TRILOBIETEN

°  

BELANGRIJKE  LINK  …. WP

Logo www.palaeontologyonline.com

http://www.palaeontologyonline.com/articles/2013/fossil-focus-trilobites/

°

Trilobites on the sea bedTrilobites

Trilobieten
Tijdens het Paleozoïcum leefden in de zee een groep van geleedpotige diertjes. Dit waren de zogenaamde trilobieten.
Trilobieten worden gerekend tot de geleedpotigen, alhoewel sommige wetenschappers menen dat ze een geheel eigen groep vormen. Ze waren gemiddeld tussen de drie en tien centimeter lang. Sommige soorten konden tot 70 centimeter lang worden. Trilobieten leefden in de zeeën van het Paleozoïcum (ca. 540-250 miljoen jaar geleden). Vooral tijdens het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden) waren ze zeer talrijk.

Aan het eind van het Cambrium stierven veel diersoorten uit, maar de trilobieten wisten zich goed te herstellen. Toen aan het eind van het Devoon weer veel levensvormen uitstierven, verdwenen ook de meeste trilobieten.

In het Carboon en Perm zijn ze zeldzaam, daarna verdwijnen ze helemaal. Er zijn meer dan 1500 trilobietengeslachten bekend, met vele duizenden soorten. Door hun grote vormenrijkdom zijn trilobieten met name belangrijk voor de stratigrafie van het Cambrium en Ordovicium.

time table

Opbouw 

Trilobieten worden gekenmerkt door een lichaam dat zowel in de lengte- als in de breedte in drie stukken is gedeeld. De naam: trilobiet (= drielobbige) danken ze aan de driedeling in de breedte. Het voorste gedeelte van het lichaam, het cephalon, is vergroeid tot een harde plaat. Daarachter ligt een reeks van segmenten die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, de thorax. Het achterste stuk, het pygidium, is vaak vergroeid, maar kan ook uit losse segmenten bestaan. Trilobieten hadden een hard uitwendig skelet. Dat betekent dat ze net als krabben alleen maar konden groeien door regelmatig te vervellen. De meeste fossielen van trilobieten zijn dan ook waarschijnlijk afgeworpen huiden.

De meeste trilobieten leefden op de bodem. Uit sporen blijkt dat ze tijdens het kruipen de modder omwoelden om daar allerlei voedseldeeltjes uit te filteren. Sommige vormen groeven zich gedeeltelijk in. Er waren echter ook trilobieten die waarschijnlijk een zwemmend bestaan leidden.

trilobites-anatomy

Het trilobietenoog 

Trilobites-eyes

In veel trilobieten zijn de ogen prachtig bewaard gebleven. De ogen van trilobieten zijn de oudst bekende ter wereld en er is veel onderzoek aan gedaan. Trilobieten hadden net als insecten facetogen. Het oog is opgebouwd uit veel kleine lenzen die door een membraan worden bedekt. Daardoor hadden trilobieten een breed blikveld. Het geslacht Phacops had een heel bijzonder oog. Hier liggen de lenzen los van elkaar en hebben ieder hun eigen membraan. Dergelijke ogen zijn alleen bij trilobieten bekend.

Overigens hadden niet alle trilobieten ogen. Sommige vormen waren geheel blind. Andere vormen hadden ogen op steeltjes. Zo konden ze in het sediment verborgen zijn, terwijl ze toch konden kijken wat er om hen heen gebeurde.

06-03-2008

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<trilobieten http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=57

1133716657.53711

.

Ramirez

Trilobieten  leefden van het Cambrium tot en met het Perm.
Ze leken qua bouw op pissebedden.

°

Trilobieten

http://www.fossiel.net/information/article.php?id=30&/Trilobita

Trilobieten behoren tot de geleedpotigen. Het zijn de oudste bekende dieren met ogen en leefden van het Cambrium  tot in het Perm  in het Paleozoicum . Ze stierven dus weer uit ver voor de dinosauriers ongeveer 300 miljoen jaar geleden aan het einde van het Perm  tijdperk. De naam is ontleend aan het feit dat ze uit drie lobben bestaan, twee pleurale lobben en in het midden een derde as-lob. Ook over de lengte kent een trilobiet drie delen; het cephalon (kopschild), de thorax (lijf) en het pygidium (staartschild).

Het schild van trilobieten is van gemaakt van chitine. Dit pantser is heel star, en daarom moet de trilobiet tijdens de groeifase verschillende malen vervellen. Er worden daarom ook veel meer fossiele stukken vervellingen gevonden, dan hele trilobieten.

Elrathia kingli
Elrathia kingii, midden-Cambrium, Wheeler formatie, Utah VS.

°

Trilobieten leefden op, nabij en in de zeebodem. Ze leefden van plankton en andere kleine zeeorganismen. De grootte varieerde van enkele millimeters tot de tot nu toe grootst gevonden soort op New Foundland, Isotelus rex van 72 cm. Met enige regelmaat worden nog nieuwe (sub)soorten ontdekt. De vorm van trilobieten is erg uiteenlopend. Zo waren er soorten met en zonder stekels, blinde exemplaren en soorten met juist hele grote ogen. De ogen van trilobieten zijn gefacetteerd. Deze ogen zijn vaak goed bewaard gebleven in de fossielen.

Fossielen van trilobieten zijn te vinden van het gehele beest , delen ervan (pantsersdelen) of sporen op de zeebodem zogenaamde cruziana. Deze sporen bestonden uit pootsporen en ingravingen van het beestje. Trilobieten wisselden of ‘vervelden’ van pantser van tijd tot tijd. Alleen de ‘harde delen’ (pantser) van de trilobiet zijn over het algemeen gefossiliseerd.

cruziana  trilobite tracks
Voorbeeld van een spoor (Cruziana) van een trilobiet.

Trilobieten zijn in meerdere landen te vinden maar de grootste gebieden waar ze vandaan komen zijn Tsjechie, Marokko en de Verenigde Staten. In Europa zijn in Engeland, Duitsland, Zweden, Estland en Belgie ook nog een aantal vindplaatsen te vinden. In het phylum Arthropoda is de klasse Trilobita in negen verschillende orden onderverdeeld. Phacopida is misschien wel de bekendste orde van deze negen met o.a. zijn soort Phacops. Deze negen orden zijn weer onder te verdelen in 150 families met in totaal zo’n 15.000 beschreven soorten.

Een van de  overvloedig  voorkomende fossielen vanaf  het  vroege cambrium ( Cambrian ) , behoren tot de uitgebreide en   de succesvolle substam (biologie) der  Trilobieten (Trilobites trilobites ) ….
( zie ook   
 http://www.trilobites.info/   )

De thans uitgestorven trilobieten waren de meest voorkomende wezens in de zeeën tijdens het 
cambrium, ongeveer 500 miljoen jaar geleden. Uit de vroege soorten ontwikkelden zich vele andere soorten en ze bereikten hun hoogtepunt in de ordovicium-periode. Ze waren nog steeds van belang tijdens het silurium, maar daarna bleven er slechts enkele soorten meer over. De laatste trilobieten kwamen nog  voor gedurende   perm-periode, zo’n 220 miljoen jaar geleden, waarna ze voorgoed verdwenen ( de   grote   uitstervinsgolf op het einde van het perm) .

ARTHROPODA  CLADE
30 Jul 2006
http://www.peripatus.gen.nz/Taxa/Arthropoda/Index.html

cgmArthropoda

Deze oude arthropoda worden door zowel   YEC  als  OEC creationisten  ook veelal  aangevoerd als een “overduidelijk  icoon//bewijs”  van de creationistische  verklaring voor   ( =de plotse creatie van de soorten door een  ID -er  )tijdens   de  “cambrische explosie ” …(1) 

Eigenlijk  beweren creationisten  dat
ook binnen de soortenexplosie  van  de  trilobieten (ruim 17.000 soorten bekend  en er worden er regelmatig nieuwe gevonden ), geen  overgangsvormen(=transitionnals )  kunnen  worden waargenomen ….Overgangsvormen bestaan immers niet volgens deze creato’s
en
-dat derhalve  ook de trilobieten  niet zijn verder geevolueerd
– noch verder opgesplits(= speciatie en radiatie )  in verschillende soorten waarvan de
vele  fossiele  soorten die ondertussen zijn bekend  ____  zoals dit wordt verklaard  ; Conform de huidige consensus in de paleontologie  , zijnde  de “beste “verklaring van de waarnemingen en  het  fossielen  archief ….

Trilobieten-orden

INDELING TRILOBIETEN

°

http://www.icteach.nl/Pagina’s/Uitgestorven/Inhoud/Overzichten/Dierenrijk/Indeling%20Trilobieten/indeling_trilobieten.htm
A Guide to the Orders of Trilobites

Agnostus Redlichia Olenoides odontopleurida Arctinurus Acastoides Cyphoproetus Homotelus Harpes (Harpetidae) Elrathia

Click on any of the images above to be sent to a page featuring details on trilobites in that Order

Ptychagnostus (Ptychagnostidae) Redlichia (Redlichiidae) Olenoides (Dorypygidae) odontopleurida Arctinurus (Lichidae) Reedops (Phacopidae) Gerastos (Proetidae) Homotelus (Asaphidae) ph Bolaspidella (Menomoniidae)
Agnostida Redlichiida Corynexochida Odontopleurida Lichida Phacopida Proetida Asaphida Harpetida Ptychopariida

Click on any of the images above to be sent to a gallery featuring photos of trilobites in that Order
De evolutie  van de trilobieten is namelijk  zo  uitgebreid ,divers en relatief( geologisch )  zo  snel (2) gebeurt  dat deze vondsten uitstekende  gidfossielen (3)  blijken te zijn  

Trilobieten   komen over de  gehele wereld als  fossiel  voor (http://www.fossiel.net/vindplaatsen/vindplaatsensoort.php?soort=trilobieten) :

Een   vroeg   voorbeeld  waarbij   de  oudste en meest “primitieve )trilobieten ( voornamelijk  de  orde  Redlichiida (in het bijzonder de Suborde Olenellina)  in evolutionaire  en  geologische(stratigrafische )  series(4) voorkomen ( samen met  andere  getuigen van de toenmalige fauna’s ) zijn te vinden  in california
(   http://www.ucmp.berkeley.edu/cambrian/marblemts.html  )

Trilobieten series  in de Marble &  Providence Mountains  ca

   marblemts
 
The Latham Shale, Marble Mountains, San Bernadino County, California.
 
 
 
 
 
 
 
cambmojave0001
 
 Bristolia insolensBristolia insolens, trilobietkop-pantser uit de bovenste/jongste  laag van de formatie  .


Bristolia Bristolia insolens (Resser, 1928). Cephalon.
Onder- Cambrium, Latham shale, dicht bij de top van de formatie /Cadiz, San Bernadino County, CA.
Bristolia bristolensisBristolia bristolensis  trilobietkop-pantser uit de midden laag  van de serie .

Latham shale,( vroeg cambrium)   San Bernadino County, CA.

Olenellus mohavensis

Olenellus mohavensis, trilobietkop-pantser uit de midden-  laag  van de formatie.

Olenellus fremonti

Olenellus fremonti, trilobietkop-pantser uit de onderste/oudste  laag  van de serie .

Olenellus fremonti (Walcott, 1910). >
laag Cambrium , Latham shale, about 10m boven de basis  van de formatie /Cadiz, San Bernadino County, CA

Onder der  trilobiten van de Latham Shale bevindt één soort die erg  lang grotendeels morfologisch onveranderd (= stasis ? )aanwezig  blijft  in het fossielen verslag:   Mesonacis fremonti zit in dezelfde laag  als  Olenellus clarki en de  Bristolia mohavensis, maar  het blijft aanwezig tot  en met   het einde van de  Latham Shale  en gaat  verder  in de Cadiz formatie.
Het  stratigrafische voorkomen van deze soort overtroeft alle bekende trilobieten uit de lagen van de   Latham, Chambless Limestone, en  Cadiz Formaties !
De details  van deze  belangrijke stratigradfische  verdeling van deze soort  ,  zijn  te vinden  in het  “paper ” van Webster et al
(2003)
available in pdf here.

Mesonacis fremonti

Afstamming en verwantschappen
http://www.trilobites.info/origins.htm

http://www.trilobites.info/triloclass.htm

Major clades of Paleozoic Arthropoda
In this classification, Trilobieten zijn een   klasse  binnen de supergoep  Arachnomorpha,
Een van de twee  o Superclassen  binnen   het   Subphylum Schizoramia van he   tphyllum   Arthropoda.

(©2000 by S. M. Gon III, created in Macromedia Freehand 8.)

 <klik  <klik
Van Parvancorina tot                  Trilobiet Clade van de
Trilobiet                                   Arachnomorpha

Systematische verwantschap  en  verdeling over de geologische tijd  van de  verschillende   trilobieten  orden


In the image above added 31 January 2009, Redlichiida is seen to be among the most primitive of trilobite orders, and restricted to the Cambrian.

In deze figuur  is     Redlichiida , voorgesteld  als de basale ( primitieve )trilobieten – orde  ____ te vinden in de  afzettingen striktbepaerkt tot  het cambrium
http://www.trilobites.info/ordredlichiida.htm

( ©2007 by S. M. Gon III, created using Macromedia Freehand and PaintShop Pro
Thanks to Nigel Hughes for stimulating discussions leading to revisions of this figure.
As of June 2007, a version of this figure was published in Hughes 2007.
http://www.trilobites.info/triloclass.htm#orders   )


NOTEN 

(1)
bijvoorbeeld  De Yec/ID  creationist  Peter Borger   ;
“….Het waren gewoon multipurpose genomes waar de trilobieten over beschikten. Vol met genetiese redundanties en Variatie Inducerende Genetiese Elementen (VIGEs) die chromosomen transloceren en aldus de bouwplannen wijzigen.  “
…..Het gaat hier echter  wel  over de  verwantschappen  en soortvorming van 15.000  t/m 17000 bekende  species gespreid vanaf het vroegste cambrium t/m het einde van het Perm….zie ook  (2b)

( Uit  de onnoemelijke  YEC  site  “ Evobeliever ” /( vertalingen  van  artikels uit   “creation science”  )
”  ….Neem de trilobieten als voorbeeld. Deze fossielen zijn zo gewoon dat u er een kan kopen onder de 15 €, maar er werden nooit fossielen van een voorouder gevonden!

de “oude aarde” ( islamisme ) -creationist  Harun Yayah :
” levende wezens die in de laag gevonden worden die tot het Cambrium behoorde, verschenen opeens in het fossielenarchief – er zijn geen voorouders die eerder bestonden. De fossielen die in de rotsen van het Cambrium gevonden zijn, zijn van slakken, trilobieten, sponzen, aardwormen, kwallen, zee-egels en andere ingewikkelde ongewervelden. Dit omvangrijke mozaïek van levende wezens vormde zo’n groot aantal ingewikkelde levensvormen, die zo plotseling verschenen, dat deze wonderlijke gebeurtenis in de geologische literatuur wordt aangeduid met de ‘Explosie van het Cambrium’.Trilobieten-fossielen  met hun skelet, complexe ogen en ledematen, ‘verschijnen’ verbazingwekkend  in  de  lagen  van de “ongeëvenaarde ” cambrische  explosie van leven op aarde
Levensvormen ( ook de   trilobieten )blijken complex te zijn, zelfs die welke werden aangetroffen in de ”oudste’ lagen van het fossiele verleden.
Zo blijken verschillende soorten trilobieten  een zeer geavanceerd gezichtsvermogen te hebben.
Toch beweren evolutionisten dat deze wezentjes zich waarschijnlijk geleidelijk ontwikkeld hebben in de tijd dat de eerste meervoudige levensvormen zich beginnen te ontwikkelen, zo’n veronderstelde 620 miljoen jaren geleden
1.- Veel primitievere  (= de oudste ) trilobieten bezitten GEEN   ogen
2.- Hoe meer variatie een soort( en uberhaupt later gedivergeerde  verschillende soorten ) kent, hoe meer ruw materiaal natuurlijke selectie heeft om mee te werken.
( voozichtige  creationisten claimen  enkel   ;)
In ‘oudere’ aardlagen zijn geen voorlopers van trilobieten gevonden.
Ze verschenen dus volledig gevormd, met al hun organen en structuren.
Maar de trilobieten  stierven ook volledig uit /in hoeverre  is dit verzoenbaar met creatie ?
Wat is het nut geweest van deze dieren, als het einddoel de mens en de natuur om hem heen is?
Waartoe hebben de dinosauriërs geleefd, en de trilobieten?
Voor de richtingloze natuurlijke selectie is de wereld op elk moment af.
Waarom de trilobieten 350 miljoen jaar geleden bleken verdwenen te zijn is niet meer te achterhalen
maar we hebben de zekerheid dat dit ons  ook te wachten staat en alle logica laat vermoeden dat daarmee ook het zelfbewustzijn zal verdwenen zijn van deze aarde.

 


(2)

a)  Het tempo  van de  veranderingen( en aanpassingen )  werden vooral  veroorzaakt door de vele tektonische  , klimatologische  e.a. geologische en fysico-chemische   fenomenen die aan het begin en tijden het cambrium schering en inslag waren op deze planeet… 


 

http://findarticles.com/p/articles/mi_qa3790/is_199903/ai_n8829266/pg_1

Testing the Darwinian legacy of the Cambrian radiation using Trilobite phylogeny and biogeography
Journal of Paleontology,  Mar 1999  by Lieberman, Bruce S

ABSTRACT-
Since the publication of Darwin (1859), the biological meaning of the Cambrian radiation *  has been debated.
Most commentators agree, however, that the Cambrian radiation is fundamentally a time of major metazoan cladogenesis.
In and of itself this does not necessarily mean that unique evolutionary processes operated during the Cambrian radiation.
Phylogenetic analysis has been used to study the tempo of speciation during the radiation, and thus far there is no need to invoke special rules relating to the tempo of evolution. Instead, what seems unique about the Cambrian radiation is its place as an important episode in the history of life-that is, as the first major radiation of the Metazoa.
Although the tempo of evolution during the Cambrian radiation may not have been uniquely high, there were largely unique tectonic events that transpired during the late Neoproterozoic and Early Cambrian, such as extensive cratonic fragmentation. Biogeographic analysis of Early Cambrian olenelloid trilobites reveals that these tectonic events powerfully influenced evolutionary and distributional patternsin this diverse and abundant trilobite group.

This emphasizes the importance of physical earth history in generating evolutionary patterns.
In the general study of macroevolutionary patterns and processesearth history phenomena emerge as powerful forces influencing the history of life and provide insights into evolution that can best be inferred by paleontological data.

Cambrian radiation ( =cambrische “vertakkingen ” van de levensboom  in  phyla )  = Creationisten  spreken natuurlijk  liever van “cambrian explosion “ 


b) Snelle evolutie ( althans = SPECIATIE , ( specifieering=soorten-onstaan  door  bijvoorbeeld  ecomorfen )  en het  geologisch  erg  vlug onstaan van soortenzwermen    ) is ook geopperd   bij de CICHLIDEN , ANOLIS HAGEDISSEN  en
(vermoedelijk ) de oude  fossiele  Coelacanthen  ….

(3)
voorbeeld van enkele   Gidsfossielen ( =Index fossil  ) aanklikbare –> List of Common Index Fossils (Tsjok45)
 
(4)
Een andere uitgebreide “serie ” die duidelijk de verwantschappen en afstammingslijnen aantoont ( inclusief transitionnals tussen verschillende species ) is te vinden in het fossielen archief van het genusPhacops ( Phacops rana Pennsylvania Geological Survey: The State Fossil ) Phacopida
(; Phacops rana ;Eldredge, Niles, 1972.1974
Systematics and evolution of Phacops rana (Green, 1832)
Phacops iowensis Delo, 1935 (Trilobita) from the Middle Devonian of North America. ;
Strapple 1978). Er wordt aangevoerd dat de onderzochte / waargenomen gevallen van ( allopatrische ) speciatie te maken hebben met de ramificatie van de ring- soort ( met mondiale verspreiding) Phacops rana , in verschillende subspecies ( ondersoorten of rassen )
(= creationisten spreken in dit verband van microevolutie )De over gang tussen soorten is vaak gradueel terwijl de naamgeving een strikte scheiding doet vermoeden.
Zo heb je bijvoorbeeld soort A die kan kruisen met B en vruchtbare nakomelingen kan krijgen B kan kruisen met A en C maar A en C kunnen niet met elkaar kruisen, dit heet ring soort. Een bekend voorbeeld is een zogenaamde “ringsoort” bij salamanders( http://www.santarosa.edu/lifesciences2/enreview.htm )maar er zijn nog veel meer voorbeelden bekend…. ringsoortvorming komt vooral voor bij soorten die over een groot uitgestrekt gebied leven maar zelf niet zo mobiel zijn.( = veel kosmopoliete planten ) * Echter ook bij gespecialiseerde diersoorten ( = sommigen zitten vast tijdens hun volwassen leven (= sessiel ) , maar verspreiden zich als “larven ” die rondzwemmen in het plankton ) ;
* Ook ” honden ” zijn eigenlijk een ringsoort ; een chihuahua kan nooit paren met een deense dog , om evidente anatomische redenen .
 
 
 
Trilobieten evolueerden aanvankelijk zeer snel, later nauwelijks
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
 
Al tientallen jaren vermoeden paleontologen dat soorten die bestaan uit individuen die onderling grote variatie vertonen, sneller evolueren dan soorten met weinig variatie. Dat vermoeden kon tot nu toe echter niet worden hard gemaakt. Nu is echter een studie met trilobieten uit het Cambrium uitgevoerd waaruit dat wel overtuigend blijkt. Volgens de onderzoekers verklaart dat ook de grote variatie die bij trilobieten uit het Cambrium wordt gevonden, terwijl die dieren later nauwelijks meer leken te veranderen.
 
Deze bij verzamelaars zeer geliefde fossielgroep, verwant aan de nu nog levende degenkrab (die als een levend fossiel kan worden beschouwd), stierf 251 miljoen jaar geleden uit, op de grens van Perm en Trias. Tot die tijd waren het in grote hoeveelheden voorkomende zeedieren, waarvan ongeveer 17.000 soorten bekend zijn. Deze soorten varieerden van haast microscopisch klein tot enkele decimeters groot; de meeste waren 2-10 cm lang. Hun grote verscheidenheid, in combinatie met hun frequente voorkomen als fossiel, maakt ze zeer geschikt voor vergelijkende studies en voor bestudering van evolutionaire patronen. Voor de nu uitgevoerde studie onderzocht Mark Webster 982 soorten. Zijn studie is uitzonderlijk, omdat bijna alle studies die zich met variatie bezighouden betrekking hebben op de verschillen tussen soorten; de nu uitgevoerde studie betreft echter de variatie aan kenmerken van individuen binnen afzonderlijke soorten.
 
 
 
 
Two species of trilobites found in the Southwestern United States. Trilobites went extinct 250 million years ago, long before the appearance of the first dinosaurs.
Credit: Dan Dry / University of Chicago
 
 
 
Plate III.   Cambrian Crustacea.Plate III. -Fig. i, Ptychoparia kingi Meek, x 1/2 M. C. 2, P.antiquitata Salter, x 1/2,M. C. 3, Crepicephalus texanus Shumard, x 1/2, M. C. 4, Mesonacis vermontana Wale, x 1/2, L. C. s, Zacanthoides typicalis Wale, x 1, M. C. 6, Paradoxtdes harlani Green, x 1/4 M. C. 7, Dorypyge curticei Wale, x 1/2 M. C. 8, Atops trilineatus Emmons,x 1/2, L. C. 9, Agnostus interstrictus White, x 3/2, M. C. 10, Microdiscus spectosus Ford, x 1, L. C. 11. Hipponicharion eos Matthew, x 4, L. C. 12, Aristozoe rotundata Wale.The great importance of the Trilobites for Cambrian stratigraphy is indicated by {he fact that the three divisions of the system are named for the three dominant genera of these crustaceans, Olenellus, Paradoxides, and Dikellocephalus.Two other divisions  of great importange  for   Cambrian stratigraphy  : the Ostracoda, little bivalve forms, whose shells look deceptively like those of molluscs; and the Phyllocarida, which have a large shield on the head and thorax, and a many-jointed abdomen, with terminal spine.
Plate II.   Cambrian Trilobites.Plate II. – Cambrian Trilobites.Fig. i, Holmia broggeri Wale, x 1/2, L. C. 2, Olenellus thompsoni Hall, x 1/2 L. C. (Walcott).
Read more:http://chestofbooks.com/science/geology/Intro/Cambrian-Life-Arthropoda.html#.UL4W54OzKSo#ixzz2E67Ec3qu
 EstXys
 
 
Twee Cambrische trilobieten
 
Meet the family. Estaingia (right) and Xystridura (left).
In Part 1 we looked at the growth patterns of the Early Cambrian trilobite Estaingia bilobata, using certain measurements from the head, or cranidium. In this part we’ll compare and contrast those growth patterns with the Early Cambrian trilobite Xystridura templetonensis.
 
 

Trilobieten ontstonden bij de ‘Cambrische explosie’ (van dieren met harde bestanddelen) op de grens van Precambrium en Cambrium. In korte tijd verscheen toen, nadat er eerder alleen primitieve organismen zoals bacteriën en algen hadden geleefd, en nadat gedurende (geologisch) betrekkelijk korte tijd de nog steeds raadselachtige Ediacara-fauna tot ontwikkeling was gekomen (en, naar het zich laat aanzien, ook weer was uitgestorven), een zeer diverse fauna waarbij zich ook in verbazingwekkend korte tijd relatief gecompliceerde organen zoals ogen ontstonden en zich ook ledematen ontwikkelden. De trilobieten vormen op zichzelf al een overtuigend bewijs van deze opmerkelijke ontwikkeling. Het lijkt er bovendien op dat ook soorten een ‘hollende evolutie’ doormaakten na het maximum van de Cambrische explosie, in de vorm van de ontwikkeling van een grote variëteit binnen een soort.

  The Cambrian Period, 550-510 million years ago is often referred to as the dawn of the explosion of life because it is a time when great diversity of life forms were first recorded as fossils. While multicelled organisms (metazoans) actually evolved much earlier, the story is poorly documented in the fossil record because they did not have protective outer coverings and soft tissue is rarely preserved.
 
Most modern groups of invertebrates first appeared at the beginning of the Cambrian Period. The major groups were arthropods (animals with joined appendages such as insects, spiders, crabs), echinoderms (spiny skinned animals such as starfish), cnidarians (including corals, jellyfish and sea anemones), and mollusks (clams, snails and squids).
 
De uitgevoerde studie is daarom mede van belang voor de speurtocht die nog steeds gaande is naar het hoe en waarom van de Cambrische explosie, een verschijnsel dat sindsdien nooit meer in vergelijkbare mate is opgetreden (al ontstonden er later wel in betrekkelijk korte tijd weer veel nieuwe soorten na massauitstervingen). Om meer over de variaties binnen afzonderlijke soorten te weten te komen richtte Webster zich vooral op kenmerken die snel evolueerden. Dat geldt bijv. voor de kop van de trilobieten, waar dat gebeurde met tal van kenmerken; voorbeelden zijn de verschillende soorten ‘versiering’, het aantal en de plaats van stekels, en de vorm van de diverse segmenten van de kop. Webster vond dat, generaliserend, zo’n 35% van de door hem onderzochte 982 soorten variatie vertoonde in deze evoluerende karakteristieken. Naar tijd uitgesplitst ligt dat echter verschillend voor trilobietensoorten uit het Vroeg- en Midden-Cambrium is dat meer dan 70%, terwijl het voor latere soorten slechts 13% is. Na het Cambrium trad zelfs nauwelijks variatie binnen een soort meer op.

Voor de afname van de variatie in tijd wijzen paleontologen twee mogelijke oorzaken aan. De eerste is dat er in het begin van het Cambrium nog weinig competitie bestond, waardoor soorten zich minder dan nu hoefden te specialiseren om aan voedsel te komen, en dus een grote ‘vrijheid tot variatie’ hadden. De tweede hypothese is dat tal van processen op elkaar inspelen bij de ontwikkeling van eitje tot volledig individu. Dat zou aanvankelijk een minder sterke rol gespeeld hebben dan later, waardoor in het begin van het Cambrium individuen zich gedurende hun ontwikkeling verschillend konden gaan manifesteren.

Referenties:
  • Hunt, G., 2007. Variation in early evolution. Science 317, p. 459-460.
  • Webster, M., 2007. A Cambrian peak in morphological variation within trilobite species. Science 317, p. 499-502.

Foto’s: University of Chicago, Chicago, Il (Verenigde Staten van Amerika)

.
Onderzoeker Mark Webster van de Universiteit van Chicago

 
APPENDIX
Enkele cambrische  trilobieten van groot  biogeografisch /biostratigrafisch  belang
Biostratigrafie
 


 <   <

Fallotaspis longa Oryctocephalus indicus  Lejopyge laevigata

oudste trilobieten (e.g., Fallotaspis longa) FAD Series 2, Stage 3

Oryctocephalus indicus FAD Series 3, Stage 5

Lejopyge laevigatus FAD Series 3, Stage 7

Olenellus gilberti Ptychagnostus (Acidusus) atavus         Glyptagnostus reticulans

Olenellus gilberti (e.a. olenellids)FAD  Series 2, Stage 4

Ptychagnostus atavus FAD  Series 3, Drumian Stage (6)

Glyptagnostus reticulatus FAD  Furongian Series, Paibian Stage (8)

Agnostotes orientalisLotagnostus americanus

Agnostotes orientalis FAD Furongian Series, Stage 9

Lotagnostus americanus FAD Furongian Series, Stage 10

 

Twin towers trilobiet  //Fossiel met zonneklep

De torentrilobiet van achteren gezien, met de omgevouwen ‘zonnekleppen’ duidelijk zichtbaar op de ogentorens (klik voor een vergroting). Ook is goed te zien dat beide ogen samen een blikveld van 360 graden beslaan – de complete omgeving van het dier (foto Science). 

Zijaanzicht van het fossiel 

 De staart ligt links; rechts het omhoogtorenende oog dat bezaaid is met kleine bolletjes, de lenzen (foto Science). 

Trilobieten schuwden het daglicht niet. Een onwaarschijnlijk fraai fossiel met ogen die hoog boven het lijf uit torenen, maakt duidelijk dat de geleedpotige dieren uit de oertijd in zonverlicht water zwommen. Een zonneklep voorkwam zelfs dat hij door de schittering werd verblind.

In Oost-Marokko struikel je over de trilobieten. Elke toerist wordt vriendelijk, maar zeer voortvarend benaderd door verkopers, van wie de tassen en broekzakken soms uitpuilen van de fossielen. Het gebied is dan ook een van de rijkste vindplaatsen ter wereld van de geleedpotige oerdieren. Paleontoloog Richard Fortey – bekend om zijn prachtige boek ‘Leven: een ongeautoriseerde biografie’ – komt er regelmatig, en ook hij wordt door de handelaren aangeklampt.

Onlangs kreeg hij een fossiel onder ogen dat hij niet goed kon plaatsen. Hij kocht het, maakte er foto’s van, en stuurde die naar de Canadese trilobietenexpert Brian Chatterton van de Universiteit van Alberta. Ook die keek vreemd op. Uit de tien uitsteeksels die loodrecht uit de rug van het dier komen, maakte hij al op dat het fossiel uitzonderlijk veel details laat zien. “Maar de echte blikvangers zijn de ogen,” zegt hij in een persbericht.

Chatterton heeft in zijn carrière erg veel trilobietenogen gezien – ogen zijn een belangrijk onderdeel bij het onderzoek van het diertje. Het stierf 251 miljoen jaar geleden uit, maar was ooit het meest voorkomende wezen in alle oceanen. Er zijn enkele duizenden soorten bekend, in lengte variërend van een millimeter tot zeventig centimeter, maar met name hun ogen verschillen in allerlei opzichten. Het aantal lenzen in een enkel oog kan bijvoorbeeld variëren van één tot 15.000. Soms zijn de ogen klein en liggen ze in de kop verzonken, terwijl die van een andere soort juist als grote, niervormige kwabben aan de buitenkant van de kop zitten geplakt. Maar geen enkele bekende soort heeft ogen als de twee torens op het fossiel dat Fortey in Marokko kocht.

In het tijdschrift Science beschrijven hij en Chatterton hoe het ongeveer 390 miljoen jaar oude dier zijn wereld moet hebben gezien. De twee ogen hebben van bovenaf bekeken de vorm van een halve cirkel, en zijn aan de buitenkant bezaaid met lensjes – in totaal zo’n 560 stuks. Met elkaar beslaan de ogen een blikveld van twee halve cirkels, dus 360 graden. Het dier kon met andere woorden in één blik zijn volledige omgeving zien, zonder zijn kop te hoeven draaien. Hij kon zelfs achter zijn lichaam kijken, omdat de lenzen hoog genoeg reiken om over zijn rug heen te blikken.

Is dat op zich al een fraai bouwplan, het mooiste zit volgens Fortey en Chatterton in het detail. De bovenkant van de torenogen is een beetje omgevouwen, zodat het dier een soort zonneklep had. Met een experiment maakten de onderzoekers duidelijk wat daar de vermoedelijke functie van was: zij beschenen het fossiel met een lichtstraal recht boven het oog, en zagen dat de zonneklep een schaduw over alle lenzen wierp. Dat betekent dat het dier geen last heeft gehad van de schittering van de zon op het wateroppervlak boven hem.

Dat is een groot voordeel dat andere trilobieten niet hebben gehad, stelt Chatterton. “De rand blokkeert de schittering van boven, de schittering die het blikveld van andere soorten wazig moet hebben gemaakt.” Dat storende licht van boven is ook een van de redenen waarom sommige onderzoekers denken dat trilobieten alleen ’s nachts actief zijn geweest. Fortey en Chatterton menen nu aangetoond te hebben dat dat in ieder geval niet voor de ‘torentrilobiet’ opgaat. “Een zonneklep heeft weinig zin in het donker,” schrijven ze.

In de Engelstalige media is het dier al tot ‘twin towers trilobite’ gedoopt, maar zijn wetenschappelijke naam luidt ‘Erbenochile erbeni’. Hij werd al eerder beschreven na de vondst van een fossiel in Algerije, maar daarvan was alleen de staart bewaard gebleven. Het exemplaar dat Fortey kocht, is inmiddels bij zijn werkgever, het Natuurhistorisch Museum van Londen, te zien.

Marc Koenen

Richard Fortey en Brian Chatterton: A Devonian Trilobite with an eyeshade. In: Science, vol. 301, p. 1689 (19 september 2003

Parent Directory        02-Feb-2008 16:21
1at.jpg  ( small )1az.jpg (Large ) 09-Feb-2003   PHYLONYX

http://www.stonecompany.com/fossils/trilobites/devonian/morocco/Phylonyx/images

philonyx

philonyx

philonyx

zie ook

Marella en co

1ct.jpg                 10-Feb-2004
1cz.jpg                 09-Feb-2003 09:30    58k
1dt.jpg (small)  1dz.jpg (large )     1et.jpg (small)1ez.jpg (large )  1ft.jpg     11   k 1fz.jpg 11 gt.jpg (small) 1gz.jpg (large )  65am.JPG  10k 565az.JPG  35 565bm.JPG 10 565bz.JPG 39 565cm.JPG 15 565cz.JPG 53k 565dm.JPG  12 565dz.JPG  45 566am.JPG  9k
566az.JPG   33 566bm.JPG   8k 566bz.JPG  36566cm.JPG  8 566cz.JPG  34 566dm.JPG  10566dz.JPG   50 566em.JPG  11 566ez.JPG 47 566fm.JPG  9 566fz.JPG   35WS_FTP.LOG 8k

 TRILOBITA  doc <–
 
 
 

THE LIFE STYLE OF TRILOBITES

Trilobiet-De-Morgen-

trilobites-2-De-Morgen

Phacops, trilobite  Phacops rana, Trilobite Mass Mortality Plate Phacops rana  VIEW
Phacops   VIEW 

Phacops                                         Terataspis grandis     Reedops maurulus
Three Phacops Trilobites    Terataspis  grandis (giant trilobite)        Reedops maurulus, trilobite VIEW                                                                  VIEW                                        VIEW 
Reedops deckeri   VIEW         Psychopyge elegans    VIEW 

Reedops deckeri, trilobite    Psychopyge elegans, trilobite
Psychopyge elegans    VIEW
Psychopyge elegans, Trilobite    Metacryphaeus limabambae, Trilobite Metacryphaeus limabambae VIEW
Metacryphaeus limabambae VIEW                Laethoprusia sp  VIEW

Metacryphaeus limabambae (trilobite)                 Laethoprusia sp., trilobite

Proetide trilobieten Wetenschappelijke naam: PROETIDA

Proetide trilobieten zijn uitgestorven geleedpotigen, die leefden gedurende het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden). Hun kop was variabel van vorm, ze hadden 6-17 lichaamssegmenten, en hun staart had goed ontwikkelde ribben. Net als andere trilobieten, had hun lichaam een duidelijke driedeling, zowel in de lengterichting (kop, lichaam, staart), als in de dwarsrichting (een duidelijk afgescheiden middendeel). http://www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/museumkennis/i000506.html

Superfamily Proetoidea

Comptonaspis swallowi
Superfamily Proetoidea Family Proetidae
Mississippian
Saline County, Missouri
Griffithides bufo
Superfamily Proetoidea Family Proetidae
Mississippian
Crawfordsville, Indiana
Dechenella
Dechenella burmeisteri
Superfamily Proetoidea
Family Proetidae
Devonian
Alnif , Morocco
Archegonus (Phillibole) nehdenensis
Superfamily Proetoidea Family Phillipsiidae
Mississippian
Aprath, Germany
   
Archegonus (Phillibole) aprathensis
Superfamily Proetoidea Family Phillipsiidae
Mississippian
Aprath, Germany
Basidechenella rowi
Superfamily Proetoidea Family Proetidae
Devonian
Hamilton Group, New York

Superfamily Aulacopleuroidea

Cyphaspis sp.
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuridae
Devonian
Alnif , Morocco
Cyphaspis sp.
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuridae
Devonian
Alnif , Morocco
Comptonaspis swallowi
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuriidae
Silurian
Waldron Shale, Indiana
Cyphaspis carrolli
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuridae
Lower Devonian
Haragan Formation, Oklahoma
 
Aulacopleura koninicki
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuridae
Silurian
Liten Formation, Kosov, Czech Republic
Otarion diffractum
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Aulacopleuridae
Silurian
Lodenice, Czech Republic
Radnoria
Superfamily Aulacopleuroidea
Family Brachymetopidae
Silurian
Rochester Shale Formation, New York

Superfamily Bathyuroidea

Cordania
Bathyurus superbus
Superfamily Bathyuroidea
Family Bathyuridae
Ordovician
Lowville Formation, Ontario
Cordania falcata
Superfamily Bathyuroidea Family Brachymetopidae
Devonian
Haragan Formation, Oklahoma
Bathyurellus teretus
Superfamily Bathyuroidea Family Bathyuridae
Ordovician
Fillmore Formation, Utah
Carolinites sp. aff. C. genacinaca
(exceedingly rare)
Superfamily Bathyuroidea
Family Telephinidae
Ordovician
Fillmore Formation, Pogonip Group
Millard county, Utah

AGNOSTIDA

Agnostide trilobieten zijn uitgestorven geleedpotigen, die leefden gedurende het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden). Het waren kleine diertjes. De kop en staart waren bijna gelijk in vorm. Ze hadden slechts 2-3 lichaamssegmenten. De meeste soorten waren blind. Net als andere trilobieten had hun lichaam een duidelijke driedeling, zowel in de lengterichting (kop, lichaam, staart), als in de dwarsrichting (een duidelijk afgescheiden middendeel). De naam ‘Agnostide trilobieten’ is afgeleid van Agnostus, een door Linnaeus in 1757 gepubliceerd trilobietengeslacht. http://www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/museumkennis/i000299.html http://nl.wikipedia.org/wiki/Agnostida

http://www.fossilmuseum.net/Fossil_Galleries/Trilobites-Agnostida.htm

http://www.fossilmuseum.net/FossilsReferences.htm#Agnostida

Ptychagnostus praecurrens
Family Ptychagnostidae
Early Cambrian
Burgess Shale, Canada
Peronopsis segmenta
Family Peronopsidae
Marjum Formation
Millard County, Utah
Ptychagnostus akanthodes
Family Ptychagnostidae
Marjum Formation
Millard County, Utah
Ptychagnostus michaeli
Family Ptychagnostidae
Marjum Formation
Millard County, Utah
 
Ptychagnostus atavus
Family Ptychagnostidae
Marjum Formation
Millard County, Utah
Ptychagnostus michaeli
Family Ptychagnostidae
Marjum Formation
Millard County, Utah
Baltagnostus eurypyx
Family Diplagnostidae
Wheeler Formation
Millard County, Utah
Peronopsis sp
Family Peronopsidae
Early Middle Cambrian
Kaili Formation
Guizhou Province, China
Ptychagnostus richmondensis
Family Ptychagnostidae
Middle Cambrian
Marjum Formation
Millard County, Utah
Ptychagnostus buckleyi
Family Peronopsidae
Middle Cambrian
Christmas Hills
Tasmania, Australia
Peronopsis interstricta
Family Peronopsidae
Middle Cambrian
Wheeler Formation
Millard County, Utah
 
 
 
 

Asaphide trilobieten Wetenschappelijke naam: ASAPHIDAAsaphide trilobieten zijn uitgestorven geleedpotigen, die leefden gedurende het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden). Ze hadden een halfcirkelvormige tot driehoekige kop, 7-8 lichaamssegmenten en een halfcirkelvormige staart, al dan niet met stekel. Net als andere trilobieten, had hun lichaam een duidelijke driedeling, zowel in de lengterichting (kop, lichaam, staart), als in de dwarsrichting (een duidelijk afgescheiden middendeel). Trilobieten leefden in zee.http://www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/museumkennis/i001101.htmlhttp://www.fossilmuseum.net/Fossil_Galleries/TrilobitesAsaphida.htm

Superfamily Anomocaroidea

Housia sp.
Superfamily Anomocaroidea Family Pterocephaliidae
Upper Cambrian
Radium, British Columbia
Pterocephalia norfordi
Superfamily Anomocaroidea Family Pterocephaliidae
Upper Cambrian
Cranbrook, British Columbia
 
Glyphaspis capella
Superfamily Anomocaroidea Family Anomocarellidae
Middle Cambrian
Wolsey Formation, Montana

Superfamily Asaphoidea

 
Isoteloides flexus (rare)
Superfamily Asaphoidea Family Asaphidae
Ordovician
Fillmore Formation, Millard County, Utah
Megistaspis triangularis
Superfamily Asaphoidea Family Asaphidae
Lower Ordovician
Wolchow river, Russia
Homotelus florencevillensis
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Subfamily Isotelinae
Upper Ordovician
Clayton County, Iowa
Ptyocephalus yersini
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Subfamily Ptyocephalinae
Ordovician
Fillmore Formation
Millard County, Utah
Niobe schmidti
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchow River, Russia
Pseudasaphus tecticaudatus
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchow River, Russia
Isotelus gigas
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Ordovician
Lindsay Formation, Ontario, Canada
Lachnostoma latucelsum
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Middle Cambrian
Ninemile Formation, Nevada
Asaphus cornutus
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchow River, Russia
Asaphus expansus
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Lower Ordovician
Wolchow River, Russia
Asaphus punctatus
Superfamily Asaphoidea
Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchow River, Russia
Asaphus kowalewskii
Superfamily Asaphoidea Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchow River, Russia
Pseudogygites
Cyclopyge
 
Asaphus cornutus
Superfamily Asaphoidea Family Asaphidae
Middle Ordovician
Wolchov River, Russia
Pseudogygites latimarginatus
Family Asaphidae
Upper Ordovician
Lower Whitby Formation, Ontario, Canada

Superfamily Trinucleioidea

Nankinolithis sp.
Superfamily Trinucleoidea Family Trinucleidae
Ordovician
El Kaid Errami, Morocco
Paratrinucleus acervulosus
Family Trinucleidae
Upper Ordovician
Blacksburg, Virginia
Onnia superba
Death Assemblage
Superfamily Trinucleoidea
Family Trinucleidae
Middle Devonian
Blekos, Morocco
Salterolithus caractaci
Superfamily Trinucleoidea Family Trinucleidae
Upper Ordovician
Caradoc Series, Harnage (Shales) Formation, Welshpool, England
Raphiophorus
Cnemidopyge bisecta
Raphiophorus parvulus
Family Raphiophoridae
Upper Silurian
Shropshire, United Kingdom
Cnemidopyge bisecta
Family Raphiophoridae
Upper Ordovician
Wales, United Kingdom
Lochodomas volborthi
Superfamily Trinucleoidea Family Trinucleidae
Ordovician
Wolchow River, Russia
Deanaspis goldfussi
Superfamily Trinucleoidea Family Trinucleidae
Ordovician
Bohemia Czech Republic
 
 

5093

<–Acadoparadoxides sp. . //Cambrian Draa Valley area, Morocco

 

                                                                                 Cambropallas 

5092 (1)

5092Cambropallas telesto, //Middle Cambrian , Jbel Wawrmast Formation. Morocco

5439 (1)

Croatocephalus species. // Devonian Morocco

4500

Ditomopyge // Permian USA

4090Ductida sp  //  Lower Devonian of China.

3257Elrattia sp.// cambrium

3256Flexicalymene sp // Devonian, Morocco

4105

Geesops // Morocco, Devonian

5438Hollardops  //  (Forma Metacanthina) species.
Devonian ,Morocco.

2754

Phacops  // Upper Devonian of Morocco

4042

Proetus // Morocco Upper Devonian (360 mya).

5437Scutellum species. //  Devonian age, Morocco

4494Metacryphaeus venustus //Devonian Bolivia

4495

4305Ogygiocarella sp. //  Ordovician Llandrindod Wells, Wales, UK

4075

Ogygiocarella //Wales, UK
/Ordovician

Trilobieten ; Marella en co

 
MARELLA
 
Ink wash illustration of Marella 
 
This

fascinating reconstruction of Marrella, prepared using the ink wash technique, was found in the drawers containing archival collections belonging to Charles Doolittle Walcott (1850-1927), fourth secretary of the Smithsonian Institution and discoverer and collector of the famous fossils of the Burgess Shale. Marrella is one of the most common fossils found at the Cambrian Burgess Shale locality in British Columbia, Canada.

Publication:
Walcott, Charles Doolittle. Addenda to Descriptions of Burgess Shale Fossils. Smithsonian Miscellaneous Collections, Volume 85, Number 3. Figure 9. Published by the Smithsonian Institution, City of Washington, June 29, 1931.

 
 
 
 
 
 

Olenellus specimen

 
Peabody Museum
 
 
Trilobite philonyx
Royal Tyrrell Museum
 
philonyx

philonyx

 

Ramirezi over trilobieten

 
Ramirezi
OVER TRILOBIETEN     op Fossielen
 
Tijdens het Paleozoïcum leefden in de zee een groep van geleedpotige diertjes.
Dit waren de zogenaamde trilobieten.
Trilobieten leefden van het Cambrium tot en met het Perm.
 
Trilobieten worden gerekend tot de geleedpotigen, alhoewel sommige wetenschappers menen dat ze een geheel eigen groep vormen. Ze waren gemiddeld tussen de drie en tien centimeter lang. Sommige soorten konden tot 70 centimeter lang worden. Trilobieten leefden in de zeeën van het Paleozoïcum (ca. 540-250 miljoen jaar geleden). Vooral tijdens het Cambrium (ca. 540-500 miljoen jaar geleden) waren ze zeer talrijk.

Aan het eind van het Cambrium stierven veel diersoorten uit, maar de trilobieten wisten zich goed te herstellen. Toen aan het eind van het Devoon weer veel levensvormen uitstierven, verdwenen ook de meeste trilobieten. In het Carboon en Perm zijn ze zeldzaam, daarna verdwijnen ze helemaal. Er zijn meer dan 1500 trilobietengeslachten bekend, met vele duizenden soorten. Door hun grote vormenrijkdom zijn trilobieten met name belangrijk voor de stratigrafie van het Cambrium en Ordovicium.

Opbouw

Trilobieten worden gekenmerkt door een lichaam dat zowel in de lengte- als in de breedte in drie stukken is gedeeld. De naam: trilobiet (= drielobbige) danken ze aan de driedeling in de breedte. Het voorste gedeelte van het lichaam, het cephalon, is vergroeid tot een harde plaat. Daarachter ligt een reeks van segmenten die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, de thorax. Het achterste stuk, het pygidium, is vaak vergroeid, maar kan ook uit losse segmenten bestaan. Trilobieten hadden een hard uitwendig skelet. Dat betekent dat ze net als krabben alleen maar konden groeien door regelmatig te vervellen. De meeste fossielen van trilobieten zijn dan ook waarschijnlijk afgeworpen huiden.

De meeste trilobieten leefden op de bodem. Uit sporen blijkt dat ze tijdens het kruipen de modder omwoelden om daar allerlei voedseldeeltjes uit te filteren. Sommige vormen groeven zich gedeeltelijk in. Er waren echter ook trilobieten die waarschijnlijk een zwemmend bestaan leidden.

 
Een volwassen trilobiet werd tussen de 5 mm en 75 cm groot.
De bovenkant van het dier is een pantser, aan de onderkant van de kop liep dat iets door. De rest van het lichaam had aan de onderkant geen pantser. De bouw lijkt dus wat op die van een degenkrab.
Het lichaam bestaan uit minimaal 2 en maximaal 44 segmenten.
De mond zat aan de onderkant van het diertje.
Er zijn trilobieten in allerlei vormen, met de vreemdste uitsteeksels en ogen. Wat je hier ziet is het algemene bouwplan.
Trilobieten moesten vervellen om te kunnen groeien.
Je vindt dus ook vaak stukjes trilobiet als fossiel

 
 
 
 
Trilobieten bestaan in de lengte uit drie (tri) delen (lobes ) :
- Het kopschild of cefalon
- Het lichaam of thorax
- Het staartschild of pydidium
Ook in de breedte kom je drie delen tegen: de pleura (ribben), de axis en opnieuw de pleura.

Het eerste dat verloren gaat tijdens het fossileren is de kleur; de meeste fossielen van trilobieten zijn zwart, maar de echte kleuren weten we niet.
Sommige soorten trilobieten konden zich oprollen als verdediging tegen vijanden. De zachte onderkant was dan niet meer kwetsbaar.
Een opgerolde trilobiet doet een beetje denken aan een rolpissebed.
 
 
 
 
 

Het trilobietenoog

In veel trilobieten zijn de ogen prachtig bewaard gebleven. De ogen van trilobieten zijn de oudst bekende ter wereld en er is veel onderzoek aan gedaan. Trilobieten hadden net als insecten facetogen. Het oog is opgebouwd uit veel kleine lenzen die door een membraan worden bedekt. Daardoor hadden trilobieten een breed blikveld. Het geslacht Phacops had een heel bijzonder oog. Hier liggen de lenzen los van elkaar en hebben ieder hun eigen membraan. Dergelijke ogen zijn alleen bij trilobieten bekend.

Overigens hadden niet alle trilobieten ogen. Sommige vormen waren geheel blind. Andere vormen hadden ogen op steeltjes. Zo konden ze in het sediment verborgen zijn, terwijl ze toch konden kijken wat er om hen heen gebeurde.

trilobites-anatomy

 
De ogen van een trilobiet zijn heel bijzonder
Het zijn mogelijk de eerste dieren die konden zien !
Daarvoor gebeurde alles op de reuk en op de tast…
 
De oudste trilobiet,Fallotaspis
dateert van 540 miljoen jaar geleden en had al grote ogen.
 
 
 
Rare Fallotaspis Trilobite; Uncommon Cambrian Trilobite / Moroccan Trilobite

This Trilobite is a member of the Order Redlichiida, Suborder Olenellina. Tassamante is believed to produce some of the oldest Trilobites, and the most unusual / uncommon examples.This particular taxon is rarely-seen, especially of this quality; where the thorax, plueral spines, genal speines, and cephalon are extremely well preserved, and well exposed; to such an extent to clealyr identify this Trilobite genus.many discovered from this location are impossible to recover or name.The Trilobites Large Holochroal eyes are considered by some as the oldest sophisticated eyes in the fossil record.

Genus:Fallotaspis trilobite sp./Location:Tassmamte, near Zagora, Morocco, North Africa/Geological Age:Paleozoic Era, Cambrian Period, approxim\tely 542-488 million years ago/Websitewww.thefossilstore.com

 
De ogen van trilobieten zijn uniek omdat zij zijn gemaakt van calciet, net zoals de “white cliffs of Dover”.
Door die kliffen kun je niets zien, maar calciet in zijn puurste vorm is doorzichtig.
Trilobieten gebruikten allemaal kleine
calciet-kristallen om hun facetogen samen te stellen.
Sommige trilobieten hadden zulke grote ogen dat zij bijna 360 graden rond konden kijken zonder met

hun hoofd te bewegen

 

Trilobieten

Ramirezi

6 augustus 2011 24 reacties

De afgelopen jaren hebben we heel wat uurtjes gezocht naar fossielen. Dat lukte vrij aardig, zoals je hier kunt zien. Maar een hele Trilobiet vinden, dat zat er helaas nog niet in.

Trilobieten zijn ook nog eens de meest fascinerende fossielen die je kunt vinden. Ze zijn er in allerlei soorten en maten, hebben facetogen van calciet en er zijn exemplaren die de meest vreemde stekels hebben ontwikkeld. Maar je hebt ze ook juist weer mooi glad. Je vraagt je voortdurend af waar al die aanpassingen voor hebben gediend.

Reden genoeg om een ritje naar het Natuurhistorisch Museum Maastricht te maken om de tentoonstelling Trilobieten, mini-monsters uit de oerzee te zien.

Drie heel verschillende exemplaren, van boven naar beneden;Drotops megalomanicus, Ceratargus ziregensis en Nevadia weeksi.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Allart Van Vierssen.
http://www.hona.be/?p=850
Trilobieten uit de Ardennen en Eifel
 
Devonische gesteenten die ontsloten zijn in de Ardennen zijn neergelegd in de Rheic oceaan die destijds het merendeel van dit gebied onder water zette. Ondanks het feit dat zij veel minder bekend is dan trilobietenfauna’s uit de Duitse Eifel (Trilobiterfelder van Gees) en Franse Ardennen (Mur des douaniers bij Vireux-Molhain), blijkt de Belgische Devonische trilobietenfauna zeer divers te zijn.
 
Terwijl zij gedurende het vroege Lochkovien nog monotoon is, worden tijdens het Emsien en vooral Eifelian piekdiversiteiten behaald met rijke, typisch rijnse fauna’s.
Niettemin zijn trilobieten uit het Belgische Devoon lang niet zo goed gedocumenteerd als hun Duitse buren.
 
De Trilobite Observer, die aanvankelijk gelanceerd werd in de lente van 2003, is een verslag van mijn observaties in de Ardennen (België, Luxemburg, Frankrijk) en geven de lezer een beknopte weerspiegeling van de continue onderzoeken over Belgische Devoontrilobieten.
 
 
mini-monsters-uit-de-oerzee
 
 
 

TNA

inhoud A    —->   http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/    = ABIOGENESIS      —>   TNA.docx (79.4 KB)

LEVEN: In den beginne was er TNA

In the beginning was TNA? <i>(Image: Pasieka/Science Photo Library)</i>In the beginning was TNA? (Image: Pasieka/Science Photo Library)

Vóór DNA kwam RNA, denken wetenschappers die proberen te achterhalen hoe het leven op aarde ontstaan is.

RNA-moleculen zijn wat eenvoudiger en veelzijdiger dan het bekende DNA, en dat zou ze ideaal maken voor heel primitieve vroege levensvormen.

Maar voor de ‘RNA-wereld’ was er misschien leven dat op nóg eenvoudiger moleculen was gebaseerd.

Een goede kandidaat is TNA, schrijft New Scientist. Die molecule, lijkend op RNA en DNA maar gebaseerd op de suiker threose, blijkt volgens nieuwe proeven dienst te kunnen doen als enzym (een stof die chemische reacties in een cel controleert), een essentieel onderdeel van alle leven.

En er zijn nog andere kandidaten, waaronder PNA en GNA. Mogelijk was het allereerste leven gebaseerd op een mengsel van diverse RNA-achtige moleculen, vóór de natuurlijke aarde meer geavanceerde systemen, gebaseerd op echt RNA en DNA, had uitgevonden.

http://en.wikipedia.org/wiki/Threose_nucleic_acid http://www.scientificweb.com/en/Biology/Molecular/ThreoseNucleicAcid.html http://www.newscientist.com/article/dn21335-before-dna-before-rna-life-in-the-hodgepodge-world.html
http://www.genomeweb.com/blog/tna-its-not-what-you-think

zie ook Korthof

zelforganisatie.docx (786.1 KB) <—

 

Voorganger van DNA en RNA ontdekt’ Germen op 15 januari 2012

http://www.visionair.nl/ideeen/wereld/voorganger-van-dna-en-rna-ontdekt/

RNA is ouder dan DNA, denken de meeste evolutiebiologen. Maar wat kwam er voor RNA? Misschien een nieuw type nucleïnezuur: TNA.

DNA: biologisch geheugen
De ontdekking van DNA door Watson en Crick verklaarde veel raadsels. Zo is nu bekend waarom genetische eigenschappen nooit ‘verwateren’ (er zijn geen erwten die half-kreukzadig zijn) maar een binair karakter hebben. Elk gen bevindt zich op een sliert DNA, die is verbonden aan een aanvullende sliert: de bekende DNA helix. Toch kon DNA onmogelijk de oorsprong van het leven hebben gevormd. DNA op zichzelf kan biochemisch gezien namelijk vrijwel niets, behalve dan spontaan recombineren met een bijpassend stuk DNA.
Om DNA te ‘lezen’ bestaat er daarom een bonte menagerie aan enzymen, waaronder DNA transcriptase, dat DNA vertaalt in messenger-RNA. Dit messenger-RNA is de ‘blauwdruk’ waarmee uiteindelijk eiwitten worden gebouwd.

We weten vrijwel niets van de omgeving waarin het eerste leven zich gevormd heeft. Bron: NASA

We weten vrijwel niets van de omgeving waarin het eerste leven zich gevormd heeft. Bron: NASA

RNA WAS VOORGANGER VAN DNA Een ander zeer essentieel onderdeel van een cel, dan dan ook in letterlijk elke levende cel voorkomt, is het ribosoom. Ribosomen bestaan opmerkelijk genoeg vrijwel geheel uit RNA (voluit: ribonucleïnezuur). Dit RNA leest stukken messenger-RNA en vertaalt deze, codon voor codon, in een eiwit. RNA dat RNA leest en vertaalt. En: er zijn naast ribosomen ook andere ribozymen, enzymen dus die niet uit eiwit bestaan maar uit RNA. Dit maakt RNA een ijzersterke kandidaat voor het vooroudermolecuul. Pas in een later stadium ontstond DNA, als stabielere opslag voor informatie. Geen wonder dat de RNA-wereld hypothese veel aanhangers heeft. Het is verreweg de meest overtuigende hypothese.

Zwakke punten RNA-wereld hypothese
Toch kent ook de RNA-wereld hypothese zwakke plekken. RNA is weliswaar biologisch actief,maar het is ook chemisch instabiel. RNA blijft zelden langer dan een dag intact. Ter vergelijking: op dit moment worden er experimenten gedaan die tot doel hebben diepgevroren mammoeten, waarvan het DNA tienduizenden jaren oud is, weer tot leven te wekken. Er moet dus een mechanisme hebben bestaan om RNA te beschermen tegen afbraak. Of… misschien was er een ander op RNA lijkend molecuul dat niet te lijden had onder dit zwakke punt.
Een dergelijk molecuul is nu gevonden.

RNA bestaat uit suikers, die d.m.v. fosfaatgroepen aan elkaar zitten. Aan elke suiker zit een ‘letter’, een nucleobase, die de informatie draagt. Bron: Wikipedia

DNA, RNA… TNA
DNA en RNA bestaan uit een keten van nucleïnezuren. Chemisch gezien bestaan deze uit een suikermolecuul waaraan een variant van een koolstof-stikstofring (nucleobase) hangt. De nucleobases dragen de informatie, de suikermoleculen, met fosfaatgroepen aan elkaar gekoppeld, vormen de keten. Het verschil tussen DNA en RNA ligt in de suiker: deze is bij RNA ribose, bij DNA desoxyribose (ribose met een zuurstofatoom minder). Er zijn nog meer varianten, die alleen in het lab voorkomen. Een daarvan is TNA. Dit heeft threose (een andere suiker) in plaats van ribose of desoyribose.
Volgens John Chaput van Arizona State University in Tempe is het belangrijkste voordeel,evolutionair gesproken, dat threose een kleiner en simpeler molecuul is dan ribose of deoxyribose, wat het makkelijker maakt om TNA te vormen.

TNA-enzym?
TNA blijkt ook een ander kunstje te beheersen waarvan tot nu toe werd aangenomen dat alleen RNA dit kon: zichzelf in een driedimensionale vorm opkrullen en zich aan een specifiek eiwit vastklampen, een noodzakelijke eerste stap om een chemische reactie te beïnvloeden. Chaput en zijn groep namen een bibliotheek van TNA’s en lieten ze evolueren in aanwezigheid van een eiwit. Na drie generaties ontstond een TNA-keten die een complexe opgevouwen structuur had en zich aan het eiwit kon binden.

Toch is de kans klein dat er iets als een TNA-wereld heeft bestaan. De chemische omgeving van de vroege aarde (of een andere plaats waar het leven is ontstaan) was zo chaotisch dat TNA niet uit zichzelf kon zijn ontstaan. In 2008 werd een onderzoek gepubliceerd waarin nucleïnezuren in een meteoriet werden beschreven, maar het ging hier slechts om bouwstenen van nucleïnezuren, niet de combintie van suiker + base en tot overmaat van ramp was hun concentratie erg klein. Chaput denkt daarom dat er een grote variëteit aan nucleïnezuren is ontstaan en dat deze alle met elkaar interacteerden. Een reageerbuis zo groot als de aarde dus.

Mozaïek-nucleïnezuren
Volgens een andere studie, deze keer van Nobelprijswinnaar Jack Szostak van Harvard University en zijn groep, kunnen ook mozaiekmoleculen bestaande uit DNA en RNA zich aan bepaalde moleculen binden. Kortom: ook in een chaotisch mengsel zouden zich in principe enzymen kunnen vormen. Wel is er een uiterst sterk tegenargument. We hebben in geen enkel organisme andere nucleïnezuren aangetroffen dan DNA of RNA.
Wat niet wil zeggen dat dergelijke organismen niet denkbaar zijn op exoplaneten of in deep space. En we weten nog maar weinig van de biochemie van TNA. Immers, de technieken om deze moleculen te laten evolueren zijn erg nieuw, aldus Chaput. Bovendien: we weten nog veel minder van de exacte omstandigheden op aarde, meer dan vier miljard jaar geleden. Wie weet zijn er ook nucleïnezuren die specifiek geschikt zijn voor hogere of veel lagere temperaturen. Dit zou de mogelijkheden voor het ontstaan van leven fors vergroten.

Bron:
1. Before DNA, before RNA: Life in the hodge-podge world, New Scientist (2012)
2. J. Shostak et al., Evolution of functional nucleic acids in the presence of nonheritable backbone heterogeneity, PNAS, 2011
3. John C. Chaput et al., Darwinian evolution of an alternative genetic system provides support for TNA as an RNA progenitor, Nature Chemistry (2012)

TNA,
http://www.nujij.nl/wetenschap/voorganger-van-dna-en-rna-ontdekt-genaamd-tna.15293628.lynkx#axzz1mCt4k8jf
Is de Aarde is in staat geweest leven te beginnen ontwikkelen uit suikers ?
Een biochemisch proces op een planeet met een vaste baan om zijn moederster ,met alle ingredienten aanwezig voor het eerste begin van leven. ?

-TNA blijkt een kunstje te beheersen waarvan tot nu toe werd aangenomen dat alleen RNA dit kon: zichzelf in een driedimensionale vorm opkrullen en zich aan een specifiek eiwit vastklampen, een noodzakelijke eerste stap om een chemische reactie te beïnvloeden.

“Mozaïek-nucleïnezuren
Volgens een andere studie, deze keer eentje van Nobelprijswinnaar Jack Szostak van Harvard University en zijn groep, kunnen ook mozaiekmoleculen bestaande uit DNA en RNA zich aan bepaalde moleculen binden.

Kortom: ook in een chaotisch mengsel zouden zich in principe enzymen kunnen vormen.
Wel is er een uiterst sterk tegenargument.
We hebben in geen enkel organisme andere nucleïnezuren aangetroffen dan DNA of RNA.” Waarom is de laatste zin een sterk tegenargument?
Het is toch goed mogelijk dat dit na miljoenen jaren vorming en ophoping in de miljarden pogingen van primitieve cellen de meest efficiente naar boven komt, en deze de rest heeft weggeconcurreerd?

Nobelprijswinnaar Jack Szostak van Harvard University en zijn groep moet je in de gaten houden,zij zouden zo maar eens het begin van het leven kunnen gaan verklaren met hun studies.
De webpagina van oa Jack Szostak,
http://exploringorigins.org/about.html

…. Over hert Onstaan van de eerste moleculen die een rol spelen in het opslaan en de transmissie van de genetische informatie.

De suiker-gemodificeerde nucleïnezuur analogen TNA(tetrose nucleïnezuur) en CeNA (cyclohexeen nucleïnezuur) vormden het onderwerp van mijn doctoraatsonderzoek.

TNA is, structureel, een eenvoudiger nucleïnezuur dan RNA, dat gesynthetiseerd kan worden uitgaande van natuurlijke beginproducten.

Bovendien is TNA in staat te hybridiseren met DNA en RNA.

Uitgaande van deze eigenschappen kan TNA beschouwd worden als een voorloper of alternatief van RNA bij het ontstaan van leven op aarde.

In mijn onderzoek werd aangetoond dat ribozymes (die beschouwd worden als katalysatoren in de eerste stadia van leven op aarde) die de gemodificeerde tetrose nucleosiden bevatten, hun catalytische activiteit bijna volledig verliezen.

We kunnen daarom besluiten dat TNA structureel te sterk verschilt van RNA om het bestaan van een catalytisch actief RNA/TNA chimeer ribozyme toe te laten.

Verder werd de enzymatische herkenning van TNA bouwstenen door polymerasen nagegaan. Hoewel threosyl nucleoside trifosfaten herkend worden door natuurlijke polymerasen is een enzymatische synthese van TNA beperkt tot twee opeenvolgende bouwstenen.’

https://lirias.kuleuven.be/handle/1979/76

Wel wat technisch, maar het gaat dieper in op o.a TNA, CNA, PNA, DNA http://www.genepool.com/pdf/NetherlandsPatent.pdf

“Een probleem bij de RNA-hypothese is dat nog onduidelijk is hoe een RNA-wereld precies uit levenloze materie ontstaan is. Hoewel het is gelukt bij experimenten korte, zelf-reproducerende RNA-moleculen kunstmatig te produceren,[23] wordt er sterk getwijfeld of RNA ook op natuurlijke manier zou kunnen zijn ontstaan.[24] De eerste ribozymen kunnen zijn gevormd uit simpelere nucleïnezuren zoals PNA, TNA of GNA en later door RNA zijn vervangen.” http://nl.wikipedia.org/wiki/Gebruiker:Woudloper/evolutie
De verwijzing naar wikipedia stamt voor het laatste uit 2006.
Een beetje uit de tijd dus.
Wetenschap ververst dagelijks met nieuwe feiten. 

BABYTAAL en babybrein

Primaten konden al snel praten //Knack – 09-08-2006/karl van den broeck

Resusaapjes spreken niet, maar ze hebben wel een taalcentrum in hun hersenen.

Wanneer apen naar het geluid van soortgenoten luisteren, gebruiken ze dezelfde gebieden in hun hersenen als wanneer mensen naar elkaars woorden luisteren.

Een internationaal team van wetenschappers schrijft deze week in Nature Neuroscience dat het dan ook niet denkbeeldig is dat de vroege voorouders van de mens taalcentra in de hersenen hadden, lang voor ze leerden spreken.

‘Door deze intrigerende ontdekking kunnen we beter begrijpen hoe taal in de loop van de evolutie ontstaan is’,

zegt Dr. James Battey, directeur van het National Institute on Deafness and Other Communication Disorders, dat meewerkte aan de studie.

‘Fossiele overblijfselen kunnen ons niet helpen, dus moeten we naar het heden kijken – door het scannen van de hersenen van nog levende niet-menselijke primaten. Zo kunnen we een glimp opvangen van hoe taal, of tenminste de neurale circuits die taal mogelijk maken, ontstaan zijn.’

Allen Braun van NIDCD trainde resusaapjes om stil in een PET-scanner te blijven zitten. De onderzoekers lieten de diertjes zowel geluiden van andere resusaapjes als computergeluiden horen en registreerden de hersenactiviteit. De apengeluiden activeerden de taalcentra in de hersenen, onder meer het brocacentrum. De computergeluiden veroorzaakten alleen activiteit in het gehoorcentrum.

‘We kunnen concluderen dat de laatste gemeenschappelijke afstammeling van de resusapen en de mens, die zo’n 25 tot 30 miljoen jaar geleden leefde, over de belangrijkste neurale mechanismen beschikte om tot de ontwikkeling van taal over te gaan’,

schrijven de wetenschappers.

‘Hoewel apen niet spreken, toch kennen ze een aantal vocalisaties die – zoals menselijke spraak – een mening coderen in willekeurige geluidspatronen.

Zo hebben de meeste apensoorten kreten die waarschuwen bij gevaar dat van boven komt – zoals een arend – of bij gevaar dat van de grond – zoals van een luipaard – komt.

Rhesusaap gebruikt ook  babytaaltje voor kind (maar dan dat

van  anderen)

28 augustus2007

http://vorige.nrc.nl/thema_archief_oud/nieuwswetenschap/article1832639.ece

HET GIRNEES

Vrouwelijke rhesusapen trekken de aandacht van kinderen van andere rhesusapen met speciaal geluid: girnees,(= girneys )  een soort nasaal huiltje.

Een moeder-rhesusaap met haar jong.

Een moeder-rhesusaap met haar jong.
(Foto APP)

Gek genoeg gebruiken rhesusaapjes ze niet voor hun eigen kinderen, maar ze worden vrij consistent gericht naar andere apenkinderen, niet naar volwassenen. Ze gaan bijna altijd samen met kwispelen, iets dat dit soort aapjes alleen maar naar kinderen doen. Het enige duidelijke effect van het geluid dat de onderzoekers konden observeren was dat in een aantal gevallen de apenkinderen hun aandacht inderdaad verlegden naar de girney-producerende aap en dat soms de aap contact met het kind had, positief of negatief.

Dit blijkt uit een onderzoek van een vrij levende rhesusapenkolonie op het kleine eiland Cayo Santiago nabij Puerto Rico over een aantal jaren, waarbij ieder van de 19 vrouwtjes uit de bestudeerde groep gemiddeld zo’n 17 uur in totaal geobserveerd is. De analyses door primatologen van het onderzoeksstation op Cayo Santiago en de University of Chicago worden gepubliceerd in het septembernummer van het vakblad Ethology.

De girneys gaan vaak samen met grommen, maar die grommen worden veel vaker en algemener gebruikt, als emotionele uiting of ook zonder duidelijke reden. De grommen klinken ook buiten het geboorteseizoen en hebben vaak geen duidelijk adres. Girneys klinken alleen in het geboorteseizoen en zijn altijd gericht op kinderen. Vaak is moeilijk te zien of ze gericht zijn op kinderen of op de moeder, bij rhesusapen klitten die nogal vaak bij elkaar. Maar als het kind even los is van zijn moeder is de girney in 90% van de gevallen duidelijk gericht naar het kind.

Er was al langer wetenschappelijke discussie over de aard van deze geluiden, tot nu werd gedacht dat het een soort vriendelijke bedoeling communiceerde, vooral gericht op de moeder van de andere aapjes. Het huidige onderzoek weerlegt die theorie. Het effect is lang niet altijd positief, soms wordt het kind zelfs ‘ruw behandeld’, en het geluid is ook niet gericht op de moeder. Het geluid drukt ook geen commentaar op het kind uit, zoals ook wel eens is voorgesteld.

Uit hun systematische observaties concluderen de onderzoekers dat het geluid vooral bedoeld is om de aandacht van een kind te vangen. Mogelijk is het ook een uiting van opwinding bij het zien van een kind.

De onderzoekers trekken een parallel met de menselijke eigenschap (van mannen en vrouwen) om in een typisch baby-taaltje met veel melodische wendingen (‘motherese’) tegen jonge kinderen te praten.

(*Opmerkelijk is ook dat verliefde mensen soms in  (nonsensicaal ?…..maar emotioneel betekenisvolle triggers  ?    )babytaaltje met elkaar praten  )

MENSELIJKE SPRAAK ONTWIKKELDE ZICH UIT BABYTAAL ? 

(° sommigen menen dat bepaalde  emotioneel geladen  vocaliserende   muziek-boodschappen   een  voorloper zijn   van taal  ; zingen is in alle geval een  beginnende  vorm van  luidkeels  roepen van ( sexueel geladen ? ) boodschappen   ) 

(Nog voor ze praat, kan ze spreken(DOOR SARA DE SLOOVER))

Het duurt tot baby’s drie jaar zijn voor ze kunnen praten. Bij sommige duurt het tot vijf jaar voor ze alle klanken kunnen uitspreken

*Baby herkent na half jaar spraak

De hersengebieden voor spraakherkenning en -productie reageren niet vanaf de geboorte op elkaar. Dat gebeurt pas als babys ongeveer zes maanden oud zijn, het moment dat ze ook beginnen met babbelen.

Dat zagen neurowetenschappers van de universiteit van Washington toen ze de hersenactiviteit van babys op drie leeftijden maten. Uit het gedrag van babys was wel eerder afgeleid dat de hersenen van een jong kind zich zo ontwikkelen, maar dit is de eerste keer dat het met hersenscans bevestigd is. De Amerikanen (en Finnen, want er werden Finse kinderen getest) publiceren in het tijdschrift NeuroReport van deze week.

Ze testten pasgeborenen, en babys van 6 en 12 maanden oud door ze verschillende geluiden te laten horen. E챕n geluid leek helemaal niet op spraak (een rij piepjes), een tweede een beetje (een herhaald muziekakkoord) en de derde waren gesproken lettergrepen: ta-ta-ta-ta. In alle geluiden brachten de onderzoekers soms een kleine variatie aan, om te zien of de babys iets opviel

Hoewel het hersengebied voor geluidsanalyse al bij de jongste kinderen reageerde, reageerde het gebied voor spraak vanaf zes maanden. Bij kinderen van een jaar was die koppeling nog sterker. Al maken de kinderen zelf geen geluid als ze spraakachtige klanken horen, ze activeren wel de gebieden die de bijbehorende mondbewegingen controleren. Mogelijk zijn er zogenaamde spiegelneuronen bij betrokken.

De resultaten wijzen er op, schrijven de onderzoekers, dat kinderen ervaringen nodig hebben om horen en spreken te verbinden. Rond vijf, zes maanden herkennen babys dat er een geluid komt als iemand zijn mond beweegt. Het is ook vanaf die leeftijd dat ze lettergrepen nadoen als ze ze horen, en dat ze hun moedertaal onderscheiden van andere spraak.

De neurowetenschappers uit Washington gebruikten voor hun onderzoek magneto-encefalografie, een techniek die het vuren van groepen hersencellen meet aan de hand van het minieme magnetisch veld dat door de elektrische activiteit wordt opgewekt


* HET MOEDEREES 

Hoewel geen twee mensen hetzelfde zijn, lijkt het of ze allemaal op hetzelfde zangerige toontje met zuigelingen keuvelen.Dat universele brabbeltaaltje, het ‘moederees’ ontstond volgens fysisch antropologe Dean Falk nog voor de menselijke spraak.Maar nog voor baby’s brabbelen, kun je al met ze praten: in Amerika is gebarentaal voor baby’s de nieuwe rage.

Over de hele wereld hanteren volwassenen instinctief een soort gebrabbel wanneer ze tegen zuigelingen praten.Langgerekte klinkers, zoetgevooisde stemmetjes en een vragende intonatie, het lijkt vaste prik bij een babywieg.

Volgens Dean Falk van Florida State University helpt het ‘moederees’ niet alleen jonge kinderen praten maar heeft het gekwebbel ook de verdere evolutie van de taal bevorderd.

” ….Onze voorouders ontwikkelden dit babytaaltje”, zegt Falk aan het tijdschrift Scientific American, “om met twee andere mijlpalen in de menselijke evolutie te kunnen omgaan: een groter brein en rechtop lopen.”

In tegenstelling tot andere primaten worden menselijke borelingen inderdaad compleet hulpeloos geboren. Terwijl een pasgeboren chimpansee zichzelf al vast kan klampen aan de buik of rug van zijn viervoetige mama moeten de zwakke mensenbaby’s met hun grote hoofden door hun tweebenige verzorgers overal naartoe gedragen worden Bij de vroegste mensen waren het de vrouwtjes die voor het leeuwendeel van de opvoeding instonden.

“Maar”, zegt Falk, “als ze hun kind steeds vast moesten houden werden die moeders gehinderd bij het plukken van noten, vruchten en kruiden. Met als gevolg dat ze minder te eten hadden.” De antropologe denkt daarom dat moeders hun kinderen tijdens de verzamelactiviteiten op de grond lieten zakken. “De oermama’s susten de zuigelingen met hun stemgeluid en staken ondertussen de handen uit de mouwen. Die ‘troost van op een afstand’ vormde de basis voor het ‘moederees’”, betoogt Falk. “Moeders die genetisch gezegend waren met een sterke capaciteit om hun kinderen in bedwang te houden, baarden meer kinderen die het haalden.Toen de mama’s steeds meer op hun stem vertrouwden, kwamen betekenisvolle woorden uit de klankenbrij tevoorschijn, die opgepikt werden door de anderen. Uiteindelijk raakten sommige begrippen wijdverspreid in de menselijke gemeenschappen, wat taal deed ontluiken.”

Paleoantropoloog Karen Rosenberg twijfelt aan de stelling dat onze vroegste voorouders hun kinderen op de grond zouden droppen.Want draagdoeken en draagbanden zijn in alle culturen alledaagse kost; behalve in de westerse, en ook daar winnen de mitella’s aan populariteit.

De voordelen? Je baby zit altijd dicht op je huid, wordt makkelijk vervoerd en heeft het nooit te koud. Waarschijnlijk waren dat ook de redenen waarom onze vroegste voorouders de doeken fabriceerden.

Met een kind in een draagdoek is er geen noodzaak om een systeem te ontwikkelen waarbij baby’s van op afstand gecontroleerd worden”, besluit Rosenberg.

Ook taalkundigen hebben hun bedenkingen.

Falks uitleg werpt licht op de oorsprong van spraak”, schrijft Derek Bickerton van de universiteit van Honolulu, “maar onthult niets over de oorsprong van taal. Hoe kreeg moeders melodieuze gekwebbel een symbolische betekenis? Spraak is maar één vorm van taal, net zoals morsecode en rooksignalen”, zegt Bickerton.

Gebarentaal is nog zo’n taalvariant. Onlangs ontdekte wetenschapster Laura-Ann Petitto dat horende baby’s met dove ouders ritmische hand- en armgebaren maken, een teken dat zij gebarentaal bewust in zich opnemen. Daaruit leidt ze af dat ‘handgebrabbel’ net dezelfde functie als verbaal gebrabbel heeft.

“De ukjes apen hun ouders na om taal, zij het dan in een andere vorm, aan te leren”, aldus Petitto.

De auteurs van het in Amerika razend populaire boek Baby Signs (Babygebaren) gaan nog een stapje verder. Volgens hen dingt gebarentaal naar de titel ‘allereerste taalvorm’

. “Baby’s zijn fysiek niet in staat de noodzakelijke klanken van een woord aan elkaar te rijgen maar ze doen wel vreselijk hun best”, zeggen schrijfsters Linda Acredolo en Susan Goodwyn.

“Babytaal zoals ‘wawa’ voor water is een eerste poging. Het kost tijd, vaak tot ze drie zijn, voor ze hun stembanden zo onder controle hebben dat die precies doen wat ze willen”, stellen de twee Californische psychologes in hun boek.

“Kleuters zijn vaak al vijf jaar voor ze alle klanken kunnen uitspreken”, beaamt logopediste Reinhilde De Backere.

“Het strottenhoofd van een baby’tje moet eerst indalen, en de motoriek van de lippen, de wangen en de tong moet op elkaar afgestemd worden”, zegt ze. “Vanaf zes maanden beginnen kinderen te brabbelen, maar het eerste betekenisvolle woord komt er pas rond de vijftiende maand aan.”

Na onderzoek bij honderden kleintjes lanceerden Acredolo en Goodwyn daarom in 1996 het radicale idee om horende baby’s gebaren te leren gebruiken voordat ze kunnen praten. De ideale startleeftijd ligt tussen negen en twaalf maanden.

Ons onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik van vingertaal leidt tot minder tranen en minder drift buien, omdat we onze kinderen beter begrijpen”, schrijven de dames.

De gebruikte gebaren zijn logisch en eenvoudig:

hijgen met de tong uit de mond voor ‘hond’, vingertop tegen omhooggedrukte neus voor ‘varken’, met de armen fladderen voor ‘vogel’, luidruchtig snuiven voor ‘bloem’ en onder de oksels krabben voor …’aap’.

Maar ook aan praktischer gestes zoals ‘drinken’ (duim tegen mond en drinkgebaar), ‘waar’ (handpalmen omhoog en opgetrokken schouders), ‘willen’ (gekromde vingers naar je toehalen) en ‘warm’ (lucht tussen de lippen doorblazen) is gedacht.

Volgens de dames scoren kinderen die de gestiek aangeleerd kregen bovendien significant hoger op latere IQ-tests.

(Babygebaren: praat al met je baby voor hij iets kan zeggen, door Linda Acredolo en Susan Goodwyn, )

_____INTERMEZZO ___________kinderbrein , FOXP2 en TAAL ————————————————————–

Het kinderbrein is anders dan dat van volwassenen  //Nienke Beintema

de klassieke hersendeling geldt alleen voor volwassenen

De hersenen van kinderen zijn niet strak verdeeld in afzonderlijke modules. Therapie bij ontwikkelingsstoornissen moet daarom anders, meent psycholoog Annette Karmiloff-Smith.

Genen én omgeving spelen een rol bij de menselijke ontwikkeling, dat staat inmiddels buiten kijf. Onder specialisten woedt echter de nature-nurture-discussie nog altijd voort, maar dan op een gedetailleerder niveau.

Dat heeft belangrijke gevolgen voor onderzoek naar ontwikkelingsstoornissen. De klassieke neuropsychologie gaat uit van een model waarbij de uiteindelijke rol van de verschillende hersengebieden al bij de geboorte vaststaat, vertelt prof. dr. Annette Karmiloff-Smith, hoofd van het instituut voor kindergezondheid van het University College London. Die verschillende hersengebieden zouden zich dan ook onafhankelijk van elkaar ontwikkelen.

Dat model is gebaseerd op waarnemingen bij mensen die hersenletsel hebben opgelopen, bijvoorbeeld door een ongeluk of een tumor. Vaak is bij zulke pati챘nten slechts 챕챕n functie aangetast, zoals spraak, terwijl de overige functies volledig intact zijn. Daaruit concludeerden wetenschappers dat de menselijke hersenen opereren in onafhankelijke modules. Naast spraak zijn er bijvoorbeeld modules voor ruimtelijk inzicht, motoriek, rekenvaardigheid en gezichtsherkenning.

Het kan wel zijn dat de hersenen op l찼tere leeftijd zo werken, zegt Karmiloff-Smith, maar bij jonge kinderen is dat in elk geval niet zo. Alle gebieden in het kinderbrein staan intensief met elkaar in verbinding. Pas na verloop van tijd krijgt ieder hersengebied zijn eigen functie. Sommige verbindingen verdwijnen en andere worden juist sterker.

Karmiloff-Smith pleit er dan ook voor dat kinderen met een ontwikkelingsstoornis een andere behandeling krijgen dan volwassenen met hersenletsel. Die krijgen vaak intensieve training in de ene vaardigheid waarvan het hersengebied beschadigd is. Maar kinderen, zo redeneert Karmiloff-Smith, zouden een veel bredere cognitieve stimulering moeten krijgen, die bovendien meteen begint zodra een stoornis is vastgesteld. Dat klinkt logisch, maar de conventionele therapie begint vaak pas als een kind leert lezen en schrijven en gaat ervan uit dat het zich ontwikkelende brein in modules werkt.

Met moderne technieken kunnen we de ontwikkeling van de hersenen tegenwoordig nauwkeurig volgen, vertelt Karmiloff-Smith. We meten de elektropotentialen van verschillende hersengebieden terwijl iemand een bepaalde taak uitvoert. Zo weten we dat volwassenen voor het herkennen van gezichten vooral hun rechter hersenhelft gebruiken. Als je een baby fotos van verschillende gezichten laat zien, zie je echter dat beide hersenhelften even actief zijn. Na zes maanden begint de activiteit zich te concentreren in de rechter hersenhelft, en na twaalf maanden speelt de linker hersenhelft vrijwel geen enkele rol meer. Je ziet dus dat specialisatie en lokalisatie heel geleidelijk optreden

De grote vraag bij onderzoek naar ontwikkelingsstoornissen is in hoeverre die beide processen vanzelf verlopen. Liggen ze van tevoren al genetisch vast, of is de ontwikkeling een reactie op de omgeving? Karmiloff-Smith: Het is absoluut een combinatie van beide. De genen bepalen de uitgangssituatie en scheppen de mogelijkheid tot ontwikkeling, maar de omgeving zorgt voor de fijne nuances van de specialisatie

Daarom is het van groot belang dat een kind tijdens bepaalde gevoelige perioden aan de juiste prikkels wordt blootgesteld. Anders verdwijnen de benodigde verbindingen in de hersenen en verliest het kind het vermogen om een bepaalde vaardigheid of eigenschap te ontwikkelen.

Het vreemde is dat die prikkels niet altijd direct iets met de uiteindelijke functie te maken hoeven te hebben. Een opvallend voorbeeld is het belang van de interactie tussen moeder en kind, zegt Karmiloff-Smith. Die interactie, ook het non-verbale gedeelte ervan, is van cruciaal belang voor de taalontwikkeling van het kind. De kwaliteit van de moeder-kind-interactie bepaalt hoe snel een kind onderscheid leert maken tussen verschillende klanken. Keer op keer zien we dat functies die op het eerste gezicht totaal ongerelateerd zijn, bij jonge kinderen toch nauw met elkaar samenhangen. Die scheiding treedt pas op latere leeftijd op

Het gevolg is dat een relatief kleine aangeboren afwijking verstrekkende gevolgen kan hebben. Meestal is er niet slechts 챕챕n functie aangetast, maar meerdere. Karmiloff-Smith noemt als voorbeeld het Williams-syndroom (WS). Kinderen met deze afwijking hebben een gemiddeld IQ van rond de vijftig. Ze hebben een zeer beperkt ruimtelijk inzicht en rekenvermogen, maar hun taalvermogen is opmerkelijk goed. De klassieke ontwikkelingspsychologie behandelt deze pati챘nten net zoals volwassenen met een hersenbeschadiging: therapie richt zich op de meest opvallende afwijking.

Maar hier is iets heel anders aan de hand, meent Karmiloff-Smith. De afwijking ontstaat doordat een klein stukje DNA ontbreekt, met daarop een viertal genen die van belang zijn voor de groei en doorbloeding van de hersenen, voor de chemische reacties in de hersenen en voor signaaloverdracht. Als gevolg daarvan zijn de hersenen van WS-patiËnten structureel en functioneel anders dan normale hersenen.

Ook al lijkt het taalvermogen van WS-pati챘nten normaal, de kans is groot dat ze dat op een andere manier hebben ontwikkeld dan normale kinderen. Als je heel goed kijkt, zie je bovendien subtiele afwijkingen in alle cognitieve functies, inclusief het taalvermogen. Het heeft daarom geen zin WS-pati챘nten alleen te trainen in rekenen en ruimtelijk inzicht. Hun hersenen zijn fundamenteel anders dan volwassen hersenen waarvan 챕챕n gedeelte is beschadigd

Het brengen van zon ingewikkelde boodschap is niet gemakkelijk. Vaak loopt Karmiloff-Smith tegen het probleem op dat collega-wetenschappers en therapeuten, maar ook journalisten, het verhaal liever simpel houden. Het is veel aantrekkelijker een onderzoek te presenteren dat concludeert: gen X codeert voor functie Y, dan te zeggen: het ligt veel ingewikkelder en we weten er eigenlijk nog veel te weinig van, schampert de psycholoog. Maar dat is vaak wel de waarheid. Gen X codeert nooit voor functie Y, en al helemaal niet bij hogere cognitieve functies zoals taal

Ze noemt het voorbeeld van de ophef die een jaar of vijf geleden ontstond toen wetenschappers enthousiast meldden dat ze een taalgen hadden ontdekt. Het gen, FOXP2, bleek defect bij mensen met ernstige aangeboren taal- en spraakstoornissen, terwijl het bij gezonde mensen intact was.

Het gen heeft inderdaad met taal te maken, vertelt Karmiloff-Smith, maar op een veel indirectere manier dan men dacht. Mensen met een FOXP2-afwijking hebben niet alleen moeite met taal en spraak, maar ook met bijvoorbeeld fijne motoriek, het co철rdineren van bewegingen en het waarnemen en produceren van ritmes. Mijn conclusie is dat FOXP2 een onderliggende genetische factor is die al deze processen, en ook taal en spraak, mogelijk maakt. Het gen werkt op een veel lager niveau: het be챦nvloedt de co철rdinatie en timing van snelle bewegingen, waaronder de mond- en tongbewegingen die nodig zijn om te kunnen spreken.

Steeds opnieuw is de boodschap dat cognitieve functies uiteindelijk weliswaar gescheiden zijn, maar gedurende de ontwikkeling intensief met elkaar verbonden zijn en elkaar kunnen aansturen. Wil je onderzoeken hoe de normale en de afwijkende ontwikkeling precies verlopen, dan zul je dus meerdere momenten in de ontwikkeling onder de loep moeten nemen en zo vroeg mogelijk moeten beginnen

Het liefste zou ik ook onderzoek doen aan ongeboren kinderen, zegt Karmiloff-Smith, maar daar heb ik helaas nog geen toestemming voor. Ik zou bijvoorbeeld willen onderzoeken wanneer normale en afwijkende kinderen, bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down, onderscheid leren maken tussen verschillende klanken en tussen verschillende ritmes. Dat kun je in de baarmoeder al meten. Vervolgens kun je dan kijken of Down-kinderen baat hebben bij verschillende soorten van geluidsstimulering tijdens de zwangerschap.

Voorlopig beperkt het onderzoek zich tot babys en kleuters. Een van de vragen die Karmiloff-Smith wil beantwoorden, is hoe goed babys van verschillende leeftijden in staat zijn klanken van elkaar te onderscheiden. Zo wil ze in kaart brengen welke hersengebieden op welk moment in de ontwikkeling betrokken zijn bij klankverwerking, en welke patronen er bij normale en afwijkende ontwikkeling optreden.

Je kunt het aan een baby zien wanneer hij een klank hoort die hij niet verwacht, vertelt ze. Als je tegen een baby zegt: ba – ba – ba – pa, dan zal hij bij de klank pa even zijn hoofd draaien. Het blijkt dat babys van zes maanden vrijwel alle mogelijke klanken van elkaar kunnen onderscheiden. Vier maanden later kunnen ze dat alleen nog bij klanken die in hun moedertaal voorkomen. Hun brein heeft zich gespecialiseerd in de moedertaal. Hetzelfde geldt voor het herkennen van gezichten. Jonge babys kunnen individuele gezichten moeiteloos van elkaar onderscheiden, ook van andere rassen en zelfs van chimpansees, terwijl babys van tien maanden dat alleen nog bij hun eigen ras kunnen.

Dergelijk onderzoek levert echter meer vragen op dan antwoorden: We zouden bijvoorbeeld graag willen weten wanneer die omslag precies plaatsvindt, hoe geleidelijk die is, of die bij gezichts- en klankherkenning precies op hetzelfde moment ligt, welke omgevingsfactoren van belang zijn en wat de individuele variatie bij gezonde kinderen is. Het probleem is dat je dan veel meer kinderen zou moeten onderzoeken. Ook zou je niet alleen verschillende leeftijdsgroepen moeten onderzoeken, maar ook individuele kinderen gedurende langere tijd moeten volgen. Dat is praktisch gezien erg lastig.

Uiteindelijk wil Karmiloff-Smith haar inzichten omzetten in praktische richtlijnen voor therapeuten en ouders. Natuurlijk hoeft niet iedereen precies te weten hoe het zit, zegt ze, maar een klein beetje inzicht in de complexiteit van ontwikkeling kan een groot verschil maken, en niet alleen bij kinderen met stoornissen. Als je kind vanuit zijn kinderstoel alsmaar zijn speelgoed op de grond gooit, dan is hij niet per se jouw grenzen aan het testen. Nee, hij is aan het uitvinden hoe zwaartekracht werkt, wat diepte is en hoe hij voorwerpen kan verplaatsen. Je kind is een wetenschapper. Als je je daarvan bewust bent, wordt opvoeden leuker en gemakkelijker.

De gebieden in het kinderbrein zijn intensief verbonden
De omgeving regelt nuances van de hersen-specialisatie
De Britse Annette Karmiloff-Smith (1938) is een van de grootste namen in de hedendaagse ontwikkelingspsychologie. Ze begon haar carri챔re in Zwitserland bij Jean Piaget (1896-1980), de grondlegger van de ontwikkelingspsychologie. Sindsdien heeft ze baanbrekend onderzoek verricht naar normale en afwijkende ontwikkeling bij kinderen. Voor haar werk ontving ze talloze internationale prijzen, waaronder in 2002 de Latsis Prize for Cognitive Sciences van de European Science Foundation. Op donderdag 29 juni aanvaardde ze de Frijda-leerstoel van het Cognitive Science Center van de Universiteit van Amsterdam.

———————————————————————————————————————————————————-

ONVERMOEDE  POTENTIES   

Jonge babys rekenen echt, blijkt uit hersengolven

10-08-2006   Michiel van Nieuwstadt

Dat het jonge babys opvalt als een knuffel wordt weggepakt is bekend. Maar is dat rekenen? Jawel, zo blijkt uit analyse van hun hersengolven.

Bij het zien van een foute optelsom reageren babys van 6 tot 9 maanden met een patroon van hersengolven dat lijkt op dat van volwassenen die rekenen.

Dat hebben de Isra챘lische psychologe Andrea Berger en haar collegas van de universiteit van Ben-Gurion aangetoond in een experiment waarin ze tegelijkertijd de aandacht 챔n de hersengolven registreerden van 24 babys van gemiddeld ruim zeven maanden oud die toekeken hoe knuffels voor hun neus werden weggenomen.

Het experiment wordt beschreven in een artikel dat afgelopen maandag is geplaatst op de website van het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.(08-2006 )

Vanaf de schoot van vader of moeder liet Berger babys vier seconden lang kijken naar twee identieke kopie챘n van Winnie de Poohs vriend Teigetje. De knuffels werden vervolgens door een blauw schermpje aan hun oog onttrokken. Daarna zagen de kinderen hoe een van de twee knuffels boven het scherm werd uitgetild en verdween. Ten slotte haalden de onderzoekers het scherm weer weg zodat de kinderen het correcte resultaat (één Teigetje over) of het foute (twee Teigetjes) konden aanschouwen.

Berger stelde vast dat de babys naar een correct aantal Teigetjes gemiddeld 6,94 seconden bleven kijken voordat ze de aandacht ergens anders op richtten. Werd in de optelsom een fout gemaakt dan keken ze ruim een seconde langer (8,04 seconde).

Gedurende het experiment maakten de onderzoekers een elektro-encefalogram (EEG): ze plaatsten het babybolletje vol met 128 sensoren die de spanningsverschillen tussen verschillende hersendelen registreren. Zo kon worden vastgesteld dat de 15 kinderen die langer bleven kijken naar een foute optelsom een patroon van hersengolven vertoonden dat ook bij volwassenen steeds terugkomt als ze fouten maken of te zien krijgen.

Het experiment bevestigt dat zeer jonge kinderen gevoel hebben voor rekenfouten. Bovendien heeft Berger met de hersenscans een manier gevonden om tal van eerdere experimenten te verifi챘ren waaruit verregaande conclusies over de mentale capaciteiten van jonge kinderen zijn getrokken.

Het aantal seconden dat kinderen naar poppen, knuffels of andere objecten bleven kijken is onder andere gebruikt om aan te tonen dat babys van tien maanden razendsnel woorden leren en dat peuters van vijftien maanden kunnen vaststellen dat iemand anders zich vergist. Dat laatste betekent dat deze zeer jonge kinderen zich al in anderen kunnen verplaatsen; ze hebben een theory of mind.

Er was in de afgelopen jaren nogal wat kritiek gekomen op deze vergaande interpretaties van de kijkduur.

Sommige wetenschappers betoogden dat de langere aandacht voor een foute rekensom niet betekende dat jonge kinderen een rudimentair rekenvermogen hadden. Zo zou de aandacht in sommige gevallen verklaarbaar zijn doordat er simpelweg iets was veranderd in het blikveld van de kinderen. Dat laatste is nu minder aannemelijk gemaakt omdat bij de babys niet alleen de aandacht is gemeten, maar ook hersenactiviteit die past bij het ontdekken van fouten.

—————————————————————————————————————————————————————

Baby’s begrijpen wat volwassenen denken

Ze lijken hulpeloze bundeltjes die alleen wenen, eten en slapen, maar baby’s kunnen meer dan we denken. Zo begrijpen ze wat volwassenen denken en voelen, en kunnen ze volwassenen zelfs helpen met een probleem. Lang voor ze kunnen praten, kunnen baby’s al op een complexe manier communiceren. Dat meldt de Britse krant Daily Mail op basis van Duits onderzoek.

Gevallen voorwerp
De onderzoekers plaatsten enkele voorwerpen op een tafel, waar de baby op de schoot van hun vader of moeder zat. Telkens werd een voorwerp zodanig gezet dat het uiteindelijk van de tafel zou vallen. In bepaalde gevallen keek de onderzoeker naar het vallende voorwerp, in andere niet. Na de val, keek de onderzoeker verward en vroeg hij de baby waar het voorwerp naartoe was.

De baby’s hielpen de onderzoeker die het voorwerp had zien vallen niet. Bij de onderzoeker die het voorwerp niet had zien vallen, probeerden ze de locatie aan te wijzen. Dat wijst erop dat baby’s begrijpen wanneer iemand weet waar iets ligt en dus geen hulp nodig hebben.

Zonder woorden
“Dit werpt een heel ander licht op de babycommunicatie. Het feit dat ze weten dat iemand eigenlijk weet waar iets ligt, en vervolgens kiezen of ze iemand helpen of niet, duidt op een heel complexe vorm van communicatie. Ze begrijpen wat volwassenen willen en dat zonder woorden.”

Of hoe de film ‘Look who’s talking’, waarin de redelijk complexe gedachten van een baby verwoord worden, toch niet zo ver van de waarheid zat… (edp)

 17/09/08
Taal in een babybrein wordt op volwassen manier verwerkt

Niki Korteweg

http://archief.nrc.nl/?modus=l&text=neurologie&hit=2&set=1

Al voordat kinderen praten is hun brein klaar voor het leren van taal. Een babybrein van drie maanden oud slaat al korte zinnen op, en het herkent die zinnen wanneer ze herhaald worden. En de grijze massa in het babyhoofdje bevat een reeks taalverwerkende hersengebieden met dezelfde structuur als in een volwassen brein. Zelfs het gebied van Broca, bij volwassen actief bij taalproductie en innerlijke spraak, is er op een volwassen manier actief (Proceedings of the National Academy of Sciences, Early Edition 5 september).

Mensenbabys beginnen in de eerste levensmaanden met het zich eigen maken van hun moedertaal. Ze leren dingen als de klanken en de intonatie van de taal kennen. De Franse onderzoekster Ghislaine Dehaene-Lambertz en haar medewerkers willen graag weten hoe en waar dat in de hersenen gebeurt. Ze legden tien Franse babys van 11 tot 17 weken oud in een functional magnetic resonance imaging (fMRI) scanner en lieten korte, welluidende Franse zinnetjes horen
Bij de meeste volwassenen vindt taalverwerking in een vaste rangorde plaats in een aantal hersengebieden in de linker hersenhelft. De gebieden liggen rondom de Sylvius-groeve, een grote groeve aan de zijkant van de hersenen. In het babybrein was ook een netwerk van gebieden rondom die groeve actief bij het horen van gesproken zinnen, en ook in een vaste rangorde. Of naast spraak ook andere geluiden het netwerk van hersengebieden kunnen activeren, hebben de onderzoekers niet onderzocht.
Het gebied van Broca, dat ook bij de Sylvius-groeve ligt, reageerde als een van de laatste gebieden. Bij volwassenen is dat gebied belangrijk voor het produceren van spraak, voor het in gedachten praten, en voor het verbale geheugen op de korte termijn. Het is opzienbarend dat ook bij babys die nog niet kunnen praten dit gebied al actief is. De eerste baba of dada brabbelt een baby doorgaans pas rond de zevende maand. De onderzoekers denken dat het gebied van Broca al bij hele jonge babys belangrijk is voor het verbale geheugen. Ze zagen dat de hersenactiviteit in dat gebied hoger was wanneer dezelfde zin na veertien seconden nog eens herhaald werd

fMRI-onderzoek met zulke jonge babys is nogal een uitdaging. Ze moeten zo min mogelijk bewegen, slapen, schrikken of huilen. Om het oorverdovende lawaai van de scanner te dempen, hadden de onderzoekers het binnenste van de scanner met geluiddempend schuimrubber bekleed. De babys zelf kregen een geluidswerende helm met koptelefoons erin op hun hoofdjes, en daarover heen nog een schuimrubber muts. Ze werden op een speciale stretcher met banden vastgemaakt zodat ze zo min mogelijk konden bewegen.

Tijdens het scannen bleef een onderzoeker via een spiegel in het zicht van de baby

DE TAAL DER BEESTJES

Dieren hebben vele verschillende manieren om te communiceren.

Jarenlang heeft men gedacht dat taal één van de dingen is die de mens onderscheidt van het dier. Sinds er onderzoek wordt gedaan naar vormen van communicatie die door dieren worden gebruikt, komt men er steeds vaker achter dat veel diersoorten zeer ingewikkelde vormen van ‘taal’ hebben.

Taal  <—-Archief document

°

De taal der  ” kleine  beestjes” 

Als insekten elkaar iets mededelen, zijn ze niet alleen aangewezen op geluidssignalen of aanrakingen, maar ze kunnen ook gebruik maken van oppervlaktevibratie, lichtsignalen, dansfiguren en scheikundige stoffen.

Ook de smaak en vooral de geurende chemische stoffen, zoals de feromonen, die het gedrag van soortgenoten en andere soorten insekten zo sterk beinvloeden zorgen voor heel wat geluidsloze mededelingen tussen insekten onderling.

Dat speelt allemaal een rol bij de communicatie tussen krekels, sprinkhanen, dag- en nachtvlinders, schorskevers, mieren, bijen, wespen, termieten en nog andere soorten insekten.(1)
Communicatie behelst zowel de hofmakerij als het leggen van geursporen …We moeten dus aandacht schenken aan de zintuigen, zoals antennes, ogen, oren, maar ook
aan geluidvormende organen.

Mieren communiceren bijna uitsluitend met elkaar door middel van chemische signalen. (1)

Ze hebben organen waarmee ze stoffen kunnen uitscheiden (zoals mierenzuur) die voor andere mieren een bepaalde betekenis hebben. Je kunt dit vooral goed zien op plekken waar grote stromen mieren heen en weer lopen, allemaal achter elkaar op hetzelfde pad. Dit pad is gemarkeerd met behulp van deze stoffen. Ook als een mierennest wordt aangevallen maken de mieren in het nest van deze stoffen gebruik. De soldaatmieren merken een bepaalde stof op en weten dat ze bij het nest moeten komen, om dit te verdedigen.


(1) Er blijken ook eusociale spinnen te bestaan …

(2) (Niet) alle mieren op één hoop

http://noorderlicht.vpro.nl/afleveringen/3979170/items/4126230/

Zeker, ze houden van zaden, de rode oogstmieren. Dus is het feest als Deborah Gordon bij zonsopkomst een handvol zonnepitten en maïskorrels bij de nestingang legt – de buit wordt direct ijverig naar binnen gesleept. Maar doet ze dat later op de dag, als de verkenners al op pad zijn gegaan, dan vertonen de mieren opmerkelijk genoeg geen enkele interesse. De mieren zien de lekkernij volledig over het hoofd en lopen er gewoon overheen.

Sluit dit venster

Snel worden de zaden het nest ingesleept

“De verkenners zetten ’s ochtends de route uit waarlangs die dag naar voedsel moet worden gezocht,” zegt Gordon. “Daar wordt die dag dan niet meer vanaf geweken.” Kennelijk wordt die route op de één of andere manier aan alle voedselzoekers doorgegeven, en is de ‘route-beschrijving’ zó dwingend dat het de mieren verblind voor het voedselpakket pal voor de deur.

Toch is het mierengedrag lang niet zo star als altijd is beweerd, en Gordon was de eerste die dat constateerde: zowel individueel als groepsgewijs blijken mieren behoorlijk flexibel in hun gedrag. Gordon legde onder meer het idee onder vuur dat elke mier in een kolonie een vaste functie heeft – wordt een mier als voedselzoeker geboren, of bijvoorbeeld als verkenner, dan verandert dat niet meer, was lange tijd het idee. Door individuele mieren te merken met een stip – wit voor de werksters, paars voor voedselzoekers – zag Gordon dat werksters soms promoveerden tot voedselzoekers.

Maar ook de kolonie als geheel blijkt zich niet altijd hetzelfde te gedragen: een jong nest doet andere dingen dan een oude kolonie. Zo zijn nieuwe nesten veel agressiever dan oudere nesten. Komen de leden van een jong nest in contact met mieren van een ander nest, bijvoorbeeld omdat ze op dezelfde plaats naar voedsel zoeken, dan keren ze de volgende dag toch terug naar die plaats.

Een oudere groep doet dat meestal niet, maar gaat de volgende dag elders op zoek, op een plek waar geen strijd geleverd hoeft te worden met concurrenten.

Zulke gedragsanderingen impliceren dat de mieren informatie met elkaar uitwisselen, maar Gordon weet niet goed welke ‘taal’ ze daarvoor gebruiken.

Ze vermoedt dat de antennes aan de kop van de insecten een rol spelen. Die kunnen volgens haar tot op zekere hoogte ook verklaren waarom een oude kolonie zich anders gedraagt dan een jong nest. In de eerste vijf jaar groeit een kolonie geleidelijk uit tot zo’n twaalfduizend insecten. “Een individuele mier kan de grootte van het nest niet overzien,” zegt Gordon.

“Maar je kunt je wel voorstellen dat het aantal aanrakingen met de antennes van andere mieren invloed heeft op wat een mier besluit te gaan doen. In een jonge kolonie, met een kleinere omvang en minder mieren, zijn er minder ontmoetingen dan in een ouder, groter nest.”

http://noorderlicht.vpro.nl/afleveringen/3979170/items/4126261/

De taal der insecten
1.03.2006
F.J. Ritter en C.J. Persoons
SAMENVATTING
Insecten kunnen veel beter ruiken dan mensen. Ze maken ook gebruik van een geurtaal.
Insecten (en ook sommige zoogdieren) scheiden feromonen af, signaalstoffen.
Ze kunnen diverse functies hebben: sexlokstoffen, spoorvolgstoffen, alarmstoffen, enz.
Chemici en entomologen (insectendeskundigen) van TNO (de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) Delft deden al in de jaren zestig onderzoek (later in samenwerking met de toenmalige Landbouwhogeschool Wageningen) naar de chemische aard en werking van feromonen.
Ze ontdekten spoorvolgstoffen van termieten en de faraomier, sexlokstoffen van motjes en de Amerikaanse kakkerlak en het alarmferomoon van bladluizen.
Bovendien werden lokstoffen van de muskusrat ge챦dentificeerd.
Figuur 1. Een bladluis, zoals de afgebeelde perzikbladluis, Myzus persisae, scheidt, wanneer hij aangevallen wordt, een druppeltje af dat een alarmferomoon bevat. Hierdoor worden soortgenoten gealarmeerd en tot een vluchtreactie aangezet.

Bij het onderzoek moest met minieme hoeveelheden gewerkt worden: nanogrammen of op zijn best microgrammen. Er werd van diverse analytische technieken gebruik gemaakt: chromatografie, massa-spectrometrie en kernmagnetische resonantie (NMR). Een heel bijzondere was de electroantennografie. Bij deze techniek wordt een voelspriet van een insect in een apparaat geplaatst. De te onderzoeken vluchtige stof wordt langs de antenne geleid. Als de antenne reageert, geeft deze een elektrisch signaal af, dat wordt geregistreerd.

Figuur 2. Termieten blijven een kunstmatig cirkelvormig spoor van uiterst geringe hoeveelheden van hun spoorferomoon soms urenlang volgen. Het spoor in deze proef bevatte een miljoenste mg feromoon per cm. Het effect treedt al op bij een concentratie die nog een miljoen maal lager ligt, dit komt ongeveer neer op een enkelvoudige rij aaneengesloten moleculen!

Sexferomonen
TNO was een pionier op het gebied van feromoononderzoek. TNO-werkers publiceerden in 1971 de structuur van het sexferomoon van de vruchtbladroller Adoxophyes orana (een plaag in de appelteelt). Dit was het eerste sexferomoon van een schadelijk insect, in Europa ge챦dentificeerd. De toepassing in de bestrijding van het insect werd in hetzelfde jaar geoctrooieerd. Reeds kort na de ontdekking werd het routinematig toegepast voor het aantonen van het motje. Later werd het ook gebruikt om de paring te verstoren. Door een overmaat feromoon ruikt het mannetje overal vrouwtjes en kan dus de ware niet vinden!


Figuur 3. Samenstelling van de sexferomonen van drie Europese bladrollers, die in Nederland werden ge챦dentificeerd. Hieruit blijkt duidelijk het cruciale belang van de juiste verhouding van de componenten.

Faraomier
Het feromonenonderzoek leverde veel verrassingen op. Ook ‘in het voetspoor van Van ’t Hoff’: de feromonen bleken vaak uit twee optische isomeren te bestaan. In andere gevallen (de spoorvolgstof van de faraomier) bleken twee stoffen van totaal verschillende aard samen te werken. Het sexferomoon van de Amerikaanse kakkerlak (fig. 5) bleek uit twee componenten te bestaan die ieder op zichzelf volkomen onwerkzaam waren maar tezamen, in specifieke verhoudingen, wel actief.

Het onderzoek werd in sommige gevallen verricht in samenwerking met buitenlandse onderzoeksgroepen in Japan, N. Amerika, India of Uruguay. Het werk aan het spoorvolgferomoon van de faraomier en een feromoon van de Duitse kakkerlak (Blattella germanica) werd verricht in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygi챘ne. Tal van Nederlandse huizen zijn tegenwoordig dankzij dit onderzoek vrij van de faraomier.

Figuur 4. Een vrouwelijke vlinder (Spodoptera exigua, in Nederland ook wel Floridamot genoemd) in ’calling position’. De geurklier wordt uitgestulpt en produceert een wolkje feromoon van een complex parfum dat de mannetjes aantrekt.

Fruitmot
Ook de industrie maakte gebruik van de expertise van TNO. Blijkens een bijdrage van Denka te Barneveld aan het boekje Sterke Staaltjes uit 1997 wordt het sexferomoon van de vruchtbladroller nog steeds gebruikt voor signaleringsdoeleinden. ‘TNO heeft een zeer goed functionerend controlled release systeem ontwikkeld voor de fruitmot, waarmee het feromoon in een bepaalde periode in de juiste dosis wordt vrijgegeven’. Ook is een commercieel product voor de bestrijding van sommige bladluizen gemaakt: een alarmferomoon dat met een spuitbus wordt toegediend. ‘Zodra de luizen ermee in contact komen, laten ze zich in doodsnood van de plant vallen’. Door TNO op het spoor van de chemische communicatie gezet, heeft Denka ook een product tegen de kamervlieg ontwikkeld. Dit wordt inmiddels wereldwijd toegepast. Voor hun werk op feromonengebied werd aan de TNO-onderzoekers dr. F.J. Ritter en dr. C.J. Persoons in 1978 de Kon./Shell Prijs toegekend.

Figuur 5. Structuur van de sexferomonen van de Amerikaanse kakkerlak, Periplaneta americana.

Literatuur:
F.J. Ritter, C.J. Persoons, Signaalstoffen bij insecten, Natuur en Techniek 42 (1974), 626-643
F.J. Ritter, C.J. Persoons, Insect pheromones as a basis for the development of effective selective pest control agents, Drug Design Vol. 7, Academic Press, New York (1976), p. 59-114
F.J. Ritter (ed.), Chemical Ecology: Odour Communication in Animals, Elsevier/North Holland, Amsterdam (1979).
W.H.J.M. Wientjes, A.C. Lakwijk, T. v.d. Marel, Alarm pheromone of grain aphids, Experientia 29 (1973), pp. 658-660.
C.J. Persoons et al. Tetrahedon Letters, pp. 1747-1750 (1990).

Zie ook:

Bijenballet

Dansend de winter door

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/9137238/

Een bij kan door middel van een dansje haar vriendinnen vertellen waar lekkere bloemetjes te vinden is. Voor de bijenkorf maakt het niet uit of de bijenvriendinnen luisteren of niet, behalve in de winter.

Sluit dit venster

De binnenkant van een bijenkorf is net een drukke disco. Overal zijn bijen aan het dansen, terwijl anderen toekijken. Maar de bijen dansen niet voor de lol. “De dans lijkt op een verkleinde opvoering van de vlucht naar het voedsel”, schrijven Gavin Sherman en Kirk Visscher van de Universiteit van California in het tijdschrift Nature. Bij het dansen rent de bij waggelend heen en weer.

De richting waarin ze rent ten opzichte van een referentiepunt in de bijenkorf geeft de richting ten opzichte van de zon die de andere bijen aan moeten houden om het voedsel te vinden. Het referentiepunt in de korf kan de zon zijn, of een kunstmatige lichtbron.

Een bij kan dus aan anderen vertellen waar er bloemen te vinden zijn. Het dansen geeft niet alleen informatie over waar het voedsel zich bevindt maar heeft bovendien een ‘cheerleader’-effect. Het enthousiasmeert de andere bijen om ook eten te gaan zoeken. Het was echter nog niet bekend of het dansen de opbrengst van de bijenkorf ook daadwerkelijk vergrootte. Door een korf waar bijen elkaar juiste informatie geven te vergelijken met een korf waar bijen elkaar onduidelijke informatie geven, hebben Gavin Sherman en Kirk Visscher bewezen dat het dansen de opbrengst inderdaad ten goede komt. Maar niet in alle omstandigheden.

In het zuiden van Californi챘, waar bijen het hele jaar door voedsel kunnen verzamelen, werden twee bijenkorven geplaatst. De bijen van 챕챕n korf kregen een duidelijk referentiepunt: een kunstmatige lichtbron. Deze bijen renden bij het dansen zoals verwacht steeds in dezelfde richting heen en weer, en gaven daarmee duidelijke richtingaanwijzingen aan hun vriendinnen. De andere korf daarentegen had geen referentiepunt want die werd beschenen met diffuus licht. De bijen in deze korf bleken bij het dansen alle kanten op te rennen in plaats van steeds dezelfde richting op. De richtingaanwijzingen van deze bijen waren dus waardeloos.

De onderzoekers hielden een jaar lang bij hoe zwaar de korven waren. Nam het gewicht toe, dan ging het goed; nam het gewicht af, dan ging het slecht met de bijenkolonie. In de zomer bleek het gewicht van beide korven toe te nemen, vonden de onderzoekers. In de herfst nam het gewicht van beide korven af. Maar in de winter bleek de korf met het referentielicht juist zwaarder te worden, terwijl de korf die met het diffuse licht beschenen werd lichter werd.

Het dansen heeft dus vooral in de winter, als de voedselvoorraden schaars zijn, voordelen. In de zomer zijn er zoveel bloemen dat iedere bij voedsel kan vinden, ook al heeft ze geen richtingaanwijzingen mee. In de herfst neemt de hoeveelheid bloemen opeens drastisch af. In die omstandigheden maakt het niet uit of de bijen elkaar juiste of onjuiste richtingaanwijzingen geven. “De bijen eten hun eigen honing op, en er worden niet meer genoeg bijen geboren om de oude bijen die doodgaan te vervangen. Dit leidt tot een afname van het gewicht van de korf”, zegt Fred Dyer van de Michigan State University. Maar in de winter, als het voedsel schaars en moeilijk te vinden is, kan communicatie voor de overgebleven bijen het verschil maken tussen verdere afname van hun honingvoorraad en toename van de voorraad. De bijen hebben dan echt baat bij het uitwisselen van informatie. De onderzoekers speculeren dat het dansen geëvolueerd is in de tropische bossen van Azië, waar de afstand tussen bomen in bloei groot was en waar het delen van informatie dus voordelen had.

Marieke Hohnen

Gavin Sherman en P. Kirk Visscher: Honeybee colonies achieve fitness through dancing. In: Nature, vol. 419, p. 920-922 (31 oktober 2002).

Honingbijen met talenknobbel

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/39674857/

De honingbijen in Europa waggelen anders met hun kont dan de honingbijen in Azi챘 als ze soortgenoten willen vertellen waar die voedsel kunnen vinden. Toch blijken de verschillende soorten elkaars dialect snel aan te leren.

Sluit dit venster

De Europese honingbij (Apis mellifera) wordt door mensen ingezet voor de productie van honing, bijenwas en voor de bestuiving van gewassen.

Het kontschudden is onderdeel van een zeer complex dansje die de bij uitvoert om met zijn zusjes te praten. De duur waarmee hij met zijn kont schudt en de omtrek van de cirkeltjes die hij vervolgens loopt, geeft aan waar de andere honingbijen kostbaar voedsel kunnen vinden.

Een internationale groep onderzoekers vergeleek de danspasjes van de twee bijensoorten en zag een duidelijk ‘taalverschil’. De Europese honingbij moet langer met zijn kont schudden om dezelfde afstand naar de voedselbron door te geven aan zijn familie dan de Aziatische.

Na deze ontdekking lieten de biologen Europese bijen optreden voor een Aziatisch publiek. De eerste keer kwamen de Aziatische bijen uiteraard op de verkeerde plek terecht en moesten ze zelf even zoeken naar het voedsel. Maar de bijen trapten niet twee keer in dit geintje. De volgende keer wisten ze feilloos het voedsel te vinden met de routebeschrijving van hun Europese zusjes, schrijven de onderzoekers vandaag in het vakblad PLoS ONE.

De Europese en Aziatische honingliefhebbers waren trouwens niet complete vreemden van elkaar. De gelukkige bijen die deelnamen aan het onderzoek groeiden namelijk op in dezelfde bijenkorf.

Steijn van Schie

video

SYSTEMATIEK

 

 

drie domeinen theorie   doc  <—

 

De streepjescode van het leven

“Democratisering van kennis”

2007

Een barcode voor elke levensvorm
Een karakteristiek stukje DNA van elke dier- en plantensoort op aarde in een gigantische databank stoppen, dat is de immense taak die het Consortium for the Barcode of Life op zich heeft genomen.
Net zoals de barcode van een product in een warenhuis volstaat om te weten over welk product het gaat, kunnen wetenschappers deze gegevens gebruiken om dieren heel nauwkeurig te identificeren.
Met de DNA-barcode kunnen de bestanden ook gemakkelijk gekoppeld worden, zodat variatie binnen de soorten sneller opvalt.
The Barcode of Life is een Amerikaans initiatief, maar ook Canadese, Australische, Latijns-Amerikaanse, Britse, Franse en Japanse centra nemen deel. In België werken het Museum van Natuurwetenschappen en het Museum voor Midden-Afrika mee.
Het wordt een klus van lange adem. Tot nu toe zijn 1,7 miljoen soorten wetenschappelijk beschreven, en geschat wordt dat er ergens tussen de tien en de dertig miljoen bestaan.

Een streepjescode voor alle levende wezens op aarde. Dat is het monsterproject waar een grote groep internationale wetenschappers zich voor gaat inzetten. Op een conferentie in Groot Brittanië zijn in februarie 2006 de eerste spijkers met koppen geslagen.

Sluit dit venster

Elk dier zijn eigen streepjescode.

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/21289169/

Vergeet het botaniseertrommeltje en de flora- en faunagidsen om planten en dieren te determineren.

Over niet al te lange tijd kunt u misschien het veld in met een apparaatje ter grootte van een mobiele telefoon. Komt u dan een onbekend dier tegen, dan volstaat een piepklein stukje veer of een haartje, of een spatje van de tegen de muur geplette mug, om te bepalen met welke soort u te maken heeft.

De zogeheten ‘barcorder’ leest een DNA-streepjescode uit het monster, en vist naam, soort en eigenschappen uit de eraan gekoppelde databank.

Februari 2006 Londen ; de internationale conferentie Barcode of Life ; waar de niet geringe ambitie werd gepresenteerd om de streepjescode van al het leven op de planeet in kaart te brengen.

Dat is nogal een klus: er zijn weliswaar zo’n 1,7 miljoen soorten beschreven, maar vermoedelijk is dat minder dan eenvijfde van het totaal aantal soorten op aarde. De onderzoekers geven dan ook grif toe dat het een langdurige klus zal worden. Daar staat tegenover dat het, zeker vergeleken met peperdure projecten als het Humane Genoom Project, vrijwel op een koopje kan. Een miljard dollar, becijferden de onderzoekers.

Het idee van ‘DNA-barcoding’, het identificeren van organismes aan de hand van een moleculaire streepjescode, werd vier jaar geleden gelanceerd door de populatiegeneticus Paul Hebert (Universiteit van Guelph in Ontario, Canada). Als producten in de supermarkt geïdentificeerd kunnen worden met een streepjescode, waarom zou dat voor de verschillende levensvormen op aarde dan niet kunnen, stelde Hebert voor .

Voor zijn moleculaire streepjescode dook Hebert de mitochondri챘n in, de vrij in de cel zwevende energiefabriekjes. Hij zocht een gen dat alle levende wezens delen, en stuitte op het stofwisselingsgen CO-1, een stukje mitochondriaal DNA van ruim 600 baseparen.

http://www.dnabarcoding.ca/primer/COIProtein.html

http://www.dnabarcoding.ca/primer/Target.html

Map of mitochondrial genome
The Mitochondrial Genome:
Mitochondrial DNA occurs as a single double-helical circle containing 13 protein-coding genes, two ribosomal genes, a D-loop, and several tRNA’s. Most of the genes, including COI, are coded in the heavy strand (H-strand).

Individuen van één soort hebben nagenoeg hetzelfde CO-1-gen. Bij mensen verschilt de streepjescode op slechts een tot twee van de 648 plaatsen. Tussen chimpansees en mensen daarentegen verschilt het gen op zestig plaatsen, tussen mensen en gorilla’s op zeventig plaatsen.

Eind vorig jaar verschenen twee wetenschappelijke publicaties waarin de methode op de pijnbank werd gelegd, en werd vergeleken met de traditionele, taxonomische manier van soortbeschrijving. In één studie werd de streepjescode van 260 soorten Noord-Amerikaanse vogels bepaald. Alle vogelsoorten hadden zoals verwacht een verschillende streepjescode, op vier na. Die hadden twee aan twee hetzelfde CO-1-gen. Dezelfde soorten, luidde de conclusie dan ook.

In een andere studie, waar onder meer Paul Hebert aan meewerkte, werden exemplaren van de Costaricaanse vlindersoort ‘Astraptes fulgerator’ onder de streepjescode-lezer gelegd.

Niet één soort, luidde de conclusie, maar tien verschillende soorten. Taxonomen hadden zich laten misleiden door de identieke verschijningsvorm van de volwassen vlinders – alle tien hebben ze beige vleugels, met een blauw centrum. Onderzoekers vermoedden al langer dat er iets niet in de haak was met de Astraptes – de vlinders komen voort uit verschillende rupsen, en hebben bovendien een verschillend dieet.

Sluit dit venster

Exemplaar van de Costaricaanse vlindersoort Astraptes fulgerator – niet één, maar tien verschillende soorten.

De streepjescode werkt, willen de onderzoekers maar zeggen. Het is een bruikbaar gereedschap om soorten van elkaar te onderscheiden.

Haken en ogen zitten er evenwel ook aan de methode. Zo is het nog maar de vraag of recent van elkaar afgesplitste soorten wel worden herkend. Bovendien is al duidelijk dat één streepjescode niet genoeg is, legt Erik van Nieukerken van het natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden, en deelnemer aan het symposium in Londen, uit:

“Voor amfibieën werkt CO-1 niet als streepjescode. Binnen één soort varieert dat gen veel te veel. Ook bij planten werkt CO-1 niet als identificatieplaatje. Daar zal een ander gen, afkomstig uit de bladgroenkorrels, voor worden gebruikt.”

In Londen werd de start van drie megaprojecten bekendgemaakt. De komende jaren moeten de streepjescodes van alle bekende vogels (tienduizend soorten) en vissen (23 duizend soorten) bepaald worden.

Daarnaast zal de streepjescode van achtduizend zaaddragende planten op Costa Rica worden bepaald.

Worden taxonomen nu overbodig, als iedere avonturier met een draagbaar apparaatje soorten kan determineren en wellicht nieuwe soorten kan ontdekken? Daar maakt Van Nieukerken zich niet ongerust over.

Taxonomie is nu een versnipperde wetenschap. Kennis is verspreid over duizenden artikelen en voorwerpen in musea en bibliotheken. Op deze manier komt die informatie voor iedereen beschikbaar. Democratisering van taxonomische kennis, dus.”

(Jacqueline de Vree)

De snelle en goedkope methode om dna van plant- en diersoorten

in kaart te brengen

werd in 2003 ontwikkeld door Paul Herbert van Biodiversity Institute van de Guelph Universiteit in Ontario (Canada).

Alle levende wezens hebben een dna-code die alle genetische ‘instructies’ bevat die een organisme nodig heeft om zich te ontwikkelen. Het is niet verrassend het dna van een mens anders en ingewikkelder is dan het dna van een worm. Maar het dna van een muis is daartegen soortgelijk aan dat van een mens. De genetische verschillen in de miljoenen onderdeeltjes die het dna van dieren vormen, waren moeilijk te vinden. Herberts doorbraak was de ontdekking van een kenmerkend stukje dna van elke diersoort, de “dna-barcode”.

In september 2007 was er een bijeenkomst van 350 dna-deskundigen en gezondheidsexperts uit 46 landen in Taipei. Doel van de ontmoeting was onder meer om beter begrip te krijgen van hoe deze nieuwe techniek gebruikt kan worden om voedselveiligheid te verbeteren, ziektes te voorkomen en veranderingen in het milieu op te sporen.

http://albertusko.files.wordpress.com/2009/02/anopheles_stephensi1.jpg

De Anopheles stephensi-mug, een malariamug die jaarlijks miljoenen mensen besmet. /Copyright: US CDC

Het in kaart brengen van het dna van de duizenden soorten muggen zal waarschijnlijk prioriteit krijgen, omdat deze insecten verantwoordelijk zijn voor meer dan 500 miljoen malaria-infecties en een miljoen doden per jaar. Muggen dragen ook veel andere schadelijk ziekten over, zoals het West-Nijlvirus en knokkelkoorts.

Tot nu toe werden pogingen om de verspreiding van de ziekten te gaan, steevast ondermijnd door misidentificatie van soorten. De nieuwe methode kan veel bijdragen aan die indentificatie.

Een andere prioriteit zijn paddestoelen, die ecologisch erg belangrijk zijn voor het leven op aarde. Negentig tot 99 procent van de paddestoelensoorten is nog niet in kaart gebracht. De identificatie van zowel inktenverspreidende soorten als geneeskundige belangrijke soorten is belangrijk.

Tijdens eerdere bijeenkomsten in Afrika werden ook andere prioriteiten genoemd, zoals het in kaart brengen van insecten die ziektes veroorzaken bij planten en vissoorten, zegt Schindel.

Er worden netwerken ingesteld die het mogelijk maken dat een bioloog in Kameroen een monster kan nemen en het dna naar een laboratorium elders in Afrika kan sturen, waar het vergeleken kan worden met andere dna-codes in de Genenbank, een gigantische online-database met bijna 300.000 dna-profielen.

“Als er geen match is, dan kan het een niet eerder geïdentificeerde soort zijn. Maar het profiel onthult wel welke soorten erop lijken”, zegt Schindel. Toegang tot de databanken kost niets, en het consortium wil dat dat ook zo blijft, zegt hij.

De methode speelt ook een belangrijke rol bij het beschermen van de biodiversiteit, het complexe web van planten en dieren dat het ecosysteem gezond houdt. Het is onmogelijk om de biodiversiteit in een land te beschermen zonder te weten wat er precies aanwezig is, merkt Schindel op.

Moorea, een van de eilanden van Frans-Polynesi챘, is een laboratorium geworden voor een Frans-Amerikaanse samenwerking waarbij het dna van alle land- en zeesoorten in kaart wordt gebracht.

In Latijns-Amerika willen wetenschappers en regelgevers de techniek gebruiken om vissoorten de identificeren, zodat beter gecontroleerd kan worden omvangrijk de vispopulatie is en of de quota bijgesteld moeten worden. Voor landen als Brazili챘 is het ook belangrijk te kunnen nagaan welke hardhoutsoorten op de markt komen.

“Als een boom eenmaal verzaagd is tot planken, dan is het erg moeilijk om nog na te gaan om welke houtsoort het gaat”, licht Schindel toe. “……Met de nieuwe identificatie-methodes wordt het allicht binnen afzienbare tijd een fluitje van een cent

Curieuze naamgeving
Elk dier en elke plant krijgt een wetenschappelijke naam. Die bestaat uit minstens twee woorden en stamt meestal uit het Latijn. Het eerste deel is de geslachtsnaam en wordt altijd met een hoofdletter geschreven. Daarna volgt de soortnaam en eventueel de ondersoortnaam, steeds met een kleine letter. Het geheelwordt altijd schuin geschreven Zo heet een walrus ook Odobenus rosmarus en een zonnebloem is Helianthus annuus. Die namen worden niet zomaar gekozen. Vaak is er een beetje handige informatie in gestopt, bijvoorbeeld over waar het dier of de plant vandaan komt.

Het komt ook vrij vaak voor dat de ontdekker de nieuwe soort of ondersoort vernoemt naar iemand die hij wil eren. Dat is niet altijd een collega-wetenschapper. Zo kruipt ergens de huisjesslak Bufonaria borisbeckeri rond, en een liefhebber van rockmuziek noemde ‘zijn’ tribolieten Mackenzurius jonnyi, M. joeyi, M. deedeei en M. ceejayi naar de vier leden van de punkband The Ramones. Dat in wetenschappelijke naamgeving echt heel veel mogelijk is, ziet u op de vermakelijke website ‘Curiosities of Biological Nomenclature’ van bioloog Mark Isaak.
home.earthlink.net/~misaak/taxonomy.html

Streepjescode van het leven

Beetje DNA vertelt meteen welke soort je voor je hebt

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/43120440/

Nadine Böke

Wetenschappers hebben een paar jaar geleden een nieuwe manier ontwikkeld om het ene soort organisme van de ander te onderscheiden. Deze methode maakt het in veel gevallen overbodig om, zoals Darwin, uitgebreid met een loep te speuren naar details die iets verraden over de soort. Een beetje bloed of weefsel levert voldoende informatie.

Iedereen kan een mug van een olifant onderscheiden. Maar hoe zie je of die mug die door je kamer zoemt een malariamug is, of een onschuldig exemplaar? En hoe weet je of die minuscule opkomende plukjes groen in je tuin behoren tot planten die je zelf gezaaid hebt, of onkruid zijn? Het is niet altijd even makkelijk om verschillende soorten dieren en planten uit elkaar te houden. Sterker nog, dit is zo lastig dat mensen die gespecialiseerd zijn in het uit elkaar houden van soorten – taxonomen – vaak gespecialiseerd zijn in een enkele soortgroep. Bijvoorbeeld boomkevers, of varens.

Hoeveel makkelijker zou het zijn als er een apparaatje bestond dat je met een druk op de knop kon vertellen met welke soort je te maken had. Dat klinkt misschien als science fiction, maar zo’n apparaatje kan er over een jaar of vier al zijn. “Technisch gezien is het haalbaar. Er bestaat ook al een prototype van,” vertelt Freek Bakker van de Wageningen Universiteit. Hij is betrokken bij de Nederlandse tak van het Barcode of Life project. Een van zijn specialismen: DNA barcoding.

DNA barcoding is een erg jonge wetenschap. Het begon allemaal in 2003. De Canadese bioloog Paul Hebert ergerde zich eraan dat het zo lastig was om te herkennen welke soorten insecten en planten hij tegenkwam op zijn veelvuldige tropische reizen. Op een dag liep hij door de supermarkt en bedacht hij hoe mooi het systeem van streepjescodes eigenlijk is. Op basis van deze vrij simpele code kan je alle producten uit elkaar houden. Hij kreeg een ingeving: zou je niet ook zo’n streepjescodesysteem kunnen maken voor levende wezens, gebaseerd op hun DNA?

Snel en goedkoop

Heberts idee sloeg aan, en een paar jaar later was Barcode of Life geboren. Het doel van dit internationale project: een database aanleggen waarin de DNA-streepjescode van zoveel mogelijk soorten ligt opgeslagen. Freek Bakker was enige tijd voorzitter van het wetenschappelijke adviescomité van het internationaal DNA barcoding consortium (CBOL). Dit consortium moest het dna-barcoding wereldwijd in goede banen leiden.

Een van de belangrijkste uitdagingen was om een stukje DNA te vinden dat elk organisme heeft en waarin tussen verschillende soorten redelijk wat variatie zit, maar tussen individuen van een zo’n soort niet. “Het moest bovendien een klein stukje DNA zijn, zodat het snel en goedkoop geanalyseerd kan worden,” vult Bakker aan.

Voor dieren was zo’n stukje DNA vrij snel gevonden. Een gen genaamd COI uit de mitochondriën, de energiemachientjes van cellen, bleek bijzonder geschikt als streepjescode voor allerlei soorten dieren. “Je kunt op basis van het COI-gen zelfs moeilijk onderscheidbare soorten organismen zoals kwallen uit elkaar houden,” aldus Bakker. Voor planten is uiteindelijk, na veel debat en onderzoek, afgelopen november internationaal afgesproken om twee stukjes DNA uit bladgroenkorrels te gebruiken als streepjescode. Voor bacteriën is zo’n gestandaardiseerde DNA barcode er nog niet.

Sinds de start van het Barcode of Life project zijn de dna-streepjescodes van zo’n 70.000 soorten vastgesteld. Die zijn allemaal opgeslagen in een grote, vrij toegankelijke online database. Belangstellenden kunnen deze database gebruiken om op te zoeken tot welke soort een door hen gevonden organisme behoort. Al wat je nodig hebt is een beetje bloed of ander weefsel van het organisme. Haal hier het DNA uit en bepaal de DNA-sequentie van dat ene afgesproken stukje gen. Die DNA-code kun je dan invoeren op de site, waarna de naam en allerlei aanvullende details over het organisme verschijnen.

Half miljoen

Als de soort tenminste al in de database staat. Want 70.000 klinkt misschien als een groot getal, maar het is peanuts vergeleken met de miljoenen soorten die onze aarde rijk is. Er lopen dan ook allerlei deelprojecten om de database verder te vullen. Zo is er een project om de DNA-streepjescode van alle vissen ter wereld te bepalen (FishBOL). En op het Polynesische eilandje Moorea wordt het volledige ecosysteem in kaart gebracht via het streepjescode-systeem. Het grootste project gaat dit jaar van start en heet iBoL. Het doel: in vijf jaar tijd de streepjescode van een half miljoen soorten vaststellen.

Ons land zal een belangrijke rol spelen bij het verder ophelderen van de streepjescodes van het leven. Bakker: “Het Centraal Bureau voor Schimmelcultures in Utrecht is een grote speler. Zij hebben DNA barcoding in Nederland op de kaart gezet. Daarnaast hebben we in ons land, mede door ons rijke koloniale verleden, een aantal belangrijke natuurhistorische collecties.” Zoals Darwin tijdens zijn tocht op de Beagle talloze exotische dieren en planten verzamelde, namen Nederlandse naturalisten talloze soorten mee uit onze overzeese gebieden. Die verzamelwoede leverde ons land uitgebreide soortcollecties op.

Die collecties worden binnenkort samengevoegd in het eind januari geopende Nationaal Centrum voor Biodiversiteit, behorend bij Naturalis in Leiden, dat al een enorme toren vol soortcollecties heeft. Het nieuwe centrum zal straks de op vier na grootste natuurhistorische collectie ter wereld bevatten. En van al die keurig opgeslagen en gedocumenteerde soorten kan de DNA barcode worden bepaald.

Bakker is zeer enthousiast over de mogelijkheden die DNA barcoding zal bieden zodra de database verder volloopt. “De douane kan dan op een eenvoudige manier bepalen of producten die ons land binnenkomen schadelijke organismen bevatten. Zoals houtkevers of eitjes van de witte vlieg; dieren die een vervelende plaag kunnen veroorzaken. Voedsel- en warenautoriteiten kunnen gaan controleren of de vis die wordt geserveerd in dure restaurants wel echt de vis is die ze zeggen, of een goedkope variant. Vliegtuigmaatschappijen kunnen uit de bloedige resten in hun vliegtuigmotoren afleiden met welke vogelsoort het toestel een aanvaring heeft gehad. Biologen kunnen makkelijker bepalen of het insect dat ze aantreffen op een tropische boom een nieuwe soort is of niet.”

Kartonnen mapjes

Toch zal zo’n enorme database, met streepjescodes en aanvullende informatie over zo veel mogelijk soorten op aarde, klassieke soortcollecties niet overbodig maken. Aan het eind van ons gesprek nemen we een kijkje bij de Wageningse vestiging van het Nationaal Herbarium. Deze voldoet aan het klassieke beeld van natuurhistorische verzamelingen: in grote ruimtes staan enorme kasten, met in elke kast talloze dozen en in elke doos meerdere kartonnen mapjes met gedroogde planten. Ook zijn er kasten vol planten en vruchten op alcohol.

“DNA-barcodes zijn enorm handig om soorten te identificeren, maar je kan er bijvoorbeeld niet uit af leiden hoe een soort er precies uitziet”, legt Bakker uit. “Je kunt wel ook foto’s opnemen in zo’n database, maar ook die zeggen niet alles. En zelfs al zou je van elke soort ook het volledige genoom uitpluizen en online zetten, dan nog is er veel dat je daar niet uit kunt afleiden. “ Zo kun je uit DNA niet één op één afleiden welke stoffen een plant zoal aanmaakt.

Bakker: “Wie weet wat voor mogelijkheden de planten die hier opgeslagen liggen nog zullen bieden. Misschien komt er bijvoorbeeld in de toekomst nog wel een techniek om eenvoudig voor al deze planten te kijken of ze geneeskrachtige stoffen bevatten. Het is daarom belangrijk collecties als deze te koesteren. Je moet dit herbarium zien als een moleculaire schatkamer.”

Moleculair bioloog Henk Roelink, verdiept zich in het menselijk genoom en duikt beestjes op uit de oceaan, om overeenkomsten tussen het DNA van willekeurige mini-organismen en dat van de mens aan te tonen.

Roelink: “Het is volkomen duidelijk geworden dat wij uit dezelfde bouwstenen zijn gevormd als vliegen, spinnen, kwallen, sponzen; eigenlijk als alle soorten. Dat is het ultieme bewijs van Darwins evolutietheorie die stelt dat wij allen afstammen van één oerorganisme.”

Nu het menselijke genoom is ontrafeld, lijkt de sky the limit. Roelink verwacht dat iedereen binnen drie jaar zijn eigen DNA-volgorde kan laten bepalen, voor nog geen duizend euro. Heel nuttig om ziektes, erfelijke afwijkingen en andere ellende te voorspellen. Ook heel handig als je wilt achterhalen wie je biologische vader is. Maar er zit ook een keerzijde aan: verzekeringsmaatschappijen en de overheid krijgen nog meer Big Brother-instrumenten in handen.

Roelinks betoog vormt de opmaat voor het Biocode project op het Zuidzee-eiland Moorea waar het hele ecosysteem in kaart wordt gebracht via DNA-barcoding. Elke unieke soort op het eiland wordt gevangen en vastgelegd aan de hand van zijn DNA. Deze aanpak maakt een einde aan de klassieke taxonomie, de indeling van de natuur die de bioloog Linnaeus introduceerde in 1735.

Het doel van het barcode project is om al het leven op aarde in kaart te brengen. Maar op Moorea gaat het om planten en dieren die publiek eigendom zijn. Het bedrijfsleven, aan de andere kant, doet verwoede pogingen om onderdelen van ons DNA te patenteren. Van wie zijn die ‘bouwstenen van het leven’ eigenlijk? En: kan het leven wel worden gepatenteerd ?

http://www.uoguelph.ca/~phebert/coi/index.htm
Barcoding Life: Towards a DNA-Based Identification System for Animals
This web site describes work related to the creation of a DNA-based identification system for animals-at-large based on the analysis of a single
mitochondrial gene-: cytochrome c oxidase I (COI).
This site provides a brief rationale for DNA barcoding and background information on COI.
It summarizes the results of past studies that have employed COI to investigate taxon diversity and includes a searchable database of all papers on this
gene.
Its final element, COI-Bank, incorporates all publicly available information on a core region of this gene.
COI-Bank is intended as the pilot version of a database that might serve as the basis for a Global Bioidentification System for animals.
As such, we invite both the submission of new data and the critical evaluation of its functionality

EOS april 2012

Een internationaal team wetenschappers, met daarbij ook Belgische onderzoekers, heeft meer dan veertig nieuwe soorten slangen, gekko’s en andere hagedissen ontdekt door de DNA-codes van ongeveer 250 reptielsoorten uit Madagaskar met elkaar te vergelijken.

De biologen van onder andere het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) in Brussel maakten voor het eerst op grote schaal gebruik van ‘DNA-barcoding’. Ze gaan daarbij op zoek naar een ‘code’ in het DNA van een diersoort. Die code is bij dieren van dezelfde soort dezelfde, maar verschilt ten opzichte van andere diersoorten. Zo kunnen diersoorten die uiterlijk sterk op elkaar lijken toch van elkaar onderscheiden worden.

De onderzoekers bestudeerden de DNA-codes van ongeveer 250 reptielsoorten uit verschillende regio’s van Madagaskar, en identificeerden op die manier meer dan 40 nieuwe soorten slangen, gekko’s en andere hagedissen. De studie toont aan dat Madagaskar een van de plaatsen met de grootste biodiversiteit op aarde is.

Verder levert het onderzoek de barcode van 110 van de 140 reptielen van Madagaskar waarvan CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) de handel controleert. De resultaten kunnen in de toekomst helpen bij de bestrijding van de handel in bedreigde diersoorten. (nd)

“Imagine an electronic page for each species of organism on Earth…” - Edward O. Wilson

http://en.wikipedia.org/wiki/Encyclopedia_of_Life

Encyclopedia of Life (‘EOL’, ‘Encyclopedie van het Leven’) is een omvangrijk internetinitiatief van de Verenigde Staten en Europese en andere landen. De voortdurend updateable encyclopedie gaat een wereldwijde soortenbank vormen die alle informatie over soorten samenvat en doorlinkt.

EOL begon met goedgekeurde voorbeeldpagina’s van 25 soorten. Het verzamelen van gegevens over de nu bekende 1,8 miljoen soorten uit onder meer bestaande database-bestanden gaat zo’n 10 jaar duren en circa 12,5 miljoen dollar kosten. De encyclopedie wordt gebaseerd op de wiki-technologie. Het is de bedoeling dat nieuwe soorten meteen worden opgenomen – er worden vooral veel nieuwe bacteriën en virussen ontdekt. Tenslotte zullen ook uitgestorven soorten worden beschreven. De website nodigt geleerden en amateurs uit om bij te dragen.

Het initiatief komt voort uit een G8-bijeenkomst over het milieu die begon op 16 maart 2007 in het Duitse Potsdam. Tijdens deze bijeenkomst concludeerden de acht grootste industrielanden dat de achteruitgang van plant- en diersoorten moet worden gestopt. Het actieplan dat hieruit is voortgekomen en waar de encyclopedie deel van uitmaakt, wordt ook wel het Initiatief van Potsdam (of in het Engels Potsdam Initiative) genoemd.

Deelnemende organisaties

De ‘Cornerstone Institutions’ zijn organisaties die de basis vormen van de deelnemers aan het online project. Dit zijn:

Andere partnerorganisaties van het project, zijn onder meer:

Daarnaast zijn er partnerorganisaties die zich specifiek richten op het aanleveren van gegevens. Hieronder bevinden zich onder meer FishBase en het Nederlands Soortenregister.

EOL ging op 26 februari 2008 online en viel meteen tijdelijk uit vanwege het enorme internetverkeer. Na hulp van onder meer specialisten van Wikipedia draaide de website weer.

Biodiversiteit <—zie ook

http://nl.wikipedia.org/wiki/Encyclopedia_of_Life

Een belangrijke data leverancier van het EOL project is ook ;

TOL

http://tolweb.org/tree/

The Tree of Life Web Project (ToL) is a collaborative effort of biologists and nature enthusiasts from around the world. On more than 10,000 World Wide Web pages, the project provides information about biodiversity, the characteristics of different groups of organisms, and their evolutionary history (phylogeny).

Each page contains information about a particular group, e.g., salamanders, segmented worms, phlox flowers, tyrannosaurs, euglenids, Heliconius butterflies, club fungi, or the vampire squid. ToL pages are linked one to another hierarchically, in the form of the evolutionary tree of life. Starting with the root of all Life on Earth and moving out along diverging branches to individual species, the structure of the ToL project thus illustrates the genetic connections between all living things.

http://en.wikipedia.org/wiki/Tree_of_Life_Web_Project

En natuurlijk is er ook nog :

WIKIPEDIA Tree of life project

http://en.wikipedia.org/wiki/Wikipedia:WikiProject_Tree_of_Life

zie ook : Internetencyclopedie | Biologische organisatie | Taxonomie

?

Image:Biological classification L Pengo.svg

Scientific classification.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

I cont.

L

M

N

P

Q

R

S

.
______________________________
CREA HOEKJE
“oudere”Classificatie-methodes en creationisme (1)
( creato )Jetro wils /Quote

….De “ evolutionist” kijkt in de wereld van levende organismen rond en merkt op dat sommige organismen heel eenvoudig, andere zeer gecompliceerd van structuur zijn. Het komt hem voor dat het mogelijk is deze organismen te rangschikken of te classificeren in een behoorlijk geordend systeem, van de eenvoudigste tot de meer samengestelde of, zoals de evolutionist zou zeggen, van de ‘laagste’ tot de ‘hoogste’….

—> Naar mijn weten zijn “evolutionisten “ geen bepaalde wetenschappers behorende tot een politieke partij of een “geloofs-sekte ” ….maar soit
—> Dat rangschikken in “laag en hoog” is de “scala naturalis”gedachte ——> en hét model van de “creationisten” in zwang voor Darwin , Lamarck en Buffon : en zelfs toen al( vanaf de 19de eeuw dus ) NIET meer het concept van de “evolutionisten “.
Overigens zijn voormelde soort “oude”creationisten zeker niet de Amerikaanse fundies van de twintigste eeuw …
Note “Great Chain of Being “ /scala naturalis
—> Eigenlijk is alles even ” ingewikkeld en/of complex” en of iets “hoog” of “laag “staat op een schaal, is een kwestie van afspraak( en zelfs subjectieve evaluatie en smaak ) =
—-> Het is ook allemaal een kwestie van organisatieniveaus ( met in acht name van dezelfde simpele rules ofte natuurwetten en hun lokale en coincidenteele
toepassingen en interakties )waarbij men het ene niveau als “ingewikkelder ” veronderdsteld , dan het andere …
—-> Bovendien ; Veel mensen denken ( wensen ) eigenlijk dat de mens”superieur” of” hoger” of “beter ontwikkeld” is dan al het andere levende
Dat is een hooghartige arrogantie en baardelijke nonsens ….
Maar de creationisten buiten dit soort stereotype overtuiging(en) wel uit met hun populistische rethoriek …
Noot ;
Trouwens hoe kan men iets als superieur bestempelen wanneer men niet eens alle levensvormen kent , waarmee men het moet vergelijken ….
___ tenzij men dat natuurlijk vooraf is verteld door een of ander “geloof “___ ook veel “atheistische ” intelektuelen “geloven “dat het wezenlijke verschil ( waarvan geruststellend word aangenomen dat het bestaat )tussen mens en dier ( bijvoorbeeld ) ontsnapt aan de wetenschappelijke methode … Het is het soort essentialisme /dualisme, dat op de oude Plato , op Descartes ( en zelfs het animisme ) is terug te voeren ….
De biodiversiteit ( aan soorten ) is onvoorstelbaar groot (http://www.uoguelph.ca/~phebert/coi/rationale.htm)
Ondanks 250 jaar verzamelen en systematisch klasseren , zijn slechts 1,8 miljoen eukaryote soorten beschreven en benoemd ( waaronder velen slechts onder de
opgeplakte naam zijn gekend en zonder enige begeleidende ” natuurlijke historie “en/of ondertussen al uitgestorven ) van de geschatte 10 a 100 miljoen op deze planeet …
____Daarbij zijn zelfs de bacteria en de archeobacterie niet eens meegerekend , noch de vele fossiele ( een fractie slechts is bewaard of kwam voor fossilisatie in aanmerking ) en (nog niet bekende = maar binnen de perken der verwachtingen toch redelijk voostelbaar: precambrische soorten bijvoorbeeld beginnen nu op te duiken ) uitgestorven soorten ,die waarschijnlijk slechts een fractie van de levende species uitmaken die ooit op
deze aarde hebben rondgescharreld …

Intermezzo
De huidige Creationisten-sektes moeten ook steeds weer zo nodig een soort intermezzo over wetenschapsfilosofie en logica inlassen ;
waarmee ze tot vervelens toe ,o.a. trachten aan te tonen dat wetenschappers drogredeneringen hanteren ( zelfs met bedriegelijke oogmerken ) :dat is een soort teruggrijpen op geliefde rethoriek en gebruik makend van slechts een paar oudbollige filosofisch standpunten …
Niet alleen gaat dat vergezeld van nauwelijks verhulde politieke complot-theorieen maar dat hangt nog steeds vast aan scholastieke en middelleeuwse opvattingen over kennistheorie en aan blind geloof gestoeld op zogenaamde openbarings-autoriteit ; de zogenaamde van kaft tot kaft bijbelarij en het “sola sciptora” principe als bron van kennis

( creato)Quote
….. De lezer heeft ongetwijfeld de bespottelijke ongerijmdheid van dit soort redenering al ingezien, als ook de spitsvondigheid.
Ongerijmd als dit bewijs is, omdat het veronderstelt wat bewezen moet worden, heeft het desondanks duizenden bedrogen…..

( ik reageerde als volgt )
” …. Eigenlijk beweert deze creationist hier , dat ” het bewijs( voor de evolutie ) d.m.v. de classificatie “(= o.a. geneste hierarchieen ) , word ontkracht door
—> een “logisch foute” redenering = namelijk een cirkelredenering
—> en een uit een tegensprekelijk bewijs uit het ongerijmde
Ten eerste :
Er zijn geen logische of ( uitsluitend )wiskundige “ bewijzen in de natuurwetenschap voorhanden en zeker niet in verband met de evolutietheorie : er zijn alleen maar consistentie ,niet tegensprekelijke, corroboreerbare verklaringen ( boven alle redelijk twijfel ( =NIET –> boven alle onredelijke manieren van twijfelen) en voor zover mogelijk ) van vele materieele evidenties /aanwijzingen /initieele en voorhanden ( verder onderzoekbare )materieele bewijstukken , die moeten verklaard worden
( en bovenal : ALLE ( voor zover ) bekende ) , evidenties en waarnemingen___>dienen te worden verklaard volgens de stand van de huidige kennis die men tot op heden bezit en die nog niet zijn weerlegd …. ( en zonder gebruik te maken van bovennatuurlijke mirakels en andere metafysieke , epistemologische hokus pokus en new age rommel )
Bovendien :
bijna alle ” biologische wetten” zijn heuristieken —> vuistregels
van beperkte toepassing op ( tot nu toe ) aardse verzamelingen ” levende wezens
ten tweede –>
elke cirkelredenering steunt uiteindelijk op( minstens ) één aangenomen premisse
(—> het alfa en omega van de “ naar zichzelf verwijzende “ cirkelbeweging )
Welke is hier volgens deze creationist , de door de “evolutionisten” aangehangen aanname die dienst doet als premisse en noch voldoende plausibel noch falsifieerbaar is ?
Leg me dat eens uit met een voorbeeld
ik begrijp niets van de “duistere ” en wollig gehouden beweringen in die bewering ( en in dat oorspronkelijk artikel )
( ik ben waarschijnlijk hardleers maar ik ben NIET ” de lezer die dat al heeft ingezien” ___ Wat eigenlijk suggereert dat : al wie dat” niet- inziet ” ( mede door deze duistere “creationistische ” uitleg veroorzaakt ) eigenlijk een slome
idioot is … )
Dit is een regelrechte poging tot psychologische manipulatie ; erop rekenend dat de meesten niet zullen willen erkennen “dat hij/zij het niet snapt ” ?
ten derde :
een bewijs uit het ongerijmde is een redenering die de plausibiliteit van de uitgangspremisse ondergraaft omdat de gevolgen die eruit kunnen worden
afgeleid de premisse tegenspreken ….
Waaruit dan wordt besloten dat de deduktieve redenering fout moet zijn , omdat de premisse alleszins juist is …
Zeg me eens ( eerst en vooral ) waarom de evolutie-redeneringen niet-wetenschappelijk en/of logisch samenhangend zouden kunnen zijn =
m.a.w. bewijs op grond van wetenschapsfilosofische standpunten aangaande de
mededeelbaarheid en de naturalistische methodiek , dat de “methode van redeneren” verkeerd is ( en niet alleen maar op grond van onverenigbaarheid van gestelde premissen ….)
Ten vierde
alle “zuivere wiskundes” en de “formele logicas “ zijn allemaal grote cirkelredeneringen … ze gaan steeds uit van hun eigen onwrikbare
principieel als juist aanvaarde , axiomata …. Het doet er niets toe of ze al dan niet empirisch kunnen worden ondersteunt …
A=A punt andere lijn ….
—> Theoretische natuur-wetenschap is GEEN lachertje dat met rethorica , apologetiek en /of een verouderd ( = lees —> te aanvaarden als uniek en beslissend ) denkinstrumentarium , zo maar kan worden afgedaan
WANT
haar gedane beweringen en afleidingen , bevindingen en uitspraken moeten
ALTIJD ook nog eens empirisch ( voldoende = direkt en/of indirekt ) kunnen worden
bevestigd/gefalsifieerd op een kontroleerbare feitelijke manier
( niet uitsluiten formeel dus en/of als gedachtenconstruktie , gedazchten -experiment etc ….hoe logisch sluitend die ook moge lijken -)
(ik besloot met ; )
Graag dus een preciezere uitleg over die veronderstelde cirkelredenering en de ongerijmdheid (inconsistentie binnen het beschouwde redeneer systeem-methodologie ) van de ( zogezegde ) evolutionistische premissen gehanteerd door “ systematici “
Maar ik wacht NOG STEEDS op een antwoord
—> Filosofie en wetenschapsfilosofie zijn dus alweer gebruikt als rookgordijn, zoals dat al zo veel ( in de geschiedenis ) is gebeurt in die kringen van mythomanen ?

Voor zover ik het heb begrepen is het serieuze argumenteren in voormelde anti-evolutie artikels op de ( niet meer beschikbare ) RC site
voornamelijk geformuleerd werd als kritiek op de zeer vroege ( en oudere ) systematiek ,
waarbij uisluitend morfologische vergelijkingen tussen de verschillende groepen en “organismen ” werden gebruikt als criteria bij het opstellen van een klasseer- en naamgeving – systemen .
Zelfs een full-time specialist als een zeer goed opgeleid en door de wol geverfd bekwaam sytematicus met veel ervaring komt bij het determineren van een gegeven verzameling ,niet verder dan een 1000 tal soorten , die hij met enige zekerheid kan identificeren
Net zoals je bij een ” bespreking “van de moderne chemie niet verwacht een diskussie en uiteenzetting over de ” opgewarmde ” flogiston -theorie in je strot geramd te krijgen ___ heb ik eigenlijk niet al te entoesiast de rest van dit creationisten “verhaaltje ” gelezen
—>( het artikeltje was een toenmalig interesssant ( maar totaal overbodig ) historisch besprekingetje van oude insteken in de systematiek , dat wel … Maar ik ga ook liever zelf naar een hedendaagse tentoonstelling /voorstelling kijken dan de persoonlijke “opinie” , smaken en voorkeuren van iemand anders (gevormd in en steunend op het oubollige verleden als zaligmaker ) , daarover te laten doorwegen ….)
….
Want eigenlijk is
Sinds de noodzakelijke initieele aanzet en aanpak van Linnaus ondertussen de systematiek dus wel behoorlijk verder uitgebreid , geperfectioneerd en zelfs fundamenteel veranderd :
—>In feite is het “oudere “syteem, nu alleen nog beperkt bruikbaar als een determineringstabel ergens in een goed afgebakende geografische streek —>
daar waar de fauna-flora beperkt is tot een paar duizend soorten : en dat kan dienst doen als “veldgids” voor de “natuur”-liefhebber ….
of als algemene ” orienterende ” en “memoriseerbare ” basiskennis, inleiding en startpunt voor een beginnend systematicus die word opgezadeld met de taak
een “verzameling ” , voorlopig te ordenen en te benoemen, en wel op zo’n manier dat men die collectie specima kan linken aan reeds bestaande kennisbestanden (up-dateable files ) en ” namen ” over die”materieele ” specima

…Iemand die ooit plantenzaadjes in zakjes heeft gedaan en geklasseerd in een ordentelijke en wetenschappelijke /didactische botanische tuin ( en met het oog om ze het volgend seizoen weer uit te zaaien ), weet allicht wat ik bedoel ….
—> Maar het zijn niet meer alleen maar morfologische kenmerken die als enig criterium dienen _____er zijn ook fysiologische , ontwikkelings , moleculaire en genetische vergelijkingen en reeds gekende genealogische verwantschappen enzovoort : die nu ook als criteria van kracht worden …. …. en zelfs geobserveerde speciatie-events zoals de londense metro-mug Culex molestus –> een genetische “afstamming ” (onder?)soort van de plaatselijke bovengrondse muggesoort Culex pipiens ,Argentijnse tetraploide ratten , een aantal plannten als boksbaarden ,primulas, theunisbloemen etc … bananen-etende mosquitos uit hawaai , nylon -etende bacteria (bijvoorbeeld .)…
—>Al die verschillende aanpakken moeten elkaar aanvullen en/of worden ondergebracht in een overkoepelend systeem waarbij zoveel mogelijk onderlinge consistentie van het grootste belang wordt …en dat is een systeem gebaseerd op = De overeenkomsten tussen genetische- , moleculaire -, anatomische -, fysiologische- etc … , opstelbare “stambomen ” : of ” een geheel van onderling samenhangende “afstammingslijnen ” en “evolutionaire routes “
—>Het leid geen twijfel dat , gegeven de zeer grote verscheidenheid in de biodiversiteit dit echt specialisten werk is geworden waarbij vele goed opgeleide vakmensen uit verschillende disciplines obligaat moeten samenwerken ….
Noot
ZElfs op het gebied van zuivere naamgeving – protocols en determinatie – criteria zijn andere systemen in de maak ( onder andere mtDNA vergelijkende onderzoeken en “target sequensing ” van het COI – gen )
http://www.uoguelph.ca/~phebert/coi/theory.htm
http://www.uoguelph.ca/~phebert/coi/target.htm
http://www.uoguelph.ca/~phebert/coi/limitations.htm
Naast het opstellen van ( oudere taxonomische )”determinatielijsten” , is de biologische systematiek zich voornamelijk gaan bezig houden met de onderlinge verwantschappen die zich uiten in de afstammingslijnen ( en stambomen )….en gegevens verkregen uit/door de “vergelijkende ” biologische vakgebieden
De huidige (extante) “discontinue ” biodiversiteit( voor zover bekend ) word daarbij beschouwd als een ( van de mogelijke ) horizontale dwarsdoorsnede door de vertikale stamboom ( continu in de tijd )
De discontinuiteit is én merkbaar is in de extante wereld én eigenlijk op elke horizontale doorsnede van de stamboom…vertikaal( in de tijd ) is er echter een continuum * De extante levende wereld is eigenlijk de boomkruin van de stamboom van het leven die we van bovenop bekijken ; We zien een struikachtig kluwen en de topjes van vele takken en blaadjes , maar we zien de lagen eronder niet of slechts erg onduidelijk , noch de stam ….en zeker niet de wortels Die taktopjes zitten allemaal “discontinue” te wezen tegen hun achtergrond van ondoordringbaar bladerdak ;en we zien ook niet hoe de takjes onderling met elkaar verbonden zijn

zie ook –> http://tsjok45.wordpress.com/2011/01/28/het-soort-probleem-nader-bekeken/

…Stambomen zijn ook nog eens vertikaal gedocumenteerd door fossiele en daaruit afgeleide paleontologische aanwijzingen ….

Hiaten in die lijnen ( “gaps” ) – zijn aangevuld door MOGELIJKE routes ( het gebruik van de “inlas” —-?—- ) op die plaatsen worden die afstammingslijnen dus eigenlijk ” oplossingsbomen ” ipv afstammingsbomen : er bestaan dan ook “verschillende” stambomen die andere mogelijke routes voorstellen —-> deze blijven allen even geldig —> tot een relevant fossiel____ of een stamboom gebaseerd op nog eens andere en “nieuwe “invalshoeken ____(de tegenwoordig bijvoorbeeld : zich snel uitbreidende discipline van het vergelijkend genoom-onderzoek) “historische” route -antecedenten documenteerd ….
Besluit ;
Het heeft weinig zin de “oudere “toestand van de systematiek, met haar nadruk op morfologische karakterisaties ; te “ontmaskeren” als onvoldoende om als “bewijs” te dienen voor evolutie….
—-> We weten/wisten dat al lang , dat het onvoldoende was
en we hebben er ook iets aan gedaan ( en doen er nog steeds van alles aan )
Evolutie HOEFT niet meer “bewezen “te worden door de systematiek
— het is gewoon een gegeven geworden ( ook voor de systematiek )
Evolutietheorie is het “huidige” paradigma in de natuurwetenschappen wat betreft de levenswetenschappen :
het enige waarover nog diskussies bestaan is over de evolutionaire mechanismen en de juiste historische routes van ontwikkeling …Maar het blote feit van de evolutie IS al “bewezen”
–> door de paleontologen , de geologen , de genetica, de biochemica , de AI , de systeemtheorie ; speciatie is rechtsreeks in het wild en in het labo ( en ook in -silico ) waargenomen … Kwekers weten er al eeuwen van …
Het is dan ook volkomen verantwoord om de kennis verkregen uit de evolutionaire geschiedenis als uitgangsgegeven ( en hulpwetenschap ) te gebruiken : in het bijzonder als ordenend principe bij de “classering ” en inventarisering van het levende ….
— Ondertussen is ook de systematiek ,de cladistiek , de paleontologie , de moleculaire genetica , de vergelijkende genomica en tegenwoordig ook de proteomica (eiwitten) en de Evo-devo in volle ontwikkeling ….
m.a.w.
(Naar mijn bescheiden mening )
Creationisten moeten maar eens aanvaarden dat de wetenschap er zich niets van aan trekt of creationisten nu al dan niet zich kunnen akkoord verklaren met de wetenschapspraktijken en “verklaringen” van pakweg 50 of zelfs 200 jaar geleden
Waarom zouden wetenschappers zich bezig houden ( hun tijd en fondsen “verprutsen” ) met enkele hardleersen die zich zelfs de moeite niet getroosten zich
deftig te documenteren ? of zijn blijven steken in de voorgeschiedenis van een of andere discipline ? …
Misschien wist u het niet maar de wetenschappelijke kennis vermeerderd zich exponentieel : er is geen “enkeling” nog in staat dat allemaal bij te benen …
Dit is een ” drama “voor allen die nog steeds absolute waarheden ( in verband met de fysieke werkelijkheid ) aanhangen of verkondigen -__> ze zullen uiteindelijk niet meer in staat zijn alle ” binnenkomende ” tegenbewijzen van hun “doctrines” en “interpretaties”zelfs maar tijdig te herkennen …
En wat de bijbel, en andere “heilige schrifturen” betreft : dat zijn geen wetenschappelijk werken , zoals het ook geen technische handleidingen zijn om een nucleaire centrale te bedienen of om een vliegtuig in de twin towers te gooien ( psychologische trukendoos is het dus wel ) …
Bovendien staan er in de bijbel en dergelijke verzamelingen sprookjes , veel minder “echte” feitelijke materieele dingen vermeld ____ (bijvoorbeeld ):
onderdelen /en bijhorende terminologieeen bij de beschrijvingen/definieringen , in gebruik bij technische vakken ____ dan in gelijk welk
modern “montage voorschift ” van bijvoorbeeld elektronische apparatuur

en/of
staan er buiten de opsomming van enige lokale dier/plant soorten( soms nog verkeerd beschreven—> dat is dus typisch aan “afschrijfsels ” —ook de fouten zijn afgeschreven ) uit het midden-oosten en zuid-europa , helemaal niets geschreven over al die andere vertegenwoordigers van de “overdonderende ” biodiversiteit die deze planeet tentoonspreid / tentoonspreide / en___ waarschijnlijk___ verder zal blijven tentoon spreiden ( als de mens tenminste de biosfeer niet volkomen naar de kloten helpt ) ….
_______________________________________________________________________________
SCHOENEN HISTORIE (1)
( creato ) Jetro Wils

Quote
We weten dat oude schoenen zich nooit ergens uit ontwikkeld hebben.
Toch zouden we door de bovengenoemde manier van redeneren kunnen bewijzen dat oude schoenen door evolutie zijn ontstaan, enkel door het verzamelen van monsters van elke soort en, beginnende bij de kleinste en eenvoudigste poppenpantoffeltjes, ze te rangschikken in een serie van babyschoentjes, schoentjes van een klein broertje, schoenen van een grotere broer, die van moeder, van grootmoeder, vaders lage schoenen, vaders hoge schoenen en eindigend bij vaders laarzen.

—>Die schoenen stammen natuurlijk niet van elkaar af … Ondanks de nabijheid van vaders laarzen en moeders sloffen heb ik van schoenen-sex nog altijd geen weet ….
Maar afgezien daarvan
( jurre )
” ‘t Is trouwens ook helemaal niet waar wat wordt beweerd =
Volgens die analogie zouden wetenschappers dus domweg zeggen dat alle dieren vanuit het kleinste en eenvoudigste dier richting het grootste (moeten)zijn
geëvolueerd.
Dat is een stroman uiteraard ;
Want :
Heb je ooit al een “evolutionist” horen zeggen dat het leven begon bij de hedendaagse veldmuis, die zich vervolgens ontwikkelde tot een schaap, en zo verder met paard, neushoorn, olifant?
Nee, de evolutietheorie zegt dat die dieren een gemeenschappelijke voorouder hadden,
maar zo zijn de verschillende soorten schoenen niet onstaan :want schoeisels planten zich niet voort
Ze werden wel( door mensen ) afgeleid van, ontwikkeld uit de oerschoen, een soort pantoffel gedragen door een jager-verzamelaar ergens 5000 jaar geleden.( die je als de voorvader kan beschouwen , maar het is eerder een prototype)
___________________________________________________________________________________
Oerschoenen zijn ondertussen al ontdekt ;
Bijvoorbeeld zijn de schoenen van ijsman Ötzi bekend
en onlangs werden nog de oudste lederen schoenen ontdekt
Wetenschappers hebben een lederen schoen van 5.500 jaar oud ontdekt in een grot in Armenië. Het schoeisel in maat 37 stamt uit het jaar 3.500 voor Christus, en is dus een paar eeuwen ouder dan de schoenen van de gletsjermummie die in 1991 in de Oostenrijkse Alpen gevonden werd. Dat schrijft onderzoeker Ron Pinhasi van de universiteit van het Ierse Cork in een artikel voor het tijdschrift PLoS One.“We weten niet of de schoen van een vrouw of een man was”, zegt Pinhasi. De schoen lag onder een dikke laag schaapsmest en werd dankzij de koelte en de droogte in de grot in perfecte staat bewaard. (dpa/sam)
10 06 2010
______________________________________________________________________________
De oerschoen ( wat die ook mocht geweest zijn )”evalueerde “( sic , maar toch veelbetekenend ; immers , creationisten schrijven van elkaar af ; inclusief de taalfouten en de fouten die onstaan uit onbegrip ) vervolgens in een wat verbeterd geavanceerder model …enzovoort
( Noot : er werden vanuit de materieële cultuur- ervaring, verbeteringen aangebracht ), bv. een romeinse sandaal, en zo verder t/m 18e eeuwse spijkerschoenen, laarzen met eendevet van rond 1910, en de hedendaagse gympies…
Tot zover de evolutie van de schoen…
( Tsjok –> als “advokaat van de duivel ” en paraodieerend )
—>Ah neen hé , makker die schoenen evolueren niet die zijn ontworpen door een intelligente kloefkapper

Ontworpen door een intelligente schoenmaker ?
De schoenen dus wel , maar organismen ?
( jurre )
Nou, dat zie ik meer als het in elkaar flansen van een organisme door genen.

De schoen in het geheel heeft een lange ontwikkeling doorgemaakt, immers de allereerste schoen was niet meteen een verstelbaar sportmodel met lichtjes in
de zool.
En op dezelfde manier zijn complexe dieren als walvissen en paarden ook niet in één keer geheel volmaakt en compleet ontstaan…

(Noot van tjsok = of ontworpen en ontwikkeld door het blinde proces van de evolutie )
“De “boem ” en het is er ” theorie :
____ plotsklaps en volmaakt wonderbaarlijk”scheppen”/onstaan van een soort : is nog steeds de rigeur in sprookjes
Louis Pasteur ( de veel aangehaalde en door fundies ge-anexeerde “creationist “) heeft dit destijds al effektief ontkracht door zijn werk ( niet door zijn “uitspraken” of de interpretaties daarvan ) …
Net zoals andere wetenschappers is Pasteur geen “zalig verklaarde ” en of een ” heilige ” sint : —> Personencultus is van geen tel :
Het geleverde onderzoek-werk uiteraard wel,—> omdat dat reproduceerbaar/kontroleerbaar en vaststelbaar is in de praktijk, en door iedereen die dat wenst te doen kan worden overgedaan …
Referentie
de discussiesamenvatting is oorspronkelijk afkomstig van het RC forum evolutie en schepping ( die is echter niet meer on line beschikbaar maar de uitgangsdocumenten ( van creabel ? en de stukjes van Jetro Wils(op pandora be . ) zelf duikt af en toe nog wel eens op , op het internet )
(1)
Dit stukje uit het internetverleden (uit discussiegroepen van het laatste decennium) is in zoverre interessant dat het nog steeds goede aanknopingspunten naar info biedt(vooral in de antwoorden ) met het hier besproken onderwerp systematiek
Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 287 andere volgers