EVOLUTIE


 

 

(Kennislink ) Darwins Evolutietheorie

 

INLEIDING 

Historische evolutietheorieeen  en  hun bijdragen aan de moderne  evolutieleer
De mens heeft zich altijd bezig gehouden met het zoeken naar verklaringen voor biodiversiteit.
*In de 18de eeuw ontstond de theorie van de verworven kenmerken (Lamarck).
*Ongeveer een eeuw later publiceerden zowel Darwin als Wallace hun selectietheorie.
*In de tweede helft van de 20ste eeuw is de neutrale theorie van Kimura er bijgekomen.
1.- Lamarck: 
* individu verwerft kenmerken gedurende zijn leven.
* Nuttige kenmerken worden op enigerlei wijze “vastgelegd” en doorgegeven aan het nageslacht.
* Kenmerken die door veranderende omstandigheden hun nut verliezen verdwijnen weer. ( reductie )
* Evolutie wordt dus ( uitsluitend ?) door de omgeving gestuurd.
onder die vorm is de theorie verlaten  maar 
—>Een kompeet gewijzigde vorm van deze theorie vindt in de EPIGENETICA een nieuw elan
—> volgens D.Dennett ( Darwin’s Dangerous Idea )  zal de” memetische evolutie” ( evolutie van de cultuurelementen in de communicatiesystemen ( van de mens ) lamarckiaans verlopen
2.- Darwin:
* kenmerken ontstaan toevallig door mutaties (niet onder invloed van milieu-omstandigheden).
* Individuen die door toeval met een gunstige eigenschap geboren worden hebben een voordeel op soortgenoten zonder die eigenschap.
Dat voordeel maakt het waarschijnlijker dat zij overleven en een partner vinden, waardoor ze hun gunstige allelen over kunnen dragen aan de volgende generatie.
* Als milieu-omstandigheden niet veranderen zal dat patroon zich van generatie op generatie herhalen en neemt de frequentie waarmee het gunstige kenmerk in de populatie voorkomt steeds verder toe.
* Een omgekeerde redenering geldt voor nadelige mutaties.
*  Wallace heeft het ook  over de (theoretische )gegevens vanuit de biogeographie …
Hij weigert op latere leeftijd de “geest ” van de  mens als evolutieprodukt te zien
3.- Kimura: Neutrale theorie
Kimura heeft aan de theorie van Darwin het element toegevoegd dat
*veel mutatie géén aanwijsbaar voor- of nadeel hebben, maar neutraal zijn.
* Door toevalsfluctuaties (welke combinatie van allelen komt in een geslachtscel terecht ? en welke geslachtscellen zijn bij een bevruchting betrokken ?Genetic drift ) veranderen allelen -frequenties in een populatie van generatie op generatie.
Vroeg of laat zal – door toeval (= drift) – de frequentie van een allel 100% worden (= fixatie) en verdwijnt daarmee de frequentie van het andere allel (= extinctie).
 ref   : (Evolutie, bron van biodiversiteit./antwoord 3)
Wat is “evolutietheorie ” ?
Evolutie heeft twee aspecten: patronen en processen.
Alle twee direct uit waarnemingen, maar verschillende waarnemingen.
Patronen:
fossielen, indeling dierenrijk, geologie etc – observeerbaar maar niet nu experimenteel benaderbaar, historisch gegroeid.
Processen: 
natuurlijke selectie, soortvorming – observeerbaar en experimenteel benaderbaar, speelt zich nu af.

De evolutietheorie bestaat uit:
de patronen te herkennen en te bestuderen,
de processen te herkennen en te bestuderen, en proberen de patronen te verklaren uit de processen.

 

Dus je begint niet met een evolutieproces, want  dat is de conclusie.

dat is trouwens het paard achter  de kar spannen ( en een creationistsiche praktijk )
Natuurlijke selectie heeft een logische component:
*Gegeven dat er in een kenmerk variatie bestaat (1),
*gegeven dat er een verband bestaat tussen functie van een kenmerk en aantal kinderen (zodat een beter functionerende versie van het kenmerk meer kinderen
betekent) (2),
*en gegeven dat het kenmerk op een of andere manier overerft (3),
moet er verschil bestaan in het gemiddelde van het kenmerk tussen twee opeenvolgende generatie (in de richting van een gemiddeld betere functie).
—>Ik schrijf: moet, omdat het een regeltje wiskunde is.
Erfelijke variatie is een noodzakelijke voorwaarde om het effect van selectie door te geven, en komt voort uit allerlei mutaties.
Maar ik heb wat tegen “wetmatigheid” zoals bijvoorbeeld  uitgedrukt in de zin
“Er is dus een wet die zegt: mutaties moeten plaatsvinden.”
Mutaties zijn waarnemingen geen “wetmatigheid”
Vervolgens kun je die waarnemingen in je evolutietheorie integreren.
 

Je kunt van mening verschillen over hoe de evolutietheorie eruit moet zien, maar mutaties blijven dingen die je kunt meten en staan dus los van een
theorie.

Je kunt mutaties ook gebruiken in een andere theorie.
Het is geen hot topic dat mutaties plaatsvinden, maar wat voor soort en in welke frequentie.
Puntmutaties in DNA kunnen kopieerfouten zijn,
of het gevolg van radioactieve of UV of kosmische straling.
Dat zulke puntmutaties optreden is onvermijdelijk.
Daarna komt er een stadium van proofreading.
De waargenomen mutatiefrequentie is niet de fysische.
Bovendien zijn niet alle   
Mutaties  ,  puntmutaties.
auteur : Unicorn
( biologische )Evolutie

De veranderingen in de genenpoel (of: van allel-frequenties) van een reproducerende populatie over een (geologische  )periode.
EvolutietheorieDe theorie uit de biologie die uitspraken doet over drie gerelateerde onderwerpen:
evolutie als feit (soorten hebben een gemeenschappelijke voorouder),
evolutionaire geschiedenis (de ontwikkeling van de diversiteit van levensvormen), en
de mechanismen waarmee evolutie verloopt (genetica, gepunctueerd equilibrium, en verder detailwerk).De eerste aanzet tot deze theorie werd gegeven door Jean-Baptiste Lamarck, in het begin van de 19e eeuw.
Hij stelde dat alle levensvormen zich van laag naar hoog ontwikkelen, en dat de mens het eindresultaat is van deze lineaire ontwikkeling.
Charles Darwin publiceerde in 1859 zijn
“On the origin of species by means of natural selection”, waarin hij de basis legde voor de evolutietheorie zoals we die nu kennen.
Het verschil met Lamarck was (naast dat de theorie verder was uitgewerkt en beter onderbouwd) dat de mens in dit plaatje slechts een twijg van een enorme boom is, en niet het summum van de natuur.De moderne evolutietheorie wijkt in beginsel niet veel af van Darwin’s versie.
 Er zijn veel verfijningen en verduidelijkingen toegevoegd, vooral vanwege de ontdekkingen in de genetica en de microbiologie. Daarom wordt het ook wel eens de “moderne synthese” of “neo-Darwinisme” genoemd.
auteur Captain Proton
Wat is evolutie en wat houdt de evolutietheorie in?
De evolutietheorie is de theorie die het ontstaan van alle huidige diersoorten vanuit 1 gemeenschappelijke voorouder beschrijft.
De theorie zegt dus niets over het ontstaan van die eerste voorouder. ! —> LUCA = Last Universal Comon Ancestor )
Een theorie die hiervoor een verklaring geeft, en die vaak ten onrechte aangezien wordt voor een deel van de evolutietheorie, is die van de abiogenesis . .De formele definitie van het begrip “evolutie” in de biologie luidt:
Het geheel van veranderingen die optreden in de genenpoel van een populatie in de loop der tijd.
Evolutie gaat dus over de veranderingen in het erfelijke materiaal van een groep levende wezens als geheel, en de invloeden van de omgeving op dit geheel en op de voortplantingskans van individuele wezens.
Merk op dat dit iets heel anders is dan evolutie in het algemene taalgebruik, wat soms (vooral in, de media ) een synoniem voor vooruitgang lijkt te zijn.
In de biologische definitie wordt er absoluut niet gesproken over vooruitgang, zoals we later zullen zien heeft de evolutie geen eindpunt waar “naartoe gewerkt” wordt.

Een veelgehoorde manier om dit te zeggen is dat evolutie “blind” is.Evolutie treedt op in elke omgeving waarin aan de volgende eisen wordt voldaan. Deze luiden als volgt:1. Er moeten nieuwe organismen ____(beter is om te spreken van het engelse begrip “reproducing units“( —> Dawkins / Dennet =

replicators ), aangezien evolutie ook op kan treden in niet-biologische systemen die aan deze eisen voldoen. ) ____geboren worden waarvan het genetische materiaal van andere organismen, de ouders, afkomstig is.

Bovendien moeten er meer organismen geboren worden dan er overleven.2. Het reproductieve succes van organismen (gedefinieerd als het aantal nakomelingen dat ze krijgen, vermenigvuldigd met het aantal nakomelingen dat elk van die nakomelingen gemiddeld krijgt) moet verschillen, en dit verschil moet op zijn minst ten dele gebaseerd zijn op de informatie in de genen.3. Er moeten toevallige veranderingen (mutaties) kunnen optreden in de genen van de organismen. Ook moet de voortplantingskans van een individu afhankelijk zijn van deze genen.

—Er worden dus meer organismen geboren dan er kunnen overleven.

—Ook lijkt het nageslacht van ouders wel op hen, maar het verschilt wel.
—-Al het nageslacht heeft een bepaalde mate van genetische variatie ten opzichte van de ouders.
 Deze veranderingen kunnen (in volgorde van vóórkomen in de natuur) neutraal zijn, ze kunnen nadelig zijn, en ze kunnen voordelig zijn. (Als er gesproken wordt over veranderingen die “neutraal: , “voordelig” of “nadelig” zijn, wordt daarmee bedoeld dat ze het aantal kinderen (en kleinkinderen) respectievelijk niet beïnvloeden, verminderen of vermeerden.)
De natuur “selecteert” welke organismen overleven en welke niet: Alleen de organismen die het best overleven in de natuurlijke omgeving, kunnen zich voortplanten en hun genen doorgeven aan de volgende generatie.
De factoren die be챦nvloeden welke dieren dit zijn, worden selectiekrachten genoemd.
Zo werkt er op een populatie leeuwen een selectiekracht die ervoor zorgt dat ze snel en sterk zijn: Want alleen snelle en sterke leeuwen zijn in staat antilopen te vangen, en leeuwen die geen antilopen vangen, sterven voor ze zich kunnen voortplanten.
Omgekeerd werkt er op antilopen een selectiekracht die ze snel en wendbaar maakt: Want de dieren die het minst snel en wendbaar zijn, worden opgegeten door de leeuwen voor ze zich kunnen voortplanten en hun eigenschappen worden dus niet doorgegeven aan de volgende generatie.
Er zijn vele vormen van selectiekrachten: Denk aan milieufactoren (koude, hitte, zuurstofpercentage in het water (voor waterdieren), hoeveelheid licht (voor planten), enzovoorts.
Ook zijn er selectiekrachten die ontstaan door interacties tussen dieren van 1 soort: Bijvoorbeeld sexuele selectie. Samengevat: een selectiekracht is elk verschijnsel dat ervoor zorgt dat sommige dieren, op basis van hun genen, zich minder kunnen voortplanten en andere beter.Maar selectie houdt niet op na 1 generatie: Hoewel de volgende generatie beter aangepast zal zijn, zullen er ook in die generatie weer verschillen zijn tussen de dieren.
Opnieuw overleven alleen de best aangepasten. Deze planten zich voort, en ook op hun nageslacht werkt selectie. Dit verschijnsel, waarbij het effect van selectie in iedere generatie als het ware opgestapeld wordt, wordt “cumulatieve selectie” genoemd.Natuurlijke selectie heeft dus als gevolg dat elke generatie in principe beter aangepast is aan de omgeving dan vorige generaties. Maar waarom zijn dan niet alle dieren perfect aangepast aan hun omgeving?
Hiervoor zijn er een aantal redenen. Zo is er het verschijnsel van trade-offs. Een dier kan niet in elke taak tegelijk even goed zijn, dat is fysiek onmogelijk. En op een gegeven moment zal het zo zijn dat een verdere verbetering van de prestaties op het ene gebied (bijvoorbeeld snelheid bij het achter antilopen aanrennen) niet meer opweegt tegen de nadelen die dit met zich meebrengt op andere gebieden (bijvoorbeeld de toegenomen energieconsumptie waardoor meer voedsel nodig is, of de kans om je nek te breken over obstakels die niet meer te ontwijken zijn). Hierdoor zal op een bepaald moment natuurlijke selectie de soort niet verder meer kunnen verbeteren, in die zin dat de toevallige veranderingen in het erfelijk materiaal van de organismen eigenlijk nooit meer tot een verbetering in de voortplantingskansen van het organisme leiden.

Toch wordt dit stadium niet vaak bereikt: Meestal verandert de omgeving van het dier al voordat dit stadium bereikt wordt, waardoor ineens andere eigenschappen voordelig worden, en de evolutie van het dier een andere kant op gaat. En voordat het optimum in de nieuwe situatie wordt bereikt, verandert de omgeving weer, enzovoorts. Daardoor blijft de evolutie aan de gang.Een andere manier waarop de genfrequenties binnen een populatie kunnen veranderen, is door “genetic drift”, een verschijnsel dat vooral optreedt in kleine populaties. tel dat er door een overstroming een groepje dieren afgesloten wordt van de hoofdpopulatie. in totaal gaat het om een populatie van 10 dieren, waarvan 5 met een korte staart en 5 met een lange. Door puur toeval (dus geen relatie met de staartlengte) worden drie dieren met en lange staart opgegeten. Daarna planten alle dieren zich voort. Ook op de voortplantingskans heeft de staartlengte geen invloed. Enkele generaties later heeft zich een nieuwe populatie gevormd, waarin slechts 2 van de 7 dieren een lange staart hebben. De genenpoel van de populatie is gewijzigd, en er heeft zich dus evolutie voorgedaan.Door zowel natuurlijke selectie als genetic drift neemt de genetische variatie – het aantal verschillende eigenschappen dat voorkomt in de populatie – alleen maar af. Er zijn echter ook een aantal mechanismen waardoor dit aantal toeneemt. Dit zijn mutatie, recombinatie en “gene flow”.

Mutaties zijn toevallige veranderingen in het genetisch materiaal. Deze kunnen ontstaan als gevolg van straling, bepaalde chemische stoffen of andere externe factoren, maar omdat het mechanisme waarmee de cel het genetisch materiaal kopieert, niet 100% nauwkeurig is, ontstaan mutaties ook automatisch. De meeste mutaties vinden plaats in delen van het genetisch materiaal waarbij het niet precies uitmaakt wat er precies in staat, en hebben dus geen invloed op de voortplantingskansen van het individu. De mutaties die wel invloed hebben, zijn meestal schadelijk – En organismen met een echt schadelijke mutatie zullen niet veel of geen nageslacht krijgen, waarna deze mutaties snel weer verdwijnen door natuurlijke selectie. Echter, sommige mutaties zullen ook gunstig zijn, en deze mutaties zorgen ervoor dat het gen waar ze in zitten zich via natuurlijke selectie door de populatie verspreid. Het gaat hier nu te ver om alle typen mutaties te bespreken, maar er zijn er vele, vari챘rend van mutaties die een heel kleine verandering in 1 gen kunnen aanbrengen, tot mutaties die complete genen kunnen dupliceren of zelfs hele chromosomen tegelijk kunnen veranderen.

Recombinatie treedt op doordat elk nieuw individu bij geslachtelijke organismen de helft van de genen van de ene ouder en de helft van de andere ouder krijgt. Hierdoor worden deze genen gemixed, en omdat ze elkaar kunnen be챦nvloeden, kan het op deze manier voorkomen dat geheel nieuwe eigenschappen ontstaan. Ook lijken hierdoor kinderen niet perfect op een van beide ouders, waardoor selectie een effectieve rol kan blijven spelen. Overigens hebben ook veel eenslachtige organismen een manier om aan recombinatie te doen, dit gaat echter hier te ver om te bespreken.

Gene flow ontstaat als dieren uit de ene populatie verhuizen naar een andere populatie en hierdoor nieuwe genen inbrengen in die tweede populatie. Vervolgens kan hierop selectie dan haar werk gaan doen. Ook gene flow brengt dus nieuwe genen in in een populatie. Als het gaat om dieren van verschillende soorten, kan dit verschijnsel ook optreden, al is de kans dan wel veel kleiner. Dit wordt horizontale gene flow genoemd.

Hiermee is dus verklaard wat evolutie inhoudt, waar genetische variatie vandaan komt en wat ermee gebeurt.

Maar wat houdt de evolutietheorie dan in?
Die gaat toch over het ontstaan van nieuwe soorten?
Ja en nee.
Ook het bovenstaande is een deel van de evolutietheorie, maar deze theorie past de bovenstaande mechanismen toe om soortvorming te verklaren.Allereerst is het van belang te beseffen dat het begrip “soort” een menselijk begrip is.
Het is niet voor niets dat taxonomie, de wetenschap die soorten en relaties tussen soorten bestudeert, een gebied is waarin eindeloze discussies gevoerd worden: De indeling in soorten is namelijk niet altijd even duidelijk, en vaak blijkt dat er twijfel bestaat over of een bepaalde populatie nu wel of niet een aparte soort is.
Soms zijn de verschillen in genetisch materiaal tussen twee diersoorten kleiner dan de variatie binnen 1 soort (zo heeft de wolf met de herdershond meer genen gemeen dan de herdershond met de poedel) en vaak is het soortbesef eerder historisch gegroeid dan gestoeld op de werkelijkheid.
BIOLOGISCH SOORTBEGRIP
Wat vaak als onderscheid tussen soorten gebruikt wordt, is het vermogen zich voort te planten.
Twee dieren van 1 soort kunnen zich dan wel voortplanten, maar 2 dieren van verschillende soorten niet.
 Hoe ontstaan dan soorten?
Stel je voor, dat een populatie door een of andere oorzaak (overstroming, aardbeving, klimaatverandering, enzovoorts) in twee챘n gesplitst wordt. Gene flow tussen de twee populaties is niet meer mogelijk. Als nu de omgevingsfactoren in de twee omgevingen anders zijn, zullen de twee populaties een andere kant op evolueren. Hierdoor worden ze steeds meer verschillend, want elk past zich aan aan de eigen leefomgeving. Als na een lange tijd de twee soorten weer bij elkaar komen, zullen ze zo sterk veranderd zijn dat ze niet meer samen kunnen voortplanten.
Het zijn dan twee echt verschillende soorten geworden.De evolutietheorie stelt dat op deze manier (en andere, die hier niet besproken hoeven te worden), door vele opsplitsingen van populaties, nieuwe soorten zijn ontstaan, en dat uiteindelijk de afstamming van alle organismen op aarde te herleiden is tot 1 vooroudersoort. ( Volgens woese  drie verschilende  LUCA populaties )
Alle organismen hebben dus 1 gemeenschappelijke voorouder.
De hele geschiedenis van alle organismen op aarde
Verder is de mate van verwantschap tussen twee soorten  uit te drukken als de afstand die terug in de evolutie “afgelegd” moet worden om de ( cladistieke term ) laatste gemeenschappelijke voorouder te vinden.
Hierbij moet opgemerkt worden dat uitdrukkingen als
“de mens stamt van de aap af” evolutionair gezien niet correct zijn: Wel hebben beiden een gemeenschappelijke voorouder gehad, die op evolutionaire tijdsschaal nog niet zo heel lang geleden leefde (enkele miljoenen jaren geleden) en die eigenschappen van zowel de huidige mens als van de huidige aap had.Belangrijk is de tijdsschaal van de evolutie in de gaten te houden.
De aarde ontstond ruwweg 4,6 miljard jaar geleden: De oudste fossielen van levende wezens zijn waarschijnlijk zo’n 3,5 miljard jaar oud.
In die 3,5 miljard jaar is al het leven op aarde ontstaan, en dit is ook de reden dat evolutie moeilijk direct waargenomen kan worden: De tijdsschaal is te groot.
Niettemin zijn er bewijzen gevonden in fossielen van organismen, en ook in laboratoriumexperimenten.

De geschikste leeft voort  :  Wat is natuurlijke selectie?

http://educatie.ntr.nl/beeldbank/clip/t20090623_evolutie01

Wat is de overeenkomst tussen een begonia, een hamster en de mens? Het antwoord is simpel, maar raar: we zijn allemaal familie! En de eerste die dat ontdekt is Charles Darwin. Hij legt in zijn evolutietheorie een verbinding tussen alle organismen die op aarde leven, geleefd hebben en nog zullen leven. Het begint allemaal in 1831 aan boord van het Britse onderzoeksschip The Beagle. Darwin is mee op expeditie en verzamelt planten, dieren, fossielen en gesteenten en hij doet daarbij twee bijzondere ontdekkingen: 1. hij vindt op de Galapagoseilanden 13 onbekende vogelsoorten die nergens anders voor lijken te komen en ten tweede vindt hij fossielen van zoogdieren die van dezelfde soort lijken, maar toch steeds net iets anders zijn. Ze vormen als het ware een reeks met het nog levende zoogdier als laatste in de rij. Tot dat moment denkt iedereen nog, dat plant- en diersoorten niet veranderen. Maar Darwin begint eraan te twijfelen. Hij vermoedt, dat de unieke vogelsoorten die hij op de eilanden vond zich wel eens ontwikkeld zouden kunnen hebben uit soorten van het vasteland. De soort zou dan dus wél veranderd zijn. Pas jaren laten publiceert Darwin zijn evolutietheorie waarbij hij uitgaat van natuurlijke selectie. Simpel gezegd houdt het in, dat individuen met gunstige eigenschappen, denk bijvoorbeeld aan het hebben van heel veel haar in koude gebieden, meer kans hebben om te overleven en meer kleintjes voortbrengen. En je ziet vervolgens, dat veel van die kleintjes ook weer veel van die gunstige eigenschappen hebben. In dit geval worden ze dus lekker harig. En de harigen hebben in koude gebieden meer kans om te overleven dan de minder harigen. Dit noem je dus “natuurlijke selectie”. En deze selectie, die leidt tot aanpassing van individuen aan hun leefomstandigheden en tot de vorming van nieuwe soorten: de harige soorten. Het duurt tot de 20ste eeuw voordat de wetenschap Darwin definitief gelijk geeft. En dit gebeurt dankzij de ontdekking van het DNA, de drager van het erfelijke materiaal. DNA geeft overtuigende nieuwe bewijzen voor gemeenschappelijke afstamming. De Evolutietheorie wordt al sinds Darwin gebruikt, bediscussieerd en misbruikt. De theorie wordt gebruikt bij onderzoek naar ziektes, gelovigen verzetten zich tegen de theorie, omdat die niet strookt met het idee dat God de wereld heeft geschapen, en Nazi’s misbruikten de theorie ter verantwoording van hun recht van de sterkste. Met biologie heeft dat natuurlijk niets te maken

 Evolutie betrapt

Darwin had een ongelooflijk waarnemingsvermogen. Hij was bovendien in staat om, zonder enig benul van genetica of gedetailleerde kennis van fysiologie, zijn waarnemingen in een samenhangende theorie te gieten. Geen wonder dat de meeste evolutiebiologen nog steeds met bewondering en waardering Darwins werk citeren en gebruiken. Dat wil echter niet zeggen dat we sinds Darwin hebben stilgezeten. Integendeel, alles begon pas bij hem.

Na de herontdekking van de wetten van Mendel en de identificatie van het gen als drager van de erfelijke informatie raakte de evolutietheorie in een stroomversnelling, die resulteerde in de Neodarwinistische Synthese.

En natuurlijk bestaan er ook binnen de evolutietheorie rivaliserende hypotheses, zoals binnen elke tak van wetenschap. De evolutietheorie is zo dynamisch als het evolutieproces zelf.

evolutietheorie

variant: evolutietheorieën
(slecht )synoniem: evolutieleer / (want ” leer” impliceert in het dagelijkse  spraakgebruik nogal vlug  :” onveranderlijke waarheid  “)

(Informatie afkomstig uit Encarta Winkler Prins Naslagbibliotheek www.winklerprins.com   )

Evolutietheorie, een theoretische beschouwing over de evolutie , de ontwikkeling van soorten in de loop van de tijd. De meest gangbare theorie is de evolutieleer, oftewel het neodarwinisme.

Alle evolutietheorie챘n hebben als basis de gedachte dat de soorten in de loop van de tijd geleidelijk uit elkaar ontstaan. Dit ontstaan van soorten gaat nog steeds door. Sommige organismen evolueren snel (bijv. sommige virussen (bijv. het HIV) en micro-organismen (bijv. ziekteverwekkende bacteri챘n), andere langzaam. Diersoorten die gedurende zeer lange tijd niet veranderen kunnen tot levende fossielen worden.

Informatie afkomstig uit Encarta Winkler Prins Naslagbibliotheek www.winklerprins.com

Evolutieleer, of neodarwinisme, de huidige evolutietheorie, gebaseerd op het darwinisme. Het neodarwinisme onderscheidt zich van het darwinisme doordat het een uitgewerkte, en experimenteel bevestigde theorie over de erfelijkheid bezit.

De evolutieleer berust op de volgende empirisch onderbouwde uitgangspunten: individuen binnen een planten- of dierensoort verschillen voor een klein deel (enkele procenten tot enkele fracties daarvan) erfelijk van elkaar. Deze erfelijke variaties zijn ontstaan door: een verandering van de genetische code van een gen, mutatie geheten, de volgordeverandering van genen op een chromosoom,recombinatie,verplaatsingen van stukken junk-DNA, zogeheten transposons, binnen chromosomen, en met name die verplaatsingen waar transposons gedeeltelijk gaan overlappen met genen.geslachtelijke voortplanting bij soorten die zich geslachtelijk voortplanten. De drie voorgaande opwekkers van variatie zijn willekeurig en leiden tot nieuwe genen, of varianten van genen (allelen). Geslachtelijke voortplanting is onwillekeurig. Hoewel deze slechts leidt tot nieuwe combinaties van al bestaande varianten van genen (allelen), is ze een belangrijke opwekker van individuele variatie.overcapaciteit: er worden meer nakomelingen geboren dan voor de vervanging van de ouders nodig is. In principe vertoont een populatie, die zich ongehinderd kan vermenigvuldigen, daarom exponenti챘le groei.constante populatiegrootte: bij benadering blijft in een ecosysteem het aantal individuen binnen een populatie echter constant, bijvoorbeeld door natuurlijke vijanden of door voedselschaarste.

Charles Darwin, voorvechter van de evolutietheorie         Naturalis

Wie was Charles Darwin?        Naturalis

Charles Darwin

3. Het mechanisme achter het ontstaan van soorten Naturalis

Mutaties Natuurlijke selectie

4. Adaptatie Naturalis

adaptaties Aanpassing

Hoofdgedachten van de evolutietheorie van Darwin Naturalis / Darwins denkstappen instelling:/Evolutietheorie van Darwin

Darwiniaans evolutionisme

evolutieleer voor dummies

Evolutionary links from PBS Program (100’s under Evolution Library)

“There is grandeur in this view of life, with its several powers, having been originally breathed into a few forms or into one; and that, whilst this planet has gone cycling on according to the fixed law of gravity, from so simple a beginning endless forms most beautiful and most wonderful have been, and are being, evolved.”  Charles Darwin

Lucy

….Laetoli Footprints Video

Human Evolution

Neanderthal

Sexual

Evolutionary Time and general

Examples

Microbiology

.


.

De geschiedenis van het leven op aarde

.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Aarde

.

.

http://www.youtube.com/watch?v=vUmPAyHytBY&feature=channel&list=UL

De aarde bestaat ongeveer 4600 miljoen jaar. In het begin was er geen leven. Ongeveer 3800 miljoen jaar geleden ontstonden waarschijnlijk de eerste eenvoudige vormen van leven. In dit tijdvak was er nog geen zuurstof. De eerste bacteriën verschenen ongeveer 2300 miljoen jaar geleden. Hieruit ontwikkelden zich eencellige planten en dieren. Uit deze groep evolueerden de veelcellige organismen.
.
 
Ongeveer 400 miljoen jaar geleden verschenen de eerste landplanten. In korte tijd verspreidden planten zich over het land. In dezelfde periode ontstonden ook de eerste gewervelde dieren en vissen. Na de landplanten volgden de landdieren. Er was voldoende zuurstof in de atmosfeer. De landdieren zijn ontstaan in de volgende volgorde: geleedpotigen – amfibie챘n – reptielen – zoogdieren. 65 Miljoen jaar geleden stierven de reuzenreptielen (de sauriërs) uit en verschenen de kleinere reptielen.
Ongeveer 1 à 1,5 miljoen jaar geleden verschenen de eerste primitieve mensen.
 .
 
Veranderingen van de aarde – veranderingen van dieren
.
 
De dinosauriërs vormden lange tijd de top van de voedselpiramides. Er waren ook grote plantenetende reptielen. Door een plotselinge verandering op aarde verdwenen de grote dinosauriërs. Er waren verschillende groepen dieren, die de sauriërs opvolgden: de buideldieren en de loopvogels in Zuid-Amerika en Australië.
Er deden zich op aarde verschillende veranderingen voor: De continenten dreven naar elkaar toe en er vormden zich landbruggen waarover landdieren zich konden verspreiden over nieuwe gebieden. Belangrijke opvolgers waren de zoogdieren. Hun gebit was heel belangrijk bij de ontwikkeling van deze groep.
.
Veranderingen in erfelijke eigenschappen
.
Door geslachtelijke voortplanting hebben nakomelingen andere erfelijke eigenschappen dan hun ouders. De erfelijke eigenschappen kun je niet zien. Hoe een organisme eruit ziet aan de buitenkant hangt af van de leefomstandigheden (het milieu) van een organisme.
.
Natuurlijke selectie
.
Natuurlijke selectie hangt samen met de overlevingskans van een organisme. Of een organisme goed of slecht is aangepast hangt voor een groot deel af van erfelijke eigenschappen. Organismen die zich goed hebben aangepast, hebben een grotere overlevingskans. Nakomelingen van organismen die goed zijn aangepast, hebben een grotere kans op succesvolle voortplanting. Soorten kunnen door selectie steeds veranderen. Voorbeelden van aanpassingen zijn: voedselspecialisatie, zoals de bamboe etende panda; een schutkleur, zoals een hermelijn (zomer – winter); en slim gedrag, zoals de vos.
.

Het ontstaan van nieuwe soorten
.
 
Wanneer soorten van elkaar ge챦soleerd raken kunnen nieuwe soorten ontstaan. De isolatie zorgt voor een ontstaan van verschillen tussen de soorten. Op den duur kunnen de soorten zich niet meer onderling voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen. Hetzelfde kan gebeuren wanneer een deel van de groep ge챦soleerd raakt van de rest.
.
Argumenten voor de evolutietheorie
  • Overeenkomsten in de manier waarop organismen zich voor de geboorte ontwikkelen.
  • Overeenkomsten in hoe organismen eruit zien.
  • Overeenkomsten in de manieren waarop verschillende organismen zich voeden, zich voortplanten en leven.
  • Dieren hebben organen die geen functie hebben; rudimentaire organen.

JOURNEY OF LIFE

Van de ontwikkeling van de eerste molecule, bijna 4 miljard jaar geleden, over de eerste zeedieren, de eerste stappen op land en de verovering van de lucht, tot de potenti챘le menselijke capaciteit om zichzelf te klonen in een laboratorium.

 Earth from space - image courtesy of NASAThe recipe for life
What makes a handful of chemicals spring into life? Discover the essential ingredients that populated a planet.

*3.8 billion years to when life began. Journeying round the oceans,= how the incredible variety of sea creatures arose, from the first microbes to hagfish and dolphins.

Steve and fish in the Cayman Islands © BBCSea Life
Explore the myriad life forms of our oceans and take the Blue Planet Challenge.

*500 miljoen jaar geleden kwamen de eerste dieren uit zee aan land gekropen die zich in een langzaam evolutieproces aanpasten aan die nieuwe omgeving. Uiteindelijk zouden ze zich naargelang hun levensomstandigheden diversifieëren tot de ongelooflijke variatie aan dieren die vandaag over de continenten zwerven, van de woestijnen tot de poolgebieden.

Spotted salamander on moss © Nigel Bean  Land Grab

the pioneer life forms as they emerged from the seas and evolved adaptations to make them ever better able to cope with life on land, from the searing heat of the deserts to the icy polar wastes.

De derde aflevering, toont de spectaculaire evolutionaire stap die sommige dieren maakten door zich op eigen kracht los te maken van het land of de zee en het luchtruim te veroveren.

Er waren vier verschillende soorten dieren die daarin slaagden, maar de pioniers waren de insecten.

Vreemd genoeg dienden de eerste vleugels niet om te vliegen maar om te zeilen. Sommige soorten steenvliegen hebben ook nu nog vleugeltjes die ze uitsluitend gebruiken om zich over het wateroppervlak voort te bewegen.

Waarschijnlijk heeft 챕챕n van hun voorgangers ooit vleugels ontwikkeld die groot genoeg waren om het diertje de lucht te laten ingaan: de eerste vlieger was geboren.

we maken kennis met allerhande soorten vliegende dieren, hedendaags en uitgestorven, piepklein (zoals de kolibrie) en reuzengroot (zoals de wilde zwaan, de jumbo jet van het luchtruim).

Bij de allereerste vliegers waren libellen met een spanwijdte van 60 centimeter en pterosauri챘rs, vliegende monsters zo groot als een deltavlieger.

Hummingbird hawkmoth feeding on flower nectar, Germany © Hans Christoph KappelAnimals crawled on to the land 500 million years ago, but it was another 100 million years before life finally became airborne. Insects led the way, but their story is still shrouded in mystery.

Cleaner wrasse cleaning a rosy goarfish, Red Sea © Georgette Douwma / naturepl.comThe greatest evolutionary challenge faced by living things has been each other! From cunning carnivores to sex crazed elk, : how the relationships between living things can drive evolution itself – with some truly bizarre results.

EVOWIKI http://evolutionwiki.org/wiki/Main_Page

http://en.wikipedia.org/wiki/Evolution

Evolutie

http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Evolutie

A

C

D

E

F

G

H

L

M

N

O

P

S

T

W

Category:Evolution

From Wikipedia, the free encyclopedia

Jump to: navigationsearch
All wikimedia projects
Articles and media on this topic in other Wikimedia projects can be found at: Commons Category Evolution

Evolution is any process of growth or development that entails change. The word stems from the Latin evolutio meaning “unfolding” and before the late 19th century was confined to referring to goal-directed, pre-programmed processes such as embryological development. A pre-programmed task, as in a military maneuver, using this definition, may be termed an “evolution.” After the publication of Charles Darwin‘s The Origin of Species in 1869, “evolution” became primarily associated with biological evolution as a non-guided process for the differentiation of forms of life from a common ancestor. One can also speak of stellar evolutionchemical evolutioncultural evolutionspiritual evolution or the evolution of an idea. Other kinds of evolution include evolutionary algorithms (which include genetic algorithms) which attempt to mimic processes similar to biological evolution in a computer program, most frequently as an optimization technique and as an experimental framework for the computational modelling of evolution. It is also invoked as a concept in ideas on emergent order.

Some of the articles listed here are critiques of the concept of evolution, or its applicability to a particular discipline.

For more information, see the article about Evolution.

Subcategories

There are 7 subcategories to this category.

A

D

E

S

Pages in category “Evolution”

There are 72 pages in this section of this category.

8

A

B

C

D

E

E cont.

G

H

I

L

M

N

O

O cont.

P

Q

S

T

U

V

W

Steve Leonard and baby chimp © Steve LeonardFive million years ago we separated from our chimpanzee cousins. : how landscape changes drew us down from the trees and out on to the newly formed African savannah.

Human evolution
Take a journey through time, from the last ancestor of chimps and humans to the emergence of modern people.

One of our closest relatives, the chimpanzee

The aquatic ape theory
Explore the theory on how upright walking, and other characteristics that separate humans from their closest relatives, came about.

BBC Education:: Evolution Darwin’s life and theories.


HANS STEUR  OVER EVOLUTIE 

EVOLUTIE

http://www.fossieleplanten.nl/Evolutie/evolu0.html

 

Evolutie is het overgaan van de ene soort in de andere. De vele soorten planten en dieren, die nu op aarde bestaan, zijn allemaal in vroegere tijden ontstaan uit andere soorten. Verwante soorten hebben een gemeenschappelijke voorouder. Zo stammen de Afrikaanse en de Indische olifant waarschijnlijk af van een olifantensoort die zo’n vijf miljoen jaar geleden leefde.

 

Alfred Russel WallaceCharles Darwin

Charles Darwin wordt gezien als de vader van de evolutietheorie, hoewel ook Alfred Russel Wallace die heeft ontdekt. Darwin beschreef de theorie heel uitgebreid in zijn boek ‘Het ontstaan van de soorten’ dat in 1859 uitkwam.

De evolutietheorie is heel belangrijk omdat je daardoor beter begrijpt hoe de natuur op aarde zijn vorm heeft gekregen. Je krijgt meer respect voor de natuur als je weet hoeveel miljoenen jaren het heeft geduurd voordat al die soorten zijn ontstaan.

Evolutie is een heel ingewikkeld proces. Wie er meer van wil weten, moet een van de vele boeken lezen die er over geschreven zijn.

Hieronder staan de boeken waaruit geput is voor deze  dialezing. Er zijn talloze boeken over het onderwerp geschreven. Mogelijkheden genoeg voor verdere verdieping

Anoniem: Het ontstaan van soorten. Natuur en Techniek, 1983
Beer G. de: Atlas van de evolutie. Elsevier, 1966
Caird R.: Aapmens. Het verhaal van de evolutie van de mens. Teleac/Standaard Uitgeverij, 1995
Czerkans S.J. & Czerkas A.C.: De oerwereld van de Dinosauri챘rs. Tirion, 1993
Darwin C.R.: Over het ontstaan van de soorten door middel van natuurlijke selectie of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het leven. Nieuwezijds, 1998.
Dawkins R.: Onze zelfzuchtige genen. Over evolutie, agressie en eigenbelang. Pandora, 1995.
Fortey R.: Leven, een ongeautoriseerde biografie. De geschiedenis van vier miljard jaar leven op Aarde. Anthos,1998
Goldschmidt T.: Darwins hofvijver. Een drama in het Victoriameer. Prometheus, 1997
Gould S.J.: Wonderlijk leven, Contact, 1991.
Grzimeks Tierleben. Kindler Verlag, 1972
Jones S.: De taal van de genen. Biologie, geschiedenis en onze evolutionaire toekomst. Bodoni, 1994
Margulis L.: De symbiotische planeet. Contact, 1999
Mayr E.: Het recht van de sterkste. Prometheus, 1992
Minkoff E.C.: Evolutionary Biology. Addison-Wesley, 1984
Moody R.: Fossielen (Natuurbibliotheek). Atrium, 1984
Moore R.: Evolutie. Parool/Life serie, 1964
Norman D.: De fantastische wereld van de prehistorie (De opkomst van de gewervelde dieren). Standdaard Uitgeverij, 1994
Owen E.: Prehistorische dieren. In den Toren, 1977
Patterson C.: Evolutie. Kosmos, 1981
Pope J.: Het raadsel van het leven. Een beeld van de evolutie op Aarde. Elsevier, 1986
Quammen D.: Het lied van de dodo. Atlas, 1998
Schilder M. & Lebouille M.: De evolutie de baas. Vossiuspers AUP, 1998
Skelton P.: Evolution. A biological and palaeontological approach. Addison-Wesley/Open University, 1993
Spinar Z.V. & Burian Z.:Leven in de oertijd. Haarlem Holland, 1978
Strien W. van. e.a.: Evolutie betrapt. Onderzoekers in het voetspoor van Darwin. KNNV, 1999
Weiner J.: De snavel van de vink.  Evolutie op heterdaad betrapt. Contact, 1994
Whitfield P.: De evolutie van het leven. Natuur en Techniek, 1994
Wilson E.O.: Het veelvormige leven. Contact, 1994
Wilson E.O.: Van mieren bezeten. Spectrum, 1997
Wolf J. & Burian Z.:Mensen uit de oertijd. Holland Haarlem, 1979 

Hans Steur


Biografie van Charles Darwin
Biografie van Alfred Russell Wallace
The writings of Charles Darwin on the web

1 Aanwijzingen voor evolutie 2 Zeer oude planten 3 Aardlagen en fossielen 4 Overeenkomst in bouw van gewervelden
5 Natuurlijke selectie 6 Strijd om het bestaan 7 Sexuele selectie
Kunstmatige selectie
8 Mendel, erfelijkheid
Erwtenrassen
9 Kruising, F1, F2
Dominant, recessief
10 Cel, celkern, chromosomen
Genen, organellen
11 Crossing-over
Mutaties
12 Albinisme
Axolotl
13 Regelgen, atavisme
Monstruositeit
Genenpool
14 Mayr, Raup, Hugo de Vries
Sprongmutaties, uitstervingen
Moderne synthese
15 Soort en geslacht
Kruising, muildier
Voortplantingsbarrière
16 Allopatrische soortvorming
Geografische isolatie
Mensenrassen
17 Rassencirkel
Meeuwen, salamanders
18 Darwinvinken
Adaptieve radiatie
19 Eilandfauna’s
Dwerggroei
Dwergolifant, Floresmens
Endemische soorten
20 Fruitvliegen op Hawaii
Niche
Founder-effect
Sympatrische soortvorming
21 Gould, Eldredge
Puntuated equilibrium
Gradualisme
22 Wapenwedloop
Coëvolutie
23 Erfelijk gedrag
Instinct
Broedparasitisme
24 Cichliden
Victoriameer
Tijs Goldschmidt
25 Mimicry
Schutkleur
26 Voorbeelden van mimicry 27 Convergente evolutie
Buideldieren
28 Kiwi en Moa
Allometrische verschijnselen
29 Coelacanth
Levende fossielen
Micro- en macro-evolutie
30 Ontstaan van poten
Ichthyostega
31 Ontstaan van vleugels
Verandering van functie
Oervogel
Missing link
32 Ontstaan van gewervelden
Zakpijp
Pedomorfose
Neotenie
33 Tijdklok
Prokaryoten en Eukaryoten
Endosymbiose
34 Stamboom van het leven
Meercelligheid
Volvox
35 Burgess Shale
Cambrische explosie
Anomalocaris
36 Stamboom gewervelde landdieren
Eerste reptielen
Hylonomus
37 Lizzie the Lizard
Het amniotische ei
38 Fossielen van mensachtigen
Voetsporen
39 Lucy
Australopithecus afarensis
Homo habilis
40 Stamboom van de mens
Neanderthaler, Homo sapiens
Cro-Magnon
41 Charles Darwin

Klik op een trefwoord om naar de desbetreffende pagina te gaan.
Gebruik de toets ‘Vorige’ om terug te gaan naar dit register.

A.
Aglaophyton
Alethopteris
ammoniet
Amyelon
Annularia
Annularia galioides 
Annularia radiata
Annularia sphenophylloides
Annularia stellata
Anthracosia
Aphlebia 
Archidesmus 
(miljoenpoot)
Arthropleura
Artisia
Asterophyllites equisetiforme
Asteroxylon
Asteroxylon
 mackiei
Autunia

AutunienB
Baragwanathia longifolia
Belinurus
boeken
boomvaren Tempskya
Breyeria harlemensisC.
Calamites (Carboon)
Calamites 
(Perm)
Calamostachys
callipteriden
Callipteris

Carboon en Perm (lezing)
Cardiocarpus
Cephalaspis
 (kaakloze vis)
cephalopoden (lezing)
coniferen
continentenverschuiving
Cooksonia
Cooksonia caledonica

Cooksonia cambrensis
Cooksonia hemisphaerica
Cooksonia paranensis
Cooksonia pertoni
Cooksonia
 (uitgebreid)
Cordaicarpus
Cordaicladus
Cordaites 
(Carboon)
Cordaites 
(Perm)
Cordaites principalis
Crossotheca crepinii
Culmitzschia

Cuticula
Cyclopteris

D
Darwin (lezing).
diashow Rhynie Chert
duizendpootachtige

E.
Ernestiodendron

Euproops
Eusphenopteris neuropteroides
Eusphenopteris striata 

evolutie (lezing)
excursiefoto’s

F
fossielenwerkgroep Wageningen

G
Ginkgo

Gomphostrobus
.
Gosslingia 
Gracilopteris

H.
Hans de Kruyk

holdfast 
Horneophyton 
Horneophyton lignieri

houtvaten
houtvaten Asteroxylon
houtvaten C.pertoni (SEM)
huidmondje
huidmondje Rhynia

 

I
Ibbenb체ren
IchthyosaurusK
Kampecaris
kikker
kreeft (Rhynie)
kreeft (Solnhofen)L
Lepidocaris rhyniensis
Lepidodendron
Lepidodendron aculeatum
Lepidodendron lycopodioides
Lepidostrobophyllum

lezingen
libel (Carboon)
links
Lod챔ve
Lodevia

M
Madensteine

Maiocercus celticus (spin)
Mariopteris
Mariopteris muricata
Mariopteris nervosa
Mariopteris sauveurii
Miljoenpoot (Perm)
Miljoenpoot (Devoon)
Moresnetia
Moresnetia zalesskyi

N
necrofiel weefsel 
Nematothallus
Neuropteris 
(Carboon)
Neuropteris 
(Perm)
Neuropteris attenuata
Neuropteris attenuata 
(blad)
Neuropteris dussartii
Neuropteris heterophylla
Neuropteris obliqua
Neuropteris scheuchzeri
Neuropteris tenuifolia
Nothia aphylla

O
Odontopteris

Otovicia

oudste landplanten
oudste zaadplant

P
Pachytheca (kort)
Pachytheca 
(uitgebreid)
Palaeocharinus rhynienis
Palaeostachya
Palmatopteris furcata
Palmatopteris 
sp.
Pangea
Paripteris pseudogigantea
Parka
Parka decipiens
Pecopteris 
Pecopteris 
(Psaronius)
Pecopteris miltonii
Pecopteris plumosa
Pecopteris sp

peel

peltaspermen
Permplanten
Piesberg 
Pinnularia
planten (lezing)
Pleurojulus
 steuri
Psaronius
publicaties

 

R
Reticulopteris m체nsteri
reuzenduizendpoot
Rhachiphyllum

Rhacophyton
Rhacophyton condrusorum

rhizoom (Calamites)
rhizoom (Zosterophyllum)
Rhynia
Rhynia gwynnevaughanii

Rhynie Chert (algemeen)
Rhynie Chert (foto’s)
Rhynie Chert (lezing)S
Samaropsis
Sawdonia ornata
schimmel (algemeen)
schimmel (foto’s)
Scolecopteris

Scolecopteris

Sigillaria
Sigillaria (tabel)
Sigillariostrobus
slangster (Bridport)
Sphenopteris
Sphenopteris brongniartii
Sphenopteris coemansii
Sphenopteris crepinii 

spin (Mioceen)
spinachtige (Ibbenb체ren)
spinachtige (Rhynie Chert)
Spirorbis
sporangium Cooksonia
sporangium C.pertoni (SEM)
sporangium Horneophyton
sporangium Rhacophyton
spore C. pertoni
sporenaar paardenstaartboom
sporenaar wolfsklauwboom 
Staarsteine

sterrenshow
Stigmaria 
SyringodendronT
Taeniopteris
Tempskya
tetrade
Trichopitys
trigonotarbide (Ibbenb체ren)
trigonotarbide (Rhynie)
trilobieten (lezing)
trilobiet

V
varen
vissen (lezing)

W
Walchia

Walchianthus

Walchiostrobus

werkgroep fossielen

Z
zaadvaren (Carboon)
zaadvaren (Perm)
zeelelie (Charmouth)
Zosterophyllum
Zosterophyllum myretonianum

 

Siluur
Devoon
Siluur/Devoon
Siluur/Devoon
Siluur/Devoon
Devoon
Devoon
Devoon
Devoon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon
Carboon/Perm
Perm
Perm – heden
Krijt

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

One Response to EVOLUTIE

  1. Pingback: The origin of species « Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: