ANTI-CREATO

INHOUD —-> http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

 Welkom

Wie meent dat inmiddels het creationisme definitief het pleit heeft verloren en dat de discussie gesloten kan worden , ziet over het hoofd dat het “creationisme” is geevolueerd ( en zal evolueren ) in nieuwere mimicretische vormen( memecomplexen ) zoals bijvoorbeeld het ID(C) en het accomodationisme 

Daarom …… ANTI-CREATO :
een weerleggingen – verzameling
gericht tegen diverse verzamelingen creationistische beweringen en claims ..
anti-creato is een onderdeel van EVODISKU
zie voor opzet en regelingen  –> 

“…Creationisme komt overal vandaan ,daar is geen opleiding niveau op van toepassing….” ( antoon , morosoof )

INHOUD ANTI CREATO

°

ABIOGENESIS CREATIONISME 

abiogenesis slechts een evolutie-geloof

GATENKAAS

misvattingen over abiogenesis.docx (152.6 KB

Teach the controversy <–doc archief 

°

 ANTI-ARCHEOLOGIE & GESCHIEDENIS 

De oorsprong van de menselijke beschaving.docx (20.8 KB)   

°

ANTI -ASTRONOMIE
Nep cosmology uit de weet.docx (1021.7 KB)   

°

ANTI  GEOLOGIE

cambrium volgens creato’s

Datering en ouderdom aarde

( en creationisme )

anti creato plaattektoniek   (Doc) ARCHIEF 

°

NEP PALEONTOLOGIE

WP FILE  //  

°dino’s & mensen.docx (1.5 MB)    ° kachina bridge dinos.pdf (1.8 MB)   °misvattingen over dino’s.docx (257.8 KB) 

er zijn weinig dino’s <–

dinosauriërsoorten blijken één soort’  <–

PALUXY RIVER   <–Document 

 

°

ANTI -EVO DEVO

°

FILOSOFIE  en MOROSOFEN  

accomodationisme.docx (99.3 KB)
antiwetenschap.docx (75.2 KB) 

Godsdienst Wetenschap en Cultuur.docx (70.9 KB)

oorlog met de religie.docx (779.2 KB)

95 stellingen.docx (450.7 KB)   

scepticisme en kritiek.docx (66.3 KB)   

THEISTISCHE EVOLUTIE

vatikaan en pauselijke evolutietheorie  <–doc

°

waarom bijbelvaste christenen niet in evolutie geloven.docx (162.5 KB)

wetenschapsleer.docx (205.2 KB)   

GENERAL

slecht en half oog <—

Teologie argument en causaal verband

ID

design.docx (22.2 KB)

 

TOEVAL ID en THEISTISCHE EVOLUTIONISTEN.docx (101.9 KB) 

  het bestaan  van  sexuele voortplanting is  onverklaarbaar door  NS  en daarom een  falsificatie van evolutie ?  

MISVATTINGEN EN LEUGENS

 

SCHANDPAAL 

        Knock out  <—doc  WP

Diversen 

TRUKENDOOS

 <—doc archief

journalisten en wetenschap  –> doc arhief

tree of life <— doc

ARCHEO- ANTROPOLOGIE INHOUD

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<archeologie antropologie evodisku

INHOUD —-> http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

ALGEMEEN ….

 


archeologie en de bijbel.docx (117.3 KB)

australie.docx (126 KB)

Cultures prehistorique.docx (2.6 MB)     

HOMO SAPIENS.docx (4.4 MB)

VERMENGING BINNEN HET GENUS HOMO EN BIJ ANDERE HOMINES.docx (846.7 KB)

AFRIKA

afrika -10.000 tot nu.docx (186.1 KB)

EGYPTE


ancient egyptian mummies.docx (1.7 MB) 
egypt.docx (3 MB)


Out of Africa theorie.docx (1 MB)

AUSTRALIA

°australie.docx (126 KB)  zie ook   “update”    —>  australie en stille zuidzee  

AZIE 
°Verre oosten.docx (159.8 KB)

NOORD AMERIKA 

MIDDEN AMERIKA
°foto’s midden amerika.docx (7.3 MB) 
°midden amerika teksten.docx (4.2 MB)

°Precolombiaanse offerpraktijken.docx (801.9 KB)

ZUID AMERIKA
°INCA.docx (3.4 MB)

EUROPA
°Cultures prehistorique.docx (2.6 MB) 
°Homo Sapiens in Europa.docx (1.9 MB)

°ÖTZI.docx (854.1 KB)

°STONEHENGE.docx (1.4 MB) Britse megalithische cultuur  —>STONEHENGE WP doc
°Women of Brassempouy Final red.pdf (1.5 MB)

ANTROPOLOGIE
°HOMO SAPIENS.docx (4.4 MB)
°VERMENGING BINNEN HET GENUS HOMO EN BIJ ANDERE HOMINES.docx (846.7 KB)

Overgang naar het genus HOMO . AUSTRALOPITHECUS SEDIBA

INHOUD —-> http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

Australopethicus sediba     Oermens      Mensapen      Australopithecus

zie ook =
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<Australopithecus SEDIBA
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<STERKFONTEIN 2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<Denisova : ZUID SIBERIË
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<DENISOVA – mens

http://www.aaas.org/news/releases/2010/0408sp_fossil.shtml
http://www.eurekalert.org/pub_releases/2010-04/dlnl-itd040810.php 

Daar is ie dan

Hill slopes surrounding the newly discovered Malapa site in South Africa. 

landscape Hill slopes surrounding the newly discovered Malapa site in South Africa.
Credit and Larger Version

Cradle of Humankind (P.Dirks) A view across the Cradle of Humankind

Photo of excavations at Malapa, South Africa.

Excavations at Malapa, within the Cradle of Humankind World Heritage Site in South Africa.
Credit and Larger Version

Photo of scientists working at the Malapa site near Johannesburg, South Africa.
Scientists working at the Malapa site near Johannesburg, South Africa.
Credit and Larger Version

Photo showing excavated blocks rich in fossil remains from Malapa.
Excavated blocks rich in fossil remains from Malapa.
Credit and Larger Version

ancient-human1-h


Korte Samenvatting :

Belangrijk : De gevonden mensachtigen leefden tussen de 1,78 en 1,95 miljoen jaar geleden en kunnen wel eens vele vragen omtrent de evolutie van aap naar mens beantwoorden.

Berger :
“Australopithecus sediba is ongetwijfeld een overgangssoort met een mozaïek aan kenmerken die later ook door de mensachtigen in de lijn van het mensengeslacht werden gedeeld,”
vertelt Berger.

Uiterlijk

 

The skeletons of Australopithecussediba.
The more complete skeleton of the adolescent male (MH1) is on the left, and the less complete adult (MH2) is on the right. From Berger et al, 2010.
Associated skeletal elements of MH1 (left) and MH2 (right), in approximate anatomical position, superimposed over an illustration of an idealized Auafricanus skeleton (with some adjustment for differences in body proportions). The proximal right tibia of MH1 has been reconstructed from a natural cast of the proximal metaphysis.

De twee gedeeltelijke skeletten, van een volwassen vrouw ( MH2 )en een adolescente jongen,(MH 1) beide circa 1,30 meter lang, zijn de compleetste Australopitheci die ooit zijn gevonden. Opgegraven zijn onder meer een vrij complete schedel met aangezicht, een onderkaak, sleutelbeen , schouder ,armen , vingerkootjes , een bekken, gedeelten van een dijbeen , een fragment van de knie , een enkel.
De gevonden mensachtigen hebben net als apen lange armen en sterke handen.

Uit beide skeletten is een ( voorlopig ? ) holotype samengesteld


http://www.sciencemag.org/content/vol328/issue5975/images/small/328_195_F4.gif

Fig. 4. Representative ossa coxae, in lateral view, from left to right, of Auafarensis (AL 288-1), Au. africanus (Sts 14), Au. sediba (MH1), and H. erectus (KNM-WT 15000). The specimens are oriented so that the iliac blades all lie in the plane of the photograph (which thus leads to differences between specimens in the orientation of the acetabula and ischial tuberosities). MH1 possesses derived, Homo-like morphology compared to other australopithecines, including a relative reduction in the weight transfer distance from the sacroiliac (yellow) to hip (circle) joints; expansion of the retroauricular surface of the ilium (blue arrows) (determined by striking a line from the center of the sphere representing the femoral head to the most distant point on the posterior ilium; the superior arrow marks the terminus of this line, and the inferior arrow marks the intersection of this line with the most anterior point on the auricular face); narrowing of the tuberoacetabular sulcus (delimited by yellow arrows); and pronouncement of the acetabulocristal (green arrows) and acetabulosacral buttresses.

Hun vooruitgeschoven bekken is ver ontwikkeld en ze hebben lange benen waardoor ze in staat waren om te stappen en net als een mens te rennen.
Naar schatting waren de mensachtigen zo’n 1,27 meter groot, maar van het kind wordt verondersteld dat het nog niet volgroeid zou .

Het brein van de jonge mannelijke mensachtige was ongeveer tussen de 420 en 450 kubieke centimeters groot.
Dat is veel kleiner dan dat van de moderne mens met een grootte van 1200 tot 1600 kubieke centimeters.
De tanden zijn klein en ogen zeer modern , maar de knobbels op de kiezen zijn eerder aapachtig


Fig. 1. Craniodental elements of Au. sediba. UW88-50 (MH1) juvenile cranium in (A) superior, (B) frontal, and (C) left lateral views. (D) UW88-8 (MH1) juvenile mandible in right lateral view, (E) UW88-54 (MH2) adult mandible in right lateral view, (F) UW88-8 mandible in occlusal view, (G) UW 88-54 mandible in occlusal view, and (H) UW 88-50 right maxilla in occlusal view (scale bars are in centimeters)

“Dit fossiel geeft ons een uitzonderlijk gedetailleerd kijkje in een nieuw hoofdstuk van de menselijke evolutie toen mensachtigen niet langer afhankelijk waren van een leven in de bomen, maar op de grond gingen leven.” 

Er werden naast de mensachtigen nog fossielen van 25 andere soorten gevonden, waaronder een wilde kat( sabeltandkat ) , een bruine hyena, een wilde hond, een antilope en een paard.

(Gastbijdrage Bart Klink ) 

vingers? tenen?

” ….Ook in het postcranium (alles onder de schedel) is een interessante melange te vinden.
Au. sediba had een klein postuur (slechts 1,3 meter) en relatief lange armen.
Het pelvis (bekken) daarentegen doet weer meer aan Homo denken, net als de relatief lange benen.

Deze aanpassingen ‘anticiperen’ op de veranderingen in het pelvis die bij Homo ergaster/erectus (een latere Homosoort) aangetroffen worden, wat waarschijnlijk verband houdt met een energetisch efficiëntere manier van bipedalisme (rechtop lopen).
Het voetskelet is echter weer primitief (meer Australopithecusachtig).

Opmerkelijk genoeg wordt er niets over de vingers en tenen geschreven. Deze zijn bij Homo min of mee recht, maar bij de Australopithecussoorten gekromd, een aanpassing aan het leven in bomen.

Au. sediba bevestigt dat kenmerkende eigenschappen van de moderne mens (vooral bipedalisme en grote hersenenniet tegelijk ontstaan zijn. Deze soort liep al behoorlijk goed rechtop, maar met een schedelinhoud die net iets groter is dan die van een chimpansee.
Zo’n mix van kenmerken in evolutionaire overgangen komt vaak voor en wordt mozaïeke evolutie genoemd. “

Er zijn dus -tot nu toe- géén mensapen/mens-achtigen gevonden, die op NIET op 2 benen liepen,
maar WEL significant > 400 cc hersenen hadden. Dus: grote hersenen wordt door bipedalisme voorafgegaan en niet andersom. :

Mensapen die normaal zich als viervoeter gedragen op de grond, kunnen makkelijk tijdelijk zich bipedaal voortbewegen wanneer ze bv door laag waterlopen zoals die beroemde filmopnames van David Attenborough laten zien (gorilla’s).
Eventjes tijdelijk je hersenen vergroten. is er niet bij ….

Maar het equivalent van tijdelijke bipedaliteit kan niet de tijdelijke vergroting van hersens zijn
maar wel wat je een ‘brainwave’ zou kunnen noemen: een tijdelijk, beter gebruik van je hersens.( ook van “geniale ” individuen uit de groep die een ontdekking doen die iedereen daarna naboots) Helemaal in overeenstemming ook met ‘gradualisme’. De evolutie van de mens bestaat uit een reeks (kleine) heldere momenten!( en beginnende doorgave van “cultuur”= net zoals die japanse makaken die zoete aardappels wassen ) zoiets?

Voor bipedaliteit tel ik in de literatuur plm 15 verklaringen, voor grote hersens minstens 25.
Het is in ieder geval achteraf duidelijk dat die de meeste voordelen blijken te hebben!

Overigens, volgens biomechanisch onderzoek levert een sterke achillespees past het echte voordeel op, tenminste als je hard wil lopen.
Rechtoplopen levert ook de meeste verkoeling en lijkt daarmee een voorwaarde om het grote hoofd koel te houden( de behouden haardos is daar ook een goed middel voor .)
Er zijn inmiddels hele bibliotheken volgeschreven over bipedaliteit.

( anecdote )”…..de beroemde frauduleuze schedel van ‘Pildown man’ werd aangevoerd als bewijs dat de mens al heel snel een grote herseninhoud had gekregenIn werkelijkheid blijkt dit dus pas relatief laat gebeurd te zijn.”

08 apr 2010

Het genus Homo heeft nieuwe “voorouder ” ?

De Australopithecus sediba liep al goed rechtop, maar kon dankzij zijn lange, aapachtige armen ook in bomen slingeren. Deze nieuwe mensachtige leefde twee miljoen jaar geleden in Zuidelijk Afrika.
Wellicht gaat het om een kandidaat- voorouder van het mensengeslacht Homo.

‘Sediba’ betekent ‘fontein’ in het Zuid-Sotho, een taal die in het gebied rond de vindplaatst veel wordt gesproken. De vondst zou als een fontein nieuwe gegevens over de evolutie van de eerste mensen moeten uitspuien.
Een koosnaampje – genre ‘Lucy’ of ‘Ardi’ – heeft Au. sediba nog niet
(omdat het australopithecus jongetje , gevonden is door een knaap en in zuid afrika , wensen de wetenschappers de keus van het koosnaampje over te laten aan de “kinderen van Zuid Afrika” )

Het vakblad Science pakte groot uit met het nieuws over de vondst en de eerste analyses van twee skeletten van de Australopithecus sediba.

UPDATE / (tsjok45)
op Australopithecus SEDIBA 


RESEARCH ARTICLES

Australopithecus sediba: A New Species of Homo-Like Australopith from South Africa

Lee R. Berger, Darryl J. de Ruiter, Steven E. Churchill, Peter Schmid, Kristian J. Carlson, Paul H. G. M. Dirks, and Job M. Kibii (9 April 2010)
Science 328 (5975), 195. [DOI: 10.1126/science.1184944]
Abstract » | Full Text » | PDF » | Supporting Online Material » | Podcast Interview »
RESEARCH ARTICLES
Geological Setting and Age of Australopithecus sediba from Southern Africa
Paul H. G. M. Dirks, Job M. Kibii, Brian F. Kuhn, Christine Steininger, Steven E. Churchill, Jan D. Kramers, Robyn Pickering, Daniel L. Farber, Anne-Sophie Mériaux, Andy I. R. Herries, Geoffrey C. P. King, and Lee R. Berger (9 April 2010)
Science 328 (5975), 205. [DOI: 10.1126/science.1184950]
Abstract » | Full Text » | PDF » | Supporting Online Material » De fossielen – twee, weliswaar gedeeltelijke maar goed bewaarde skeletten mét schedel – werden in augustus 2008 gevonden in een een kalksteengrot in Malapa, in het gebied ten noorden van de Zuid-Afrikaanse hoofdstad Johannesburg dat archeologen ook wel ‘de wieg van de mensheid’ noemen. Het gaat om de skeletten van een volwassen vrouw en een jongen (van ongeveer 12 jaar) die vermoedelijk samen omkwamen, mogelijk door door een door een vrij dodelijke val en/of (erop volgende ? ) verdrinking. Een sterk stromend riviertje sleurde hun lichamen vrijwel onmiddellijk na hun dood een 15 meter dieper gelegen grot in, getuige de nagenoeg intacte staat van hun skeletten.Gastbijdrage Bart KlinkDe auteurs van het tweede stuk (Dirks et al.) schrijven maar heel weinig over de taphonomie ( in dit geval hoe beide sebida specima , een fossiel geworden zijn); ze opperen slechts een hypothese.
Het grotcomplex is afgesloten en(tegenwoordig ? ) alleen toegankelijk door de gaten van bovenaf. Aan de grote hoeveelheid fossielen van andere dieren te zien, vielen er regelmatige dieren in die er blijkbaar niet meer uit konden komen. Het lijkt erop dat de twee homininen hetzelfde lot beschoren is geweest. Er is geen melding van botbreuken.De skeletten waren deels gearticuleerd, want wil zeggen dat de botten nog op hun ‘natuurlijk’ plek zaten.
Dan kun je gemakkelijk bepalen wat bij welke individu hoort.
Het lijk er inderdaad op dat beide skeletten ( een volwassen vrouw en een knaap / moeder en zoon ? ) ongeveer even groot waren toen ze stierven. Ik denk dat dit komt door het grote seksuele dimorfisme in Australopithecus

A diagram of how the skeletons of Australopithecus sediba came to be preserved in the Malapa cave deposit. From Dirks et al, 2010.

Op grond van de sedimentlaag waarin de fossielen werden gevonden, concludeert een internationaal onderzoeksteam dat déze A. sediba tussen 1,95 en 1,78 miljoen jaar geleden moet geleefd hebben. Dat is ruim een miljoen jaar na Lucy, de bekendste Australopithecus afarensis, en niet zolang voordat de Homo erectus fossielen een ( tot op heden bekende ) maximale ouderdomsgrens van diens eerste verschijnen vaststelden

(Gastbijdrage Bart Klink)
http://evolutie.blog.com/2010/04/10/een-nieuwe-mensensoort-wanneer-kun-je-spreken-van-een-mens/

” …..De fossielen zijn met drie verschillende methoden gedateerd (Dirks et al., 2010).
De radioactieve datering met de uranium-lood-methode kwam uit op een maximumleeftijd van 2 miljoen jaar.
De aanwezigheid van de sabeltandkat Megantereon wijst op een minimumleeftijd van 1,5 miljoen jaar.
Datering aan de hand van paleomagnetisme preciseerde de ouderdom tot 1,95-1,78 miljoen jaar geleden. Een ouderdom van net onder de 2 miljoen jaar is daarmee het meest waarschijnlijk, wat vrij jong is voor een Australopithecusfossiel. Dit plaatst Au. sediba midden in de overgang van Australopithecus naar Homo …”

Omdat het de eerste vondst is van Au. sediba, kunnen de onderzoekers nog niet zeggen of het om late, dan wel vroege individuen van de nieuwe soort gaat.
Maar dat het om een nieuwe soort mensachtige gaat, daarover bestaat geen twijfel.

Zoon deed vondst
Lee Berger, de Amerikaanse antropoloog van de universiteit van Witwatersrand die de ontdekker is van Au. sediba, beschrijft in een telefonische persbabbel hoe zijn 9-jaar oude zoon op 15 augustus 2008 de fossielen vond.

‘Die dag nam ik Matthew mee naar de site waar we toen aan het werk waren, in de buurt van Malupu. Plots hoorde ik hem roepen dat hij een been had gevonden, in een klein dalletje vlakbij de ingang van een kleine grot. Toen ik het zag, dacht ik eerst aan een bot van een antilope, want daar hebben we er hier al honderdduizenden van gevonden. Maar toen ik beter keek, zag ik duidelijk een mensachtig kaakbeen uit het zand steken.’


 
Professor Lee Berger, University of the Witwatersrand, en zoon , Matthew, naast het skelet van de juveniele Sediba ( Maropeng,/ Johannesburg,) , April 8, 2010.

Berger omschrijft Au. sediba als ‘een mozaïek van kenmerken’( zie appendix ) , een mengeling van het “primitievere” Australopithecus geslacht en het moderne mensengenus Homo.
De antropoloog wil nog niet gezegd hebben dat het zeker om een rechtstreekse voorouder van Homo erectus of Homo ergaster gaat, maar hij houdt er duidelijk wel rekening mee.
Maar het kan ook een voorouder zijn van andere, ons onbekende Homo-soorten. Of Au. sediba behoort tot een aparte groep die net als Homo is ontstaan uit Australopithecus, maar die in de loop van de evolutie is uitgestorven.’

Als Au. sediba geen voorouder was, maar een soort verre neef van de eerste Homo-soorten, verklaart dit mogelijk de erg vroege datering van de Homo erectus-skeletten van de Georgische site Dmanisi, die ook bijna twee miljoen jaar oud zijn.

Er zijn trouwens ook in afrika leden van het genus homo gevonden die ouder zijn dan de nu gevonden australopithecus (een lid van het apart genus australopithecinen( van het africanus / gracilis type ? zie daarover john Hawks ) dus , en die niet behoort tot het homo-genus ) o.a. is er Homo habillis ( en Rudolfensis waarvan we ook niet weten” of ze vroege of late vertegenwoordiger zijn van hun respectievelijke soorten ” )

Fragmenten van een homo habilis schedel Skull 1470
Deze’ schedel is een beetje ouder dan de gevonden Australopithecus Sediba fossielen

 

” Het is nogal gewaagd en moeilijk te be-argumenteren dat Sediba een voorouder is van het genus homo is , wanneer de soort later ( minstens een half miljoen jaar na ) ten tonele verschijnt dan de eerste leden van het homo geslacht ,” zei anthropologist Brian Richmond of George Washington University in Washington, D.C

Lees over alle verder nog komende en beginnende controverses het goede blog van Laelaps
http://scienceblogs.com/laelaps/2010/04/close_to_homo_-_the_announceme.php

Kleine
 tanden, lange armen

A. sediba heeft een rechtopstaande neus en kleine tanden, wat hij gemeen heeft met Homo erectus en H.habilis. Maar de schedelinhoud is verrassend klein (tussen 420 en 450 kubieke centimeter) en dat is dan weer typisch voor Australopithecus, net als het relatief grote voorhoofd.

De uitzonderlijk lange armen van A. sediba wijzen erop dat deze mensachtige nog in bomen slingerde – of dat tenminste kon als er gevaar dreigde op de grond. Maar het bekken doet dan weer denken aan Homo erectus, en de onderzoekers zijn ervan overtuigd dat A. sediba uitstekend

rechtop kon lopen.
Waarom ze de nieuwe soort dan plaatsen binnen Australopithecus, en niet binnen Homo?
Er is de kleine schedelinhoud
en
‘De erg lange, aapachtige armen tonen aan dat A. sediba nog prima in bomen kon leven, iets waartoe zelfs de vroegste Homo erectus niet in staat was. Dat heeft ons uiteindelijk over de streep getrokken’,
zegt Lee Berger.De twee skeletten zijn dermate goed bewaard, dat er zelfs nog sporen van organisch materiaal aanwezig zijn. Berger: ‘We sluiten niet uit dat we stukjes DNA kunnen isoleren, of misschien enkele proteïnen. De komende maanden zal er sowieso veel onderzoek over A. sediba verschijnen. Een zestigtal onderzoekers hebben gewacht op deze bekendmaking om hun onderzoek te publiceren.’
UPDATE / (tsjok45)
op Australopithecus SEDIBA (sst)De vooropgestelde werkhypothese

Volgens Berger is Au Sediba en ‘goede kandidaat’ voor de overgang( zie de opmerkingen over missing link in de appendix ) tussen de Australopithecinen en vroege vertegenwoordigers van het geslacht Homo, zoals Homo habilis. (De soort zou aan de basis liggen van het genus homo ) 

  OUDERDOM DIVERSE FOSSIELEN



Volgens een groep paleo-antropologen is het geslacht Homo ruim twee miljoen jaar geleden uit de Australopitheci ontstaan.
De moderne mens, Homo sapiens, is 200 duizend jaar oud.

( Gerdien De Jong )
” ….Omstreeks twee miljoen jaar geleden bestonden er een aantal soorten homininen, mensachtigen, in Afrika.
Er is weer een nieuwe soort aan het assortiment toegevoegd.
Dit is de plaats van Australopithecus sediba in de indeling van de fossiele soorten:


SK 847 specimen
SK 847 specimenPhotograph by David Brill.SK847 (Swartskrans 1969 ) is een andere voorgestelde link met de latere homo sapiens

http://humanorigins.si.edu/evidence/human-fossils/fossils/sk-847
Voorkanthttp://books.google.be/books?id=F3zBzr4JjYwC&dq=SK847&source=gbs_navlinks_s

Gastbijdrage Bart Klink)

afstamming?

” ….Berger meent dat de overgang naar Homo is gemaakt via de Au. africanus.
Deze soort leefde ook in Zuid-Afrika tussen ongeveer 3 en 2,4 miljoen jaar gelden en is daarmee de meest waarschijnlijke voorouder.
Au. sediba laat dus een mengeling zien van primitieve (Australopithecus-) en afgeleide (Homo-) kenmerken.
De vraag is alleen welke Homosoort waarschijnlijk de afstammeling is van Au. sediba.
De auteurs houden twee mogelijkheden open:
H. habilis en H. erectus.
Qua leeftijd zijn beide opties mogelijk, al is er van H. habilis materiaal bekend dat ouder is dan Au. sediba. Dit zegt echter weinig, want deze fossielen hoeven niet de eerste representanten te zijn van deze soort. 

Misschien zullen in de toekomst fossielen van Au. sediba gevonden worden die ouder zijn dan de oudste van H. habilisHet bepalen van afstammingsrelaties blijft lastig.
Misschien is Au. sadiba wel een doodlopende tak geweest.

conclusie

Deze vondsten wijzen op twee belangrijke punten.
Ten eerste dat er meerdere soorten homininen hebben bestaan rond de 2 miljoen jaar
geleden. Niet alleen robuuste Australopithecussoorten, maar ook de slanke Au. africanus.
Daarnaast hebben H. habilis en H. ergaster/erectus in die tijd naast elkaar bestaan en is er nog een andere soort die vaak tot Homo wordt gerekend (H. rudolfensis). 

Au. sediba is daar nu bij gekomen. Hoe meer fossielen gevonden worden, hoe duidelijker wordt dat de evolutie van de mens niet in één lijn heeft geleid naar de moderne mens. Uit dit verouderde beeld stamt ook de term ‘missing link’ (ontbrekende schakel), wat in de huidige opvattingen een onzinnig begrip is gewordenDe evolutie van de mens is een boom met vele uitgestorven takken en meerdere soorten die naast elkaar hebben bestaan. …”

prof. Dr. Gerdien De Jong 
http://evolutiebiologie.blogspot.com/2010/04/australopithecus-sediba.html http://en.wikipedia.org/wiki/Australopithecus_sediba

http://tsjok45.multiply.com/photos/album/728/australopithecus_

Tim White :
“De karakteristieken die A. sediba deelt met Homo ,zijn nogal aan de magere kant : ze kunnen zelfs toegeschreven worden aan de juveniele status van het belangrijkste skelet en vallen waarschijnlijk binnen de normale variaties binnen australopithecine
soorten “( =Bijvoorbeeld de hersenen van de knaap zouden wel eens grotendeels volgroeid kunnen geweest zijn , dat is aannemelijk ) 

Dat Sediba aan de basis ligt van het geslacht homo , is daarom nogal betwijfelbaar

Binnenkort uitsluitsel ?
Er zijn echter nog twee andere ( fragmentaire )skeletten gevonden … maar daar is nog niets over gepubliceert
(en er zouden mogelijk nog skeletten in de breccie vastzitten …..)
UPDATE / (tsjok45)
op Australopithecus SEDIBA 

APPENDIX en noten 

1.- Over mozaiken en evolutie
zie het prachtige blog en blogartikel van 
Terrence
http://www.vkblog.nl/bericht/309928/Evolutie_doet_aan_moza%EFeken.#commentaar
waaruit het volgende 

Evolutie doet aan mozaïeken.
vrijdag 9 april 2010 door Terrence

Inleiding.

Evolutie werkt bijna nooit op alle eigenschappen tegelijk. Sommige eigenschappen ondergaan evolutie terwijl andere eigenschappen nauwelijks veranderen. Een voorbeeld hiervan is makkelijk te bedenken. Een populatie organismen migreert naar een kouder gebied. De kenmerken die ervoor zorgen dat het organisme warm blijven ondergaan positieve selectie (deze worden over generaties steeds meer aanwezig in een populatie). Langer haar, dikker haar, dikkere vetlaag e.d. zijn een paar van deze kenmerken. Kenmerken die in deze omgeving ook goed werken (het gebit of lengte van bepaalde ledematen om even wat voorbeelden te noemen) evolueren nauwelijks of niet. Zo krijg je een mozaïek van kenmerken die heel erg veranderd zijn en kenmerken die nauwelijks veranderd zijn sinds de populatie migreerde naar deze koude omgeving.

Onze voorouders vertoonden mozaïeke evolutie.

Een werkelijk voorbeeld is de evolutie van de mens. Australopithecus is een geslacht van organismen die een vrij kleine hersencapaciteit hadden in vergelijking met de moderne mens (350-450cc in Australopithecus en 1100-1500cc inHomo sapiens). Echter liepen ze al wel rechtop te zien aan vele kenmerken die te vinden zijn in het bekken, benen en ruggengraat (Latimer & Lovejoy, 2005; Thorpe et al., 2007; Whitcome et al., 2007). Rechtop lopen evolueerde eerder dan de hersencapaciteit die pas evolueerde toen de eerste echte mensen (Homo) op het toneel verschenen. De manier waarop vrouwen baren bij onze soort is nog veel later ontstaan, na de splitsing tussen de Neanderthaler en onze soort zo’n 660.000 (+-140.000) jaar geleden (Green et al., 2008, Weaver & Hublin, 2009).

Een skelet van Lucy, hij/zij behoort tot de soort Australopithecus afarensis. Dit was een van de eerste skelletten die lieten zien dat rechtoplopen al vroeg was geëvolueerd. De hersencapaciteit was echter nog maar ongeveer 400cc. “

(voor nog andere vooorbeelden van mozaik evolutie zie bovenstaand blog-artikel )

2.- AUSTRALOPITHECUS

_

Enkele reconstructie’ s van een paranthropus (a bosei) twee vroege homo’s = rudolfiensis , en erectus , australopithecus afarensis
“Lucy”(onderaan rechts ) is een reconstructie olv Donald Johnson

Ook oreopithecus b staat erbij ; omdat deze fossiele aap de eerste fossiele primaat is , die reeds rechtop liep ;

OREOPITHECUS BAMBOLII

Uit het Boven-Mioceen of Onder-Plioceen van Toscane was reeds sinds 1871 Oreopithecus bambolii bekend, doch men rekende deze tot de Smalneusapen.

Sedert 1949 echter heeft hörzeler vele nieuwe vondsten gedaan en van hem is de theorie afkomstig dat Oreopithecus een vroege Hominide is. Indien dit juist is, zou de stam van de Hominiden reeds ruim 10 miljoen jaar oud zijn. Hörzeler’s opvattingen worden door sommige onderzoekers gedeeld (o.a. Heberer, Köhlin), door anderen echter bestreden (o.a. Von Koenigswald, Valois). Het is ook mogelijk datOreopithecus geen voorvader van de Hominidae is, maar een vroege zijtak.

De Oreopithecus bambolii had een vlak breed gezicht, kleine hoektanden en nogal brede bekkenbeenderen. Vooral dat laatste vond Hörzeler een bewijs dat het dier op twee benen liep. Het komt namelijk alleen voor bij Hominiden (de mens en mensachtigen). Later is het skelet verder onderzocht en toen bleek dat het dier lange armen had en gewrichten die lijken op die van een orang-oetan. Het leefde dus in bomen in plaats van op de grond. Dat kan kloppen, want de omgeving waar het skelet is gevonden, was moerassig en bosrijk. Omdat het dier dus niet op twee benen liep, werd het niet langer beschouwd als voorouder van de mens. 
In 1997 hebben twee Spaanse onderzoekers (M. Köhler en S. Moyà-Solà) de botten die van het dier gevonden zijn, nog eens grondig onderzocht. Zij kwamen tot de conclusie dat de Oreopithecus bambolii geen voorouder van de mens is, al liep hij wel degelijk gewoonlijk op twee benen.
M.a.w . : Het dier zou ( samen met andere primaten ) wel bipedaal kunnen zijn , maar dat zou ook een geval van convergente evolutie vertegenwoordigen ….echter de afstammelingen van O bambooli stierven ondertussen allen uit
Toch was dit een belangrijke ontdekking omdat we nu voor het eerst onszelf met een ander tweebenig dier kunnen vergelijken. Dat is temeer van belang omdat onze voorouders, toen de Oreopithecus al op twee benen liep, nog viervoetige boomklimmers waren (en pas vier miljoen jaar later op twee benen begonnen te lopen ? .)

Gastbijdrage Bart Klink)
” ….De australopithecines zijn onder te verdelen in een robuuste groep (Au ‘Robustus ‘ : zeer stevige schedel, fors kaakapparaat en grote kiezen, ook wel als apart geslacht Paranthropusgegroepeerd) en een slanke groep,( Au ‘gracilis’ ) die deze robuuste kenmerken niet heeft.

Au. sediba is duidelijk te onderscheiden van de robuuste groep, maar lijkt erg op Au. africanus uit de slanke groep.
Toch zijn er ook verschillen met deze soort: de schedel is relatief breder,
het gezicht minder prognaat (de snuitpartij steekt minder naar voren),
de jukbeenderen steken minder zijwaarts uit en de boog boven de oogkassen (De wenkbrauwboog : torus supraorbitalis) is verschillend.
Ook zijn de tanden vrij klein vergeleken met Au. africanus.
Al deze kenmerken doen Au. sediba lijken op Homo.

Toch zijn er volgens de auteurs genoeg Australopithecuskenmerken om de beschreven soort binnen dit geslacht te plaatsen.
De voornaamste reden is de kleine schedelinhoud van 420 cc [net iets groter dan een chimpansee, red.]. De fossielen die doorgaans aan H. habilis ( persoonlijke noot : waarvan sommigen menen dat ie ook binnen het australopithecus-genus past ) worden toegeschreven, hebben een schedelinhoud die ongeveer tussen de 500 en 600 cc ligt, wat dus iets groter is. ….)

3.- reacties uit de wetenschappelijke wereld

What, if anything, is Australopithecus sediba?
http://johnhawks.net/weblog/fossils/sediba/malapa-berger-description-2010.html

Photo Album australopithecus

……The cranium of MH1 has more resemblances at Sterkfontein. To be sure, it is an 11-13-year-old juvenile and more gracile in some respects than any of the Sterkfontein crania. But take a look at it next to Sts 71:

MH1 next to Sts 71, frontal viewMH1 (left) next to Sts 71 (right)

They’re not identical, naturally. Sts 71 has higher temporal lines, a slightly smaller vault, and more prominent cheeks. It also has more postorbital constriction compared to MH1, though that isn’t obvious from this angle. MH1 has a true superorbital torus, Sts 71 has at best a shade of one. But you can see the similarities — the angle of the zygomatic process of the maxilla, the narrow and concave interorbital region, the tall and narrow orbits. MH1 has no prominent anterior pillars (bony swellings on either side of the nasal aperture), but Sts 71 is not very different in this region. Sts 71 has bigger teeth.

Consider also Sts 52:

MH1 next to Sts 71, frontal viewMH1 (left) next to Sts 52 (right)

Again, Sts 52 has anterior pillars and bigger teeth, but the shape of the face is very comparable between these two. The nasal bones in particular are similar in this pair, almost “pinched” at the midline, with a lateral expansion both superiorly and inferiorly.

We can do a similar exercise for most of the features of the MH1 cranium. What is exceptional, in the context of the Sterkfontein sample, is the overall gracility of the masticatory apparatus …….

One important thing that is not in the least bit exceptional:
Its brain. An endocranial volume estimate of 420 ml (from CT reconstruction) puts MH1 at the bottom of the range of variation at Sterkfontein — the best-known skull from Sterkfontein, Sts 5, has a volume of 485 ml, while STW 505 has a volume larger than 550 ml.

By contrast, the smallest endocranial volume known for early Homo is KNM-ER 1813, at 510 ml.
That specimen is extreme: the next smallest is 585.

The vault fits in A. africanus, most of the facial features have comparable specimens in the Sterkfontein sample, with some exceptions, and the postcranial skeleton is unexceptional. The teeth are mostly within the range at Sterkfontein with some exceptions. But the mandible — like those few facial characters — stands out.

Australopithecus sediba – a new species within Australopithecus – then seems like a fair diagnosis.
The craniodental derived features are of the sort that would usually justify a new species.
Heck, in the case of Kenyanthropus, even more minor differences in the face and size of teeth from contemporary A. afarensis caused Leakey and colleagues (2001) to name a new genus….

( G Korthof )
Wat is een mens?

” ….Ook maakt deze vondst opnieuw duidelijk dat hoe meer fossielen er gevonden worden, hoe vager de grenzen worden.
Er zijn zowel argumenten om Au. sediba in Australopithecus als in Homo te plaatsen.
Paleoantropoloog Donald Johanson, de ontdekker van het beroemde fossiel Lucy (dat tot Au. afarensis behoort), opteert voor het laatste. 

In combinatie met de andere fossielen rond deze overgang is de grens min of meer arbitrair geworden.
Dit is ook wat je mag verwachten op grond van evolutie.
Evolutie zorgt voor een continuüm tussen voorouders en afstammelingen, wat ook te zien is in de fossielen, als er daar genoeg van gevonden zijn tenminste.
Dit grensprobleem is inherent aan evolutie.
Ik blijf me er dan ook over verbazen dat er om dit punt zo fel gestreden wordt onder paleoantropologen (Lewin & Foley, 2004).

De grens tussen Australopithecus en Homo is misschien wel extra controversieel omdat het over de grens tussen mens en niet-mens gaat: wanneer kun je spreken van een mens?
Blijkbaar ligt dit niet alleen gevoelig bij creationisten, maar ook bij paleontologen die zich bezighouden met de evolutie van de mens….”

-een reactie van Donald Johnson is hier te vinden
sciam april 2010 Donalsd (Tsjok45)
Discoverer of ‘Lucy’ raises questions about Australopithecus sediba, the new human species from South Africa

zie ook
Lewin & Foley (2004), Principles of human evolution, Blackwell Publishing 

FAQ & glossary (Tsjok45)

evolutionary tree by Peter Schmid

Evolutionaire stamboom volgens ( de Zuid afrikaan) Dr Peter Schmid

Au sediba , Homo Habillis en Homo rudolfensis ,zijn (in deze stamboom )de mogedlijke kandidaten waaruit de
homo ergaster
 zou zijn geevolueerd

Overigens is (zijn de eerste identificeerbare sporen ) van “Homo sapiens ” ong -280.000 Y ( al dan niet ontwikkeld aan de afrikaanse (zuid-)oostelijke regio uit een afrikaanse tak van de Heidelbergensis( deze hypothetische stazmboom ) ,en de H antecessor ….. of zelfs ( volgens andere paleo antropologen uit de over de gehele ” oude wereld verspreide ) H Erectus )gevonden

Op te merken valt verder dat ook H . Neanderthalensis al langer dan vandaag , werd/ wordt ingeschat (door sommige antropologen ) , als een subspecies
http://en.wikipedia.org/wiki/Neanderthal_man

Fedor Steeman 22-04-2010

……De Neanderthaler is mogelijk een ondersoort. So what!?
Dat is niet bepaald een probleem voor evolutie.
De grens tussen de soorten moet ergens getrokken worden.
Dit was overigens ook de consensus onder wetenschappers zo’n jaar of dertig geleden. Toen sprak men al van Homo sapiens neanderthalensis Ook op http://en.wikipedia.org/wiki/Neanderthal_man , valt te lezen dat: “Neanderthals are either classified as a subspecies of humans[...]or as a separate species [...]” zie ook —> over het inschatten/ herkennen van echte wetenschappelijke controversies :
http://anticreato.multiply.com/notes/item/19
NOTES c  : CONTROVERSEN
http://sandwalk.blogspot.com/2010/04/argue-both-sides.html
LARRY MORAN_Argue Both SidesOne of the distinguishing features of a true scientific controversy is that there are good arguments on both sides. In my class on controversies and misconceptions, I teach my students that they have to recognize a real scientific controversy and, when they do, they should be prepared to argue both sides. That’s the only way to demonstrate that they understand the issues.Unfortunately, this simple concept is not widely practiced—even among scientists. Quite often we see a case being made for one side without even acknowledging that there’s plenty of evidence for the opposing view.Take for example ;”Junk DNA” . The current literature is full of claims about the demise of junk DNA. The claim is based on some recent findings but nobody ever mentions the older evidence that has to be refuted. When you’re advocating a new model you have to do two things:(1) present evidence in favor of the old model, and(2) demonstrate that evidence against your “new” model should be rejected.You can’t do one without the other.This rule ONLY applies to controversies within science.                 In many cases, the ( debunking of the apologists’ ) trick is to recognize a “real” scientific controversy from one that only appears to be a scientific controversy.
( Note ) ……many Creationists and ID-ots want to ” teach ” false controversies ; in reality the promotion of non-scientific cvontroversies ( as genuine scientific controversies ) are good “strawman building ” devices
09-09-2011    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.<  UPDATE Australopithecus Sediba

Wetenschappers ontdekten in 2008 een nieuwe kandidaat ( dichtverwante ) voorloper van het genus homo ( waarbinnen dus ook de mens) :
De vondsten bestonden toen uit een fossiele jongen en een vrouw van de soort australopithecus Sediba
(lees er hier meer over). Ondertussen zijn fragmenten van meerdere individuen opgegraven = ruim 220 botten van deze vroege mensachtigen zijn gevonden, waaronder skeletonderdelen van nog drie individuen, maar die zijn nog niet grondig onderzocht. De verslagen van reeds uitgevoerde vervolgsonderzoeken gaan daarom voornamelijk over die eerste vrouw en jongen, mogelijk haar zoon 

De Australopithecus sediba is qua lichaamsbouw een mogelijke overgang tussen een australopithecus (1)
en het genus homo en beschikt over een mozaik van primitieve en moderne lichaamsfuncties. De ontdekkingen en het (nog lopende ) vervolgonderzoek werpt een heel nieuw licht op de evolutie van het genus homo
In Science verschenen deze week de eerste( kennisgeving) artikelen ….en daarbij opstartende discussies bij de huidige stand van het onderzoek

© afp
De Zuid-Afrikaanse professor Lee Berger vond de resten in 2008 in een grot in Zuid-Afrika.
Hij leidt sindsdien het onderzoek naar de soort, die Australopithecus sediba is genoemd. Er doen meer dan tachtig wetenschappers, studenten en technici aan mee

De mensachtige Australopithecus sediba leefde precies 1,977 miljoen jaar geleden ( veel vroeger dan tot nu toe werd aangenomen als datum voor een vroegste voorloper van homo ) . Zijn voeten en armen waren nog heel aapachtig, z’n handen en hersenen veel menselijker.
Na diepgaand (vervolg) onderzoek door wetenschappers vanover de hele wereld, zijn de paleoantropologen het erover eens geraakt dat het een van de meest belangwekkende vondsten in de menselijke stam-geschiedenis is.

HAND

 

Abstract

http://www.sciencemag.org/content/333/6048/1411

 Hand bones from a single individual with a clear taxonomic affiliation are scarce in the hominin fossil record, which has hampered understanding the evolution of manipulative abilities in hominins. Here we describe and analyze a nearly complete wrist and hand of an adult female [Malapa Hominin 2 (MH2)] Australopithecus sediba from Malapa, South Africa (1.977 million years ago). The hand presents a suite of Australopithecus-like features, such as a strong flexor apparatus associated with arboreal locomotion, and Homo-like features, such as a long thumb and short fingers associated with precision gripping and possibly stone tool production. Comparisons to other fossil hominins suggest that there were at least two distinct hand morphotypes around the Plio-Pleistocene transition. The MH2 fossils suggest that Au. sediba may represent a basal condition associated with early stone tool use and production.

        

“We hebben de meest complete hand van één individu van eender welke oude voorvader van de moderne mens die ooit ontdekt werd”, zegt Berger.

“En ze lijkt erg veel op een menselijke hand, met kleinere vingers en een lange duim. We krijgen nu een beter inzicht in het moment waarop onze grip, wat ons als mens zo uniek maakt, dat ons in staat stelt om piano te spelen, te schilderen, te typen, gereedschap uit steen te maken of handen te schudden, evolueert. “

De armen van Au. sediba waren lang en primitief, en wat dat betreft leek deze soort meer op een chimpansee dan op een mens. Maar aan die armen zaten opmerkelijk menselijke handen, met een relatief lange duim. Geschikt voor de fijne motoriek die je nodig hebt om bijvoorbeeld stenen werktuigen te fabriceren, meent Berger.

Nog volgens Berger had de soort een klein maar verrassend ontwikkeld brein en een modern bekken,
( de breedte van het geboortekanaal en de grote van de schedel zijn bij rechtoplopende mensachtigen , op elkaar afgestemd )

HEUP 

Abstract

http://www.sciencemag.org/content/333/6048/1407 The fossil record of the hominin pelvis reflects important evolutionary changes in locomotion and parturition. The partial pelves of two individuals of Australopithecus sediba were reconstructed from previously reported finds and new material. These remains share some features with australopiths, such as large biacetabular diameter, small sacral and coxal joints, and long pubic rami. The specimens also share derived features with Homo, including more vertically oriented and sigmoid-shaped iliac blades, greater robusticity of the iliac body, sinusoidal anterior iliac borders, shortened ischia, and more superiorly oriented pubic rami. These derived features appear in a species with a small adult brain size, suggesting that the birthing of larger-brained babies was not driving the evolution of the pelvis at this time.

© Peter Schmid / Lee Berger, Universiteit van WitwatersrandDe gereconstrueerde heupen van de jongen (links) en de vrouw (rechts).

Opvallend is dat het bekken al meer op dat van het Homo-geslacht lijkt (vertikaler, S-vorm) terwijl de schedel van sediba nog zo klein als een pompelmoes was.
Deze vondst zet dus een breed aanvaarde theorie op de helling dat het bekken van Homo zich anders ging ontwikkelen om kinderen met grotere herseninhoud te kunnen baren.
Misschien was het efficiënter rechtop lopen bepalend voor de ontwikkeling van een vertikaler bekken, menen de onderzoekers. (rvb)

Sediba kon perfect rechtop lopen, maar was ook nog een boomklimmer.
Dat laatste kon zelfs de vroegste Homo erectus niet meer.

Tegelijkertijd is de stand van de heupbotten duidelijk menselijker dan die van Lucy, de beroemde Australopitecus die een miljoen jaar eerder in het huidige Kenia leefde.
Vergelijk met de gereconstrueerde heupen van

reconstructed pelvis of

BSN49/P27 pelvis, top, compared to AL 288-1, bottom

BSN49/P27, ( vroege ) “homo erectus” uit Gona (boven)
en AL 288-1, “Lucy” ( onder )

 Lucy’s fossil pelvis -fragments


BREIN 

http://www.sciencemag.org/content/333/6048/1402

Abstract

http://www.sciencemag.org/content/333/6048/1417 The virtual endocast of MH1 (Australopithecus sediba), obtained from high-quality synchrotron scanning, reveals generally australopith-like convolutional patterns on the frontal lobes but also some foreshadowing of features of the human frontal lobes, such as posterior repositioning of the olfactory bulbs. Principal component analysis of orbitofrontal dimensions on australopith endocasts (MH1, Sts 5, and Sts 60) indicates that among these, MH1 orbitofrontal shape and organization align most closely with human endocasts. These results are consistent with gradual neural reorganization of the orbitofrontal region in the transition from Australopithecus to Homo, but given the small volume of the MH1 endocast, they are not consistent with gradual brain enlargement before the transition.

(voornamelijk de schedel van de jongen is diepgaand onderzocht ) 

De schedel van de jongen, die een jaar of negen geweest zal zijn, is supernauwkeurig in beeld gebracht met röntgenstraling van het Europese synchrotron in Grenoble (Frankrijk).
Vooral de binnenkant is belangrijk, want die verraadt heel veel over de vorm van de hersenen.

Qua grootte verschilden de hersenen nauwelijk van een chimpansee: 420 cc ongeveer
Maar de vorm is wel opmerkelijk anders.
De voorste delen, waar het betere denkwerk bij ons plaatsvindt, zijn duidelijk vergroot.
En dat geldt ook voor een gebied achter de linkerslaap, bij ons belangrijk voor sociaal gedrag en taal.
De onderzoekers zien dit als aanwijzingen dat de ‘vermenselijking’ van de hersenen al een eind op weg was.

Voet en Enkel

Abstract

A well-preserved and articulated partial foot and ankle of Australopithecus sediba, including an associated complete adult distal tibia, talus, and calcaneus, have been discovered at the Malapa site, South Africa, and reported in direct association with the female paratype Malapa Hominin 2. These fossils reveal a mosaic of primitive and derived features that are distinct from those seen in other hominins. The ankle (talocrural) joint is mostly humanlike in form and inferred function, and there is some evidence for a humanlike arch and Achilles tendon. However, Au. sediba is apelike in possessing a more gracile calcaneal body and a more robust medial malleolus than expected. These observations suggest, if present models of foot function are correct, that Au. sediba may have practiced a unique form of bipedalism and some degree of arboreality. Given the combination of features in the Au. sediba foot, as well as comparisons between Au. sediba and older hominins, homoplasy is implied in the acquisition of bipedal adaptations in the hominin foot.

DE HIEL
van de gevonden sediba exemplaren is echter nogal aapachtig en waarop het lastig lopen moet zijn geweest. Bij mensen is de hiel plat, zodat het gewicht op een groot oppervlak kan steunen, maar zij hadden een heel smalle, gekromde hiel. Toch waren hun enkels juist wel heel geschikt om mee rechtop te lopen.
Een prachtvoorbeeld van mozaik-kenmerken dus …

Al deze kenmerken, en zijn geologische leeftijd maken hem tot beste kandidaat om als onze oudste voorvader beschouwd te worden”, aldus Berger.

“Nog meer dan vorige ontdekkingen als de homo habilis.”

De leeftijd van de aardlaag die direct boven hun botten is afgezet. Die dateert van 1,977 miljoen jaar geleden, kon een geochemicus achterhalen – en hooguit tweeduizend jaar vroeger of later. Metingen aan uranium, dat vervalt tot lood, maakten de bepaling zo verbijsterend nauwkeurig.

Omdat de skeletten zo goed bewaard zijn gebleven, met ledematen die nog aan elkaar moeten hebben gezeten toen ze bedolven raakten, is dat ook de leeftijd van de vrouw en jongen zelf. 

Ze zijn daarmee iets ouder dan Berger in eerste instantie dacht, en dat komt hem goed uit. Het maakt deze soort namelijk tot een mogelijke voorouder van ons genus homo .

Abstract

http://www.sciencemag.org/content/333/6048/1421 Newly exposed cave sediments at the Malapa site include a flowstone layer capping the sedimentary unit containing the Australopithecus sediba fossils. Uranium-lead dating of the flowstone, combined with paleomagnetic and stratigraphic analysis of the flowstone and underlying sediments, provides a tightly constrained date of 1.977 ± 0.002 million years ago (Ma) for these fossils. This refined dating suggests that Au. sediba from Malapa predates the earliest uncontested evidence for Homo in Africa.

comparing-sebida-afarensis-erectus-990

Australopithecus , Homo of iets anders ?
SAMENVATTING door Gerdien De JONG
http://www.sterrenstof.info/?p=1573#comments

Er zijn behoorlijke verschillen tussen A. sediba en H. sapiens - anders was A. sediba direct wel in Homo geplaatst.

Uit de oorspronkelijke beschrijving, Science 9 april 2010:
These exact differences also align Au. sediba with the genus Homo (see SOM text S2 for hypodigms used in this study). However, we consider Au. sediba to be more appropriately positioned within Australopithecus, based on the following craniodental features: small cranial capacity, pronounced glabelar region, patent premaxillary suture, moderate canine jugum with canine fossa, small anterior nasal spine, steeply inclined zygomaticoalveolar crest, high masseter origin, moderate development of the mesial marginal ridge of the maxillary central incisor, and relatively closely spaced premolar and molar cusps. (griezel!; betekent een nogal aapachtig gezicht, onder andere:http://ngm.nationalgeographic.com/2011/08/malapa-fossils/fischman-text)

Uit de News Focus van Science van 9 september 2011:

Au. sediba’s hand still flexes in a way similar to the hands of apes that climb trees. And it came with a long, primitive arm that suggests it often hoisted itself up into trees, Berger says. But he also points out that Au. sediba’s fingers are relatively short, like his, and suggests that they worked with its long thumb to precisely grip objects such as stone tools.

The angle of the pelvic blades is more vertical in the reconstruction, and they are S-shaped like a human’s pelvis rather than that of Lucy, Berger says. But other traits, such as the diameter of the hip socket and the small size of the birth canal and sacral joint of the pubis, are like those in Australopithecus.

As Aiello noted, the heel is very primitive: When Au. sediba walked upright, it had to put its weight on a small, angled surface rather than on a broad, flat heel bone, which must have affected the way it walked. The new heel “is particularly strange and quite unlike any other hominid,” says paleoanthropologist Bruce Latimer of Case Western. Yet it had more mobility in its ankle, so its knee would have been directly over the foot when it walked upright. Jungers agrees that the foot is a “marvelous mosaic” of primitive and modern traits.

Algemene info:
http://blogs.discovermagazine.com/loom/2011/09/08/the-verge-of-human/

en een serie posts op:
http://johnhawks.net/weblog

Eerdere blogposts over de Malapa skeletten, na hun aankondiging in 2010:
http://evolutiebiologie.blogspot.com/2010/04/australopithecus-sediba.html
http://scienceblogs.com/laelaps/2010/04/close_to_homo_-_the_announceme.php#more
http://evolutie.blog.com/2010/04/10/een-nieuwe-mensensoort-wanneer-kun-je-spreken-van-een-mens/

Vandaag is er ( nog) geen uitsluitsel over wie nu de ” dichtste ” voorloper is van het genus homo

Homo erectus wordt algemeen beschouwd als meest waarschijnlijke eerste volwaardige vertegenwoordiger van het geslacht , maar of die nu zelf afstamt van de homo habilis (= een fossiel met eveneens een mozaiek aan kenmerken waardoor sommigen H Habilis rangschikken onder de australopithecinen en weer anderen denken aan een vroege vertegenwoordiger van het geslacht homo ….)
of van de Homo Rudolfenis is nog steeds niet al te duidelijk

Rudolfensis werd trouwens ook al in verband gebracht met de enigmatische Ngandong -mens (2) ( een zuid-oost aziatische H. Erectus ) en de vermeende verwante afstammelingen uit diens voorouderlijke lijn ( Homo georgicus ?Dmanisi ? of hebben die alleen maar europese afstammelingen ? ) waaronder de chinese Dali- mens en zelfs de mens van Denisova (bekend van vingerkootje en genetische bijdragen aan zuid-oost aziaten en melanesiers )

Denisova
 zou ook wel een Midden aziatische afstammeling kunnen zijn van oude afrikaanse ( archaische H erectus ?) emigranten .
Ook homo floresiensis past misschien in dat “afstammelingen van pre-erectus afrikaanse emigranten ” , hoekje ….

Volgens de zuid-afrikaanse wetenschappers rond Berger is de australopithecus sediba nu een meer waarschijnlijke overgangs-kandidaat tussen australopithecus en het genus Homo .
Maar het laatste woord is nog niet gezegd …
( Berger en Clark ( zie hieronder ) stellen al een tijdje de eigen kandidaat voor , na de ontdekking van “little Foot “)

De fossielen passen echter niet naadloos in de grote puzzel die er al lag.
Er is bijvoorbeeld nog een kaak van 2,3 miljoen jaar oud (3) gevonden die aan Homo wordt toegeschreven, en die kan natuurlijk niet aan een afstammeling van de vondsten van Berger hebben toebehoord.

Berger denkt dat het etiket ‘Homo er ten onrechte op is geplakt en vindt dat het best een lid van de Australopithecus-familie kan zijn geweest.

Het blijft ook een beetje een woordenspel, natuurlijk. De stamboom waaruit de mens is voortgekomen, blijkt steeds weer ingewikkelder dan gedacht. Paleontologen willen graag een helder overzicht met uitgestorven en doorevoluerende soorten, maar die zal er nooit komen.

Wat in de hele discussie lijkt te worden vergeten, is de mogelijkheid dat de menssoorten voortdurend met elkaar kruisten. Van de moderne mens is dankzij DNA-onderzoek sinds kort bekend dat hij na vertrek uit Afrika vruchtbare seks heeft gehad met twee andere menstypen (Neanderthalers en de Denisova-mens). Ook binnen Afrika wijzen genetische analyses erop dat er zo’n 35 duizend jaar geleden waarschijnlijk vermenging met oudere menssoorten is opgetreden.

Vlak na de splitsing van mens en chimpansee moet zoiets ook gebeurd zijn, concludeerden genetici in 2006. Het zou vreemd zijn als er in Afrika ook daarna niet af en toe seks buiten de (vage) soortgrenzen is geweest.

© afp
NIEUWE VONDSTEN  V/H KAROBO SKELET  2012
The rock containing the skeleton.of A sediba
The rock containing the skeleton.

Professor Lee Berger,announcement at the Shanghai Science and Technology Museum in Shanghai, China on 13 July 2012.

“We have discovered parts of a jaw and critical aspects of the body including what appear to be a complete femur (thigh bone), ribs, vertebrae and other important limb elements, some never before seen in such completeness in the human fossil record,” says Berger. “This discovery will almost certainly make Karabo the most complete early human ancestor skeleton ever discovered. We are obviously quite excited as it appears that we now have some of the most critical and complete remains of the skeleton, albeit encased in solid rock. It’s a big day for us as a team and for our field as a whole.”

De botten van de in 2008 ontdekte mensachtige Australopithecus sediba vertonen zowel menselijke als aapachtige trekjes.

Die vondst vormt daarmee een uitgesproken voorbeeld van menselijke evolutie en een  goede transitionnal  tussen aap en mens.

Die conclusie presenteert het tijdschrift  Science  12  april 2013  in een begeleidend artikel bij zes wetenschappelijke publicaties over deze mensachtige.

http://www.sciencemag.org/content/340/6129/163.full

Cover image expansion

COVER Reconstruction of a ~2-million-year-old Australopithecus sediba skeleton (height: ~1.3 meters) based on fossils from the Malapa Hominin 1 (MH1), MH2, and MH4 specimens from Malapa, Gauteng, South Africa. Brown indicates discovered fossils. Au. Sediba exhibits a mosaic morphology distinct from that of other australopiths and early Homo. See pages 132 and 163, as well as www.sciencemag.org/extra/sediba. Reconstruction: Peter Schmid and casting technicians at the University of the Witwatersrand’s Evolutionary Studies Institute; Photo: Brett Eloff, courtesy of Lee R. Berger and the University of the Witwatersrand

De onderzoeksteams studeerden vier jaar op de botten van drie verschillende Australopitheci sediba: een jonge man, een volwassen vrouw en een niet definieerbare volwassene. De tanden vertonen menselijke en aapachtige trekken. Het bekken is mensachtig, evenals de handen, maar de voeten hebben meer weg van die van een chimpansee. Ook had hij een meer flexibele onderrug dan wij. 

Vooral het gebit van Australopethicus sediba verschilt duidelijk van de primitievere Australopethicus africanus, die tussen drie en twee miljoen jaar geleden ook in Zuid-Afrika leefde en meer aapachtige trekjes had.

Doordat de eigenschappen van Australopithecus sediba een mozaïek vormen van aapachtige en menselijke trekken, hebben de wetenschappers moeite met het indelen van deze mensachtige, schrijven ze.

Vermoedelijk was sediba een tussensoort voorafgegaan door Australopithecus africanus en later opgevolgd door de succesnummers Homo habilis of Homo erectus, voorgangers van de Homo sapiens waar wij toe behoren.

Door: NU.nl/Jop de Vrieze  | Bekijk op de kaart

http://phys.org/news/2013-04-australopithecus-sediba-hominid-reveals-human.html

Composite reconstruction of Au. sediba based on recovered material from MH1, MH2 and MH4 and based upon the research presented in the accompanying manuscripts. As all individuals recovered to date are approximately the same size, size correction was not necessary. Femoral length was established by digitally measuring a complete femur of MH1 still encased in rock. For comparison, small-bodied female modern H. sapiens on left, Male Pan troglodytes on right. Credit: Lee Berger, University of the WitwatersrandRead more at: http://phys.org/news/2013-04-australopithecus-sediba-hominid-reveals-human.html#jCp
BBC  artikel met video
°
_______________________________________________________________________
LITTLE FOOT
ER zit echter nog een ander belangrijk mensachtig zuid-afrikaans australopithecus fossiel / (mogelijke kandidaat overgangsvorm ) in het zoutvat …. StW 573 met de koosnaam little foot
Na 15 jaar intensieve opgravingen werd een rotsblok gevonden waarin duidelijk goed bewaarde schedel , arm , hand , onderste ledematen , pelvis , ribben en verschillende ruggewervels werden onderscheiden …een fossiel dat aansloot bij de 15 jaar eerder ontdekte (voet) botten van een nieuwe australopithecus in de reserves van een museum …. De ontdekkers van ddeze naald in de hooiberg dachten dat al na twee maanden de gerecupereerde en losgebikte grotbewoner uit Sterkfontein-caves , zou kunnen worden voorgesteld … Maar het uitprepareren is blijkbaar ook vandaag nog , steeds niet volledig afgelopen ? …Wetenschappers verwachten nog altijd dat ” little foot ” veel heeft te vertellen over de evolutie van de mensachtigen … maar wat precies , blijft een groot mysterie ….
Maar laat dat de pret niet bederven … immers ook ardipithecus gaf slechts na zeer lange voorbereidingen en studies uiteindelijk zijn” mysterie” prijs … Paleoantropologie is net als de rest van de wetenschap niet hetzelfde als eventjes iets opzoeken in een boekje of bibliotheekje en al helemaal niet in een mythisch boekje Tot nu toe zijn slechts een paar initieerende artikeltjes verschenen (4)… de onderzoekers zijn trouwens al een tijdje wat vast gelopen in een aanslepend debat over de ouderdom van Little foot waarbij het gaat om een ouderdomsbeapling tussen de uiitersten – 3.3 MY en – 2.2 MY met als voorlopige uitslag iets rond die 2 miljoen … ( 5)
http://www.cosmosmagazine.com/news/912/hominid-fossil-grows-younger (© Maropeng)
de schedel in situ…
“Little Foot” bezit nog steeds 32 tanden op hun oorspronkelijke plaats image(© Maropeng)

Een van de ontdekkers van deze( volgens hem ) nieuwe supplementaire australopithecinnen – tak
+ kandidaat overgangsvorm naar homo , Professor Ron Clarke tijdens de eerste uitprepareer-arbeid
http://www.maropeng.co.za/index.php/exhibition_guide/littlefoot/

http://en.wikipedia.org/wiki/Little_Foot

Press Release: December 9, 1998 http://virtual.yosemite.cc.ca.us/anthro/news/major_fossil_find_at_sterkfontei.htm
http://www.washingtonpost.com/wp-srv/national/daily/dec98/safrica10.htm

StW 573

According to Clarke, Little Foot does not belong to the species Australopithecus afarensis or Australopithecus africanus, but to a unique Australopithecus species previously found at Makapansgat and Sterkfontein Member Four

According to Clarke, Little Foot does not belong to the species Australopithecus afarensis or Australopithecus africanus, but to a unique Australopithecus species previously found at Makapansgat and Sterkfontein Member Four

(MLD 46) from Member 4, Makapansgat,

 

The above picture is from: Clarke (2008) Latest information on Sterkfontein’s Australopithecus skeleton and a new look at Australopithecus. South African Journal of Science 104, November/December 2008

UPDATE 

 15/03/2014
Alexander Verstraete
De Australopithecus Little Foot die in 1997 in Zuid-Afrika is ontdekt, zou wel degelijk ruim 3 miljoen jaar oud zijn en daarmee op min of meer hetzelfde moment als de beroemde Australopithecus Lucy hebben geleefd. Dat blijkt uit nieuw onderzoek uitgevoerd door Zuid-Afrikaanse en Franse wetenschappers. Eerder werd aangenomen dat Little Foot veel jonger was.

De Australopithecus wordt algemeen aanvaard als een verre voorouder van de moderne mens. De primitieve soort leefde tussen 4 en 1,5 miljoen jaar geleden in Afrika. Het beroemdste fossiel van de Australopithecus werd in 1974 in Ethiopië gevonden en kreeg de naam Lucy. Zij leefde zo’n 3,2 miljoen jaar geleden.

Het fossiele skelet van Little Foot werd in 1997 ontdekt in de grotten van Sterkfontein in Zuid-Afrika door professor Ron Clarke en zijn team van de Universiteit van de Witwatersrand. De euforie was groot, want nooit eerder waren overblijfselen van een Australopithecus ontdekt die zo volledig waren als het skelet van Little Foot.

Toch zou het enige tijd duren vooraleer de eerste onderzoeksresultaten werden vrijgegeven. Little Foot zat immers volledig in hard gesteente ingekapseld. Het vergde jaren om de botten met een uiterste precisie uit hun “gevangenis” te kappen. In 2011 brak Clarke het fossiele skelet ten lange leste met rots en al uit de grot om de analyse in het laboratorium te kunnen verderzetten.

Bladerdeeg

Alsof dit de zaken nog niet genoeg vertraagde, bestond lange tijd veel discussie over de precieze leeftijd van Little Foot. Clarke zelf meende van meet af aan dat de Australopithecus zo’n 3 miljoen jaar oud was, maar dat werd in 2006 door een ander team tegengesproken op basis van analyses van het gesteente rondom Little Foot.

Hoewel de site waar Little Foot werd gevonden doorheen de jaren flink werd verstoord, onder meer door mijnwerkers in de 19e eeuw, ging het concurrerende team ervan uit dat de ondergrond oorspronkelijk een nette “bladerdeeg” van meerdere lagen gesteente was. Door de lagen vlak boven en vlak onder Little Foot de dateren, meenden ze de leeftijd van de Australopithecus te kunnen vaststellen. Op basis hiervan beweerden ze dat Little Foot 2,2 miljoen jaar oud was.

Gruyèrekaas

Clarke was niet overtuigd door deze bevindingen en schakelde op zijn beurt de specialist Laurent Bruxelles in. Hij ging dieper in op de geschiedenis van de grotten van Sterkfontein en stelde vast dat de site naast een “bladerdeeg”-structuur ook veel weg had van een Gruyèrekaas. Doorheen de tijd is meer dan eens een grot ingestort waarna die met puin werd gevuld. Andere gaten werden dan weer tergend traag gedempt door insijpelend water dat nieuwe kalksteen afzette.

Deze bevindingen wierpen een nieuw licht op de werkelijke leeftijd van Little Foot. De Australopithecus is op een gegeven moment immers zelf het “slachtoffer” van een verzakking geworden waardoor het fossiel ter hoogte van de dijbenen in twee is gebroken. De ruimte die hierdoor vrijkwam, is veel later door nieuwe kalksteen opgevuld.

Het team dat in 2006 de datering uitvoerde, zou zich verkeerdelijk op die recentere kalksteen hebben gebaseerd om de leeftijd van Little Foot vast te stellen. Bruxelles concludeert mede hierdoor dat de Australopithecus wel degelijk veel ouder is dan 2,2 miljoen jaar. Op basis van zijn stratigrafisch onderzoek is de leeftijd van Little Foot nu vastgelegd op ruim 3 miljoen jaar. Dit betekent dat hij min of meer op hetzelfde moment als Lucy leefde én dat de voorouders van de mens mogelijk niet uitsluitend in het oosten van Afrika voorkwamen, maar ook in het zuiden van het continent.

http://news.sciencemag.org/africa/2014/03/little-foot-fossil-could-be-human-ancestor

Australopithecus, “Little Foot” foot bones, (StW 573), Sterkfontein, 1994. Credit: Mike Peel, CC-BY-SA-4.0.

http://phys.org/news/2014-03-stratigraphic-foot-oldest-australopithecus.html

little foot 1

little foot

(1) a. sediba is een vertegenwoordiger van een mogelijke vierde tak binnen de australopithecenen
- er zijn de duidelijk verschillende australopithecinen : ( de voorouderlijke a anamensis ) —> Parantropus ( a.robustus ) , en de groep ;
 a. afarensis a. africanus (a gracilis ) en nu ook a.sediba

Ook H Habilis wordt soms tot een aparte vijfde australopithecinen tak gerekend
(mogelijk te verbinden met de Sediba ? )

De opbouwende discussies en de hypothetische scenario-building worden zo langzaam maar zeker , steeds ingewikkelder

(2) Volgens sommigen is de ngandong mens een kruising tussen plaatselijke erectus-mensen en ( archaissiche ) sapiens rassen

Definition: The Ngandong hominin skulls are eleven skull caps, remains of human ancestors found in 1931 near the Solo River in Java, Indonesia. They are a part of the human ancestry puzzle because the morphology of the skulls appears to fit both Homo erectus or an archaic form of Homo sapiens.


(3)
over die kaak werd heel wat misleidende heibel gemaakt door de creationist Harun Yahya ; hij probeerde deze kaak ( met de officieele naam A.L.666-1 beeld ehij ook af in zijn “atlas ” ) maar dan als een archaische ” echte ” mens (homo sapiens , sapiesn ) te verkopen en als een onmogelijk anachronisme dat de dierlijke afstamming van diezelfde mens op losse schroeven zet …
Volgens hem was deze kaak een kaak van een spiens en niet van een “(mens) aap ” zoals al die anderen ( bijvoorbeeld ook habilis ) wél zijn .
Een bewijs dat de mens “apart” is ” geschapen ” en niet verwant is aan de apen …

en dus geheel in lijn met de oude aarde creationisten 

Uiteraard is die kaak A.L.666-1 de eerste bekende bovenkaak met duidelijke kenmerken van het GENUS Homo … waartoe ook de Homo Habillis (en de latere sapiens ) behoort …. De Kaak zelf zou kunnen afkomstig zijn een mannelijk exemplaar van een “voorouderelijke soort ” Habillis
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9209580

(Een oudere onderkant uit zambia zou eveneens een vroege homo-achtige zijn , maar dat is zeer omstreden )

De bovenkaak van Hadar werd gevonden in de nabijheid van olduvai-werktuigen
Hier een verslag van de ontdekking
http://www.archaeology.org/9701/newsbriefs/homo.html

(4) 
bijvoorbeeld eentje over een komplete “australopithecus hand ” in 1999 ( wat toch goed vergelijkingsmateriaal moet opleveren met de nu uitgeprepareerde sediba hand )

SAJS  

Het fossiel is lange tijd in situ gebleven omdat men meende de ouderdomsbepalingen te kunnen verfijnen door de stalagmiet en stalamietvorming te plaatse eerst grondig te gaan bestuderen ….

(5) De 2.2 MY limiet plaats het little foot fossiel in dezelfde tijd als de andere mogelijke overgangvormen tussen (Zuid afrikaanse ) australopithecinen en het genus homo ….van een van de vroegste (oudste ) australiopithecinen is hij misschien wel tegenwoordig een van de meest reccente geworden …. 

De diskussie zelf heeft nog geologische betekenis , maar is tegenwoordig niet meer relevant voor paleoantropologen …

Immers
de eerste fossiele vondsten van de Homo Habilis zijn echter juist “Habilis ” genoemd omdat de fossielen werden beschouwd als de” eerste veronderstelde mensachtige ” die de toenmalig als “oudste” bevonden “bewerkte ” stenen werktuigen had gemaakt …

Ondertussen weten we dat zelfs chimps stenen (maar nog onbewerkte ? ) werktuigen gebruiken ….het gebruik van “stenen ” werktuigen is dus geen eigenschap die uitsluitend onstond bij mensachtige dieren die daardoor plots mensen (althans van het geslacht homo ) kunnen worden genoemd ….
Bovendien zijn er ondertussen ook al veel oudere olduvai “stenen werktuigen ” ontdekt dan de bewerkte werkuigen … en wel in Oost afrikaans (afarensis en parantropus ?) gebied het centralere oost afrikaanse Olduvai Gorge (Tanzania ) )

http://www.amnh.org/exhibitions/permanent/humanorigins/history/early.php

Around 2.5 million years ago, something new appears in the record: stone tools. These early tools are not much to look at—just sharp-edged flakes of rock. Yet their appearance marks a major advance in human evolution. They signal the beginnings of basic technological thought, as our ancient relatives needed insight into which stones made better tools and how best to knock off cutting flakes. Having tools to cut meat from animal bones also opened up new possibilities for these hominids in their struggle for survival.

DAILY LIFE, 1.8 MILLION YEARS AGO
Making their home on the open grassland of southern Africa, early members of the species Paranthropus robustus may have used the interiors, or cores, of antelope horns as tools.

 2-04b_tools_4_6_b.jpg
© AMNH Exhibitions

TOOLS FROM OLDUVAI GORGE
Scientists named the most primitive kind of stone tool after Olduvai Gorge, Tanzania, where many such implements had been found. Most of these tools seem to have been simple sharp-edged flakes knocked off larger stone “cores.” Many cores were also used as tools.

EARLY STONE TOOLMAKERS

The invention of stone tools represents a significant advance in human evolution, signaling that our ancestors had developed mental capacities beyond those of modern apes. For many years, researchers linked the first stone tools with the relatively large-brained species Homo habilis, or “handy man.” But a number of other hominids lived in Africa around 2.5 million years ago and should also be considered possible toolmakers. Indeed, it now seems quite likely that the first toolmakers had small brains and archaically proportioned bodies.

“HANDY MAN”
Paleoanthropologists Louis and Mary Leakey discovered a lower jaw at Olduvai Gorge, Tanzania. Additional cranial fragments suggested that this individual had a slightly larger brain than other early African hominids known at the time. Reasoning that this larger-brained species was capable of making the stone tools previously found at the site, the Leakeys named it Homo habilis, or “handy man.”

OUDSTE DUBBELZIJDIGE ” BEWERKTE ” VUISTBIJL

http://www.wetenschap24.nl/nieuws/artikelen/2011/augustus/Handbijl-van-1-76-miljoen-jaar-oud.html

Het maken van gereedschappen zit de mens in het bloed, we doen het al minstens zo’n 2,5 miljoen jaar. Aanvankelijk ging het om eenvoudige werktuigen; ronde stenen die met een paar klappen van een andere steen een scherpe kant kregen. Deze periode van de oudste stenen werktuigen ter wereld staat bekend als het Oldowan.

Later ontstonden hoogwaardiger gereedschappen, die behalve met steen ook werden vervaardigd met been, geweien en hout. Die periode staat bekend als het Acheuléen. Maar wanneer begon die periode precies? Franse archeologen hebben nu een aantal handbijlen uit het Acheuléen gevonden die 1,76 miljoen jaar oud zijn, schrijven ze in Nature. Ze vonden de gereedschappen in het huidige Kenia, vlakbij het Turkana meer.

De handbijlen zijn 350.000 jaar ouder dan vergelijkbare gereedschappen die eerder in Ethiopië werden gevonden, aldus de archeologen in het artikel. Het Acheuléen begint daarom veel eerder dan tot dusver werd aangenomen. Dat klinkt spectaculair, maar is het dat ook?

De Nederlandse archeoloog Wil Roebroeks is niet overtuigd. ‘Ik ben een beetje verbaasd dat het onderzoek op deze manier in Nature terecht is gekomen. Ik ken eerdere artikelen van deze archeologen waarin ze vergelijkbare vondsten dateren op 1,65 miljoen jaar oud. Het is dus een beetje vreemd dat ze hun vondst alleen met de Ethiopische vondsten vergelijken.’

Maar volgens Christopper Lepre, hoofdauteur van het artikel in Nature, gaat Roebroeks te kort door de bocht: ‘Er waren inderdaad wel vermoedens dat het Acheuléen ouder zou zijn, maar de beslissende gegevens die laten zien dat deze periode eerder dan 1,7 miljoen jaar is begonnen, waren tot dusver niet gepubliceerd in wetenschappelijke bladen.’

Na elkaar of naast elkaar?
Wat verder opvalt aan de Franse vondst, is dat er gereedschappen uit zowel het Oldowan als het Acheuléen werden aangetroffen. De eenvoudige technologie is dus blijkbaar niet onmiddellijk verdrongen door de geavanceerdere. Beide technieken hebben naast elkaar bestaan.

Niet zo vreemd, vindt Roebroeks. ‘De Franse onderzoekers zijn geneigd om verschillende technologieën te koppelen aan verschillende menstypen. De ene groep zou over de eerste technologie beschikken, de andere over de tweede. Maar er is ook een stroming die denkt dat verschillende technologieën afhankelijk van de situatie werden ingezet: eenvoudige werktuigen voor simpele klusjes, meer ontwikkelde apparatuur als de omstandigheden daarom vroegen. Ook op andere plekken zijn de verschillende technologieën naast elkaar gevonden, op soms maar een paar honderd meter afstand van elkaar.’

Maar die laatste interpretatie is wel weer moeilijker te rijmen met vondsten buiten Afrika. De eerste mensen verlieten het Afrikaanse continent zo´n anderhalf miljoen jaar geleden al voor het eerst. De overblijfselen uit die tijd laten echter alleen de vroege technologie zien, niet de latere. Dat past goed bij de hypothese dat de groepen mensen die Afrika verlieten alleen over de vroege techniek beschikten.

Christopher Lepre sluit zelfs niet uit dat de groepen die slechts over de oudere technologie beschikten, van het Afrikaanse continent zijn verdreven: ‘Het is mogelijk dat groepen die het zonder de Acheuléense technologie moesten stellen, gedwongen werden om elders een leven op te bouwen’, aldus Lepre.

Maar in de archeologie is weinig echt zeker. Morgen kan een nieuwe vondst worden gedaan die weer een nieuw perspectief biedt op de vroege evolutie van de mens. Een handbijl bijvoorbeeld die laat zien dat de vroege migranten toch over de technieken uit het Acheuléen beschikten. Zeker is nu wel dat die technieken ouder zijn dan tot dusver werd aangenomen.

Christopher Lepre e.a., ‘An earlier origin for the Acheulian’, in Nature, 1 september 2011.

Update, 2 september: Noorderlicht heeft inmiddels inzage gehad in een aantal bronnen waaruit blijkt dat het vroegere begin van het Acheuléen niet zo opzienbarend is als Nature ons doet geloven. In Comptes Rendus Palevol schreef Hélène Roche al in 2003 al over dezelfde site als waar Lepre nu over heeft gepubliceerd in Nature. Ze komt daarbij uit op een ouderdom van tussen de 1,65 miljoen en 1,79 miljoen jaar, waardoor het ‘zonder twijfel een van de oudste Acheuléense assemblages in Afrika is’.

Nog opvallender is dat een van de mede-onderzoekers van Lepre, Sonia Harmand, vier jaar geleden precies dezelfde handbijlen beschrijft die nu weer in het Nature-artikel aan bod komen. In Mitteilungen der Gesellschaft für Urgeschichte schrijft ze de handbijlen in 2007 een ouderdom toe van 1,65 miljoen jaar.

Vreemd dus dat de vondsten in het Nature-artikel alleen met een Ethiopische vondst worden vergeleken. En vreemd ook dat Nature het zo groot op de cover plaatste. ‘De Nature reviewers hebben hier een steek laten vallen’, concludeert Wil Roebroeks, waarbij hij wel aantekent dat Lepre en consorten qua dateringsmethoden uitstekend werk hebben afgeleverd.


De redenen waarom “Little foot ” en co ook geen mogelijke olduvai -cultuur , zouden hebben gehad zijn lang niet duidelijk …. ZEker wanneer men ook Habilis gaat beschouwen als : slechts een “andere” jongere australopithecus 

LITTLE FOOT 

http://www.talkorigins.org/faqs/homs/littlefoot.html

Bijlagen:
http://www.massey.ac.nz/~alock/175316new/lecture_notes/lecture_12/humanevollect.html 

A Sediba  at onder meer boomschors

 28 juni 2012  

Onze voorouder Australopithecus sediba at planten, maar ook houtachtige structuren zoals boomschors. Dat concluderen onderzoekers. Het is voor het eerst dat er direct bewijs wordt gevonden van het dieet van onze voorouders.

Wetenschappers van met Max Planck Instituut bestudeerden de resten van Australopithecus sediba. Het gaat om de bekende twee zuidafrikaanse  fossielen “Moeder & zoon ” : zo’n twee miljoen jaar geleden belandden ze in een zinkgat. Hun resten raakten in het sediment begraven en zijn ondanks hun hoge leeftijd uitzonderlijk goed bewaard gebleven.

Tandplak
Zo uitzonderlijk goed dat zelfs de tandplak nog te analyseren viel. En dat hebben de onderzoekers nu gedaan, zo meldt het blad Nature. Tandplak is gemineraliseerd materiaal dat zich aan de tanden hecht. Het kan een goed beeld geven van wat mensen aten

. “Het is het eerste echte directe bewijs van wat onze oude voorouders in hun mond stopten en kauwden, oftewel wat ze aten,” vertelt onderzoeker Lee Berger.

Tandplak op de tanden van A. sediba. Foto: Amanda Berger.
Het dieet
Aan de tanden van de twee voorouders was al wel een beetje af te leiden wat deze aten. Maar de tandplak gaf echt duidelijkheid. In de tandplak vonden de onderzoekers sporen van planten terug. De voorouders van de mens bleken onder meer bladeren, gras, fruit en boomschors te eten.

Verrassend
En dat is heel verrassend. Het dieet van A. sediba is namelijk heel anders dan dat van andere menselijke voorouders die ongeveer in dezelfde tijd leefden

. “De resultaten wijzen op een heel ander dieet dan dat van andere vroege mensachtigen en doen denken aan het dieet van de moderne chimpansee,” vertelt onderzoeker Matt Sponheimer. Daarmee is het dieet van A. sediba heel anders dan dat van bijvoorbeeld Australopithecus.

En dat is heel verrassend, omdat er verder toch wel wat overeenkomsten zijn tussen A. sediba en Australopithecus.

Hetzelfde geldt voor de mensachtigen uit het geslacht Homo. 

A. sediba doet op basis van zijn dieet niet zozeer denken aan een mensachtige, maar eerder aan een dier dat handig gebruik maakte van de grondstoffen die het bos te bieden had.

“Persoonlijk vond ik het bewijs voor de consumptie van boomschors het meest verrassend” merkt Berger  “.Maar primatologen weten al jaren  dat primaten – waaronder apen van de chimpansee-tak  – in tijden van voedselschaarste boomschors eten, …ik had  echt niet verwacht dat het op het menu van een vroege voorouder van de mens zou staan.”

…….Australopithecus sediba dined on wood: Food particles stuck on the teeth of a fossil of A. sediba revealed the nearly two-million-year-old hominid ate wood—something not yet found in any other hominid species. A. sediba was found in South Africa in 2010 and is a candidate for ancestor of the genus Homo…..

Read more: http://blogs.smithsonianmag.com/hominids/category/homo/neanderthals/#ixzz2IiSRJyyn

MENSACHTIGEN EN MENS

INHOUD —-> http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

 

De evolutie van de mens

Als evolutie geldt voor planten en dieren, waarom dan niet voor de mens? Volgens Darwin hebben wij een gemeenschappelijke voorouder met de (mens)apen. Vanuit deze voorouder ontwikkelden zich (onder andere) de eerste mensachtigen. Een paar miljoen jaar later bevolkten deze mensachtigen vanuit Afrika de hele wereld.

http://www.kennislink.nl/publicaties/de-evolutie-van-de-mens

Volgens Darwin is ook de mens een product van de evolutie en delen wij een gemeenschappelijke voorouder met apen. Dat is duidelijk te zien aan ons DNA, dat voor 98 procent gelijk is aan dat van chimpansee en bonobo. De laatste gemeenschappelijke voorouder van mens en deze twee apensoorten leefde waarschijnlijk vijf tot zeven miljoen jaar geleden. Vier miljoen jaar geleden ontstonden uit deze voorouder de oudste mensachtigen (Australopithecus). Er liepen robuuste exemplaren rond die met hun sterke kaken voornamelijk hard voedsel aten, maar ook slanke individuen die zich met zacht voedsel in leven hielden. Uit deze laatste groep ontstond 2,5 miljoen jaar geleden het geslacht‘Homo’, waar ook de moderne mens toe behoort.

Evolutie van het geslacht 'Homo'
Evolutie van het geslacht ‘Homo’ tot 2 miljoen jaar geleden. Afbeelding: ©Wikimedia

Mensachtigen zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan in Afrika en de soortHomo erectus was 1,8 miljoen jaar geleden de eerste die Azië en later ook Europa koloniseerde. Deze Homo erectus vormde in Europa de voorouder van de Neanderthalers die 200.000 tot 40.000 jaar geleden leefden. Parallel aan de ontwikkelingen in Europa ging ook de evolutie van de mens in Afrika onverminderd door. De moderne mens (Homo sapiens) ontstond daar ongeveer 100.000 jaar geleden en verspreidde zich snel over de wereld door een massale migratie. Homo sapiens verdreef daarbij regionale populaties, zoals bijvoorbeeld de Neanderthalers in Europa, waardoor alle mensen die nu leven uiteindelijk afstammen van dezelfde Afrikaanse voorouder.

Verspreiding van de mens uit Afrika

Kaart van vroege menselijke migraties volgens de mitochondriale populatiegenetica (getallen geven het aantal duizenden jaren geleden aan). De letters op de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde mitochondriale haplogroep behoren. Haplogroepen zijn een soort genetische indeling waarbij mensen worden ingedeeld op basis van de overeenkomstige variatie in het erfelijk materiaal (mitochondriale DNA) dat ze van hun moeder mee hebben kregen. Afbeelding: © Wikimedia

http://nl.wikipedia.org/wiki/Evolutie_van_de_mens

___________________________________________________________________________________________________

 *AFSTAMMING VAN DE MENS en de mensachtigen

DOSSIERS   NOORDERLICHT 

http://www.vpro.nl/programma/dnw/dossiers/9061166/

 

http://whyevolutionistrue.wordpress.com/2012/09/24/another-creationist-drops-by-to-show-that-theres-no-evidence-for-evolution/dn9989-1_300/

Five skulls belonging to some ancestors and relatives of modern humans. From left to right, the skulls are: Australopithecus africanus (3-1.8 mya); Homo habilis (or H. rudolfensis, 2.1-1.6 mya); Homo erectus (or H. ergaster, 1.8-0.3 mya, although the ergaster classification is generally recognised to mean the earlier part of this period); a modern human (Homo sapiens sapiens) from the Qafzeh site in Israel, which is around 92,000 years old; and a French Cro-Magnon human from around 22,000 years ago (Image: Pascal Goetcheluck / SPL)

55 million years ago (MYA)  First primitive primates evolve

8 – 6 MYA  First gorillas evolve. Later, chimp and human lineages diverge

–>bipedalisme.docx (1.5 MB)

 5.8 MYA    Orrorin tugenensis, oldest human ancestor thought to have walked on two legs
 5.5 MYA     Ardipithecus, early “proto-human” shares traits with chimps and gorillas, and is forest-dwelling
4 MYA        Australopithecines appear. They have brains no larger than a chimpanzee’s – with a volume around 400 – 500 cm3 -, but walk upright on two legs. First human ancestors to live on the savannah
3.2 MYA  Lucy, famous specimen of Australopithecus afarensis, lives near what is now Hadar, Ethiopia
2.7 MYA   Paranthropus, lives in woods and grasslands, has massive jaws for chewing on roots and vegetation. Becomes extinct 1.2 MYA
2.5 MYA  Homo habilis appears. Its face protrudes less than earlier hominids, but still retains many ape features. Has a brain volume of around 600 cm3Hominids start to use stone tools regularly, created by splitting pebbles – this starts Oldowan tradition of toolmaking, which last a million yearsSome hominids develop meat-rich diets as scavengers, the extra energy may have favoured the evolution of larger brains
2 MYA Evidence of Homo ergaster, with a brain volume of up to 850 cm3, in Africa
1.8 – 1.5 MYA  Homo erectus is found in Asia. First true hunter-gatherer ancestor, and also first to have migrated out of Africa in large numbers. It attains a brain size of around 1000 cm3
 
1.6 MYA Possible first sporadic use of fire suggested by discoloured sediments in Koobi Fora, Kenya. More convincing evidence of charred wood and stone tools is found in Israel and dated to 780,000 years ago More complex Acheulean stone tools start to be produced and are the dominant technology until 100,000 years ago
600,000 YA  Homo Heidelbergensis lives in Africa and Europe. Similar brain capacity to modern humans
500,000 YA  Earliest evidence of purpose-built shelters – wooden huts – are known from sites near Chichibu, Japan
400,000 YA Early humans begin to hunt with spears
325,000 YA  Oldest surviving early human footprints are left by three people who scrambled down the slopes of a volcano in Italy
280,000 YA  First complex stone blades and grinding stones
230,000 YA Neanderthals appear and are found across Europe, from Britain in the west to Iran in the east, until they become extinct with the advent of modern humans 28,000 years ago
195,000 YA  Our own species Homo sapiens appears on the scene – and shortly after begins to migrate across Asia and Europe. Oldest modern human remains are two skulls found in Ethiopia that date to this period. Average human brain volume is 1350 cm3
 
170,000 YA  Mitochondrial Eve, the direct ancestor to all living people today, may have been living in Africa
150,000 YA   Humans possibly capable of speech. 100,000-year-old shell jewellery suggests that that people develop complex speech and symbolism
140,000 YA   First evidence of long-distance trade
110,000 YA   Earliest beads – made from ostrich eggshells – and jewellery
50,000 YA   “Great leap forward”: human culture starts to change much more rapidly than before; people begin burying their dead ritually; create clothes from animal hides; and develop complex hunting techniques, such as pit-traps.Colonisation of Australia by modern humans
33,000 YA Oldest cave art. Later, Stone Age artisans create the spectacular murals at Lascaux and Chauvet in France  Homo erectus dies out in Asia – replaced by modern man
18,000 YA  Homo Floresiensis, “Hobbit” people, found on the Indonesian island of Flores. They stand just over 1 metre tall, and have brains similar in size to chimpanzees, yet have advanced stone tools
12,000 YA  Modern people reach the Americas
10,000 YA  Agriculture develops and spread. First villages. Possible domestication of dogs
 5,500 YA  Stone Age ends and Bronze Age begins. Humans begin to smelt and work copper and tin, and use them in place of stone implements
5,000 YA  Earliest known writing
4,000 to 3,500 BC    The Sumerians of Mesopotamia develop the world’s first civilisation
__________________________________________________________________________________________________

http://archaeology.about.com/library/glossary/bldef_homo.htm

An artist’s reconstruction of Homo georgicus. Image courtesy of Wikicommons

The Broken Hill Skull (replica shown) was originally designated Homo rhodesiensis. Today, it’s typically considered a member of the species Homo heidelbergensis. Image: Gerbil/Wikicommons

http://blogs.smithsonianmag.com/hominids/2012/04/four-species-of-homo-youve-never-heard-of/

http://blogs.smithsonianmag.com/hominids/2012/12/four-species-of-homo-youve-never-heard-of-part-ii-2/

Homo leeftijd (mln) herseninhoud (1000cc)°HOMO SAPIENS.docx (4.4 MB)°ngandong , mungo , archaic africa.docx (.2 KB)
sapiens 0,15 – heden 1100 – 1400Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. TANDEN UIT DE QESEM GROT Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Xuchang mensAFRICAN HOMO SAPIENShttp://phys.org/news/2013-06-beachcombing-early-humans-africa.html#nRlvhttp://phys.org/news/2013-05-human-culture-linked-rapid-climate.html#nRlv

http://phys.org/news/2012-12-africa-homo-sapiens-techies.html#nRlv

floresiensis 0,09 – 0,01 ca 380     Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hobbit is aparte soort ? » Reageer (2)
neanderthalensis 0,2 – 0,03 1300 – 1650Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Neanderthaler genoom
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mitochondriale Genenkaart van Neanderthaler Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.POLONAISE met neanderthaler
heidelbergensis 0,8 – 0,2 ca 1200     Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tand des tijds / Heidelberg-mens
antecessor 0,8 onbekend
erectus 1,8 – 0,1 800 – 1000   (ergaster ? )   Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DMANISI AAP OF MENSKlik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.CASABLANCA MAN /erectus ?°ngandong , mungo , archaic africa.docx (1000.2 KB)
ergaster 1,8 – 0,1 800 – 1000Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een oeroud spoor
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Denisova : ZUID SIBERIË
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DENISOVA – mens
rudolfensis 2,5 – 1,9 ca 750
habilis 2,5 – 1,6 600 – 750        
 2.6   OLDOWAN  TOOLShttp://lithiccastinglab.com/gallery-pages/oldowanstonetools.htmhttp://humanorigins.si.edu/evidence/behavior/tools/early-tools

Core and flakes from Lokalalei, Kenya
Stone Tool - Chopper

It’s not clear which of our ancestors (or relatives) usd the Oldowan tools; suggestions have involved species of both Australopithecus or Homo (e.g., H. ergaster, H. habilis). They were first described in Tanzania but have been found in many other parts of Africa as well.

 

Paranthropus  
robustus 2,0 – 1,2 550 – 600
Neanderthals
Australopithecus robustus
In the 1930′s and 40′s, the first specimens of robust australopithicines were discovered in east and southern Africa. These discoveries and the ones that have followed have considerably complicated our view of the hominid family tree. These creatures, which are now classified into several distinct species, represent a line – or several lines – of hominids which evolved alongside early human species and undoubtedly interacted with them.
boisei 2,6 – 1,0 400 – 500
aethiopicus 2,6 – 1,0 ca 400
Australopithecus - australopithecus.docx (6.5 MB)
garhi 2,5 450
africanus 3,0 – 2,3 Sediba   http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/23/overgang-naar-het-genus-homo-australopithecus-sediba/ca 400Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Australopithecus SEDIBA
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.STERKFONTEIN 2010
afarensis 3,9 – 3,0 400 – 500  http://en.wikipedia.org/wiki/Lucy_(Australopithecus)Lucy1
bahrelghazali 3,5 – 3,0 onbekend
anamensis 4,2 – 3,9 < 400
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NOG EEN BENDE BIJTERS
Kenyanthropus  
platyops ~ 3,5 – 3,2
Ardipithecus
ramidus ramidus 4,4 onbekend     Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ardipithecus Ramidus
ramidus kadabba 5,8 – 5,2 onbekend           
Orrorin
tugenensis ~ 6 onbekend
 Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE OUDSTE ? » Reageer (1) Nakalipithecus nakayamai (<)
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Alweer eentje ? …..
Sahelanthropus
Tchadensis ~ 7 – 6 380 – 320

http://www.nature.com/nature/ancestor/

Classic papers

Dart, R. A. Australopithecus africanus: The Man-Ape of South Africa
Nature 115, 195–199 (1925)
When Dart, an anatomist from South Africa, reported the first ‘ape-man’, he was derided by the same people who fell for the fraudulent Piltdown Man. But Piltdown was a fake and Dart was vindicated. The modern study of human origins starts here.
| Full Text (PDF) |

Leakey, L. S. B. A new fossil skull from Olduvai
Nature 184, 491–493 (1959)
Fossil-hunter Louis Leakey had been scouring East Africa for clues about human origins in vain for 30 years before he (or rather, his wife) hit the jackpot at Olduvai Gorge in Tanzania. The new player on the fossil scene was lantern-jawed ‘Nutcracker man’.
| Full Text (PDF) |

Leakey, L. S. B., Tobias, P. V. and Napier, J. R. A new species of the genus Homo from Olduvai Gorge.
Nature 202, 7–9 (1964)
Leakey scores again with fossils associated with primitive tools. He announces Homo habilis — ‘handy man’ — the first fossil member of our own genus; and with him, the first stirrings of technology.
| Full Text (PDF) |

Leakey, R. E. F. Evidence for an advanced Plio-Pleistocene hominid from East Rudolf, Kenya
Nature 242, 447–450 (1973)
Richard Leakey — son of Louis — describes a skull as iconic as they come, but always known enigmatically as ’1470′. Thought to belong to an early form of Homo (now Homo rudolfensis), this specimen is a key fossil in the understanding of human origins.
| Full Text (PDF) |

Johanson, D. C. and Taieb, M. Plio-Pleistocene hominid discoveries in Hadar, Ethiopia
Nature 260, 293–297 (1976)
Donald Johanson pushes the human story back beyond the 3-million-year-mark with a skeleton, later assigned to Australopithecus afarensis. The skeleton is now known as ‘Lucy’, after Lucy in the Sky with Diamonds, the Beatles’ tune popular in the field camp.
| Full Text (PDF) |

Leakey, M. D. and Hay, R. L. Pliocene footprints in the Laetolil Beds at Laetoli, northern Tanzania
Nature 278, 317–323 (1979)
When a volcanic eruption sent a rain of ash over what is now Tanzania, an adult and child, probably both Australopithecus afarensis, set out to watch the show — leaving, as a poignant souvenir, perfect and very modern-looking footprints, preserved in the ashfall.
| Full Text (PDF) |

Brown, F., Harris, J., Leakey, R. and Walker, A. Early Homo erectus skeleton from west Lake Turkana, Kenya
Nature 316, 788–792 (1985)
This report of a young but surprisingly tall young Homo erectus male raises many questions about our own African genesis, and the origins of that very human feature called ‘childhood’.
| Full Text (PDF) |

Cann, R. L., Stoneking, M. & Wilson, A. Mitochondrial DNA and human evolution
Nature 325, 31–36 (1987)
A molecular bombshell that traces the human story by comparing mitochondrial DNA frrom modern humans. The message is clear — all modern humans have their roots in Africa, and surprisingly recently, between 100,000 and 200,000 years ago.
| Full Text (PDF) |

Arsuaga, J.-L., Martínez, I., Gracia, A., Carretero, J.-M. & Carbonell, A. Three new human skulls from the Sima de los Huesos Middle Pleistocene site in Sierra de Atapuerca, Spain
Nature 362, 534–537 (1993)
The ‘Pit of Bones’ near Burgos in Spain is a treasure-trove of information on the first Europeans. At around 300,000 years old, these skulls may have been close to the ancestry of the classic cave-man, Neanderthal Man.
| Full Text (PDF) |

White, T. D., Suwa, G. and Asfaw, B. Australopithecus ramidus, a new species of early hominid from Aramis, Ethiopia
Nature 371, 306–312 (1994)
Now known as Ardipithecus ramidus, this extremely primitive creature was the first member of the human family known from beyond 4 million years ago. Still controversial, its affinities with the new finds from Chad have yet to be investigated.
| Full Text (PDF) |

- archief van de afstamming van de mens.docx (4.7 MB)

_______________________________________________________________________________________________________

Verwanten en PRIMATEN 

overzicht en commentaren <— SCHEDELS EN SKELETTEN  (beeldmateriaal)

Fossiele primaten en co <—-(beeldmateriaal)

Mensapen

- aegyptopithecus en dergelijke.docx (4.3 MB)

(evodisku2)

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fossiele apen in 2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Darwinius masillae
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GANLEA megacanina
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Orang oetan

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. Nog een aap uit de mouw
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Saadanius hijazensi

LIBYA

_____________________________________________________________________________________

Menselijke  en mensachtigen  /vergelijkende  anatomie
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE HEUPEN VAN EVA

VERGELIJKINGEN   MENS DIER

Vergelijking mens dier (I ) 

HOMININES  COMPARATIVA      

 <–

 fossil-hominids  <— TalkOfOrigin  archief  pdf ( jim foley ) 1996-1999 

Ardipithecus

INHOUD —-> http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

 

°

http://blogs.discovermagazine.com/loom/2009/10/01/ardipithecus-we-meet-at-last/#.UswzjfTuKSo

  • Ardipithecus is een uitgestorven zeer vroeg geslacht van de geslachtengroep Hominini, waar de mens toe behoort. De tanden lijken wat op die van Australopithecus. Ardipithecus leefde 4,4 miljoen jaar geleden in het vroege Plioceen. Wikipedia

Eerste vondst   /portret (Jason Sannar (via Wikimedia Commons).)en sculptuur 

 

                               ARDI DeMorgen (klik op de afbeelsing )

BONOBO    /    In de chimpansee lijn zijn blijkbaar zowel nieuwe eigenschappen ontwikkeld of oudere verloren gegaan sinds de split met de hominiden .Dit is een bewijsstuk voor een gemeenschappelijke voorouder-model die nu eens geen chimpansee ” clone” is .                                                                                             

Verder onderzoek zal dit zeker nog gaan verduidelijken . Wat het “oudste”( oorspronkelijk/ primitiefste ) lijkt bij moderne chimpansees , zoals zware hoektanden , lange ledematen( in het bijzonder de armen ) de haakachtige vingerplaatsing om beter te kunnen slingeren in de bomen en geschikte handen en polsen voor knokkel-loop zijn misschien recentere ontwikkelingen ( na de split ) 

Volgens die insteek , zou de menselijke hand wel eens de meer “primitieve ” uitrusting kunnen zijn die nog alle kanten op kon .

” Het zijn de chimpansees (en zelfs de gorilla’s geweest die als gek evolueerden wat –> convergent ? )betreft voortbeweging en daaraan aangepaste ledematen , niet de hominimen” zegt Kent State University anthropologist Owen Lovejoy

” Wij volgden een ander spoor …(eigenlijk een andere oplossing ) We werden socialer

*Afwachtende  en kritische  reacties vooral   op de manier waarop dit nieuws is gebracht  in openbaarheid ….  

http://johnhawks.net/weblog/reviews/tv/discovering-ardi-release-2009.html

 

 http://dsc.discovery.com/tv/ardipithecus/ardipithecus.html

http://sandwalk.blogspot.com/2009/10/good-science-bad-science-journalism.html

 

Het is één van de oudste mensachtigen die ooit is teruggevonden:
Ardi.

Een mengelmoes aan voorouders en verwanten aan de basis van de struik waaruit uiteindelijk ook homo sapiens tevoorschijn kwam
Voluit heet hij Ardipithecus ramidus, maar voor het gemak wordt hij regelmatig als Ardi aangeduid.
Ardi mag dan de boeken ingaan als een mensachtige, hij had toch nog heel veel weg van een aap.
Zo had Ardi opmerkelijk lange armen en een kort lijf (van ongeveer 120 centimeter lang).

De set met de meeste resten van Ardi werden in 1994 in Ethiopië teruggevonden.
De leeftijd van de fossiele resten werd vastgesteld op ongeveer 4,4 miljoen jaar. Met de vondst hadden de onderzoekers een belangrijk puzzelstukje opgeduikeld.
Ardi kon wel eens een lang gezochte (en nu gevonden ) belangrijke voorouder of minstens verwant van ons mensen, zijn geweest.
Naarmate de tijd vorderde, werden meer gegevens over Ardi verzameld en al snel bleek dat de onderzoekers gelijk hadden: Ardi ligt aan de basis van onze mensen en mensachtigen struik en vertegenwoordigt een tot dusver onbekende soort.

Bouw
In Ethiopië hadden de onderzoekers verschillende delen van een skelet opgegraven.
Met veel geduld werden die delen bij elkaar gelegd zodat (een flink deel van) een skelet ontstond.
Het skelet kreeg de naam ‘Ardi’. Uit de bouw kunnen de onderzoekers afleiden dat Ardi waarschijnlijk van het vrouwelijke geslacht was en ongeveer 50 kilo woog.

Maar het skelet vertelt ons nog veel meer. Zo wijst de bouw erop dat Ardi een prima bomenklimmer was.
In de boom gebruikte ze allevier haar ledematen. Maar op de grond verplaatste ze zich hoogstwaarschijnlijk op twee benen.
Ook kunnen de onderzoekers op basis van de resten concluderen hoe groot het brein van Ardi was: de mensachtige had een herseninhoud van 300 tot 370 kubieke centimeter.

Geen hardloper
De voeten van Ardi zijn echt bijzonder: ze zijn in veel opzichten een mengeling van eigenschappen die we tegenwoordig aan de voeten van mensen en apen toeschrijven.
Het is niet aannemelijk dat Ardi grote afstanden aflegde.
De A. ramidus had een vrij platte voet en miste een boog in de voet (zoals wij dat tegenwoordig wel hebben).
Hierdoor kon deze geen grote afstanden lopen en ook rennen moet lastig zijn geweest.
Het is ongelofelijk hoeveel informatie wetenschappers aan enkele botjes kunnen aflezen.
Zelfs het menu van Ardi kent geen geheimen voor ons.
De resten van het gebit van Ardi wijzen erop dat hij vruchten, groen, maar ook insecten en zoogdieren at.
Bijtsporen op de botten van A. ramidus wijzen erop dat ook Ardi zelf op het menu van sommige dieren stond.
Waarschijnlijk ging het om roofdieren zoals hyena’s.

Stap voor stap
De vondst van A. ramidus is nog jong.
Ardi houdt de wetenschap dan ook nog flink bezig.
Zo gaan er nog regelmatig stemmen op dat Ardi helemaal geen voorouder van de mens zou zijn.
Het zijn kreten in een voortschrijdend onderzoek waarmee we uiteindelijk een beter beeld van onze afkomst moeten krijgen.
Want van Ardi weten we ondertussen heel wat, maar de context is een stuk onduidelijker.

Want wie mogen A. ramidus op onze stamboom omringen?
En hoe leidde dat alles tenslotte uiteindelijk tot de moderne mens? Vragen genoeg.
Maar het plaatje wordt gelukkig wel steeds completer en dat hebben we in grote mate aan Ardi te danken.
Lang zaten we opgezadeld met voorouders die echt aap waren en voorouders die al veel te veel van ons mensen weghadden.

Een soort die overduidelijk een mengelmoes van aap en mens( een mozaik ) was – een soort geuige van een overgangsfase – ontbrak.
Tot we op Ardi stuitten: ongetwijfeld één van de meest interessante getuige van mogelijke stapjes in onze lange evolutie.

In totaal werden skeletresten en stukjes bot van in totaal 35 individuen gevonden.

(een deel-verzameling van deze vondsten ->Op basis van die verschillende fossielen is door sommigen al geconcludeerd dat de fysieke verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke Ardipitheci(= sexueel dimorphisme)niet groot zijn geweest

-De in 1992 gevonden geplette schedel en het gedeeltelijke skelet waren dat van een vrouwelijke mensachtige, die de onderzoekers Ardipithecus ramidus noemen.

  • -Het hoogtepunt in de zoektocht en reconstructieproces lag in 1994-95, toen het team van Tim White onder een verhoging in het terrein stukjes van een bekken, een been, een voet en een schedel vonden, kortom een onvolledig skelet.Ardi heeft veel meer dan Lucy sterkte aapaachtige kenmerken en had de bouw en de enorme grijphanden en voeten voor een (gedeeltelijk?) leven in de bomen. 
_______________________________________________________________________________________ Ann Gibbons (2009)
‘Ancient Skeleton May Rewrite Earliest Chapter of Human Evolution’,
Science 1 Oct 2009The Analysis of Ardipithecus ramidus — One of the Earliest Known Hominidshttp://www.youtube.com/watch?v=EC9aIth1ah4http://www.sciencemag.org/content/326/5949/60.2.fullMore than a million-years older than “Lucy,” Ardipithecus ramidus and the associated fossils provide the most detailed snapshot of early hominid life. This video features interviews with Project Co-Director Tim White (University of California, Berkeley), Science correspondent Ann Gibbons, and paleoanthropologist Andrew Hill (Yale University). Produced by Robert Frederick and Michael Torrice.

Ardipithecus

                                             <ardipithecus-skeleton-white-2009.jpg

Two species from the Middle Awash region of Ethiopia

The holotype of Ardipithecus ramidus (White et al.,1994) comprises a set of ‘associated teeth from one individual’and the paratype series has various associated cranial fragments, two partial cranial bases, a juvenile mandible and associated and isolated teeth dated c. 4.4 Ma

Dentitions from human (left), Ar. ramidus (middle), and chimpanzee (right), all    males. Below are corresponding samples of the maxillary first molar in each. Red, thicker enamel (~2 mm); blue, thinner enamel (~0.5 mm). Contour lines map the topography of the crown and chewing surfaces.
http://www.sciencemag.org/cgi/content/full/326/5949/69/DC2.

Molars are characterized as having absolutely and relatively thinner enamel than those in Australopithecus (White et al., 1994, 995).

   <  Kabada (holotype)

The holotype of Ardipithecus kadabba Haile-Selassie,Suwa & White, 2004 comprises part of a right mandible with associated teeth, and various isolated teeth and postcranial fragments, some from the same site as the holotype; dated to c. 5.2–5.8 Ma (Haile-Selassie, 2001; Haile-Selassie et al.,2004).

http://www.blackwellpublishing.com/pdf/jbi_2141.pdf

   <  relationships on the genus level

Afbeelding

http://www.stoneageinstitute.org/news/gona_nature_paper.shtml
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ardipithecus
http://en.wikipedia.org/wiki/Ardipithecushttp://www.geocities.com/palaeoanthropology/Aramidus.html http://nl.wikipedia.org/wiki/Ardipithecus

    Ramidus -competing-hypotheses of descendance
Three hypotheses of early hominin evolution.
Top – That there was a straight line of hominin evolution, each “species” being the phase or grade of one true natural species.
Middle – A single line of hominin evolution with a speciation event in the same area in which the earliest Australopithecus split from Ardipithecus ramidus.
BottomArdpithecus ramidus as one of the last members of a more archaic lineage which existed after a speciation event elsewhere in Africa that gave rise to the first Australopithecus. Published in this week’s issue of Science.
°
ARDI  ZIT OP DE MENSENLIJN   
°

Ardi = Een aap- en tegelijkertijd mensachtig organisme dat zo’n 4,4 miljoen jaar geleden leefde. Wie of wat  is Ardi (nu) : een aap met mensachtige trekjes of een mens met aapachtige trekjes?

De kogel lijkt nu eindelijk door de kerk!

°

Ardi Mozaïk 

–>Ardipithecus ramidus (kortweg ‘Ardi’) had een klein brein en grote tenen waarmee deze takken vast kon grijpen. Een echte aap, zou u zeggen.

–> Maar Ardi had tegelijkertijd ook kleine, mensachtige tanden en het grote bekken stelde Ardi in staat om op twee benen te lopen. Mensachtig, zou u zeggen. En daarmee belanden we direct in een vurig debat in de studie naar de oorsprong van de mens.

Mensachtig? Of aapachtig?

Onderzoekers van de Arizona State University scheppen met een nieuw onderzoek iets meer duidelijkheid. Ze bestudeerden de onderkant van de schedel van A. ramidus en vergeleken het met de onderkant van de schedel van moderne mensen. Dit deel van het lichaam is heel interessant, omdat het heel complex is en verband houdt met het brein, de houding van een organisme en de manier waarop een organisme kauwt.

Maar misschien nog wel belangrijker: dit deel van het lichaam is bij apen heel anders dan bij mensen.

De onderzoekers ontdekten dat dit deel van de schedel van Ardi grote overeenkomsten vertoont met dat van moderne mensen en juist helemaal niet lijkt op dat van apen.

De vondst wijst erop dat Ardi nauwer verwant is  aan mensen dan aan chimpansees

“Gezien de hele kleine omvang van Ardi’s schedel zijn de overeenkomsten tussen de onderkant van de schedel van Ardi en de mens verbazingwekkend,” merkt onderzoeker William Kimbel op.

Bronmateriaal:
‘Ardi’ skull reveals links to human lineage” - ASUnews.asu.edu

ardiskullrev

The 4.4 million-year-old cranial base of Ardipithecus ramidus from Aramis, Middle Awash research area, Ethiopia.
Photo by: Image courtesy Tim White.
°
KORTE  GESCHIEDENIS  ( en oudere  situeringen ) VAN DE   RAMIDUS -ontdekkingen aan het begin van deze 21 eeuw    
Dit geeft een idee waarneer de hominines  leefden, en in hoeverre de tijden waarin ze leefden elkaar overlappen:

Het gaat bij de ontdekking  van   (beide ) ramidus-soorten  vooral   om een lacune tussen de wereldberoemde Lucy, die werd ontdekt in 1974 en tussen de 3,3 en 3,6 miljoen jaar oud zou zijn, en de  eerste ontdekte ramidus  fossielen die 4,1 miljoen jaar oud zijn. Die  fossielen vormen een soort ‘Transitionnal “.

Wetenschapper Yohannes Haile Selassie verklaarde dat de   eerste   a.  ramidus  vondsten  , twee menselijke genera   ( ramidus ___vertegenwoordigd  door enkele volledige tanden en beenderen___ en australopithecus afarensis   ) met elkaar verbindt en een licht werpt op de periode tussen het bestaan van de twee, een tijdspanne in de evolutie waarover weinig bekend is.
De fossielen  werden aangetroffen in Afar, in het noordoosten, op ongeveer 30 kilometer vanwaar Lucy werd gevonden.
Wat we nu  hebben, past ongeveer in dat gat. We kunnen hierdoor beter de evolutie van de mens begrijpen“,
aldus Haile Selassie.
(belga/hln)

Yohannes Haile Selassie

Het gaat bij de ontdekking  van   (beide ) ramidus-soorten  vooral   om een lacune tussen de wereldberoemde Lucy, die werd ontdekt in 1974 en tussen de 3,3 en 3,6 miljoen jaar oud zou zijn, en de  eerste ontdekte ramidus  fossielen die 4,1 miljoen jaar oud zijn. Die  fossielen vormen een soort ‘Transitionnal “.

Wetenschapper Yohannes Haile Selassie verklaarde dat de   eerste   a.  ramidus  vondsten  , twee menselijke genera   ( ramidus ___vertegenwoordigd  door enkele volledige tanden en beenderen___ en australopithecus afarensis   ) met elkaar verbindt en een licht werpt op de periode tussen het bestaan van de twee, een tijdspanne in de evolutie waarover weinig bekend is.
De fossielen  werden aangetroffen in Afar, in het noordoosten, op ongeveer 30 kilometer vanwaar Lucy werd gevonden.
Wat we nu  hebben, past ongeveer in dat gat. We kunnen hierdoor beter de evolutie van de mens begrijpen“,
aldus Haile Selassie.
(belga/hln)
Zie ook

HOW APES BECAME HUMAN

http://www.time.com/time/archive/preview/0,10987,1000380,00.html

Creationisten zwatel  ;

http://www.echt-nieuws.nl/evolu.htm

http://www.darwinism watch.com/darwinist_prop_17.phphttp://www.answersingenesis.org/docs/4113.asp

http://www.doesgodexist.org/NovDec01/ApemenAndTheMedia.html

http://www.drdino.com/print.php?type=article&spec=59

http://www.apologeticspress.org/articles/127

DE  ONTDEKKING   van    belangrijkste recente  vondsten  
Antropologen vinden fossielen van 4,5 miljoen jaar oude hominiden in Ethiopië // januari 2005

http://sesha.net/eden/nieuws.asp

BLOOMINGTON, VS. – Wetenschappers van de Indiana Universiteit in het Amerikaanse Bloomington (IUB), tezamen met wetenschappers van zeven andere wetenschappelijke instituten hebben een aantal fossielen opgegraven van menselijke voorouders die zo’n 4,5 miljoen jaar geleden leefden. De fossielen, die deze week beschreven werden in het wetenschappelijke tijdschrift Nature, kunnen wetenschappers helpen bij het bestuderen van de mysterieuze transformatie van primitieve chimpanseeachtige hominiden naar meer menselijke vormen.

De fossielen werden gevonden in het Gona onderzoeksgebied in het noorden van Ethiopië, slechts een van twee plaatsen waar de fossielen zijn gevonden van Ardipithecus ramidus.

“Een aantal ontwikkelingen in Afrika geven ons een nieuwe blik op de fossielen die gevonden zijn van de eerste hominiden,” zei IUB paleoantropoloog Sileshi Semaw, die het onderzoek leidde.

Semaw en zijn collega’s rapporteren ook nieuw bewijs dat laat zien dat de menselijke voorouders leefden in een omgeving met antilopen, neushoorns, apen, giraffes en nijlpaarden in een Ethiopië dat veel natter was dan het nu is. De reconstructies van de leefomgeving tonen een mozaïek van verschillende landschappen, van bosland tot grasweiden. Het onderzoek in Gona gaat door om precies te achterhalen aan welke omgeving ramidus de voorkeur gaf.

“We hebben nu meer dan 30 fossielen van tenminste 9 individuen, die we dateren tussen de 4,3 en 4,5 miljoen jaar oud,” aldus Semaw die directeur is van het Gona Palaeoanthropological Research Project en onderzoekswetenschapper aan het Stone Age Instituut.

In hun brief aan Nature, beschrijven Semaw en zijn medeauteurs de gevonden delen van een bovenkaak en twee onderkaken – met de tanden intact – een aantal lossen tanden, een deel van een teenbeentje en intacte vingerbeentjes. De wetenschappers denken dat de fossielen behoren aan negen individuen van de soort Ardipithecus ramidus. De onderzoekers gebruikten Argon isotopen om vulkanisch materiaal dat werd gevonden in de buurt van de fossielen, om hun leeftijd te schatten.

In de elf jaar sinds de benaming van de soort Ardipithecus ramidus door Tim White, antropoloog aan de universiteit van Californië in Berkeley en anderen, zijn er slechts een handvol fossielen van deze soort gevonden en alleen op twee plaatsen – Middle Awash en Gona, beide in Ethiopië. Andere fossielen van iets oudere leeftijd zijn gevonden in Kenia en Tsjaad. De onderzoekers die in Ethiopië werken denken echter dat Ardipithecus het eerste hominide genus is – dat wil zeggen dat zij de eerste menselijke voorouders waren die leefden na de splitsing tussen mens en chimpansee.

Ondanks de miljoenen jaren die ons scheiden, hebben moderne mensen toch een aantal dingen gemeen met A. ramidus. Fossielen van Gona en Awash laten zien dat de oer-hominide op twee benen liep en diamandvormige hoektanden had, niet V-vormige tanden die chimpansees gebruiken om ergens in te bijten. Van buiten lijkt A. ramidus echter veel meer op een chimpansee dan op de moderne mens.

Gona blijkt tot nu toe een zeer productieve vindplaats. In een Nature artikel in 1997 kondigde Semaw en een aantal collega’s aan dat zij de oudste stenenwerktuigen tot dan toe hadden gevonden. De vondsten uit Gona toonden aan dat de mensen al zo’n 2,5 miljoen jaar geleden stenen werktuigen gebruikte.


2005, American Association for the Advancement of Science

Nieuwe Ethiopische fossielen leveren bewijs voor nieuwe soort   maart 2004

BERKELEY – Paleoantropologen van de universiteit van Californië in Berkeley en van het Natuurhistorisch Museum in Cleveland hebben fossielen gevonden van een bijna 6 miljoen jaar oude menselijke voorouder, van welke de eerste fossielen drie jaar geleden voor werden aangekondigd. Hiermee verstevigen zij het belang van de soort als de eerste hominide die verscheen na de afsplitsing van de chimpansee lijn.

Toen de soort voor het eerst aangekondigd werd in het tijdschrift Nature in 2001, werden de fossielen Ardipithecus ramidus kadabba genoemd, een subsoort van een jongere hominide soort Ardipithecus ramidus, die eveneens in de Middle Awash regio in Ethiopië werd gevonden. De nieuwe fossielen – zes tanden – leveren genoeg bewijs voor de stelling dat het hier toch om een aparte soort gaat, dus Ardipithecus kadabba in plaats van een subsoort Ardipithecus ramidus.

“Ardipithecus kadabba zou wel eens de eerste soort kunnen zijn op de menselijke lijn na de evolutionaire afscheiding van de lijnen die naar de moderne chimpansees en die die naar de mens leiden,” zei Yohannes Haile-Selassie, curator en hoofd van de afdeling fysieke antropologie van het museum in Cleveland.

Haile-Selassie en coauteurs Tim White van de Berkeley universiteit en Gen Suwa van het museum van de universiteit van Tokio rapporteerden hun vondst in de uitgave van 5 maart van het tijdschrift Science.

Tussen 1997 en 2000 legde Haile-Selassie 11 hominide fossielen bloot van tenminste vijf individuen die eens in een bosrijk landschap leefden waar de omgeving nu droog en rotsachtig is, in de Afar driehoek midden in de Ethiopische Middle Awash regio. Samen met White en geoloog Giday WoldeGabriel van het Amerikaanse Los Alamos National Laboratory, interpreteerde hij de beenderen als die van een tweebenige hominide ter grootte van een chimpansee die tussen de 5,2 en de 5,8 miljoen jaar geleden leefde.

De zes tanden werden gevonden tijdens een maand lange afgraving op een locatie die Asa Komo (Rode heuvel) Locality 3 werd genoemd. Deze locatie had eerder al een deel van een arm en een enkele tand opgeleverd. Asa Koma is gelegen aan de westelijke grens van het onderzoeksgebied zo’n 290 kilometer ten noordoosten van de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba.

Onder de gevonden tanden bevinden zich een hoektand uit de bovenkaak, voorkiezen uit beide kaken en maalkiezen uit de bovenkaak. Alle tanden kwamen uit een geologische laag die tussen twee vulkanische lagen in zat. Deze vulkanische lagen konden worden gedateerd op respectievelijk 5,54 en 5,77 miljoen jaar oud. De datering werd verricht op het Berkeley Geochronology Center door Paul Renne, adjunct professor aard- en planetaire wetenschap aan de Berkeley universiteit.

Hoewel de wetenschappers slechts over 17 fossielen beschikken, waarvan de meeste tanden zijn, kunnen zij hier toch veel uit opmaken, bijvoorbeeld over hoe deze wezens leefden. De tanden in het bijzonder zijn van belang om te kunnen differenti챘ren tussen de fossielen van mens en chimpansee.

“In alle mensenapen – fossiele en moderne – worden de grote, slagtandachtige, uitstekende hoektanden als wapens gebruikt, en bij de meeste gebruiken de mannetjes ze in hun gevechten met rivalen om zo toegang te krijgen tot vruchtbare vrouwtjes,”. Aldus White. “De eerste hominiden hebben deze aanpassing niet, zij hebben veel kleinere hoektanden die geheel niet op die van chimpansees lijken.”

In de mensapen, slijpen de bovenste hoektanden constant langs de derde voorkiezen in de onderkaak om ze zo scherp te houden. Volgens White hebben mensen deze functionaliteit niet.

Volgens hem zijn de implicaties van dit verschil in gebitten dat de nieuw ge챘volueerde hominiden in een totaal verschillende, minder strijdlustige sociale structuur leefden dan die die we zien bij moderne chimpansees. Antropoloog Owen Lovejoy stelde in de tachtiger jaren dat de afname van de hoektanden betekende dat de mannetjes meer betrokken waren bij het opvoedproces en dat het dragen van kinderen en voedsel sterke evolutionaire druk legde op deze hominide waardoor ze zich ontwikkelden in de richting van een spier- en skeletbouw die perfect was voor het lopen op twee benen.

De nieuwe fossielen laten de meest primitieve hoektanden zien van alle eerder gevonden hominiden.

“We zien slijtagepatronen op de voorkiezen van Ardipithecus kadabba die we in A. ramidus niet zien,” zei Haile-Selassie. “We weten niet zeker of de A. kadabba individuen een functioneel slijpmechanisme hadden – we hebben maar een voorbeeld daarvan – maar wat we zeggen is dat de primitieve vorm en de aanwezigheid van dit patroon op de bovenste hoektand en de derde voorkies A. ramidus doet verschillen van A. kadabba, zodat we de laatste zien als een aparte soort.”

De onderzoekers geven aan dat er nog twee andere vindplaatsen zijn die fossielen hebben opgeleverd uit dezelfde periode, tussen de 5 en 6 miljoen jaar oud. Een groep fossielen, die in 2002 in Tsjaad werd gevonden, werd Sahelanthropus tchadensis gedoopt, de andere groep, die in Kenia werd gevonden in 2000, heet Orrorin tugenensis . Al deze fossielen komen zodanig overeen dat ze allemaal onder dezelfde soort, Ardipithecus kadabba, zouden moeten worden geplaatst vind het team.

Deze zienswijze wordt niet gedeeld door David R. Begun van de universiteit van Toronto. Hij werpt tegen dat de gebitten van A. kadabba, Sahelanthropus en Orrorin op een aantal belangrijke punten van elkaar afwijken. “In plaats van een enkele lijn van opvolging zou het [hominide] fossielenbestand uit het late Mioceen wel eens een integrerende uitspreiding kunnen laten zien vanuit een bronpopulatie in Eurazië of een nog niet ontdekte populatie in Afrika, de eerste van verschillende uitspreidingen die gedurende de evolutie van de mens heeft plaatsgevonden,” schrijft hij in een bijgevoegd commentaar. Maar de mate van onzekerheid over de fragmentarische fossielen die tot dusver bekend zijn maakt het onmogelijk de meningverschillen die leven tussen zij die denken dat er veel soorten zijn geweest en zij die denken dat er niet meer dan 1 of 2 menselijke soorten tegelijkertijd hebben geleefd bij te leggen. “De oplossing komt voor in de mantra van alle paleontologen,” concludeert hij. “We hebben meer fossielen nodig!”


2004, UC Berkeley

Nog oudere mensachtige gevonden  ?  
19 maart 2004:
 SAMENVATTING
Antropologen vonden in Ethiopië  tanden van een zes miljoen jaar oude mensachtige. Medeontdekker Haile-Selassie spreekt van een nieuwe hominide soort, mogelijk de eerste van de menselijke tak. Paleontoloog De Vos reageert sceptisch.

In Asa Koma (Rode Heuvel) in de Ethiopische Middle Awash-vallei hebben paleoantropologen zes tanden opgegraven van een hominide (mensachtige) die tussen de 5,54 en 5,77 miljoen jaar geleden leefde. In die tijd was de mens nog maar een paar honderdduizend jaar van de aap afgesplitst. De fossielen zijn ruim twee miljoen jaar ouder dan die van Lucy, een Australopithecus afarensis van 3,5 miljoen jaar oud.

Asa Koma: het Ethiopische berggebied waar de paleoantropologen o.a. zes tanden van misschien wel onze oudste voorouder hebben ontdekt.

De losse tanden bestaan uit voorkiezen uit beide kaken, en een hoektand en enkele kiezen uit de bovenkaak. Paul Renne, hoogleraar aard- en planeetwetenschap aan de universiteit van Californié (Berkeley), dateerde de tanden door de argon/argon-methode toe te passen op de vulkanische sedimenten waarin ze lagen.

Yohannes Haile-Selassie: een van ontdekkers van het fossiele gebit

De fossielen werden al in 2002 gevonden door Yohannes Haile-Selassie (beheerder en hoofd antropologie van het Cleveland Museum of Natural History), Tim White (universiteit van Californi챘, tevens de ontdekker van Lucy) en Gen Suwa (universiteit van Tokyo). Zij rapporteerden over hun vondst in Science.

Aanvulling
De tanden zijn een aanvulling op elf andere hominide fossielen (tanden en botten) die Haile-Selassie tussen 1997 en 2000 in de Middle Awash-vallei vond. Volgens hem zijn de botten van tenminste vijf tweevoeters, die tussen de 5,2 en 5,8 miljoen jaar geleden leefden. Toen hij deze ontdekkingen in Nature in 2001 voor het eerst meldde, noemde hij de hominide nog Ardipithecus ramidus kadabba, een subsoort van de jongere Ardipithecus ramidus. De aapachtige kenmerken van de nieuwe tandfossielen vindt hij echter voldoende reden om Ardipithecus kadabba als nieuwe hominide te introduceren: “De hoektand heeft meer de vorm van een snijtand, en vertoont slijtage die typerend is voor apen.”

De fossiele overblijfselen van de Ardipithecus ramidus kadabba zijn ruim twee miljoen jaar ouder dan de overblijfselen van “Lucy”. Bovenaan de foto (rode cirkel) zijn de tanden te zien.

Eerder vonden paleontologen fossielen in Kenia (2000) en Tsjaad (2002) van soorten uit ongeveer dezelfde periode die ze respectievelijk Orrorin tugenensis en Sahelanthropus tchadensis noemden. Volgens Haile-Selassie en White moeten die fossielen eveneens tot A. kadabba  gerekend worden.Dr John de Vos, paleontoloog aan het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden, vindt de aanduiding kadabba overbodig: “Op basis van één tand wordt een nieuwe soort geïntroduceerd! Wat mij betreft behoren de tandfossielen tot A. ramidus.” Bovendien meent De Vos dat Haile-Selassie inconsequent is: “Hij beschrijft de verschillen tussen zijn fossielen en die van A. ramidus zeer nauwkeurig om aannemelijk te maken dat het om twee aparte soorten gaat, terwijl hij zijn fossielen met die uit Kenia en Tsjaad op één hoop veegt.”

Volgens Haile-Selassie en White is het mogelijk dat A. kadabba de eerste hominide soort is die ontstond na de evolutionaire splitsing tussen mens en aap.

De Vos lacht:   “Ik ken White heel goed. Altijd als hij beweert de ‘eerste’ te hebben gevonden, denk ik: “wat heeft ie nou weer ontdekt!”

Wijselijk voegt hij daaraan toe:“Maar dat denk ik bij elke onderzoeker die zoiets beweert.”

Mar 5, ’05

IU Bloomington paleoanthropologist Sileshi Semaw holds the fossil of a hominid mandible (lower jaw bone) believed to be about 4.5 million years old. (Photo by: Sileshi Semaw)

A. ramidus has a strong claim to being the oldest forerunner of modern Man ever to be identified. In 2001, one specimen found in the Afar was carbon-dated at around 5.2 million years old


Oudste skelet tweevoeter ter wereld ontdekt in Ethiopië

05/03/2005

 

In het noordoosten van Ethiopie is een skelet van een tweevoeter van 3,8 à 4 miljoen jaar oud ontdekt.
—->Het grote belang van de vondst ligt in het feit dat ook de onderste ledematen zijn gevonden
—->De vindplaats ligt op 60 kilometer van waar Lucy gevonden werd in 1974, een tweevoeter van 3,2 miljoen jaar.
Volgens een van de ontdekkers, Bruce Latimer, zal de ontdekking de kennis over de evolutie van de mensheid revolutionair bijsturen.
Het nieuwe skelet kan een link vormen tussen Lucy en een skelet van 4,4 miljoen jaar, van een viervoeter.
De onderzoekers hopen te ontdekken hoe de mensheid van vier naar twee voeten evolueerde.
Het geslacht en de soort van het nieuwe skelet moeten nog bepaald worden. (kva)
zie ook :
In januari 2005 doken al een 30 tal restanten op van de
“ardipithecus ramidus ” en afkomstig van minstens 9 individuen
2012 
The new discovery—eight bones from the front part of a right foot—comes from Ethiopia’s Woranso-
 
BRT-VP-2,73

a, Dorsal view of all elements of the specimen. b, Dorsal, plantar, lateral, medial, distal and proximal views of the first metatarsal. c, Dorsal, lateral, medial, proximal and distal views of the second metatarsal. d, Dorsal, lateral, plantar, distal ……

http://www.nature.com/nature/journal/v483/n7391/full/nature10922.html

………Fossil foot reveals Lucy wasn’t alone: Lucy’s species, Australopithecus afarensis, lived roughly 3.0 million to 3.9 million years ago. So when researchers unearthed eight 3.4-million-year-old hominid foot bones in Ethiopia, they expected the fossils to belong to Lucy’s kind. The bones do indicate the creature walked upright on two legs, but the foot had an opposable big toe useful for grasping and climbing. That’s not something you see in A. afarensis feet. The researchers who analyzed the foot say it does resemble that of the 4.4-million-year-old Ardipithecus ramidus, suggesting that some type of Ardipithecus species may have been Lucy’s neighbor. But based on such few bones, it’s too soon to know what to call this species……

Nieuwe vondsten wijzen erop dat de tweebenige Lucy de wereld deelde met andere mensachtigen die nog in bomen leefden.

Dat schrijven wetenschappers in het blad Nature. Ze baseren hun conclusie op 3,4 miljoen jaar oude botjes die in Ethiopië zijn teruggevonden. De botjes zijn ongeveer even oud als Lucy: de eerste resten die van de mensachtige Australopithecus afarensis werden teruggevonden. De resten van Lucy werden eveneens in Ethiopië ontdekt.

Voet
De gevonden botjes maakten ooit deel uit van een voet. Het zijn zeker geen botten van deAustralopithecus afarensis. De voet van Lucy was namelijk geschikt om op twee benen te lopen. Deze botjes zijn dat niet en wijst erop dat de soort waar deze aan toebehoorden zich nog gewoon op vier benen voortbewoog.

Twee benen
Het is voor het eerst dat onderzoekers ontdekken dat twee mensachtige soorten met verschillende vormen van voortbeweging zo’n 3,4 miljoen jaar geleden tegelijkertijd in het oosten van Afrika leefden.

“De botjes laten duidelijk zien dat Lucy’s soort die rechtop liep, zo’n 3,4 miljoen jaar geleden niet de enige mensachtige soort in dit deel van Ethiopië was,” vertelt onderzoeker Yohannes Haile-Selassie in een persbericht.
“Haar soort bestond naast nauw verwanten die nog meer aangepast waren op het klimmen in bomen, net zoals de soort van Ardi –Ardipithecus ramidus – die zo’n 4,4 miljoen jaar geleden leefde.”Lucy versus de ander
Terwijl de soort van Lucy zich toelegde op een leven op de grond, ging de andere soort verder  om – in ieder geval zo’n 3,4 miljoen jaar geleden – nog in de bomen te blijven. Anno 2012 is wel duidelijk welke ingeslagen weg menselijker werd  : Lucy wordt gezien als één soort  uit de groep  van de voorouders van de mens en lijkt het daarmee aanzienlijk verder te hebben geschopt dan de soort die in de bomen bleef zitten.
2009

Het jaar van Ardi

(Steven Stroeykens —) Ze was maar één meter twintig groot, ze is al 4,4miljoen jaar dood en al wat er van haar overblijft zijn 125 stukjes bot. –> Maar toch   ‘Doorbraak van het Jaar’, volgerns het Amerikaanse wetenschappelijke vakblad Science 

Ardi (kort voor Ardipithecus ramidus) onttroont Lucy (koosnaampje voor Australopithecus afarensis) als de oudste mensachtige waarvan een min of meer compleet skelet is overgebleven.
Haar overblijfselen werden al in 1994 gevonden, in Ethiopië, maar de wetenschappers die haar opgroeven, hebben rustig de tijd genomen om alles grondig te onderzoeken.
Dit jaar zijn eindelijk de conclusies gepubliceerd, in een reeks artikelen in Science.
Het is nog maar het zesde goede skelet van een mensachtige ouder dan een miljoen jaar, en meteen het oudste.Mogelijk was het genus  Ardipithecus een voorloper van Australopithecus, (die zelf een  struik is ,   waaruit   het genus homo ontsproot .) Maar het zou ook kunnen dat Ardi een doodlopende zijtak van de menselijke familie vertegenwoordigde.
Ze liep, volgens de reconstructie van haar verbrijzelde bekken, waarschijnlijk rechtop, maar nog niet zo goed als Lucy.
Haar hersenen waren even groot als die van een chimpansee, maar haar schedel lijkt meer op die van latere mensachtigen dan op die van de  hypothetische  gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee.
De vondst werpt op die manier een interessant nieuw licht op de evolutie van onze soort. Een van de conclusies die uit de analyse van Ardi te trekken zijn, is dat na het uiteengroeien van de mensentak en de mensapentak van onze grote familie, zo’n drie miljoen jaar vóór Ardi, niet alleen de menselijke tak maar ook de mensapentak (met onder meer de chimpansee) sterk geëvolueerd moeten zijn.
 Het is niet zo dat wíj (evolutionair)veranderd zijn en zíj(evolutionair )   ter plaatse bleven trappellen  ; de twee takken zijn beide sterk veranderd.

OO

AUSTRALOPITHECUS

     

Australopithecus in Perspective (from Science Magazine)

Rechte lijn in vroege evolutie mens  ?    Hendrik Spiering

Nieuwe vondst Australopithecus verbindt twee oergeslachtenHet nieuwe beeld van de menselijke evolutie is een struikgewas, geen rechtlijnige stamboom. Maar voor de vroegste evolutie gaat die rechte lijn juist wel op

Missing link / gemeenschappelijke voorouder in rechte lijn  Bestaat niet als konkreet fossiel of als genoom Je kan alleen verwantschap tussen bepaalde diersoorten ontdekken die wijst in de richting van een gemeenschappelijke voorouder. Bij mensen en apen is dat ook het geval, de verwantschap is zo groot (morfologisch , anantomisch , biochemisch en genetisch )dat er sprake moet zijn van een oertype waar de afstamming van uitgaat.Dus van mensen en primaten wordt ook aangenomen dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben. Je zou dus kunnen zeggen dat de mens een primatensoort is.
De genetische overeenkomst is 95 % tot 99.7 %( afhankelijk van wat men meet in het genoom ) met bijvoorbeeld de chimpansee

Samen met een groot team van paleontologen heeft de befaamde Tim White stokoude oermensfossielen gevonden in de Midden-Awash, in Noord-Ethiopië. Het gaat om zo’n dertig fossielen van

°

Australopithecus anamensis -

Australopithecus anamensis

a_anamansis jawFossil remains of Australopithecus anamensis , have been found at Kanapoi and Allia Bay on the East African Rift System. This Australopithecine species is about 4.2 to 3.9 million years old. It was a bipedal ape and possible ancestor to A. afarensis (Gore, 1997). The dentition of A. anamensis is ape-like, with large canines, yet it was definitely a bipedal hominid, as seen from its tibia. A. anamansis was a small brained, biped (walked on two legs) with big teeth that fits into the one million-year gap between the earlier Ardipithecus and Australopithecus afarensis (which includes the famous fossil skeleton known as Lucy).  A. anamansis fossils are anatomically intermediate between the earlier species Ardipithecus ramidus and the later species Australopithecus afarensis. Fossils of this species have been found in Ethiopia (Middle Awash area in the Afar desert of eastern Ethiopia) and Kenya. The Ethiopian fossils, at 4.1 milion years old represent a fossil continuity between Australopithecines and the earlier Ardipithecus species.

Hundreds of mammal fossils also were found in the region, indicating a woodland habitat with colobus monkeys, kudus, pigs, birds and rodents, and carnivores such as hyenas and big cats. This wooded habitat type persisted over a long period in this part of the Afar and was favored by early hominids between 4 and 6 million years ago.

Lower Jaw bone of two specimens of Australopithecus anamensis.

(below, right). Different views of the same tibia bone from Australopithecus anamensis.

http://www.jqjacobs.net/anthro/paleo/anamensis.html

°

UPDATES

http://www.archeolog-home.com/pages/content/kanapoi-west-turkana-kenya-new-fossils-of-australopithecus-anamensis.html

New fossils of Australopithecus anamensis from Kanapoi, West Turkana, Kenya (2003–2008)

C.V. Ward, F.K. Manthi, J.M. Plavcan

Source -

http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0047248413001437

Journal of Human Evolution

Abstract

Renewed fieldwork from 2003 through 2008 at the Australopithecus anamensis type-site of Kanapoi, Kenya, yielded nine new fossils attributable to this species. These fossils all date to between 4.195 and 4.108 million years ago. Most were recovered from the lower fluvial sequence at the site, with one from the lacustrine sequence deltaic sands that overlie the lower fluvial deposits but are still below the Kanapoi Tuff. The new specimens include a partial edentulous mandible, partial maxillary dentition, two partial mandibular dentitions, and five isolated teeth. The new Kanapoi hominin fossils increase the sample known from the earliest Australopithecus, and provide new insights into morphology within this taxon. They support the distinctiveness of the early A. anamensis fossils relative to earlier hominins and to the later Australopithecus afarensis. The new fossils do not appreciably extend the range of observed variation in A. anamensis from Kanapoi, with the exception of some slightly larger molars, and a canine tooth root that is the largest in the hominin fossil record. All of the Kanapoi hominins share a distinctive morphology of the canine–premolar complex, typical early hominin low canine crowns but with mesiodistally longer honing teeth than seen inA. afarensis, and large, probably dimorphic, canine tooth roots. The new Kanapoi specimens support the observation that canine crown height, morphology, root size and dimorphism were not altered from a primitive ape-like condition as part of a single event in human evolution, and that there may have been an adaptive difference in canine function between A. anamensis and A. afarensis.

kenya1.png

Figure 3. KNM-KP 47953, associated mandibular teeth. Teeth figured in occlusal (above), lingual (middle) and mesial (below) views. From right to left, right canine P3, P4, M1, M3, left M3, left canine.

kenya2-1.png

Figure 6. Lateral view of KNM-KP 47956 (reversed for comparison) compared with the previously published mandibles from Kanapoi and attributed to Australopithecus anamensis, KNM-KP 31713, KNM-KP 29281 (A. anamensis holotype), and KNM-KP 29287. All shown in lateral view.

Middle awash   au.anamensis

°

->

°

A anamensis.

 Human life originated in Africa. These Australopithecus anamensis fossils of ca.

4 Myr BP are from Lake Turkana, northern Kenya (National Museum of Kenya).

de oudst bekende Australopithecus, waarvan tot voor kort in totaal maar zo’n 80 fossielen uit Kenia bekend waren. //

De vindplaats en datering van de nieuwe botten – een dijbeen en heel veel tanden – vormen een sterke ondersteuning voor twee belangrijke theorieën over de oorsprong van het geslacht Australopithecus, zo schrijft White vandaag in Nature.

De eerste versterkte hypothese is dat het geslacht Australopithecus ca. 4 miljoen jaar geleden een relatief directe voortzetting vormde van de voorloper Ardipithecus.

De tweede nu versterkte theorie is dat de belangrijke soort Australopithecus afarensis (waartoe het bekende fossiel Lucy behoort) een voortzetting is van Au. anamensis.

Het gaat hier dus om twee gevallen van een, in de menselijke evolutie ongewone, directe continuïteit, één op geslachtsniveau (van Ardipithicus naar Australopithicus) en één op soortsniveau (van Au. anamensis naar Au. afarensis).De laatste jaren wordt in het denken over de menselijke evolutie dat idee van de rechte lijn juist steeds vaker verlaten

Waar vroeger binnen het geslacht Homo een rechte lijn werd getrokken van Homo habilis naar de moderne mens, wordt tegenwoordig meer een soort struikgewas geschetst met veel gelijktijdige soorten, zonder strakke afstammingslijnen tussen de ene fossiele soort en de andere.

Er zijn ook duidelijke aanwijzingen voor gelijktijdig bestaande Homo-soorten. De vondst van de Homo floresiensis in 2004 bevestigde dit beeld.Toen bleek dat zo’n 50.000 jaar geleden tenminste vier Homo-soorten gelijktijdig op aarde rondliepen.Niet alleen de kleine Floresmens, maar ook Homo erectus op Java, Homo sapiens in Afrika, en Homo neanderthaliensis in Europa.

De rechtoplopende, maar verder nogal chimpanseeachtige Australopitheci (die in Afrika rondliepen tussen 4,1 en 1,5 miljoen jaar geleden) vormen de schakel tussen dat moderne mensengeslacht Homo en de alleroudste hominiden die ontstonden na de evolutionaire splitsing met de chimpansees (zeven à zes miljoen jaar geleden). Uit die alleroudste periode zijn drie geslachten bekend: Sahelanthropus uit Tsjaad (7 à 6 miljoen jaar geleden), Ororin uit Kenia (zo’n 6 miljoen jaar geleden) en Ardipithecus uit Ethiopië (ca. 5,5 tot 4,4 miljoen jaar geleden)

Kernargument van White is dat bij deze nieuwe grote vondst van Au. anamensis géén overlap in tijd of plaats is gevonden met de voorloper of opvolger. Dit was een gouden kans op de continuïteitsthese te falsificeren, maar dat is niet gebeurd.

Vanuit de universiteit van Berkeley in California legt Tim White telefonisch uit wat zijn team nu eigenlijk heeft vastgesteld – in zijn typische beeldende taal

‘Stel je voor dat je op de heuvel staat in Aramis, Ethiopië waar we veel van de nieuwe fossielen hebben gevonden. Het is 4,4 miljoen jaar geleden, je kijkt om je heen en wat zie je? Bossen! En daartussen loopt ook Ardipithecus – van hem hebben we daar al eerder fossielen gevonden. Dan doe je 100.000 jaar je ogen dicht, en wat zie je daarna? Overal water! Het bos is een meer geworden. Oké je doet je ogen weer dicht, 200.000 jaar dit keer. Je doet ze weer open, en wat zie je dan? Weer gewoon hetzelfde bosland, dezelfde diersoorten en, nèt ook weer een mensaap. Je doet zijn bek open en kijkt erin: géén Ardipithecus, maar Australopithecus anamensis!

Wat is er gebeurd? Er is in die tussenliggende turbulente tijd een heel nieuwe soort, zelfs een heel nieuw geslacht, ontstaan!’ Dat in de bek kijken is nuttig, omdat in de tanden de belangrijkste kenmerken voor een soort liggen – gewoon omdat van deze stokoude fossielen vooral veel tanden worden teruggevonden. Ardipithecus heeft relatief kleine kiezen en dun glazuur, Au. anamensis heeft juist relatief grote kiezen en dik glazuur. Als je Ardipithecus vindt, vind je nooit Australopithecus in dezelfde aardlagen

In de literatuur wordt overigens wel eens een ouder Australopithecus-fossiel genoemd, maar die dateringen zijn niet zeker

Over bijvoorbeeld de Lothagam-kaak van 5,5 miljoen jaar oud zegt White

Die datering is hartstikke vaag. En in feite is het maar één erg versleten tand, die evengoed van een mensaap kan zijn.

Whites tweede continuïteitsthese, voor de twee Australopithicussoorten, krijgt steun van andere onderzoekers

Binnenkort verschijnt in het vooraanstaande Journal of Human Evolution een grote analyse van een aantal anatomische kenmerken van de twee soorten, door William Kimbel, Meave Leakey, Donald Johanson en anderen. Ook hieruit blijkt overduidelijk dat er grote continuïteit bestaat

Uit de oudere soort ontstaat de nieuwere soort, zonder verdere aftakkingen, zo beschrijft Kimbel het proces. Maar even goed kan je zeggen dat er slechts sprake is van één soort die evolueert in de tijd. In de biologie wordt dan voor het gemak gesproken van één evolutionaire soort, met twee chronospecies. In feite is er dus één evoluerende lijn die 1,2 miljoen jaar blijft bestaan. Na 1,2 miljoen jaar splitst Au. afarensis overigens wèl in verschillende soorten

Ardipithecus is een aapachtige hominide uit de periode 6 miljoen tot 4,4 miljoen jaar geleden, die door Tim White zelf in 1992 voor het eerst is gevonden

Of Ardipithecus al rechtopliep, is niet duidelijk

Voor White zelf is dat niet zo’n probleem omdat volgens hem de zeer vroege hominidengeslachten Ororin en Sahelanthropus (TOUMAI)eigenlijk bij Ardipithecus horen

‘En van die twee soorten is wel vrij duidelijk dat ze rechtopliepen’

°

Recnstructed  ANAMENSIS DIET?

An artist’s reconstruction of Australopithecus anamensis, left, and an image of traces on fossil tooth of Australopithecus anamensis, scale bar is 100 µm (Hessisches Landesmuseum Darmstadt / Ferran Estebaranz et al.)

http://www.sci-news.com/othersciences/anthropology/article00469.html

Australopithecus anamensis bone from the University of Zurich

http://www.bradshawfoundation.com/origins/australopithecus_anamensis.php

http://humanorigins.si.edu/evidence/human-fossils/species/australopithecus-anamensis

Image of a common ancestor face illustration, front view  Common ancestor ? 

°

Australopithecus  afarensis

°

AFAR HOMINIDS

Skull  & skull fragments

afarensis 1

    afarensis   various skull fragments

afarensis head reconstruction 1aafarensis head reconstruction 2afarensis head reconstruction 3afarensis head reconstruction 1

°

°

3,3 miljoen jaar oud fossiel van meisje ontdekt

20 september 2006

ADDIS ABABA – Wetenschappers hebben in Ethiopië een 3,3 miljoen jaar oud, vrijwel compleet versteend skelet gevonden van een 3-jarig meisje. Het is voor zover bekend het meest komplete fossiel dat ooit gevonden is. Naast een versteende schedel en torso zijn een schouderblad en diverse botten opgegraven

Naast de schedel werd een bijna volledig skelet gevonden. Dat is zeer zeldzaam.
Lucy’s little sister.
i-e45e827a198c79097f0d6b1fbf5950ec-selam.jpg°
“Lucy’s Baby”

Dikika baby skull photo

http://news.nationalgeographic.com/news/2006/09/060920-baby-photos.htmlVolgens de experts behoorde het meisje tot de hominidensoort Australopithecus Afarensis, die zich vier miljoen jaar geleden ontwikkelde en volgens sommige wetenschappers een verre voorouder van de moderne mens zou kunnen zijn.

Scans van het fossiel laten zien dat in de kaak nog tanden en kiezen zitten, waardoor de experts de leeftijd konden vaststellen.

Tongbeen

Bijzonder is dat er ook botten zijn gevonden die doorgaans niet verstenen. Zo is ook het tongbeen versteend teruggevonden. Dit kan inzicht geven in de ontwikkeling van de stem en wat voor geluid de Australopithecus Afarensis voortbracht.

Het fossiel, dat inmiddels de naam Selam (Ethiopisch voor vrede) heeft gekregen, is gevonden in Dikika in de Awash Vallei.

De onderzoekers denken dat het 3-jarige meisje is verdronken tijdens een overstroming van de rivier de Awash.

Volgens de deskundigen is het fossiel nog ouder dan Lucy, een skelet van een volwassen vrouw dat 3,2 miljoen jaar oud is en in 1974 in Noord-Ethiopië werd gevonden.

Onderzoekers van de universiteit van het Duitse Leipzig stellen hun vondst voor in het wetenschappelijke tijdschrift Nature

Das “älteste” Baby stellt sich vor (met grote foto’s)

Rechtop lopen
De vorsers gaan ervan uit dat “Lucy’s dochter” al rechtop kon lopen. Haar lange armen wijzen er volgens de onderzoekers op dat ze mogelijk, net als apen, van boom tot boom kon slingeren.

Lucy’s Baby kon rechtop lopen ;
Dikika girl bones  Image: Max Planck Institute

The lower limbs show the Dikika girl could walk upright
Vroege mens was geen echte klimmer meer 2009
Onze verre voorgangers konden vier miljoen jaar geleden misschien nog wel klimmen, maar kwamen niet meer gemakkelijk tegen een rechte boomstam omhoog.
Hun enkel zat toen al te vast, in vergelijking met die van chimpansees.
Chimps draaien de rug van hun voet met gemak 45 graden omhoog, richting scheenbeen.
Zo kunnen ze de voet met de tenen naar boven tegen de boom zetten en dan met de armen toch nog de stam omvatten.
Onze enkel wil maar 15 tot 20 graden draaien.
Antropoloog Jeremy DeSilva concludeert dat in de PNAS uit opnames van chimpansees in Oeganda en studie van menselijke fossielen.
De hominiden moesten kiezen: op zijn chimpansees de boom in vereist een zware, flexibele voet en enkel, maar rechtop lopen kost teveel energie met zo’n anatomie.
De klimvoet was vier miljoen jaar geleden al op zijn retour.
Maar de sterke armen en goeie grijpvingers suggereren dat onze voorouders nog wel de bomen in kwamen
UPDATE 
2012
……..Shoulder indicates A. afarensis climbed trees:……A heavily debated question in human evolution is whether early hominids still climbed trees even though they were built for upright walking on the ground. Fossilized shoulder blades of a 3.3-million-year-old A. afarensis child suggest the answer is yes. Scientists compared the shoulders to those of adult A. afarensis specimens, as well as those of modern humans and apes. The team determined that the A. afarensis shoulder underwent developmental changes during childhood that resemble those of chimps, whose shoulder growth is affected by the act of climbing. The similar growth patterns hint that A. afarensis, at least the youngsters, spent part of their time in trees.Read more: http://blogs.smithsonianmag.com/hominids/category/homo/neanderthals/#ixzz2IiOBJsMR
‘Lucy’s baby’ gevonden in Ethiopië
http://www.sesha.net/eden/NIEUWS/2006-04.asp
september 2006
( Vertaling BBC artikel )
In de Dikika regio in Ethiopië hebben wetenschappers de 3,3 miljoen jaar oude fossiele resten gevonden van een mensachtig kind.
De resten zijn van een vrouwelijke Australopithecus afarensis, dezelfde soort( A. Afarensis ) als “Lucy” die in 1974 gevonden werd.
Het meisje zou 100.000 jaar ouder zijn dan lucy
Wetenschappers zijn erg blij met de vondst.
Zij denken dat het bijna complete skelet een unieke kans biedt om de groei te bestuderen van deze belangrlijke
menselijke voorouder. Resten van een onvolwassen Australopithecus afarensis zijn zeer zeldzaam.
Het skelet werd al in 2000 gevonden, verpakt in een
brok zandsteen. Het koste 5 jaar moeizame jaren om de beenderen te bevrijden.
“Het Dikika fossiel geeft ons inzicht in aspecten van Australopithecus afarensis en andere hominiden die niet eerder bekend waren omdat het ons ontbrak
aan fossiel bewijs,”
zei Zeresenay Alemseged, de leider van de opgraving, verbonden aan het Max Planck Instituut voor evolutionaire antropologie in het
Duitse Leipzig.
Tere beenderen
De vondst bestaat uit een complete schedel, de volledige torso en andere belangrijke delen van de ledematen.
CT scans laten tanden zien in de kaak die nog niet waren doorgebroken.
Hierdoor denken de onderzoekers dat het kind ongeveer drie jaar oud was toen ze stierf.
Het is opmerkelijk dat bepaalde tere beenderen, die normaal niet lang genoeg bewaard blijven om te fossileren, in dit geval bewaard zijn gebleven.
Een voorbeeld hiervan is het tongbeen of hyoid.Het hyoid geeft ons inzicht in de vorm van de stemholte en kan wellicht iets zeggen over het vermogen om geluid te produceren.
Gezien de bijna perfecte staat waarin het skelet zich bevind denken de onderzoekers dat het lichaam snel is overdekt door sediment, bijvoorbeeld door
een overstroming.
“Ik denk dat afarensis een goede overgangsvorm is tussen wat er voor 4 miljoen jaar geleden leefde en wat er daarna kwam,”
vertelde Dr Alemseged.
“[De soort beschikt over] een mix van aapachtige en menselijke trekken.
Daardoor speelt afarensis een hoofdrol in het verhaal van wie wij waren en waar we vandaan komen”.
Klimvaardigheid
Deze vroege voorouder had primitieve tanden en kleine hersenen, maar liep wel rechtop op twee benen.Er is een flinke discussie gaande over de vraag of het Dikika meisje kon klimmen als een mensaap.
Vaardigheid in het klimmen vereist speciale anatomische eigenschappen zoals lange armen.
De soort van Lucy had armen die, als zij ze liet hangen, net boven de knie uitkwamen.
( Fred spoor over het dikika meisje ))
De schouderbladen waren gorilla-achtig wat er mogelijk op duidt dat zij behendig was in het slingeren van boomtak tot boomtak.
Het is echter de vraag of dit wijst op echte klimvaardigheid of dat het “evolutionaire bagage” is.
Het Dikika meisje had een geschatte hersengrootte van ongeveer 330 kubieke centimeter toen zij stierf.
Dat verschilt niet veel van dat van een chimpansee van dezelfde leeftijd.
Als we dat echter vergelijken met een volwassen afarensis dan is dit ongeveer 63 – 88% van de volwassen herseninhoud.
Dat is lager dan bij een chimpansee, waar bij een leeftijd van 3 jaar ongeveer 90% van de volwassen herseninhoud al gevormd is.
De relatief langzame vorming van de hersenen van het Dikika meisje ligt dichter bij het patroon zoals we dat bij de mens zien.
Een langzame en geleidelijke ontwikkeling van de hersenen en daarbij een relatief lange kindertijd wordt beschouwd als een kenmerkende menselijke
eigenschap – waarschijnlijk noodzakelijk voor het ontwikkelen van onze hogere hersenfuncties.
Professor Fred Spoor van de University College in Londen zei dat de vondst wetenschappers een
gedetailleerde inzage biedt in hoe onze verre verwanten opgroeiden en hoe zij zich gedroegen … op een tijdstip van de menselijke evolutie waarin zij
veel meer op rechtoplopende chimpansees leken dan op ons”.
Dr Jonathan Wynn van de universiteit van St Andrews in Groot Brittanië dateerde, samen met collega’s van de universiteit van Zuid-Florida in de
Verenigde Staten, het sediment waarin de Dikika resten werden gevonden.
Hij kwam uit op een leeftijd van 3,3 miljoen jaar.
Samengevat :
*Lucy’s baby kon rechtop lopen (= vorm van de heupen),
maar
*in het bovenlijf waren er nog de “spieren “( en vooral de hand ) , die nodig zijn om aan boomtakken rond te slingeren.
Als dat allemaal klopt, dan is Lucy’s baby misschien een tussenvorm.
(Fred spoor ; )

…..So far, analysis of the new fossil hasn’t settled the argument but does seem to indicate some climbing ability,
While the lower body is very humanlike, he said, the upper body is apelike:
-The shoulder blades resemble those of a gorilla rather than a modern human.
-The neck seems short and thick like a great ape’s, rather than the more slender version humans have to keep the head stable while running.
-The organ of balance in the inner ear is more apelike than human.
-The fingers are very curved, which could indicate climbing ability,
“but I’m cautious about that,”
Spoor said.
Curved fingers have been noted for afarensis before, but their significance is in dispute.
A big question is
what the foot bones will show when their sandstone casing is removed, Will there be a grasping big toe like the opposable thumb of a human hand?
Such a chimplike feature would argue for climbing ability ….

* Lucy’s baby is ook het moment , waarop mogelijk de vergroting van de hersenen begon en misschien de spraak onstond( de vondst van het tongbeen ).
alhoewel
(Fred spoor )

“…. The fossil revealed just the second hyoid bone to be recovered from any human ancestor.
This tiny bone, which attaches to the tongue muscles, is very chimplike in the new specimen….
While that doesn’t directly reveal anything about language, it does suggest that whatever sounds the creature made
“would appeal more to a chimpanzee mother than a human mother,

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/30223290/ Meisje van 3,3 miljoen jaar oud ontdekt
NATURE

http://www.nature.com/news/2006/060918/full/060918-5.html

Little ‘Lucy’ fossil found

Toddler hominin has arms for swinging and legs for walking.

Rex Dalto
In today’s issue of Nature, an Ethiopian-led international team reports the discovery of a juvenile skeleton of the species commonly known as ‘Lucy’, or Australopithecus afarensis.1,2 The researchers have named her Selam, after an Ethiopian word for ‘peace’.The 3.3-million-year-old bones of a female toddler from Ethiopia are telling scientists a story about the route human ancestors took from the trees to the ground.

The specimen, which is the oldest and most complete juvenile of a human relative ever found, has features that stand as striking examples of part-way evolution between primitive apes and modern humans.

Although many other samples of A. afarensis have been found before, this is the first one reported to come complete with a whole shoulder-blade bone (scapula). In modern humans the scapula has a ridge running horizontally across the top of the bone; in apes the scapula’s ridge reaches further down the back, where it can help to throw more muscle into arm action, as would be needed to swing from trees. In the young A. afarensis, the scapula looks to be part-way between.

“The animal was losing its capacity to be arboreal — heading right toward being human,” says anthropologist Owen Lovejoy of Kent State University in Ohio.

Other hominins have been found before with traits that similarly show a cross between a life in the trees and one on the ground. A. afarensis, for example, has previously been found to have hips and knees thought to be adapted to standing upright, but curved fingers suited to grabbing branches.

But ‘little Lucy’ is a particularly striking example of this sort of mosaic of evolution, says Zeresenay Alemseged, lead researcher on the paper and a paleoanthropologist at the Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology at Leipzig, Germany.

“These hominid fossils clearly show evolution in the making,” he says.

Little star

The fossils were unearthed at Dikika, just a few kilometres from the Hadar site in the Afar region of eastern Ethiopia — which in 1974 produced the original skeleton of Lucy, named after the Beetles song ‘Lucy in the Sky with Diamonds’, which was played during celebrations of the find’s discovery.

When the first Dikika fossils were uncovered in 2000, Alemseged says it was unclear exactly what it was. But after comparison with specimens at the National Museum in Addis Ababa, he realized it was a young A. Afarensis.

Young bones are more fragile than their adult versions and seldom survive the rigors of time. This set survived in compressed sandstone sediments that probably washed over the young girl in a flood. It has taken five years to laboriously clean away from the bone using dental tools.

The specimen includes a skull (large enough for a chimp-sized brain), a near-complete set of teeth, and all of the major limb components.

Having such a complete set will provide researchers with a way to study developmental growth in this species.

References

  1. Alemseged Z., et al. Nature, 443. 296 – 301 (2006). | Article |
  2. Wynn J. G., et al. Nature, 443. 332 – 336 (2006). | Article |
( against creationism )

SPECIAL REPORT: LUCY’S BABY INTERACTIVE GRAPHIC: SPECTACULAR SKELETON —> Finding Lucy’s Baby: Q&A with Zeresenay Alemseged

Video ‘s :
DARWIN WRONG
Prof Leslie Aiello / Australopithecus afarensis

Becoming a Fossil
This video segment describes how the Australopithecus afarensis skeleton known as Lucy could have been fossilized. Footage courtesy of NOVA: “In Search of Human Origins.”

Finding Lucy
This video segment depicts the landmark hominid fossil finds by Don Johanson and his team in Ethiopia.

afarensis head reconstruction 4   lucyafarensis skull & reconstructionafarensis skull & reconstruction2

Update : De nieuwe Lucy!

24 september 2013 

Meer kennis
Inmiddels is de wetenschap alweer vele jaren verder. En in die jaren zijn tal van ontdekkingen gedaan. In totaal zijn door de jaren heen de fossiele resten van 300 individuen van Lucy’s soort teruggevonden. En elke vondst maakte ons beeld van deze mensachtige weer iets completer.

Lucy en curator dr. Yohannes Haile-Selassie. Afbeelding: © Cleveland Museum of Natural History.

Lucy en curator dr. Yohannes Haile-Selassie. Afbeelding: © Cleveland Museum of Natural History.

Nieuwe reconstructie
Al die kennis is nu gebundeld in een nieuwe reconstructie van Lucy. De reconstructie onderscheidt zich op een aantal punten van eerdere reconstructies. Zo is Lucy onder meer ietsje slanker geworden en is haar voet iets sterker gebogen. Ook de ribbenkast en rugwervel is iets aangepast.

Lucy. Afbeelding: © John Gurche / Cleveland Museum of Natural History.

Lucy. Afbeelding: © John Gurche / Cleveland Museum of Natural History.

De nieuwe reconstructie is ontwikkeld door John Gurche, onder toeziend oog van dr. Yohannes Haile-Selassie. De ‘nieuwe’ Lucy is te bewonderen in het Cleveland Museum of Natural History.

Laetoli Footprints
This video segment describes how the famous track fossils known as the Laetoli footprints might have been formed and what they can reveal about the creatures who left them.

Lucy’s Baby
Enjoy exclusive interviews with Zeresenay Alemsweged and other scientists behind the research with our special video coverage.

Hominid evolution and development

In this focus

Childhood is perhaps the defining feature of humanity. But how did it evolve? And when? Apart from Neanderthals, growth patterns of prehistoric humans are rarely studied because of the dearth of fossils that combine evidence from the head as well as the body. This is why the 3.3-million-year-old juvenile partial skeleton of Australopithecus afarensis — the earliest known juvenile hominid skeleton of any kind — is so important.

This Nature Web Focus looks at what we know about the evolution of human development, and features exclusive video interviews with the scientists behind this discovery alongside current research, features and analysis, and an archive of related palaeontological finds. Image: Zeresenay Alemseged.

Google- video
Hominid Evolution 1: The Early Stages
Documentary Educational Resources
40 min

Australopithecus afarensis

Australopithecus afarensis
Status: Fossiel
Fossiel voorkomen: Midden-Plioceen (3,9 tot 3 miljoen jaar geleden)
Skelet van Lucy
Skelet van Lucy
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Hominidae (Mensachtigen en grote mensapen)
Geslacht: Australopithecus
Soort
Australopithecus afarensis
Johanson & White, 1978

Vindplaats van Lucy

Australopithecus afarensis is een uitgestorven mensachtige uit het Plioceen van Oost-Afrika. Het is een van de oudste bekende mensachtigen. De eerste gevonden resten van deze soort werden ontdekt op 24 november 1974 door Donald Johanson, Yves Coppens en Tim White in de Afar Driehoek, Noord-Ethiopi챘. Over het geslacht van het halfcomplete skelet bestaat discussie. De ontdekkers vermoedden dat het een vrouw betrof en noemden het “Lucy“, naar “Lucy in the Sky with Diamonds“, een bekend nummer van de Beatles dat tijdens de expeditie veelvuldig werd gedraaid.

Australopithecus afarensis was een kleine mensachtige, ongeveer 120 centimeter lang. Mannetjes waren iets groter. Lucy zelf was 110 centimeter lang en woog ongeveer dertig kilogram. A. afarensis had grote wenkbrauwbogen en smalle heupen. De grote teen is niet opponeerbaar. De herseninhoud is vergelijkbaar met die van een chimpansee, ongeveer 385 tot 400 cc.

Waarschijnlijk was het een groepsdier en liep de soort voornamelijk rechtop, maar hij was nog prima in staat om in bomen te klimmen. Ze aten een gevarieerd dieet, bestaande uit vruchten, knollen, bladeren en noten, en mogelijk aas.

Fossielen van Australopithecus afarensis zijn gevonden in Ethiopië, (Hadar, Aramis), Tanzania (Laetoli) en Kenia (Turkanameer, Omo, Koobi Fora, Lothagam). Lucy werd gevonden nabij Hadar. Dit gebied was toentertijd begroeid met savannen en open bossen, en afgewisseld met meren en riviertjes. Behalve A. afarensis leefden er toentertijd nog andere hominiden in deze omgeving, waaronder Kenyanthropus platyops.

Lucy en andere fossielen

Lucy was een volwassen vrouw die ongeveer 3,2 miljoen jaar geleden leefde in wat tegenwoordig Ethiopië wordt genoemd. Van haar geraamte bestaat tegenwoordig nog vrij veel botten, waaronder haar ribben, onderkaak en een deel van het bekken. Lucy had het bekken van een rechtoplopend dier, en was daarmee in 1974 de oudst bekende fossiele hominide die rechtop kon lopen.

Behalve Lucy zijn er nog andere fossiele sporen van Australopithecus afarensis bekend. Zo zijn er gefossiliseerde voetsporen gevonden in vulkanische aslagen in Laetoli, Tanzania. Deze voetsporen behoren waarschijnlijk toe aan een gezinnetje van drie mensachtigen, behorende tot A. afarensis. Deze voetsporen zijn ongeveer 3,65 miljoen jaar oud en het oudste bewijs van tweevoetigheid bij mensachtigen. Ook zijn er in Laetoli tanden en botten gevonden, behorende tot A. afarensis.

Our Ancient Ancestors
Our Ancient Ancestors
Our Ancient Ancestors

Ruzie over Lucy

Van oermoeder tot prehistorisch vraagteken

Op 30 november 1974 was het feest in het kamp van de antropologen, vlakbij de Awash rivier in Hadar, Ethiopië. Zojuist had Donald Johanson het opmerkelijk complete en – op dat moment – oudste skelet van onze mensenlijke voorouders gevonden.

Vijf jaar later presenteerde Johanson dit skelet als Lucy: een vrouw en bovendien dé voorouder van de mens. Ze ging de schoolboeken in als onze oermoeder. Maar sindsdien maken wetenschappers ruzie. Want klopt dat allemaal wel?

Johanson en zijn collega’s hadden eigenlijk geen moment over het geslacht van Lucy getwijfeld. Ze was klein, kleiner dan veel van de andere, even oude skeletten die ze in Hadar hadden gevonden. Dat paste goed bij de theorie dat bij onze voorouders de mannen veel groter en sterker waren geweest dan de vrouwen. Zo’n groot verschil tussen de seksen noemen we seksueel dimorfisme (di = twee, morf = vorm, dus eigenlijk: in twee vormen).

Eén soort, twee seksen

De reden dat de dimorfismetheorie zo populair was, is nu moeilijk voor te stellen, maar was toen heel logisch. Wetenschappers dachten dat er ten alle tijde slechts één soort mens had geleefd, net zoals nu: wij homo sapiens zijn maar in ons eentje. Ondertussen weten we dat dit niet klopt. De vroegste leden van homo sapiens deelden de aarde bijvoorbeeld met neanderthalers en homo erectus. Maar toen wisten we dat nog niet, en dus namen antropologen aan dat alle skeletten die ze vonden en die in dezelfde periode leefden, tot één enkele mensachtige soort moesten behoren

De gevonden skeletten in Hadar waren echter duidelijk verschillend. Sommige waren tenger en klein, en andere fors en groot. Je zou – met wat je nu weet – zelfs kunnen denken dat je hier twee verschillende soorten te pakken hebt. Maar dat idee kwam niet bij Johanson en co op. Zij schreven het verschil in plaats daarvan toe aan seksueel dimorfisme.

Dimorf = man vrijt, vrouw zorgt

Die ‘keuze’ heeft nogal wat gevolgen gehad, bijvoorbeeld in de evolutiepsychologie. De mate van dimorfisme zegt namelijk iets over het gedrag van de mannen en de vrouwen van die soort. Neem bijvoorbeeld de gorilla. Daar is het mannetje (ook) veel groter dan het vrouwtje. Door zijn kracht is een gorillakerel in staat om er een harem van vrouwtjes op na te houden. De vrouwtjes op hun beurt zorgen voor de kinderen. Bij apen die meer van gelijke grootte zijn, gaat het er anders aan toe. Apen en apinnen vormen tamelijk monogame paartjes en in veel gevallen helpen de aapmannen bij de opvoeding van de kleintjes.

Terug naar onze voorouders: als die erg dimorf waren, denken veel evolutiepsychologen, dan komt daar misschien het moederlijk zorginstinct vandaan, en de drang tot vreemdgaan bij mannen. En die gedragspatronen zitten nu nog steeds in ons ‘systeem’, ook al de heren en dames homo sapiens ondertussen bijna hetzelfde gebouwd. Maar zou die theorie nou niet kloppen, bijvoorbeeld omdat Lucy geen vrouw is, of omdat haar stevige tijdgenoten tot een andere soort behoren, dan schetst dat een heel ander beeld van ons erfgoed. In feite draait het de theorie om: ineens zou het ‘natuurlijk’ zijn voor mannen om luiers te verwisselen en hun vrouwen trouw te blijven.

Is Lucy wel een vrouw?

De Amerikaanse antropoloog Lori Hager is een van de wetenschappers die betwijfeld dat Lucy een vrouw is. Zij denkt dat Johanson zich in de luren heeft laten leggen door uiterlijkheden – klein, fijn gebouwd – en toen te snel conclusies heeft getrokken. In het boek ‘Women in human evolution’ wijst ze er op dat Lucy haar onmiskenbaar vrouwelijke naam vrijwel meteen na de vondst van haar skelet kreeg. Tijdens het feest in het kamp in Hadar speelde namelijk het Beatlesnummer ‘Lucy in the sky with diamonds’, en prompt werd het skelet hiernaar vernoemd.

Lucy (midden) was klein vergeleken met de moderne mens (rechts). En dat niet alleen: ze was ook klein vergeleken met sommige andere a. afarensis. De grote vraag is alleen: waren die grote, stoere tijdgenoten de mannen van Lucy’s soort, of een compleet ander type australopithecus?

Maar ook op wetenschappelijk vlak komt Hager met steekhoudende argumenten. Zo vond Johanson niet alleen Lucy’s lichaamsgrootte een bewijs van haar vrouwelijkheid, maar ook de vorm van haar bekken. Bij homo sapiens is het inderdaad zo dat vrouwen een wijder bekken hebben dan mannen en dat je daaraan prima het geslacht van een skelet kunt aflezen. Maar dat wijdere bekken is een gevolg van het feit dat mensenbaby’s zulke enorme breinen en dus grote schedels hebben – een eigenschap die pas later in de evolutie ontstond. Dus hoezo heeft Lucy heeft ‘vrouwenbekken’, vraagt Hager zich af.

Het past niet

Ze krijgt bijval van de Duitse antropologen Martin Häusler en Peter Schmid. Zij redeneerden zo. Áls Lucy een vrouw is én ze tot een seksueel dimorfe soort behoort, dan moet ze in staat zijn om zowel een jongetje als een meisje te baren. Maar de jongetjes zullen naar verwachting – omdat ze zoveel groter zijn – toch een wat zwaardere kluif zijn dan de meisjes. En na wat rekenwerk trokken ze een controversiële conclusie: het past niet. Dus is Lucy geen vrouw, of behoort ze niet tot een dimorfe soort.

boven zie je het bekken van Lucy, de kleine, tengere a. afarensis. In dat bekken (je kijkt er van bovenaf op) is de grootte van een babyhoofdje getekend. Volgens Häusler en Schmid past dit net niet. Onzin, zeggen Wood en Quinny, want kijk maar eens naar het plaatje rechts. Daar is het babyhoofdje veel groter ten opzichte van het bekken, en we weten dat deze vrouw – een homo sapiens dit kind succesvol en zonder keizersnee op de wereld heeft gezet. Het zou dus net wel moeten passen. © Häusler en Schmid (1995), Wood en Quinny (1996)

Twee soorten zonder dimorfisme ?

Dean Falk is hoogleraar antropologie in Florida denkt daar anders over. Hoewel ze accepteert dat Lucy een vrouw is, verwerpt ze het idee van Lucy als onze seksueel dimorfe voorouder. Zij denkt dat de smalle, kleine Lucy in plaats daarvan tot een heel andere soort behoort dan de grote, robuuste skeletten die in Hadar gevonden werden. De clou zit hem in hun schedels. Als een soort rechtop gaat lopen, dan moet er iets aan je anatomie veranderen. Je hoofd komt anders op je ruggenwervel te staan, en dat vereist aanpassingen in de manier waarop je brein van bloed wordt voorzien.

Die aanpassing, vond Falk nadat ze een groot aantal voorouderlijke schedels bestudeerde, is een soort holte achterin je hoofd. Ze noemt het de O/M sinus en het is een belangrijke stap in de evolutie. Moderne mensen hebben hem ook, net als de grote, breedgebouwde skeletten. De kleine skeletten, waar Lucy er één van is, hebben echter geen O/M sinus. En dat is een sterke aanwijzing dat het het hier gaat om twee verschillende soorten, en niet de man en de vrouw van één dimorfe soort.

Rechts zie je een achteraanzicht van de schedel van een robuuste, stevige a. afarensis. Je ziet dat er een holte (een sinus) zit. Daarin lijken ze op moderne mensen (links). De a. afarensis heeft geen O/M sinus. Of Lucy er wel een heeft, weten we niet zeker, omdat de achterkant van haar schedel nooit gevonden is. © Dean Falk (Braindance, 2004)

De link tussen Lucy en ons ?

In 1986 ontdekte Johanson in de Olduvai vallei in Tanzania het fossiel van een menselijke voorouder die – volgens hem – het midden hield tussen Lucy en de latere mensachtigen. Zijn schedel was namelijk groter dan dat van Lucy en ook zijn voortanden deden wat moderner aan. Johanson noemde zijn vondst homo habilis (handige mens), en claimde dat dit het bewijs was dat Lucy daadwerkelijk onze oermoeder is. Homo habilis is als het ware haar kind, en via hem was haar soort geworden tot moderne mens.

Hier zie je een reconstructie van de homo habilis. Deze is niet gemaakt naar aanleiding van de vondst van Johanson, maar naar een ander voorbeeld. De botjes die je ziet zijn wel van de homo habilis die Johanson aanduidde als het ‘kind’ van Lucy, en dus de link tussen a. afarensis en de moderne mens.

Falk gelooft er niets van. Homo habilis is te klein, zegt ze, om een voorouder te zijn van de latere mensensoorten, die allemaal lang zijn en breedgebouwd. Bovendien heeft Lucy’s opvolger lange, aapachtige armen, die je niet terugziet bij de latere mensachtigen. Volgens haar is homo habilis gewoon van dezelfde soort als Lucy, met toevallig een iets groter brein. En ze blijft bij haar theorie dat het de robuuste mensachtigen waren die uiteindelijk aan de wortel van het menselijke erfgoed stonden

Hier zie je een sterk vereenvoudigde stamboom van de mens. Links, in de ‘hoofdstam’ staat het verhaal zoals dat nu in de schoolboekjes staat. De kleine a. afarensis (waaronder Lucy) zijn de voorouders van homo habilis, die uiteindelijk evolueerde tot homo erectus, de directe voorouder van de moderne mens. Rechts zie je het alternatief: tegelijkertijd met Lucy bestond en een tweede soort a. afarensis (de grote, robuuste soort), die uiteindelijk via homo erectus evolueerde in homo sapiens

Bij mijn weten maken Falk en Johanson, en Häusler/Schmid en Wood/Quinny nog steeds ruzie. Dat is ook wel te begrijpen, want de evolutie van de mens is raadselachtig en mysterieus en er zijn maar weinig aanwijzingen. Toch zijn we dankzij de ruzie wijzer geworden. Zo weten we nu dat het onwaarschijnlijk is dat bij onze voorouders – wie ze ook waren – mannen en vrouwen sterk van elkaar verschilden. En dat maakt het logisch dat beide seksen een koppel vormden en dat vrouwen niet helemaal in hun eentje de kinderen hoefden op te voeden. Een beetje zoals nu, eigenlijk, en dat al miljoenen jaren lang.

Zie ook:

http://www.kennislink.nl/publicaties/ruzie-over-lucy

Appendix bij bovenstaand artikel

ALLEEN op grond van de anatomische kenmerken , te vinden in de overblijvende skeletbeenderen , kunnen we (1) niet vast stellen of LUCY
echt een vrouwelijke A.Afarensis was …

Om dat te kunnen doen moeten daarbij een aantal aannames worden gemaakt ( ondermeer over een “mannelijk exemplaar” van de soort en zelfs over andere gelijkaardige fossielen die tot die soort mogen of kunnen worden gerekend )
Het hier overgenomen artikel vat een aantal aannames en werkhypotheses daarop gebaseerd samen

(1)
Osteologen ,(paleo)antropologen (en vergelijkende anatomen ) zijn natuurlijk beter geplaatst dan leken om dergelijke analyses uit te voeren
en om redelijke twijfels (vanuit die specialismen ) verantwoord te blijven vinden bij de vaststelling van het geslacht van het fossiel
van Lucy
De wetenschappelijke discussie loopt dus in de eerste plaats tussen de specialisten terzake …Als leek kan men dit hoogstens trachten te volgen
maar zelf conclusies trekken of (erger nog ) hypotheses formuleren is een heikele onderneming
Dat zal natuurlijk geen enkele creationist beletten om de hele evolutionaire afstamming van de mens , te diskrediteren op grond van de overweging
dat de “wetenschappers” het zelf niet eens zijn ( over de gehele consensus over de evolutionaire afstamming uiteraard )

Van bij het begin werd door het team van johanson het ontdekte skelet( in het bijzonder het bekken ) van Lucy als behorend bij een vrouwelijk exemplaar beschouwd en wel op grond van anatomische vergelijkingen met het dimorphisme dat bij de moderne(re ?) mensensoorten (= ook van de vrouwelijke floresiensis ?) (2)
in de bouw van het( mannelijke en vrouwelijke ) bekken voorkomt

Sexing a pelvis http://zinjanthropus.wordpress.com/category/pelvis/

*zie ook :
http://books.google.be/books?id=WTsunMQqUogC&printsec=frontcover&source=gbs_navlinks_s
p10 t/m p 24

Het zal ook niemand verbazen dat vooral uit feministische hoek de “conclusies ” die de ” conservatief geinspireerde “evolutionaire psychologen meenden te kunnen afleiden uit het (veronderstelde ) geprononceerde sexuele dimorfisme werden aangevallen …

Het feit dat dit dimorphisme nu minder uitgesproken zou zijn dan ooit werd verondersteld plaats de afarensis echter weer dichter bij de mens dan bij de “gorilla” bijvoorbeeld ,zoals velen meenden te kunnen concluderen uit de tendens tot groter dimorphisme
(2) Lucy’s heupen
(Lovejoy’s reconstruction )


http://www.goatstar.org/lucyhips.jpg

°

Flo’s heupen
http://blogs.discovery.com/.a/6a00d8341bf67c53ef01156e431561970c-320wi

Het Skelet van flo wordt bewaard in indonesia
Verdere (buitenlandse ) toegang tot het fossiel , informatie over nieuwe studies gedaan aan het specimen ( en afgietsels ervan )waren tot nu toe (bijna)kompleet geblokkeerd

°
Hier is een van de weinige beschikbare (directe ) afgietsels die aan het publiek is voorgesteld


http://blogs.discovery.com/news_animal/2009/03/human-hobbit-skeleton-.html
De heup is zoals je kan merken fragmentair aanwezig
( het werd beschadigd door Tekeu Jacobs die het in beslag had weten te nemen en houden )

Uiteindelijk werd het beschadigde fossiel terug vrijgegeven ( met mondjesmaat )

Broken bones. The Flores hominid pelvis before transport (left), and after (right).

http://news.sciencemag.org/2005/03/breaking-hobbit

Left: the Flores hominid pelvis as it had been found
Right: The same pelvis as returned by after Jacob
(Photographs courtesy Culotta E. 2005. “Discoverers charge damage to ‘Hobbit’ Specimens.” Science 307:1848, 25 March 2005)

http://www.sciencemag.org/content/307/5717/1848.1

a, Homo sapiens from Upper Cave Zhoukoudian, China; b, a microcephalic H. sapiens from Mauritius (Peabody Museum, Harvard Univ.); c, Homo floresiensis (LB1); d, H. floresiensis (LB6); e, early African Homo erectus (KNM-WT 15000); f, Australopithecus afarensis (Laetoli Hominid 4). The Liang Bua mandibles lack a chin, unlike those of H. sapiens, including the microcephalic example shown here. Lack of a chin is an ancestral feature of hominids, and is also a characteristic of H. erectus and A. afarensis. Scale bar, 1 cm.

 

Lucy geen directe voorouder van de mens

http://new.jpost.com/HealthAndSci-Tech/ScienceAndEnvironment/Article.aspx?id=58121

Antropologen van de Universiteit van Tel Aviv ( Prof. Yoel Rak and colleagues at the Sackler School of Medicine’s department of anatomy and anthropology )ondersteunen de theorie dat ” Lucy ” niet een directe voorloper van de mens is.

( in de directelijn die naar de mensen leide … het is een zijtak )Ze komen tot deze conclusie op basis van nieuwe morfometrische en additionele analyses. De researchers onderzochten 146 botten van andere primaten, waaronder mens, gorillas, chimpanzees and orang-oetangs.
Ze melden dat het zogeheten ramus element, dat is het stuk bot dat boven en onderkaak verbindt met de schedel, niet overeenkomt met dat van de mens, maar veel meer lijkt op dat van de australopithecus robustus ….
en zelfs op dat van de gorilla ipv dat van de chimpansee
Australopithecus afarensis, “Lucy” A.L. 288-1, jaw KO-036-J. Discovered by Donald Johanson in 1974 in Ethiopia, “Lucy”, at 3.2 million years has been considered the first human ancestor . This is now being challenged by the discovery of Kenyanthropus, described in 2001 by Leakey. Reconstruction based on photos, descriptions and casts of original bones. See below for skeletal bones

The jaw bone of Lucy and the jaw bone of Australopithecus robustus .

Robustus : Cast of lower jaw SK 23 discovered in Swartkrans, South Africa by Robert Broom. This jaw is one of the best preserved from this area and was found close to the discovery site of the skull SK 48. It is considered to be a female of the same species as SK 48, but is not from that skull.

 

LUCY behoort  niet  tot de  direkte voorvader s ?  :   israelische  wetenschappers concluderen:    Lucy en haar soortgenoten moeten derhalve :

“be placed as the beginning of the branch that evolved in parallel to ours.”
De studie wordt binnenkort gepubliceerd in het gezaghebbende wetenschapstijdschrift Proceedings of the National Academy of Science USA, kortweg de PNAS, en is nu reeds online.
(1)
De stamboom van de mensachtigen en mensapen wordt gezien als een veeltakkige struik …. Zie de kop van dit artikel
Missing link (in de betekenis van een laddersport in een rechtstreekse afstammingslijn –> een directe ( hypothetische ) voorvader ); is een creationistisch uitvindsel en een term die is overgenomen uit de “populaire ” pers …..
Overigens is er ook nog de australopithecus africanus ;
die door enkele onderzoekers dichter bij de mensen-chimpansee lijn wordt geplaatst dan de A afarensis ( de soort waar lucy toebehoort )
Deze nieuwe studie past gewoon in het decennia oude debat tussen twee scholen antropologen :

Volgens de school van Phil Tobias( U. of Witwatersrand i zuid afrika ), waarvan Y.Rak( U van Tell Aviv) een leerling/ volgeling is ,
is de australopithecus africanus de voorouder van de zogenaamde graciele australopithecinen , en de A afarensis is voorouder van de
Australopithecus Robustus( een vertegenwoordiger van de robuste australopithecinen )
Voor de andere school is het natuurlijk net omgekeerd


Het werk is interessant om het volgende :
Het geeft een gedetailleerde analyse van de stijgingsgraad in de ramii van verschillende primaten
Andere argumenten (die al van veel vroeger stammen en ten voordele van de hypôthese van tobias ) gaat over plaatsing van het neusgat

Men moet er zich ook bewust van zijn dat dergelijke lang aanslepende wetenschappelijke disputen schering en inslag zijn in de antropologie
Ze zijn misschien wel het belangrijkste kenmerk van die discipline ( in het bijzonder de paleantropologie die eerder schijnt te bestaan
uit een soort detectives en puzzelaars , en die bijna constant hun schema’s en hypotheses aanpassen aan nieuwe vondsten en analyses )


(abstract )
Gorilla-like anatomy on Australopithecus afarensis mandibles suggests Au. afarensis link to robust australopiths
Yoel Rak*,{dagger}, Avishag Ginzburg*, and Eli Geffen{ddagger}

*Department of Anatomy and Anthropology, Sackler Faculty of Medicine, and {ddagger}Department of Zoology, Faculty of Life Sciences, Tel Aviv University, Tel Aviv 69978, Israel

Edited by David Pilbeam, Harvard University, Cambridge, MA, and approved February 26, 2007 (received for review July 28, 2006)

Mandibular ramus morphology on a recently discovered specimenof Australopithecus afarensis closely matches that of gorillas.This finding was unexpected given that chimpanzees are the closestliving relatives of humans. Because modern humans, chimpanzees,orangutans, and many other primates share a ramal morphologythat differs from that of gorillas, the gorilla anatomy mustrepresent a unique condition, and its appearance in fossil homininsmust represent an independently derived morphology.

This particularmorphology appears also in Australopithecus robustus. The presenceof the morphology in both the latter and Au. afarensis and itsabsence in modern humans cast doubt on the role of Au. afarensisas a modern human ancestor. The ramal anatomy of the earlierArdipithecus ramidus is virtually that of a chimpanzee, corroboratingthe proposed phylogenetic scenario.

hominins | phylogeny | ramus


**Nota
De laatste zin van het abstract ( i het rood ) illustreert dat de chimp/mens lijn wordt verbonden met A. ramidus die veel ouder is dan de A . afarensis

(+) Ardipithecus Ramidus —-> (+)australopithecus afarensis

—> (+)Robuuste australopithecinen

?—>(+) australopithecus robustus
—-> australopithecus africanus ?-

—->(+) Graciele austalopithecinen

?—> chimpansee
?—> homo erectus


Although the height of the gorilla coronoid can be considerable, it is the constellation of the noted features (the width of the base of the coronoid
process, the flatness of its superior contour, and the location of the highest point of the process and the lowest point in the notch relative to the
width of the ramus) that determines the shape of the superior ramal contour in our comparative primate sample and differentiates the two morphologies.

Kimbel, W., Rak, Y., Johnson, D. (2003) Am J Phys Anthropol Supp 36:129


“A much less likely scenario is that the Au. afarensis ramal morphology was apomorphic (newly derived) for all hominins and many other primates
and that a reversal to the chimpanzee-like condition occurred in the Homo clade. ”

“In light of the debate about which modern chimpanzee species is more representative of the common ancestor (“prototype”) of modern humans and
chimpanzees, we note that the posterior probability for the Ar. ramidus mandibular ramus in our analysis is highest for common chimpanzees
(twice as high as for pygmy chimpanzees). “


Besluit ;

Wat Y. RAK en KIMBEL en anderen hopen te bewijzen( ook met deze nieuwe morfologi hsce studie ) is dat de chimp/mens( van voor de splitsing) is te verbinden met de A.ramidus–>africanus lijn ipv met A. afaransis , die( door hen ) wordt beschouwd als een zijtak .

Creationisten babbel

Het gaat hier niet over het betwijfelen van de verwantschap tussen austalopithecinen en de chimpansee-mens lijn zoals creationisten maar al te graag willen ” misquoten ” en concluderen uit deze studie

P.Borger

http://www.volkskrantblog.nl/bericht/124539

Australopithecus Africanus

Australopithecus africanus skull front view

Description

Cast of partial skull Sts 71, a 2.5 million-year-old fossil discovered in1947 by Robert Broom and John Robinson in Sterkfontein, South Africa. The robust features of this skull indicate it was an adult male.

Photographer:
Carl Bento
© Australian Museum
Australopithecus africanus skull side view

Description

Cast of skull Sts 71. This 2.5 million-year-old partial skull was discovered in1947 by Robert Broom and John Robinson in Sterkfontein, South Africa. It was initially thought that his skull was a female because of the minimal facial projection, but the robust features of this skull and large molars indicate it was more likely an adult male.

Photographer:
Carl Bento:
© Australian Museum
Dental arcade of an ape, Australopithecus africanus and a modern humanDental arcade of an ape, Australopithecus africanus and a modern human View full size
Helen Beare © Australian Museum
Australopithecus africanus lower jaw sideAustralopithecus africanus lower jaw side View full size
Carl Bento © Australian Museum
Australopithecus africanus lower jaw angled viewAustralopithecus africanus lower jaw angled view View full size
Carl Bento © Australian Museum
Australopithecus africanus skull and brain castAustralopithecus africanus skull and brain cast View full size
Carl Bento © Australian Museum
2 million to 3 million years ago /South AfricaCharacteristics: More fully bipedal than A. afarensus

  • large molars
  • heavy mandible (jaw) with large ascending ramus
  • protruding muzzle
  • massive zygomatic (cheek) bones, to which chewing muscles are attached
  • thick browridge
  • post orbital constriction behind the browridge
  • small braincase (500 cc)

 

TAUNGS CHILD (R.Dart 1920) Australopithecus africanus

Taungs4


Taungs Child

Taung Child [Australopithecus africanus]
Age: Pliocene.
Location: Africa.
This is a sculpture taken from the original Skull and Brain.

Taung Child [Australopithecus africanus] Reconstruct

TAUNGS

In 1924 werd een verrassende vondst gedaan in Afrika. In de Buxton kalkgroeve ten noorden van Kimberley, waar diamanten gedolven werden, bevond zich naast gewoon spierwit kalk ook verontreinigde kalk, die roze gekleurd was.

In het roze materiaal zaten botten. Een medewerker van de kalksteengroeve, ene De Bruin, verzamelde al een paar jaar schedels van bavianen. Op een dag viel hem een vreemde schedel op. Hij stuurde hem op naar het hoofd van de medische faculteit van Johannesburg, Professor Raymond Dart, een anatoom.

Op 28 november 1924 trouwde de beste vriend van Dart. Dart was getuige. Op het moment dat hij zich verkleedde, werd er een kist met onbekende inhoud bezorgd. Er zaten brokjes kalksteen in en een fossiele schedel. Dart had in Engeland een prima opleiding in hersenanatomie genoten. Hij zag meteen dat het niet van een aap kon zijn.

“Er ging een rilling van opwinding door me heen. Het was geen gewone aapachtige schedel”, schreef Dart later.

Bijna iedereen zou de schedel aan hebben gezien voor een chimpanseeschedel maar Dart wist dat hij iets bijzonders op het spoor was.

Dart had iets van een wetenschappelijke dwarsligger. Waarschijnlijk sprak het hem erg aan dat hij enkele van de gevestigde idee챘n van zijn tijd onderuit kon halen.

Een daarvan was dat een dergelijke vondst uit het verkeerde werelddeel kwam. Men vond dat alles wat belangrijk was zich in Europa moest hebben afgespeeld. Volgens blanke Europese mannen moesten we in Europa zijn ontstaan:

“Wij konden toch niet uit Afrika komen? Moet je zien, hoe primitief Afrika is.” Het was uiterst onwaarschijnlijk dat de oorsprong van de mens op het grote “zwarte” continent gezocht moest worden.

In de kist zat nog een verrassing. Binnen in het gesteente zat een schedeltje.

“Geen diamantklover werkte met meer liefde of grotere zorgvuldigheid aan een juweel van onschatbare waarde“, schreef Dart.

Vier weken later kwam het gezicht uit de steen te voorschijn. Hij bekeek het gebit. Tot zijn grote verbazing zag hij, dat de hoektand, de oogtand, net zo klein was als die van een mens!

En niet groot en slagtandachtig als van een chimpansee of gorilla. De schedel had een compleet tijdelijk gebit, een melkgebit, dat nog bezig was door te komen. De schedel bestond uit een bijna complete voorkant, een onderkaak met tanden en het rechter gedeelte van de hersenpan.

In de hersenpan had zich gesteente afgezet, dat de vorm van de originele inhoud had aangenomen, waardoor een endocast (binnenafdruk) was ontstaan.

Dit paste precies en zo ontstond een kinderschedeltje. Het was een openbaring voor hem.

In een oogopslag zag ik dat de replica die ik in mijn hand had, drie keer het hersenvolume van een baviaan had”, verklaarde Dart.

Op een gegeven moment viel hem iets onverwachts op.

Gezien de vorm van de schedelbasis balanceerde het hoofd op een verticale wervelkolom. Het hing niet voorover aan een schuin lopende wervelkolom, zoals bij dieren, die op vier poten in plaats van op twee benen lopen. Het liep dus rechtop.

Het was de belichaming bij uitstek van een ontbrekende schakel tussen niet-menselijke dieren en mensen. Hij moet gedacht hebben aan een uitspraak van Charles Darwin uit de 19e eeuw toen die voorspelde, dat Afrika de bakermat van de mensheid zou blijken te zijn.

Dart noemde het fossiel, de schedel van Taung, naar de streek van herkomst.

Hij schreef een artikel over zijn bevindingen en stuurde het naar Engeland, naar het beroemde tijdschrift Nature. Haar hoofdredacteur had zijn twijfels. Jongere mensaapjes vertonen namelijk grotere overeenkomsten met mensen, dan hun ouders. De kans op vergissingen was dus groot. Dart had geen sluitend bewijs geleverd vond men in Engeland. Een kind gold niet als bewijsmateriaal. Men wilde pas luisteren, als hij een volwassen versie zou vinden. De meeste wilden alles laten zoals het was. ; Brits chauvinisme en de bestaande racistische vooroordelen jegens bijvoorbeeld Afrikanen , deden de rest …. De vondst van Dart was bedreigend. De Britten hielden vol, dat Taungs de ontbrekende schakel niet was.

Robbert Broom
fig 2.6.3:
Robbert Broom

In Afrika vond Dart iemand die het met hem eens was, Robert Broom.

Broom was medicus, had in Australië fossielen van buideldieren bestudeerd en was een wereldwijd bekend deskundige op het gebied van zoogdierachtige reptielen uit Zuid-Afrika. Hij onderzocht de Taung-schedel ook en kwam tot de conclusie, dat de interpretatie van Dart de juiste was.

Broom was vastbesloten het bewijsmateriaal te vinden, dat de ontdekking van Dart zou bevestigen. Hij begon een speurtocht naar een volwassen versie van het kind van Taung. Zo ging de jacht op de Australopithecus africanus onverminderd door.

Samen met studenten van Dart bezocht Broom de kalksteenafzettingen van Sterkfontein in de buurt van zijn woonplaats. Al snel vonden ze fragmenten van fossielen. Op zijn tachtigste, na ruim tien jaar hardnekkig speuren vond Broom een complete schedel. Hij had het geringe hersenvolume van een mensaap, maar hij liep als een mens. Darts schedel van Taung stond niet langer alleen.

Het besef drong door, dat het niet een raar schedeltje betrof, maar een complete gemeenschap, een populatie. Nieuw bewijsmateriaal stapelde zich op en het tij keerde.

Het kind van Taung werd uiteindelijk wel juichend binnengehaald als onze rechtmatige voorouder. Ten slotte bleek Afrika de bakermat van de mensheid te zijn.

In de loop der jaren verschafte de Afrikaanse bodem steeds meer aanwijzingen over het mysterie van de herkomst van de mens.

Taung skull, Australopithecus africanus.

“The Taung Child”

http://www.d.umn.edu/cla/faculty/troufs/anth1602/pctaung.html

http://www.wsu.edu:8001/vwsu/gened/learn-modules/top_longfor/timeline/africanus/africanus-a.html

Australopithecines

Australopithecus and Paranthropus (aka A. robustus)

AustralopithecinesWikipedia
Australopithecus Wikipedia
Australopithecus robustus (Paranthropus) — Wikipedia

(chart)

General Information | Ardipithecus | Australopithecus | Paranthropus | Kenyanthropus

Orrorin / Ardipithecus / Australopithecus / Kenyanthropus

 

Subfamily Genus Species Example Alternative Name
Orrorin
tugenensis
“Millenium Man”
Aramis

Australo-
pithecines

anamensis

afarensis

“Lucy”

africanus

Taung

garhi

aethiopicus

“Black Skull”

Paranthropus

(aka A. robustus)

boisei

“Zinj”

robustus

Swartkrans

platyops

“Flat-faced Kenya Man”

Adapted from Intoduction to Physical Anthropology, 8th ed, Jurmain, Nelson, Kilgore, and Trevathand
(Belmont, CA: Wadsworth/Thomson Learning, 2000, pp. 285 – 290).

General Information


Ardipithecus
Ardipithecus Wikipedia


to top of page / A-Z index

Australopithecus
Australopithecus Wikipedia

 

Australopithecus anamensis

Australopithecus anamensis

Australopithecus anamensis — abcNews.com

Australopithecus anamensis — Lorraine Dallmeier

Australpithecus anamensis – James Q. Jacobs

Australopithecus anamensis – Origins of Humankind

Australopithecus anamensis – About

  • The big news from Anthropology in the News for 14 April 2006 was the discovery of new Australopithecus anamensis fossils:

Afar region (map of Ethiopia)

Australopithecus afarensis
National Geographic photo gallery —
“Selem”

Australopithicus afarensis: The story of Lucy – WSU

Australopithecus afarensis — Lorraine Dallmeier

Early Fossil Jaw, Tools Found In EthiopiaInstitute of Human Origins

LucyInstitute of Human Origins

The First Humans – D. I. Loizos

Australopithecus afarensis – Hooper Paleontological Museum

Australopithecus afarensis – Dr. Meave Leakey

Images

Australopithecus afarensis – CSUS

Animation

Australopithecus afarensis – American Museum of Natural History

Human Evolution: The Fossil Evidence in 3D – Phillip Walker and Ed Hagen

[Out of Order] Animation – A Left Hip Joint Model of Lucy – Hominid Palaeontology Research Group

to top of page / A-Z index

  • Images
  • Animation

Paranthropus(aka Australopithecus robustus)
Parantropus



Australopithecus robustus (Paranthropus) — Wikipedia

Australopithecus robustus

Australopithecus robustus SK 48

Parantropus-robustus

°

Uitgestorven mensachtige is niet verhongerd 10 november 2006
Een vroege mensachtige was veel meer een alleseter dan experts tot nog toe hebben aangenomen, zo blijkt uit gebitsstudies van een schedel uit Zuid-Afrika. In Science van deze week schrijven antropologen van de universiteit van Colorado in Boulder dat de betreffende vroege mensachtige Paranthropus robustus alles at van fruit en noten tot zaden en grassen en misschien zelfs vlees. Dat werpt een ander licht op de theorie van deze tak van vroege mensen ongeveer een miljoen jaar geleden uitstierf omdat hij zich niet kon aanpassen aan de klimaatveranderingen in Afrika.

Paranthropus was verwant aan het 3 miljoen jaar oude Ethiopische fossiel Lucy uit Ethiopië vaak gezien als de oermoeder van de mensheid.

Uit studies van het tandglazuur op het gebit van de schedel uit de Swartkransgrotten in Zuid-Afrika blijkt dat deze soort verre van kieskeurig was voor zijn voeding. Uit isotopenanalyses blijkt dat het betreffende individu gedurende zijn leven meermalen ingrijpende veranderingen van zijn dieet doorvoerde.

Ruwweg 2,5 miljoen jaar geleden splitsten de voorlopers van alles mensachtigen, de australopithecen zich in twee genera: Homo en Paranthropus. Homo ontwikkelde zich daarna tot de rechtopgaande mens Homo erectus en denkende moderne mens Homo sapiens.

Paranthropus stierf een miljoen jaar geleden uit. Individuen waren ongeveer zo groot als moderne chimpansees, maar hadden minder herseninhoud. Wat wel de reden van zijn verdwijnen was, blijft onopgelost.

http://www.volkskrant.nl/volkskrant.nl/script/reactie.js

aethiopicus
Australopithecus aethiopicus (Paranthropus aethiopicus) — Wikipedia

“NOTENKRAKER MENS “WAS GRASETER

renefransen op mei.04, 2011,

Schedel van P. boisei

Paranthropus boisei, a.k.a. de ‘Notenkraker mens’.

SALT LAKE CITY – In 1959 werd in Oost-Afrika de schedel van een mogelijk familielid van de mens gevonden.

Het fossiel, dat de wetenschappelijke naam Paranthropus boisei kreeg, kenmerkte zich door grote, platte kiezen en kreeg daarom de bijnaam ‘Notenkraker mens’. Volgens paleontologen zou deze soort zo’n twee miljoen jaar geleden hebben geleefd en was ze verwant aan het geslacht Australopithecus – die volgens hen een voorouder van de mens zou zijn.

Maar nu blijkt de ‘Notenkraker mens’ volgens de onderzoekers een niet zo mensachtig dieet te hebben gevolgd. Onderzoek van het tandglazuur zou aantonen dat de ‘Notenkraker’ een graseter was. Grassen hebben een ander systeem voor fotosynthese (het omzetten van kooldioxide in suikers met behulp van zonlicht) dan de meeste andere planten. Nu bestaan er verschillende isotopen (varianten die iets in gewicht verschillen) van koolstofatomen en het zogeheten C4-systeem van grassen levert een andere verhouding tussen die isotopen dan het C3-systeem van andere planten. De koolstofatomen zijn terug te vinden in het hele lichaam, inclusief het tandglazuur. Op basis van die isotopenverhouding kunnen wetenschappers daarom achterhalen wat het dieet van een mens of dier was: veel grassen of veel vruchten en noten.

Dat Paranthropus boisei een graseter was, kwam als een volkomen verrassing. ‘Deze soort at niet hetzelfde voedsel als andere primaten, die aten fruit, bladeren en noten’, zegt geologie-promovendus Kevin Uno, een van de betrokken onderzoekers, ‘maar het voedsel van grazers, zoals zebra’s, varkens-achtigen en nijlpaarden.’ De soort wijkt daarmee sterk af van alle bekende fossielen waarvan wordt aangenomen dat ze verwant zijn aan de mens. De resultaten van het onderzoek zijn vandaag gepubliceerd in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Bovenkaak van P. boisei (links) en een moderne mens

Bovenkaak van P. boisei (links) en een moderne mens

 

Paranthopus bosei  at  voornamelijk  de “tijgernoten”

9 januari 2014

Tachtig procent van de dagelijkse voedselinname van de mensachtige Paranthrobus bosei bestond mogelijk uit tijgernoten, voedzame knolletjes die aan de wortels van de grasachtige plant Cyperus  esculentus   groeien

  • De knolcyperus, ook wel aardamandel genoemd, is een vaste plant die behoort tot de cypergrassenfamilie. De plant wordt beschouwd als een hardnekkig onkruid in de teelt van aardappels en maïs en de gladiolenteelt. Wikipedia                          Cyperus—>Chufa  Cyperus esculentus, the yellow nut sedge, is listed as a noxious weed in many places and difficult to control. It can produce hundreds of thousands of seeds per plant per season. Researcher say a single nutsedge can produce 1900 plants and 7000 tubers in a year. That’s a lot of food. And remember sedges have edges and these sedges have three sides, like a triangle. All sedge seeds are edible, according to Ray Mears and Gordon Brown.
  • Chufa or Tiger Nuts

Dit dieet vulden de primitieve mensen vermoedelijk aan met sprinkhanen en wormen.

Dat blijkt uit een studie van onderzoekers aan de Univeriteit van Oxford die is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One.

Verwarring

Mensachtigen van de soort Paranthrobus bosei beschikten over enorm sterke kakenToch bleek uit eerdere analyses van het enamel van hun tanden dat ze vooral grassen en zaden aten.

Dat leidde tot verwaring, omdat de voedingswaarde van grassen eigenlijk te beperkt is voor mensachtigen. Gabriele Macho van de Universiteit van Oxford besloot het dieet van de oermensen daarom nader te onderzoeken.

Bavianen

Ze liet zich bij haar studie inspireren door bavianen in een Keniaans natuurgebied dat qua omgeving erg lijkt op het gebied waarin mensachtigen van de soort Paranthrobus bosei ooit leefden.

Al snel ontdekte ze dat de apen zich voornamelijk voeden met knollen die aan de wortels van de plant Cyperus  esculentus groeien en ook wel tijgernoten worden genoemd. Dit dieet vullen de dieren aan met kleine hoeveelheden sprinkhanen en wormen.

Volgens Macho is het waarschijnlijk dat(voorl) de parantropus(bosei )   en australopithecinen   in Oost-Afrika dezelfde eetgewoontes hadden. Ze berekende dat mensachtigen slechts enkele uren hoefden te besteden aan het zoeken en nuttigen van tijgernoten om 2000 kilocaloriën binnen te krijgen, oftewel tachtig procent van hun dagelijkse voedselbehoefte.  

Kaken

Het gekauw op de harde tijgernoten zou ook kunnen verklaren waarom Paranthrobus bosei in de loop van de evolutie zulke sterke kaken ontwikkelde.

“De theorie dat deze mensen op grote hoeveelheden tijgernoten leefden, kan het debat over wat onze voorouders aten in goede banen leiden”, verklaart Macho op de nieuwssite van de Universiteit van Oxford.

“Dit onderzoek vertelt ons dat vroege  mensachtigen selectief waren bij het nuttigen van grassen, ze kozen de bollen die aan de basis van de grassprieten groeiden als de hoofdmoot van hun dieet.” 

 (Door: NU.nl/Dennis Rijnvis     )

:,

Australopithecus boisei

Australopithecus boisei

to top of page / A-Z index

Images

Australopithecus boisei – 3/4 view

Australopithecus boisei – CSUS

Animation

Paranthropus boisei – American Museum of Natural History

to top of page / A-Z index

  • robustus
    Australopithecus robustusWikipedia

Parantropus robustus :

vroege voorouder van de mens was veel meer een alleseter dan experts tot nog toe hebben aangenomen, zo blijkt uit gebitsstudies van een schedel uit Zuid-Afrika.

In Science van nev 2006 schreven antropologen van de universiteit van Colorado in Boulder dat de betreffende vroege mensachtige Paranthropus robustus alles at van fruit en noten tot zaden en grassen en misschien zelfs vlees.

Dat werpt een ander licht op de theorie van deze tak van vroege mensen ongeveer een miljoen jaar geleden uitstierf omdat hij zich niet kon aanpassen aan de klimaatveranderingen in Afrika.

Paranthropus was verwant aan het 3 miljoen jaar oude Ethiopische fossiel Lucy uit Ethiopië, vaak gezien als de oermoeder van de mensheid.

Uit studies van het tandglazuur op het gebit van de schedel uit de Swartkransgrotten in Zuid-Afrika blijkt dat deze soort verre van kieskeurig was voor zijn voeding. Uit isotopenanalyses blijkt dat het betreffende individu gedurende zijn leven meermalen ingrijpende veranderingen van zijn dieet doorvoerde.

Ruwweg 2,5 miljoen jaar geleden splitsten de voorlopers van alles mensachtigen, de australopithecen zich in twee genera: Homo en Paranthropus. Homo ontwikkelde zich daarna tot de rechtopgaande mens Homo erectus en denkende moderne mens Homo sapiens.

Paranthropus stierf een miljoen jaar geleden uit. Individuen waren ongeveer zo groot als moderne chimpansees, maar hadden minder herseninhoud. Wat wel de reden van zijn verdwijnen was, blijft onopgelost.

Veelzeggende tanden

Minieme stukjes gebit verraden dieet van aapmens

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/31206411/

Met een nieuwe lasertechniek namen onderzoekers het tandglazuur van Paranthropus rubustus op de korrel. Deze aapmens, die naast onze voorouders in Afrika leefde, had een dieet dat veranderde met de seizoenen, konden ze daaruit afleiden.

Sluit dit venster

Deze kies zat ooit in de mond van een vertegenwoordiger van de soort Paranthropus robustus. Hij werd 1,8 miljoen jaar later in een Zuid-Afrikaanse grot gevonden. © Science

Sluit dit venster

Zo ziet een Paranthropus-schedel eruit. Het is vanuit deze hoek niet goed te zien, maar op het achterhoofd zit een beenkam, waaraan de enorme kaakspieren houvast hadden. © Science

Sluit dit venster

Links een schedel van Paranthropus robustus, rechts Homo ergaster, die mogelijk tegelijk op dezelfde plaats leefde. © Science

Hoe kom je erachter wat mensapen twee miljoen jaar geleden allemaal aten? Meer dan wat botten en een enkele schedel is er niet van ze over. Toch kunnen onderzoekers daar een heel eind mee komen. Een benige kam op het achterhoofd duidt op stevige kaakspieren als bij een gorilla, dus waarschijnlijk aten ook vroege mensachtigen met zo’n schedelkam stevig plantenspul. Slijtage van het gebit verraadt ook iets over hetgeen er tussen de kiezen vermalen werd. En dan is er nog de samenstelling van de tanden en kiezen zelf. Daaruit valt met geavanceerde technologie ook het een en ander af te leiden, bewijzen Matt Sponheimer en zijn collega’s deze week in Nature.

De onderzoekers, antropologen van verschillende Amerikaanse universiteiten, waren benieuwd naar het dieet van de mensapenfamilie Paranthropus. Die leefde vanaf zo’n 2,4 miljoen jaar geleden in Afrika en stierf tussen de 챕챕n en 1,4 miljoen jaar geleden uit. Deze mensachtigen waren geen voorouders van de moderne mens, maar ze zullen onze verre voorouders wel regelmatig tegengekomen zijn. Die andere aapmensen, Homo habilis en Homo erectus, leefden namelijk tegelijkertijd in hetzelfde gebied.

Waardoor stierf Paranthropus uit? De populairste verklaring is dat de soort ten onder ging doordat hij leefde van eenzijdig, vezelrijk voedsel met weinig energie per gekauwde hap. Noten, zaden, vruchten en knollen, maar bijvoorbeeld geen vlees. Toen het klimaat veranderde, zou hij verdrongen zijn door veelzijdiger eters: onze voorouders. Maar was Paranthropus wel zo’n saaie plantenkauwer?

Sluit dit venster

De Swartkrans-grot, waar de tanden gevonden werden. © Science

Sponheimer en zijn team hadden vier kiezen die zijn gevonden in de Zuid-Afrikaanse Swartkrans-grot. Ze zaten 1,8 miljoen jaar geleden in de monden van aapmensen van de soort Paranthropus robustus. Schedels van deze soort hebben een stevige kam op het achterhoofd, dus in kauwen was Paranthropus robustus inderdaad een kei. Of hij dan ook de hele dag taai spul zat te vermalen, dat vertelt de kam niet.

Tandglazuur kan daar wel iets over zeggen. In het glazuur zitten groeilaagjes, die wel wat doen denken aan de groeiringen in een boom. Ieder groeilaagje in een tand of kies wordt bij een mens in ongeveer negen dagen gevormd, en bij andere apensoorten kost het tussen de zes en twaalf dagen. De chemische samenstelling van die laagjes is met de juiste technologie te lezen als een dagboek.

Met name de verhouding tussen twee vormen van koolstof is veelzeggend. De meerderheid van de koolstofatomen heeft atoomnummer 12, maar er is ook een iets zwaardere variant, met nummer 13. Die zware versie wordt niet door alle planten even gemakkelijk opgenomen. Er bestaan in de plantenwereld twee verschillende manier om CO2 uit de lucht te halen. Bij de methode die grassen gebruiken, wordt veel meer 13C ingebouwd dan bij de manier van de meeste andere planten. En dat zie je terug in glazuur, want dat wordt uiteraard opgebouwd uit de stoffen uit het voedsel. Je bent wat je eet. (Voor de scherpslijpers: glazuur zelf is een verbinding zonder koolstof, maar er zit altijd wel wat van dit element in het tandglazuur ingebouwd.)

Om het 13C-gehalte van het tandglazuur te kunnen meten, waren tot voor kort stukjes van minimaal een halve milligram per glazuurlaagje nodig. Die waren alleen te krijgen door flinke gaten in de tanden en kiezen te boren, waarbij het onvermijdelijk was dat de monsters elkaar vervuilden. Bovendien betekent gaten boren natuurlijk een flinke beschadiging van de kostbare fossielen.

De groep van Sponheimer heeft het, als eerste, anders aangepakt. Met een laser brandden de onderzoekers stukje voor stukje een klein deel van het tandoppervlak weg, zodat de glazuurlaagjes een voor een bloot kwamen te liggen. De koolstofhoudende gassen die daarbij vrijkwamen, waren voldoende voor de 13C-analyse. Een veel elegantere methode dan de oude. En dat, hopen deze onderzoekers, zal musea ervan overtuigen dat ze best even een oude tand of kies kunnen uitlenen voor dit soort onderzoek. Ze krijgen hem immers bijna ongeschonden weer terug.

Een antilope, die voornamelijk gras eet, zal meer 13C in zijn glazuur hebben dan een giraf, omdat die langnek vooral boombladeren op zijn menu heeft staan. Gras bevat immers meer 13C dan andere planten. En een aapmens? Bij Paranthropus wisselt het met de seizoenen en met de jaren, stelden Sponheimer en zijn medeonderzoekers vast. Ook waren er grote verschillen tussen de vier tanden onderling. Bij antilopentanden uit dezelfde tijd was zo’n variatie er niet.

Wat zegt dit resultaat nu over het dieet van de uitgestorven mensachtige? Het was stukken veelzijdiger dan tot nu toe werd aangenomen, dat is het enige dat de onderzoekers zeker weten. Of zijn 13C-rijke maaltijden bestonden uit graszaden en -wortels of uit vlees van dieren die gras aten, bijvoorbeeld antilopen, kunnen ze niet zeggen. Waarschijnlijk allebei.

Het lijkt er dus op dat Paranthropus robustus dat enorme kauwvermogen helemaal niet gebruikte om telkens dezelfde taaie kost naar binnen te kunnen werken, maar juist voor het verorberen van zoveel mogelijk verschillende hapjes. Op goede dagen zacht spul als vlees en vruchten en in schrale tijden taaie wortels en karige knolletjes. Onze voorouders hadden geen beenkam op hun hoofd, wat duidt op veel minder kauwtalent. Waarom zij niet zijn uitgestorven, en Paranthropus wel, is nog steeds onduidelijk. Een eenzijdig dieet kan zijn doodzonde niet geweest zijn.

Elmar Veerman

Matt Sponheimer e.a.: ‘Isotopic evidence for dietary variability in the early hominin Paranthropus robustus’, Science, 10 november 2006
Stanley H. Ambrose: ‘A tool for all seasons’, Science, 10 november 2006

Sluit dit venster

Een deel van de apparatuur die nodig is om het dieet van een aapmens te achterhalen aan de hand van zijn tandglazuur. © Science

Paranthopus Robustus , Gorilla en sexueel dimorfisme
2007
A young adult male of Paranthropus robustus. (Credit: Photo by Charles Lockwood)
A Afarensis en sexueel dimorfisme … 2003
°
AUSTRALOPITHECUS AETHIOPICUS  
Paranthropus aethiopicus is een uitgestorven mensachtige uit het geslacht Paranthropus. Paleoantropologen nemen aan dat Paranthropus aethiopicus tijdens de overgangsperiode van het late Plioceen naar het Vroeg Pleistoceen, van ongeveer 2,7 tot 2,5 Ma geleden, leefde. Mogelijk stamde Paranthropus aethiopicus direct af van Australopithecus afarensis.
KNM-WT 17000  Black Skull, Australopithecus aethiopicusP aethiopicus  black skullParantropus-aethiopicusP aethiopicus head reconstruction

°

°

http://www.columbia.edu/itc/anthropology/v1007/2002projects/web/paranth/paranth.html

°

Wat hebben creationisten te zeggen over

Austropithecinen?

Auteur: Jim Foley

In 1950 publiceerde Wilfred Le Gros Clark een paper die de vraag of australopithecinae apen zijn of niet definitief uitklaarde. Hij verrichte een morfologische studie (gebaseerd op de vorm en de functie) van tanden en kaken omdat deze het grootste deel van het fossiele bewijs uitmaken. Door de studie van fossielen van mensen en moderne apen, kwam Le Gros Clark naar voor met een lijst met elf consequente verschillen tussen mensen en apen. Kijkend naar A. africanus en robustus (de enige australopithecinae tot dan toe gekend), vond hij dat zij meer mensachtig dan aapachtig waren in elk kenmerk. Beoordeeld volgens dezelfde criteria, viel A. afarensis ergens tussen mensen en apen, en mogelijk dichter bij de apen (Johanson en Edey 1981). White e.a. (1994) beoordeelden A. ramidus niet volgens deze criteria, maar het is duidelijk dat ramidus meer chimpansee-achtig is dan afarensis. De ramidus arm beenderen vertonen een mengeling van mens- en aapachtige kenmerken.

Solly Zuckerman poogde te bewijzen met biometrische studies (gebaseerd op metingen) dat australopithecinae apen waren. Zuckerman verloor dit debat in de jaren ’50 en zijn mening werd door iedereen verlaten (Johanson en Edey 1981). Creationisten refereren graag naar zijn mening alsof het nog steeds een aanvaard wetenschappelijk standpunt is.

Charles Oxnard (1975) beweerde, in een paper die veelvuldig wordt geciteerd door creationisten, op basis van zijn multivariate analyses, dat australopithecinae niet langer dicht verwant, of meer gelijkvormig, zijn aan mensen dan moderne apen dit zijn. Howell e.a. (1978) bekritiseerden deze conclusie op grond van enkele argumenten. Oxnards resultaten waren gebaseerd op metingen van een weinig aantal beenderen die meestal gefragmenteerd of slecht bewaard bleven. De metingen beschreven niet de complexe vorm van bepaalde beenderen, en maakten geen onderscheid tussen aspecten die belangrijk zijn om de voortbeweging te begrijpen en aspecten die dit niet zijn. Uiteindelijk is er “een overweldigende verzameling bewijzen”, gebaseerd op het werk van bijna 30 wetenschappers, die het werk van Oxnard tegenspreken. Deze studies gebruikten een variatie aan technieken, inclusief deze gebruikt door Oxnard, en waren gebaseerd op vele verschillende lichaamsdelen en samengestelde complexen. Op overweldigende manier wijzen zij erop dat australopithecinae meer gelijken op mensen dan moderne apen dit doen.

Creationisten citeren vaak Oxnards kwalificaties, en het gebruik van computers om zijn berekeningen uit te voeren, met goedkeuring. Dit is een eenzijdige voorstelling van de zaak; veel andere wetenschappers zijn even gekwalificeerd, en gebruiken ook computers. Gish (1993) stelt “[een] computer liegt niet, [een] computer heeft geen vooroordelen”. Volkomen waar, maar de resultaten die uit de computer komen zijn slechts zo goed als de gegevens en veronderstellingen die erin gaan. In dit geval, lijkt de primaire veronderstelling te zijn dat Oxnard’s methodes de beste methodes zijn om relaties te determineren. Dit lijkt twijfelachtig, rekening houdend met sommige andere ongewone resultaten van Oxnard’s studie (1987). Hij plaatst bijvoorbeeld Ramapithecus als de aap het dichtst bij de mens, en Sivapithecus als het dichtste verwant aan Orang-oetans, zelfs al zijn beide zo gelijkend dat ze nu worden beschouwd als dezelfde soort Sivapithecus.

Minder controversieel, beweert Oxnard ook dat australopithecinae, waarschijnlijk tweevoetig, niet op dezelfde manier liepen als moderne mensen. Creationisten verwijzen soms naar deze conclusie op een in hoge mate misleidende wijze, zeggend dat Oxnard bewezen heeft dat australopithecinae niet rechtop liepen, eraan toevoegend, als een nagedachte (of in Willis’ (1987) geval, in het geheel niet) “tenminste niet op menselijke wijze”.

Creationisten zijn gewoonlijk afkerig tegenover het aanvaarden dat australopithecinae, inclusief Lucy, tweevoetig waren. Een bewering van Weaver (1985) dat ” Australopithecus afarensis … een vrijwel complete aanpassing aan rechtop lopen vertoond” is door Willis (1987) afgedaan als “een belachelijke bewering”. Willis voegt eraan toe: “Vele competente antropologen hebben deze en ander “Australopithecinae” [sic] resten zorgvuldig onderzocht en besloten dat Lucy niet rechtop kon lopen.”

Willis’ bewijs hiervoor, bestaat uit een bewering van Solly Zuckerman uit 1970; een bewering uit 1971 van Richard Leakey dat australopithecinae “mogelijks knokkel-lopers waren”, en een citaat van Charles Oxnard over de relatie tussen mensen, australopithecinae en de apen. In feite refereert geen enkele aanhaling naar Lucy. Twee ervan werden gedaan zelfs vóór Lucy en A. afarensis ontdekt waren (en de derde werd gedaan kort erna, vóór Lucy was bestudeerd).

Zelfs in 1970 waren Zuckermans visies reeds lang en algemeen verlaten. In wat duidelijk een verzinsel is, zegt Willis dat Leakey “refereerde naar Lucy als een aap die niet rechtop liep”, drie jaar voor Lucy ontdekt werd. Leakey deed enkel een suggestie (over robuste australopithecinae), die hij vlug daarop introk, het was geen verklaring van een vaste mening, en beweerde vanaf dan (1994) dat Lucy “onbetwijfelbaar tweevoetig was”. Oxnard (1975; 1987) heeft enkele onorthodoxe meningen over de australopithecinae, maar het Oxnard citaat, waar Willis naar refereert, bespreekt noch tweevoetigheid noch A. afarensis. Ergens anders in dezelfde paper waar Willis naar refereert, vermeldt Oxnard (1975) herhaaldelijk dat australopithecinae tweevoetig konden geweest zijn, en vanaf dan heeft hij beweert (1987) dat australopithecinae, inclusief Lucy, tweevoetig waren.

Gish (1985) heeft een lange discussie over het debat omtrent Lucy’s voortbeweging. Hij citeert veelvuldig uit Stern en Susman (1983), die vele aapachtige kenmerken van A. afarensis vermelden en argumenteren dat zij aanzienlijke tijd in bomen doorbrachten. Zoals Gish toegeeft, ontkent geen enkele van de door hem vermelde wetenschappers dat Lucy tweevoetig was, maar hij gaat verder door te suggereren, zonder bewijs noch steun, dat A. afarensis mogelijks niet meer tweevoetig was dan levende apen, die goed aangepast zijn aan viervoetigheid en enkel kleine afstanden afleggen op twee benen. In tegenstelling hiermee zijn de voeten, knieën, benen en bekkens van australopithecinae sterk aangepast aan tweevoetigheid. Gish’s conclusie wordt hevig verworpen door Stern en Susman, en, blijkbaar, door iedereen:

” Dat tweevoetigheid een fundamentelere rol speelde in het gedrag van australopithecinae, dan in dat van om het even welke andere levende of uitgestorvene niet menselijke primaat, wordt niet echt betwist.”

” … we moeten benadrukken dat we op geen enkele manier de bewering betwisten dat tweevoetigheid een veel kenmerkender deel van het gedrag van A. afarensis uitmaakte dan van dit van om het even welke levende niet menselijke primaat.” (Stern, Jr. en Susman 1983)

“De meest kenmerkende eigenschappen voor tweevoetigheid omvatten verkorte kronkeldarmbladen/, lendenboog, middellijn naderende knieën, distaal gewrichtsoppervlak van het scheenbeen bijna loodrecht op de schacht, convergente grote teen, en proximale voetkootjes met dorsaal georiënteerde proximale gewrichtsoppervlakten. (McHenry 1994)

Gish schrijft alsof het aantonen van het niet “rechtop lopen op de menselijke manier” van A. afarensis het enige is wat nodig is om deze te diskwalificeren als menselijke voorouder. Maar er is geen reden om aan te nemen dat tweevoetigheid, wanneer het voor het eerst verscheen, identiek moet geweest zijn aan menselijke tweevoetigheid; deze finale stap kan later gebeurd zijn. Zoals Stern en Susman (1983) aangeven:

“Volgens onze mening benadert A. afarensis erg wat een “ontbrekende schakel” kan genoemd worden. Deze bezit een combinatie van kenmerken volledig eigen aan een dier dat de volledige weg heeft afgewandeld richting voltijdse tweevoetigheid …”

Creationist John Morris schrijft:

” Vanaf de nek naar beneden, suggereerden zekere aanwijzingen voor Johanson dat Lucy een beetje meer rechtop liep dan hedendaagse chimpansees. Deze conclusie, gebaseerd op zijn interpretatie van het gedeeltelijk heupbeen en een kniebeen, is hevig gecontesteerd geworden door vele paleoantropologen.” (Morris 1994)

Bijna alles in dit citaat is een verdraaiing (Johansons en Lucy’s namen zijn zowat de enige uitzonderingen). “suggereerden zekere aanwijzingen” maakt er geen gewag van dat de hele vondst “tweevoetigheid” uitschreeuwt voor elke gekwalificeerde wetenschapper die er naar keek. “een beetje meer rechtop”, als iedereen geloofd dat Lucy volledig rechtop liep. “het gedeeltelijk heupbeen en een kniebeen”, als Lucy bijna een compleet bekken en been (rekening houdend met spiegelbeelden, en de voet uitgezonderd) bevatte. “is hevig gecontesteerd”, wanneer geen enkele eervolle paleoantropoloog ontkent dat Lucy tweevoetig was. De debatten gaan erover of zij ook in bomen leefde, en over hoe gelijkend de biomechanica van haar voortbeweging op deze van de mens was. Gegeven dat we het meeste van Lucy’s been en bekken hebben, kan iemand zich afvragen wat voor soort fossiel bewijs nodig zou zijn om creationisten te overtuigen van de tweevoetigheid van australopithecinae.

Om het idee dat australopithecinae enkel apen zijn te steunen, zegt Parker:

“In hun kritiek op de Leakeys, merkten Johanson en White (1980) op: ‘Moderne chimpansees, door deze definitie [Richard Leakey's] zouden geclassificeerd worden als A. africanus.’ Apen, alles wel beschouwd?” (Morris en Parker 1982)

Na onderzoek van de paper van Johanson en White, is het duidelijk dat Parker hun citaten uit de context heeft gehaald op een manier waarop de betekenis bijna wordt omgekeerd. Leakey noemde A. africanus geen chimpansee, noch beschuldigden Johanson en White hem ervan dit te doen. Zij bekritiseerden Leakey’s definitie omdat deze onnauwkeurig genoeg was om ook chimpansees te omvatten. Natuurlijk heeft een dergelijke kritiek slechts zin als A. africanus geen chimpansee is.

In 1987 beschuldigde creationist Tom Willis Donald Johanson van fraude, bewerend dat het skelet gekend als “lucy” uit beenderen bestond die gevonden waren in twee sites op ongeveer 2,5 km (1,5 mijl) van elkaar. In feite had Willis twee afzonderlijke vondsten verward die tot dezelfde soort behoren. (Dit ondanks het feit dat een bestseller (Johanson en Edey 1981) foto’s van beide fossielen bevat: AL 129-1 is een rechter knie, terwijl Lucy een rechter dijbeen en een linker scheenbeen heeft.) Dit was een spectaculaire fout die moeilijk kon gemaakt worden door iemand die het meest elementaire onderzoek had gedaan, maar dit weerhield vele andere creationisten er niet van deze bewering over te nemen en te herhalen (Lippard 1997)

Creationisten richten zich zelden op de kwestie waarom australopithecinae een foramen magnum hebben aan de schedelbasis. Gish (1985) bekritiseert Darts redenering dat het Taung kind rechtop liep, op basis van de positie van zijn foramen magnum. Gish geeft terecht aan dat de positie van de foramen magnum meer gesloten is bij jonge apen en mensen dan bij volwassenen (bij apen verhuist het naar achter tijdens de groei), en concludeert dat Dart ongerechtvaardigd was in de analyse van dit kenmerk van een jeugdige schedel. Dit is dezelfde kritiek die Dart oorspronkelijk kreeg van wetenschappers, maar Gish vergeet te vermelden dat latere bewijsstukken aantonen dat Dart’s analyse correct was en kritiek het zwijgen hebben opgelegd.

Creationisten vermelden ook zelden de tanden van australopithecinae. Gish zegt dat “[Dart] heeft gewezen op de vele aapachtige kenmerken van de schedel, maar geloofde dat sommige kenmerken van de schedel, en in het bijzonder van de tanden, mensachtig waren”. (Merk de misleidende gevolgtrekking op dat de aapachtige kenmerken echt bestaan, terwijl de mensachtige ontsproten zijn aan Dart’s verbeelding.) Gish betwist dit, erop wijzend dat de maaltanden van africanus extreem groot zijn. Wanneer de tanden van het Taung kind behoorlijk onderzocht konden worden, werd Dart’s bewering krachtig bevestigd, en is nu algemeen aanvaard:

“In feite, ondanks dat de maaltanden groter waren dan wat normaal is vandaag, konden de meeste tanden [van het Taung kind] hebben toebehoort aan een hedendaags kind.” (Campbell 1988)
Vertaler: Jan Decock
Zie ook:

Wat hebben creationisten te zeggen over Lucy s kniegewricht?

Auteur: Jim Lippard

Deze tekst is vertaald uit het Engels met toestemming van de auteur. De oorspronkelijke tekst bevindt zich op http://www.talkorigins.org/faqs/knee-joint.html. Een vroegere versie van deze FAQ werd gepubliceerd als “Lucy’s Kniegewricht: Hoe creationisten met hun fouten omgaan”, in The Skeptic (magazine van Australische Skeptici) vol. 15, nr. 4, Zomer 1995, pp. 34-36, met bijkomende opmerkingen van Colin P. Groves. (Australian Skeptics, Inc., P.O. Box A2324, Sydney South NSW 2000 Australia)

Creationisten beweren dat Donald Johanson het kniegewricht van Lucy, vond, een voor 40% volledig geraamte van een vrouwtje van de soort Australopithecus afarensis, op een plaats zestig tot zeventig meter lager in de strata en twee tot drie kilometer verder (Willis 1987). Soms gingen ze zelfs verder met de bewering dat [Johanson] enkel na bevraging toegaf dat de knie meer dan een mijl verder van Lucy werd gevonden. Voor zover we weten is deze toegeving nooit gedrukt verschenen! (Willis 1987; nadruk in origineel; zie ook Brown 1989a, p. 44) De stelling wordt door creationisten gebruikt om aan te tonen dat (a) evolutionistsen niet eerlijk zijn en (b) Lucy niet rechtop stapte. Het toont geen van beiden aan, omdat het foutief is. (Zelfs indien het waar zou zijn, zou het (b) niet aantonen, voor redenen uiteengezet in Lippard (1989-90)—het kniegewricht is niet het enige bewijs van bipedalisme in A. afarensis.)

De bewering is niet enkel foutief, het wordt tevens duidelijk aangetoond dat zij fout is in Johanson’s gepubliceerde teksten over Lucy (vb., Johanson and Edey 1981, hfdst. 7-8) en mens heeft hen die die foutieve bewering geleven er herhaaldelijk op gewezen dat zij fout is. Desondanks hebben geen van de meest belangrijke aanhangers van de bewering dit publiekelijk terug ingetrokken. Een prominente aanhanger is privaat akkoord gegaan dat het fout is, en enkele creationisten hebben ermee ingestemd het niet meer te herhalen. Eén minder gekende aanhanger nam publiekelijk zijn woorden terug.

De bewering ontstond bij Tom Willis, hoofd van de Creation Science Association for Mid-America, in een artikel dat hij schreef voor de Bible-Science Newsletter (1987). In zijn artikel bracht Willis verslag uit van een lezing door Johanson aan de Universiteit van Missouri op 20 November 1986. Willis verkondigt dat volgende woordenwisseling plaatsvond tijdens een vraag-en-antwoord sessie die volgde op Johanson’s voordracht:

  • V. Hoe ver verwijderd van Lucy vond u de knie?
  • A. Zestig tot zeventig meter lager in de strata en twee tot drie kilometer verder.

Deze vraag werd door de steller ervan misschien bedoeld als “hoe ver verwijderd van Lucy vond u Lucy’s knie?”, maar werd door Johanson duidelijk geïnterpreteerd als “Hoe ver verwijderd van Lucy vond u het kniegewricht in 1973?” Willis erkent de verwarring niet in zijn artikel, ofschoon de ontdekking zowel van het oorspronkelijke kniegewricht (1973) als van Lucy (1974) in detail beschreven werden –inclusief hun vindplaats- in Donald C. Johanson and Maitland E. Edey, Lucy: The Beginnings of Humankind(1981) en in de artikels van de April 1982 uitgave van American Journal of Physical Anthropology. Het creationistische misverstand zou nooit hebben plaatsgevonden indien één van beide bronnen geraadpleegd werd. Johanson’s publicaties waren steeds duidelijk over het feit dat zijn in 1973 ontdekte kniegewricht afzonderlijk van Lucy werd gevonden. Alle botten die werden getoond op foto’s van Lucy werden op éénzelfde plaats aangetroffen.

Het probleem werd bewerkstelligd doordat het Institute for Creation Research de naam Lucy gebruikte om zowel naar de soort Australopithecus afarensis te verwijzen als naar het individu Lucy, zoals Johna Rajca (directeur van het ICR Museum) deed op 18 juni 1994 in het radioprogramma Science, Scripture and Salvation van de IRS. Rajca zei:

In de herfst van 1973, nabij Hadar, vond Dr. Johanson het fossiel van wat we nu Lucy zijn gaan noemen. De reden waarom het Lucy heet, is dat het liedje van de Beatles Lucy in the Sky with Diamonds speelde in het kamp toen het fossiel werd ontdekt. Het eerste onderdeel van Lucy dat werd blootgelegd was het kniegewricht. Aanvankelijk oordeelde men dat het een aap was; later werd het door Johanson als hominide geïdentificeerd. Lucy is vrouwelijk skelet dat 40% volledig is…

Eenzelfde gebruik van Lucy als verwijzing naar de soort A. afarensis gebeurt in een diagram in de November 1985 uitgave van National Geographic (Weaver 1985, p. 593). Willis (n.d.) refereerde naar de misleidende ondertitels van de foto in dit artikel als het gedoe van de grootste evolutiefraude aller tijden, zogenaamd gepleegd door Donald Johanson met het personeel van National Geographic als gedupeerden of medeplichtigen. (De afgebeelde knie is noch van “Lucy” noch is het de knie uit 1973, maar het is een A. afarensis knie van AL 333w-56, de vindplaats van de zogenaamde “Eerste Familie”.)

De bewering dat Lucy’s kniegewricht apart van de rest van het geraamte werd gevonden, werd gerapporteerd door Russell Arndts (1991), Carl Baugh (1995), Walter Brown (1989a), Donald Chittick (1994), Michael Girouard (1989), Kent Hovind (1993a), Scott Huse (1993), Richard LaHaye (1997), David McAllister (1993a), Bill Mehlert (1992), David Menton (1988), John Morris (1989), Dave and Mary Jo Nutting (1991, 1993, 1994), Dennis Petersen (2002, 2003), Douglas Sharp (1994), Paul Taylor (1989), en Tom Willis (1987).

Wat nu volgt geeft een kort overzicht van de pogingen om dit te laten in trekken:

  • Arndts werd gecorrigeerd door een brief naar de redacteur van de Bible-Science Newsletter van Lippard (April 12, 1991). De brief werd gepubliceerd, noch beantwoord. Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd verzonden naar Arndts ter attentie van de Bible-Science News op 13 juli 1994. In een antwoord op een email van Jim Foley en Lippard verklaarde Arndts op 12 februari 1996 dat hij de zaak niet persoonlijk had onderzocht, dat zijn punt in het opiniestuk in Bible-Science News enkel ter illustratie was van een bepaalde foute gedachtengang, en dat hij had moeten antwoorden op de brief aan de redactie uit 1991, die hij wel degelijk had gelezen. Hij gaf niet aan dat hij enige interesse had in het onderzoeken van de bewering of deze terug te nemen; zijn antwoord suggereerde dat hij zich daar ook niet toe verplicht voelt.
  • In Freedom Calls, het radioprogramma van Bo Gritz, beweerde Carl Baugh op 1 November 1995 dat Donald Johanson zich enkele jaren geleden onopzettelijk de waarheid liet ontvallen toen een student hem vroeg waar hij het bewijs vond van Lucy’s bipedalisme (van een kniegewricht op een afstand verwijderd van de rest van het skelet). Baugh’s website maakt de bewering omtrent het kniegewricht. Baugh werd nog niet gecontacteerd.
  • Brown (1989a) schreef:
    Donald Johanson, Lucy’s ontdekker, maakte blijkbaar nogal een bekentenis aan de universiteit van Missouri in Kansas City op 20 november 1986. Wanneer tijdens een vraag-en-antwoord sessie gevraagd werd “Hoe ver verwijderd van Lucy vond u de knie?” zou Johansons antwoord “Zestig tot zeventig meter lager in de strata en twee tot drie kilometer verder“ zijn geweest (Willis, 1987)! Johanson moet dit schriftelijk toelichten of ontkennen. Hij doet dat in geen enkele gepubliceerd werk.
    Brown werd gecorrigeerd door Lippard (1989-90 en 1989), die Johanson (1989) citeerde. Browns antwoorden (1989b en 1989-90) ontweken de kwestie en gaven een totaal andere kritiek op Johansons vondsten van de “Eerste Familie”. Brown gaf verder geen reactie. Een brief van Lippard aan Origins Research (mei 1990) in antwoord op Brown (1989b) werd nooit gepubliceerd of erkend. (De inhoud van de brief werd vrijgegeven in Lippard (1990).) Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd verzonden naar Brown op 13 juli 1994; een ander duplicaat werd via email verzonden op 21 Februari 1996. Brown gaf nooit antwoord, maar zijn boek, In the Beginning…, maakt er nooit aanspraak op. Op 25 augustus 1997 schreef Brown naar Lippard om te klagen over “valse en schadelijke uitspraken over mij met betrekking tot Lucy.” De essentie van zijn bezwaar is dat hij zegt enkel de bewering te rapporteren in plaats van de bewering zelf te maken;hij beroept zich op een dubbelzinnigheid van het woord “dit” in de zin “Johanson moet dit geschreven toelichten of ontkennen.” Hij beweert nu –acht jaar later- dat “dit” enkel specifiek verwees naar Willis’ beschrijving van de vraag-en-antwoord sessie, niet naar de plaats waar de knie werd gevonden, en dat Johanson deze woordenwisseling nooit had toegelicht of ontkracht. Niettemin is het zelfs in deze interpretatie nog steeds zo dat Johansons schrijven deze uitwisseling wel verklaarde, en dat Johanson onmiddellijk antwoordde op een vraagstelling erover toen het probleem werd aangekaard. Klaarblijkelijk deed Brown geen moeite om dit zelf te onderzoeken alvorens te beweren dat “geen van [Johansons] gepubliceerde werken” deze kwestie toelicht. Hoewel Brown het woord “klaarblijkelijk” toevoegt in zijn beschrijving en de Q&A slechts beschrijft in plaats van uitdrukkelijk te verkondigen dat Lucy’s kniegewricht apart van de rest van het geraamte werd gevonden, poneert hij overduidelijk dat hij dacht dat Johanson een opmerkelijke “toegeving” deed in zijn antwoord. Er moet vastgesteld worden dat Brown dezelfde “mogelijke ontkenning” taktiek gebruikte bij verschillende gelegenheden om zich te distantiëren van beweringen zoals Archaeopteryx oplichterij is, dat de snelheid van het licht afneemt, en dat er menselijke en dinosauriër afdrukken gevonden zijn in dezelfde strata van de rivier Paluxy in Texas.
  • Er werd een copie naar Chittick gestuurd van de toenmalig gangbare versie van het artikel op 13 juli 1994. In een brief gedateerd 29 juli 1994, schreef Chittick dat “Het kniegewricht dat lager en weg van het 40% gehele skelet werd gevonden hetgene was dat door Johanson werd gebruikt in zijn stelling dat Lucy rechtop liep.” Johanson beargumenteert dat het 1973 kniegewricht is van dezelfde soort als Lucy op basis van anatomische overeenkomst, en verwijst ernaar als één van de vele bewijsstukken dat de soort, en daarom Lucy, rechtop liep. Maar dit is geen bewering dat het 1973 kniegewricht Lucy’s knie was, wat Chittick en anderen hebben beweerd of geïmpliceerd. Op 10 augustus 1994 schreef ik terug naar Chitting met de vraag “wat is het bewijs dat Johanson ooit heeft beweerd dat het 1973 kniegewricht behoort tot het individu Lucy?” Chittick antwoordde op 26 augustus 1994 door het voorbeeld te herhalen uit zijn vroegere brief van de foto ondertitel in het Weaver (1985) National Geographic artikel. Verdere uitwisseling gaf geen verder bewijs van enige intentie door Johanson om te bedriegen. In een brief van 12 september 1994 weigerde Chittick akkoord te gaan met de uitdrukking dat sommige creationisten foutieve beweringen hebben gemaakt betreffende Lucy’s kniegewricht op gronde dat “zonder uw vermelding van specifieke voorbeelden, heb ik geen manier om dit na te gaan. Zonder dit n ate gaan, zou het oneerlijk van me zijn om dit te beweren.” In mijn brief van 16 september 1994 antwoordde ik alsvolgt: “Ik nodig u uit om mijn brief en bijlagen van 13 juli 1994 te lezen, bij de aanvang van onze correspondentie. Ik somde twaalf verschillende voorvallen op met hun referenties.” Een briefje ter opvolging van 17 januari 1995, nadat er geen antwoord werd ontvangen, bracht op 26 januari 1995 een brief tot stand van Chittick die aanwees dat hij verdere corresponentie met mij weigerde. Chittick gaf nooit enige fout toe of ging nooit akkoord om te stoppen met de bewering over het kniegewricht. Op 20 november 1997 herhaalde hij de bewering bij de North Seattle Christian Fellowship, en werd hij achteraf geconfronteerd door Pierre Stromberg, die hem een brief toonde van John Morris die akkoord ging dat de bewering fout is. Volgens Stromberg, die twee meer recente Chittick lezingen bijwoonde, is Chittick nu gestopt met deze uitspraak.
  • Girouard werd persoonlijk terechtgewezen door Lippard onmiddellijk na zijn voorsteling en er werd hem een copie gegeven van Johanson (1989). Girouard vroeg Lippard hem een brief te schrijven en beloofde deze te beantwoorden. Lippard’s brief van 5 december 1989 spoorde niet aan tot antwoord. . Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd verzonden naar Girouard ter attentie van de ICR op 13 juli 1994. Girouard gaf nooit antwoord.
  • Hovind werd terecht gewezen door een brief van Lippard (30 Oktober 1993) en ging akkoord om te stoppen deze bewering te gebruiken (1993b). Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd verzonden naar Hovind op 13 juli 1994. Hovind antwoordde nooit, maar ging door met de uitdrukking te gebruiken (vb. 1 juli 1995 in Colorado). Op 17 juli 1995 zond Jim Foley een brief naar Hovind over het gebruik van de bewering, en in zijn antwoord van 23 juli 1992 bekende Hovind dat hij fout zat en ging ermee akkoord om ermee te stoppen het te verkondigen en om het van zijn audio cassettes te verwijderen.
  • Scott Huse voegde de bewering toe aan de tweede uitgave van zijn book, The Collapse of Evolution, p. 127, in 1993. Hij werd nog niet gecontacteerd.
  • Richard LaHaye gebruikte de uitdrukking bij een publieke lezing aan het Institute for Creation Research op 28 Mei 1997–bizar, sinds de voorzitter van het (John Morris) reeds vele jaren wist dat de bewering foutief is (zie onder). Pierre Stromberg zond LaHaye een brief met daarbij ingesloten een copie van de toen gangbare versie van het artikel op 10 juni 1997. LaHaye antwoordde dat hij geen bewijsvoering had gezien dat Johanson niet had gezegd wat John Willis zegt dat hij deed (wat niet ter discussie stond!), en dat hij daarom niks terugneemt—maar dat de ICR hem gevraagd had om te stoppen deze bewering te gebruiken. Pierre Stromberg heeft meer informatie over zijn communicatie met LaHaye en John Morris op zijn webpagina http://www.eskimo.com/~pierres/lucy.html [maar die webpagina bestaat niet langer].
  • McAllister werd persoonlijk verbeterd en kopies gegeven van Johanson (1989 en 1990) door Lippard. Hij corrigeerde de fout publiekelijk tijdens zijn voordracht, en vroeg om bijkomende aanmerkingen op zijn lezing en seminarie-werkboek door te sturen in briefvorm. Lippard zond een gedetaillleerde kritiek (7 november 1993). McAllister (1993b) beantwoordde deze door te zeggen dat hij momenteel geen tijd had, maar dat hij dat zou doen voor het einde van het jaar. Dat deed hij nooit. Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd verzonden naar McAllister op 13 juli 1994. McAllister heeft nooit meer geantwoord.
  • Mehlert werd nog niet gecontacteerd.
  • Menton werd een kopie toegestuurd van de toenmalig gangbare versie van het artikel op 7 februari 1995. Op 25 april 1995 contacteerde hij Lippard via email waarin hij verklaarde dat hij via-via had gehoord dat dit artikel beweerde dat hij niet had gereageerd op email die Lippard hem had gezonden over de bewering, en beschuldigde Lippard van het schrijven van een gekende onwaarheid (m.a.w., leugen, of iets in die aard). Op dezelfde datum antwoordde Lippard in email en merkte op dat de brief van 7 februari werd verzonden via U.S. mail, ter attentie van de Missouri Association for Creation, die het Menton artikel publiceerde dat hierin werd bekritizeerd. Bij Lippards email zat een kopie toegevoegd van de toenmalig gangbare versie van het artikel. Menton heeft nog niet geantwoord op verschillende emails die vroegen om commentaar te geven en om zijn beschuldiging over Lippard terug te nemen, maar een online kopie van zijn artikel werd bijgewerkt op 19 juli 1996 om te verduidelijken dat het 1973 kniegewricht door Johanson niet werd beschouwd als dat van Lucy, zoals te lezen is op de volgende website http://emporium.turnpike.net/C/cs/apeimage.htm.
  • Morris (1993) gaf toe dat hij Lippard (1989-90) gelezen had en wist dat de bewering foutief was, maar verkondigde dat hij niet vond dat een rechtzetting van zijn artikel uit 1989 nodig was. Een kopie van de toenmalig gangbare versie van het artikel werd naar Morris gezonden op 13 juli 1994. Morris gaf nooit antwoord. In Morris (1995), voerde hij aan dat “Enkel controversiële (onder evolutionisten) interpretaties van Lucy’s heup en (nog twijfelachtigere) knie enige aanwijzing zou geven van een lichtelijk meer opgerichte houding dan chimpansees. “ Morris schreef naar Pierre Stromberg met betrekking tot de kniegewricht-zaak op 1 augustus 1997. In september 1998 bracht de ICR web site Morris’ 1989 artikel heruit met de kniegewricht bewering, zonder disclaimer of kennisgeving van fout (http://www.icr.org/pubs/btg-b/btg-011b.htm). Ergens rond juni 1999 werd een addendum aangebracht op de web pagina versie van dit Morris artikel om notie te maken van de fout, en zich te beklagen dat
    Studie van de tactiek die gebruikt wordt in de tientallen jaren oude tirade door evolutionisten om de stamboom van Lucy’s knie te bepalen, heel leerrijk is. Evolutionisten pluizen de creationistische literatuur uit op zoek naar fouten, ongeacht hun futiliteit. (Creationisten zijn niet onfeilbaar, en fouten kunnen binnensluipen ondanks onze grootste zorgzaamheid.) Deze onbeduidende fouten worden overal uitgebazuind door uit zichzelf naar voren getreden evolutionaire waakhonden, en worden gebruikt om te beweren dat creationisme ongeloofwaardig is, terwijl ze belangrijkere onjuistheden of onbehoorlijke tentoonstellingen in musea –door evolutionisten- veronachtzamen.
  • Dave Nutting kreeg een brief toegezonden van Jim Foley waarin hij vragen stelt over de bewering in januari 1994. Hij gaf geen antwoord op deze brief, en herhaalde naderhand de bewering (1994). Op 5 juli 1994 zond Foley aan Nutting nog een brief, met daarbij een vroegere versie van dit artikel. Nutting antwoordde op augustus 1994, waarin hij toegaf dat “het lijkt erop dat sommige van de beweringen die u maakte in het artikel correct zijn”, maar hield vol (net zoals Willis) dat “Johanson geeft de indruk in de lezing… dat de twee [1973 kniegewricht en Lucy] samengaan—hoewel hij dat nooit verkondigt.” De Nuttings gaven hun fouten niet toe, noch gingen zij ermee akkoord om beweringen in te trekken. In plaats daarvan herhaalden zij de bewering in de september/oktober 1995 uitgave van Think and Believe (vol. 12, no. 5). In het oktober 1997 nummer van Colorado Christian News (Martin 1997), word beschreven hoe Dave Nutting een toespraak gaf op het Steeling the Mind of America in Vail, Colorado op 23 augustus 1997, waarin hij beweerde dat “Lucy’s knie- en hoofd beenderen gevonden werden op aanzienlijke afstanden van de rest van het fossiel” en dat “Het zeker is dat Lucy eigenlijk ten minste drie aparte schepsels zijn.” Dave Nutiing is de Lucy bewering blijven herhalen, zo recent als tijdens een creatie/evolution presentatie op de Summit Ministries in Manitou Springs, CO op 3-4 juni 2003.
  • Dennis Petersen werd een verwijzing naar de oorspronkelijke versie van deze FAQ toegestuurd via email op 20 april 2003. Dennis Petersen antwoordde via email op 21 april 2003 om ons er kennis van te geven dat hij het document zou bestuderen “als de tijd het toestaat”, maar heeft niet meer gereageerd.
  • Sharps Internetboek The Revolution Against Evolution herhaalde de stelling, samen met andere sinds lang in diskrediet gebrachte creationistische bewering, zoals dat Clarence Darrow de Nebraska Man als bewijsstuk gebruikte in het Scopes proces. (Zowel het kniegewricht als de beweringen van Darrow waren te vinden op de website http://www.rae.org/revev3.html.) Een kopie van de toenmalig gangbare versie van dit artikel werd verzonden via email naar de persoon die de web pagina onderhield op 11 april 1996. Douglas Sharp antwoordde nog dezelfde dag dat hij geen foutieve beweringen wenste te maken, en zou zijn werk herzien indien verder onderzoek zou aantonen dat zijn beweringen fout waren. De volgende dag schreef hij terug om akkoord te gaan met het feit dat de bewering fout was, dat hij zou ophouden ze te maken, en dat hij er alles aan zou doen om tegen te gaan dat ze zich verder zou verspreiden. Hij paste zijn web pagina aan om de aangewezen fouten te corrigeren, en voegde een lijst toe van slechte argumenten die gebruikt worden door creationisten, op zijn web pagina http://www.rae.org/dont.html.
  • De vierde editie van Taylors boek (tweede druk, juni 1993) vernoemt het artikel van Willis of de kniegewricht bewering niet rechtstreeks, maar een deel uit verwijzing [206] in deze editie zegt:
    Albert W. Mehlert, “Een studie van bemerkingen door evolutionistische autoriteiten op de zogenaamde mensenelijke vondsten in de Hadar/Afar region van Africa,” Contrast: De creatie evolutie controverse Volume 6, Nr. 1 (Bible-Science Association, januari 1987), pagina’s 1-2,4, toont aan dat “Lucy” werd samengesteld uit fossielen die afkomstig zijn van twee verschillende vindplaatsen en dat ze een aap was, “waarschijnlijk een chimansee-achtige aap”.
    Taylor’s beschrijving van Mehlert (1987) is misleidend in het gebruik van de naam Luc” om naar de soort A. afarensis te verwijzen, iets wat Mehlert zelf niet doet. Mehlert argumenteert dat Lucy (waarvan hij foutief zegt dat ze van vindplaats 162 is; terwijl ze van de nabije vindplaats 288 is) een “chimpansee-achtige aap” is en dat de vondsten van de “Eerste Familie” (vindplaats 333) “veel mensenbeenderen bevatte.” Hij beweert niet dat het individu Lucy werd samengesteld uit beenderen van beide vindplaatsen; Taylors implicatie alsdusdanig is fout. Een kopie van de toenmalig gangbare versie van dit artikel werd naar Taylor verzonden op 13 juli 1994. Taylor antwoordde op 12 augustus 1994 dat hij ermee akkoord ging dat de bewoording fout was en dat hij “deze onvergeeflijke vergissing “ zou rechtzetten in de volgende editie.
  • Willis werd terecht gewezen in een brief van Lippard in 1989, maar gaf nooit antwoord. Een kopie van de toenmalig gangbare versie van dit artikel werd op 13 juli 1994 naar Willis verstuurd. Willis (n.d.) is een herzien versie van het oorspronkelijke artikel dat erkent dat het 1973 kniegewricht beschreven werd in Johanson en Edey (1981) als te onderscheiden van Lucy, maar in plaats van de fout toe te geven of terug te nemen, gaat Willis verder en beschuldigt Johanson van “verkeerdelijk voorstelling te geven van de bewijsvoering… voor geld en prestige” en het gebruik van “de geslepen manier van een oplichter om de zaken dusdanig voor te stellen, om ten minste twee van de oudere leden van National Geographic te misleiden… en meerdere bekwame wetenschappers.” Willis heeft nooit geantwoord op de vraagstellingen van deze auteur.

Om samen te vatten: ten minste achttien creationisten hebben deze bedrieglijke bewering gemaakt. Drie hebben nooit en op geen enkele manier gereageerd op vragen erover (Girouard, Menton, Willis). Twee anderen hebben nooit gereageerd op de vragen voor verdere inlichtingen (Brown, McAllister). Slechts vijf toonden de bereidheid om de zaak te bespreken (Chittick, de Nuttings, Sharp, Taylor), maar eentje (Chittick) brak de briefwisseling af. Vier hebben ermee ingestemd dat de bewering fout was en hebben afgesproken deze niet meer te gebruiken (Hovind, McAllister, Sharp, Taylor), en twee waren akkoord om ermee te stoppen indien verder onderzoek aantoonde dat de bewering onwaar was (de Nuttings) maar bleven ze toch herhalen. Eén (Arndts) had zijn bereidwilligheid getoond om te geloven dat de bewering foutief is, maar vertoonde geen interesse in het verder te onderzoeken of een correctie aan te bieden omdat het artikel waarin hij de bewering postuleerde het slechts als voorbeeld gebruikte van een soort redeneringsfout. Eén (LaHaye) hield vol dat de bewering niet foutief was, maar stemde ermee in om te stoppen deze te gebruiken op verzoek van het Institute for Creation Research. Drie (Baugh, Huse, Mehlert) zijn nog niet gecontacteerd voor bespreken. Eén (Brown) ontkent nu dat hij dit ooit heeft beweerd. Slechts drie (Menton, Morris, Sharp) gaven publiekelijk correcties of opheldering.

bibliografie

  • Answers in Genesis (2003) “Unleashing the Storm,” a critique of Dennis Petersen’s Unlocking the Mysteries of Creation.
  • Arndts, Russell (1991) “MinnLogic: The Size of the Burial Site and the Number of Individuals Buried,” Bible-Science Newsletter vol. 29, no. 4, April, p. 8.
  • Baugh, Carl (1995) Guest on Bo Gritz’s “Freedom Calls” radio show, November 1.
  • Brown, Walter T. (1989a) “Brown Responds to Lippard,” Creation/Evolution vol. 9, no. 1, issue 25, Fall, pp. 35-48.
  • — (1989b) “Dr. Brown Responds,” Origins Research vol. 12, no. 2, Fall/Winter, p. 12.
  • — (1989-90) “A Second Response to Jim Lippard,” Creation/Evolution vol. 9, no. 2, issue 26, Winter, pp. 34-54.
  • Chittick, Donald (1994) Public lecture at Bethel Pentecostal Church, Nepean, Ontario, Canada, May 16.
  • Girouard, Michael (1989) “Ape Men–Monkey Business Falsely Called Science,” Presentation at the Institute for Creation Research “Back to Genesis” Conference in Tucson, Arizona, December 1.
  • Hovind, Kent (1993a) Videotape of lecture in South Carolina (unknown date).
  • — (1993b) Personal communication (audiotape) to Jim Lippard, November 5.
  • Huse, Scott M. (1983, 1993) The Collapse of Evolution (2nd Edition), Fourth Printing 1996, Baker Books, 208 pages (paper back). ISBN: 0-8010-4384-0
  • Johanson, Donald C. (1989) Personal communication (letter) to Jim Lippard, August 8.
  • — (1990) Personal communication (letter) to Jim Lippard, May 30.
  • Johanson, Donald C. and Edey, Maitland A. (1981) Lucy: The Beginnings of Humankind. N.Y.: Simon and Schuster.
  • LaHaye, Richard (1997) Presentation at a Institute for Creation Research public lecture in Redmond, Washington, May 28.
  • Lippard, Jim (1989-90) “A Further Examination of the Research of Walter Brown,” Creation/Evolution vol. 9, no. 2, issue 26, Winter, pp. 17-33.
  • — (1989) “Johanson Coverup?” Origins Research vol. 12, no. 2, Fall/Winter, p. 12.
  • — (1990) “A Final Response to Walter Brown,” Creation/Evolution vol. 10, no. 1, issue 27, Summer, pp. 28-36.
  • Martin, Mike (1997) “Aliens, hominids, U.N. bureaucrats, gurus, and the Temple Mount,” Colorado Christian News, October, p. 7.
  • McAllister, David (1993a) Creation or Evolution: The Real Story. Seminar workbook, Christian Life And Service Seminars (C.L.A.S.S.), Tucson Community Church. Seminar on November 7.
  • — (1993b) Personal communication (letter) to Jim Lippard, November 23.
  • Mehlert, Albert (1987) “A Study of Comments by Evolutionist Authorities on the Alleged Hominids Found in the Hadar/Afar Region of Africa,” Contrast: The Creation Evolution Controversy (included in the Bible-Science Newsletter) vol. 6, no. 1, January-February, pp. 1-2,4.
  • Mehlert, Bill (1992) “A Review of the Present Status of Some Alleged Early Hominids,” Creation Ex Nihilo Technical Journal vol. 6, no. 1, p. 19.
  • Menton, David N. (1988) “The Scientific Evidence for the Origin of Man,” Missouri Association for Creation, Inc.
  • Morris, John D. (1989) “Was ‘Lucy’ an Ape-man?” Back to Genesis. In Acts & Facts, November, p. d. On the web at http://www.icr.org/pubs/btg-b/btg-011b.htm.
  • — (1993) Personal communication (telephone interview) with Jim Lippard, November 2.
  • — (1995) “What Distinguishes Man from Ape?” Back to Genesis. In Acts & Facts, November, p. d.
  • Nutting, Dave and Mary Jo (1991) “Lucy and Friends,” Think and Believe vol. 8, no. 1, January/February, p. 3.
  • — (1994) “Was Your Great-Great Grandpa An Ape?” Think and Believe vol. 11, no. 3, May/June, p. 3.
  • Nutting, Dave (1993) Personal communication to Jim Foley after public lecture in Ft. Collins, Colorado, November 14
  • Petersen, Dennis (2002) Unlocking the Mysteries of Creation.
  • Petersen, Dennis (2003) “Leashing the Storm,” a response to Answers in Genesis’s (2003) “Unleashing the Storm” (cited above), itself a critique of Petersen’s (2002) Unlocking the Mysteries of Creation. This document is available in PDF form from info@creationresearch.net.
  • Sharp, Douglas B. (1994) The Revolution Against Evolution. On the World Wide Web at http://www.rae.org/.
  • Taylor, Paul S. (1989) The Illustrated Origins Answer Book. Mesa, Ariz.: Films for Christ Association, Inc. First printing.
  • Weaver, Kenneth F. (1985) “The Search for Our Ancestors,” National Geographic vol. 168, no. 5 (November), pp. 560-623.
  • Willis, Tom (1987) “‘Lucy’ Goes to College,” Bible-Science Newsletter October, pp. 1-3.
  • — (n.d.) “Lucy Remains at College,” CSA News revised article reprint of Willis (1987).

Vertaler: Karen Coppens
Zie ook:

lees   verder  op   ;         - australopithecus.docx (6.5 MB)NeanderthalsAustralopithecus robustus
In the 1930′s and 40′s, the first specimens of robust australopithicines were discovered in east and southern Africa. These discoveries and the ones that have followed have considerably complicated our view of the hominid family tree. These creatures, which are now classified into several distinct species, represent a line – or several lines – of hominids which evolved alongside early human species and undoubtedly interacted with them.

___________________________________________________________________________________________________

RECENT  =

Onze voorouder Lucy klom waarschijnlijk nog steeds in

bomen

Geschreven op 26 oktober 2012 om 15:00 uur door 2

Een nieuw onderzoek toont aan dat onze voorouders veel later uit de bomen kwamen zetten, dan wetenschappers altijd dachten. Zelfs Lucy, die al wel op twee benen liep, zou nog regelmatig in bomen hebben geklommen.

Dat schrijven wetenschappers in het blad Science. Ze baseren hun conclusie op het fossiel ‘Selam’. Dit zijn de fossiele resten van een kind dat tot de soort Australopithecus afarensis behoort. Velen van u kennen de soort waarschijnlijk dankzij de heel bekende vertegenwoordiger Lucy, een fossiel dat meer dan 35 jaar geleden in Ethiopië werd ontdekt.

Discussie
Lucy is al veelvuldig door onderzoekers bestudeerd. Door naar het skelet te kijken, kunnen onderzoekers meer vertellen over hoe A. afarensis zich iets meer dan drie miljoen jaar geleden voortbewoog. Uit eerdere onderzoeken bleek al dat de soort op twee benen kon lopen. Maar één prangende vraag bleef altijd onbeantwoord. “De vraag of Australopithecus afarensis enkel op twee benen liep of ook nog in bomen klom, bleef de afgelopen dertig jaar punt van discussie,” vertelt onderzoeker David Green.

De fossiele resten van Selam. Afbeelding: via Calacademy.org.

Schouderbladen
Dat wetenschappers het daar maar niet over eens konden worden, kwam doordat ze geen complete set schouderbladen van A. afarensis tot hun beschikking hadden. Schouderbladen kunnen ons een goed beeld geven van de bouw van Lucy en haar soortgenoten: waren het al echte mensachtigen of hadden ze nog een aapachtige bouw waarmee ze ook prima in bomen konden klimmen? “Omdat schouderbladen zo dun zijn als papier, fossiliseren ze zelden en wanneer ze fossiliseren, gebeurt dat vaak maar deels,” legt onderzoeker Zeresenay Alemseged uit. Toch hebben de onderzoekers nu hun handen weten te leggen op schouderbladen van A. afarensisen kunnen ze dus eindelijk iets zeggen over de wijze(n) waarop Lucy en haar soortgenoten zich voortbewogen.

Selam
De onderzoekers gebruikten daarvoor het fossiel Selam dat in 2000 werd teruggevonden. Het zijn de fossiele resten van een driejarige A. afarensis, een meisje dat 3,3 miljoen jaar geleden leefde. Het is het meest complete skelet dat ooit van A. afarensis is teruggevonden en ook de schouderbladen zijn bewaard gebleven. Green en Alemseged verwijderden de schouderbladen voorzichtig uit het omringende gesteente, bestudeerden ze en vergeleken ze met die van andere mensachtigen, waaronder Homo floresiensis, en twee volwassen A. afarensis. Ook werden de schouderbladen naast de schouderbladen van jonge en volwassen chimpansees, orang-oetans, gorilla’s en moderne mensen gelegd.

Aapachtig
Uit het onderzoek blijkt overduidelijk dat de schouderbladen van A. afarensis nog sterk op die van apen lijken. Dat wijst erop dat deze mensachtigen een ieder geval een deel van hun tijd nog in bomen doorbrachten.

Hoewel de schouderbladen aapachtig zijn, had A. afarensis onmiskenbaar ook mensachtige trekjes, zo benadrukken de onderzoekers. De heupen en voeten lijken bijvoorbeeld sterk op die van mensen en suggereren dat de soort al op twee benen kon lopen. “Deze nieuwe vondst bevestigt de centrale plaats die de soort van Lucy en Selam in de evolutie van de mens innemen,” stelt Alemseged. “Hoewel ze net als mensen op twee benen liepen, waren het goede klimmers. Hoewel ze niet volledig mens waren, waren ze overduidelijk wel hard op weg om dat te worden.”

zie ook

Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Australopithecus SEDIBA
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.STERKFONTEIN 2010

afarensis_klaar2   <—pdf 

against creationists   <—-pdf

 

Overzicht Geschiedenis & archeologie Amerika

Zeer simpel overzicht geschiedenis Amerika tot 1492 (Columbus komt aan op Bahama’s):
jaartallen in BC, voor Christus en AD, na Christus

” Indianen “

Daar de benaming “Indiaan” vanuit een westers standpunt uitgaat, zijn er verschillende alternatieve benamingen in zwang geraakt. De in de Verenigde Staten van Amerika politiek correcte aanduiding is Native Americans (oorspronkelijke Amerikanen).

De benaming First Nations/Premières Nations wordt vooral gebruikt in Canada.

 In Latijns-Amerika worden de Indianen officieel indígenas (inheemsen) genoemd.

In de wetenschappelijke wereld spreekt men ook wel van Amerindiërs of Amerindianen.

Dergelijke kwesties doen zich ook voor bij individuele volkeren; de naam die de Europeanen of buurstammen aan volkeren gaven worden steeds meer vervangen door de namen die volkeren aan zichzelf gaven.

In plaats van Irokezen spreekt men bijvoorbeeld steeds vaker van Haudenosaunee. Andere naamsveranderingen zijn onder andere Lakhota voor Sioux, Mexica voor Azteken, Ñudzahui voor Mixteken en Mapuche voor Araucaniërs.

Noord-Amerika
Bij de komst van Columbus was Noord-Amerika verdeeld in een aantal cultuurregio’s.

De bekendste zijn die van het uiterste noorden (Arctisch gebied) en die van de prairies in het Midden-Westen, de Great Plains. De meeste mensen woonden hier langs de rivieren en waren boer. In het oosten en zuidwesten van Noord-Amerika woonden ook boeren.

De belangrijkste gewassen, evenals op de Great Plains, waren mais, bonen en pompoenen. Deze waren oorspronkelijk afkomstig uit Mexico. Verder werd in het zuidwesten katoen en in het oosten onder andere zonnebloemen verbouwd. Tabak werd in nagenoeg de gehele huidige Verenigde Staten en het zuiden van Canada aangeplant.

Het stereotype beeld van “de indiaan” (nomadische volkeren die, met geweer, te paard enorme kuddes bizons achtervolgden) is gebaseerd op de Prairie-volkeren uit de negentiende eeuw.

Dit wil niet zeggen dat voor Columbus, dus zonder paarden en vuurwapens, geen jacht werd gemaakt op de bizon of andere dieren. Vooral in het noordelijke gedeelte van de Great Plains zijn veel zogenaamde “Buffalo Jumps“. Hier werden bizons in een ravijn gejaagd, waar ze te pletter vielen. Bij de Buffalo Jump Head-Smashed-In in Alberta, Canada, is een museum gevestigd waar te zien is hoe dit in zijn werk ging.[1]

Centraal-Amerika
Centraal-Amerika (Mexico tot en met Panama) in 1492 wordt door archeologen en historici opgedeeld in twee hoofdgebieden, te weten Meso-Amerika (bestaande uit het centrale en zuidelijke deel van Mexico, Belize, Guatemala, El Salvador en delen van Honduras, Nicaragua en Costa Rica) en Centraal-Amerika (bestaande uit de moderne staat Panama en grote delen van Costa Rica, Nicaragua en Honduras).

Meso-Amerika is het gebied van beroemde volkeren als de Azteken en de Maya’s. Tevens is dit een van de zes gebieden op de wereld (de andere zijn de centrale Andes, Egypte, Mesopotamië, de Indus vallei en China) waar zeer vroeg technologisch complexe culturen zijn ontstaan. De meeste mensen woonden hier in steden of waren boer.

Midden-Amerika werd lange tijd gezien als “overgangsgebied” tussen de “hoge culturen” van Meso-Amerika en de Andes. Op die reden werden Colombia en Ecuador er nogal eens aan toegevoegd. Tegenwoordig staat Centraal-Amerika meer op zichzelf en krijgt het een eigen plaats in de inheemse geschiedenis. Ook hier woonden bij komst van Columbus voornamelijk boeren.

Zuid-Amerika
Ook Zuid-Amerika is, evenals de voornoemde gebieden, opgedeeld in cultuurregio’s. De Andes en het Amazonegebied zijn het bekendst, maar zowel cultureel als historisch gezien hoort hetCaribisch gebied hierbij. Alleen in het uiterste zuiden (Patagonië) werd er niet aan landbouw gedaan maar ook hier is het beeld van de nomadische indiaan te paard (bekend van de gaucho’s) afkomstig van de periode na de komst van de Europeanen. Datzelfde geldt voor de grote veestapels van de noordelijker gelegen pampa. Ook runderen werden ingevoerd door de Europeanen. De Andes en Peru zijn bijna synoniem aan de Inka’s. Toch zijn zij relatieve laatkomers in dit gebied. Toen de Spanjaarden in 1532 de Inkavorst Atahualpa gevangen namen, bestond het rijk nog geen honderd jaar.
Indianen uitleggen aan europeanen

Is het Eskimo of Inuit?
alle twee.
Er zijn verschillende Eskimo volkeren die zich niet allemaal Inuit noemen.
Ze wonen in Siberië, Alaska, noord Canada en Groenland.
De Eskimo’s op Groenland noemen zichzelf Kalaallit en die van Alaska Yupit of Iñupiat.
Eigenlijk zijn alleen de Eskimo’s van Quebec (Canada) Inuit.
Overigens zijn al deze woorden in het meervoud (de -t uitgang). Het enkelvoud voor Inuit = inuk (mens).

Hoe zit het met dat Eskimo-woord voor “sneeuw”? Zijn dat er nu honderden of is dat echt onzin?
Het zijn er in ieder geval geen honderden, maar het is er ook niet 1.
Het antwoord is eigenlijk erg eenvoudig als men zich realiseert dat er verschillende Eskimo volkeren zijn (zie boven) en dus ook verschillende Eskimo talen…
Al deze talen hebben verschillende woorden voor “sneeuw” en dus zijn er meerdere “Eskimo woorden” voor dat begrip.
Verder, omdat ze in een regio leven waar het erg van belang is om verschillende sneeuwsoorten uit elkaar te halen, hebben ze ook woorden voor die verschillende soorten.
Punt is allen dat wij dat ook hebben zonder dat we ons dit beseffen, bijvoorbeeld: paksneeuw & natte sneeuw.
Omdat de Eskimo’s veel meer met sneeuw te maken hebben dan wij, is het logisch dat ze meer van dit soort woorden hebben.
Ze hebben bijvoorbeeld weer minder woorden voor verschillende soorten regen dan wij omdat het hier veel meer regent dan daar.

Zijn Eskimo’s eigenlijk indianen?
Officieel, dwz. volgens de Groenlandse (Deense), Canadese, Amerikaanse en Russische wetgeving, niet.
Zo komt het dat er noch in Denemarken, noch in Rusland indianen wonen maar wél inheemse Amerikanen.(native americans ) in canada en  verenigde staten
Inheemse Amerikanen(–> Native americans ) zijn volgens die  wetgevingen  afstammelingen van de mensen die in Amerika woonden voordat de Europeanen daar kwamen.

Uiteraard zijn de Eskimo’s in Siberië ook inheemse Siberiërs aangezien zij al in Siberië woonden voordat de Europeanen (Russen) daar kwamen.

Canada heeft grofweg drie categorieën “inheemse Amerikanen”:
 Indianen, Eskimo’s en Métis.
Métis zijn mensen van gemengde afkomst, meestal van Europese (voornamelijk Franse) mannen en indiaanse (voornamelijk Cree) vrouwen.

Als er verschil is tussen Esmimo’s en Indianen… zijn indianen dan één volk? Bestaat er zo iets als “de indianen” zoals bijvoorbeeld “de Engelsen” of “de Fransen”?:
nee. Dat is misschien wel een van de grootste misvattingen van “indiaans-Amerika”.
De term “indianen”, zoals iedereen weet, komt van Columbus.
Echter niet aan Noord-Amerikaanse indianen maar aan indianen van het Caribisch gebied.
*  Later werd de term gebruikt voor alle bewoners van het Amerikaanse continent.
Nadat de naam “Amerika” was bedacht, werden ze ook wel “Amerikanen” genoemd maar sinds 1776 (onafhankelijkheid van de VS) is die term een beetje onhandig.
Het zou historisch juist zijn om de term “indianen” te vervangen voor de term “Amerikanen” want dat is wat ze zijn, niet te vergelijken met Engelsen of Fransen maar met Europeanen of Afrikanen.

Net zoals er geen 1 Europees volk is, is er geen 1 Amerikaans (Indiaans) volk.
Zélfs binnen de VS of Canada.
Een indiaan uit Florida verschilt net zoveel van een indiaan uit New York (staat) als een Zweed verschilt van een Italiaan.
In Noord-Amerika (VS, Canada en Groenland) zijn er vandaag de dag ongeveer 350 verschillende indiaanse volkeren.
Allemaal hebben ze een eigen taal, eigen cultuur, eigen gebruiken en gewoontes.
Net als de verschillende Europese of Afrikaanse volkeren dat hebben.

Tipi’s of wigwams? Of is het hetzelfde?
het is niet hetzelfde maar betekend wel beide “huis”.
Een tipi is een tent, oorspronkelijk meestal gemaakt van dierenhuiden, in een piek en vooral veel voorkomend op de grasvlaktes van Noord-Amerika.
Het woord komt uit het “Lakhota”, beter bekend als “Sioux”. Dit is de stereotype indiaanse woning die je overal tegenkomt.
Een wigwam is (meestal) meer een soort van (ronde) hut van boomstammen, schors, aarde, etc…
Het volk dat in wigwams woonde, leefde in het oosten van Canada. Overigens werd de term in verschillende aan elkaar verwante talen gebruikt voor heel verschillende soorten woningen (dat hing af van het volk),
juist omdat het gewoon “huis” betekent.

Totempalen? Waren die om mensen aan vast te binden of niet? Hadden alle indianen totempalen?
totempalen waren niet om mensen aan vast te binden en ze waren alleen in gebruik bij indianen aan de zogenaamde Noordwestkust van Noord-Amerika (zuid Alaska tot noord Californië).
Deze mensen hadden dus geen tipi’s en totempalen en tipi’s horen dan ook niet bij elkaar.
Totempalen waren (eenvoudig gezegd) meer een soort grote naambordjes voor ‘aan’ de deur.
De huizen waar de Noordwestkust mensen in woonden waren gemaakt van grote, dikke houten planken.
De totempaal stond voor zo’n huis en gaf o.a. aan welke families er in het huis woonden.
Totempalen werden dan ook nooit vereerd en zeker niet gebruikt om er mensen aan vast te binden.

Als er zoveel verschillende indianen zijn, waarom zien ze er dan allemaal ongeveer hetzelfde uit?
Zet een IJslander, een Nederlander, een Rus, een Duitser, een Kroaat, een Griek, een Italiaan, een Fransman en een Portugees naast elkaar en laat willekeurig iemand op straat raden wie de Nederlander is.
Bijna iedereen zal kiezen voor de persoon met blond haar en blauwe ogen.
Mis. Dat was de IJslander.
De Nederlander is juist degene met het zwarte haar en de donkere ogen, diegene waarvan men dacht dat die wel uit Zuid-Europa zou komen.

Stel nu eens een willekeurige Chinees dezelfde vraag en wellicht, ongehinderd door stereotypen over Noord- en Zuid-Europeanen, zal hij in één keer de juiste persoon met het zwarte haar en de donkere ogen aanwijzen.
Zo is het ook met indianen.
Alle Aziaten en Afrikanen zien er voor de gemiddelde Europeaan ook allemaal ongeveer hetzelfde uit en onze Chinees zal ook vinden dat alle Europeanen er ongeveer hetzelfde uitzien.

Sommige Europeanen zijn blond en andere donker… alle indianen hebben toch zwart haar, enigszins Aziatische ogen en de mannen geen baardgroei?
Nee. Kijk naar de zwarte Afrikanen. Hebben zij niet allemaal zwart haar?
En de Aziaten? Hebben alle zwarte Afrikanen kroeshaar? Alle oost-Aziaten typische “Aziatische ogen”?
Over de haarkleur: indianen hebben niet allemaal zwart haar, het varieert meestal van lichtbruin tot zwart.
Net als bij de meeste mensen op aarde. Blonde mensen zijn betrekkelijk zeldzaam en komen eigenlijk alleen maar veelvuldig voor in Noord-Europa en een plek waar niemand dat zou verwachten:
bij (zwarte) Aboriginals in oost-Australië.
Dan de ogen. Lang niet alle indianen hebben zogenoemde “Aziatische ogen”.
De Eskimo’s (officieel geen indianen, zie boven) hebben ze het meest maar bijvoorbeeld in het oosten van wat nu de VS is en in grote delen van Latijns-Amerika (vanaf Mexico tot Chili en Argentinië) komt het verschijnsel
veel minder voor.

Overigens komen “Aziatische ogen” ook voor in bijvoorbeeld Afrika bij de volkeren die wij “Bosjesmannen en Hottentotten” plegen te noemen.
Ook het gebrek aan baardgroei bij indiaanse mannen is een mythe.
Aan bijvoorbeeld de eerder genoemde Noordwestkust hebben indiaanse mannen een vrij sterke baardgroei, de Eskimo’s en de indianen van Californië hebben het ook, evenals verder zuidelijk, indianen in Mexico of Chili.
Dit geeft trouwens wel te denken aangezien dit allemaal gebieden zijn in het westelijke deel van het continent. Indianen in het oosten (zowel in Noord-Amerika als in Latijns-Amerika) hebben over het algemeen veel minder baardgroei.

Oorsprong
De vraag waar de Amerikaanse Indianen vandaan komen speelt voor de Europeanen al sinds de komst van de Spanjaarden in Amerika.

De paus besloot uiteindelijk dat het zonen en dochters van Adam en Eva en waren en dat ze dus, net als alle mensen, ooit vanuit het Paradijs in Amerika gekomen moesten zijn. De indianen hadden (en hebben) zelf uiteraard eigen theorieën over hun oorsprong.

De Westerse wetenschap is zich vrij recent bezig gaan houden met het vraagstuk. Tot voor kort werd door bijna iedereen aangenomen dat de eerste Amerikanen over de toen drooggevallen Beringstraat (tussen Siberië en Alaska) vanuit Oost-Azië naar Amerika waren gekomen. Dit zou gebeurd zijn aan het begin van het Holoceen, ongeveer 10.000 jaar geleden.

Tegenwoordig is de vraag weer helemaal open. De belangrijkste concurrerende theorie van de Beringstraat-theorie richt zich op de westkust van het werelddeel. De eerste Amerikanen zouden in bootjes vanuit Azië naar en uiteindelijk langs de westkust van Amerika zijn gevaren.

Voordeel van deze theorie is dat men niet afhankelijk is van een ijstijd, een landbrug of een ijsvrije corridor (zoals in de Beringstraat-theorie). De geleidelijke migratie vanuit Azië naar Amerika kan dus op elk willekeurig tijdstip hebben plaatsgehad. Taalkundige, archeologische en genetische aanwijzingen lijken aan te tonen dat dit proces zich ongeveer 40.000 tot 30.000 jaar geleden heeft afgespeeld. Harde bewijzen ontbreken vooralsnog echter, net als bij de Beringstraat-theorie.

Andere theorieën met minder wetenschappelijke aanhang zijn de directe oversteek van de Grote Oceaan (vanuit Australië of Zuid-oost Azië), een route via Antarctica (Paul Rivet), vanuit Europa (overeenkomst de structuur van oude speerpunten) of direct vanuit Afrika (vroege bewoning van Oost-Brazilië door “Afrikaans” aandoende mensen).

Archeologische vondsten van 7.000 jaar oud in Argentinië

Een groep Argentijnse onderzoekers heeft bij de kustplaats Monte Hermoso (partido), in de provincie Buenos Aires, sporen van een 7.000 jaar oude nederzetting aangetroffen. Op de site zijn voedingsresten en houten, stenen en benen gebruiksvoorwerpen aangetroffen. Veel vondsten zijn uitzonderlijk goed bewaard gebleven.De site was al 25 jaar bekend, maar was nog niet onderzocht omdat er een dikke laag zand ligt en de plek alleen bij laagwater toegankelijk is. Volgens de onderzoekers is sprake van een aantal “unieke vondsten”, want houten voorwerpen blijven in de regio zelden zo lang bewaard.
(afp/tdb)
NOORD AMERIKA
3 januari 2014

Oudste voetafdrukken uit Noord-Amerika gedateerd

Wetenschappers hebben de oudste menselijke voetsporen uit Noord-Amerika gedateerd.

 

tufa footprints

Gonzalez et al., 2009.

Twee voetafdrukken die in 1961 zijn aangetroffen in de Chihuahuawoestijn en inmiddels worden bewaard in een plaatselijk museum, blijken ongeveer 10.500 jaar oud te zijn.Een ander paar prehistorische voetstappen uit hetzelfde gebied, is naar schatting 7.000 jaar oud.

Dat melden Britse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschriftJournal of Archeological Science.

Uranium

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen door minieme hoeveelheden uranium in de voetsporen te onderzoeken. Uranium verandert in de loop van duizenden jaren langzaam in de stof thorium.

Door het opgetreden verval van het uranium zeer precies te meten, slaagden de  onderzoekers erin om de ouderdom van de sporen bij benadering te bepalen.

De wetenschappers vermoeden dat beide onderzochte voetsporen afkomstig zijn van nomadische jagerverzamelaars.

Klimaat

De voetafdrukken bevatten ook informatie over het klimaat dat 10.000 jaar geleden heerste in de Chihuahuawoestijn. De sporen zijn namelijk bewaard gebleven in travertijn. Dit gesteente ontstaat als er water door kalksteen sijpelt.

De aanwezigheid van travertijn suggereert dat de woestijn enkele duizenden jaren geleden geen droog gebied was.

“De voetstappen laten zien dat de woestijn gedurende het Holoceen net uit een ijstijd kwam”, verklaart onderzoeker Nick Felstead van Durham University op Planet Earth Online. “Het biedt ons een blik op een tijd waarin deze woestijn nog vochtig genoeg was om veel meer levensvormen te ondersteunen dan nu.”

Door: NU.nl/Dennis Rijnvis

Walvis al drieduizend jaar het haasje

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/39435334/

Bruno van Wayenburg

Sluit dit venster

Het bewuste bot, met jagers, walvissen, boten, zeehonden (Un’en’en team).

Inuit

of jagers van een vergelijkbare cultuur jagen al drieduizend jaar op walvissen. Dat blijkt uit duidelijke afbeeldingen van het harpoeneren van een walvis, gevonden op een bewerkt stuk ivoor.

Russische en Amerikaanse archeologen vonden het ivoor afgelopen zomer in een baai in Un’en’en, in het uiterste oostelijke puntje van Rusland, vlakbij de Beringstraat. Daniel Odess van de Universiteit van Fairbanks, Alaska, presenteerde de vondst vorige week op een congres van de Society for American Archeology in het Canadese Vancouver.

Walvisjagen is belangrijk in de Inuit-cultuur. Voor het najagen en harpoeneren van een walvis is samenwerking en organisatie nodig, en bovendien ook een boot. Oude afbeeldingen van walvisvaarders waren al eerder gevonden in Zuid- Korea, maar die kunnen niet gedateerd worden. En andere, drieduizend jaar oude sporen van walvisoverblijfselen in kampementen zouden ook afkomstig kunnen zijn van aangespoelde walvissen.

Het nu gevonden stuk ivoor beeldt onmiskenbaar de walvisjacht af. De leeftijd is bepaald aan de hand van koolstof-14-bepalingen van de aarde waarin het gevonden is.

http://www.nature.com/news/2008/080331/full/news.2008.714.html

4.000 jaar oud DNA van Inuit onthuld

Gepubliceerd: 11 februari 2010

Reconstructie van een Inuit die 4.000 jaar geleden leefde in Groenland.  (Illustratie Alex Staroseltsev)

 Uit een 4.000 jaar oud plukje haar is een redelijk compleet genoom van een oude eskimo (Inuit) gereconstrueerd. Het is het eerste genoom van een prehistorische mens, vandaag gepubliceerd in Nature.

En daardoor weten we nu dat deze man uit Qeqertasussuk, Groenland, bruine ogen had, en donker en dik haar, bloedgroep A+, een grote kans op kaalheid én droge oorsmeer. Ook is nu duidelijk dat de leden van de Saqqaq-cultuur, de oudste menselijke cultuur op Groenland waartoe deze man behoorde, hoogstwaarschijnlijk linea recta uit Oost-Azië naar Groenland zijn gekomen. Tot nu toe werd vaak aangenomen dat de Saqqaq een afsplitsing vormden van indianenvolkeren die al langer in Noord-Amerika verbleven. De man blijkt het nauwst verwant met volkeren die nu ten westen van de Beringstraat leefden. Vorig jaar werd al een klein deel van zijn DNA (uit de mitochondriën) gepubliceerd. Analyses wezen toen ook al naar een herkomst uit Oost-Azië. Bij de huidige Inuit zijn wel veel genetische sporen van indianen (en Europeanen) aanwezig.

De reconstructie was alleen mogelijk met de allernieuwste genetische technieken. Daarbij worden de korte half vergane DNA-fragmenten uit het haar vergeleken met het bekende menselijke genoom, en zo op de juiste plaats gelegd.

Harpoen die Inuit eskimo’s gebruikten.
Illu. Alex Staroseltsev

Speerpunten van de Saqqaq cultuur, afkomstig uit dezelfde vindplaats als de haarpluk.

De hoofdonderzoeker, Eske Willerslev van het Deense Centre for GeoGenetics, was al eens op zoek naar haar geweest bij archeologische opgravingen in het Groenlandse ijs, maar uiteindelijk werd het haar gevonden in een Kopenhaags museum.

Het onderzoek is een bewijs dat haar een belangrijke bron voor prehistorisch DNA kan zijn, maar waarschijnlijk alleen in koude streken. Tot nu werden stukken prehistorisch DNA (zoals van Neanderthalers en onlangs nog van een 30.000 jaar oude man uit Kostensti) gewonnen uit botten.

Man gereconstrueerd uit haarpluk

Vierduizend jaar oud menselijk DNA ontrafeld

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/43085404/

Voor het eerst is het genoom van een persoon uit de oudheid in detail blootgelegd. Dat claimen wetenschappers, die een getinte man met een woest uiterlijk en droog oorsmeer reconstrueerden uit een vierduizend jaar oude haarpluk.

Een pluk menselijk haar die eerst vierduizend jaar in de permafrost en daarna ruim twintig jaar ‘op de plank’ in een museum heeft gelegen, staat nu plotseling in de schijnwerpers. Hij werd in 1986 opgegraven in de archeologische vindplaats bij de nederzetting Saqqaq, in het westen van Groenland. In deze contreien leefde ongeveer 2800 tot 4500 jaar geleden het oudst bekende Paleo-Eskimovolk van West- en Zuid-Groenland. Van hun Saqqaq cultuur zijn veel historische voorwerpen bewaard gebleven, evenals enkele menselijke resten. Waaronder dus dat haar.

Onderzoeker Eske Willerslev hoorde bij toeval van het bestaan ervan, nadat hij zelf al een paar keer tevergeefs op Groenland op zoek was gegaan naar oude menselijke resten, waaruit hij DNA wilde isoleren.

Na vierduizend jaar in de permafrost bleek het menselijke haar wonderbaarlijk goed geconserveerd. Dankzij de enorme technische ontwikkeling in DNA-technieken wist Willerslev samen met een internationale groep wetenschappers de man achter de haarpluk vrij gedetailleerd te reconstrueren, zo schrijven ze deze week in Nature. Zo konden ze bijvoorbeeld aantonen dat de oorsprong van de man bij oervolken in Siberië ligt. Daarmee slaat het onderzoeksteam een interessante brug naar het 1000 Genomes Project. Dit initiatief ontwikkelt een database met de genetische eigenschappen van duizend mensen van verschillende etnische achtergronden. De koppeling naar het DNA-patroon van onze verre voorouders kan nieuwe inzichten geven in onze eigen afkomst.

Ingevroren mammoets
DNA-analyse van oude menselijke resten is natuurlijk niet helemaal nieuw. Wetenschappers weten uit botten al steeds meer stukjes DNA van Neanderthalers in kaart te brengen. Hetzelfde werd gedaan met weefsel afkomstig van de huid van mummies. Maar makkelijk is anders, want veel van dat stokoude DNA-materiaal is grotendeels vergaan en vervuild met nieuw menselijk DNA. Om nog maar te zwijgen van de ruimschoots aanwezige kolonies aan schimmels en bacteriën.

DNA blijkt echter bijzonder goed bewaard te blijven in haar. En als het dan ook nog eens in de permafrost ligt, is er minimale kans op vervuiling. Van ingevroren mammoeten was bijvoorbeeld al bekend dat hun haar nauwelijks besmet is met schimmels of bacteriën. En datzelfde ging op voor de menselijke haarpluk uit Saqqaq: het DNA was nauwelijks besmet en kwam voor 84 procent van de oorspronkelijke persoon.

Migratie naar Groenland
Tijdens het onderzoek werden uit de haarpluk meer dan 35 duizend typerende plekken in het DNA uit het genoom van de vierduizend jaar oude mens bepaald. Deze eigenschappen worden bepaald door plaatselijke verschillen in de basenparen van het DNA, waarvan er in totaal drie miljoen zijn. De gevonden eigenschappen waren voor de onderzoekers echter ruim voldoende om nog aardig wat te weten te komen over de oorspronkelijke eigenaar van het plukje haar.

Het betreft een man met bruine ogen, een getinte huid, dik donker haar en een verhoogde aanleg voor kaalheid. Zijn bloedgroep is A+ en hij heeft enkele karakteristieken die typerend zijn voor Aziatische mensen. Zoals ‘schepvormige’ voortanden en droog oorsmeer. Verder had de man een lichaamsbouw en stofwisseling die passen bij die van volkeren die in een koud klimaat leven. Aan de hand van deze en meer unieke genetische kenmerken hebben de wetenschappers ook geprobeerd om het woeste uiterlijk van de man te reconstrueren.

Inteelt
De onderzoekers vergeleken de typerende eigenschappen uit het genoom van de man met die van mensen uit verschillende verwante volken. Hij bleek de meest directe banden te hebben met drie oude volkeren uit het verre oosten van Siberië. Maar wat deed hij dan helemaal op Groenland? Volgens de onderzoekers moet er nog relatief recent, een slordige 5500 jaar geleden, een grote migratie over de Beringstraat door Noord-Amerika naar Groenland hebben plaatsgevonden. Dit zou onafhankelijk zijn gebeurd van de soortgelijke migraties die leidden tot het ontstaan van de Indianen en moderne Eskimo-volken. Met andere woorden: er leven geen nazaten meer van deze man of zijn stamgenoten.

De Saqqaq cultuur waar de ‘man van de haarpluk’ toe behoorde, maakte ongeveer 2800 jaar geleden plaats voor de Indepence II cultuur. Wat de ondergang van de Saqqaq cultuur heeft veroorzaakt, is niet bekend. Uit de analyse van de Saqqaq-man blijkt dat hij afkomstig was uit een kleine gemeenschap van mensen die nauw aan elkaar verwant waren. Anders gezegd, er was een vrij directe mate van inteelt. Kan dat de Saqqaq cultuur na honderden jaren fataal zijn geworden?

De archeologische vindplaats waar de haarpluk uit de oudheid werd ontdekt.

Loeihete resten
Of de wetenschappers erin slagen om de genomen van personen uit meer oude volken te ontrafelen, is afhankelijk van het basismateriaal. Het probleem is namelijk om goede monsters van heel oud menselijk weefsel te vinden. De meeste oude menselijke resten zijn afkomstig uit warmere of regelrecht loeihete landen. En laat de afbraak van oud DNA-materiaal nou net exponentieel toenemen met de temperatuur.

Paul Schilperoord

Morten Rasmussen e.a., ‘Ancient human genome sequence of an extinct Palaeo-Eskimo’, in Nature, 11 februari 2010

De eerste Amerikanen

http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/39364441/

 De Eerste Amerikanen

Links

Sluit dit venster

De Beringstraat nu. Tijdens de laatste ijstijd lag er zoveel water opgeslagen in dikke gletsjerpakketten, dat de zeespiegel aanzienlijk was gedaald. Beringia, zoals de landmassa toen heette, was zo’n 40.000 jaar geleden echter afgesloten door een dik pakket landijs. Zo’n 32.000 jaar geleden ontstond er een corridor waardoorheen mensen konden migreren. 24.000 jaar geleden sloot de corridor zich weer. Aan de Pacifische zijde ontstond 15.000 jaar geleden weer een weg waarlangs de Amerikaanse kolonisatie plaats kon vinden. Later ontstond ook verder naar het binnenland zo’n doorgang. 

De eerste Amerikanen zijn vermoedelijk 22.000 jaar geleden vanuit Siberië de Beringstraat overgestoken. En pas zo’n 16.000 jaar terug, toen er een ijsvrije doorgang in Canada was ontstaan, begonnen ze aan hun opmars door Noord en Zuid Amerika. In een overzichtsartikel in het wetenschappelijke tijdschrift Science maken de Amerikaanse antropoloog Ted Goebel en collega’s deze week een nauwgezette reconstructie van de eerste kolonisatie van de Nieuwe Wereld.

Dertigduizend jaar geleden was er in de beide Amerika’s geen spoor te bekennen van de mens. De woeste prairies en boomsavane’s werden bevolkt door grote dieren, de zogeheten Megafauna, waarvan de meesten nu zijn uitgestorven. Sabeltandkatten, grondluiaarden, holenleeuwen, reuzenpekari’s (zwijnachtigen), Amerikaanse kamelen, mammoeten en mastodonten. Maar geen mensen.

Overal ter wereld was Homo sapiens, de moderne mens, al opgedoken. Alleen de Nieuwe Wereld, Noord en Zuid Amerika, bleef verdacht lang leeg. Geen wonder natuurlijk. Waar de continenten Europa, Azië en Afrika praktisch aan elkaar vastgekleefd zitten, en migraties dus relatief eenvoudig zijn, liggen de beide Amerika’s praktisch geisoleerd in een enorme bak met water.

In een overzichtsartikel in het wetenschappelijke tijdschrift Science reconstrueren de Amerikaanse antropoloog Ted Goebel en twee collega’s hoe en wanneer de eerste Amerikanen het continent moeten hebben bereikt. Dat doen ze aan de hand van genetische stambomen en archeologische vondsten.

Uit analyses van het DNA van de hedendaagse Amerikaanse Indianen – de nazaten van de paleo-Indianen die als eerste het continent moeten hebben bevolkt – volgt alvast dat de vroegste Amerikanen uit Azië kwamen. Daarmee staat ook de migratieroute vast. De eerste Amerikanen moeten via een landbrug tussen het oostelijke puntje van Siberië en het meest westelijke puntje van Alaska het nieuwe continent zijn binnengetrokken. Voor een recent geopperde alternatieve hypothese, volgens welke de Amerikaanse ‘roots’ op het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal) zouden liggen, zien Ted Goebel en collega’s onvoldoende genetisch bewijs.

Ook linguistisch bewijs ondersteunt zo’n Aziatische afkomst van de eerste Amerikanen. De Siberische Ket-taal, nu nog gesproken door maar 200 mensen, echoot door in de zogeheten Na-Dene talen die door zo’n drie dozijn Noord-Amerikaanse indianenstammen worden gebezigd.

Maar wie waren de eerste avonturiers, en wanneer hebben ze de oversteek precies gewaagd? Tot voor een jaar of tien geleden leek die vraag eenvoudig te beantwoorden.

Over het hele continent verspreid waren vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw de karakteristieke lange pijlpunten van de zogeheten Clovis-cultuur opgedoken.

Sluit dit venster

Clovisresten, Gault Clovis in Texas, vermoedlijk 13.000 jaar oud. 

De pijlpunten zijn allemaal tussen de 12.800 en 13.100 jaar oud, en lange tijd waren het de oudste archeologische vondsten die op menselijke aanwezigheid duidde. De Clovismens werd dan ook al snel als de ‘eerste Amerikaan’ beschouwd. Via een toen ijsvrije corridor in het westen van Canada zouden deze mensen zo’n 13.500 jaar geleden het continent zijn binnengetrokken, om het daarna in enkele eeuwen te koloniseren. En de mammoeten en mastodonten af te slachten, met hun efficiënte pijlen.

Maar er komt steeds meer bewijs dat de Clovismens níet de eerste Amerikaan was. Schaars bewijs weliswaar, en geen menselijke fossielen zoals antropologen het liefst willen. In de staat Wisconsin zijn ‘mammoetslachtplaatsen’ aangetroffen van meer dan 14.000 jaar oud. De mammoetbotten vertonen duidelijk snijsporen, dus hier moeten mensen aan het werk zijn geweest.

Sluit dit venster

Opgraving van de Schaefer mammoet in Wisconsin, vermoedelijk een slachtplaats van 14.500 jaar oud. Foto: D. Joyce.]

Dan zijn er drie hoopjes menselijke uitwerpselen gevonden in Paisley Cave, van 14.100 jaar oud, en nog enkele vuurstenen voorwerpen die opgegraven zijn in een rivierbedding in Page Ladson (14.400 jaar oud)

De oudste bekende archeologische vindplaats is Monte Verde in Chili. Daar moet 14.700 jaar geleden een groepje van dertig mensen zijn neergestreken, en geruime tijd hebben overleefd. De datering van Monte Verde is lange tijd omstreden geweest, juist omdat het de Clovis-theorie op losse schroeven zette. Maar sinds een jaar of tien staat buiten kijf dat er in Monte Verde een menselijke nederzetting was, lang voor de Clovismensen op het toneel verschenen.

Sluit dit venster

Opgravingen in Monte Verde, Chili. 

Vondsten ouder dan 15.000 jaar zijn er ook, maar die zijn allemaal min of meer omstreden. Dan gaat het om mammoetbotten die bewerkt lijken, zonder dat er in de verre omtrek gereedschappen te vinden zijn (La Sena, 22.000 jaar oud), of vuurstenen gereedschap waar anderen vooral door natuurlijke erosie vergane stukken steen in zien.

Aan de andere kant van de Beringstraat, in Siberië, zijn overblijfselen van menselijke nederzettingen gevonden die een stuk ouder zijn. De oudste menselijke fossielen zijn gevonden in Mal’ta, en zijn 24.000 jaar oud. De oudste archeologische vondsten zijn zelfs 40.000 tot 45.000 jaar oud. De Siberische avonturiers moeten hebben staan trappelen om het nieuwe land te veroveren.

Maar de tijd zat hen niet mee. Gedurende de laatste ijstijd was Beringia, de landmassa tussen Alaska en Siberië, weliswaar boven water komen te liggen, maar het grootste deel van de tijd was de streek bedekt met een dik en ondoordringbaar gletsjerpakket. Zo’n 32.000 jaar geleden, toen het iets warmer werd, ontstond er een doorgang in het gletsjerpakket, die zich 6000 jaar later weer sloot. Wellicht hebben de eerste avonturiers toen een voorzichtige oversteek gewaagd, maar in Noord Amerika is er niets wat daarop wijst.

Aannemelijker is dat intocht van Siberische avonturiers 15.000 jaar geleden heeft plaats gevonden. Toen was er aan de Pacifische zijde van Canada een doorgang in het ijs ontstaan.

Wat Goebel en collega’s in hun overzichtsartikel ongenoemd laten, zijn de mysterieuze vondsten in Zuid Amerika die duiden op een eventuele polynesische afkomst van de vroege bewoners van dit werelddeel. Op Vuurland, in het uiterste zuiden van Chili en Argentinië, leefden tot een jaar of zeventig geleden mensen die sprekend op Australische Aboriginals leken.

Sluit dit venster

Drie mannen van de “Selk’nam”, het Aboriginalachtige volk dat tot pakweg 1930 in de binnenlanden van Vuurland, Zuid-Amerika leefde (bron: http://www.bariloche.com.ar/museo/TIERRENG.HTM#1). 

Het zou heel goed mogelijk zijn dat hun voorouders al peddelend de Pacifische Oceaan zijn overgestoken. En dan is er nog ‘Luiza’. In 1999 werd in Brazilië de schedel van een 11.500 jaar oude vrouw opgegraven, met duidelijk negroïde trekken. Het is de oudste menselijke schedel die in de Amerika’s is gevonden, dus zo’n omissie is op zijn minst opmerkelijk.

Jacqueline de Vree

Ted Goebel et al, ‘The Late Pleistocene Dispersal of Modern Humans in the Americas’, in: Science, 14 maart 2008

Het oudste hoopje poep

Sluit dit venster

 Een van de coprolieten, 14.000 jaar oud. 

Een paar gefossiliseerde hoopjes poep, of sjieker: coprolieten, blijken de oudst bekende menselijke uitwerpselen op het Amerikaanse continent te zijn.

Sluit dit venster

Echt stinken zal het toch niet meer doen. Dennis Jenkins met de fossiele drol. 

Archeoloog Dennis Jenkins vond de coprolieten tijdens opgravingen in 2002 en 2003 in de Paisley Cave in de Amerikaanse staat Oregon. In zes van de veertien stukjes poep die Jenkins vond, werd menselijk DNA aangetroffen. Om uit te sluiten dat het DNA afkomstig was van een van de archeologen of de laboranten die de test uitvoerden, werd bij 67 mensen die met de uitwerpselen in aanraking waren gekomen, ook het DNA getest.

Uit koolstofdateringen volgde dat in ieder geval drie van de hoopjes poep 14.000 jaar of ouder te zijn. Daarmee zijn het de oudste menselijke uitwerpselen die op het Amerikaanse continent zijn gevonden. Ze zijn ook een stuk ouder – zo’n 1000 jaar – dan de restanten van de zogeheten Clovismensen, de vervaardigers van de karakteristieke lange pijlpunten, en lange tijd beschouwd als de eerste Amerikanen.

Helemaal waterdicht is de zaak overigens niet, schrijft Michael Balter in een begeleidend commentaar in het tijdschrift Science van deze week. De hoopjes poep bevatten ook sporen DNA van wolfachtigen De onderzoekers concluderen daaruit dat de mensen die 14.000 jaar geleden in Amerika rondliepen, honden en wolven op het menu hadden staan, 처f dat de dieren later over de uitwerpselen hebben geurineerd. Critici opperen dat het ook heel goed mogelijk is dat de uitwerpselen niet van mensen, maar van dieren zijn, en dat juist mensen er later overheen hebben geplast

In het stenen tijdperk raakte de mens ook al ‘stoned’

Onze voorouders raakten in trance met cohoba, uit de bladeren van de mimosa.
Prehistorische mensen op carriacou , raakten in trance met cohoba, uit de bladeren van de mimosa.
Dat de mens al vele duizenden jaren lang drugs gebruikt, werd al lang vermoed. Maar nu zijn er bewijzen voor die stelling, aldus de Sunday Telegraph. Want vorsers hebben ontdekt dat reeds in het stenen tijdperk geestverruimende substanties werden gebruikt door onze voorvoorvaderen.Caribisch eiland
Tot die conclusie kwamen Quetta Kaye, van het Londense University College, en Scot Fitzgerald, een archeoloog die is verbonden aan de universiteit van North Carolina op grond van wat zij aantroffen op het Caribische eilandje Carriacou.

Schalen en pijpen
Daar vonden ze namelijk keramieke schalen, samen met pijpen die gebruikt werden voor het inhaleren van drugs in poedervorm of als damp. Die voorwerpen, die afkomstig zijn uit Zuid-Amerika en vandaar 600 kilometer verder op de eilanden terechtkwamen, dateren uit de periode tussen 100 en 400 voor Christus.Trance
Hoewel het gebruik van dergelijke hulpmiddelen voor het inhaleren van drugs niet nieuw is, maakt de ouderdom ervan nu duidelijk hoe lang de mens al zijn toevlucht neemt totgeestesverruimende en andere nu verboden middelen die vermoedelijk werden gebruikt om mensen tijdens religieuze ceremonies in trance te doen geraken.Cohoba
Om welke middelen het precies ging is minder zeker, maar volgens de vorsers bestonden drugs als marihuana in die tijd nog niet in het Caribisch gebied en zou het eerder gaan om cohoba, dat gemaakt wordt van de bonen van mimosa.
(belga/lb)
19/10/08

2.700 jaar oude cannabis gevonden in Chinees graf

In een Chinese tombe hebben onderzoekers bijna 800 gram van 2.700 jaar oude cannabis gevonden. Ze vermoeden dat in het graf een medicijnman werd begraven….

Opmerkelijk genoeg heeft de drug nog steeds zijn groene kleur, waarschijnlijk door de bijzondere omstandigheden en de luchtkwaliteit in het graf. (sam)

28/11/08
De eerste Amerikanen arriveerden in twee groepen
10 januari 2009/ Dirk Vlasblom
  De eerste mensen die vanuit Siberië het Amerikaanse continent binnentrokken, reisden in ten minste twee groepen die min of meer gelijktijdig verschillende routes volgden.
Dat maakt een internationaal team genetici op uit het mitochondriaal DNA van twee zeldzame indiaanse haplogroepen, individuen met een gemeenschappelijke vrouwelijke voorouder. (Current Biology, 8 januari)
Tijdens de laatste IJstijd, schrijven de onderzoekers, 15.000 tot 17.000 jaar geleden, trok een groep mensen vanuit ‘Beringia’, de landmassa die destijds Siberië en Alaska verbond, Noord-Amerika binnen via de kust van de Stille Oceaan.
Tegelijkertijd trok een andere groep via de ijsvrije corridor tussen de Laurentide-ijskap in centraal-Canada en de Cordillera-ijskap in de Rocky Mountains naar het gebied ten oosten van die bergketen.
Volgens het team, dat onder leiding stond van Antonio Terroni van de universiteit van Pavia, Italië, stammen van deze eerste Amerikanen bijna alle hedendaagse indianen af, met uitzondering van enkele volkjes in het hoge noorden.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de voorouders van de Amerikaanse indianen ergens tussen 10.000 en 30.000 jaar geleden in de Nieuwe Wereld arriveerden via de landbrug Beringia.
Het tijdstip – of tijdstippen – en de routes waarlangs zij het westelijk halfrond bevolkten, blijven omstreden onder antropologen, archeologen, genetici en taalkundigen.
Op basis van archeologisch sporenonderzoek is wel verondersteld dat de verspreiding over het continent begon via de ijsvrije westkust.
Maar de gelijktijdige migratie van twee verschillende groepen, dat is een nieuw scenario.
Dit nieuwe draaiboek ontlenen de zestien genetici aan hun onderzoek van het mitochondriaal DNA van twee zeldzame Amerikaanse haplogroepen, die zij D4h3 en X2a noemen.
De verspreiding van de twee ‘ongewone’ haplogroepen verschilt sterk.
D4h3 wordt vooral gevonden aan de kust van de Stille Oceaan en aan de westzijde van de Andes.
Het type is zeldzaam in Noord-Amerika, maar het is ook gevonden in 10.300 jaar oude skeletresten uit Alaska.
Type X2A is alleen gevonden in Noord-Amerika, met een relatief grote concentratie rond de Grote Meren, en nergens ten zuiden van de Verenigde Staten.
Op grond van de huidige verspreiding van dit mtDNA onder Amerikanen in het algemeen en onder de indiaanse bevolking in het bijzonder maken de onderzoekers op dat haplogroep D4h3 arriveerde via de kust van  de Stille Oceaan en in hoog tempo naar het zuiden is getrokken, tot aan Vuurland.
Type X2a zou min of meer gelijktijdig de route door het Canadese binnenland hebben gevolgd en zich alleen hebben verspreid over Noord-Amerika.
De eerste Amerikanen of Paleo-indianen hadden dus verschillende oorsprongen.
De grote verschillen tussen beide typen verklaren de onderzoekers uit een dynamische genenbron – een snel veranderende bevolking – in Beringia.
Zij veronderstellen dat deze landmassa was bewoond met onderbrekingen van enkele honderden jaren, in reactie op koelere en drogere condities.
De sterk afwijkende verspreiding van de twee zeldzame haplogroepen brengt de onderzoekers tot de conclusie dat er ten minste twee migratieroutes zijn geweest van Paleo-indianen vanuit Beringia, in min of meer dezelfde periode.
De kustroute speelde waarschijnlijk een hoofdrol bij de kolonisering van het dubbelcontinent als geheel. En de landroute tussen de ijskappen had een belangrijke invloed op de kolonisering van noordelijk Noord-Amerika.
De twee golven migranten spraken mogelijk verschillende talen, het begin van een verklaring voor de grote linguistische variatie op het westelijk halfrond.

10.000-4000 v. Chr.: Landbouw


Archeologische vondsten in Ecuador en Peru hebben aangetoond dat de eerste Amerikaanse landbouwgewassen in deze regio zijn ontstaan. Het oudste gewas, de kalebas, is van Afrikaanse afkomst. De vroege Ecuadorianen gebruikten het al rond 10.000 jaar geleden. Hoe de kalebas in Amerika is gekomen is echter onduidelijk. Recent onderzoek zou er op wijzen dat het via Azië zou zijn meegekomen met de eerste Amerikaanse mensen, dat zou dan ook de vroege cultivatie verklaren. Het was mogelijk ook het eerste gewas in Mexico; hoewel dat ook de pompoen geweest zou kunnen zijn. Hoewel even oud als in Mesopotamië, bestaat de vroegste Amerikaanse landbouw niet uit een paar basisgewassen of uit granen. Na de kalebas kwamen bonen, chilipepers, pompoenen, vruchten en verscheidene knollen. De eerste maïs verscheen pas rond 5.000 v. Chr. in Mexico. Het belangrijkste gewas uit de Amazone (maniok of cassave) is vanwege het vochtige klimaat moeilijk te dateren. Waarschijnlijk is het ongeveer even oud als de maïs.

In tegenstelling tot in de “Oude Wereld” waar landbouw waarschijnlijk op een beperkt aantal plaatsen is “uitgevonden”, zijn er in het betrekkelijk kleine oppervlak van Amerika zeker drie verschillende plaatsen geweest. Dit in de vallei van de Ohio in het oosten van wat nu de Verenigde Staten zijn, in de vallei van Tehuacán in Mexico en in de Andes. Het Amazonegebied was mogelijk nog een vierde plek waar de landbouw is ontstaan. Dit heeft o.a. geleid tot de grote diversiteit van het aantal producten. Die is veel groter dan in de rest van de wereld. Daarom komt de meerderheid van de gecultiveerde gewassen vandaag de dag ook uit de Amerika’s. Naast maïs, bonen, pompoenen en maniok zijn dit onder andere:

* zonnebloem (Noord-Amerika)
* tomaat (waarschijnlijk Mexico)
* paprika (Andes)
* katoen (Andes)
* cacao (waarschijnlijk Andes of Mexico)
* vanille (mogelijk Mexico, anders Amazone)
* pinda (Amazone)
* rubber (waarschijnlijk Amazone, mogelijk Mexico)
* kinine (Amazone)
* aardappel (Andes)
* zoete aardappel/bataat (waarschijnlijk Amazone)
* ananas (Amazone)

4000-1500 v. Chr.:

Architectuur, steden, mummies, aardewerk en metalen
Rond 4.000 v. Chr. begonnen zich de eerste tekenen van “complexe” maatschappijen voor te doen. Rond de Grote Meren in Noord-Amerika werd dan al zeker duizend jaar lang koper gewonnen. De Old Copper Culture[2] behoort tot een van de oudste koperculturen ter wereld. Dit is opmerkelijk omdat de mensen, in tegenstelling tot de andere oude koperculturen, geen landbouw hebben. Het gebruik van koper lag anderszins echter veel meer voor de hand dan in de Oude Wereld, omdat in Amerika het koper op veel plaatsen in zuivere, metallische vorm kon worden gewonnen. Rond 3.500 v. Chr. werden in het huidige Louisiana de eerste kunstmatige heuvels opgericht bij Watson Brake[3]. Ook deze mensen waren geen boeren, evenals die van de Chinchorro[4] cultuur in het noorden van Chili. Zij begonnen ongeveer 2.000 jaar eerder dan de Egyptenaren (dwz. ongeveer 5.000 v. Chr.) met het mummificeren van hun doden. Aan de gehele Atlantische kust van Zuid-Amerika (vooral het zuiden van Brazilië en de kusten van de Guyana’s) werden de eerste Sambaquis[5] opgericht, grote en kleinere kunstmatige heuvels van voornamelijk zeeschelpen (en in de Guyana’s oud aardewerk). In zuid-Brazilië werden hier o.a. mensen in begraven en aan de grafgiften is te zien dat er in deze samenleving al een vorm van hiërarchie bestond. Ook hier was nog geen landbouw.

Er was wel landbouw bij de Ecuadoriaanse kustcultuur Valdivia (3.500-1.500 v. Chr.). Die is bekend geraakt door de talloze Venusbeeldjes van aardewerk die men heeft achtergelaten. Het oudste Amerikaanse aardewerk is tot nu toe aangetroffen aan de benedenloop van de Amazone. Het dateert van ongeveer 5.500 v. Chr.

Caral
De meest opmerkelijke vroege Amerikaanse samenleving is echter die aan de centrale kust van Peru. Rond 3.500 v. Chr. komt daar het gebruik van katoen in zwang en dat betekent een grote sprong voorwaarts. De eerste Amerikaanse steden komen op. In het zogenaamde Norte Chico complex zijn tot nu toe ongeveer 25 verschillende steden geïdentificeerd. De bekendste (en een van de grootste) daarvan is Caral[6] (oudste data rond 3.000 v. Chr.). In deze stad die zo’n 30 kilometer uit de kust ligt, zijn veel resten van vissen en visnetten gevonden waardoor de hypothese is opgeworpen dat de mensen uit de landinwaarts gelegen steden zich specialiseerden in de verbouw van katoen zodat visnetten geleverd konden worden aan de kustbewoners die dan in ruil daarvoor een deel van hun vangst afstonden aan de stadsmensen. Behalve katoen voor visnetten is ook waarschijnlijk de oudste quipu uit het Andesgebied gevonden in Caral. Als dat inderdaad waar blijkt te zijn, is de quipu een van de oudste communicatiemiddelen ter wereld. In Caral zijn opmerkelijk genoeg voor zo’n grote stad (66 hectaren) geen sporen van oorlog of aangetroffen. Blijkbaar leefden de mensen in een van de oudste “complexe” samenlevingen ter wereld (vergelijkbaar met Mesopotamië, Egypte en India) ruim duizend jaar lang is een relatief vredige periode. Wel zijn er bijvoorbeeld muziekinstrumenten aangetroffen.

Tot slot is het ook de periode waarin de Antillen voor het eerst bewoond worden (Cuba vanuit Yucatán/Belize).

1500-300 v. Chr.:

Religie van de jaguar, andere dieren en “menselijke goden”
Vanaf ongeveer 1.500/1.000 v. Chr. komen er nieuwe samenlevingen op die een grote nadruk leggen op religie. De oudste complexe cultuur in Mexico is die van de Olmeken (1.200-400 v. Chr.), afkomstig van de Mexicaanse Golfkust. Zij worden wel eens de moedercultuur van Mexico genoemd omdat zij voor het eerst typisch Meso-Amerikaanse cultuuruitingen hebben zoals de bouw van piramides, het schrift en een godsdienst waarin de fauna (“Weerjaguar”) en de elementen (vooral water en vuur) een grote rol speelt. Ook kennen zij het typische Meso-Amerikaanse balspel. Belangrijke Olmeekse centra zijn San Lorenzo en La Venta. De Olmeken zijn echter het meest bekend vanwege de kolossale in steen uitgehakte hoofden die tot veel specualatie hebben geleid omdat de gezichten negoroïde trekken hebben. Wetenschappelijk bewijs voor een Afrikaanse oorsprong van de Olmeken is er echter niet. Recent, 15 september 2006, werd in een artikel in het tijdschrift Nature aangekondigd dat het mogelijk oudste schrift uit Amerika was ontdekt. Het zogenaamde Cascajalblok[7] (12 kilo zwaar) stamt uit ongeveer 900 v. Chr., is gevonden in de Mexicaanse kuststaat Veracruz en wordt aan de Olmeken toegeschreven. De “tekst” bestaat uit 28 verschillende tekens (van de in totaal 62). Desalniettemin zijn er ook Mesoamerikanisten die verkiezen de Olmeken een ‘zustercultuur’ te noemen, die een van de meerdere culturen was die gelijktijdig opkwamen, samen met Tlatilco in het Dal van Mexico, de vroege Zapoteken van San José Mogote en de vroege Maya’s.

El Lanzón, Chavín de Huantar
In de noordelijke Andes van Peru ontstond in dezelfde periode een cultuur die een grote invloed zou hebben op de verdere Andes-geschiedenis: Chavín[8]. Het best komt deze religieuze en culturele traditie tot uiting in de stad waarnaar de traditie is genoemd, Chavín de Huantar (aan het eind van deze periode, als hoogtepunt van de traditie). Men denkt dat dit het belangrijkste religieuze centrum uit deze tijd was en dat vanuit verre streken mensen hier naar toe trokken om ceremoniën bij te wonen. De cultus rondom de zogenaamde Stafgod (een menselijk figuur met twee staven in de handen, onder andere te zien op de Raimondi stèle) komt in latere Andes culturen steeds weer terug (bijvoorbeeld Tiwanaku). Ook de “drie-eenheid” van de jaguar, de kaaiman en de arend is blijkbaar van groot belang geweest. De kaaiman is de schenker van verschillende gewassen zoals chilipeper, maniok en pinda zoals blijkt uit een van de beroemdste kunstvoorwerpen uit Chavín de Huantar, de Tello obelisk. Van belang is ook de opmerkelijke aanwezigheid van zeeschelpen (de stad zelf ligt op ruim 3.000 meter hoogte) die enkel voorkomen in de warme wateren van Ecuador. Vooral de Spondylusschelp[9] (o.a. Spondylus princeps) blijkt uitermate belangrijk. De schelp is ook al aangetroffen in Caral en werd waarschijnlijk voor het eerst commercieel gemaakt door de mensen van de Valdivia cultuur (zie boven). Tot slot maken de mensen in de Chavín periode (door archeologen aangeduid als Chavín Horizon vanwege de grote verspreiding) voor het eerst grootschalig gebruik van metalen. Voornamelijk koper, goud en zilver.

Poverty Point
In Noord-Amerika komt rond 1300 v. Chr. Poverty Point[10] in Louisiana op. Het is de eerste echt grote plaats langs de Mississippi en tevens de oudste “stad” in Noord-Amerika. Het is gebouwd in de vorm van een halve cirkel en bestaat uit zes (halve) ringen van opgehoogde aarde. De binnenste ring is ongeveer 600 meter in diameter. De buitenste ring wordt in het midden onderbroken door een heuvel van ongeveer 2 meter hoog en 20 meter breed aan de basis. Men denkt dat er ongeveer 600 woonhuizen geweest moeten zijn en dat het 4000 tot 6000 inwoners gehad heeft. Aangezien er nog meer soortgelijke nederzettingen aan de Missisippi gebouwd worden (allemaal kleiner), lijkt het er op dat de architecten van hetzelfde volk of althans een zelfde culturele traditie zijn. Een theorie zegt dat de bouwers van deze eerste grote nederzettingen misschien uitgeweken Olmeken waren of dat men door hen beïnvloed was. Dit omdat de platforms (die men ziet als tempels) gelijkenis vertonen met de Olmeekse bouwwerken. Veel ander bewijs is echter niet gevonden al dient gezegd te worden dat er erg weinig onderzoek wordt gedaan naar culturele relaties tussen beide gebieden.

Grave Creek Mound
Niet heel veel later begint in de moderne Amerikaanse staat Ohio een andere groep mensen met het oprichten van heuvels. Dit zijn de voorouders van de mensen die de archeologen Adena[11] noemen. Mogelijk zijn dit de voorouders van de Algonquian mensen maar zeker is dit niet. Tussen 1000 en 300 v. Chr. is de bloeiperiode van deze cultuur die zich vooral manifesteert in het oorspronkelijke gebied. De culturele invloed bestrijkt echter een veel groter gebied. Men heeft handelscontacten met het noorden (Grote Meren) waar men koper vandaan haalt en het zuiden (Golf van Mexico) waar schelpen en andere dierlijke producten (schildpadschild, alligatortanden) vandaan komen. De heuvels die opgericht worden zijn bijna allemaal grafheuvels (in tegenstelling tot de heuvels langs de Mississippi). De doden worden meestal gecremeerd maar de mensen met een hogere functie worden samen met talloze grafgiften (o.a. tabletten van zandsteen, stenen hangers, koperen ringen, sierplaatjes van mica, aardewerk en pijpen van steen) begraven. In totaal worden er tussen de 300 en 500 grafheuvels opgericht, waarvan de grootste, Grave Creek Mound (West Virginia), ongeveer 20 meter hoog is en bestaat uit 60.000 ton aarde. Men leeft van de jacht, de visserij, het verzamelen van wilde planten en van het verbouwen van inheemse gewassen zoals pompoenen en een aantal graangewassen. Het bekendste landbouwproduct (van oorsprong uit het grensgebied van Nebraska en Colorado en voor het eerst gecultiveerd rond 2500 v. Chr.) is echter de zonnebloem.

Ook aan de noordwestkust van Noord-Amerika ontstaan in deze periode de eerste eliteklassen. Er komt een grote groei in de handel van allerlei kostbare producten zoals obsidiaan. Waarschijnlijk worden nu ook de eerste grote plankenhuizen gebouwd waardoor o.a. een verbeterde opslagtechniek van voedsel mogelijk wordt.

In het zuiden van Centraal-Amerika (Panama, Costa Rica, Nicaragua) verschijnt rond 2000 v. Chr. het eerste aardewerk en dat vertoont enige gelijkenissen met het aardewerk uit het noorden van Zuid-Amerika (Colombia/Ecuador). Ook de landbouwproducten wijzen eerder naar het zuiden dan naar het noorden (maniok is belangrijker dan maïs) hoewel onderzoek heeft aangetoond dat Mexicaanse en Zuid-Amerikaanse landbouwproducten elkaar hier al tegen kwamen rond 5000 v. Chr. Het noorden (Honduras, El Salvador, Belize, Guatemala) valt onder de invloedssfeer van de Olmeken.

Migraties vanuit het Orinoco-gebied (Venezuela) richting de Antillen en de Guyana’s worden tussen de nieuwe en de oudere bewoners. De twee bekendste culturele tradities die een dergelijke migratie maken zijn de mensen van de Barrancoid en de Saladoid (expansie vanaf 500 v. Chr.). Beide maken aardewerk en doen aan landbouw. Landbouw wordt zeker steeds belangrijker in het Amazonegebied waar maniok het hoofdvoedsel is. Het aantal sambaquis groeit en de “typische Amazonecultuur” (die gelijkenissen vertoont met die van de huidige Amazone indianen). Van belang is wel dat ergens in het noordwesten van dit gebied (waarschijnlijk noordwest Brazilië tussen Amazone en Orinoco) de Arawaks-sprekende volkeren identificeerbaar worden. Zij beginnen tussen 1000 en 500 v. Chr. aan een grote expansie via het uitgebreide rivierenstelsel en bereiken uiteindelijk zeer ver uit elkaar liggende gebieden. In 1492 wonen zij van de Antillen (Columbus) in het noorden tot Argentinië in het zuiden. Een andere groep die via de rivieren expandeert is die van de Tupi. Waarschijnlijk ligt hun oorspronkelijke land ergens in de Braziliaanse staten Rondônia en Mato Grosso.

Het noordelijke Andesgebied (Colombia, Ecuador) heeft een sterke eigen traditie maar ontvangt ook invloed van buitenaf. Zo bereikt de Peruaanse metallurgie rond 1000 v. Chr. de Ecuadoriaans-Colombiaanse grens en is de invloed vanuit het laagland (net als in Chavín in Peru) te merken aan de landbouwgewassen (maniok, zoete aardappel, coca), de iconografie (veel afbeeldingen van tropische dieren zoals de jaguar en krokodil/alligator) en wellicht aan de vroege datum van aardewerk hier (in de Amazone 5500 v. Chr., in Colombia en Ecuador rond 3500 v. Chr. en in Peru pas vanaf 1800 v. Chr.). Van belang zijn de Ecuadoriaanse kustculturen Machalilla en vooral Chorrera. Dit omdat archeologen lange tijd geprobeerd hebben aan te tonen dat deze mensen uit Mexico kwamen. Sinds de jaren zeventig van de 20ste eeuw echter, werd het duidelijker dat eventueel contact tussen de kust van Ecuador en Mexico eerder gezocht moest worden in Zuid-Amerikaanse invloed op Mexico. Inmiddels hebben dateringen van aardewerk aangegeven dat het product in Ecuador ouder is (Valdivia), maar dat het Mexicaanse wél ouder is dan dat van Machalilla en Chorrera terwijl daar juist de overeenkomsten het sterkst zijn. Dat er treffende gelijkenissen zijn en dat er al vroeg contact geweest is tussen deze twee gebieden (Mexicaanse maïs is hier veel vroeger dan in noord Colombia), is duidelijk. Hoe precies en vanaf wanneer is echter allerminst helder.

In het gebied ten zuiden van Peru (en Chavín) tot slot ontstaan er vanaf 1200 v. Chr. langs het Titicacameer allerlei kleine staatjes die kanalen aanleggen voor de landbouw. Een van deze staatjes is Tiwanaku. Het noorden van Chili en Argentinië worden steeds meer beïnvloed door de noordelijke culturen. Zo worden landbouw (pompoenen, katoen, aardappels, quinoa en steeds meer maïs) en veeteelt (lama’s & alpaca’s) steeds belangrijker. Ook aardewerk en metaalbewerking (koper, goud, zilver) komen steeds zuidelijker

300 v. Chr. – 1200 n. Chr.:
 Urbanisatie, koningen en succes van de maïs
Na de Olmeken in Mexico en Chavín in Peru, komt er in beide landen een stroomversnelling in de ontwikkelingen. De drie belangrijkste plaatsen in Meso-Amerika zijn: het Centrale Hoogland, de huidige staat Oaxaca en het Mayagebied. Deze gebieden zijn alle drie deels beïnvloed door de Olmeken maar vooral de laatste twee (Oaxaca, Mayagebied) hebben ook zelf weer de nodige invloed gehad op de Olmeken.
De Mexicaanse periode van 300 voor tot ongeveer 250 na Christus wordt door archeologen “Laat Pre-Klassiek” genoemd. Het is een periode waarin de basis wordt gelegd voor de grote steden uit het zogenaamde “Klassiek” (250-900 na Chr.). Het Mayagebied kent dan al verschillende grote steden waaronder Kaminaljuyu in de Guatemalteekse hooglanden en El Mirador en Nakbe in het oerwoud van de Petén. In Oaxaca en het Centrale Hoogland is de situatie anders. Hier komen slechts twee steden op die elk voor zich de eigen regio zal domineren. In het geval van het Centrale Hoogland zal deze nieuwe stad zelfs geheel Meso-Amerika (en wellicht daarbuiten richting VS en Costa Rica) sterk beïnvloeden. Het gaat hier om Monte Albán (Oaxaca) en Teotihuacan (Centrale Hoogland).Monte Alban
Monte Albán is de hoofdstad van de Zapoteken en vooral bekend om de zogenaamde “danzantes” (dansers), afbeeldingen van mensen op grote stenen platen die volgens wetenschappers krijgsgevangenen (eventueel om te offeren) moeten voorstellen. Een van de oudste bewijzen van eigen schrift is op deze platen aangetroffen. Monte Albán zal gedurende het gehele “Klassiek” verreweg de belangrijkste stad in Oaxaca blijven met grote invloed naar buiten. Het Zapoteekse schrift is overigens goed te vergelijken met het Mayaschrift omdat hetzelfde systeem gebruikt wordt (logofonetisch).
Teotihuacán
TeotihuacánVerreweg de belangrijkste (en grootste, tussen de 100.000 en 250.000 inwoners) Mexicaanse stad uit het “Klassiek” is Teotihuacan. De stad ligt net ten noordoosten van het huidige Mexico Stad en is nu nog steeds een van de belangrijkste (toeristische) trekpleisters van Mexico. Vooral tussen 300 en 500 na Christus, op het hoogtepunt, is in geheel Meso-Amerika de invloed van deze metropool voelbaar. De stad zelf kent drie grote piramides, een grote hoofdweg (“Weg van de Doden”) en verschillende wijken (“barrios”) voor verschillende bevolkingsgroepen en ambachtslieden. Zo is er een speciale wijk voor mensen uit Oaxaca en een speciale wijk voor obsidiaanbewerkers. Obsidiaan (vulkaanglas) is waarschijnlijk ook een van de redenen voor het succes van de stad. Vlakbij liggen namelijk belangrijke obsidiaanmijnen en obsidiaan speelde in Meso-Amerika de rol die metalen speelde in de “Oude Wereld”. De andere belangrijke obsidiaanbron in Meso-Amerika ligt in de hooglanden van Guatemala. Vanaf de vierde eeuw ongeveer bloeit de oude Mayastad Kaminaljuyu dan ook weer op (nadat het een ontvolking had gekend), maar nu als bijna een kopie van de grootmacht in het noordwesten. Het lijkt erop alsof de stad ingenomen is de mensen uit Teotihuacán. Iets dergelijks gebeurd er in 378 na Chr. als de grootste Mayastad van dat moment, Tikal (in de Petén), “binnengevallen” wordt door mensen uit Teotihuacán. De Mayakoning sterft en er wordt een nieuwe dynastie op de troon gezet. In rap tempo krijgt de architectuur van Tikal, Centraal Mexicaanse trekken. Ook de eerste koning van de Mayastad Copán (west-Honduras) beroept zich op banden met de grote stad.De Klassieke periode in Meso-Amerika werd tot voor kort door de wetenschap nogal eens bestempeld als de grote bloeiperiode waaraan rond 900 na Chr. op dramatische manier (vooral bij de Maya’s) een einde kwam. In de populair wetenschappelijke werken leeft dit beeld nog steeds (zie b.v. het recent verschenen werk van Jared Diamond “Collapse”, dat in het Nederlands vertaald werd als “Ondergang” en waarin de auteur o.a. de “Ondergang van de Maya’s” beschrijft, volgens hem te wijten aan het uitputten van de natuurlijke grondstoffen). In werkelijkheid liggen de zaken ingewikkelder. Inmiddels weet men dat de bloei van de Mayacultuur al begon in het Pre-Klassiek (met El Mirador en de andere steden) en dat de Mayacultuur helemaal niet verdween na 900 maar eerder van karakter veranderde. Beroemde Mayasteden steden als Uxmal en Chichen Itza bloeiden bijvoorbeeld ná de voorgestelde “ondergang”. Wat er precies gebeurde is echter nog lang niet duidelijk. Feit is dat de Peténregio in het Klassiek de dichtstbevolkte Mayaregio was waar twee grote steden de dienst uit maakten (Tikal en rivaal Calakmul). Een Mayarijk is er nooit geweest en bestond ook toen niet. In plaats daarvan was het een mozaïek van stadstaten (net als trouwens op de meeste plaatsen in Meso-Amerika). Rond 900 wordt het Peténgebied nagenoeg verlaten en trekt men naar het noorden (Yucatán), westen (o.a. de zogenaamde Puuc-regio alwaar Uxmal ligt) en zuiden (de Guatemalteekse bergen). De Mayacultuur wordt hier bijzonder sterk beïnvloed door Centraal-Mexico, voornamelijk door de nieuwe grootmacht hier: de Tolteken (tussen ongeveer 900 en 1200). Chichen Itza lijkt in sommige opzichten net op de Tolteekse hoofdstad Tula (zoals dat eerder het geval was met Teotihuacan en Kaminaljuyu) en een van de meest beroemde verhalen uit Meso-Amerika verhaald hoe dat komt. De Tolteekse heerser Ce Acatl Topiltzin Quetzalcoatl (“1 Riet Onze Geëerde Zoon/Heer Gevederde Slang”) zou in de 10de eeuw na ruzie met Tezcatlipoca (“Rokende Spiegel”) de stad Tula moeten hebben verlaten en zou naar het oosten gevlucht zijn en op een vlot van slangen over “het water” weggevaren zijn. Even later verschijnt in de Mayastad Chichen Itza een figuur genaamd Kukulkan, de Yucateeks-Maya vertaling van Quetzalcoatl, Gevederde Slang. Wat er van dit verhaal waar is, is moeilijk te zeggen. In ieder geval lijken er verschillende bouwfases in de Mayastad aanwezig, de oudere meer Maya, de jongere meer Centraal-Mexicaans/Tolteeks. Overigens is er ook invloed andersom. Maya’s hebben bijvoorbeeld de centraal-Mexicaanse stad Xochicalco erg beïnvloed.Graf van “Heer van Sipan”
In Zuid-Amerika is de maïslandbouw (oorspronkelijk uit Mexico) een enorm succes. Het verspreidt zich over bijna het gehele gebied en komt alleen niet in het uiterste zuiden (Patagonië). Datzelfde geldt voor aardewerk. In Peru blijkt de invloed van Chavín groot geweest maar volgt (tot ongeveer 500 na Chr.) weer een periode van politieke en culturele verdeeldheid. De meest bekende en belangrijke culturen uit deze periode (300 voor – 500 na Chr.) zijn Moche aan de noordkust en Nazca aan de zuidkust. De Moches bouwen grote piramides van adobe en worden wel eens “de Grieken van Amerika” genoemd vanwege hun natuurgetrouwe potretten (in aardewerk). Ook de vondsten uit het graf van de “Heer van Sipan” zijn wereldberoemd, evenals de afbeeldingen van dagelijkse scènes (jacht, oorlog, handel) en het erotische aardewerk.Lijnen en figuren van de Nazca cultuur:


De Nazca cultuur is zo mogelijk nog bekender. Dit vanwege de zogenaamde Nazca-lijnen (en figuren van o.a. dieren) in de zuid-Peruaanse woestijn. De lijnen en figuren hebben voor nogal voor wat opschudding gezorgd omdat het onmogelijk is deze te zien vanaf de grond. Verhalen over buitenaardse wezens bleven dan ook niet uit maar deze zijn vooral het gevolg van een slechte kennis over de mensen die ze maakten. Zo worden de Nazca’s nogal eens bestempeld als “een primitief volk” dat niet tot zulke dingen in staat was (zie o.a. Erich von Däniken). Inmiddels is echter allang bewezen dat ook de Nazca’s steden en piramides bouwden en de lijnen zijn dan ook mogelijk aanwijzingen voor ondergrondse waterbronnen die de Nazcaboeren nodig hadden om in de droge woestijn te kunnen overleven.
Wari & Tiwanaku delen de centrale Andes tussen 500 en 1000 na Chr.

Na 500 worden de meeste Peruaanse kust- en Andesculturen beïnvloed en/of veroverd door het eerste grote Andesrijk: Wari. Dit rijk, met als centrum het huidige Ayacucho, moet de macht delen met een ander rijk, ten zuiden van het Titicacameer: Tiwanaku. De invloed van Wari reikt tot aan het Mochegebied aan de noordkust en de invloed van Tiwanaku doet zich gelden in noord Chili en noordwest Argentinië. Er zijn echter meer verschillen tussen beide rijken. Wari is een heuse voorloper van het Incarijk, met een stadscultuur en een voornamelijk politiek-militaire agenda. Tiwanaku (de cultuur is vernoemd naar de grote stad aan de zuidkust van het Titicacameer) is meer een religieus centrum dat belangrijke cultureel/religieuze ideeën uitdraagt. Tiwanaku-stad is (net als nu) waarschijnlijk een groot pelgrimsoord, eerder vergelijkbaar met Mekka of Jeruzalem dan met een machtige politieke hoofdstad als het oude Rome.
De volkeren in de Zuid-Amerikaanse laaglanden ontdekken het gebruik van de vruchtbaarheid van de rivieroevers (bekend onder de Braziliaanse term varzea) voor intensieve maïs- en manioklandbouw en in het Amazonegebied leert men de zogenaamde Terra Preta do Indio (“Zwarte Aarde van de Indiaan”) en de Terra Mulata (“Bruine Aarde”) gebruiken om de van oorsprong arme Amazonegrond zeer vruchtbaar te maken. Rond de geboorte van Christus wordt maïs het belangrijkste landbouwproduct en ontstaan in het “Beneden-Amazone”-gebied de eerste technisch complexe samenlevingen (b.v. Marajoara op Marajó-eiland, aan de monding van de Amazone). Er worden grote kunstmatige heuvels opgericht waarop grote dorpen gebouwd worden. Rond 1000 komen de grote bevolkingsmigraties van de Arawakken tot hun einde. Op allerlei plaatsen (van Suriname tot zuid Brazilië en van Ecuador tot oost-Brazilië) ontstaan er nu invloedrijke gemeenschappen en culturen die o.a. een groot handelsnetwerk onderhouden via het uitgebreide rivierenstelsel. Op deze manier bereiken uiteindelijk ook allerlei voorwerpen uit de Andes (zoals metalen) het gebied.In Noord-Amerika worden de Adena opgevolgd door de Hopewell cultuur (tegenwoordig wordt het ook wel als één enkele culturele, Adena-Hopewell, traditie gezien). De Hopewell (ongeveer tussen 1 en 500 na Chr.) komen uit hetzelfde gebied als de Adena maar een groot verschil is dat men hier niet blijft. Uiteindelijk wordt het gehele oosten van de huidige VS tot ver op de Plains beïnvloed door de Hopewell mensen en overal verschijnen nu grafheuvels. In de kernregio wordt het grootste van aarde gemaakte monument ter wereld opgericht, geen grafheuvel, maar een geometrisch bouwwerk (Newark Earthworks) waarvan de functie nog steeds niet bekend is. Handel is voor de Hopewell van groot belang en voorwerpen en exotische materialen reizen duizenden kilometers om uiteindelijk o.a. als grafgift meegegeven te worden aan de doden (elite). Uit het Great Lakes gebied komen metalen zoals koper en zilver, uit het gebied van de Golf van Mexico dierlijke producten, alligatortanden en schildpadschilden. Obsidiaan wordt helemaal gehaald uit het huidige Nationaal park Yellowstone, Wyoming.Rond 800 komt er langs de Mississippi een nieuwe cultuur op die genoemd is naar de rivier. Deze Mississippi-cultuur heeft als belangrijkste twee kenmerken de maïs/boon/pompoen-landbouw (vanuit Mexico of misschien wel het zuidwesten) en de bouw van steden. Deze cultuur zou blijven voortbestaan tot aan de komst van de eerste Europeanen in het gebied en zelfs nog een tijdje daarna. Men bouwt de grootste en hoogste heuvels tot dusver (de hoogste is ongeveer 30 meter) en, geheel in de traditie van Poverty Point (en wellicht Watson Brake) zijn dit geen grafheuvels zoals bij de Adena en Hopewell, maar plat afgestompte “piramides” waarop de elite woont. De grootste stad ten noorden van Mexico kent haar hoogtepunt rond 1100. Cahokia (op dat moment tussen de 10.000 en 40.000 inwoners en daarmee groter dan de meeste Europese steden uit die tijd) is gebouwd waar nu de Amerikaanse stad St. Louis staat. Net als bij de eerdere oost-Amerikaanse culturen is er een discussie over de vraag in welke mate de Mississippiërs zijn beïnvloed door Meso-Amerika. In dit geval is er meer voor te zeggen dan bij de voorgangers. De Mississippiërs hebben hun economie immers gebaseerd op Mexicaanse gewassen, hun “tempels” en “piramides” lijken erg op die in Mexico (b.v. de bekende Quetzalcoatl-piramide van Chichen Itza) en hun godsdienst (de “Southern Cult”) kent figuren die erg aan hun Mexicaanse collega’s doen denken zoals de Gevederde Slang en de god met de “krulneus” (in Mexico de Regengod Tlaloc). Tegenstanders van Mexicaanse invloed wijzen er op dat heuvels bouwen een inheemse traditie is, dat de landbouw waarschijnlijk uit het zuidwesten van de VS kwam en dat hier nauwelijks Mexicaanse kunstvoorwerpen zijn gevonden zijn.Mexicaanse invloed (wellicht Teotihuacán en later zeker de Tolteken) is wel heel duidelijk in het zuidwesten van de VS. Hier ontstaan vanaf enkele eeuwen voor Chr. de drie grote culturen die de grootste bekende ruïnes in de regio achterlaten: de Anasazi, de Mogollon en de Hohokam. De Mogollon zijn vooral bekend om hun aardewerk. De Anasazi bouwden o.a. de rotswoningen van Mesa Verde en het halfronde gebouw Pueblo Bonito (beide pas vanaf de 10de eeuw na Chr.). De Mexicaanse invloed is het duidelijkst te zien bij de Hohokam. Lang is zelfs gedacht dat zij van hieruit naar het noorden waren gemigreerd. De Hohokam bouwen Mexicaanse balspelplaatsen, houden Mexicaanse vogels (kalkoenen, papegaaien, macaw) en gebruiken (vanaf 900/1000 na Chr.) Mexicaanse koperen belletjes. De vogels en het koper worden overigens ook gebruikt door de anderen.Aan de Noordwestkust worden tussen 500 voor en 500 na Chr. de eerste totempalen en houten (opslag)huizen gemaakt.

NOORD-AMERIKA (Groenland, Canada, VS)

De jagers die met deze speerpunten jaagden, werden beschouwd als de eerste Amerikanen.
De vondst van een benen krabber laat echter zien dat er al eerder mensen op het westelijk halfrond woonden.
Foto Reuters
Al 12.300 jaar geleden liepen er mensen rond in Amerika
Werktuig uit grot in Oregon is oudste vondst

18 november 2009/  Door Dirk Vlasblom

De eerste Amerikanen waren er eerder dan lang werd gedacht.
Dat blijkt uit de vondst van een benen krabber in de Amerikaanse staat Oregon.

Er is weer een Amerikaans record gesneuveld.
In een grot in Oregon hebben archeologen een benen werktuig gevonden dat lijkt op een krabber om dierenhuiden schoon te maken.
Het bot heeft een kartelrand en is, afgaande op koolstofdatering en op de afzettingslaag waarin het is aangetroffen, 12.300 jaar oud.

Daarmee is dit het oudste door mensen gemaakte voorwerp dat is gevonden op het westelijk halfrond.
De vondst laat zien dat er in Noord-Amerika duizend jaar eerder mensen woonden dan lang is aangenomen.

Leider van het onderzoeksteam is archeoloog Dennis Jenkins, verbonden aan de afdeling antropologie van de universiteit van Oregon (UO).
Hij onthulde de vondst vorige maand in een lezing.
Het wetenschappelijke tijdschrift Nature wijdde er vorige week een bericht aan.

Jenkins’ team doet al jaren onderzoek in de Paisley Caves, acht grotten in een rotswand, 1.500 meter boven de oevers van Lake Summer.
Zo’n 12.000 jaar geleden stond het water veel hoger en woonden de grotbewoners aan de oever van dit bergmeer in het zuiden van Oregon.

Archeoloog Luther Cressman onderzocht deze grotten al in 1938.
Hij vond er beenderen van kamelen en bizons uit het late Pleistoceen, samen met door mensen gemaakte werktuigen.
Cressman vermoedde dat dit sporen waren van de oudste Amerikanen, maar de vondsten zijn niet goed gedocumenteerd.

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bestaat over de kolonisatie van Amerika de volgende theorie.
Zo’n 13.000 jaar geleden ontstond een doorgang tussen de twee ijskappen die Noord-Amerika bedekten.
Via een landbrug waar nu de Beringstraat ligt en door de ijsvrije Canadese corridor zouden zo’n 11.500 jaar geleden de eerste mensen vanuit
Azië Amerika zijn binnengetrokken. Ze liepen naar het zuiden en verspreidden zich over het continent.

Deze jagers ontwikkelden in Noord-Amerika een eigen cultuur.
Die jagerscultuur kreeg de naam Clovis, naar een gehucht in New Mexico, waar in 1928 voor het eerst hun sporen werden gevonden
– speerpunten tussen mammoetbotten.
Sindsdien zijn op tientallen plaatsen verspreid over de VS soortgelijke speer- en pijlpunten gevonden.
De jagers werden voortaan beschouwd als de eerste Amerikanen. Iedere indiaan zou van hen afstammen.

De laatste jaren is deze Clovis-theorie door nieuwe vondsten en nieuwe dateringen aan het wankelen gebracht.
Antropoloog Michael Waters van Texas A & M University publiceerde in 2007 in het tijdschrift Science de resultaten van een nauwkeurige 14C-datering
van Clovis-artefacten.
Daaruit bleek dat vroege indianen maar drie eeuwen de tijd zouden hebben gehad om van Clovis-vindplaatsen te migreren naar Chili, waar bijna even
oude artefacten zijn gevonden. Onmogelijk, zei Waters.

Vorig jaar droeg het team van Jenkins nieuwe munitie aan in de Clovis-discussie.
In de Paisley Caves vonden zij 14 versteende uitwerpselen (coprolieten).
In drie ervan werd menselijk DNA geïsoleerd van 12.300 jaar oud, 1.200 jaar ouder dan de oudste benen speerpunten van de Clovis-cultuur.
Het mitochondriaal DNA in de menselijke coprolieten had een genetische structuur die uniek is voor inheemse Amerikanen.

De Clovis-theorie heeft hardnekkige aanhangers in de Amerikaanse archeologenwereld en Jenkins heeft er zowel voor- als tegenstanders.
Eerder dit jaar schreef een groep van zeven antropologen en archeologen dat de versteende uitwerpselen jonger zouden zijn dan het sediment waarin ze
waren aangetroffen. Jenkins c.s. bestreden dat en met de vondst van het benen werktuig hebben ze een nieuw argument.

Archeoloog Jon Erlandson, ook van de UO, vindt de vondst „dodelijk” voor de Clovis-theorie.
Als er eerder dan 13.000 jaar geleden mensen van Azië naar Amerika zijn getrokken, kwamen zij via de kust en niet over land, want die route was toen
afgesloten door ijs.
11.500-9000BC: CLOVIS. Lang beschouwd als eerste Amerikaanse cultuur (Nieuw Mexico)http://nl.wikipedia.org/wiki/Cloviscultuur

De eerste Amerikanen?

26-03-2011

http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/bericht/44585581/

Nieuwe vondsten zijn misschien de oudst bekende menselijke sporen op de laatst bewoonde werelddelen.

Dit zijn de oudste vondsten: van 15.500 jaar geleden. (Michael R. Waters)

Stenen snij- schraap en hakgereedschap van 13.200 tot 15.500 jaar oud bewijst wat veel paleontologen al vermoedden: dat de beroemde Cloviscultuur, van 12.800 tot 13.100 jaar geleden, niet bestond uit recente immigranten. De eerste Amerikanen kwamen veel eerder. In Texas is een aardlaag blootgelegd die net iets ouder is dan de resten van de cultuur die bekendstond om zijn typische pijlpunten. Het gereedschap dat daarin is gevonden, lijkt gemaakt te zijn met technieken die later door de Clovismensen verbeterd zijn, schrijft het team dat ze heeft ontdekt in Science.

De aardlagen in dit Butter Milk Creek Complex is gedateerd met zogenoemde optisch gestimuleerde luminescentie. De gevonden voorwerpen zelf niet, maar de onderzoekers maken aannemelijk dat ze niet verplaatst zijn en dus even oud als de aardlagen. Dat zou betekenen dat er 15.500 jaar geleden al mensen leefden in het zuiden van Noord-Amerika.

‘We hebben bewijs gevonden van een vroege menselijke aanwezigheid, 2500 jaar ouder dan Clovis’, aldus Michael Waters, een van de betrokken archeologen. ‘Dit maakt deze plek tot de oudste geloofwaardige archeologische vindplaats in Texas en Noord-Amerika.’ Merk op hoe voorzichtig deze claim is vergeleken met een kop als deze in The Guardian, waarin wordt gesteld dat deze vondst bewijst dat de mens Amerika 2500 jaar eerder veroverde dan gedacht.

In werkelijkheid zijn er veel meer menselijke maaksels gevonden die ouder zijn dan de Clovis-vondsten. Versteende drollen in Noord-Amerika bijvoorbeeld, maar ook een complete nederzetting in het Chileense Monte Verde, bijna aan de zuidpunt van Zuid-Amerika. Je leest er hier meer over. En als je echt fanatiek bent, is het boek First Peoples in a New World van archeoloog David J. Meltzer een aanrader. Het is uit 2009, dus de nieuwe vondst staat er uiteraard niet in, maar het geeft een heel gedetailleerd beeld van de hele discussie over de vroegste Amerikanen.

(Elmar Veerman)

Links

De eerste, tweede en derde Amerikanen

Prehistorische kolonisatie van Amerika gebeurde in minimaal drie golven

  • Door: Nadine Böke
  Zoom

Volgens nieuw DNA-onderzoek zijn Noord- en Zuid-Amerika in de prehistorie niet door een enkele golf van Aziatische migranten bevolkt, maar waren er minimaal drie van zulke golven.

Zijn Noord- en Zuid-Amerika in de prehistorie bevolkt door een enkele golf van Aziatische migranten, die zich via Alaska uitwaaierden over de beide continenten? Of zijn er meerdere van zulke migratiegolven geweest? Nieuw bewijs wijst op het laatste.

Noord- en Zuid-Amerika waren de laatste continenten die werden bevolkt door de mens. Hoewel Homo sapiens zo’n 200.000 jaar geleden al in Afrika ontstond, duurde het toen nog grofweg 180.000 jaar voor de eerste mensen voet aan grond zetten in Amerika. Dat is ook niet zo vreemd. Terwijl een de andere continenten aan elkaar vast zitten of bereikbaar zijn via reeksen kleine eilandjes, liggen de beide Amerika’s nogal geïsoleerd. Pas toen tijdens de laatste ijstijd een deel van de zee tussen Siberië en Alaska droogviel, konden er mensen vanuit Azië naar Amerika trekken.

Maar wat gebeurde er toen? Een theorie is dat hierna zowel Noord- als Zuid-Amerika bevolkt door de nazaten van die ene golf Siberische migranten. Een andere theorie stelt echter dat er meerdere migratiegolven zijn geweest. Oftewel, dat er op meerdere momenten groepen Aziaten naar Alaska zijn getrokken, waarna hun afstammelingen zijn uitgewaaierd over de beide Amerikaanse continenten. Een aantal studies naar de genetische afstamming van Noord- en Zuid-Amerikaanse indianen lijken te wijzen op één grote migratiegolf. Onderzoek in het blad Nature van deze week spreekt dat echter tegen

Uitgebreider

Het eerdere onderzoek naar de afstamming van de oorspronkelijke bewoners van Amerika keek alleen naar een klein deel van hun genetische materiaal. Namelijk mitochondriaal DNA, dat mensen altijd volledig erven van hun moeder, of het DNA van het y-chromosoom, dat alleen mannen hebben en volledig afkomstig is van hun vader. Het nieuwe onderzoek was flink uitgebreider: dat keek namelijk naar het volledige erfelijke materiaal van vele honderden individuen, die samen tientallen verschillende volken uit Siberië en Noord- en Zuid-Amerika vertegenwoordigen.

En dat levert een heel ander beeld op. De uitgebreidere DNA-analyse laat zien dat er minstens drie keer groepen mensen vanuit Siberie naar Noord-Amerika zijn getrokken, en zich vanaf daar verder hebben verspreid. De eerste, grootste migratiegolf sterkte zich uit tot in het uiterste puntje van Zuid-Amerika. De tweede golf, die waarschijnlijk iets later heeft plaatsgevonden, reikte tot in het midden van de huidige Verenigde Staten. Terwijl de derde golf zich meer horizontaal voortbewoog, en via Canada Groenland bereikte. In het onderstaande plaatje zijn de drie migratiegolven in beeld gebracht.

Pijlpunten

© Jim BarlowCulturen uit de prehistorie worden meestal ingedeeld op basis van de voorwerpen die zij maakten. Deze pijplpunten zijn heel anders dan de typische pijlpunten van de Clovis-cultuur. Dit zou best eens extra bewijs kunnen zijn voor het idee dat de Amerika’s in meerdere golven zijn bevolkt

 
 

Naast de discussie over hoe de Amerika’s zijn bevolkt, loopt er ook al een tijdje een discussie over de cultuur van de eerste Amerikanen. Traditioneel wordt de Clovis-cultuur beschouwd als de cultuur van de eerste bewoners van dit continent. Maar dat idee is eigenlijk nauwelijks nog houdbaar. Er duikt de laatste jaren allerlei bewijs op dat een andere cultuur eerder was, of op z’n minst naast de Clovis-cultuur bestond. Dat bewijs komt in de vorm van onder meer afwijkende stenen pijlpuntenmammoetslachtingsplaatsen en fossiele menselijke poep.

In Science staat deze week extra bewijs dat de Clovis-cultuur niet de eerste danwel enige cultuur was in Amerika. Ook deze keer komt het bewijs in de vorm van vuurstenen voorwerpen, waaronder pijlpunten, die op een heel andere manier gefabriceerd werden dan hoe de Clovismensen het deden. De voorwerpen zijn opgegraven in grotten in Oregon, in het noordwesten van de Verenigde Staten. Een chemische analyse van fossiele menselijke uitwerpselen uit dezelfde bodemlagen laat zien dat de voorwerpen zo’n 12.000 jaar oud moeten zijn. Wat ze even oud maakt als de Clovis-voorwerpen. Als er in die tijd inderdaad meerdere culturen naast elkaar leefden in het noorden van Amerika, is dat extra bewijs voor het idee dat de Amerikaanse continenten niet door één grote migratiegolf zijn bevolkt, maar via meerdere

.

NATIVE AMERICANS

Note that Na-Dene (green) and Eskimo-Aleut (red) derive in part from an Asian (black; Yoruba are African) ancestry separate from that of Amerind or First American (blue). (The Na-Dene and Eskimo-Aleut are not a single arrival from Asia; the Han Chinese are too genetically distant from east Siberian peoples to capture the ancestral source in this comparison.

D Reich et al. Nature, in press, doi:10.1038/nature11258

 mongolian-man.
INUIT  ( Native american )
  
 natar-ungalaaq
                                                                                   Inuit_women
 
plains-indian          /Native american

‘Jagers al 14.000 jaar actief in Amerika’

 23 oktober 2011

– Deense onderzoekers hebben tussen de resten van een mastodont, een Noord-Amerikaanse mammoetachtige, een door mensen gemaakte 14.000 jaar oude speerpunt gevonden.

De ontdekking bevestigt een recente theorie die de ‘ontdekking’ van het Amerikaanse continent rond hetzelfde jaartal plaatst, schrijven onderzoekers van de Universiteit van Kopenhagen in Science.

De sporen zijn duizend jaar ouder dan de ‘Clovis-cultuur’, waarvan archeologen tot enkele jaren geleden dachten dat het het eerste Amerikaanse volk was.

De mastodont was al in de jaren 70 opgegraven in Washington, de meest noordwestelijke staat van de VS. Met moderne koolstofdatering kon de ouderdom pas voldoende zeker worden vastgesteld.

Ook de aangetroffen speerpunt is gemaakt van mastodontenbot, ten teken dat de grote grazers blijkbaar vaker op het menu van de oorsponkelijke Amerikanen stonden.

Hetzelfde Deense onderzoeksteam had drie jaar geleden melding gemaakt van de vondst van menselijke resten in een grot in de staat Oregon, tevens aan de Amerikaanse westkust, die eveneens 14.000 jaar oud zouden zijn.

Onderzoeksleider Eske Willerslev denkt dat het gaat om de voorouders van de Amerikaanse indianen, die via een landbrug in de Beringzee vanuit Azië zijn overgekomen.

7500: KENNEWICK MAN leeft in Washington State.
Mogelijk verwant aan de Ainu in Japan.  http://en.wikipedia.org/wiki/Kennewick_Man

17 januari 2000
Kennewick Man is 9.300 jaar oud.

Het controversiële skelet van Kennewick Man is, zoals al vermoed werd, meer dan negenduizend jaar oud.
Dat blijkt uit een koolstofdatering die in opdracht van de Amerikaanse overheid is uitgevoerd.

Nu officieel is vastgesteld dat Kennewick man van vóór 1492 dateert (het jaar van Columbus’ aankomst in Amerika), is het skelet volgens de Amerikaanse wet per definitie Indiaans.
Dat betekent dat het wellicht zal worden overhandigd aan een van de vijf verschillende Indiaanse stammen die de beenderen opeisen om ze te begraven als een van hun voorouders.

Wetenschappers wijzen erop dat de schedel niet lijkt op die van de hedendaagse Indianen, en daarom wellicht niet tot hun voorouders behoort.
Sommige archeologen vermoeden dat Kennewick Man behoorde tot een inmiddels uitgestorven volk, dat onafhankelijk van de Indianen naar Amerika geëmigreerd zou zijn, mogelijk uit Oost-Azië.
Om die hypothese te testen, zouden ze graag een DNA-analyse uitvoeren, maar de Amerikaanse overheid heeft tot dusver altijd geweigerd daarvoor toestemming te geven.

2004 Februari 7
De overblijfselen van `Kennewick Man’, die 9300 jaar geleden leefde in wat nu de staat Washington is, mogen toch door wetenschappers nader bestudeerd worden.
Woensdag deed een Amerikaans federaal hof van beroep uitspraak in een zaak die sinds 1998 loopt en waarin lokale indianen en fysisch antropologen lijnrecht tegenover elkaar staan …
OLD COPPER CULTURE
5000: mensen langs de Great Lakes beginnen met bewerking koper (OLD COPPER CULTURE). Kennis strekt zich uit tot in Maryland. In tegenstelling tot eerste koperbewerkers in Eurazië zijn de mensen geen landbouwers en kennen ze geen aardewerk.

3500: oudste menselijke monument in Noord-Amerika. Opgetrokken, in een cirkel staande heuvels in Louisiana (WATSON BRAKE).

2900: oudste stenen cirkel op Plains. Functie onbekend. Religie of Tipi.

2500: oudste aardewerk Noord-Amerika in Florida en Georgia.

2250: ontwikkeling eerste pijl en boog in Amerika in Arctisch gebied. Vanuit hier steeds verder naar het zuiden tot ver in Mexico.

2000: eerste experimenten met domesticatie van gewassen in oosten VS. Bekendste is de zonnebloem. verder squash en een aantal lokale grassen zoals marshelder, lamsquarter en maygrass.

1500-1100: oudste grote nederzetting Noord-Amerika in Louisiana. POVERTY POINT was gebouwd in een halve cirkel, naar de rivier toe. Een 2 meter hoge piramide keer er over uit.
De nederzetting telde waarschijnlijk zo’n 5000 inwoners.

1000-300BC: ADENA in de Ohio-vallei bouwen 300 tot 500 grafheuvels. Economische basis is handel, jacht, verzamelen en kleinschalige landbouw van de inheemse gewassen.

1000BC: eerste maïs vanuit Mexico bereikt zeker het zuidwesten van de VS. Behalve maïs ook pompoenen, bonen en katoen.

500BC: opkomst eliteklasse aan de westkust. DORSET cultuur ontwikkeld zich op Groenland (tot 1200AD). Zij bouwen de eerste iglo’s en zijn sterk afhankelijk van de zee. Rond de Beringstraat ontwikkeld zich de THULE cultuur.
Dit zijn in ieder geval voorouders huidige ESKIMO’s.

500BC-1450AD: drie belangrijke culturen in zuidwesten VS en noordwesten Mexico: ANASAZI, HOHOKAM en MOGOLLON. Zij bouwen de grote nederzettingen in deze regio, de canyon-huizen en stichten tevens een wegennet.

250BC-500AD: HOPEWELL in Ohio-vallei zijn opvolgers ADENA. Zij beperken zich echter niet tot die vallei en HOPEWELL monumenten (ook voornamelijk grafheuvels) zijn verspreid over het hele oosten van de VS, van Canada tot
de Golf van Mexico en van de Atlantische Oceaan tot de Plains. Dit leidde tot een groot handelsnetwerk. Koper en zilver kwamen uit het Great Lakes gebied, mica uit de Appalachen, schildpadschilden, alligator- en haaientanden
uit het zuiden en obsidiaan zelfs helemaal uit Yellowstone. Landbouw belangrijker.

500AD: oprichting megalieten en constructie van reuzenfiguren in de woestijn in zuidoosten Californië.
Tevens sterke sociale stratificatie ten noorden van Californië aan de westkust. Bouw van grote houten huizen en eerste totempalen.

700: THULE cultuur (ESKIMO’s) bereiken Groenland en vermengen met (en verdrijven) DORSET mensen. Typische ESKIMO cultuur met iglo’s en hondensleden.
Rond 1000 in contact met Vikingen uit IJsland.

750-1150: grootste bloei culturen uit Zuidwesten VS.
De Hohokam leggen balspelplaatsen aan (in totaal 206), evenals de volkeren zuidelijker in Mexico.
Ook bewerken ze koper en kennen ze een wereldwijd unieke etstechniek.
De MOGOLLON maken het Mimbres aardewerk en zijn mogelijk de stichters van de handelsstad Casas Grandes (Paquimé ) in het noorden van Mexico. Deze stad kent speciale kamers voor het fokken en houden van uit het zuiden
komende papegaaien en is mogelijk een plaats die in direct contact staat met de TOLTEKEN in het zuiden. De ANASAZI bouwen Pueblo Bonito en Mesa Verde, de twee bekendste nederzettingen uit de regio.
800-1550: MISSISSIPPI cultuur ontstaan langs de gelijknamige rivier en verspreid over het hele oosten van de VS. Heuvels zijn geen grafheuvels maar waarschijnlijk tempels waar de leiders bovenop wonen. Landbouwproducten
uit Mexico (maïs, pompoenen en bonen) worden door hen over het gehele gebied verspreid. Ook bouwers van eerste echte steden. Cahokia (900-1200) is de grootste stad ten noorden van Mexico, met een piramide van 30 meter en
tussen de 10.000 en de 40.000 inwoners. Cultuurelementen verspreiden zich ook steeds verder naar het westen (naar de Plains). Ook daar bouwt men vaste nederzettingen, gaat men aardewerk maken en landbouw bedrijven.
Stereotiepe beeld van nomadische bizonjagers op de Plains is dus iets van 19de eeuw.

950-1200:
In Ohio wordt door mensen van FORT ANCIENT de Serpent Mound opgericht. Op deze grote heuvel is een slang van 400 meter lang afgebeeld. Functie onbekend.

1450: drie grote culturen uit het zuidwesten gaan over op bescheidener schaal naar de Pueblo’s van vandaag de dag.
Mogelijk door droogte en door aankomst van ATHABASKEN uit het noorden, de NAVAJO’s en de APACHEN.

MIDDEN-AMERIKA (Mexico tot Panama)

7000BC: eerste landbouw.

5000BC: eerste maïs in Mexico.

1500BC: eerste aardewerk en eerste volledig permanente dorpen.

1200-500BC: OLMEKEN (Aan Golfkust. Eerste steden, tekenen van elites, schrift, kalender, etc…)

500BC-800AD: Monte Alban van de ZAPOTEKEN (BENI ZAA) in Oaxaca (oudste Mexicaanse fonetische schrift. De stad overheerst alle anderen in Oaxaca en is een van de grootste steden in Mexico in deze tijd).

500BC: begin groei MAYA steden in Guatemala en zuid Mexico). Grootste stad wordt El Mirador.

1-700AD: TEOTIHUACAN in de vallei van Mexico. Grootste stad van dat moment in heel Amerika (behorend bij de 10 grootste steden ter wereld). Veel invloed naar zuiden (MAYA’s) en naar noorden (zuidwesten VS).
Volk onbekend.

250AD-900AD: KLASSIEK (grote bloei van steden, koningen, literatuur, wiskunde, etc… Macht bij goddelijke heersers). In MAYA gebied geen rijk maar stadstaten die oorlogen tegen elkaar voeren en bondgenootschappen sluiten.
Twee steden zijn het machtigst: Tikal (Mutal) en Kalakmul (Kan).
Tussen 350 en 500 in de invloed van TEOTIHUACAN in het noorden erg groot.
Invloed van Mexico op zuidelijk Midden-Amerika wordt heel groot, vooral zichtbaar door jade-industrie. Mexicaanse groepen gaan zich vestigen in het zuiden. Ontstaan lange afstandshandel tussen beide gebieden.

900-1530: invloed van Mexico wordt minder in zuidelijk Midden-Amerika. In plaats daarvan groeit de invloed vanuit Zuid-Amerika. Aangezien handel belangrijker wordt verdwijnt de Mexicaanse invloed allerminst.
Vooral de TOLTEKEN en de AZTEKEN stichten handelskolonies in het zuiden (tot in Panama).

900-1150: TOLTEKEN in centraal Mexico (net ten noorden van Teotihuacan).
Grote invloed op rest Mexico en op zuidwesten van VS. Tula (Tollan = Plaats van Riet) is de hoofdstad. Bekendste koning is de historische Topiltzin Quetzalcoatl (later, vooral door AZTEKEN, beschouwt als een god).

900-1524: MIXTEKEN (ÑUU DZAVUI) in Oaxaca. Geen rijk maar stadstaten. Bloei (voornamelijk) pictografisch schrift gebruikt o.a. voor geschiedenisboeken. Oorlog tegen ZAPOTEKEN maar ook onderling.
Bloei handel, belangrijk metallurgie.

1450-1521:
AZTEKEN (MEXICAH) stichten Mexico-Stad (Tenochtitlan) in een meer. Groeit uit tot grootste stad van Mexico (een van de grootste steden ter wereld).
Men verovert een groot gebied en kijkt op naar de TOLTEKEN (waarschijnlijk zelfde taal, veel cultuur overeenkomsten, etc…). Laatste keizer (tlatoani = spreker/gebieder) voor komst Spanjaarden is Monteuczuma (Montezuma) II.
ZUID-AMERIKA (Colombia tot Chili)
9000BC-7000BC: eerste landbouw (Peru, later Ecuador & Amazonegebied).

6000BC: eerste aardewerk (in Amazone. Oudste van heel Amerika).

5000BC: oudste mummies ter wereld (ongeveer 2000 jaar ouder dan in Egypte) door de CHINCHORRO in Noord Chili.

3500BC: begin bouw steden tussen kust en bergen noord Peru. Oudste steden Amerika en samen met steden in Mesopotamie oudste steden ter wereld. CARAL is een van de grootste.
Economie voornamelijk gebaseerd op verbouw van katoen en handel met kustdorpen (voor o.a. ansjovis). Eerste sporen van typische Andes religie en oudste quipu.

3000BC-1500BC: Valdivia cultuur in kuststrook Ecuador. Men maakt talloze Venus-beeldjes.

1500BC: oudste bewerking van metalen in Amerika (goud en koper) in Peruviaanse Andes. Waarschijnlijke begin expansie van ARAWAK-sprekende volkeren in Amazonegebied (noordwesten).

1000BC-1: Chavín Horizon in Peru: typische kunst, religie (stafgod, katgod etc…), bouwstijl, aardewerk etc…

400BC: CHAVIN DE HUANTAR in noordelijke Andes Peru, het belangrijkste en grootste religieuze centrum van Chavin Horizon in Peru. Begin oprichten van de megalieten van SAN AGUSTÍN in het zuiden van Colombia.

800-200BC: CHORRERA volk in kuststreek Ecuador kent meest realistische aardewerk in Amerika van dat moment. Grote invloed naar buiten toe, waarschijnlijk tot in Mexico.

100BC-500AD: MOCHE volk aan noordkust van Peru beroemt vanwege realistische aardewerk, erotische kunst en de Heerser van Sipan. NAZCA volk aan de zuidkust van Peru, vooral bekent van de grote geometrische figuren in de woestijn. Ook typerende stijl aardewerk.

200AD-1600: In het noorden van Colombia, rond en op de Sierra Nevada Santa Marta is de TAIRONA cultuur. Dit volk bouwt steden van steen, spreekt een Chibcha taal, zijn bedreven in het bewerken van metalen (goud, zilver, tumbaga, koper, etc) en handelen met de volkeren op de Antillen en volkeren in het zuiden. Pas na 75 jaar oorlog (begonnen dus ergens rond 1525), capituleert men tegen de Spanjaarden.

400-1350: Op het eiland Marajó, in de monding van de Amazone, is de MARAJOARA cultuur. Waarschijnlijk de oudste complexe gemeenschappen in het Amazonegebied. Men richt heuvels op, doet aan intensieve landbouw en kent een ingewikkelde aardewerkstijl die op den duur ‘internationaal’ wordt. Vrouwen spelen waarschijnlijk een zeer belangrijke rol.

500-1000: Twee rijken beheersen de centrale en zuidelijk centrale Andes: WARI (Peru, centrum rond huidige Ayacucho) en TIWANAKU (voornamelijk Bolivia, centrum Tiwanaku stad aan Titicaca meer). WARI is waarschijnlijk een militaristisch rijk dat actief gebieden veroverd (o.a. NAZCA gebied en MOCHE gebied aan de kust). TIWANAKU is meer een religieus centrum met grote culturele invloed (tot noorden Argentinië en Chili). Tiwanaku stad trekt duizenden Pelgrims aan.

600-1541: MUISCA bouwen de politiek meest complexe maatschappij van Colombia op de oostelijke bergrug van de Andes. De staat wordt geleid door twee figuren, de Zoque en de Zipa. Ook dit is een Chibcha volk en men heerst over tientallen kleinere politieke eenheden. De Magdalena vallei net ten westen van de MUISCA staat is volgebouwd met houten gebouwen. De belangrijkste stad van de MUISCA staat waar nu Santa Fé de Bogotá ligt. De Spanjaarden zijn vol bewondering voor de stad, maar branden hem niettemin af.

800-1540: In de Cauca vallei in Colombia is de QUIMBAYA cultuur. De Algemene opinie is dat zij het mooiste metaalwerk van de Amerika’s hebben gemaakt. Waarschijnlijk begint de cultuur al rond 500BC.

1000-1470: CHIMU rijk aan noordkust Peru, waarschijnlijk opvolgers deels van MOCHE. Hun hoofdstad is waarschijnlijk de grootste stad, ooit in Zuid-Amerika voor 1492 gebouwd. Veroverd door INCA’s.

1000-1550: belangrijke lokale complexe gemeenschappen langs de Amazone rivier en andere grote rivieren in het gebied. Onder andere de OMAGUA (zij controleerden de oevers van rivieren van Ecuador tot in west Brazilië ) en de TAPAJÓS (bijna aan de monding van de Amazone). Dichtbevolkte gebieden vanwege vruchtbare grond langs de rivieren en de techniek om niet-vruchtbare grond vruchtbaar te maken (door het maken van ‘zwarte aarde’).

1100-1540: In de noordelijke vlakte van Colombia heersen drie grote politieke eenheden die samen ZENÚ genoemd worden. De aardewerk stijl kent zowel invloeden uit het zuiden (Ecuador), als uit de Andes. Verder werkt men veel met goud. Een van de drie eenheden wordt bij de Spanjaarden geleid door een vrouw.

1450-1532: INCA rijk vanuit Cuzco in Peruviaanse Andes. Veroveren heel snel het grootste rijk op aarde van dat moment, lopend van zuid Colombia tot midden Chili). Vooral bekent vanwege zeer technische architectuur, de stad Machu Picchu en de confrontatie met de Spanjaarden. ‘Inca’ is de titel van de heerser. De laatste voor-Spaanse Inca (Atawallpa) werd niet door iedereen in het rijk erkent.

CARIBEN (ANTILLEN)

5000: eerste mensen op Antillen à Trinidad (vanuit Venezuela… Trinidad zit er nog aan vast!) 4000-3000: eerste mensen komen aan op Grote Antillen (Hispañola en Cuba). Waarschijnlijk vanuit Belize

2500-500BC : CASIMIROID vanuit Hispañola naar Kleine Antillen

2000-400BC: ORTOIROD mensen vanuit Venezuela naar Kleine Antillen tot Puerto Rico. Daar botsen op CASIMIROID.

2000-600AD: SALADOID mensen (hoogstwaarschijnlijk een ARAWAK volk) vanuit Venezuela tot in Puerto Rico. Zij introduceren landbouw en aardewerk.

1AD: ARAWAK volkeren ook naar Grote Antillen

500AD: Jamaïca voor het eerst bewoond.

700-1000: mogelijk migratie van CARIBEN vanuit Guyana’s naar Kleine Antillen. Onduidelijk of het daadwerkelijk CARIBEN zijn en niet ARAWAKKEN die door de Spanjaarden een slechte naam hebben gekregen
(elk volk dat men “Carib” noemde stond gelijk aan wild en kannibalistisch terwijl voor dit laatste in deze regio geen bewijzen zijn).

1492: Columbus op de Bahama’s en later op Hispañola. De Taino (waarschijnlijk niet eigen naam) die Columbus ontvangen wonen van Cuba tot Guadeloupe.
Deze mensen worden geleid door cacique’s (leiders), slapen in hamaca’s
(hangmatten), roosteren vlees en vis op een barbacoa (barbecue) en vereren de stormgod Horrican (wervelwind, orkaan).
Verder zijn het landbouwers, bouwen ze balspelplaatsen en verkrijgt men door handel met Colombia sieraden van goud en koper.

1200-1492:

Amerika aan de vooravond van de Europese invasie

Hier is in het uiterste noorden de succesvolle expansie van de Thule-mensen, de meest directe voorouders van de Eskimo’s. Zij komen uit de regio rond de Beringstraat en introduceren de voorwerpen waar de Eskimo’s beroemd om zijn: de iglo, de hondenslee, de kajak. In tegenstelling tot hun voorgangers (door archeologen Dorsett genoemd) maakt men geen aardewerk en is men vooral gericht op de jacht op zeezoogdieren. Het gebruik van harpoenen kent dan ook een bloei.
Zuidelijker (bijna geheel Canada) wonen twee grote groepen. In het westen de Athabaskische volkeren en in het oosten de Algonquin volkeren. Men maakt vooral jacht op rendieren en elanden maar aan de kust is vis belangrijker. In het zuiden, rond de Great Lakes en langs bijna de gehele grens met de VS, wonen boeren. Het is de meest noordelijke regio waar de Mexicaanse gewassen maïs, bonen en pompoenen verbouwd worden. Verder gebruikt men hier de typische sneeuwschoenen, bouwt men handige rivierkano’s van berkenbast en tapt men (in het oosten) ahornsiroop af van de suikeresdoorn.De westkust is van zuid-Alaska tot zuid-Californië dicht bevolkt hoewel de van oorsprong Mexicaanse landbouw hier niet voorkomt. Wel verbouwt men andere dingen, zoals tabak. Het noordwesten (zuid-Alaska tot noord Caliornië) wordt bewoond door volkeren die een grote hiërarchie kennen. Vooral in Canada is dat duidelijk. Er zijn verschillende soorten (o.a. religieuze) leiders, een gewone bevolking en slaven. Men woont in grote huizen voor meerdere families en de totempalen (vooral Canada en gebouwd aan de voorkant van de huizen) geven o.a. welke families er in het huis wonen en wat hun status (dat van familieleden) is. Verder is men sterk afhankelijk van de zee. De grootste boten (uitgehakt uit het hardhout van één grote ceder) zijn ruim twintig meter lang en worden gebruikt om jacht op zee te maken (o.a. op walvissen). In Californië leeft men vooral van eikelmeel dat vollop aanwezig is door de vele soorten eikenbomen in dit gebied. De politieke hiërarchie is hier en stuk minder dan in het noorden maar door de overvloed en het zachte klimaat kan men net zoals in het noorden op een plaats blijven wonen.In het zuidwesten wordt vanaf de 14de/15de eeuw een omschakeling gemaakt in leefgewoonte. Men stopt met het bouwen van grote complexen en gaat is kleinere dorpen wonen (pueblo’s). Net als bij de Maya’s wordt dit vaak gezien als “de val van de hoge beschaving”, maar net als bij de Maya’s is dit moeilijk om echt aan te tonen omdat onduidelijk is wat de rede is voor de andere levenswijze. Soms wordt er op droogte gewezen, soms op oorlogen, soms op politieke of religieuze veranderingen. Anderen zien weer economische redenen. Feit is echter dat noch de Maya’s, noch de mensen in het zuidwesten “verdwijnen”. De nakomelingen van de Anasazi, Mogollon en Hohokam blijven boeren en wonen vandaag de dag nog steeds in dit gebied. Het zijn o.a. de Zuni, de Hopi en andere “Pueblo”-volkeren. De Navajo en de Apachen zijn relatieve laatkomers. Beide zijn Athabaskische volkeren en dus verwant aan de mensen in west-Canada.Ook de Missisippi- (en de door hen beïnvloedde) volkeren in het oosten staan niet stil vanaf het moment dat ze “verschijnen”. Cahokia wordt rond 1200 verlaten en het lijkt wel alsof men wegtrekt uit het gebied van de centrale Mississippi. In andere gebieden komen (hierdoor?) juist steden op. Een van de bekendste daarvan is Moundville in Alabama. In Louisiana worden ook nieuwe steden gesticht en wel door een van de weinige Mississippi-volkeren die we ook redelijk goed uit de etnografische literatuur kennen: de Natchez. Zij worden (althans in de 17de eeuw) geleidt door een belangrijk leider die “Grote Zon” wordt genoemd. O.a. de begrafenisrituelen van zo’n Grote Zon zijn in de 17de eeuw door de Fransman Du Pratz beschreven. In het noordoosten sluit een aantal volkeren vrede met elkaar en gaan een federatie vormen die tot ver in de 18de eeuw een zeer grote invloed zou hebben, o.a. op de Europese kolonisatie. De meeste mensen kennen hen onder de naam Irokezen, maar hun eigen naam is Haudenosaunee. Federaties worden in dit gebied trouwens de normale politieke structuur. De vader van de bekende Pocahontas (zie volgende hoofdstuk) was een (de?) leider van de Powhatan-federatie.Meso-Amerika
Na de Tolteken (na 1200 dus) duurt het een tijd voordat het centrale hoogland weer gedomineerd wordt door een enkele culturele groep: de Azteken (eigen naam: “Mexicah”, Mexicanen). Volgens hun eigen verhalen komen de Azteken uit het noorden en dat lijkt te kloppen aangezien bijna alle zogenaamde Uto-Azteekse volkeren ten noorden van de Azteken wonen, zoals de Hopi en (vandaar de naam) de Utes. De Azteken zijn een van de vele kleine groepen migranten en vestigen zich uiteindelijk op eilanden in het Texcoco-meer. Binnen honderd jaar (1438-1519) weten ze het grootste rijk dat Meso-Amerika ooit gekend heeft op te bouwen. Hun hoofdstad, Tenochtitlan, gelegen in het meer, is goed te vergelijken met Venetië (ook al was het destijds veel groter met een geschatte bevolking van minimaal 200.000 inwoners). Over de Azteken bestaan veel mythes en dat is raar omdat we over hen meer informatie hebben dan over anderen. Die mythes gaan vooral over leiderschap en mensenoffers. Nogal vaak is te lezen dat zij “het meest bloeddorstige volk ter wereld” (of iets in die trant) geweest zouden zijn. De vraag is wat hier van waar is en waarom juist de Azteken genoemd worden terwijl het mensenoffer toch ook voorkwam bij de Maya’s en de Inca’s. Mensenoffers waren in Meso-Amerika net zo gewoon als heksverbrandingen in Europa. Het had een religieus doel. Menselijk bloed werd over het algemeen gezien als het kostbaarste dat er was. Behalve mensenoffers werden er ook veel bloedoffers gebracht door bijvoorbeeld de tong (vrouw) of de penis (man) te doorboren. Er bestaan voldoende bewijzen voor het bestaan van het mensenoffer in voor-Spaanse tijden (bijvoorbeeld in de eigen boeken) maar er was een belangrijk verschil met de heksenverbrandingen in Europa. De mensen die men offerde behoorde vrijwel zonder uitzondering tot de adel. De rede daarvoor was dat dit bloed nog kostbaarder was dan het bloed van “gewone mensen”. Nergens in de eigen boeken of uit de archeologische bronnen blijkt dat mensenoffers gebracht werden op de manier zoals Mel Gibson heeft laten zien in zijn film Apocalypto. Ook de Maya’s overvielen geen armzalig kleine dorpjes te om de goden tevreden te stellen met bloed van eenvoudige dorpelingen. Zefs de oudste Spaanse bronnen die de Azteekse mensenoffers beschrijven (Sahagún, Cortés, Díaz) hebben het niet over miljoenen weerloze burgers die massaal geofferd werden omdat de goden nu eenmaal bloeddorstig waren. Dat zou pas later deel gaan uitmaken van de propaganda.Dan het bestuur. De Azteken hadden geen keizer en werden ook niet bestuurd door één enkele man. De Azteekse “keizer”, de Tlahtoani (“Hij die spreekt”) regeerde samen met een zogenaamde Cihuacoatl (“Vrouwelijke Slang/Begeleider”, overigens altijd een man) en een raad van edelen. In de praktijk kwam het er op neer dat de dat de Tlahtoani over internationale politiek ging en de Cihuacoatl over het binnenlandse beleid. Dit was waarschijnlijk de rede waarom de Spanjaarden (gewend aan een enkele monarch) niet goed raad wisten met de politieke werkelijkheid van de Mexicanen. Zij hadden Monteuczoma (ook: Montezuma, Moctezuma) bestempeld als de onbetwiste leider van de Azteken en vonden het verwarrend toen bleek dat hij niet zonder meer besluiten kon nemen.

Een andere zeer belangrijke groep binnen de Azteekse samenleving was die van de handelaren, de Pochtecah. Zij vormden in feite een eigen gilde en stonden onder grote bescherming. Als een groep handelaren bijvoorbeeld overvallen werd door een vijandig leger, dan was dit een directe rede om de oorlog te verklaren. Volgens verschillende bronnen waren er Mexicaanse (Azteekse) handelskolonies van de grens met de VS in het noorden tot centraal Panama in het zuiden.

De Azteken waren echter niet de enigen. In het westen (het huidige Michoacán) was een ander rijk van mensen die zeer sterk van hen afweken: de Tarasken (eigen naam: Purepecha). De taal van de Tarasken heeft geen naaste verwanten, de Taraskische godsdienst was erg “on-Meso-Amerikaans” (er was bijvoorbeeld geen regengod) en metaalbewerking was vanaf het begin zeer goed ontwikkeld (het gebruik van metalen in Meso-Amerika kwam pas vanaf ongeveer 900 na Chr.). Verscheidene wetenschappers hebben naar en Zuid-Amerikaanse (Andes) oorsprong gewezen maar zeker is dit allerminst. Feit is dat de taal meer op Andes-talen lijkt dan op Mexicaanse talen en dat aangetoond kan worden dat de metaalbewerking uit West-Mexico regelrecht uit de Andes gekomen is (over zee).

In Oaxaca kwam tussen 900 en 1200 een nieuwe regionale machthebber op: de Mixteken (eigen naam: Ñuu Dzavui). Zij waren verwant aan de Zapoteken (eigen naam: Beni Zaa) maar namen geleidelijk een groot deel van het Zapoteekse gebied in (waaronder het oude Monte Alban). Zo wist een belangrijk Mixteeks heerser in de laat 11de eeuw een groot deel van Oaxaca onder zijn controle te krijgen. Deze geschiedenis over “Heer 8 Hert Jaguarklauw” (Iya Nacuaa Teyusi Ñaña) staan beschreven in tal van oude Mixteekse boeken. Het Mixteekse “rijk” viel echter na de dood van de stichter snel uit elkaar in verschillende statstaatjes waarvan er uiteindelijk een aantal veroverd zou worden door de Azteken. Niettemin bleven ook nogal wat Mixteekse en Zapoteekse staten onafhankelijk.

De Maya’s (geen één eigen naam) woonden vanaf 1200 vooral in de hooglanden van Chiapas/Guatemala en in Yucatán. Ook in deze laatste periode is er niet zo iets als een Mayarijk, maar zijn er wel belangrijke en minder belangrijke stadstaten. Uxmal en Chichen Itza zijn het belangrijkst tussen Klassiek (eind 900) en Postklassiek en na 1200 (tot 1450) is de stad Mayapan (Yucatán) het machtigst. Bij de komst van de Spanjaarden is er in Yucatán niet echt meer één machthebber maar zijn ongeveer 20 even sterke staten. In de hooglanden is er dan sinds kort wel weer één groep die het machtigst is: de Kikche. Overigens kent het tussenliggende gebied (Petén) dan ook weer belangrijke steden. De laatste onafhankelijke Mayastadstaat (Tayasal), die pas in 1697 door de Spanjaarden veroverd werd, bevond zich op een eiland in het grote Petén Itzá meer.

In het meest zuidelijke gebied van Meso-Amerika (El Salvador, zuid/centraal Honduras, zuid Nicaragua en noordwest Costa Rica) is in deze periode echt onderdeel geworden van het gebied. Dit door de migratie van volkeren uit Mexico zoals de aan de Azteken verwant zijnde Nicarao (migratie rond 1350).

Zuid-Amerika
Meso-Amerika en Zuid-Amerika kwamen cultureel gezien bij in zuidelijk Midden-Amerika. Van Honduras tot in Venezuela en Ecuador woonden hier de zogenaamde Chibcha-volkeren. Oorspronkelijk kwamen ze waarschijnlijk uit zuid Costa Rica maar in de tijd van Columbus woonden de grootste Chibcha volkeren in Colombia. Vanaf ongeveer 1000 na Chr. woonden hier allerlei (Chibcha) groepen die vooral gespecialiseerd waren in de metallurgie (In Colombia 2000 jaar daarvoor vanuit Peru). De twee bekendste groepen zijn de Muisca (hun hoofdstad was waar nu de Colombiaanse hoofdstad Bogotá ligt) en de Tairona (woonachtig in het noorden, rond en op de flanken van de Sierra Nevada de Santa Madre). De Muisca (ook vaak Chibcha genoemd) waren de machtigste en waarschijnlijk politiek meest gecentraliseerde groep. De naar schatting 1 miljoen mensen werden geleid door twee leiders, de Zaque en de Zipa. Men leefde in steden die voornamelijk van hout waren en die uiteindelijk in brand gezet werden door de Spanjaarden. Net als andere Colombiaanse volkeren zijn de Muisca beroemd om hun goudwerk. Belangrijker vond men echter het zogenaamde tumbaga, een legering van goud en koper (en soms zilver). Deze ingenieuze uitvinding zorgt ervoor dat de smelttemperatuur van beide metalen omlaag gaat maar de hardheid van koper sterk stijgt. Tumbaga werd geliefd bij veel indiaanse volkeren, van Mexico, via de Antillen tot in de rest van de Andes en in de Amazone. De Spanjaarden echter vonden het maar waardeloos omdat men op zoek was naar puur goud.

De Tairona bouwden wel steden van steen hoewel die pas zeer recent (jaren 70) door wetenschappers zijn gevonden, mede door de politieke situatie in het land (burgeroorlog). Deze steden zijn de grootst bekende indiaanse steden buiten Meso-Amerika en de Andes en konden door hun locatie goed verdedigd worden. De Spanjaarden voerden 75 jaar lang oorlog totdat de Tairona zich in 1600 uiteindelijk gewonnen gaven.

Over de Kleine Antillen is vrij weinig bekend, voornamelijk omdat veel eilanden niet door de Spanjaarden veroverd konden worden. Over de Grote Antillen weten we veel meer omdat Columbus hier voor het eerst aankwam. Hier woonden de Taíno (waarschijnlijk bestond er geen één term voor alle Taíno samen) en zij waren boeren (voornamelijk maniok maar ook o.a. maïs, ananas, pinda, pompoen en katoen). De gemeenschappen bestonden uit leiders (caciques, de term die later door de Spanjaarden voor bijna alle indiaanse leiders in Amerika gebruikt werd), edelen (“nitaíno”, daar komt het woord Taíno vandaan) en het gewone volk. Het eiland Hispañola (vandaag Haïti en de Dominicaanse Republiek) was waarschijnlijk het dichtst bevolkt en bestond uit ongeveer vijf verschillende politieke eenheden (cacicazcos genoemd). De Taíno waren Arawakken en kwamen dus oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. Om de eilanden te bereiken had men natuurlijk goede zeewaardige boten nodig en uit de verslagen van o.a. Columbus blijkt dat ze die ook hadden. Het woord kano komt van het Taíno woord voor boot (canoa). Andere bekende Taínowoorden die via het Spaans overgingen op andere Europese talen zijn maïs (maïs), casave (maniokmeel), orkaan (stormgod), hangmat (een mat om in te slapen) en barbecue (constructie van hout om boven een vuur vis of vlees te braden). Vanuit Colombia (direct of via de Kleine Antillen) verkreeg men goud en tumbaga wat Columbus erg enthousiast maakte.

Verscheidene complexe Arawakse culturen hebben ook in het kustgebied van Suriname bestaan waarvan de meest invloedrijke de Hertenritscultuur is geweest (vanaf 600 tot aan 1500). Deze culturen bouwden kunstmatige heuvels en hadden een permanente landbouw. Zeer waarschijnlijk zijn deze mensen vanuit de Orinocodelta in Venezuela gekomen, een gebied waarmee bij de komst van de Europeanen nog veel contact had. Belangrijke contacten waren er ook met het zuidelijker gelegen Amazonegebied. Mogelijk zijn de Caribische volkeren, die vanaf 1000 een groot deel van Suriname gaan bewonen, afkomstig uit het zuiden.

In de tropische laaglanden zijn tussen 1000 en 1500 allerlei complexe gemeenschappen ontstaan en er zijn zes grote taalfamilies waarvan er twee (de Arawakken en de Tupi) zich over het hele gebied verspreid hebben. Op het moment dat de eerste Europeanen komen wonen de grootste gemeenschappen langs de grote rivieren (Amazone, Río Negro, Xingú, etc). Zij bouwen hun grote dorpen (steden?) in een lang lint langs de oevers. In het zuidelijke savannegebied bouwt men ronde dorpen waarbij de huizen om een groot centraal plein staan. Deze bouwvorm bestaat hier nog steeds maar destijds waren de dorpen wel vele malen groter. De Tupinambá (Tupi) zijn rond 1500 bezig met de bevolking van het Braziliaanse kustgebied en hun verwanten de Guaraní trekken steeds verder naar het zuiden (Paraguay, Argentinië, Uruguay). Het zijn de meest zuidoostelijke boeren, bij de Tupinambá vooral maniok en bij de Guaraní vooral maïs. In de Boliviaanse en Colombiaanse (Venezuela) savannegebieden wonen boeren die grote heuvels oprichten en aan irrigatie doen. Het contact met de Andes (o.a. voor de handel van b.v. metalen uit de Andes tegen voedsel uit het laagland) is zeer belangrijk.

De Andes zelf kende vanaf de laat 14de eeuw de opbloei van het grootste indiaanse rijk ooit, dat van de Inca’s. In de periode tussen Wari/Tiwanaku en de Inca’s (1000-1400) echter zijn weer allerlei locale culturen bijzonder succesvol. De belangrijkste daarvan is die van Chimú (Chimor). Zij wonen in hetzelfde noord-Peruaanse kustgebied als de Moche (1-500) voor hen en bouwen een machtig rijk op met een enorm grote hoofdstad: Chan Chan. Het rijk is erg op de zee gericht en is een spil in de zeehandel tussen het zuiden (de kuststad Chincha) en het noorden (de Ecuadoriaanse kustcultuur Manteño-Huancavilca). De Ecuadorianen exporteren de steeds belangrijker wordende spondylusschelp en hebben zelfs contacten met Mexico. Door deze zeehandel bereiken o.a. metalen (brons, koper) het westen van Mexico en via Chan Chan en Chincha bereiken de Ecuadoriaanse schelpen de zuidelijke Andes (Bolivia, Argentinië). De Inca’s uit de zuidelijke Peruaanse hooglanden worden duidelijk aangetrokken door de rijkdom van de kustgebieden en weten heel snel hun 5500 kilometer lange rijk (van Zuid-Colombia tot centraal Chili) te veroveren. Dit enorme rijk wordt geregeerd vanuit de hoofdstad Cuzco, door goed aangelegde wegen en door een indeling van de gehele maatschappij in decimale eenheden (bijgehouden in de quipu). Belangrijk is ook dat men de veroverde gebieden economisch bijna vrij laat en men opstandelingen deporteert naar andere gebieden binnen het rijk. Op het moment dat de Spanjaarden komen is het Incarijk echter al van binnenuit ernstig verzwakt door Europese ziektes die al vóór Pizarro het land bereikt hadden en door een interne machtsstrijd tussen twee troonpretendenten.

In het uiterste zuiden van Zuid-Amerika was het Incarijk al eerder tot staan gebracht door de Mapuches in Chili. Ook de latere Spanjaarden slaagden er niet in hen te onderwerpen. Aan de Argentijnse kant, in Patagonië, woonden voornamelijk jagers/verzamelaars die vooral op de guanaco (wilde voorouder van de lama) joegen.

1800-2000:
Interne kolonisatie (van Bolivar/Washigton tot vandaag de dag)

Uiteraard is er de afgelopen 500+ jaar veel veranderd. De culturen die in 1492 bestonden zijn voor een groot gedeelte totaal weggevaagd door ziektes, geweld en menselijke keuzes. In grote delen van Noord-Amerika is er zelfs bijzonder weinig overgebleven van de oorspronkelijke culturen. In plaats daarvan zijn echter geheel nieuwe indiaanse culturen gekomen. Culturen die deels (in meer of mindere mate) wel degelijk terug te voeren zijn op de pre-Europese. Cultuur is immers niet iets statisch. Europese culturen van nu zijn ook totaal anders dan die van 500 jaar geleden.
De talen hebben het ook zwaar te verduren gehad. Voor veel indiaanse volkeren vandaag de dag valt cultuur en taal eigenlijk niet goed te scheiden. Taal maakt onderdeel uit van de cultuur. Dat is ook de rede waarom er veel “revalidatie” programma’s zijn voor indiaanse talen, vooral in het noorden. Toch blijven de vooruitzichten somber. In Canada heeft men berekend dat van het aantal talen vandaag de dag (ongeveer 50) er slechts vier deze eeuw zullen overleven.Naar schatting werden er ongeveer 2000 verschillende talen gesproken in 1492. Daarmee was het, taalkundig gezien, een van de meest rijke gebieden ter wereld. Vooral langs de Noord-Amerikaanse westkust en in het westelijke deel van het Amazonegebied werden bijzonder veel talen gesproken. Eigenlijk is er maar een plaats ter wereld die daarmee te vergelijken was (is): het eiland Papua. Deze talen zijn door verschillende taalkundigen opgedeeld in allerlei taalfamilies. Er bestaat echter grote onenigheid over de vraag hoeveel families er zijn en hoe de verwantschappen precies zijn. Er zijn twee uitersten te noemen. De Amerikaanse linguïst Joseph Greenberg stelde vast dat er in feite slechts drie grote superfamilies bestonden: de “Eskimo-Aleut” talen, de “Na-Dene” talen (o.a. de Athabasken) en vervolgens alle andere Amerikaanse talen van geheel Latijns-Amerika en resterend Noord-Amerika. Deze laatste groep (waar ook de meeste kritiek op kwam) noemde hij “Amerind”. Dit ging veel collega’s te ver maar het andere uiterste (alleen in Noord-Amerika al ruim 30 verschillende families) is op wereldschaal gezien toch ook op z’n minst opmerkelijk te noemen. Europa heeft maar vier van zulke grote families en Azië (dat veel groter is dan Noord-Amerika) heeft er minder dan 30. De discussie gaat door.Statistiek & Politiek per land
Het aantal indianen in de Amerika’s vandaag de dag (volgens schattingen ongeveer 40 miljoen) verschilt nogal per land (zie kaart). De meeste wonen in de Andes (Bolivia, Peru, Ecuador) en in het voormalige Meso-Amerika (Mexico, Guatemala). Datzelfde geldt ook voor hun politieke status. In sommige landen zoals de VS en Brazilië hebben ze speciaal voor hen bestemde stukken land (reservaten). In andere landen bestonden ze tot voor kort officieel niet eens (Peru) of staat men zeer sceptisch tegenover speciale inheemse

Bronnen

http://lenschot.blogspot.com/2006_12_01_archive.html

http://www.ditisamerika.nl/index.php?page=indianen

Anti -vries

VISSEN VOL ANTI-VRIES

7 juni 2002:
In 1982 ontdekken onderzoekers dat sommige vissen een soort antivries-eiwit in hun bloed hebben, waardoor ze in water met temperaturen onder het vriespunt kunnen overleven.

Koudbloedige vissen uit de ijskoude Russische wateren bevatten antivrieseiwitten in hun aderen om te voorkomen dat ze doodvriezen.

Onderzoekers isoleerden deze eiwitten voor het bewaren van sperma en organen.
In de zeeën rond de Noord- en Zuidpool kan het water afkoelen tot -1.9 °C. Het zeezout maakt watertemperaturen mogelijk onder het vriespunt, zonder dat het water bevriest. Toch zijn sommige vissen in staat te overleven. Het geheim? Antivries! In de aderen van deze koudbloedige dieren is een combinatie van eiwitten aanwezig die voorkomt dat de beestjes bevriezen in hun barre leefomgeving.

Deze antivriesglycoproteinen (AFGP) verhinderen de vorming van ijskristallen in het bloed en andere lichaamssappen van de vis. M. Karanova en haar collega’s van het Instituut voor Celbiofysica van de Russische Academie voor Natuurwetenschappen en het Instituut voor Visserij onderzochten nieuwe toepassingen voor deze eiwitten.

AFGP zijn zeer belangrijk voor de cryobiologie, het invriezen van biologisch materiaal, als sperma, organen of weefsels. Sperma wordt bewaard in vloeibare stikstof, bij een temperatuur van -196 °C. Om te voorkomen dat de spermacellen doodvriezen, worden ze bewaard in een zeer giftig medium. Door uit kabeljauw geïsoleerde AFGP aan het medium toe te voegen, is slechts nog de helft van het medium nodig. Daarnaast is een groter percentage van de spermacellen na ontdooien nog actief. Wordt het dan toch ooit mogelijk jezelf in te vriezen en vervolgens gewoon weer door te leven?

Extra Links: Antivries eiwitten
NSF: Antifreeze proteins — Secrets for mankind?
Exploratorium: Fish, fresh not frozen
New Scientist: Protein protecting freezing tissues is synthesised

Bezoek de website van Natuur & Techniek

 

VISSEN VINDEN ANTI-VRIES TWEE KEER UIT 

Het bestaan van convergente evolutie, waarbij twee verschillende diersoorten onafhankelijk van elkaar een zelfde aanpassing ontwikkelen is geen nieuws.

Denk maar aan de overeenkomstige lichaamsvormen van haaien en dolfijnen, of het vliegvermogen van vogels en vleermuizen.

Nu is echter aangetoond dat zoiets ook in de biochemie van dieren kan gebeuren. Onderzoekers van de universiteit van Illinios hebben ontdekt dat vissen uit de zee챘n rond de Noord – en zuidpool vrijwel identieke eiwitten produceren, maar deze eiwitten evolutionair onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.

Het gaat om antivrieseiwitten, die een beginnende ijskristal insluiten en zorgen dat het niet veder kan groeien.
Dat is nodig, omdat door de hoge zoutconcentratie het zeewater rond de vissen pas bij min 1,9 C bevriest. Zonder “maatregelen” zouden de vissen in zulk koud water onmiddellijk bevriezen.

De onderzoekers hebben dus aangetoond dat in de loop van hun evolutie vissen minstens twee keer dezelfde uitvinding hebben gedaan.

De vissen in de zuidelijke wateren deden dat zo’n vijf tot veertien miljoen jaar geleden, zo maakten de wetenschappers uit hun erfelijke materiaal op.

Dat komt overeen met het tijdstip waarop de oceaan rond Antarctica begon te bevriezen en het nieuwe eiwit dus nodig was.

Waarneer de noordelijke vissen hun antivries hebben uitgevonden is nog niet bekend, maar omdat de noordelijke zee챘n pas ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden begon te bevriezen, verwachten de wetenschappers dat ze er later mee waren.

Chi-Hing Cheng van de ‘University of Illinois’ te Urbana-Champaign en zijn medewerkers beschreven in “Proceedings of the National Academy of Sciences” een analyse van antivries proteïnen die ze vonden bij twee groepen vissen: de ‘notothenioids‘ van Antartica en de kabeljauw uit de zee rond de Noordpool.

Indeling \ naam Kabeljauw
Engelse naam Nortern cod notothenioids
Leefgebied Noordpool zeeën Zuidpool zeeën
Afmetingen
Soort
Genus Gardus norrhua
Familie Godidae Baarsachtigen (4) àNotothenioidel
Orde Anacaothini BeenvissenPerciformes of Percomorfie

Het voorkomen van het bevriezen van het bloed van de vis gebeurt door aan elk beginnend ijskristal een antivries proteïne te binden. Het kristal kan niet verder groeien. Een heel aantal zeedieren uit de poolgebieden beschikken over een soort antivriesproteïne. Doch ze zijn allemaal verschillend van bouw. De aminozuren waaruit ze zijn opgebouwd liggen mooi verspreid tussen de 20 bouwstenen die het aardse leven rijk is. Doch in het geval van de twee onderzochte soorten zijn de antivriesmoleculen volledig gelijk. Ze bestaan uit een repeterend trio van alaline, threonine en proline.

Dr. Cheng en haar collega’s stellen dat de twee vissen dit antivriesmiddel onafhankelijk van mekaar ontwikkeld hebben. En wel met een tussenperiode van 12 miljoen jaar. De reden van de gelijksoortige ontwikkeling zou liggen in de eenvoud van de proteïnemolecule

Kabeljauw ontwikkelde evolutionair een genetisch gecodeerde nuttige weerstand tegen vrieskoude vanuit het aanwezige niet-coderende “Junk-” DNA ?

http://www.sciencedaily.com/releases/2006/04/060404090831.htm

Evolutionary scrap-heap challenge: Antifreeze fish make sense out of junk DNA

http://www.eurekalert.org/pub_releases/2006-04/sfeb-esc033106.php

Why Fish Don’t Freeze in the Arctic Ocean: Chemists Unmask Natural AntifreezeScienceDaily (Aug. 26, 2010)

Simon Ebbinghaus, Konrad Meister, Benjamin Born, Arthur L. DeVries, Martin Gruebele, Martina Havenith. Antifreeze Glycoprotein Activity Correlates with Long-Range Protein−Water Dynamics.

Abstract Image

http://pubs.acs.org/doi/abs/10.1021/ja1051632

( Abstract )          ……Antifreeze proteins (AFPs) and antifreeze glycoproteins (AFGPs) enable the survival of organisms living in subfreezing habitats and serve as preservatives. Although their function is known, the underlying molecular mechanism was not understood. Mutagenesis experiments questioned the previous assumption of hydrogen bonding as the dominant mechanism. We use terahertz spectroscopy to show that antifreeze activity is directly correlated with long-range collective hydration dynamics. Our results provide evidence for a new model of how AFGPs prevent water from freezing. We suggest that antifreeze activity may be induced because the AFGP perturbs the aqueous solvent over long distances. Retarded water dynamics in the large hydration shell does not favor freezing. The complexation of the carbohydrate cis-hydroxyl groups by borate suppresses the long-range hydration shell detected by terahertz absorption. The hydration dynamics shift toward bulk water behavior strongly reduces the AFGP antifreeze activity, further supporting our model.

http://aktuell.ruhr-uni-bochum.de/pm2010/pm00250.html.en http://www.sciencedaily.com/releases/2010/08/100825103832.htm

This is the fish, Macropteris maculatus, with antifreeze protein structure. (Credit: Konrad Meister


http://scilib.ucsd.edu/sio/nsf/gallery/gallery10.html

Pagothenia borchgrevinki

Pagothenia borchgrevinki, cryopelagic Antarctic species living near the platelet layer underlying fast sea ice.

How do these fish keep from freezing?…..Antifreeze.

Pagothenia borchgrevinki lives in the upper six meters of water swimming beneath the sea ice undersurface and entering it to feed and take refuge. In McMurdo Sound, the seawater has a nearly constant mean annual temperature of -1.86 degrees Celsius (28.65 degrees Fahrenheit) and temperature doesn’t vary much with depth or season — 0.2 degrees Celsius (0.36 degrees Fahrenheit). Ice grows in the uppermost thirty meters of McMurdo Sound during spring and early summer when water temperature is below the seawater freezing point [1]. Ice formation decreases with increasing depth due to the effect of pressure on the freezing point.
Shallow water fish have evolved to live in close association with ice. Pagothenia borchgrevinki (and all nototheniid fish in McMurdo Sound) are protected by glycopeptide and peptide antifreeze compounds which lower the freezing point of their body fluids below the freezing point of seawater [2,5]. These compounds are synthesized in the liver, secreted into the blood, and distributed to body fluids where they prevent freezing by adsorbing to, and inhibiting the growth of ice crystals [3,5]. These fish actually have ice present on their external tissues (integument, gills, and intestinal tract) while their internal tissues (except the spleen) are ice-free [1]. The presence of ice in the spleen suggests that the spleen removes ice crystals from the fishes’ circulation [1].
These antifreeze compounds are being commercially marketed for product development by A/F Protein; their web site mentions several potential applications, including cell protection during cold storage (animal and human eggs, blood platelets) and improved quality of frozen foods [4].
1: Freezing Avoidance and the Presence of Ice in Shallow Water Antarctic Fishes. R Tien. PH.D. dissertation. University of Illinois at Urbana-Champaign, 1995; 2: Science 172:1152-1155, 1971; 3: Antarctic Communities: Species, Structure and Survival. B Battaglia, J Valencia and DWH Walton, eds. Cambridge: Cambridge University Press, 1997. pp.202-208; 4: http://www.afprotein.com; 5: Water and Life : Comparative Analysis of Water Relationships at the Organismic, Cellular, and Molecular Levels. GN Somero, CB Osmond, CL Bolis, eds. New York : Springer-Verlag, 1992. pp. 301-315

 

 

Krokodilijsvissen en hun evolutie           12 februari 2010 22:08 pierra

zuid-atlantische oceaan, antarctica, notothenioidei, microtubuli, hemoglobine, krokodilijsvis, mioglobine

Krokodilijsvissen zijn vissen die geen hemoglobine bezitten, hun bloed is transparant en de vis is kleurloos. Ze leven in de Antarctische Oceaan waar de temperatuur van het water onder de 0 graden kan liggen. De vis heeft zich daar op verschillende manieren aan aangepast. Sean B. Carroll schreef er over in zijn boek ‘The Making of the Fittest’. Hier begon zijn verhaal.

Johan Ruud reisde in 1930 af naar het eiland Bouvet in de Atlantische Oceaan. Een student die hem twee jaar geleden voorging wees zijn medereizigers op het feit dat er witte vissen rondzwommen. Johan Ruud hoorde van de vissers dat er vissen zonder bloed bestonden, maar geloofde hen niet! Pas in 1953 (23 jaar later!) kreeg hij de kans er terug te keren en enkele exemplaren te bestuderen. In 1954 schreef hij er een artikel over. De vis is het enige gewervelde dier zonder rode bloedlichaampjes. Het fossielenbestand geeft geen antwoord op de vraag waar deze vis uit voortkwam, maar

Van Wikipedia: larve van krokodilijsvis

DNA-onderzoek van 1993 wees uit dat de twee genen die normaal de DNA-code voor hemoglobine bevatten uitgestorven waren. Een van de twee is louter een gemodificeerd overblijfsel en is onbruikbaar. Het tweede gen, dat bij andere vissen er direct naast ligt is compleet verdwenen. Dit betekent dat deze ijsvissen voorgoed de genen, die voor meer dan 500 miljoen jaar de overlevening van hun voorouders bepaalden, verloren hebben.

Als gevolg van veranderingen in de stromingen in de oceanen, bleven de wateren rond de Antarctica eeuwig koud. De vissen die hier leefden stierven uit of pastten zich aan. De grotere onderorder Notothenioidea, die wel uit 200 soorten bestaat, domineert deze wateren. Al deze vissen moeten de viscositeit van hun bloed verlagen en doen dat door hun rode bloedlichaampjes te verminderen; hun hematocriet ligt rond de 16%, terwijl wijzelf zo’n 45% hematocriet hebben. Maar de krokodilijsvissen hebben al hun rode bloedlichaampjes opgegeven en hebben alleen 1% witte bloedlichaampjes (per volume); hun bloed is ijswater. Nu is zuurstof veel beter oplosbaar in ijskoud water. De krokodilijsvissen hebben enorme kieuwen, een huid zonder schubben en grote haarvaten. Dit alles verhoogt natuurlijk de opname van zuurstof uit de omgeving. De vissen hebben ook grotere harten en bloedvolumen dan hun roodbloedige verwanten. Een studie door B.D. Sisel et al. beschouwt dit als een niet-adaptieve verandering voor de ijsvis (omdat er ook nadelen aan verbonden zijn?)

Ook microtubuli, die verantwoordelijk zijn voor het cytoskeleton, de celdeling en celvorm en die in alle eukaryoten (planten, dieren, schimmels) goed geconserveerd zijn, worden onder de 10°C onstabiel. Nu blijken de genen voor microtubuli in deze vissen

Van internet: doorzichtige krokodilijsvis  met duiker

zoals ook in de roodbloedige Antarctische vissen, zodanig gemuteerd te zijn dat hun eiwitproduct toch functioneel is bij lage temperaturen.Een andere eigenschap is dat de vissen geen mioglobine bezitten. Dit globine legt zuurstof vast binnen de spierweefsels als reserve. Tenminste 5 soorten hebben dit globine niet, terwijl andere weinige soorten nog wat in hun hart hebben. Uit DNA-analyse blijkt dat het gen voor mioglobine gedeeltelijk gemuteerd is. Het is bezig een fossiel gen te worden.

Dan is er nog de uitvinding van het antivriessysteem. Het plasma van Antarctische vissen (dus niet alleen de krokodilijsvissen) zit tsjokvol ongebruikelijke maar simpele proteinen die bestaan uit 4 tot 55 herhalingen van slechts 3 aminozuren. Waar zouden deze genen vandaan komen? Het blijkt dat het gen voortkomt uit een afgebroken gen dat verantwoordelijk was voor de spijsvertering en dat gerecycled is als een antivriesgen.

Het is mogelijk de langzame evolutie en specialisatie met de bestudering van het DNA van deze vis te volgen. Alle 200 soorten Antarctische notothenoide-soorten hebben anti-vries genen, dus dat was een vroege uitvinding. Dit geldt ook voor de microtubuli-genen

Slechts 15% ijsvissen hebben fossiele (verdwenen) hemoglobinegenen. Dit betekent dat het verlies van deze genen gepaard ging met het ontstaan van de eertse krokodilijsvissen. Sommige ,van deze ijsvissen kunnen mioglobine aanmaken en sommige niet meer; het verlies van mioglobine is nog steeds aan het evolueren.

De ijsvissen maakten een bijzonder evolutionair traject door zich aan te passen aan de constant koude omstandigheden van de Oceaan rond Antarctica. Door het definitieve verlies van bepaalde eigenschappen kan hun toekomst wel eens in gevaar komen. Het krill, waar de krokodilijsvis zich mee voedt, is in de regio met 80% gedaald. De luchttemperatuur is in de laatste 50 jaar met 1 tot 2 graden gestegen en de watertemperatuur zal met enkele graden stijgen de komende 100 jaar. Het is waarschijnlijk dat onze krokodilijsvis het dan niet zal redden.

Bron: Sean B. Carroll; ‘The making of the fittest’. Aangeraden door ing St Hawk.

 

 

GENDUPLICATIES  

Geplaatst op januari 14, 2011 door pierraveneta

http://ascendenza.wordpress.com/2011/01/14/genduplicatie/

Een recent onderzoek toont aan dat het antivriesgen in een Antarctische vis (de puitaal) voortkomt uit de duplicatie van een gen voor een enzyme dat siaalzuur produceert (SAS), een stof die eiwitten beschermt tegen proteasen. Ook in planten is genduplicatie aangetoond.

Genduplicatie is een belangrijk evolutionair mechanisme dat aan de basis staat van het ontstaan van nieuwe genetische functies. Susumo Ohno schreef er een boek over met detitel Evolution by gene duplication (1970).

Genduplicatie

Genduplicatie uit Wikipedia

 Genduplicatie kan een gevolg zijn van een fout in homologe recombinatie, een fenomeen dat gedurende de meiose en tijdens de reparatie van DNA kan plaatsvinden. Gedurende meiose worden gedeelten van homologe chromosomen uitgewisseld. Is deze uitwisseling niet geheel wederzijds dan kunnen deze chromosomen een heel nieuw gen of gencluster erbij krijgen. Hetzelfde kan zich ook voordoen tijdens reparatie van DNA, waarbij de intacte kopie van het homologe chromosoom als sjabloon dient voor de reparatie van het defecte chromosoom. Ook hier geldt dat wanneer er daarbij iets fout gaat er genduplicaties kunnen ontstaan. Dit mechanisme van genduplicatie is het gevolg van een fout, maar aangezien het verantwoordelijk is voor een zeer belangrijk aspect van de ontwikkeling van het genoom moet het als een volwaardig mechanisme van evolutie beschouwd worden. De nieuwe kopie is nu vrij te muteren zonder dat de oude functie van de originele kopie verloren gaat.

Puitaal

Puitaal

De studie van genduplicatie bij de puitaal laat zien dat het antivriesgen (AFPIII) evolueerde uit een SAS-gen dat als gevolg van genduplicatie in twee kopieën aanwezig was. Dit bevrijdde de kopie uit het adaptieve conflict. Dit conflict doet zich voor wanneer een gen door mutatie een nieuwe functie erbij krijgt en de oude, misschien wel essentiële functie dreigt te verliezen. Wordt het muterende gen daarentegen gedupliceerd dan kan één van de twee kopieën de nieuwe functie ontwikkelen. Het SAS-gen heeft zowel een enzymatische als antivriesfunctie, maar wordt niet door de cel uitgescheiden. Een extra peptide in het eiwit dat door het AFPIII-gen geproduceerd wordt, zorgt ervoor dat dit antivries-eiwit ook in het bloed en in de extracellulaire vloeistof terecht komt.

Ook in planten werd een analoog geval van genduplicatie ontdekt. De onderzoekers baseren zich daarbij op syntenie: eventuele genduplicaties bevinden zich in hetzelfde

grote leeuwenbek

Grote leeuwenbek

gebied van een chromosoom. Twee genen respectievelijk het AGAMOUS (AG) gen van de zandraket Arabidopsis thaliana en het PLENA (PLE) gen van de grote leeuwenbek, Antirrhinum majus hebben een analoge functie. Muteren deze genen dan worden meeldraden en stampers vervangen door bloembladen en kelkbladen en vormen zich dubbele bloemen. Analyse van de syntenie toont aan dat deze twee genen voortkomen uit een genduplicatie die zich 125 miljoen jaar geleden voordeed.

Uit: PNAS, Wikipedia, Physorg.com (antivries), Physorg.com (planten)

http://sensuouscurmudgeon.wordpress.com/2011/01/13/how-one-gene-becomes-two-different-genes/#comments

http://pandasthumb.org/archives/2011/01/gene-duplicatio-1.html#comments-open

http://www.hhmi.org/research/investigators/carroll.html

http://science.jrank.org/pages/48470/Genetic-Redundancy.html

 

 

#Gerdien De Jong

januari 15, 2011 om 21:10

Het is jammer dat één van de bijbehorende persberichten ( * )het hele topic weer met hype opzadelt.

Hebben journalisten en wetenschappers niets geleerd van Darwinius en de arseenbacterie?

Christina Cheng
“Dit is de eerste duidelijke demonstratie voor evolutionaire adaptieve ontwikkeling, op grond van het onderliggende proces van gen-duplicatie en mutationele verandering in de stamlijn van dochter-gen duplicaten , met als resultaat een geheel nieuwe uitgeselecteerde functie in een van de dochter-gen exemplaren “,
zei Cheng.
“Dit is nog niet eerder beschreven binnen het vakgebied van de moleculaire evolutie.”

Puh: ooglenscrystallines zijn leerboekstuf.

(* )Tsjok

januari 15, 2011 om 23:04

Het “persbericht ” waarin de uitspraken van professor zoologie Christina Cheng zijn gepubliceerd , is afkomstig van de universiteit van illinois
http://www.news.illinois.edu/news/11/0112genes_cheng.html

Over die “crystallines” in het vertebraten oog meen ik iets te hebben gelezen in een artikel uit 2005
http://www.ru.nl/actueel/vm_archief/jaar_2005/onderzoeksnieuws/ncmls/nieuw_zicht_op/

van de Radboud universiteit en gebaseerd op de nederlandse inbreng van het artikel in
Current Biology, dd 20-9-2005: Urochordate ß? -crystallin and the evolutionary origin of the vertebrate eye lens.
Sebastian M. Shimeld,1 Andrew G. Purkiss,2 Ron P.H. Dirks,3 Orval A. Bateman,2 Christine Slingsby2 and Nicolette H. Lubsen3.

Wanneer ik dat nog eens nalees en dat combineer met enige achtergronden uit http://en.wikipedia.org/wiki/Crystallin

meen ik te begrijpen dat vele verschillende oog-cristallines -( proteine-families) bij de vertebraten , allemaal afkomstig kunnen zijn van genduplicaten-lijnen uit het oorspronkelijke oog-crystalline gen van zakpijpen , die immers worden geacht dicht bij de basis te liggen van de vertebraten ?

Blijkbaar heeft deze prof Cheng dus geen “primeur ” ?

Voor zover ik weet is genduplicatie en daarbij soms voorkomende verandering van functie en adaptatief voordeel , ook allang vastgesteld bij gisten

Crystallines onderzoek zijn een deel van de leerboekstof. over genenduplicering en hun evolutionaire implikaties

*Gerdien

januari 16, 2011 om 15:14 (zie blog commentaren voor de context )

Er werd al langer aan crystallines gewerkt in Nijmegen.

Leerboekstof over genduplicaties …. Leerboek is Freeman & Herron, Evolutionary Analysis, blz 101 3de druk 2004, blz 103 4de druk 2007.


-Genduplicaties met verandering van functie en daarbij horend adaptief voordeel zijn (wat mij betreft -)zo oud als de wereld (=dwz even oud als moleculaire evolutie). Wat hier nieuw is (ontdekt ) , is het gebruik van een deel van het gedupliceerde SAS gen, nl exon 6 van SAS B – als het belangrijkste onderdeel van een nieuw gen voor AntiFreezeProteinIII; in feite een set zelf gedupliceerde genen.

 

 

 

VLOOIEN MET ANTI-VRIES   //Aanwijzingen voor parallelle evolutie

Dat willen wij ook

“Insectenelastiek – Beestachtig sterk rubber eindelijk nagemaakt”, Noorderlicht nieuws, 12 oktober 200

 “Sliertjeswereld – Droge oersoep bevatte levenssuiker” (8 jan 2004)

Biochemici in Canada hebben eiwitten met antivriesfunctie aangetroffen in sneeuwvlooien. De antivrieseiwitten (AFP’s) verlagen de vriestemperatuur en voorkomen de vorming van ijskristallen. De eiwitten verschillen van die bij andere insecten. De onderzoekers zien dat als een gevolg van parallelle evolutie.

Antivries is een veelvoorkomende aanpassing in de natuur. Vissen, insecten, planten en bacterieën maken er gebruik van.

Het bekendst is de natuurlijke antivries van de kabeljauw die in de Noorderlijke IJszee zwemt. Het water heeft daar de temperatuur voor bevriezend zeewater (- 1,8 graden Celsius). En alleen dankzij de gespecialiseerde eiwitten in hun bloed hebben de vissen daar geen last van.

De één tot twee millimeter kleine ‘sneeuwvlo’ (Hypogastrura harveyi) maakt van de zelfde truc gebruik, maar wel met totaal andere eiwitten. Dat schrijven de biochemici Laurie Graham en Peter Davies van de Universiteit van Kingston in Canada deze week in het wetenschapsblad Science.

Ze plukten begin maart een aantal sneeuwvlooien, ook bekend onder de beeldende naam ‘springstaartjes’, uit de sneeuwbanken en het smeltwater van een rivier in Ontario. De beestjes stampten ze in een vijzel tot moes, waarna de experimenten konden beginnen. Dàt de vlooienmoes antivries bevat, bleek uit het feit dat de drab pas bij -5,8 graden Celsius bevroor.

Antivrieseiwitten hebben een dubbele functie: ze verlagen het vriespunt en bovendien verstoren ze de vorming van ijskristallen. Dat is van belang omdat ijskristallen onherstelbare schade aanrichten in levende cellen.

De antivrieseiwitten (AFP’s) hechten zich aan ijskristallen, om daar vervolgens de groei zoveel mogelijk te storen. Van die eigenschap maakten de biochemici gebruik om de eiwitten te winnen uit een oplossing met vlooienmoes. ‘IJsaantrekkingspurificatie’, noemden ze dat. Door die vrieszuivering konden ze de verantwoordelijke eiwitten identificeren. Het zijn er twee en ze bevatten veel glycine (een aminozuur), stelden Graham en Davies vast.

Het verrassende is dat die eiwitten weinig weg hebben van de antivries die van andere insecten (motten en kevers) bekend was. Daaruit begrijpen de onderzoekers dat de antivries pas ontstond nadat de insectensoorten zich splitsten. Er heeft daarna dus een parallelle evolutie plaatsgevonden. Daarom valt ook te verwachten dat andere insecten weer andere eiwitten met antivries eigenschappen hebben ontwikkeld.

Jos Wassink

Laurie A. Graham and Peter L. Davies: “Glycine-rich antifreeze proteins from snow fleas”, Science, Vol. 310, 21 okt 2005

Sluit dit venster

Drie springstaartjes bij de rand van een lineaal. Foto’s: Science

Sluit dit venster

iJsbollen. De linker bol bevat gepureerde vlooien, de rechter niet. Het vlooienextract verstoort de ijskristalvorming waardoor de ijsbol mat wordt.

Sluit dit venster

De veronderstelde werking van de antivrieseiwitten (AFP’s). In de driehoekvormige uitvergroting is te zien hoe het ijsfront om de AFP-bolletjes heen groeit. De grote kromming maakt de kristalvorming energetisch onaantrekkelijk (het Kelvin-effect).

 

 

ANTIVRIES -INSECTEN   3-04-2007     http://noorderlicht.vpro.nl/noorderlog/

Hoe overleven poolinsecten de barre winters? Heel simpel. Ze komen de winter door met antivries. Of ze laten zich leeglopen.

Insecten op de polen trekken niet naar warmere streken wanneer de ijzige winter voor de deur staat. Ze blijven gewoon waar ze zijn. Gelukkig hebben ze een arsenaal aan handige trucjes om te overleven bij hevige kou. Melody Clark van het British Antarctic Survey bekeek de handigheidjes van twee soorten insecten en liet de gegevens zien op de jaarlijkse bijeenkomst van de Society for Experimental Biology in Glasgow.

De Arctische springstaart, die op de Noordpool leeft, laat zich in de winter helemaal leeglopen en neemt het uiterlijk aan van een in elkaar gefrommeld leeg pakje sap. Op die manier valt er weinig te bevriezen. Het uitdroogproces wordt in gang gezet door de kou. Als de winter voorbij is, is een drupje water genoeg om het insect weer zijn normale vorm terug te geven.

De Antarctische springstaart pakt het anders aan. Dit insect heeft een voorraadje antivries in zijn lichaam waardoor hij bij min 30 nog niet bevriest. Maar niet alle dieren bleken even vriesbestendig. De onderzoekers weten nog niet hoe dit komt.

Als de Arctische springstaart zich laat leeglopen lijkt hij net een in elkaar gefrommeld pakje sap (Raymond Borland).

Acrosternum hilare http://news.nationalgeographic.com/news/2003/05/0508_030508_tvstinkbugs.html

Green Stink Bug

http://ucalgary.ca/~kmuldrew/cryo_course/cryo_chap12_2.html
http://en.wikipedia.org/wiki/Antifreeze_protein

 

 

KWAAK UIT DE DIEPVRIES 

In Alaska komt de Rana sylvatica voor ( overigens niet alleen maar in Alaska )


De Rana sylvatica kan zich volledig laten bevriezen. .http://animaldiversity.ummz.umich.edu/site/accounts/information/Rana_sylvatica.html

Alaska is alleen gedurende de zomermaanden een kikkervriendelijk land.
De vermelde kikkersoort komt algemeen voor in het “Denali National Park” met redelijke zomertemperaturen, maar met een gemiddelde Januari temperatuur van – 17째 Celsius.
Dat is veel te koud voor deze koudbloedigen om actief te blijven .
Zodra de winter komt zal de kikker overschakelen naar een soort winterslaap, maar dan in diep-gevroren toestand .

Zodra het warmer wordt ontdooit de kikker weer en gaat zijn weg alsof er nooit iets gebeurd is.

Dat kan allemaal dankzij genetiese programmas.

Recentelijk ( ik geloof in 2003) ontdekten moleculair biologen een nieuw gen (fr47) dat een belangrijke rol speelt in het vries-dooi proces van Rana sylvatica.(A)

Het feit wil dat er nog een aantal kikkers zijn die eveneens kunnen bevriezen en ontdooien:
Pseudocaris crucifer en Hyla Versicolor.

Ze zijn van een ander genus dan de R sylvatica.


Ze komen van twee verschillende families, de Ranidae en de Hylidae.(1)

Er was dus (uiteraard )ooit een gemeenschappelijke voorouder voor beide families, met daarin aanwezig het fr47 gen.?

Dit gen is handig in zeer koude niches en zal alleen gehandhaafd blijven op zeer hoge breedtegraden (zoals Alaska). (2)

Speciatie vond plaats vanuit een voorouderlijk genoom
Alleen die beesten die het fr47 gen bewaarden overleefden de kou.

Rana sylvaticus,
Pseudacris crucifer
en
Hyla Versicolor hebben alle het fr47 gen bewaard.

http://animaldiversity.ummz.umich.edu/site/accounts/information/Pseudacris_crucifer.html

http://animaldiversity.ummz.umich.edu/site/accounts/information/Hyla_versicolor.html

Bron ;
Bovenstaand inleidend artikel is een door mij “bewerkte versie” van ” kouwe kikkers ” een kommentaar van de creationist Peter Borger
http://www.volkskrantblog.nl/bericht/202291

met verwijzing naar  McNally JD et al. Biochim BioPhys Acta 2003, 1625(2): 183-191.

(A)
http://www.cnslab.carleton.ca/~kbstorey/array/04-kbs4.pdf
Hier( artikel uit 2004) kan je lezen dat
Verschillende gradaties van “biochemische” overwinterings-strategieen en metabolische aanpassingen (programma?) aan een bevroren toestand ook ( onder meer anti-vries )voorkomen bij slangen en schildpadden …

Het gaat bovendien ____ volgens dat artikel ____ook over meerdere samenwerkende complexen van genen niet over een enkel( weliswaar ) nieuw ontdekt(sleutel?) gen ….
(1)
Ooit was er een docu te bekijken op national geographics waarin ook schorpioensoorten voorkomen ( uit de Death lands en de gebergten in de Mojave en uit azie )
Die beesten kunnen ook in de diepvries en daarna terug ontdooien in de zon en verder hun gangetje gaan …
http://news.nationalgeographic.com/news/2003/06/0624_030624_scorpions_2.html

Misschien zijn ze ook in het bezit van dat bepaalde gen ?  maar ze behoren daarom nog niet tot de voorouders of de verwanten van de “kikkers

(2)
en natuurlijk heersen dergelijke toestanden ook in het hooggebergte
Eigenlijk zijn er nogal wat amfibieen die vorst kunnen weerstaan.
Er zijn zelfs salamanders die bij een fractie onder nul nog actief zijn.
Het verband lijkt me eerder dat al die dieren in het hoge noorden leven.
Of in het hooggebergte. Want ook hoog in de Andes overleven kikkers nachtelijke vorst en dat elke nacht weer.
Het punt is, dat daar nog weinig aan onderzocht is.
Het lijkt me dat het genoemde gen, dat dan kennelijk voor de vorming van glycerol als anti-vries zorgt, gewoon nog niet gevonden is bij andere dan de genoemde kikkers

* Overigens moet men zich ook afvragen of het gevonden gen ( of een homoloog ervan bij andere dieren ) niet eveneens andere functies( kan hebben )vervuld , dan uitsluitend de aanmaak van anti-vries (?) metabolieten …

* Een gen –> één genproduct : is het oude genetische dogma : het staat tegenwoordig al een tijdje op de schop , dacht ik ( maar wordt nog steeds aangehouden als een simpel uitgangsprincipe( een nuttige simplificatie ) voor de opbouw van diverse modellen en vooral om pedagogische redenen …Net zoals de systematische scheikunde uitgaat van loepzuivere stoffen in het initierend onderwijs van de chemie …)

*

Er wordt niet uitsluitend geselecteerd op een bepaalde geisoleerde eigenschap …wel op een individueel organisme in zijn totaliteit ( = de drager en de copieermachine van een kompleet pakket genen ) ….

Zowel “goede” als “slechte “eigenschappen kunnen ( al dan niet ) worden doorgegeven :maar dat gebeurt steds in een totaal pakket : wat telt is dat de drager ( het resulterende individu uit een ontwikkeling ) zich succesvol ( en tijdig ) voortplant tijdens zijn levensduur en nageslacht produceert dat minstens goede kansen heeft dat eveneens te doen …

Bijvoorbeeld ;

* Een nieuw mens met een zeer vergrote hersenmassa kan niet (op natuurlijke wijze ) geboren worden uit een moeder met een zeer smal bekken ….

Er is trouwens altijd genetische drift ( genetische erosie )en in aanleg zeer geschikte individuen kunnen ook stomweg verongelukken vooraleer zich te hebben voortgeplant

opmerking ;

overigens betekent dit niet dat de allelen frequentie van een populatie niet zal veranderen ; nadelige eigenschappen ( inzoverre ze niet het gevolg zijn van steeds weer dezelfde optredende genetische mutaties of defecten )worden uiteindelijk afgevoerd

Opgemerkt dient te worden dat sommige nadelen het gevolg zijn van voordelen ( bijvoorbeeld sikkelcel-anemie )in andere millieuomstandigheden ….

of zelfs de” kostprijs” van sommige voordelen ( zo denken bijvoorbeeld sommige dat erfelijke scizofrenie een onvermijdelijke bijwerking is van vergrote mentale ( en creatieve ) vermogens bij andere leden van de familie : het zijn gewoon allebei afgronden op het “scherp van de snede ” van de genetische variatie mogelijkheden en kombinaties binnen dezelfde familie met dezelfde stamouders :met als resultaat twee fenotypes met uitgesproken verschillende fitness in verschillende omgevingen )

 

 

HET WONDERLIJKE GEVAL VAN DE BEVROREN  BOSKIKKER 

Het wonderlijke geval van de bevroren boskikker  <

http://breinlogs.scilogs.be/index.php?blogId=5 <

(In een volgende blog vertelt de auteur   nog eens   wat meer  over het mismatch-probleem —> en wat  wat meer over een nog onbekende, maar boeiende discipline: de paleopathologie. )

Mei 2008,

 

Het verband tussen een boskikker en een diabeet? Het klinkt misschien als het begin van een slechte mop, maar in werkelijkheid is het een fascinerende denkpiste in het wetenschappelijk onderzoek naar de evolutie van een bepaalde vorm van suikerziekte. Het verband staat centraal in een recent boek van de Amerikaanse bioloog Sharon Moalem: Het nut van ziekte. De kernvraag van het boek is waarom natuurlijke selectie zulke ziekten nog steeds niet weggewerkt heeft. Een van Moalems antwoorden is dat sommige ziekten onze verre voorouders belangrijke voordelen boden. Zo zou een hoog glucosegehalte in het bloed bepaalde individuen beschermd kunnen hebben tegen de extreme koude tijdens de laatste ijstijd. Wat vandaag suikerziekte is, was vroeger dus misschien een nuttige adaptatie.

DIABETES

Een korte inleiding in de diabetologie: mensen die aan diabetes of suikerziekte kampen met een teveel aan glucose in het bloed. Bloedsuiker wordt gewonnen uit onze voeding, en wordt met behulp van insuline opgeslagen in onze spieren, lever en vetcellen. Sommige mensen maken om een of andere reden geen insuline meer aan, waardoor hun glucosespiegel pijlsnel de lucht ingaat. Deze vorm van suikerziekte, ‘Type I’ genaamd, is eigenlijk een auto-immuunziekte, en heeft een grotendeels genetische oorprong. Deze diabetici kunnen enkel geholpen worden met een dagelijkse dosis insuline, die meestal met behulp van een injectie wordt toegediend. Opvallend is dat deze vorm bijna uitsluitend in noordelijke landen voorkomt, zoals Zweden, Noorwegen en Finland. Een andere vorm van diabetes, ‘Type II’ genaamd, komt daarentegen overal ter wereld voor, en hangt nauw samen met overgewicht. Zulke diabetici maken nog wel insuline aan, maar niet voldoende om de glucose in hun bloed te verwerken. Naast insuline-injecties worden zij ook geholpen met een speciaal dieet, lichaamsbeweging en gewichtsverlies. De epidemiologie van de eerste vorm van diabetes is intrigerend, zegt Moalem: ‘Als een ziekte die ten minste gedeeltelijk wordt veroorzaakt door genetica opvallend vaak voorkomt in een specifieke bevolkingsgroep, wordt het tijd om de evolutionaire wenkbrauwen op te trekken en vragen te gaan stellen. Want dat betekent vrijwel zeker dat een of ander aspect van die eigenschap die tegenwoordig de ziekte veroorzaakt, bijgedragen heeft aan de overleving van eerdere generaties van die bevolkingsgroep ergens in hun evolutionair verleden’ (Moalem 2007, 41). Zou het kunnen dat Type I-diabetes onze voorouders ooit van nut geweest is? En hoe en wanneer dan?

ENTER THE FROZEN WOOD FROG

De hypothese van Moalem luidt dat de aanleg voor Type I-diabetes ooit een belangrijke rol speelde in onze natuurlijke afweer tegen de koude. Suiker is namelijk een natuurlijk antivriesmiddel dat door verschillende levende soorten, gaande van druiven tot boskikkers, gebruikt wordt om de kou te weerstaan. Vlak voor de eerste vrieskou pompt een boskikker zoveel mogelijk suiker in zijn bloedbaan. Die suiker zorgt er enerzijds voor dat de vloeistoffen in zijn lichaam minder snel bevriezen, en anderzijds dat, wanneer het toch zover komt, de schade aan celwanden en haarvaten beperkt blijft. Tegelijkertijd onttrekt de boskikker zoveel mogelijk water aan zijn bloed. Water bevriest immers, en de daardoor gevormde ijskristallen kunnen heel wat schade aanrichten in het lichaam. Ook hier is de gelijkenis met diabetes markant: diabetici drinken en urineren merkelijk meer dan gemiddeld. Doordat hun urine enorm veel glucose bevat weigeren hun nieren om het vocht opnieuw op te nemen.


ONDERKOELDE VOOROUDERS

De gelijkenis tussen de suiker- en waterhuishouding van de boskikker en de diabeticus is markant, maar welk voordeel zou de mens dan hebben bij zo’n vorstbeveiliging? Volgens Moalem is het geen toeval dat Type I-diabetes nagenoeg uitsluitend voorkomt in het hoge Noorden. De mensen die in die gebieden leven hebben altijd meer last gehad van de koude. De huidige koude ginder is echter klein bier in vergelijking met de ijzingwekkende temperaturen die tijdens de zogenaamde ‘Jonge Dryas’ bereikt werden. De Jonge Dryas, ook wel The Big Freeze genoemd, was een periode van ongeveer 1000 jaar (van 12700 tot 11560 jaar geleden) die bekend staat als een van de koudste perioden van de laatste ijstijd. Fossiele resten geven aan dat er in die tijd ook mensen leefden in het hoge Noorden, ondanks het feit dat de toenmalige gemiddelde jaartemperatuur maar liefst vijftien graden lager lag dan de huidige jaartemperatuur. Uiteraard is het zo dat onze toenmalige voorouders wellicht vindingrijk genoeg waren om allerlei sociale en technologische voorzieningen te cre챘eren die de plotse afkoeling van het klimaat draaglijk maakten. Maar volgens Moalem is het niet onwaarschijnlijk dat sommige mensen van nature beter bestand waren tegen de extreme koude, en dat precies die ‘natuur’ vandaag de dag eerder een vloek is dan een zegen, omdat ze aanleiding geeft tot Type I-diabetes. Vandaag de dag is het immers niet meer zo koud als tijdens The Big Freeze, en zijn we veel minder afhankelijk van de natuurelementen. Van een mismatch gesproken: wat toentertijd een geweldig selectief voordeel bood, leidt tegenwoordig tot een chronische ziekte.

SOORT ONDER CONSTRUCTIE

Het verhaal van Moalem toont aan dat ons genoom ook in een recenter evolutionair verleden belangrijke veranderingen heeft ondergaan. Ook de Jonge Dryas heeft onze soort vormgegeven, en behoort dus tot onze environment of evolutionary adaptedness (EEA). Dat betekent dat onze voorouderlijke omgeving niet zomaar gelijkgeschakeld kan worden met de oude steentijd (paleolithicum) of het pleistoceen, zoals (sommige) evolutiepsychologen lijken te veronderstellen. Misschien kan men onze EEA beter definiëren als de som van alle selectiedrukken in de evolutionaire geschiedenis van de soort, gaande van klimatologische veranderingen in het pleistoceen tot recente pandemieën als de pest en de Spaanse griep. Al deze omgevingen/gebeurtenissen hebben de mens gemaakt tot wie hij vandaag is. Sommige aspecten van die omgevingen zijn nog steeds relevant, net zoals de adaptaties die we ontwikkelden om ze het hoofd te bieden; andere aspecten vormen geen selectiedruk meer, en de bijbehorende aanpassingen zijn bijgevolg nutteloos of, in het slechtste geval, schadelijk geworden.

Hier is een filmpje over Moalems hypothese, op Youtube:

http://www.youtube.com/watch?v=hB0dcdjTM70&feature=player_embedded

in Diabetes: Anti-freeze?

A video based on the diabetes chapter of Survival of The Sickest: A medical maverick discovers why we need disease, by Sharon Moalem.

Frog clip taken from A video based on the diabetes chapter of Survival of The Sickest: A medical maverick discovers why we need disease, by Sharon Moalem.

Frog clip taken from ersey www.youtube.com/ersey


Referenties

Sharon Moalem, K. Storey, M. Percy, M. Peros & D. Perol (2005). ‘The sweet thing about Type 1 diabetes: A cryoprotective evolutionary adaptation’. Medical Hypotheses 65: 8-16.

Sharon Moalem (2007). Het nut van ziekte. Amsterdam: De Bezige Bij. Vertaling van Survival of the sickest. New York: Harper Collins.

 

 

HOUTKIKKER  / WINTERSLAAP  & ANTI-VRIES 

Kikker gebruikt ureum als antivries ;//  07 11 2005 Jos Wassink

Houtkikker na de winterslaap

Wanneer de houtkikker met winterslaap gaat, houdt hij maanden lang zijn plas op. Als gevolg daarvan neemt de concentratie van ureum, een bestanddeel van urine, enorm toe. Tot wel vijftig keer de normale waarde.

Onderzoekers Jon Costanzo en Richard Lee van de Miami Universiteit in Oxford, Ohio vroegen zich af welke baat de houtkikker van zoveel ureum kon hebben. Want normaal gesproken werkt het lichaam ureum zo snel mogelijk weg omdat het in hoge concentraties schadelijk is voor de cellen.
Ze vermoedden dat het ureum de kikker beschermt tegen de kou. Om die verwachting te testten, maakten ze een mengsel van kikkerweefsel, bloed en ureum en lieten dat een aantal keren bevriezen en ontdooien. Normaal gaan cellen kapot als ze bevriezen, maar het ureum beschermde het kikkerweefsel effectief. Volgens Costanzo werkt ureum dus als een biologische antivries. Hij schrijft dat in het tijdschrift The Journal of Experimental Biology.
Maar het ureum doet nog meer. Het vertraagt ook de energieconsumptie tijdens de winterslaap. En dat komt dan weer goed uit voor de houtkikker, want als die in de lente weer wakker wordt, dan denkt hij niet in de eerste plaats aan eten, maar aan seks. En dan is het fijn dat hij nog wat energie overheeft.

Reptielen …& cryogenics

http://www.cnslab.carleton.ca/~kbstorey/pdf/509.pdf


APPENDIX 

 

De afstamming van de echte kikkers ( fylogenie van de “Rana ” )

http://www.phylo.org/docs/Hillis_Wilcox2005.pdf

Phylogeny of Raninae (Anura: Ranidae) inferred from mitochondrial and nuclear sequences. Jing Che a,b, Junfeng Pang b, Hui Zhao c, Guan-fu Wu c, …
http://www.cnah.org/pdf_files/688.pdf


http://amphibiatree.org/?q=node/156

A phylogeny of ranid frogs (Anura: Ranoidea: Ranidae), based on a simultaneous analysis of morphological and molecular data

Scott, E.
2005
Reference: Cladistics, 21, 507-574

Abstract:

During the last two decades, major taxonomic rearrangements were instituted in the anuran family Ranidae. Most of these changes were not based on phylogenetic analysis, and many are controversial. Addressing the phylogeny of Ranidae requires broader taxon sampling within the superfamily Ranoidea, the phylogenetic relationships and higher classification of which are also in a state of flux. No comprehensive attempt has yet been made to reconstruct ranid phylogeny using both morphological and molecular data. In the present contribution, data from 178 organismal characters were collated for 74 exemplar species representing the families Arthroleptidae, Hemisotidae, Hyperoliidae, Mantellidae Microhylidae, Petropedetidae, Rhacophoridae, Sooglossidae, and most subfamilies of Ranidae. These were combined with 1 kb of DNA sequence from the mitochondrial 12S rDNA and 16S rDNA gene regions in a simultaneous parsimony analysis with direct optimization. Results support the classification of Hemisus with the brevicipitine microhylids, confirm that Arthroleptidae (and its two component subfamilies stylosterninae and Arthroleptinae) are monophyletic, and advocate the recognition of Leptopelidae. Monophyly of Ranidae is compromised by recognition of Petropedetidae, Rhacophoridae and Mantellidae, which should be recognized as subfamilies of Ranidae at present. Furthermore, Petropedetidae was found to be grossly paraphyletic, comprising three clades which are all considered separate subfamilies of Ranidae, i.e., Petropedetinae, Phrynobatrachinae and Cacosterninae. Three well defined subfamilies of Ranidae were consistently retrieved as monophyletic in a sensitivity analysis, i.e., Tomopterninae, Ptychadeninae and Pyxicephalinae. However, Ptychadeninae and Pyxicephalinae were embedded in Raninae and Dicroglossinae, respectively. Ceratobatrachinae is removed from Dicroglossinae. Dicroglossinae is synonymized with Pyxicephalinae. A new subfamily Strongylopinae is proposed. Raninae should be conservatively treated as a ‘‘metataxon’’ (sensu Ford and Cannatella, 1993) until such time as it is fully revised. Tomopterninae is removed from synonymy with Cacosterninae. Morphological synapomorphies are reported for major monophyletic clades retrieved in the simultaneous analysis with equal weights. The present study found that many Old World clades appear to contain both African and Asian taxa, contrary to the findings of some recent biogeographical analyses. This study demonstrates the value of broad taxonomic sampling in ranid phylogeny, and highlights the immense contribution that can be made from detailed morphological data

Zie recente updated fylogenetische studie :

amfibieen evolutie en geologie <

 

http://www.pnas.org/content/107/50/21593.full.pdf+html

 

NOTES EVODISKU A

Ga terug naar INHOUD  EVODISKU  http://tsjok45.wordpress.com/2012/09/03/evodisku/

—————————————————————————————————————————————————————

°

° AALTJE (de aaltjes(orde =Tylenchida   behoren tot de Nematodes/Rondwormen  )

https://nl.wikipedia.org/wiki/Rondwormen                         http://www.nematoden.be/nl/

°

Aaltjes zijn zeer kleine wormpjes, waarvan de meeste soorten onzichtbaar zijn met het blote oog. Vele soorten aaltjes leven vrij in de bodem, en parasiteren veel plantensoorten, zonder daarbij grote schade aan te richten zolang de planten aan geen grote stress blootgesteld staan. Sommige soorten aaltjes hebben een meer specifieke band ontwikkeld met één of meerdere waardplanten.   

_

Foto van aaltjes

°

Klein meercellig diertje dat overal in de bodem voorkomt en planten( en insekten )  kan parasiteren.

°

°

———————————————————————————————————————————————————– AARDAPPELMOEHEID   Zeer schadelijke plantenziekte die over bijna de hele wereld voorkomt en wordt veroorzaakt door het

°

GLOBODERA (Aardappelcysteaaltjes) » Aardappelcysteaaltjes, Globodera rostochiensis (Ro) en Globodera pallida (Pa). Aangenomen wordt dat deze aaltjes Europa bereikten met knollen afkomstig uit de regio van het Titicaca-meer (het Andesgebergte in Zuid-Amerika) wanneer op zoek werd gegaan naar plaagresistente rassen na de grote aardappelplaag in 1845. Sindsdien werden deze aaltjes over de gehele wereld verspreid. Slechts enkele tropische klimaattypes met warm vochtig of droog weer zijn hen niet gunstig. Ze parasiteren enkele specifieke waardplanten van de Solanaceae-familie, waaronder de aardappelplant. Andere waardplanten zijn tomaat, aubergine, paprika  en  nachtschade. Deze specificiteit is te wijten aan de wortelexudaten van deze familie die een ontluiking van de cysten teweeg brengen

.  Cysten van Globodera rostochiensis op de wortels:overzicht (links) – detail (rechts)    

Levenscyclus van het 

http://www.nematoden.be/nl/definitie/definitie-globodera/

°

———————————————————————————————————————————————————– ABIOGENESIS  ….is het (hypothetische) ontstaan van leven uit niet-levende materie. De term moet niet verward worden met Spontane generatie zoals men dat in de oudheid meende waar te nemen (“muizen ontstaan in graan”, “maden ontstaan in rottend vlees” etc). Vanaf de 19e eeuw is een belangrijk principe in de biologie dat leven alleen ontstaat uit ander leven: Omne vivum ex ovo (al het leven komt uit een ei). De klassieke opvatting van spontane generatie is volgens moderne inzichten een onmogelijkheid. Maden verschijnen in rottend vlees omdat vliegen daar hun eieren hebben gelegd, muizen duiken op in graanschuren, omdat ze van elders komen, en zich in een dergelijk voedselparadijs snel voortplanten. De vraag is echter hoe het eerste leven ooit begonnen is, het leven waar al het andere leven uit is voortgekomen. Abiogenese is de materialistische verklaring voor de oorsprong van het leven: het eerste leven is ooit ontstaan als gevolg van chemische en fysische processen. De evolutietheorie SLUIT AAN op abiogenese, en geeft een verklaring hoe de verschillende soorten zijn ontstaan uit de eerste levensvormen. De evolutietheorie is echter zelf GEEN verklaring voor het onstaan van de eerste levensvormen

°

http://nl.wikipedia.org/wiki/Abiogenesis(engels ) The study of how life originally arose on the planet, encompasses the ancient belief in the spontaneous generation of life from non living matter.

°

http://www.madsci.org/posts/archives/aug2000/965332850.Ev.r.htmlAbiogenesis : The formation of the first life from chemical precursors. Often confused with evolution, but is not part of (biological)evolution. ————————————————————————————————————————————————————    Acetyl-CoA  < Acetyl-CoA / co-enzym A  :      Acetyl-CoA (CH3COSCoA) is een Co-enzym dat een rol speelt in de citroenzuurcyclus.   zie ook—> Mitochondrieen  http://nl.wikipedia.org/wiki/Acetyl-CoA

°

De Citroenzuurcyclus schematisch

Het bovenste gedeelte waarbij pyrodruivezuur samen met coënzym A wordt omgezet in acetyl-coënzym A (acetyl-CoA) en CO2 hoort eigenlijk niet bij de citroenzuurcyclus, maar is het vervolg op de glycolyse. De reacties waarbij NAD+ wordt omgezet in NADH en GDP naar GTP en FAD naar FADH2 betekend dat er energie is vrijgekomen en dat deze energie is gaan zitten in deze gevormde verbindingen. Deze energie kan voor talloze doeleinde gebruikt worden.

http://www.natuurlijkerwijs.com/citroenzuurcyclus.htm

Almost all of the common molecules of life are synthesized from acetate or the molecules of the citric acid cycle. The simple amino acids, for example, are formed in one step. More complex amino acids are derived from the simple amino acids, etc. Similarly, simple fatty acids can be formed from acetate and more complex ones come later; once the simple ones accumulate. The central role of citric acid cycle metabolism in biochemistry has been known for decades. It’s involvement in biosynthesis pathways is often ignored in introductory biochemistry courses because they are heavily focused on fuel metabolism in mammals and biosynthetic pathways get short shrift in such courses. http://sandwalk.blogspot.com/2009/05/metabolism-first-and-origin-of-life.html ——————————————————————————————————————————————————- Aciclovir < Aciclovir.svg merknaam “Zofirax ”   –>   Herpes (koortsblaas )   ————————————————————————————————— (Actin ) actine    http://nl.wikipedia.org/wiki/Actine

Actine is een eiwit dat onderdeel is van het cytoskelet in de eukaryote cel

De Cel – Cytoplasma & Cytoskelet Het cytoplasma (protoplasma zonder kern) bevat een groot aantal organellen die zich in een min of meer vloeibare massa bevinden. Door bijzondere technieken kan in dit cytoplasma het cytoskelet (zie figuur) zichtbaar worden gemaakt, waarlangs de bewegingen van de organellen worden georganiseerd. Dit cytoskelet bestaat uit:

  1. Een groot aantal microtubuli (diameter 25 nm, samenstelling: het proteine tubuline), voor een deel min of meer radiair vanuit het centrum en verder ook parallel met de wand; deze microtubuli spelen een belangrijke rol in flagellen van Eukaryoten, komen tusen bij de kern- en celdeling en lijken ook belangrijk bij de aanleg van wandverdikkingen. Ook dienen ze voor het snelle transport van bepaalde produkten in de cel (vb in een zenuwcel)
  2. Microfilamenten, die een cytoplasma”stroming” veroorzaken (diameter: 6 nm, en met als samenstelling: het proteine actine, synergetisch werkend met oa het proteine myosine).

Deze drie proteinen (tubuline, actine en myosine) komen alleen bij Eukaryoten voor. Verder opvallend zijn een groot aantal ribosomen, kleine partikeltjes opgebouwd uit proteinen (eiwitten) en ribonucleinezuren (RNA). Deze spelen een belangrijke rol bij de proteinesynthese en de translatie van de genetische informatie. Vaak komen ze in groepjes voor, en deze functionele eenheden staan bekend als polysomen. In plantecellen komen ook oleosomen voor, kleine lipidendruppeltjes. Verder worden hier ook even vermeld de peroxysomen, kleine sferische lichaampjes (diameter 1 µm), die vroeger werden aangeduid als “microbodies”. Deze peroxysomen bevatten een hoog gehalte aan het enzym katalase, dat (het sterk oxiderende) waterstofperoxide (met vrije zuurstofradicalen) omzet tot de onschadelijke producten zuurstof en waterstof. ——————————————————————————————————————————————————- *     (Action potential ) ACTIEPOTENTIAAL  Een actiepotentiaal is een golf van elektrische ontlading over het membraan van een neuron. Actiepotentialen vormen een essentiële eigenschap van dierlijk leven, maar komen ook voor in sommige planten. Ze maken het mogelijk om snel informatie te verzenden tussen verschillende weefsels. Met name het zenuwstelsel maakt uitvoerig gebruikt van actiepotentialen, om informatie tussen zenuwcellen onderling uit te wisselen, maar ook tussen zenuwcellen en andere delen van het lichaam, zoals spieren of klieren.° http://nl.wikipedia.org/wiki/Actiepotentiaal http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=70DyJwwFnkU    —————————————————————————————————————————————————

  •  Active site  The active site of an enzyme contains the catalytic and binding sites. The structure and chemical properties of the active site allow the recognition and binding of the substrate. http://en.wikipedia.org/wiki/Active_site

—————————————————————————————————————————————————-

  • ( Active  transport  )actief transport Actief transport is het gemediëerde transport van biochemische en andere atomaire/moleculaire substanties door celmembranen. In tegenstelling tot bij passief transport is er voor dit proces chemische energie nodig http://nl.wikipedia.org/wiki/Actief_transport

http://www.youtube.com/watch?v=STzOiRqzzL4&feature=player_embedded http://www.youtube.com/watch?v=STzOiRqzzL4&feature=player_embedded  ——————————————————————————————————————————————————

Adaptatie Een erfelijke eigenschap van een organisme dat zijn vermogen om te overleven en zich voort te planten binnen zijn omgeving, verbetert. De term ‘adaptatie’ wordt ook gebruikt om het proces van genetische verandering te beschrijvenbinnen een populatie onder invloed van natuurlijke selectie. Zie ook: Wat is een adaptatie? Wat is een evolutionaire aanpassing (adaptatie)? Hoe kunnen we evolutionaire psychologische adaptaties identificeren? ADAPTATIE (Menno Schilthuizen ) ” …De evolutie van een eigenschap die een organisme meer geschikt maakt voor het milieu waarin het leeft. Soms wordt de term ook gebruikt voor de eigenschap zelf, in plaats van het proces….” ADAPTATIES (Raoul van Damme ) http://evodisku.multiply.com/journal/item/38/adaptaties ADAPTATIE http://www.darwinjaar.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i001014.html Adaptatie of aanpassing is één van de kernpunten van Darwins evolutietheorie. Dat planten en dieren zijn aangepast aan de omstandigheden waaronder ze leven, zien we overal om ons heen. Aanpassingen treden op verschillende niveaus op, bij individuen, populaties en soorten. Aangepaste individuen Een individu kan zijn eigen erfelijke eigenschappen niet veranderen. Binnen de grenzen van zijn genen kan hij echter wel degelijk keuzen maken. Deze keuzen kunnen van directe invloed zijn op het voortbestaan. Hoe nauwer de grenzen zijn die de erfelijkheid stelt, des te beperkter zijn de mogelijke keuzen. Heeft het individu weinig keuzemogelijkheden, dan kan hij zich moeilijk aan veranderende omstandigheden aanpassen. Dit is van directe invloed op zijn voortbestaan. Zijn de door de genen bepaalde grenzen van mogelijke aanpassing erg nauw, dan is de overlevingskans van het individu gering. Dergelijke aanpassingen zijn zo gewoon dat ze ons nauwelijks opvallen. We zijn er zelf constant mee bezig. We zien het bijvoorbeeld ook in de manier waarop veel vogels zich hebben aangepast aan de omgeving van de mens, zoals zwaluwen die onder de dakgoot nestelen. Populaties en soorten Darwin had het bij adaptatie niet over individuen, maar over soorten. Het gaat immers niet om het overleven van het individu, maar om het overleven van de soort. Het gaat uiteindelijk om de aanpassing van de genen zelf. Dat gebeurt door uit de bestaande variatie in erfelijke eigenschappen die varianten te selecteren die het beste zijn aangepast. Eigenlijk gebeurt het net andersom: de varianten (lees: individuen) die niet goed zijn aangepast, zullen zich minder goed voortplanten. Darwin noemde dit natuurlijke selectie. Omdat omstandigheden nogal eens veranderen, is het voor een populatie van belang steeds voldoende variatie te hebben om uit te kunnen selecteren. Evenzo is het voor een soort van belang een zekere variatie in populaties te hebben. Vallen er een paar uit, dan blijft de soort toch nog voortbestaan. Wij zijn één brok aanpassing Sommige adaptaties zijn zeer in het oog springend, vooral als ze met een bepaalde leefwijze te maken hebben. Voorbeelden zijn vleugels, graafpoten en kieuwen. Maar in feite zit elk organisme boordevol aanpassingen. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat elk gen een aanpassing is. De genen moeten immers op elkaar zijn afgestemd om het organisme goed te laten functioneren. Een aanpassing moeten we altijd zien tegen de achtergrond van de functie. Vleugels zijn een mooie aanpassing, maar als je ze niet meer nodig hebt, zijn ze een last. Dan kan reductie of verlies van vleugels, zoals bij sommige vogels op eilanden, een betere aanpassing zijn.

°

ADAPTATIONS http://encarta.msn.com/encyclopedia_761567783/Adaptation.html http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary.html#A This notion derived from the typical relationship between structure and function: that an organism’s structures seem suitable (“adapted”) for their tasks. Until Darwin, the cause for adaptation was commonly ascribed to intelligent (divine) guidance. Darwinians replaced this view by proposing that an adaptation is any trait that replaces other variants because of selection for greater reproductive success (See Fitness). An adaptation is a trait whose presence enhances survival or fertility. It is selection rather than intelligent design that produces and/or maintains the correlation between structure and function. The complexities of evolution, however, shroud the Darwinian concept with many qualifications. For example, should selection cease or reverse its direction, as occurs for traits that become vestigial, then the trait is no longer an adaptation, although it may have been in the past. Traits that are not maintained by selection (that is, not related to reproductive success) are generally considered “nonadaptive.” Such traits may be introduced or persist in a population through mutation, random genetic drift, the accidental extinction of adaptive varieties, developmental constraints that now impede their elimination, close linkage with genes selected for other functions (See Hitchhiking), or as one of the multiple phenotypic effects of a selected gene (See Pleiotropy). Also, not all selected traits are necessarily beneficial to a population, since some may increase the reproductive success of genes or individuals but not benefit (or even decrease) population fitness (See Segregation distortion, Sexual selection). Even when selected traits are unquestionably adaptive, they often involve “trade-offs” in other traits that can lose adaptive advantages. (For example, trees that grow competitively taller put more resources into wood production than seed production.) In addition, earlier selected stages of an adaptation may have been for a function different from that of a later stage (See Preadaptation). In general, since it is quite difficult to examine historical circumstances leading to a particular trait, it can be difficult to determine how or to what extent it is an adaptation. Mostly, such determinations depend on evaluating functional utility (“optimality”) for reproductive success, based on the reasonable assumption that a useful trait generally replaces or has replaced less useful variants. Unfortunately, since it can also be challenging to establish functional utility�to uncover a trait’s many possible variations, and to compare their relative reproductive success�identifying adaptations can be controversial. Although selection may not be obvious, it is difficult to accept that any prominent nonadaptive trait can long persist without being affected by selection in some way and to some degree. The term is also frequently used for the process that produces adaptations (natural selection). However adaptations are defined, it is the genetic transmission of traits whose structure and function let their carriers interact successfully with the environment that drives evolution and makes biology unique and historical. Adaptation: Change in a organism resulting from natural selection; a structure which is the result of such selection. SOURCE: UCMP Glossary http://www.ucmp.berkeley.edu/glossary/gloss1phylo.html Adaptation: Any heritable characteristic of an organism that improves its ability to survive and reproduce in its environment. Also used to describe the process of genetic change within a population, as influenced by natural selection. http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/01/6/l_016_02.html Adaptation :( M. Ridley ) Adaptation is the condition of organisms being well designed for life in their environments. Adaptation refers to all the structural, functional and behavioral characteristics that enhance the organism’s reproductive success in its natural environment. Classic examples include: • The beak of the woodpecker and the Galapagos finches. • The almost faultless camouflage of organisms such as stick insects. http://www.youtube.com/watch?v=DSxRaz79ZEE&feature=player_embedded http://conservationreport.com/2008/11/08/can-you-see-me-animal-camouflage-leaf-mimics/ Not all evolutionary changes are the result of adaptation. Some are caused by non-adaptive processes such as genetic drift. However, all changes that are the result of adaptation can be explained by natural selection, and the stages in the evolution of the eye provide a good example of this. Adaptations in nature are subject to various constraints. The image opposite is of the Galapagos finch Geospiza magnirostris, made famous by Darwin; its beak is a classic case of an adaptation. The exact definition of an adaptation is a very contentious issue in evolutionary biology: John Maynard Smith offers his own view. How do we recognize adaptations? How do we find out why natural selection favors particular characters of an organism? http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=MGM3sPCZl94 SPECHT  Creationisten beweren dat ” De evolutietheorie kan de ” specht” niet verklaren! Deze vogel  bezit teveel instrumentele  uitrustingsstukken   die het dier    onmogelijk  staps-gewijs één na één na elkaar   zou kunnen verkregen hebben.” ( Het gaat hier o.a; om een variant van het bekende en belegen creationistische stock argument (= Irreducible Complexity argument bij de ID-ots ) ” what good is half a wing ( or an eye ) argument ” http://www.uwgb.edu/dutchs/PSEUDOSC/HalfaWing.HTM

Slecht en half oog = http://anticreato.multiply.com/journal/item/205/Slecht_en_half_oog_

°

ZIE OOK Debunking creationist claims and misrepresentations about woodpecker evolution : : http://omega.med.yale.edu/~rjr38/Woodpecker.htm http://toarchive.org/indexcc/CB/CB326.html

°

Als wij aan de specht denken, dan denken we aan een vogel die met zijn snavel tegen een boom of telefoonpaal bonkt. Hoe kan hij zo blijven hameren zonder er hoofdpijn van te krijgen? Hoe kan hij gaten maken in droog en hard hout? Hij moet een heel sterke snavel bezitten. Hij moet ook een erg dikke schedel hebben. En tussen de snavel en de schedel is er een stuk sponsachtig bindweefsel dat opereert als een stootkussen. ” zie http://users.skynet.be/fa390968/_Specht_en_evolutie.doc

<

In de loop van de evolutie hebben spechten-soorten zich gespecialiseerd in het losbeitelen van insecten vanonder de boomschors. http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=Q9lwU7rpjhk  http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=SpYsdZ8gUU8

Het uithollen van een nest in een boom is dus NIET oorspronkelijk de leverancier van evolutiedruk , Het ging om het bemachtigen en localiseren van insecten onder ( en op –>mieren staan nog steeds op het menu )de boomschors De evolutie knutselt altijd met wat al bestaat, en gebruikt varianten daarvan voor de nieuwe taak. Dat leidt tot bruikbare, maar lang niet altijd ideale oplossingen. (Vaak zijn het ook ” rude goldberg” oplossingen ….) Wij mensen zijn tweevoeters, maar het is nog duidelijk te zien dat we afgeleid zijn van een viervoetig ontwerp. Onze ruggengraat is ontworpen als de roe in een kleerkast, maar nu trekken onze ingewanden er op een heel andere manier aan. Het gevolg is dat veel mensen last hebben van lage rugpijn. ( zie Neil Shubin —>our inner fish ) Andere neveneffecten van het rechtop kantelen van een viervoeter: platvoeten, aambeien en verdrinken. Het zou dus best kunnen dat spechten ook met een paar neveneffecten opgezadeld zitten, en dat ze meer hoofdpijn hebben dan de gemiddelde vogel. Wie zal het zeggen? Maar wat de nadelen van het gebonk ook zijn, ze zijn kleiner dan de voordelen, anders waren de voorouders van de huidige spechten wel weggeconcurreerd door niet-bonkende exemplaren. Eind van de jaren zeventig hebben onderzoekers met een hogesnelheidscamera hamerende spechten gefilmd. Dat onderzoek is nog steeds de basis van wat we van dit gedrag weten. Er bleek onder andere uit dat elke ‘tok’ een fenomenale klap is, met een vertraging van wel 1200 g, 1200 maal de zwaartekrachtversnelling. Mensen bezwijmen al bij pakweg 8 g. Net voor de klap spannen zich spieren die een deel ervan helpen opvangen, en sluit de specht de ogen. Gewoon om te vermijden dat zijn oogballen uit hun kassen zouden floepen. Uit de film bleek ook dat de bewegingen van een specht perfect gelijnd zijn, zodat hij de boom precies loodrecht treft. Daarom doet hij trouwens eerst een paar proeftikjes. Door te zorgen voor een perfect frontale botsing vermijdt de specht alle wringings- en rotatiekrachten. Als de hersenen gaan ronddraaien in hun pan, zorgt dat immers al snel voor fikse schade, zoals geregeld blijkt bij boksers en in auto-ongevallen. De middeleeuwers wisten dat trouwens ook al. Ridderharnassen waren erop gebouwd om te verhinderen dat het hoofd van hun eigenaar een zwiep kon gaan maken. Misschien moeten de ontwerpers van valhelmen maar eens bij Godfried van Bouillon te rade gaan. Blijft nog de schade in de bewegingsrichting. Ten eerste is er erg weinig vocht omheen spechtenhersenen. Menselijke hersenen drijven in hersenvocht. Dat dempt kleine schokjes, maar bij grotere klappen zorgt het ervoor dat de hersenen in aanvaring komen met hun eigen pan. Waarna ze de andere kant op stuiteren en aan de overzijde nog eens botsen met de hersenpan. Artsen weten dat ze na een botsing ook altijd de overkant van de hersenen in de gaten moeten houden. Geen gezwalp bij de specht: de hersenen zitten goed vast, zonder speling. Net zoals wij in onze auto veiliger zijn als we goed vastzitten aan de carrosserie (via onze gordel), en niet kunnen gaan rondstuiteren. Bovendien bestaat een spechtenschedel uit sponsachtig bot, dat het merendeel van de krachten opvangt. Een ingebouwde fietshelm, als het ware. Maar dan wel een die niet na elke klap vervangen moet worden. Spechten hebben een verrassend lange tong met een gestekelde punt, waarmee ze de losgebikte sappige brokjes spietsen. De basis van die tong lijkt ook te dienen als schokdemper voor de hersenen. Spechten hebben verder het geluk dat ze slechts een vogelbrein hebben: heel klein, met andere woorden. Hoe kleiner iets is, hoe meer oppervlak per volume het heeft. De botsingskrachten worden daardoor over een relatief groot oppervlak gespreid, waardoor de druk (druk is kracht per oppervlakte) kleiner blijft dan in bijvoorbeeld menselijke hersenen die dezelfde klap te verduren krijgen. Er is trouwens ook één soort specht die nooit in hout beitelt! Ze komt zelfs nooit hout tegen! De GILASPECHT leeft in de woestijn in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Wat daar het meest op een boom gelijkt is de reuze Saguarocactus, die tot wel vijf meter hoog kan worden. De vogel beitelt doorheen de eerder taaie buitenste laag naar de zachtere pulp en haalt er een hol uit voor zijn nest. De cactus verzegelt de uitgekapte holte, om zich te beschermen tegen ‘doodbloeden’, door verlies aan sap, en de vogel heeft een mooie geïsoleerde holte. Het volgende jaar vertrekt de specht en hakt een hol uit in een andere cactus. Maar het achtergelaten hol is niet verloren, omdat de Elf-uil erin trekt. http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=b3LVZhBRiA8 http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=Oz0ZchvKc2A GLOSSARY ( verwante onderwerpen en relevante terminologie )

°

* adaptive logic:

°

*Adaptive evolution model http://www.blackwellpublishing.com/ridley/a-z/Adaptive_evolution_model.asp

°

*adaptive landscape: http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/index.html A graph of the average fitness of a population in relation to the frequencies of genotypes in it. Peaks on the landscape correspond to genotypic frequencies at which the average fitness is high, valleys to genotypic frequencies at which the average fitness is low. Also called a fitness surface. http://www.evcforum.net/WebPages/Glossary.html#A

< A model originally devised by Sewall Wright that describes a topography in which high fitnesses correspond to peaks and low fitnesses to valleys; each position potentially occupied by a population bearing a unique and frequent genotype. http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/index.html

A behavior has adaptive logic if it tends to increase the number of offspring that an individual contributes to the next and following generations. If such a behavior is even partly genetically determined, it will tend to become widespread in the population. Then, even if circumstances change such that it no longer provides any survival or reproductive advantage, the behavior will still tend to be exhibited — unless it becomes positively disadvantageous in the new environment.

*adaptive strategies: http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/index.html A mode of coping with competition or environmental conditions on an evolutionary time scale. Species adapt when succeeding generations emphasize beneficial characteristics. *Mechanism of adaptation http://encarta.msn.com/media_461555056_761567783_-1_1/Mechanisms_of_Adaptations.html    ————————————————————————————————— NATUURLIJKE SELECTIE & ADAPTATIE   http://sandwalk.blogspot.com/2012/05/next-generation-science-standards.html#comment-form Natural Selection

  • Genetic variations among individuals in a population give some individual an advantage in surviving and reproducing in their environment. This is known as natural selection. It leads to the predominance of certain traits in a population, and the suppression of others. (e),(f)
  • Natural selection occurs only if there is both (1) variation in the genetic information between organisms in a population and (2) variation in the expression of that genetic information—that is, trait variation—that leads to differences in performance among individuals. (a),(c)
  • The traits that positively affect survival are more likely to be reproduced, and thus are more common in the population. (b),(c),(d),(f)

°

Notes A   Adaptation

Adaptation   

  • Adaptation by natural selection acting over generations is one important process (*1) by which species change over time in response to changes in environmental conditions. (g)

But ; that natural selection only occurs when the environment changes is a common misconception

  • Some evolution occurs by the chance increase in certain traits in a population, a process known as random genetic drift.
  • Traits that support successful survival and reproduction in the new environment become more common; those that do not become less common. Thus, the distribution of traits in a population changes. (f)
  • ( this is almost the only ( and trivial ) statement about speciation)In separated populations with different conditions, the changes can be large enough that the populations, provided they remain separated (a process called reproductive isolation), evolve to be separate species. (g) ……
  • However Selection can occur in a constant (unchanging or stable ) environment since no organisms is perfectly (or optimal ) adapted…..There is nevertheless allways a (genetic)variation source(= mutations )present in any given(large enough ) population and there is a difference between adjusting and correcting (automatic steering) feedback by reactions (= adaptation to past environments ) and future environment ( including(for example ) the possible resulting overpopulation by succesfull organisms )
  • The over-estimated phenomenon of Stasis is normally the result of (theoretical ) generalisations and uncarefull ( ‘sloppy’) /technically limited observations : Most of these statements are disappearing when new technologies become availeable and affordeable (= tomography / Genetic sequencing ) (*2)
  • Natural selection is the result of four factors: (1) the potential for a species to increase in number, (2) the genetic variation of individuals in a species due to mutation and sexual reproduction, (3) competition for an environment’s limited supply of the resources that individuals need in order to survive and reproduce, and (4) the ensuing proliferation of those organisms that are better able to survive and reproduce in that environment. (a)
  • Natural selection leads to adaptation, that is, to a population dominated by organisms that are anatomically, behaviorally, and physiologically well suited to survive and reproduce in a specific environment. That is, the differential survival and reproduction of organisms in a population that have an advantageous heritable trait leads to an increase in the proportion of individuals in future generations that have the trait and to a decrease in the proportion of individuals that do not. (b),(c),(f)
  • Adaptation also means that the distribution of traits in a population can change when conditions change. (d)
  • Changes in the physical environment, whether naturally occurring or human induced, have thus contributed to the expansion of some species, the emergence of new distinct species as populations diverge under different conditions, and the decline–and sometimes the extinction–of some species. (d)
  • Species become extinct because they can no longer survive and reproduce in their altered environment. If members cannot adjust to change that is too fast or drastic, the opportunity for the species’ evolution is lost. (d)

(*1) A very Common Misconception : That ” …..only selection is responsible for adaptation and that only adaptation is responsible for speciation ….” (*2) There’s also = the differences between the fact of evolution and evolutionary theory —————————————————————————————————————————————————————- (adaptive radiation )Adaptieve radiatie   is een vorm van evolutie. Met adaptieve radiatie wordt de diversificatie van soorten bedoeld die van een gemeenschappelijke voorouder afstammen om verschillende ecologische niches te bezetten. Adaptieve radiatie De geleidelijke diversificatie van een soort of groep soorten in verscheidene nieuwe soorten of subsoorten die aangepast zijn aan verschillende ecologische niches zoals Darwins vinken. De term wordt soms ook toegepast voor hogere niveaus dan de soort, zoals in ‘de adaptieve radiatie van de zoogdieren’. Er zijn vele voorbeelden van adaptieve radiatie zoals De struik van de evolutie van het Paard waarbij Equus enige overlevende tak is van een dik struikbos, De 2 Coelacanth soorten die de overlevers zijn van een tak van Coelacanthen dat ook nogal wat zijtakken kent °Adaptieve radiatie vindt plaats wanneer een enkele soort door herhaalde periodes van soortvorming talrijke typen nakomelingen voortbrengt die sympatrisch blijven binnen een klein geografisch gebied http://nl.wikipedia.org/wiki/Adaptieve_radiatie http://www.bio-medicine.org/biology-definition/Adaptive_radiation/ http://www.biology-online.org/2/15_adaptive_radiation.htm http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/01/6/l_016_02.html Bekende voorbeelden zijn de Darwinvinken , de Afrikaanse Cichliden , de Caraïbische Anolishagedissen http://evodisku.multiply.com/journal/item/22/ANOLIS_HAGEDISSEN http://evodisku.multiply.com/journal/item/146/CICHLIDEN Adaptieve radiatie http://www.darwinjaar.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i001014.html Soms gebeurt het dat een individu of een populatie in een ‘leeg gebied’ terechtkomt. Leeg betekent hier dat er geen andere organismen met vergelijkbare leefwijze aanwezig zijn. Zo’n ‘gebied’ kan een eiland zijn dat uit zee is opgerezen, maar ook een groep voedselplanten dat nog niet door andere planteneters is ontdekt. Er is nog geen concurrentie en dus geen selectiedruk. Daardoor kunnen veel meer varianten een plaatsje vinden en in leven blijven. Er vindt als het ware een bevolkingsexplosie plaats, waarbij elke plek wordt bezet door een geschikte soortvariant. Als de populatie groeit neemt vervolgens de selectiedruk weer toe. Het resultaat is dat de verschillen tussen de varianten groter worden. Elke variant ontwikkelt zijn eigen aanpassing. Dit verschijnsel noemen we adaptieve radiatie. Beroemde voorbeelden van adaptieve radiatie zijn de darwinvinken op de Galapagos Eilanden en de cichliden in het Victoriameer. http://www.biologie.uni-hamburg.de/b-online/e38/38c.htm Penstemon grinellii(B) is usually pollinated by large carpenter bees (Xylocopa), Penstemon centrahifolius(A) by humming birds, and Penstemon spectabilis(D) by wasps and medium-sized bees. The coming into being of the last species, Penstemon spectabilis,(D) could be reconstructed as follows. In the past, natural hybrids of the other two Penstemon species had no selective advantage, since the existing habitats were already occupied by the parental species, but when brushwood-covered slopes replaced forests, they found a suitable ecological niche. Wasps and medium-sized bees occurring in these habitats turned into their pollinators. Flowers with their nectar accessible to the pollinators became advantageous. Selection favoured and stabilized now plants adapted to dry environments (in contrast to forests) and flowers adapted to pollination by wasps instead of humming birds.   Penstemon Grinelli penstemon spectabilis http://www.pbs.org/wgbh/evolution/library/01/6/l_016_02.html Adaptive Radiation: Darwin’s Finches There are now at least 13 species of finches on the Galapagos Islands, each filling a different niche on different islands. All of them evolved from one ancestral species, which colonized the islands only a few million years ago. This process, whereby species evolve rapidly to exploit empty ecospace, is known as adaptive radiation. Adaptive Radiation: Darwin’s Finches: When Charles Darwin stepped ashore on the Galapagos Islands in September 1835, it was the start of five weeks that would change the world of science, although he did not know it at the time. Among other finds, he observed and collected the variety of small birds that inhabited the islands, but he did not realize their significance, and failed to keep good records of his specimens and where they were collected. It was not until he was back in London, puzzling over the birds, that the realization that they were all different, but closely related, species of finch led him toward formulating the principle of natural selection. In his memoir, The Voyage of the Beagle, Darwin noted, almost as if in awe, “One might really fancy that, from an original paucity of birds in this archipelago, one species had been taken and modified for different ends.” Indeed, the Galapagos have been called a living laboratory where speciation can be seen at work. A few million years ago, one species of finch migrated to the rocky Galapagos from the mainland of Central or South America. From this one migrant species would come many — at least 13 species of finch evolving from the single ancestor. This process in which one species gives rise to multiple species that exploit different niches is called adaptive radiation. The ecological niches exert the selection pressures that push the populations in various directions. On various islands, finch species have become adapted for different diets: seeds, insects, flowers, the blood of seabirds, and leaves. The ancestral finch was a ground-dwelling, seed-eating finch. After the burst of speciation in the Galapagos, a total of 14 species would exist: three species of ground-dwelling seed-eaters; three others living on cactuses and eating seeds; one living in trees and eating seeds; and 7 species of tree-dwelling insect-eaters. Scientists long after Darwin spent years trying to understand the process that had created so many types of finches that differed mainly in the size and shape of their beaks. Most recently, Peter and Rosemary Grant have spent many years in the Galapagos, seeing changing climatic conditions from year to year dramatically altering the food supply. As a result, certain of the finches have lived or died depending on which species’ beak structure was best adapted for the most abundant food — just as Darwin would have predicted. http://evodisku.multiply.com/journal/item/188/Darwinvinken http://sfmatheson.blogspot.com/2008/05/finches-bah-what-about-darwins-tomatoes.html *Darwin, Charles: http://evodisku.multiply.com/journal/item/184/Charles_Darwin The 19th-century naturalist considered the father of evolution. His landmark work, On the Origin of Species, published in 1859, presented a wealth of facts supporting the idea of evolution and proposed a viable theory for how evolution occurs — via the mechanism Darwin called “natural selection.” In addition to his prolific work in biology, Darwin also published important works on coral reefs and on the geology of the Andes, and a popular travelogue of his five-year voyage aboard HMS Beagle. *Grant, Peter and Rosemary: Biologists whose long-term research focuses on finches in the Galapagos Islands, and the evolutionary impact of climatic and environmental changes on their populations. They live part of the year in the Islands, and have received honors for their work since they began in 1973. *natural selection: (Natuurlijke teeltkeus ) The differential survival andreproduction of classes of organisms that differ from one another in one or more usually heritable characteristics. Through this process, the forms of organisms in a population that are best adapted to their local environment increase in frequency relative to less well-adapted forms over a number of generations. This difference in survival and reproduction is not due to chance *Niche: The ecological role of a species; the set of resources it consumes and habitats it occupies. *selective pressures: /(selectiedruk ) Environmental forces such as scarcity of food or extreme temperatures that result in the survival of only certain organisms with characteristics that provide resistance. *speciation: ( speciatie ) Changes in related organisms to the point where they are different enough to be considered separate species. This occurs when populations of one species are separated and adapt to their new environment or conditions (physiological, geographic, or behavioral). *species: ( soort) An important classificatory category, which can be variously defined by the biological species concept, cladistic species concept, ecological species concept, phenetic species concept, and recognition species concept. *-biological species concept: The concept of species, according to which a species is a set of organisms that can interbreed among each other. The biological species concept, according to which a species is a set of interbreeding organisms, is the most widely used definition, at least by biologists who study vertebrates. -A particular species is referred to by a Linnaean binomial, such as Homo sapiens for human beings. -Just because two individuals can breed does not mean they belong to the same species.(creationisten menen dat kruisende individuen met leefbaar nageslacht behoren tot hetzelfde “baranoom”/ baramin : soms is baramin gelijkgesteld aan species/maar “baraminologen” ze houden hun definitie en pseudo-wetenschap wel flexibel genoeg om iets anders te kunnen invullen ) Although there are many competing concepts as to what constitutes a ‘species’, usually it is considered to be a population of individuals that successfully interbreed in the wild. Populations that could interbreed in theory but don’t in practice are therefore different species. *-Cladistic species concept: The concept of species, according to which a species is a lineage of populations between two phylogenetic branch points (or speciation events). *-ecological species concept: A concept of species, according to which a species is a set of organisms adapted to a particular, discrete set of resources (or “niche”) in the environment *-phenetic species concept: A concept of species according to which a species is a set of organisms that are phenotypically similar to one another *-recognition species concept: A concept of species according to which a species is a set of organisms that recognize one another as potential mates; they have a shared mate recognition system.    _________________________________________________________________________________

  • Adenine <  C5H5N5Eén van de vier verschillende basen waaruit het DNA o.a. is opgebouwd. Adenine (A) kan alleen binden aan zijn complementaire base, thymine (T). Deze binding komt tot stand door middel van waterstofbruggen.

Wikipedia   Adenine < Adenosinedifosfaat < Adenosinetrifosfaat< zie ook mitochondrieen  Structuurformule van adenine  ______________________________________________________________________________________

Human Ancestor Had Lime-Size Brain http://news.nationalgeographic.com/news/2007/05/070514-tiny-brain.html http://palaeoblog.blogspot.com/2007/05/new-aegyptopithecus-skull.html PNAS http://www.pnas.org/content/104/21/8731.abstract?maxtoshow=&HITS=10&hits=10&RESULTFORMAT=&fulltext=Aegyptopithecus&searchid=1&FIRSTINDEX=0&resourcetype=HWCIT http://www.pnas.org/content/104/21/8731.full.pdf+html http://www.pnas.org/content/suppl/2007/05/03/0703129104.DC1/03129Fig5.jpg http://www.pnas.org/content/suppl/2007/05/03/0703129104.DC1/03129Fig6.jpg http://en.wikipedia.org/wiki/Aegyptopithecus http://www.cryptomundo.com/cryptozoo-news/zeuxis/ ___________________________________________________________________________________ Aeroob Aeroob(aerobic) is een eigenschap van niet-fotosynthetiserende organismen; het betekent dat ze onder aanwezigheid van (lucht)zuurstof kunnen gedijen –>Fotosynthese (Met het artikel ; “De eerste adem” doorPierra maart 2010

_______________________________________________________________________________________________

  • agarosegel Gel die gebruikt wordt bij de gel-electoforese van DNA t.b.v. het scheiden van DNA-fragmenten op grootte.

 

  • Agrificatiegewas  Een landbouwgrondstof die geschikt is voor industriële toepassingen en niet bedoeld is voor menselijke en dierlijke consumptie.

   ______________________________________________________________________________________

  • Agrobacterium tumefaciens Deze bacterie, die een ziekteverwekker is bij planten, beschikt over de mogelijkheid om een stukje van haar eigen erfelijke informatie in te bouwen in het planten-DNA.Door deze bacterie ditzelfde te laten doen met het DNA dat we willen inbouwen in een plant, is genetische transformatie bij planten mogelijkAgrobacterium tumefaciens, bacterium and disease klik

http://www.mindfully.org/GE/Vitaly-Citovsky-Projects.htm Identifying features of A. tumefaciens Taxonometric relationship: Bacteria; Proteobacteria; alpha subdivision; Rhizobiaceae group; Rhizobiaceae family; Agrobacterium genus Microbiological properties: Gram-negative, non-sporing, motile, rod-shaped, soil-borne. Related species: A. rhizogenes (fcauses root formation in infected plants), A. vitis (causes gall formation on grapevines). Disease symptoms: Formation of neoplastic swellings (galls) on plant roots, crowns, trunks and canes. Galls interfere with water and nutrient flow in the plants, and seriously infected plants suffer from weak, stunted growth and low productivity. Host range: One of the widest host ranges known among plant pathogens; can potentially attack all dicotyledonous plant species. Also, under controlled conditions (usually in plant tissue culture) can infect, albeit with lower efficiency, several monocotyledonous species. Agronomic importance: The disease currently affects plants belonging to the rose family, e.g. apple, pear, cherry, almond, roses, as well as poplar trees (aspen). Useful website: http://www.bio.purdue.edu/courses/gelvinweb/gelvin.html http://nl.wikipedia.org/wiki/Agrobacterium_tumefaciens http://www.bio.davidson.edu/people/kabernd/seminar/2002/method/dsmeth/ds.htm    ______________________________________________________________________________________

  • Atheistic Evolutionist Atheistic “Evolutionist:” Accepts the scientific theory of evolution. Also happens not to believe in God.

 De term” evolutionist “is eigenlijk een  verkeerde term  en  een  stigma dat door creationisten op evolutie-biologen/ wetenschappers wordt geplakt  … het impliceert dat deze  mensen  ( en  degenen die zijn overtuigd door wetenschappelijke argumenten en bewijsstukken   ) gelovigen  zijn , net zoals zij …maar dat is niet zo …wetenschap immers is niet gebaseerd op   geloof maar op het methodisch naturalisme _______________________________________________________________________________________

  • AIDS AIDS (Acquired Immuno-Deficiency Syndrome, verworven immunodeficiëntiesyndroom) is een syndroom dat wordt veroorzaakt door het HIV-virus. Bij AIDS wordt de afweer van het lichaam langzaam afgebroken. AIDS wordt gekenmerkt door een specifieke vermindering van de T-cellen en het ontstaan van karakteristieke secundaire infecties.
  • http://www.geslachtsziektes.com/aids-symptomen.html

 ______________________________________________________________________________________

Albinisme is het aangeboren ontbreken van het pigmentmelanine in haar en/of huid, wat resulteert in een gedeeltelijk of geheel witte huid en rode ogen. Die huid is erg gevoelig voor de zon en verbrandt snel. Het wordt algemeen beschouwd als een genetische afwijking, omdat bij de meeste soortgenoten wel pigment aanwezig is.
Albinisme geeft bij de mens allerlei oogklachten
Het tegenovergestelde van albinisme is melanisme
Mexican cavefish albinism linked to OCA2 gene — a pigmentation gene also responsible for the most common form of albinism in humans. http://www.sciencedaily.com/releases/2005/12/051220000639.htm
Blue-eyed Humans Have A Single, Common Ancestor ” a genetic mutation affecting the OCA2 gene in our chromosomes resulted in the creation of a “switch”, which literally “turned off” the ability to produce brown eyes”. http://www.sciencedaily.com/releases/2008/01/080130170343.htm
Fish Gene Sheds Light On Human Skin Color Variation http://www.sciencedaily.com/releases/2005/12/051216091727.htm
________________________________________________________________________________________________

 

Albumine is kwantitatief het belangrijkste eiwitmolecuul in het bloedplasma. Omdat het in de gezonde situatie niet uit de bloedhaarvaten kan treden, speelt het een belangrijke rol bij de handhaving van de juiste osmotische druk in de bloedvaten.
__________________________________________________________________________________________________
Alexander Fleming
30 september 1928 – De Schotse bacterioloog Alexander Fleming ontdekt per toeval de schimmel die een substantie produceert die bacterien doodt.

De microbioloog Alexander Fleming hield zich bezig met onderzoeken naar bacterien. Bij zijn proeven maakte hij gebruik van kweekbakjes. Hierin ‘kweekte’ hij bacteriekolonies en bekeek hij later welke veranderingen de bacterien ondergaan hadden. Er ontstonden af en toe schimmels in de kweekbakjes, wat Fleming deed denken dat zijn proeven mislukt waren. Toen hij op een dag een oud kweekbakje met schimmel goed bekeek, ontdekte hij dat rondom de schimmel de bacteriekolonies verdwenen waren. Hieruit bleek dat de schimmel ‘penicilium’ een stof bevatte die ziektekiemen doodde. Deze vondst leidde tot de ontdekking van Peniciline.http://nl.wikipedia.org/wiki/Alexander_Fleming —————————————————————————————————

  • Alfa-thallasemie  een erfelijke vorm van bloedarmoede, veroorzaakt door een onjuiste aanmaak van een polypeptide-keten.

De aandoening komt vooral voor in landen rond de Middellandse Zee.  Leer meer over ” thallasemie ” —>   http://sickle.bwh.harvard.edu/thalover.html  —————————————————————————————————

Zoekwoord ; Alfred Russel Wallace  

Did Darwin plagiarize Wallace?

Why is Darwin more famous than Wallace

______________________________________________________________________________________________

Alg <  zie ook eencelligen

_____________________________________________ zew  

  • Alginaten Een alginaat is een natuurlijke stevigheidvezel in de celwand van de alg( in het bijzonder van zeewier ).
  • Na een industriële bewerking kan de alg dienen als vervanging van polystyreenverpakkingen (piepschuim) en als  flexibel verband  en vooral ook in de tandheelkunde  om afdrukken te maken ….

File:Alginsäure.svg ————————————————————————————————–   Algoritmen – wat we (niet) kunnen berekenen door Ionica Smeets op 17-02-2007, http://extra.volkskrant.nl/betacanon/index.php?id=208 Hoe sorteert een computer een lijst namen op alfabet? Hoe vindt Google zo snel de goede internetpagina’s? Hoe vind je alle priemgetallen kleiner dan een bepaald getal? Het antwoord op deze drie vragen is hetzelfde: met een algoritme. Een algoritme is een recept om een probleem stap voor stap op te lossen. Nu werkt u waarschijnlijk niet voor Google en hoeft u ook niet zo vaak lijsten met namen te sorteren of priemgetallen te zoeken. Toch gebruikt u zelf regelmatig een algoritme. Bijvoorbeeld als u nakijkt of de rekening in een restaurant klopt. U telt de getallen bij elkaar op – in kolommen van rechts naar links. Eerst de eenheden, eventueel onthouden wat er overblijft, dan de tientallen, weer onthouden, verder met de honderdtallen en zo verder (afhankelijk van uw budget). Getallen optellen is niet zo moeilijk, maar het is een stuk lastiger om met pen en papier uit te rekenen dat √5 ≈ 2.236… Ook dit gaat met een algoritme. Bijna 4000 jaar geleden kenden de Babyloniërs al zulke methoden om wortels te berekenen. Ook de Grieken (verder vooral bekend van de stelling van Pythagoras) ontwikkelden rond 200 voor Christus verschillende algoritmen. Stap voor stap Een mooi voorbeeld is de zeef van Eratosthenes om priemgetallen te vinden -een priemgetal is een natuurlijke getal groter dan 1 dat alleen deelbaar is door 1 en zichzelf. Het is heel eenvoudig om stapsgewijs alle priemgetallen kleiner dan een bepaald getal (neem bijvoorbeeld 1729) te vinden. 1. Maak een lijst van alle gehele getallen vanaf 2 tot en met 1729. 2. Omcirkel 2 en streep alle veelvouden van 2 door: 4, 6, 8, enzovoorts tot 1728. 3.Zoek het eerste getal op de lijst dat niet omcirkeld of doorgestreept is. Stop als zo’n getal niet bestaat. 4. Omcirkel dit getal en streep alle veelvouden van dit getal op de lijst door. Ga daarna terug naar stap 3. Als het algoritme stopt, dan zijn alle getallen op de lijst omcirkeld of doorgestreept. De omcirkelde getallen zijn precies alle priemgetallen kleiner dan 1729. Alle getallen die deelbaar zijn door een ander getal dan 1 of zichzelf zijn immers stuk voor stuk doorgestreept. In dit voorbeeld zien we een wonderlijke eigenschap van algoritmes: je hoeft helemaal niet te begrijpen wat je doet. Als je netjes de stappen volgt, dan komt er vanzelf het goede antwoord uit. Een kind dat niet weet wat priemgetallen zijn, maar wel tot 1729 kan tellen en vermenigvuldigen, kan met de bovenstaande methode probleemloos alle priemgetallen kleiner dan 1729 vinden. Dit algoritme voor het berekenen van priemgetallen kan nog aanzienlijk verbeterd worden. Zodra de eerste deler groter wordt dan de vierkantswortel van het grensgetal (1729), zal het resultaat van de deling kleiner zijn dan die deler. Alle samengestelde getallen groter dan de vierkantswortel zij dus al afgestreept, en alle niet afgestreepte getallen zijn priem. In het voorbeeld kan het algoritme dus stoppen bij 43 Al-goritme De naam algoritme is een verbastering van de naam Al-Khwarizmi. Deze Arabische wiskundige schreef in de negende eeuw een belangrijk boek over Indische getallen en wat je daar allemaal mee kon doen. Hij introduceerde hiermee ons huidige getallenstelsel in het Midden-Oosten en later Europa. Bij het vertalen van zijn werk naar het Latijn werd door een ijverige vertaler ook de naam Al-Khwarizmi meegenomen en verwesterd tot algoritmi. In de loop der tijd werd het woord algoritme een algemene term voor methoden die stap voor stap beschrijven hoe een probleem moet worden opgelost. Het is nogal vervelend om al die stappen van een algoritme met pen en papier uit te werken. Computers zijn echter bijzonder goed in dom en mechanisch werk en de opkomst van de computer ging hand in hand met de groeiende toepassingen van algoritmen in de laatste zestig jaar. Het grappige is dat juist het nadenken over algoritmen tot onze huidige computers leidde. Natuurlijk speelden veel meer factoren een rol (denk aan de Tweede Wereldoorlog die zorgde voor een technologische spurt), maar buitengewoon belangrijk waren de idee챘n van 챕챕n man: Alan Turing. Deze Engelsman werd geboren in 1912 en studeerde wiskunde in Cambridge. Op zijn 23ste was hij al gepromoveerd en raakte hij geïnteresseerd in logica. Turing betwijfelde of logica wel de enige manier was om naar wiskunde te kijken en vroeg zich af of er vragen waren, die je niet met logica kon beantwoorden. Om de grenzen van de logica te onderzoeken, bedacht Turing in 1936 zijn Turing machine, een eenvoudige computer die nog alleen in zijn hoofd bestond. De theoretische Turing machine kan alleen algoritmes uitvoeren die aan bepaalde eisen voldoen. Het algoritme moet bestaan uit een eindig aantal precieze instructies en het moet stoppen na een eindig aantal stappen. Daarnaast moet het algoritme in principe door een persoon met pen, papier en een heleboel tijd uitgevoerd kunnen worden. Hierbij hoeft deze persoon niets te begrijpen van wat hij doet, als hij elke losse stap maar kan uitvoeren. Wel veronderstelt de Turing machine een oneindige hoeveelheid werkgeheugen, waardoor een volledige Turing machine nooit in werkelijkheid kan bestaan. Turing bewees dat er geen machine bestaat die meer berekeningen uit kan voeren dan zijn Turing machine. Een gloednieuwe computer met een supersnelle processor kan in principe niet meer problemen oplossen dan een kamergrote computer uit de jaren vijftig, al zal de laatste er waarschijnlijk wel veel meer tijd voor nodig hebben. Een belangrijke variatie op de Turing machine werd bedacht door John von Neumann, een uit Hongarije afkomstige wiskundige en tijdgenoot van Turing. Hij bedacht dat het niet nodig is om onderscheid te maken tussen een programma en het werkgeheugen, maar dat de instructies van het programma in het geheugen gecodeerd kunnen worden. Hierdoor is maar één soort geheugen nodig, dat zowel gegevens als programma’s opslaat. Alle moderne computers zijn volgens deze Von Neumann architectuur ontworpen. Wij zijn inmiddels helemaal gewend aan dit idee: op onze computers bewaren we gegevens als vakantiefoto’s en favoriete liedjes op dezelfde manier als programma’s zoals webbrowsers of tekstverwerkers. Alles staat als rijtjes nullen en enen op de harde schijf. Om een computer iets nieuws te laten doen, hoef je alleen nieuwe software te installeren en niet met een schroevendraaier allerlei nieuwe componenten toe te voegen. To stop or not to stop Turing gebruikte zijn Turing machine om de grenzen van de logica te onderzoeken: wat kan een algoritme niet? In 1936 ontdekte hij dat het onmogelijk is om een computerprogramma te maken dat van een willekeurig algoritme bepaalt of het zal stoppen. De relevantie van deze vraag is duidelijk: als je computer niet reageert, dan wil je graag weten of je even moet wachten omdat je computer nog ergens mee bezig is, of dat je maar beter opnieuw kan opstarten. De naïeve methode om te kijken of een algoritme stopt, is om het domweg te laten draaien. Als het na een tijdje stopt, dan weet je het antwoord. Maar wat doe je als het algoritme niet stopt? Je weet nooit zeker of het algoritme over drie minuten of drie dagen of drie jaar niet toch zal stoppen. Turing liet zien dat er algoritmen bestaan waarvoor je met geen enkele slimme truc kunt bepalen of ze stoppen. Turing maakte de opkomst van de computers trouwens niet meer mee. Hij overleed in 1954 op sprookjesachtige wijze aan een cyanide-vergifting met een half opgegeten appel naast zijn bed. Zijn moeder geloofde dat het een ongeluk was, de rest van de wereld gokte op zelfmoord. Nog meer problemen Turing liet zien dat we niet van elk algoritme kunnen bepalen of het stopt. Maar gelukkig zijn er een heleboel algoritmen waarvan we zeker weten dat ze stoppen, omdat er bijvoorbeeld maar een eindig aantal mogelijkheden is om na te gaan. Een logische vraag is nu: zijn deze algoritmen snel genoeg, zijn ze efficiënt? Met efficiënt wordt bedoeld dat de rekentijd niet belachelijk veel groter wordt als het probleem groter wordt. Het antwoord hierop is een teleurstellend ‘nee’. Er bestaat een grote groep van problemen die heel eenvoudig lijken, maar waar geen efficiënt algoritme voor bestaat. Berucht is het handelsreizigersprobleem. Een handelsreiziger wil naar verschillende steden om zijn handel naar klanten te brengen. Tijd en benzine kosten geld, dus vraagt de handelsreiziger zich af wat de kortste route is waarbij hij langs al deze steden komt. Soortgelijke problemen komen op veel plaatsen voor: een bezorger van de Volkskrant zoekt de kortste route langs zijn bezorgadressen en fabrikanten van printplaten voor computers zoeken de snelste manier om duizenden gaten op de juiste plek te boren. Het is niet moeilijk om een algoritme te geven dat in een eindig aantal stappen de kortste route vindt: probeer ze gewoon allemaal. Jammer genoeg zijn er nogal veel mogelijkheden.Voor tien steden zijn er al 181.440 mogelijke routes. Bij de gaten in de printplaat gaat het in de praktijk al snel om enorme aantallen en heeft de computer geen dagen, geen jaren, maar eeuwen nodig om de kortste route te vinden. Tegen de tijd dat het probleem opgelost is, heeft niemand de printplaat meer nodig. Voor dit soort problemen gloort er hoop in de toekomst: de quantumcomputer! Die zou ze wél snel kunnen oplossen. Maar dat is iets voor een ander lemma in deze canon. Bij het handelsreizigerprobleem voor grotere aantallen steden wordt vaak gebruik gemaakt van benaderingsalgoritmen die wel in korte tijd tot bruikbare resultaten komen. Zelfs als een exacte oplossing nodig is wordt eerst een zo goed mogelijke benadering gemaakt, omdat dan veel eerder kan worden besloten dat een voorgestelde route geen verbetering meer kan opleveren. http://nl.wikipedia.org/wiki/Algoritmiek Links: De wiskunde achter het Google algoritme (Engels) http://www.ams.org/featurecolumn/archive/pagerank.html Artikel over Mohammad ibn Musa Al-Khwarizmi http://www.kennislink.nl/web/show?id=116543 Site over Turing, gemaakt door zijn biograaf (Engels) http://www.turing.org.uk/turing/ Uitleg over wat je kunt beslissen met Turing machines (Engels) http://plato.stanford.edu/entries/church-turing/ Optimaal combineren (over het Handelsreizigersprobleem): http://www.kennislink.nl/web/show?id=141774 http://www.stokepoges.plus.com/godsalg.htm http://www.waalewijn.com Quantumcomputer http://www.natuurkunde.nl/artikelen/view.do?supportId=692020 *”Evolutionaire” algorytmen ‘Spin Robot’ leert lopen door evolutionair algoritme Feb 11th, 2010 by Erik Op zich is een robot als deze voor ons niet bijzonder spectaculair meer  te zien. (1) Afgezien van het feit dat dit hebbedingetje door een student in elkaar geknutseld is. Met wat hulp van processorfabrikant Intel. Opmerkelijk is echter dat in het originele artikel het volgende te lezen is: Perhaps the most impressive aspect of Bunting’s hexapod is its ability to “teach” itself to walk by tying vision with legged locomotion. Each time the hexapod is activated, it begins with no prior memory of how to move forward. Een enkel zinnetje waaruit blijkt dat de robot bij iedere keer dat hij ingeschakeld wordt opnieuw moet leren((3)  lopen. De vraag die rijst is dan natuurlijk: “Maar hoe leer je een robot lopen?”Twee zinnen verder vinden we het antwoord. Een antwoord dat een probleem oplevert voor vele creationisten. As a result, the device begins by experimenting with different positions and motions. If a particular motion moves the hexapod in a forward direction, it is reinforced. De robot probeert een aantal standaardbewegingen en selecteert die bewegingen die hem daadwerkelijk vooruit brengen. Dit lijkt een volkomen logische manier om de ‘nutteloze’ bewegingen te onderscheiden van de nuttige, ware het niet dat dit inzicht geenszins logisch zou zijn zonder dat wij verlicht waren door de inzichten van Charles Darwin.(2) In dit geval is het echter niet de natuur en de omgeving die selecteert, noch is er een noodzaak tot reproductie. Deze robot toont daarmee in de eerste plaats onomstotelijk aan dat ‘natuurlijke’ selectie werkt. Boven alles laat het echter zien dat de mens, zoals gebruikelijk, veel beter in staat is tot het ontwerpen van denkende en lerende objecten dan welke god dan ook. (1) Geniaal stukje technologie. Vooral de eerste strekkingen van de poten is lekker geleedpotig. Doe mij maar een model van een metertje of vijf lang met een cabine erop. En een beetje meer pit voor wat betreft snelheid. Lekker over de daken van de auto’s in de file. (2) De werking van evolutie zie je m.i. meer terug in het overtrainen van herkennende algoritmen dan in een algoritme dat bedoeld heel erg een bepaalde kant gaat belonen. Wat wel leuk is is het gebruik van een random generator voor het genereren van de experimenten die geëvolueerd worden. De grap is dat Dawkins in zijn serie lezingen ergens in de jaren 80 al melding maakt van dergelijke algoritmen die vergelijkbaar lijken te werken als deze spin robot. Het is juist gaaf dat dergelijke zaken gewoon ingezet kunnen worden om complexe besturing aan te leren zonder dat je alles tot in detail zelf zou moeten ontwerpen als designer. (3) Dit soort leerprocessen (hier motoriek en coördinatie) is al langer bestudeerd in mensen. Ze hadden ooit een test waarbij ze iemand een bril gaven die alle informatie ondersteboven projecteerde op de ogen. En die vent (natuurlijk vonden ze een vent gek genoeg om het te proberen) hield de bril dag en nacht op. Zette hem zelfs niet voor een paar seconden af.Zoals je kan verwachten liep die knakker overal tegenop. Kon geen stap zetten zonder om te vallen, kon niets pakken. Als hij zijn ogen dicht deed was het natuurlijk geen probleem. Drie dagen (als ik het me goed herinner) lang. Toen ging er ergens in zijn hoofd de schakelaar mirror video vertically om en had hij geen problemen meer. Zag alles “normaal”. En toen pakte ze die bril weer af.Liep weer alles omver, en weer drie dagen lang. Toen hadden zijn hersenen weer door wat ze met de visuele informatie aanmoesten. Ik zou dat gedrag wel eens door een creationist verklaard willen zien. Want als god ook dit gedrag in de hersenen gecreëerd zou hebben, waarom duurt het dan drie hele dagen voordat de alternate video feed herkend wordt? misschien ook leuk om te weten in dit verband  is dat door te lenswerking het beeld op je netvlies al ondersteboven staat en behoorlijke vervorming heeft. Beide zaken worden in je hoofd prima recht gemaakt. Daarom hebben mensen zonder bril zo laat door dat er iets mis is met de ogen terwijl een brildrager direct de effecten van zijn afwijking ziet zodra hij zonder bril loopt.  —————————————————————————————————   *ALLEL   Een van de mogelijke vormen die een gen kan aannemen. Bijvoorbeeld, bij genen die de kleur van de zaden bij erwten bepoalen vindt men één allel dat groene zaden produceert, en een ander allel dat gele zaden producert. In een diploïde cel zijn er meestal twee allelen van elk gen (elk geërfd van één van de ouders). Binnen een populatie kunnen veel verschillende allelen bestaan van een gen. (Schilthuizen ) *Een versie van een gen. *Eén van de mogelijke versies van een gen. Diploide organismen hebben op elke autosomale locus( een op elk derDNA strengen ) twee allelen. Dat kunnen dezelfde allelen zijn (en dan is het betreffende individu homozygoot voor die locus), of twee verschillende (dan is het individu heterozygoot). Dat er verschillende versies van genen bestaan, is een gevolg van vroegere (overleefbare en doorgegeven ) mutatie(s) in de voorouders . Allel: Een variant van een gen ( een specifieke opeenvolging). Als 2 allellen van een diploid individu door afkomst identiek zijn (dwz. dat beide allellen direct afstammen van een enkel allel in een voorouder), worden zulke allellen autozygoot genoemd. Als de allellen niet door afkomst identiek zijn (voor zover bekend), worden ze allozygoot genoemd. allel/mv Allelen Eén van de verschijningsvormen van een gen. Een gen voor bloemkleur kan verschillende allelen hebben, elk voor een andere kleur.

(M Ridley )  An allele is a variant of a single gene, inherited at a particular genetic locus; it is a particular sequence of nucleotides, coding for messenger RNA (see also dominant/recessive). Like genes, alleles are usually symbolized by alphabetic letters. For instance, two alleles at the genetic locus under consideration are designated as A and a , where the capital letter is dominant. Allele:    Refers to different forms of genes for the same trait. For example, there are a number of alternate genes for hair color. Each gene for hair color is an allele for that trait. SOURCE: Talk Origin Jargon Files Allel  (v. Gr. = elkaar, wederzijds), elke mogelijke variant van een gen. Men spreekt in de erfelijkheidsleer van een allel indien van een gen twee of meer varianten bekend zijn die dezelfde vaste plaats (locus) op een bepaald chromosoom kunnen innemen; als het ene allel voorkomt, kunnen de andere allelen op die locus van dat chromosoom niet voorkomen: ze sluiten elkaar dus wederzijds uit. Allelen ontstaan door mutatie van een gen. De allelen (van één locus) beïnvloeden onderling verschillend de uitwendige verschijningsvorm (hetfenotype) van het organisme. Informatie afkomstig uit Encarta Winkler   www.winklerprins.com     Van elk gen zijn meerdere uitvoeringen mogelijk. Elke uitvoering wordt een allel genoemd. Als een individu voor een bepaald gen twee gelijke allelen heeft, dan noemt men dit gen homozygoot. Als het twee verschillende allelen heeft, noemt men het gen heterozygoot. Een voorbeeld hiervan zijn de allelen die de bloedgroep bepalen. Het gen dat codeert voor de bloedgroep komt namelijk in drie vormen (lees allelen) voor: het allel voor bloedgroep A, het allel voor bloedgroep B en het allel voor bloedgroep 0 (nul). De bepaling van de bloedgroep zelf gebeurt dan door een samenspel van de aanwezigheid van de twee allelen. Allel voor bloedgroep A samen met het allel voor bloedgroep B geeft bloedgroep AB. Komt het allel voor 0 tweemaal voor dan hebben we bloedgroep 0 (nul). Komt het allel 0 samen met een van 0 verschillend allel voor dan hebben we de bloedgroep van dit tweede allel. Allel voor 0 en het allel voor B geeft bv. bloedgroep B. Komt het allel A of allel B tweemaal voor dan hebben we bloedgroep A, respectievelijk B. zie ook: homozygoot  heterozygoot  dominant  recessief genotype fenotype  gen-afwijkingen   Border Collies – Genetica Allele interactie Hier worden de invloeden die verschillende allelen op elkaar ( bij honden  ) hebben binnen een locus besproken. Ook volgt er een kleine uitleg over geslachtsgebonden Een chromosoom bevat vele genen. Al deze genen zitten op verschillende plaatsen op het chromosoom. De plaats waar zo’n gen ligt heet een locus (meervoud=loci). Een mens heeft 23 paar chromosomen. De chromosomen in zo’n paar hetenhomologe chromosomen Deze hebben niet alleen dezelfde vorm en lengte, maar komen ook in de loci overeen. Elk van de genen, die op een bepaalde locus kan voorkomen noemen we een allel Zo bestaan er bijvoorbeeld allelen voor blauwe ogen en bruine ogen en allelen voor de haarkleur en -vorm. Bij personen met sluik haar bestaat het genenpaar voor de haarkleur uit twee allelen voor sluik haar. Deze persoon is homozygoot voor de haarvorm sluik haar. Homozygoot wil dus zeggen dat op beide chromosomen van het chromosoompaar twee dezelfde allelen zitten. Een ander mogelijkheid is dat een persoon twee allelen bezit voor krullend haar. Deze persoon is dus ook homozygoot maar dan voor de haarvorm krullend haar. Dan zijn er ook nog mensen die een allel voor krullend haar en een allel voor sluik haar hebben. Nu zijn de allelen verschillend. Dit heet heterozygoot. Onderzoek wijst uit dat zo’n persoon krullend haar bezit. Het allel voor krullend haar is dus sterker (geeft duidelijker zijn kenmerken af) dan het allel voor sluik haar. Omdat maar één van beide allelen in het fenotype tot uiting komt noemen we dit allel het dominante allel. Het andere allel, dat dus niet tot uitdrukking komt in het fenotype noemen we het recessieve allel. Het dominante allel is dus als het ware sterker dan het recessieve allel. Doordat sommige allelen dominant en andere allelen recessief zijn kun je vaak niet aan het fenotype het genotype afleiden. Voor de meeste erfelijke eigenschappen geldt dat er dominante en recessieve allelen zijn. Maar bij sommige soorten allelen is dit verschil minder groot dan bij andere. Bij de mens is het allel voor bruine oogkleur dominant over het allel voor een blauwe oogkleur. Onderzoek wijst uit dat iemand die homozygoot voor een bruine oogkleur is, donkerder ogen heeft dan iemand die heterozygoot voor een bruine oogkleur is. Hieruit blijkt dat het allel voor een bruine oogkleur onvolledig dominant is. Maar er is nog een mogelijkheid. Dit voorbeeld is goed uit te leggen met behulp van leeuwebekjes (=een plantje). Leeuwebekjes hebben allelen voor een witte en een rode bloemkleur: Een bloem die homozygoot voor een rode bloemkleur is heeft rode bloemen. Een bloem die homozygoot is voor een witte bloemkleur heeft witte bloemen. Een bloem die een rood en een wit allel bevat heeft roze bloemen. (Je kunt dit zien in de illustratie bovenaan deze pagina) Dit laatste geval is interessant. Hieruit blijkt dat geen van beide allelen dominant of recessief is. Zo’n fenotype noemen we intermediair. Welke allelen dominant of recessief zijn, verschilt per soort. Allel    Bepaald type gen(  variant)  dat op een bepaalde plaats (= locus) van een chromosoom kan  voorkomen. Genen kunnen verschillende vormen hebben. De vorm van een gen noemt men allel (meervoud = allelen)      Voorbeeld: Mensen hebben een gen dat door middel van een enzym ervoor zorgt dat ze hun tong kunnen dubbel vouwen (tongrollen). Als dat gen defect is, kan dat enzym niet gemaakt worden en kunnen ze niet tongrollen. Opmerking:  In veel schoolboeken wordt gesteld dat tongrollen en oogkleur door 1 gen geregeld worden. Dat is onjuist. Er zijn veel meer genen betrokken bij de eigenschap tongrollen. De oogkleur wordt door minstens 2 genen geregeld. Vrijwel alle eigenschappen worden door meerdere genen geregeld. Eigenschappen van de mens die door 1 gen geregeld worden zijn wel bekend, maar het betreft meestal ernstige erfelijke afwijkingen. Het lijkt ons niet gepast om die als voorbeeld te gebruiken. Daarom doen we in ons voorbeeld alsof tongrollen door 1 gen wordt geregeld. Kijk voor extra informatie bijvoorbeeld hier http://www.discovery.com/area/skinnyon/skinnyon970226/skinny1.html Zweet en urine kunnen best lekker zijn 17september2007 De meeste mensen vinden dat zweet en urine stinken, maar sommige mensen vinden die “vieze” geurtjes wel lekker. Dat komt door een genetische variatie die ze hebben, zo blijkt uit onderzoek. Onderzoekster Leslie Vosshall van de Rockefeller Universiteit in New York onderwierp circa 400 proefpersonen aan meer dan 60 geurtjes, waarbij die proefpersonen moesten aangeven of ze die geurtjes vies of lekker vonden. 20 procent vindt urine lekker ruiken Zo kregen de testpersonen het stofje androstenone voorgeschoteld, een stof die te vinden is in de urine en zweet van mannen. De meeste mensen vonden de androstenone naar urine ruiken, maar een flinke minderheid (20 procent) moest denken aan honing of vanille. Van elke deelnemer aan de test werd ook DNA afgenomen, dat onderzocht werd door Duke Universiteit in North Carolina, die ook meedeed aan dit project. Uit dat onderzoek bleek dat de mensen die de “vieze” geuren konden waarderen een andere variant op een gen (OR7D4) hebben dan de groep die juist vonden dat androstenone stinkt. Hoe iemand de geur van het aan het testosteron verwante hormoon androstenon omschrijft, wordt bepaald door de variant ( allel ) van een bepaald gen die de ruikende in zijn DNA heeft. Tussen mannen en vrouwen lijkt geen verschil te bestaan. Sommige mensen vinden de aan testosteron verwante stof een prettige, bijna zoete en bloemige lucht, terwijl andere het een vieze urine- of zweetgeur vinden. De mate waarin iemand de geur waarneemt, van in het geheel niet tot te nadrukkelijk, is afhankelijk van datzelfde stuk erfelijk materiaal. Het gaat om kleine variaties in het gen dat codeert voor een bepaalde geurreceptor, OR7D4. Deze geurontvanger wordt aangemaakt in het slijmvlies van de neus. Van het OR7D4-gen zijn varianten ge챦dentificeerd, onder meer RT en WM. Als een persoon de combinatie RT/WM in zijn genen had (van elk gen heeft een mens twee versies, van moeders- en van vaderskant) was het 129 procent waarschijnlijker dat androstenon lekker rook dan bij iemand met RT/RT. De kans dat men de geur vies vond, was verlaagd met 42 procent. Ook waren de RT/WM’ers minder gevoelig voor deze geur. Andere geuren roken zij net zo goed als anderen. De wetenschappers onder leiding van Andreas Keller hebben androstenon getest omdat hiervan bekend is dat mensen er verschillend op reageren. Androstenon activeerde duidelijk OR7D4 Leslie Voshall en haar onderzoek     13 tips om lekker te ruiken Muizen http://members.chello.nl/t.comis/mimosamuizen/genetica.htm Paarden      http://www.bokt.nl/wiki/Kleur Katten        http://home.iae.nl/users/vispnj/compendium/ncwxyz.htm  ————————————————————————————————–

  • Allometrie(allometry) ALLOMETRIE De relatie tussen de grootte van een organisme en de grootte van een bepaald deel ervan. Zo bestaat er een allometrische relatie tussen hersengrootte en lichaamsmassa, zodat (in dit geval) dieren met een grotere lichaamsmassa meestal ook een groter brein hebben. Men kan allometrische relaties bestuderen tijdens de groei van een enkel organisme, tussen verschillende organismen binnen een soort, of tussen individuen van een verschillende soort.

ALLOMETRIE = Verandering van de onderlinge grootte verhouding van de lichaamsdelen tijdens de groei ; ….Een baby heeft bijvoorbeeld in verhouding met de rest van zijn lichaam een veel groter hersenvolume als men dat vergelijk met een volwassene. Dit is voor medici van belang omdat , veranderingen in de verhoudingen ook dikwijls andere doseringen of medicatie nodig maken ….(Nota)*** Allometrische waarden hebben alles te maken met de verschijnselen die de ontwikkelingsbiologie bestudeert ….Klassiek zijn daarbij ( voor de geschiedenis van de evolutiebiologie ) de historisch overtrokken studies over de Neotonie ( bijvoorbeeld Louis Bolk) –> (zie daarover) … http://www.kennislink.nl/web/show?id=88562&showframe=content&vensterid=811&prev=88559 ALLOMETRIE gaat ook over de veranderingen van de (erfelijke) verhoudingen van morfologische kenmerken bij individuen binnen dezelfde soort , subspecies en nauw verwante soorten Dat is in het bijzonder van belang bij het vaststellen van de verschuivingen in de homologe verhoudingen van fossilifeerbare kenmerken Bijvoorbeeld ; – De verhouding tussen hersenvolume/ lichaams-volume noemt men het “Encefalisatie-quotient ” –>Dit is een belangrijke maatstaf bij het vaststellen van de verschillen tussen bijvoorbeeld hominiden onderling –> EQ is tevens een indicatie voor ” mentale vermogens ” …. Dwergvormen ,zoals de Homo floresiensis , bezitten dan wel een ( absoluut) klein hersenvolume , maar hun EQ is dan weer “beter” dan op het eerste zicht lijkt ALLOMETRY ( M Ridley )

stalk_eye.jpg
Allometry is an important method for describing morphological evolution. It is the relation between the size of an organism and the size of any of its parts: for example, there is an allometric relation between brain size and body size, such that (in this case) animals with bigger bodies have bigger brains. Allometric relations can be studied • during the growth of a single organism; • between different organisms within a species; • between organisms in different species. A typical allometric graph plots body size on the x-axis and some other character, such as brain, or eye-stalk, size on the y-axis. The points on these graphs can be for • the same individual measured at different ages; • for different individuals of a species (in which case the scatter will mainly be due to variation in age); • for different species in a higher taxon. Developed by Huxley, this method works easily for two characters, but is clumsy for complex shapes. For complex shapes, D’Arcy Thompson’s transformations can be more illuminating . The image opposite is of stalk-eyed flies from Malaya, which have an eyespan longer than their body. There is an allometric relationship between eyespan and body length.
°
ALLOPATRIE ( schilthuizen ) De aanwezigheid van twee populaties ofsoorten in twee geografisch gescheiden gebieden. Wanneer nieuwe soorten in allopatrie evolueren, ondergaan ze allopatrische soortvormmg. Allopatrische soortvorming ( schilthuizen ) De evolutie van een nieuwe soort in een geisoleerd gebied Allopatrische speciatie Soortvorming die ontstaat wanneer twee of meer populaties van één soort geografisch van elkaar worden gescheiden. Daardoor kunnen ze zich niet meer met elkaar voortplanten, en groeien de subpopulaties uit elkaar door genetische drift, natuurlijke selectie en andere evolutionaire factoren. Op den duur ontstaan op deze wijze nieuwe soorten.
°
Zie ook: Adaptieve radiatie ______________________________________________________________________________________(M Ridley)

Allopatric speciation

allopatric_speciation.jpg
Allopatric speciation occurs when a new species evolves in geographic isolation from its ancestor. It can happen like this: One species could split into two if a physical barrier, such as a new river, divided its geographic range. If the barrier is large enough, gene flow between them would cease and the two separate populations would evolve independently. Over time, different alleles would be fixed in them, either because of the hazards of mutation and drift, or because selection favored different characters in the two. If the two populations are separated long enough for significant divergence to have taken place, then if the barrier is removed and the populations are reunited, they might remain distinct from each other. A prezygotic or postzygotic isolation mechanism would prevent them from inter breeding. There would now be two species where there was formerly one. An animation illustrates the process of allopatric speciation. Figure: two models of allopatric speciation. (a) The dumb-bell model in which the ancestral species is divided into two roughly equal halves, each of which forms a new species. (b) The peripheral isolate model, in which the new species forms from a population isolated at the edge of the ancestral species range.

Allopatric Speciation: The evolutionary process through which two geographically separated (and therefore non-interbreeding) populations of the same species become less endless similar to each other over time (via mutation and / or the success of the fenotypic resulting different traits in each environment) and eventually become distinctly different species.

°
SOURCE: BioTech Dictionary Copyright 1995-98 Allopatric Speciation The Isthmus of Panama only arose some 3 million years ago. The images depict research results by Nancy Knowlton of the Smithsonian Tropical Research Institute who has been studying how this geological phenomenon produced a speciation event: Populations of snapping shrimp divided by the isthmus have diverged into separate species. It’s a bit like a character in a movie going off and having adventures that change him so drastically that when he returns, the folks in his hometown no longer recognize the way he looks and behaves. The biological equivalent is “allopatric speciation,” an evolutionary process in which one species divides into two because the original homogenous population has become separated and both groups diverge from each other. In their separate niches, the two groups go their own evolutionary ways, accumulating different gene mutations , being subjected to different selective pressures, experiencing different historical events, finally becoming incapable of interbreeding should they ever come together again. For many years this has been regarded as the main process by which new species arise. Often this type of speciation occurs in three steps. First, the populations become physically separated, often by a long, slow geological process like an uplift of land, the movement of a glacier, or formation of a body of water. Next, the separated populations diverge, through changes in mating tactics or use of their habitat. Third, they become reproductively separated such that they cannot interbreed and exchange genes. Under normal conditions, genes in a given population are exchanged through breeding, so that even if some variation occurs, it is limited by this “gene flow.” But gene flow is interrupted if the population becomes divided into two groups. One way this happens is by “vicariance,” geographical change that can be slow or rapid. An example of vicariance is the separation of marine creatures on either side of Central America when the Isthmus of Panama closed about 3 million years ago, creating a land bridge between North and South America. Nancy Knowlton of the Smithsonian Tropical Research Institute in Panama has been studying this geological event and its effects on populations of snapping shrimp. She and her colleagues found that shrimp on one side of the isthmus appeared almost identical to those on the other side — having once been members of the same population. But when she put males and females from different sides of the isthmus together, they snapped aggressively instead of courting. They had become separate species, just as the theory would predict. http://www.teachersdomain.org/resource/tdc02.sci.life.evo.allopatric/
__________________________________________________________________________________________________
ALTZHEIMER  De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie. Het is een hersenziekte waarbij de structuur van de hersenen zo verandert dat de zenuwcellen hun werk niet goed meer kunnen doen.
_________________________________________________________________________________________________
Amino acids (ridley)
AMINOZUREN  Aminozuur Eiwitten (proteïnen), de bouwstenen van het leven, zijn opgebouwd uit welbepaalde sequenties van aminozuren. Er zijn twintig basis aminozuren in de eiwitten waaruit levende wezens bestaan. De specifieke eigenschappen van een eiwit worden bepaald door de volgorde van zijn aminozuren. Bouwstenen van eiwitten. Aminozuren zijn organische moleculen met aan één kant een zuurgroep (-COOH) en aan een andere kant een aminogroep (-NH2). Hierdoor kunnen aminozuren met elkaar reageren tot een lange keten (een peptide of eiwit). Er zijn twintig verschillende aminozuren. Aminozuursequentie De volgorde van aminozuren (bijvoorbeeld in een eiwit).
°
AMNIOTEN  Een groep waarmee men reptielen, vogels en zoogdieren aanduidt. Specifiek voor deze groep is dat alle leden ervan zich ontwikkelen als een embryo die omvat is in een membraan (omhulsel) dat amnion wordt genoemd. Het amnion omvat het embryo met een waterachtige substantie, waarschijnlijk een adaptatie om zich op het land voort te planten. amniotes.docx (2.8 MB)
°
AMYLASE Amylase is een hydrolase ; Enzym dat zetmeel, een lange keten van suikers, afbreekt tot kleinere stukjes(=.de vertering van zetmeel.)Het wordt bij mensen via het speeksel en door de alvleesklier aan het voedsel toegevoegd. In mindere mate ook aanwezig in de andere organen. Door zijn laag molecuulgewicht wordt het proteïne glomerulair gefiltreerd en is het in de urine aanwezig. Amylasen zijn enzymen . Ze zitten ook van nature in graan en dus in bloem. De natuurlijke amylasen blijven actief tot het brood een temperatuur van 85 graden celsius bereikt. De synthetische vormen van het enzym amylase produceren dextrine, maltose of glucose van zetmeel. Ze worden met behulpt van bacteriën of schimmels aangemaakt. Alfa amylase blijft actief tijdens het rijzen van het deeg en tijdens het bakken tot zo’n 65 graden celsius. Maltogene amylase vertraagt het ouder worden van brood. Het wordt gebruikt bij industrieel brood, bier en bij de modificatie van zetmeel. Ze moeten niet meer als ingrediënt gemeld worden. http://nl.wikipedia.org/wiki/Amylase
°
Amylase gen AMY1 en verdubbelingen : De mens bevat meer kopieën voor het gen AMY1 dan andere primaten. Dit gen codeert voor amylase, het enzym uit speeksel dat verantwoordelijk is voor de afbraak van zetmeel in de mond in verteerbare suikers. Hierdoor zouden we tijdens de evolutie een voordeel hebben gehad omdat er efficiënter energie uit het voedsel gehaald kan worden. Er is een groot verschil tussen groepen mensen in het aantal exemplaren van het gen( onstaan door verdubbeling ) dat codeert voor het enzym amylase Leden van culturen met zetmeelrijk dieet ( bijvoorbeeld rijst ) hebben een groter aantal exemplaren van het amylase gen ( tot en met tien exemplaren op één chromosoom ) en daardoor een hogere concentratie van het emzym in hun speeksels …. Chimpansees beschikken maar over één enkel amylase gen ….
°
AMFIBIEEN Amfibieën zijn de klasse van gewervelden die kikkers, padden en salamanders omvat. Zij evolueerden in het Devoon, ongeveer 370 miljouen jaar geleden, als de eerste gewervelden die aan land gingen. Zij bezitten een vochtige, ongeschubde huid, die naast de longen wordt gebruikt bij het uitwisselen van gassen. Hun eieren zijn zacht en kwetsbaar voor uitdroging. De voortplanting vindt meestal plaats in het water. Als larven zijn amfibieën aquatisch, en bezitten zij kieuwen om te ademen; zij ondergaan een metamorfose om tot hun volwassen vorm uit te groeien. De meeste amfibieën leven in vochtige omgevingen, op alle continenten, behalve op Antarctica.
 
°
ANAGENESIS  Anagenesis: Evolutionary change along an unbranching lineage; change without speciation. SOURCE: UCMP Glossary http://www.ucmp.berkeley.edu/glossary/gloss1phylo.html Anagenese Evolutie tijdens dewelke een oude soort in zijn geheel verandert in een nieuwe, afstammende soort zodat de voorouder omgevormd wordt tot de afstammeling.
°
ANALOGE STRUCTUREN  Structuren in verschillende soorten die er hetzelfde uitzien of gelijkaardige functies vervullen (zoals de vleugels van vlinders en vleugels van vogels). Zij hebben een convergente evolutie doorgemaakt, maar stammen niet af van gelijkaardige embryonale structuren, noch stammen zij af van structuren die reeds voorkwamen bij gemeenschappelijke voorouders. In het voorbeeld van vlinders en vogels: de gemeenschappelijke voorouder van de huidige vlinder- en vogelsoorten had geen vleugels. Let wel dat de recente ontdekking van diepe genetische homologieën dit debat opnieuw heeft doen oplaaien (e.g., hoewel de ogen van mensen en fruitvliegen niet anatomisch homoloog zijn, ligt aan de basis van beiden het PAX6 gen). Analoge structuren contrasteren met homologe structuren.
°
ANATOMIE  De structuur van een organisme of van één van zijn onderdelen De wetenschappelijke discipline die dergelijke structuren bestudeert
°
ANCESTRALE HOMOLOGIE Een homologie die evolueerde voor de gemeenschappelijke voorouder van een aantal soorten, en die ook aanwezig is bij soorten buiten deze groep soorten. ANCESTOR  Ancestor: Any organism, population, or species from which some other organism, population, or species is descended by reproduction. SOURCE: UCMP Glossary http://www.ucmp.berkeley.edu/glossary/gloss1phylo.html
°
ANABOLISME Anabolisme is het onderdeel van de stofwisseling waarbij het levende systeem, organisme, orgaan of weefsel in opbouw is.
°
ANTIBIOTICUM Letterlijk= “tegen wat leeft.” De eerste antibiotica werden ontwikkeld uit schimmels (bv. penicilline, streptomycine). De micro-concurenten van bacterieen Het zijn stoffen die bacterieën doden( bactericiden ) en zodoende (oorspronkelijk) door de schimmels zijn ontwikkeld ; ze worden gebruikt als medicijn ( als geraffineerd schimmelextracten en tegenwoordig ook in synthetische en artificieele vormen )tegen bacterieële besmettingen Bij genetische transformatie van planten worden antibiotica soms gebruikt om een onderscheid te maken tussen getransformeerde cellen (=bezitten een antibioticumresistentie-gen en overleven het toevoegen van het overeenkomstige antibioticum) en niet-getransformeerde cellen (= bezitten geen resistentiegen en worden gedood door aanwezige antibiotica).
°
ANTIGEN : een stof die de productie van antilichamen veroorzaakt wanneer ze ingebracht wordt in een ander lichaam. Een vaccin werkt bijvoorbeeld als een antigen. leer meer over het immuunsysteem van de mens –> http://www.biology.arizona.edu/immunology/immunology.html Antilichaam : een eiwit dat geproduceerd wordt door het lichaam van hogere organismen wanneer het in contact komt met vreemde stoffen (antigenen genaamd). De antilichamen kunnen deze vreemde stoffen onschadelijk maken. leer meer over het immuunsysteem van de mens —> http://www.biology.arizona.edu/immunology/immunology.html Antilichamen  eiwitten die door het immuunsysteem worden aangemaakt om lichaamsvreemde stoffen (antigenen) te verwijderen of te vernietigen.
°
ANTILICHAAM  Antilichaam Een antilichaam wordt ook wel een antistof genoemd. Antilichamen zijn onderdelen van het afweersysteem die heel specifiek een bepaald lichaamsvreemd molecuul herkennen en eraan binden. Bij ziekte maakt het lichaam bijvoorbeeld antilichamen aan tegen de ziekteverwekkers. Daarna kunnen de ziekteverwekkers opgeruimd worden. Antigenen lichaamsvreemde stoffen die door het afweer- of immuunsysteem herkend worden
°
ANTISENSE antisense RNA (of DNA) is een enkele streng nucleïnezuren (RNA of DNA) complementair met een coderend mRNA (sense). De complementaire strengen binden met elkaar, waardoor de werking van het mRNA geblokkeerd wordt en er geen eiwitten meer worden gevormd..
°
ANTROPOIDEN  De groep primaten die apen en mensapen (mensen inbegrepen) omvat. “…In oude classificaties werden de spookdiertjes samen met de halfapen in een onderorde geschaard, de Prosimii, terwijl de apen en mensapen in een andere onderorde zaten, de Anthropoidea. Deze indeling wordt niet meer gebruikt, aangezien spookdiertjes dichter bij de apen staan dan bij de halfapen….” tegenwoordig is de onderverdeling : “…Haplorhini is de grootste van de twee onderordes uit de orde der primaten (Primates). Tot deze onderorde behoren de apen (waaronder dus ook de mensapen en de mens) en de spookdiertjes. De andere onderorde, Strepsirrhini, bevat de halfapen….” http://nl.wikipedia.org/wiki/Haplorhini APOPTOSE/APOPTOSIS Proces van geprogrammeerde celdood. In sommige kankervarianten kan het gen wat hiervoor moet zorgen kapot of uitgeschakeld zijn, met als gevolg ongeremde celgroei.
°
ARCHETYPE De oorspronkelijke vorm of lichaamsplan waaruit een groep organismen is geëvolueerd. The origin of animal body plans<—
°
ARCHEOLOGIE  De wetenschappelijke studie van de menselijke geschiedenis en prehistorie door het opgraven van sites, en het onderzoek van stoffelijke overblijfselen, waaronder graven, werktuigen, aardewerk en andere artefacten. ATP ATP (adenosinetrifosfaat) is het molecuul dat bij veel biologische reacties zorgt voor de benodigde energie. ATP levert energie door het afstoten van één of twee fosfaatgroepen waardoor er respectievelijk adenosinedifosfaat (ADP) en adenosinemonofosfaat (AMP) gevormd wordt. http://www.strw.leidenuniv.nl/~icke/html/LevendHeelal_files/dictaatGoosen.pdf
°
AUSTRALOPITHECUS  AFARENSIS  Australopithecus afarensis (“southern ape of Afar”) first appeared approximately 4 million years ago (mya) in the area that is now East Africa and disappeared around 3 mya. They stood upright, but did not walk with quite the same gait as modern humans. Their brain was slightly larger than that of the chimpanzee. A. afarensis had an apelike face with a low forehead, brow ridge, a flat nose and no chin (the chin is only developed in modern humans). The incisor teeth were rather apelike, but the canines were smaller than most apes. Fossil teeth suggest that the A. afarensis diet included fiberous fruits, plants and seeds. Some scientists believe that A. afarensis or a close relative may have been the direct ancestor to our human line (genus Homo). Over 200 specimens of A. afarensis have been recovered from Hadar, Ethiopia, alone – making it perhaps the best understood early hominid. BH-001 http://www.boneclones.com/BH-001.htm Laetoli Lucy BH-021-T http://www.boneclones.com/BH-021-A.htm#dark-finish http://www.boneclones.com/KO-036-J.htm http://www.boneclones.com/KO-036-C.htm http://www.boneclones.com/KO-036-P.htm http://www.boneclones.com/KO-036-PF.htm http://www.boneclones.com/KO-036-PS.htm http://www.boneclones.com/KO-036-F.htm http://www.boneclones.com/KO-036-S.htm 3.2 MYA. The Australopithecus afarensis Skull “Lucy” was discovered by D. Johanson in 1974 in Hadar, Ethiopia. Several branches of the hominid evolutionary tree that began between 2 and 3 MYA stemmed from “Lucy’s” species. Although the short stature of this female, only 3 ½ feet, suggests that she was immature, eruption of the third molar provides evidence that this specimen was mature, and was simply a female representative of a sexually dimorphic species. The jaw shares features with both apes and other early hominids, with the shape showing some similarities to apes, with relatively large front teeth and parallel-sided tooth rows, and the size of the canine teeth being intermediate between apes and hominids who lived later. The cheek teeth are intermediate in size between hominids who lived earlier and those who lived later. The brain of “Lucy” was relatively small and overlapped in size with living apes; however, the shape of the pelvis, along with other characteristics of the postcranial skeleton, indicates that “Lucy” walked upright. At the same time, other characteristics of the limb skeleton indicate that members of this species spent time in the trees. This combination of an ape-sized brain in a hominid adapted to upright walking adds to the evidence that bipedalism occurred before the development of a relatively large brain. http://www.boneclones.com/images/sc-036_web-lg.jpg http://www.anthro4n6.net/lucy/ http://home.hccnet.nl/g.vd.ven/lucy.htm Lucy’s baby “Dikika Baby” http://www.sesha.net/eden/nieuws/2006-04.asp http://news.nationalgeographic.com/news/2006/09/060920-lucys-baby.html
°
AUTO-IMMUUM ZIEKTEN Een ziekte die wordt veroorzaakt door een afweerreactie die gericht is tegen lichaamseigen cellen en stoffen.
°
AUTOSOOM chromosoom dat géén geslachtschromosoom is. Autosoom Alle chromosomen, behalve de geslachtschromosomen. Bij de mens zijn dat de chromosoomparen 1 t/m 22. Autosomaal : met betrekking tot een autosoom. Een kenmerk erft autosomaal over wanneer het betreffende locus gesitueerd is op een ander chromosoom dan de geslachtschromosomen. Autosomale overerving Overerving (van een gen, mutatie of ziekte) via één of meerdere autosomen. Autosomen zijn alle chromosomen met uitzondering van de geslachtschromosomen. Autosomaal dominant Bij autosomaal dominante overerving komt een afwijkende erfelijke eigenschap, geërfd van de ene ouder, tot uiting, waarbij het allel van de andere ouder wordt overstemd. Autosomaal recessief Bij ziektes die ontstaan door autosomale recessieve overerving moet een persoon twee dezelfde ziekte-eigenschappen, één van beide ouders, heeft geërfd.
°

———————————————————————————————————————————————————— INDEX

°

aanpassing en variatie.docx (341.9 KB)

°

acanthostega.docx (2.3 MB)

°adaptaties.docx (1.1 MB)

°adaptationistische programma’s.docx (21 KB)

°aegyptopithecus en dergelijke.docx(4.3 MB)

°Afstamming van de mens en de mensachtigen

°archief van de afstamming van de mens.docx (4.7 MB)

°ALBINISME.docx (4.8 MB)

°ammonieten en aanverwanten.docx (3.3 MB)  °Orthoceras[1].pdf (584.2 KB)  (Ammonieten )

° amniotes.docx (2.8 MB) °

AMPHIOXUS.docx (349.1 KB)

°

 analoog en homoloog.docx (820 KB) °

angst voor kruipend gedierte.docx (257.7 KB)°

 anolis hagedissen.docx (308 KB) °

ANOMALOCARIDIDEN.docx (383.1 KB) °

antibiotica.docx (742.7 KB)

°antivries.docx (1.2 MB)

° apoptosis.docx (286.1 KB)

°archief van de afstamming van de mens.docx (4.7 MB)

°arthropoda.docx (2.3 MB)

°astynax.docx (213.7 KB)

°ATAVISME.docx (1.6 MB) australopithecus.docx (6.5 MB)

°autotrofie.docx (1.8 MB)

° evolutie & aids.docx (1.1 MB)

°fossil antarctica.docx (2.4 MB)

EVODISKU ZOEKMACHINES http://www.bloggen.be/tsjokfoto/archief.php?ID=458587 (rechtstreeks op alle daar aanwezige  “boxes ”  )
°
A
AANGROEI  HERSENCELLEN  aangroei hersencellen.docx (365.2 KB)
1.- DOMINANTE DIEREN MAKEN EEN DERDE MEER HERSENCELLEN AAN Simone De Schipper   // 
2.- Breincellen aangroei Hersenontwikkeling vanaf de geboorte/Erfelijkheid en de groei van de hersenen/Gezondheidsraad, 1994; Dijkstra, 1987; Van Dam en Eilander, 1998). //                                                                                                                                                 3.- ” experiment van Rosenschweig”  //                                                                                                                                             4.-Hersenvolume//
     
-       
5.- Hersenen-ontwikkeling tijdens de puberteit                
6.- tjeerdo Zonder fosfor geen gedachten    
7.- Cannabis bevordert groei hersencellen bij ratten (De Morgen ) 
-                      
-9.- Plastische hersenen
-
-
-
12.-Het brein, minder stabiel dan gedacht                                                                                                                                             13.- Over cellen en massavernietiginswapensTomaso Agricola1
-
-
15.- Ontwikkeling hersenen 
-
16.- Zenuwcellen groeiden na 19 jaar coma aan bij ontwaakte Amerikaan  
-
17.- Breincellen uit beenmerg/ Stamcellen worden neuronen /2003 http://noorderlicht.vpro.nl/artikelen/10291760/          
-
19 .- Oudere krijgt langzamer nieuwe hersencellen
-
Trefwoordenlijst 
concurrentiestrijd 1 ,
Gedragsfysiologie 1
1,Hormoon1 ,
IQ –test
Neurogenese1 ,ratten (Proefdier )1
,sociale dominantie(Dominant (dier)) 1
Stress 1 ,
lichaamsbeweging 1 ,
leervermogen 1,
Aanpassing  zie —>adaptatie 
aanpasbare   

snel aanpassen

°

—>  ABIOGENESIS 

abiogenesis updates.docx (193.6 KB)

abiogenesis.docx (730.8 KB)

chiraliteit.docx (609.8 KB)

CHNOPS.docx (488.6 KB)

foto’s.docx (331.3 KB)

geothermale of hydrothermale oorsprong van leven.docx (617.3 KB)

Black smokers Zwarte Spuiters →Meteorites May Have Fostered Life on Earth–>misvattingen over abiogenesis.docx (152.6 KB)

TNA.docx (79.4 KB)

zelforganisatie.docx (786.1 KB)  inhoud :  1.-  Wat is abiogenese 2.-  Abiogenese  (Wikipedia ) 3.-  In den beginne 4.-  Het  “onderzoek” naar het  ontstaan van de eerste levende cel 5.-  Oersoep “God zou het ook zo doen” 6.-  Stanley Miller Overleden /  20-05-2007 7.-  Bliksem in de oersoep/Reageerbuisjes Miller-experiment teruggevonden 8.-  Jeffrey Bada 9.-  Heranalyse van vijftig jaar oude gegevens 10.-de Cairns-Smith Crystal Matrix Hypothese 11.-Submarine Hot Springs Hypothese. 12.-RNA  WORLD 13.-VIRUS 14.-De oorsprong van het leven

Links
>J.Craig venter institute
-
>AMERIKANEN WERKEN HARD AAN ZELFGEMAAKT LEVEN
Sander Voormolen /NRC Handelsblad, 21 december 2002; Bron: Science http://www.fractal.org/Fractal-Research-and-Products/Kunstbacterie.htm
-
-

How were the first cells formed (abiogenesis)? ( Mad scientist ) (Anti-creato) 

,

Acanthostega

adaptaties / aanpassing   , 

evodisku – adaptaties  adaptatie(s) (nota)

- Richard Dawkins   = Hoe kunnen we weten  of een bepaald kenmerk een adaptatie is? /  

-

1.1  Hoe natuurlijke  selectie voor adaptatie zorgt  /  

-

1.2  Seksuele selectie   –>Verhalen vertellen   

-

Adaptationistisch programma  

-Adenine   DNA    

Adenine < (wiki)

Adenosinedifosfaat < (wiki)

Adenosinetrifosfaat<  (wiki)

Advantages of sex (ridley)                                             

Aegyptopithecus en dergelijke       

Aegyptopithecus Zeuxis LINKS

Akilia < wiki
http://www.sciencedaily.com/releases/2004/12/041219171437.htm                                                                                  http://www.geologischevereniging.nl/geonieuws/geonieuwsart.php?artikelnr=497 
http://www.geologischevereniging.nl/geonieuws/geonieuwsart.phpartikelnr=528                                                   

ALBINISME    

Allel  allele allele frequency / Border Collies – Genetica Allele interactie  ,  Zweet en urine kunnen best lekker zijn , Androsten

°

Allopatrische of sympatrische modellen -à SPECIATIE 

°

Altruisme   Altruism (ridley) samenwerking bij primaten altruisme 

Altruisme   foto’s >Brein en evolutie altruisme   samenwerking bij primaten >

 

1.-   Beestige vrijgevigheid ? Chimpansees zorgen enkel voor zichzelf

Zelfmoord 

Suicidale muizen  ?

woensdag 19 september 2012

Het populairste voorbeeld voor zelfmoord binnen het dierenrijk is  (waarschijnlijk ) een ( door de filmindustrie aangewakkerde )legende  onstaan rond de   lemmingen-trek .

Lemming (Lemmus lemmus)

http://www.wildernessroad.eu/NL_fauna.html

De lemming komt vooral voor in het hoge noorden, op toendra’s, in berggebieden en op het open veld. De grootte van de lemmingpopulatie kan in een paar jaar zeer grote verschillen vertonen. De populatie van predatoren die vooral van lemmingen leeft (zoals de poolvos), wisselt met de lemming-bevolkingsdichtheid: in een goed lemmingjaar krijgen ze veel kroost, het jaar daarop zijn er veel roofdieren en weinig lemmingen, zodat er minder roofdieren komen en de lemmingen weer toe kunnen nemen.

Wanneer er veel dieren zijn trekken grote groepen verder. Over deze vaak massale migratie zijn allerlei volksverhalen ontstaan. Zo zouden de lemmingen massaal zelfmoord plegen tijdens deze trek. Hier kan het inderdaad op lijken wanneer bijvoorbeeld grote hoeveelheden lemmingen (in principe goede zwemmers) omkomen wanneer ze proberen een rivier of meer over te steken.

De mythe leek alleen maar te worden bevestigd door bijv. stripboek, film en documentaire. De Disney film ‘White Wilderness’ uit 1958, die een Academy Award won voor beste documentaire, liet een scene zien waarin lemmingen van een klif springen. Zowel deze scene als de scenes van massamigratie bleken in scene gezet…

Toch geeft de natuur nog een ander opmerkelijk voorbeeld: sommige muizen bieden zichzelf aan als vers kattenvoer. Wat op doelgerichte zelfmoord lijkt is in feite een geval van hersenspoeling. De kleiner knagers zijn geïnfecteerd met Toxoplasma. Dit is een eencellige parasiet die de muis als tijdelijke gastheer gebruikt. De voortplanting moet echter in het lichaam van een kat plaats vinden.

Om van muis naar kat te komen heeft de parasiet een fascinerende strategie: hij manipuleert de hersengebieden van de muis die angstig gedrag sturen. Daardoor verliest de knager zijn natuurlijke weerzin tegen katten. Sterker nog, hij voelt zich plotseling onweerstaanbaar aangetrokken door de geur van kattenurine. Zo wordt hij makkelijke prooi voor zwervende katten. Terwijl de muis verteerd wordt komt de parasiet vrij om zich voort te planten. Zijn eieren worden samen met de uitwerpselen van de kat uitgescheiden.

“Zelfmoord” om de soort te beschermen,   
slijmzwam  / Dictyostelium   Sociale microbe
 Elkaar willen helpen in tijden van nood zit in de mens /  De terugkeer van de barmhartige Samaritaan   De terugkeer van de Barmhartige Samaritaan FV  <—PDF 
Altruïsme werksterbijen is kwestie van dwang   devolkskrant_2006_altruisme werksterbijen een kwestie van dwang <—pdf  —->zie ook Sociaal gedrag dieren
Insectengemeenschappen eerder politiestaat dan democratie
“Insectengemeenschappen eerder politiestaat dan democratie”
Conflict in insect societies http://bio.kuleuven.be/ento/conflict.htm
Cooperation in insect societies http://bio.kuleuven.be/ento/cooper.htm
Bericht 19  Altruïsme uit eigenbelang
Bericht 20  Bavianen handelen in baby’s
Bericht 21  Offers in dewoestijn
Bericht 22  Plaats van altruïstische gevoelens in hersenen gevonden
Bericht 23  De hulpvaardige aap   / Altruïsme: typisch menselijk?
Bericht 24  De knuppel in de bijenkorf
Bericht 25  Een goede buur   /Naastenliefde onder krabben
Bericht 26  De wenkkrab
Bericht 27  Mier laat over zich lopen
Bericht 29  Chimpansees: Een onvriendelijk volkje ?

alzheimer

1.-  ‘Bij alzheimer zullen stamcellen niet helpen’

Amino acids (ridley)

amphioxus (Lancetvisje ) amfibieen   AMNIOTEN  Amniotes (ridley)  The Anomalocaris Homepage.  http://www.trilobites.info/anohome.html ANAGENESE    Analysis of Phylogeny and Character Evolution

Nancy Andreasen

1.-  ‘Mijn intelligentie is een geschenk’                                                                              

2  .-De evolutie van schizofrenie/  Hoe kunnen schadelijke genen zo succesvol zijn?  
°
Angiosperms (ridley)
°

ANOLIS HAGEDISSEN

°

Antagonistic coevolution (ridley)

°

ANTIBIOTICA

°
°
°

-archaeopteryx brein

( evo wiki ) auteur ; SynapticSynapsid

°
°

Artificial selection (ridley)

°

Asexual reproduction (ridley)

°

Assortative mating (ridley)

°

Astyanax mexicanus

°

ATAVISME   

Atavism: Embryology,

Development and Evolution

Atomistic (ridley)

°

australopithecus

°

Autisme

°

autotrofie

°

axolotl

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 254 andere volgers