Het SOORT probleem nader bekeken


°

 SOORTPROBLEEM 

°

Afrikaanse olifanten  , het plantengeslacht  Nepenthes , de  Nevelpanter  … het zijn allemaal  deze maand terloops (ook op dit blog )  ter sprake gekomen  nieuwere ontwikkelingen en updates  in de  “systematiek ” en het  voorschrijdende  en noodzakelijke   inventariseren van de levende organismen  -groepen …iets wat nog lang niet  is afgelopen .   Integendeel  , het is nog maar nauwelijks begonnen … Tegenwoordig is het zelfs jammer genoeg zo , dat de nieuw ontdekte soorten  , meteen ook in de  categorie ” bedreigde” soorten kunnen   worden  geplaatst

Wat die studies  over  Afrikaanse olifanten ,Nepenthes , de Nevelpanter  etc …   allemaal gemeen hebben is het aloude soortprobleem 

(TIP ;  lees eerst wat achtergronden en bijkomende info , indien je  dat nodig acht  ,   op de links die ik hieronder gaf bij  het  artikel  Afrikaanse olifanten  , en die ik hier nog  eens plaats

 

watis een soort <–Doc archief 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Soort

MISSING LINK <—Doc archief

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2011/01/03/more-on-species-part-1/                           http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2011/01/04/more-on-species-part2/

___________________________________________________________

HET SOORTPROBLEEM

1.- Theodosius  Dodzhansky heeft het best van allemaal   dit  oude probleem beschreven  en grotendeels  oplossingen  gegeven ,die in zijn tijd  heelwat hebben betekent    en wel in twee van zijn hoofwerken  :

Genetics and the Origin of Species (1937),   ”  en  “Evolution , genetics & man “(ook verschenen in het Nederlands bij Aula-pocket  1961 “evolutie en erfelijkheid “, een antiek werkje dat ik nog steeds in mijn bezit heb  )

(naar een  tekst uit het eerste boek “Genetics and the Origin of Species”/ aangevuld met wat  modernere en persoonlijke  nota’s ; )”…..De diversiteit binnen organismen is een waargenomen feit en eigenlijk min of meer gemeengoed  . Het wordt door mensen ervaren als iets concreets  dat “buiten ons staat”, een fenomeen dat verschijnt in onze ervaringen maar dat geen  (fantasie)produkt is van ons werkend  brein

Een grotere en gedetailleerde bekendheid met de levende natuur laat toe nog een ander feit te ontdekken  dat  bijna even in het oog springend is   als de diversiteit zelf   : Het is  gegeven  feit van de discontinuiteit  van de  gegroepeerde variaties in organismen …    

Wanneer we zoveel mogelijk individuen verzamelen  binnen een gegeven (geologisch bijna onbestaand ) tijdsgewricht  ( diverse specima van obligaat  extante “soorten “bijvoorbeeld  ) dan noteren we onmiddelijk  dat de  waargenomen variaties  geen statistische verdeling  vertonen  die duidt  op een  continue en  graduele  verdeling  .Integendeel , we bemerken  een grote verzameling  van afgebakende , aparte en discrete( op zichzelf staande )  groepen  van gelijkaardige organismen  De  huidige extante    levende  wereld is m.a.w. geen geunificeerd continuum  waarbij elke  twee willekeurig gekozen organismen kunnen  worden verbonden door  een onafgebroken keten van intergraduele stapjes van kleine veranderingetjes , maar  veeleer  bestaat uit een  bundel van   min of meer afzonderlijke   niet elkaar overlappende of  gedeeltelijk bedekkende  deelverzamelingen : tussendingetjes  bestaan niet of zijn uitertst zeldzaam  

Bedoelde groepen( soorten genaamd )   zijn allemaal cluster  van individuen  die gewoonlijk  meerdere  eigenschappen gemeen hebben en die allen  rond een  grootste gemene deler eigenschap-set   liggen geschaard …….dergelijke  discrete groepen  vinden we bij planten , dieren  , in de eenvoudiger gebouwde en de complexere organismen-clusters    

Het brokkelige karakter  van de  verzameling van  alle  discrete groepen die al het  extante leven op aarde samenvat ( en geklasseerd in  ” the nested hierarchie”  ) is universeel te noemen  en moet daarom worden beschouwd als een fundamenteel aspect van de waarneembare diversiteit onder alle  organismen  .
Een adequate  oplossing  voor dit probleem van de  organische diversiteit  ( en het clusteren  in  discontinue  groepen  die men het soort probleem noemt )moet zowel een beschrijving geven van de bestaande  extante natuur als een beschrijvende verklaring van de  oorsprong van deze gekonstateerde verschillen tussen levende wezens   en ten tweede is er ook nog een diepgaande analyse noodzakelijk van de oorsprong van de discrete gedifferentieerde groepen in de levende (extante ) wereld    ….”  

(Tot zover  het oude  voorzichtige en moeizame  verhaal van deze grijze eminentie )

 

Ik onthoud er vooral uit dat  discontinuiteit  én merkbaar is in de extante  wereld  én  eigenlijk op elke horizontale   doorsnede  van  de  stamboom…vertikaal is er echter een continuum   

* De extante  levende wereld  is eigenlijk de   boomkruin van de  stamboom van  het  leven  die we van bovenop bekijken  ; We zien een  struikachtig  kluwen   en de topjes van vele  takken  en blaadjes , maar we zien de lagen eronder niet of slechts erg onduidelijk  , noch de stam ….en zeker niet  de wortels 

Die taktopjes zitten allemaal “discontinue” te wezen tegen hun achtergrond  van ondoordringbaar bladerdak ;en  we zien ook niet hoe de takjes onderling met elkaar verbonden zijn  

 

Horizontaal (extant en doorsneden ) discontinue  , vertikaal (tijd) continu

   <klik

 

 https://tsjok45.wordpress.com/2012/12/03/systematiek/

 

Soort
Soorten zijn een belangrijk instrument om de levende wereld onder te verdelen. Er zijn verschillende manieren om soorten te definiëren, waaronder het biologisch soortconcept, het cladistisch soortconcept, het ecologisch soortconcept en het fenotypisch soortconcept.  etc …

SPECIES CONCEPT

Het biologisch soortconcepts is het meest voorkomende: hier zijn soorten populaties van met elkaar parende fertiele  individuen met fertiele en levensvatbaar nageslacht … Soorten worden aangeduid met een Latijnse dubbele naam, een conventie die van Linnaeus komt, zoals Homo sapiens voor de huidige mens

Biologisch soortbegrip
Organismen behoren tot een en dezelfde soort wanneer ze zich onderling seksueel voortplanten (en daarbij vruchtbare nakomelingen produceren).
Opmerkingen:

Dit biologisch soortbegrip is meer een vuistregel dan een absolute definitie: er zijn dieren die zich normaal nooit ontmoeten (bijvoorbeeld: tijger en leeuw) maar die door middel van kunstmatige inseminatie levensvatbare jongen kunnen produceren. Omdat dit in de vrije natuur nooit voortkomt, blijft men van aparte soorten spreken.
 

Dit soortbegrip is (om begrijpelijke redenen) van weinig nut in de paleontologie. Paleontologen onderscheiden soorten op basis van morfologische kenmerken.

___________________________________________________________

2.-

(Hetgeen wat hier  volgt is  een  bewerkte en met intermezzo’s  aangevulde  vertaling van een gedeelte van het artikel van één van mijn favoriete  auteurs over  biologische  onderwerpen ,  Jerry Coyne http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2011/01/28/how-many-species-of-humans-were-contemporaries/  

Het artikel van  J Coyne is een bespreking van  twee  recente  Science artikels van Ann Gibbons / nml :

A New View Of the Birth of  Homo sapiens http://www.sciencemag.org/content/331/6016/392.summary                                            (maar vooral ) The Species Problem http://www.sciencemag.org/content/331/6016/394.summary

 Ik heb vooral de opmerkingen  en behandeling  van  en rond  het “soortprobleem ” zoals bespoken in  het artikel van  J Coyne eruit gelicht )

*   *   *

…..Volgens het biologische soorten concept ( BSC  of  de biologische definitie  van soort )van  Ernst Mayr, zijn  een paar gegeven   zich seksueel voortplantende organismen  beslist leden van dezelfde soort als ze kunnen paren met elkaar in de natuur( in het “wild” ) , en  vruchtbare(= fertiele) ,en uiteraard ook levensvatbare hybriden( die althans “lang genoeg in leven blijven om zich voort te planten” ).

Als ze  dat  allemaal  niet kunnen, dan dienen   er  uiteindeliijk   genetische belemmeringen   te  bestaan die het vermengen van genen van verschillende soorten tegengaan ;  de zogenaamde “reproductieve isolatie barrières” die de integriteit van de soorten behouden.

En uiteraard is  deze beperkte  BSC – definitie  uitsluitend bruikbaar  bij het  benoemen en  determineren  van  seksuele soorten

 
________________________________________________(intermezzo)

Parthenogenetische  soorten  bij reptielen  _____ zoals bijvoorbeeld een aantal amerikaanse hagedissen uit   cnemidophorus  en  aspidocelis  genera   waaronder de  cnemidophorus tesselatus

http://www.thehibbitts.net/troy/photo/lizards/c.tesselatus.htm

The parthenogenetic species Aspidoscelis neomexicana (center) arose from a pairing between a male A. inornata (bottom) and a female A. tigris (top).

Image: Courtesy of Dr. William B. Neaves

de  aspidocelis neomexicana(=(vroeger) Cnemidophorus neomexicanus)

 en de   Cnemidophorus uniparens

Deux femelles Queue-en-fouet du désert semi-aride (Cnemidophorus uniparens) durant la période de reproduction

Deux femelles Queue-en-fouet du désert semi-aride (Cnemidophorus uniparens) durant la période de reproduction

De renhagedissen zijn  waarschijnlijk de hoogst ontwikkelde dieren  zonder mannelijke exemplaren. Alle nakomelingen zijn klonen van een vrouwtje.

In het genus cnemidophorus zijn minsten 30% der soorten  parthenogenetisch

Deze hagedissen zijn wél van oorsprong onstaan uit seksuele voorouders … maar gedurende  zeer vele  generatie-opeenvolgingen gespreid ( en dat gaan over honderden jaren  )  zijn het net als planten die zich door “stekken“(of knopvorming–> ook de zoetwaterpoliep  hydra  kan dat laatste  )  voortplanten

UPDATE  :

all-female-lizard-species-created-in-the-lab.

http://arstechnica.com/science/news/2011/05/all-female-lizard-species-created-in-the-lab.ars?utm_source=rss&utm_medium=rss&utm_campaign=rss

_______________________________________________(intermezzo) 

( zo  is er  bij voorbeeld de massale aanwezigheid van  (uit aquaria  succesvol ontsnapte) amerikaanse “vrouwelijke” brede waterpest  exoten/adventieven   in europese wateren )

…in feite zijn die gevallen  allemaal  groepen van  erg lang  zich in stand houdende  klonen-lijnen   …maar ook daar kunnen in de loop der jaren mutaties optreden ( net zoals dat kan gebeuren in de  somatische  cellen maar dat wordt  dan meestal  de aanzet  van  een tumor    )____dat is o.a.   vastgesteld bij uitlopende dahlia knollen ____alleen loopt de evolutie in die (meercellige) stek-groepen nog trager en zijn  bijgevolg de adaptatieve veranderingen op grond van  genotypische  wijzigingen   erg langzaam en is er beslist ( in dat geval ) nood aan een “langdurig” stabiel millieu     ____binnen bepaalde grenzen  van een cybernetische  “oplosruimte ” , waar heelwat marges , spelingen, manoevreerruimte en  verschillende oplossingen voor  opduikende problemen   ,  mogelijk zijn  en er uiteraard ook een optimale parameters-instelling  aanwezig is, inclusief de vele terug- en meekoppelingen in dergelijke verschuivende    evenwichtsoefeningen  _____

Alleen moet wel af en toe eens over gegaan worden op (hetero)sexuele voortplanting … dat is namelijk o.a.   een methode om veel sneller  varianten te genereren (en bijgevolg ook meer kansen te creeren om toch als populatie- lijn   van  een  soort te kunnen blijven overleven onder veranderde omstandigheden  …

________________________________________________(intermezzo)

Mooie voorbeelden   zijn  bepaalde  soorten  bamboe  … De individuele  plant ( te starten met zaadje of  stek) bloeit maar eenmaal na  100 jaar ( en sterft dan  na uitzaai   )  ondertussen hebben de  wortelstekken wel onnoemelijk veel gebied ingenomen …. (=  gegeven  afkomstig van  S. J.Gould )


Fargesia nitida  bamboe  wacht  120 jaar met  bloeien en sterft  dan …Vaak  bloeien zeer  grote  populaties van die soorten  allemaal samen en onstaat er tussen de dood van de oude   en de  opkomst van de nieuwe plaatselijke generatie planten ,  een bamboe -gebrek  dat harde tijden kan inluiden voor de bamboe-eters ….In feite  is dat een voordeel voor de bamboe ,want  de bamboe- eters worden gedecimeerd door uithongering  , waardoor dan weer  de nieuwe zaailingen veel betere kansen krijgen om te overleven


Fargesia nitida

Toch moeten we erg voorzichtig zijn  om   maar meteen  parthenogenese bij deze  dieren  te gaan gelijkschakelen met wat in planten gebeurt

________________________________________________(intermezzo)

Polyploidie  en  lesbische  sex 

cnemidophorus tigris (hetero) x  cnemidophorus  ?   =cnemidophorus  neomexicana (parthenogenetisch )

Als de  twee afgebeelde  soorten van het Amerikaanse hagedissengeslacht Chemidophorus met elkaar paren ontstaat een soort met het dubbele aantal chromosomen, ( karyotype = 2n )

De hybride soort bestaat uitsluitend uit vrouwtjes die zonder tweeslachtige sex vruchtbare eieren produceren (parthenogenese) en zich toch ( lange tijd  ) parthenogenetisch voortplanten als een soort  bestaande  uit   klonen  van hetzelfde oorspronkelijke  moederdier( wél het resultaat van een  hetero-paring)   .De vrouwelijke  hagedissen vertonen echter  wel lesbisch sex gedrag.. Blijkbaar zitten in hun overgeerfde  set dus nog  de aandriften voor sexueel gedrag … er is zelfs gesuggereerd dat  zonder het gestoei  met een partner (weze het een van dezelfde kunne ) er  zelfs  geen parthenogenetisch  ei tot ontwikkeling kan komen  …

zie ook    
http://www.kennislink.nl/publicaties/het-mysterie-van-de-man

Tetrapolyploidie (karyotype = 3n)

http://sysbio.oxfordjournals.org/content/19/2/114.shortNatural –> Hybridization Between the Teiid Lizards Cnemidophorus Sonorae (Parthenogenetic) and Cnemidophorus Tigris (Bisexual) 

* De parthenogenetische  soort  gebruikt   hier  dus een methode  om zich toch na lange tijd terug   heterosexueel  voort te planten … Misschien geld iets dergelijks ook voor andere parthenogene hagedissen ( bijvoorbeeld sommige gekko’s of andere hagedissen  , maar zeker komt  dat  nog voor  bij andere  leden  van  de  Teiidae ?)

*daarbij  gelijken de  hybrieden ( ook wat betreft  de genetische opmaak ) op de moeder  = de parthenogenetische soort  ….de  vrouwelijke leden van die    kroost  kunnen   daarna opnieuw “vernieuwde”  parthenogenetisch klonen-lijnen  opstarten

http://en.wikipedia.org/wiki/Cnemidophorus               http://en.wikipedia.org/wiki/Aspidoscelis               http://en.wikipedia.org/wiki/Polyploidy                         http://nl.wikipedia.org/wiki/Polyplo%C3%AFdie

______________________________________________________________________

soortbastaarden   <—  Doc archief 

Maar er is heelwat speling in de wijze waarop biologen gebruik maken  van die definitie van Mayer ( = Het biologische soortconcept ) ...hybridisatie van voormeld  (mogelijk  interspecifiek) type kan variëren van
 

-zeer zeldzaam (bv. de middelgrote en kleine Darwins grond vinken, die hybridiseren met een snelheid van ongeveer 2% /
Of  de ezel en het paard die soms een  vruchtbaar vrouwelijke  hybride hebben  ( goed  voor  een kleine  uitbreiding van het genen en alelen pakket in de genenpoel   )
tot

alomtegenwoordig (bijv. de zwarte eend en wilde eend vormen  hybride zwermen, die aan het concept voldoen  ).

Als er slechts een kleine hoeveelheid van hybridisatie plaatsgrijpt  en de  “genenpoelen”van beiden soorten niet samensmelten tot een zogenaamd  vuilbakras en op  standplaatsen waar ze elkaars gebieden overlappen , overwegen  de meeste bioloog   om aan verschillende soorten te denken (dit is de situatie bij de voormelde  Darwinvinken )
Een paar andere punten vallen eveneens te overwegen :

Paring tussen verschillende groepen is dus niet genoeg om hen te beschouwen als soortgenoten: de paringen moeten hybriden  produceren die levensvatbaar en vruchtbaar zijn ( en in het bijzonder  ook bij afwezigheid van de oudersoorten ).
“Levensvatbaar en vruchtbaar” betekent ook niet alleen maar dat de hybriden zelf nakomelingen kunnen hebben,( met bijvoorbeeld een van de oudersoorten )maar dat ze die nakomelingen ook daadwerkelijk “in het wild” hebben  .
Sommige interspecifieke hybriden in (zang)vogels, bijvoorbeeld, zijn levensvatbaar en vruchtbaar, maar zijn  toch niet te (h)erkennen door leden van een van beide ouders-groepen (als mogelijke seksuele partners), en wél  omdat deze hybriden er raar uitzien of bijvoorbeeld vreemd paargedrag( en andere eigenaardigheden )  bezitten
…. met andere woorden  ; ze voldoen  niet  genoeg  aan de heersende  specifieke eisen van de seksuele selektie binnen die oudergroepen .
Dat is ook een vorm van reproductieve isolatie, :  het is analoog aan  steriliteit, maar dan steriliteit op grond van het niet -aantrekkelijk -zijn als een  mogelijke  partner.

Ook het waarnemen van een  hybriden groep in het wild, is lang niet genoeg om te beweren dat de  beide  ouderlijke groepen moeten lid zijn van dezelfde soort.
Deze hybriden zouden om daaran te kunnen voldoen  immers een genetische brug moeten  vormen tussen de ouderlijke groepen . Dat wil zeggen dat  , ze moeten  vruchtbaar kunnen terugparen met de oudergroepen en dat  geldt bovendien ook nog eens voor beide seksen 
Vaak weten we dat gewoonweg niet .

Peter Grant ( en zijn echtgenote  Rose  Grant  zijn  de Darwinvinken (klik) onderzoekers bij uitstek ) schreef  daarover een artikel in sciences : hij stelde dat  van ongeveer 10% van de hem bekende  vogelsoorten  geweten is  dat hybridisatie courante praktijk  is  .

Dat gegeven is  o.a. ge( mis-)bruikt om te beweren dat hybridisatie alomtegenwoordig is  in vogels, en dat vogelsoorten( in het bijzonder de iconische Darwinvinken , natuurlijk)  misschien niet zo “echt” zijn als altijd gedacht  .

Maar dat is een verkeerde aanpak    en vooral  een  voorbarige conclusie.
We weten nml  gewoon niets( of erg weinig ) over de vruchtbaarheid ,levensvatbaarheid (en seksuele aantrekkelijkheid!) van de meeste van deze vermelde   hybriden

en Darwin vinken   vormen ook  nu   geen  vuilbak-ras op de Galapagos

Planten  zijn goede voorbeelden  die  het bovenstaande  nog kunnen verhelderen  Planten met vast standplaatsen  en  lappendekens  van arealen afhankelijk van o.a. microklimaatjes  , vormen   erg regelmatig veel hybrieden in het wild ( vooral daar waar de arealen van verschillende plantensoorten   aan hun grensgebied elkaar overlappen) : er worden daar elk jaar  opnieuw verse hybrieden gevormd  ( soms massaal ) maar de grenzen van beide plantsoorten  schuiven niet   op ( er is dus geen verdere verspreiding van de nakomelingen van die hybrieden dieper in het areaal van de beide  oudersoorten: uiteraard kan dat veranderen als de plaatselijke (micro) klimaatomstandigheden veranderen )

Er zijn trouwens ook oosteuropese  vuurbuik-padden die een dergelijk patroon ( op grote schaal zelfs ) vertonen
Het gaat om een smal  honderden  kilometers lang grensgebied dat loopt van ergens noord tot ergens zuid europa ; in dat langerekte gebied komen hybrieden van de geelbuikvuurpad (Bombina variegata) en de roodbuikvuurpad (Bombina bombina)zeer regelmatig  voor

Bombina

<–klik voor vergroting op foto

De te onderzoeken Hybrieden die kunnen dienen als demarcaties bij het bepalen van een soort -status ,    moeten  bovendien daadwerkelijk  in de  natuur voorkomen, en  niet in dierentuinen of andere kunstmatige omgevingen (zoals bijvoorbeeld lijgers ) die omgevingen   kunnen uiteraard  de  reproductieve barrières die bestaan in de natuur afbreken ; en niet alleen maar allopatrische barieres maar ook de gedragsmatige …

(*Overigens zijn lijgers   en /of tigrons  echte “inter-species hybrieden”(soortbastaarden)   en wel omdat slechts de  vrouwelijke  bastaarden  fertiel  zijn en  bij terugparing met de  man,netjes  van de  oudersoort  … uiteindelijk dooft hun “soortvreemde” genetische bijdrage  aan  de genenpool  van  een van de oudersoorten  uit…bij elke  vorming van een eicel gaat immers  de helft van het  vrouwelijke genoom verloren , na de tweede generatie in de stamlijn van de  beschouwde  eicel  blijft er dus  slechts een kwart over  van de het totale  vrouwelijke  startgenoom  )

Vele dierentuin-gasten ( vooral in ouderwetse  en amateuristische  dierentuinen ) zijn duidelijk pshychotisch ( ijsberen en andere gevangen gezette  dieren ,lopen te  “ijsberen “…ontwikkelen rare manieën )

Een artikel in Sciences   van  Ann Gibbons  is  van belang in verband met de jongste menselijke evolutie geschiedenis ( en de daarin besproken te hanteren”soort”-begrippen ) :

In de echte wereld, zegt  Ann  Gibbons  , is het theoretische  Mayr-concept ( BSC) niet houdbaar( ze citeert daarbij   J.Huttin ) want  :
“. Er zijn ongeveer 330 nauw verwante soorten zoogdieren die kruisen, en ten minste een derde van hen kan vruchtbare hybriden  produceren”

Het  getal  330  betekent echter, in deze  veralgemenende context , niets,.Hoeveel van die “kruisingen ” werden waargenomen in het wild  , hoeveel in dierentuinen? (Ik weet het antwoord niet ).
Alleen de gevallen  te zien in de  vrije natuur( in ” the wild”  ) ,  tellen mee . . Leeuwen en tijgers hybridiseren in dierentuinen, produceren vruchtbare  vrouwelijke “lijgers” en “tiglons”,( de mannetjes-bastaarden  zijn altijd  steriel )  maar  hybridiseren ook  niet in afrika of india wegens  o.a. nu bestaande  allopatrische barrieres  .Dat leeuwen ooit ook tot ver oostelijk   in het midden oosten voorkwamen betekent   nog lang niet dat ze ooit hebben gekruist in het wild met westelijk oprukkende tijgers …Bovendien zullen die ( hypothetische ontmoetingen tussen die ) beesten in het wild wel andere gedragspatronen ( onder meer territorium-verdediging ) tegenover elkaar  hebben vertoond dan deze die ze vertonen in een zoo ( of een cirkus-menagerie )waar ze  soms samen werden gehouden in dezelfde kooien en minstens aan elkaar  moesten wennen sinds hun welpen -bestaan   of zelfs geadopteerd werden/zijn door een zoogmoeder van de andere soort  …

Maar wat er ook van zij  ; de mannelijke  bestaarden zijn altijd steriel en  geven met recht en reden aan dat tijgers en  leeuwen wel degelijk aparte soorten zijn uit het genus  panthera 

Dierentuinen   slopen de reproductieve barrierès :  dieren hybridiseren daar , omdat ze zich vervelen, er geil bij lopen en over  geen geschikte partner beschikken   , er is gewoon niets anders om mee te paren.  Desnoods paren ze met een voedsel-emmer ( eenzame mannetjes leeuwen  in dierentuinen  doen dat )

Ten slotte, als we aannemen dat 110 soorten(en dat is een royale schatting) zoogdieren  vruchtbare en levensvatbare hybriden van beide seksen  kunnen produceren die voorts in staat zijn te kruisen met de ouders in de natuur dan vormt dat slechts 2,4% van alle  zoogdieren (er zijner ongeveer 4500 van ).

Het is nogal misleidend om te beweren dat het  biologische soorten begrip “niet houdbaar”blijkt  omdat er enige  dubbelzinnigheid bestaat over ( in het beste geval )2,4% van de gevallen .
Denk aan alle  andere 97,6% van de zoogdiersoorten waar het niet dubbelzinnig
is .

Er  is  altijd een probleem met het gebruiken  van zeldzame uitzonderingen ter falsificatie van  een concept dat bijna de hele tijd  een werkbaar  instrument is   .
Pas  altijd  op voor”anekdotische  verhalen“, zei  ooit een bioloog

Ik hoef het daarom  niet eens  te zijn met Svante Pääbo, (die ook  door Gibbons  als volgt is  geciteerd:)
“Ik denk dat discussie over
wat is een soort ? en wat is  een ondersoort ?, steriele academische streefdoelen zijn .”

Dit kan natuurlijk  meespelen bij de argumentatie over menselijke fossielen uit het verleden( waar we dus geen “kruisingproeven” kunnen uitvoeren )  , maar is over het algemeen geen bruikbare argumentatie bij het plaatsen ( en herplaatsen )  van de extante zich  seksueel reproduceren planten en dieren.

Soorten zijn echte, objectief afgebakende entiteiten in de natuur, en bespreken waarom ze gescheiden zijn, en hoe ze te diagnosticeren, is nauwelijks een “steriele oefening ” te noemen .

Soorten zijn geen  willekeurige door mensen getrokken  organisatieonderdelen bovenop  een organisch continuüm.
Binnen zich  seksueel voortplantende taxa vormen ze verschillende groepen, die goed van elkaar gescheiden en geisoleerd zijn in “morfologische ” en “genetische .”opstellingen

We moeten vooral  begrijpen waarom dat zo is.

Tenslotte is het twijfelachtig om  soorten alleen maar te definieeren  aan de hand van de mate van  morfologische ( of uitsluitend op grond van genetische ) verschillen  tussen hen  onderling.

Zoals  Ann Gibbons( en Huttin)   al aanduide
Er is ook geen afgesproken maatstaf : hoeveel morfologische of genetische verschillen maken de scheiding in soorten  aanneembaar ? Het is volkomen hetzelfde om een veranderlijke  (en/of te schermen met een  nog niet ingevulde) maatstaf te gebruiken of  om willekeurige  onderscheidingsgrenzen  te trekken

De “zwarte” eend ( het  melanistische type )en  de wilde eend, bijvoorbeeld, lijken helemaal “anders” , maar zijn waarschijnlijk toch leden van dezelfde soort     Anas platyrhynchos

Er bestaat overigens ook een witte vorm ( dit is geen albino maar een Leucistische vorm  )

°

Als twee “soorten” geografisch geïsoleerde vogels zo van elkaar  morfologisch verschillend zijn als zeg maar  Aziaten en Soedanese mensen, dan zouden ze eigenlijk niet mogen  worden uitgeroepen tot verschillende soorten.
We denken ook  niet over de menselijke ‘rassen’ als verschillende soorten ….Omdat, ondanks hun verschillende verschijningsvormen, ze gemakkelijk met elkaar kruisen
en  een fertiele gemengde bevolking (een bepaald plaatselijk  type  mengras zoals creolen , mestiezen  etc … )gaan vormen wanneer ze elkaar ontmoeten.in de zogenaamde “melting pots ” Een bevolking die( by the way )  veelal ook fitter kan zijn( maar dat is niet noodzakelijk zo )  dan plaatselijke geisoleerde populaties “autochtonen”

°

Morfologische (en genetische) verschillen zijn vaak een zeer slechte toetsteen  om de “soort” status toe te kennen ; in het bijzonder  wanneer ze vooral zijn afgestemd (of berusten op )kleine verschillen, zoals dat het geval is in  menselijke fossielen( waarvan velen zelfs alleen maar in onvoldoende exemplaren aanwezig zijn om van verschillende  soorten te kunnen gewagen  ).

Wat over de soort(en?) “moderne” H. sapiens , Neandertalers en of  Denisovans?

°AFSTAMMING  VAN DE  MENS  en de mensachtige                  

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Neanderthaler genoom
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mitochondriale Genenkaart van Neanderthaler

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.POLONAISE met neanderthaler

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tand des tijds / Heidelberg-mens

Het is ondertussen  duidelijk aangetoond dat ze hybridiseerden , en sommige van de hybriden waren vruchtbaar: sporen van Denisovan en Neanderthaler genen blijken nog steeds deel uit te maken van ons genomisch pakket  .

Op die gronden ,rekent  antropoloog John Hawks , leden van  Neanderthalers  moderne mensen, en Denisovans tot dezelfde soort;

Ook Gibbons citeert John Hawks
“Ze kruisten met elkaar. We noemen ze daarom  leden van dezelfde soort.” (en  waaraan ik toevoeg  :  zodoende  hebben ze vruchtbare nakomelingern  geproduceerd en zijn gedeelten van hun genenpakket terug te vinden bij (de niet- (oud-)afrikaanse )rassen van de moderne mensheid )

Maar een beetje “gene flow “(Denisova in Melanesiers en Neanderthal restanten in Europeanen , indo-europeanen en aziaten ) is niet genoeg om de meeste van ons te overtuigen dat deze rare ” groepen” wel degelijk soortgenoten waren .
Op die basis zouden ook  de Darwinvinken moeten worden geacht soortgenoten, te zijn ….maar niemand doet dat.

De vraag is of die “gene flow” genoeg is om van een soort te gewagen ; misschien was er niet zoveel kontakt tussen die verschillende groepen en dus
een gebrek aan kansen  op hybridisatie tussen die groepen  (in welk geval zij kunnen worden gerekend dezelfde soort), of gaat het slechts om occasionele  hybridisatie (tussen, zeg maar , moderne mensen en Neanderthalers), waaruit slechts hybrieden voort kwamen met een zwakkere  levensvatbaarheid of vruchtbaarheid ( Moest dit ooit het  geval zijn geweest  dan  zullen we het antwoord waarschijnlijk nooit te weten komen ).

* Is de ” soort” status van deze drie groepen nauw verwante mens-achtigen volstrekt arbitrair ?

Ik denk het niet.
Wat we wel kunnen doen is een onderzoek doen naar andere “soorten” primaten die in ongeveer een half miljoen jaar zijn uitgegroeid vanuit een hypothetische gemeenschappelijke voorouder tot reproductief geïsoleerde groepen.

Ik weet niet zeker wat het antwoord is (het zit waarschijnlijk ergens verborgen in de literatuur), maar ik vermoed dat ook  dezen niet definitief  zouden kunnen
worden beschouwd als daadwerkelijk aparte “soorten”  en  dat  die eveneens  model zouden kunnen staan  voor de menselijke evolutie , met name  ondermeer ook  omdat         –mensen veel langer gespreide ( een vergelijking  binnen  de  externe exact- meetbare  tijd ) generatiewisselingen  bezitten en  later ( =niet in de fysiologische betekenis  of volgens  de persoonlijke en “development”   tijdsritmes ) in hun ontwikkeling  voortplantingsrijp zouden kunnen worden dan andere primaten __ nog afgezien van het feit dat : ook dat binnen de soort dit alles   kan varieeren of zelfs anders geweest kon zijn geweest in archaische vormen …Daardoor zou speciatie bij homo sapiens -achtigen zelfs nog  langzamer (en vooral ook wisselend van snelheden )   kunnen zijn gaan lopen .

*Wat natuurlijk niet wil zeggen  dat binnen de  opeenvolgende  generaties van  populaties er geen versnellingen in plasticiteit en  adaptatief  vermogen   kunnen zijn  opgetreden  op bepaalde genen of genenconfiguraties  onder  grote evolutionaire druk

*Alleen  weten we niet  “echt”  hoeveel  genetische  verandering er nodig is om van een echte adaptatieve  radiatie te kunnen  spreken ( en al helemaal niet  op een bepaald  exact geschiedkundig moment ) … Het percentage   genetisch verschil is nog steeds , als  soort-onderscheidings criterium ,een  aanwijzing  en zelfs eentje  op basis van de huidig geldende consensus  ….

 Adaptieve radiatie

Ik (= jerry Coyne  en ikzelf )  ben het eens met  John Hawks  waarbij Neanderthalers, Denisovans, en de moderne mens allen als  leden van de Homo sapiens kunnen worden beschouwd .

H floresiensis, blijf ik(= jerry coyne en ikzelf  )  echter als een andere soort beschouwen .
Ze weken namelijk nogal  erg vroeg af van  de lijn die naar de   moderne H. sapiens leide , maar ze kunnen veel later toch tijdgenoten van de H sap geweest zijn …Of ze ook met H Sapiens  hebben gehybridiseerd weten we
nog  niets van  …

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<–Hobbit is aparte soort ? » Reageer (2)

Noot ; 

Speciale gevallen  zijn  de ( verschillende )  overdraagbare  aangezicht- tumoren    die  bij honden en bij  de tasmaanse duivel voorkomen … In hoeverre zijn dat “nieuwe  soorten” van  asexuele   parasieten te noemen  ?   

-Een   heikele   kwestie is ook nog  volgens welke  exacte(?)  criteria    men asexuele  organismen  kan  opdelen  in “soorten ”  :  in het bijzonder  bij de   prokaryoten 

Ongetwijfeld  zullen ecologische   aanwijzingen  ___en vooral ook samenwerkings-en interactieve  en informatie uitwisselende /communicatieve /netwerkachtige-  verbanden   ___ kunnen  helpen bij  de naamgeving  en het opstellen  van   determinatietabellen   van  en over  dergelijke  groepen  eencelligen en  voorcelligen ( deze  woordjes   zijn nuttig bruikbare , maar wel verouderde termen , dat wél )  in  al dan niet   losse verbanden   , hierbij een rol spelen …

Over  de  taxonomie  van micro-organismen  wist  Pierra  in haar boeiend blog   iets meer te vertellen  http://ascendenza.wordpress.com/2011/02/17/een-nieuwe-bacterie-familie/

– Zoals  de lezer dezes allicht  nu  al heeft geconcludeerd is het soortprobleem ( = Darwin en ook Meno Schilthuizen spreekt van het  Mysterie der Mysterieen ) een hoeksteen van de biologie waar men nog lang niet over uitgepraat is …dat wordt allicht zeer uitgebreide  stof voor nog vele  artikeltjes hier en elders op diverse WP blogs ….en uiteraard  is het ook  telkens weer een discussiepunt dat door  anti-evolutie voorstanders  wordt  uitgekamd  maar dat laatste  ga ik hier  niet  bekijken /bespreken   :  ik heb daar elders al een verzamelarchief over   , ik wens  trouwens mijn tijd  ,die ik aan dit blog kan  besteden ,  niet te verspillen met  allerlei  herhalingen van herhalingen ,hun dito weerleggingen en dito herkauwde discussies

Dit blog gaat immers  niet over mantra’s

Het MYSTERIE der MYSTERIEËN <–doc 

 (ook deze zit nog in mijn boekenkast )

…..Het mysterie rond evolutie en soortvorming, staat centraal in dit boek. De schrijver Menno Schilthuizen is journalist en (evolutie) bioloog     Hij neemt ons op duidelijke wijze langs de vragen rond het wankele begrip soort, en gaat in op de verschillende theorieën rond soortvorming en de mechanismen die daarbij een rol spelen.

(bespreking) http://www.tanganyika.nl/art_boek_schilthuizen.php

 

 

 

EVODISKU ZOEKMACHINES    GOOGLE —>evodisku


Over tsjok45
Gepensioneerd . Improviserend jazzmuzikant . Instant composer. Jamsession fanaat Gentenaar in hart en nieren

9 Responses to Het SOORT probleem nader bekeken

  1. ramireziblog zegt:

    Wow, da’s een mooie berg informatie. Allemaal naar aanleiding van de ‘nieuwe’ olifanten? Ik zou zo zin krijgen om leerlingen hiermee aan de slag te zetten, op grond van je informatie en links zouden ze een leuke discussie kunnen hebben. Helaas heb ik geen gymnasium leerlingen meer – en voor mijn huidige ll’n is het denk ik wat te abstract. Maar voor mij – met plezier gelezen…

    • tsjok45 zegt:

      Bedankt dat je dit stukje kon waarderen …

      Het dient echter allemaal nog een beetje bewerkt en vooral bijgeschaafd , te worden : er zitten namelijk nog een aantal vervelende schrijffoutjes in en (vooral) enkele stukjes zijn weggevallen bij het kopieeren van het kladje en het leesbaar maken van de gedeelten die afkomstig zijn van de “automatische vertaling ” …

      Ook de stijl is nogal schematisch : het stukje is daardoor weinig vloeiend geschreven … moeilijk te lezen dus

      In feite lijkt het geheel ( zoals meestal met mijn blogjes het geval is ) veeleer op een verbeterd lijstje /archief -stukje (meestal voor eigen __ook referentieel __ gebruik ) een soort van plot : Het zijn bijeengesprokkelde feitjes die ik zelf heb trachten zinvol samen te zetten waardoor een bepaalde invalshoek mogelijk is en dat een of ander opduikend interesse-onderwerp vanuit een ander gezichtspunt kan helpen belichten …

      Het( = de artikeltjes ) zijn eigenlijk net ( om het nog maar eens met een metafoor te zeggen ) als kapstokken waaraan de dagelijks gebruikte en zichtbare bovenkledij gebruiksklaar wordt opgehangen …

      De andere ( de links) zitten weggeborgen in de kleerkast , alhoewel ook het niet zichtbare maar wel dagelijkse ondergoed ( =het interesse-onderwerp ) aanwezig blijft

      Met vriendelijke groeten

      • tsjok45 zegt:

        Het stukje is nu wél af … Misschien zit het nu wat overladen te wezen met allerlei neven- themaatjes ….maar euh ,
        ik kan het blijkbaar ook niet laten er steeds meer info in te stoppen …

  2. pierraveneta zegt:

    Tsjok, het is een naslagwerk geworden. Ik vind de discontinuiteit in de horizontale snede en de continuiteit in de verticale snede erg mooi. Dat is er een om te onthouden.

    Verder maakte ook het verhaal over de sprinkhanenvrouwtjes die alleen bereid zijn te paren met een mannetje van een andere soort (?) als ze het geluid van hun eigen soort mannetje horen grote indruk (ik kan het alleen nu niet meer terugvinden ??).

    • tsjok45 zegt:

      Het gaat om de hybridisering tussen
      : de Bruine Sprinkhaan(C.brunneus) x Ratelaar(C.biguttulus)De beide “soorten ” bestrijken ( volgens sommige taxonomen zijn het zelfs verschillende genera ) hetzelfde en zeer grote verspreidingsgebied ( bijna gans europa )____ alhoewel sommige ondersoorten van de ratelaar liever op zandgronden vertoeven ____ en ze zijn morfologisch bijna niet van elkaar te onderscheiden …(specialisten kunnen dat echter wel degelijk ) : elke soort bestaat vermoedelijk uit veel plaatselijke ondersoorten , varianten en waarschijnlijk ook veel ecomorfen die zelfs verschillend voedsel verbruiken of verkiezen

      bruine sprinkhaan Bruine Sprinkhaan

      Ratelaar

      Ratelaar

      De hybrieden kunnen zich wel moeizaam voortplanten ( ook door terugkruising met de oudersoorten ) maar de daaruit voortkomende nakroost is echter minder vruchtbaar( er is ook grotere nimfen sterfte= het globaal geproduceerd nageslacht is dus minder levensvatbaar ) dan de ouderparen waarmee ze concureren ; ook hun paringzang is iets anders ; Ik vermoed dat ze uiteindelijk verdwijnen uit de gemengde populaties vanwege dit fertiliteits , -nadeel , maar ze worden wél steeds opnieuw aangemaakt in de volgende voortplantingsronde van de hybridiserende oudersoorten ….

      In volgende pdf is op p 1 in de tweede paragraaf( the grashoppers tale ) het door u vermelde verhaal te vinden
      http://files.meetup.com/13055/The%20Grasshopper's%20Tale.pdf.

      Gerelateerde info over sprinkhanen hybridisatie :
      Chorthippus biguttulus x Ch.brunneus
      http://www.opus.ub.uni-erlangen.de/opus/volltexte/2008/880/pdf/BrigitteGottsbergerDissertation.pdf

      Chorthippusalbomarginatus x Ch. oschei
      http://www.citeulike.org/user/vhphys/article/2284843

      • tsjok45 zegt:

        NOTA

        Alhoewel hybrieden evolutionair aan het korste eindje kunnen trekken in gemengde populaties omdat hun generatiewisseling procentueel meer mislukkingen telt in hun nageslacht , dan bij de oudersoorten , kunnen ze toch ( onder bepaalde omstandigheden )invasief worden …

        Vooral bij planten is dat opgemerkt ; zo kunnen hybrieden van bepaalde soorten grassen ( spartina ) vermijden te worden afgegraasd door rotganzen , en wel omdat ze voor die ganzen slechter smaken dan de oudersoorten …

        Het feit dat grote populaties en concentraties van dit wansmakelijk gewas ( waar dus ook nog enkele (weinige )vertegenwoordigers van de fertiele oudersoorten tussen zitten ) worden gemeden door de rotganzen is een voordeel terwijl ook nog een bron van fertielere ( en weer gemakkelijk hybrideriserende ) ouders wordt bewaard waarop kan worden teruggevallen ….

  3. Maria Trepp zegt:

    Aha interessant. Het soort-probleem interesseert mij ook, al heb ik er nu geen tijd voor…
    Biologie is een heerlijke wetenschap.
    Groetjes

  4. Pingback: inhoud S | Tsjok's blog

  5. Pingback: WAT IS EEN SOORT ? | Tsjok's blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: