DARWINJAAR


   
Darwinjaar trekt zich op gang I
Darwinjaar trekt zich op gang II <klik
Inhoud  
1.- Darwin
2.-Darwin vs lamarck
3.-Lessen in nederigheid
4.-Als darwin Mendel had gelezen
5.-Darwiniana
6.-Waarom wachten (Tomaso Agricola )
7.- Darwinjaar l959
8.-Nederland  in ’59 :  en Paul Storm
9.-Darwin’s  verjaardag  2007 2008   / Gert Korthof
10.-  Midas Dekker over Darwin
11.- Darwin’s theorie is minstens voor de helft achterhaald
12.- een update voor Darwin
13.- Revolutie in het denken over evolutie
14.-The Origin of Species: het grootste waagstuk aller tijden
Gert Korthof
15.-Darwin en Archaeopteryx
16.-NIEUWE SYNTHESE ? De ” NIEUWE ” biologie ?
De grenzen van het neodarwinisme
17.-micro en macro evolutie ( Gerdien De Jong )
18.-Darwinjaar 2009 en het Internationale Jaar van de Sterrenkunde.
19.-Na het Darwinjaar , ideologen / pseudowetenschap en creationisten
DARWIN
door Sander van Doorn op 08-02-2007,
‘Zo zien we in dat de mens afstamt van een harige viervoeter, uitgerust met een staart en puntige oren.’ Het zijn bij uitstek deze woorden uit het omvangrijke werk (http://darwin-online.org.uk) van Charles Darwin (1809 – 1882) die bij het grote publiek diepe indruk hebben achtergelaten. Dat is niet zo vreemd. Met zijn conclusies over de afstamming van de mens raakt Darwin ons zelfbeeld. We zouden bijna vergeten dat zijn evolutietheorie veel verder kijkt dan de menselijke soort oud is. Evolutie legt de verbinding tussen alle organismen die op aarde leven, geleefd hebben, of nog zullen leven. Het is een verklarend principe voor alle biodiversiteit.
Direct na zijn theologiestudie belandt de 22-jarige Darwin aan boord van H.M.S Beagle, een Brits onderzoeksschip op expeditie over het zuidelijk halfrond. Zijn taken: gezelschap bieden aan de kapitein en het verzamelen van planten, dieren, fossielen en gesteenten. Terug in Engeland buigt Darwin zich over het verzamelde materiaal. De resultaten zijn verbluffend. Met de hulp van experts ontdekt Darwin 13 verschillende, tot dan toe onbekende soorten vogels tussen de exemplaren die hij had meegenomen van de Galapagos eilanden. De vogels bleken alleen op de Galapagos voor te komen. Een ander verrassend inzicht ontleende Darwin aan zijn verzameling zoogdierfossielen. Ze gaf de indruk van een opeenvolgende serie op elkaar lijkende soorten, met de nu levende zoogdieren als meest recente vorm.
Darwin begon te twijfelen aan het dogma dat soorten onveranderlijk zijn. Hadden de unieke soorten op eilanden zich misschien ontwikkeld uit soorten die we nu nog tegenkomen op het vasteland? De gedachte wierp nieuw licht op patronen die biologen al veel eerder hadden opgemerkt. Volgens het systeem van Linnaeus werden soorten ingedeeld in een hierarchische structuur op basis van uiterlijke overeenkomst. Misschien was die structuur wel meer dan een handig classificatiesysteem, namelijk een afspiegeling van de afstammingsgeschiedenis van soorten. Het zou 22 jaar duren voordat Darwins gedachten hun uiteindelijke vorm vonden in zijn belangrijkste boek, ‘On the Origin of Species’. De uiteindelijke publicatie was alsnog een haastklus. De onafhankelijke ontwikkeling van soortgelijke ideeën door de Britse natuuronderzoeker Alfred Rusell Wallace dwong Darwin tot voortijdige publicatie.
De kern van Darwins theorie rust op drie biologische feiten:
1. Bij alle soorten worden meer nakomelingen geboren dan noodzakelijk voor de instandhouding van de soort; elke soort kan daardoor in potentie ongebreideld in aantal toenemen. 2. In de praktijk bereikt elke populatie vroeg of laat een stabiele omvang. Toenemende populatiegroottes leiden immers tot hogere sterftecijfers door toenemende concurrentie. Kortom, in elke stabiele populatie woedt een strijd om het bestaan die het geboortenoverschot compenseert. 3. Binnen alle soorten bestaan verschillen tussen individuen in uiterlijke en inwendige kenmerken. Een deel van deze verschillen erft over van ouders op nakomelingen.
Door expressie van de variatie (het fenotype) van erfelijke eigenschappen, redeneerde Darwin, zijn sommige individuen beter af in de strijd om het bestaan dan anderen. Individuen met gunstige eigenschappen hebben misschien een hogere overlevingskans of meer succes bij het grootbrengen van hun kroost. Hun erfelijke eigenschappen worden daardoor relatief sterk vertegenwoordigd in de volgende generatie. Zoals een plantenveredelaar selecteert op eigenschappen die hem aantrekkelijk voorkomen, zo selecteert de natuur dus eigenlijk als vanzelf op eigenschappen die van pas komen in de strijd om het bestaan. Over meerdere generaties leidt deze natuurlijke selectie tot micro-evolutie, het geleidelijk geschikter worden van individuen voor hun levensomstandigheden.
Het was voor Darwin welhaast vanzelfsprekend dat de langdurige werking van natuurlijke selectie zou leiden tot de vorming van nieuwe soorten. Hij beschrijft het ontstaan en uitsterven van soorten (macro-evolutie) als het groeien van een boom: ‘Zoals knoppen uitgroeien en weer nieuwe knoppen opleveren, en zoals deze -als ze sterk genoeg zijn- zich wijd vertakken en menig zwakkere tak overschaduwen, zo, geloof ik, is het ook gegaan met de machtige Boom van het Leven.’ Darwin voert de vergelijking nog wat verder door. Zoals de takken van een boom voortkomen uit 챕챕n stam, zo zijn alle levensvormen voortgekomen uit 챕챕n oervorm.
Als dat klopt, is de evolutionaire geschiedenis van elk willekeurig gekozen tweetal organismen vroeg of laat te herleiden tot een gemeenschappelijke voorouder. Het is een fascinerend idee. Stelt u zich maar eens voor dat u meereist met een magische bus; bij elke meter die de bus rijdt, gaat hij een eeuw terug in de tijd. De route voert langs uw moeder, uw moeders moeder en al uw verdere voorouders in de vrouwelijke lijn. Bij elke voorouder die u passeert, verschijnen nieuwe passagiers in de bus. Eerst uw broers en zussen, dan een paar neven en nichten, en daarna telkens hedendaagse aardbewoners die vanaf dat punt van de reis hun matrilineale afstammingsgeschiedenis met u delen. Al na minder dan twee kilometer reist u samen met de voltallige huidige wereldbevolking. Enkele tientallen kilometers later verschijnen chimpanzees in de bus. Na een paar honderd kilometer herkent u tussen de passagiers opeens uw kat. U krijgt gezelschap van uw goudvis na zo’n vierduizend kilometer, en na 15.000 kilometer (ruwweg de afstand van Amsterdam tot Sydney) reist u samen met de regenwormen uit uw achtertuin.
Evengoed zou Darwin veel hedendaagse evolutiebiologische labs niet als zodanig herkennen. Evolutiebiologen kunnen tegenwoordig niet meer zonder de technieken van de moderne erfelijkheidsleer. Dit vakgebied komt voort uit het werk van Gregor Mendel, een tijdgenoot van Darwin. Het duurde echter tot de 20e eeuw voordat Mendels inzichten in de overervingsregels voor erfelijke eigenschappen gecombineerd zouden worden met Darwins inzichten in de werking van natuurlijke selectie. Deze gebeurtenis, aangeduid als de moderne synthese, staat aan de wieg van de hedendaagse evolutiebiologie.
Door de moderne synthese zijn biologen soorten gaan zien als groepen organismen die onderling geen erfelijke informatie uitwisselen. Een nieuwe soort kan ontstaan als een deel van de individuen steeds minder goed kruist met de rest van de soort. Dat kan het gevolg zijn van langdurige ruimtelijke scheiding. Ruimtelijk gescheiden populaties passen zich afzonderlijk aan hun eigen omgeving aan. Ze kunnen daardoor z처 sterk gaan verschillen dat onderling kruisen onmogelijk wordt. Hoewel Darwin niet wist wat we nu weten over erfelijkheid, waren zijn vermoedens over het ontstaan van nieuwe soorten op afgelegen eilanden dus helemaal nog niet zo gek.
De ontdekking van het DNA als drager van het erfelijk materiaal heeft een nieuwe impuls gegeven aan de evolutiebiologie. DNA onderzoek geeft overtuigende nieuwe bewijzen voor gemeenschappelijke afstamming: alle organismen gebruiken dezelfde vertaalsleutel om informatie op te slaan in het DNA, en alle dieren gebruiken dezelfde genen in hun embryonale ontwikkeling. Het DNA is te lezen als een geschiedkundig archief dat inzicht geeft in de evolutionaire relaties tussen soorten. We begrijpen nu hoe nieuwe biologische variatie ontstaat door veranderingen in het DNA (mutaties) en de herschikking van erfelijke eigenschappen van de ouders in hun nakomelingen (recombinatie). We begrijpen steeds beter hoe variatie in het DNA (het genotype) wordt vertaald naar verschillen in uiterlijke kenmerken en inwendige(het fenotype). En we beginnen te begrijpen hoe natuurlijke selectie op fenotypische variatie door de generaties heen leidt tot veranderingen in het genotype.
De evolutietheorie vindt praktische toepassingen in de geneeskunde en het natuurbeheer. Ingenieurs gebruiken computermodellen van selectie- en mutatieprocessen om oplossingen te vinden voor lastige optimalisatie problemen. In de gedaante van de evolutionaire speltheorie en evolutionaire psychologie is evolutie zelfs doorgedrongen tot in de sociale wetenschappen en de ethiek. Ook binnen de taalwetenschappen en culturele studies staat evolutie in de belangstelling: de verandering van culturele informatie (culturele evolutie) laat zich misschien wel net zo beschrijven als de verandering van genetische informatie onder invloed van mutatie en selectie (biologische evolutie). Buiten de wetenschappen zijn Darwins ideeën -tegen zijn opvattingen in- soms misbruikt als verantwoording voor het recht van de sterkste. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de nazistische rassenleer en gedwongen sterilisatieprogramma’s.
Evolutie is een steeds terugkerend thema in discussies over de relatie tussen natuurwetenschap en geloof. Sinds het eerste beroemde debat in deze traditie -tussen ‘Darwins bulldog’ Thomas Huxley en bisschop Wilberforce- verlopen deze discussies soms buitengewoon fel. Voor de diep-gelovigen spelen sterke levensbeschouwelijke emoties mee. Verzet tegen de evolutietheorie leeft binnen verschillende godsdiensten. De conservatieve evangelisch-christelijke beweging in de VS is een drijvende kracht achter de ontwikkeling van alternatieven voor de evolutietheorie. Deze alternatieven doorstaan de toets der wetenschappelijke kritiek niet.
Hoe u er ook tegenaan kijkt, Darwin heeft ons diep geraakt. Misschien voelt u zich nog wat ongemakkelijk over uw evolutionaire familierelaties met uw hamster of de begonia in de vensterbank. Aan de andere kant is Darwins kijk op de levende natuur niet zonder grandeur: ‘eindeloze vormen, in al hun wonderlijke schoonheid, zijn ge챘volueerd, en zullen dat blijven doen’. Het maakt je toch nieuwsgierig naar wat er nog komen gaat.
Het belang van Charles R. Darwin( volgens Paul Brakefield)
Hester van Santen
Wanneer: 1809 – 1882
Bekend om: theorievorming over evolutie door natuurlijke selectie
Belangrijkste werken: On the Origin of Species (1859) en The Descent of Man (1871)

De bijzin ‘Onderzocht door Charles Darwin’ duikt nogal eens op in colleges of wetenschappelijke teksten. Niet alleen als blijk van historisch besef, maar lijkt het zelfs een keurmerk voor wetenschappelijke relevantie. En dat beperkt zich niet tot onderzoekers die zich dagelijks met evolutie bezighouden.

Het centrum voor reproductieonderzoek in Washington haalt de auteur van de Origin of Species graag aan over zijn waarnemingen aan orchideeën, de afdeling geologie van de Universiteit van Puerto Rico roept zijn geschriften over Pacifische atollen ter herinnering, een Californisch centrum voor agrarisch onderzoek wijst zijn studenten op Darwins observaties van het belang van wormen uit The formation of vegetable mould through the action of worms.

Voor de Leidse hoogleraar evolutiebiologie prof.dr. Paul Brakefield is de veelzijdigheid van Charles Darwin, die zijn wetenschappelijke carrière op 23-jarige leeftijd begon als onderzoeksmedewerker op het schip de Beagle, een toonbeeld van zijn talent.
‘Hij had echt zo’n brede kennis, hij gaf zo’n breed overzicht. Dat vind ik bijzonder.’

De suggestie dat Darwin vooral geluk had – hij kon na zijn thuiskomst met de Beagle in 1863 twintig jaar in alle rust aan zijn evolutietheorie en andere biologische onderwerpen werken, omdat hij een telg was uit de rijke Wedgewood-familie – wijst Brakefield resoluut van de hand.
‘Hij maakte zijn eigen geluk. Ik vind dat hij een fantastische waarnemer was, en dat hij ook zijn kennis van de geologie en de filosofie gebruikte.’

Ook in andere biologische onderzoeksvelden klinkt instemming. Moleculair geneticus prof.dr. Paul Hooykaas:
“In de moleculaire biologie zijn we er niet dagelijks mee bezig, de mechanismen voor het overleven in de natuur spelen in het lab niet dezelfde rol. Maar Darwin heeft wel het basisprincipe neergelegd, want de evolutie ligt ten grondslag aan ons werk.’

Theoretisch bioloog prof.dr. Hans Metz wijst erop dat veel verschijnselen in de natuur zonder het werk van Charles Darwin totaal onbegrijpelijk zouden zijn.
‘Darwins theorieën gaan niet meer uit van een soort van ‘maker-idee’. Je ziet dat bijvoorbeeld dat sommige stukken van het genoom iets anders wilden dan de rest, die zijn schadelijk voor het individu. Dat zijn hele rare dingen die je anders helemaal niet zou kunnen verklaren.’

Darwins hedendaagse vakgenoten roemen hem daarnaast omdat hij veel van zijn conclusies wist te trekken op basis van enkel gedachtekracht. Brakefield:
‘Hij schreef The Origin of Species zonder kennis van de genetica, maar hij voorspelde wel dat er een enkele informatiedrager moest zijn waarop de afstamming van alle organismen gebaseerd is.’

Ook voorspelde Darwin dat er al organismen moesten hebben geleefd in het Precambrium, een tijdperk waaruit op dat moment nog geen enkel fossiel bekend was. En prof.dr. Jacques van Alphen, plantenecoloog, citeert Darwins idee챘n over de vraag waarom er evenveel mannen als vrouwen zijn.
‘Hij had het bijna opgelost.’
Mathematische uitwerking liet nog zeventig jaar op zich wachten.De ecoloog hoopt eigenlijk dat de evolutietheorie wat meer erkenning krijgt.
Ik zeg altijd tegen Frans Saris (bèta-decaan en natuurkundige, HvS) dat wij een grand unifying theory hebben en zij niet.’
En Paul Brakefield concludeert
: ‘Pas was ik bij een promotie en wat kreeg de promovenda als cadeau: drie boeken, alledrie van Darwin. Dat hij na 150 jaar nog zo leeft, is echt bijzonder. Darwin is nog altijd een held onder biologen.’
lamarckhttp://steurh.home.xs4all.nl/darwin/darwin04.html  Lamarck              °

Er is waarschijnlijk op deze wereld geen mens meer die niet ten minste in algemene termen gehoord heeft over Charles Darwin (1809-1882). De evolutietheorie of -leer, of zoals de christenen het liever zeggen: de evolutiehypothese, heeft echter wellicht zoveel voor- als tegenstanders, indien niet bij wetenschappers, dan toch bij de bevolking in het algemeen. Er is waarschijnlijk vandaag ook niemand meer die iets van Darwin zelf leest; ook mijn exemplaar van The Voyage of the ‘Beagle’ staat al dertig jaar ongelezen in de kast. We weten dus ook niet precies, of zelfs niet ongeveer wat Darwin eigenlijk dacht en dat is spijtig, want het is heus wel interessant en ook ongemeen belangrijk, ook vandaag nog, eigenlijk vandaag zelfs nog meer en nog duidelijker dan toen Darwin het ontdekte en later publiceerde.Laat ons beginnen met het begin.

De evolutieleer, nemen we aan, zegt dat de mens van de aap afstamt. En hoe gebeurde dat? Doordat de aap zich aanpaste aan zijn omgeving, slimmer werd en dat slim zijn doorgaf aan zijn nakomelingen etc. Mmmm. Er blijven enkele vraagtekens. Hoe komt het dat de ene aap zich wel aanpaste aan zijn omgeving en de andere niet? Hoe werd de ene slimmer dan de andere? En hoe gaf hij zijn hogere intelligentie-status door? Darwin stelde vast dat er binnen een bepaalde soort van dieren, neem bijvoorbeeld vinken, verschillende soorten te vinden zijn die duidelijk van elkaar onderscheiden zijn. Hij ging ervan uit dat al die soorten oorspronkelijk afstammen van één enkele soort, dat er dus op zeker moment variatie gekomen is.

Darwin vs Lamarck 

In tegenstelling met wat de Franse botanist en naturalist Lamarck (1744-1829) zei, geloofde Darwin niet dat dit het rechtstreeks gevolg was van een aanpassing aan de omgeving. Hij meende dat die verschillen veeleer toevallige mutaties zijn, willekeurige herschikkingen van erfelijk materiaal, dingen die kunnen gebeuren en het dan af en toe ook doen: een vink wordt geboren met een wat langere snavel, zomaar, toevallig, omdat er ergens in het genetisch materiaal een mogelijkheid verscholen lag voor een dergelijke afwijking. Dat is het basisgegeven en deze inzichten zijn sindsdien onder meer door de wetten van Mendel en ook recentelijk door de moleculaire genetica bevestigd en verder uitgewerkt. Het tweede, noodzakelijke en onmisbare element van Darwins leer is de zogenaamde struggle for life and survival of the fittest, al is het laatste stuk van deze uitdrukking van de hand van Herbert Spencer en het eerste wel van Darwin maar gebaseerd op de theorie van Malthus over de groei van de wereldbevolking.

Darwin stelt dat individuen met elkaar in competitie treden om hun eigen genetisch materiaal zoveel mogelijk door te geven. De exemplaren van een soort die door hun toevallige individuele verschillen het best aangepast zijn aan de omgeving en daardoor het meest overlevingskansen hebben, of die toevallig het best geschikt blijken te zijn voor de competitie voor de voortplanting en dus het vaakst tot succesvol paren komen, die individuen geven hun genetisch materiaal het vaakst door en zo ontstaat er op termijn een ‘natuurlijke selectie’ en evolueren de soorten tot ze op den duur zo van elkaar verschillen dat ze niet meer onderling vruchtbaar zijn. De differentiatie van de soorten, de evolutie van het leven op aarde is dus niet het directe resultaat van een reeks van onmiddellijke aanpassingen aan de omgeving, maar het resultaat op lange, zeer lange termijn van het zich doorzetten van een toevallige mutatie die de drager ervan een doorslaggevend voordeel gaf in de strijd om het voortbestaan en de voortplanting.Een bekend voorbeeld van loutere aanpassing aan het milieu is dat van de vogeltjes die geleerd hadden om melk te drinken van de flessen die de melkboer vroeger aan de voordeur zette. Ze brachten het zo ver dat ze leerden hoe ze door het dun blikken dopje moesten prikken om aan de melk en vooral aan de room te kunnen die op de melk dreef. Dit is een duidelijk voorbeeld van een loutere aanpassing aan de leefomgeving. Die kennis kan onmiddellijk doorgegeven worden aan de nakomelingen, gewoon doordat ze zien hoe het moet, het wordt hen voorgedaan en zoals we weten is dat een goede manier van aanleren. Maar er is geen wijziging van het genetisch materiaal in dit proces. Er ontwikkelt zich geen bepaalde soort mussen die enkel room drinken van flessen en die niet meer paren met andere mussen. Er is in die zin nooit enig bewijs gevonden voor de stelling van Lamarck, namelijk dat aanpassingen aan het milieu genetisch kunnen overgedragen worden, noch enige duidelijkheid over hoe dat zou kunnen gebeurd zijn.De hals van de giraf is een voorbeeld van een echte, genetische aanpassing. Bij dat soort dieren, dat zich voedt met blaren van bomen, is het hebben van een lange hals een voordeel, want dan kan jij alleen de hogere blaren eten zonder competitie van je soortgenoten. Als er dus toevallig, zonder enige invloed van het milieu, een ‘giraf’ geboren wordt die een wat langere hals heeft, zoals sommige mensen ook een wat meer prominente neus hebben, dan krijgt die (giraf met de lange hals, niet die mens met de lange neus…) meteen een zeer duidelijk voordeel in de strijd om het overleven en dat leidt zonder meer naar meer nageslacht. Omdat de lange hals toevallig verkregen was door een genetische ‘fout’, is ze meteen erfelijk, althans voor 50%, want de voortplanting gebeurt met twee en slechts de helft van het genetisch materiaal komt van de ‘langhals’, tenzij twee langhalzen gaan paren etc. Als je lang genoeg bezig blijft, duizenden jaren, miljoenen generaties, dan kom je zo tot een diversifi챘ring van de soorten. Het is een langzaam proces, het is gebaseerd op toevallige genetische mutaties en op het voordeel daarvan in de strijd van het individu om het voortbestaan. Dat is Darwinisme. Snelle, oppervlakkige en tijdelijke aanpassingen aan het milieu noemen we Lamarckisme. Ze zijn niet genetisch overdraagbaar en leiden niet tot een diversifi챘ring van de soorten.

Creationisten en aanhangers van intelligent design zijn natuurlijk niet gelukkig met Darwiniaanse aanpassingen, met die freak accidents die ertoe geleid hebben dat vissen uit de zee kropen, dat dieren op hun achterste poten gingen lopen en een groter hersenvolume ontwikkelden waarmee ze stilaan leerden denken en tot zelfbewustzijn kwamen. Ook de christelijke scheppingsleer was er niet van gediend en heeft het er nog altijd zeer moeilijk mee: als God niets anders heeft gedaan dan een big bang veroorzaken, dan vallen zowat al zijn klassieke attributen weg en heeft het nog weinig zin om Hem God te noemen. Vandaar dat men dan maar spreekt van een intelligent ontwerp: God heeft de dingen zo geschapen dat ze in de juiste richting evolueerden. Dat redt de evolutie, die men nu toch nog moeilijk kan ontkennen zonder uitgelachen te worden, maar het is totaal in tegenspraak met het Darwinisme, dat geen tussenkomst van een hogere instantie inhoudt, niet bij de toevallige genetische mutaties, niet bij de volgorde van die mutaties, noch bij de competitie van de individuen voor het overleven en de voortplanting.Wallace, de geleerde die onafhankelijk van Darwin tot dezelfde basisconclusies kwam en Darwin zowat dwong om zijn resultaten, die al tientallen jaren in de kast lagen, eindelijk toch haastig te publiceren, aarzelde later ook. Hij ging met zowat de hele evolutiehypothese mee, maar kon niet aanvaarden dat ook de stap naar het zelfbewustzijn niet meer was dan een evolutie, een toevallige mutatie, een gelukkig toeval. Nochtans ziet het er naar uit dat het toch zo gelopen is. De hersenen hebben zich over een zeer lange periode ontwikkeld tot ze de omvang en de vorm hadden die de homo sapiens tot het succesnummer van de natuur gemaakt hebben, tot de meester van de schepping. Sindsdien is de genetische evolutie van de mens stilgevallen. Soms verbazen wij ons erover hoe modern de antieke auteurs wel waren, of hoe snel kinderen leren, of hoe mensen uit ontwikkelingslanden zich op zeer korte tijd vertrouwd maken met onze hypermoderne wereld, kijk maar naar de spectaculaire evolutie in China, India, de Filippijnen; men zegt dat men zelfs een Neanderthaler op enkele maanden zou kunnen leren met een computer te werken, omdat hij over dezelfde hersenen beschikte als wij… Wij zijn allemaal van dezelfde soort, kunnen dus met elkaar paren en doen dat ook vlot en met prachtig resultaat. Dus alsjeblief geen racistische onzin over negers die niet in staat zijn om zich te ontwikkelen tot op ons niveau: de feiten bewijzen dat het niet zo is. Dit is de duidelijkste weerlegging van het racisme: mensen die samen kinderen kunnen hebben, zijn evenwaardig, want ze behoren tot dezelfde soort. De enige verschillen die er de laatste 50.000 jaar tussen de mensen ontstaan zijn, zijn evidente maar oppervlakkige culturele Lamarck-aanpassingen aan de omgeving, die soms heel snel gaan, maar even snel vergeten worden omdat ze niet genetisch overdraagbaar zijn, die soms heel zichtbaar zijn, zoals de klederdracht en de taal, maar die op één generatie totaal kunnen wijzigen, net zoals de huidskleur en andere lichamelijke kenmerken bij gemengde voortplanting. Het kan dus perfect gebeuren dat een uitstekend aangepaste politicus van het Vlaams Belang kinderen of kleinkinderen heeft die, ten gevolge van hun al te gemakzuchtige aanpassing aan onze materialistische, decadente oververzadigde welvaartsmaatschappij, duidelijk achterop geraken bij kinderen van illegale inwijkelingen die, uitgedaagd door de vele mogelijkheden van onze kennismaatschappij, met hun even goede hersenen een uitstekende plaats voor zichzelf veroveren in die zelfde maatschappij. Zo zien wij nu al landen het voortouw nemen in de wereldeconomie waarvan wij dachten dat ze nog in de middeleeuwen verkeerden.

Als we niet opletten en teveel luisteren naar fundamentalisten, creationisten en racisten, belanden we daar zelf nog, binnen de kortste keren.

Bij Darwin ligt er ook een diepe en bepalende nadruk op het individu. Enerzijds ondergaat het individu de wetmatigheid van de erfelijkheid, te beginnen met een toevallige mutatie en zo verder tot de gewone wetmatigheden die ertoe leiden dat (sommige) kinderen (al meer) op hun ouders lijken (dan andere…) en de genetische kenmerken van de eigen soort. Anderzijds is het de overlevingsdrang en de ‘paringsdrang’ die het individu aanzetten om zijn genetisch materiaal door te geven. Het zijn wetmatigheden die ook in de moderne mens aanwezig zijn, vaak gemaskeerd en gesublimeerd maar duidelijk herkenbaar. Lijfsbehoud is nog altijd een primaire wet, selectie van een partner eveneens, voortplanting niet minder, al is dat laatste in grote delen van onze beschaafde wereld al lang geen brutale fysieke wetmatigheid meer maar het resultaat van overleg, gewoonte of, helaas, politieke inmenging.

Dat alles heeft Darwin en zijn leer anathema gemaakt bij christelijke en andere godsdiensten en in dezelfde mate en om dezelfde redenen ook bij alle autoritaire en dictatoriale staatsvormen: zij prediken een boodschap waarin het individu ondergeschikt is aan het belang van de maatschappij en waarin voortplanting wel verondersteld wordt en eigenlijk aangemoedigd, maar waar geen plaats is voor seksuele aandrift en meervoudige of consecutieve partnerkeuze, waarin lijfsbehoud vervangen wordt door of gesublimeerd tot naastenliefde, corporatisme of collectivisme. Bij Darwin is de maatschappij en de soort het resultaat van de persoonlijke inspanningen van het individu, gedreven door de drang naar eigen overleven en persoonlijke voortplanting. In die zin was hij een kind van zijn tijd, maar heeft zijn boodschap ook een vermanende, optimistische en profetische waarde voor onze tijd

Wij weten dat elke theorie maar een benadering is van de werkelijkheid, dat zelfs de aller-subtielste inductieve methode maar kan leiden tot hypothesen die opgaan tot er een betere gevonden wordt. Zowat de hele wetenschappelijke wereld is intussen overtuigd van het werkelijk niet te overschatten belang van de ontdekkingen en conclusies die Darwin al in 1844 neerschreef. Het duurt soms een tijdje, ja. En ondertussen is hij bijna al weer vergeten. Zo gaat het. Ons geheugen is selectief. Enkel wat over miljoenen jaren genetisch opgeslagen is, heeft kans om behouden te blijven.

Dat is wat Darwin zelf ons geleerd heeft.    

Darwin , R. Lewontin ,Steve Jones Lessen in nederigheid – na Charles Darwin (26/04/2001) door Geerdt Magiels

http://users.telenet.be/darwinwebquest/html/act021.htm

Zo’n 30.000 tot 40.000 genen hebben wij, de kroon op de schepping, anderhalve keer zoveel als een rondworm. …Charles Darwin zou dat waarschijnlijk niet verbaasd hebben.

Precies op de geboortedag van Charles Darwin, 12 februari, werd de kaart van het menselijk genoom voorgesteld. De timing kon moeilijk mooier. De resultaten van het Human Genome Project zijn een onrechtstreeks eerbetoon aan het werk van Darwin, die zo’n honderdvijftig jaar geleden van de biologie een moderne wetenschap maakte. De kennis van de genen schraagt Darwins theorie. Bovendien opent ze – net als het werk van Darwin – totaal nieuwe en opwindende perspectieven op het leven en op de mens.

De grote verrassing was dat de mens minder genen heeft dan verwacht. Dat de fruitvlieg een kleine veertienduizend genen heeft en de rondworm negentienduizend, wisten we al. Het aantal genen van de complexe Homo sapiens werd op meer dan honderdduizend geschat.Het zijn er dus maar iets van een dertig- of veertigduizend, en dat laagste getal is wellicht het plausibelste. Voor de zo geroemde complexiteit van de mens zijn dus maar anderhalve keer zoveel genen nodig als voor de rondworm. Dat we sterk lijken op de mensapen was ondertussen gemeengoed. Dat de genetische kloof tussen worm en mens niet zo verschrikkelijk groot is, is een nieuw idee om aan te wennen.

Zo verrassend is dat trouwens niet. Al het leven op deze aarde is verwant. Er is een rechte (weliswaar zeer lange) lijn tussen het eerste eencellige leven en de mens.

Dezelfde biochemische bouwstenen en processen vormen de lingua franca van heel de natuur. Met evenveel gemak wordt daar een groenwier, een darmparasiet, een zeboe of een mens mee gemaakt.

Die fundamentele verwantschap was de grondtoon van Darwins On the Origin of Species , dat op 22 november 1859 voor het eerst verscheen en waarvan de eerste druk dezelfde dag nog was uitverkocht.

Over het ontstaan van de soorten door middel van natuurlijke selectie of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het leven .

Niets in de zakken, niets in de mouwen: Darwin vat zijn hele vernieuwende theorie samen in een enkele zin. Geen smeu챦ge, sloganeske titel, maar de droge klap van een nagel die hard op zijn kop geslagen wordt. Het verhaal van de evolutie kent vier eenvoudige stappen:

*dankzij een rijke variatie (ieder individu is anders) gecombineerd met een natuurlijke selectie (alleen het organisme dat het best past in zijn leefomstandigheden overleeft) en de seksuele selectie (waarbij mannetjes zich aanstellen en de vrouwtjes kiezen), weten de best aangepasten zich voort te planten.

*Door wat isolatie en voldoende tijd ontstaan nieuwe soorten.

Darwin ging bij het formuleren van zijn theorie niet over 챕챕n nacht ijs. Hij liep al jaren met het idee rond voor hij het publiceerde, onder meer omdat een jonge avonturier, Alfred Russel Wallace, op zijn reizen door Indonesi챘 op hetzelfde spoor was gekomen. Darwin wilde zeker zijn van zijn zaak. In gedachten pareerde hij eerst alle mogelijke tegenwerpingen en bestookte hij zelf alle zwakke plekken of onbewezen beweringen met kritiek. Hij wou niet doceren, preken of polemiseren. Hij argumenteerde en deed dat zo helder mogelijk.

Hij hield bovendien rekening met een communicatieprobleem: hij wilde een totaal nieuw concept voorstellen aan een zo breed mogelijk publiek. Hij koos daarbij voor alledaagse, economische of industri챘le termen.

Hij ging omzichtig en precies te werk en staafde zijn beweringen met ontzaglijk veel feiten. Empirie was voor hem een vanzelfsprekendheid. Hij deed experimenten, liet andere mensen experimenten uitvoeren en verzamelde informatie van over de hele wereld via een uitgebreid netwerk van honderden correspondenten. Hij deelde informatie en trad openlijk in discussie, ook met wie zijn theorie niet zag zitten.

Het is onvoorstelbaar hoe actueel dit boek nog altijd is, terwijl Darwin maar een fractie van de kennis had die wij nu hebben. Intussen zijn disciplines zoals de genetica, de celbiologie en de moleculaire biologie ontstaan, die vanuit hun perspectief de theorie van Darwin onderbouwd en versterkt hebben.

Fenomenen zoals de verspreiding van het hiv-virus, resistente bacteri챘n of de lotgevallen van de cichlidevissen in het Victoriameer zijn alleen te begrijpen dankzij de evolutietheorie.

De evolutietheorie, zoals Darwin ze voor het eerst formuleerde, is een schitterend voorbeeld van de schoonheid van de wetenschap.

De basisideeën zijn eenvoudig, maar er is honderd vijftig jaar mee verder gewerkt en de inzichten zijn doorgetrokken naar de antropologie, de geneeskunde, de psychologie en de sociologie.

Darwins theorie heeft ook filosofische en religieuze implicaties. Een schepper is niet meer nodig om de wereld te begrijpen. Darwin heeft een fundamentele bijdrage geleverd aan de secularisering van het wereldbeeld. De kennis van de aarde en het heelal, van de planten en de dieren was stapsgewijs uit de invloedssfeer van de kerk losgeweekt, maar de mens en de menselijke geest leken onneembare bastions van het bovennatuurlijke. Met Darwin kreeg de natuurwetenschap ook op dat gebied impact

Om al die redenen wordt wel eens gezegd dat The Origin of Species het belangrijkste boek van het voorbije millennium is, en daar is heel wat voor te zeggen.

Almost Like a Whale

Voor wie toch zou opzien tegen het onbetwistbaar negentiende-eeuwse karakter van Darwins boek, is er nu een hedendaagse remake. Steve Jones, een gerenommeerd Brits geneticus, herschreef het boek van Darwin zoals die dat waarschijnlijk zelf anno 2001 zou gedaan hebben.In Almost Like a Whale haalt Jones een geweldige truc uit. Hij gebruikt dezelfde hoofdstukindeling als Darwin en het boek is ook ongeveer even lang. Jones heeft alleen een hoofdstuk toegevoegd, over het ontstaan van de mens, een onderwerp waarover Darwin zich bewust nog niet te veel in detail had uitgelaten.

Hele passages heeft Jones letterlijk overgenomen uit Darwins boek. Naadloos zitten de oorspronkelijke stukjes Darwin op hun originele plaats in dit nieuwe boek verweven. Dan valt nog meer op hoe helder, sprankelend en modern Darwin schreef en hoezeer hij het bij het rechte eind had. Het boek van Jones bewijst de kracht van Darwins theorie. Het hybride en ambitieuze Almost Like a Whale overtuigt. De terugblik werkt verhelderend. Jones put daarbij uit een rijke database vol illustratieve voorbeelden uit het dieren- en plantenrijk, uit de biochemie, de geologie en de geschiedenis. Het is alsof je met Richard Attenborough op stap bent, langs musea, biotopen, laboratoria en bibliotheken, van het ene straffe maar waargebeurde verhaal naar het andere.

Jones is een geneticus en het is dan ook aan hem besteed om op dat vlak Darwins verhaal te actualiseren. Darwin had geen flauw vermoeden van de fundamenten waarop de evolutie uiteindelijk werkt en wist niet hoe informatie van de ene generatie op de andere wordt doorgegeven. Hoe genen de drager zijn van mutaties en dus de basis vormen van soorten, kon hij nog niet in zijn stoutste dromen verzinnen.

Ondertussen is het genoom beschreven en kan Jones het ontstaan van twee vormen van hiv ( hiv1 en hiv2 respectievelijk afkomstig van SIVcps (chimpansee) en SIV sm (soothy mangabey )populaties in centraal en west afrika ) uit 챕챕n gemeenschappelijke apenvirus voorouder ( SIV ? ) schetsen. En dat proces verschilt niet wezenlijk van dat waardoor de vinkensoorten op de Galapagos-eilanden het licht zagen.

Jones neemt tijdens zijn rondgang door de biologie geregeld nuchtere standpunten in over bijvoorbeeld biotechnologie of ecologie.

Hij waarschuwt ook iedereen die graag alle aspecten van het menselijke leven als adaptieve eigenschappen ziet.

Onze nood aan vitamine C of aan sociaal contact delen we inderdaad met onze voorgangers. Maar je kan van Darwins verhaal ook een verstikkende deken maken waarmee je alles overdekt.

Zoals Geoffrey Miller onlangs nog: hij verklaarde in het erudiete maar absolutistische De parende geest alles vanuit seksuele selectie. Elk gedicht of schilderij, elke wiskundige formule of popsong wordt dan een strategisch instrument voor meer nakomelingen. Zo wordt een dubieuze Freud vervangen door een misbruikte Darwin. (Zie je wel: het draait toch allemaal om seks!) Het blaast een antropologische souffl챕 met biologische lucht op tot onsmakelijke proporties, aldus Jones.

Er is niets dat aangeeft dat alles op deze wereld als gevolg van de evolutie moet verklaard worden.

Mannelijke kakkerlakken produceren enkele uren na hun volwassenwording alle spermacellen van hun leven, verpakken die in een mooi pakketje en zadelen daar een vrouwtje mee op. De rest van hun leven scharrelen ze wat rond, eten, wiebelen met hun antennes en jagen mensen de schrik op het lijf. Hun voortplantingswerk zit erop en toch leven ze nog maanden voort. Vanuit een strikt Darwiniaans perspectief is dat verspilling van schaarse biologische middelen. Dat geldt ook voor vele mensenmannetjes. Die verzinnen dan van alles om de tijd te doden en zo ontstaan literatuur, muziek en wetenschap.

Maar we weten het niet en elk verhaal is dus voorlopig even onderhoudend. De biologie mag in ieder geval nooit het excuus worden om pseudo-verklaringen te leveren die lijken te legimiteren wat beter of slechter zou zijn voor deze wereld of samenleving.

De biologie is er niet om te zeggen hoe het moet, hoogstens om te beschrijven hoe we denken dat het is.

Jones parafraseert in zijn laatste paragraaf Darwin zelf: ,,Zij die mijn theorie niet kennen, kijken tegen een organisme aan als wilden naar een helikopter, naar iets wat totaal buiten hun begripsvermogen ligt.”

De evolutietheorie benadrukt dat wij deel uitmaken van de natuur. Als er al een verschil is, dan zit dat tussen onze oren. In de mens heeft zich een stuk natuur ontwikkeld dat geen fossiele sporen achterlaat en geen genen nodig heeft: een ecosysteem van taal en gedachten.

Ook de theorie van Darwin is een onderdeel van dat systeem en moet zien te overleven in de genadeloze biotoop van de kritische wetenschap. Hoe levendig de evolutiebiologie is, ondervind je in Richard Lewontins The Triple Helix .

Lewontin is een bioloog van het niveau van Charles Darwin, Richard Dawkins, Jared Diamond of Stephen Jay Gould: heldere geest, goed onderzoek en scherpe pen. In zijn handzame en toegankelijke boekje maakt Lewontin duidelijk hoe onbegrijpelijk het leven zou zijn zonder de evolutietheorie.

Zijn kerngedachte is dat je een levend wezen alleen kan begrijpen vanuit het samenspel tussen genen, organisme en omgeving.

Hij zet zich af tegen mensen die zich met enthousiasme storten op een van deze drie aspecten en daarmee alles willen verklaren. Lewontin verzet zich tegen dit reductionisme. Dat is op zich een beetje vechten tegen windmolens omdat de discussie voor of tegen reductionisme een filosofisch tijdverdrijf is waar toch niet veel potten mee gebroken worden. Maar het is wel mooi omdat hij ondertussen illustreert hoe in de biologie de interactie binnen complexe systemen het eindresultaat bepaalt.

Hij gaat, terecht, terug tot het baanbrekende onderzoek van Clausen, Keck en Hiesey uit de jaren veertig.

Zij plantten stekjes van Gewoon Duizendblad op zeeniveau, op 1400 en op 3000 meter hoogte.

De genetisch identieke stekken van eenzelfde plant (met hetzelfde ,,genotype”) zagen er fysiek totaal verschillend uit op verschillende hoogten. En het uitzicht van de planten (het ,,fenotype”) was onvoorspelbaar: een stek van de ene plant deed het heel goed op grote hoogte, van een andere juist niet, of omgekeerd. Er is blijkbaar niet 챕챕n genotype dat de grootste overlevingskansen garandeert. Diezelfde conclusie is sindsdien al vele malen getrokken, zeker ook door plantenkwekers. Zo maakt Lewontin aan de hand van heel eenvoudige voorbeelden duidelijk hoe noch de genen, noch de omgeving alleen bepalen hoe een organisme eruitziet.

Natuurlijk leggen genen restricties op aan een organisme. Een fruitvlieg zal nooit, in welke omgeving dan ook, een boek over genetica schrijven. Ook het spraakvermogen hangt af van de juiste genen, maar die bepalen niet welke taal je spreekt. Mensen en chimpansees verschillen in hun lingu챦stische mogelijkheden en je kan best aanvoeren dat dat ligt aan hun genen. En mensen spreken omdat ze 챕n de juiste genen 챕n de juiste omgeving hebben. Toch wil dat niet zeggen dat organismen de slaaf zijn van hun omgeving. Ze bepalen voor een groot deel zelf hun omgeving.

Evolutie is voor een belangrijk deel co-evolutie. Een van de gevolgen daarvan is dat een Onvermogen om je aan te passen aan een (door jezelf) veranderde omgeving kan leiden tot uitsterven.

Een stabiel milieu heeft nooit bestaan en het verdwijnen van soorten is een frequent fenomenen in de evolutie. Negenennegentig procent van alle levensvormen is ondertussen uitgestorven, met of zonder milieubeweging.

Lewontin legt sterk de nadruk op de voortdurende interactie tussen de genetische informatie en de manier waarop een organisme daarmee omspringt, in wisselwerking met de omgeving.

Hij schetst een driedubbele streng van leven die om zichzelf gewonden is, een metaforische uitbreiding van de dubbele helix van het DNA. Dat staat ver af van de alleenheerschappij van de genen, zoals Dawkins die zo boud durfde te poneren. Maar toen zijn Onze zelfzuchtige genen verscheen, was het misschien wel nodig om aandacht te vragen voor de alomtegenwoordige invloed van de genen, in een tijd dat de sociologie dat als rechtse praat afdeed.

Nu is de subtielere benadering van Lewontin erg inspirerend. Hij maakt heel aannemelijk dat het geen zin heeft om te praten over een organisme als je het niet tegelijkertijd hebt over de omgeving waarin het leeft.

Menselijk insuline voor de behandeling van diabetes wordt tegenwoordig dankzij de biotechnologie geproduceerd door bacteri챘n in fermentatievaten. De bacteri챘n kregen het menselijke gen voor insuline ingebouwd en ze produceren braaf het nodige eiwit. Maar er was 챕챕n probleem. De bacteri챘n maakten weliswaar netjes het gevraagde eiwit aan in de precieze aminozuurvolgorde, maar de insuline vertoonde geen enkele fysiologische activiteit als een diabetespati챘nt het eiwit inspoot. Het eiwit werd blijkbaar verkeerd geplooid in de bacteri챘le cel. De vorm van een eiwit is cruciaal voor zijn werkzaamheid. Het probleem werd opgelost door de cultuur te veranderen waarin de bacteri챘n groeien. De omgeving bepaalt dus hoe en of iets werkt in de natuur, ongeacht welke informatie er genetisch beschikbaar is.

Het lijkt misschien zo, maar dit betekent niet dat we Darwin ver achter ons hebben gelaten. De honger naar kennis en inzicht van Darwin is nog steeds even levend. De vraag naar nieuwe meetinstrumenten of methoden is er ook nog steeds, de verwondering over de complexiteit van het leven al evenzeer.

Lewontin betreurt het een beetje dat de genetica, door het verbijsterende succes van de biotechnologie met haar gensequentiemachines en supercomputers, op dit moment de plak zwaait. Iedereen weet dat de kennis van de basenvolgorde van het DNA niet zaligmakend is, maar de complexiteit van organismen in hun ecologische en genetische omgeving sukkelt zo wel in het verdomhoekje van de wetenschappelijke onderzoeksagenda.

De hoogdagen van de slogan ,,챕챕n gen, 챕챕n eiwit” zijn voorbij. ,,Meer met minder” is de conclusie van de inventaris van de menselijke genen.

Bovendien hebben we voorlopig het raden naar het belang van 99 % van het menselijk genoom (oneerbiedig ,,junk-DNA” genoemd). Dat stemt tot nederigheid.

Zeker als je weet dat er in de biologie talloze voorbeelden zijn van hoe een miniem verschil in uitgangspositie tot dramatisch verschillende resultaten kan leiden. En wat nog merkwaardiger is: hetzelfde resultaat kan ook vanuit een compleet ander vertrekpunt bereikt worden. Je kan dat afdoen als het chaotische gedrag van complexe systemen, maar het zijn wel situaties die in de biologie eerder regel dan uitzondering zijn. En we hebben nog geen methoden waarmee we die complexiteit in kaart kunnen brengen.

De laatste hoofdstukken in het verhaal van de evolutie zijn nog lang niet geschreven.

CHARLES DARWIN, Over het ontstaan van soorten door middel van selectie, of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het leven . Vertaald door Ludo Hellemans, Nieuwezijds, Amsterdam, 398 blz., .

STEVE JONES, Almost Like a Whale. The Origin of Species Updated , Anchor, Londen, 500 blz.,

http://www.amazon.co.uk/Almost-Like-Whale-Species-Updated/dp/0385409850

http://boeklog.info/2007/02/10/almost-like-a-whale/

http://boeklog.info/2007/01/14/single-helix/

RICHARD LEWONTIN, The triple helix / Gene, Organism and Environment , Harvard University Press, Harvard, 136 blz.,

http://www.complete-review.com/reviews/lewontin/tripleh.htm

Als Darwin Mendel had gelezen

Als Darwin Mendel had gelezen, dan had hij een juiste erfelijkheidstheorie gehad en hij had geen tijd hoeven verspillen aan een speculatieve erfelijkheidstheorie die later ook nog eens volkomen onjuist bleek te zijn.

Dit is één van de intrigerende gedachtegangen van wetenschapshistoricus Bert Theunissen in de 6e lezing van de Utrechtse Studium Generale serie

‘Hoe de natuurwetenschappen ons denken veroverden’.

Zijn onderwerp was het Darwinisme. Zijn vak is de geschiedenis van de natuurwetenschap.
Interessant vond ik dat hij uiteenzette wat er allemaal vooraf ging aan de lancering van de evolutietheorie. Evolutie kwam niet uit de lucht vallen. Een aantal lastig te nemen obstakels moesten uit de weg geruimd worden.

Wat voor ons zo vanzelfsprekend is, dat fossielen overblijfselen zijn van uitgestorven dieren, werd v처처r 1859 gezien als strijdig met de Bijbel omdat God een perfecte wereld had geschapen.

Want waarom zouden dieren uitsterven als ze perfect waren? Een ander obstakel was de interpretatie van verschillende aardlagen door geologen. Deze aardlagen zouden door geleidelijke processen gevormd zijn en dat zou miljoenen jaren gekost hebben. Maar de aarde was maar 6000 jaar oud.

Mythen
Ook is het leuk en leerzaam om een aantal mythen te ontzenuwen: dat de vinken op de Galapagos eilanden, die later Darwins naam kregen, hem op het idee van evolutie gebracht hadden. Niets is minder waar, de Darwinvinken komen helemaal niet voor in de Origin of Species. Hij had ze wel verzameld, maar had niet het belang ingezien om vast te leggen van welk eiland ze kwamen! Hij had niet gezien dat ze ondanks verschillende snavels sterk verwant waren. De relatie snavel – voedsel werd pas veel later gelegd.

Hetzelfde voor de beroemde Galapagos schildpadden. Die werden aan boord van de Beagle meegenomen als voedsel en na consumptie werden de schilden overboord gegooid. Weg informatie!

Wat volgens Theunissen wel een belangrijke, misschien wel de allerbelangrijkste, inspiratiebron voor zijn evolutietheorie was, was Malthus met zijn theorie van overpopulatie bij mensen en de daaruit voortkomende hongersnood en strijd om het bestaan.

Darwin en Mendel
De relatie Darwin – Mendel is een intrigerende en tot de verbeelding sprekende geschiedenis. Darwin had Mendel in de boekenkast staan. Dat staat vast.

Maar had hij hem ook gelezen? En begrepen? Dat is niet meer te achterhalen. Wel staat vast dat Darwin een speculatieve en onjuiste erfelijkheidstheorie had.

Wonderlijk is dat erfelijkheid wel degelijk een belangrijk onderdeel van zijn evolutietheorie was. Erfelijkheid van variatie was een noodzakelijk onderdeel van evolutie. Maar, hoe variatie werd overge챘rfd was onduidelijk.
Ik betwijfel of Darwin iets had gehad aan Mendel. Eerlijk gezegd geloof ik daar niets van. Ten eerste had Mendel maar 1 publicatie over 1 plantensoort. Wie zegt dat Mendel daarmee de universele wetten van de erfelijkheid had ontdekt is slachtoffer van de ‘benefit of hindsight’. Mendel zelf twijfelde daar aan, omdat de getalsmatige verhoudingen in zijn kruisingsexperimenten niet reproduceerbaar bleken in een andere plant.
Ten tweede had Mendel helemaal geen reden om aan te nemen dat zijn ‘erfelijkheidswetten’ ook voor dieren golden. Hij had geen enkel experiment met dieren gedaan. Tegenwoordig is het zo vanzelfsprekend dat Mendel’s erfelijkheidswetten algemeen geldig zijn, maar toen was dat helemaal niet zo.
Ten derde, en dat kwam ook ter sprake in de lezing van Theunissen, moest er nog ontzettend veel werk verzet worden voordat de Mendelse genetica inpasbaar in de evolutietheorie was.

Nieuw voor mij was dat Tine Tammes als medewerkster van Hugo de Vries en de eerste Nederlandse hoogleraar in de genetica, een originele bijdrage aan dat integratieproces had geleverd.

Ook Hugo de Vries was niet (of wel?) op de hoogte van Mendels werk:http://www.gewina.nl/dutch/anwfiles/stamhuis_devriesbrieven.htm
Ten vierde, en zo heb ik nog nooit tegen de wetten van Mendel aangekeken, ze gaan uitsluitend over constantheid. Wat in de eerste generatie aanwezig is komt terug in de derde generatie. Er ontstaat niets nieuws. En voor evolutie heb je iets nieuws nodig.

Mijn conclusie: gelukkig maar dat Darwin Mendel genegeerd had! Het had hem een hoop zorgen en nog eens 20 jaar vertraging in de publicatie van The Origin of Species opgeleverd.

Mijn slotconclusie: het nut en het boeiende van de geschiedenis van de wetenschap is dat ze mythes over de helden van de wetenschap kan ontkrachten en tot ware proporties terug kan brengen.


Bert Theunissen: Diesels droom en Donders’ bril. Hoe wetenschap werkt.
Bert Theunissen: ‘Nut en nog eens nut: Wetenschapsbeelden van Nederlandse natuuronderzoekers, 1800-1900’.
John Waller: ‘Fabulous Science. Fact and Fiction in the history of scientific discovery’ was een eye-opener voor mij (review) en is een uitgesproken voorbeeld van het ontmythologiseren van wetenschappelijke helden.

NB

Het lijkt er wel op, dat de importantie van Mendels werk niet algemeen werd ingezien rond 1900.

Op het moment van de herontdekking, dat naderhand zo belangrijk werd geacht, vond de ‘herontdekker’ zelf zijn ‘herontdekking’ niet belangrijk“. Zelfs de belangrijkheid is een interpretatie achteraf!
Dat wijst er al weer op dat men niet door had dat men hier de universele wetten van de erfelijkheid te pakken had! En dat ondersteunt mijn stelling dat Darwin er al helemaal niet het belang van ingezien zou kunnen hebben. Zeker omdat men in 1900 meer wist van het gedrag van chromosomen tijdens celdeling, wat bijdraagt aan een juistere waardering van de wetten van de erfelijkheid

Charles Darwin (1809-1882)

was niet de eerste die de diversiteit van het leven probeerde te verklaren aan de hand van evolutie. Hij was wel de eerste die het mechanisme van die evolutie uitlegde: toevallige variatie en natuurlijke selectie. Hij moest snel zijn met de publicatie van On the Origin of Species, omdat Alfred Russel Wallace een soortgelijke theorie had ontwikkeld. Darwin wilde de primeur – en kreeg hem ook.

Charles was de zoon van een arts, en aanvankelijk wilde ook hij geneeskunde studeren. Hij zag daar echter van af omdat hij nogal gevoelig was en operaties in zijn tijd nog zonder verdoving werden uitgevoerd. Hij speelde even met de (door zijn vader geïnspireerde) gedachte om geestelijke te worden, maar vertrok in 1831 met de Beagle op een vijf jaar durende expeditie die hem onder meer naar de Galapagos-eilanden bracht. Daar zag hij hoe vinkenpopulaties op de eilanden van elkaar verschilden, wat in hem het idee van de opeenvolging van soorten deed postvatten.

Zijn theorie kreeg definitief vorm nadat hij econoom Thomas Robert Malthus over het bevolkingsvraagstuk had gelezen: populaties groeien sneller dan voedselbronnen. Vandaar, besloot Darwin, dat de natuur moet selecteren.

On the Origin of Species werd na publicatie uiteraard bestookt met kritiek uit religieuze hoek, maar was ook meteen een bestseller.

“Darwin was een zeer eigenaardig figuur”, vertelt professor Gautier. “Hij wordt in de biologie nog altijd beschouwd als een soort heilige. Maar hij had ook zijn tekorten, die sommige wetenschappers proberen weg te moffelen. Darwin had er net als zijn Victoriaanse tijdgenoten moeite mee om af te stappen van het idee dat er een plan achter de schepping zit. Hij was ook vaak ziek. Misschien een naïeve verklaring, maar het zou kunnen dat dat kwam omdat hij zo hard worstelde met de implicaties van zijn eigen theorie.”

“Naar verluidt zou Karl Marx ooit contact met hem hebben gezocht. Maar Darwin moest daar niets van weten: met de ideologische consequenties van zijn theorie wilde hij zich niet bezighouden.

Zijn vrouw was trouwens een fundamentaliste, die het niet allemaal even prettig vond wat hij schreef. Het is ook geen toeval dat Darwin zich pas twaalf jaar na On the Origin of Species aan een boek over de afstamming van de mens waagde:

C. Zimmer

DARWINIANA
The writings of Charles Darwin on the web run by John van Wyhe, at the British Library,
which has virtually all of Darwin’s published books and articles online ( Darwin wrote over 100 articles in addition to all his books).

And, less well known but very useful, all the volumes of The Correspondance of Charles Darwin are searchable at Google Print.

Darwin’s early notebooks — the “Red” and “Transmutation” notebooks — and manuscripts: the 1842 Sketch, the 1844 Essay, and the massive unpublished book for which Origin of Species was the “abstract”, Natural Selection.

The website is The Darwin Digital Library of Evolution at the American Natural History Museum

http://darwinlibrary.amnh.org


PublicationsManuscriptsBiography

http://darwin-online.org.uk/acknowledgements.html


WELCOME to the largest collection of Darwin’s writings ever assembled. For a basic, non-academic, entryway click here. For a complete list click contents.

This site currently contains more than 50,000 searchable text pages and 40,000 images of both publications and handwritten manuscripts. There is also the most comprehensive Darwin bibliography ever published and the largest manuscript catalogue ever assembled. More than 150 ancillary texts are also included, ranging from secondary reference works to contemporary reviews, obituaries, published descriptions of Darwin’s Beagle specimens and important related works for understanding Darwin’s context.Darwin Online

FEATURESMost of the editions provided here appear online for the first time such as the first editions of Journal of Researches [or Voyage of the Beagle] (1839), The descent of Man (1871), The Zoology of the Voyage of H.M.S. Beagle (1838-43) and the 2nd, 3rd, 4th and 5th editions of the Origin of Species. There are also many newly transcribed and never before published manuscripts such as Darwin’s Beagle field notebooks. Also appearing for the first time online are complete images of Darwin’s early notebooks on geology, transmutation of species and metaphysical enquiries.

Many of the scanned books provided here belonged to Darwin’s family or are signed by him. See for example The life of Erasmus Darwin (1879), Coral reefs (1842) or Variation (1868).

FORTHCOMINGThere is much still to come. The site currently contains about 50% of the materials that will be provided by 2009. New material is added almost daily. Forthcoming materials include more editions and translations, images of the majority of the Darwin Archive at Cambridge University Library, more editorial introductions and notes and transcriptions of Darwin manuscripts, and technical facilities for printing and larger images. Assistance with scanning, proof reading or transcribing is warmly welcomed.

For a detailed description of this website and its contents see the Guide.

Two other websites provide uniquely important, complementary Darwin materials: The Correspondence of Charles Darwin and The Darwin Digital Library of Evolution.


This document has been accessed 71310 times since 09 October 2006

Return to homepage

The materials provided on this website may be freely cited, downloaded and printed for private study or distribution to students but reposting on other websites, publishing, or other reproductions are subject to written permission. Contact: Dr John van Wyhe. See Terms of Use and Copyright declaration.

2002-6 The Complete Work of Charles Darwin Online – University of Cambridge – CRASSH 17 Mill Lane – Cambridge – CB2 1RX – fax: +-44 (0)1223 (7)65276

Waarom wachten?

Tomaso Agricola
darwin en wallace

Op 1 juli 1858 werden tijdens een bijeenkomst van de Linnean Society in Londen twee artikelen voorgelezen. De 1 was geschreven door Wallace, de ander door Darwin. De artikelen staan aan de basis van de moderne evolutietheorie. Wallace was pas recent, tijdens een koortsige droom, tot de conclusie gekomen dat alle huidige soorten uit 1 of enkele soorten zijn ontsproten en door geleidelijk verandering tot hun huidige vorm gekomen.

Darwin was hier al veel langer mee bezig. Al 20 jaar eerder had hij zijn ideeen opgeschreven, maar hij wachtte met publicatie. Waarom?

Sommigen zeggen uit angst voor uitstoting uit de (wetenschappelijke) gemeenschap. Anderen omdat hij eerst bewijzen wilde verzamelen en onderzoek doen.

Want dat hij de tussenliggende jaren helemaal niets deed is niet waar.

*Hij correspondeerde met collega’s over de hele wereld en deed daarnaast zelf veel onderzoek, thuis in zijn eigen laboratorium.

*Voor één van zijn proeven liet Darwin z’n tuinman een stukje grond van twee bij drie voet vrijmaken. Daarna plaatste hij elke dag bij ieder nieuw opgekomen plantje een stukje ijzerdraad. Aan het eind van het voorjaar stonden 62 plantjes en 357 ijzerdraadjes in zijn onkruidperkje. Het overgrote deel van de zaailingen was ten prooi gevallen aan slakken, rupsen, bladluis, droogte en noem het allemaal maar op. De 62 overgebleven plantjes waren, zo veronderstelde Darwin, kennelijk net iets sterker dan de rest.

*Voor een iets meer normale proef liet Darwin plantenzaadjes weken in zeewater. Zo wilde hij aantonen dat het mogelijk was dat oceaanstromingen bijdragen aan de verspreiding van plantensoorten. […]Darwin ging ook hier grondig te werk: hij gebruikte 87 verschillende soorten zaad die hij eerst zeven en daarna 28 dagen liet weken in zeewater. Daarna werden de zaden uitgezaaid en gekeken wat er nog opkwam.

Hij schreef ook artikelen/boeken .. Al tijdens de reis met de Beagle kwam hij met een theorie over het ontstaan van atoleilanden, waarin hij liet zien dat dit eerst ‘normale’ eilanden ware geweest die langzaam wegzakten in zee, waarbij de koralen bleven doorgroeien en zo het atol vormden. Een ondersteuning van het idee dat de aarde veel ouder was dan de ouderdom berekend op basis van de stamboom uit de bijbel.

Daarnaast heeft hij heel veel tijd besteed (ik schat 8 jaar) aan het beschrijven van alle mogelijk soorten rankpootkreeften (een type zeepok). Nog levende soorten, maar ook fossielen. Dit lijkt een nietserig onderwerp, maar juist in deze groep dieren kon hij aantonen dat er een graduele variatie was tussen de vele soorten die hij beschreef. Bovendien gaf dit hem de authoriteit om vervolgens over soortvorming te schrijven.

Internationeel Geofysich  Jaar  en  DARWINJAAR  1959

In het begin van de vorige eeuw werden Mendel en Darwin verenigd in een synthese die men de moderne synthesis “is gaan noemen

In 1959 greep aan de Universiteit van Chicago een zeer belangrijke Darwin herdenkings conferentie plaats die de toenmalige “ new synthesis ” van de evolutiewetenschappen ( van modern synthesis , “avant-garde” visies uit de zich (ook) wiskundig ontwikkelende (populatie) genetica , biofysica ,en tevens het prille begin van de impact van de ontdekkingen rond het DNA en de ontwikkeling van de verdere moleculaire genetica en de fylogenetica ) tot de legitieme vakconsensus promoveerde/ tot en met de erkenning van de’ evolutietheorie’ als dé basistheorie van de levenswetenschappen …

Na 50 jaar is de evolutiewetenschap dusdanig ge -updated , geprofessionaliseerd veranderd, verder gecorrigeerd , aangevuld en gedifferentieerd dat opnieuw een re-evaluatie van de natuur- wetenschappelijke biologische ” evolutietheorie” in de lucht hangt …. De zogenaamde “nieuwe biologie

Bovendien is de invloed van de evolutietheorie ook verder doorgedrongen buiten de strikte natuurwetenschappelijke basis /zoals door Dennett ( en niet te vergeten Dewey) al was voorspeld

2009 / Vrijdag : 30 oktober

1.-Richard Lewontin (Harvard University): “Genetic Determination and Adaptation: Two Bad Metaphors”

2.- Ronald Numbers (U. of Wisconsin): “Anti-Evolutionism in America: Scientific Creationism to Intelligent Design”

3.- Marc Hauser (Harvard University): “From Where do Morals Come? NOT Religion!”

Het jaar 1959 was ook een Darwin-jaar

Figure 1.—

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hermann_Joseph_Muller

H.J. Muller  deed zijn fameuze uitspraak “One hundred years without Darwin are enough”,in 1959 (*)

Evolutie als zodanig , was geaccepteerd maar slechts enkelen begrepen het deel-mechanisme van de NS ;, Darwin’s origineelste en belangrijkste bijdrage .

http://nobelprize.org/nobel_prizes/medicine/laureates/1946/muller-bio.html

De situatie was natuurlijk anders dan tegenwoordig
Toen was het honderd jaar geleden dat ‘The Origin of Species’ was
verschenen maar het ‘evolutie-vraagstuk’ stond ook toen volop in de belangstelling.

Bovendien waren de twee voorgaande jaren zeer belangrijk geweest voor de natuurwetenschap die eclatant een prominente plaats opeiste in het openbare publieke bewustzijn :de Russische
spoetnik ,Laika , het internationaal Geofysisch Jaar en de oproep van JFKennedy om binnnen afzienbare tijd een Amerikaan als eerste mens op de maan te laten landen
, hadden dat bewerkstelligd .

Het Darwinjaar van 1959 lag heel gunstig in het verlengde van al deze actualiteiten

– H. J. Muller, “One Hundred Years Without Darwin Are Enough” School Science and Mathematics 59, 304-305. (1959) . Reprinted in Evolution versus Creationism, J. Peter Zetterberg, ed., (ORYX Press, Phoenix AZ 1983).

Daarin zegt Muller ook iets beklijvends over het creationistische argument dat ” feiten ” niet bestaan , omdat de wetenschap nooit voor 100 % iets kan bewijzen

The honest scientist, like the philosopher, will tell you that nothing whatever can be or has been proved with fully 100% certainty, not even that you or I exist, nor anyone except himself, since he might be dreaming the whole thing. Thus there is no sharp line between speculation, hypothesis, theory, principle, and fact, but only a difference along a sliding scale, in the degree of probability of the idea. When we say a thing is a fact, then, we only mean that its probability is an extremely high one: so high that we are not bothered by doubt about it and are ready to act accordingly.

Now in this use of the term fact, the only proper one, evolution is a fact. For the evidence in favor of it is as voluminous, diverse, and convincing as in the case of any other well established fact of science concerning the existence of things that cannot be directly seen, such as atoms, neutrons, or solar gravitation…

“So enormous, ramifying, and consistent has the evidence for evolution become that if anyone could now disprove it, I should have my conception of the orderliness of the universe so shaken as to lead me to doubt even my own existence. If you like, then, I will grant you that in an absolute sense evolution is not a fact, or rather, that it is no more a fact than that you are hearing or reading these words.”

De zinsnede “One hundred years without Darwin are enough”, inspireerde later ook andere auteurs over evolutiewetenschap en aanverwanten

G. G. Simpson
http://www.stephenjaygould.org/ctrl/simpson_evolution.html en in Evolution: Oxford Readers (1997). Lees ook het kommentaar op dit artikel in 2006 door PZ Myers http://scienceblogs.com/pharyngula/2006/05/one_hundred_and_fifty_years_wi.php

Francisco J. Ayala http://genome.cshlp.org/content/19/5/693.extract 2009

Een paar belangrijke boeken verschenen zo rond die datum in het

Nederlandstalig gebied
waaronder(in de aula reeks( het spectrum) )

“Evolutie ” ( met een aantal essays van de toenmalige Nederlandse evolutie-wetenschapperswaaronder ook AGM Van Melsen en Von Koeningwald (1)


en in 1961 ( een spin off van het darwinjaar 59) een vertaling van een belangrijk basiswerk van T Dobzansky

Er is ook een aantal goede pop wetenschappelijke boeken in de elsevier pocket reeks verschenen ( o.m. over de australopithecus africanus en zijn vermeende materieele been-hoorn en hout ( osteodontkeratische )cultuur
en
een compendium-werk over geologie en paleontologie een paar jaar later
(Van der Vlerk- Kuenen, “Logboek der Aarde” , 1961,/ overigens voor die tijd prachtig geillustreerd maar goedkoop boekje ) waarin werd gemeld dat ” Darwin kwam met ‘overtuigende bewijzen’, dat de soorten ‘niet standvastig, maar veranderlijk’ zijn.”)

Overigens hebben deze “bewijzen” de vroegere en huidige Creationisten niet overtuigd( met het ook vandaag nog steeds als vanouds aangehaalde “argument “dat duidt op onbegrip over de aard van de natuurwetenschappelijke kennis en de gebruikte methode ) .
“Het grote probleem blijft wel, dat de evolutietheorie eenvoudig niet te bewijzen is,
maar alleen aannemelijk te maken”

Nu is dat ” eenvoudig niet te bewijzen ” m.i. een algemeen probleem buiten de strikte wiskunde.
Anderzijds geldt een bewering of betoog,( in de mepirische wetenschap ) dat niet ( materieel) gefalsifieerd kan worden, als niet -(natuur)wetenschappelijk.
Je moet in principe een situatie kunnen tegenkomen, dat de theorie onjuist
blijkt te zijn in een of meer nieuwe gevallen.

“Alle metalen zetten uit bij verhitting.” geldt in principe alleen totdat je een metaal
tegenkomt dat dan niet uitzet. (Er moeten betere voorbeelden zijn, want we hebben een
periodiek systeem. Misschien is er ook iets met metaallegeringen).
Sommige fossielenreeksen zouden m.i. moeten overtuigen.

http://forum.nedarm.nl/index.php?showtopic=1834

Maar er verscheen ook
‘De wieg der mensheid’, een studie over de afstamming van de mens , door Dr. J.H. Post.(1959)

De wieg der mensheid

Post zag het vooral niet zo somber in wat de frictie tussen geloof en wetenschap betreft.
Hij schreef, nadat hij in het kort de (toendertijd bekende ) menselijke afstamming had geschetst:

“Van de vele problemen, waarvoor de hedendaagse wetenschap zich geplaatst ziet en die zich gedurende de laatste tientallen jaren in een steeds groter algemene belangstelling mogen verheugen, is dat der oorsprong en afstamming van den mens een der meest fascinerende.”
Zo begint Post zijn overigens ongedateerde betoog

“Hoezeer deze opvatting in tegenspraak schijnt te zijn met de scheppingsverhalen der godsdiensten – en in bijzonder met het scheppingsverhaal van de Christelijke godsdienst – men mag ook hier niet uit het oog verliezen, dat in de loop van de ontwikkeling der wetenschappen zeer vele niet meer te loochenen feiten in scherpe tegenstelling staan tot uitspraken in de Bijbel en tot ernstige conflicten hebben geleid.

De erkenning van de waarheid dier feiten echter, zoals de wetenschap ze onomstotelijk had bewezen, heeft voor de godsdienst nooit een achteruitgang betekend, doch integendeel zijn godsdienst en wetenschap er door steeds meer naar elkaar toegegroeid, zijn beide hechter geworteld geraakt in het leven van den mens.” (= onverholen accomodationisme avant la lettre dus )

De meeste Nederlandse dominees en Pastoors uit die tijd ,gaven nog steeds catechesatie ,maar ze waren nog bij lange na niet zo ver als Post ( of hun zondagschool-leerlingen die meestal wel al deze boeken hadden verslonden )

Deze geestelijken ontkenden met overslaande stem enig verband tussen mens en evolutie. Voor hen was Darwin, als ze al van de man hadden gehoord, een demon van de eerste orde …

Maar de opvattingen van o.a. ook iemand als prof Lever (UVA )en een van zijn Utrechtste collega’s (met zijn ‘Protestantse opvattingen betreffende het evolutie-vraagstuk’, 1959) toonden duidelijk aan ( in een tijd dat “autoriteit “en expertise nog iets betekenden ) dat dit soort van opvattingen glad verkeerd waren …

Intermezzo ________________________________________________________

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Lever_(bioloog) <<< Prof. Lever (geboren in 1922) was tientallen jaren hoogleraar biologie (dierkunde) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Een onderwerp dat hem door de jaren heen fascineerde, was de verhouding tussen het christelijk geloof en de wetenschappelijke theorieën over evolutie.
Bij beide voelde hij zich thuis en beide heeft hij in zijn leven en werk weten te integreren.
Natuurlijk is een hoofdstuk uit een boek uit 1959 in zekere zin gedateerd, maar opvallend is dat je nergens het onmiddelijke idee hebt erg verouderde teksten te lezen.
Lever houdt zich ver van alle concurrentie-denken tussen geloof en wetenschap en bezondigt er zich ook niet aan dat hij het geloof lokaliseert op plaatsen die voor de wetenschap( nog ?) niet toegankelijk zijn.

Maar hij is wel een theistisch evolutionist (en een accomodationist ? )tot zijn laatste dag ( althans publiekelijk )

*

http://members.chello.nl/~a.hekstra2/maart%202006%20De%20evolutie%20van%20professor%20Lever%20.htm
(Interview met prof Jan Lever )

‘Creatie en evolutie’.(1956 ) Wat dreef u?

,,In mijn inaugurele rede ging het nog niet over de schepping van de mens.
Ik heb me toen verdiept in het ontstaan van de mens en de mensachtigen, zodat ik er op den duur heel veel van wist.
Ik hield eens een lezing voor catechisanten in Utrecht… Tot mijn verbazing zat de beroemde geoloog en paleontoloog Von Koenigswald onder het gehoor, de vinder van talrijke menselijke fossielen op Java.
We raakten in gesprek, ik mocht op het laboratorium zijn fossielen bezichtigen en in mijn hand houden. Het inspireerde me tot het schrijven van het boek. Het heette” Creatie en evolutie” en was opgedragen aan J.H. Diemer.Ongeveer eens per week ging ik het land in om de mensen te vertellen over schepping en evolutie. Ik werd gevraagd en ik wilde niet weigeren.
Ik heb altijd zeer voorzichtig gesproken, want ik wist met welke exegeses van Genesis 1 ze waren opgevoed. En het had mezelf ook strijd gekost om tot een andere opvatting te komen.’

Hoe heeft die verandering zich bij u voltrokken?


,,Het is vrij geleidelijk gegaan. Toen ik student was, waren er nog niet zoveel argumenten voor de evolutie. Er was veel minder over fossielen bekend dan nu. Hoe meer er bekend werd, hoe meer ik overtuigd raakte van de juistheid van de evolutietheorie. Ook de toegenomen kennis van de cel en de ontwikkeling van de genetica hebben me nog verder overtuigd: in alle planten en dieren werken gelijke genetische principes.”

U bent aanhanger van Intelligent Design?

,,Wat wij intelligentie noemen, is een beperkte menselijke eigenschap die aan het eind van de evolutie is ontstaan. Onze intelligentie schiet tekort om de miljarden melkwegstelsels die al miljarden jaren bestaan, te bevatten, laat staan te begrijpen. En wat beseffen we van de atomen in ons eigen lichaam, waarvan de kernen miljarden maal miljarden keren per seconde rondtollen. Het is hoogmoedig om de ‘opperste bouwmeester’ met het begrip ‘intelligentie’ te typeren. Hier geldt een tekst uit Psalm 139:,’Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij.’ We moeten God geen vergrote menselijke eigenschap toedichten. *( Noot voor de goede verstaander ) …..Maar wanneer een (al dan antropomorfe ) god een mysterie moet blijven of is … dan kunnen we er ook nooit iets over zeggen en is ook alles wat erover gezegd wordt in een oud boekwerk , uiteindelijk slechts een gratuite mening .Waarover we niets kunnen over zeggen daar moeten we onze mond over houden

Intelligent Design “theoretici ” , komen allemaal uit christelijke kring.
Ze moeten er eerlijk voor uitkomen dat ze in de Schepper geloven. Maar dat doen ze vaak niet, ze willen vooral wetenschappelijk zijn, en daarin lijken ze weer op dr. W.J. Ouweneel en andere creationisten.
Tijdens een debat hier op de VU in 1977 heb ik Ouweneel in de pauze op mijn kamer gesmeekt om een discussie over zijn religieuze vooronderstellingen en zijn manier van bijbellezen, maar hij wilde niet.”

Ouweneel heeft het creationistische standpunt verlaten. Hoe ervaart u dat?

,,Als creationist heeft Ouweneel hoog van de toren geblazen. Nu gaat het gerucht dat hij ervan af is. Ik betreur het dat hij het niet openlijk en hardop zegt en er in een boek verantwoording van aflegt. Hij heeft tienduizenden mensen verkeerd geïnformeerd en neemt daar tot nu toe, voorzover ik weet, geen verantwoordelijkheid voor.
Ook Andries Knevel is er van af.
Hij heeft geen spijt betuigd, hij heeft niet deemoedig het hoofd gebogen, maar hij komt er openlijk voor uit dat hij geen creationist meer *is. Dat is moedig.”* theistische evolutionisten zijn echter wel degelijk ook creationisten …

In 1956 zegt u nog dat Adam en Eva echt geleefd hebben en in 1965 zegt u dat het paradijs niet heeft bestaan.
Hebt u niet een soortgelijke ontwikkeling als Ouweneel en Knevel meegemaakt?

,,Ja, heel lang geleden. Mijn opvatting dat Adam en Eva echt hebben bestaan, was een laatste snipper van het geloof dat Genesis 1 natuurwetenschappelijk gelezen moest worden.
Nadien zijn er belangrijke vondsten gedaan, zoals de Australopithecus, een voorloper van de mens. Hij leefde 4,5 miljoen jaar geleden in Afrika en liep rechtop.
Toen ik in 1961 gastcolleges gaf in Potchefstroom in Zuid-Afrika, heb ik de grot bezocht waar de Australopithecus gevonden was.
Door nieuwe vondsten en voortgaande studie kwam ik tot het inzicht dat het paradijs niet werkelijk heeft bestaan.”

Maar toch Theistisch evolutionisme ?
In uw bijdrage in het boek En God beschikte een worm, over Intelligent Design, zegt u dat de aarde planmatig is geschapen: alle facetten komen telescopisch tevoorschijn via variatie, mutatie en andere processen.

Hoe is dan het kwaad in de wereld gekomen?

Wat zal ik ervan zeggen? De Bijbel is helemaal geschreven vanuit een heel oud wereldbeeld.

De torenbouwers van Babel dachten dat ze met hun toren tot in de hemel konden komen. Jacob droomde dat een ladder tot in de hemel reikte. Vanuit ons gezichtspunt *is dat een achterhaalde voorstelling van de werkelijkheid)

(*).en eigenlijk vanuit ” elk “gezichtspunt dat niet natuur-wetenschappelijk is te onderbouwen /uit te testen of slechts terug grijpt op pschychologische noden …

Jan lever is geen (ouderwetse ) creationist maar wel een theistische evolutionist

___________________________________________________________________________

Uiteindelijk gingen later de meeste weldenkende Nederlandse geestelijken (schijnbaar?) achteloos toch de mogelijkheid overwegen van een verzoening tussen geloof en wetenschap inzake creatie en evolutie.

SJ Gould heeft daar later ongetwijfeld met zijn “ diplomatiek NOMA compromis” toe bijgedragen …
(1)
bionieuws 8, 02-05-2009
Vlees om de schedel
Door Bert Boekschoten, paleontoloog en emeritus hoogleraar aan de VU
© bionieuws

Wat betreft onderzoek naar de menselijke evolutie kent Nederland geen uitgebreide traditie.
Er zijn slechts drie onderzoekers die hun ervaringen in boekvorm hebben samengevat.
Vooral Von Koenigswald’s “Speurtocht in de prehistorie :Ontmoetingen met onze voorouders” (1962) is nog steeds lezenswaard.

Koenigswald, Prof.dr. G.H.R. von – Speurtocht in de prehistorie. Ontmoetingen met onze voorouders || Uitgeverij: Prisma-boeken, Utrecht/Antwerpen 2e druk 1962 || pocket Prisma-boeken nr. 722 Ill.: zw/w-ill. Oorspr. titel: Begegnungen mit dem Vormenschen Vert.: Jan vrijman
Paul Storm

Op levendige wijze vervlecht de auteur Paul storm persoonlijke ervaringen en paleoantropologische inzichten – inspirerende lectuur vergeleken met de algemenere werken die vaak de schone schijn van allesoverziende wetenschap hooghouden.

Juist in dit vak blijven onverwachte en onvoorspelbare vondsten van groot belang.

Paul Storm heeft het ware paleoanthropologische vuur.
Hij deed belangrijk onderzoek op Java, participeert in Australische projecten en draagt zijn
kennis over in colleges en voordrachten.
Zijn boek getuigt daarvan.
Het richt zich tot een algemeen publiek en heeft geen leerboekpretenties.
Het inventariseert vanuit fossielvondsten de hoofdlijnen en geeft verklaringen vanuit
Darwins principes van natuurlijke en seksuele selectie.

Opvallend is dat Storm, van huis uit archeoloog, nauwelijks ruimte biedt aan genetische
aspecten van menselijke evolutie.
Anderzijds is verfrissend dat hij de harde vondsten doet spreken, en niet de soms onbestendige kaders aanbrengt van de ethologie.

Anekdotisch

Het boek had echter gewonnen bij kritische redactie.
Von Koenigswald kon steunen op zijn voortreffelijke vertaler, Pier van der Kruk.
Storm geeft allerlei anekdotische illustraties, die soms niet eens van een onderschrift zijn
voorzien.
Ontwapenend zijn de foto’s van afgietsels van schedels en werktuigen.
Iets dergelijks zien we ook in het eveneens dit jaar verschenen boek
“Vroegste geschiedenis van de mens ” door Fiorenzo Facchini.
Sommigen zullen zo hun schoolpracticum kunnen herbeleven.
Er zijn onderschikte errors of fact, zoals het eerste verschijnen van Homo erectus,
ten minste 1,9 miljoen jaar geleden, en het sterk verouderde Neanderthalbeeld van een
kromme man met een knuppel.

Maar de geïnteresseerde leek zal tevreden ook dit boek lezen – voor dieper gaande discussies is het geschikt noch bedoeld

Paul storm :
http://www.museon.nl/nl/midas-dekkers-ontvangt-eerste-exemplaar-boek-%E2%80%98korte-hoektanden-lange-benen-en-een-sexy-brein%E2%80%99-museon

paul storm

http://www.teleac.nl/mmbase/images/2431364

De mens is een opvallende, zich slechts op twee benen voortbewegende, intelligente,
naakte mensaap, die op dit moment de aarde naar een catastrofe lijkt te doen afstevenen.
Paul Storm gaat er vanuit dat ons “opgeblazen” slimme brein is ontstaan onder druk van
seksuele selectie.

Ergens in de evolutie heeft de mens zijn grote dreigende hoektanden ingeleverd voor zielig
ogende stompjes, is hij rechtop gaan lopen met lange gestrekte benen, en is zijn brein zo
groot geworden dat het belachelijk veel energie kost om het te onderhouden.

Kernvraag:
is voor het ontstaan van een dergelijk wezen als de mens nog een logische natuurlijke
verklaring te bedenken?
Het antwoord: ja.
Paul Storm geeft een eenvoudig model over het ontstaan van de mens.
Een zienswijze die gebaseerd is op de ideeën van Darwin over natuurlijke en seksuele selectie.

Een berg mensachtige fossielen, verreweg de meeste gevonden na Darwin’s publicaties,
kan verklaard worden met behulp van diens ideeën

Storm geeft ook vaak een duidelijke verklaring voor het (soms vreemde) gedrag dat mensen kunnen
vertonen.
We zijn blijkbaar zo gek nog niet

Zoek verder op trefwoord ” paul storm ”
http://www.bionieuws.nl/

website Paul Storm :

http://www.oermens.nl/

12 februari: geboortedag Charles Darwin
2007

Darwin heeft na de Origin méér boeken geschreven en sinds die tijd is onze kennis over evolutie op onvoorstelbare wijze toegenomen. Gelukkig blijft er ook nog onvoorstelbaar veel te ontdekken.

Dat zal ik altijd het aantrekkelijke vinden van evolutie: de successen én de tekortkomingen …

Wat zijn de tekortkomingen van de huidige evolutiebiologie. ?

De vraag “over de tekortkomingen ” zou een boeklengte antwoord vereisen. …
Het kortste antwoord is: ieder succes, iedere innovatie in de evolutiebiologie bewijst een tekort dat daarvoor bestond. Dat kun je pas achteraf constateren.

Een grandioos voorbeeld is Hamilton’s verklaring voor altruisme en evo-devo.
Loren Eiseley citeert Darwin: “I will not specify any genealogies – much too little known at present”. Dit was naar aanleiding van de Vestiges waarin wilde speculaties voorkwamen.

Nog steeds kom ik publicaties tegen waarin het probleem van de phylogenetische relaties tussen hoofdgroepen van het leven ter discussie staat. Nog niet volledig opgelost.

De grootste tekortkoming is eigenlijk dat de evolutietheorie nog niet af is. Neo-Darwinisme (The neo-Darwinian Synthesis is eigenlijke nog een ‘abstract’, een samenvatting van een toekomstig groot werk waarin alles staat. Een ontbrekend onderdeel was: Evolutionary Developmental Biology: Finishing Darwin’s Unfinished Symphony?.

Verder kun je alle punten van alle kritici die op mijn site staan bij elkaar optellen (eerst de onjuiste kritiek er af trekken!). Dan heb je een idee. Maar zo’n soort samenvatting en conclusie is een onderneming waar ik nog niet eens aan begonnen ben. Ik moet nog een paar boeken lezen! De cognitieve ruimte van het neo-Darwinisme kan nog iets verruimd worden.

John Whitfield en Mark A. Ludwig zijn stimulerend. Maar ook: ‘Niche Construction – The neglected process in evolution’ van John Odling-Smee, de physische-planetaire context zoals door James Lovelock beschreven, de extreem belangrijke implicaties van de eigenschappen van een simpel molecuul als zuurstof (Nick Lane, 2002,2005), de astrobiologisch context van het leven zoals beschreven door Kevin W. Plaxco & Michael Gross (2006) moeten een plaats in krijgen in de nieuwe toekomstige synthese.

Daarom vind ik de aandacht die Monroe Strickberger in zijn Evolution handboek geeft aan de ‘physical and chemical framework’ van het leven ook zo goed.

Zo iets vind je niet in het handboek van Mark Ridley, die weer erg genetisch is georienteerd.

Maar een boek als Holistic Darwinism van Peter Corning vind ik grotendeels bullshit, hoewel de titel wel iets uitdrukt waar het mij omgaat. Je moet alleen van die nieuwe synthese geen vuilnisbelt maken!

Loren Eiseley (1961): ‘Darwin’s Century. Evolution and the men who discovered it’.
Eiseley is een bekende naam op het gebied van de geschiedschrijving van Darwin. Eiseley geeft een genuanceerd beeld van de tijd waarin Darwin leefde, met aandacht voor de voorlopers van Darwin. Aan de ondertitel ‘the men who discovered it’ kun je zijn benadering al aflezen. Evolutie was door een aantal mannen ontdekt
(of moet je zeggen uitgevonden?).
Evolution without Evidence. Charles Darwin and The Origin of Species’ van Barry Gale (1982).
Samenvattend:
Gale’s boek is provocerend en nodigt uit tot actief nadenken.
1.-…. Het boek blijkt géén creationistisch werkje te zijn dat probeert aan te tonen dat Darwin helemaal geen bewijs had voor zijn theorie.
2.- Gale is wetenschapshistoricus en probeert aan te tonen dat The Origin of Species eigenlijk een haastig geschreven boek was.
Darwin had het eigenlijk te snel gepubliceerd, ook tegen zijn eigen zin.
Het is wel bekend waarom dat was.
Hij kreeg een brief van Wallace die in Indonesie de plaatselijke flora en fauna bestudeerde. Die brief bevatte tot Darwin’s grote ontsteltenis zo ongeveer de samenvatting van Darwin’s evolutietheorie, die hij in het geheim aan het schrijven was.
Ondermeer dit gegeven gebruikt Gale om aan te tonen dat Darwin in de Origin niet veel bewijsmateriaal kon aanvoeren voor zijn theorie.
Om dit standpunt hard te maken onderzoekt Gale uitgebreid de notitieboeken van Darwin. Hij zet alle twijfels en aarzelingen van Darwin op een rijtje.
Ook speurt hij in the Origin alle plaatsen op waar Darwin gebrek aan kennis over een bepaald onderwerp erkent of waar Darwin vermeldt dat hij door gebrek aan ruimte niet alle bewijsmateriaal kan vermelden. Het is inderdaad bekend dat Darwin de Origin als een samenvatting zag van een veel groter werk dat hij in gedachten had.

Maar een haastwerk kun je het niet noemen als je er 18 maanden aan gewerkt hebt! Als je de interactie met de drukker er aftrekt dan houd je nog een jaar over voor het echte schrijfwerk.

Als je daarbij bedenkt dat Darwin al in 1842 en 1844 samenvattende essays had geschreven, dan valt het nog wel mee met met die haast.

De meest extreme opvatting van Gale is dat Darwin in de Origin niet méér bewijsmateriaal voor evolutie kon presenteren dan de creationisten voor hun opvatting.

Merkwaardigerwijs wordt deze bewering door informatie in Gale’s eigen boek weerlegd. In de Appendix staat nl. een lijst van 12 verschijnselen die wel verklaarbaar zijn met Darwin’s theorie, maar onverklaarbaar zijn vanuit creationistisch standpunt.

2008
In de Nature 7 feb geeft Kevin Padian een overzicht van de 10 belangrijkste elementen van de bijdrage van Charles Darwin aan de hedendaagse wetenschap.
Heel nuttig, maar ik vind het véél interessanter om te laten zien hoe met moderne methodes en technieken nieuwe antwoorden gegeven worden op oude vragen. Vragen die ook al in Darwin’s tijd bestonden, maar die volledig buiten bereik van de toenmalige technieken lagen.
Vragen zoals bijvoorbeeld hoe organismen er miljoenen of zelfs miljarden jaren geleden uitzagen.
In moderen termen:
hoe zag het DNA en eiwitten van de eerste levensvormen eruit?

In een tot de verbeelding sprekende publicatie in Nature 7 feb (1) komen de auteurs tot de reconstructie van een -voor het leven essentieel- eiwit zoals het geweest moet zijn tijdens de eerste miljoenen jaren na het ontstaan van het leven. Dus:

met een tijdmachine 3,5 miljard jaar terug in de tijd! Die reconstructie is niet alleen theoretisch, maar ook letterlijk. Die hypothetische enzymen zijn in het laboratorium gesynthetiseerd. Een soort Jurassic Park maar dan voor eitwitten. Daardoor konden de onderzoekers ook de fysisch-chemische eigenschappen zoals de optimale temperatuur van het eiwit vaststellen. En tot hun grote verrassing bleek dat hoe langer geleden de bacteri챘n leefden, hoe hoger de temperatuur was waarbij ze optimaal functioneerden. Zo bleek de optimale temperatuur van de oudste bacteriën (3,5 miljard jaar geleden) maar liefst 76°C te zijn! De meer recentere bacteriën (0,5 miljard jaar geleden) hadden optimale temperaturen van 39°C of 46°C. Ze baseren dit op een gereconstrueerde DNA en eiwit stamboom van bacterieën. Zoals je bij een stamboom van mensachtigen ziet dat tijdens de laatste 7 miljoen jaar het hersenvolume toeneemt, zo zie je bij de stamboom van bacterieën dat ze zich aanpasten aan dalende temperaturen. Dat zegt iets over de kracht en het nut van stambomen. Je kunt uit een stamboom de temperatuur afleiden waarbij die organismen geleefd moeten hebben. Alleen: hoe weet je of het echt waar is? Je kunt immers niet echt terug in de tijd? (2).
LUCA
Nature. Stamboom van de drie hoofdgroepen van het leven met voorkeurstemperaturen.
Mesophiles: 20–45 °C; thermophiles: 45–80 °C
; hyperthermophiles: >80°C.
Eurkaryotes: planten en dieren. Archaea: (‘Third Domain’): soort bacterieën.
Behalve (1) het maken van een stamboom en (2) het tot leven wekken van een ‘uitgestorven’ eiwit in het lab, deden de onderzoekers nog iets: (3) ze zochten op wat geologen hadden gevonden over de temperatuur van de zeeën van miljoenen jaren geleden. Wat bleek? “This temperature trend is strikingly similar to the temperature trend of the ancient ocean inferred from the deposition of oxygen and silicon isotopes”. Dus hun conclusies bleken overeen te komen wat geologen onafhankelijk hadden gevonden op basis van geologische en fysische studies van zuurstof en silicium in aardlagen. Dit geeft een prachtige bevestiging van de DNA en eiwit stambomen. Het is waar maar toch moeilijk voor te stellen: de eerste levensvormen leefden in de oceanen met temperaturen van 65°C ! Dat zijn temperaturen van de tegenwoordige hete bronnen (‘hot springs’). Langzamerhand koelden de oceanen tot de huidige temperaturen die ze 0,5 miljard jaar geleden bereikten. Een aparte groep bacterieën, de Archaea, heeft nog steeds een voorkeur voor extreme temperaturen (3).

Synthesis

Wat Darwin in 1959 in zijn The Origin of Species deed, was de eerste synthese van al zijn ideeën en feiten over evolutie. In de jaren 30 en 40 van de 20ste eeuw zagen we de toevoeging van de Mendelse genetica aan Darwin’s evolutietheorie. Dat werd de ‘Evolutionary Synthesis’ (4) genoemd, maar was eigenlijk de tweede synthese. De derde synthese is in aantocht: Towards The Third Evolutionary Synthesis (5). Want na de tweede synthese kwam de moleculaire genetica (1953: Watson en Crick ontdekken de structuur van DNA), evo-devo en nog veel meer wat allemaal geintegreerd moet worden in de evolutietheorie. Inmiddels staat al veel in de evolutiehandboeken, maar veel moet nog geintegreerd worden. In bovengenoemd onderzoek zien we nog een hele belangrijke component die geintegreerd moet worden en waartoe de auteurs een belangrijke stap gezet hebben: de geologische evolutie van de aarde. De auteurs drukken het zo mooi uit: “The results also show how ancestral sequence reconstruction can connect the physical and natural sciences.” Al eerder had Nick Lane dat op magnifieke wijze gedaan (6). Een nieuwe discipline is astrobiologie die het leven in de cosmologische context zet. Toenemende integratie van verschillende takken van wetenschap is ook het kenmerk van volwassen wetenschap. Onvolwassen wetenschappen of alternatieven voor evolutie (ID,etc) missen deze integratie met natuurkunde, scheikunde, geologie, klimatologie, astronomie. Juist die succesvolle integratie en consolidatie is een passend eerbetoon aan de geoloog en bioloog Charles Darwin.

Noten

  1. Eric Gaucher et al (2008) ‘Palaeotemperature trend for Precambrian life inferred from resurrected proteins‘, Nature 7 feb 2008. Tevens verscheen een begeleidend News and Views artikel: Manolo Gouy & Marc Chaussidon (2008) ‘Evolutionary biology: Ancient bacteria liked it hot‘. Het artikel van Kevin Padian is: ‘Darwin’s enduring legacy’.
  2. “The inability (other than by time travel) to know the true relationships of bacterial lineages and their divergence times should not preclude attempts to understand Precambrian life.”
  3. Zie mijn review van The Third Domain met Carl Woese als ondtdekker van de Archaea.
  4. Zie mijn review van ‘Unifying Biology. The Evolutionary Synthesis and Evolutionary Biology.
  5. En dat is tevens de nieuwe naam van mijn site ‘Was Darwin Wrong’. Sinds 13 april 1997 had ik me gericht op de critici van Darwin. Nu heb ik een net iets andere nadruk, nl datgene wat de moeite waard is om opgenomen te worden in de derde synthese.
  6. Nick Lane (2002) Oxygen. The molecule that made the World. Als geen ander heeft Nick Lane de relatie van de fysische condities en de evolutie van het leven op aarde gelegd.

Bioloog Midas Dekkers over Darwin

12.02.2009 – De Nederlandse bioloog Midas Dekkers, die met zijn omstreden theorieën wel eens tegen heilige huisjes durft te schoppen, is onvoorwaardelijk verknocht aan Charles Darwin, de vader van de moderne biologie. Met zijn evolutieleer toonde Darwin aan dat alle soorten met elkaar verbonden zijn en door middel van natuurlijke selectie evolueren. God zat daar voor niets tussen.

Dat net die onomstotelijk bewezen theorie van Darwin tegenwoordig in twijfel wordt getrokken door creationisten, daar moet Midas Dekkers hartelijk om lachen. Tweehonderd jaar na Darwins geboorte legt hij het nog eens klaar en duidelijk uit voor de moeilijke verstaanders.

http://www.klara.be/cm/klara/1.104-searcharticle?directarticle=1.58329&article=1.58329

Darwins theorie is minstens voor de helft achterhaald

Nico van Straalen
Gepubliceerd op 23 mei 2009 00:00, bijgewerkt op 22 juli 2009

In dit Darwinjaar is een ware stortvloed van darwiniana over ons neergedaald. Als oprechte darwinist vind ik dat prachtig, maar er zit ook een ongemakkelijke kant aan: door de nadruk op Darwin lijkt het wel alsof sindsdien in de evolutietheorie niets meer is gebeurd. Dat werkt contraproductief in de beeldvorming.

Creationisten richten zich vaak op een volkomen achterhaald beeld van de evolutietheorie, en dit wordt versterkt door de enorme aandacht voor Darwin als oervader van die theorie.

De klassieke versie van de evolutietheorie kreeg vorm toen begin 20ste eeuw de erfelijkheidswetten van Mendel in verband werden gebracht met Darwins evolutiegedachte. Deze klassieke theorie staat bekend als moderne synthese.

Daarin wordt evolutie als volgt gedefinieerd:

door mutatie ontstaan voortdurend nieuwe varianten van genen; deze nieuwe varianten zijn aanvankelijk zeldzaam, maar kunnen, als ze in een bepaald milieu een voordeel bieden aan de drager, per generatie in frequentie toenemen en zich verspreiden over de hele soort.

De klassieke evolutiegedachte legt dus een grote nadruk op het milieu, dat de beste varianten van nieuwe genen selecteert en de drijvende kracht achter de evolutie is.

Darwin zelf benadrukte het belang van het milieu door te spreken van een ‘tangled bank’, een verknoopte walkant waarin planten door elkaar groeien, insecten rondfladderen en wormen door de vochtige aarde kruipen.

In die verknoopte walkant is het een drukte van belang en iedereen moet knokken om zijn plaats te behouden.

Inmiddels heeft zich in de biologie sinds 1995 een ware revolutie voltrokken.

We weten nu dat de erfelijke eigenschappen van een organisme vastgelegd zijn in een heel speciaal molecuul, het DNA, en we hebben de volledige genetische code van dat DNA ontrafeld voor honderden bacteriën en meer dan twintig diersoorten.

Omdat we nu het DNA van alle dieren, planten en micro-organismen met elkaar kunnen vergelijken, hebben we een veel beter zicht op de boom van het leven gekregen.

Op essentiële punten blijkt die boom anders in elkaar te zitten dan lang is gedacht. Zaken die we jarenlang geleerd hebben, bijvoorbeeld de hoofdindeling van het leven (planten, dieren en micro-organismen), zijn inmiddels volkomen achterhaald.

Ook kunnen we nu vaststellen dat in het DNA veel meer beweging is dan gedacht.

Er is een continue herschikking van het genetisch materiaal aan de gang.

Stukken DNA kunnen van de ene naar de andere plaats springen door middel van virusachtige deeltjes,

genen kunnen plaatselijk verdubbelen en zelfs het hele DNA kan verdubbelen.

We weten ook dat DNA kan overspringen van de ene naar de andere soort, niet alleen tussen bacteriën, maar ook van parasieten naar hun gastheren.

Verder blijkt dat evolutie van nieuwe bouwplannen niet altijd het gevolg is van veranderingen van genen, maar ook van de manier waarop die genen geactiveerd worden tijdens de ontwikkeling, nota bene onder invloed van onderdelen van het DNA die geen herkenbare genetische code hebben.

Als klap op de vuurpijl is ontdekt dat in een aantal gevallen eigenschappen die tijdens het leven worden verworven, overgedragen kunnen worden op de nakomelingen, een mechanisme in de geest van Lamarck, overduidelijk niet-Darwiniaans, dat al in 1888 door AugustWeissmann naar de prullenbak verwezen was – naar men dacht voorgoed.

Die turbulentie in het DNA vormt als het ware een interne ‘tangled bank’.

Het is een bron van vernieuwing en evolutionair knutselen die los staat van de omgeving.

Uiteraard zullen veel moleculaire experimenten afgestraft worden door het milieu, bijvoorbeeld bij misvormingen of monsters. Het milieu stelt de uiterste grenzen vast voor de levensvatbaarheid van het moleculaire geknutsel, maar binnen die grenzen is van alles mogelijk.

Als we kijken naar de opeenvolging van soorten in de loop van de tijd, en willen verklaren waarom nieuwe lichaamsvormen ontstaan, dan schiet het principe van natuurlijke selectie tekort.

Dit is de moderne opvatting van evolutie:

niet alles is een aanpassing aan het milieu.

De bouwplannen van planten en dieren zijn veranderd door ongericht geknutsel dat spontaan optreedt in het DNA en waarvan alleen de allerberoerdste resultaten weggeselecteerd zijn.

Natuurlijke selectie is niet de oorzaak, maar het gevolg van evolutie.(1)

Hoe evolutie verloopt, daarvoor moeten we naar het genoom kijken, niet naar het milieu.

We kunnen het Darwin niet kwalijk nemen dat hij in 1859 niks wist van DNA, genetica en ontwikkelingsbiologie. Zijn gedachtengoed is nog steeds springlevend, maar biologen weten dat het evolutiemechanisme dat hij voor ogen had, maar één kant van het verhaal is.

De verheerlijking van Darwin in 2009 geeft een vertekend beeld van de moderne evolutiebiologie

(1)

Hier wordt door Nico van Straalen een enorme fout gemaakt. Jammer. Hij maakt een issue van iets dat geen issue is.

Darwin heeft helemaal nooit gezegd of geschreven dat natuurlijke selectie de oorzaak van evolutie is.

Evolutie is verandering. Levende wezens veranderen voortdurend. Mutaties treden als vanzelf op, we zijn niet van onveranderlijk materiaal gemaakt, en ook onze genetische informatie en de manier waarop die wordt gebruikt is aan een voortdurende verandering onderhevig.

Het is de natuurlijke selectie die bepaalt welke veranderingen stabiel worden in de populatie.(= welke mutaties worden geconserveerd / gefixeerd )

Natuurlijke selectie ( in het bijzonder purifying / stabilising selection / http://en.wikipedia.org/wiki/Stabilizing_selection ) komt dus na evolutie.

Als je dat wil zien als een “gevolg” dan mag dat, maar het is niks nieuws.

(Pierra )

Er is heel veel discussie over het feit dat evolutie zelf ook aan evolutie onderhevig is.

Er schijnen bepaalde genen te zijn die frequenter muteren dan andere bijvoorbeeld.(–> hot spots ? )
Maar goed, …. Defize en van Straalen samen suggereren dat evolutie samengaat met natuurlijke selectie.

Geen oorzaak en geen gevolg dus.

Reactie van Gerdien de Jong:

Evolutie en biologie

Wat is bij de evolutietheorie specifiek voor evolutiebiologie en wat is algemene biologie?

De oorzaak van evolutie is variatie – allerlei variatie in het genoom, van genverdubbeling, verandering in genregulatie, een heel ontwikkelingsgenetisch pad nieuw activeren in een ander weefsel, translocatie tussen chromosomen tot puntmutaties in het DNA. Al die variatie wordt bestudeerd, en voor sommige typen variatie zoals genregulatie zijn de technieken nog maar vrij kort aanwezig. Biologen hebben een begin van een catalogus genetische variatie, maar weten alleen in eenvoudige gevallen hoe genetische verandering invloed heeft op hoe een beest eruit ziet. Bij de ontcijfering van het menselijk genoom werd wel geroepen: nu weten we hoe een mens tot stand komt! maar niets is minder waar. Er is in de biologie geen Theorie van het Fenotype. Daarom is er geen theorie van de evolutie van het fenotype: omdat de ontwikkelingsbiologie nog te weinig verband tussen genoom en fenotype weet te leggen.

Variatie, erfelijkheid en natuurlijke selectie leiden tot aanpassing aan het milieu. Natuurlijke selectie is geen oorzaak vaNiemand kan beweren dat aanpassing aan het milieu de enige factor in evolutie is, en dat beweert ook niemand. Niemand beweert dat twee hoorns voor een neushoorn adaptief is in Afrika en één hoorn adaptief is in India; of dat hoorns versus geweien een verschil in aanpassing is. Naar al dat we weten gaat het bij dergelijke verschillen om toevallige ‘hikken’ in het genoom: het soort iets waar ontwikkelingsbiologie, en daardoor evolutiebiologie, niets over te melden weet.

Natuurlijke selektie en evolutie: het is een van de mechanismen, en een belangrijk mechanisme. Want of de variatie in het fenotype nu het gevolg is van puntmutaties in het DNA of van grote verschillen in regelsystemen, natuurlijke selectie komt er altijd overheen. Aan natuurlijke selectie valt niet te ontkomen. Variatie in bv geweigrootte en variatie in aantal verwekte jongen geeft statistisch altijd een covariantie tussen geweigrootte en aantal jongen: en daardoor selectie. Het doet er niets toe wat de genetische achtergrond van geweigrootte of aantal jongen is: alleen dat statistische verband is van belang voor het bestaan van selectie. Een tweede statistisch verband is nodig wil selectie ook gevolgen hebben: een statistisch verband tussen geweigrootte in ouders en kinderen.

Natuurlijke selectie is een statistische theorie. Dat betekent dat evolutiebiologie niet vastgepind kan worden op sommige mechanismen van de genetica. Soms denken ontwikkelingsbiologen dat evolutiebiologie veronderstelt dat er voor elke eigenschap een gen is, dat al die genen onafhankelijk overerven, en dat selectie alleen werkt volgens het leerboekjesschema voor selectie op twee allelen. Dat schema is voor leerboeken: het is gemakkelijker dan de formele statistische formulering.

Selectie is het mechanisme van aanpassing aan het milieu, en het is de verdienste van Darwin dat gezien te hebben. Ook is het de verdienste van Darwin een sluitend betoog voor afstamming onder verandering te hebben gepresenteerd.

De door biologen georganiseerde evenementen van het Darwinjaar als veeldoor hen georgqaniseerde tentoonstellingen , gaan over evolutiebiologie, niet over Darwin. De meest formele Darwinherdenking ( i academisch Nederland ) was een symposium over evolutie op eilanden. Persoonsverheerlijking is ver te zoeken.

Gerdien de Jong, Universiteit Utrecht

Symmetrische zeelelies

Interview met Nico van Straalen
© Annemieke van Roekel, maart 2009

80% van alle soorten die nu leven zijn ongewervelde dieren. Ook de Amsterdamse zeebeesten behoren tot die groep. Bioloog Nico van Straalen onderzoekt de evolutie van de ongewervelden. ‘De soortenrijkdom en diversiteit van bouwplannen zijn enorm groot.’ Nieuws over de aapmens volgt hij ook op de voet.

Nico van Straalen © Annemieke van Roekel

Waarom is er onder biologen steeds meer aandacht voor levende brachiopoden?
In de boom van het leven nemen brachiopoden een bijzondere positie in, omdat ze de typische kenmerken van de Lophotrochozoa bezitten. Die diergroep heeft een tentakelkrans, ook wel lophofoor genoemd, rondom de mond. De anus zit buiten die tentakelkrans. Dat is bijvoorbeeld anders bij de veel primitievere zeeanemonen, die wel een tentakelkrans rond de mond, maar geen aparte anus hebben. Behalve de brachiopoden – ofwel de armpotigen – rekenen we ook de weekdieren, ringwormen en mosdiertjes tot de Lophotrochozoa.

Hoeveel soorten brachiopoden leven er nu op aarde?
In de periode vanaf het Cambrium tot aan het Krijt moeten er zo’n 30.000 soorten geleefd hebben. Nu zijn dat er nog maar een paar honderd. Ook zeelelies leven al sinds het Cambrium op aarde. Het zijn de oudste vertegenwoordigers van de stekelhuidigen, de Echinodermata. Het zijn interessante dieren omdat de kelk van bepaalde fossiele zeeleliesoorten tweezijdig symmetrisch is. De meeste moderne stekelhuidigen, zoals zeekomkommers, zeesterren en zee-egels, hebben een radiaire structuur, met vijf armen.

Wat kun je daaruit afleiden?
Het idee is dat stekelhuidigen oorspronkelijk tweezijdig symmetrisch zijn geweest. In de evolutie zie je heel vaak dat een dier dat vastgehecht op de zeebodem of een ander substraat gaat leven, uiteindelijk radiair symmetrisch wordt. In dat geval heeft hij als het ware geen richting meer. Het water komt van alle kanten, dus moet hij ook alle kanten op kunnen kijken. Aan radiaire symmetrie alleen, kun je dus niet zien of het dier primitief is of niet. Dieren die zich voortbewegen zijn meestal tweezijdig symmetrisch. Ze hebben een linker- en een rechterkant en een boven- en een onderkant.

Waarom waren de tweekleppigen na het Perm succesvoller dan de brachiopoden?
Waarom de tweekleppigen het gewonnen hebben van de brachiopoden is moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk is hun manier om voedseldeeltjes uit het water te filteren, door gebruik te maken van kieuwen, uiteindelijk efficiënter geweest. Een lophofoor is geschikter voor de iets grotere deeltjes. Wellicht waren die op een gegeven moment niet meer voorradig vanwege een milieuverandering. Maar het blijft speculeren.

Wat kan een bioloog met fossielen?
Fossielen geven de uiteindelijke ijking van de evolutietheorie. Een bioloog onderzoekt het DNA of de eiwitten van een organisme. Op grond van de mutatiesnelheid van het DNA van twee soorten, kan een bioloog uitrekenen wanneer een gemeenschappelijke voorouder van die twee soorten heeft geleefd. Zo kom je voor de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee uit op een ouderdom van 7 miljoen jaar. Als je als bioloog uitsluitend de DNA-methode tot je beschikking hebt, kun je bijzonder zwak staan omdat je alleen maar terugredeneert in de tijd. Als een paleontoloog nu een mensachtige zou vinden van 10 miljoen jaar oud, dan hebben we als biologen een groot probleem.

Wat betekent DNA voor de kennis over fossielen?
Door meer kennis over het genoom, krijgen we steeds meer inzicht in de evolutie. In 1953 is de structuur van het DNA bekend geworden. Pas in de jaren tachtig is het mogelijk geworden DNA te vermenigvuldigen. Na 1995 zijn methodes ontwikkeld die het hele genoom in kaart kunnen brengen. Dit sequencen van DNA maakt sinds 2005 een enorme vlucht door.

Tot hoe ver kun je met DNA-onderzoek teruggaan in de tijd?
Het hangt ervan af hoe het DNA is geconserveerd. Intact DNA uit Egyptische mummies is moeilijk te verkrijgen omdat het weefsel gedroogd is. Bevroren materiaal is vaak wel voldoende intact. Zo kon de ijsmummie Ötzi, die in een gletsjerdal in Oostenrijk is gevonden, gedateerd worden op 5000 jaar oud. Wetenschappers zijn nu bezig het DNA van een 30.000 jaar oude Neanderthaler uit Kroatië te inventariseren. Het gaat om brokjes en stukjes DNA, die alleen door specialisten uit een fossiel kunnen worden gehaald. Er zijn maar twee laboratoria in de wereld die dat goed kunnen.

Houdt u zich als evolutiebioloog vooral met de menselijke evolutie bezig?
Nee, dat is meer een hobby. Ik houd me nu vooral bezig met de evolutie van ongewervelde dieren. 80% van alle dier- en plantensoorten op aarde behoort tot de ongewervelde dieren. Meer dan de helft daarvan is insect. Niet alleen de soortenrijkdom van ongewervelden is groot, ook de diversiteit van bouwplannen is enorm.

Heeft kennis over DNA veel nieuwe inzichten over ongewervelden opgeleverd?
Ja, een mooi voorbeeld zijn de kokerwormen met knalrood pigment en zonder mond, die bij de hydrothermale vents in de buurt van de Mid-Atlantische rug leven. Door hun bijzondere uiterlijk dachten biologen vroeger dat het een hele aparte groep wormen was. Dankzij DNA-onderzoek weten we nu dat het gewone ringwormen zijn. Het rode pigment is een soort hemoglobine, dat sulfide bindt dat uit de zeebodem ontsnapt. Het sulfide wordt vervolgens omgezet door bacteriën die in het lichaam van die wormen leven. Die bacteriën zijn op hun beurt weer voedsel voor de wormen.

Hoe haal je die wormen naar boven?
Met onbemande duikbootjes. Ze zijn dan niet meer levend.

Hoe bent u in de biologie verzeild geraakt?
Toen ik op de middelbare school zat, verschenen de eerste boeken die de energiecrisis en de milieuproblematiek aan de kaak stelden, zoals ‘De biologische tijdbom’ van Rattray Taylor. Het was het begin van de interesse voor het milieu vanuit de biologie. Ook vond ik ‘De naakte aap’ van Desmond Morris machtig interessant. In eerste instantie koos ik biologie met biofysica voor een exacte insteek. Pas later ben ik me met evolutiebiologie gaan bezighouden. In die tijd was nog niet veel bekend over de menselijke evolutie. In 1974 is Australopithecus afarensis pas gevonden. Het duurde tot de jaren negentig voordat er meer bekend werd over de afstamming van de mens.

Welke wetenschapper inspireert u?
Charles Darwin, door zijn enorme kennis van de levende natuur. Hij was een echte veldbioloog die enorm veel wist van de soorten die hij onder ogen kreeg en die hij vanuit de hele wereld opgestuurd kreeg. Hij wist heel veel, zowel van planten als van ongewervelde en gewervelde dieren. Hij heeft zelfs een heel boek geschreven over regenwormen en hoe ze de bodem verbeteren.

Zou de biologie zich zonder Darwin anders ontwikkeld hebben?
Dat denk ik niet. De persoonsverheerlijking die nu in het Darwin-jaar aan de gang is, vind ik niet terecht. Ik bewonder Darwin, maar je moet hem wel in zijn tijd plaatsen. Voor zíjn tijd was hij een genie, maar hij had geen flauw benul van genetica. Hij heeft zwaar onderschat hoe evolutie afhankelijk is van processen die zich afspelen op het niveau van de cel. Evolutie is een proces van kleine veranderingen in het genoom, wat leidt tot kleine veranderingen in het fenotype, het organisme zelf. Natuurlijke selectie is een manier om hier de goede types uit te selecteren, maar het is geen scheppende kracht. Die kracht komt van binnenuit.

Is het geen tijdverspilling om in het Darwin-jaar zoveel over religie te praten?
Ik geef regelmatig lezingen over het thema hoe de moderne biologie omgaat met levensovertuiging en religie. Dat is gewoon iets dat de mensen bezighoudt. Je kunt niet ontkennen dat de evolutietheorie fundamentele vragen oproept over de zin van het bestaan. Dan kom je al snel bij religie terecht.

Welk land loopt voorop in het biologieonderzoek?
De Verenigde Staten loopt voorop met het onderzoek naar DNA. Het merendeel van de genomen die nu in kaart zijn gebracht, is het resultaat van Amerikaans onderzoek.

Ondanks de religieuze tegenkrachten?
In de Verenigde Staten kom je echt van alles tegen. Je hebt er de meest extravagante kunststromingen en tegelijkertijd het extreem-conservatieve gedachtegoed. De top van de evolutiebiologen werkt daar, maar tegelijkertijd laten de mensen die fel tegen de evolutietheorie zijn ook van zich horen.

Wordt de biologie tegenwoordig door de wiskunde gedomineerd?
Niet zozeer door de wiskunde, wel door de bio-informatica. Voor de moderne biologie is dataverwerking heel belangrijk. Het sequencen van het genoom gebeurt nu in een gigantisch tempo. Dat vereist hele grote systemen voor de opslag van veel data.

Welke raakvlakken heeft de biologie met de geologie?
Het klimaatonderzoek en de koolstof- en stikstofcyclus zijn belangrijke raakvlakken. Biologen werken ook met archeologen samen om de ouderdom van organische resten, zoals hout, te bepalen.

Wat is uw ideale invulling van het Darwin-jaar?
Een goede inhoudelijke discussie over de mechanismen achter de evolutie. Ik ben er niet van overtuigd dat evolutie alleen maar werkt volgens het principe dat Darwin heeft beschreven. In de evolutieleer wordt de vernieuwingskracht door veranderingen in het genoom sterk onderschat.

Welke voorbeelden van evolutie ziet u in uw dagelijkse omgeving?
In gebieden die verontreinigd zijn met metalen en bestrijdingsmiddelen zie je dieren verschijnen die tegen deze stoffen een tolerantie hebben opgebouwd.

Evolueert de mens nog steeds?
De evolutie van de mens is vrijwel tot stilstand gekomen, met uitzondering van bepaalde ziekteresistenties. Ik denk dat de mens onderworpen zal blijven aan seksuele selectie. Aantrekkelijkheid is belangrijk bij het vinden van een partner.

Gaan we met evolutie een kant op?
Dat denk ik niet. De evolutie lijkt doelgericht, maar is het niet. De natuur bepaalt welke kant de evolutie opgaat.

Foto: Nico van Straalen met een chimpansee op zijn werkkamer op de Vrije Universiteit © Annemieke van Roekel
Achtergrond: fossiele zeelelie

Een update voor Darwin

15 december 2009 /door René Fransen

150 geleden verscheen het boek Over de oorsprong der soorten van Charles Darwin verscheen. Zijn evolutietheorie vormt nog steeds de basis van de biologie.

Maar theoretisch biologen worstelen met soortvorming en veldbiologen zien soorten evolueren met een snelheid die niet te verklaren is.

De trek van kanoeten gaat gepaard met een heleboel veranderingen, in verenkleed, maaggrootte en vliegspieren.

Theunis Piersma,
hoogleraar dierecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, bestudeert al zo’n beetje zijn hele leven de kanoetstrandloper. Deze vogel leeft in noordelijke streken, van Siberië via Groenland tot Alaska, en trekt in de winter naar het zuiden, tot diep in Afrika en Zuid-Amerika. In verschillende gebieden wonen ondersoorten van deze rossige vogel, die onderling zeer divers trekgedrag hebben. De tijd waarop ze trekken, het aantal tussenstops dat ze maken, het verschilt sterk. ,,Die ondersoorten zijn relatief kort geleden ontstaan, in de periode na de laatste ijstijd”, legt Piersma uit. ,,Maar die tijd is eigenlijk veel te kort.”

 

Veranderingen
De trek van kanoeten gaat gepaard met een heleboel veranderingen, in bijvoorbeeld het verenkleed, de maaggroote en de vliegspieren. Wanneer al die verschillen stuk voor stuk zijn ontstaan door toevallige mutaties en natuurlijke selectie, zoals de standaard evolutietheorie voorschrijft, zou dat veel langer dan twaalfduizend jaar moeten duren.

,,Dat model, waar we allemaal mee werken, klopt dus niet. Daar loop ik nu al twintig jaar mee rond”, vertelt Piersma. Begin dit jaar besloot hij er nog eens stevig over na te denken. Hij trok zich een paar weken terug in een huisje in New York State, ver van alle beslommeringen, en ging lezen en nadenken. Hij las er onder meer boeken van de Amerikaanse theoretisch bioloog en sluipwespenexpert Mary West-Eberhard en Eva Jablonka, een Israëlische geneticus. Allebei beschrijven ze een idee dat tot voor kort ketters was: de omgeving kan een blijvende invloed hebben op hoe soorten zich ontwikkelen.

Omgeving
Al voor Darwin suggereerde de Franse naturalist Jean Baptiste Lamarck (1744-1829) dat soorten veranderden. Hij meende dat eigenschappen die zich tijdens het leven ontwikkelden, doorgegeven konden worden aan de volgende generatie. Dieren die hun nek uitrekken om bij de bovenste blaadjes te kunnen, krijgen jongen met een iets langere nek. Nadat Darwin zijn theorie van natuurlijke selectie had gepubliceerd, raakte Lamarck uit de gratie. Maar – al is het dan op een totaal andere manier dan de Fransman zich dit voorstelde – de laatste jaren komen er steeds meer aanwijzingen dat organismen inderdaad reageren op hun omgeving.

Onderzoekers van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam hebben laten zien dat de kinderen van vrouwen die zwanger waren tijdens de Hongerwinter vaker suikerziekte, hart- en vaatziekten of borstkanker kregen. Recent bleek dat ook de kleinkinderen een verhoogd risico hebben. De gevolgen van de Hongerwinter lijken dus erfelijk. En Amerikaanse onderzoekers hebben een muis gefokt, waarbij de vachtkleur van de nakomelingen via het dieet is te beinvloeden.

DNA-volgorde
Het mechanisme dat voor deze veranderingen is voorgesteld heet ‘epigenetica’. Het is een beetje een verzamelterm, maar komt er op neer dat door chemische veranderingen aan het DNA de activiteit van bepaalde genen kan worden beïnvloed. Epigenetische veranderingen in het DNA zijn dus geen mutaties: de DNA-volgorde is gelijk gebleven . Maar ze kunnen wel doorgegeven worden aan volgende generaties. Dit past bij de waarnemingen van Piersma.,,De soorten die het sterkst van elkaar verschillen in trekgedrag, bleken juist het meest overeen te komen in het DNA”, zegt hij. Het verschil lijkt dus niet in de DNAvolgorde te zitten. Epigenetische aanpassing van het DNA kan plaatsvinden onder invloed van de omgeving. Op die manier wordt het DNA aangepast aan de heersende omstandigheden. ,,Het DNA lijkt een actieve interface te zijn met de omgeving”, denkt Piersma

Ook theoretisch biologen hebben problemen met het klassieke neodarwinisme, dat voorschrijft hoe soorten zich ontwikkelen door het optreden van toevallige mutaties en natuurlijke selectie. ,,De theoretische modellen die we hiervan maken, kunnen eigenlijk niet verklaren hoe grootschalige veranderingen kunnen optreden binnen een redelijke tijd”, legt de Groningse hoogleraar theoretische biologie Franjo Weissing uit. ,,Die modellen richten zich op graduele veranderingen in een of een paar genen. Microevolutie is zo goed te verklaren, maar macro-evolutie niet.”

Standaardmodellen
De vraag is, hoe complexe aanpassingen – bijvoorbeeld een combinatie van uiterlijke kenmerken en gedrag, zoals bij de trek van de kanoeten – kunnen ontstaan binnen een realistische tijd. ,,In de standaardmodellen lukt dat niet, dan zijn er miljoenen generaties nodig.”

Weissing werkt aan nieuwe modellen die dit probleem moeten oplossen. Epigenetica hoort daar nog niet bij, maar in een publicatie die hij afgelopen vrijdag in het wetenschappelijke tijdschrift Science publiceerde, combineert hij verschillende factoren. Hij schreef het stuk samen met de christelijke evolutiebioloog Sander van Doorn. ,,Dit model combineert twee modellen over soortvorming, een waarin de ecologie de drijvende kracht is, en een waarin dat seksuele selectie is, de keuze van een vrouwtje voor een partner”, legt Van Doorn uit in een interview met Science. Tot nu toe werd aangenomen, dat vrouwtjes hun partners op min of meer willekeurige kenmerken selecteren

Als zo’n voorkeur eenmaal ontstaan is, houdt die zichzelf in stand. Wat Van Doorn in zijn model verwerkte, was het idee dat de kenmerken wel degelijk iets zeggen over de manier waarop een mannetje zich kan handhaven. ,,Het kenmerk waarop de vrouwtjes zich richten, is in mijn model relevant voor de aanpassing van het mannetje aan het milieu.”

Op die manier kiezen de vrouwtjes goed aangepaste mannetjes. ,,Het model laat zien dat door die combinatie van ecologie en seksuele selectie snel nieuwe soorten kunnen ontstaan”, zegt Van Doorn. ,,Het is niet meer dan een eerste stap”, benadrukt Weissing. ,,Hoe complexe eigenschappen kunnen ontstaan, is een compleet nieuwe denkrichting, we weten er nog weinig vanaf. Maar dit zijn grote vragen, waar ik graag de rest van mijn carrière aan wijd.”

Nieuwe ontdekkingen
Grootschalig DNA-onderzoek heeft de afgelopen jaren veel informatie opgeleverd over de manier waarop erfelijke eigenschappen kunnen veranderen. En het blijkt allemaal veel complexer te zijn dan gedacht. VUhoogleraar dierecologie Nico van Straalen voorziet tal van nieuwe ontdekkingen die duidelijk zullen maken hoe evolutie plaatsvindt.

Epigenetica is er maar één van. ,,We trekken nu een gordijn open waarachter een wereld van nieuwe verschijnselen zit”, zegt Van Straalen. ,,Veranderingen in elementen die de ontwikkeling van eicel tot individu reguleren lijken bijvoorbeeld ook belangrijk.” Een chimpansee en een mens beginnen allebei als een bevruchte eicel, daarna begint pas het echte wonder: hoe zo’n eicel uitgroeit tot een volwassen persoon – of een chimpansee. ,,Hoe wordt die ontwikkeling de ene of de andere kant op afgebogen? Dat is een vraag die we moeten onderzoeken.”

Ook denkt Van Straalen dat het belang van ”neutrale evolutie’ groter is dan werd gedacht. Bij neutrale evolutie ontstaan veranderingen die niet voor- of nadelig zijn. ,,Evolutie is misschien wel het resultaat van een heleboel veranderingen die geen direct nut hebben.”

De rol van natuurlijke selectie is volgens Van Straalen daarbij misschien minder groot dat gedacht. ,,Het is niet zo dat alles wat overbodig is onmiddellijk wordt weggeselecteerd. Mensen maken een defect eiwit aan dat meteen wordt afgebroken. Dat defect zit er al zo’n 2 miljoen jaar en is er nog steeds.” Dit soort ‘overtollige’ genen kan een bron zijn van nieuwe eigenschappen. ,,Eerst ontstaat de variatie, dan pas is er in sommige gevallen selectie. Onderzoekers moeten zich daarom vooral afvragen, hoe variatie ontstaat. Want daar is nog geen goede verklaring voor.”


Revolutie in het denken over evolutie

Op 24 november 1859, 150 jaar geleden, verscheen het boek On the Origin of Species waarin Charles Darwin zijn evolutietheorie uiteenzette. Hij liet zien dat soorten veranderen in de tijd, en toonde aan dat natuurlijke selectie van spontane variatie binnen een soort kan leiden tot allerlei aanpassingen. Op die manier zou het hele leven, van eencellige tot de moderne soorten planten, dieren en andere levensvormen zijn ontstaan. Dit is de eerste wetenschappelijke evolutietheorie.

Darwin wist niet hoe eigenschappen aan een volgende generatie werden doorgegeven. Daar kwam pas zo’n vijftig jaar na de ‘Origin’ enig zicht op. De erfelijkheidswetten van Mendel werden herontdekt, onder meer door de Nederlandse plantkundige Hugo de Vries. Erfelijkheid bleek via ‘genen’ te verlopen. Wiskundige modellen gaven een onderbouwing aan het idee dat natuurlijke selectie niet werkte op individuen, maar op genen. Het idee van evolutie werd als volgt: in een groep onstaat bij een individu een mutatie in een gen.

Die mutatie geeft een voordeel, individuen met dit gen krijgen meer nakomelingen, dus de mutatie zal zich verspreiden door de hele groep. Dit is de ‘neodarwinistische synthese’. Wanneer we tegenwoordig over ‘de evolutietheorie’ spreken, gaat het eigenlijk over deze neodarwinistische synthese.

Inmiddels is duidelijk dat dit neodarwinisme te simpel is. Wanneer je moet wachten totdat een gunstige mutatie zich door een hele goep (bijvoorbeeld alle vinken op een eiland) verspreid heeft, ben je enorm veel generaties verder. En voor sommige eigenschappen is niet één mutatie nodig, maar een hele reeks. De tijd die nodig is om al die mutaties te laten ontstaan, is enorm lang. Terwijl evolutionaire aanpassingen vaak relatief snel gaan. Dit probleem heeft biologen op het spoor gezet van nieuwe principes, zoals de epigenetica.

Deze recente ontwikkelingen betekenen volgens sommigen een nieuwe revolutie in het denken over evolutie. Anderen zijn daar niet zo zeker van, zij stellen dat het belang van epigenetica, en andere mogelijke mechanismen voor evolutie, nog bewezen moet worden.

Overigens twijfelt geen van de biologen in dit artikel aan de juistheid van de evolutietheorie. De vraag is alleen welke mechanismen de evolutie aandrijven.

The Origin of Species: het grootste waagstuk aller tijden

Gert Korthof

http://evolutie.blog.com/2009/11/24/the-origin-of-species-het-grootste-waagstuk-allertijden/

Op 24 november 2009, was het exact 150 jaar geleden dat The Origin of Species van Charles Darwin werd gepubliceerd.

http://press.princeton.edu/titles/9005.html

http://www.amazon.com/The-Origin-Then-Now-Interpretive-ebook/dp/B005Z67CFA

Precies op tijd -een paar weken voor 24 november- verscheen The Origin Then and Now‘ van de evolutiebioloog David Reznick.

Zoals de titel al suggereert vergelijkt hij Darwin’s hoofdwerk The Origin zoals het was in 1859 en zoals we er nu tegen aan kijken. Dat doet hij op een deskundige manier. In het voorwoord schrijft hij dat het opnieuw lezen van de Origin ook betekent dat je ontdekt dat sommige details die cruciaal waren voor Darwin’s theorie in 1859 gewoon ontbraken. Precies!

Dat was mij ook al opgevallen. Paradoxaal genoeg heeft de Origin die ontbrekende kennis juist heel duidelijk in de schijnwerpers gezet schrijft Reznick. En juist daardoor werd het een enorme stimulans voor verder onderzoek. Ook dat ben ik met hem eens.

Maar ik wil The Origin niet alleen maar bejubelen zoals vele blogs, tijdschriften en boeken in dit Darwinjaar al gedaan hebben (10). Ik wil een correct beeld hebben van de Origin, zonder vertekeningen.

Want bejubelen is vertekenen. Alleen een historisch correct beeld kan inzicht geven in de moeilijkheid van de taak die Darwin op zich genomen had.

Helaas wordt het ons door vrijwel alle moderne boeken over evolutie juist moeilijk gemaakt om een correct beeld van Darwin te krijgen.

Het is kennelijk erg moeilijk om alle kennis die we nu hebben aan de kant zetten en de Origin (en de evolutiethoerie) te beoordelen zoals hij was in 1859. Ook lijkt de interesse te ontbreken of ziet men het nut er niet van in (13). Er zijn echter zeer nuttige lessen te trekken uit dit soort onderzoek.

Steekproeven

Ik heb steekproeven genomen in de Origin en in moderne evolutiehandboeken aan de hand van de trefwoorden Archaeopteryx, Neanderthaler, Hyracotherium, Darwin finches, Iguanas, Tree of Life.

De eerste drie fossielen zijn de meest opvallende fossielen (’missing links’) die 1859, maar nog tijdens de nieuwe drukken van de Origin gevonden zijn.

Dus je verwacht dat die triomfantelijk in de nieuwe editie’s van de Origin opgevoerd worden als bewijsmateriaal. Tenminste, zó zouden we dat tegenwoordig toch doen? Zeker als je vrijwel geen fossiel bewijsmateriaal hebt! Ook het feit dat Darwin geen van die beroemde bewijsstukken kon opvoeren in de eerste druk is belangrijk genoeg om bij stil te staan.

De Darwinvinken en de Galapagos Iguanas (reptielen) worden altijd opgevoerd met de suggestie dat ze belangrijk bewijsmateriaal voor Darwin vormden.

Voor Darwin’s theorie van gemeenschappelijke afstamming van al het leven vormt de afstamming van vogels een probleem, omdat het een groep is die nergens bij lijkt te passen.

Ik beperk me hier tot Archaeopteryx, “one of the most famous non-missing links of all time” (12). Ik heb een search gedaan op het voorkomen van Archaeopteryxin alle 7 edities van de Origin op de website The Complete Works of Charles Darwin. Een onmisbare website voor dit soort onderzoek.

1859 1e druk Origin of Species
1860 2e druk Origin
1861 3e druk Origin
1861 eerste Archaeopteryx gevonden
1863 T.H. Huxley presentatie
1866 4e druk Origin: Archaeopteryx
1869 5e druk Origin
1872 6e druk Origin
1876 7e druk Origin
1877 tweede Archaeopteryx gevonden (mooiste!)

(herziene 6e druk wordt hier aangeduid als 7e druk).

Resultaat: In 1861 wordt het eerste Archaeotperyx fossiel gevonden; in 1863 houdt T.H. Huxley zijn beroemde pleidooi voor de Archaeopteryx als “missing link” tussen vogels en dinosauriers; in de 4e druk van de Origin vermeldt Darwin de Archaeotperyx. Maar: niet als triomfantelijk bewijs voor zijn evolutietheorie, maar notabene als bewijs hoe weinig we weten van uitgestorven diersoorten! (9). Dat is tamelijk bizar. Iedereen heeft dat over het hoofd gezien. In 1877 wordt de tweede Archaeopteryx, de mooiste, gevonden (te laat voor de 7e druk!). In totaal zijn er 10 exemplaren gevonden (zie: wiki).

Evolutie handboeken

Vervolgens heb ik gekeken wat verschillende hedendaagse auteurs over Darwin en Archaeopteryx schreven.

Dat is vaak nogal onduidelijk of vaag. Altijd laat men in het midden wat Darwin zelf geschreven had over Archaeopteryx, maar suggereerde wel dat Darwin onmiddellijk begreep dat de heteen belangrijke overgangsvorm was en als zodanig een belangrijk bewijs voor zijn theorie.

David Reznick (van het hierboven getoonde boek) schrijft doodleuk dat het fossielen bestand dat Darwin kende enige overgangsvormen bevatte zoals Archaeopteryx (1). Dat is wel erg suggestief en wekt de verkeerde indruk.

Steve Jones (2000) lijkt te suggeren dat Darwin de Archaeopteryx gebruikte als bewijs voor een missing link (2).

Nota bene: Reznick en Jones schreven beide expliciet over het boek ‘The Origin of Species‘, maar zijn niet in staat om gewoon weer te geven wat Darwin schreef over zo’n cruciaal fossiel.

Zelfs de autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de evolutietheorie, de historicus Peter Bowler, vermeldt niets over wat Darwin over Archaeopteryx schreef, in zijn standaardwerk ‘Evolution. The history of an Idea‘.

Niet beter is het gesteld met schrijvers van evolutiehandboeken. Carl Zimmer (3) vermeldt in zijn pas verschenen boek The Tangled Bank dat 1 jaar na de Origin de eerste Archaeopteryx was gevonden, maar vermeldt niet wat Darwin er mee doet.

Strickberger (4) vermeldt dat het fossielen bestand in Darwin’s tijd bijzonder karig was (klopt), en dat Huxley het fossiel correct wist te interpreteren (klopt).

Ook Freeman and Herron (5) weten dat Archaeopteryx “shortly after” 1859 ontdekt is en dat T. H. Huxley “was among the first to recognize the skeletal similarities between dinosauriers and birds”, maar staan niet stil bij wat dat betekent voor de Origin.

Verhelderend is de opmerking van Michael Ruse (6) dat Huxley pas in 1868 het fossiel als cruciaal bewijsstuk voor evolutie beschouwde.

Zelfs de paleontoloog Donald Prothero (11), die uitgebreid over Archaeopteryx schrijft en zelfs het fossiel op de cover van zijn boek heeft staan, is niet geinteresseerd in wat Darwin zelf schreef.

Nu weet ik ook wel dat evolutie handboeken gewoon systematisch al het tot nu toe bekende bewijsmateriaal moeten presenteren ongeacht wanneer het ontdekt is. Typische voorbeelden hiervan zijn Barton et al (7) en Stearns, Hoekstra (8) die zelfs het jaartal van de vondst(en) niet vermelden. Begrijpelijk voor evolutie leerboeken, maar dit heeft het grote nadeel dat daardoor een goed zicht op de status van het bewijsmateriaal in 1859 onmogelijk wordt gemaakt.

Wat maakt dat nu uit?

Géén van de auteurs is in staat om de voor de hand liggende constatering te maken dat Darwin niets van al dat mooie fossiele bewijsmateriaal in handen had toen hij zijn theorie in 1859 aan het publiek presenteerde.

Wat maakt dat uit? We weten nu toch dat Darwin gelijk heeft gekregen? (13). Het gaat mij hierom: omdat je dan totaal niet in staat bent te beoordelen

1e) hoe moeilijk het was voor Darwin om zijn theorie te bedenken en aannemelijk te maken, 2e) hoe lastig het was voor zijn tijdgenoten om zijn theorie te accepteren op grond van het materiaal dat hij in de Origin presenteerde.

Het gevolg is dat we sterk geneigd zijn de Origin vanzelfsprekender en overtuigender te maken dan hij/zij is, en misschien wel de toenmalige critici voor zielige onwetenden te houden.

3e)Ten derde: als we de mate van onderbouwing die de evolutietheorie in 1859 had niet goed beschrijven, zouden we het dan wel goed kunnen voor 2009?

We stellen dan misschien niet eens de vraag: hoe compleet is de huidige evolutietheorie? Wat ontbreekt er nog aan? Hoe zullen wetenschappers over 100 jaar over de evolutietheorie anno 2009 oordelen? Allemaal zeer belangwekkende vragen.

Ook zonder fossielen

Het wonderlijke is dat mijn bevindingen verrassend goed overeenkomen met de opvatting van evolutiebioloog Gerdien de Jong dat “ook zonder fossielen zou de biologie tot de conclusie leiden dat alle levende wezens verbonden zijn door gezamenlijke afstamming” (pers. comm.).

Hoewel als hypothetische uitspraak gedaan, is ze perfect van toepassing op de status van de evolutietheorie in 1859! In 1859 was er géén fossiel bewijsmateriaal voor overgangsvormen en toch was The Origin of Species een overtuigend werk.

Dit werpt tevens een nieuw licht op de wetenschapsfilosofische vraag:

wanneer heeft de evolutietheorie voldoende bewijsmateriaal om als ‘bewezen’ theorie geaccepteerd te worden?

Is het te kwantificieren in welke mate we vertrouwen hebben in de evolutietheorie?

Is het te kwantificeren hoe compleet de evolutietheorie is?

Vooral aardig als we willen weten hoe ver we af zijn van het eindresultaat.

Het Grootste Waagstuk Allertijden

Eigenlijk is het best te begrijpen dat Archaeotperyx (en andere) geen ereplaats in de Origin kreeg, afgezien van het feit dat er maar 1 exemplaar was en het om herdrukken ging.

Immers, Darwin had uitgebreid betoogd dat de ‘geological record’ imperfect was (hoofdstuk 9) en als we een overgangsvorm zouden vinden we hem niet eens zouden herkennen (dit wordt ook door Reznick beschreven, p. 275).

Dus: Archaeopteryx kwam eigenlijk heel ongelegen! Daarom zag Darwin de Archaeopteryx als bewijs van hoe weinig we nog weten van het fossielen bestand.

Hij had gelijk. Toch lees ik deze verklaring bij geen enkele auteur. Het is niet zo moeilijk te begrijpen.

Tot 1970 waren er maar vier exemplaren bekend. Het vijfde werd op 8 december 1970 door de Amerikaanse paleontoloog Prof. John Ostrom in het Teylers Museum in Haarlem ontdekt (hier). Het was foutief gedetermineerd als Pterodactylus crassipes, een dinosaurier. De grootste ironie van de zaak was dat het Teylers fossiel in 1855, dus 4 jaar vóór het verschijnen van de Origin gevonden was! Toen wist niemand dat.

Het lijkt erop dat hedendaagse auteurs gewoon veronderstellen dat Darwin Archaeotperyx opvoerde als belangrijk bewijsmateriaal omdat ze precies beantwoorden aan zijn verwachtingen op grond van zijn eigen theorie.

Precies wat hij voorspeld had. Klinkt allemaal logisch, maar is feitelijk niet correct. Dat Darwin geen enkele fossiele overgangsvorm had, toont aan dat The Origin een risicovolle onderneming was. En erg ambitieus. Het Grootste Waagstuk Aller tijden.

Darwin vertrouwde op toekomstige ontdekkingen die zijn theorie zouden ondersteunen. Die zijn er in overvloed gekomen, maar dat kon Darwin natuurlijk niet weten. Er is een behoorlijke dosis moed voor nodig om een incomplete theorie ondersteund door incomplete data te publiceren.

Dat heb ik nog geen enkele evolutiebioloog horen zeggen (14). Dat wilde ik vandaag, 24 november 2009, 150 jaar na het verschijnen van de eerste druk van The Origin of Species van Charles Darwin, eens nadrukkelijk naar voren brengen.

Noten

  1. David Reznick (2009) The Origin Then and Now: “The fossil record known to Darwin had revealed some evidence for such transitions among taxa, such as Archaeopteryx“, p.403. Reznick heeft overigens zeer verhelderende dingen geschreven over de erfelijkheidstheorie van Darwin (blending inheritance, etc). Maar uiteraard heb ik nog niet het hele boek gelezen. NB: Google Books heeft het boek nu al gescand!
  • Steve Jones (2000) ‘Almost Like a whale. The Origin of Species Updated‘ : “Archaeopteryx was discovered just two years after the publication of The Origin. As the first ‘missing link’ it caused a sensation and was at once seized upon as proof that birds must have arisen in a single step” (p.269)
  • Carl Zimmer (2009) The Tangled Bank, p.71-72. Het was niet in 1860, maar 1861.
  • B.K. Hall, B. Hallgrimson (2008) Strickberger’s Evolution Fourth Edition, page 53.
  • Scott Freeman and Jon C. Herron (2007) Evolutionary Analysis, p. 46.
  • Michael Ruse (1999) The Darwinian Revolution, p. 257.
  • Nicholas Barton et al (2007) Evolution, Cold Spring Harbor Press.
  • Stephen Stearns, Rolf Hoekstra (2005) Evolution, An Introduction.
  • Darwin: “Hardly any recent discovery shows more forcibly than this how little we as yet know of the former inhabitants of the world” (chap. 9 p.367)
  • Slechts één recent voorbeeld: ‘Celebrating The Origin of Species’ schrijft het wetenschappelijk tijdschrift Geneticsnovember 2009.
  • Donald Prothero (2007) ‘Evolution. What the Fossils Say and Why it Matters‘.
  • Douglas Futuyma (2005) Evolution, p. 74. Ook hij is niet geinteresseerd in wat Darwin schreef over Archaeopteryx.
  • Dit is een goed voorbeeld: “We need not recount his arguments here since this mystery has since been solved” (Reznick, 2009, p.286). Hoewel dit niet representatief is voor het hele boek, is dit de kern van het hele probleem waarom de meeste auteurs niet geinteresseerd zijn in de status van de evolutietheorie op een bepaald moment in de geschiedenis.
  • Toevallig hoorde ik Midas Dekker zondagochtend op Vroege Vogels radio zeggen dat “Darwin’s theorie op drijfzand was gebouwd” in verband met het gebrek aan een goede erfelijkheids theorie. Dat is een leuke provocerende uitspraak, die natuurlijk wel nader toegelicht moet worden.

    Darwin en Archaeopteryx

    Het verhaal van Darwin en de Archaeopteryx (die rare vogel die het midden houdt tussen een dinosaurier en een vogel; zie foto) is leuker en interessanter dan ik in eerste instantie dacht. Ik heb nl. een tweede passage over de Archaeopteryx gevonden waardoor ik mijn mening over Darwin moet herzien. De tweede passage is niet terug te vinden via de index van de papieren editie’s van de Origin, omdat ‘Archeopteryx’ maar één keer in de index voorkomt. Daarom is deze passage vermoedelijk altijd over het hoofd gezien. Géén bibliotheek zal alle 7 drukken naast elkaar op de plank hebben staan. Behalve de online editie’s, is de enige andere praktisch haalbare methode om deze passage te vinden het raadplegen van een zogenaamde variorum uitgave van de Origin waarin alle wijzigingen van de 6 drukken naast elkaar gezet zijn (1). Maar ook in dat geval is het zeer tijdrovend als de index van het boek niet compleet is. En dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Volgens google books staat ook daar ‘Archeopteryx’ maar 1x in de index. Ze hebben dus de originele index van de Origin (welke druk?) aangehouden, zo lijkt het. De online editie’s van de Origin hebben uiteraard ook die incomplete index (het zijn tenslotte scans van de papieren editie’s), maar daar kun je een full-text search doen.

    Eerste passage

    De eerste vermelding van de Archaeopteryx verscheen in de 4e druk van de Origin in hoofdstuk IX ‘On the Imperfection of the Geological Record’.

    “Until quite recently these authors might have maintained, and some have maintained, that the whole class of birds came suddenly into existence during the eocene period; but now we know, on the authority of Professor Owen, that a bird certainly lived during the deposition of the upper greensand; and still more recently, that strange bird, the Archeopteryx, with a long lizard-like tail, bearing a pair of feathers on each joint, and with its wings furnished with two free claws, has been discovered in the oolitic slates of Solenhofen. Hardly any recent discovery shows more forcibly than this how little we as yet know of the former inhabitants of the world”.

    Daarin zegt Darwin dat het een ’strange bird’ (rare vogel) is en dat deze vondst aantoont dat we nog zo weinig weten van het fossiele bestand. Echter, de opmerking staat wel in de context van het probleem dat er in de geschiedenis van het leven plotseling nieuwe diergroepen zouden ontstaan (2). Die kritiek wil Darwin weerleggen met behulp van die rare vogel Archaeopteryx. Die toont immers aan dat vogels niet uit de lucht zijn komen vallen. Er zijn uitgestorven ‘primitieve’ vogels gevonden. Darwin gebruikt het fossiel dus wel degelijk om zijn theorie te ondersteunen. Maar tegelijkertijd benadrukt Darwin dat het Archaeopteryx fossiel ook bewijst hoe weinig we nog weten van het fossielen bestand. Dat is logisch, want de context was immers het hoofdstuk ‘On the Imperfection of the Geological Record’. Dat we nog zo weinig weten gebruikt Darwin dus eigenlijk in zijn voordeel.

    Tweede passage

    In de 5e druk (1869), in het hoofdstuk (X) ‘On The Geological Succession of Organic Beings’, voegt Darwin een tweede zin toe (terwijl de eerste Archaeopteryx passage uit de 4e druk gehandhaafd blijft):

    “Even the wide interval between birds and reptiles has been shown by Professor Huxley to be partially bridged over in the most unexpected manner, by, on the one hand, the ostrich and extinct Archeopteryx, and on the other hand, the Compsognathus, one of the Dinosaurians -that group which includes the most gigantic of all terrestrial reptiles”.

    Deze zin is waarschijnlijk gebaseerd op de publicatie of lezing van Thomas Henry Huxley in 1868 (3) toen hij de beroemde claim verkondigde dat de kleine dinosaurier Compsognathus een voorouder van vogels zou kunnen zijn. Darwin vertrouwt op de deskundigheid van Huxley en neemt de claim met instemming over. Deze passage zie ik nergens in de handboeken geciteerd. Ook niet in een van de beste beschrijvingen van de ontdekking van de Archaeopteryx: Pat Shipman (1998) Taking Wing: Archaeopteryx and the evolution of bird flight (2). Ook niet in wikipedia.

    Toch komt de strekking van de passage het dichtst in de buurt van claims van auteurs als Reznick die beweren dat Darwin Archaeopteryx als missing link zag. Het is niet vast te stellen of het slechts een veronderstelling is, of dat ze zich zonder bronvermelding op de Origin baseren. Mijn eerdere claim dat Archaepteryx ‘ongelegen’ kwam voor Darwin vervalt, omdat Darwin het fossiel wel degelijk gebruikte ter ondersteuning van zijn theorie van gemeenschappelijke afstamming. Wel is het zo dat Darwin Archaeopteryx niet triomfantelijk opvoert, zoals Richard Dawkins en anderen het doen.

    The descent of man

    De Archaeopteryx komt ook voor in The Descent of Man and selection in relation to sex:

    1871 1e druk Descent: Archeopteryx aanwezig F937
    1874 2e druk Descent: Archeopteryx aanwezig F944
    1882 2e druk Descent: Archeopteryx aanwezig F955

    “and Prof. Huxley has discovered, and is confirmed by Mr. Cope and others, that the Dinosaurians are in many important characters intermediate between certain reptiles and certain birds—the birds referred to being the ostrich-tribe (itself a widely-diffused remnant of a larger group) and the Archeopteryx, that strange Secondary bird, with a long lizard-like tail.”

    Deze passage komt vrijwel identiek in alle drie editie’s voor. Darwin refereert niet naar het tweede fossiel van Archaeopteryx (Berlijn exemplaar) dat in 1877 was gevonden. De context is de vraagstelling of de 5 hoofdgroepen van de vertebraten, de zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, en vissen van een gemeenschappelijke voorouder afstammen. De conclusie is dat er intermediaire vormen tussen zekere reptielen en zekere vogels zijn. Dus ook hier wordt de Archaeopteryx als bevestiging van Darwin’s theorie van gemeenschappelijke afstamming gebruikt.

    Wat blijft staan

    Ongeacht wat auteurs schrijven of juist niet schrijven over Archaeopteryx in de Origin, het blijft staan dat:

    (1) Darwin voorzichtig was met zijn claims: enerzijds weten we nog zo weinig, maar anderzijds hebben we toch een paar overgangsvormen. Tijdens het traject van de Origin kende hij maar één Archaeopteryx fossiel. Alle andere kwamen pas ná de laatste druk van de Origin. Het mooiste exemplaar (Berlijn exemplaar) heeft hij waarschijnlijk zelf nooit gezien. Het komt ook niet in Descent voor. Wij verkeren in een principieel andere situatie omdat wij tien exemplaren hebben.

    (2) Evolutiehandboeken maken het moeilijk om een correct beeld te krijgen van de hoeveelheid bewijsmateriaal dat Darwin in 1859 had om zijn theorie te onderbouwen. Dit is niet weg te redeneren door het feit dat leerboeken een niet-historisch perspectief hebben. Dat betekent: systematisch alle bewijsmateriaal presenteren in een niet-chronologische volgorde.

    (3) Dat Darwin soorten als de Darwinvinken (Geospiza) in zijn dagboeken of reisverslagen vermeldt is niet relevant, want die zijn slechts beschrijvend van aard. Daar worden ze niet als bewijs voor evolutie opgevoerd. Het is significant dat Darwinvinken niet in de Origin voorkomen. En 1859 was nu eenmaal hét moment dat Darwin zijn theorie aan de wereld bekend maakte. Dát moest het meeste overtuigende pleidooi voor evolutie zijn.

    Druk, druk, druk!

    Als je alleen de eerste druk leest, zoals sommigen (4) aanbevelen (omdat de latere drukken slechter geworden zouden zijn door de vele correcties die Darwin had doorgevoerd onder invloed van de critici), dan ontdek je nooit dat Darwin stapsgewijs nieuwe ontdekkingen (Archaeopteryx) heeft toegevoegd. Dat zijn uiteraard verbeteringen. Maar, als je alleen de 6e druk leest, dan ontdek je wel de Archaeopteryx, maar mis je het feit dat Darwin bij het wereldkundig maken van zijn theorie in 1859 geen fossiele overgangsvormen had.

    Waagstuk is geen gok

    Darwin’s Origin of Species was een waagstuk, maar géén gok. Iemand die gokt heeft geen informatie. Iemand die waagt heeft wel informatie, maar niet voldoende. Wie niet waagt, wie niet wint.

    Deze hele Archaeopteryx zaak brengt duidelijk de vraag naar voren hoe overtuigend de Origin in 1859 was. Dit is een omvangrijk probleem. Daar moet je de hele Origin voor lezen. Een andere fascinerende vraag is: had het na 1859 nog fout kunnen gaan met het Darwinisme?

    (zondag: kleine tekstuele verbetering)

    Noten

    1. Morse Peckham (editor) (1959, 2006) The Origin of Species. Variorum text. University of Pennsylvania Press, 820 pages. (amazon).
    2. Met dank aan Gerdien de Jong.
    3. het jaartal is afkomstig van: Adrian Desmond, entry: ‘Huxley, Thomas Henry (1825-1895)’ in: Michael Ruse, Joseph Travis (2009) Evolution. The First Four Billion Years, p.650
    4. Professor Wim Scharloo gaf in de 70-er jaren de aanbeveling aan biologiestudenten om de 1e druk van de Origin te lezen.

    Ik heb weliswaar in mijn vorige post aangegeven dat zodra Darwin van de Archaeopteryx hoorde, deze als missing link tussen vogels en dinosauriers opvoerde, maar ik heb de indruk gewekt dat Darwin in 1859 helemaal geen fossiel bewijsmateriaal had. Of andersoortig bewijs.

    Niets is minder waar! Dit moet ik dus rechtzetten! Een tweede reden om dit te doen is dat ID-ers en creationisten ‘vergeten’ dat Darwin andersoortig bewijsmateriaal had en denken dat ze met hun kritiek op het (moleculaire) mechanisme van evolutie, Darwin hebben neergehaald. Alle ID-ers maken die fout.

    Ik schreef: “In 1859 was er géén fossiel bewijsmateriaal voor overgangsvormen en toch was The Origin of Species een overtuigend werk”. De nadruk moet hier liggen op overgangsvormen en niet op fossiel bewijsmateriaal opzich. En ik moet nog uitleggen waarom de Origin toch overtuigend was. Ook schreef ik dat de uitspraak ‘ook zonder fossielen is er bewijs voor evolutie’ perfect van toepassing is op de status van de evolutietheorie in 1859. Maar ik bedoel daar zeker niet mee dat er in 1859 géén fossielen bekend waren. Want de geologie vóór 1859 was dan weliswaar niet-evolutionair en niet-Darwinistisch van aard, ze had ondertussen al honderden fossielen beschreven. Darwin zelf had op zijn Beagle tocht fossielen gevonden als Toxodont, Megatherium, Glyptodont

    Patronen

    Darwin gebruikte het fossielen bestand op een andere manier dan we tegenwoordig doen. Darwin wees op patronen in het fossielen bestand die beter door evolutie dan door schepping verklaard konden worden. Zo’n patroon was bijvoorbeeld dat hoe verder je terug gaat in de tijd, hoe meer de fossielen verschillen van tegenwoordige diersoorten. Dat patroon was al bekend bij pré-Darwinistische geologen, maar had geen verklaring. Darwin verklaarde dat patroon door descent with modification (afstamming en verandering). Soorten divergeren in de loop der tijd. Leefden ze langer geleden dan is er meer tijd geweest om te veranderen. Recentere uitgestorven soorten lijken meer op tegenwoordige omdat ze minder tijd gehad hebben om te divergeren. Voor meer voorbeelden zie in het boek van Reznick : de hoofdstukken over Geologie (H 16,17,18,19).

    Maar Darwin gebruikte ook gegevens uit de geografische verspreiding van soorten. Ook daar zag hij patronen. Hij redeneerde dat als soorten ontstaan door bovennatuurlijke schepping (’independent acts of creation’) we dan geen endemische soorten (soorten die alleen op bepaalde eilanden voorkomen) zouden moeten zien. Waarom zou de schepper juist op eilanden unieke soorten neerzetten en diezelfde niet op continenten? Grapje? Ons op een dwaalspoor brengen? (Unieke soorten kunnen niet overwaaien, die zouden geschapen moeten zijn).

    Nog een patroon: op eilanden komen significant vaker dieren voor die zich makkelijk verspreiden over grote afstanden (vliegende dieren: vogels en insecten) dan dieren die zich moeilijk verspreiden over oceanen zoals de grote viervoeters (olifanten, giraffen, leeuwen, paarden) en amphibieën. Waarom zou de schepper dit patroon gecreëerd hebben? Hij zou met het grootste gemak een giraf op een oceanisch eiland kunnen zetten. Meer voorbeelden staan in de Origin en het boek over de Origin van Reznick (zie cover hierboven). Ook staat er een zeer helder geschreven hoofdstuk in Jerry Coyne (2009) Why Evolution is True: ‘The Geography of Life’ (ch 4) (1). Aanbevolen! Let op: ook de biogeografische kennis is sinds 1859 enorm toegenomen (2). Over ‘t algemeen is Coyne zich daarvan bewust, maar zijn doel is de huidige stand van bewijsmateriaal weer te geven. Hetzelfde geldt voor het recente en zeer toegankelijk geschreven boek over biogeografie van Dennis McCarthy (3) dat ik op het moment aan het lezen ben. Wordt vervolgd.

    Noten

    1. “The biogeographic evidence for evolution is now so powerful that I have never seen a creationist book, article, or lecture that has tried to refute it” (p.95). Voorbeelden zijn: Phillip Johnson, Michael Denton, Michael Behe. Ik heb zijn boek nog niet gezien, maar ik voorspel dat ook Peter Borger biogeografie overslaat.
    2. Modern voorbeeld: moleculaire biogeografie van de Galapagos buizerd op het blog van Gerdien de Jong.
    3. Dennis McCarthy (2009) ‘Here Be Dragons: How the Study of Animal and Plant Distributions Revolutionized Our Views of Life and Earth‘.

    NIEUWE SYNTHESE ? De ” NIEUWE ” biologie ?

    De grenzen van het neodarwinisme

    door renefransen op dec.11, 2009,Sterrenstof

    Het gaat hier, voor alle duidelijkheid, om kritiek op het neodarwinisme vanuit de biologie zelf, dus niet vanuit Intelligent Design of creationisme. Ook Gert Korthof, heeft een speciale pagina over een ‘derde evolutionaire synthese’

    Carl Woese., een zeer eminente bioloog, heeft een indrukwekkend cv en is niet bang voor een beetje controverse. Ik heb wat van hem gelezen. Kijk maar eens op zijn homepage, onder ‘representive publications’.

    A New Biology for a New Centuryhttp://mmbr.asm.org/cgi/content/abstract/68/2/173.

    Daarin zet Woese zich af tegen het reductionisme. Niet het methodologisch reductionisme, maar het metafysisch reductionisme, het idee dat je iets begrijpt vanuit de werking van de afzonderlijke onderdelen. Biologie heeft bij uitstek te maken met ‘emergente eigenschappen’, aldus Woese.

    (Martin )

    Wat Woese zegt in “One last look” is nogal amateuristisch. Hij schrijft “The 19th century as a whole had a reductionistic world view, of for no other reason than because of the outlook of classical physics. Physics at the time saw a fundamentally reductionistic world, in which ultimate explanation lay completely in the properties and interactions of atoms: to know the positions and momenta of all of the fundamental particles at a given point in time was in principle to know their poitions and momenta at any other point in time, past or future. Nothing added, nothing subtracted; just the endless deterministic jumble of bouncing atomic balls in a directionless time”. Woese verwijst hier naar ref. 33, Prigogine, “The end of certainty …”.

    In de 19e eeuw was het atoomconcept nog grotendeels speculatief, en de eerste pogingen (Boltzmann) om een atomaire verklaring te geven van diffusiecoefficienten in simpele gassen etc. waren inderdaad gebaseerd op een model van atomen als losse biljartballetjes. Dat was gewoon wiskundig het simpelste. Sinds die tijd is er wel iets veranderd, zoals ook Prigogine uitlegt. De statistische mechanica is inmiddels heel wat verder dan in de 19e eeuw.

    Het is wel grappig dat in de moderne natuurkunde er eigenlijk geen reductionisme meer is. De dingen die we waarnemen (vaste stoffen, vloeistoffen, moleculen, etc.) zijn alijd “many body” systemen, waarin er eigenlijk geen wezenlijk verschil meer is tussen de deeltjes en de interacties tussen die deeltjes: zowel de deeltjes als de interacties zijn gekwantiseerd; zie b.v. systemen van atomen in een electromagnetisch veld. In de moderne theoretische vaste stof fysica wordt juist geprobeerd om grip te krijgen op many body dynamica, wat bepaald niet eenvoudig is. Zie b.v. “The evolving monogram on Many Body Physics” op http://www.physics.rutgers.edu/~coleman/

    Dus het idee van reductionisme als een verklaring op basis van losse microscopische componenten is onjuist. De vraag is eerder of de macroscopie afgeleid kan worden uit een microscopisch many body model. De chemische eigenschappen van een molecuul (many electron states, magnetisme, electrisch dipool moment, etc) volgen uiteraard uit de microscopische eigenschappen van de electronen en de nucleaire “componenten”. Bij vaste stoffen en vloeistoffen geldt hetzelfde, alhoewel daar het behappen van de many particle dynamica slechts bij benadering mogelijk is (wegens wiskundige problemen, beperkte computercapaciteit, etc); zie b.v. supergeleiding. De quantummechanica van “simpele” organische reacties van kleine moleculen staat eigenlijk ook nog in de kinderschoenen. Zie ook het probleem van “protein folding”, wat wel laat zien hoe moeilijk de theoretische fysica van de biochemie is. Biologische processen en structuren zijn, gezien vanuit many body physics, GIGA complex. Alleen dat al maakt geneuzel over “emergentie” lachwekkend. We weten gewoon zeer veel nog niet. Martin

    woese

    Carl Woese

    Hij schrijft er ook lezenswaardige dingen in over de oorsprong van het leven, een thema waar hij veel over gepubliceerd heeft.

    Hoe kan vanuit het niets een cel ontstaan? Woese presenteert een tussenstap, waarin bijvoorbeeld de productie van eiwit op basis van genetisch informatie niet zo gecontroleerd gaat als nu. Deze vroege genen leveren elk ’statistische eiwitten’ op, een mengelmoesje waarvan er misschien maar één een nuttige functie heeft. Maar dat is al beter dan niets.

    Ook was er vroeg in de ontwikkeling van het leven een cruciale rol weggelegd voor horizontale genuitwisseling (tussen organismen dus). Succesvolle genen konden zich zo snel verspreiden.

    Niet via een Darwiniaans mechanisme, overigens, dat kwam pas later aldus Woese.

    Gerdien de Jong over micro en macro evolutie

    ‘Macroevolutie’ is een normale term: het staat meestal voor de evolutiepatronen.

    Het boek van Skelton, Evolution, 1993 (Open University) heeft bv een hoofdafdeling Macroevolution, met de hoofdstukken: ‘evolutionary relationships and history’, fossilization and the record of past life’, ‘geography and macroevolution’, ‘the evolution of form’, ‘phylogenetic patterns’.

    Skelton is meer een all-round boek dan veel huidige boeken, omdat het veel meer geologie biedt.

    Macroevolution komt in de meeste boeken (Futuyma, Freeman & Herron) wel even langs, maar als een heel los woord voor grote veranderingen door evo-devo. Skelton is veel helderder in zijn opvatting.

    Het punt is dat ‘macroevolutie’ een patroon is, en ‘microevolutie’ een proces. Dit onderscheid hoor ik creationisten nooit maken.

    Wat ik wel vaak hoor is een vraag van creationistische kant dat ‘macroevolutie’ in het lab als mechanisme bewezen wordt. Dat kan niet, omdat macroevolutie geen mechanisme is.

    De overeenkomst in de termen doet kennelijk denken dat er een overeenkomst in de zaak is, en dat ‘macroevolutie’ het mechanisme zou zijn voor de grote verschillen, en ‘microevolutie’ het mechanisme voor de kleine verschillen.

    Met andere woorden, als je hoort zeggen er is geen micro- en macroevolutie, dat onderscheid bestaat niet’ betekent dit dat er maar één mechanisme is, microevolutie, dat als je lang genoeg doorgaat tot patronen op macroniveau leidt.

    Zoals ik al aanhaalde in een vorig comment in deze serie (Roeland Heeck, oktober 30th, 2009 on 4:37 pm zei)
    Over macro-evolutie stelde SCM:
    (Conway Morriss )

    “There is no macro evolution, there are only macro results.”
    Zodat SCM kennelijk ook de scheiding tussen processen en patronen maakt; hij ontkent kennelijk macroevolutie als proces, eerder dan dat hij macroevolutie als patroon ontkent.

    Evolutiebiologen maken veel te weinig het onderscheid tussen patronen en processen, maar bv dat boek van Skelton niet. Ook is er de neo-darwinian neiging om evolutie te definiëren als verandering in allelfrequentie of verandering in genetische samenstelling van de populatie: wat mij betreft een verarmende definitie die ook maakt dat macroevolutie niet naar voren komt, omdat het uit de definitie van evolutie wordt weggehaald.

    Maar er zijn grote namen die de geschiedenis van het leven uit evolutie weg willen halen: http://sandwalk.blogspot.com/2007/01/what-is-evolution.html

    Om de verwarring nog groter te maken, soms vind je ‘macroevolutie’ en betekent het alleen maar ‘soortvorming’.

    Darwinjaar 2009 en het Internationale Jaar van de Sterrenkunde

    2009 =

    Zelden zoveel uitvindingen en ontdekkingen , en zelden zoveel mensen die er geen sikkepit van geloven , en zelden zoveel politici die alle wetenschap negeren, doch wel kunnen profiteren van alle voordelen die de boze wetenschap met zich meebrengt

    In 2009 is het 200 jaar geleden dat Charles Darwinwerd geboren; 150 jaar geleden kwam zijn boek ‘On the origin of species uit’.

    Maar 2009 is het ook de 400ste verjaardag van het eerste astronomische gebruik van een telescoop door de italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei in 1609.

    Het jaar van Ardi

    Steven Stroeykens — Ze was maar één meter twintig groot, ze is al 4,4miljoen jaar dood en al wat er van haar overblijft zijn 125 stukjes bot. –> Maar toch de felbegeerde trofee ‘Doorbraak van het Jaar’, die het Amerikaanse wetenschappelijke vakblad Science jaarlijks uitreikt.

    Ardi (kort voor Ardipithecus ramidus) onttroont Lucy (koosnaampje voor Australopithecus afarensis) als de oudste mensachtige waarvan een min of meer compleet skelet is overgebleven.
    Haar overblijfselen werden al in 1994 gevonden, in Ethiopië, maar de wetenschappers die haar opgroeven, hebben rustig de tijd genomen om alles grondig te onderzoeken.
    Dit jaar zijn eindelijk de conclusies gepubliceerd, in een reeks artikelen in Science.
    Het is nog maar het zesde goede skelet van een mensachtige ouder dan een miljoen jaar, en meteen het oudste.Mogelijk was Ardipithecus een voorouder van Australopithecus, die zelf een voorouder van de moderne mens was. Maar het zou ook kunnen dat Ardi een doodlopende zijtak van de menselijke familie vertegenwoordigt.
    Ze liep, volgens de reconstructie van haar verbrijzelde bekken, waarschijnlijk rechtop, maar nog niet zo goed als Lucy.
    Haar hersenen waren even groot als die van een chimpansee, maar haar schedel lijkt meer op die van latere mensachtigen dan op die van de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee.
    De vondst werpt op die manier een interessant nieuw licht op de evolutie van onze soort. Een van de conclusies die uit de analyse van Ardi te trekken zijn, is dat na het uiteengroeien van de mensentak en de mensapentak van onze grote familie, zo’n drie miljoen jaar vóór Ardi, niet alleen de menselijke tak maar ook de mensapentak (met onder meer de chimpansee) sterk geëvolueerd moeten zijn. Het is niet zo dat wíj veranderd zijn en zíj pas op de plaats hebben gemaakt, de twee takken zijn beide sterk veranderd.

    Wie waren de concurrenten die Ardi verslagen heeft, de ‘gewone’ doorbraken van 2009, die net niet de titel gehaald hebben?
    hier volgt de shortlist in willekeurige volgorde.De Amerikaanse satelliet Fermi Gamma-Ray Space Telescope heeft gammastraling waargenomen van voordien onbekende pulsars; dat zijn ineengestorte restanten van dode sterren, die flitsen als kosmische vuurtorens.Amerikaanse onderzoekers stelden vast dat rapamycine, een medicijn dat voorgeschreven wordt tegen nierkanker en bij transplantaties, de levensverwachting van muizen met veertien procent verlengt, ook als de dieren het product pas op middelbare leeftijd beginnen te nemen. Het is het eerste levensverlengende middel dat werkt bij zoogdieren. Helaas is het wegens zijn ernstige neveneffecten niet meteen bruikbaar voor grootschalig gebruik bij mensen.Een reeks publicaties heeft de eigenschappen opgehelderd van grafeen, een vorm van koolstof waarbij de atomen gerangschikt zijn in platte vlakken. Het materiaal zou toegepast kunnen worden in nieuwe elektronische onderdelen.Plantenonderzoekers hebben na lang zoeken eindelijk het geheim gekraakt van de ABA-receptor, een biochemisch mechanisme dat planten droogte helpt overleven. Dat kan helpen om toekomstige genetische gewijzigde planten meer droogtebestendig te maken.Amerikaanse fysisci hebben een röntgenstralenlaser gedemonstreerd, niet om Chinese ruimtestations of Talibanbunkers stuk te schieten, maar om het verloop van chemische reacties te bestuderen.In de VS en Europa hebben onderzoekers vorderingen geboekt met gentherapie, een behandelwijze die al lange jaren uiterst veelbelovend is, maar vaak op ernstige moeilijkheden stuitte.Fysici hebben in ‘spin-ijs’, een vreemde soort materialen, magnetische rimpels opgewekt die zich gedragen als ‘magnetische monopolen’, dat wil zeggen een magnetische noordpool zonder zuidpool (of omgekeerd). Het is alsof ze een worst met maar één uiteinde gemaakt hebben.De onbemande maanverkenner LCROSS heeft waterdamp waargenomen in het puin van een inslag nabij de zuidpool van de maan, het langverwachte bewijs dat daar ijs voorkomt.
    Water op Mars

    Het afgelopen jaar werd duidelijk dat zowel op de maan als op Mars waarschijnlijk watervoorraden aanwezig zijn. Op de rode planeet maakt de Marslander Phoenix in februari voor het eerst foto’s van een substantie die veel lijkt op vloeibaar water.Marslander Phoenix maakt foto’s van vloeibaar water op mars
    Op de maan wordt door de NASA in november een ‘significante hoeveelheid’ bevroren water aangetroffen in een krater. Buitenaardse waterbronnen zouden van pas komen de aanleg van een permanente basis op een andere planeetEn ten slotte is de ruimtetelescoop Hubble voor de laatste keer opgeknapt en gerepareerd.
    2010 wordt het jaar van de biodiversiteit : 2009 was in elk geval al
    een stevige aanzet
    Op aarde blijkt er ook nog genoeg te ontdekken in de natuur, en soms op de meest onverwachtse plekken. Britse onderzoekers komen in september een soort ‘reuzenrat’ van 1,5 kilo op het spoor in de krater van een vulkaan in Papoea-Nieuw Guinea.In Papoea-Nieuw Guinea werd een reuzenrat ontdektNog opmerkelijker is de ontdekking van een nieuwe kameleonsoort in Tanzania. De Amerikaanse onderzoeker Andrew Marshall stuit op de kameleon als een slang het dier vlak voor zijn voeten uitspuwt.17560 nieuwe soorten
    Onder zeeniveau lijkt er zelfs nog een hele wereld van onontdekte dieren te bestaan. In oktober wordt de diepst levende vis op het zuidelijk halfrond ontdekt. En in november beweren onderzoekers van het project Census of Marine Life zelfs dat ze 17560 nieuwe soorten hebben ontdekt in de diepzee.Niet voor alle wetenschappers is 2009 overigens een vruchtbaar jaar.

    Berichten over de Large Hadron Collider van CERN in Geneve waren vorig jaar nog bijna aan de orde van de dag. Maar de reusachtige deeltjesversneller ligt het grootste deel van het 2009 stil. Pas sinds oktober draait het gigantische apparaat weer. En als we sommige wetenschappers moeten geloven is de deeltjesversneller gedoemd om in 2010 weer kapot te gaan.In een van de meest bizarre wetenschappelijke papers van het jaar beweren een Deense en een Japanse natuurkundige dat de LHC zal worden gesaboteerd door tijdreizende deeltjes. 2010 zal mogelijk uitwijzen of de twee wetenschappers geniaal of gek zijn…
    klimaat
    Dramatisch dieptepunt = de min of meer mislukte top van Kopenhagen. Het is niet toevallig dat juist kort voor die top begon veel onderzoeksresultaten omtrent het veranderende klimaat uitlekten.
    Zo vertelden wetenschappers ons dat 24 miljoen mensen voor het broeikaseffect en de gevolgen daarvan op de vlucht zijn geslagen.
    Al Gore liet weten dat de ijskappen al in 2014 gaan smelten, ijsbergen naderen Australië en Finding Nemo wordt werkelijkheid.
    Maar wat er nu concreet allemaal gaat gebeuren en hoe realistisch de voorspellingen zijn, dat blijft koffiedik kijken.
    Eerste decenium 21 ste eeuw /Vk-decennium-Top-5: Wetenschappelijke doorbraken

    22 december, 2009 ·

    Het jaar 2009 loopt op z’n einde, het eerste decennium van de 21ste eeuw zit er bijna op. Een terugblik op de Jaren Nul. Wat waren de opmerkelijkste, bijzonderste, gezichtbepalendste, belangrijkste, opzienbarendste en mooiste gebeurtenissen of ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar? wetenschappelijke doorbraken.
    1. Voltooiing menselijk genoom

    Een makkelijke keuze, want de ontcijfering van de genetische blauwdruk van de mens is ongetwijfeld de belangrijkste wetenschappelijke mijlpaal van de jaren nul, en misschien wel de belangrijkste ooit. Lastiger is het een einddatum te hangen aan deze internationale onderneming; het Human Genome Project dat in 1990 van start ging en tientallen miljoenen dollars heeft gekost.

    In juni 2000 kondigden de Amerikaanse president Clinton en de Britse premier Blair de voltooiing aan, in februari 2001 werd de eerste ‘schets’ gepubliceerd, en in april 2003 werd het menselijk genoom voltooid verklaard. Maar de analyse en verfijning van de genenkaart gaan nog steeds door. Zo kwamen in 2006 zeven chromosomen officieel af. Met de ontcijfering van de exacte volgorde van de 3 miljard basenparen van het menselijk dna kennen we echter het hele genoom noch zelfs maar alle 20 tot 25 duizend genen.

    Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat een groot deel van het dna bestaat uit weglatingen en verdubbelingen van stukken dna. Niettemin was de ontcijfering van het genoom een enorme boost voor het genomics-onderzoek. De genenkaart vergemakkelijkt onderzoek naar de invloed van genen op ziekte en gezondheid en naar de afstamming van de mens.

    2. Tweelingen van de Aarde

    Geen groene mannetjes te bekennen, maar in april 2007 is het nieuws er niet minder spectaculair om: in het sterrenbeeld Weegschaal staat een ster waar een planeetje omheen draait dat mogelijk behoorlijk wat wegheeft van de aarde.

    Exoplaneten worden al het hele eerste decennium van de nieuwe eeuw opgespoord, vooral dankzij nieuwe astronomische waarnemingstechnieken waarbij de lichtvariaties worden gemeten als de planeet voor de verre ster langs beweegt.

    Maar verreweg de meeste van die verre planeten zijn enorm groot en zwaar, vaak meer halfgelukte sterren dan serieuze hemellichamen. Zo niet Gleise 581-C, een planeetje van ongeveer 5,4 aardmassa’s dat wellicht ook vaste grond heeft. De eerste zeker vaste exoplaneet werd in 2009 gevonden: CoRoT 7-b, die een tot tweemaal zo zwaar is als de aarde. Leven kan er niet zijn, het is er aan de sterzijde zo’n 1500 graden. Gesteenten zullen dan ook gesmoten zijn, denken astronomen.

    3. Kluizenaar bewijst oud vermoeden

    Gewone stervelingen zullen er nooit van wakker hebben gelegen, maar toen de Russische wiskundige Grigori Perelman in 2002-2003 het beruchte vermoeden van Poincaré bewees, waren wiskundigen in alle staten. Tegen de tijd dat Perelmans bewijs in 2006 door collega’s was nagerekend en hem de Field Medal werd toegekend, de wiskundige pendant van een Nobelprijs, was Perelman van de aardbodem verdwenen.

    Volgens zijn familie was hij kluizenaar geworden, paddestoelen plukken in de ruisende Russische wouden. Hij weigerde de prijs. Dat neemt niet weg dat Perelmans bewijs een van de grote gebeurtenissen van de wetenschap in de jaren nul mag heten. Het vermoeden van Poincaré zegt dat ieder gesloten oppervlak waarop een cirkel tot een punt kan worden samengetrokken, een bol moet zijn. Ook in meer dan drie dimensies. Klinkt triviaal, maar bewijzen is een ander verhaal. Sinds Henri Poincaré in 1904 zijn vermoeden opschreef, hebben ook de grootste wiskundigen er hun tanden op stukgebeten. In 2000 loofde het Clay Institute een miljoen dollar uit voor de ontknoping. Ook die heeft Perelman niet opgehaald.


    4. Stamcellen, eeuwige belofte

    Het medische onderzoeksveld dat in de jaren nul de grootste beroering veroorzaakte is dat van stamcellen, de grote belofte van de regeneratiegeneeskunde. Aanvankelijk was de aandacht vooral gericht op embryonale stamcellen, flexibele cellen die eindeloos kunnen delen en uitgroeien tot allerlei typen lichaamscellen. Dit onderzoek veroorzaakte ook de grootste controverse, vanwege de ethische dilemma’s en het embargo op federale financiering dat in 2001 door president Bush werd opgelegd (en in 2009 door Obama ingetrokken).

    De eerste menselijk embryonale stamcellen werden in 1998 door de Amerikaan James Thomson geïsoleerd. Het bedrijf Advanced Cell Technology kloonde in 2001 als eerste menselijke embryo’s. In 2004-2005 claimde de Koreaan Hwang Woo-Suk als eerste uit gekloonde menselijke embryo’s stamcellen te hebben gehaald. Zijn resultaten bleken echter vervalst.

    Groot was het enthousiasme toen in 2007 de Japanner Shinya Yamanaka aantoonde dat je uit gewone menselijke huidcellen stamcellen kunt maken die bijna net zo veelzijdig en krachtig zijn als embryonale. Inmiddels kunnen uit allerlei lichaamscellen zulke stamcellen worden gemaakt. Omgekeerd kunnen uit stamcellen allerlei lichaamscellen worden gemaakt, zoals hartcellen en zenuwcellen. Steeds belangrijker worden ook de volwassen stamcellen, uit navelstrengbloed of vruchtwater of gewoon uit het lichaam zelf. Echte stamceltherapieën zijn er intussen nog maar weinig. De belangrijkste is nog altijd beenmergtransplantatie, een behandeling die al decennia succesvol is.

    5. Floresmens: klein en jong

    Het was een wetenschappelijke ontdekking met een hoog jongensboekgehalte: de vondst in 2003 van een onbekende mensachtige in de Liang Bua-grot op het Indonesische eiland Flores.

    De vondst was sensationeel om meerdere redenen: Homo floresiensis was om te beginnen een minimens, niet meer dan één meter hoog en met een brein van grapefruit-formaat. De overblijfselen van inmiddels negen individuen zijn aangetroffen bij sporen van (kamp)vuur en met stenen werktuigen, waarmee de uitgestorven mensachtigen, die al gauw de hobbits werden gedoopt, op eveneens uitgestorven mini-olifantjes hebben gejaagd.

    Daarnaast bleken de niet-gefossiliseerde botten tussen 38 duizend en 12 duizend jaar oud. Ze zijn dus mogelijk bijna 18 duizend jaar jonger dan de allerlaatste Neanderthalers, tot nu toe de meest recent uitgestorven familie van de mens.

    Speculaties dat de hobbits misschien wel tot in historische tijden in Flores hebben geleefd en dus moderne mensen hebben ontmoet, konden niet uitblijven. Sommige paleontologen denken dat de Floresmens een eilanddwergvorm is geweest van Homo erectus (Javamens).of zelfs een oudere mensachtige

    Maar tegenstanders ( en natuurlijk ook creationisten die met alle macht weigeren te herkennen dat er verschillende soorten ( species ) mensen naast elkaar hebben geleefd ) denken dat het een ziekelijke dwergvorm is geweest van de moderne mens, Homo sapiens.











    With so many incredible scientific advances and discoveries this year, Wired Science had a tough time choosing which 10 were the biggest. So, we went with the ones that stood out for us. From the amazing collective power of jellyfish, to a new human

    CREATIONISTEN NA  DARWINJAAR

    Na het Darwinjaar , ideologen / pseudowetenschap en creationisten

    Einde Darwinjaar

    darwinjaar-web-95

    PIERRA
    donderdag 3 december

    Het Darwinjaar is afgelopen . Het zou mooi zijn een overzicht te hebben van wat dit jaar heeft opgeleverd. Dat is natuurlijk voor iedereen anders, dus is het onmogelijk daar een allesomvattende samenvatting van te maken.

    . De tegenstellingen tussen creationisten, ID-ers, theïstische evolutie-aanhangers, en (atheïstische) voorstanders van de evolutietheorie kwamen uitvoerig aan bod.

    Het jaar begon met de atheïstische leuzen op de bussen in Londen, die gesponsord waren door Richard Dawkins. Tegelijkertijd lieten de creationisten in Nederland ook van zich horen d.m.v. folders die bij iedereen zomaar in de bus geduwd werden. Het hoogtepunt was de aanstelling van Francis Collins als hoofd van het NIH (National Institutes of Health: de grootste en belangrijkste onderzoeksinstelling van de VS), een aanhanger van theïstische evolutie.

    Deze zienswijze van theistische evolutie accepteert de evolutietheorie, maar gelooft dat God de schepper was, ook van de cosmos. Hij schiep op de Aarde leven dat uiteindelijk moest evolueren naar de mens, opdat deze een bewustzijn, eigen wil en de gave tot onderscheid tussen goed en kwaad door Hem ingeblazen kon worden.

    In Italië is in de kranten grote consternatie ontstaan (voor een keer niet over Berlusconi) n.a.v. de ventilatie van creationistisch gedachtegoed door de vice-voorzitter van het CNR (het Nationale Centrum voor [wetenschappelijk] Onderzoek). Hij heeft in februari j.l. een congres georganiseerd met creationisten als speakers. De voorzitter van het CNR distantieert zich van deze figuur. .

    Het definitieve einde van( het )Darwin(jaar ) is in italie op zeer ongepaste wijze ingezet door de opmerkelijke publicatie van een ( nauwelijks verholen ) creationistisch boek (inclusief zondvloed gezever en yadadada -gedram over o.a. dateringstechnieken )dat mede door de officieele organisatie voor ( een soort van ) wetenschappelijke alfabetisering (?) het “CNR. “ , is gefinancierd ( en zonder dat boek vooraf te hebben onderworpen aan enige ” peer review” vooraleer het financieel mogelijk te maken ) …
    Wat een blamage voor de italiaanse wetenschap … in zonderheid de evolutiewetenschappen , de biologen , geologen etc ….
    Zelfs wetenschappers uit het Vatikaan steigeren (op dit ogenblik )

    Blijkbaar is de meerderheid van de VS -bevollking niet het enige achtergebleven deel van de wetenschappelijk ongeletterden( en de pseudo-wetenschappers in laboratorium jas in het bezit van een uilenvel ) in de westerse wereld …De verantwoordelijken van dit initiatief van het Italiaanse sloddervos instituut ” ter “onbedoelde” (?) bevordering der desinformantie” hebben hiermee duidelijk aangetoond onbekwaam te zijn om hun functie verder uit te oefenen
    …. en dat geldt ook voor CNR president, fysicus Luciano Maiani
    en.wikipedia.org/wiki/Luciano_…
    ( zou die natuurkundige nog denken dat biologie en levenswetenschappen ( in het bijzonder evolutiewetenschappen ) geen echte wetenschap kunnen zijn ? het zou me niet verwonderen …)

    Oh ja :
    CNR’s ( politiek benoemde ) Vice President Roberto de Mattei, is auteur en lobbyist ( en gaf minstens groen licht ) voor het gewraakte boek ( wat trouwens wordt voorgesteld als een verslag van een congres over het ” falende darwinisme ” , eerder dit jaar gehouden onder de auspicieen van datzelfde CNR)

    “Evolutionism: The Decline of an Hypothesis. ”
    www.robertodemattei.it/index.p…

    Althans dat heb ik allemaal gemeend ( nogal gematigd ) te kunnen opmaken uit de nieuwsberichten
    pandasthumb.org/archives/2009/…
    www.scientificamerican.com/blo…
    blogs.sciencemag.org/sciencein…

    P.S.
    En natuurlijk gaat het ook over de “vrijheid van meningsuiting” , precies alsof dat een vrijbrief is om van officiële zijde de boel op te lichten
    Wetenschap gaat trouwens ook niet over een compromis tussen verschillende meningen en/of is geen democratisch vaststellen van de mening van de meerderheid als waar of onwaar ….

    -Creationisme is GEEN wetenschap , maar sectair geloof
    _Darwinisme is een “creationisten” woord bedoeld om van de evolutie-wetenschappen als een soort ideologie te kunnen brandmerken en om als een ” 19 eeuwse filosofie ” ( een stroman dus ) te kunnen worden onderuit gehaald …
    – zondvloedgeologie en daterings-tralalala zijn versleten dode paarden van het rabiaatste YEC creationisme die hier voor dezoveelste maal worden gereanimeerd …
    -Mooi land en mooi volk
    Intriest dat het ook moet ten prooi vallen ( als bruggenhoofd fungeren van ) aan de hersenloze amerikaanse pipo’s ….
    Blijkbaar is Italie naast pogingen in Nederland het tweede bruggenhoofd van de amerikaanse barbaren “ter hervorming van de cultuur en de restauratie van de theocratie ” in Europa

    De discussies (1)zullen natuurlijk aanhouden, ook na dit Darwinjaar.

    Ik kan me helaas niet aan de indruk onttrekken dat de tegenstellingen verscherpt zijn en dat de creationisten en hun verwanten zich steeds beter organiseren om hun gedachtegoed te verspreiden.

    Artikel in Science over de Proceedings, of het boek ‘Evolutionism: the decline of an hypothesis’ dat met geld van het CNR in Italie gepubliceerd werd.

    Zie ook de samenvatting van dit jaar door Dan Jones, en een artikel over de hedendaagse religieuze ‘oorlog’ van Nicholas D. Kristof gepubliceerd op de site van Sam Harris.

    Debat tussen Lawrence Krauss en Michael Behe.

    Debat tussen Sam Harris and Rabbi David Wolpe

    Debat in Mexico 11.08.2009 metHarris, Hitchens, & Dennett vs. Boteach, D’Souza, Wright, & Taleb (Zet het geluid op maximum)

    (1)Het zijn wél meestal allemaal non-discussies over allerlei interpretaties en meningen😦 en de te hanteren wetenschappelijke methode ) . over de zo goed als “bewezen” (natuur)wetenschappelijke evolutiemodellen…..althans het zijn deze huidige modellen die het best de kontroleerbare werkelijkheid benaderen en van een meest waarschijnlijke verklaring voorzien

    Creationisme en het ID gebeuren zijn reeds lang een gepasseerd station. ( voor de reguliere wetenschap )
    * Zolang er geen en nog steeds geen evidente aanwijzing is voor een intelligente almachtige entititeit gaan we nog steeds uit van het meest waarschijnlijke..
    * Op de bijbel hoeft men zich niet te beroepen; dat is enkel een gecensureerd sprookjesboek.

    Was darwin nu gelovige , agnost of atheist ?

    Levend in de Victoriaanse tijd moest Charles Darwin erg voorzichtig zijn in verband met zijn zich ontwikkelend “ongeloof” . Toch komt het vrij duidelijk naar voor in zijn teksten.
    Hier een voorbeeld uit “Descent of Man”:

    Het geloof in God is vaak naar voren gebracht als het grootste en meest complete van alle verschillen tussen mens en de lagere dieren… Het is echter onmogelijk om te beweren dat dit geloof aangeboren of instinctief is bij de mens.
    Een geloof in alles doordringende spirituele werkingen schijnt universeel te zijn en is blijkbaar het gevolg van een aanzienlijke vooruitgang in de redeneervermogens van de mens en van een nog grotere vooruitgang in zijn verbeeldingskracht, nieuwsgierigheid en verwondering.

    Ik ben me ervan bewust dat het veronderstelde instinctieve geloof in God door tal van personen is gebruikt als een argument voor zijn bestaan.
    Maar dit is een onbezonnen argument, want aldus zouden wij verplicht zijn om te geloven in het bestaan van tal van wrede en kwaadaardige geesten die maar een beetje meer macht bezitten dan de mens; want het geloof in hen is veel algemener dan dat in een weldadige godheid.”

    Het is duidelijk dat

    -Darwin hier het godsbeeld toeschrijft aan het brein van de mens.
    -Een idee dat tegenwoordig door de meeste hersenspecialisten wordt aangenomen.

    De theorie die een feit werd

    • zaterdag 19 december 2009

    http://dsonline.be/artikel/detail.aspx?artikelid=QH2JV1OF

    MAARTEN BOUDRY Onderzoeker aan de UGent, schrijft samen met collega Stefaan Blancke.

    Evolutie is niet zomaar een theorie, maar een feit.
    Want De bewijslast is overweldigend.

    Gerard Bodifee verwijst naar Newtons fysica, een briljante theorie die sinds Einstein achterhaald is, om te waarschuwen dat ook de inzichten van Darwin niet onweerlegbaar zijn.

    Kan zijn, zegt MAARTEN BOUDRY, maar zoals de zwaartekracht na Einstein niet is verdwenen, zal ook evolutie blijven bestaan.

    Gerard Bodifee probeert in De Standaard ( 12 december) een kritische balans op te maken van het Darwinjaar, maar slaat hier en daar de bal mis.
    Volgens Bodifee is evolutie geen feit, zoals de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins beweert, maar slechts een theorie. (1)
    Niemand kan met zekerheid zeggen wat de toekomst brengt voor de evolutietheorie, aldus Bodifee, en we hoeven maar naar het lot van Newtons fysica te kijken om dat beseffen.
    Echter, wetenschappelijke kennis mag dan al feilbaar zijn, zelfs wanneer een onwankelbaar geachte theorie het onderspit moet delven, zoals Newtons fysica voor de algemene relativiteitstheorie van Einstein, worden op zijn minst de ‘fenomenen gered’.
    De zwaartekracht hield niet op te bestaan toen Einstein zijn theorie formuleerde, net zomin als de zichtbare verschijnselen die ze veroorzaakt.
    Het echter ook klopt niet dat Einstein met een volledig andere theorie afkwam dan Newton.
    Einstein is een uitbreiding van de theorie van Newton, want Einstein ging ervan uit dat de ruimte door gravitatie kan krommen (iets wat Newton niet wist).
    Eens deze kromming gekend is, is het enkel wiskunde om vanuit de theorie van Newton die van Einstein te vinden.
    Zo zien we ook dat sinds Darwin er ( zeer veel) nieuwe elementen zijn opgedoken die niet helemaal in de oorspronkelijke theorie passen, zoals zijn foute veronderstelling van stabiele ecosystemen, maar de basis van de evolutietheorie is nooit wetenschappelijk aangetast geweest.
    Het ziet er dus wel degelijk naar uit dat de theorieën van Newton en Darwin de basis blijven voor nieuwe theorieën. We kunnen daar natuurlijk nooit volstrekt zeker over zijn. We zijn er wel zeker van dat nieuw onderzoek de theorieën zullen uitbreiden.
    Bodifee moet een onderscheid maken tussen evolutie en biologische adaptatie als feiten en natuurlijke selectie als verklarend mechanisme.
    Het is mogelijk – hoewel weinig waarschijnlijk – dat we in de toekomst radicaal nieuwe wetenschappelijke inzichten verwerven over de mechanismen achter evolutie, maar de gemeenschappelijke afstamming van de soorten zelf is boven elke twijfel verheven.De bewijslast voor evolutie is dus zo overweldigend dat ze de status van een ‘feit’ heeft verworven, zoals Richard Dawkins stelt, dat even solide is als het ‘feit’ dat de aarde rond de zon draait. Dawkins’ uitspraak is ook expliciet gericht tegen de wijdverspreide creationistische propaganda, die stelt dat de evolutietheorie ‘just a theory’ is, kortom, een hypothese, een gissing, een ideetje.

    Sociaal darwinisme

    Frappanter is echter Bodifees bewering dat het ‘doelgericht handelen’ bij mensen en dieren de ‘onvolledigheid’ van de moderne evolutietheorie aantoont.

    Als ons vermogen tot doelbewust handelen niet door een gradueel proces van evolutie en natuurlijke selectie is ontstaan, waar komt het dan volgens Bodifee wél vandaan? Evolutionaire biologen, neurologen en psychologen buigen zich al decennia lang over de evolutionaire wortels van ons intentioneel gedrag, onderzoek dat Bodifee klaarblijkelijk is ontgaan.
    Denk bijvoorbeeld aan de evolutionaire benadering van intentionaliteit door de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett.
    Even merkwaardig is Bodifees these dat intentioneel handelen niets met oorzaken te maken heeft. Mocht dat zo zijn, dan zou hij ’s morgens niet eens zijn bed uit geraken om opiniestukken te schrijven, aangezien zijn intentie daartoe geen causaal verband heeft met zijn handelen.Bodifee roept wetenschappers ook op om eens duidelijk te maken dat de natuurlijke mechanismen van meedogenloze selectie geen model mogen staan voor ons moreel handelen of het inrichten van de samenleving.
    (3)
    We zijn benieuwd welke wetenschapper volgens Bodifee tijdens het afgelopen Darwinjaar een dergelijk onversneden ‘sociaal darwinisme’ heeft gepredikt.
    Diezelfde Richard Dawkins bijvoorbeeld, die vaak als ‘ultradarwinist’ bestempeld wordt, schreef meermaals dat hij een ‘gepassioneerde anti-Darwinist’ is wanneer het politiek en moraliteit betreft. Dat standpunt deelde hij met zijn grote rivaal Stephen Jay Gould, hoewel beiden het vaak oneens waren over bepaalde wetenschappelijke aspecten van de theorie. Uit biologische feiten kunnen we immers geen morele waarden afleiden.
    Daarbij moeten we ons vanzelfsprekend proberen te ‘distantiëren van bepaalde natuurlijke reflexen’, zoals Bodifee schrijft; maar evenzeer kunnen we andere omhelzen.
    Ook onze vermogens tot empathie en samenwerking zijn immers geëvolueerde ‘natuurlijke reflexen’, zoals Darwin al vermoedde, die pas begrijpelijk zijn vanuit het besef dat we een zeer sociale diersoort zijn.

    Bodifee en de zoveelste tsjevenstamp van deze “verborgen” IDC-achtige zweefrekartiest
    http://www.bodifee.be/nl-BE/Layout001.aspx?PID=113

    Ach, nog nooit iets gelezen van Bodifee dat niet religieus filosofisch geïnspireerd was.De man is niet in staat zich te verzoenen met een rationeel wetenschappelijk wereldbeeld.

    http://jefboven.blogspot.com/2009/12/darwin-na-het-feest-de-standaard.html
    http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=J32JJQKR
    http://www.standaard.be/meningen/forum/index.aspx?pagename=detail&forumid=1380891

    http://blog.seniorennet.be/darwinisme_guido_k/

    ( 1) Bodifee probeert Darwin te beschadigen met de bewering dat zijn leer slechts een theorie is, en vergelijkt dat met de “theorie” van de zwaartekracht van Newton. De “gravitatiewet van Newton” werd echter door Einstein verfijnd en bijgesteld maar niet ongedaan gemaakt. Het is niet omdat er in de 150 jaar na Darwin nog veel correcties zijn aangebracht op de evolutieleer, dat hij moet worden afgevoerd. Ernstige biologen maken uitsluitend gebruik van het darwinisme bij hun studies van de natuur, omdat dit sinds “On the Origin of Species” (1859) de enige aanvaardbare verklaring is voor de evolutie.

    (2) Bodifee gebruikt creationistische argumenten wanneer hij schrijft dat wetenschappers ervoor zouden moeten uitkomen dat ze geen volledige verklaring hebben voor bepaalde natuurverschijnselen. Hij beticht evolutiebioloog Richard Dawkins van dogmatisme hoewel die altijd duidelijk zegt dat alle wetenschappelijke vaststellingen voor correctie vatbaar zijn, en dat honderd procent zekerheid alleen bij religies voorkomt.

    Het heeft weinig zin met woord- en taalspelletjes te beginnen , en evenmin in filosofische beschouwingen over het nominalisme.

    Wanneer men vandaag in de krant beweert dat het een feit is dat de aarde rond de zon draait, begint niemand daarover een twistgesprek, maar als men vandaag in dezelfde krant beweert dat evolutie een feit is, ho maar! dan moet men, mes op de keel, zich verantwoorden omtrent de inhoud en draagwijdte van het gebruikte woord “feit”

    Darwin stond aan het begin van de studie naar evolutie en haar mechanismen. Veel van zijn twijfels waren in zijn tijd zeer gegrond, maar zijn ondertussen na anderhalve eeuw intensief onderzoek al behoorlijk verklaard.

    Velen lijken onder de indruk dat Darwin een dogmatisch stelsel heeft ontwikkeld en dat sindsdien alle wetenschappers dit blind zijn gaan volgen. Het tegendeel is waar! Darwin’s boeken zijn niet zoals de bijbel of de koran, het is geen dogmatische leer die blind wordt gevolgd in de wetenschap… Men heeft blijkbaar ook nooit gehoord van Alfred Russell Wallace, die tegelijkertijd met Darwin de principes van evolutie ontdekte, maar er wel andere ideeën op nahield. Het is net deze Wallace die de eerste decennia na Darwin het meest werd gevolg… Men heeft ook niet begrepen dat de kennis van genetica nog niet bestond ten tijde van Darwin. Deze wetenchap heeft dan ook heel veel lacunes in Darwin’s onderzoek kunnen ophelderen! … Het is al té eenvoudig om Darwin’s wetenschappelijk verantwoorde twijfels vandaag de dag te gebruiken tegen evolutietheorie.

    Dat is zoals zeggen dat Columbus dacht dat hij in India was, dus iedereen die denkt dat het nu Amerika is, is verkeerd. Darwin was een pionier (rustend op de schouders van andere grote geesten), en leefde in een tijd waarin er nog geen enkel onderzoek naar genetica en biologische evolutie had plaatsgevonden. Ondertussen zijn we mijlen verder!

    (3) Dat de natuur geen model zou zijn voor gedrag – zoals Bodifee schrijft – wordt grondig weerlegd door professor Daniel C. Dennett in zijn indrukwekkend betoog “Freedom evolves” (vertaald als “Evolutie van de Vrije Wil”) waarin hij aantoont dat ook onze vrijheid van denken en beslissen, door de evolutie werd bepaald.

     

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

6 Responses to DARWINJAAR

  1. Pingback: The origin of species « Tsjok's blog

  2. Pingback: archaeopteryx « Tsjok's blog

  3. Pingback: FENOTYPE en GENOTYPE « Tsjok's blog

  4. Pingback: MYTHES, MISVATTINGEN en GESCHIEDENIS-VERDRAAINGEN rond DARWIN | Tsjok's blog

  5. Pingback: INHOUD D | Tsjok's blog

  6. Pingback: Pseudo wetenschap | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: