken: de kans dat je vroegtijdig stierf, was 45 keer zo groot als normaal. “En hoewel de pest erg dodelijk is, is in moderne tijden nooit vastgesteld dat de ziekte zo snel om zich heen grijpt,” aldus Wood. Dat komt omdat de veroorzaker van de pest, de bacterie Yersinia pestis, zich via ratten verspreidt. Althans, via vlooien die een voorkeur voor de knaagdieren hebben. Pas als het dier gestorven is, is de vlo genegen ook mensen te bijten, waarna de bacterie in de bloedbaan komt. Maar als dat zo snel zou gaan als bij de Engelse priesters, zou er een massale rattensterfte zijn opgetreden, net als bij recente pestuitbraken.

Veertiende eeuwse bronnen reppen daar echter niet over. “Het was een tijd waarin veel werd vastgelegd,” stelt Wood. “De ziekte heette een straf van God, en men zag in alle gebeurtenissen zijn hand. Als er een massale rattensterfte zou zijn opgetreden, was dat vermeld.”

De antropoloog weet niet wat de ziekte dan wel is geweest, maar denkt dat de schuldige bacterie of virus direct van mens tot mens werd overgedragen, zoals bijvoorbeeld de pokken.

De antropoloog is niet de eerste die de oorzaak van de zwarte dood in twijfel trekt. Vorig jaar al publiceerden de Engelse artsen Susan Scott en Chris Duncan het boek ‘Biology of plagues’, waarin zij schrijven dat er rond 1350 domweg te weinig ratten in Europa waren om de pest zo wijd te verspreiden – van Sicilië, waar de eerste gevallen in november 1347 werden opgetekend, tot aan Noorwegen, waar vijf jaar later twee-derde van de bevolking bezweek.

Daar was het volgens de twee overigens ook veel te koud voor de vlooien. De werkelijke identiteit van de zwarte dood was volgens de artsen een zogeheten filovirus, een familie waar ook Ebola toe behoort.

Critici brachten daar echter tegenin dat zo’n virus doorgaans zo dodelijk is, dat het zijn eigen verspreiding tegengaat – de slachtoffers komen zo snel om het leven, dat ze anderen amper kunnen besmetten.

Wood is hoe dan ook van plan zijn onderzoek voort te zetten. Dat acht hij van belang om een vergelijking te kunnen maken met hedendaagse epidemieën die schijnbaar uit het niets opduiken.

“Aids, Ebola – ineens waren ze er. En er is geen enkele reden om aan te nemen dat er in de toekomst niet opnieuw ziekteverwekkers evolueren. Elk beetje informatie over hun verspreiding kan dan nuttig zijn om ze zo snel mogelijk uit te bannen.”

Marc Koenen.

Een gelukkige mutatie

Pest, pokken en AIDS

Ongeveer 10 procent van de Europeanen is, dankzij een gelukkige mutatie, minder vatbaar voor HIV, het virus dat aids veroorzaakt. Volgens een populaire hypothese is de mutatie in kwestie ontstaan als bescherming tegen de pest. Onderzoek met muizen lijkt die veronderstelling echter naar de prullenbak te verwijzen. Niet de pest, maar de pokken heeft de mens de resistentie bezorgd.

32 Baseparen maken het verschil. Zonder dat kleine stukje genetische code is het lichaam een onneembare vesting voor HIV, het virus dat aids veroorzaakt.

Het HIV-virus vermenigvuldigt zich normaal gesproken in cellen van het immuunsysteem, de T-cellen en de macrofagen. Via het CCR5-eiwit op de buitenkant van die cellen verschaft het virus zich toegang tot de cel.

Een kleine mutatie, slechts 32 baseparen groot, wijzigt de werking van het toegangseiwit CCR5. En dat kleine verschil maakt dat het HIV-virus de cellen niet meer in kan.

De gelukkige mutatie werd in 1996 ontdekt door Rong Liu en collega’s bij twee personen die, ondanks herhaaldelijke blootstelling aan HIV, er niet mee geïnfecteerd raakten.

Merkwaardig genoeg komt de delta-32 mutatie, zoals-ie ook wel genoemd wordt, alleen voor bij Europeanen van het Kaukasische ras: de meeste blanke Europeanen. Zo’n 10 procent van de Europeanen draagt een of twee genen met de delta-32 mutatie bij zich.

Twee genen bieden volledige bescherming tegen besmetting met HIV, een enkel gen zorgt ervoor dat de ziekte aids minder snel en minder agressief verloopt. In 1998 lieten Stephen O’Brien en collega’s zien dat de mutatie vermoedelijk zo’n zevenhonderd jaar geleden is ontstaan.

En dat viel samen met de periode dat er in Europa een andere dodelijke ziekte heerste, de zwarte dood. Aan de pest overleden tussen 1346 en 1352 zo’n 25 miljoen mensen: eenderde van alle Europeanen.

O’Brien en collega’s suggereerden dat de gelukkige mutatie was boven komen drijven omdat hij bescherming bood tegen de pest. Die hypothese ligt nu onder vuur.

Donald Mosier en collega’s van het Scripps Research Instituut in La Jolla namen de proef op de som. Ze besmetten twee verschillende muizenstammen – een met, en een zonder de mutatie in het toegangseiwit – met de pestbacterie Yersinia pestis.

De mutatie die beschermt tegen aids blijkt echter geen bescherming te bieden tegen de pest. Beide muizenstammen werden ziek. Mosier en collega’s suggereren in het tijdschrift Nature dat de gelukkige mutatie niet is ontstaan omdat hij bescherming bood tegen de pest, maar omdat hij bescherming bood tegen een ándere dodelijke ziekte: de pokken.

Eind vorig jaar opperden de Amerikaanse populatiegenetici Alison Galvani en Montgomery Slatkin in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences een vergelijkbare hypothese.

Pokkenuitbraken waren weliswaar kleiner dan pestepidemieën, maar het totale aantal slachtoffers was veel groter omdat de pokken langer rondwaarde in Europa. Verder wordt de pokken, net als aids, veroorzaakt door een virus dat de witte bloedcellen binnendringt, en niet door een bacterie, zoals de pest. Dat maakt het waarschijnlijker dat een mutatie in een transporteiwit zoals de delta-32 mutatie, bescherming biedt tegen de pokken. Ook de verspreiding van pokken in Europa stemt beter overeen met de verspreiding van de delta-32 mutatie. Vooral de Scandinavische landen kenden ongekend heftige pokkenepidemieën, en daar is de verspreiding van het delta-32 mutatie het grootst – zo’n 14 procent.

Bij pokkenepidemieën vielen bovendien vooral jonge slachtoffers, terwijl de pest een ziekte van alle leeftijden is. En zo’n kinderziekte als pokken vergroot de selectiedruk op een beschermende mutatie. Individuen zonder beschermende mutatie sterven immers uit nog voor ze de kans hebben gekregen zich voort te planten.

Jacqueline de Vree

Donald Mosier et al: CCR5 mutation and plague protection, Brief communication in Nature, Vol 427 (606) 2004

Alison Galvani en Montgomery Slatkin, Evaluating plaque and smallpox as historical selective pressures for the CCR5-?32 HIV-resistance allel, in PNAS, VOl 100 (15276-25279), 2003

zie ook   —->   evolutie & aids.docx (1.1 MB)( vroeger –> aids en evolutie )

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Cholera

Cholerais een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie Vibrio cholerae. Het belangrijkste kenmerk van de ziekte is ernstige diarree en uitdroging. De incubatietijdvan de bacterie kan variëren van zes uur tot twee dagen.

Alle cholera in de huidige wereld vindt zijn oorsprong in de Baai van Bengalen

maandag 12 september 2011

© Reuters

Alle cholera die vandaag in de wereld te vinden is, vindt zijn oorsprong in een stam van de besmettelijke bacterie die ongeveer veertig jaar geleden in de Baai van Bengalen (in Azië, langs de kusten van Indië en Bangladesh) ontstond.

Van daaruit veroverde de bacterie de wereld, in verschillende golven. Ze besmet elk jaar 3 tot 5 miljoen mensen, vooral op plaatsen met erbarmelijke hygiënische omstandigheden, en veroorzaakt jaarlijks meer dan honderdduizend doden. Er wordt daarom terecht van een pandemie gesproken.

De route die de bacterie gevolgd heeft, kon bepaald worden aan de hand van de analyse van het genetisch materiaal van bacteriestalen uit honderden patiënten uit de hele wereld. Volgens het wetenschappelijke topvakblad Nature kon zo zelfs aangetoond worden dat de bacterie al in 1982 weerstand verwierf tegen de belangrijkste antibiotica die de mens als wapen tegen de epidemie inzette. Die weerstand maakte een nieuwe en grote golf van verspreiding vanuit de oorspronkelijke broeihaard mogelijk.

De verspreiding van de ziekte zou sterk steunen op menselijke migratie. De mens neemt de bacterie dus mee. Ze verspreidt zich via uitwerpselen, en omdat ze zware diarree veroorzaakt kan ze zich onderweg gemakkelijk in vele gemeenschappen nestelen. Alleen waterzuivering en goede hygiëne kunnen de ziekte efficiënt counteren.

(DDraulans )

EENCELLIGEN

MALARIA

Scientists Track the Origins of Malaria

Malaria may not be an ancient plague but rather a fairly young one—about 10,000 years young. According to a study published Friday in Science, the initial spread of the disease parallels that of agriculture and early human civilization. So by looking at mutations in our own genes, scientists can track malaria’s origins.

This is a striking example of how infectious disease can shape the path of human evolution,” says lead author Sarah Tishkoff of the University of Maryland. She looked at the human gene G6PD (glucose-6-phosphate dehydrogenase) and found that some people have a mutation that makes them immune to malaria. When tracing the mutation back, she found that it emerged simultaneously with early agriculture.

The link between agriculture and malaria lies with the animal that transmits the disease: the mosquito.

Scientists estimate that between 7,000 and 12,000 years ago, temperature and humidity in Africa increased dramatically and created lakes and pools of water, breeding grounds for bugs. At the same time, larger human populations that stayed in one place made it easier for the disease to spread. “One mutation found throughout Africa arose within the past 3,830 to 11,760 years,” Tishkoff says. “This estimate is consistent with archaeological and historical documents that show malaria has had a significant impact on humans only within the past 10,000 years, since the origination of agriculture.”

Tishkoff found another mutation of G6PD in the Mediterranean region, the Middle East and India, which developed more recently—1,600 to 6,640 years ago. She thinks that the army of Alexander the Great may have brought a different strain of malaria to the regions when it conquered them in the fourth century B.C. “This study,” Tishkoff says, “demonstrates how the environment, culture, genes and history interact to shape patterns of variation in the modern human genome.” Harald Franzen

Zoönose

http://nl.wikipedia.org/wiki/Zo%C3%B6nose

Een zoönose is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Het woord zoönose is afgeleid van de Griekse woorden zoön (dier) en nosos (ziekte). Veel fulminant verlopendeinfectieziekten zijn zoönosen, daar deze bacterieënprotozoavirussen of wormen vaak zijn aangepast om in hun specifieke gastheer te overleven zonder al te veel schade aan te richten, maar deze bij andere gastheren een heftige immuunreactie oproepen.

De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) definieerde een zoönose 1959 als een ziekte die van gewervelde dieren op een natuurlijke wijze op de mens kan worden overgedragen.

Indeling van zoönosen

Reservoir en eindgastheer

Men kan zoönosen naar hun reservoir indelen in verschillende groepen. Anthropozoönosen zijn infecties, die uitsluitend van het dier op de mens worden overgedragen. Een voorbeeld voor een dergelijke infectie is de infectie met Toxocara canis, een worm die bij honden voorkomt. Zoöanthroponosen worden bijna uitsluitend van de mens op het dier overgedragen. Een voorbeeld is Entamoeba histolyticaAmphixenosenkomen zowel bij de mens als het dier voor en worden in beide richtingen overgedragen. Een voorbeeld is de worm Taenia saginata.

Levenscyclus

Een indeling op basis van de levenscyclus is eveneens mogelijk. Men maakt onderscheid tussen een directe (ortho) zoönose. De ziekte wordt hierbij door de directe contact tussen een mechanische vectorvan het dier op de mens overgedragen. Een voorbeeld voor een dergelijke infectie is een mijt (Sarcoptes scabiei). Bij een cyclozoönose moet de ziekteverwekker tussen verschillende gastheren wisselen. Zowel de tussengastheer als ook de eindgastheer zijn vertebraten. Deze vorm van een zoönose wordt uitsluitend bij parasitaire infecties gezien, die een heteroxene cyclus hebben. Bij een metazoönose zal de infectie eveneens tussen verschillende gastheren wisselen, maar in tegenstelling tot de cyclozoönose is de tussengastheer hier een invertebraat, zoals bijvoorbeeld een mug. Bij saprozoönosen heeft de ziekteverwekker een niet dierlijk reservoir. Voorbeelden voor een dergelijk reservoir kunnen planten, grond of water zijn. Voorbeelden die in deze klasse vallen, zijn Giardia en Toxoplasma. Latente zoönosen zijn ziekten die bij de tussengastheer geen symptomen veroorzaken. Deze kunnen dan bijvoorbeeld via rauw vlees worden overgedragen.

Ziekteverwekker

Zoönosen kunnen verder worden onderverdeeld naar het soort ziekteverwekker. Als mogelijke ziekteverwekkers komen prionenvirussenbacterieënprotozoawormen of arthropoda in aanmerking.

Reservoir en vector

Het reservoir voor zoönotische ziekteverwekkers zijn gewervelde dieren. In principe komt ieder dier in aanmerking om een zoönotische infectie over te dragen, ook al vertoond het geen ziektesymptomen. Ook zuivelproducten kunnen door deze ziekteverwekkers zijn gecontamineerd. In onze streken zijn dit vaak huisdieren of nutsdieren.

Een bijzondere rol als vector hebben insecten. Zij kunnen zich over een grote afstand verplaatsen zonder dat een gewerveld dier in de buurt is en zo de infecties van het dier op de mens overdragen.

Belangrijkste zoönosen

Een volledige lijst van alle gekende zoönosen (niet volledig).

Prion geïnduceerde ziekten

Ziekte Verwekker Reservoir Vector Ziekte bij mens
BSE prionen koe consumptie specifiek risicomateriaal zoals hersenen en zenuwweefsel variant Creutzfeldt-Jakob

BSE of boviene spongiforme encephalopathie is maar een ziekte die behoort tot de groep van de TSE of transmissible spongiforme encephalopathie. Tot deze groep behoort bijvoorbeeld ook scrapie bij schapen.

Virale ziekten

Ziekte Verwekker Reservoir Vector Ziekte bij mens Verspreiding
Ebolavirus Filovirus aap direct contact Ebola Afrika
Lassa koorts Arenavirus wilde knaagdieren contact met excreties en secreties Lassa koorts Afrika
Marburgvirus Filovirus aap contact met ge챦nfecteerde weefsels Afrikanische haemorrhagische koorts Afrika
Mond-en-klauwzeer Aphtovirus evenhoevigen direct contact wereldwijd
Rabies Lyssavirus zoogdieren contact met secreties Rabiés wereldwijd

Bacterïeële ziekten

Ziekte Verwekker Reservoir Vector Ziekte bij mens Verspreiding
Brucellose Brucella species Rundschaapgeitvarkenhond contact Maltakoorts wereldwijd
Miltvuur Bacillus anthracis (bacterium) Herbivoren, grond contact Miltvuur wereldwijd
Pest Yersinia pestis rat, vector vlo beet Pest (bijna) uitgeroeid

Protozoaire ziekten

 Helminthosen

Arthropoda

Andere mogelijke zoönosen zijn:

Voorkomen

De incidentie en prevalentie van de meeste zoönosen is moeilijk in te schatten. Enerzijds worden veel zoönosen niet gediagnosticeerd, anderzijds bestaat voor de meeste zoönosen geen meldplicht.

Algemeen kan gesteld worden, dat hoe frequenter en hoe intenser het contact met dieren is, hoe groter de kans om zich met een zoönose te infecteren.

Eetgewoontes kunnen een grote invloed hebben op het voorkomen van zoönosen. Zo is de prevalentie van Toxoplasmose in Groot-Brittannië kleiner dan in Frankrijk, omdat men in Groot-Brittannië minder rauw of kort aangebraden vlees eet dan in Frankrijk.

Cysticercose, een ziekte bij de mens met de varkensbandworm, komt in joodse en islamitische bevolkingsgroepen niet voor, omdat zij geen varkensvlees eten.

Gevaren

Een bijzondere gevaar gaat uit van de stijgende populariteit van exotische dieren. Ziekten bij deze dieren en dus ook zoönoses zijn meestal niet onderzocht. Onbekende of zelden voorkomende kiemen kunnen een diagnose moeilijk en een vroegtijdige en doeltreffende therapie onmogelijk maken. Deze dieren kunnen ook als vector voor speciesonspecifieke ziekten fungeren.

In de loop van 2005 werd zo bijvoorbeeld in Duitsland een reeks doodsgevallen bij de mens gezien. Een patient werd in Indië met rabiés geïnfecteerd. De symptomen van de ziekte werden toen aan drugsconsumptie toegeschreven en zo werd na de dood van de patient en hele reeks organen getransplanteerd, met infectie van de ontvangers tot gevolg.

Salmonellose wordt vooral over eetwaren (eieren, melkproducten, kippenvlees) overgedragen. Salmonellose is de het vaakst aangegeven zoönose. Hoge temperaturen verhogen het gevaar dat Salmonella zich in etenswaren kan vermenigvuldigen.

Immunoincompetente mensen, zoals bijvoorbeeld AIDS-patienten, of mensen die een zware chemotherapie krijgen, immunosuppressieve oude mensen en jonge kinderen, zijn bovendien aan het gevaar blootgesteld zich met kiemen te infecteren, die normaal bij een mens symptoomloos blijven.

Een speciaal gevaar bestaat voor zwangere vrouwen. Sommige zoönosen kunnen een beschadiging van de embryo of een abortus veroorzaken.

Bepaalde beroepsgroepen, zoals dierenartsen en boeren, hebben door hun intensieve contacten met dieren een hoger infectierisico. September 2005 werd bekend dat een drietal familieleden van varkenshouders door een van varkens afkomstig MRSA bacterie waren besmet.

Literatuur

  • Krauss H. et al: Zoonoses. Infectious Diseases Transmissible from Animals to Humans. 3rd Ed. Washington, ASM Press 2003. ISBN 1-55581-236-8

Externe links


Single Gene Lets Bacteria Jump From Host To Host
Reported (Feb. 1) in the journal Nature by a team of scientists from the University of Wisconsin-Madison

Gemuteerd vogelgriep/Vogelpest virus H5N1

  

Het voor mensen gevaarlijke vogelgriepvirus H5N1 is gemuteerd in een soort die mensen makkelijker kan infecteren dan voorheen. Het virus is echter nog niet getransformeerd in een soort die een pandemie kan veroorzaken onder mensen. 

Dat hebben wetenschappers van de University of Wisconsin-Madison in de Verenigde Staten vandaag gezegd. De onderzoekers zeggen ,

“een specifieke verandering” van het vogelgriepvirus H5N1 te hebben waargenomen waardoor het zich makkelijk in het bovenste deel van het ademhalingskanaal van de mens kan nestelen. 

Volgens hen kunnen de vogelgriepvirussen die in Europa en Azi챘 zijn opgedoken het makkelijkst muteren  in een soort die kan leiden tot een pandemie.

 “Ik wil de mensen niet bang maken, omdat ze niet veel kunnen doen. Maar het is belangrijk dat de wetenschappers begrijpen wat er gebeurt”,

aldus een van de onderzoekers. (anp/dm)

Doden

Tot dusver zijn sinds 2003 in totaal 201 mensen overleden aan de vogelgriep. De meeste mensen zijn via vogels besmet geraakt met het virus. Besmetting van mens tot mens komt ( tot nu toe )  zelden voor.

http://www.demorgen.be/dm/nl/nieuws/gezond/575665

http://www.demorgen.be/dm/nl/nieuws/gezond/526041

Vogelgrieppandemie kan vijfde van betrokken bevolking treffen

17/07/2007

Als er een   Vogelpest / vogelgriep Pandemie zou uitbreken, dan zou een vijfde van de bevolking in de getroffen landen het H5N1-virus kunnen oplopen. Die waarschuwing stuurt Margaret Chan, directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), dinsdag de wereld in.

“Geen enkel land is volledig voorbereid op een vogelgrieppandemie”, aldus Chan tijdens een persconferentie in Gen챔ve. “Er zijn onvoldoende geneesmiddelen en sanitair materiaal, zoals maskers, voorhanden”.

Volgens haar zou zo’n twintig procent van de bevolking getroffen kunnen worden.

Ze is wel tevreden over het feit dat de honderddrie챘nnegentig landen die lid zijn van de Wereldgezondheidsorganisatie over een voorbereidingsprogramma beschikken. Chan herinnerde er ook aan dat het belangrijk is alle beschikbare informatie over het virus te melden aan de WHO. Dat is belangrijk om een beter zicht te krijgen op de karakteristieken van het virus, zegt ze.

Afgelopen mei besloten de WHO-landen stalen van het virus uit te wisselen. Die zijn nodig voor de ontwikkeling van vaccins.

Het H5N1-virus is erg dodelijk. Zestig procent van wie besmet raakt, sterft. Sinds 2003 raakten minstens driehonderd mensen besmet,( de doden vielen  vooral in Zuidoost-Azië. )           (belga/dm)


H5N1 is een variant van het vogelpestvirus die gevaarlijk is voor mensen.

“H5” verwijst naar het type hemagglutinine in de eiwitmantel en “N1” naar het type neuraminidase.

Het betreft in beide gevallen antigenen die een rol spelen bij respectievelijk binding aan de celwand en het loskomen van nieuw geproduceerde virussen uit een ge챦nfecteerde cel.

Vragen en antwoorden 
Vraag: Wat is vogelgriep? 
Vraag: Kan ik vogelgriep krijgen?
Vraag: Mag ik nog kip eten?
Vraag: Hoe verspreidt de vogelgriep zich?
Vraag: Kan ik me inenten tegen vogelgriep?
Vraag: Kun je vogelgriep krijgen van elkaar?
Vraag: Kan mijn huisdier vogelgriep krijgen?Vraag: Wat is vogelgriep?
Antwoord: Vogelgriep wordt verzoorzaakt door een virus, net zoals griep bij mensen. Vogelgriep is heel erg besmettelijk voor bijvoorbeeld kippen, kalkoenen en wilde zwanen. Ze worden er heel erg ziek van. Het virus verspreidt zich via de lucht en via vogelpoep.
Wikipedia Vogelgriep 
RTL Actueel video’s Vraag: Kan ik vogelgriep krijgen?
Antwoord: De kans dat het gebeurt is heel erg klein. De vogelgriep is heel gevaarlijk voor grote vogels zoals kippen en zwanen. Er is maar een paar keer een mens ook ziek geworden, zij waren heel dicht in de buurt geweest van een vogel die ziek was.
Informatie van het Rijksinstituut van Volksgezondheid 
Het Erfocentrum (video) Vraag: Mag ik nog kip eten?
Antwoord: Ja, want het virus wordt via de lucht verspreid en niet via bloed. En de kip die te koop is in de winkels is goed schoongemaakt.
Er is ook een instantie die toezicht houdt op de veiligheid van voedsel. Deze instantie heet VWA.
Kip eten 
VWA Vraag: Hoe verspreidt de vogelgriep zich?
Antwoord: Wilde vogels die over een land vliegen (trekvogels) kunnen de vogelgriep hebben zonder dat ze zelf ziek worden. Maar door poep kunnen ze wel andere volgens ziek maken. De poep van die vogels kan in het water terechtkomen, zoals het drinkwater van de kippen op een boerderij. Zo kan het virus overspringen naar andere vogels.
Dossier NOS Journaal 
Dossier Jeugdjournaal 
Het Erfocentrum (video) Vraag: Kan ik me inenten tegen vogelgriep?
Antwoord: Op dit moment bestaat er geen vaccin, alleen een griepremmer, Tamiflu. Dit kan alleen door een huisarts worden voorgeschreven. Op dit moment is het niet nodig om naar je huisarts te gaan.
Dossier Kidsweek 
Dossier Jeugdjournaal 
Het Erfocentrum (video) Vraag: Kun je vogelgriep krijgen van elkaar?
Antwoord: Op dit moment zijn er geen gevallen bekend van mensen die elkaar hebben besmet met het virus. Alle mensen die ziek zijn geworden woonden of werkten dagelijks met kippen.
Interne Arbo dienst Universiteit Leiden 
Het Erfocentrum (video) Vraag: Kan mijn huisdier vogelgriep krijgen?
Antwoord: Ja, dat zou heel misschien wel kunnen. Maar de kans is heel erg klein omdat de meeste huisdieren gezond zijn en meestal geen contact hebben met de wilde dieren. En natuurlijk zorg je goed voor je kat of hond.
Tamme vogels worden niet makkelijk ziek van het virus. Het virus zou zich eerst moeten aanpassen om een tamme vogel te kunnen besmetten. Wist je trouwens dat zangvogels (kanaries) tot nu toe nog helemaal niet besmet zijn? De kans op vogelgriep is daardoor héél klein.
Informatie van het Rijksinstituut van Volksgezondheid 
Vraag: Krijgen alleen kippen vogelgriep?
Vraag: Is het zielig voor de vogels?
Vraag: Kunnen we niet alle kippen inenten?
Vraag: Is vogelgriep anders dan vogelpest?
Vraag: Wat is H5N1?
Vraag: Wat moet ik doen als ik een dode vogel zie?
Vraag: Waarom is er nog geen vaccin tegen de vogelgriep?Vraag: Krijgen alleen kippen vogelgriep?
Antwoord: Alle vogels kunnen vogelgriep krijgen. Maar vooral eenden, kalkoenen en kippen lopen kans om het te krijgen. Het ministerie van Landbouw (LNV) heeft lijst met vogels die het kunnen krijgen: parelhoenders, kwartels, fazanten, patrijzen, pauwen, ganzen, zwanen, consumptieduiven (dus niet postduiven), struisvogels, emoes en nandoes.
Ministerie van Landbouw 
Dossier Volkskrant met videofilmpjes Vraag: Is het zielig voor de vogels?
Antwoord: Kippen die besmet zijn worden binnen twee tot zeven dagen ziek. Ze worden sloom, eten minder, hebben veel dorst, leggen minder eieren en krijgen een soort snotneus. Soms krijgen ze gezwellen in hun kop, hals of kam. Omdat ze last krijgen van hun longen gaan ze dan in een dag of twee dood.
Informatie van Kennislink Vraag: Kunnen we niet alle kippen inenten?
Antwoord: Er zijn 80 miljoen kippen dus dat is moeilijk. Het Europese parlement heeft besloten dat Nederland de hobbykippen mag inenten.
Dossier Jeugdjournaal 
Artikel Wereldomroep Vraag: Is vogelgriep anders dan vogelpest?
Antwoord: Eigenlijk bedoelen we hetzelfde griepvirus. Vogelgriep is een betere naam, omdat de ziekte verzoorzaakt wordt door een griepvirus en niet een pestbacil. Omdat er zoveel vogels doodgaan noemen mensen het ook wel de vogelpest.Vraag: Wat is H5N1?
Antwoord: H5N1 is de offici챘le naam van het vogelgriepvirus.
Wikipedia H5N1 Vraag: Wat moet ik doen als ik een dode vogel zie?
Antwoord: Als het een kleine vogel is zoals een mus dan is er waarschijnlijk niets aan de hand. Maar gaat het om een dode zwaan, reiger, gans, eend, meeuw of roofvogel, laat het dier dan liggen. Raak het NIET aan en bel zelf of laat 챕챕n van je ouders bellen naar telefoonnummer 045-5466230. Dit nummer is van een speciale afdeling van het Ministerie van landbouw die over vogelgriep gaat.
Meldpunt Sovon Vraag: Waarom is er nog geen vaccin tegen de vogelgriep?
Antwoord: Het griepvirus is zeer veranderlijk. Men kan pas een vaccin maken wanneer de uiteindelijke vorm van de vogelgriep die mensen onderling kan besmetten bekend is. Bovendien onderzoeken wetenschappers op dit moment hoe ze het beste een vaccin tegen de vogelgriep kunnen maken. Ze denken dit in 2007 uitgezocht te hebben. Wanneer op dat moment de van mens op mens overdraagbare variant van de vogelgriep bekend zou zijn, hebben ze nog minimaal acht maanden nodig voordat er voor iedereen een vaccin is.
Het Erfocentrum 
Het Erfocentrum (video)

http://www.demorgen.be/dm/main/showContentNodeOverview.page?pNodeId=5450

DEADLY CONTACT    NG

2012

“Zeehondengriep” potentieel gevaar voor mensen

Een griepvirus dat al honderden zeehonden de das om deed, komt van een vogel en is van een nieuw type.

 

Het virus heeft dus al de stap van vogels naar zoogdieren gemaakt, en dat is een belangrijke barrière die beslecht moet worden om ook gevaarlijk te kunnen worden voor mensen.

Dat schrijven Amerikaanse biologen in mBio, het open-access tijdschrift van de American Society for Microbiology.

Het nieuwe griepvirus heeft de configuratie H3N8, en is dus anders dan andere bekende griepsoorten zoals de H1N1 uitbraak in 2008 of de H5N1 epidemie van 2003.

Eerste zoogdieren    De zeehonden zijn de eerste zoogdieren die met het virus gesignaleerd zijn. In vogels waart het al rond sinds 2002.

Als blijkt dat het virus van zoogdier op zoogdier overdraagbaar is, wordt de kans groot dat het op den duur mensen gaat besmetten. De onderzoekers zeggen dan ook dat dit virus en de mogelijke bestrijding daarvan erg serieus genomen moet worden.

Door: NU.nl/Stephan van Duin

http://blogs.discovermagazine.com/loom/2012/07/31/natures-latest-flu-experiment-my-story-in-todays-new-york-times-on-a-new-virus-in-seals/

http://www.nytimes.com/2012/07/31/science/flu-that-leapt-from-birds-to-seals-is-studied-for-human-threat.html?_r=1&ref=science

Ook malaria afkomstig van chimpansee ?
Peter van Ammelrooy
04 augustus 2009
Behalve aids(–> Hiv l  groepen N M O / Hiv2   )  heeft de mens waarschijnlijk nog een dodelijke infectieziekte aan apen te danken : malaria. 

zie ook   —->   evolutie & aids.docx (1.1 MB)


Dat blijkt uit een Amerikaanse studie.

Wetenschappers wisten al dat chimpansees minstens één malariaverwekker bij apen ( Plasmodium reichenowi ) dragen die lijkt op de menselijke
malariaparasiet,(= Plasmodium var. Falciparum, vivax, ovela en malariae.   )
maar ze wisten nog niet hoe de twee plasodiu soorten  met elkaar verbonden waren.

*Volgens een theorie waren ze afkomstig van een gemeenschappelijke voorouder uit de  plasmodium group .
*Volgens een andere theorie dook de parasiet voor het eerst op in mensen en werd die overgebracht op apen (waaruit de  apen-bloedparasiet ontstond-).
Een genetische studie van het bloed van 94 etmalaria besmette  chimpansees  in gevangenschap (84 in Kameroen 10 in  Ivoorkust )maakt het waarschijnlijk   dat de
malariaparasiet die mensen ziek maakt , is voortgekomen uit een  parasiet die in de chimpansees huist.
De amerikaanse onderzoekers  ontdekten in de bloedmonsters  acht  nieuwe malaria-eencelligen :  dat  duidt erop duidden dat de malariaparasiet(en) in
mensen directe afstammeling(en) zijn (of is ) van  één van  de ziekteverwekkers  in apen.

In een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) schrijven de onderzoekers dat de parasiet
twee tot drie miljoen jaar geleden al kan zijn overgesprongen, maar het ligt meer voor de hand dat het recenter is gebeurd – 10 duizend jaar geleden, toen de mens zich ging toeleggen op landbouw. Daarmee kwamen de soorten dichter op elkaar te leven en ontstonden door ontbossing poelen met stilstaand water, waarin muggen konden gedijen die de
parasiet hebben overgebracht.
Een enkele muggesteek kan daarbij al  afdoende zijn geweest.

Malaria eist elk jaar een miljoen doden, vooral kinderen die nog geen natuurlijke weerstand hebben kunnen opbouwen tegen de parasiet.
300 miljoen mensen worden ziek.
De onderzoekers hopen dat de ontdekking kan helpen bij het vinden van een vaccin.
http://edition.cnn.com/2009/HEALTH/08/03/malaria.origins/index.html

http://www.sciencedaily.com/releases/2009/08/090803173252.htm

http://www.uci.edu/uci/features/feature_malariaorigin_090803.php

Menselijke malaria bij Afrikaanse mensapen

De gevaarlijkste vorm van malaria komt ook voor bij gorilla’s.

Dat ook mensapen met de malariaparasiet besmet kunnen raken, maakt het nog moeilijker dan het al was om malaria de wereld uit te helpen. Voorheen werd altijd gedacht dat de dodelijke ‘malaria tropica’uitsluitend een menselijke ziekte was. Een team van Franse en Belgische onderzoekers schrijft dat in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

De ziekteverwekkers van malaria zijn parasieten van het geslacht Plasmodium, die door muggen worden verspreid. Veruit de dodelijkste vorm van de ziekte ontstaat als iemand besmet raakt metPlasmodium falciparum. Andere malariaparasieten waar mensen ziek van worden, zijn niet nauw verwant aan P. falciparum.

Uit het Frans-Belgische onderzoek blijkt echter dat P. falciparum wél verscheidene naaste verwanten heeft, die andere mensapen infecteren.

De onderzoekers ontdekten in Kameroen twee onbekende falciparum-achtige parasieten bij in het wild levende gorilla’s.

In wilde chimpansees in dat land vonden ze nóg twee van zulke parasieten.

Bovendien bleek een klein deel van de gorilla’s met de ‘menselijke’ Plasmodium falciparum besmet. Dat laatste is voor mensen zorgwekkend, omdat het betekent dat ze, via muggen, door gorilla’s besmet kunnen raken.

Onderzoeksleider Francisco Ayala van de University of California denkt dat mensen ook besmet kunnen raken met een van de twee vormen van chimpanseemalaria.

© NRC Handelsblad

Chimpansee eet zand tegen malaria
18 januari 2008
http://www.nrc.nl/wetenschap/article1879565.ece/Chimpansee_eet_zand_tegen_malaria
Wilde chimpansees in het Kibale National Park in Oeganda nemen zo nu en dan een hap rode aarde.
En met goede reden, zo ontdekten Franse onderzoekers.

De klei helpt werkzame bestanddelen vrij te maken uit bladeren van Trichilia rubescens, een boom uit de mahoniefamilie die stoffen bevat die
malariaparasieten doden. De Franse onderzoekers, onder leiding van Sabrina Krief van het Museum National d’Histoire Naturelle in Parijs, melden dat
in een artikel dat binnenkort verschijnt in het vakblad Naturwissenschaften.
Ze ontdekten dat de chimps alleen rode aarde aten vlak voor of kort nadat zij deze bladeren hadden gegeten.

Wetenschappers hebben vaker geconstateerd dat dieren grond eten, maar meestal is dat in verband gebracht met aanvullen van bepaalde essentiële mineralen
die zij niet op een andere manier kunnen binnenkrijgen.
In dit geval denken de Fransen zeker te weten dat de chimpansee kleigrond eet om de werking van plantaardige medicijnen te bevorderen.

De chimpansees verzamelden kleigrond op plaatsen waar bomen waren omgevallen of waar in natuurlijke gaten de aardlagen onder de humuslaag blootlagen.
De grond bleek hier voornamelijk uit kaoliniet te bestaan, een kleimineraal.

De onderzoekers bootsten experimenteel het fijnkauwen en de vertering in de maag en darmen van de bladeren na, met en zonder klei.
De brouwsels testten zij vervolgens op chloroquine-resistente malariaparasieten.
Zonder aarde hadden de bladeren vrijwel geen remmende werking op de parasiet, maar met aarde was die er plotseling wel.

In eerdere experimenten hadden de onderzoekers al laten zien dat zijn via chemische extractie malariaremmende stoffen uit de bladeren van
Trichilia rubescens konden isoleren.

De extracten werkten tegen de malariaparasiet Plasmodium falciparum en ook tegen de sterk verwante Plasmodium reichenowi,
de parasiet die bij oostelijke chimpansees malaria veroorzaakt. De toevoeging van een klein beetje kleimineralen helpt chimpansees ook zonder chemische extractie te profiteren van deze plantenstoffen.

http://www.nature.com/hdy/journal/v100/n2/full/6800887a.html

2009

‘Volledige bescherming tegen malaria mogelijk’

Malariaparasiet resistent tegen huidige medicijnen

Aanpak malaria bedreigd door resistente soor

Laserwapen tegen malariamug in de maak

malaria overzicht

An electron micrograph of Plasmodium falciparum, one of the parasites that causes malaria Falciparum is responsible for most of the deaths

Schematic representation of R45-FIKK kinase genes in several Plasmodium species. a) Clustering of the R45-FIKK kinase genes into a single ortholog group. b) Orthology between P. falciparum and P. reichenowi. The degree of identity of the N-terminal domain and of the kinase domain between the orthologous pairs is indicated on the left and right hand side, respectively. NA = not applicable. Symbols are as in Figure 1.

Schneider and Mercereau-Puijalon BMC Genomics 2005 6:30 doi:10.1186/1471-2164-6-30
Download authors’ original image

http://nl.wikipedia.org/wiki/Plasmodium_(eencellige)

http://tolweb.org/Plasmodium/68071

Ook Planten kunnen ziekten overdragen op mensen

15 maart 2007

WAGENINGEN – Schimmels en virussen die op planten leven, kunnen overspringen op mensen en hen ziek maken. Mensen met een verzwakt immuunsysteem, zoals hiv- of kankerpatienten, dienen vermoedelijk als springplank voor het transport van plant naar mens.

Dat stellen de wetenschappers Bart Thomma van de Wageningen Universiteit en Peter van Baarlen van de Radboud Universiteit in Nijmegen. 

Volgens Thomma en Van Baarlen was tot nu toe nauwelijks bekend dat nieuwe ziekteverwekkers ook uit de plantenwereld kunnen komen. En het gebeurt volgens hen zelfs verrassend vaak.

Knolrot

Van Baarlen noemt de bacterie die knolrot bij uien veroorzaakt als voorbeeld.
“Steeds vaker treffen artsen dezelfde bacterie aan in longen van mensen die taaislijmziekte hebben.”

Een ander voorbeeld is de schimmel Madurella mycetomatis, die in Afrikaanse landen voor mycetoma zorgt.
Mycetoma veroorzaakt bulten, die uiteindelijk tot amputatie van ledematen kunnen leiden.
Thomma en Van Baarlen hebben nog tientallen andere voorbeelden gevonden.

‘Jumpers’
Ziektekiemen die uit een andere groep levende wezens komen, worden jumpers genoemd.
Bekende jumpers uit de dierenwereld zijn hiv, dat van apen afkomstig is en vogelgriep, die een mutatie heeft die aanslaat bij de mens
Tot nu toe leek het menselijk organisme te veel verschillend van dat van planten.

Wondje
De eerste infectie ontstaat volgens de onderzoekers vaak via een wondje in een verzwakt menselijk lichaam.

Thomma geeft als voorbeeld de reeds bovenvermelde bodemschimmel die ook voorkomt op de doorns van cactussen. Wanneer een mens zich aan zo’n doorn openhaalt, kan de ziekteverwekker in het lichaam doordringen. Zo’n infectie kan, indien niet tijdig behandeld, amputatie noodzakelijk maken.
Eenmaal in een lichaam met een zwak immuunsysteem vinden de ziekteverwekkers een kweekbodem om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Zij muteren tot een ziektekiem, die ook gezonde mensen ziek kan maken.

“Ziektekiemen veranderen mee”

Thomma denkt dat ziekteverwekkers uit planten vroeger geen kans kregen.
“Door de medische vooruitgang blijven nu mensen in leven, die 50 jaar geleden aan infecties waren gestorven.De menselijke populatie verandert en ziektekiemen uit andere bronnen veranderen mee.”

(belga/hln)

http://www.onderzoekinformatie.nl/nl/oi/nod/onderzoeker/PRS1294413/

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

One Response to pandemieën en zoonose

  1. Pingback: NEURONEN | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: