EVOLUTIELANDSCHAP EN EVOLUTIEPADEN


http://en.wikipedia.org/wiki/Evolutionary_landscape

http://evolutionarysystemsbiology.org/intro/index.html

Evolutielandschap  , adaptatielandschap

adaptive landscape simple

 Each adaptive landscape ( and there are many at the same stage in time   ) is defined by a ‘height’ (e.g. fitness) that exists for each point in a ‘plane’ (e.g. combinations of genes). Computing or measuring this ‘height’ and navigating the ‘plane’ is extraordinary difficult for most biological systems. If fitness correlates such as survival or fecundity increase with ‘height’, then selection will usually push a population towards the next locally reachable optimum.

http://drawingparallels.blogspot.be/2012/06/evolutionary-landscapes.html

A  metaphor for thinking about the evolution  in particular and  in general, as a mountain-valley landscape formed by different mountain ridges.each mountain ridge in this landscape has distinct contour, with various peaks whose heights reflects time.
 
This analogy is similar to the  metaphorical  concept of Fitness Landscape. A fitness landscape is a way of visualizing a problem in optimization or adaptation. There are peaks and valleys, peaks are solutions and the highest peak is the best solution. How to get there? The movement of adaptation can be seen as always moving uphill, since at any time a more adapted condition is preferable to a less adapted one. Depending on the features of the landscape, a particular fitness walk may lead to local optima from which there are no paths leading higher.
 
More on the concept of “fitness” and “fitness landscape” in this post
 
 
 
zie  vooral  ook  : 
 
(McCarthy I. P. 2004. Manufacturing strategy – understanding the fitness landscape, International Journal of Operations and Production Management, 24(2): 124-150. 
 
( zie ook reactie onderaaan dit artikel )
 
 
 
 
 
 
 
 
(Figure 2).Examples of simple types of adaptive landscapes.(A)(C) give examples for the complexity of the corresponding type of adaptive landscape. (D) illustrates the principle that adaptive walks on high-dimensional landscapes reaching a local optimum in some dimension may continue to even higher peaks by optimising other dimensions – if genetic correlations allow this and the relevant parts of the landscape remain constant for long enough. In this example, the black line denotes a hypothetical adaptive walk, which follows the steepest ascent to a first saddle point on the blue ridge, then continues to optimise by changing direction to follow that ridge until it reaches a second saddle point on the green ridge, only to change again directions before reaching its optimum in that landscape. For such a scenario, this landscape must be independent of environmental or other changes during the adaptive walk and new mutations must be capable of producing individuals that represent random steps in that landscape. These random steps can be achieved by sequential steps in different dimensions, if reciprocal sign epistasis does not prohibit this [91]. (E) illustrates how a cross section of the most fine-grained adaptive landscape might look like. Here each dimension corresponds to one functional DNA sequence position in the genome. The number of possible steps within each such dimension is small, even if the example given is extended to include the absence of the base and epigenetically methylated bases. In such landscapes the simplicity of options within one dimension is countered by an extraordinary complexity of epistatic interactions between dimensions. All landscapes shown are completely arbitrary and serve only illustrative purposes. See the main text for a guide to the nomenclature of types of adaptive landscapes and the various definitions of height (‘fitness’ or traits that are correlated with it) and plane (‘genotypes’ or traits encoded by them). The latter two depend on the levelof the adaptive landscape.
 
 
 
 
 
 

Over volgende tekst
Dit artikel werd met toestemming van de copyrighthouders vertaald. De oorspronkelijke versie is te vinden ophttp://evolution.berkeley.edu/evolibrary/article/0_0_0/history_19
Vertaler: Constantijn Vermaut
Zie ookWat is de moderne synthese? (een korte samenvatting)

 
 

(Fig. 4:) Een voorbeeld van een adaptief landschap met twee genen A, en B
Wright voerde het begrip van het “adaptieve landschap” (Fig. 4) in, één van de sterkste metaforen ooit in de populatiegenetica. Men stelt zich de wisselende graad van geschiktheid (fitness) van de verschillende combinaties van genen voor als een golvend landschap, waarin de dalen de minder en de toppen de meer gunstige combinaties van genen voorstellen. Vermits de omgeving continu verandert, verschuiven de toppen, en de bevolkingsgroepen hollen deze achterna in een onophoudende evolutionaire trektocht.
 
 
 
__________________________________________________________________________________________________
 

Bergen van selectie  

Sander Voormolen 27-01-2007 

Fysicus sander tans onderzoekt welke paden de evolutie volgt .Evolutie gaat in kleine stapjes die altijd verbeteringen zijn. Selectie drijft het systeem daardoor snel naar het optimum, ontdekte fysicus Sander Tans. Iets wat moeilijk lijkt, gaat in feite heel makkelijk

Een bergachtig landschap van hoge en minder hoge pieken, zo stelt de Amsterdamse fysicus Sander Tans zich de evolutie voor. Tans bestudeert de evolutie van eiwitten; hoe zij door mutaties een nieuwe functie verwerven. De eiwitten beginnen in het dal en als er zich een voordelige mutatie voordoet, gaan zij een stapje omhoog de berg op. Organismen met eiwitten die de hoogste top bereiken, zijn het best aangepast. Zij hebben de hoogste fitness, zoals biologen dat noemen.

De bergachtige evolutiemetafoor is algemeen populair geworden door het boek Climbing Mount Improbable van de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins.(***  ) http://en.wikipedia.org/wiki/Climbing_Mount_Improbable

Evolutie selecteert steeds de best aangepaste varianten en daardoor is de diversiteit van het leven ontstaan. Dawkins doopte de berg Improbable (Onwaarschijnlijk) omdat het tegenintuïtief lijkt dat levende organismen door min of meer toevallige mutaties steeds beter aangepast raken en daarmee de top bereiken.

Maar volgens fysicus Sander Tans, die zijn eigen onderzoeksgroep heeft bij het AMOLF-instituut in Amsterdam, komen er nu steeds meer aanwijzingen dat de evolutie naar beter aangepaste vormen veel makkelijker verloopt dan vaak wordt aangenomen.

Ons werk en dat van een aantal anderen heeft een eerste blik op natuurlijke (gemeten) evolutionaire landschappen opgeleverd. Wat blijkt is dat die landschappen vaak zo’n vorm hebben dat het systeem vanzelf naar de juiste weg naar de top geleid wordt. Zo kan het systeem met hoge kans en snel de goede eindvorm vinden. Iets wat moeilijk lijkt, gaat in feite heel makkelijk.

Dat klinkt als magie, maar dat is het niet, legt Tans uit.

Om snel naar de top te kunnen moet elke nieuwe mutatie een fitness-voordeel bieden ten opzichte van de voorgaande stap. Uit onderzoek van Tans groep blijkt dit mogelijk, ook al is de nieuwe mutatie op zich niet voordelig als je naar de eiwitfunctie kijkt. Het sleutelwoord is hier netwerkcompensatie. Eiwitten werken meestal samen met diverse andere moleculen, in een netwerk. Er blijken mutaties te zijn die tegelijkertijd zowel een positief als een negatief effect hebben op de fitness. Bijvoorbeeld wanneer zon mutatie de samenwerking met een moleculaire partner verslechtert en op hetzelfde moment die met een ander verbetert. Dan kan het net zijn dat het voordeel het nadeel overstijgt, zodat de top toegankelijk wordt. Dat de netwerkstructuur bepalend kan zijn voor evolutie is een nieuw inzicht

Deze week publiceerde Tans, samen met zijn promovendi Frank Poelwijk en Daan Kiviet en met de Amerikaanse evolutiebioloog Daniel Weinreich van Harvard University, een overzichtsartikel overevolutionaire landschappen in Nature (25 januari).

In het artikel schetsen wij dat we nu eindelijk een aantal basisvragen die Darwin al opriep, kunnen onderzoeken. Het probleem was altijd dat we het proces van variatie en selectie niet direct konden volgen, omdat deze verloren gaan in grote populaties en de complexe genetische code. Wat miste waren de ( gedetailleerde ) overgangsvormen, de evolutionaire tussenstappen.

In zijn beroemde boek On the Origin of Species, schreef Darwin al:

why, if species have descended from other species by insensibly fine gradations, do we not everywhere see innumerable transitional forms?

Dat is het aloude probleem van de evolutiebiologie. Wat we om ons heen zien is het resultaat van soms miljoenen jaren evolutie, maar het proces zelf is veel lastiger waar te nemen

Daarin komt nu langzamerhand verandering, schrijven Tans en zijn medewerkers in het overzichtsartikel. Op moleculair niveau zijn evolutionaire veranderingen nu stap voor stap te volgen, en kunnen evolutionaire landschappen geconstrueerd worden.

Een ander voorbeeld is het onderzoek van Weinreich (Science, 7 april 2006). De Amerikaan beschrijft hoe het bacteriële enzym beta-lactamase zich langzaam aanpast aan het nieuwe antibioticum cefotaxime.

http://www.sciencemag.org/content/312/5770/111.abstract

Bij de resistentie tegen dit antibioticum zijn vijf verschillende mutaties betrokken. Bacteriën die ze alle vijf hebben zijn 100.000 keer resistenter tegen cefotaxime dan gewone bacteriën . Omdat er verschillende combinaties van deze mutaties mogelijk zijn leidt dit tot 32 mogelijke varianten.

In de evolutionaire geschiedenis gaat het erom in welke volgorde die mutaties zijn aangebracht. Theoretisch zijn er 120 mogelijke paden die leiden tot de top van een bèta-lactamase met alle vijf mutaties. Daarvan blijken er volgens Weinreich slechts achttien toegankelijk. Dat wil zeggen: deze voldoen aan de voorwaarde dat elk tussenstapje een resistentere bacterie oplevert dan het vorige. Lang niet al die toegankelijke paden zullen in de praktijk voorkomen, schrijft Weinreich, want er zitten er een paar tussen die per mutatie relatief grote fitnessvoordelen geven. Deze maken grote stappen en zijn dus snel aan de top.

Het aantal waarschijnlijke paden is daarmee zo overzichtelijk, dat het verloop van de evolutie haast voorspelbaar wordt, zegt Tans.

Dat wil overigens niet zeggen dat de andere paden tijdens de evolutie niet geprobeerd worden, maar in de selectie overleven ze niet. Wat overblijft zijn de paden met een goede volgorde van mutaties, waarbij elke stap voordelig is. Je zou in bacteri챘n zelfs ook in de praktijk kunnen meten welke evolutionaire paden worden gevolgd, maar dat is nog niet gedaan.

Volgens Tans heeft het inzicht dat de evolutie kennelijk vaak dezelfde paden kiest ook gevolgen voor het genetische sequentie-onderzoek en de stamboomanalyse. Organismen kunnen onafhankelijk met precies dezelfde oplossing komen, maar onderzoekers in dit veld houden daar geen rekening mee. Modern evolutionair onderzoek is heel erg beïnvloed door het sequentie-onderzoek. Gemeenschappelijke voorouders worden geïdentificeerd op basis van het feit dat heel veel basenparen overeenkomen en een paar anders zijn. Dat levert heel mooie evolutionaire relaties tussen soorten.

Dat is heel krachtig, maar tegelijkertijd wel een heel erg beschrijvende wetenschap. Het geeft geen verklaring voor wat er tijdens de evolutie is gebeurd. Door naar het evolutionaire landschap te kijken weten we pas waarom een bepaald pad is gevolgd.

De wetenschappelijke loopbaan van Tans begon in Delft waar hij promoveerde op koolstof nanobuisjes. Vervolgens verlegde hij zijn werkterrein naar de biofysica en bestudeerde hij de bewegingen van biologische eiwitten met optische pincetten. Vijf jaar geleden maakte hij opnieuw een switch, ditmaal naar de evolutiebiologie

Tijdens mijn promotieonderzoek in Delft werd ik gedreven door verwondering, vertelt Tans. Ik stuitte op een moleculaire wereld die je niet zo maar kon begrijpen. Nu, in de biologie, is die verwondering nog veel groter. Daarmee vergeleken is nanotechnologie peanuts.

Tans is overigens lang niet de enige fysicus die zich heeft bekeerd tot de biologie. In de helft van dit gebouw gebeurt nu biologisch onderzoek, zegt hij bij de koffieautomaat in de hal van het AMOLF-instituut. AMOLF staat voor Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica. Van oorsprong is dit een bolwerk van fundamenteel natuurkundig onderzoek dat zich richtte op de dode materie. Maar nu zijn er zelfs laboratoria, waaronder die van mijn eigen groep, waar levende cellen gekweekt worden.

Natuurkundigen, ook in het AMOLF, doen veel onderzoek aan de werking van enkele moleculen, vertelt Tans. Ze bestuderen in geïsoleerde systemen hoe bijvoorbeeld een biologisch eiwit complexe taken kan uitvoeren. Zo leren ze veel over de werking ervan, maar uiteindelijk komen ze altijd weer uit bij de vraag hoe zon ingewikkeld eiwit heeft kunnen ontstaan. Evolutie, kortom.

In het lab van Tans wordt gewerkt aan de experimentele evolutie van regeleiwitten in bacteri챘n. Onze experimentele methoden en technieken zijn biologisch, maar onze aanpak, met de focus opmodelsystemen, past bij het natuurkundige. We richten ons op de fundamentele mechanismen.Het grappige is dat het daarbij niets uitmaakt of je met natuurlijke of kunstmatige elementen werkt. In ons laboratorium laten we de bacteri챘n functies evolueren waaraan ze in de natuur niets zouden hebben. Dat soort kunstmatige systemen, die niet meer lijken op de werkelijkheid, zijn heel geschikt om te bestuderen welke generieke processen ten grondslag liggen aan evolutie.

Tans was ruim tien jaar geleden de eerste promovendus van de Delftse hoogleraar nanotechnologie Cees Dekker. Dekker staat op zijn vakgebied internationaal in hoog aanzien, maar zorgde in Nederland voor opgetrokken wenkbrauwen door openlijk een pleidooi te houden voor Intelligent Design als alternatief voor evolutie. Het leven is in die visie geschapen door een intelligente ontwerper.

Tans:

Ik was toen al geïnteresseerd in evolutie. Niet tijdens het werk, maar tijdens reizen naar buitenlandse conferenties, hebben Cees en ik lange gesprekken gehad. We verschilden van levensbeschouwelijke overtuiging, dachten anders over de rol van evolutie, en hebben daarover stevig gedebatteerd. We hebben echter nooit ruzie gemaakt. Wat ons verbond was de grote verwondering over hoe ingenieus de natuur in elkaar zit. Het gemeenschappelijke is rijker dan sommigen denken, en zo kom je tot nieuwe inzichten.

Cees gelooft niet in het ontstaan van het leven door evolutie alleen, en tegelijkertijd vindt hij ons soort onderzoek wel cruciaal om de kwestie duidelijk te maken. Hij heeft een andere mening, maar is wel voor een open wetenschappelijk debat. Toch blijft hij erbij dat als we iets verder graven, we dan toch op iets van ontwerp zullen stuiten.

Mijn onderzoek geeft aan dat er oplossingen bestaan die we op het eerste gezicht niet goed herkennen. We zijn geneigd om mechanistisch en rechtlijnig te denken, maar de natuur werkt soms heel anders. Daarin ligt volgens mij de sleutel tot het mysterie dat evolutie dingen voortbrengt waarvan we niet begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen. Daar heb je geen Intelligent Design voor nodig

Belangrijk citaat : 

Het verloop van de evolutie wordt haast voorspelbaar

 Gert Korthof

http://evolutie.blog.com/1485893/

In de Nature van donderdag 25 januari staat een belangrijk artikel van fysicus Sander Tans over stapsgewijze evolutie van eiwitten en naar aanleiding daarvan interviewde de NRC van zaterdag 27 januari Tans. ( zie hierboven )

Fitness is shown as a function of sequence: the dotted lines are mutational paths to higher fitness. a, Single smooth peak. All direct paths to the top are increasing in fitness. b, Rugged landscape with multiple peaks. The yellow path has a fitness decrease that drastically lowers its evolutionary probability. Along the blue path selection leads in the wrong direction to an evolutionary trap16. c, Neutral landscape. When neutral mutations are essential, evolutionary probabilities are low12, 15. d, Detour landscape. The occurrence of paths where mutations are reverted16 shows that sequence analysis may fail to show mutations that are essential to the evolutionary history.

Figures & Tables index

From the following article:  Empirical fitness landscapes reveal accessible evolutionary paths

Frank J. Poelwijk, Daniel J. Kiviet, Daniel M. Weinreich & Sander J. Tans  /Nature 445, 383-386(25 January 2007)doi:10.1038/nature05451

Het aardige is dat Sander Tans 10 jaar geleden bij Cees Dekker promoveerde, maar nu in een belangrijk overzichtsartikel in het gezaghebbende Nature Intelligent Design weerlegt!

Het probleem dat Sander Tans nu voor een groot deel heeft opgelost is hoe evolutie het voor elkaar krijgt de vele mutatiestappen die nodig zijn om een verbeterde of nieuwe enzymfunctie te bereiken uit te voeren zonder in vele valkuilen te lopen. Het probleem is dat een verbetering altijd verder weg ligt dan 챕챕n enkele mutatiestap, een sprong van 2 of meer mutatiestappen verboden is en evolutie niet weet in welke richting ze het moet zoeken. Extra lastig is het als er ontzettend veel mogelijkheden zijn, zodat de kans klein is de goede richting te vinden. Ook is het ‘verboden’ stappen te zetten die nadelig zijn (fitness verlagend zijn). De opgave is een serie opeenvolgende mutatiestappen te vinden die individueel een kleine verbetering opleveren tot de grote klapper bereikt is. Onderzoek heeft het landschap van alle mogelijke mutatiestappen van concrete eiwitten in kaart gebracht en daaruit bleek dat de vorm van het landschap evolutie vaak de juiste richting op stuurt. Ook is gebleken dat een mutatie die in 챕챕n opzicht nadelig is, in een ander opzicht weer voordelig kan zijn. Daar kan evolutie gebruik van maken om de ‘verboden’ stappen te zetten.

Het is intrigerend om te bedenken dat Darwin van deze moleculaire problemen en oplossingen totaal geen idee had. Hij kon alleen maar hopen dat toekomstige generatie’s biologen dit zouden oplossen. Toch had Darwin in zijn tijd voldoende redenen om aan te nemen dat natuurlijke selectie het op de 챕챕n of andere manier voor elkaar kreeg. Die redenen bestonden uit een combinatie van waarnemingen en logische gevolgtrekkingen daaruit. Achteraf bleek dat Darwin gelijk had. Maar het had fout kunnen aflopen. En nog steeds zijn niet alle problemen opgelost en zullen er in de toekomst nieuwe problemen opduiken en zullen we oplossingen vinden waarvan we nu nog geen flauw idee hebben.

Een deel van deze problematiek wordt geschetst in mijn Behe review.
 

Drunken man’s walk / de  wandelende  dronkaard 

http://en.wikipedia.org/wiki/Random_walk
http://nl.wikipedia.org/wiki/Toevalsbeweging

Evolutionaire doelgerichtheid is schijnbaar (1) Hoe “weet ” een rivier als de Rijn feilloos doelgericht de Noordzee te vinden? En toch lukt het de Rijn de lange reis van Zwitserland naar de Noordzee te vinden en toch is dit een ‘blind’ proces (2)waarbij je niet meer gegevens nodig hebt dan blinde natuurwetten als zwaartekracht en de toevallige aanwezige hoogteverschillen in het landschap.

Niet toevallig liggen er geen bergketens onderweg die het plan zouden kunnen verhinderen. Een dronken man kan alleen maar weg van de muur, want dat is een barriere. (–>  constraint ) De muur ‘stuurt’ ahw de dronken man. Het landschap ‘stuurt’ ahw de rivier naar de zee, het eindpunt.

Het fitness landschap ‘stuurt’ maw met behulp van reproductief voordeel (=de natuurwet vergelijkbaar met de zwaartekracht) individuen bergopwaarts.

Noten

(1)  Bart klink  schrijft ; http://www.freewebs.com/deatheist/Artikelen/RecensieDawkins.htm

citaat ;  ‘Evolutie door natuurlijke selectie  is  het proces waarbij blinde natuurwetten door de kracht van cumulatieve selectie voor complexe en ogenschijnlijk doelbewuste producten kunnen zorgen’.

(2)natuurwetten doen automatisch hun  onvermijdelijke werk: in die zin zijn ze blind.   De waterdruppels van de Rijn   zijn blind omdat ze geen vooruitziende blik hebben.

De rivier vindt zijn weg door zwaartekracht, en constraints (beperkingen = begrenzingen ) als eerder ingeslepen beddingen of blokkades door aardverschuivingen. Zwaartekracht in relatie tot hoogteverschil zou ( in de  gebruikte metafoor ) ,overeenkomen met fitnessverschil. Je kunt geen grootheid selectie onafhankelijk daarvan hebben

Het is niet zo ( met name  het  bij het te ver doorgedreven gebruik  van Gerts  verduidelijkende analogie met de loop van een rivier.)  dat er eerst  door toeval wat rivierbeddingen gegenereerd worden en dat vervolgens door selectie het enige fysisch-mogelijke pad overblijft (“the fittest“). Door genoemde fysische constraints “kiest” de rivier van het begin af aan het “goede” pad.  de voorafgaande druppels slijten een pad uit   en sturen gedeeltelijk de druppels die na hen komen …   en  dat ( = deze vermelde    “inslijting  en erosie  door opeenvolgende druppels ” –analogie ) gebeurt binnen   de evolutie  (dmv  NS )van  stamlijnen door het   behoud van en de conservatie van de genenmutaties die geen  lethale gevolgen hebben of  de duplicatie  opheffen  van doorgeefbare   en uitdrukbare  fertiele genomen ( eventueel belast met neutrale , redundante en  verongelukte   DNA en RNA sequenties )in zowel horizontale als verticale spreiding . en natuurlijk  kan ook hier  (naast  NS ) ook toeval een grote rol spelen ( –> genetic drift –> 

L Morgan   http://sandwalk.blogspot.com/2007/01/what-is-evolution.html

APPENDIX    

(***)

“Het toppunt van onwaarschijnlijkheid”
Een vervolg op zijn eerdere werk ‘The Blind Watchmaker’

Om de stelling te onderbouwen dat er een maker moet zijn (geweest) die alles heeft bedacht, gebruiken creationisten graag het argument van de ‘onwaarschijnlijke perfectie’ in de natuur.

Hoe kunnen er bijvoorbeeld ongehoord ingewikkelde mechnismen als het oog of het web van de spin langzamerhand gegroeid zijn? En wat was dan de functie van de stadia vóór het eindproduct? (het nut van ” een half oog “? )

Dergelijke aanvallen op de evolutietheorie bleken lange tijd moeilijk weerlegbaar. In zijn boek gaat Richard Dawkins deze uitdaging aan. Hij toont hoe de evolutietheorie voor het verklaren van natuurlijke verscheidenheid(biodiversiteit ) onvermijdelijk is.

Met behulp van een groot aantal voorbeelden van bijna onbegrijpelijk perfect ontwikkelde organismen en levensvormen toont hij onomstotelijk de waarheid aan van wat sommige de meest onwaarschijnlijke stelling noemen; dat alles in de natuur via enerzijds toevallige mutatie en anderzijds een voortdurend selectieproces op natuurlijke wijze ontstaan en gegroeid is.

Besprekingen  :

zie bijvoorbeeld   :Bart voorzanger //http://www.voorzanger.nl/voorzangerboeken.pdf

( en het volgende  is grotendeels gebaseerd op het nogal opinierende  )  http://www.apologetique.org/nl/recensies/Dawkins_toppunt.htm

Dawkins ontwikkelt in dit werk het beeld van de berg, die ‘onwaarschijnlijk’ heet; ‘Mount Improbable’
en stelt zich voor de vraag hoe men die ooit zou kunnen beklimmen.
Natuurlijke selectie is zijn antwoord.

( Nota van mijzelf ) Maar
Het boek is natuurlijk al wat ouder  ….en ondertussen is veel  gebeurt in de evolutiebiologie en de genetica
Bovendien is het een populariserend boek en mag je  Dawkins  zeker niet verwijten dat hij  ( toen en vandaag )  niet  ALLES  behandelde  

‘Climbing Mount Improbable’ maakt  zonder meer   duidelijk welke rol natuurlijke selectie speelt in de evolutietheorie.
Het boek laat zien  hoe(hoogstwaarschijnlijk )  via natuurlijke selectie de gang van simpele naar complexe organismen aannemelijk wordt.

Daarbij wordt een uitgewerkte versie van de metafoor van de schijnbaar onbeklimbare berg die macro-evolutie heet, gebruikt .
Nog steeds veel  mensen vinden het ondenkbaar dat macro-evolutie een aannemelijke totaalverklaring zou bieden voor de biologische werkelijkheid
zoals we die vinden.
De kans dat die werkelijkheid uit toeval zou ontstaan is volgens die ( meestal creationistische ) sceptici namelijk onbevattelijk klein.
Het beklimmen van de schijnbaar onneembare bergtop is echter het werk van de ; ‘natuurlijke selectie’.
Hiermee vecht Dawkins   vooral ook  de gedachte aan, dat de ” macro-evolutietheorie een theorie van blinde kans alleen zou zijn.”

Volgens veel creationisten is de evolutietheorie onmogelijk juist, omdat ze zou berusten op het principe van toeval. En toeval kan toch niet, bijvoorbeeld, het ontstaan van het oog verklaren?
Richard Dawkins betoogt dat de toevalsfactor maar één factor is in de evolutie. En niet de belangrijkste.
De evolutietheorie baseert zich op 2 belangrijke principes: mutaties (variatie) en erfelijkheid. Genen zijn erfelijk en worden in het nageslacht identiek gekopieerd, maar af en toe wordt bij dat kopiëren een foutje gemaakt, en dat is dan een(van de mogelijke ) mutatie’s ( anderen  categorieen  van  genetische   aangroei  ; zijn bIJvoorbeeld : besmettingen met virussen  en allerlei andere pathogenen  .Tel hierbij ook HGT processen  –> met inbegrip van  bijvoorbeeld   wohlbachia “cytoplasma”  parasieten  in de stamlijnen    )  

Dankzij de resulterende variatie is er een soort van  concurrentiestrijd tussen de varianten, die resulteert in grotere kansen op overleven voor varianten die beter zijn aangepast aan de omstandigheden. Die  in het voordeel verkerende   varianten kunnen( maar gaan daarom niet perse )  hun ‘betere’ genen dan weer doorgeven aan het nageslacht.

Evolutionisten beweren   dat mutaties zich ‘toevallig’ voordoen ( mutaties  zijn natuurlijk wel causaal veroorzaakt( door mutagene omstandigheden , waaronder ook   stoffen en fysische  invloeden )  maar de vele factoren die daarbij meespelen ; ” de samenloop der omstandigheden ” zijn niet altijd onmiddelijk  doorzichtbaar … . Tegenargument van de creationisten is dan dat complexe en ‘geniale’ ‘constructies’ zoals het oog nooit door een opeenvolging van toevallige mutaties tot ontwikkeling kunnen gekomen zijn. Daarvoor is het leven nog niet oud genoeg; daarvoor is er eenvoudigweg te weinig tijd geweest.(uiteraard zijn dat  anti -geologen en  YEC argumenten )

Dawkins stipt  aan dat mutaties  willekeurig zijn, maar dat ze automatisch  worden  geselekteerd door het  dood-of leven principe  , en  dat zo’n evolutie  toch  ook  razendsnel(= razendsnel –> afhankelijk van de generatiewissels , die enorm kunnen verschillen tussen de organismen   )   kan gaan.

Maar wat is willekeurig? Wij ‘zien’ er geen structuur of principe achter.

Maar, zegt hij, wanneer we een munt opwerpen, dan is het resultaat (kop of munt) voor ons ook willekeurig, maar in werkelijkheid reageert de vallende munt gewoon op natuurkundige wetten, waarvan voor ons de consequenties eenvoudigweg niet te berekenen zijn, omdat er te veel elementen meespelen.

_________________________________________________________________________________________

Ontwerp ?

Toevallige  ontwerpen zijn  veelal  dingen die door ons zo worden “gezien”,  zo benoemd  of verbeeld  ….

  

Veel van de zogenaamde ”  design”  is  het gevolg van de wetmatigheden in de natuur Er zijn buiten deze  natuurlijke wetmatig ontworpen  dingen  ;  nog  drie aardse  categorieeen van  “ontwerp ”  : acccidenteele en als zodanig gepercepteerde ” ontwerpen”    , intelligent ontworpen ( met de mens als (voor zover we zeker weten ) enig intelligent designer als  doelgericht bouwer   ) en tenslotte de levende  designoiden

__________________________________________________________________________________________________

Met behulp van de analogie van het ‘onwaarschijnlijkheidsgebergte’ legt  Dawkins uit   dat elke stap in de evolutie altijd op dat moment in de evolutie nuttig moet geweest zijn voor de soort.

In evolutie is er geen weg terug. (uiteraard  is  deze “wet van Dollo “(eigenlijk een vuistregel uit de paleontologie )    nu tegen gesproken😉

Ten gevolge van de ‘wedloop’ van de evolutie, is het niet mogelijk dat soorten ‘degenereren’ en op hun schreden terugkeren op het pad van de evolutie.(tenzij dat terugkeren op de schreden  wel degelijk voordelen bied :–> landdieren die terug naar zee gaan ….het  ontwikkelen van parasitaire levenswijzen , maken sommige  “verworvenheden ” overbodig )  

Maar  elke stap die  op het evolutionaire pad wordt gezet( zelfs een toevallige )  , moet op dat moment nuttig zijn geweest. In die zin is de evolutie niet door toeval gestuurd, maar door een sterke impuls tot optimalisatie

Volgens Dawkins speelt de factor ‘kans’ slechts een rol in het ontstaan van mutaties an sich van een organisme.
Natuurlijke selectie bepaalt vervolgens welke mutaties een verbetering zijn in het overleven, en welke een handicap.
De gemuteerde organismen (populaties )  floreren of sterven uit al naargelang hun mutatie een verbetering of een handicap was in een particuliere ( eveneens wisselende )omgeving waarmee en waarin ze  in hun  reis door de tijd  , moesten  verder  leven .

Dawkins gaat met name in op biologisch-technische hoogstandjes,( deed hij ook al in de “blind watchmaker” ) zoals dieren die allerlei ingewikkelde bouwwerken construeren, waaronder vogels, bijen en spinnen.
Ook gaat hij in op dieren die een verfijnde samenwerking met planten hebben ontwikkeld (en vice versa) bijvoorbeeld vijgen en  wespjes  .

Daarnaast besteed hij afzonderlijk aandacht aan de technische mogelijkheden tot ontwikkeling van vleugels,
en hetgeen hij het favoriete bewijsstuk van creatonisten acht: het oog, in al haar complexiteit.

Insekten-techniek     ( ****het gaat niet over ” insekten” zoals we kunnen lezen   maar over  spinnen ; dat is zeer tekenend voor de biologische onkunde van de auteur ) 

Zo laat Dawkins met een computersimulatie zien hoe bepaalde typen spinnewebben in dichtheid en grootte een optimaal kosten/batenplaatje met zich meebrengen en het  meeste overlevingsvoordeel geven, en dat de genen van die spinnen die een dergelijk spinneweb het best benaderen het meeste kans hebben om overgedragen te worden,omdat zulke spinnen nu eenmaal voorspoediger zijn dan spinnen die de genetische neiging hebben een minder voordelig web te spinnen.

Wat Dawkins echter niet behandelt is de vraag hoe spinnen er überhaupt toe zijn gekomen een web te spinnen….
Ontstond er op een gegeven moment een  artropode , met zijdeklieren, “die tijdens een toevallige creatieve bezigheid met zijde ontdekte”  dat deze zijde ook best geschikt  was om prooien mee te vangen?   

****   Ja dat is zeer goed mogelijk   ….  ondertussen is   duidelijk geworden  dat sommige( niet-web )spinnen  gebruik gingen  maken van  ( een  plakkering vangnetje  als wapen bij het bespringen van de prooi   )van juist  dat  laatste soort  aangestipte  eigenschappen en die niet  perse hoeven een  uitgezet  net ( als een boody trap ) te draperen …Overigens zullen veel webspinnen  ook heden ten dage  hun slactoffers nog steeds inpakken in een kleverig  pakketje …..      en of ze “slimme ” beesten zijn die creatief iets konden ontwikken ?   Dieren schijnen  minstens over leervermogen te beschikken ( tot op het laagste ongewervelde niveau )  … Predatoren zelfs meer dan anderen  ?   

Vlucht

***  De ideeen van Dawkins  over de ” ontwikkeling van het vliegen ” waren   weliswaar  nogal  speculatief … maar ondertussen is  de kwestie  van   vogel-evolutie uit  ( met pluimen uitgeruste  )  dino’s , een tak van de  paleontologie ,  die haar voltooing nadert  ….
Daarmee vervalt meteen het  gezeur  over  creationistische favorieten   zoals  “het nut van  een ( konkrete ) halve vleugel ( of een half -oog )” en de evolutie van  “veren ” 
  
 
Het oog

Om zelfs de grootste scepticus te overtuigen, gaat Dawkins in op wat misschien wel een van  de hoogste toppen van de onwaarschijnlijkheid; de evolutie van het oog.
Het oog is volgens Dawkins het meest vernunftige hoogstaandje van biologische techniek onder de zon.
Het oog wordt door vele anti-evolutionisten dan ook geciteerd als het bewijs van de onmogelijkheid van macro-evolutie.
Immers: is een half-af oog niet volkomen onbruikbaar?
Darwin zelf struikelde in zijn theoretische bezinning over de onvoorstelbaarheid dat het oog door evolutie zou zijn ontstaan.

Dawkins gaat uitvoerig in op de technische principes die noodzakelijk zijn voor het zien, en legt uit waar de verwantschappen en verschillen liggen tussen de gezichtsorganen van eenvoudige diersoorten zoals kokkels, en complexe wezens zoals zoogdieren.
Hij maakt hierbij aannemelijk dat de verschillen tussen deze gradueel zijn en niet categoriaal.
Dawkins toont een theoretisch model waarin de verschillende fasen van eenvoudig gezichtsorgaan tot het complexe oog van een vis, in een gestaag verloop getoond worden.

De vraag is uiteraard in hoeverre dit theoretische model de werkelijkheid weerspiegeld.
Dat het oog in zijn verschillende vormen van complexiteit gebaseerd op dezelfde technische principes, ligt voor de hand.
Het zou vreemd zijn als het leven zich niet zou richten naar de wetten van de natuurkunde.(=*** het gezeur  over  common descent ? of common design ? )
Met het tonen van de technische verwantschap tussen de verschillende gezichtsorganen zoals die in de natuur te vinden zijn, is nog niet de evolutionaire verwantschap bewezen.  (*** common descent heeft wel wat meer  onderbouwing dan dit alleen )

Voor de macro-evolutie van het oog zijn sprongen nodig, waarvan noch duidelijk is, waarom ze zich zouden voordoen, noch empirisch is vastgesteld, dat deze ook voorkomen.

***Er is geen waarom in de teleologische ( of doelgerichte design )  zin  ,….  mutaties   doen zich voor  , en dat is wel degelijk empirisch  zowel vaststelbaar  als vastgesteld ( zowel “voordeel ” als ” nadeel” mutaties  : het merendeel zijn zelfs neutrale mutaties  )   …
Vooral dat is de zwakke schakel in Dawkins betoog. : 

**** Neen  het is de zwakte van het creationisme( en de apologeten )   dat  hier over gaat liegen of misinformeren  

Anderszijds moet men toegeven: Dawkins heeft de uitdaging van de anti-evolutionist ruimschoots beantwoordt:

(***de antievolutionisten zijn allang verslagen  , niemand hoeft ze nog serieus te nemen … dit is slechts een poging ze nog enig gewicht te geven  , wat ze niet bezitten : het is nml  pseudo-gemekker )
Hij heeft de evolutie van het oog van een eenvoudig tot een complex orgaan voorstelbaar gemaakt.

Interessant is in deze, dat Dawkins de capaciteiten van het menselijk brein, die nog wonderbaarlijker schijnen dan het oog, volkomen onbesproken laat.

*** Het menselijk  brein is net zo goed een produkt van de evolutie  als alle andere gespecialiseerde  uitrustingsstukken dat in de eerste plaats zijn nut heeft als doorslaggevende   overlevings-factor  zowel vroeger in de eerste  plaats en  als  geoptimaliseerd  erfstuk    misschien  ons zelfs zal  kunnen redden( als enige   kanshebber ) van de  aanstormende problemen ten gevolge van millieu ineenstorting ,   menselijke  overbevolking en uitputting van de planeet  )  

Sprongvarianten

Dawkins theoretiseert de verschillende stadia in de evolutionaire klim naar de toppen van het onwaarschijnlijke gebergte aan elkaar met sprongvarianten.
Iedere generatie planten, insekten en dieren vertoont een KLEINE  genetische afwijking van het voorgeslacht.
Degenene met een voordeel hebben een grotere overlevingskans, en daarmee een grotere kans hun genen door te geven. 

Wanneer men  echter  enorme sprongen in die genetische afwijkingen veronderstelt, kan men zich voorstellen hoe de rijke diversiteit in het leven ontstaan is via dit soort macro-evolutie.
De sprongen die macro-evolutie LIJKT  te veronderstellen zouden echter zulke monstrueuze mutaties geven, dat verreweg de meeste van de creaties die hieruit ontstaan, een gewisse dood zouden sterven.(Hopefull monsters )

Een voorbeeld van zo’n mutatie is een kikker die gevonden werd in een park in New York, met de ogen niet op het hoofd, maar binnen in de bek, op het verhemelte.


Hoewel deze kikker waarschijnlijk niet succesvol zal zijn in het ontwijken van gevaren, zou men zich kunnen voorstellen dat sommige mutaties wel een groot succes  zouden zijn.

(overigens zijn er nog veel  courante  gevallen van misvormde kikkers opgedoken ; het schijnen indicatoren van millieu verloedering  en “epidemies ?” met  allerlei microorganismen ?  te zijn  )

Met name in crisis-omstandigheden ( punctated equilibrum .(****veeleer gaat het om versnelde evolutie die toch nog verle duizendern jaren beslaat ? )  , zo theoretiseert(¨¨speculeert  ) Dawkins, zouden sprongmutaties noodzakelijk kunnen zijn voor het overleven van de soortDe speculatieve aard van deze mogelijkheid maakt deze hypothese echter niet erg aannemelijk.

Maar Dawkins is geen  aanhanger van het “hopefull monster ” mutationisme of van het saltationisme  

(*** ofschoon  velen hem dat wel in de schoenen  willen schuiven : dat is al met al een stroman
drogreden // Want hij distantieerd zich daar uitdrukkelijk van  : de critici zouden beter het boek eerst uitlezen   ) 

Dawkins  eigen  verklaring voor grote sprongvarianten is niet alleen vaag,maar ook vrij speculatief en erg vaag
( ***  het”metaforische” )beklimmen van een gemakkelijkere helling die naar dezelfde  evolutionaire  top in het landschap  voert , bij voorbeeld   ?  ).

Daarmee verzwakt hij een belangrijke schakel van zijn argumentatie aanzienlijk.

*****Het soms opduikend  (vermoedelijk)  gebruik van stromannen door deze bespreker ( tsjerk Muller , toen ie nog  iets of wat gelovig was ? ) – is echter nog een groter zwaktebod  

Omstandigheden, zo redeneert Dawkins zijn van belang in de wijze waarop dieren zich ontwikkelen.(***maar het zijn niet de enige factoren  van nbelang  in  evolutionaire processen  )
Zo worden eens in de zoveel tijd zwarte motten geboren uit een witte soort.
Hoewel de zwarte exemplaren bepaalde voordelen hebben zijn ze een gemakkelijke prooi voor vogels en andere insekteneters.
Onder de rook van de steden gedijen de zwarte motten echter uitstekend, onzichtbaar geworden voor hun natuurlijke vijanden.

Hierbij moet echter aangetekend worden, dat wanneer de vervuiling ophoudt, de zwarte motten ook weer radicaal zouden  uitsterven, terwijl de witte soort gewoon blijft bestaan.
Dawkins laat  echter  deze opmerking achterwege.
Bezwaren bij dit voorbeeld  zijn  dan al gauw en gemakkelijk  bedacht.
 
*   Maar: meer  dan  een ietwat  repeterende  en verkapte    poging om de  Engelse motten  weg te zetten als een voorbeeld van  micro evolutie( een standaard crerationistische taktiek )zijn dergelijke  gemakkelijk bedachte  meningen  / rethorische  “argumenten”    niet  ….   
Het boek is natuurlijk al oud ( de zeventiger jaren van vorige eeuw )  ….en ondertussen is veel  gebeurt in de evolutiebiologie en de genetica ( en in de wereld rondom ons )
Bovendien is het een populariserend boek en mag je  Dawkins niet verwijten dat hij  niet ALLES  behandeld … Noch dat alles wat hij schreef  up te date blijft ,  noch dat de wetenschap niet verder is geevolueerd  en ook een Dawkins  de ontwikkelingen sindsdien van nabij  is blijven volgen en populariseren … alhoewel de man een uiterst vruchtbaar schrijver is gebleven en nog steeds is… Dat hij niet altijd vies is van  gerdrevenheid  en   zelfs  spitse rethoriek weten we ook al … Gelukkig maar , want anders zou niemand  hem nog  lezen …..  
 
*Bovendien  reppen de  heren  critici ( uit allerlei  “culturele  en  ideologische – politieke   ” hoeken )  nooit over het  “evolutionaire landschap”  model en  de  “random walk” 

  1.- Berg der Onwaarschijnlijkheid

 Dawkins video’s 
(Royal Institute of Christmas Lectures Climbing Mount Improbable 1991  )
(Oldies but goodies/ deze video’s zijn trouwens de voorlopers van het boek zelf  )  
Dawkins: Lecture 3. Climbing Mount Improbable ( of 8 )
08:44   mimicry   &   natural design
09:29
08:07    Oog evolutie
 
 
 
 

ADAPTIEF  LANDSCHAP MET BLOEMEN 

Het ‘adaptieve landschap’ met zijn bergen en valleien wordt al sinds 1932 gebruikt als metafoor voor evolutionaire verandering. Voor het eerst is nu zo’n landschap in kaart gebracht. In de Pyreneeën, toepasselijk genoeg.

Door    Menno Schilthuizen© bionieuws  , 25-08-2006

Het was de Amerikaanse populatiegeneticus Sewall Wright die in 1932 voor het eerst een tekeningetje maakte van een adaptief landschap: een glooiend veld waarbij iedere positie een bepaald genotype voorstelt en de pieken en dalen de bij die genotypen behorende fitness.

Natuurlijke selectie kan een populatie zo’n bergtopje opduwen tot het hoogste punt bereikt is.
Maar voor het beklimmen van een andere adaptieve piek (het ontstaan van een genetisch
nieuwe vorm) moet een adaptief dal worden doorkruist.

En evolutiebiologen discussiëren al decennialang over hoe een populatie dat doet.

De Engelse genetica Annabel Whibley van het John Innes Centre in Norwich heeft nu, samenmet Franse en Britse collega’s, precies uitgezocht hoe de grote leeuwenbek (Antirrhinum majus) zo’n evolutionaire alpinistentruc voor elkaar krijgt.

In Science van afgelopen week rapporteerde het team het resultaat van veld-, genetisch en morfologisch onderzoek aan de
geelbloemige ondersoort A. m. striatum, die in een gebied in de Franse Pyreneeën voorkomt en omringd wordt door de magentakleurige A. m. pseudomajus.

Kruisingsproeven maakten duidelijk dat drie genen de bloemkleur bepalen:

ROSEA voor de magenta-intensiteit, ELUTA voor het magenta patroon en SULFUREA voor het gele patroon.

Inde natuur komen alleen genotypen voor die gele en magenta bloemen opleveren. En de grens tussen het geelbloemige thuisland en het magentabloemige gebied (in tegenstelling tot de verspreiding van genen die niet met bloemkleur te maken hebben) is maar een paar honderd meter breed.

Daarom gaat Whibley er van uit dat de twee typen door sterke natuurlijke selectie (die vermoedelijk te maken heeft met de voorkeuren van bloembestuivende insecten)in stand worden gehouden. Maar de genetisch kortste weg van gele naar magenta bloemen loopt via genotypen die oranje bloemen opleveren. En die komen in de natuur vrijwel niet voor, waarschijnlijk omdat er geen bestuivers voor zijn.

Dus hoe hebben de leeuwenbekken die oranje vallei in het adaptieve landschap kunnen oversteken?

Om die vraag op te lossen bekeken de onderzoekers 18 andere, nauw aan A. majus verwante soorten. Van ieder soort werd de bloemvorm digitaal zodanig bewerkt tot hij leek op die van A. majus. Vervolgens werden ze op basis van de kleur geplaatst in A. majus’ adaptieve landschap van genotypen (uit ander onderzoek was bekend dat bij de meeste Antirrhinumsoorten
dezelfde drie kleurgenen betrokken zijn, zegt Whibley).

En wat bleek: de overige soorten vormen in het adaptieve landschap een soort bergrug die achterom
de twee adaptievepieken van A. m. striatum en A. m. pseudomajus met elkaar verbindt.

Vermoedelijk heeft de evolutie van de magenta vorm uit de gele vorm (of andersom) dus via vergelijkbare
tussenvormen plaatsgevonden, zonder door het adaptieve dal heen te moeten.

Evolutiebioloog Tom van Dooren van de Universiteit Leiden zegt het ‘een leuk artikel’ te vinden.
Maar hij vraagt zich wel af hoe selectie de populatie over die bergrug geduwd zou moeten hebben, omdat de fitness op ieder punt van die rug bijna even hoog is.

‘Dat kan bijna niet met kleine verschillen in fitness, het lijkt een flinke afstand,’ zegt hij.

In plaats van het projecterenvan bestaande verwante soorten hadden de onderzoekers ook met fylogenetische methodes vooroudersoorten kunnen reconstrueren om daar hetzelfde mee te doen.
Van Dooren: ‘Dan krijg je een beter idee hoe de wolk fenotypes in de tijd is veranderd.’

Maar Whibley zegt dat de leeuwenbeksoorten genetisch te veel op elkaar lijken voor een dergelijke analyse: er bestaan onvoldoende verschillen om te zien welke soorten aan elkaar verwant zijn.

Wel is het team momenteel beter naar de bestuivers aan het kijken.
Hun voorlopige, nog niet gepubliceerde resultaten laten namelijk zien dat de magenta en gele bloemen bestoven worden door vrijwel dezelfde bijensoorten.
Misschien gaat het dus om aangeleerde voorkeuren binnen  de soorten, zegt Whibley.

Ook zijn er experimentenopgezet met plots met verschillend gekleurde bloemen, inclusief hybride oranje, om te zien hoe de bijen daarop reageren.
‘De gedragsecologie van bestuivers zal misschien de sleutel  blijken te zijn bij dit systeem,’ zegt ze.

 
 
Snapdragons take the evolutionary high-road
 
 
 
 
KRITIEK VAN PLURALISTEN 

2.-   een betere( en /of  aanvullende ) analogie  ?   :

http://sandwalk.blogspot.com/2009/01/falling-into-pit.html

CLIMBING PIT IMPROBABLE Chris Nedin 

http://ediacaran.blogspot.com/2009/01/climbing-pit-improbable.html

” ….Adaptation is not climbing up Mt Improbable, it’s climbing down Pit Improbable! The pits are hard to find, but once in, it’s easier to go down than it is to back out, and if you adapt too far, you are trapped in a cul-de-sac with no way out when the environment changes. The generalists that flirt with the rim of the pit, or on the fitness plane have a better chance of surviving to become the stem stock for new adaptations.

It may well be that some species or groups of species in a pit break through to new fitness landscapes and produce new groups (e.g. birds and mammals from reptiles) because fitness landscapes are not flat, but curved.

But for most populations/species, adaptation is a pit of no return…..”

ANYWAY   :

” …..The notion of an adaptive landscape is itself already an abstraction, which was held constant as a temporary simplifying assumption in the early mathematics of Fisher and Wright.

In fact there is no adaptive landscape, just the interactions of all the populations of organisms of different taxa in an area under certain abiotic constraints (space, heat, light, materielle).

The early synthesisers treated the landscape as a useful tool to visualise all these interactions from the perspective of a single population under investigation.

But the landscape as such does not exist, and as you note, if we were to model it accurately it would itself be changing both independently of the population we are studying, and as the result of what that population does to its environment, living and abiotic.    The “landscape” is a bit like the Einsteinian spacetime rubber sheet in that respect. ……   “

Maar ook ” pit improbable”  is en blijft niets meer  dan   een  nuttige  analogie ( voor educatieve doeleinden )

http://libra.msra.cn/Publication/5479528/relative-fitness-teleology-and-the-adaptive-landscape

.

.

UPDATES  and   NEWS LINKS   :

The adaptive landscape shows how changing physical features, such as jaw shape, are related to survival. (Credit: Chris Martin/UC Davis Graphic)
 
.’……..The “adaptive landscape” is very important for  EVOLUTIONARY BIOLOGY , but rarely measured …” Martin said. He’s been fascinated with the concept since high school.An adaptive landscape takes variable traits in an animal or plant, such as jaw size and shape, spreads them over a surface, and reveals peaks of success
(what evolutionary scientists call fitness) where those traits become most effective, or adaptive.It is a common and powerful idea that influences thinking about evolution.
But while the concept is straightforward, it is much harder to map out such a landscape in the wild…..’ read —>http://www.sciencedaily.com/releases/2013/01/130110142043.htm
Christopher H. Martin, Peter C. Wainwright. Multiple Fitness Peaks on the Adaptive Landscape Drive Adaptive Radiation in the Wild. Science, 11 January 2013: Vol. 339 no. 6116 pp. 208-211 DOI:
10.1126/science.1227710
.
Abstract
The relationship between phenotype and fitness can be visualized as a rugged landscape. Multiple fitness peaks on this landscape are predicted to drive early bursts of niche diversification during adaptive radiation. We measured the adaptive landscape in a nascent adaptive radiation of Cyprinodon pupfishes endemic to San Salvador Island, Bahamas, and found multiple coexisting high-fitness regions driven by increased competition at high densities, supporting the early burst model. Hybrids resembling the generalist phenotype were isolated on a local fitness peak separated by a valley from a higher-fitness region corresponding to trophic specialization. This complex landscape could explain both the rarity of specialists across many similar environments due to stabilizing selection on generalists and the rapid morphological diversification rate of specialists due to their higher fitness.

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

19 Responses to EVOLUTIELANDSCHAP EN EVOLUTIEPADEN

  1. Ian McCarthy zegt:

    I noticed a similarity between the third landscape figure in the “EVOLUTIELANDSCHAP EN EVOLUTIEPADEN” posting and with Figures 1, 4 and 8 in my paper:

    McCarthy I. P. 2004. Manufacturing strategy – understanding the fitness landscape, International Journal of Operations and Production Management, 24(2): 124-150.

    If it is the same landscape figure, I would be grateful if you could cite my paper in the posting and cite my paper in any future instances where the figure is used.

    I would also be grateful if you could acknowledge this communication and my request.

    Yours,

    Ian McCarthy
    ian_mccarthy@sfu.ca

  2. tsjok45 zegt:

    I’ll have to hurry up if i want to save more of my archives … Multiply is deleting all of it on 1 december ….
    I nevertheles did change above (old)post and included your updating and most appreciated reference

    Tsjok
    Yours

  3. Superb site you have here but I was wondering if you knew
    of any discussion boards that cover the
    same topics talked about here? I’d really like to be a part of community where I can get comments from other knowledgeable people that share the same interest. If you have any suggestions, please let me know. Cheers!

  4. Such a decent article and definitely helped clear my mind a little

  5. It’s hard to come by knowledgeable people on this topic, however, you seem like you know what you’re talking about!
    Thanks

  6. These are genuinely impressive ideas in
    on the topic of blogging. You have touched some good factors here.
    Any way keep up wrinting.

  7. Antonio zegt:

    Its like you read my mind! You seem to know so much about
    this, like you wrote the book in it or something.
    I think that you could do with a few pics to drive the message home a
    bit, but instead of that, this is excellent blog.
    A great read. I’ll definitely be back.

  8. Do you mind if I quote a few of your articles as long as I provide credit and sources back to your webpage?
    My blog site is in the exact same niche as yours and my visitors would truly benefit from a lot of
    the information you provide here. Please let me know if this
    ok with you. Regards!

  9. We are a bunch of volunteers and opening a brand new scheme in our community.
    Your website provided us with valuable info to work on.

    You’ve performed a formidable task and our entire community can be thankful to you.

  10. An impressive share! I’ve just forwarded this onto a co-worker who has been doing a little research on this. And he actually ordered me lunch because I found it for him… lol. So allow me to reword this…. Thank YOU for the meal!! But yeah, thanks for spending some time to talk about this issue here on your web page.

  11. I absolutely love your blog and find most of your post’s to be what precisely I’m looking for.
    Would you offer guest writers to write content in your case?

    I wouldn’t mind composing a post or elaborating on many of the subjects you write with regards to here. Again, awesome website!

  12. Hello friends, its enormous article concerning teachingand
    entirely defined, keep it up all the time.

  13. This is the right site for anyone who would
    like to understand this topic. You understand a
    whole lot its almost tough to argue with you (not that I actually will need to…HaHa).

    You definitely put a fresh spin on a topic that’s been written about for many years. Excellent stuff, just excellent!

  14. What a decent article and definitely helped clear my mind somewhat

  15. Great way of seeing things – I am a little more of a black and white person, myself

  16. Thanks for ones marvelous posting! I certainly enjoyed reading
    it, you may be a great author.I will be sure to bookmark
    your blog and will come back sometime soon. I want to encourage you to ultimately continue your great posts, have a nice holiday weekend!

  17. An fascinating discussion is worth comment.
    I

    believe that you should write more on this

    subject, it won’t be a taboo subject but typically people are not sufficient to speak on such topics. To the next. Cheers

  18. Pingback: Actomyosine motor | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: