NaDarwin GEOLOGIE


zie onder Geologie

Vroege schattingen ouderdom aarde

Volgens de Bijbelse tijdrekening is de aarde duizenden jaren oud.                                           

Theologen –onder wie Augustinus en (natuurlijk)° Calvijn– en  ( voor de verlichting werkzame creationistische )wetenschappers gingen daar dan ook onvoorwaardelijk van uit.                                             

YEC’s doen dat nog steeds ..(1 ).

http://scienceblogs.com/pharyngula/2006/07/age_of_the_earth.php
http://springerlink.com/content/uh78u254754ntm17/fulltext.html

Verlichting

 Onder invloed van de verlichting benaderen wetenschappers deze vraag rond 1800 anders, zonder zich daarbij iets van de Bijbel aan te trekken.

*Op basis van de afkoelsnelheid van het steenachtige materiaal van de aarde schat de Fransman Georges-Louis Leclerc in 1779 de ouderdom van de aarde op 75.000 jaar.

 *De Britse geoloog William Smith bedenkt rond 1795 het principe van biostratigrafie: gesteentelagen op verschillende plekken met dezelfde fossielen (= gidsfossielen ) zijn even oud. Dat uitgangspunt gebruiken wetenschappers tegenwoordig nog steeds om de relatieve ouderdom van gesteenten te schatten.

 *Een neef van Smith, John Phillips, schat de ouderdom van de aarde op 500 miljoen jaar. Maar die lange tijd is volgens Charles Darwin tekort om evolutie mogelijk te maken; de aarde moet nog ouder zijn.

Radioactiviteit

Ook de wetenschap gaat verder. Met de ontdekking van radio­activiteit komt het idee de leeftijd van de aarde te bepalen met radiometrische datering: Hoeveel radioactieve stof is omgezet in andere stoffen is een maat voor de leeftijd van de aarde. De meettechnieken worden verfijnd en de aarde wordt steeds ouder:

 *in 1913 schat de Brit Arthur Holmes dat de aarde 1600 miljoen jaar oud is,

*in 1947 is dat toegenomen tot 3350 miljoen jaar,

* en in 1956 wordt het 4550 miljoen jaar.

Tegenwoordig bepalen wetenschappers de leeftijd van de aarde op 4567 miljoen jaar.

( ° = dit  artikel komt uit het refdag . de huiskrant van de  fundamentalistische Nederlandse protestante creationisten )

 

Absolute Dateringen
Inleiding tot absolute dateringen en hun toepassing.
Een artikel van Thomas de Wilde.


De geologie is de wetenschap met als studieobject onze Aarde, en tegenwoordig ook de andere planeten. Een van de belangrijke domeinen is de ouderdom van de Aarde, om deze te bepalen kunnen relatieve en absolute dateringsmethodes  worden gebruikt. De relatieve datering steunt op een paar eenvoudige principes en kan rechtstreeks op het terrein worden toegepast, waardoor je direct weet welke lagen ouder zijn dan de andere. Het nadeel is echter dat je geen absolute getalwaarden bekomt, daarvoor heb je absolute dateringen nodig.

Veruit de belangrijkste van de absolute dateringsmethodes zijn de radiometrische methodes. Deze steunen op het verval van radioactieve isotopen (de moederisotopen) tot stabiele elementen (dedochterisotopen), de belangrijkste zijn de uranium-loodmethodes, de kalium-argonmethode, de rubidium-strontiummethode en de radioactieve-koolstof(14C) methode. Elk moederisotoop heeft haar eigen halveringstijd (de tijd waarin de helft van de aanwezige moederisotopen wordt omgezet in dochterisotopen) en elke dateringsmethode is dus representatief binnen zijn tijdsinterval. In tegenstelling tot wat je intuitief zou kunnen denken blijft deze halveringstijd constant, statistisch gezien is dit de tijd waarop een moederisotoop 50% kans heeft om te vervallen, dus na eenmaal de halveringstijd is nog maar de helft van de moederisotopen aanwezig, na tweemaal de halveringstijd nog maar een kwart, na driemaal een achtste en ga zo maar door.

In Uraniumrijke mineralen (zoals zirkoon en uraniniet) zijn er drie radioactieve isotopen noemenswaardig aanwezig Thorium (232Th) en Uranium (235U & 238U). Alledrie vervallen ze compleet onafhankelijk van elkaar tot een stabiel loodisotoop, de drie methoden kunnen dus gemakkelijk als controlemiddel op elkaar gebruikt worden. Het enige mogelijke nadeel hierbij is dat het verval van alledrie de moederisotopen in meerdere stappen gebeurt, enkel de eerste stap is snelheidsbepalend, de isotopen die gevormd worden voordat het dochterisotoop wordt bereikt zijn kortlevend, hooguit enkele seconden, maar als in een tussenstap van twee methodes eenzelfde element wordt gevormd dan zou dat zijn invloed kunnen hebben op de betrouwbaarheid van de datering. Gelukkig blijkt bij uitzetting van de stappen dat er geen enkele overlap is, sterker nog het is zelfs wiskundig onmogelijk aangezien de atoommassa (het getal in superscript voor het element) enkel met veelvouden van 4 kan dalen. In de tabel hieronder zijn de moederisotopen en dochterisotopen gegeven met hun halveringstijd en de tijdspanne waarover zij betrouwbare dateringen geven.

Moederisotoop Dochterisotoop Halveringstijd Bereik
238U 206Pb 4,5 miljard jaar 10 miljoen – 4,6 miljard jaar
235U 207Pb 0,71 miljard jaar 10 miljoen – 4,6 miljard jaar
232Th 208Pb 14,1 miljard jaar 10 miljoen – 4,6 miljard jaar

Voor wie vindt dat drie controles nog niet genoeg is ook met de verhouding van lood 207Pb/206Pb kunnen we de ouderdom bepalen aangezien 235U en veel kleinere halveringstijd heeft dan 238U stijgt deze loodverhouding met de tijd. De fissiesporenmethode is een vijfde controlemiddel waarover verder meer uitleg.

Kalium is een van de meest voorkomende elementen op aarde. Het radioactieve isotoop 40K desintegreert in een eenstapsreactie, afsplitsing van een b-deeltje, tot 40Ar. Dit is ongeveer de enige radiometrische methode die ook op sedimentaire gesteenten gebruikt wordt, gezien Kalium een belangrijk bestanddeel is van glauconiet, een van de weinege sedimentaire gesteenten die een correcte datering zal opleveren. Deze methode heeft echter een nadeel Argon is een edelgas en bindt zich dus niet, hierdoor weten we wel dat alle 40Ar die in een mineraal opgesloten zit van het Kaliumverval afkomstig is en de analyse kan dus een betrouwbare ouderdom verschaffen. Maar wanneer het gesteente boven de 125� wordt verwarmd, zeer oud is of aan een hoge verweringsgraad heeft blootgestaan, is het niet onwaarschijnlijk dat reeds een deel van het Argon het mineraal heeft verlaten, en zal de bekomen ouderdom te jong zijn. Ook kan een te oude ouderdom bekomen worden daar atmosferisch Argon kan binnendringen in stollende lava’s. 40K heeft een halveringstijd van 1,3 miljard jaar en de dateermethode heeft een bereik van 1 miljoen tot 4,6 miljard jaar, het is echter ook mogelijk om Kaliumrijke lava’s die amper 100000 jaar geleden zijn uitgevloeid absoluut te dateren.

De Rubidium-Strontiummethode wordt vaak gebruikt om de ouderdommen bekomen met de Kalium-Argonmethode te controleren. 87Rb vervalt met uitstraling van een

b-deeltje tot 87Sr met een halveringstijd van 47 miljard jaar. Hoewel het bereik van deze methode veel lager ligt (20 miljoen tot 4,6 miljard jaar) dan bij de Kalium-Argonmethode heeft deze methode het voordeel dat het Strontium niet ontsnapt als mijn het mineraal opwarmt. Behalve ouderdomsbepaling op basis van het aantal moeder- en dochterisotopen, wordt er ook met de verhouding ten opzichte van86Sr gewerkt, dit is een element dat niet ontstaat door radioactief verval. Hiervoor worden de hoeveelheden 86Sr, 87Sr en 87Rb in verschillende stalen van het gesteente gemeten en worden de verhoudingen87Sr/86Sr en 87Rb/86Sr ten opzichte van elkaar uitgezet, de punten op deze grafiek voor de verschillende stalen, die dezelfde leeftijd hebben, vormen een rechte, de isochrone. Uit de helling van deze isochrone kunnen we de ouderdom afleiden, hoe steiler hoe ouder.

De radioactieve-koolstofmethode is een radiometrische dateermethode die enkel geschikt is voor relatief jonge voorwerpen (niet ouder dan 50000 jaar). Koolstof is een belangrijk onderdeel van alle levende wezens en komt voor als 3 isotopen: 12C en 13C, die stabiel zijn, en 14C, radioactieve koolstof. 14C wordt hoog in de atmosfeer gevormd door toedoen van kosmische straling, dit is een heel hoog energetische straling die bij botsing met atoomkernen deze laatste doet uiteenvallen in protonen en neutronen. Bij botsing van een neutron met een stikstof(14N)-atoom, zendt deze laatste zelf een proton uit en wordt er radioactieve koolstof gevormd. Zo komt het dus dat ook 14C, met zijn lage halveringstijd van 5730 jaar, nog in de atmosfeer voorkomt. Gedurende hun hele leven nemen planten koolstof, en dus ook altijd een deel 14C, opneemt onder de vorm van CO2 om aan fotosynthese te doen en door het eten van planten en planteneters komt het dus ook in alle dieren terecht. Op deze manier wordt 14C samen met 12C en 13C, in bijna constante verhoudingen door levende wezens geabsorbeerd, maar als ze sterven wordt de 14C niet meer aangevuld en vervalt het met uitstraling van een

b-straaltje tot 14N, hierdoor zakt de 14C/12C-verhouding en op basis hiervan kunnen we dateren. Hoewel vandaag echter de 14C/12C-verhouding in de atmosfeer zo goed als constant, zijn er aanwijzingen dat deze belangrijke schommelingen heeft ondergaan in de laatste duizenden jaren, daarom moeten dateringen met de 14C-methode altijd worden gecalibreerd. De 14C-methode is heel populair in de archeologie en wordt nog dagelijks toegepast.

Zoals je kunt zien is er in de radiometrische dateringen een gat tussen de 50000 en 1 miljoen jaar. Nu zijn er naast de radiometrische methodes ook nog een aantal niet-radiometrische absolute ouderdomsbepalingen, de meeste hiervan zijn enkel geschikt voor jonge voorwerpen, enkel de voornaamste worden hier besproken.

De dendrochronologie is gebaseerd op het vergelijken van de jaarringen van bomen, deze methode kan natuurlijk enkel toegepast worden op hout. De jaarringen van bomen worden onder normale omstandigheden dunner van binnen naar buiten, maar in crisisperiodes heb je jaarringen die dunner zijn dan normaal en in periodes van overvloed heb je dikkere jaarringen. Aangezien in een zelfde gebied die periodes van crisis en overvloed logischerwijs op hetzelfde ogenblik plaatsgrijpen, kunnen we door vergelijking van de jaarringen op verschillende planken tot 9000 jaar terug in de tijd gaan.

Ook op basis van korstmoskolonies kan men absolute ouderdommen bepalen, deze methode noemt men de lichenometrie en wordt gebruikt om te bepalen hoe lang een gesteente is blootgesteld aan atmosferische condities. Korstmoskolonies groeien aan een constante lage snelheid, onafhankelijk van het klimaat. Met behulp van stenen voorwerpen van gekende ouderdom, bv. grafstenen en bruggen, waarop korstmossen zijn gaan groeien, kunnen we bepalen hoe snel korstmossen groeien en dit toepassen op het te onderzoeken gesteente. Deze methode wordt vooral toegepast om de ouderdom van oude aardschokken te bepalen. Door interferentieverschijnselen kan ook deze methode niet gebruikt worden om voorwerpen ouder dan 9000 jaar te dateren.

De Zweedse baron de Geer ontwikkelde de varvenchronologie, deze methode is vooral handig bij dateren van de afzettingen van glaciaire meren. In de winter als het water bevroren is wordt enkel een weinig uiterst fijn sediment (van de kleifractie) afgezet, dit resulteert in een dun donker laagje kleiig sediment. In de zomer wordt door het smeltwater grover sediment (van de silt- en zandfractie) aangevoerd, dit resulteert in een dikker en bleker laagje. Per jaar heb je dus  een donker en een bleek laagje, deze worden met het Zweedse woord �varven” (spreek uit warven”) aangeduid. Met deze methode kun je ook gebeurtenissen, zoals aardverschuivingen, in de ontwikkeling van het meer eenvoudig opsporen en nauwkeurig dateren.

De fissiesporenmethode is geen radiometrische dateermethode, maar steunt wel op radioactieve processen. Wanneer 238U fissie (kernsplijting) ondergaat, dan worden twee nieuwe atomen van gelijkaardige massa gevormd, die met grote snelheid door het kristalrooster bewegen en een rechtlijnig spoor van beschadiging achterlaten, een fissiespoor. Dit fissieproces gaat continu door en is niet hetzelfde als het radioactief verval van 238U. Met deze fissiesporen, het spreekt voor zich dat hoe meer er zijn hoe ouder het gesteente is, kunnen we accuraat gesteenten van tussen de 50000 en enkele miljarden jaar dateren. Ze is vooral bruikbaar voor vulkanische glazen en mineralen als Zirkoon en Apatiet. Het nadeel is echter dat deze sporen verdwijnen bij matig hoge temperatuur, deze methode kan dus niet gebruikt worden bij datering van matig tot sterk metamorfe gesteenten.

Hiermee zijn de belangrijkste absolute dateermethodes vermeld. Voorwerpen en gesteenten over de hele aardgeschiedenis kunnen dus worden gedateerd. We mogen ook op beide oren slapen wat betreft de betrouwbaarheid van absolute dateringen, er worden altijd meerdere stalen van een laag gedateerd en er worden meerdere onafhankelijke dateermethodes op toegepast om te zien of de data betrouwbaar zijn, bv. de 3 uranium-lood-methodes, de loodverhouding en de fissiesporenmethode. De betrouwbaarheid van absolute dateringen is immers aan bepaalde voorwaarden verbonden, controle is geen overbodige luxe.


Bronnen:

Cursus Algemene Geologie voor de 1e kandidatuut Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd door Prof.dr.S.Louwye, geschreven door Prof.dr.P.De Paepe
(1)

(Thomas De Wilde )

“…Ik kan maar niet vaak genoeg herhalen dat een oude aarde al een feit was lang voor dat Darwin en Lamarck met hun evolutietheorieën op de proppen kwamen, of zelfs al maar geboren waren. Ik vraag me ook af hoe Young Earth Creationisten hun opvatting over een zes of tienduizend jaar oude aarde willen rijmen met het feit dat wetenschappers als Richard Owen en Charles Lyell, die niet anders wisten dan dat God de wereld en het leven had geschapen, de aarde reeds als vele miljoenen jaren oud beschouwden. Het lijkt wel of zij als 19e eeuwse creationisten wetenschappelijk verder waren dan hun moderne geestesverwanten…”

Huidige Creationisten pap

steunt bijvoorbeeld  op  ( de creationisten van ) RATE 
http://www.refdag.nl/artikel/1390877/Aarde+geen+miljarden+jaren+oud.html

Waarom we niet leven op een jonge Aarde
Argumenten voor een jonge Aarde en waarom ze niet kloppen.
 Een artikel van Thomas de Wilde.


Waarom het gedaan wordt, is mij een raadsel, maar sommige mensen willen kost wat kost met valse argumenten aantonen dat de Aarde gewoon veel jonger is dan ze werkelijk is. Over het feit of ze hierbij gewoon liegen of zich gewoon slecht inlichten, spreek ik mij niet uit, maar ik ga hier aantonen dat ze het bij het verkeerde eind hebben. Hierbij ga ik als volgt te werk, ik geef een argument dat aangehaald is voor een jonge Aarde en nadien weerleg ik het, daarna het volgende argument enzovoort. Hier komt het eerste argument:

  • Helium in de atmosfeer.
    Bij de omzetting van uranium of thorium in lood komen heliumatoomkernen (alfadeeltjes) vrij en dat heliumgas wordt aan de atmosfeer afgegeven, en wel ongeveer 300.000 ton per jaar. Nu bevat de atmosfeer ongeveer 3,5 miljard ton helium. Zelfs als we aannemen dat al dit helium door radioactiviteit is ontstaan, dan levert dit toch slechts een ouderdom van de atmosfeer op van iets meer dan 10.000 jaar! Men kan daaraan niet ontkomen door te opperen dat het meeste heliumgas aan de aantrekkingskracht van de aarde is ontsnapt en de ruimte is ingevlogen. Er bestaan juist krachtige aanwijzingen dat helium niet aan de atmosfeer kan ontsnappen, maar integendeel juist vanuit de ruimte voortdurend onze atmosfeer binnendringt. Daarom lijkt er maar 占쏙옙n conclusie: onze atmosfeer is zeer jong.

De eerste twee zinnen van dit argument kloppen, hoera! Maar de schrijver is duidelijk niet goed ingelicht wat betreft de rest, hij vergeet immers twee belangrijke zaken: de ideaalgaswet en de zonnewind, waaruit volgt dat helium wel met verloop van de tijd uit de atmosfeer kan ontsnappen. De ideaalgaswet stelt PV=nRT of in woorden: de druk maal het volume is gelijk aan het aantal deeltjes maal deuniversele gasconstante maal de temperatuur, ongeacht de aard van het gas. Aangezien bij de vorming van helium het aantal toeneemt en de druk en temperatuur, hoewel op verschillend op verschillende hoogte, overal nagenoeg gelijk blijven, en de constante R vanzelfsprekend gelijk blijft, spreekt het voor zich dat dit dus een verandering in het volume teweeg brengt. Aangezien helium een heel licht gas is, stijgt het naar de bovenste regionen van de aardatmosfeer (vgl. een heliumballon die opstijgt als je hem laat vliegen) en als het volume toeneemt zal uiteindelijk een hoogte bereikt worden waar de middelpuntsvliedende kracht belangrijker is dan de gravitatiekracht, en de deeltjes die dat punt passeren ontsnappen dus aan de aardgravitie. De zonnewind is een magnetische wind die constant “waait” aan 400m/s en deze neemt ook wat lichtere elementen mee uit de bovenste regionen van onze aardatmosfeer.

  • Meteorietenstof.
    O.a. volgens onderzoekingen met aardsatellieten vallen per jaar tientallen tonnen meteorietenstof op de aarde; dit stof heeft een nikkelgehalte van 2,08 tot 2,80%. Als onze aarde 4,5 miljard jaar oud zou zijn, zouden er tientallen tot honderden biljarden tonnen stof op de aarde zijn gevallen en zou elke vierkante meter van de aardbodem met vele tientallen nieters van dit stof zijn bedekt. Bovendien kan men op grond van de totale hoeveelheid nikkel in de aardkorst vaststellen dat slechts een fractie van de vermeende hoeveelheid meteorietenstof (met daarin het nikkel) op de aarde is gevallen, d.w.z. in een fractie van de vermeende periode van 4,5 miljard jaar. Hoe groot is die tijdfractie? Wel, rivieren vervoeren � 375 miljoen ton nikkel per jaar naar de oceanen, en deze bevatten � 3500 miljard ton nikkel. Als men aanneemt dat al dit nikkel door de rivieren is vervoerd, zou dit binnen 10.000 jaar het geval kunnen zijn geweest.

Platentectoniek, een constante vernieuwing van onze mooie aardkorst, biedt al een verklaring waarom die stoflaag niet zo dik is, ook moet men er rekening mee houden dat dit niet de Maan is, er is hier wind en dat stof is vrij licht en bevindt zich dus voor een groot stuk in onze atmosfeer. Ook is al lang aangetoond dat de door creationisten aangehaalde jaarlijkse hoeveelheid meteorietstof op een rekenfout slaat (zie Stof op de Maan). Wat betreft het oceaanargument, de oplosbaarheid van nikkel in water is niet onuitputtelijk, het teveel slaat neer. Dit kan blijven liggen waarbij het uiteindelijk in de aardmantel zal verdwijnen door de platentectoniek, deze kunnen ook meegevoerd worden en weer op het land worden afgezet.

  • Oceaanchemie.
    Soortgelijke berekeningen kunnen voor vele andere in de oceanen opgeloste chemicali�n worden gemaakt. Uiteraard lopen zulke berekeningen erg uiteen, omdat lang niet alle chemicali�n in de oceanen in dezelfde mate uit de rivieren afkomstig zijn en in het verleden (met name als we aan de zondvloed denken!) de jaarlijks aangevoerde hoeveelheden zeer verschillend kunnen zijn geweest. Zo vinden we o.a. voor aluminium 100 jaar, silicium 8000 jaar, koper 50.000 jaar, uranium 500.000 jaar, zilver 2,1 miljoen jaar en magnesium 45 miljoen jaar. Maar in ieder geval staan deze getallen ver af van de vermeende ouderdom van 4,5 miljard jaar. Dat geldt ook voor de hoeveelheden sedimenten op de oceaanbodem; uit de jaarlijkse toename daarvan kan men berekenen dat ze op zijn hoogst enkele tientallen miljoenen jaren oud kunnen zijn en waarschijnlijk veel minder. Daarbij komt dat deze jaarlijkse toename door erosie van het landoppervlak afkomstig is; men kan berekenen dat al het landoppervlak op aarde binnen 14 miljoen jaar tot op zeeniveau zou worden wegge�rodeerd, zodat onze aarde vele malen jonger moet zijn.

Het belangrijkste metaal vergeten ze natuurlijk, Natrium is in veruit de grootste mate in de oceanen aanwezig! Nu goed, de beperkte aanwezigheid van deze metalen is te wijten aan hus beperkte oplosbaarheid, en Uranium heeft natuurlijk ook nog te kampen met radioactief verval. Het sediment dat in de oceaan wordt aangevoerd blijft natuurlijk niet allemaal mooi op de oceaanbodem liggen, het meeste wordt door de turbulente oceaanstroming meegevoerd en ergens afgezet, hetgene dat blijft liggen verdwijnt na een tijd de aardmantel door de platentectoniek. Dat het landoppervlak niet na 14 Ma zou zijn wegge�rodeerd spreekt voor zich, deels omdat die sedimenten terug worden aangevoerd, deels omdat met de platentectoniek constant nieuwe aardkorst wordt aangemaakt.

  • Aardmagnetisme.
    Uit nauwkeurige metingen gedurende 140 jaar is gebleken dat de sterkte van het aardmagnetische veld vervalt met een halfwaardetijd van 1400 jaar. Terugrekenend betekent dat echter dat de aarde 10.000 jaar geleden een magnetische ster en 52.000 jaar geleden een pulsarster was! Dat is onaanvaardbaar en wijst erop dat de aarde niet veel ouder kan zijn dan 10.000 jaar. Men heeft wel getracht onder deze conclusie uit te komen door omkeringen van het aardmagnetische veld in het verleden aan te nemen; maar de plaatselijke omkeringen in de magnetisatie van gesteenten die wel zijn waargenomen en die men gebruikt om deze opvatting te ondersteunen, blijken gemakkelijker door fysisch-chemische processen te kunnen worden verklaard. Wie daarom de conclusie wil bestrijden, kan dat alleen doen op grond van dezelfde vooronderstellingen die evolutionisten hanteren om zeer veel hogere ouderdommen voor de aarde voor te stellen. Tussen haakjes: de afname van het aardmagnetisch veld betekent ook een afname van onze bescherming, ons schild, tegen kosmische straling.

Paleomagnetisme is nog niet zo oud, maar de conclusies zijn vrij duidelijk, het aardmagnetisme verandert! Dit alles gebeurt echter op een compleet onregelmatige manier, in het Krijt was er bijvoorbeeld een heel lange magnetische kalmte. Dat de positionering van al die magnetische deeltjes makkelijker door fysisch-chemische processen verwezenlijkt wordt kan best wel zijn, maar je moet eens nagaan hoe groot de kans is dat ze allemaal in dezelfde richting wijzen, dat kan gewoon geen toeval zijn. Dit magnetisch proces is overigens ook een fysisch-chemisch proces.

  • Populatiestatistiek.
    Studie over de groei van de wereldbevolking, uitgaande van de verdubbelingstijd, van de gemiddelde gezinsgrootte of van de jaarlijkse toename, wijzen erop dat de huidige mensheid zo’n 5 � 6000 jaar oud is (dat is dus vanaf de zondvloed). Dit soort berekeningen is natuurlijk vrij onnauwkeurig, maar in ieder geval tonen die berekeningen duidelijk aan dat de mensheid nog geen honderdduizenden jaren op aarde kan verkeren, want dan zouden er inmiddels evenveel mensen als bacteri�n moeten wonen.

De schrijver is nog onnauwkeuriger dan hij zelf al aangeeft, de populatie is pas echt beginnen toenemen een paar honderd jaar terug. Voordien was er niet echt een grote verandering in de wereldpopulatie omdat het sterftecijfer en geboortecijfer heel dicht bij elkaar lagen, aangezien de hygi�ne toen absoluut niet zo goed was als nu. In goede jaren lag het geboortecijfer hoger, in jaren van ziekte of oorlog lag het sterftecijfer hoger. Grote populaties zijn ook veel kwetsbaarder voor ziekte, niet alleen is de kans dat een gevaarlijke ziekte uitbreekt groter, maar de impact van die ziekte zal ook veel sterker zijn. Door een sterke verbetering in de hygi�ne echter, is het sterftecijfer rond 1800 ferm gedaald. Ondertussen is hier ook het geboortecijfer naar omlaag gegaan en berekeningen stellen dat het onder het sterftecijfer zal duiken. Dat de wereldpopulatie toch nog serieus stijgt is vooral te danken aan de derde-wereldlanden. (Lees ook: Te weinig mensen voor een oude aarde?)

  • Geostatische druk.
    Dit is de druk van aardlagen op materiaal dat zich daar onder bevindt, zoals aardolie en aardgas. Deze druk is zo enorm hoog, dat de materialen waaruit de olie en het gas ontstonden, zeer plotseling en diep begraven moeten zijn; verder is het onmogelijk dat de aardlagen over vele miljoenen jaren deze materialen onder deze enorme druk zouden hebben kunnen vasthouden. Het feit dat we �berhaupt nog gas- en olievelden bezitten, moet dan ook het gevolg zijn van een gigantische catastrofe die niet miljoenen maar hoogstens duizenden jaren geleden moet hebben plaatsgevonden.

Het is niet zo dat dit aardgas en -olie is ontstaan en daarna begraven. Neen, beide zijn ontstaan nadat ze al zo diep begraven waren dat ontsnappen nagenoeg onmogelijk was. Het is niet uitgesloten dat ze op sommige plaatsen toch zijn ontsnapt, maar het feit dat we nog gas- en olievelden hebben, is geenszins een argument voor een jonge Aarde. Overigens was zelfs in het geval van een heel snelle begraving, het aardgas toch ontsnapt, tenzij de Aarde plotseling omgeven werd door een enorme schil, hetgeen mij weing waarschijnlijk lijkt

  • Afkoeling van de aarde.
    De periode die de aardbol zou hebben nodig gehad om van een vloeibare toestand af te koelen tot haar tegenwoordige temperatuur, bedraagt (zonder radioactiviteit) slechts 22 miljoen jaar. Aan gezien radioactieve elementen in de aardkorst warmte produceren, wordt dit getal 45 miljoen jaar – maar ook dat staat nog eindeloos veraf van de miljarden jaren waaraan de evolutionisten denken. Als de aarde trouwens niet in gesmolten toestand haar geschiedenis is begonnen maar bij een veel lagere temperatuur werd geschapen, wordt dit getal van 45 miljoen jaar natuurlijk vele malen lager.

Hoe komen ze erbij dat de Aarde in vloeibare toestand is begonnen? De Aarde was aanvankelijk volledig gasvormig, dat maakt de afkoelingstijd al een hoop langer, de overgang van gasvormig naar vloeibaar kost altijd een stuk meer warmte dan de overgang van vloeibaar naar vast. Er hebben ook verscheidene periodes van hersmelting plaatsgevonden door meteorietenregens, getuige hiervan is de maan. De Aarde bevindt zich ook niet in een koude ruimte waar zij niets van warmte ontvangt, integendeel, de zon zorgt voor vrij veel warmte. Naast deze vormen is er ook nog interne warmte: radiogene warmte, afgestaan bij radioactief verval, accretiewarmte, bekomen bij het samendrukken van materiaal in diepere aardlagen, en latente warmte, door de kern afgestaan bij uitkristallisatie. Dit alles bij elkaar is een miljarden jaren oude Aarde niet zo onwaarschijnlijk als hier wordt voorgesteld.

  • Radioactieve halo’s.
    Dit zijn bolvormige zones van stralingsbeschadigingen in gesteentekristallen. Deze zones omgeven uiterst kleine hoeveelheden radioactieve elementen zoals uranium, thorium en polonium, die aan de hand van de vorm van de halo’s gemakkelijk kunnen worden ge�dentificeerd. De halfwaardetijden van de drie radioactieve vormen (isotopen) van polonium zijn echter uiterst laag, terwijl poloniumhalo’s toch zeer veel voorkomen in stollingsgesteenten over de hele aarde. Maar hoe kunnen er �berhaupt zulke halo’s voorkomen, waar radioactief polonium toch al lang moet zijn verdwenen tegen de tijd dat het magma voldoende is afgekoeld om kristal vorming mogelijk te maken? Dit wijst erop dat zulke stollingsgesteenten, die de oorspronkelijke aardkorst hebben gevormd, plotseling zijn ontstaan (d.w.z. geschapen) – en aangezien zulke gesteenten overal voorkomen, wijst dit erop dat de hele aarde in ��n oogwenk is geschapen.

Als iemand zich beter had ingelicht, had die persoon geweten dat Uranium en Thorium in meerdere stappen vervallen, waarvan de meeste heel kortlevend zijn. Polonium is een van de kortlevende elementen die gevormd worden bij het verval, vandaar dat zoveel poloniumhalo’s voorkomen in stollingsgesteenten.

Hieronder het vervalschema van 238U, (en U235) hieruit is duidelijk op te maken dat polonium gevormd wordt.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Uranium-looddatering
http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Radiometrische_datering

http://www.radioactiviteit.com/radioactiviteit.html

Bronnen:

  1. Het ontstaan van de wereld” (Hieruit komen de argumenten voor een jonge Aarde)
  2. Cursus Algemene Geologie deel I voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd en geschreven door Prof.dr.J-P.Henriet.
  3. Cursus Algemene Geologie deel II voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd door Prof.dr.S.Louwye, geschreven door Prof.dr.P.De Paepe.
  4. Cursus Algemene en Anorganische Chemie voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd en geschreven door Prof.dr.A.Goeminne.
  5. Cursus Fysische Geografie en Geomorfologie voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd en geschreven door Prof.dr.M.De Dapper.
  6. Cursus Algemene Geologie voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd door Prof.dr.S.Louwye, geschreven door Prof.dr.P.De Paepe.
  7. Cursus Petrologie en Geodynamiek voor de 1e kandidatuur Geologie (2003-2004) aan de Universiteit Gent, gedoceerd door Prof.dr.P.Van den hautte, geschreven door Prof.dr.P.De Paepe.
  8. Mijn geheugen.
De ouderdom van de aarde Een artikel van Thomas de Wilde, met dank aan Tjeerd Plantinga & Lars Brugman.


Wetenschappers, filosofen en bizarre fantasten hebben lang gespeculeerd over de leeftijd van de aarde.
In 1650 verkondigde bisschop James Ussher dat de wereld was ontstaan in 4004 v.C. Niemand was hierover verbaasd. De datum werd algemeen geaccepteerd en in de kantlijn van de King-James-bijbel werd het gedrukt. Maar hoewel Usshers logica zeer plausibel klonk, waren de door hem gehanteerde getallen fout.
Edward Lhuyd berekende aan de hand van zwerfkeien in zijn geboortestreek Wales dat de wereld duizenden jaren ouder moest zijn dan Ussher veronderstelde. Astronoom Edmund Hally suggereerde dat het zoutgehalte van de zee de sleutel was tot de leeftijd van de aarde. Graaf de Buffon probeerde het afkoelen van de aardkorst na te bootsen met kleine verhitte loden balletjes om zo het warmteverlies te vergelijken; hij kwam tot de slotsom dat de aarde 10 miljoen jaar oud was. Ook Lord Kelvin probeerde zoiets dergelijks, zijn conclusie was een aarde van 25 miljoen jaar.
Geoloog Charles Lyell dacht dat de aarde was onstaan door natuurlijke processen, dus dat de continenten, vlakten, bergen, maar ook de typische opeenstapeling van aardlagen binnen de geologische kolom, werden gevormd door de werking van erosie (regen, wind), aardbevingen, vulkanen en dergelijke natuurkrachten. Hij beschreef zijn onderzoeken in het boek principes of Geologie, grondslagen van de geologie. Dit boek werd gelezen door Darwin aan het begin van zijn reis rond de wereld. In het boek schatte Lyell de wereld op 300 miljoen jaar oud, voor Darwin oud genoeg zijn om zijn evolutietheorie aannemelijk te maken.*
Maar tegenwoordig weten we dat Lyell nog niet eens in de buurt zat, aan het begin van de twintigste eeuw begonnen geleerden in termen van miljarden jaren te denken. In 1998 vonden twee onafhankelijke teams van astronomen, die met de Hubble-telescoop de hemel afzochten, het beslissende bewijs voor de ware leeftijd van de aarde. De berekeningen vloeiden voort uit waardes die het Key project-team hebben geformuleerd. De versnelde expansie en de verbeterde schattingen van de Hubble-constante werden door o.a. Lineweaver & co. (Universiteit New South Wales) gebruikt om de datering te perfectioneren. Zij gebruikten daarvoor: De expansieversnelling van Perlmutter, de supernovawaarnemingen van Schmidt, een aantal schattingen van massadichtheid (zes bronnen) en een Hubble-constante van 68. Alle resultaten werden enigszins geflatteerd. In die zin dat zij realistische foutenmarges toevoegden. Uit alle gegevens kwam uiteindelijk de leeftijd van 4,5 miljard jaar voor de aarde en 13,4 miljard voor het heelal tevoorschijn.
Dit resultaat komt goed overeen met eerdere “schattingen”. Astrofysici hebben modellen opgesteld voor het proces van de ster-evolutie. Dit zijn wiskundige berekeningen die de complexe kernreacties in het inwendige van de ster laten zien. Het komt erop neer dat men kijkt naar soort en omvang van de ster in de relatie tot het verbruik van kernbrandstof. De oudste sterren komt men op dit moment tegen in zogeheten bolvormige sterrenhopen. Deze liggen in het beginpunt van het heelal. Volgens de huidige schattingen zijn deze sterren ongeveer 12,2 miljard jaar oud.

Het is belangrijk om in gedachten te houden dat men de aarde dus al lang v占쏙옙r het ontstaan van de evolutietheorie een ouderdom toekende die veel hoger lag dan zes -of tienduizend jaar. Ook veel vorderingen in de geologie, zoals het in kaart brengen van de geologische kolom met zijn verschillende aardlagen, hadden al plaatsgevonden voor Darwin en Lamarck. Ik vermeld dit er nog even duidelijk bij omdat creationisten wel eens anders beweren. Zelfs Peter Scheele heeft in zijn boek de indruk willen wekken dat men na het accepteren van de evolutietheorie de aarde als oud is gaan beschouwen, omdat dit voor de evolutietheorie nou eenmaal ‘nodig’ was. Maar niets is minder waar, geen enkele serieuze wetenschapper ging er in die tijd nog van uit dat de aarde slechts luttele duizenden jaren oud was. Men was het er al bijna een eeuw geleden over eens geraakt dat de aarde een lange geschiedenis met wisselende fauna’s achter zich gehad moest hebben. Of er nu opeenvolgende creaties met eindkatastrofes (katastrofisme) hadden plaatsgevonden of juist een geleidelijke ontwikkeling (actualisme), was weer een andere kwestie, die echter grotendeels al was gewonnen door Lyell en de zijnen. Dus de notie van een oeroude aarde kwam voor Darwin’s evolutietheorie, en niet andersom.

Young Earth Creationisme…
Vreemd genoeg zijn er vandaag de dag grote aantallen creationisten die het liefste 6 -of 10 duizend jaar als ouderdom van de aarde willen zien, de zogeheten Young Earth Creationisten. Aan de andere kant zijn er ook die beweren dat de aarde wel miljarden jaren oud kan zijn, maar dat het leven nog maar enkele duizenden jaren bestaat, want, zo zeggen ze dan: “In de Bijbel staat dat voor de schepping de aarde ‘woest en ledig was'”, dus in feite niet vermeld of deze oud dan wel jong zou zijn. Dat er echter weer telkens zogenaamde bewijzen voor een jonge aarde opduiken heeft er waarschijnlijk mee te maken dat er op een jonge aarde geen tijd zou zijn voor macro-evolutie, en daarvoor een buitenkansje om de vermalendijde evolutietheorie te falsificeren. Een aantal van die argumenten worden 
hier behandeld.

Maar goed, hoe denken de Young Earth Creationisten hun model waarschijnlijk te maken waarneer ze worden geconfronteerd met de volgende vraagstukken?:
Argumenten voor een oude aarde:

Jaarringen tellen:

Jaarringen tellen is een goede en eenvoudige manier om achter de ouderdom van om het even wat te komen. De leeftijd v/d aarde is minimaal:

  • 10.000 jaar: bij het tellen van jaarringen bij oeroude bomen. Zie link
  • 45.000 jaar: gezien het aantal jaarlijkse sedimentlagen bij het Suigetsu meer in Japan. Zie link
  • 110.000 jaar: bij het tellen van jaarlijks afgezette ijslagen op Groenland. Zie link
  • 422.776 jaar: volgens het aantal jaarlijkse ijsafzettingen op Antartica. Zie link
  • 567.700 jaar: gezien het aantal jaarlijkse afzettingen van calciet bij Devil’s Hole. Zie link We zitten dus sowieso op een aarde van minimaal een half miljoen jaar oud.Het verval van radioactieve isotopen:Hieronder zijn de isotopen gegeven van elementen die op natuurlijke wijze ontstaan, en niet worden hernieuwd. Daarachter staat de halfwaarde tijd (De tijd die nodig is zodat nog maar de helft van de oorspronkelijke hoeveelheid over is) en of deze stof op aarde gevonden wordt.
    Isotoop: Halfwaarde tijd: Komt het op
    aarde voor?
    Vanadium 50 6,000,000,000,000,000 jaar Ja
    Neodymium 144 2,400,000,000,000,000 jaar Ja
    Hafnium 174 2,000,000,000,000,000 Jaar Ja
    Platinum 192 1,000,000,000,000,000 Jaar Ja
    Indium 115 600,000,000,000,000 Jaar Ja
    Gadolinium 152 110,000,000,000,000 Jaar Ja
    Tellurium 123 12,000,000,000,000 Jaar Ja
    Platinum 190 690,000,000,000 Jaar Ja
    Lanthanum 138 112,000,000,000 Jaar Ja
    Samarium 147 106,000,000,000 Jaar Ja
    Rubidium 87 48,800,000,000 Jaar Ja
    Rhenium 187 43,000,000,000 Jaar Ja
    Lutetium 176 35,000,000,000 Jaar Ja
    Thorium 232 14,000,000,000 Jaar Ja
    Uranium 238 4,470,000,000 Jaar Ja
    Potassium 40 1,250,000,000 Jaar Ja
    Uranium 235 704,000,000 Jaar Ja
    Samarium 146 103,000,000 Jaar Ja
    Curium 247 16,000,000 Jaar Nee
    Lead 205 15,000,000 Jaar Nee
    Hafnium 182 9,000,000 Jaar Nee
    Palladium 107 7,000,000 Jaar Nee
    Cesium 135 3,000,000 Jaar Nee
    Technetium 97 3,000,000 Jaar Nee
    Gadolinium 150 2,000,000 Jaar Nee
    Zirconium 93 2,000,000 Jaar Nee
    Technetium 98 2,000,000 Jaar Nee
    Dysprosium 154 1,000,000 Jaar Nee

    Als de aarde werkelijk 4.5 miljard jaar oud is dan verwachten we dat een aantal isotopen met relatief lage halfwaarde tijden niet meer op aarde zullen voorkomen. Immers, een stof met een halfwaarde tijd van enkele miljoenen jaar zal na een paar miljard jaar volledig verdwenen zijn.

    En wat blijkt, alle isotopen met een halfwaarde tijd van onder de 16 miljoen jaar zien we nergens op aarde meer. De aarde moet dus ook volgens deze data miljarden jaren oud zijn…

    Versneld radioactief verval?:

    Om het bovengenoemde probleem te omzeilen wordt door creationisten wel eens geargumenteerd dat het radioactief verval in het verleden sneller ging dan tegenwoordig, maar ook dit botst weer tegen een aantal feiten:

  • Onder andere uit observaties van supernova 1987A blijkt dat in het verleden de vervalsnelheid exact hetzelfde was als nu.
  • Hoe kunnen de dateringen van verschillende isotopen met elkaar overeenkomen? Had het radioactief verval van alle isotopen ter wereld dan de zelfde snelheid en zijn ze allemaal tegelijk in snelheid gedaald? Wat kan zoiets hebben veroorzaakt?
  • Hoe kunnen de dateringen dan overeen komen met dateringen die zijn verkregen door methodes die niet werken met radioactief verval, bijvoorbeeld de fissiesporenmethode?
  • Een ander punt is dat een veranderlijke vervalsnelheid nogal grote fysieke consequenties met zich mee zou brengen. Met radioactief verval komt namelijk hitte vrij. Gewoonlijk in zulke kleine hoeveelheden dat er niks aan de hand is. Maar wordt het radioactief verval in een isotoop op wat voor manier dan ook versneld, zoals men heeft gedaan in atoombommen, dan komt er een zodanig grote hoeveelheid hitte vrij alles in de buurt verdampt. Het zelfde zou het geval zijn met de aarde, willen we uitkomen op een vervalsnelheid die Creationisten nodig hebben voor een aarde niet ouder dan 10.000 jaar dan zoude aarde als een atoombom uit elkaar zijn geknald, althans, er zou zoveel hitte zijn vrijgekomen dat al het leven op aarde zou zijn verdampt. Een artikel over dit laatste (geschreven door een geoloog) over welke consequenties dit proces zou hebben kan hier worden gevonden: http://gondwanaresearch.com/hp/adam.htm Roasting Adam Ten slotte:Ik kan maar niet vaak genoeg herhalen dat een oude aarde al een feit was lang voor dat Darwin en Lamarck met hun evolutietheorieën op de proppen kwamen, of zelfs al maar geboren waren. Ik vraag me ook af hoe Young Earth Creationisten hun opvatting over een zes of tienduizend jaar oude aarde willen rijmen met het feit dat wetenschappers als Richard Owen en Charles Lyell, die niet anders wisten dan dat God de wereld en het leven had geschapen, de aarde reeds als vele miljoenen jaren oud beschouwden. Het lijkt wel of zij als 19e eeuwse creationisten wetenschappelijk verder waren dan hun moderne geestesverwanten. Lees over het onkrachtigen van jonge aarde argumenten in dit artikel, of dit.
     

    Zondvloed geologie Een artikel van Tim Spaan.


    Een wederkerend verschijnsel binnen het creationisme is de ‘zondvloed geologie’. Creationisten doen hier dan hun uiterste best om wetenschappelijk aan te tonen dat de wereld eens een keer helemaal onder water werd gezet door God om alle zondaars uit te roeien. Nou zal binnen de wetenschap niemand ontkennen dat er zich in het verleden grote natuurrampen hebben voorgedaan, maar daar moet eerder worden gedacht aan wereldwijde vulkaanuitbarstingen, relatief snelle klimaatsveranderingen en soms zelfs meteoriet inslagen. Zulke natuurrampen worden verantwoordelijk gehouden voor grote uitstervingen zoals die tijdens het Perm-Trias, het Krijt-Tertiair (Het uitsterven van de dinosauri�rs) en de middelgrote uitsterving aan het einde van het Eoceen.
    Maar dat is natuurlijk weer niet wat creationisten in gedachten hebben, die staan er op dat er een natuurramp heeft plaatsgevonden die exact verliep zoals in Bijbelboek Genesis staat vermeld, dus; dat het zo langdurig begon te regenen dat de hele wereld blank kwam te staan, die al het leven op aarde uitroeide maar alleen overleefd werd door Noach in een boot vol beesten. En in hun geworstel om dit wetenschappelijk correct te maken hebben creationisten er van allerlij dingen omheen bedacht, zoals dat er tijdens de overstroming een soort van ‘eilanden’ van vegetatie bleven drijven, zodat toen het water begon te zakken er weer snel vegetatie overal aanwezig was. En ook zijn er dingen beweerd zoals dat de vloed samenging met een serie aardbevingen, meteorietinslagen en vulkaanuitbarstingen en dergelijke.

    Maar ondanks hun pogingen wetenschappelijk bewijs te vinden voor zo’n zondvloed ben ik, en velen met mij, van mening dat er te veel tegenargumenten zijn om een zondvloedgeologie waarschijnlijk te maken. In dit artikel behandel ik de tegenargumenten die betrekking hebben op de vloed zelf, veel creationisten komen ook met beweringen aanzetten over Noach en zijn Ark, maar hierover hebben mijn vrienden de Freethinkers al het nodige over geschreven.

    Vragen over de Zondvloedgeologie:

    Waar kwam het water vandaan? (En waar ging het heen?)
    Volgens de Bijbel regende het 40 dagen lang, dat is natuurlijk iets wat creationisten koste wat het kost letterlijk willen nemen. Het mag duidelijk zijn dat gewoonlijke meteorologische processen geen wereldwijde vloed kunnen veroorzaken. Dus hoe kwam dat dan?

    Een zekere Walt Brown beweerde dat het water oorspronkelijk een paar kilometer onder de grond zat, onder grote druk, en dat het door een aardbeving of iets dergelijks de atmosfeer werd ingespoten en vandaar uit weer naar beneden viel als regen.

    Problemen met dit model:

  • Hoe bleef het water onder de aardkorst op zijn plaats? Een groot gedeelte van de aardkorst drijft niet, dus het water zou al naar boven zijn gespoten vanaf het moment dat het er terecht kwam.
  • Zelfs een kilometer onder het aardoppervlak is het effect van de geothermie al voelbaar. Als daar water had gezeten was het kokend heet geweest, en met het naar boven komen zou Noach als een ei gekookt zijn.
  • Waar is het bewijs voor het omhoog spuiten van het water? Volgens Brown was dit gebeurd vanuit de Mid-Atlantische oceaanrug (Een vulkanische bergketen in het midden van de Atlantische Oceaan.), maar nergens worden sporen hiervan gevonden zoals een ringpatroon rond de Atlantische Oceaan van waaruit de watervloed en dus de sedimentatie zou zijn begonnen… Anderen hebben het zogenoemde ‘Vapor Canopy’ of ‘Waterstofmantel’ model opgesteld, wat inhoud dat er hele zoden waterdamp in de atmosfeer hingen en vandaaruit naar beneden vielen.Problemen daarmee:
  • Hoe werd het water daar opgeschort en hoe kwam het dat het in hele massa’s tegelijk naar beneden kwam?
  • Met hele zoden waterdamp in de lucht zou de atmosferische druk zijn opgenomen, waardoor het zuurstof -en stikstofgehalte giftig zou worden. Het valt een beetje te vergelijken met caissonziekte die duikers soms krijgen als ze te snel in een omgeving met hogere of lagere druk komen.
  • Veel waterdamp zou zonlicht tegenhouden, waardoor het op aarde een stuk koeler zou zijn geweest. Misschien wel tot polaire omstandigheden. De geologie
    Het punt dat creationisten willen maken is dat alle aardlagen binnen de geologische kolom tijdens één gebeurtenis zijn ontstaan, in plaats van door ophopingen van sediment in de loop van tijd, maar kan dat wel?Hier zijn de 7 vragen voor zondvloedistenzie ook

    Blog Entry zondvloed geologie ontkracht

    :

    vraag 1. Hoe kan je met dit model de hoekdiscordantie of -nonconformiteit verklaren, waarbij een reeks lagen haaks op een andere reeks lagen staan: 
    Het geeft aan dat de onderste lagen zijn gekanteld alvorens de bovenste lagen zijn ontstaan…

Hoekdiscordantie
http://www.daaromevolutie.net/default.asp?action=show&what=art&ID=19&topic=&segm=6

vraag 2. Hoe verklaar je de goed gesorteerde afzettingen van varierende samenstelling?

vraag 3. Hoe verklaar je de sortering van fossielen in een volgorde die zinnig is in het licht van hun ontwikkelingsgeschiedenis?

vraag 4. Hoe verklaar je zoutafzettingen tussen de verschillende aardlagen?
Zoutafzettingen vereisen regelmatige uitdrogingen.

vraag 5. Jaarringen van bomen kunnen 10.000 jaar teruggaan maar laten geen bewijs zien voor een dergelijke katastrofen.
Waarom niet?

vraag 6. Jaarringen van sneeuwval op de Noordpool gaan minstens 40.000 jaar terug, maar hebben een dergelijk katastrofe niet vastgelegd.
Waarom niet?

vraag 7. Hoe kan het dat er nu �berhaupt ijskappen zijn?
Stel dat er voor de zondvloed ijskappen waren geweest (Sommige creationisten beweren dat de hele planeet toen een tropisch klimaat had -leuk voor de ijsberen en pinguins-.) die zouden dan met het stijgen van het water in stukken zijn gebroken en weggedreven. IJskappen groeien maar traag aan, 5 of 6000 jaar is zeker niet genoeg om de huidige ijsmassa’s op Antarctica en de Noordelijke IJszee te laten ontstaan.

Fossielen
De creationisten wiens lectuur ik heb gelezen kwamen ook met een bijzondere bewering over fossielen in verband met hun zondvloed. Volgens hen zouden alle fossielen zijn gevormd tijdens de zondvloed. Immers, de aardlagen zouden in 占쏙옙n keer zijn ontstaan, dus ook de fossiele dieren daarin zouden allemaal tegelijk zijn versteend. En dat kan natuurlijk omdat dat alle bekende prehistorische dieren ter zelfder tijd hebben geleefd en samen met de moderne dieren, aldus de creationisten.

Hoe het dan komt dat er niet fossielen van alle moderne en uitgestorven dieren in grote wanordelijke hopen worden aangetroffen, maar netjes gesorteerd naar wat wij Darwinisten beschouwen als verschillende tijdperken, verklaard men als volgt:

  • Eencelliggen zijn de enige dieren die diep in de grond kunnen leven.
  • Vissen zwemmen in de zee en als de samenstelling van zeewater veranderd zijn zij de eersten die sterven.
  • Landdieren leven op land en als het water stijgt verdrinken ze.
  • Vogels vliegen in de lucht en kunnen dus lang boven het water vliegen.
  • Mensen zijn intelligent en kunnen daardoor het water lang voor blijven.
    Het komt er dus op neer dat de onderste lagen degene waren die het eerst aan de vloed werden blootgesteld en de bovenste het laatste…Problemen met deze redenering:
  • De wel erg strikte scheiding tussen oudere en jongere fossielen, zo is er geen enkele dinosauri�r gevonden tussen sporen van bijvoorbeeld moderne zoogdieren.
  • De posities van planten en immobiele dieren. Voorbeeldje; hoe kan het dat gras altijd boven dinosauri�rs wordt gevonden, kon gras sneller rennen?
  • Hoe kan het dat schelpdieren door vrijwel alle lagen door, dus ook de allerhoogste (jongste) worden gevonden?
  • Als er wordt gesteld dat vogels in hogere lagen worden gevonden omdat ze (door hun vermogen om te vliegen) het laatste stierven, waarom Pterosauri�rs dan niet? En loopvogels weer wel?
  • Van fossiele koraalriffen is bekend dat ze kilometers lang kunnen zijn en vele meters dik, toch worden er dikwijls fossielen vlak onder gevonden. Hoe zit dat?
  • Hoe komt het dat er grote landdieren als mammoeten en neushoorns in hoge lagen worden gevonden, veel hoger dan sommige -vliegende- vogels (IchtyornisSinornis, enz.)
  • Waarom zijn voetstappen ook gesorteerd op ouderdom, als mensen en grote zoogdieren naar bergen zouden rennen om aan de vloed te ontkomen, zouden ze voetstappen achterlaten op de plaats waar dinosauri�rs en trilobieten stierven…
  • Menselijke werktuigen, hutten en dergelijks wordt enkel in de allerhoogste lagen gevonden, hoe hebben ze dat alles tegen de vloed kunnen beschermen? Door hele dorpen op hun schouders te vervoeren? Een geval apart zijn de oppervlakte-verschijnselen, dat wil zeggen formaties die zich oorspronkelijk aan de oppervlakte bevonden, zoals harde modder met sporen van regendruppels, rivierbeddingen, duinen, stranden, koraalriffen, en dergelijke die door de hele geologische kolom door zijn verspreid. Er zijn talloze voorbeelden van dinosaurusvoetstappen die zich een paar meter onder de wortels van een boomstronk of iets dergelijks bevinden. Op de zelfde manier zijn er lagen bekend die opeengestapelde bossen bevatten, zo is er een gebied waar aardlagen die samen ongeveer 2,7 kilometer dik zijn, waar de ene boomstronk boven de ander staat en waar af en toe een laagje as van een bosbrand te zien is.Nog wat vraagstukken:
  • Dikwijls worden fossiele massagraven als bewijs aangedragen dat bijna al het leven door de zondvloed is vernietigd, zo bevinden zich binnen de Karroo Formatie de fossiele resten van zo’n 800 miljard gewervelde dieren. Maar is dat niet een beetje veel? Het zou betekenen dat er op elke 10 vierkante meter op aarde al 20 gewervelde dieren zouden moeten leven. En dat is dan nog maar 占쏙옙n zo’n fossiel massagraf!
  • Hoe hebben alle vissen het avontuur overleefd? Sommige vissen houden van zoet water, andere leven in zout water, sommige leven in de tropen, anderen onder polaire omstandigeheden. Een vloed zou ten minste enkele verschillende leefgebieden hebben verwoest.
  • Hoe hebben diepzeedieren die niet kunnen zwemmen het overleefd? In de diepzee heerst een druk die vele malen groter is dan op land of dicht aan de oppervlakte, hoe dieper, hoe groter de druk van het water. De dieren daar zijn aangepast aan de locale druk, maar waarneer ze op wat voor manier dan ook in een gebied met een hogere of lagere druk worden gezet sterven ze (Er wordt wel eens beweerd dat diepzeevissen aan de oppervlakte ontploffen, maar dat is niet waar. Ze sterven desalnietemin wel.). Uiteraard zou een zondvloed het waterpeil nog extra verhoogd hebben. De dieren zouden daardoor aan een nog hogere druk bloodgesteld zijn. Natuurlijk kunnen vissen en kwallen gewoon wat hoger gaan zwemmen, maar de dieren die op de zeebodem leven zoals zeekomkommers, kokerwormen en krabben zullen zeker zijn gestorven.

Waarom zijn die er dan nog steeds?


Bronnen:

Talk Origins/Problems with a Global Flood

Een aantal tekortkomingen van de Zondvloedgeologie…

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

One Response to NaDarwin GEOLOGIE

  1. joost tibosch sr zegt:

    Het voorwetenschappelijk (ook christelijk) denken was helemaal niet echt geïnteresseerd noch in makro-noch in mikrokosmos en ook niet in het begin van onze werkelijkheid en evolutie. (Bijbelse) Scheppingsverhalen en een zondvloedverhaal zijn literaire verhalen met de oproep, dat de mens de zorg draagt voor deze prachtige of bedreigde toen slechts zintuiglijk waargenomen wereld. Onze huidige milieuwerkelijkheid met zijn kosmische omvang roept op een zelfde manier nu nog steeds mensen met wetenschappelijk inzicht op om voor die geweldige kosmos te zorgen en als zij bedreigd wordt als nu bij bedreigd milieu, tsunami of in Fukushima, ook tot menselijke inzet met allle moderne mogelijkheden die wij nu hebben. Het moderne christelijke denken kan geen ander dan dit moderne denken zijn, zij het met behoud van zijn christelijke hoop op toekomst en het geloof in uiteindelijk succes ondanks alles.. Het mag zich zelfs omwille van deze wereld niet veroorloven in verstarde zgn.geloofseigenwijsheid dom te blijven steken in voorwetenschappelijkheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: