Cambrische explosie


1.- De cambrische explosie
2 – Het cambrium /Na darwin
3. -“Burgess shale ”
4.- Nieuwe fossielen maken oude minder bizar(Schilthuizen)
5.- Lang gezochte primitieve vertebraten gevonden
6.- The Cambrian as an evolutionary exemplar
7.- Ediacara Assemblage
8- Stromatolieten
9.- Ecologie en de cambrische revolutie
10.- Regenwormen bepalen het toneel
11- Embryo’s van 580 miljoen jaar oud wijzen op vroege ontwikkeling van complex leven
12.- Precambrische ‘embryo’s’ zijn wellicht zeer grote zwavelbacteriën
13.- Biofilms ;Bacteriën bouwen fossielen
14.-VERNANIMALCULA GUIZHOUENA
15.- Nieuw zicht op evolutie door vondst van kreeftachtig diertje
16.- Kreeftachtigen stammen waarschijnlijk van voor de Cambrische explosie
17.- Oud leven gevangen in kalksteen
18.-“Dieren” liepen 30 miljoen jaar eerder dan gedacht

http://www.bbc.co.uk/nature/history_of_the_earth/Cambrian

zuurstof en carnivoren

Sleutelwoorden Burgess shale , Ediacaran biota, Precambrium , Vendian (610 – 570)

–>Vis , zoogdier en calcium —> cambrium

Meer zuurstof leidde tot meer carnivoren en de Cambrische explosie

  • Belga

Een borstelworm, Nereis pelagica.

wo 31/07/2013 – 20:16 Luc De RoyEen verhoging van het zuurstofgehalte in de zee, meer dan een half miljard jaar geleden, heeft het ontstaan van vleeseters mogelijk gemaakt en dat heeft de Cambrische explosie veroorzaakt. Dat zegt een nieuwe theorie, die steun krijgt van een studie van borstelwormen.

Al de grote groepen van moderne dieren, van insecten over kreeftachtigen tot gewervelden, verschijnen vrij plotseling tussen 540 en 500 miljoen jaar geleden, in wat de Cambrische explosie genoemd wordt.

BelgaIn de Cambrische periode waren trilobieten de overheersende levensvorm.

Aangezien uit fossiele en moleculaire bewijzen blijkt dat de meer primitieve dieren al enkele honderden miljoenen jaren eerder verschijnen, en er in die tussentijd weinig evolutie te merken valt, vragen geleerden zich af waarom het zo lang geduurd heeft voor de nieuwe soorten verschenen.

Nu hebben geleerden twee eerdere theorieën samengevoegd om tot een allesomvattende verklaring te komen. In de Proceedings of the National Academy of Sciences zeggen Erik Sperling, een aardwetenschapper aan de Harvard University, en zijn collega’s, dat uit geologische gegevens blijkt dat het zuurstofgehalte aan het begin van de Cambrische periode toenam en dat dit vleeseters toeliet om zich te ontwikkelen. De toegenomen zuurstof kan tegemoet gekomen zijn aan de hogere energiebehoeften van de vleeseters die hun prooi moeten achterna zitten en verteren.

Eens de carnivoren op het toneel verschijnen, breekt er dan een wapenwedloop uit tussen de jagers en de prooien, zo stelt het team. Doordat de prooien nieuwe verdedigingsmechanismen ontwikkelen en de jagers nieuwe wapens, ontstaan er nieuwe soorten.

Borstelwormen

Steun voor de theorie over het verband tussen het zuurstofgehalte en de carnivoren komt van de studie van de Polychaeta of borstelwormen, verwanten van de regenworm die op de zeebodem leven, en verschillende manieren hebben om zich te voeden.

BelgaEen borstelworm uit de zeeën rond Antarctica.

Sperling en zijn team bekeken 962 soorten borstelwormen uit 68 locaties wereldwijd aan de hand van gegevens uit eerdere studies, en ze vonden een duidelijk verband: het aantal vleesetende soorten was lager in de gebieden met het laagste zuurstofgehalte. In sommige van die gebieden, waren er zelfs geen vleesetende borstelwormen.

Eerder hadden geleerden ofwel de toename van het zuurstofgehalte, of de wapenwedloop tussen jager en prooi ingeroepen om de Cambrische explosie te verklaren. Zuurstof aan carnivoren koppelen levert een goed bewijs voor het feit dat de twee verklaringen “intrinsiek met elkaar in verband staan”, zegt Guy Narbonne, een paleobioloog aan de Queen’s University in Kingston in Canada, aan Sciencenews.

BelgaSommige borstelwormen zijn felle jagers, zoals dit exemplaar uit de diepzee.

Zijn collega Nicholas Butterfield van de University of Cambridge interpreteert de gegevens echter anders. Hij denkt dat de toename van het zuurstofgehalte een effect was van de aanwezigheid van dieren op het milieu.

Voorts stelt hij dat de ondiepe delen van de zeeën, waar de vroege dieren hoogstwaarschijnlijk leefden, waarschijnlijk rijk aan zuurstof waren, en dat dus hun evolutie niet gehinderd kon worden door een gebrek aan het gas. “Het heeft gewoon een tijd geduurd voor meer complexe dieren voortgekomen zijn uit eenvoudiger vormen”, zegt hij. “Er zijn een hele boel gepruts, geëxperimenteer en valse starten nodig voor je uitkomt op iets dat werkt.”

Belga

Tijdens de Cambrische explosie verschijnen voorbeelden van alle grote groepen dieren, zoals (links) Pikaia, een voorvader van de gewervelde dieren. Het dier rechts, Opabinia regalis, is een vreemd geval met vijf ogen en een centrale grijparm. Het heeft ongetwijfeld geen nog levende nakomelingen. (Foto: Belga)

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/wetenschap/1.1691393

°

Het Cambrium
& Precambrium, over de vroegste levensvormen op aarde en de ‘Cambrische explosie’.

een artikelvan Tim Spaan

De Ediacara fauna
In 1946 ontdekte de geoloog R.C.Sprigg in de Zuid-Australische Ediacara Hills enkele afdrukken in de rotsen, toebehorend aan kleine ongewervelde zeedieren. De rots werd later gedateerd op 580 tot 560 miljoen jaar oud, tijdens de periode die het Precambrium wordt genoemd, en hiermee ouder dan de tot dan toe oudste fossiele vondsten uit de Canadese Burgess Shale. De fossielen die hij vond waren schotelvormig, hij indentificeerde ze als vroege kwallen en noemde ze Ediacara flindersi. In de jaren daarop werden er meedere schijfvormige fossielen gevonden van een vergelijkbare soort. Ze werden allen beschouwd als kwallen en dit ondersteunde de opvatting dat deze dieren, met hun eenvoudige lichaamsstruktuur de eerste multicellulaire dieren waren die de oceanen bevolkten. Dit oudst bekende ecosysteem werd de Ediacara fauna genoemd (Ook wel de Vendian fauna.), en de oudste sporen hiervan dateren terug tot 610 miljoen jaar geleden. In de loop der tijd werden er nog meer dieren ontdekt uit de Ediacara fauna, de tweede vondst werd gedaan in Leicestershire in Engeland, door een schooljongen. Hij vond fossiele afdrukken met een soort varenbladachtige vorm, die Charnia werden genoemd, naar het nabijgelegen Charnwood Forest. Aanvankelijk werden ze aangezien voor algen, maar al snel ontdekte men dat het om dieren ging die met een stevige voet in de bodem waren verankerd, en voorbijkomend voedsel uit het water filterden, net als huidige zeeanemonen.

°
En in de loop der jaren werden er nog meer fossielen uit de Ediacara fauna gevonden, onder andere in Wit-Rusland, Namibi챘 en Newfoundland. Sommige van deze dieren lijken een vage overeenkomst te vertonen met huidige dieren zoals kwallen, zachte koralen of zeeveren (Neteldieren die tussen koraalriffen worden aangetroffen.), en lijken de voorouders te zijn van de latere holtedieren, koralen en wormen. Maar zoals later nog zal blijken is dit nog twijfelachtig.

°

Eén van de meest karakteristieke groepen bestaat uit eenvoudige schijfvormige dieren met drie inwendige kanalen, de zogeheten Trilobozoöen (drielobbige dieren). Ze worden geacht verwant te zijn aan kwallen, al hebben huidige kwallen geen drie maar vier lobben. Rond Ediacara fauna’s worden ook dikwijls lintvormige sporen gevonden, achtergelaten door over de zeebodem kruipende organismen, die zich in ondiep water misschien voeden met de algen die op de bodem groeiden of met organisch afval.

 

 

Vroeg cambrium 

 TOPPREDATOR   // ANOMALOCARIDS

http://www.trilobites.info/anohome.html

(een trilobiet zag deze  wendbare  rover waarscjhijnlijk niet graag komen  ….met zijn 60 cm was hij een” reus” , in die wereld)

Het heeft toch wel een tijdje geduurd vooraleer uit de fossiele resten   deze “arthropode “-achtige  werd  geidentificeerd  en gereconstrueerd  ( neen het is GEEN  garnaal )

 

Tamisiocaris belonged to a group of animals called anomalocarids. http://www.bristol.ac.uk/news/2014/march/ancient-sea-creatures.htmlTamisiocarishttp://en.wikipedia.org/wiki/Anomalocaridid 

The creatures lived 520 million years ago during the Early Cambrian – a period known as the Cambrian Explosion – in which all the major animal groups and complex ecosystems suddenly appeared.

Anomalocarids were a type of early arthropod that included some of the largest animals of the Cambrian period.

They were flat animals that had two grasping appendages in front of the mouth, known as the ‘great appendages’.

These were made up of jointed segments, which could curl like fingers to grasp prey.

Each segment also featured a pair of spines used to impale food.

The new fossils show that these predators eventually evolved into suspension feeders when these grasping appendages morphed into a filtering apparatus.

Tamisiocaris is one of many recent discoveries of diverse anomalocarids found in rocks aged between 520 to 480 million years old in northern Greenland.

°

http://www.nu.nl/wetenschap/3736907/prehistorische-garnaal-at-als-moderne-walvis-.html

Voor een duidelijk verhaal:

Nature.

http://arstechnica.com/science/2014/03/cambrian-hunter-switched-to-a-plankton-diet/

 

Artist’s conception of Tamisiocaris borealis lunching, with one front appendage filtering plankton from the water and the other bringing the catch to its mouth.
Bob Nicholls/Bristol University

 

 

http://www.scientificamerican.com/video/fearsome …

 

Het gaat om een dier dat tot de Anomalocaris-groep behoort. de oudst bekende echte roofdieren en blijkbaar een behoorlijk gevarieerde groep.

Net zoals de filteraars de  baleinwalvissen en de walvishaai aktieve rovers als voorouder hadden,  had deze Anomalocaris soort dat ook.
Zijn grijparmen hadden een soort ” baleinen “gekregen.
Van rover naar filteraar schijnt een ontwikkeling te zijn die meerdere malen voor kwam en deze was daar de eerste in.

Voor tenenkrommende en   verschrikkelijke prut : 

http://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-2589969/The-520-million-year-old-gentle-giant-Fossil-reveals-bizarre-new-species-whale-ancestor-filtered-plankton.html

 

_________________________________________________________________________________________

 

Anomalocaris was a swimming predator
Laggania cambria did not have the forward-placed eyes of Anomalocaris, which suggests that its main mode of hunting was by feeling for prey in the upper most layers of  muddy ocean bottoms. This animated reconstruction includes small dorsal tail fins, which have never been seen in Laggania specimens. The anterior appendages are also proportionally over-large.

____________________________________________________________________________________

°

Toch wordt Anomalocaris, de toppredator van 518 miljoen jaar geleden, in bijzonderheid overtroffen door een op zichzelf onbenullig Burgess Shale diertje, Pikaia genaamd. Wat is er zo bijzonder aan Pikaia, een 5 centimeter lang lampreiachtig diertje? Het geniet een bijzondere belangstelling van paleontologen door de aanwezigheid van het vroegste beginsel van een ruggengraat. Het is nog geen volwaardige ruggengraat maar een vroege voorloper daarvan, een zogenoemd notochort, die spieren ondersteunt en een zenuwstreng begeleid. Vandaag de dag bestaan er nog steeds ‘chordaten’, zoals lancetvisjes, de nauwste verwanten van de gewervelde. Pikaiais de oudste chordaat, wat hem, of een verwant dier, de voorouder of vroege vorm van de latere gewervelden maakt.

Tijd:
in mil-
joenen
jaren
Gebeurtenis:
495 Einde v/h Cambrium
511 Wheeler Formatie Fauna
518 Burgess Shale Formatie
520 Eerste Hemichordaten
523 Kaili Formatie
526 Eerste Wiwaxia
527 Eerste Trilobiet
530 Chengjiang fauna
Eerste Ctenophoren
531 Eerste Cephalochordaten,
& eerste Chordaten
533 Sirius Passet fauna,
Eerste Anneliden
534 Eerste brachiopoden,
& eerste weekdieren
535 Eerste geleedpotigen
536 Eerste Lobopoden
/Anomalocariden
537 Eerste nematoden,
Halkieriiden & echinodermen
538 Veel fossiele schelpen
543 ‘Kleine schelpen’ fauna
545 Begin Cambrium
Einde Precambrium
550 Gevorderde Ediacara fauna
Spriggina
553 Eerste holtedieren
555 Kimberella
568 Einde van een ijstijd (?)
571 Eerste spons
610 Oudste Ediacara fossielen
680 Oudste sporen
van gravende wormen
1700 Oudste Stromatolieten

De Cambrische explosie? Rond 1910, toen de Burgess Shale wezens werden ontdekt, was dit één van de eerste vondsten uit de Cambrische periode. De Ediacara fauna was nog niet ontdekt in die tijd, evenmin als vele andere Cambrische en Precambrische organismen. Paleontologen zagen de Burgess Shale als het begin van het fossielenbestand, met daarin de oudst bekende multicellulaire dieren. En, alle phyla, die der geleedpotigen, holtedieren, chordata, en dergelijke waren reeds aanwezig. De plotselinge aanwezigheid van allerhande levensvormen werd door paleontologen omschreven als de ‘Cambrische Levensexplosie’. Alle phyla, verschijnen plots, vanuit het niets, zo leek het…
Een plotselinge verschijning van levensvormen, dat is spekje voor het bekje van diegenen die de evolutietheorie willen tegenspreken. Creationisten maakten dan ook dankbaar gebruik van dit verschijnsel binnen het fossielenbestand, en wezen er constant op dat er voor de diersoorten uit het Cambrium geen voorouderlijke vormen zijn gevonden.
En zo leek het ook, tot de geoloog R.C.Sprigg in 1946 in de Zuid-Australische Ediacara Hills de afdruk ontdekte van een eigenaardig kwalachtig diertje en de ontdekking van de Ediacara fauna een feit was. Daarna werden er nog verschillende andere vondsten gedaan, zo werd de Sirius Passet fauna ontdekt in 533 miljoen jaar oude Groenlandse rotsen.Bovendien werden er sporen gevonden van multicellulaire dieren die terug gaan tot 680 miljoen jaar geleden in de vorm van putjes die door wormen werden gegraven. Fossielen van de wormen zelf zijn niet gevonden, daarvoor was hun lichaamsstruktuur niet geschikt, alleen holletjes die ze groeven. Momenteel zijn deze putjes de alleroudste sporen van multicellulair leven.Tussen deze sporen en de Burgess Shale formatie kunnen we het ontstaan van verschillende voorname groepen levensvormen zien (Zie de grijze tabel rechts.).
Deze vondsten bliezen het creationistische kasteel op, er waren wèl voorouderlijke vormen aanwezig en de Burgess bevatte niet de oudste levensvormen. De vondsten lieten zien dat de Cambrische ‘explosie’ in feite plaats heeft gevonden in een periode van iets minder dan 100 miljoen jaar. Er valt tevens nog te vertellen dat 5 moderne phyla zijn ontstaan v처처r het Cambrium en ruim 13 daarna. De enige trekbare conclusie is dat het leven in het Cambrium heel wat minder explosief is ontstaan dan de paleontologen rond 1910 dachten, deze veronderstelling is door nieuwe vondsten volkomen verouderd.
De kennis van paleontologie van creationisten lijkt ook behoorlijk verouderd. Voorbeeld; 22 jaar na de ontdekking van de Ediacara fauna behaagde het een zekere Gish nog om glashard te beweren dat Precambrische lagen geen fossielen bevatten en dat uit de Burgess de oudst bekende levensvormen afkomstig zijn. En hij is bij lange na niet de enige, er zijn nog een legio creationisten te noemen wiens kennis over het fossielenbestand niet bepaald te bewonderen is.

De evolutie van phyla.
We hebben dus gezien dat het wel meevalt met de explosiviteit van het Cambrium, echter waar ik het nog niet over heb gehad is het ontstaan van de desbetreffende phyla. Immers, als er geen overgangsvormen tussen bijvoorbeeld geleedpotigen en oudere levensvormen zouden zijn trekken creationisten als nog aan het langste eind. Dat deze evolutieve overgangsvormen er wel zijn zal ik nu per phylum uitleggen. Sommige dieren die hier naar voren komen heb al reeds behandeld in het stukje over de Burgess Shale, maar in die gevallen richt ik me nu wat dichter tot de kenmerken die hen tot evolutionaire links maken.

Arthropoda (Geleedpotigen)Enerzijds hebben we de oudste multicellulaire levensvormen, de wormen, en anderzijds de geleedpotigen, zonder twijfel de meest kleurrijke ongewervelde diergroep. De afstammingsleer voorspelt dus overgangsvormen die over kenmerken van beide groepen beschikken, de vraag is: worden die ook gevonden?
Het antwoord vinden we in de familie der Lobopoda, dit is een familie van wormachtige dieren met vlezige poten en de beginselen van een zacht chitine exoskelet. Tot de Lobopoda behoren de Burgess Shale dieren Hallucigenia, Aysheaia, en de vroeg-Cambrische Microdictyon. Vandaag de dag is er echter nog 챕챕n soort over, Peripatus. Welnu, Conway Morris en E. Budd hebben vastgesteld dat de vroege geleedpotige Anomalocaris, met name de Anomalocaride Pambdelurion, beschikte over Lobopode poten, tevens vertonen de kopklauwen grote gelijkenis met de voorste klauwen van Aysheaia, een Lobopode. En zoals al eerder vermeld was de bek van Anomalocaris sterk wormachtig. Anomalocariden beschikken over kenmerken van zowel geleedpotigen als van wormen & Lobopoden, net wat we zouden verwachten van een overgangsvorm.

Brachiopoda (‘Armpotigen’)

Waarneer je het fossielenbestand onderzoekt naar tussenvormen tussen wormen en armpotige schelpdieren is er dadelijk een interessant dier dat in het oog springt, namelijk Halkieria evangelista. Het dier is gevonden in de Groenlandse Sirius Passet Formatie en 525 miljoen jaar oud. Het had een afgevlakt lichaam en je kunt je aan de onderkant een lange kruipvoet voorstellen zoals die van een slak. Het bewoog zich over de oceaanbodem voort door middel van deze kruipvoet. De rug werd beschermd door een soort harde schubben of sclerieten, die elkaar overlapte en samen een flexibele mali챘nkolder vormden. De schubben hadden drie verschillende vormen en elke vorm bedekte een aparte streek. De zijkanten van het dier werden bedekt met mesvormige schubben, de randen van de buik hadden sikkelvormige schubben, en de rug had kleine driehoekige. De bijzonderste eigenschap is de aanwezigheid van twee enkele schelpen, identiek aan die van Cambrische Brachiopoden, op de kop en de staart van het dier. Je kunt je voorstellen hoe bij naderend gevaar Halkieria zichzelf oprolde tussen de twee schelpen en zo bescherming cre챘erde tegen het roofdier. In feite is er een huidig schelpdier, Neocrania, die met een kruipvoet over de zeebodem zwerft, en bij gevaar beschutting zoekt tussen zijn twee schelpen, net als de Halkieriden. Halkieria zal met een toename aan predatoren er op een bepaald moment voor hebben gekozen om z’n hele leven tussen de twee schelpen te verkeren, en daarmee de schelpen permanent tegen elkaar positioneren. En het kan bijna geen toeval zijn dat dit wordt waargenomen in de embryo’s van sommige basale schelpdieren van tegenwoordig. Er zijn nog andere feiten die deze interpretatie steunen. De randen van brachiopodeschelpen hebben chitine haartjes, de zogenoemde setae, die zich vanaf de schaal uitbreiden. De microstructuur van setae is identiek aan dat van de chaetae (De kleine haartjes waarmee een regenworm zich schrap zet als hij door een merel uit de grond wordt getrokken.) van borstelwormen en wij zullen zien dat deze uit de schubben van Halkieriden evolueerden. In enkele brachiopoden zijn de setae gesegmenteerd zoals het geval is met schubben van Halkieria.

Mollusca (Weekdieren)Ook voor de oorsprong weekdieren en ringwormen komen we terecht bij Halkieria. Halkieria had de slakachtige kruipvoet van weekdieren en bewoog zich zo over de zeebodem. Een ander dier dat waarschijnlijk van Halkieriden afstamt en enkele trekken met hen deelde was Wiwaxia. De overeenkomst tussen die twee is dat beiden de zelfde structuur in hun schubben, oftewel sclerites hadden, drie vormen, op de zijkant, bovenkant en aan de rand van de kruipvoet. Behalve dat bezat Wiwaxia het kenmerkende voedingsorgaan van een weekdier dat de radula wordt genoemd. Maar daarmee is het verhaal nog niet afgelopen, Wiwaxia vertoont nog andere overeenkomsten met de meest primitieve weekdieren, de aplacophoriden. Om Conway Morris te citeren:

“Men aanvaardt algemeen dat aplacophora, een eerder duistere groep die slechts bij een handvol specialisten bekend zijn, de meest waarschijnlijke voorouders zijn van de weekdieren. Deze dieren lijken op een soort van doornige wormen omdat, in tegenstelling tot andere weekdieren, wiens schalen 챕챕n soort structuur bezitten, de aplacophoiden zijn bedekt met talrijke kalkachtige plaatjes. Vele zo철logen geloven dat de schelpen van weekdieren door een fusie van deze plaatjes zijn voortgekomen.

Aldus kon een dier gelijkend op Wiwaxia zijn schubben gemakkelijk hebben laten versmelten, na de hoge stekels te hebben afgeworpen, om de schelp van het vroegste weekdier te vormen.

Overigens is het nog aardig om te vermelden dat er op ten minste één Wiwaxia een schelpachtig object is gevonden, sterk gelijkend op die van Halkieria, wat opnieuw een aanwijzing is voor de nauwe verwantschap tussen die twee dieren.

Annelida (Ringwormen)Wiwaxia opnieuw, werpt wat licht op de oorsprong der ringwormen. De veelborstelige ringwormen zijn doornige of harige wezens. De haren worden chaetae genoemd, en zijn gemineraliseerd. De microscopische structuur er van is identiek aan de schubben van Wiwaxia en geven blijk van nauwe verwantschap. Daarnaast vertoont de schelp die zoals eerder vermeld op 챕챕n Wiwaxia werd gevonden veel overeenkomst met een chitine plaat die is gevonden op de veelborstelige ringworm Canadia uit de Burgess Shale.

Wat we hier dus hebben zijn twee prehistorische wezens, Halkieria en Wiwaxia die op zichzelf een sterk afwijkende lichaamsbouw hebben vergeleken met moderne dieren, maar toch in sommige opzichten lijken op moderne phyla zoals de Brachiopoden, waar Halkieria een voorouder van lijkt te zijn, en de Mollusca en Anneliden, waar Wiwaxia sterk op lijkt. Maar bovenal lijken de twee dieren op elkaar, door hun overeenkomstige kenmerkende schubbenpatroon en de schelpen die op Halkieria en soms op Wiwaxia worden gevonden. De groep die door deze dieren word gevormd bevat dus leden die kenmerken vertonen die met zeker drie moderne phyla overeenkomen, wat helemaal in overeenstemming is met de evolutietheorie, en volgens welke de Halkieriden als voorouders van zowel de Brachiopoden, als de Anneliden en Mollusca kunnen worden beschouwd.

Relationship of Wiwaxia


Bronnen:

1 Prehistoric life, the rise of the vertebrates, Norman 1994.

2 The book of life, Gould 1993.

3 De Burgess Shale (Canada)

4 Learning About the Vendian Animals

5 Transitional Forms and the Evolution of Phyla

6 Burgess Shale fossils

7 Palaeos/Lobopoda

De Cambrische explosie?

Rond 1910, toen de Burgess shale wezens werden ontdekt, waren dit de eerste belangrijke vondsten uit de Cambrische periode.

De Ediacara fauna was nog niet gevonden in die tijd, evenmin als vele andere Cambrische( bijvoorbeeld chenjiang ) en Precambrische vondsten. Paleontologen zagen toendertijd het fossielenbestand beginnen met de Burgess shale, en wel met de fossielen van de oudst bekende multicellulaire dieren. En, alle phyla, die der geleedpotigen, holtedieren, chordata, en dergelijke waren reeds aanwezig. De plotselinge aanwezigheid van allerhande levensvormen werd door paleontologen omschreven als de ‘Cambrische( Levens)explosie’. Alle phyla, verschijnen plots, vanuit het niets, zo leek het…

De Burgess Shale (Canada)
Stichting geologische kring Den Bosch.

http://www.geokring.nl/fossielen/burgess_shale/burgess_shale.html

De Burgess Shale geeft een uniek beeld van een in een oogwenk (geologisch gezien) verstarde levensgemeenschap.
charles

Charles Doolittle Walcott In de Ediacara-fauna is een aantal weekdiertjes uit het Precambrium bewaard gebleven. De meeste levende mariene fauna’s dragen nauwelijks enig herkenbaar bewijs van hun vorige bestaan.

Uit het Cambrium bestaat een unieke afzetting met een groot aantal verschillende mariene fossielen. Dit wordt de Burgess Shale genoemd.
Deze beroemde afzetting is door puur toeval door Charles Doolittle Walcott (1850-1930) ontdekt in 1909. Op een bergpad tussen Mount Wapta en Mount Field, struikelt hij over een stuk
schalie dat een perfect geconserveerde trilobiet bevat. Het volgend veldseizoen gaat Walcott met zijn twee zoons en een aantal helpers terug. Zij ontdekken de 1 m dikke laag waar het fossiel uit
afkomstig moet zijn. Dat jaar en de daaropvolgende zomers wordt het fossieldragende gesteente, van cambrische ouderdom, uitgehakt, de platen worden meegenomen naar het kamp
en zorgvuldig gespleten. Er zijn tussen 1910 en 1917 40-50.000 stuks verzameld. Walcott schrijft tussen 1911 en 1913 een reeks wetenschappelijke publicaties over de collectie (het laatste is postuum uitgegeven).
Daarin beschrijft hij zo’n 150 species, die tot 119 genera behoren. In 1966-’67 zijn de groeven opnieuw geopend en is een nieuwe gedetailleerdestudie begonnen.
De Burgess Shale, die nu duizenden meters boven het zeeniveau ligt, moet 550 miljoen jaar geleden in de diepzee aan de voet van een reusachtig onderwaterklif zijn afgezet.
De Burgess Shale is uniek door de hoeveelheid perfect bewaard gebleven resten van weekdieren. Er moeten zeer speciale omstandigheden zijn om de weke delen van dieren te behouden.
Het opmerkelijke van de Burgess Shale is dat hij moet zijn afgezet in zulke ongebruikelijke omstandigheden, dat de meeste in zee levende dieren in dat gebied zijn gefossiliseerd.
Zoals te verwachten is zijn er in deze afzettingen veel soorten dieren die tegenwoordig niet meer bestaan. Enkele soorten hebben zelfs geen enkele relatie met welke soort dan ook.
Bestudering van de fossielen heeft aangetoond dat sommige dieren op de zeebodem en andere in het sediment hebben geleefd. Er zijn er die over de bodem hebben gekropen en weer andere
die in het water erboven gezwommen hebben. Er is in de Burgess Shale echter geen spoor van graafgangen, kruipsporen of van een organisme dat aan de bodem heeft vastgezeten.
Als gevolg van het samenpersen van de fijne modder zijn alle dieren bewaard gebleven als een dunne afdruk.
De manier waarop de fossielen zijn platgedrukt maakt duidelijk dat ze onder verschillende hoeken in de modder gelegen moeten hebben.
Dat houdt in dat ze niet eenvoudigweg naar de bodem gezonken kunnen zijn, en daar van boven af door sediment zijn bedekt.
Alle moeten in één grote stroom modder naar beneden zijn gekomen. Eenmaal tot rust gekomen moet de modderlaag weer zijn omgewoeld, waardoor de dieren onder verschillende hoeken zijn
komen te liggen. De modderstroom moet in diep water tot stilstand zijn gekomen, in water zonder zuurstof, en daardoor zonder aasetende organismen om de resten op te eten.
burgess02



Fig. 1
Boven: Aan de voet van een enorme onderzeese klip is de Burgess Shale bewaard gebleven.
Dieren die op de modderige richels leefden, zijn soms met de modder naar beneden gestort en bedolven.
Illustratie: John Woodstock

De Burgess Shale bevindt zich in de buurt van een enorm rif van kalkalgen van meer dan 165 meter hoogte.
Aan de voet van dit rif zijn lagen fijne modder afgezet. Daar waar de modderbanken hoger dan het stilstaande water zijn geworden, nemen dieren er bezit van.
Aan het oppervlak van de modderbank hebben een aantal vastzittende organismen geleefd, zo’n vijftien verschillende sponzengenera en koraalachtige diertjes.
Op de lange scherpe kiezelnaalden van de Pirania hebben primitieve brachiopoden zichzelf vastgezet. Op die manier hebben ze zich beschermd.
Tegelijkertijd zijn ze ver genoeg van het modderige bodemsediment gebleven om hun voedsel uit helder water te filtreren.
Er zijn primitieve crinoïden of zeelelies, en een dier, Dinomischus genoemd, dat een volslagen onbekend geslacht van het dierenrijk vertegenwoordigt.
Een groot aantal verschillende wormen hebben zich in het sediment verborgen of hebben er tunnels ingegraven.
De priapulida, tegenwoordig erg zeldzaam, is in die tijd een belangrijke wormsoort.
Deze wormen hebben een lange snuit met een haak, die uitgestoken kan worden om zo een prooi te vangen.
Het slachtoffer wordt dan naar een gespierde keelholte doorgeschoven waar chitine(hoorn)-tanden het vermalen.
Eén soort priapulida, de Ottoia, veel voorkomend in de Burgess Shale, heeft zich zowel met kleine schelpdiertjes als met wormen, soms zelfs van zijn eigen soort, gevoed.
Het voedsel van deze priapulide wormen is met zekerheid bekend omdat de inhoud van de ingewanden bewaard is gebleven.
Over het modderige oppervlak hebben polychaete annelide wormen gezwommen met behulp van hun fijne borsteltjes.
Canadia, een opmerkelijke soort, is goed bewaard gebleven. Omdat er toen het dier in de modderstroom is meegesleurd kleine deeltjes modder tussen alle fijne haartjes zijn blijven zitten,
zijn de kleine details van de aanhangsels te onderscheiden. Ook primitieve weekdieren hebben over de modder gekropen. Sommige ervan hebben het uiterlijk van
een Patella en andere, zoals Wiwaxia, hebben schubben en beschermende stekels..

Verschillende “bewoners” van de Burgess Shale.

opabinia (1) Opabinia, aan geen enkele bekende diersoort verwant, met vijf samengestrekte ogen en een lange stekelige snuit om voedsel te vangen.

marrellaMarella, een kleine stekelige primitieve arthropode

aysheaiaAysheaia met kenmerken van zowel gelede wormen als geleedpotigen, lijkt verwant aan de huidige Peripatus.


   hallucigenia (1)

Hallucigenia, een bizar wezen met zeven paar poten, mogelijk een aaseter.

http://www.thestar.com/news/canada/2013/07/31/walking_worm_fossil_found_in_canada.html

A prickly worm that turns out to have "legs" is shown in an animation still from the Burgess Shale website.

Hallicigenia sparsa

 

A nearly complete specimen of a walking worm, with the head to the right, was found in the Burgess Shale in the Rocky Mountains in British Columbia.

http://www.thestar.com/news/canada/2013/07/31/walking_worm_fossil_found_in_canada.html

walking_worm_fossil_found_in_canada.htmlThe study by researchers from the Royal Ontario Museum, the University of Toronto, Parks Canada and the University of Cambridge says the ancient worm has a modern-day cousin in the velvet worm that lives in jungles around the world.

Canadia, een polychaete worm.

°

Pikaia gracilens

Pikaia gracilens.

© SMITHSONIAN INSTITUTION – NATIONAL MUSEUM OF NATURAL HISTORY. PHOTO: JEAN-BERNARD CARON.

Pikaia, de eerste beschreven chordate; de in V-vorm geplaatste spieren worden gebruikt om te zwemmen.

De geleedpotigen komen het meest voor. Uit deze periode zijn de trilobiet en zijn verwanten de bekendste geleedpotigen.
Omdat hun uitwendig skelet, bestaande uit een kopschild met samengestelde ogen, een geleed borstschild en een staart, makkelijk bewaard kan blijven, worden
fossiele trilobieten veel gevonden. Gedetailleerde informatie over hun aanhangsels is veel zeldzamer.
Elk segment van het lichaam heeft een stel gelede poten en een paar borstelvormige organen om te ademen.
Het voornaamste deel van de poot, het dichtst bij het lichaam, heeft scherpe stekels, die kleine diertjes, als wormen, kunnen opprikken en verder naar de mond vervoeren.
Andere schitterend bewaard gebleven arthropoden zijn de Waptia die op een garnaal lijkt en de Emeraldella die op een trilobiet met een lange staartstekel lijkt.
Canadaspis is een primitief schaaldier; een aantrekkelijke zwemmer is de kleine Marrella, met enorme stekels op zijn rug, met lange poten om te lopen en met broze vederachtige kieuwen.
Veel van deze dieren zijn moeilijk in te delen. Er bestaat echter geen twijfel over dat het primitieve geleedpotigen zijn.

burgess01

Fig. 3
Boven: Een reconstructie van de Burgess Shale-fauna,
zoals deze die geweest kan zijn.
Illustratie: H.B. Whittington en S. Conway Morris

Het beroemdste dier uit de Burgess Shale is nog moeilijker in te delen. Het is de Aysheaia, een soort ontbrekende schakel tussen arthropoden en annelide wormen, uit de groep van de onychophoren.
Onder de schors van bomen in tropische oerwouden leeft een recente vertegenwoordiger, de Peripatus, met een fluweelachtige huid en korte dikke poten met kleine klauwtjes. Aysheaia, met poten
die scherpe stekels hebben, lijkt een mariene vorm van de Peripatus te zijn geweest. Het heeft op de eerste twee aanhangsels zes stekels. De poten hebben twee naar voren staande stekels, maar
de laatste twee paar hebben een achteruit wijzende stekel. Deze fossielen zijn met sponsresten in verband gebracht. Het lijkt waarschijnlijk dat de dieren met hun klauwtjes op de sponzen zijn geklauterd,
zich met hun stekels hebben vastgeprikt, en het eerste paar aanhangsels hebben gebruikt om zo de sponzen, hun voedsel, open te scheuren.
In de Burgess Shale bevinden zich dieren die zo merkwaardig zijn dat niemand in hun bestaan geloofd zal hebben, ware het niet dat de uitstekend geconserveerde fossielen een onweerlegbaar bewijs van hun
bestaan zijn. De meest bizarre met de toepasselijke naam Hallucigenia, heeft zich waarschijnlijk voortbewogen op de toppen van zeven paar stijve stekels.
Zijn cilindrische lichaam heeft zeven beweeglijke tentakels met gedeelde punten. De functie hiervan is een raadsel gebleven.
Omdat er vijftien stuks bij een grote worm zijn gevonden, wat de indruk wekt dat ze zich te zamen aan de worm te goed doen, worden de dieren als aaseters beschouwd.

°

walcottquarry

The famous Phyllopod Beds of the Walcott Quarry. Image from The Burgess Shale Geoscience Foundation

°

Charles D. Wallcott of the Smithsonian Institute, first came to the Yoho area in 1907.  He saw the fossils at Mt. Stephen and, being a Cambrian specialist, he realized that there might be other interesting fossils in the area.  He discovered the Burgess Shale exposure in 1909, and over the next several years excavated tens of thousands of samples out of what has come to be known as the Walcott Quarry.  The quarry has since been enlarged, but Wallcott concentrated on a 2.5 metre thick horizon extending down from the brown layer adjacent to the hand of the person with the white hat.

The peak in the background is Mt. Wapta.

walcott

This is another view of the Walcott Quarry, looking in the opposite direction,

Fig. 4
 De Burgess Shale tegenwoordig (Walcott groeve).

°

Een ander vreemd wezen is de Opabinia, een gesegmenteerde zwemmer met platte, elkaar overlappende platen langs beide kanten van zijn lichaam.
De platen lijken voor het zwemmen over de zeebodem te zijn gebruikt. De laatste drie segmenten die omhoog staan, hebben wellicht als roer gediend.
De samengestelde ogen boven op de kop staan op korte dikke steeltjes. Voor uit de kop steekt een grote beweeglijke snuit, voorzien van grijphaken aan de voorkant.

Hiermee heeft het dier zijn prooi gegrepen en naar de mond, onder aan het eerste segment, gebracht. Alle dieren die in de Burgess Shale zijn bewaard, zijn per ongeluk meegesleurd door de modder,
die langs de klif de levenloze diepte in is gegleden. De dieren die vlak boven de modder hebben gezwommen en de in de modder levende dieren hebben een goede kans gehad om onder de modder
bedolven te worden. Dieren die dichter bij het oppervlak hebben geleefd zullen echter zelden door een dergelijke modderstroom zijn meegesleurd.
Niettemin zijn een paar van die dieren, onder andere de jagende worm Amiskwia met zijn zij- en staartvinnen toch door de stroom meegesleurd.
Het fossiel Pikaia, bekend door dertig exemplaren, is een ver familielid van de gewervelde dieren. Het lijkt of het een motochorda (wat later bij de gewervelde dieren de ruggegraat is geworden) heeft gehad.
Zijn spieren zijn, als bij een vis, in een V-patroon gerangschikt. Dit kleine visachtige diertje lijkt op het huidige lancetvisje, of Amphioxus, die op vele plaatsen in de wereld op de zanderige zeebodem leeft.
De Pikaia kan wel eens de eerste representant zijn van alle dieren met een ruggegraat.
Bij bodembewoners is de dominerende positie van de priapulide wormen opvallend. Tegenwoordig leven ze alleen in koud water of in anaërobe modder.
Hun rol van aaseter wordt tegenwoordig overgenomen door polychaete annelide wormen die in ordovicische tijden (500 miljoen jaar geleden) hoornachtige kaken hebben ontwikkeld.
Ze graven en zwemmen en leven in verticale graafgangen in vele mariene milieus. Ze hebben de priapuliden geheel verdrongen.
De arthropoden domineren de nietvastzittende fauna. Ze vormen 43% van de soorten in de Burgess Shale. Het is belangrijk te beseffen dat van veel van de bewaard gebleven merkwaardige
vormen het zeer kwetsbare uitwendig skelet in normale omstandigheden niet bewaard zal zijn gebleven. De priapulide wormen overheersen met 12% van de soorten de in het sediment levende dieren.
De overgang van het leefpatroon in de Burgess Shale naar de huidige mariene leefomstandigheden is niet achterhaald. Er is niet nog zo’n voorbeeld uit de geologische geschiedenis bekend.
Er kan alleen worden gesteld dat de situatie heel erg is veranderd.
Het fossiliseren van deze weekdieren heeft ons een indruk gegeven van de enorme hoeveelheid dieren die normaal niet in het fossielenbestand voorkomen. Deze unieke afzetting wijst er op dat een fossiele
leefomgeving ook afhankelijk is geweest van een aantal planten en dieren dat niet vertegenwoordigd in het gesteente is achtergebleven.
Andere zeldzame gesteenteformaties geven aan de studie over het leven in het verleden een nieuwe dimensie. Geen enkele echter op zo’n grote schaal als de Burgess Shale.

Bron: Op zoek naar de oertijd – L.B. Halstead

Een plotselinge verschijning van levensvormen, dat is spekje voor het bekje van al diegenen die de evolutietheorie willen tegenspreken. Creationisten maakten dan ook dankbaar gebruik van dit verschijnsel binnen het fossielenbestand, en wezen er voortdurend op dat voor de diersoorten uit het Cambrium geen voorouderlijke vormen ( toendertijd )zijn gevonden.
En zo leek het ook verder te worden bevestigd ,(er werden geen significante vondsten gedaan die deze claims ondergroeven ) , totdat de geoloog R.C.Sprigg in 1946 in de Zuid-Australische Ediacara Hills de afdruk ontdekte van een eigenaardig kwalachtig diertje en de ontdekking van de Ediacara fauna een feit was.

Nieuwe fossielen maken oude minder bizar

Menno Schilthuizen(Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant.)

http://www.schilthuizen.org/text/text53.htm

http://www.schilthuizen.org/publications/index.htm

Sinds Stephen Jay Gould de PR voor het Cambrium verzorgt, is het tijdperk bijna net zo beroemd als dat van de dinosauriërs. Maar uit nieuwe fossielen blijkt dat de dieren uit de Cambrische Explosie minder bizar zijn dan gedacht. En een explosie was het misschien ook al niet.

Een kwal met een gat in het midden heeft nooit bestaan. Toch was dat wat paleontoloog Charles Walcott gevonden dacht te hebben. Het was een van de zestigduizend fossielen die hij tussen 1909 en 1917 verzamelde in de Rocky Mountains in Canada. Andere vondsten waren vormloze platen, die hij interpreteerde als de resten van sponzen, en iets dat leek op het achterlijf van een garnaal.

Pas zeventig jaar later werd duidelijk wat Walcott werkelijk gevonden had. De geperforeerde kwal, de koploze garnaal en de spons bleken puzzelstukjes waaruit een Brits team van wetenschappers een voordien onbekend wezen samenstelde: Anomalocaris, een groot roofdier dat de zee챘n van het Cambrium doorkruiste, zo’n half miljard jaar geleden.

De Burgess Shale–zo noemde Walcott zijn vindplaats–staat bekend als een van de belangrijkste Cambrische afzettingen. Belangrijk, omdat de fossielen puntgaaf zijn. De laag is waarschijnlijk ontstaan toen modderbanken verschoven en in 챕챕n keer de fauna van een stukje zeebodem bedolven.

De zuurstofarme omgeving waarin de dieren werden opgesloten, voorkwam verrotting, waardoor de Burgess-fossielen na honderden miljoenen jaren nog al hun intieme delen tonen. Wormen fossiliseren normaal zelden, maar van Ottoia, een soort die in zandbodems leefde, zijn alle details bewaard gebleven. Bij andere diertjes is zelfs te zien wat hun laatste maaltijd was.

Ondanks het feit dat ze al meer dan tachtig jaar bekend zijn, zijn de Burgess-fossielen pas de laatste jaren prominent gaan figureren in de paleontologie. Walcott had namelijk de neiging zijn vondsten onder te brengen in hedendaagse diergroepen, ook wanneer die–zoals bij de kwal met het gat–duidelijk ontoereikend waren.

Hij publiceerde een reeks van artikelen waarin hij zijn vondsten braaf rangschikte in de bekende categorie챘n: kreeftachtigen, gelede wormen en zeekomkommers. Na Walcotts dood lag de collectie decennia lang onaangeroerd in de laden van de Smithsonian Institution in Washington.

Niemand kon weten dat achter de conventionele benamingen een wonderlijke wereld schuilging. Tot, in de jaren zeventig, drie paleontologen van de universiteit van Cambridge een onthullende herbestudering begonnen.

De Britse onderzoekers vielen van de ene verbazing in de andere. Want in plaats van de garnalen, kwallen en sponzen die Walcott had herkend, bleek een groot deel van de organismen onclassificeerbaar. Gebruikmakend van nieuwe prepareertechnieken. ontdekten ze unieke vormen en organen in het Burgessmateriaal.

Opabinia bijvoorbeeld, door Walcott bestempeld als een kreeftje, bleek bij nadere bestudering vijf ogen te bezitten. Verder had het dier een soort stofzuigersnuit. Kenmerken die nergens anders in het dierenrijk terug te vinden zijn. Ook Anomalocaris met zijn cirkelvormige mond (Walcotts kwal) was nergens te plaatsen.

Maar de kroon spande een klein diertje waarvan Walcott dacht dat het een worm was.

De Britten reconstrueerden het slangachtige beestje met zijn aardappelvormige kop, schuifelend op zeven paar stijve stelten en met een reeks schoorsteentjes op zijn rug. Het kreeg de toepasselijke naam Hallucigenia.

Wereldfaarn kreeg het Cambridge-onderzoek pas in 1989, toen de Amerikaanse publicist-paleontoloog Stephen Jay Gould er zijn boek Wonderful Life (Wonderlijk leven) aan wijdde.

Volgens Gould zat het zo:

het vroege Cambrium kende een explosieve uitwaaiering van levensvormen. Afzettingen van direct ervoor (het Precambrium) zijn namelijk vrijwel leeg, terwijl die van slechts tien miljoen jaar later vol zitten met fossielen van allerlei beesten.

Weekdieren, wormen, trilobieten, alle bekende diergroepen moesten dus zijn ontstaan in die relatief korte periode.

De Burgess-fauna toont aan dat er bovendien nog talloze oddballs rondhingen, zoals de genoemde Opabinia, Anomalocaris en Hallucigenia, dieren die in de huidige wereld geen nakomelingen hebben. Blijkbaar, aldus Gould, onstond er door een bijzonder soort evolutie een ruim assortiment bouwtekeningen. waarvan in de rest van de aardgeschiedenis maar een handjevol werd gebruikt.

Prof. dr Derek Briggs, een van de leden van de Cambridge-groep en nu hoogleraar aan de universiteit van Bristol, heeft zo zijn twijfels over Goulds visie.

‘Ik denk dat Gould de zaken heeft overdreven. Hij heeft zich, net als de rest van de wetenschappelijke gemeenschap, laten meeslepen door de bijna buitenaardse indruk die veel Burgess-dieren in eerste instantie maakten. Maar stel je eens voor dat je van een andere planeet komt en voor het eerst een olifant ziet. Of een kangoeroe; zo’n beest verzin je ook niet.’

Briggs, heeft een paar jaar geleden geprobeerd de Cambrische vormenrijkdom daadwerkelijk te meten. Hij nam 25 geleedpotigen van de Burgess Shale en daarnaast vertegenwoordigers van de 21 recente groepen van geleedpotigen (onder meer kreeften, duizendpoten en insekten).

Van allemaal noteerde hij 134 kenmerken en vervolgens deed hij een statistische analyse om de vormverschillen meetbaar te maken. Uit de resultaten, die werden gepubliceerd in Science, bleek dat de Cambrische vormenrijkdom niet groter was dan die van vandaag.

Briggs:

‘Het was Goulds idee om wat hij ‘vormruimte’ noemde, te kwantificeren. Maar of hij erg blij is met het resultaat, weet ik niet.’

Een van de grote verdiensten van Goulds boek, zegt Briggs, is de enorme vlucht die ons soort paleontologie genomen heeft. Overal ter wereld wordt nu gezocht naar andere ‘Burgess Shales’, en met succes. In China. Australi챘 en op Groenland doen onderzoeksteams soortgelijke ontdekkingen. Vooral de Chinese vindplaats bij Chengjiang levert opwindende vondsten. Daar is laatst een complete Anomalocaris van twee meter lang gevonden! Wij kenden ze maar tot zeventig centimeter, en meestal in stukjes.’

Gould beschouwde Anomalocaris als een van de vreemdste oddballs van de Burgess Shale. Is dat beeld ook aan het veranderen?

Briggs:

‘Eigenlijk wel. Alles wijst erop dat dit dier een primitieve geleedpotige was. Een grote en gekke, dat wel, maar niettemin een geleedpotige. En dat geldt voor meer van de Burgess-dieren waar we in eerste instantie geen raad mee wisten.‘We hebben vorig jaar een nieuw boek uitgebracht over de Burgess Shate-fossielen, en daarin is het aantal “problematische gevallen” verreweg in de minderheid. Voor een deel is dat te danken aan het onderzoek in China en Groenland, dat een hoop extra gegevens heeft opgeleverd.’

De nieuwe vindplaatsen hebben ook het raadsel van Hallucigenia helpen oplossen.

‘Bij Chengjiang is een hele reeks Hallucigenia-achtige beestjes opgedoken. De stelten van de Burgess-soort waren bij sommige van de Chinese typen vervangen door korte staafjes of plaatjes. Gewoon rugbescherming dus.De schoorsteentjes waren eigenlijk twee rijen pootjes en de aardappelkop bleek bij nader inzien niets meer dan een uitvloeiing aan de anus van het beest. We hadden hem dus zowel ondersteboven als achterstevoren gereconstrueerd. In de juiste ori챘ntatie onderscheidt niets hem nog van de fluweelwormen, een groep die nu nog leeft in het tropisch regenwoud.’

Briggs, van huis uit geoloog, houdt zich de laatste jaren ook veel bezig met wat hij noemt ‘zelf fossielen maken’. In zijn laboratorium liggen garnalen in bakjes zeewater langzaam te vergaan.

‘Ik voorzie voor de komende jaren een groeiende belangstelling voor fossielen waarin weke delen bewaard zijn gebleven à la Burgess. Zulk materiaal vertelt ons veel meer over de dieren en hun evolutie dan de standaard schelp-, schaal- en botfossielen. En om te begrijpen hoe zulke fossielen gevormd worden, moet je het proces in het lab nabootsen.‘Door dit soort werk krijgen we een veel beter beeld van het soort omstandigheden dat nodig is voor fossilisatie van zacht weefsel. Op die manier kunnen we voorspellen waar we moeten gaan zoeken.’

En dat, zo denkt Briggs, is van belang bij het begrijpen van de Cambrische explosie.

‘Iedereen zegt wel dat al deze dieren er in het Precambrium nog niet waren, maar eerlijk gezegd heeft niemand nog echt goed gezocht. Misschien moet de Burgess Shale van het Precambrium nog gevonden worden.’

Lang gezochte primitieve vertebraten gevonden

NGV maart 2000, http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuws07/geonieuws07.htm

Op basis van allerlei evolutionaire overwegingen werd allang aangenomen dat de vertebraten ongeveer gelijk moesten zijn ontstaan met de vele andere groepen die plotseling, ongeveer 550 miljoen jaar geleden, bij een ware ‘explosie’ van leven opdoken. Die zogeheten Cambrische explosie omvatte tot nu toe echter slechts ongewervelde diergroepen. Er is lang gezocht naar vertebraten van omstreeks die tijd, maar alle speurwerk leek vergeefs. In China zijn nu echter fossiele vissen gevonden van meer dan 500 miljoen jaar oud. Deze vissen zijn veruit de oudst bekende gewervelde dieren tot nu toe (de oudste ‘zekere’ vertebraten dateerden tot nu toe van 430 miljoen jaar geleden; verder waren enkele vondsten van ouderdommen tot 480 miljoen jaar, maar die vertoonden slechts – vaak onduidelijke – kenmerken die met vertebraten in verband zouden kunnen worden gebracht). Over de aard van de nieuwe vondst (2 exemplaren), aangetroffen in een formatie die al langer bekend staat om zijn fraaie fossielen, bestaat weinig twijfel.

De vindplaats, bij Tsjeng-jiang, is vooral beroemd vanwege de vele fossielen waarvan ook de weke delen zijn gefossiliseerd. Er is slechts een andere formatie op aarde (de Burgess shales) waarin vergelijkbare fossielen frequent worden aangetroffen. De fossilisatie van weke delen speelt bij de herkenning van de twee gevonden exemplaren een belangrijke rol bij hun determinatie als vertebraten. Die fossilisatie was uitzonderlijk: organen die herkend konden worden betreffen zigzag verlopende spierstelsels, een relatief complexe en waarschijnlijk uit kraakbeen bestaande schedel, kieuwbogen, het hart, en ondersteuningen van de vinnen. De fossielen zijn enkele centimeters groot en lijken in veel opzichten op de larven van recente lampreien; dit zijn vissen zonder kaken, geen tanden en geen ‘beenderstelsel’. Het gaat dus om primitieve vormen, waarvan de toerekening aan de vertebraten alleen kon worden gedaan op basis van de weke delen die waren gefossiliseerd.

De Chinese onderzoekers hebben op basis van de kenmerken uitgezocht waar de twee vissen in de evolutionaire ontwikkeling moeten worden geplaatst. Het gaat om twee verschillende soorten, waarvan er een dichter bij de recente lampreien lijkt te staan dan bij enige andere groep van vertebraten, terwijl de ander juist meer overeenkomst vertoont met alle andere bekende vertebraten behalve een bepaalde primitieve groep. Deze discrepantie verklaren de onderzoekers mede door gebrek aan kennis van oude fossiele vertebraten, omdat daarvan te weinig zachte weefsels zijn gefossiliseerd.

Hun uiteindelijke conclusie is dat de twee gevonden soorten al een afsplitsing zijn van de vertebraten (die dus nog eerder moeten zijn ontstaan) en dat ze inmiddels uitgestorven evolutionaire lijnen vertegenwoordigen. Het zijn dus geen voorouders van de recente vissen.

Referenties
  • Janvier, Ph., 1999. Catching the first fish. Nature 402, p. 21-22.
  • Shu, D-G., Luo, H-L., Conway Morris, S., Zhang, X-L., Hu, S-X, Chen, L., Han, J., Zhu, M. & Chen, L-Z., 1999. Lower Cambrian vertebrates from south China. Nature 402, p. 42-46.
The Cambrian as an evolutionary exemplar

Z Myers is a biologist and associate professor at the University of Minnesota, Morris.
° Valentine’s On the Origin of Phyla
Valentine has an excellent diagram ( cambrian time line )that shows how wrong the creationists are.
zie ook;
embryos of the Doushantuo formation in China
It’s more than ten million years later that the

Oudste gewervelden —>
http://www.smh.com.au/articles/2003/10/22/1066631507609.html?from=storyrhs&oneclick=true

Edicarian fossils —->
Ediacaran fossil, Science

Ediacara Assemblage

  1. Location <
  2. Geological setting and age <
  3. Fauna and flora <
  4. Taphonomy <
  5. References and links <
I10-77-Ediacara2
ediacara1
Enkele dieren waaruit de Ediacara fauna bestond:
Boven:”rangeomorghs ”
ediacarans
early life
burgess shale fossielen
Burgess shale  Royal Ontario Museum

Daarna werden er nog verschillende andere vondsten gedaan, zo werd de Sirius Passet fauna ontdekt in 518 miljoen jaar oude Groenlandse rotsen.

http://palaeo.gly.bris.ac.uk/Palaeofiles/Lagerstatten/SiriusPa/home.html

  1. Location
  2. Geological setting and age
  3. Fauna and flora
  4. Taphonomy
  5. References and links

Bovendien werden er sporen gevonden van multicellulaire dieren die terug gaan tot 680 miljoen jaar geleden in de vorm van putjes die door wormen werden gegraven.

Fossielen van de wormen zelf zijn niet gevonden, daarvoor was hun lichaamsstruktuur niet geschikt, alleen holletjes die ze groeven. Momenteel zijn deze putjes de alleroudste sporen van multicellulair leven.

Tussen deze sporen en de Burgess Shale formatie kunnen we het ontstaan van verschillende voorname groepen levensvormen zien

Fossiele Stromatolieten zijn getuigen van microbieel leven ( zoals de nog huidig levende stromatolieten aantonen )

stromatolites at Shark Bay close up of a stromatolite at Shark Bay
Moderne stromatolieten ( Shark Bay, Australia)
cross section of fossil stromatolites cross section of fossil stromatolites
Doorsnede van 1.8 biljoen jaar oude fossiele stromatolieten (Great Slave Lake, Canada)
Ecologie en de cambrische revolutie
Seilacher et al. 1998 , claim to have discovered fossilized worm burrows from rocks over one billion years old. The traces are attributed to undermat miners, animals which excavate burrows under
microbial mats growing over the surface of sediments. The markings are described as too irregular to be syneresis cracks, too delineated to be wrinkles and too large (5mm diameter) to
be attributed to protists or fungi. This along with other features has convinced the team that the traces have a metazoan origin.
Other researchers are sceptical, inorganically produced bedding features have often before been misidentified as trace fossils, the age of these structures means that many palaeontologists
will require a lot of convincing.
The potential Precambrian trace fossil. Science, Seilacher et al. 1998, 282, p81.
trace fossil
Regenwormen bepalen het toneel
SAMENVATTING
Gravende en woelende bodemdieren beïnvloeden de leefomgeving en daarmee de evolutie.
Herwaardering van een oud idee.
De bever knaagt bomen om, maakt een dam en creëert een stuwmeer. Daarmee verandert het dier zijn leefomgeving, en dat van organismen om hem heen, op drastische wijze. De bever is, met andere woorden, een zogeheten ecosystem engineer. “De bever zet het decor van het leven naar zijn hand én beslist welke spelers het toneel op mogen”, zegt Filip Meysman van het NIOO, het Nederlands Instituut voor Ecologie.
Canadese bever. Dit grote knaagdier heeft ook Europese collega’s, ze komen van nature voor in heel Noord-Europa, tot in Syberië.

Woelgedrag
Met de bever wil Meysman een opkomende biogeologische visie illustreren. Traditioneel bepaalt de geologie de omgeving waarin het leven evolueert. Pas de afgelopen decennia stapelt bewijs zich op voor het bestaan van co-evolutie tussen de aarde en het leven. Organismen beïnvloeden de omgeving waarin ze leven.
Centraal staat het fenomeen bioturbatie, dat is het verplaatsen of omwoelen van aarde door microörganismen, planten, gewervelde en ongewervelde gravende dieren. Van alle ecosystem engineershebben bodemwoelers verreweg de meeste invloed. Dicht bij huis is de mol het meest in het oog springende voorbeeld van destructieve bioturbatie, maar veel belangrijker zijn regenwormen. Miljarden wormen en andere ongewervelden domineren het bodemmilieu door hun woelgedrag. Ze beïnvloeden de leefomgeving van een scala aan soorten onder en boven de grond. Zonder wormen zou de tuin er heel anders uitzien – net als akkers, weiden en bossen.

Beverspoor Dat bevers invloed hebben op hun leefomgeving, is hier duidelijk te zien. De stammen langs de oever zijn door bevers omgeknaagd.
Charles Darwin
Meysman zet de gevolgen van bioturbatie uiteen in een artikel in het tijdschrift Trends in Ecology and Evolution. Samen met Jack Middelburg en Carlo Heip van het Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie (Nederlands Instituut voor Ecologisch Onderzoek) publiceert hij in het decembernummer een overzichtsartikel over het vakgebied onder de titel Bioturbation: a fresh look at Darwin’s last idea. De titel slaat op de pionier van de bioturbatie: Charles Darwin. In 1881 bracht hij zijn laatste wetenschappelijke boek uit, On the formation of vegetable mounds through the action of worms with observation on their habits, over de functie van regenwormen. Al aan het begin van zijn carrière was Darwin geïnteresseerd in de bodem, pas op het laatst bundelde hij z’n ideeën.Bodemgrut
“Darwins boek was behoorlijk populair bij het grote publiek”, vertelt Meysman. “Er zijn duizenden exemplaren van verkocht, wat best veel is voor die tijd. Door het boek bekeken mensen regenwormen opeens met een andere blik. Tot dan werden regenwormen en ander bodemgrut voornamelijk beschouwd als een pest die je zo snel mogelijk moet verdelgen. Darwin toonde aan dat ze wel degelijk belangrijk te zijn voor de vruchtbaarheid en de structuur van de bodem.”
Charles Darwin
De geestelijk vader van de evolutietheorie zei over regenwormen: “Slechts weinig andere dieren hebben een zo grote betekenis gehad voor de geschiedenis van de aarde als deze zo eenvoudig georganiseerde wezens.”

Regenworm gerehabiliteerd
Bij wetenschappelijke collega’s oogstte Darwin weinig waardering voor zijn rehabilitatie van de regenworm, pas tien jaar geleden begonnen ecologen en geologen het concept bioturbatie serieus te nemen. “Ecologen bestuderen tot dan toe vooral directe reacties tussen organismen. Beest A eet beest B, het gaat om predatie en competitie. Nu komt ook de feedback tussen omgeving en evolutie aan de orde en wordt het concept bioturbatie serieus genomen.” Biogeologen realiseren zich bijvoorbeeld ook dat het landschap er zonder bioturbatie anders uit zou zien. Wortelgroei en graafactiviteiten werken erosie van bodem en gesteente in de hand en dat zal op de lange duur heuvels afvlakken en sediment via rivieren afvoeren naar de zee.

Regenwormen op een kluitje. Deze bodembewoners (Lumbricidae) behoren tot de orde van de Haplotaxida, de gelede oligochaeten. Ze zijn tweeslachtig. Bron: TWAnetwerk, Ministerie van Economische Zaken

Bizarre levensvormen
Bioturbatie beïnvloedt ook de levenscyclus van plankton. Rustende eitjes en cystes van plankton liggen in grote hoeveelheden in de bodem van meren en kusten. De “ei-banken” vormen een buffer tegen het lokaal uitsterven van plankton onder zware omstandigheden. Bioturbatie bepaalt de rustperiode van deze eibanken. Gravende organismen kunnen de eitjes omhoog woelen waardoor ze de juiste prikkel krijgen en actief worden. De populatie-dynamica van plankton, dus ook van algenbloei bijvoorbeeld, ligt mede in handen van mariene bodemorganismen.

Een belangrijk deel van de review in TREE besteden Meysman en collega’s aan de Cambrische Explosie, zo’n 542 miljoen jaar geleden. Op de oceaanbodem ontstonden toen in korte tijd ‘moderne’ bouwplannen van zeedieren, naast bizarre levensvormen die in niets doen denken aan het huidige leven. Bioturbatie gaat hier hand in hand met evolutie.Stekels
Voor het Cambrium was de oceaanbodem bedekt met meerdere lagen bacteriële matten. De eerste meercellige dieren, de zogenaamde Ediacara-fauna, filterden algen uit het water of graasden op de microbiële matten, zonder ze echt te verstoren.
Dit verandert als predatie ontstaat, en sommige bodembewoners overgaan tot het consumeren van anderen.
In reactie hierop ontwikkelen de prooien beschermende mineraal-skeletten. De predatoren maken daarop weer aanvalsgereedschap om de skeletten te doorbreken.
Een zij-effect van de stekels is dat ze erg geschikt zijn om de bacteriële matten kapot te maken en de bodem om te woelen.
Evolutie vast aan bodemwoelers
Tegelijkertijd start ook de graaf-revolutie. “Sommige skelet-onderdelen blijken ook goede graafwerktuigen te zijn”, vertelt Meysman. “Prooien trachten zich te verstoppen in de oceaanbodem en predatoren gaan ernaar op zoek. Bioturbatie is geboren. De dieren woelen de bodem om en verstoren de gelaagde bacteriematten. Er vindt een regime shift plaats op de oceaanbodem. Nieuwe soorten bodembewoners ontstaan die zich aanpassen aan deze nieuwe condities.”
Meysman en collega’s schetsen dus een verband tussen Darwins bekendste werk, On the origin of species, en z’n laatste boek. Meysman: “De effecten van bodemwoelers en evolutie zijn tot nu toe niet samengebracht, dat hebben wij met deze review getracht. Geologen en biologen kunnen nog veel van elkaar leren.”Virtuele oceaanbodem
In zijn eigen onderzoek aan het NIOO vraagt Meysman zich af hoe bioturbatie de opslag van organische koolstof in de zeebodem be챦nvloedt. Het reilen en zeilen van de aarde wordt gestuurd door de globale cycli van koolstof, stikstof, en andere elementen. In de wereldwijde koolstofkringloop zit een klein lek, waarbij koolstof in diepere zeebodemlagen wordt opgeslagen. Het onttrekken van koolstof verlaagt de CO2-concentratie in de atmosfeer en verhoogt tegelijkertijd de hoeveelheid zuurstof.

Meysman onderzoekt de koolstofcyclus via een ‘virtuele ocaanbodem’, een computermodel dat de biogeochemie van de oceaanbodem simuleert. Computersimulaties berekenen de geochemische effecten die gepaard gaan met het construeren en ventileren van gangenstelsels, en met het groeien van plantenwortels. De typische gevolgen van gravende en woelende bodemorganismen. De simulaties moeten duidelijk maken hoe bioturbatie de omzetting van organisch materiaal in de oceaanbodem be챦nvloedt, en wat de gevolgen hiervan zijn op de globale koolstof kringloop.

CO2 Koolstofdioxide of koolzuur is een belangrijke vorm waarin koolstof voorkomt op aarde. Koolstof (C) zit ook in fossiele brandstoffen en ander organische verbindingen. De cyclus van koolstof en andere elementen, zoals stikstof (N) heeft onder meer invloed op de structuur en samenstelling van oceaanbodems. Meysman onderzoekt hoe precies.

°

Embryo’s van 580 miljoen jaar oud wijzen op vroege ontwikkeling van complex leven

Het leven op aarde ontwikkelde zich meer dan 3 miljard jaar geleden, maar het dierenrijk is ‘slechts’ zo’n 700 miljoen jaar oud. De eerste dieren waren uiterst primitief en hadden geen duidelijke structuur. De eerste dieren met tweezijdige symmetrie en met een spijsverteringskanaal (zoals wormen) zijn nog jonger: de oudst bekende voorkomens dateren van zo’n 540 miljoen jaar geleden (Ediacara-fauna). Nu zijn er echter honderden embryo’s gevonden in de 580-600 miljoen jaar oude Doushanto-Formatie in de Chinese provincie Guizhou, die een tweezijdige symmetrie lijken te vertonen.



Enkele van de gelobde embryo’s. Schaal: 250 micron

De onderzoekers, onder wie Jun-Yuan Chen, hadden al twee jaar geleden over fossielen met tweezijdige symmetrie uit dezelfde formatie bericht (zie Geonieuws 470), maar hun publicatie ondervond scherpe kritiek van paleontologen die meenden dat het niet om (uiterst kleine) fossielen ging, maar om fosfaathoudende mineralen die in specifieke laagjes voorkwamen. Dergelijke kritiek lijkt nu niet meer vol te houden, want de nu gevonden fossielen (die inderdaad gefosfatiseerd zijn) zijn talrijk en vertonen alle kenmerken van embryo’s die moesten uitgroeien tot tweezijdig symmetrische organismen. Dat leiden onderzoekers af uit het voorkomen van asymmetrische bobbels, zogeheten ‘polaire lobben’, die de embryo’s in staat stellen om verschillende weefsels te ontwikkelen bij hun ontwikkeling tot volwassen dieren. De gevonden embryo’s vertegenwoordigen diverse stadia van ontwikkeling, met soms drie, soms vijf lobben

.

Ontsluiting in de Doushanto-Formatie met in het midden de ‘embryo-laag’

Onderzoekers Chen, Bottjer en Dornbos met enkele studenten voor de zwarte fosfaathoudende laag met embryo’s


Dat het werkelijk om embryo’s gaat, staat nog niet vast. De gevonden structuren zijn minder dan een halve millimeter (soms een millimeter) in doorsnede, maar hun onderlinge gelijkenis en hun regelmatige vormen lijken een niet-biogene oorsprong uit te sluiten. Hun vorm is ook niet te verklaren op basis van de wijze van verzamelen: de structuren werden ge챦soleerd uit het omringende gesteente met behulp van zuur, waarna ze onder een scanning elektronenmicroscoop (SEM) werden bekeken. Niettemin zijn er opnieuw kritische geluiden van paleontologische zijde. Daarbij valt op dat de meest gehoorde kritiek is dat het bij structuren van zulke kleine afmetingen niet goed mogelijk is om biogene structuren en mineralogische verschijnselen van elkaar te onderscheiden.

Het isoleren van de embryo’s uit een zuur residu

Er zijn echter ook tal van paleontologen die wel door de nieuwe vondsten zijn overtuigd. Ze spreken van uiterst interessant materiaal, omdat er kennelijk 580-600 miljoen jaar geleden (dus lang voor de Ediacara-fauna en nog langer voor de ‘Cambrische explosie van leven’ kennelijk al relatief complexe (symmetrische) levensvormen bestonden. Dat kan worden beschouwd als een bevestiging van de hypothese daaromtrent, die was ontwikkeld op basis van onderzoek aan de genen van vertegenwoordigers uit het dierenrijk.

Referenties:
  • Chen, J.-Y., Bottjer, D.J., Davidson, E.H., Dornbos, S.Q., Gao, X., Yang, Y.-H., Li, C.-W., Li, G., Wang, X.-Q., Xian, D.-C., Wu, H.-J., Hwu, Y.-K. & Tafforeau, P., 2006. Phosphatized polar lobe-forming embryos from the Precambrian of Southwest China. Science 312, p. 1644-1646.
  • Unger, K., 2006. Fossil embryos hint at early start for complex development. Science 312, p. 1587.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Jun-Yuan Chen, Najing Institute of Geology and Paleontology, Najing University, Nanjing (Volksrepubliek China).

Veronderstelde embryo’s van dieren in Chinees precambrisch gesteente ?

januari 2007

In juni 2006 (en eerder) vonden onderzoekers iets wat leek op symmetrische embryo’s in lagen onder de ‘cambrische explosie’.

Als dit zo is dan was dat meteen een ( supplementair ?) bewijs voor een vroeg ( precambrisch ) ontstaan van Bilateria (Dieren met een tweezijdige symmetrie)

Nu classificeert een publicatie in Nature ze als reusachtige bacteri챘n en niet als embryo’s.1

In een “News and Views” artikel in hetzelfde nummer van Nature,2 noemde Philip C. J. Donoghue (Universiteit van Bristol) dit een “embryonale identiteitscrisis” . Hij verklaarde dat evolutietheoretici nog steeds kampen met “overkoepelende vragen” over de timing en embryologische basis van de oorsprong van bilateria (het onderrijk waar de meeste huidige dieren toe behoren ) )

“Net als in alle theorieën over precambrische beesten, is de classificatie van deze fossielen verre van eenduidig bepaald, zelfs op rijk-niveau (de hoogste rang in de taxonomie )

1Bailey et al, “Evidence of giant sulphur bacteria in Neoproterozoic phosphorites,” Nature 445, 198-201 (11 January 2007) | doi:10.1038/nature05457.
2Philip C. J. Donoghue, “Palaeontology: Embryonic identity crisis,” Nature 445, 155-156 (11 January 2007) | doi:10.1038/nature05520.

Precambrische ‘embryo’s’ zijn wellicht zeer grote zwavelbacteriën

In de afgelopen jaren zijn in diverse afzettingen fossiele embryo’s gevonden van primitieve microorganismen. Aan dergelijke (gefosfatiseerde) embryo’s uit het laatste deel van het Precambrium in China is aandacht besteed in Geonieuws 726. Wat betreft de aard van deze fosielen is nu de knuppel in het hoenderhok gegooid door het onderzoek van Jake Baily, een promovendus aan de Universiteit van Zuid-California.

Een recent exemplaar van Thiomargarita

Bailey beschouwt de fossielen als grote bacteri챘n die hun energie niet ontlenen aan de verbranding van zuurstof, maar aan omzetting van zwavel. Hij kwam tot deze conclusie op basis van onderzoek dat hij uitvoerde nadat hij kennis had genomen van twee aspecten van Thiomargarita, de grootst bekende bacterie.

Twee jaar geleden merkte Heide Schulz, die deze bacterie heeft ontdekt, dat hij helpt bij het vormen van fosforiet. Dat mineraal komt veel voor in de laat-Precambrische (Neoproterozo챦sche) Doushanto-Formatie in China, waarin de eerder genoemde gefosfatiseerde fossielen waren aangetroffen. De herkomst van het fosforiet (dat een betrekkelijk zeldzaam mineraal is) in die formatie was niet bekend. Bailey combineerde die gegevens, en vroeg zich af of er wellicht een met Thiomargarita vergelijkbare bacterie een rol kon hebben gespeeld bij de vorming van fosforiet in de Doushantuo-Formatie.


Onderzoeksleider Jake Bailey.

Ongeveer tegelijk met de ontdekking aan de Universiteit van Hannover dat Thiomargarita de neerslag van fosforiet bevordert, werd aan de Universiteit van Georgia ontdekt dat Thiomargarita zich vermenigvuldigt door een bepaalde vorm van celdeling; die wijze van vermenigvuldiging is zeldzaam bij bacteri챘n, maar kenmerkend voor dierlijke embryo’s. Bailey was ervan op de hoogte dat de gefosfatiseerde fossielen uit de Doushantuo-Formatie hun interpretatie als dierlijk embryo voor een belangrijk deel te danken hadden aan de gevonden wijze van celdeling. Maar als die nu ook bij Thiomargarita voorkwam, en als die bacterie de neerslag van fosforiet bevordert, zou er dan geen Thiomargarita actief kunnen zijn geweest in de Doushantuo-Formatie?

Om die vraag te beantwoorden onderzocht Bailey met een aantal andere onderzoekers de fossielen nauwkeurig, en vergeleek de kenmerken daarvan met die van recente exemplaren van Thiomargarita. De overeenkomst was treffend, ze waren vrijwel identiek. De onderzoekers claimen nu dat de door hen onderzochte fossielen geen dierlijke embryo’s zijn, maar (grote) zwavelbacteriën. Daarmee zouden de oudste dierlijke fossielen niet meer 600 miljoen jaar oud zijn, maar uit het Cambrium stammen (de Ediacara-fauna van het grensgebied tussen Precambrium en Cambrium wordt gewoonlijk ook niet tot het dierenrijk gerekend). Overigens sluiten de onderzoekers niet uit dat er ook dierlijke embryo’s in de Doushantuo-Formatie kunnen voorkomen, omdat die (net als de in die gevonden minuscule eieren) weliswaar zeer moeilijk fossiliseren, maar juist door omzetting in fosforiet bewaard gebleven zouden kunnen zijn.

Referenties:
  • Bailey, J.V., Joye, S.B., Kalanetra, K.M., Flood, B.E. & Corsetti, F.A., 2007. Evidence of giant sulphur bacteria in Neoproterozoic phosphorites. Nature 445, p. 198-201.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Jake Bailey, Department of Earth Sciences, University of Southern California, Los Angeles, CA (Verenigde Staten van Amerika).
Update

Thiomargarita namibiensis

verwijzing bij vorig bericht
….De onderzoekers, onder wie Jun-Yuan Chen, hadden al twee jaar geleden over fossielen met tweezijdige symmetrie uit dezelfde formatie bericht , maar hun publicatie ondervond scherpe kritiek van paleontologen die meenden dat het niet om (uiterst kleine) fossielen ging, maar om fosfaathoudende mineralen die in specifieke laagjes voorkwamen. ….”

Bacteriën bouwen fossielen

Remy van den Brand

Zelfs een zacht, viercellig embryo kan een fossiel worden [Afbeelding: E.C. Raff and R.A. Raff]

Dat zelfs zachte embryo’s kunnen worden teruggevonden als fossielen, is te danken aan bacteriën.

Een internationale groep onderzoekers onder leiding van de Amerikaanse bioloog Elizabeth Raff gebruikte embryo’s van zeeëgels als proefkonijnen, om te zien hoe fossilisatie in zijn werk gaat.

Dat gebeurt in drie stappen, schrijven Raff en collega’s in Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS). Allereerst moet het embryo zich in een zuurstofloze omgeving bevinden of daar op de een of andere manier – snel – terechtkomen. De bodem van een meer of zee is bijvoorbeeld een goede plek. Als er wel zuurstof aanwezig is, worden enzymen actief die het levenloze embryo van binnenuit verteren en gaat het hele fossilisatiefeestje niet door.

Eenmaal dood – maar nog niet verteerd – wordt het embryo rap gekoloniseerd door bacteriën. De microben kruipen de cellen binnen en bedekken alle onderdelen en structuren in die cellen met zogeheten biofilms, dunne laagjes bacteriën die aan elkaar plakken door middel van zelfgemaakt slijm. Uiteindelijk verdwijnt het embryo in de buiken van de bacteriën, maar zijn contouren blijven zichtbaar, dankzij de biofilms.

Stap drie ten slotte is het proces van mineralisatie. De bacteriën produceren piepkleine kristallen van calciumfosfaat of calciumcarbonaat, waarmee ze de boel verstevigen en de basis leggen voor een nieuw, fossiel embryo.

Et voilà.

http://www.sciencedaily.com/releases/2008/11/081124174859.htm

De schelpjes explosie/Milieuramp hielp leven op weg

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/17945812/

Een toevallige speling van het lot lijkt verantwoordelijk voor de soortenrijkdom op aarde. Geologen hebben nieuw bewijs gevonden dat het leven diep in de prehistorie opeens diverser werd omdat het milieu vervuild raakte met kalk.

Al jaren geldt het als een van de grootste geheimen van de planeet. Na het ontstaan van de aarde was er eerst drie miljard jaar lang alleen maar eencellig leven. En toen, opeens, waren er meercellige wezens. En niet zomaar een paar: tijdens de ‘Cambrische explosie’ van 545-530 miljoen jaar geleden verschenen er opeens duizenden en nog eens duizenden nieuwe soorten. Vandaar de bijnaam van de periode: ‘Oerknal van het leven’. Maar waarom gebeurde het toen, en niet eerder? I챕ts moet het toch hebben aangestoken, het lontje van de soortenexplosie.

Het was de kalk, beweren sommige geologen al sinds de jaren zeventig. Vlak voor de explosie moet het kalkniveau in de zee omhoog zijn geschoten, doordat de zeebodem een zeer roerige tijd doormaakte, met ongewoon veel vulkanisme. De eerste, minuscule weekdiertjes zullen hun uiterste best hebben gedaan om niet aan kalkvergiftiging te overlijden. Manhaftig zullen ze de kalk uit hun lijf hebben gewerkt. Ze zullen het calcium hebben omgezet in mineralen, en er de eerste slakkenhuisjes van hebben gebouwd. Zo maakten ze van de nood een deugd: met hun afval maakten ze huisjes, en poten, en later scharen, wervels en botten. De soortenexplosie was een feit.

N챕t nu de theorie met de kalk begint te gelden als een beetje achterhaald, hebben drie Amerikaanse onderzoekers op het eerste gezicht overtuigend bewijs gevonden v처처r de theorie. Sean Brennan, Tim Lowenstein en Juske Horita onderzochten 38 brokjes prehistorisch zout, afkomstig uit kalkrijk gesteente van vlak voor en vlak n찼 de Cambrische soortenexplosie. In de zoutkristallen zitten minieme holtes, waarin nog altijd microscopisch kleine druppeltjes prehistorisch zeewater opgesloten zitten. Zorgvuldig onderzoek van die druppeltjes leert: 544 miljoen jaar geleden zat er ongeveer net zoveel kalk in de zee als nu, maar 30 miljoen jaar later, toen de Cambrische explosie volop gaande was, was die hoeveelheid verdriedubbeld.

Collega-onderzoekers, waaronder beroemdheden zoals de nestor van de Britse paleontologie Simon Conway Morris en de Amerikaanse geoloog Robert Goldstein, reageren voorzichtig optimistisch en noemen de ontdekking ‘intrigerend’ en ‘fantastisch als het tenminste werkelijk klopt’. Maar bedenkingen zijn er ook. Het kalkniveau in zee mag tijdens de Cambrische explosie dan plotseling zijn gestegen, het wil nog niet zeggen dat de dieren van de zee er ook last van hadden. Hedendaagse zeediertjes kunnen grote hoeveelheden kalk prima afvoeren z처nder huisjes te bouwen. De meeste biologen gaan er dan ook van uit dat de huisjes en schelpen gewoon door evolutie zijn ontstaan, als schild tegen de roofdieren.

Voor de Cambrische explosie zelf zijn er tal van alternatieve verklaringen. De meest gehoorde is dat de zuurstofhoeveelheid in de dampkring 545 miljoen jaar geleden toenam, waardoor meercellige wezens met hun op verbranding gebaseerde stofwisseling tot wasdom konden komen. Vorig najaar nog kwamen Duitse geologen met een nieuw, controversieel idee: misschien dat de soortenrijkdom ontplofte doordat het kouder werd op aarde.

Een andere verklaring die onverminderd populair is, stelt dat er helemaal nooit zoiets als een abrupte ‘Oerknal van het leven’ is geweest. Het idee van de Cambrische explosie zou zijn gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de fossielen. Vorige week nog presenteerde een Chinees-Amerikaans onderzoeksteam daarvoor een aanwijzing: in het blad Science beschreven de onderzoekers een raar, net gevonden fossiel van 600 miljoen jaar oud – vijftig miljoen jaar ouder dan de Oerknal van het leven.

Het nieuwe fossiel is amper twee tiende millimeter groot, maar zou w챕l bewijzen dat er al lang v처처r de Cambrische explosie ingewikkelde dieren op aarde leefden. De onderzoekers herkennen in het wormachtige beestje een voor- en een achterkant en zelfs een mond en een spijsverteringskanaal – zo ongeveer alles wat je je als meercellig wezen kunt wensen. De Cambrische ‘explosie’ is zodoende misschien alleen maar een voortzetting van wat er al was, denken ook de vinders van het nieuwe fossiel.

Maar in de wetenschap kun je geen antiek fossiel uit de grond trekken, of het staat alweer ter discussie. Volgens critici is het onmogelijk te bepalen of het Chinese fossiel echt een versteende worm voorstelt, of dat het gewoon gaat om een grillig gevormd, maar levenloos stukje steen.

Maarten Keulemans

Sean T. Brennan, Tim K. Lowenstein, Juske Horita: Seawater chemistry and the advent of biocalcification. In: Geology, Vol. 32, No. 6, 473-476 (2004)

8-06-2004
Sluit dit venster
Radiolaria, microscopisch klein, schelpvormend plankton (Radiolaria.org)
Sluit dit venster
Microscoopfoto van prehistorische ‘halieten’, versteende zoutkristallen waarin soms minuscule beetjes water opgesloten zitten (de zwarte plekjes). (Sean Brennan)
VERNANIMALCULA GUIZHOUENA IN DUNNE DOORSNEDE
Het Chinese fossiel: beest of steen? De onderzoekers die het fossiel vonden kiezen voor het eerste. Blijmoedig hebben ze hun vondst ‘Vernanimalcula guizhouena’ genoemd, wat potjeslatijn is voor ‘lentebeestje’.
  • 470 Het oudste tweezijdig symmetrische diertje – of niet? Lang niet iedereen is er echter nog van overtuigd dat het om een diertje gaat; volgens sommigen gaat het om holtes die met gelaagde korsten zijn opgevuld. Ook de sceptici sluiten overigens niet uit dat het in dat geval zou gaan om holten die zijn ontstaan door het wegrotten van organisme. Ze menen echter dat de ‘laagjes’ kenmerkend zijn voor diagenetische nieuwvorming. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers voeren daarentegen juist aan dat de onderscheiden laagjes respectievelijk opper-, middel- en onderhuid vertegenwoordigen. Ze onderscheiden in sommige exemplaren ook een mond en een spijsverteringskanaal, evenals depressies in de (volgens hen oorspronkelijke zachte) buitenwand waarin een soort tastorganen zouden zijn vastgehecht. Ze voeren verder aan dat ze een aantal exemplaren hebben aangetroffen die er allemaal hetzelfde uitzien; dat pleit voor een biogene oorsprong.

    Het laatste woord is hier vast niet over gezegd. Maar zeker is dat een biologische oorsprong niet onwaarschijnlijk is, want de formatie waarin deze structuren zijn aangetroffen zijn beroemd vanwege de prachtig bewaard gebleven microscopische kleine sponzen, en van embryo’s.(?)
Nieuw zicht op evolutie door vondst van kreeftachtig diertje#182http://www.geo.uu.nl/ngv/geonieuws/geonieuwsnr.php?nummer=15#182

De vondst van een zeer oud fossiel waarvan zowel de schaal (van calciumfosfaat) als weke delen prachtig zijn gefossiliseerd, plaatst de soortenexplosie in het dierenrijk veel vroeger in de evolutie. De uitmuntende conservering laat geen twijfel over de aard van het diertje: het behoort tot de phosphatocopide crustacee챘n (kreeftachtigen). De uitzonderlijke vondst werd door Britse en Duitse onderzoekers gedaan in een steenlaag (Protolenus-kalksteen, in Shropshire, Groot-Brittannië) van zo’n 511 miljoen jaar oud. Dat is slechts zo’n 22 miljoen jaar na het begin van het Cambrium. In deze geologische periode voltrok zich een plotselinge evolutionaire explosie waarin de daarvoor vrijwel uitsluitend uit weke delen bestaande fauna zich in tal van takken splitste; daarbij ontwikkelden zich ook veel diergroepen met goed fossiliseerbaar skelet (van calciumfosfaat of van calciumcarbonaat). Daarom worden er pas vanaf het Cambrium grote aantallen fossielen gevonden, maar slechts zelden in oudere gesteenten.

Het grote belang van de nieuwe vondst is dat eruit blijkt dat er ruim voor het begin van het Cambrium al een ontwikkeling binnen de Crustacea moet hebben plaatsgevonden. Met die constatering moet opeens veel meer waarde worden toegekend aan de eerder opgestelde (maar door vrijwel alle deskundigen verworpen) hypothese dat er al voor het Cambrium een aanzienlijke diversiteit in het dierlijk leven is geweest. Dat doet dan direct de vraag rijzen waarom er nooit fossielen van die kennelijk al sterk gedifferentieerde vroege fauna zijn gevonden, en waarom alle fauna’s die bekend zijn van omstreeks de grens tussen Precambrium en Cambrium zo sterk op elkaar lijken, en waarom daarin geen skeletvormende dieren aanwezig zijn.

Mogelijk deed zich na een eerdere diversificatie onder invloed van de milieu-omstandigheden een ontwikkeling voor waarbij de diverse taxa steeds meer op elkaar gingen lijken, althans voor zover herkenbaar aan gefossiliseerde weke delen. Dat scenario lijkt echter niet erg waarschijnlijk. Een andere mogelijkheid is dat er zich reeds tussen 700 en 500 miljoen jaar geleden een duidelijke diversificatie aftekende (ook DNA-analyse van huidige diergroepen wijst in die richting), maar dat de verschillende diergroepen zich geografisch gescheiden van elkaar ontwikkelden. Omdat er slechts weinig oude gesteenten bewaard zijn gebleven, en omdat bepaalde groepen zich ontwikkelden in milieus die minder geschikt zijn voor fossilisatie, zouden de tot nu toe gedane vondsten een vertekend beeld van het zeer oude leven op aarde geven. Het meest waarschijnlijk is echter toch dat de reeds eerder gediversifieerde fauna pas bij het begin van het Cambrium begon met het maken van skeletten.

Referenties:
  • Fortey, R., 2001. The Cambrian explosion exploded? Science 293, p. 438-439.
  • D.J., Williams, M. & Waloszek, D., 2001. A phosphatocopid crustacean with appendages from the Lower Cambrian. Science 293, p. 479-481.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel ‘Fossiele geleedpotige geeft nieuwe kijk op de evolutie’ geplaatst in de bijlage ‘Wetenschap & Onderwijs’ van NRC Handelsblad (11 augustus 2001).

Afbeelding beschikbaar gesteld door D.J. Siveter en tevens met toestemming van Science

Kreeftachtigen stammen waarschijnlijk van voor de Cambrische explosie

Onderzoekers hebben in de zuid-Chinese provincie Yunnan de resten gevonden van diverse exemplaren van een tot de Crustacea (kreeftachtigen) behorende soort.

De Crustacea, waartoe onder meer de kreeften, krabben en garnalen behoren, vormen momenteel de veruit belangrijkste groep binnen de geleedpotigen (Arthropoda).

Het nu gevonden fossiele dier stamt uit het Vroeg-Cambrium en moet omstreeks 520 miljoen jaar geleden hebben geleefd. Daarmee wordt het optreden van de Crustacea zeker 10 miljoen jaar in de tijd terug verschoven.
Het dier is Yicaris dianensis gedoopt. De naam is gekozen als eerbewijs aan de vroegere Yi, een volk dat leefde in het oude koninkrijk Dian dat onder meer het gebied omvatte waar de fossielen zijn gevonden.

De fossielen zijn uitzonderlijk goed bewaard gebleven in 3 dimensies, omdat ze gefosfatiseerd zijn. Daarom konden ze via oplossing zonder enige schade uit het moedergesteente worden ‘uitgeprepareerd’, waarbij zelfs details zoals voelsprieten en ogen in veel exemplaren ongeschonden bewaard bleven. Dat maakt een goede reconstructie mogelijk.

Een ‘uitgeprepareerd’ exemplaar van
Yicaris dianensis
(foto Universiteit Ulm)

Reconstructie van Yicaris dianensis
(bron: Pharyngula)

Bijzonder aan deze fossielen is dat de fossielen aan de buitenzijde van het ondereinde van hun ‘poten’ bladvormige uitsteeksels vertonen die volgens de onderzoekers mogelijk het evolutionaire begin zijn geweest van de vleugels van vliegende insecten. Verder kan uit de gefosfatiseerde fossielen worden opgemaakt dat Yicaris, die slechts enkele milllimeters groot werd, diverse larvenstadia doorliep.
De uitgesproken kreeftachtige ontwikkeling van Yicaris laat zien dat het niet een echt primitieve vorm van de Crustacea vertegenwoordigt. De onderzoekers nemen daarom aan dat de ontwikkeling van de Crustacea al v처처r de zogeheten ‘Cambrische explosie’ (waarbij in geologisch gezien korte tijd voor het eerst talrijke diergroepen met harde schalen of schelpen ontstonden) moet hebben plaatsgevonden.

Referenties:
  • Zhang, X.-g., Sivetyer, D.J., Waloszek, D. & Maas, A., 2007. An epidote bearing crown-group crustacean from the Lower Cambrian. Nature 449, p. 595-598.

Oud leven gevangen in kalksteen

13 07 2005 Margriet van der Heijden

Virginia tech en Nanjing Institute of Paleontology

Een team van Chinese en Amerikaanse paleontologen heeft in Zuid-China oeroude fossielen blootgelegd. Het gaat om organismen die ongeveer 550 miljoen jaar geleden leefden, zo schrijven zij in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Het mooie is dat ze voor het eerst zijn teruggevonden in kalksteen – en niet in zandsteen waarvan de grofkorrelige structuur het zicht op details vertroebelt.

De vondst betreft een van de oudste levensvormen ooit gevonden, en een van de weinige organismen uit de periode voor het Cambrium (tussen de 600 en 542 miljoen jaar geleden) die bewaard zijn gebleven.
De aarde werd destijds bevolkt door wieren, algen, bacteri챘n en andere organismen die uit weke delen bestonden. En die zodoende geen afdrukken in gesteentes hebben achtergelagen.
Het nu gevonden fossiel toont buisvormige structuren die als de nerven in een blad uitwaaieren vanuit een centrale as. Het meercellige organisme leefde waarschijnlijk op de bodem van de oceaan en verspreidde zich daar op eenzelfde manier als hedendaagse schimmels en paddestoelen, vermoeden de onderzoekers.
De vondst kan meer duidelijk maken over de eerste tijd na het ontstaan van leven. Pas in het Cambrium ontwikkelden zich gewervelden en schelpdieren – overigens met enorme vaart zodat wel van de Cambrische explosie wordt gesproken

“Dieren ” liepen 30 miljoen jaar eerder dan gedacht
In Nevada zijn de oudste pootafdrukken ooit gevonden
05 oktober 2008
WASHINGTON –
Wetenschappers hebben kleine pootafdrukken gevonden die op zijn minst 570 miljoen jaar oud zijn. ( althans volgens de geologische gegevens op de vindplaats )
Dat maakten onderzoekers van de Amerikaanse universiteit van Ohio zondag bekend.Babcock is er is ‘redelijk zeker’(1) van dat de afdrukken gemaakt zijn door een in het water levende duizendpootachtige arthropoda
of een centimeter brede worm met pootjes.
” …Ze maken het waarschijnlijk dat er op onze planeet al zeker 30 miljoen jaar eerder dan gedacht waterdieren met pootjes bestonden …” zegt professor Loren Babcock van de Ohio State University.
-Het betekent dat er dertig miljoen jaar eerder dan tot nu toe gedacht dit soort poot”dieren “bestonden
– Het is bovendien een puzzelstuk erbij dat leven echt in de zee ontstaan is.
Het onderzoek werd dit weekend voorgesteld op een conferentie van de Geological Society of America in Houston.
De gefossiliseerde pootafdrukken zijn 570 miljoen jaar oud, en werden achtergelaten door een waterdier op een sedimentair gesteente in Nevada (westen van VS).

Sunday, 5 October 2008
George R. Brown Convention Center, Exhibit Hall E
Soo-Yeun Ahn1, Loren E. Babcock1, Margaret N. Rees2 and J. Stewart Hollingsworth3, (1)The School of Earth Sciences, The Ohio State University, 275 Mendenhall Laboratory, 125 S. Oval Mall, Columbus, OH 43210
(2)Public Lands Institute, University of Nevada, Las Vegas, 4505 S. Maryland Parkway Box 452040, Las Vegas, NV 89154
(3)Institute for Cambrian Studies, 729 25 Road, Grand Junction, CO 81505
The Deep Spring Formation of western Nevada and eastern California records the Ediacaran-Cambrian transition from a shallow shelf environment along the Cordilleran margin of Laurentia.
The formation is composed of fine siliciclastics interbedded with shelf carbonates.
Siliciclastic deposits of the Middle Member of the Deep Spring Formation (Ediacaran) of Esmeralda County, Nevada, yield a low diversity assemblage of body and trace fossils together with sedimentary structures showing the interaction of microorganisms and sediment.
Body fossils of an elongate, bilateral organism with an anchor-shaped “head” resembling Parvancorinaare present.
In the upper part of the Ediacaran System, deposits of the Deep Spring Formation show little sediment disturbance by bioturbators; surficial scratches and traces reflecting shallow anchoring are the principal evidence of animal activity.
Trace fossils include Bergaueria and a repichnial trace consisting of paired elongate impressions flanked by tiny crater-shaped impressions.
Bergaueria is a sac-shaped burrow possibly produced by sea anemones or other infaunally anchored animals.
The repichnial trace resembles crawling traces attributable to myriapods or euthycarcinoids of the Paleozoic.
If the trace were constructed by a leg-bearing animal, this would extend the record of leg-bearers downward from the Cambrian into the Ediacaran. Wrinkled (“elephant skin”) textures on sediment surfaces are inferred to reflect microbial mat-stabilized sediment surfaces. Mudcracked surfaces imply the bonding of sediment grains by microbial consortia. Additionally, various elongate scratches on sediment surfaces record the movement of current-entrained objects across microbial mat-stabilized surfaces.

Stippen
De gefossiliseerde sporen( ichnofossiel (1 ) bestaan uit twee parallelle rijen van kleine stippen met elk een diameter van 2 millimeter
Ze zijn ongeveer 570 miljoen jaar oud en dateren uit het Ediacarian (630 tot 542 miljoen jaar geleden), een periode voor het Cambrium. (precambrium)
In het Cambrium wordt het ontstaan van de meeste grote dierengroepen( = phyla) gesitueerd.
Bewijs
Wetenschappers dachten tot dusver dat de organismen die in het Ediacarian op aarde leefde vooral microben of eenvoudige multicellulaire dieren waren, zegt Babcock.
“We blijven maar praten over de mogelijkheid dat er in het Ediacarian meer complexe diersoorten bestonden, zoals zachte koralen, geleedpotigen of platte wormen, maar het bewijs is niet echt overtuigend”,
zegt Babcock.
“Als je dan(mogelijks) bewijs vindt, zoals deze sporen, van een dier met poten, wordt die optie plots veel waarschijnlijker”.
(afp/sam)
(creato Nistrim)
Er worden voetafdrukken gevonden in een laag van v처처r de Cambrian, oftewel in een tijd dat er enkel microben en eenvoudige meercellige organismen leven.
Dit is precies wat sommigen als falsificatie voorstellen (= de tegenhanger van het ” fossiel konijn” in het cambrium ).
En wat stellen de ‘wetenschappers’ dan na deze nieuwe ontdekking ?
Nou, blijkbaar liepen dieren 30 miljoen jaar eerder dan gedacht, reeds rond in het precambrium

Men accepteert dit dus niet als een falsificatie van de evolutietheorie
Natuurlijk niet en met reden :
een ichnofossiel van een rondlopend ” dier” met “pootjes ”
is nog geen “fossiel konijn”
er is ook nooit beweerd dat er GEEN pootdieren “rondliepen in het edicarian …
Men weet zelfs niet of dit poten-organismen dier of plant of wat dan ook voor andersoortige alien , was
er
is namelijk nog geen fossiele sporenmaker gevonden van de vondst …
Trouwens
een konijnachtig spoor , is ook geen fossiel konijn ….
(1)
-Ze vinden een paar puntjes van 2 mm en ze weten zeker dat ze door een waterdier achtergelaten zijn. ?
Het komt misschien wel van een ” insect ” of zoiets?
Onwaarschijnlijk verhaal
Ik geloof niet dat een zichzelf respecterend wetenschapper dit durft te beweren of kenbaar maakt
Als dit wetenschap is weet ik het niet meer
-’t is inderdaad allemaal ietwat voorbarig, vind ik ook.
-Eerst waren er organismen in water en niets op het land.
Dan kroop er een waterbeest op het land, waaruit (mogelijk) bijvoorbeeld de insecten( met pootjes ) zich later ontwikkelden ?
Dus als het ichnofossiel op afdrukken van “pootjes ” lijkt , heeft een zichzelf respecterende wetenschapper natuurlijk toch gelijk dat hij dit openbaar maakt .
Insecten kwamen natuurlijk veel , veel later !
De waarheid schuilt juist in deze kleine dingen.
Dus de wetenschap heeft goede reden dit goed te onderzoeken.
En wetenschap moet en wordt regelmatig bijgesteld.
– Babcock hoopt trouwens in de woestijn, die ooit een ondiepe zee was, nog een “ECHT ” fossiel van deze “dieren” die al zolang ooit rond liepen en mogelijk sporen hebben nagelaten
Crea- zwatel
Niemand is er bij geweest, dus kun je ook nooit precies weten of iets nou 10.000 jaar geleden is of 10.000.000.000 jaar.
Aan het aantal ringen in een boomstam kun je meestal zien hoe oud de boom is.
Dat is een theorie die men ontwikkeld heeft. Men heeft dat kunnen onderzoeken.
Ik vraag me af hoe die theorie dan ontwikkeld is over het kunnen zien van miljarden jaren.
Ik bedoel, zoiets kun je gewoon niet onderzoeken.
Pas als ik daar een duidelijke verklaring voor heb, geloof ik enigszins in die wetenschap.
Anders is het gewoon pure onzin!
-Ook bij “creatie” is niemand geweest …ook gewoon pure onzin ?
-Deze creationist begrijp de metingsmethode niet werkelijk dus het is ‘pure onzin’ wat erdoor gemeten wordt
De technieken om in miljarden jaren te rekenen is iets verfijnder als boomringen tellen, dus niemand kan je het kwalijk nemen dat je het niet wist
Een hele bekende is c-14 (koolstof) datering.( Maar dat; gaat dan over tijdspannes t/m 50.000 jaar
Lees er alles over op wikipedia:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Koolstof_datering
Ook kun je het radioactieve verval van allerlei radio-isotopen meten.
Daar zijn er verschillende van
Dit is nog beter dan c-14 datering.en ze bestrijken als dateringsmethodes ook de grote tijdspannes van miljarden jaren
Het artikel daarover kun je hier vinden:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Radiometrische_dat
En als je je nog niet verveeld (lijkt me sterk, maar het kan, haha!)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ouderdom_van_de_Aarde
Deze technieken om in miljarden jaren te rekenen hangen van aannames aan elkaar hoor
– Waar hangt de bijbel eigenlijk van aan elkaar?
– Dit is wat er volgens de “creation science ”
(z.g.n. wetenschappers die speculeren op het gebrek aan kennis(bijvoorbeeld zonder enig idee wat scheikunde is?) van hun volgelingen )
gewoon wordt” aangenomen” door de reguliere wetenschappers die zich met radiometrische dateringen bezighouden :
1. Known amounts of daughter isotope at start;
2. No gain or loss of parent or daughter isotopes;
3. A constant decay rate;
Alledrie hoeven niet te worden aangenomen, alledrie zijn namenlijk makkelijk te bewijzen met een formule, experiment, of gewoon 200 jaar literatuur over de chemische elementen.
De creationistische kijk op de wereld bestaat uit het systematisch negeren van bewijs,
vreemde claims maken en dit bewijs noemen,
en gewoon ronduit liegen.
Walgelijk gewoon.
Ga je mond spoelen!
Weten “-schap … Begint meer en meer op roulette te lijken , gokken maar jongens..
Als we het mis hebben , och , passen we het gewoon aan .
Zeeeer ongeloofwaardig allemaal!!
Ja, dat is juist de kracht van de wetenschap! Kennis gaat vooruit zodra een” theorie “wordt gefalsificeerd.
Dat is bij religieuze dogma’s anders.
Zodra iets wordt ontdekt dat strijdig is met de Heilige Boeken, wordt die ontdekking onder het tapijt geveegd.
Wetenschap is wat men weet, niet wat men vermoed
Maar! —> Men begint meestal wel met een vermoeden, gebaseerd op gegevens.
Die moeten nog worden gecorroboreert
Dat noemt men een werkhypothese ( het is een aanzet tot een mogelijke verklaring van de gegevens )
Die moet worden getest op zijn feitelijke houdbaarheid en zijn consistentie(inpasbaarheid ) met andere theorieen uit de natuurwetenschap
Wetenschap is juist gebaseerd op experimentele (meetbare) aantoonbaarheid, verifieerbaarheid en reproduceerbaarheid.
Dat heeft dus niets met geloof, dogma’s of cultussen te maken.
En juist door al die fascinerende wetenschappelijke ontdekkingen veranderen en groeien onze inzichten.
En ja, natuurlijk, als we het mis blijken te hebben, passen we onze inzichten, op grond van nieuwe feitelijke wetenschappelijke ontdekking, terecht aan, dat heet voortschrijdend inzicht.
En dat is nou net het grote verschil met religieuze dogma’s, welke die flexibiliteit niet kennen.
(waarom moeten trouwens sommige mensen ,als het om een wetenschappelijke ontdekking gaat, er altijd te pas en te onpas religie bij halen?)
En de term “gokken” past niet bij een werkhypothese en zeker niet bij theorieen .
Een hypothese wordt onderworpen aan tests die speciaal zijn bedoeld om die hypothese te ontkrachten.
Lukt dat niet, dan wordt die hypothese ( voorlopig ) voor “waar” en als”de best beschikbare ” aangenomen
.
Stort binnenkort toch in elkaar die hele wetenschapcultus..
Want in feite weten ze niets..
Misschien weten we nog maar weinig, want de doorbraken en grote feitelijke kennisvergaring van de ( empirisch gegrondveste) natuurwetenschappen zijn nog maar erg jong.
Maar we ontdekken en leren wel steeds meer.
Te beweren, dat we niets kunnen weten draagt helemaal niets nuttigs bij en is slechts zwartgallig gezeur.
Creationisten en ID :
cambrium explosion  creationism
(bovenaan  : weerleggingen van  de  creationistische argumenten  /onderaan staan vier afbeeldingen ( =cambrium en ordovicum )afkomstig van creationistische recensenten van   en uit het boek van  ID-er Meyers )
°
In feite zijn er maar heel weinig christenen die geloven in jonge aarde creationisme.
De meeste die wel degelijk in een jonge aarde creationisme geloven zijn meestal sterk fundamentalistische en orthodoxe christenen. Er is ook slechts een uithangsbord-verschil tussen intelligent design en het YEC -creationisme
het ene is( qua mimicry ) het andere niet.
Maar Intelligent Design is wel alle creationismen ( inclusief OEC) in vermomming.
Wat ze doen is : ze pakken een werkende theorie, en voegen er een schepper aan toe.
Zonder dat dit nodig is.
Sterker nog, ze slopen de theorie, omdat ze een niet meetbaar /onervaarbaar en/of “onbewijs”baar element toevoegen: de schepper. ( die ze weigeren te definieren )
De schepper kan niet worden bewezen, niet worden waargenomen, en niet worden berekend.
Zijn hele bestaan kan niet worden verklaard.
Hij past in geen enkele wetenschappelijke theorie, en ondermijnt ons begrip van het universum, in plaats van dit te vergroten
.
Voor de denkende mens, is intelligent design walgelijk.
Trackway of one of the earliest” animals”, a multilegged creature that walked over the bed (1) of an ancient sea once covering Nevada.
The animal left behind a pair of parallel impressions – small, round dots in the silt that later became rock.
(Credit: Photo by Kevin Fitzsimons, Ohio State University)

(1) Het gaat dus om “loop” sporen die werden achtergelaten op de zeebodem-(bedding ) …
of op de afzettingen van microbieele matten van in de zee levende “bacterieen
Het interessante aan deze vondst is dat op grond van moleculaire data al een tijd bekend is dat de evolutionaire voorlopers van (o.a.) de geleedpotigen in het late Ediacara ontstaan moeten zijn, maar toen nu toe was daar nog geen fossiel bewijs voor gevonden. Deze fossiele sporen brengen daar nu dus veranderingen in.Doet dit wat af aan de gemakkelijke falsificatie van evolutie?
( zoals bijvoorbeeld hierboven de creationist Nistrim beweerde )
Nee, . Het zijn namelijk de voetafdrukken van zeer primitieve (in cladistische zin) diertjes, geen voetafdrukken van vogels, nijlpaarden of mensen (dat zou namelijk wel degelijk evolutie weerleggen!).
De grote evolutiebioloog J.B.S. Haldane gaf een hele tijd geleden al eens als antwoord op de vraag wat evolutie zou weerleggen “fossil rabbits in the Precambrian”, een vergelijkbaar voorbeeld dus.Met voetafdrukken van primitieve diertjes kun je evolutie trouwens ook weerleggen, maar dan moet je ze vinden in lagen van bijvoorbeeld 3 miljard jaar oud (ruim voor de eerste eukaryoten ontstonden.Er zijn potentieële weerleggingen van evolutie te over.
*********************************************************************************************************************
AFBEELDINGEN   en NOTA”S     // foto- ARCHIEF
oudste dier met skelet
Precambrium fossils

CREATIONISTISCH GEINSPIREERDE ( e.a.) VERDRAAINGEN EN MISVATTINGEN 

De geijkte misvattingen over de zogenaamde ” cambrische explosie ” behoren tot de meest aangehaalde creationistische ( en goed geslaagde )desinformatie stukjes , die hun weg hebben gevonden naar het collectieve media-geheugen en het publieke pop-wetenschap domein
Zowel de traditionele YEC’s , OEC’s en de “moderne” IDC-ers , gebruiken nog steeds __ naast de vele rethoriek___ dergelijke strategische en gekleurde interpretaties van geselecteerd en verouderd , want gebaseerd op incompleet feitenmateriaal en verzwegen nieuwe ontdekkingen , om hun ” plotsklapse schepping ” van de hoofdafdelingen van de rijke diversiteit van het levende door de mirakeleuze toverkunsten van een bovennanuurlijke ID-er , te verklaren ( of op zijn minst te suggeren ) ….
“… een Intelligente Ontwerper pikte zomaar plotseling uit het luchtledige de voorlopers van alle moderne extante vormen Zonder dat ook maar enige stam-voorouders werden voorgesteld of ontdekt waaruit deze nakomeligen en stamlijnen (eventueel ) konden evolueren en waardoor deze o.a. “in het fossiel bestand gedocumenteerde waarnemingen “de evolutieve -theorie wel moeten tegenspreken ( en verwerpen ? ) ….” (1)
Andersoortige pseudo-wetenschappers
( “new agers “, “spiritisten” en “ niet-materialisten”zoals bijvoorbeeld de kneuzen uit de “Scientology en Raeliaanse hoek ” )gebruiken een dergelijk “argument ” ook steeds weer om de “foutieve – theorie van het darwinisme te verwerpen …
Bijvoorbeeld ;
Jan Everink ;
“….De bezwaren tegen het neodarwinisme hebben slechts ten dele te maken met religieuze overwegingen en berusten vooral op empirisch vastgestelde feiten.Over de verschillende stadia van de evolutie is vrij veel bekend dankzij de studie van fossielen. Zo weet men thans dat de hoofdgroepen van de verschillende diersoorten alle ongeveer 530 miljoen jaar geleden gedurende een relatief korte periode, die wordt aangeduid als de cambrische explosie, op aarde verschenen. Sindsdien hebben nog wel allerlei ontwikkelingen plaatsgevonden maar de globale indeling van het dierenrijk is niet meer veranderd. Van de 50 hoofdsoorten die gedurende de cambrische explosie ontstonden bestaan er nu nog 37.
Het fossielen-onderzoek wijst er dus op dat er géén sprake is geweest van een zeer geleidelijke evolutionaire ontwikkeling van de soorten, zoals die volgens de neodarwinisten zou hebben plaatsgevonden. ….”

Links ;

Literalists and traditionalists
ID ( critic on Demski )
Creationisten/ Links
Een YEC uiteenzetting over de cambrische evolutie kan op volgende nederlandstalige site gevonden worden
J.Wils / Leviathan
Ook de ID-troep is op Nederlandstalige sites te vinden
Creaton ; Dossier: De Cambrische explosie
Stephen C. Meyers, directeur van het Discovery Institute
In 2004 behaalde de Intelligent Design beweging een ( volgens henzelf) belangrijke mijlpaal.
Het ontstaan van biologische informatie en de hogere taxonomische categorieën” in de Proceedings of the Biological Society of Washington, een uitgave van het Natuurhistorisch Museum van het Smithsonian Institute te Washington D.C..
Het artikel behandelt één van de grootste onopgeloste raadsels in de paleontologie: de Cambrische explosie.
°De wetenschappelijke gemeenschap reageerde ontzet op de publicatie.
°De redactie werd de wacht aangezegd door het bestuur van het genootschap.
°Maar er was ook bijval. Is dit het begin van een acceptatie van de Intelligent Design beweging door de wetenschap?
zie over deze ” peer review affaire ” —-> Intelligent design
en ook de engelstalige amerikaanse site : http://www.pandasthumb.org/pt-archives/000484.html

Wat toont het fossielen verslag ?

Sleutelwoorden Burgess shale Precambrium

1.-(Volgens de creationisten / Lee strobel /Knoxville Convention Center.Maart 2007/ DI conference(1 ) :

” ….DE meerderheid van de veertig phyla (of nog andere hierarchisch hoger geplaatste classificatie-categorieen van (voornamelijk) het dierenrijk )verschijnt (plots(2 )op het toneel, kompleet afgewerkt met haar eigen unieke nieuwe lichaamsvormen en functionele uitrusting …en dat in afwezigheid van aantoonbare overgangs-fossielen .De phylae verschijnen volledig gevormd (en plotsklaps (2) tijdens wat de “Cambrische explosie” is genoemd , zowat meer dan vijf honderd miljoen jaar geleden …..”

(antwoorden? ) Allemaal grote onzin natuurlijk .
°Zelfs de cristelijk geinspireerde site “American Scientific Affiliation” neemt een” Perspectives on Science and Christian Faith“-artikel over , waarin de creationistische Leugens ___die ook door Lee Strobel worden nagepraat ___ kompleet worden ontmaskerd ..(3)
De samenvatting (abstract ) van het document “Transitional Forms and the Evolution of Phyla” gepubliceerd in 2001, luidt ;
” … Vaak wordt geopperd in Christelijke kringen dat er geen bewijsmateriaal is voor de evolutie op phylumniveau .
Het bewijsmateriaal in de vorm van morfologische vergelijkende studies , wordt hier in dit artikel voorgelegd en toont aan dat er overgangsvormen bestaan die de phyla verbinden .
Met name worden specifieke morfologische schakels onderzocht die Lobopoda
de Geleedpotigen , ,Armpotigen , de Weekdieren en de Ringwormen verbinden .
Door deze lijnen te onderzoeken, toont het bewijsmateriaal aan dat de “Cambrische explosie” niet zeer “explosief” was.
Integendeel …. het is een periode die bijna 100 miljoen jaar duurde ___ in flagrante tegenspraak met de beweringen en eisen van de creationistische apologetici . “
Aangehaald document bespreekt :
° de oorzaken van de snelle differentiatie en de duidelijke overvloed aan dieren in het Cambrium ____,
° Het is ook gewoon nog meer supplementair bewijsmateriaal dat het Cambrium niet de plotse gebeurtenis vertegenwoordigt , die sommige christenen eraan toeschrijven
De ” Cambrische explosie “( volgens de creationisten ) negeert het massieve aanbod aan bewijsmateriaal van al die dierenfossielen ( en getuigen van hypothetische afstammingslijnen )die geleidelijk aan opstarten en verder ontwikkelen in het Precambrian en uiteindelijk lijken op te duiken in het cambrium (alsof die diergroepen uit de lucht zijn gevallen )
De verwezenlijkingen(en vooral differentiaties ) in de phyla van het dierlijke leven op deze planeet moeten echter veel vroeger zijn opgestart dan tijdens het Cambrium.
(2)
Creationisten beweren in feite dat alle (= 50 ? )phyla tijdens het cambrium uitsluitend zijn onstaan door speciale scheppingsdaden .Dat impliceert dat voorafgaand aan het cambrium geen voorouders aanwezig kunnen geweest zijn waaruit deze phyla evolueeerden …minstens van enkele phyla zijn
° vertegenwoordigers aangetoond die dateren uit het precambrium
zie ook;
embryos of the Doushantuo formation in China
It’s more than ten million years later that the
(3) Net zoals Alan Gishlick in
DARWIN’S TREE OF LIFE
http://www.ncseweb.org/icons/icon2tol.html
Opgelet:

de pop-wetenschap artikels van David De Vaal werden voor 2002 geschreven en zijn dus mogelijk gedateerd ( wat hun ” vulgariserende wetenschappelijke”informatieve inhoud betreft) ….(1) Ze zijn niettemin nog steeds interessant en vormen een goede inleiding

Ook omdat creationisten zich gewoonlijk bezighouden met ( en graag citeren uit ) sterk verouderd materiaal moet men toch rekening houden met ( soms al verlaten en /of gedepasseerde ) speculatieve aanzetten en voor werkhypotheses die toendertijd actuaal waren en met de disputen die toen reeds bestonden met de creationisten ….

Veel creationistische troep bestaat slechts uit het recycleren van opgerakelde curiosa uit het antiquariaat

” Bijna 3 miljard jaar lang bestond het leven op aarde uit eencellige organismen. En dan, ongeveer 540 miljoen jaar geleden, ontstond er plots een rijke diversiteit aan leven. Wat die explosie aan levensvormen veroorzaakte weet men nog steeds niet.

De cambrische explosie

De drastische toename aan biologische diversiteit kenmerkt het Cambrium, een periode die liep van 540 tot 500 miljoen jaar geleden. Meercellig leven was al langer aanwezig, maar het fossielenbestand neemt een drastische uitbreiding in geologische lagen die uit het Cambrium stammen.

Lange tijd werd gedacht dat het pre-cambrische leven louter bestond uit prokaryotische organismen, eencellige levensvormen waarbij de cel geen kern heeft.

Later bleek dat ook eukaryotische (van een kern voorziene) cellen voorkwamen. In de jaren ‘90 werd dit beeld nog wat complexer, toen bleek dat in het precambrische tijdperk ook wormen de zeebodem bevolkten. Gaandeweg duikt er dus meer fossiel bewijs op dat duidelijk maakt dat de vari챘teit aan levensvormen die de cambrische periode kenmerkt een aanloop kende in het pre-cambrische tijdperk.

Dat verandert echter weinig aan het uitzonderlijke karakter van wat de cambrische explosie is gaan heten, ook al spreken iets minder geëmotioneerde wetenchappers wel eens over de cambrische transitie.

Het blijft immers een feit dat op een erg korte periode alle belangrijke levensvormen zijn ontstaan. (1)

De belangrijkste evolutie die zich voordeed was het ontstaan van dieren met een (uitwendig of inwendig) geraamte. (2)

Daarnaast ontstonden ook grazers, die zich met het prokaryotische en eukaryotische leven voedden en roofdieren, die zich voor het eerst te goed deden aan andere, hoger ontwikkelde dieren.

In het Cambrium onstaan de voorgangers van alle huidige vormen van leven. Nooit eerder en nooit meer zou de evolutie een dergelijk grote stap voorwaarts nemen.(2)

Het meest opzienbarende is nog dat dit alles zich in een erg korte tijd afspeelt. In ongeveer 10 miljoen jaar neemt het levensbestand exponentieel toe. Het bezorgde evolutie-biologen in elk geval heel wat kopzorgen. De fundamentele principes van de Darwiniaanse evolutie – mutatie en natuurlijke selectie – volstaan niet om de Cambrische explosie te verklaren. Integendeel, het Cambrische tijdperk schijnt er een falsificatie van te zijn. Darwin zelf was zich hier van bewust en was er van overtuigd dat er ooit fossiel bewijs zou opduiken van een aanloopperiode naar het Cambrium. Dat bleek inderdaad zo te zijn, hoewel Darwin zelf daar nooit getuige van is geweest.

Wat aan fossiel bewijs opdook, is evenwel onvoldoende om de Cambrische evolutie in een gelijkmatig voortschrijdende evolutie te situeren.

De Amerikaanse evolutie-deskundige Stephen J. Gould ontwikkelde daarom samen met collega Niles Eldredge de notie ‘punctuated equilibrium’, het onderbroken evenwicht. Deze past het Darwiniaanse evolutieconcept aan: evolutie is geen gelijkmatig proces gevormd door kleine opeenvolgende stapjes, maar gebeurt in horten en stoten. De vorming van nieuwe soorten is een relatief snelle gebeurtenis, waarna de afstammingslijnen gedurende een lange tijd maar weinig veranderen.Daarmee heeft de cambrische explosie dan wel voor een aanpassing van het evolutieconcept gezorgd, verklaard is ze nog niet. En dat blijft tot op heden ( 2001) zo, al zijn er tal van hypotheses en theorieën opgesteld.

Enkele hypotheses Omdat de cambrische evolutie zich op een globale schaal afspeelde zoeken de meeste theoretici hun heil in omgevingsfactoren. Zo zou het zuurstofgehalte pas ten tijde van het Cambrium een peil hebben bereikt dat voldoende was om processen als celdeling en de vorming van collageen, dat als bindweefsel dienst doet, mogelijk te maken. Maar volgens sommigen (o.a. Gould) was het zuurstofniveau al meer dan een miljard jaar hoog genoeg om het ontstaan van complexere levensvormen niet meer te hinderen.

Een andere hypothese vertrekt van een gelijkaardig uitgangspunt maar neemt fosfor als de ontbrekende substantie. Complexe organismen hebben koolstof, stikstof en fosfor nodig om hun weefsel te ontwikkelen. Pas in het Cambrium zou dan voldoende fosfor aanwezig zijn geweest.

Anderen wijzen op de specifieke biologische omgeving waarin de cambrische explosie zich voltrok. Er was weinig of geen competitie tussen soorten en het leven dat al bestond was erg primitief. In zulke omstandigheden kunnen versnelde reproductie en genetische variatie volop hun kans gaan.

Mark McMenamin, die over de cambrische transitie een boek schreef, denkt dat de ontwikkeling van herbivoren, die een overvloed van voedsel aantroffen, de ontwikkeling van carnivoren stimuleerde. Als bescherming ontwikkelden de herbivoren dan schelpen en andere gedragspatronen en voedingsgewoonten. Het verschijnen van de regel ‘eten of gegeten worden’ zou ook gezorgd hebben voor de ontwikkeling van de eerste breinen, zowel bij de herbivoren, die slimmer werden om niet als voedsel te eindigen, als bij carnivoren, die verstand ontwikkelden om hun steeds slimmere prooien te kunnen verschalken.( wapenwedlopen ) zie ook (2b)

Darwiniaanse evolutiebiologen zochten de verklaring van de Big Bang van het leven in de evolutie van eukaryotische tot prokaryotische cellen. Cellen met een kern bevatten chromosonen, waardoor mutatie frequenter kan optreden. Die variatie zou tot een gevarieerd aantal lichaamsvormen hebben gezorgd.

De Australische biogeochemicus Graham Logan ziet de ontwikkeling van een spijsverteringsstelsel zelfs als de grote doorbraak in de ontwikkeling van de diverse levensvormen.

Bovendien kan genetische variatie verklaren waarom na de cambrische explosie geen gelijkaardig evolutionaire sprong wordt gemaakt. De nieuwe levensvormen die na het Cambrium zouden zijn gevormd maakten geen schijn van kans omdat er een te competitieve omgeving was ontstaan.

De meest levensvatbare lichaamsplannen waren al getekend en andere ingrijpende mutaties waren niet langer levensvatbaar.

Een nieuwe onderzoekspoging Een definitief antwoord is echter nog niet geformuleerd.

James Elser van de staatsuniversiteit van Arizona laat zich daar evenwel niet door ontmoedigen. In de nabijheid van het afgelegen dorpje Cuatro Cienegas in Mexico, vlakbij de Amerikaanse grens, heeft hij een systeem van rivieren en meren gevonden die een erg eenvoudig biologisch systeem herbergden, tot ongeveer 40.000 jaar geleden ook hier een drastische diversificatie plaats vond.

Vooral de aanwezigheid van stromatolieten konden het enthousiasme van de wetenschapper opwekken, omdat stromatolieten in het precambrische tijdperk overvloedig voorkwamen.

De ontwikkeling van grazende diersoorten veroorzaakte echter de ondergang van stromatolieten.

Net zoals nu staat te gebeuren in het ecosysteem dat hij in Mexico aantrof.

In de volgende drie jaar zullen observaties en laboratoriumexperimenten op basis van wat in Mexico wordt aangetroffen, resultaten opleveren die nieuwe inzichten over de cambrische explosie kunnen opleveren.

Een definitief antwoord zit er echter niet aan te komen, daarvoor moeten ook andere plaatsen onderzocht worden.

Dat zal Elser er echter niet van weerhouden zijn volgende levensjaren met stromatolieten door te brengen. . (DdV)


Related links:
De cambrische explosie Het Cambrium Meer uitleg over het onderbroken evenwicht

James Elser

http://sols.asu.edu/faculty/jelser.php http://www.spaceref.com/news/viewpr.html?pid=2876 http://abcnews.go.com/Technology/story?id=119849

 The name of referred object is zpq0200622590001.jpg

Microbial diversity in Chihuahuan desert.http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=145892

Opmerkingen / Correcties / updates

(1)Dit artikel doet op zijn minst ook foutieve beweringen ; —-> Landbewonende dieren en planten / insecten , vissen , amfibieen / reptielen / vogels en zoogdieren , duidelijk niet ….Het fossielen verslag handelde (tot 2001 en nog steeds ) over mariene dieren …. De hier gedane bewering is op zijn minst erg onnauwkeurig

(2) belangrijk vanuit het oogpunt der paleontologie en het fossielen verslag … Veel belangrijker gebeurtenissen ( de scheiding in geslachten ? , de ontwikkeling van zintuigen ? ( ogen bijvoorbeeld komen tegenwoordig ook voor bij kwallen die GEEN harde gemakkelijk fossilifieerbare delen bezitten ) zijn misschien al op gang gekomen in het precambrium

b) Er is zelfs een theorie dat het beslissende moment het verschijnen van ogen is geweest , waardoor bijvoorbeeld rovers efficienter konden optreden en daardoor een serieuse toename van de selectiedruk en de ontwikkeling van bepantsering ( uitwendige skeletten ) veroorzaakten

(3) Dit artikel doet een paar onwaarschijnlijke speculaties Het leven is op zijn minst een paar keer bijna volledig uitgestorven … het herstelde zich steeds na zulke catastrofes en ontplooide na een paar miljoenen jaren telkens grote biodiversiteiten die de wereld nog niet had gezien …

Er bestaan verschillende zeer rijke en erg verschillende geologische fauna en flora in het fossielen bestand Het leven voorafgaand aan de cambrische explosie was al even bizar en divers en onbegrijpelijk zoals de weinige fossielen ( die ondertussen zijn ontdekt ) reeds laten vermoeden ….De periode waarin het zich kon ontwikkelen ook zeer lang …

Tegenwoordig is ook de ( slechts heel gedeeltelijk bekende ) diversiteit aan microben , bacterieen , virussen en eencelligen die NIET zo gemakkelijk fossilieren , al vele malen groter dan wat ooit is gevonden in de het fossielen bestand of in de tegenwoordig “belangrijkere ” organismen …

Toevoegingen bij vorige Commentaren Volgens enkele Amerikaanse geleerden (Science, augustus 2001) ontstonden in het ( precambrische ) sturdian , ca. 750 miljoen jaar geleden, de eerste landplanten. Dit is 300 miljoen eerder dan eerst werd aangenomen ( Ordovicium). Dit op basis van DNA onderzoek en onderzoek naar de samenstelling van eiwitten of aminozuren.

Sturdian (800 – 610 miljoen jaar geleden); Vendiaan (610 – 570 miljoen jaar geleden Cambrium (570 – 510 miljoen jaar geleden) http://www.bertsgeschiedenissite.nl/geschiedenis%20aarde/cambrischeexplosie.htm

De Cambrische explosietheorie stelt dat het meercellige leven (Metazoa) zo’n 570 miljoen jaar geleden ontstond en in korte tijd evolueerde tot een waaier aan levensvormen.

Deze theorie baseert zich op vondsten in de Burgess Shale, een rijke afzetting in het zuiden van Brits Columbia. Maar er wordt aan deze theorie getwijfeld. Het feit dat de meeste meercellige fossielen niet ouder zijn dan 570 miljoen jaar oud, heeft vooral te maken met het feit dat de organismen vanaf die tijd een kalkachtig pantser ontwikkelden. Zo’n pantser fossileert beter dan zacht weefsel. Vandaar dat er weinig sporen zijn van dieren die ouder zijn dan 570 miljoen jaar, en nog geen pantser bezaten. De “slow burn” hypothese stelt dat meercellige organismen zich veel eerder en veel geleidelijker ontwikkelden dan de Cambrische explosietheorie veronderstelt.

Deze “slow burn” theorie wordt ondersteunt door de in 1996 gevonden sporen van wormen in de Son-vallei in Centraal India. (laatst bijgewerkt: 21-06-01)

LINKS
Evolutie 35
Leancholia
Burgess shale
Chengjiang shale
FOSSIEL MATERIAAL VOORAFGAAND aan de cambnrium
Edicarafauna
zie ook EDICAREAN FAUNA en / AVALON EXPLOSIE
°
http://sandwalk.blogspot.com/2012/03/pikaia-is-most-primitive-vertebrate.htmlI was aware of possible primitive vertebrates (“Craniates” is a better term) in the deposits from China (e.g. Myllokunmingia) but I’d never heard of a vertebrate fossil in the Burgess Shale(press release )
http://www.news.utoronto.ca/human%E2%80%99s-oldest-ancestor-found-burgess-shale
However ….
Pikaia is a chordate but not a vertebrate as the quotations from the researchers make clear.The press release from Cambridge is only a bit better
http://www.cambridge-news.co.uk/Education-and-Training/Universities/Humans-ancient-ancestor-revealed-as-a-505-million-year-old-eel-05032012.htm…..Pikaia was featured in Stephen Jay Gould’s book Wonderful Life published in 1989.
Even then, Pikaia gracilens was thought to be a chordate similar in broad features to the cephalochordate (non-vertebrate chordate) Amphioxus.
This classification was attributed to Simon Conway Morris in 1979.
The Wikipedia article [Pikaia] points out that this classification was not universally accepted.
But paleontologists had been working since , to improve the identification of Pikaia as a chordate;
Even I could tell from reading Wonderful Life that the idea was, not well supported at that time.
And it looks like that was exactly what happened :
It seems to be better supported todayThe important points are:
(1) that Pikaia is a primitive chordate but NOT a primitive vertebrate and the press release is just dead wrong about that and,(2)
*Conway Morris doesn’t say that Pikaia is the oldest chordate.He says it’s the most primitive known chordate, and he is apparently using a branch-based definition of “chordate”: any deuterostome more closely related
to a vertebrate than to a starfish.
Or, to put it another way, the phylogenetic analysis in the new Biological Reviews paper puts Pikaia as the sister group of all other chordates.The press release made the mistake of equating “primitive” with “old”……of course , the fossils from China are ( geologically ) older and some of those might even be vertebrates.
If that’s true then Pikaia might have lived AFTER the divergence of cephalochordates and vertebrates
and it’s not even remotely possible that it’s our far away – ancestor.Pikaia is younger than several primitive vertebrate so by saying that it is “the most primitive chordate” is like saying that h
ammerhead sharks are more primitive than elephants or that lemurs are the most primitive primates.SC-M is using the word “primitive” to mean plesiomorphic, not chronologically old.
He said Pikaia could have the most stem-ward position (closest to the origin of the clade) among chordates.
That is before the cephalochordate-urochordate split.The body of the press release is wrong.
Haikouichthys ( china ! ) has vertebrate morphology and if not a vertebrate via the cladistic definition,
it is at least more closely related to living vertebrates.
And it is older than Pikaia.
Thus, it is impossible for Pikaia to be our direct ancestor.( it is a “collateral” link )It’s possible that the resemblance between Pikaia and cephalochordates is mostly symplesiomorphic.There are some interesting things about this new description of Pikaia.Firstly, it is clearly not a cephalochordate.
It has features more primitive than Amphioxus, including potentially external gills and a terminal anus (rather than a postanal tail).Secondly,
the myomeres appear to be sigmoidal (W-shaped) leading to the possible conclusion that the V-shaped myomeres of Amphioxus
are a derived, rather than primitive, condition.The new discovery that tunicates are closer to vertebrates than is Amphioxus has freed us from the constraint to look for sessile chordate ancestors.
The new interpretation of Pikaia gives us some better insights as to the likely primitive chordate condition, and makes us more aware that Amphioxus is not a
“transitional form” but an extant animal with potentially many of its own derived features that don’t represent the primitive chordate condition.
http://www.nhm.ac.uk/about-us/news/2009/march/fossils-reveal-ancient-monster-predator.htmlFossil fragments have been pieced together to reveal the true identity of a 500-million-year-old monster predator, scientists report in the journal Science today.This new discovery sheds light on the origin of the largest group of living animals, the arthropods – a group that includes insects, crustaceans, spiders, millipedes and centipedes.The fragments of fossils were previously thought to belong to various creatures such as a jellyfish, a sea cucumber and a crustacean-like animal. But scientists at the Natural History Museum, UK, Uppsala University, Sweden, and the Royal Ontario Museum, Canada, decided to take a closer look.They studied old and newly found fossils and came up with the new description of the marine predator, Hurdia victoria, a creature that lived alongside early arthropods.Half a metre longHurdia victoria was a large animal, especially compared to other arthropods. There are complete fossil specimens that are 20cm long but pieces of broken specimens suggest it was possibly up to 50cm in length.It had big eyes, a segmented body, a head with a pair of spiny claws and a circular jaw structure with many teeth.It would have been a formidable predator in the seas and may have fed on trilobites (extinct marine arthropods) and other arthropods on the sea floor.Unique 3-part-shell headHurdia had a unique, large 3-part shell that projected out from the front of the animal’s head.‘It was hard to tell whether the box-like shell structure came to lie so far forward after the animal died, or when it moulted its hard parts, or if this was how it really looked when alive,’ says Greg Edgecombe, fossil expert (palaeontologist) at the Natural History Museum.’The way the fossil is preserved made us decide that it really had this structure in front of its head, but we still don’t know what it was for.’Well-preserved fossilsThe fossils were from the famous Burgess Shale deposits of the Canadian Rockies, a UNESCO World Heritage Site.Many exceptionally well-preserved fossils have been uncovered there and they present a remarkable snapshot of Cambrian marine life from 505 million years ago.Many descriptionsThe first fragments of Hurdia victoria were described nearly 100 years ago and were assumed to be part of other animals.More clues to the real nature of Hurdia accumulated over the years as new specimens were collected or discovered in museum collections.The last piece of the puzzle was found when the best-preserved specimen was discovered in the collections at the Smithsonian National Museum of Natural History in Washington DC.It was collected by Charles Walcott in the early 20th century. This specimen lay untouched for decades until researchers in the 1970s and 80s classified it first as an arthropod and then as an unusual specimen of the famous monster predator Anomalocaris.Hurdia and Anomalocaris reveal details of the origins of important features that define the modern arthropods. They both show compound eyes and also limb flaps with gill filaments used for breathing.As well as its bizarre head structures, the fossilised Hurdia victoria reveals exquisite details of the gills associated with the body, some of the best preserved in the fossil record.
 Most modern animal groups appear abruptly at, or very shortly after, the beginning of the Cambrian period, 542 million years ago.
The Cambrian starts abruptly with a layer of small shelly fossils that are hard to assign to any group, which are then replaced abruptly by fossils belonging to more familiar groups; arthropods, molluscs, brachiopods, etc., which then persist throughout the fossil record till the present day (albeit with considerable evolutionary improvements).
At the same time there are abrupt fluctuations in the isotopic ratios of Carbon, Strontium and Sulphur, which are equally hard to explain.
This is how the origin of animal life is recorded in the fossil record, something many palaeontologists have found less than satisfactory for a long time, particularly as DNA evidence suggests that the major animal groups diverged from one-another at least 200 million years before the beginning of the Cambrian (the ‘DNA-clock’ works by measuring the rate of mutation in non-coding, or ‘junk’ DNA; since this DNA does not affect the organism it is not subject to natural selection and ought to mutate at a steady rate).
This has lead to a great deal of interest in any animal fossils that might pre-date the beginning of the Cambrian.
The earliest single celled fossils are about 3500 million years old, with chemical indicators of life being even older in the sedimentary record. The earliest eukaryotic cells (cells with nucleuses) are about 1000 million years old, the first fossils we can identify as belonging to identifiable animal groups are just under 542 million years old; but the intervening period is not devoid of interesting fossils.
 
 
 
The Ediacaran ‘Fauna’
appear in the fossil record about 585 million years ago and persist till the start of the Cambrian, when they vanish abruptly.
The fossils are clearly of multicellular organisms with pre-defined structures (like animals) but do not closely resemble any known post-Ediacaran group, living or fossil. No Ediacaran organism seems to have produced any mineralized tissue, such as bone or shell. These fossils are rare, but have attracted a great deal of attention. The have been found in England, Nova Scotia, Mexico, Namibia, Australia, Russia and China, amongst other places.
Charnia is a typical member of the Ediacaran Fauna; it has a clear structure, has been found in many parts of the world, but does not resemble any known organism.
The period of time between 635 and 542 million years ago has been formerly named the Ediacaran. The Ediacaran Period precedes the Cambrian and follows the Cryogenian, which ran from 850 to 635 million years ago, and was marked by several severe glaciations (Ice Ages) of near global extent. This makes for a plausible (if unverifiable) story for the origin of animal life. The vast glaciations of the Cryogenian somehow caused single celled animals to form organized colonies, which grew more sophisticated during the Ediacaran, then started to produce mineralized tissues at the beginning of the Cambrian as a result of some change in seawater chemistry. Biomineralization probably started as a way of secreting unwanted chemicals, but was rapidly co-opted for other purposes, provoking a radical restructuring of the bodies of those animals that adopted it.
DOUSHANTO    EMBRYO’S 
The 23 December edition of the journal Science contains a paper by a team lead by Therese Huldtgren of the Department of Palaeozoology at the Swedish Museum of Natural History, which examines a number of globular Early Ediacaran fossils from the Doushantuo Formation of Guizhou Province in China, that have been considered to be embryonic Ediacarans.
Based upon this analysis, Huldtgren et al. conclude that the ‘embryos’ show patterns of cell division incompatible with the embryonic development of animals, and that the organisms that produced it cannot therefore be closely related to animals.
The Doushantou ‘Embryos’.
The fossils from Doushantuo are all microscopic, and come from early in the Ediacaran Period (635-551 million years ago). In addition to the ‘embryos’ there are achritarchs (a form of algae), ciliates, seaweeds and what may be sponges and soft corals as well as a possible planktic larvae that has been named Vernanimalcula. Since the only known large organisms at during the period are the Ediacarans, it is fairly obvious to conclude that the embryos are those of Ediacarans. However, this is t best a guess; there is no actual evidence to link the embryos to the Ediacaran Fauna, so they may represent a part of the life-cycle of some as yet unknown organism, which co-existed with, or even predated the Ediacaran Fauna.
Based upon this there is no real evidence to suggest that the Ediacarans either were, or were not, true animals. They remain a mystery

ROYAL ONTARIO MUSEUM
BURGESS SHALE 

Acanthotretella

Acanthotretella
A brachiopod covered in long, slender spines

Acrothyra

Acrothyra
A tiny brachiopod with smooth valves

Actaeus

Actaeus
A very rare arthropod with great appendages and large eyes

Alalcomenaeus

Alalcomenaeus
An arthropod with whip-like appendages

Amiskwia

Amiskwia
A worm-like, swimming animal with paired antennae

Amplectobelua

Amplectobelua
An anomalocaridid with a frontal appendage bearing a pair of large spines

Ancalagon

Ancalagon
A worm bearing the name of a dragon

Anomalocaris

Anomalocaris
The largest predator of the Cambrian, first described in 1892

Aysheaia

Aysheaia
A very primitive arthropod-like animal with spiked legs

Banffia

Banffia
An enigmatic animal with a rotated body

Bathyuriscus

Bathyuriscus
A very common Mount Stephen trilobite

Bosworthia

Bosworthia
A presumed red alga composed of thick branches

Branchiocaris

Branchiocaris
A large, swimming arthropod with a bivalved carapace

Burgessia

Burgessia
A primitive arthropod with a kidney-shaped stomach

Burgessochaeta

Burgessochaeta
A burrowing bristleworm with a pair of long tentacles

Burlingia

Burlingia
An unusual, rare and tiny trilobite

Byronia

Byronia
A jellyfish polyp named after a Canadian banker

Cambrorhytium

Cambrorhytium
A solitary, cone-shaped organism

Canadaspis

Canadaspis
A common arthropod with two large valves

Canadia

Canadia
A swimming worm with long bristles

Capsospongia

Capsospongia
A conical sponge with a coral-like appearance

Carnarvonia

Carnarvonia
A poorly-known bivalved arthropod with vascular markings

Caryosyntrips

Caryosyntrips
An anomalocaridid with nutcracker-like appendages

Chancelloria

Chancelloria
A hollow, cactus-like fossil of unknown affinity

Chancia

Chancia
Trilobite with wide brim and many segments

Chaunograptus

Chaunograptus
A minute colonial organism with simple conical extensions

Choia

Choia
A discoidal sponge with long radial spicules

Crumillospongia

Crumillospongia
A large, purse-shaped sponge peppered with wide openings

Ctenorhabdotus

Ctenorhabdotus
A comb-jelly with a lantern-like body and 8 sets of 3 comb-rows

Dalyia

Dalyia
A presumed red alga with long slender stems

Diagoniella

Diagoniella
A conical sponge with a diagonally arranged skeleton

Dictyophycus

Dictyophycus
A possible algal frond with a delicate net-like structure

Dinomischus

Dinomischus
An enigmatic chalice-shaped animal

Diraphora

Diraphora
A brachiopod with a ridged appearance

Echmatocrinus

Echmatocrinus
A putative echinoderm with thick arms

Ehmaniella

Ehmaniella
Trilobite with 13 segments and a small tail shield

Eiffelia

Eiffelia
A globe-like calcareous sponge with star-shaped spicules

Eiffelospongia

Eiffelospongia
A small ovoid sponge with a long hairy-like root tuft

Eldonia

Eldonia
A discoidal organism with short tentacles

Elrathia

Elrathia
A small, rare, and poorly known trilobite

Elrathina

Elrathina
Trilobite with numerous segments and a tiny tail shield

Emeraldella

Emeraldella
A small, predatory arthropod with a long tail and antennae

Falospongia

Falospongia
A funnel-shaped sponge with a characteristic grid-like wall

Fasciculus

Fasciculus
A very rare comb-jelly with two sets of comb-rows

Fieldia

Fieldia
A spine-covered burrowing worm

 

Fuxianhuia  (Chenjiang ) 

520 miljoen jaar oud  hart- en vaatstelsel

5

 

 

 

oudste cardio vasculaire systeem

Wetenschappers hebben in China de fossiele resten van een  arthropode  ontdekt dat een vrij modern hart en bloedvaten had. Het dier leefde zo’n 520 miljoen jaar geleden. Daarmee gaat zijn hartvaatstelsel de boeken in als het oudste cardiovasculaire systeem dat ooit is teruggevonden.

Het garnaalachtige dier was ongeveer 7,5 centimeter lang en behoort tot de uitgestorven soortFuxianhuia protensa. “Het dier ziet er simpel uit, maar zijn interne organisatie is heel uitgebreid,” stelt onderzoeker Nicholas Strausfeld. Zo komen in het brein van het oude organisme heel veel aderen samen. En daarmee doet het denken aan een modern schaaldier. Sterker nog: het vaatstelsel van F. protensa is nog complexer dan dat van veel moderne schaaldieren.

Evolutie
“Het lijkt erop dat dit de basis is van waaruit anderen evolueerden. Verschillende groepen kreeftachtigen hebben vasculaire systemen die net iets anders zijn, maar ze verwijzen allemaal naar wat we in Fuxianhuia zien. Gedurende de evolutie specialiseerden sommige segmenten van het lichaam van het dier zich in bepaalde taken, terwijl andere delen minder belangrijk werden en het vasculaire systeem daar dus minder uitgebreid werd.”

 

Bijzonder
Het is best bijzonder dat de organen van F. protensa zo goed bewaard zijn gebleven: het organisme is tenslotte al meer dan een half miljard jaar oud. “We denken dat deze organismen geconserveerd werden, omdat ze tijdens een catastrofe heel snel onder fijnkorrelige afzettingen terechtkwamen en van bepaalde chemische stofjes in het water doordrongen waren terwijl ze platgedrukt werden. Het is een soort geleedpotige versie van Pompeii.” Welke catastrofe aan het behoud van de soort ten grondslag lag, is onduidelijk. Misschien een zandstorm? De onderzoekers wijzen erop dat het leven in de tijd van F. protensa enkel in het water te vinden was. “Er moeten enorme zandstormen zijn geweest, omdat er geen planten waren die de grond vast konden houden.” Een andere mogelijkheid: de een tsunami. “Wanneer het water zich terugtrekt, drogen dieren op de zeebodem op. Wanneer het water weer terugstroomt, worden ze bedekt met modder.”

Hoe het ook gebeurde: dit fossiel kunnen we in ieder geval in onze zak steken. Het kan ons meer inzicht geven in de evolutie van soortgelijke organismen, maar vertelt ons wellicht ook meer over het gedrag van F. protensa. “Omdat het brein veel bloedvaten bevat, kunnen we ervan uitgaan dat het een heel actief dier was dat in staat was om veel verschillende gedragskeuzes te maken.”

Bronmateriaal:
Ancient shrimp-like animals had ‘modern’ hearts and blood vessels” – University of Arizona (via Eurekalert.org)
 Flickr.com
Fuxianhuia protensa 1

Fieldospongia

Fieldospongia
A cone-shaped sponge with a regular net-like skeleton

Gogia

Gogia
A stalked echinoderm with branched appendages

Habelia 1

Habelia 1
An arthropod covered in tubercles

Habelia 2

Habelia 2
A poorly-known arthropod with a short tail spine

Halichondrites

Halichondrites
An elongate cone-shaped sponge with long hair-like spicules

Hallucigenia

Hallucigenia
A prickly worm that turns out to have “legs”

Hamptonia

Hamptonia
A large sponge with long, radiating spicules

Hamptoniella

Hamptoniella
A small, three-dimensional sponge with numerous canals

Hanburia

Hanburia
A very rare “blind” trilobite from the Burgess Shale

Haplophrentis

Haplophrentis
A small cone-shaped shell with two curved spines and a cap

Hazelia

Hazelia
A very common sponge

Helmetia

Helmetia
A swimming arthropod with a wide, leaf-like carapace

Herpetogaster

Herpetogaster
A creeping organism with tentacles and a long stalk

Hurdia

Hurdia
A cousin of Anomalocaris with large carapaces and comb-like claws

Insolicorypha

Insolicorypha
The rarest bristleworm from the Burgess Shale

Isoxys

Isoxys
A swimming predator with pointy carapaces

Kootenia

Kootenia
Trilobite with short, blunt spines

Laggania

Laggania
A fast swimming, Anomalocaris-like predator

Leanchoilia

Leanchoilia
An arthropod with two long appendages ending in whip-like lashes

Leptomitus

Leptomitus
The tallest sponge from the Burgess Shale

Liangshanella

Liangshanella
A tiny arthropod with a bivalved carapace

Lingulella

Lingulella
A centimetre-scale, mineralized brachiopod with a long pedicle

Louisella

Louisella
A large spiny, carnivorous worm

Lyracystis

Lyracystis
A large stalked echinoderm with delicate lyre-shaped arms

Mackenzia

Mackenzia
A Burgess Shale sea anemone-like animal

Margaretia

Margaretia
A large tubular alga with numerous protuberances

Marpolia

Marpolia
A bush-like filamentous cyanobacteria

Marrella

Marrella
An abundant arthropod with large head spines

Metaspriggina

Metaspriggina
A very rare eel-like chordate

Micromitra

Micromitra
A brachiopod with long, slender spines extending from the shell margin

Molaria

Molaria
A small arthropod with a long, flexible posterior spine

Mollisonia

Mollisonia
A poorly-known arthropod with seven thoracic segments

Morania

Morania
A common sheath-like cyanobacteria

Naraoia

Naraoia
An arthropod with two soft dorsal shields

Nectocaris

Nectocaris
A squid-like predator with a pair of long tentacles

Nisusia

Nisusia
A small brachiopod with long slender spines attached to the anterior margin

Odaraia

Odaraia
An arthropod designed like a submarine

Odontogriphus

Odontogriphus
A slug-like creature that scraped food from the ocean floor with its toothed tongue

Oesia

Oesia
An enigmatic worm-like animal

Ogygopsis

Ogygopsis
The most abundant fossil in the Mount Stephen Trilobite Beds

Oikozetetes

Oikozetetes
A possible slug-like animal only known from two different types of shells

Olenoides

Olenoides
The best-known trilobite from the Burgess Shale

Opabinia

Opabinia
A primitive arthropod with five eyes and a long “nozzle” with claws

Orthrozanclus

Orthrozanclus
A tiny grazing animal covered with spines

Oryctocephalus

Oryctocephalus
Small, spiny trilobite with paired pits on the head

Ottoia

Ottoia
The most common Burgess Shale worm

Pagetia

Pagetia
Diminutive trilobite with tiny eyes

Paterina

Paterina
A brachiopod with prominent growth lines

Peronochaeta

Peronochaeta
A tiny, slender bristleworm

Perspicaris

Perspicaris
A small, swimming arthropod with large eyes on stalks

Petaloptyon

Petaloptyon
An unusual goblet-like sponge on a stalk

Pikaia

Pikaia
A very primitive fish-like animal

Pirania

Pirania
A cactus-like sponge

Plenocaris

Plenocaris
A small arthropod with a short head shield

Pollingeria

Pollingeria
An enigmatic fossil originally interpreted as a scale of a worm

Portalia

Portalia
A sea-cucumber-like animal covered in tentacles

Priscansermarinus

Priscansermarinus
An enigmatic barnacle-like animal

Protoprisma

Protoprisma
A glass sponge with long prismatic branches

Protospongia

Protospongia
A sponge with distinctive cruciform spicules

Ptychagnostus

Ptychagnostus
Tiny “blind” trilobite

Sanctacaris

Sanctacaris
The “Santa Claws” arthropod from Mount Stephen

Sarotrocercus

Sarotrocercus
A tiny arthropod with enormous eyes

Scenella

Scenella
A small enigmatic limpet-like animal

Scolecofurca

Scolecofurca
A worm with a fork-like front end

Selkirkia

Selkirkia
A worm living in a tube

Sidneyia

Sidneyia
An arthropod named after Charles Walcott’s son

Skania

Skania
A tiny kite-shaped arthropod

Sphenothallus

Sphenothallus
A rare, sling-shaped tubular animal

Stanleycaris

Stanleycaris
An anomalocaridid with a frontal appendage bearing double-pointed dorsal spines

Stephenoscolex

Stephenoscolex
A slender, benthic worm covered in tiny bristles

Stephenospongia

Stephenospongia
A rare sponge with conspicuous holes

Takakkawia

Takakkawia
A conical sponge with blade-like fins

Tegopelte

Tegopelte
A giant trilobite-like arthropod

Thaumaptilon

Thaumaptilon
An enigmatic feather-like organism

Thelxiope

Thelxiope
A rare spiny arthropod

Tubulella

Tubulella
A slender, conical tube related to jellyfish

Tuzoia

Tuzoia
A large pelagic bivalved arthropod

Ulospongiella

Ulospongiella
A sponge with a wool-like appearance

Vauxia

Vauxia
A common group of sponges with distinct bush-like forms

Wahpia

Wahpia
An small alga with slender branches

Walcottidiscus

Walcottidiscus
A large globular echinoderm with distinctive star-shaped food groves

Wapkia

Wapkia
Large elongate sponge with spicules arranged in plumose patterns

Waptia

Waptia
A shrimp-like arthropod with a long abdomen

Waputikia

Waputikia
A rare and delicate alga with fine ramifications

Wiwaxia

Wiwaxia
An armoured slug-like organism

Worthenella

Worthenella
An enigmatic millipede-like arthropod

Xanioascus

Xanioascus
A sac-like comb-jelly with 24 comb-rows

Yohoia

Yohoia
A small, carnivorous arthropod with great appendages

Yuknessia

Yuknessia
A putative tubular green alga with long branches

Zacanthoides

Zacanthoides
A spiny Mount Stephen trilobite

 

800px-cambrian_sea

Vrijdag 21 februari 2014 (Dit is een publicatie van Kennislink)

Fossielen bevestigen: er was geen ‘oerknal van het leven’

Canadese onderzoekers hebben een nieuwe fossielenvindplaats in de Rocky Mountains ontdekt. De versteende zeedieren die hier in de schalie zitten bieden een kijkje in de allesvroegste evolutie van het leven op aarde, en bevestigen dat de ‘Cambrische explosie’ een achterhaald begrip is.

door 

Leanchoilid_rom_62977

Leanchoilia, een uitgestorven geleedpotige, uit de Burgess schalie van Kootenay Jean-Bernard Caron, Royal Ontario Museum, Canada

De oerknal van het leven?

Het is een wijdverbreid misverstand en een idee dat lang geheerst heeft onder aardwetenschappers: dat van deCambrische explosie of de oerknal van het leven.Duizenden nieuwe, meercellige diersoorten zouden bijna 550 miljoen jaar geleden in een relatief kort tijdsbestek van slechts enkele miljoenen jaren zijn ontstaan.

Er was echter helemaal geen sprake van een explosie, vertelt Simon Troelstra, gepensioneerd micro-paleontoloog van de Vrije Universiteit Amsterdam, die zelf overigens niet bij de vondst in de Rocky Mountains betrokken was. Sinds paleontoloog en fossielenverzamelaar Charles Walcott in het jaar 1909 als eerste per toeval op de fossielrijke Cambrische Burgess Shale stuitte – het kleiige gesteente waarin de oeroude fossielen zo goed bewaard zijn gebleven – zijn er al meer dan 40 andere vindplaatsen ontdekt, met uiteenlopende ouderdommen. “De Cambrische explosie blijkt eigenlijk een gestage evolutie te zijn, die ongeveer 100 miljoen jaar duurde”, zegt Troelstra.

New_arthropod_rom_62976

Een geheel nieuwe soort geleedpotige, van de Kootenay-site Jean-Bernard Caron, Royal Ontario Museum, Canada

De Kootenay-site

De fossielen die onderzoekers van het Royal Ontario Museum in Canada aantroffen in de nieuwe vindplaats in het Kootenay National Park bevestigen dit beeld. Het Kootenay Park bevindt zich op slechts 40 kilometer van het Yoho National Park, de beroemde plek waar Walcott de Burgess Schale vond. Toch troffen de Canadese onderzoekers enkele geheel nieuwe soorten aan in het gesteente van Kootenay.

Misschien nog wel belangrijker is dat ze ook fossielen tegenkwamen van zeebeestjes die in het Yoho National Park niet aanwezig waren, maar enkele jaren geleden wel in de beroemde 10 miljoen jaar oudere fossielenvindplaats Chengjiang in China werden aangetroffen. Volgens de Canadese paleontologen betekent dit dat deze oerdieren wijd verspreid voorkwamen, en inderdaad langer in onze zeeën hebben rondgezwommen dan oorspronkelijk werd gedacht.

Pikaia_bw

De Pikaia gracilens, voor zover bekend onze eerste gewervelde voorganger Nobu Tamura, via Wikimedia Commons

Startschot

Het startschot voor de ontwikkeling van complexe organismen werd ongeveer 650 miljoen jaar geleden gegeven, na een periode waarin het op aarde zo koud was dat deze helemaal bedekt was met ijs (Snowball Earth). Het klimaat warmde op, supercontinent Rodinia viel uit elkaar en veranderde daarmee meteen de chemische samenstelling van de oceaan, die kalkiger werd en meer fosfaat ging bevatten, en de hoeveelheid zuurstof in de atmosfeer nam toe.

De wapenwedloop

Tot er genoeg kalk in de oceaan terecht kwam om botten, tanden, en skeletten mee te fabriceren, was het in zee een vreedzame bedoening. De weke organismen zweefden wat rond, filterden wat voedsel uit het water, en dat was het wel zo´n beetje. Met het kalk kwamen echter ook de wapens voor de rovers, bijvoorbeeld in de vorm van tanden, gevolgd door de eerste schilden die de prooidieren moesten beschermen. De vrede was over, de wapenwedloop was een feit.

De eencellige, primitieve voorlopers van het leven begonnen zich vervolgens te ontwikkelen tot de ingewikkelder exemplaren waarvan momenteel op meer dan 40 plekken op aarde de fossielen te vinden zijn. “De meesten zijn in de loop van de evolutie weer uitgestorven”, zegt Troelstra. Maar ook de eerste gewervelde, onze oer-voorloper, dook op in deze periode. “Het was een soort zebravisje.”

Vijftig soorten

Een heel nieuw inzicht heeft de nieuwe vindplaats dus nog niet opgeleverd, en uniek is de vondst van een lokatie met Cambrische fossielen ook niet. “Je vindt ze overal ter wereld, op plekken waar plotselinge modderstromen zijn voorgekomen”, zegt Troelstra. Zo leefden de zee-organismen uit de Burgess Shale van de Rocky Mountains aan de voet van een steile helling. Ze werden door een plotselinge lawine van modderdeeltjes verrast, bedekt en afgesloten van zuurstof, waardoor er geen afbraak kon plaatsvinden. Hierdoor zijn de beesten niet verrot maar gefossiliseerd.

Quarry_site_-robertgaines

Werk in uitvoering aan de Burgess Schalies van Kootenay, Rocky Mountains, Canada Robert Gaines, Pomona College, Claremont, Canada

De soortenrijkdom in de Kootenay-site lijkt echter groot – in 15 dagen ontdekten de onderzoekers ruim 50 verschillende soorten – en de conservering extreem goed. Zelfs de weke delen zijn goed zichtbaar, in de fossielen van de Kootenay-site. Troelstra vindt het dan ook een mooie vondst, hoewel het echte belang ervan pas duidelijk zal worden als er meer onderzoek ter plekke gedaan is. “Zo te zien zit het er vol met prachtig geconserveerde fossielen. Die kunnen ons vast iets meer vertellen over deze bijzondere periode in de evolutie.”

Bronnen:

Animatie van enkele Cambrische roofzeedieren uit de Burgess schalie © Phlesch Bubble Productions. Voor meer dieren (zwemmers, prooien, etc.) zie onderwater-odyssee [1], de website van het Royal Ontario Museum

Verwijzingen

  1. Onderwater-odyssee http://burgess-shale.rom.on.ca/en/sea-odyssey/ 

Lees ook

http://www.kennislink.nl/publicaties/raadselachtige-fossielen-landrotten-of-zeebewoners

Keer terug naar    >        https://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/ 

Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

3 Responses to Cambrische explosie

  1. Pingback: GEOLOGIE TREFWOORD C | Tsjok's blog

  2. Pingback: Woordenlijst paleontologie C / Z | Tsjok's blog

  3. Pingback: VERKLARENDE WOORDENLIJST PALEONTOLOGIE C | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: